elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.

aamtig, [opgezwollen], aamtig, (bijvoeglijk naamwoord), Aamtigheid is eene soort van zucht, opzwelling en uitzetting der borsten der vrouwelijke zoogdieren, inzonderheid van het uier van koeien, schapen en geiten, kort voor en na het afkalven of het afwerpen van hunne jongen. Veelal zijn dezulke die veel melk geven het meest vatbaar voor aamt. Dikwijls is niet alleen het geheele uier opgezwollen, maar breidt de aamt zich langs den buik tot aan de voorpooten uit.
aanballen, [aankleven], aanballen, (intransitief werkwoord), aankleven. Het balt aan. Als bij dooiend weer de sneeuw vochtig wordt en aan de voetzolen blijft hangen, zoodat er klonters onder de voeten ontstaan, noemt men dat aanballen: de sneeuw balt aan. Dit aanballen is den voetganger vaak al zeer lastig en doet niet zelden het vlugste paard struikelen.
aanbollen, [zoenen], aanbollen, (intransitief werkwoord), kussen, zoenen. Op vrolijke gezelschappen van beiderlei kunne, waar men onderling pret maakt, is dit woord hier niet vreemd: niet zelden hoort men daar: komt laat ons nog eens aanbollen.
aangaan, aangaan, (intransitief werkwoord), leven maken, razen, spoken. Je moet zoo niet aangaan: ze hebben verbazend aangegaan.
aangezicht, azend, (onzijdig), azenden, aangezigt, bakhuis, bakkes. Een mooi azend. Een klein persoontje, laag op de voeten, een smal azend en kleine oogjes; zoo noemt men spottend een varken.
aantuigen, [aanvatten, aangrijpen], aantuigen, (transitief werkwoord), aanvatten, aangrijpen, aanvaarden, onder handen nemen. Er behoort moed toe zoo iets te durven aantuigen.
aanwaaier, [oorvijg], aanwaaier, (mannelijk), aanwaaiers, oorvijg, muilpeer, watjekaauw, een slag aan het hoofd. Hij gaf hem een paar aanwaaiers.
aanwenst, [gewoonte], aanwenst, (vrouwelijk), aanwensten, aanwenning, aanwensel, gewoonte, hebbelijkheid. Dat is een aanwenst, het zijn leelijke aanwensten.
aap, aap, (mannelijk), apen, schat, geld. Hij heeft den aap beet, daar zit de aap, hij is met den aap op den loop.
aas, eesje, (onzijdig), eesjes, aas, het is geen eesje, geen begeerlijk aas, het is geen hapje, geen eesje om naar te verlangen, ik ben op zulke eesjes niet gesteld.
achterbaks, achterbaaks, (bijwoord), ook wel achterbaks of achterbanks, achter den rug. Iets achterbaaks houden, schuil houden, verbergen. Zich achterbaaks houden.
achterin, [achterste gedeelte], achterin, (onzijdig), achterinnen, koestal, lange regel. Zoo heet de plaats of ruimte, waar men des winters het vee stalt en waar men door de buiten- of achterdeur in komt. Het is hier, veelal nabij de achterdeur, dat vele landlieden des zomers wonen.
achterkontig, [achterdochtig], achterkousig, (bijvoeglijk naamwoord), achterhoudend, geveinsd, achterdochtig. Hij houdt zich maar achterkousig, is niet rondborstig.
achterland, [bezitting, rijkdom], achterland, (onzijdig), achterlanden, bezitting, rijkom, geld. Er is nog achterland, er is meer land dan gij hier ziet, er is nog land achter dit land. De zin is: er is nog meer dan dit, er is voorraad.
achterom, achterom, (onzijdig), achterommen, korte regel, zoutkamer. In de meeste koestallen vindt men hier een lange en een korte regel met nog een achterom waar ook vee gestald kan worden: doorgaans wordt het achterom des zomers tot zoutkamer ingerigt.
akkefietje, akkefietje, (onzijdig), akkefietjes, het onverwacht geroepen worden tot het vervullen van een moeielijk te volbrengen pligt; van daar zegt men van een lastige post, een zuinig baantje, eene onpleizierige bestiering: dat is een leelijk akkefietje. Zulke akkefietjes zijn niet aangenaam.
alaan, [voort, gedurig], alan, (tussenwerpsel), voort voort, toe maar, vooruit maar, alan voort! Als bijwoord in den zin van: gedurig, aanhoudend, telkens, immer. Zij is daar alan over den vloer, dat gaat zoo maar alan door, dat is alan weer aan, men moet er maar alan het oog op houden.
allemansbruiloft, [bruiloft voor alleman], allemansbruiloft, (vrouwelijk), allemansbruiloften, eene bruiloft voor alleman, waar ieder, hij zij bloedverwant of goed vriend, deel aan kan nemen. Meermalen houdt men allemansbruiloften bij mingegoeden ten platten lande, waar men zoo doende zich onkostbaar een vrolijk feest bereidt.
allijk, [toch], allijk, (voegwoord), allijkewel, toch. Wie was dat allijk? wie allijk heeft ons het nieuws verteld? hoe allijk ging dat toen?
alstublieft, assie, als het u belieft, verkorting van het verminkte assieblieft. Bij het overgeven of aanbieden van iets zegt men hier kortweg, assie; verzoekende en vragende, assieblieft; ernstig smeekende, als het u belieft.
alwaardig, aalwerig, (bijvoeglijk naamwoord), woeg, dartel, vrolijk. Men past dit woord hier veelal toe op het vee, dat door huppelen en springen zijne blijdschap en levenslustigheid te kennen geeft. Het jonge vee is thans zoo aalwerig en dartel, dat je ze naken noch raken kunt. Ook van kinderen die buitengewoon woelig en druk zijn zegt men: wat zijn ze aalwerig! In den Navorscher van 1854 heb ik onder meer andere dit woord medegedeeld, en verklaard. Zie verder Woordenb. van Te Winkel en de Vries, waar het afgeleid wordt van, aalwarig, aalwaardig enz.
amerij, amerij, (zelfstandig naamwoord), oogenblik. Het duurt maar een amerijtje, wij zijn nu in een amerij thuis, het kind zit geen amerij stil. Men wil dit woord afleiden van ave-Maria d.i.: de tijd waarin men een ave-Maria uitspreekt.
ander, aêr, (bijvoeglijk naamwoord), ander, zie aêrs.
andermans malligheid, [dat wat voor een spotprijs verkocht wordt], ander mans malligheid, (vrouwelijk), ander mans malligheden, zoo noemt men dingen, die soms voor een spotprijs gekocht worden, b.v. paard, rijtuig, meubelstuk, lijfsieraad of iets anders, alleen omdat de grillige eigenaar er geen behagen in vindt, en nu weer liever wat anders heeft. Hij koopt een ander mans malligheid.
anders, aêrs, (bijwoord), anders. Alweer een aêr, dat is wat aêrs, aêrsom met de wielen, hij is altijd aêrs als een aêr. Verkorting van ander en anders.
apenkool, apenkool, (vrouwelijk), apenkoolen, gerookte schelvisch. Als er wat veel schelvisch aan de markt is, waardoor ze soms voor een laag prijsje gekocht kan worden, laat men de kleinste visschen even zouten en hangt ze dan in den rook; deze gedroogde schelvisschen noemt men apenkoolen. Men gebruikt dit woord ook in de beteekenis van bedrog. Het is apenkool.
apenrok, [staartbuis], apenrok, (mannelijk), apenrokken, staartbuis. Zoo noemt men een manskleedingstuk, zijnde een wambuis met van achteren spits toeloopende slippen; de naam is ontleend aan de staartrokken die de dansende apen op de kermis plegen te dragen. Van daar apenrokjes, staartbuisjes.
ark, ark, (vrouwelijk), arken, een vaartuig op het drooge, tevens tot woning ingerigt. Meermalen wordt eene oude schuit op het land gehaald en voor woning gebruikt, men noemt ze dan ark. De naam doet aan Noach denken.
astrant, astrant, (bijvoeglijk naamwoord), (voor assurant) vrijpostig, vrijmoedig, indringend, stout. Door astrant en beleefd te zijn komt men soms ver in de wereld, het is een astrant volk.
asvarken, [asbezem], aschvarken, (onzijdig), aschvarkens, aschbezem, aschveger. Dit gereedschap was vroeger bij den gladden haard even zoo onmisbaar als aschschop en tang: ook nu nog gebruikt men bij den kachel en het fornuis een aschvarken, maar van een anderen vorm. In Zuidholland draagt een borstel den naam van varken.
au, aauw, (tussenwerpsel), zie aauwen.
auwen, [smart hebben], aauwen, (intransitief werkwoord), natuurlijke uitdrukking van smart.
azeling, [gedeelte van een hooiberg], eseling, (vrouwelijk), eselingen, als het opgetaste hooi aan het vee vervoederd wordt, neemt men eerst een vierde, of nog kleiner gedeelte van den berg, hetwelk dagelijks met de hooigraaf of spade in het vierkant wordt afgestoken, zulk een gedeelte noemt men een eseling, het geheel bestaat dus uit 4 of meer eselingen.
baai, baaitje, (onzijdig), baaitjes, borstrok van baai, korte buis; men gebruikt dit woord, dat van maleischen oorsprong schijnt te zijn, nog al veel met toepassing op borstkleedingstukken, die rondom den middel afgesneden zijn; fig. zegt men: hij heeft op zijn baaitje gehad, hij krijgt regen op zijn baaitje.
baan, baantje, (onzijdig), baantjes, bediening, post, stiek. Daar is een baantje te krijgen, d.i.: er valt wat aan te verdienen. Er zijn ook smerige baantjes, die lastig waar te nemen zijn, en weinig voordeel aanbrengen.
bakbeest, bakbeest, (onzijdig), bakbeesten, zwaar, lomp stuk hout of steen, monsterdier. Het is een bakbeest, een groot zwaar beest.
bakkeleien, bakkelaaien, (intransitief werkwoord), ravotten, stoeien, worstelen. Ze zijn aan het bakkelaaien. Eerst gaat het om de grap, om te weten wie de sterkste is, later wordt het soms ernst, en dan noemt men het vechten. Het woord schijnt van maleischen oorsprong.
bakker-an, [ten einde raad], bakkeraan, bakkeran. Hij is bakkeraan, hij zit in de klem, hij kan zich niet meer redden, hij is ten einde raad, de schotel is door den oven.
bakkes, bakkes, (onzijdig), bakkesen, bakhuis, bakkesje. Hij krijgt op zijn bakkes, hij heeft een klein bakkesje.
bal, balsch, (bijvoeglijk naamwoord), nestschuw. Eenen vogel die zijn nest verlaat, omdat het hoe weinig dan ook, door de hand van een mensch is aangeraakt, noemt men balsch. Er zijn verscheidene vogels, die hunne eieren verlaten en van het nest loopen, zoodra zij gewaar worden, dat men bij hun afwezen de eieren aangeraakt heeft; over het algemeen noemt men elken vogel balsch, die, om welke reden dan ook, zijn nest en eieren verlaat en er niet meer naar omziet.
balkenbrij, balkenbrij, (mannelijk), balkenbrijen, kooksel van allerlei afval van de slagt, met bijvoeging van eenige specerijen. Men maakt hier weinig gebruik van balkenbrij, omdat de wijze van toebereiding minder bekend is.
bandeloos, [ongetemperd, geen banden meer hebbend (koe)], bandeloos, (bijvoeglijk naamwoord), Men noemt eene koe losbandig, knikbandig, of bandeloos, al naar mate de kruisbanden verslappen, en wegzakken, van daar slapbandig, laagbandig; zijn de kruisbanden weggezakt terwijl de staartwortel zich meer verheft, dan verkrijgt het dier daardoor niet alleen een minder gunstig aanzien, maar wordt spoedig een bandelooze brommer; zie verder op dat woord.
bapje, bapje, (onzijdig), bapjes, babje, slabdoekje voor kinderen. Deze bapjes, slab- of morsdoeken waren verschillend van kleur en vorm; de kinderen werden er al vroegtijdig mede opgeschikt, en het duurde lang voor zij er van ontslagen werden. Ik zag ze meermalen in mijne jeugd, ook door vrouwen en wel voornamelijk oude vrouwen dragen.
bappe, [grootvader], bappe, (mannelijk zonder meervoud), babbe, bab, grootvader. Ik herinner mij nog zeer goed den tijd dat ik mijn grootvader van vaders zijde bappe, en dien van moeders kant ota noemde. Lang zijn die namen hier nog in gebruik gebleven, zelfs nu nog hoort men ze hier en daar noemen. Ook beb.
barg, berg, (mannelijk), bergen, gesneden beer. Gewoonlijk snijdt men de jonge biggen als zij eene maand oud zijn; de beertjes noemt men dan bergen, terwijl de zeugjes gelten worden geheeten.
bast, bast, (mannelijk), basten, de schors van een boom, de schil van planten en vruchten, de huid van dieren en menschen; in dit laatste geval wordt dit woord bij velen nog maar al te dikwijls toegepast.
batteren, batteren, (intransitief werkwoord), schelden, kijven, twisten, tegenspreken. Al dat gebatter helpt u niets, ze heeft al wat afgebatterd, hoor ze weer eens batteren.
bazig, [heerszuchtig], bazig, (bijvoeglijk naamwoord), baasachtig, heerschzuchtig; b.v. van een knecht die zich te veel gezag aanmatigt. De knecht is goed, maar wat al te bazig. Men zegt ook: als de knecht baas is, zijn er twee bazen, en: als de knecht een knecht heeft, zijn er twee bazen.
bedruipen, bedruipen (zich), (wederkerig werkwoord), zich behelpen, zich zuinig bedoen. Ofschoon hij weinig om handen heeft, weet hij er zich toch mede te bedruipen.
beduimelen, beduimelen, (transitief werkwoord), bevingeren, met de duimen bevlekken, iets b.v. een meubelstuk met vochtige vingers aanraken.
bekaf, bek af, (bijvoeglijk naamwoord), vermoeid, mat, loof. Het paard is bek af, men heeft het bek af gereden, d.i.: het dier is door aanhoudende vermoeiing zoo wee en slap in den bek geworden, dat het niet meer geschikt te leiden en te sturen is. Zoo zegt men ook van een reiziger die het jak aan heeft en zich afgemat nederzet om te rusten: hij is bek af en kan van vermoeidheid schier niet spreken.
bekleuteren, [beschikken], bekleuteren, (transitief werkwoord), beschikken, besturen. Hij kan dat werk heel goed bekleuteren, ze hebben dat gezamenlijk vrij wel weten te bekleuteren, het komt er maar op aan hoe de kleuters, klonten en kluiten bij elkander gehouden worden. Dat is wel aardig bekleuterd.
belabben, [kwaadspreken van], belabben, (transitief werkwoord), van iemand kwaadspreken, lasteren, labben, klappen, babbelen. Het is eene regte labbekak, die altijd den mond vol heeft van een ander te belabben.
belabberd, belabberd, (bijvoeglijk naamwoord), belebberd, belemmerd, gebrekkig, stuitend. Het is een belabberd redenaar, een belabberd werk; een belabberd paard of ander dier is een dier dat gebrekkig is en daardoor niet aan den eisch kan voldoen. Men gebruikt dit woord hier doorgaans in de beteekenis van gebrekkig, lastig en onaangenaam.
belezen, belezen, (transitief werkwoord), bespreken, bezweren, betooveren, een ongemak of ongesteldheid door geheime bestrijking en het prevelen van geheimzinnige woorden genezen. Een overblijfsel van het bijgeloof van vroegere dagen.
belij hebben, [aandrang voelen], blijd hebben, (intransitief werkwoord), aandrang tot ontlasting gevoelen. Men gebruikt dit woord meestal van kinderen. Het kind heeft blijd.
belust, belust, (bijvoeglijk naamwoord), belustheid, trek, begeerte, zekere geneigdheid hebbende naar spijze of drank, die men anders niet gewoon is te gebruiken, althans waaraan men niet zoo bepaaldelijk de voorkeur geeft: niet zelden is die belustheid eigen aan vrouwen, die wamelen. Zie op dat woord.
bentelen, [slenteren], bentelen, (intransitief werkwoord), heen en weder loopen, noodelooze bezoeken afleggen. Men zegt het vooral van vervelenden en lastigen aanloop van venters en bedelaars. Dat is een gebentel aan de deur, langs de straat bentelen. Zie op flenteren.
beren, beren, (intransitief werkwoord), brommen, luidruchtig schelden, aanhoudend knorren, eene gewoonte aan sommige vrouwen eigen. Zij beert wat af, men hoort haar gedurig beren, dan op de kinderen en dan weer op de meid.
beschimmeld, [met schimmel bedekt, beschaamd], beschimmeld, (bijvoeglijk naamwoord), bloode, onnoozel, beschroomd, schimmelig. Kinderen zijn dikwijls beschimmeld in het bijzijn van vreemden. Men zegt ook wel tegen eene jonge vrijster, die als zij met een vrijer kennis gemaakt heeft, daarover bloost: wees maar niet beschimmeld.
besjacheren, besjaggelen, (transitief werkwoord), bedriegen, beslenteren, beet nemen, iemand in de kleeren steken, op eene listige wijze het geld uit den zak kloppen; aan de jodentaal ontleend.
besmullen, [zich bemorsen], besmullen (zich), (wederkerig werkwoord), zich bemorsen of besmeren. Hij heeft zich leelijk besmuld, ze smullen op dien smerigen kleiweg, ze hebben van den regen gesmuld. Vandaar smullen, voor lekker eten.
bessel, [plooi], bessel, (vrouwelijk), bessels, plooi of vouw in een vrouwenrok of kleed. Zij heeft eene bessel in haar japon genaaid, omdat dat kostbaar kleedingstuk te veel langs de straat sleepte. Vandaar opbesselen, verbesselen.
bestrukken, [verzorgen], bestrukken, (transitief werkwoord), bezorgen, met belangstelling behartigen. Zij zal het wel goed bestrukken, het is net zoo’n bestrukje, ze heeft die huishouding al jaren lang waargenomen en bestrukt.
bestutten, [steunen], bestoeteren, (transitief werkwoord), schikken, steunen, stutten, met zijn gezag en overleg ondersteunen.
bestvatten, [feestvieren], bestvatten, (transitief werkwoord), feestvieren, tracteeren, onthalen, bestvat houden. Het is hier op het platte land gebruikelijk, bij gelegenheid van verloving, verjaring, verhuizing enz. de familie of de geburen op het bestvat te noodigen. Men noemt deze vrolijke gastmalen mogelijk zoo, om dat er dan uit het beste vaatje – paters vaatje – getapt wordt.
betoecht, [slim, geslepen], betoegd, (bijvoeglijk naamwoord), slim, geslepen, gaauw. Hij is betoegd, bij de hand, berekend, het is een betoegde knaap.
beu, ba, (bijwoord), beu, zat. De kat is de zoete melk ba, men wordt het eindelijk ba, hij zal dat spoedig ba zijn: het staat hem nu reeds tegen, het walgt hem.
beuken, beuken, (transitief werkwoord), kloppen, slaan. Hij beukt er maar op, hij is aan het stokvisch beuken, zij wil het verstand er in beuken.
beuker, [kleine, stevige jongen], beuker, (mannelijk), beukers, broekmannetje, een klein dral ventje, een kleine beuker, een corpulent mannetje.
beulen, [hard werken, plagen, kastijden], beulen, (transitief werkwoord), mishandelen, plagen, kastijden. Het schijnt zijn lust te zijn, dieren te beulen en te plagen. Zoo zegt men ook: hij is een beul voor vrouw en kinderen.
beun, beun, (vrouwelijk), beunen, hooge vloer, losse brug, post, een soort van houten brug met pooten. Groepbeun, koebeun, zitbeun. In den zomer maakt men in vele boerenhuizen de groep geheel of gedeeltelijk toe met houten beunen, om er te beter over te kunnen loopen. Zie verder op het woord post.
beunhaas, beunhaas, (mannelijk), beunhazen, opklopper, handlanger, knecht. Hij heeft ook al een beunhaas op het werk, het is een soort van beunhaas, die anderen in den handel behulpzaam is, zonder voor zich zelf handel te drijven.
beuren, beuren, (transitief werkwoord), heffen, tillen, ligten. Dat kunt gij beuren, hoe zwaar ook, hij zal het toch wel beuren, hij heeft geld gebeurd.
beuren, beuren, (intransitief werkwoord), het zal beuren, het moet beuren, als dat beurt zal er meer gebeuren.
beurs, beursch, (bijvoeglijk naamwoord), zacht, murw, beurschachtig; zoo noemt men overrijpe vruchten, die week worden en tot verrotting neigen. Ze zijn verbeurscht, eene beurzige peer kan nog smakelijk zijn. Van daar de spreekwijze: je bent niet rottig, al ben je wat beurzig.
biest, biest, (vrouwelijk zonder meervoud), de eerste melk van de koe na het afkalven. Men onderscheidt ze gewoonlijk in eerste, tweede en derde biest; de eerste biest bevat 6 a 7 maal meer vlastof dan gewone melk, de tweede en derde weer minder en zo vervolgens. In den regel geeft men de eerste biest aan het kalf; de tweede en derde verkoopt men aan den bakker of bereidt er eene smakelijke pap van. Zie op het woord wellen.
bietebauwen, [wild gedragen van vee], biesbaauwen, bietebaauwen, (intransitief werkwoord), Als het vee op een heeten dag in den zomer met den bek open en den staart in de hoogte de weide op en neder galoppeert, dan zegt men: het vee biesbaauwt. De naam is ontleend aan het spook bietebaauw, dat het bijgeloof zich vroeger als een wezen voorstelde, dat met geopenden mond en bulderend geluid alles dreigde te bijten, wat onder zijn bereik viel. Van daar nog de namen bulleman, bullebak, budde, boesman enz. De horsel, eene soort van wesp die, met een scherpen angel gewapend, runderen en paarden schrik aanjaagt, is de eigenlijke bietebaauw, die het vee onrustig en angstig maakt en hollend doet voortgaan, wat wij biesbaauwen noemen.
bieter, [koe met spierverslapping], bieter, (bijvoeglijk naamwoord), De koe biet, het is een bieter, zegt men als ten gevolge van spierverslapping de hals of schede van den draagzak naar buiten zigtbaar wordt. Men noemt dat uitgedreven gedeelte van de schede het bietlijf.
biggen, [biggen werpen], biggen, (transitief werkwoord), biggen ter wereld brengen; de zeug bigt, de koe kalft, het paard veult, het schaap oont, de geit jongt.
bikken, bikken, bikkelen, (transitief werkwoord), Men gebruikt dit woord hier veelal in de beteekenis van eten, spijs verzamelen, voor den mond zorgen, de bikkels of beentjes afkluiven. Er valt niet veel te bikken, ze zijn aan het bikkelen. Zie verder op pikken.
binken, binken, (transitief werkwoord), bink spelen, school verzuimen, uitblijven. Hij is geen trouw bezoeker van de kerk, hij binkt dikwijls, vele schoolkinderen op het land binken dikwijls maar al te veel.
binnen mikken, binnen mikken, (bijwoord), onder dak, binnen de mikken, binnen de stijlen. Zoo zegt de landman als hij zijn graan of hooi bij droog weer mag binnenhalen: “dat is weer mooi binnen mikken”. Het schip is binnen mikken, hij was juist voor de bui binnen mikken.
bitterzoet, bitterzoet, (onzijdig zonder meervoud), kwalster (sol. dulcamara), eene plant die men hier dikwijls in de koppen van oude wilgenboomen aantreft, en die door sommigen om de zoeten nasmaak gekaauwd wordt.
blaar, blaar, (vrouwelijk), blaren, bles, witte streep voor den kop van een paard koe of ander dier. Vroeger sprak men algemeen van blaar of bleer, later is het woord blaar als zoodanig in onbruik geraakt en vervangen door woord bles, dat men evenwel niet moet verwarren met kol en snuit.
blaar, blaar, (vrouwelijk zonder meervoud), de blaar, eene hevige opzwelling van de huid over het geheele ligchaam, inzonderheid bij runderen en schapen: dit ongemak spreidt zich dikwijls in korten tijd over de geheele oppervlakte van het dier uit, waardoor meestal ontvelling en afschilfering van de opperhuid ontstaat. Meermalen sterft de koe plotseling, terwijl het ligchaam opzwelt en spoedig tot ontbinding overgaat, waarvan de oorzaak onbekend is; men zegt dan, om het kind toch een naam te geven – zij stierf aan de binnenblaar.
blakstil, [doodstil], blak stil, (bijvoeglijk naamwoord), doodstil. Het is blak stil, er is geen het minste togtje te bemerken, geen blad beweegt zich, men zou op het land haast zeggen: bladstil. Daar het evenwel meer een zeemanswoord is, wil men het afleiden van het woord black dat een toestand van de zee te kennen geeft die haar door volkomene stilte eene kleur doet aannemen, welke zij vóór noch na de stilte bezat.
blauw halen, blaauw halen, (transitief werkwoord), blaauwe schenen krijgen, een blaauwtje beloopen, de schenen stooten; met betrekking tot de vrijerij zegt men van iemand, die de vrijster een bezoek geeft, maar afgewezen wordt: hij kreeg blaauw, hij heeft blaauw gehaald, hij is met een paar blaauwe schenen thuis gekomen.
blazen, blazen, (intransitief werkwoord), wegnemen, zich toeëigenen, eene soort van verbeurdverklaring, bij mingeoefende damspelers nog in gebruik, bestaande in het wegnemen van eene schijf, waarmede de tegenpartij een slag had kunnen doen.
blèren, bleerten, (transitief werkwoord), bleren, gebleer maken, jammeren, schreeuwen, blaten, als het vee. Zij bleert wat af, dat is een bleerster. Zij die aanhoudend, eentoonig jammeren en schelden, zijn lastige bleersters.
blikken, blikken, blikkeren, (onpersoonlijk werkwoord), bliksemen. Men ziet het nog gedurig blikken, dat was een wreede blik, bliksemstraal.
blouwen, blaauwen, (intransitief werkwoord), blouwen, beuken, kloppen, de armen herhaaldelijk over elkander slaan. om zich warm te maken. Het moet eigenlijk zijn blouwen, waarvan het bijvoeglijk naamwoord blaauw is afgeleid.
bobberd, [stijfkop], bobbert, (mannelijk), bobberts, stijfkop, een noest onwillig dier, dat zich moeielijk laat leiden; men past dit woord ook toe op menschen, die stijfhoofdig en stuursch zijn, die alles met een onvriendelijk gezigt afwijzen, wat zij niet verkiezen aan te nemen. Het is een regte bobbert, een windbuil, een opgeblazen wijsneus.
bocht, bogt, Er de bogt om leggen, omhelzen, kussen. Op vrolijke partijen of bruiloften, hoort men niet zelden de gewillige aankondiging herhalen: wij zullen er de bogt nog eens om leggen.
boe noch bah, boe noch ba, Hij spreekt boe noch ba, zegt niets, spreekt geen enkel woord, geeft zelfs geen geluid.
boede, boet, (vrouwelijk), boeten, schuur; varkensschuur, varkensboet. Het varken is in de boet. Bij schier ieder boerenhuis vindt men op hetzelfde erf een kleiner gebouw, dat men hier meestal schuur noemt; enkelen zeggen boet onzijdiga. in Drechterland. Vroeger stonden de boeten of schuren geheel over het water en waren alleen van hout gemaakt; nu echter staan zij genoegzaam alle op het erf, en zijn grootendeels van steen gebouwd.
boel, boel, (mannelijk), boedel, menigte, groot aantal. Daar was een boel volk, daar is nog een boel aan te verbeteren, de boel is in de war, ze zijn met den boel verlegen, daar hebt gij nu het heele boeltje.
boelhuis, [veilinghuis], boelis, (onzijdig), boelissen, boelhuis, verkooping. Groot boelis, klein boelis, boelisje, boelissen, d.i.: te boelhuis gaan, boelhuis houden.
boenwal, [waterstoep], boenwal, (mannelijk), boenwallen, boenstoep, een houten werkplaats of steiger aan het water, ingerigt om daar te kunnen boenen, schrobben, schuren en waterscheppen. Eenvoudig weg: de wal.
boer, boer, (mannelijk), boeren, boerman, bouwman, huisman, landman, veehouder, boertje. Men is nog al niet schaarsch geweest in het toepassen van het woord boer op verschillende bedrijven en toestanden van het landleven; immers men spreekt van bouwboer, zaadboer, koeboer, melkboer, boterboer, kaasboer, kleiboer, veenboer, zandboer, meerboer, oudelandsboer, turfboer, vischboer, botboer, groenboer, zetboer, enz. enz. Het doorgaans minder beschaafd en ongemanierd voorkomen van den boer deed vroeger den stedeling vaak met minachting op hem nederzien; en nog wordt maar al te dikwijls uit verwaandheid de boer beschouwd als iemand, waarmede weinig is aan te vangen. Mannen van de theorie begrijpen doorgaans maar al te weinig het nut van de praktijk van den landman, die vroeg op den akker is, geen tijd verzuimt, en uit eigen oogen ziet; die door ondervinding geleerd, met zijn gezond verstand raadpleegt en zich den naam van boer niet schaamt.
boeren, boeren, (transitief werkwoord), landbouwen, veefokken, zuivel bewerken, het bedrijf van landman uitoefenen, eene boerderij besturen. Hij boert, zij boeren. Boeren is loeren zegt het spreekwoord, omdat het welslagen dikwijls van omstandigheden afhangt, die men niet altijd kan voorzien noch voorkomen.
boezel, [schort], boezel, (onzijdig), boezels, boezelaar, boezeltje, voorschoot, gemaakt van wollen stof, dat men boezelgoed noemt. De boerinnen en boerenmeiden dragen boezels van verschillende kwaliteit, van daar zondagsch boezel, daagsch boezel en werkboezel.
boffen, boffen, (intransitief werkwoord), koop breken, weigeren zijn bod gestand te doen. Hij boft, het is een koopman bof, hij geeft rouwkoop. Men wil dat hier vroeger in geval van boffing, den schuldigen werd opgelegd tot straf, met zijn achterste tegen den schandpaal te staan en tot drie malen toe daar tegenaan te boffen, telkens overluid roepende: ik bof.
bok, bok, (mannelijk), bokken, fout, misrekening, vergissing. Hij heeft een bok geschoten, er is eene fout in de rekening. Van iemand die dronken is zegt men: hij heeft een bok.
bolleboos, bolleboos, (mannelijk), bollebozen, baas, huisheer. Hij is de man met de plak, het heertje, hij is nu een heele bolleboos. Het schijnt een joodsch woord te zijn.
bollebuis, [gebak], bollebuis, (vrouwelijk), bollebuizen, poffer, zeker gebak. Bollebuisjespan, bollebuisjeskraam. Men bakt ze in zoogenaamde bollebuisjespannen, met holronde vormen. Een ander gebak noemt men boffer, zijnde meer plat en iets grooter; deze worden gebakken in de pannekoekspan.
bombarie, bombarie, geweld. Hij maakt veel bombarie, veel leven en gedruisch. Altemaal larie en bombarie, veel geschreeuw maar weinig wol, leege vaten bommen het meest.
bommerd, bommert, (mannelijk), bommerts, bom, groot brok. Dat is een heele bommert, iets wat in zijne soort groot van stuk is, ook wel wat groot van omvang, maar van binnen hol is. Een groote beet, maar kleine kaauw.
bon, bon, (onzijdig), bonnen, 1. afgesloten ruimte, hok, de plaats waar men des zomers de koeien melkt, het melkhok. Zie op het woord melkhok. 2. bun in eene kast. Vroeger had men kasten met vele bonnen, kunstig bewerkt.
bonk, bonk, (vrouwelijk), bonken, brok, bult. Hij eet de bonken en schonken, de hond gaat met een bonk heen, hij snijdt er maar een bonk af. Van eene vette koe zegt men: het vet zit er aan bonken op. Een mager paard of knol noemt men een bonk.
bons, bons, (tussenwerpsel), Wanneer iemand ergens tegen aan stuit, zegt men: bons! daar ligt hij. Dikwijls gebruikt men dit woord hier als zelfs. naamw. met toepassing op het vrijen. Als de vrijer, na een en andermaal zijne vrijster eene visite gemaakt te hebben, eindelijk wordt afgewezen, zegt men: zij heeft hem den bons gegeven, hij kreeg den bons.
bont en blauw, [vlekkig], bont en blaauw, vlekkig, miskleurig, een sterke kleurverandering van de huid, ten gevolge van beleediging. b.v. Ze is bont en blaauw van de kou; ze hebben malkander bont en blaauw geslagen.
bontje, bontje, (onzijdig), bontjes, voorschoot, boezelaartje van gestreept, geruit of effen blaauw of rood katoen of linnen, niet te verwarren met slobje. Meisje met je bontje voor.
boômhul, [hoofddeksel], boomhul, (vrouwelijk), boomhullen, linnen muts, een vrouwenhoofddeksel. Voor een halve eeuw was de boomhul hier nog in gebruik, althans bij sommige vrouwen, zijnde met een zoogenaamde wevenkant omboord. De naam komt van boom (bodem) die er in genaaid werd; later veranderde men den vorm, liet den bodem weg, en hechtte de zijstukken met een naad aan elkander. Zie hul.
boot, boot, (vrouwelijk), booten, praam, bak, platbodemd vaartuig, van voren spits toeloopend en van achteren plat, dienende tot het vervoeren van vee, hooi, mest, enz. Op plaatsen waar geen rijwegen zijn en dus alles te water vervoerd moet worden, zijn booten, pramen en schuitjes onmisbaar. Zie op praam.
bor, bor, (vrouwelijk zonder meervoud), borling, buikrommeling, vergezeld gaande met braking en hevige ontlasting. Hij heeft de bor in het lijf. Men gebruikt hier het woord bor vrouwelijk; elders zegt men het bort.
bossen, [vuil maken], bossen, (transitief werkwoord), slobben, vuil maken. Hij slobt, hij bost, zij bossen, ze maken met hunne morsige beenen straten en vloeren vuil, de kinderen bossen. Van daar bosvarken, slobberdoes.
bot, bot, (bijvoeglijk naamwoord), lomp, ongemanierd. Iemand bot tegen het lijf aanloopen, hij kon het al niet botter doen, nog altijd even bot.
bot, bot, (onzijdig), botten, de scheut of ruimte van een touw. Er is ruim bot, hij heeft te veel bot gevierd, te veel toegegeven, hij heeft zijn kinderen te veel bot gegeven. Men vergelijke de spreekwijze: aan het lange touw loopen.
brader, [kouwelijk, loom persoon], breder, (mannelijk), breders, brader, kleumer, hufter, krimper, het is een breder, zegt men van iemand, die uit den aard traag en loom is, veel over de koude klaagt, en gedurig bij het vuur zit, te braden; dat is: zich als het ware gaar braadt. Schertsend zegt men ook wel van een jongeling, die den moed niet heeft uit vrijen te gaan: het is een breder.
brak, brakje, (onzijdig), brakjes, nufje, viesneus, modepop, pronkster, een verwaand meisje dat, al rond snuffelende, over veel den neus optrekt en anderen berispt.
brand, brand, (vrouwelijk zonder meervoud), brandigheid, het paard heeft brand in het lijf, zegt de smid, dat moet er uitgedreven worden, het beest zit vol brand; hij geeft drankjes om de brand er uit te jagen, en ook pleisters die de brand er uittrekken.
breid, [dol], breid, (bijvoeglijk naamwoord), dol, razend, een breiden hond, van een breidend hond gebeten; van iemand die zich erg kwaad en boosaardig aanstelt, zegt men: de man is breid; mogelijk van breidel, ongebreideld, breideloos.
brems, breems, (mannelijk), breemsen, horzel, paardenvlieg, een soort van wesp, waarvoor het vee zeer bevreesd is, zoodat het, zijn snorrend geluid vernemende, door snelle vlugt den pijnlijken steek van dit insect poogt te ontwijken. Zie biesbaauwen.
brijzuipen, [pap eten], brijzuipen, (transitief werkwoord), brijëten, papeten, voor 30 à 40 jaren was het woord brijzuipen hier ten platten lande nog vrij algemeen in gebruik, men sprak van rijstebrij, gortebrij en meelpap, in melk, karnemelk of wei gekookt, waarvan een smakelijk en voedzaam zuipen werd toebereid. Ofschoon men thans vrij algemeen brijëten zegt, hoort men toch, vooral in den oogst, als hier vele Duitschers aan den arbeid zijn, het oude woord zuipen nog dikwijls gebruiken. Neemt men dit woord op in den zin van zwelgen, zuipen als een beest, dan is het leelijk; maar verwant met suppe, sop, soep, dat ons aan Suppenfreundschaft doet denken, dan klinkt het zeker minder stuitend.
brik, [dartel, schuw], brik, (bijvoeglijk naamwoord), brat, hij kijkt zoo brik, zoo strak, daar keek mijn paard zoo brik op af. Kijk maar zoo brik niet, wees maar niet schuw of verlegen.
broek, broek, (mannelijk), broeken, het niet weggesneden gedeelte van den balzak. Van een gelubden stier of ram heet broek, hoe vetter en zwaarder de broek van een os of weer is, des te beter. Vroeger nam men een gedeelte van den zak weg, nu maakt men twee insnijdingen, en neemt de ballen ter wederzijde uit.
brommer, brommer, (bijvoeglijk naamwoord), bulker, bruller, eene bandelooze koe, die een brommend geluid maakt, en gedurig onrustig de weide op en neer loopt, nu en dan de horens in den grond steekt, terwijl zij met de voorpooten de losgewoelde aarde in de hoogte werpt, noemt men een brommer. Zulke brommers verontrusten ook het andere vee, en zijn daardoor reeds lastig niet alleen voor den eigenaar, maar ook voor geburen.
broodkruimel, broodkruimels, (meervoud), gekruimeld brood, de voedzame deelen van het brood. Het paard is zoo dartel en druk, ik geloof dat het de broodkruimels steken. Zoo zegt men ook van iemand, die wat wulpsch en weelderig is: de broodkruimels steken hem.
bruidstranen, [drank], bruidstranen, (mannelijk meervoud), tranen van de bruid. Vroeger schonk men de bruidstranen in zilveren, koperen of tinnen kroezen, bruiloftskommen geheeten, bestaande meestal uit brandewijn met suiker. Bij enkelen komt nu nog wel de oude brandewijnskom met zilveren lepel te voorschijn, doch de bruidstranen bestaan dan meest uit rooden wijn met suiker.
buil, buul, (mannelijk), bulen, buidel, geldzak, buultje, hij kan zijn geld bulen, ze hebben door vlijt en zuinigheid een aardig buultje bespaard. De buul is plat.
bullebak, bullebak, (mannelijk), bullebakken, bullebakkes, bullengezigt, een wreed boosaardig dier, een norsch, stuursch mensch; voor bullebak spelen, bangmaken; hij kijkt als een bul, die stooten wil.
bulloper, [stierenleider], bullooper, (mannelijk), bulloopers, bulleman, stierenleider; een bullooper is iemand die den springstier oppast langs de wegen rondleidt, en daarbij op den horen blaast; hij is overigens of zelf bulhouder of aan de stierenhouderij ondergeschikt.
buls, [tochtig, bronstig], bulsch, (bijvoeglijk naamwoord), rijdend, stoeisch, togtig, stierziek, de koe is bulsch, zij wil rijden, d.i.: zij verlangt van den stier besprongen te worden.
bulster, bulster, (vrouwelijk), bulsters, bolster, bed en bulster, bed met toebehooren, wat er om en aan is; misschien is de beteekenis; de kern met den bolster.
bun, bon, (onzijdig), bonnen, Men gebruikt dit woord ook voor een vischkaar. Er is weinig visch in het bon of bun.
bunzig, bunzig, (bijvoeglijk naamwoord), bevreesd, angstig, beschroomd, bang, dit woord geeft vrees en wantrouwen te kennen; hij is er bunzig voor, ik was er lang bunzig voor dat het niet zou gelukken.
busken, busken, (transitief werkwoord), maaijen, grasbossen met de zeis wegnemen, gelijke weide maken. Als de weide te ruig wordt, zoodat er oude bossen gras blijven staan, dan maait men die met de zeis af, dat heet men busken, en het afgemaaide gras tot hooi gedroogd, noemt men buskhooi.
buur, buur, (mannelijk), buren, buurman, buurvrouw, nabuur, die het naaste bij wonen noemt men de buren. Hier op het platteland strekt de buurtschap zich verder of korter uit, al naar mate de huizen verder of korter van elkander geplaatst zijn. Het spreekwoord zegt: “goede buren zijn beter dan verre vrienden,” dat wil zeggen: van naburen waarmede men in goede harmonie is, kan in ongelegenheden dikwijls meer hulp en dienst genoten worden dan van bloedverwanten die verre af wonen.
captie, kapsie, (vrouwelijk), kapsies, tegenstribbeling. Hij zoekt al weer kapsie. Ik wil er geen kapsie over maken. Komt van het latijnsche captio.
casueel, kasiweel, (bijvoeglijk naamwoord), casueel, toevallig. Dat treft kasiweel. Het moet al kasiweel zoo uitkomen.
coûte que coûte, [zeer langzaam; slaafs volgen], koeterdekoet, (bijwoord), zeer langzaam. Het gaat sok sok, voetje voor voetje. In dezen zin wordt dit woord hier somtijds gebruikt; meer evenwel in de beteekenis van slaafsch volgen, ze gaan gewillig koeterdekoet hem achterna.
daaiig, daaijig, (bijvoeglijk naamwoord), taai, deegachtig, als het witte brood niet goed gerezen en doorbakken is, noemt men het daaijig, zoo ook heet men den grond als die taai en slem is, en dus moeijelijk te verdeelen en fijn te maken, daaijig, welligt is dit woord hetzelfde als taaijig.
dagen, dagen, (intransitief werkwoord), het zal er dagen, er zal wat gebeuren, het zal er fiks bij langs gaan, hij zal gestraft worden. Misschien van dagge, korte dagen, of wel een end touw waarmede men de schepelingen straft.
dagmaat, deimpt, (onzijdig), deimpten, zekere landmaat, in den Zeevang en elders bekend; een deimpt bevat 400 rijnlandsche roeden, anderhalf deimpt is gelijk aan Beemster morgen van 600 rijnl. roeden = 85 Ned. roeden.
dalje, [slaag], dalje, (bijwoord), dikop, veel, zij krijgen dalje, daar zal dalje komen d.i.: het zal geducht regenen of sneeuwen, Zoo zegt men ook als iemand veel slaag krijgt, hij kreeg dalje.
dammen, [damleggen, eten], dammen, (transitief werkwoord), damleggen, eten, men zegt alzoo van iemand die fiks gegeten heeft, hij heeft een goeden dam gelegd. Van daar het spreekwoord: “eerst dammen en dan hoozen.” d.i.: eerst eten en dan drinken.
dandineren, [slenteren, de dandy uithangen], dandielen, (transitief werkwoord), slingeren, slenteren, slooijen, langs den weg loopen te dandielen. Men gebruikt dit woord hier veelal met toepassing op pronksters en nietsdoende vrouwen, die gedurig langs de straat loopen te dandielen, verbastering van het fr. w dandiner.
deeg, deeg, (vrouwelijk zonder meervoud), dege, heil, deeg hebben, hij heeft er deeg van, dat gaat ter deeg goed, hij heeft er geen deeg van. Zie verder op weerdeger.
deinen, dijnen, (transitief werkwoord), denen, doordringen, doordrijven, het is een dijner, een koppig dier dat maar immer stijf blijft doordringen, het dijnt of deent maar toe; van daar dijnoor, deenkop. Zoo ook gebruikt men dit woord om een lastig gevoel, eene pijnlijjke aandoening aan te duiden; het dijnt maar altijd door, het is zoo een gedurige dijning.
delen, deilen, (transitief werkwoord), vergelijken, monsteren, een soort van wedstrijd in het schrijven, op de school alhier weleer in gebruik.
deun, [strak], don, (bijvoeglijk naamwoord), strak, gespannen, digtbij, de ooren staan hem don aan het hoofd, zet ze er maar don tegen aan, het is mij zoo don in het hoofd.
deuvekater, duivekater, (mannelijk), duivekaters, kersbrood; in Waterland bestaat sedert lang het gebruik, op kersdag of bij andere feestelijke gelegenheden, zoogenaamde duivekaters te bakken. Dit brood wordt van fijn tarwemeel gebakken, bezit een eigenaardigen vorm, en smaakt zeer goed.
dijzak, [broekzak], dieszak, (mannelijk), dieszakken, dieszak, dijzak, diepzak; men zie hierover Navorscher XI bl. 20. Hoe ook de mode de kleeding van mannen en vrouwen verandert, de dieszakken blijven bestaan, vooral ten platten lande. Het moge waar zijn dat de naam oorspronkelijk diefzak is geweest, en later in diep- en dijzak veranderd geworden; zeker is het dat men hier nog altijd spreekt van dieszak, hetzij ze van mannen, vrouwen of kinderen worden gedragen. Van daar nog een paar spreekwoorden: “ dat kunt ge aan het draaijen van je dieszak wel voelen” en “ je dieszak”.
dijzig, deinzig, (bijvoeglijk naamwoord), deinzerig, deizig, de lucht is deinzig of deizig, nevelig, vochtig, zoodat de sterren onzigtbaar worden. “De sterren deizen in ’t verschiet.” Het is deizerig weer.
dikkerdje, [koek], dikkerdje, (onzijdig), dikkerdjes, een smalle strook koek, een schellings dikkerdje, een drie stuivers dikkerdje.
dikmuts, [dikzak, rijkaard], dikmuts, (zelfstandig naamwoord), dikmutsen, dikzak, rijkaard, het is een dikmuts, hij zit er dik in, het is er een die veel geld heeft.
dodderig, doederig, (bijvoeglijk naamwoord), sluimerig, slaperig, niet helder, het is een doederige jongen, een druiloor; het is een doedje, een sul, een doederig meisje, een hartje zonder erg.
dogen, dogen, (transitief werkwoord), verdragen, dulden, het is mij te heet, ik kan het niet dogen; zijn mond schijnt wel met blik beslagen, want hij kan de spijs kokend heet dogen; een ander daarentegen kan schier geen katlaauw dogen. Misschien van gedogen of dooven.
dol, dol, (mannelijk), dollen, roeipen, pennen van hout of ijzer op den kant van het boord van een klein vaartuig. Er zijn enkele en dubbele dollen; de enkele zijn van ijzer, de riem sluit met een ijzeren lus aan de pen, en daarom noemt men zulk een riem een vaste; terwijl de riem, die zich tusschen twee dollen, hetzij van hout of ijzer, vrij beweegt, een losse riem heet.
dollen, dollen, (intransitief werkwoord), schertsen, mallen, gekscheren, hij dolt er meê, dat is geen ding om mede te dollen. Hij dolt of solt er mede, als de kat met de muis.
dorhoed, [versierde pop], dorhoed, (mannelijk), dorhoeden, dor, versierde pop, die bruidegom of bruid moet verbeelden. Het is een oud gebruik ten platten lande, om, bij gelegenheid dat een paar jonge lieden in ondertrouw zijn getreden, den jongeling of het meisje die vroeger met de bruid of bruidegom verkeering heeft gehad, een dorhoed te vereeren. Dit is meestal het werk van de naaste buurgezellen, van den te leur gestelden vrijer, of treurende vrijster, die nu op deze wijze een strooijen bruid of bruidegom ontvangen, vergezeld gaande van brieven vol zoeten troost en raadgevingen.
dorrebrink, [dor stuk land], dorrebrink, (mannelijk), dorrebrinken, mager stuk land, dorre weide, het is een dorre brink, waar bijna niets op groeijen wil.
dossen, [overdoen], dossen, (intransitief werkwoord), verdossen, overdoen, herhalen, zij zullen dossen; als twee of meer personen gelijke oogen werpen, wordt door dezen nog een worp gedaan; het is een term, bij het dobbelspel in gebruik.
dot, dot, (vrouwelijk), dotten, bos, handvol, een dot hooi of gras; geef de koe nog een dotje hooi; een dot wol, een dot haar, enz.
dral, dral, (bijvoeglijk naamwoord), dik, vol, bol, het is een dral ventje, dralle kuiten, goed gevuld, gezet, gespannen.
drem, [vochtig], dram, (bijvoeglijk naamwoord), drem, vochtig, een dram huis, waarvan de muren steeds vochtig zijn, dram weer, d.i.: vochtig, niet frisch, bedremd.
drenzen, dranzen, (intransitief werkwoord), krijten, snoffen, eentoonig gedrans van kinderen, wat een vervelend gedrans is dat.
dreumes, drummes, (mannelijk), drummessen, klein, het is een klein drummesje, een drummeltje. Drummel en drummes zullen waarschijnlijk van het oude drommen afkomstig zijn vandaar drom, drommels, drommel.
drie-uierd, drieuurd, (mannelijk), drieuurden, driespeend, het is eene drieuurd, zoo noemt men eene melkkoe die uit slechts drie van de vier uren of spenen goede melk geeft.
driegen, driegen, (intransitief werkwoord), dralen, talmen, men moet niet driegen maar doortasten, door lang te driegen gaat soms de beste gelegenheid verloren.
dries, dres, (vrouwelijk), dressen, een stuk uitgebouwd land waarop weinig meer dan onkruid groeit en dat aan eenige weinige paarden tot weide dient; door het te bemesten, en met klaver- of graszaad te bezaaijen poogt men het te verbeteren.
dril, [slag, klap], dril, (mannelijk), drillen, slag, klap, een dril aan het oor krijgen, een slag aan het hoofd, verlies of schade lijden, hij heeft een leelijken dril aan zijn oor gehad; men zegt ook wel in tegenovergestelden zin van iemand die eene erfenis beurt, hij heeft een mooijen dril aan zijn oor gehad.
drillen, drillen, (intransitief werkwoord), dreunen, lillen, schudden, trillen, de glazen drilden, de grond drilde onder mijne voeten, van daar drilling, trillende beweging.
drommel, drummel, (mannelijk), drummels, kluit, klomp, het zit alles op een drummel, in malkander gewerkt. O wat een klein drummeltje: een kindje. Zij heeft de natte kleeren maar zoo op een drummel in de tobbe gesmeten.
droogstalling, [tijd van droogstaan], droogstalling, (vrouwelijk zonder meervoud), droogstaan, de tijd dat kalfkoeijen tegen het kalven niet gemolken worden; sommigen geven 10 à 12 weken droogstalling, anderen slechts 4 à 6 weken. De naam is eigenaardig omdat het droogen van kalfkoeijen meestal in het wintersaizoen plaats heeft.
droop, droop, (mannelijk zonder meervoud), drop, ontsteking van het uijer van een melkkoe, of eenig ander zogend dier, dit ongemak dat dikwijls bij melkkoeijen voorkomt, ontstaat veelal door het vatten van koude, of ook wel doordien de koe niet goed gemolken wordt.
duig, duig, (vrouwelijk), duigen, eene zekere hoeveelheid droog voeder, hooi of stroo, dat men op eens aan het vee toedient, hetzij dat het aan een vork gestoken, in een mand gepakt, of in den arm genomen wordt. Van daar de benaming van eerste en tweede duig, een middag- en avondduig, groote en kleine duig.
duizend, duizend, (telwoord), duizend gulden, “zij hebben duizend gulden overwonnen,” zegt men bij de geboorte van een zoon, en vijf honderd als het eene dochter is. Dit oude spreekwoord wordt nog dikwijls herhaald zonder dat men nogtans weet, van waar het oorspronkelijk ontstaan is.
dukdalf, dikdalf, (mannelijk), dikdalven, dikkerd, dubbeld, dubbeldalf, dik, lomp, zwaar, dat is een dikdalf. Zwaar paalwerk diendende tot beschutting van sluizen enz. noemt men dikdalven of dukdalven, en wil dit woord afleiden van Duc d’ Alve, d.i.: hertog van Alva. Men zou hier misschien ook evenzoo de afleiding kunnen zoeken in: dikdelven, als uit een stuk gedolven.
durabel, durabel, (bijvoeglijk naamwoord), duur, dat veel kost, dat is durabel; dat kost duur, hij heeft goede waar maar – is er al te durabel mede; veelal gebruikt men dit fransche woord hier in den zin van te hoog in prijs, zelden in de eigenlijke beteekenis van duurzaam.
dweer, [dwarrelwind], dweer, (mannelijk), dweren, dwarlwind, windhoos, draaiwind; niet zelden jaagt een dweer stof en zand als wolken in de lucht; terwijl hij somtijds het drooge op het veld staande hooi opneemt, en her- en derwaarts smijt. Zulke dweren of dwarlwinden zijn bij den hooi- of zandbouw vaak lastig en schadelijk; doch altijd minder nadeelig dan de eigenlijke windhoozen die het hooi of graan opnemen en elders weer laten nedervallen.
edik, eek, (mannelijk zonder meervoud), azijn, edik, wijneek, het is zoo zuur als eek, hij kijkt zoo zuur of hij den eek in pacht heeft.
Eefje, [uitdrukking], Iefje en Aafje, (vrouwelijk zonder meervoud), twee bekende vrouwennamen, als spreekwoord gebezigd; b.v. daar schuilt Iefje en Aafje in, hier is, Iefje en Aafje te koop, het is Iefje en Aafje en nog wat.
eendenbier, [water waarin eenden zwemmen], eendebier, (onzijdig), eendebieren, figuurlijke benaming van het water waarin de eenden zwemmen, een sloot of gracht. Ingeval iemand bij ongeluk of anderzins in dat water komt te vallen, zegt men: hij ligt in het eendebier.
eenkennig, ienkend, (bijvoeglijk naamwoord), eenkennig, eenzijdig. Een klein kind dat eene vreemde hand schuwt en afwijst, heet ienkend te zijn; zoo ook noemt men een ooischaap dat één van de twee of meer lammeren verstoot, ienkend.
eenlijk, [eniglijk, afgelegen], iendelijk, (bijwoord), eeniglijk, afgelegen. Hij woont daar iendelijk, het is hier een iendelijk pad, het is niet prettig zoo iendelijk te wonen.
eenlopend gezel, [zelfstandig persoon], eenlopend gezel, (mannelijk), eenlopend gezellen, iemand die op zich zelven staat, die als het ware alleen loopt, wiens handen hem den kost verschuldigd zijn, een ongehuwd persoon, die voor vrouw noch kinderen heeft te zorgen.
eentje, [alleen], eentje, (bijwoord), alleentjes, eenzaam, hij zit maar zoo gedurig in zijn eentje, ik heb dat zoo in mijn eentje gedaan.
eindje, [uiteinde], endje, (onzijdig), endjes, het endje. In vele boerenhuizen noemt men een gedeelte van den koestal of het zoogenoemde achterin, het endje, bestaande in een paar koestallen die tot zomerwoning zijn ingerigt. Dat endje of stalletje is òf gesloten òf open; in het laatste geval is, bij guur en winderig weer, zulk een woning voor de gezondheid zeker niet voordeelig.
enteren, enteren, (transitief werkwoord), jagen, drijven, men gebruikt dit scheepswoord hier in den zin van wegjagen, zoowel als weggejaagd worden: je moet ze maar weg enteren, maar achter de vodden zitten: ze wisten van enteren, vluchten, de wijk nemen.
enterling, [schaap], enterling, (onzijdig), enterlingen, eersteling, eerstoonder, een schaap dat op den ouderdom van een jaar oont, heet een enterling; oont het in het tweede jaar voor de eerste maal dan noemt men het een schotter.
epper, [net, proper], epper, (bijvoeglijk naamwoord), net, proper, het is een epper vrouwtje, het mutsje staat haar altijd even epper en netjes, van een meisje dat zich netjes en rein kleedt, en tevens wat nufachtig is, zegt men het is een eppertje.
ergens, iewers, (bijwoord), ergens. Het zal wel iewers gevonden worden, het was hem juist iewers om te doen.
etgroen, etgroen, (onzijdig zonder meervoud), (edgroen, andermaalgroen); het grasgewas, dat na het afmaaijen, van het eerste gras te voorschijn komt, noemt men etgroen, ook wel de tweede snede, indien het stuk of de kamp waarop het groeit, twee malen gehooid wordt.
etten, etten, (intransitief werkwoord), beweiden, het grasland door het vee laten afeten noemt men etten, en van daar heet zulk een stuk land etland. Als in het voorjaar bij schraal gewas, eenige stukken hooiland tijdelijk aan het vee ten beste worden gegeven, dan noemt men dat: vooretten. Zie op ven.
eunjer, unjer, (mannelijk zonder meervoud), heermoes, paardenstaart, kwaadenaard, equisetum, een algemeen bekend onkruid, dat zeer moeielijk uitgeroeid kan worden; de beste middelen om dit schadelijk onkruid te verdelgen zijn, de hort, de rol en de ier. Zie Tijdschrift van Nijverheid Dl. V, stuk IV. Proeve eener landbouwkundige beschrijving van een gedeelte van Noordholland door J. Bouman 1840 en over den unjer, heermoes, paardenstaart of ruigbol in den Almanak voor landbouwers en veehouders door denzelfden 1863.
evaatje, [schortje, slab], evaatje, (onzijdig), evaatjes, kort boezelaartje, morsboezeltje. Zindelijke vrouwen dragen evaatjes om hare boezelaars te langer schoon te houden. Zie ook op slapje.
eveneens, eveliens, (bijwoord), eveneens, gelijk, die twee zusters gaan eveliens gekleed, eveliens werk, het gaat daar nog eveliens toe als vroeger, het is slechts eene verminking van eveneens.
eventjes, efkes, (bijwoord), even, eventjes, efkes aanraken, efkes vertoeven, hij was er efkes mede in de war. Hij liet het mij efkes zien.
ezelen, [werken, ploeteren], ezelen, (intransitief werkwoord), werken, sjouwen, ploeteren, werken als een ezel, dom en zonder overleg handelen. Hij werkt als een ezel; die tot ezel geboren is zal nooit paard worden.
facie, vazie, (vrouwelijk), vaziën, gelaat, tronie. Hij is nog weinig van vazie veranderd, zijn vazie teekent nog kracht en sterkte. Naar hare vazie te oordeelen kon zij wel grootmoeder wezen. Van het fransche face.
falie, falie, (vrouwelijk), faliën, sluijer, regenkleed; men gebruikt dit woord hier in oneigenlijken zin, en verstaat er door den rug, de huid, van daar zegt men, als iemand geslagen wordt, of dat hem een stortbui overvalt: hij krijgt op zijn falie.
faliekant, falikant, (bijvoeglijk naamwoord), verkeerd, in gebreke, dat komt falikant uit, de rekening sluit niet, er bestaat een tekort; het faljeert, fransch faillir.
feeks, feeks, (vrouwelijk), feeksen, helhaak, een kwaad wijf, een vischteef; de naam, die juist niet malsch klinkt, zal misschien wel blijven bestaan, zoo lang er feeksen zijn.
fieter, [netjes], fijter, (bijvoeglijk naamwoord), feiter, fieter, kuin, fief, netjes, vlug, een fijter vrouwtje; ofschoon bejaard en zwakkelijk, is zij toch nog altijd even fijter: netjes en opgeruimd van aard. Men verwisselt dit woord veelal met het fransche vif, vive. De beteekenis is doorgaans levendig, vlug, bevallig, opgeruimd en net.
flab, flab, (onzijdig), flabben, flabbe, dekenachtig watergewas, van daar noemt men het elders dekenvlag. Men vindt het hier in vele slooten, het is uitmuntend geschikt om hooiklampen te dekken, de rietdekkers plegen het veel te gebruiken, tot het vlechten van vorsten of nokken op de huizen. Misschien is het woord flabbe verwant met flep, een hoofddoek die de vrouwen in plaats van een muts plegen te dragen.
flappen, [smijten, slaan], flappen, (intransitief werkwoord), smijten, slaan, het toeslaan van een deur of venster, hij flapt het zoo maar op den grond neer, dat is een geflapper met die deur.
fleerzen, [slaan], fleerzen, (transitief werkwoord), slaan, iemand een fleers in het gezigt geven, men zegt somtijds ook nog wel: de koe fleert of zal fleerzen, als zij aan de diarrhé is; alligt krijgt iemand, die er wat te digt bij is, dan een fleers.
flenteren, flenteren, (intransitief werkwoord), bentelen, bij de straat flenteren; dat is een geflenter, dat flentert maar zoo gedurig van den een naar den ander; dat fladdert en vliegt maar immer door.
flikken, flikken, (intransitief werkwoord), flikkeren, opflikken, opknappen, hij laat zijn huis puur opflikken, bestrijken en poetsen. Met er wat verw op te smeren, en daardoor meer glans aan te brengen flikt het veel op.
flikkeren, flikkeren, (intransitief werkwoord), zich vuil maken, zij loopen te flikkeren, langs den morsigen kleiweg, zijn laarzen zijn geheel beflikkerd, glad, glimmend.
flikkerij, [bezigheid], fiekerij, (vrouwelijk), fiekerijen, bezigheid, zaak, dat is eene mooije fiekerij, aangename bezigheid, als die zaak zoo voortgaat, dan zal het eene beste fiekerij zijn. Zulke fiekerijtjes zijn aannemelijk.
flodder, flodder, (vrouwelijk), flodders, floddermuts, een hoofddeksel der vrouwen dat vroeger door velen, nu slechts door enkelen wordt gedragen, waarvan de breede kant schier het geheele aangezigt bedekt.
flodderwal, [wal aan de slootkant], flodderwal, (mannelijk), flodderwallen, zoo noemt men hier den lagen, moerassigen, groenen wal die aan den slootkant der graslanden groeit; op veengrond is de flodderwal doorgaans te slap en te week om het vee te kunnen dragen; op kleigrond gaat dat beter, vooral sedert het verlagen van het zomerpeil. Zwanen, ganzen en eenden zijn zeer begeerig op het flodderwalgras te grazen; hetwelk men flodderen noemt, mogelijk van daar de naam flodderwal en floddergras.
flopperd, [zoen], flopperd, (mannelijk), flopperds, zoen, kus, dat was een dikke flopperd van tante, ze zoent dat het klapt, ze hebben al menige flopperd van dat goede mensch gehad. De naamsoorsprong ligt in den klank van het geflop.
flous, flousie, (onzijdig), flousies, bedrog, voorwendsel, bedriegerijtje, jodenstreek, het is maar een flousie, om achter de waarheid te komen, een middel om iemand beet te nemen.
fluisteren, fnuisteren, (intransitief werkwoord), stil praten, fluisteren, niet zelden geeft dat herhaaldelijk gefnuister in gezelschap van jonge lieden, ten platten lande, aanleiding tot kwaad vermoeden. Die twee meiden zitten maar gedurig tegen mekaar te fnuisteren: misschien den een of ander bij den rug op te halen. Dat gefnuister weet wat.
fluter, [dun vliesje], fluter, (mannelijk), fluters, dun vliesje, het hangt aan een dun flutertje, er is maar een dun flutertje room op de melk, dat ziet er vrij fluterig uit; velletjes en lelletjes maar geen vet.
foef, foef, (vrouwelijk), foeven, eene leugen, een bedriegelijk voorwendsel, dat is eene foef, daar schuilt een foefje achter, men gebruikt dit woord hier meestal in den zin van eene grap, hoewel men er soms ook list en bedrog onder verstaat.
fok, fok, (vrouwelijk), fokken, bril, hij zet de fok op den neus, zij fokt ook al, ze is al vroeg beginnen te fokken, de naam is ontleend aan een bekend zeil vóór aan het schip.
fommelen, befummelen, (transitief werkwoord), fummelen, kreuken, een net kleedingstuk door onhandigheid uit den plooi helpen, onachtzaam opvouwen. Het beste lijnwaad is geheel befummeld. Zie op frummelen.
forten, [bevelen], forten, (intransitief werkwoord), gebieden, bevelen, tegenspreken, dat mannetje heeft nog al wat te forten, hier valt niets te forten, de man heeft weinig meer te forten, omdat de vrouw de baas is.
frommelen, frummelen, (transitief werkwoord), frommelen, befrummelen, iets uit den vouw helpen, valsche kreuken maken, je frummelt dat raar in malkander.
fundament, fondement, (onzijdig), fondementen, aars, achterste, hij viel op zijn fondement; bakers spreken dikwijls van het fondementje van het kind.
fut, fut, (vrouwelijk zonder meervoud), kracht, lust, leven, moed, de fut is er uit, er zit geen fut in; weleer vol vuur, nu geen fut meer.
fut, [kleinigheid], futje, (onzijdig), futjes, kleinigheid, beetje, het kost maar een futje, de man verdient een futje, er is maar een futje van over.
futeren, [zacht blazen], futeren, (transitief werkwoord), zacht blazen, iemand in de ooren futeren, leg niet te futeren, maar blaas goed door.
fuus, [verzinsel], fuusje, (vrouwelijk), fuusjes, grol, verzinsel, het is een fuusje, hij heeft ons meer zulke fuusjes willen wijs maken, maar wij laten ons zoo iets niet in de ooren blazen; wij achten dergelijke fuusjes niet.
gabber, gabbert, (mannelijk), gabberts, slimmert, een die gaauw is, die weet te grijpen als er gelegenheid is wat te verdienen. Men vat het woord gabbert op in den zin van dief, zoo als in het voorgaande artikel; maar dikwijls ook in de meer onschuldige beteekenis van winnen en op eerlijke wijze verdienen. Zoo zegt men van iemand die gaauw en vlug in den handel is, en veel geld verdient: hij is een gabbert, een slimme vogel, die voordeelige inkoopen doet en veel wint.
gabberen, gabberen, (transitief werkwoord), stelen, stroopen, rooven, ze gaan er op uit om te gabberen, te stelen wat ze maar bemagtigen kunnen. Ze hebben hem zijn gouden horologie ontgabberd. Het zijn roovers, die het land afloopen en den boel weggabberen.
gaillarde, [pretje], galjaartje, (onzijdig), galjaartjes, pretje, vrolijkheidje, ze maken daar puur een galjaartje, hij houdt nog al van een galjaartje, van daar galjerend voor spotachtig, gekscherend, schertsend. Zie op het woord: raljerie.
galg, galg, (mannelijk), galgen, draagband, bekend kleedingstuk waaraan de broek wordt vastgehecht. Vroeger toen de korte broeken nog in de mode waren, droeg men geen galgen.
galgenmaal, [laatste maal], galgemaal, (onzijdig), galgemalen, het laatste maal; zoo noemt men het laatste voeder dat een ter dood verwezen slagtdier wordt aangeboden. Ook zegt men wel tot iemand, die eenigen tijd onze huisgenoot geweest is, en den volgenden dag gaat vertrekken, als hij voor de laatste keer met ons aan tafel zit: “Dit is je galgemaal.”
gang, gang, (mannelijk), gangen, koegang, zoo noemt men ’t gedeelte van den koestal, dat met hout of steen bevloerd is; vroeger waren de koegangen hier meestal met houten planken bevloerd, thans zijn zij meestal met klinkers of blaauwe bakken geplaveid.
gang, gang, (onzijdig), gangen, twee gevulde emmers maken een gang, van daar spreekt men van een gang melk, een gang water, bij het gang verkoopen, hoeveel kost een gang water?
garten, [drentelen], gnarten, (intransitief werkwoord), heen en weder drentelen, gedurig in- en uitloopen. Dat is een gegnart. “Het gnarten van de kinderen” zegt de zindelijke huismoeder, “is lastig; maar nog erger dat gegnart van venters en bedelaars, die de pas geschrobde straatjes weer morsig maken.”
garten, [drentelen], jirten, (transitief werkwoord), gnarten, heen en weêr loopen en rijden. Hij gaat weer op de jirt, dat is een gejirt, nu kan hij niet meer jirten.
gastereren, gastereren, (intransitief werkwoord), te gast gaan, met vrienden of geburen maaltijd houden. Het gastereren is hier een oud gebruik, even als overal, doch verschilt aanmerkelijk bij vroeger. Die gastmalen zijn dikwijls nog al kostbaar, er wordt veel aan verspild. Niet zelden zijn de bezoekers dier gastpartijen talrijk, en gaan er soms verscheiden weken overheen, aleer men rond is, want “die uitgast moet ook ingasten.”
gatenbak, [vergiet], gatenbak, (vrouwelijk), gatenbakken, doorslag, vergiettest, een bekend keukengereedschap, dat men soms ook wel gatenpatiel noemt, in plaats van platteel.
gatwater, [onsmakelijke drank], gatwater, (onzijdig), tuitwater, zoo noemt men hier slappe koffij of thee, eene drank, die niet alleen onsmakelijk is, maar tevens naar vuil water gelijkt, en door eene tuit of klein gaatje wordt ingeschonken.
gebroken lid, [ijzeren es met haken], gebroken lid, (onzijdig), leden, een ijzeren es met een of twee haken, dienende om spoorstok en disselboom van een boerenwagen aan malkander te bevestigen. Zie gek.
gedoente, [spul; bedrijf], gedoente, (onzijdig zonder meervoud), spul, bedrijf, hij heeft daar een mooi gedoente, hij is in het gedoente van zijn vader getreden, wat was dat vroeger een allerliefst gedoente, nu een vervallen spul.
gedoest, [gezet, stevig], gedoesd, (bijwoord), dik, stevig, gezet, goed gebouwd, het is een gedoesde knaap een gedoesd paard, het is een die goed in zijn want zit, misschien van gedrocht.
geeps, geepsch, (bijvoeglijk naamwoord), geelachtig, galkleurig, wat ziet dat mensch er geepsch uit, het is aan zijn geepsche kleur wel te zien, dat hem de gal plaagt.
geesje de konte, [het onderspit delven], geesje de konte, een spreekwoord dat hier nog al dikwijls gehoord wordt. Hij is geesje de konte, dat wil zeggen: hij is achter den wagen, hij is schipper te voet, hij delft het onderspit. Misschien wel aan een historisch feit ontleend.
gek, [schuif], gek, (mannelijk), gekken, schotel of schuif van hout of ijzer, dienende om het gebroken lid en den spoorstok aan den disselboom van een boerenwagen te bevestigen. Zie op het woord: gebroken lid.
gelt, geld, (bijvoeglijk naamwoord), geld, gust, vaar, niet vruchtdragend, in den regel noemt men alle vrouwelijke dieren geld zoo lang ze niet drachtig zijn: het duidt den toestand aan van niet bevrucht zijn; van daar, gelde koe, geld schaap, geldezeug. Zie verder op gust en vaar.
gelte, geld, (vrouwelijk), gelden, geld, gesneden varken van het vrouwelijk geslacht. Gewoonlijk snijdt men de biggen als zij vier weken oud zijn; na die kunstbewerking noemt men de vrouwelijke gelden en de mannelijke bergen. Het woord geld of gelt, beteekent, onvruchtbaar.
geneven, [tegenover, naast], geneven, (voorzetsel), tegenover, op ééne lijn, nu zijn wij er juist geneven, hij woont omtrent geneven het raadhuis.
geniepig, [vals], gniepig, (bijvoeglijk naamwoord), valsch, bedriegelijk. Het paard is gniepig, het bijt en slaat soms onverwachts, het is een gnieperd. Er zijn menschen die in schijn uwe vrienden, maar te gniepsch uwe vijanden zijn.
gerak, gerak, (onzijdig zonder meervoud), dienst, gemak, oppassing, verzorging, ze krijgen daar een best gerak, als men zijn dienstboden een slecht gerak geeft, worden ze spoedig ontevreden; en onthoudt men het vee een goed gerak, dan zal het in het groeien en melk geven ook niet voldoen.
gezondheid, [kledingstuk], gezondheid, (vrouwelijk), gezondheden, een mannen onderkleed dat men als een breeden gordel, met ruimen overslag, om het lijf knoopt; eenmaal aan het dragen van een gezondheid gewoon, is het voor de gezondheid gevaarlijk, zich daarvan te ontdoen. Sommigen dragen winter- en zomergezondheden.
giechelen, giggelen, (transitief werkwoord), grinneken, gillend gelach van meisjes die nog weinig ontwikkeld zijn, en door haar eentoonig geschater toonen, dat zij nog niet veel begrip hebben van wellevendheid.
gieren, gieren, (intransitief werkwoord), slingeren zwaaien. De wagen nam een gier, waardoor hij geheel buiten het spoor geraakte. Vandaar gierbrug.
gieren, [bemesten], ieren, (transitief werkwoord), met ier bevochtigen, bemesten, het grasland met vloeibaren mest besprengen. In den landbouw gebruikt men het woord gier, doch hier zegt men doorgaans ier, van daar ieren, ierkuil, ierkar, ierpomp enz.
girrie, [zwendel], girrie, (mannelijk), girries, zwier, zwendel. Hij is leelijk aan den girrie, ze zijn daar geducht aan den girrie geweest. Girrie komt welligt van het werkwoord girren: gieren, slingeren, zwaaien, zwendelen.
glee, gleed, (vrouwelijk), gleden, nerf, kale plaats van een kleedingstuk, waar de wol door wrijving afgeschaafd is. Er komen gleden in zijn lakenschen rok, haar kleedje begint zoo hier en daar te gleden en door te blinken.
glib, [stremsel], glib, (onzijdig zonder meervoud), geronnen melk, kaasrunsel. Zoo lang de gestremde melk onaangeroerd blijft, noemt men die glib; doch zoodra het glib met de kaasnap of harp doorgehaald wordt, scheidt de massa zich in twee deelen, die men wei en wrongel noemt.
glissen, glissen, (intransitief werkwoord), glijden, sullen. Het paard glist, ik zag het glissen, al glissende viel het dier op den grond. Vandaar verglissen.
gloed, [gloed, stukjes gloeiend haardvuur], gland, (onzijdig zonder meervoud), gloed, fijne brokjes haardvuur, gloeiend houtzaagsel, zoogenaamd bakkersvuur.
glooien, glouwen, (intransitief werkwoord), kijken, gluren, bespieden. Hij staat gedurig voor het venster te glouwen, bij glouwt overal in, iemand op zijn handen staan te glouwen, van daar beglouwen, inglouwen, afglouwen.
glop, glop, (onzijdig), gloppen, opening, ruimte. Er is nog een groot glop tusschen die boomen, dat glop is nog al wijd.
gluipen, gluipen, (intransitief werkwoord), sluipen, loeren, iemand te gluips lagen leggen, bedektelijk aanvallen. De hond van buurman is een gluiperd, hij pakt je maar zoo stilletjes bij de kuiten. Hetzelfde als smuigen.
gnokken, gnokken, (intransitief werkwoord), gnukken met de oogen bedelen, hunkeren om een stukje brood. De hond gnokt, de kinderen gnokken. Dat is weer een gegnok.
goedendag, gedag, dagzamen, goeden dag, de gewone groete ten platten lande, zoo wel bij het heengaan als binnenkomen; even zoo ook zegt men gemorgen, genavend en genacht, als de groete tot één persoon gerigt is; zijn er meerder, dan voegt men er het woord zamen bij. Is de man verzocht de groetenis van zijn vrouw over te brengen, dan zegt hij: je moet gemorgen hebben van mijn vrouw, en wordt hij wederkeerig verzocht de groete aan zijn vrouw te doen, dan luidt het: zeg je vrouw genavend. Op de gedane groete volgt onmiddellijk de vraag naar de gezondheid, met deze woorden: hoe heb je het, hoe is het met je? Is alles wel, dan volgt al aanstonds het antwoord: goed, hoe is het met jou? Geldt de vraag meer dan één persoon, dan is het: hoe is het met jelui? In brieven staat nog dikwijls aan het hoofd: “Ik laat je weten dat ik nog fris en gezond ben en hoop van u hetzelfde, als het anders was zou het mij van harte leed zijn.”
gof, gof, (mannelijk), goffen, stoot, zet, duw. Hij kreeg een gof van het rijtuig tegen zijn rug, die hem voorover deed vallen. Een koppig paard werpt soms met eenen gof den onbedreven berijder in het zand. Zie op stompen.
gons, [klap, stoot], gons, (mannelijk), gonzen, brui, stoot, trek. Zij heeft den gons weg, hij heeft door dat bankroet een duchtigen gons aan zijn oor gekregen. Er is een gons water gevallen; het regende dat het gonsde.
goochem, gogem, (bijvoeglijk naamwoord), leep, gaauw, slim, geslepen. Het is een gogem mijnheer, een slim kereltje. Chochem, een joodsch woord.
goor, goor, (bijvoeglijk naamwoord), zuurachtig. Gore spijs, gore melk. Eerste beginsel van bederf, overgang tot de zure gisting; fig: zegt men ook: gore praat, gore kleederen, een goor gezigt.
gorren, gorren, (transitief werkwoord), afbinden, ontmannen, den balzak van een ram met een koord toebinden. De ramlammeren die in het voorjaar niet gesneden zijn, worden in den herfst gegord.
gortig, gortig, (bijvoeglijk naamwoord), garstig, een ongemak waaraan sommige varkens onderhevig zijn; het spek van gortige varkens is onsmakelijk. Van daar heeft men vroeger keurmeesters aangesteld, die de varkens aan de markt plagen te schouwen.
greid, griet, (vrouwelijk zonder meervoud), graszode, het groene weefsel plantenvezels waarvan de wortels verwonderlijk in elkaar gegroeid zijn; de oppervlakte of bodem van het grasland. Somtijds vernielt de grasworm geheele plekken van de griet, doordien dat schadelijk gedierte de wortels der planten wegknaagt.
grim, [halster], grim, (vrouwelijk), grimmen, lederen halster met ketting of touw; men onderscheidt ze in stal- en landgrim.
grimmeld, grimmeld, (bijvoeglijk naamwoord), grimmeld schaap, grimmelde koe, gestippeld, groezelig. Men noemt een zeker soort van schapen grimmels, of wel grimmelkoppen, zijnde groot van stuk met gegrimmelde kop en pooten. Ook onder het rundvee vindt men grimmels, vooral grimmelpooten.
groef, gurf, (vrouwelijk), gurven, geul, greppel, vurg, ploeg voor. Twee gurven diep ploegen.
groenkauwer, [graseter], groenkaauwer, (mannelijk), groenkaauwers, Eigenlijk zijn alle grasetende dieren groenkaauwers; maar men noemt slechts enkele koeien, paarden of schapen groenkaauwers, die ten gevolge van een ongemak in den bek of elders, bij het kaauwen of wel bij het herkaauwen een groen waterachtig vocht uit den bek laten vloeien.
groep, groep, (vrouwelijk), groepen, goot, geul of bak in den koestal, waarin de mest en urine van het vee wordt opgevangen. Vroeger werd de groep van hout, nu meestal van steen gemaakt.
groezelen, [zoeken, tasten], groezelen, (intransitief werkwoord), zoeken, tasten, grijpen, in het donker rondtasten. Hij loopt in het donker te groezelen, hij groezelde in zijn dieszak, maar vond er niets.
grondig, [naar grond smakend], grondig, (bijvoeglijk naamwoord), grondige smaak van den visch. De grond of bodem van het water, waar de visch gevangen wordt, heeft veel invloed op den smaak van den visch; vandaar dat men aal, snoek etc., op kleiachtigen bodem gevangen, eerst eenigen tijd speent.
grootscheeps, [uitgebreid, verwaand], grootscheepsch, (bijwoord), deftig, verwaand. Hij spreekt stadhuiswoorden; hoe komt de man er aan, altijd zulke deftige woorden te gebruiken, zoo grootscheepsch te spreken.
gruizig, [gretig], gruizig, (bijvoeglijk naamwoord), hongerig, graag in het aannemen van spijs. Wat eet die man gruizig; hij slaat de aangeboden spijs met graagte naar binnen, zonder daarom een vraat te zijn.
gust, gust, (bijvoeglijk naamwoord), geld, vaar, droog. Men gebruikt dit woord, dat hier weinig genoemd wordt, in de beteekenis van: niet dragtig, even als geld en vaar. Eene guste koe, gust vee. Ik geloof echter dat het woord meer den zin heeft van droog, niet melkgevend.
haaibaaien, [ruw, luid zijn], haaiebaaien, (intransitief werkwoord), haaiebaaieren, roezeboezen. Men zegt als het weer winderig en ruw is: het is haaiebaaiig weer, het heeft al wat afgehaaiebaaid, het ziet er nog vrij haaiebaaierig uit. Zoo ook zegt men van een zwendelaar: hij ziet er al vrij verweerd en haaijebaaijig uit.
haarspit, haarspit, (onzijdig), haarspitten, haartuig, een werktuig dienende om de zeis te haren, d.i. te scherpen, bestaande uit een ijzeren pen met verstaalden kop, het zoogenoemde aanbeeld, en een ijzeren hamer met houten steel; de beide wigvormige armen van den hamer zijn aan den scherpen kant verstaald.
hakkelen, hakkeren, (intransitief werkwoord), stamelen, stotteren, stootend spreken. Hij hakkert, zij hakkeren.
hakkepielen, [met stomp gereedschap hakken, snijden], hakkepielen, (intransitief werkwoord), pielen, snijden, hakken, met stomp gereedschap werken. Hakken en snijden met een stompe bijl, of stomp mes noemt men hakkepielen; vandaar noemt men een mager struffelig paard, waar men slecht mee voort kan komen, een hakkepiel. Zie pielen.
hal, helt, (onzijdig zonder meervoud), hal, hel, de hardigheid van den grond ten gevolge van de vorst. Er is alreeds veel helt in den grond. Het helt is er nog niet uit.
halfelfje, [soort maaltijd], halfelfje, (onzijdig), halfelfjes, een maaltijd dien men gebruikt tusschen het ontbijt en het middagmaal. Bij de zoogenaamde koe- of kaasboeren wordt het halfelfje nog meestal in stand gehouden; men gebruikt dan met het volk, de dienstboden en daglooners een kop koffij, met een stuk kaas en brood; bij de bouwboeren gebruikt men geen halfelfje, omdat de schofturen daar anders geregeld worden.
halfzesje, [tussenmaaltijd], halfzesje, (onzijdig), halfzesjes, even als het halfelfje een tusschenmaaltijd, die gebruikt wordt na het middagmaal en voor het avondeten. Evenwel is het halfzesje minder in dagelijksch gebruik dan het halfelfje, daarentegen houden de vrouwen nog al van een halfzesjesbezoek of kransje, waarbij ook soms de mannen verzocht worden. Even zoo hebben er ook niet zelden halfelfjesrondjes plaats.
halje travalje, [halsoverkop], halje travalje, (bijwoord), hals over kop, haastig, gezwind, met verhaasten spoed. Dat ging daar halje travalje, zoo hard als het kan.
halmeren, [heinen], halmeren, (transitief werkwoord), heinen, wal ophalen, den flodderwal afsteken, en optassen, waarop geregeld keur en schouw gehouden wordt.
halster, hulster, (vrouwelijk), hulsters, grim, hoofdstel van touw, inzonderheid dienende om het paard te leiden en vast te zetten.
hamel, hamel, (mannelijk), hamels, gesneden ram. Dit woord is hier zeer weinig in gebruik en wordt voornamelijk toegepast op het langstaartig sehapenras in Gelderland en elders, ’t welke soms ook hier in den handel pleegt voor te komen.
hamerslag, [schilfers verbrand ijzer; type wolk], hamerslag, (onzijdig zonder meervoud), eene soort van kleine ronde wolkjes, die zich als keisteentjes in de lucht vertoonen, noemt men hamerslag: vandaar, “er zit hamerslag aan de lucht,” veelal een voorbode van regen.
handeloos, [zonder handen], handeloos, (bijvoeglijk naamwoord), zonder handen. Als de wind tegen den deur aan waait, zoo dat deze rinkelt dan zegt men: “Jufvrouw handeloos staat aan de deur en klopt.”
handschoon, [traag om te helpen], handschoon, (bijvoeglijk naamwoord), traag om te helpen, niet gaarne eene hand leenende. Men noemt iemand handschoon, die niet alleen ongenegen is een ander hulp en dienst te betoonen als hij daar toe verzocht wordt, maar ook zelfs in het geringste geval nooit de behulpzame hand uitsteekt.
hannekemaaier, hannekemaaier, (mannelijk), hannekemaaiers, grasmaaier, witkiel, bovenlander. Een aantal duitsche arbeiders gaat in den voorzomer naar Holland om het gras te maaien. Vroeger droegen zij meestal een witten linnen kiel, met een vest en korte broek van dezelfde stof, voorts een paar slobkousen van gestreept linnen, die van de knie af tot aan den schoenzool reikten en van boven tot beneden met een aantal tinnen knoopen werden vastgemaakt. Deze eenvoudige vrome arbeiders uit Westphalen noemde men hannekemaaiers. Zoo men wil, zou de naam ontstaan zijn, doordien velen van dat volk den voornaam van Hanneke, Hannes, Hans, Johan, of Johannes plegen te dragen.
hapje, hapje, (onzijdig), hapjes, hap, klein beetje, een mondje vol, een slok jenever. Hij heeft te diep gehapt. Hij moet voor den hap zorgen, d.i. het brood verdienen.
happa, [weg, op], hap, happa, (bijwoord), op, weg, schuil, een klanknabootsend woord, aan de kinderspraak ontleend.
happig, happig, (bijvoeglijk naamwoord), graag, begeerig. Hij was er happig bij, het is goed dat hij maar toegehapt heeft. Zie gruizig.
hapsnap, hapsnap, (mannelijk), hapsnappen, hapsnapper. Het is een rare hapsnap, een wonderlijke prater, ontleend aan het happerig gesnap van kinderen, die beginnen te praten.
haren, haren, (transitief werkwoord), pikken, scherpen, kloppen, de zeissen scherpen. Als de grasmaaiers met het haartuig bezig zijn hunne zeissen te kloppen, dan zegt men: ze zijn aan het haren. Het is niet onaardig aan te hooren, wanneer des avonds op het gemaaide veld 5 à 6 haarhamers te gelijk in beweging worden gebragt.
harig, harig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. droog, nevelig, mistig. De lucht is harig. Dikwijls is in de Meimaand of Junij, ten gevolge van het branden van hei en veenplaggen voor den boekweitbouw, de dampkring op eene verre uitgestrektheid met rook bezwangerd, waardoor de zon zich vaak als een vuurroode schijf vertoont. 2. scherp, prikkelend. Het haart mij in de keel, zegt men van spijs of drank die de keel heesch en droog maakt, b.v. gewelde biest.
hazentukje, [korte slaap], hazetok, (mannelijk), hazetokken, dut, korte slaap, een klein tokje. Men noemt dit hazetokjes, met zinspeling op den haas, die onrustig insluimert en, zoo men meent, met geopende oogen slaapt.
hebberig, [inhalig], hebberig, (bijvoeglijk naamwoord), hebachtig, schraapzuchtig, inhalig. Het is hem om het hebben te doen; van daar het spreekw: “Krijgen is geen hebben.”
heften, heften, (transitief werkwoord), tillen, opheffen. Door te zwaar te heften en te tillen, bekomt men ligt het schot in den rug, zij zijn het heften en zwaar tillen gewoon.
heisteren, heisteren, (intransitief werkwoord), klimmen, klouteren, wurmen, wroeten, met veel moeite en tegenstribbeling zijn doel te bereiken. Dat is een geheister, hij heeft er wat om moeten heisteren. De beteekenis is: ergens met moeite door worstelen.
hekkensluiter, [de laatste], heksluiter, (mannelijk), heksluiters, die het hek sluit. “Dat is nog met regt de heksluiter,” zegt de boer als hij zijne laatste koe of schaap uit de weide haalt, om het voor een hoogen prijs aan den slager af te leveren, zoo een doet de deur toe, die sluit het hek, die maakt het goede nog beter.
helendal, [helemaal], heelkendal, (bijwoord), geheel en al. Die dingen zijn nu heelkendal uit de mode, het is heelkendal, glad met hem gedaan, het is er heelkendal bezijden.
helm, helm, (mannelijk), helmen, halfrond hoofddeksel. Doch hier werd dit woord vroeger meer toegepast op het vlies, waarmede sommige kinderen ter wereld komen; onkundige vroedvrouwen en domme bakers plagen over zulke menschen, die met een helm geboren waren, veel te snappen, en hebben deswege allerlei zotte sprookjes medegedeeld. In mijn jeugd heb ik er dikwijls in kleuren van hooren vertellen.
helt, helt, (vrouwelijk), helten, druif, handvatsel, de helt van een graaf, spade of greep. Tegenwoordig maakt men de handvatsels van kort gesteelde landgereedsehappen meer doelmatig en gemakkelijker te gebruiken, zoodat de helten langzaam meer in onbruik geraken.
hennenmelker, [kippenboer], hennemelker, (mannelijk), hennemelkers, henneman, kippenboer, zoo noemt men iemand, die een groot getal kippen aanhoudt en daarin het middel van zijn bestaan zoekt. Reeds in het begin der 17de eeuw was de familienaam Henneman hier in den omtrek bekend. In overdragtigen zin geeft men den naam hennemelker aan een man, die zich met allerlei vrouwelijke bezigheden bemoeit. Hennemelker ‑ Jan Hen.
herrie, herrie, (mannelijk), herries, gemeen volk, gespuis, verwarde boel. Een herriewinkel, dat is me daar een herrie.
heug en meug, [met tegenzin], heug en meug (tegen), (bijwoord), uitdrukking. Hij heeft het tegen heug en meug opgegeten, de spijs zinde me niet, ze smaakte me niet, en toch at ik wellevendheidshalve mede, maar het ging tegen heug en meug.
hijsen, hijschen, (transitief werkwoord), opheffen, naar de hoogte brengen. “Hij is aan het hijschen,” zegt men van iemand die te veel borrelt. Ze hebben net zoo lang gehijscht, tot ze allen de hoogte hadden.
hinderbloed, [bloedstoornis], hinderbloed, (onzijdig zonder meervoud), bloedstoornis, stilstand in het bloed. Ingeval een rund of paard plotseling sterft en de oorzaak onbekend is, schrijft men die gewoonlijk toe aan het hinderbloed, zonder evenwel te weten wat eigenlijk hinderbloed is.
hinkepink, [iemand die hinkt], hinkepink, (onzijdig), hinkepinken, hinker. Het paard hinkt, de man gaat kwalijk, de vrouw loopt met een stokje, het zijn allen hinkepinken. Misschien komt de naam van eene kreupele pink, of eenjarig rund.
hip en drip, [vluchtig], hep en drep, (mannelijk zonder meervoud), heppel en dreppel, hip en drip. Men zegt: dat gaat op een hep en drep: ik kom u maar even op een hep en drep een bezoek geven; bij gebrek aan tijd moest het op een hep en drep gaan. Misschien van hippeldrip, d.i. op een hip en een dribbel.
hipperdepip, [springer], hipperdepip, (mannelijk), hipperdepippers, hipper, springer; zoo noemt men de partij op het molenbord of negenstuk die nog over drie schijven kan beschikken. Het woord pip is er misschien om het rijm bijgevoegd.
hitsig, hessig, (bijvoeglijk naamwoord), hitsig, heet, vurig, Het is een hessig paard dat graag vooruit wil en geen zweep noodig heeft. Wat is die man nog hessig, het zweet breekt hem uit van drift.
hoekje, [dood, verloren], noksie, (mannelijk zonder meervoud), Hij raakt om den noksie, d.i. dood. Het schip is om den noksie; verloren.
hoepelen, hoepelen, (transitief werkwoord), afwijzen, weigeren. Ik wil je wat hoepelen, hij hoepelt hem wat, ik zou je hoepelen. “Ik zal hem graag houden, terwijl hij graag is.”
hoetelen, hoetelen, (intransitief werkwoord), in het klein handelen, met een klein kapitaal en geringe verdiensten handeldrijven. Men zegt ook wel van iemand die er wat wonderlijk in om springt: hij hoetelt zoo wat.
hokkeling, hookeling, (mannelijk), hookelingen, hokkeling, pink, éénjarig rund. Men spreekt hier nog altijd van hookeling, ofschoon het hokkeling moet zijn; van daar: hookelingenbul, hookelingsvaars, een geld hookeling. De afleiding is van gehokte eerstelingen of jong vee.
hokken, [opsluiten], hokken, (transitief werkwoord), mesten, opsluiten. Vroeger werden hier de vette schapen gedurende den winter gehokt, d.i. in daartoe ingerigte stallen opgesloten en met paardeboonen hooi en haver gevoederd. Men noemde die wijze van schapen mesten, hokken. De dus genoemde hokschapen waren kenbaar aan de hooggele kleur der wol, zijnde het gevolg van de sterke uitwaseming van den steeds in broeiing verkeerenden mest. Gedurende eene reeks van jaren hebben voorname vetweiders, die tevens ook veehandelaars waren, zoo te Purmerende als elders, op die wijze in het wintersaizoen in de behoefte der vleeschhouwers te Amsterdam en elders kunnen voorzien, terwijl de mest tegen goeden prijs aan de amersfoordsche tabaksplanters werd verkocht. Al sedert 40 a 50 jaren hokt men hier geen schapen meer, slechts kleine partijtjes uitgezonderd, omdat men nu schier den geheelen winter doorweidt.
holbollig, [ongelijk], hollebollig, (bijvoeglijk naamwoord), ongelijk, hobbelig. De bodem van deze streek is vrij hollebollig, even zoo ook zijn de wegen, hier hol en daar bol.
holderdebolder, holderdebolder, (bijwoord), hol over bol, hol en bol, gelijk een rookwolk die door den wind geslingerd wordt. Dat ging daar holderdebolder vooruit maar.
holsblok, holleblok, (onzijdig), holleblokken, klomp, hulft, hut, houten schoen. Ten platten lande draagt men veel holleblokken, van daar misschien Jan Klaassen op zijn klompen.
hommel, hommel, (vrouwelijk), hommels, een weinig bekend snaarinstrument, eenigzins gelijkende op den zoogenoemden noordschen balk. De hommel heeft 10 koperen snaren; de naam is misschien ontleend aan het geluid van de hommelbij.
hommer, hommerd, (mannelijk), hommerds, hommer, mannetjes visch. Zie op kuit.
homp, hompje, (onzijdig), hompjes, brokje, stukje. Aan hompjes snijden, hij heeft er een hompje afgesneden.
homper, [stoter, stomper], homper, (mannelijk), hompers, stomper, stooter. Een jong kalf dat als het drinkt gedurig met den kop in den emmer stoot, noemt men een homper; een lastig ongemak, veelal het gevolg van wormen op de tong.
hooi-ijzer, [ijzeren staaf], hooiijzer, (onzijdig), hooiijzers, hooipeil, dienende om den graad van warmte van het broeiende hooi te onderzoeken; het is eene ijzeren roede van 4 el lang met een platten kop en twee handvatsels en aan het spitse einde een weerhaak.
hooiberg, [bergplaats voor hooi], hooiberg, (mannelijk), hooibergen, bergplaats voor het hooi in het midden van eene boerenstolp. Het is eene vierkante ruimte, tusschen 4 of 6 zoogenoemde vierkantstijlen ingesloten: die met 4 stijlen noemt men enkele, met 6 stijlen dubbele bergen.
hooier, [iemand die hooit], hooier, (mannelijk), hooiers, iemand die hooit. Ofschoon men elken arbeider die aan den hooibouw deel neemt, als zoodanig een hooier noemt, past men dien naam echter meer bepaaldelijk toe op Duitschers die, even als de grasmaaiers, voor eenige weken in Holland komen, om tegen hoog loon in den hooibouw werkzaam te zijn. In den regel zijn de hooiers minder ontwikkeld en armer dan de grasmaaiers.
hooigat, hooigat, (bijvoeglijk naamwoord), vermoeid, afgemat, door den drukken hooibouw afgetobd. Men past dit woord niet alleen toe op de arbeiders, maar ook op trekdieren. Mogelijk is het eene verbastering van hooimat.
hooiklamp, [hooimijt], hooiklamp, (mannelijk), hooiklampen, hooimijt, hooischelf. Tot een hoop opgetast hooi in de open lucht noemt men een hooiklamp. Men maakt de hooiklampen rond of vierkant, en dekt ze met bladriet of flab.
hooikrok, [hooizaad], hooikrok, (onzijdig), hooikrokken, hooizaad, krok, eene mengeling van allerlei plantenzaden, waarvan men vroeger veel gebruik maakte om ongedekte plekken van het grasland te bezaaien. Reeds in 1611 toen de Beemster gedeeltelijk droog was, heeft men eenige strooken van dien nieuwen grond met hooikrok bezaaid. Thans verzamelt men weinig krok, omdat het gras vroeger wordt afgemaaid en dus niet tot rijpheid komt, zoo als voorheen het geval was.
hooisteker, [iemand die het hooi keurt], hooisteker, (mannelijk), hooistekers, hooipeilder, keurmeester, van het gemeentebestuur aangesteld en belast met het toezigt op het broeien van het hooi.
hoopstoops, [onverwachts], hoopstoops, (bijwoord), bij verrassing, onverwachts. Hij is hoopstoops verdwenen, dat is maar zoo hoopstoops opgekomen, ze zijn hoopstoops vertrokken.
Hoorn, [plaatsnaam; hoek], hoorn, (mannelijk), hoornen, horn, hoek, naam eener stad in Westfriesland. Hier zijn nog eenige spreekwoorden in gebruik, die aan deze stad ontleend schijnen te zijn. Men zegt van iemand die wat traag en langzaam in zijn doen is: “Hij komt van Hoorn, hij heeft den tijd;” of als iemand iets onderneemt, iets ondersteunt en bevordert dat men van hem niet zoude verwacht hebben, dan zegt men: “Hoe komt Hoorn dus” en laat er dan gewoonlijk op volgen: “Zoo zei de man, en hij stond te Enkhuizen voor de poort.” Het is bekend dat het krentebrood van de hoornsche bakkers van ouds en nog beroemd is, van daar worden de bewoners dier stad hier meermalen bestempeld met den naam van hoornsche krentebollen.
hop of drop, [ongestadig], hop of drop, (bijwoord), ongestadig, ongeregeld. Het is met hem hop of drop, hard of zacht, hoog of laag, vol ijver of lusteloos, er op of er onder.
horde, hort, (mannelijk), horten, weidesleep, een werktuig, voor lang in gebruik om over het grasland uitgespreide mest en aarde fijn te maken. Door twee paarden getrokken wordt het werktuig al hortende en stootende voortgesleept; de voerman, die op de hort zit of staat, weet zeer goed waarom men die weidesleep een hort noemt. In 1839 gebruikte ik reeds den hort tot het verdelgen van den unjer, en heb mijne bevinding deswege toen medegedeeld in het Tijdschrift voor Nijverheid. Misschien ook afkomstig van het woord horde.
hork, hurk, (mannelijk), hurken, gemeen mensch, iemand dien men volstrekt niet kan vertrouwen. Het is een regte hurk.
hosklos, hosklos, (vrouwelijk), hosklossen, een schommel, een waggelaar. Van eene dikke lompe vrouw, wier schommelende gang en onbevallige kleeding weinig aantrekkelijks heeft, zegt: men “het is een hosklos.”
hossen, hossen, (intransitief werkwoord), hossebossen, hotsen. Hij rijdt op den hoskar, hij zit op een boerenwagen te hossen, ze zullen den boel door malkander hossen.
hotemetoot, hotemetoot, (mannelijk), hotemetooten, opperste, hoofd. Hij is daar de hotemetoot, de baas, de meester, de spil waarom het alles schijnt te draaien.
hotten, hotten, (intransitief werkwoord), schiften, scheiden. De melk begint te hotten. Als er eenig zuur in de melk aanwezig is, worden, vooral bij verhoogde temperatuur, de zoogenaamde hotten gevormd, doordien de kaas- en boterdeelen zich afscheiden. Van daar de spreekwijzen: het loopt in de hot, het wil niet hotten.
hufterig, [onaangenaam, rillerig], hufterig, (bijvoeglijk naamwoord), grillig, koud. Ik ben hufterig, de koude grillen gaan mij door de leden, het is hufterig weer, koud en nat. Hij ziet er hufterig uit, het is eene hufterige zaak. ’t Woord is eene verbastering van huiverig.
huisje, huisje, (onzijdig), huisjes, het geheim gemak, de beste kamer. Dit woord is hier nog al veel in gebruik. Men zegt: naar het huisje gaan.
hul, hul, (vrouwelijk), hullen, hulsel, hultje, eene soort van vrouwenmuts, van fijn linnen met een strook gaas en brabantsche kant omboord. Algemeen bij de boerinnen en boerenmeiden nog in gebruik. Zie verder op: boomhul en schroodje.
hulft, hulft, (vrouwelijk), hulften, holleblok, klomp, hut. De mannen dragen klompen, de vrouwen hulften, hutten. De beteekenis is dezelfde, alleen zijn die der vrouwen kleiner, netter van vorm en van ligter hout.
hutje bij mutje, [de hele boel], hudje met mudje, (onzijdig zonder meervoud), het heele boeltje, zie op mudje.
ieken, [rietafval verzamelen], ieken, (transitief werkwoord), orten, ieksel verzamelen. Als het riet afgesneden en aan bosschen gebonden is, wordt de bodem of rietschoot van ruigte en vuilnis gezuiverd, hetwelk men ieken noemt; dat rietvuilnis heet ieksel, het wordt gedroogd en voor strooisel gebruikt.
iemesdagen, [onlangs], iemesdagen, (bijwoord), onlangs, eenigen tijd geleden. Mij is iemesdagen nog hier geweest, zoo zegt men ook iemesnachten, iemesjaren.
ieperig, [zich iets inbeeldend], ieperig, (bijvoeglijk naamwoord), iepekonderig, iepjes hebben, zich iets inbeelden. Ik zal haar die iepjes wel afleeren. Iepekonderig, verbastering van hypochondrisch.
iesterig, [triestig, nat], iesterig, (bijvoeglijk naamwoord), triesterig, glibberig, smerig. Het is iesterig weer, ook nat, snotterig, vies, morsig. Dat was een iesterige boel, een smerig zoodje.
ietwat, [een beetje], ietwes, (onzijdig zonder meervoud), ietwat, iets, iet ofte wat. Hij heeft er ietwes van verteld, daar valt wel ietwes op aan te merken.
iewelig, [fijngevoelig], iewelig, (bijvoeglijk naamwoord), fijngevoelig, kittelig. Het paard is iewelig, het slaat of bijt ligt als men het op de gevoeligste plaatsen aanraakt.
inclineren, [krimpen], inklieneren, (intransitief werkwoord), klieneren, krimpen, klein worden. Dat inklieneert nog al wat. Hetzelfde als klieneren, klein worden.
inkret, [afval van varkensvlees], inkrat, (onzijdig zonder meervoud), inkruid, afval van varkensvleesch, kluifjes, schonkjes en bonkjes.
interval, interval, (onzijdig), intervallen, beletsel, hindernis. Dat was een leelijk interval, op zulk een interval was niet gerekend, als er zoo ’n interval plaats heeft, is de zaak verkorven.
invlooien, [inhouwen, snijden], invlooien, (intransitief werkwoord), inhouwen, hakken, snijden. Hij vlooit er maar op in. Je moet maar toevlooien, raak slaan.
invreten, [minderen], invreten, (intransitief werkwoord), minderen, inkorten. Het gras vreet in, d.i. het mindert, de weide, nog onlangs zoo rijk van gras voorzien, is sedert eenige dagen hard ingevreten. Overdragtelijk, wegbrokkelen, ondermijnen, sloopen; vandaar: invretende kanker.
inwaarts aan, [binnenwaarts], inverdan, (bijwoord), binnenwaarts, naar binnen overhellende. Die muur hangt inverdan, de weg gaat dan eens inverdan en dan weer naar buiten. Het woord inverdan komt van inwaard aan. Zie op uitverdan.
jaagop, [noodweide], jaagop, (onzijdig), jaagoppen, noodweide. Zoo noemt men kleine stukjes grasland, die tot verzet dienen, om daar tijdelijk eenig groot of klein vee te plaatsen. Zulk een jaagop is vooral ook van veel dienst voor veehouders die tevens ook veehandelaars zijn.
jaap, jaap, (mannelijk), jaapen, groote snede. Hij heeft in zijn vinger gejaapt; ergens op in japen.
jachtdrommel, [jachtlustig dier], jagtendrommel, (mannelijk), jagtendrommels, jagtduivel, een jagtlustig dier, een jagtsche hond, die het vee najaagt, een dartel, woelig rund; ook iemand die dol op de jagt verzot is. Vandaar ook: woelgeest, vlieg in ’t veld. Dat zijn regte jagtendrommels.
jak, jak, (onzijdig zonder meervoud), ’t jak aan hebben, vermoeid zijn. Ze hebben het jak aan, hij zal de paarden het jak wel aangeven. Als het zoo voort gaat, krijgen ze allen het jak aan, d.i: matten zich af.
jakes, [verborgen], jakes, (bijwoord), schuil, verborgen. Hij houdt zich jakes, komt niet voor den dag. Houd u maar jakes, d.i. gedekt.
jakkeren, jakkeren, (intransitief werkwoord), hard loopen, rijden, jagen. Hij laat zijn paarden maar jakkeren, hij heeft met dat paard wat afgejakkerd; het is al den dag jakkeren en jagen langs den weg.
janhen, [bemoeial], jan-hen, (mannelijk), jan-hennen, bemoeial. Den man die zich met pronkerij en opschik binnenskamers bezig houdt, en zich dus met dingen bemoeit, die tot het gebied van de vrouw behooren, noemt men Jan-hen, omdat hij als een kip binnenshuis nestelt, terwijl hij als man zijn werk op het veld en in den stal verwaarloost.
jassen, [kaartspel], jassen, (transitief werkwoord), kruisjassen, een spel met de kaart, dat vroeger hier veel in gebruik was, doch nu weinig meer in den smaak valt. Het jassen is een spel voor twee, het kruisjassen voor vier personen.
jemig kremig, [uitroep van verbazing], jemig kremig, (tussenwerpsel), uitroep van verbazing. Wel jemig kremig is ’t zoo niet! Het is niets anders dan eene verknoeing van den naam Jezus Christus.
jeukel, [ijskegel], jeukel, (mannelijk), jeukels, ijskegel, een straal bevroren water. De jeukels zitten aan zijn baard. De jeukels groeien aan het dak.
jok, jokkes, (bijvoeglijk naamwoord), jok, leugen. Het is al te maal jokkes. Zij hebben u jokkes verteld. Al weer jokkes.
jongen, jongens, (tussenwerpsel), wel jongens! wat is dat? Jongens, jongens! Men gebruikt het zelfst. naamw. jongens meermalen in plaats van kinderen. Zoo zegt men schooljongens voor schoolkinderen. Zie eens wat een koppel jongens, zegt men dikwijls, al zijn ook de helft meisjes.
juttemis, juttemis (sint), (vrouwelijk zonder meervoud), St. Jut is een heilige die niet in den almanak staat, wiens mis of feest dus niet komt. Als men iemand zijne gedane beloften herinnert en vraagt, wanneer die voldaan zullen worden, volgt dikwijls het antwoord: Sint Juttemis als de kalveren op het ijs dansen: men noemt dus maar een tijd die nooit komt.
kadodder, kadotter, (vrouwelijk), kadotters, dotter, kale-dotter, jonge spreeuw.
kakelbont, kakelbont, (bijvoeglijk naamwoord), gevlakt, gespikkeld, bont, zoo bont als een kakelhoen, met vreemdsoortige vlekken.
kalf, kalf, (onzijdig), kalven, brok, uitbraaksel. De mestbult heeft gekalfd, d.i.: er is een brok uitgezakt. De muur kalft af, d.i. de brokken vallen er af. Hij maakte een kalf: hij braakte weêr uit wat hij te veel had ingenomen.
kamizool, kamizool, (onzijdig), kamizolen, Vroeger droegen de mannen lange kamizolen, met lange mouwen en diepe zakken; later nam men de mouwen weg, maakte het lijf korter en de naam kamizool werd vervangen door: vest.
kanis, kanis, (mannelijk), “Zijn kanis kraakt,” zegt men van iemand, die winden oprispt, vergezeld van hoorbare klanken, eene soort van geeuwhonger aanduidende, of liever vadzigheid, luiheid en onwellevenheid verradende. Van een klein kind wordt schertsend gezegd, zijn kanisje kraakt, het kraait.
kaper, kaper, (vrouwelijk), kapers, huif, vrouwenkapsel. Dit vrouwenhoofddeksel was voor ruim dertig jaren hier nog vrij algemeen, ofschoon in hoedanigheid van stof, vorm, en kleur verschillende. De zaanlandsche kaper onderscheidde zich door een platten kap, en licht- of donkerblaauwe kleur, van dien die in deze omstreek en verder noordwaarts gedragen werd; zijnde deze laatste rond van kap, iets langer van mantel, de buitenkleur zwart, van binnen licht blaauw. Nu al sedert eenige jaren draagt men hier geen kapers meer.
kapoeres, kapoeris, (bijvoeglijk naamwoord), dood, kapot, stuk. Hij is kapoeris, het leven is er uit.
kapoetsmuts, [muts], karrepoetsmus, (vrouwelijk), karrepoetsmussen, karpoetsmuts, een ruige muts van grove wol gemaakt. Wordt veelal gedragen door schippers, visschers, voerlieden, enz.
karekiet, karrekiet, (mannelijk), karrekieten, rietvink. Men noemt dezen vogel, die hier veel in het riet gehoord wordt, aldus, om zijn eentoonig zingen van, karre, karre, kiet, kiet, kiet.
karwei, karrewei, (mannelijk), karreweien, arbeid, werk, bezigheid. Hij gaat weêr aan de karrewei. Daar is wat aan te karreweien. Een klein karreweitje.
kater, kater, (mannelijk), katers, kersbrood, zeer fijn tarwebrood, van bijzonderen vorm. Op sommige plaatsen in Waterland bakt men nog op zekere feestdagen katers. Eigenlijk: Duivekater.
katjeskermis, [partijtje], katjeskermis, (vrouwelijk), katjeskermissen, pretje, vrolijk partijtje, bij gelegenheid van katkneppelen, gaaischieten of eenig ander volksvermaak.
katknuppelen, [volksspel], katkneppelen, (intransitief werkwoord), katgooien, de kat uit de ton knuppelen. Vroeger sloot men eene levende kat in de ton, nu echter gebruikt men meestal een turf of een ouden schoen.
katlauw, [lauw], katlaauw, (bijvoeglijk naamwoord), laauw, een ligte graad van warmte hebbende. Het is bekend dat de tong der kat zeer gevoelig is voor heete spijs. Vandaar zegt men van iemand, die wat ligt over te heete spijs klaagt: hij kan geen katlaauw doogen. Zie op het woord dogen.
kattebel, [klein briefje], kattebel, (onzijdig), kattebellen, klein briefje, kaartje. Ik schreef hem dit kattebelletje. Komt van het spaansche cartabel.
katten, katten, (transitief werkwoord), staken, na een gedanen koop zijn woord terug nemen, koop breken. Hij heeft het aangenomen werk gekat, hij kat den boel. Zie op het woord rouwkoop.
keep houden, [vasthouden], keep houden, (intransitief werkwoord), volharden, vasthouden. Hou keep! niet los laten.
keet, keet, (vrouwelijk), keten, eene zekere hoeveelheid water of ander vocht. Het paard pist een heele keet, het zijn groote keten.
keet, keet, (vrouwelijk), keeten, zoutkeet, polderkeet, een herberg, winkelhuis, of woning van den aannemer of opzigter, bij droogmakerijen of andere publieke werken. Na twee en een halve eeuw bestaat nog de Hoornsche keet in het midden van de Beemster.
kei, kaai, (bijvoeglijk naamwoord), nuchter, snoeps. Dat mutsje staat zoo kaai, het is een kaaie man, zoo stug en zoo stijf, dat was kaaie praat, koud en nuchter.
keilen, keilen, (intransitief werkwoord), drijven, zich in eene regte strekking voortbewegen. Het schip keilt wel aardig voor den wind af. Ook met een plat steentje langs het water ketsen.
keren, keeren, (intransitief werkwoord), 1. omwenden. Het hooi keeren, het zwad omleggen; de hooiers zijn aan het keeren, dat is, ze zijn bezig het op zwad liggende hooi met de hark om te wenden. Vroeger liet men het afgemaaide gras twee weken op zwad liggen, nu slechts een paar dagen, terwijl velen het onmiddelijk achter de maaiers aan laten schudden. 2. tegenhouden, een voermanswoord, vooral in gebruik bij het rijden met een boerenwagen met krommen dissel op een hellenden weg. Men zegt, het paard wil niet keeren, indien het weigert zich schrap te zetten, als de voerman zijn linkervoet op het achterste van het paard plaatst, terwijl hij met zijn regter voet den disselboom stuurt.
ketelig, [niet helder], ketelig, (bijvoeglijk naamwoord), miskleurig, niet zuiver helder. “Dat boezelaartje ziet vrij ketelig” zei buurvrouw “het is niet helder in den grond.” Dat is zoo, was het antwoord, maar, dat soort van doek wordt spoedig ketelig. “Dat komt,” mompelde buurvrouw al verder, “omdat er de hand niet aan gehouden wordt.”
keuteren, keuteren, (intransitief werkwoord), in het klein naäpen, halfgebakken werk doen. Keuterboer, een klein boertje. Van een klein kind zegt men wel: wat is het nog een kleine keuter.
kiekaaien, [druk bewegen], kiekaaien, (intransitief werkwoord), herhalend snappen, veel onnoodige drukte en beweging maken. Dat is een gekiekaai. Misschien ontleend aan een kip, die een ei gelegd heeft. Nabootsing van: kiek kiek een aai!
kiep, kiep, (vrouwelijk), kiepen, hoed, vrouwenhoofddeksel. Vroeger droegen de vrouwen, vooral in de steden, zwarte hoeden, die men kiepen noemde; van sommige burgervrouwen worden ze nog wel gedragen; zij beschutten ruim zooveel als de tegenwoordige dameshoedjes.
kieper, [borrel, slok], kiepert, (mannelijk zonder meervoud), slok, snaps, borrel. Hij nam nog gaauw een kiepert.
kier, kier, (mannelijk), kieren, sleuf, smalle opening. De deur staat op een kier. Haar mond staat altijd open of op een kier.
kiereboe, kiereboe, (vrouwelijk), kiereboes, kapwagen, bolderwagen, een overdekte boerenwagen.
kies, kies, (vrouwelijk), kiesen, moederschaap, melkschaap. Het tamme schaap komt al spoedig op de roepstem van kies, kies! aangeloopen.
kikkebik, [ogenblik], kikkemik, (mannelijk), kikkemikken, oogenblik, ommezien. Dat is alle kikkemikken weêr aan, het kind kan geen kikkemik stil zijn.
kikkerig, [koud], kikkerig, (bijvoeglijk naamwoord), koud, verkleumd, kikkerachtig. Ze ziet er vrij kikkerig uit, het is een kikkerig gezigt.
kil, kil, (bijvoeglijk naamwoord), angstig, schrikkig. Het paard kan zich soms zoo kil maken, het wordt nog hoe langer zoo killer. Maakt u maar zoo heftig, zoo kil niet.
killen, killen, (intransitief werkwoord), snerpen, pijnlijk aangedaan zijn van de koude. De vingers killen. Zie tintelen.
kim, kimme, (vrouwelijk), kimmen, gezigteinder, de scherpe rand die als het ware hemel en aarde vereenigt. Het blikt (weerlicht) laag in de kimmen. De zon is alreeds beneden de kimmen. Zoo ook heet de scherpe rand van een vat, kimme of kim.
kind, kijnd, (onzijdig), kijnderen, kind. Wel heere mijn kijnd ben jij dat, wat zijn dat zoete kijnders. Vroeger hier algemeen, nu nog bij enkele oude vrouwen in gebruik.
kirgen, [kermen, lijden], kirgen, (intransitief werkwoord), kermen, lijden, strijden. Hij kirgt er om, wat heeft zij er lang om gekirgd.
kisgat, [dakvenster], kisgat, (onzijdig), kisgaten, dakvenster, opening in den kap van een boerenstolp, dienende tot luchtzuivering. Van daar nog het spreekwoord: “in de pispot gewasschen en in het kisgat gedroogd.”
kit, kit, (vrouwelijk), kitten, kroeg, gemeene herberg. Hij kruipt in alle kitten.
klak, klak, (bijwoord), klakkelijk, toevallig, onverwachts. Zoo klak kan een ding uitkomen.
klammen, [kibbelen], klammen, (intransitief werkwoord), kibbelen, twisten. De kinderen klammen gedurig, ja maar de ouden kunnen het ook wel.
klamp, klamp, (vrouwelijk), klampen, hooiklamp, schelf, mijt. Hij heeft drie hooiklampen op zijn erf staan.
klanderen, [glanzen], klanderen, (transitief werkwoord), glanzen, glad maken. Vroeger zond men de kleedingstukken, die geglansd moesten worden, naar den klander, of lekte ze zelf met den leksteen; nu weet men hier noch van klanderen, noch van lekken. Zie verder op dat woord.
Klaterbuurt, [gehucht in de Beemster], Klaterbuurt, een gehucht of buurschap in de Beemster, nabij de Rijp, oorspronkelijk in het begin der zeventiende eeuw bestaande uit eenige visschershutten, waarbij vervolgens gedurende het droogmaken van het Beemstermeer eenige poldertenten gevoegd werden. Van waar de naam Klaterbuurt?
klavervier, [plant], klavervier, (onzijdig), klavervieren, Men weet dat de klaverplant gewoonlijk drie blaadjes aan een steeltje heeft; enkele malen vindt men ze ook met vier blaadjes; ik heb ze zelf meer dan eens gevonden. Het heugt mij nog, dat het bijgeloof bij het volk nog al waarde hechtte aan een klavervier, omdat die tegen kollen en heksen vrijwaarde.
klet, klet, (onzijdig), kletten, kletje, jak, een vrouwen kleedingstuk van wollen stof. Vroeger droegen de vrouwen en meisjes hier ten platten lande kletten van boezelgoed; nu al sedert 25 jaren draagt men geen kletjes meer, dan alleen op de visschersdorpen.
kleums, [traag, kouwelijk persoon], kleumsch, (bijvoeglijk naamwoord), Zie krimperd.
kleuteren, kleuteren, (transitief werkwoord), schikken, voegen. Hij kan dat heel goed bekleuteren. Denk er om dat je de kleuters (kluiten) bij mekaar houdt.
kliek, kliek, (vrouwelijk), klieken, Kliekjes, poesjes, lestjes, zijn overgeschoten brokken van den maaltijd.
klieken, klieken, (intransitief werkwoord), morsen. Zie lestjes.
klieksel, [nagelaten stukken], klieksel, (onzijdig), klieksels, nagelaten stukken, brokken en spuwsel van een, die onzindelijk eet. Zij wil een anders geklieksel niet eten.
kliemen, kliemen, (intransitief werkwoord), kermen, jammeren, klagen. Zij kliemt en klaagt den ganschen dag, dat gekliem houdt nooit op: men zegt dit van eene vrouw die gedurig jammert over vermeend onregt en leed haar aangedaan, niet zoo zeer om de gegrondheid dier weeklagten, als wel van wege den aanleg en neiging tot ontevredenheid en wrevel.
klienen, klienen, (transitief werkwoord), kaasklienen. Als de zoete melk in de kaastobbe gestremd en daarna doorgehaald is, gaat men over tot het klienen, dat is: kleinmaken, ziften, klutsen. Het is onder deze bewerking, dat de fijn geklutste kaas zich tot een geheel laat te zamen drukken.
klis, klis, (vrouwelijk), klissen, kladdebos, een bekend onkruid aan dijken en wegen voorkomende. “Ze hangen aan als klissen, als kladdebossen.”
klodderen, [lurken, zuigen], klodderen, (intransitief werkwoord), lurken, zuigen. Vroeger plagen de kinderen die niet door de moeder gezoogd werden, aan een pijpkan te klodderen; later is de pijpkan in onbruik geraakt en door meer doelmatig ingerigte zuigtoestellen vervangen. Nog is de naam klodder bij de liefhebbers van het klare nat in gebruik gebleven. Een zekere soort van platte flesch met sterken drank gevuld heet klodder.
klokhuis, klokhuis, (onzijdig), klokhuizen, zaaddoos. Het klokhuis van een appel of peer. Overdragtelijk het binnenste van den mensch. Zijn klokhuis deugt niet, er zit geen goed klokhuis in.
klokspijs, klokspijs, (vrouwelijk), klokspijzen, metaalmengsel waaruit de klok gegoten wordt. Vandaar kost welken men graag eet. Ook past men dit woord in ruimeren zin toe op iets dat men als toevallige bate gaarne behoudt, b.v, dat is klokspijs voor den vinder; fooien zijn klokspijs voor de meid.
klook, [smerig persoon], klook, (vrouwelijk), kloken, eene smeerpriem, eene morsige vrouw. Het is eene regte klook, ze ziet er altijd even klokerig uit. Ze is zoo smerig als een pijpenkloker.
kluizen, kluizen, (intransitief werkwoord), Het kluist er, het heeft er gekluisd. Het zal er kluizen, het zal geducht aanloopen.
knak, knak, (bijvoeglijk naamwoord), boos, slecht gehumeurd. Hij was er erg knak over.
knaphandig, [vrijmoedig, onbeschaamd], knaphandig, (bijvoeglijk naamwoord), vrijmoedig, onbeschaamd, met vlugge hand. Het was maar een gaauwigheid van hem, hij had het al heel knaphandig weggemoffeld. Men gebruikt dit woord hier meestal sprekende van gaauwdieverij.
knapperd, [oud persoon], knapperd, (mannelijk), knapperds, Men zegt van een oud dier, paard, hond of kat, het is al een oude knapperd. Ook noemt men een oud man wel eens een ouden knapperd.
knapzak, knapzak, (mannelijk), knapzakken, spijszak, provisiebundel. De Duitschers, die in den zomer naar Holland komen om werk te zoeken, hebben ieder een knapzak op den rug, die er veelal smerig uitziet en gedeeltelijk gevuld is met eenige kleedingstukken, doch voornamelijk dient tot bewaring van spek, worst, boter, kaas en brood.
knar, knar, (mannelijk), knarren, knaagbeen, schonk. Hij zit op een mageren knar te bijten, de hond liep met een knar in den bek.
knarren, [knagen], knarven, (transitief werkwoord), knagen, bijten. Op schonken en bonken knarren. Zich vergasten op magere schonken, waaraan slechts een weinig taai vleesch te vinden is.
kneerten, [drentelen], knirten, (intransitief werkwoord), kneerten, knijpen, drentelen. Men past dit woord veelal toe op de pijnlijke beweging van eene koe die kalven wil: zij loopt of staat gedurig te knirten en te knijpen.
kneken, [verwijtend klagen], kneken, (transitief werkwoord), verwijtend klagen, nijdig kermen, lamenteren. Zij kneekt den ganschen dag door, ik ben dat gekneek al lang moede. Het is een kneekster.
kniezen, kniezen, (intransitief werkwoord), knagend verdriet hebben, door smart en leed verkwijnen, zich door hartzeer kwellen. Hij kniest zich dood. Het is een kniezer, kniesoor.
knijf, knijf, (onzijdig), knijfen, knipmes. Een stomp mes, of eenig ander puntig snijwerktuig; zie op het woord pielen.
knijpen, knijpen, (intransitief werkwoord), Een gebrek in de zoetemelksche kaas, dat hier nog al dikwijls voorkomt, noemt men knijpen. In 1839 heb ik een artikel geschreven, over het knijpen en andere gebreken in de noordholl. zoetemelksche kaas. Zie Tijdschrift vrouwelijk Nijverheid Dl. V, St. 4.
knijper, [klemmer], knijper, (mannelijk), knijpers, klemmer, klemhout. Kleerenknijpers zijn hier bij de vrouwen wel bekend; men maakt ze van eiken takken, op een palm lengte afgesneden; het boveneinde is knoestig, terwijl het benedeneinde eene diepe insnijding heeft; zij dienen om de natte kleeren op de drooglijn te bevestigen. Honden, die gaarne wegloopen, zet men ook wel eens een zwaarder soort van knijper op den staart.
knikbandig, [een knik in de band hebbende], knikbandig, (bijvoeglijk naamwoord), slapbandig, een knik in den band hebbende. Die koe is knikbandig, zegt men, als er één van de twee kruisbanden gezakt is; dan heeft zij “een knik in den band”; zijn echter beide de kruisbanden gezakt, dan is de koe bandeloos; zie op dat woord.
knippen, knippen, (transitief werkwoord), eene hoorbare beweging met de vingers maken, met den duim en middelsten vinger knippen, iemand met een knip voor zijn neus bedreigen of uitjouwen. Van daar de spreekwijze: hij is geen knip voor den neus waard.
knispelen, [slap melken], knispelen, nispelen, (transitief werkwoord), slap melken, niet goed doormelken. Met duim en vinger melken, terwijl de volle hand noodig is. Hij knispelt maar, d.i. omdat hij met te slappe handen melkt, maakt hij dunne melkstralen, de koe trekt zoo doende de melk terug, en, in plaats dat de melk in den emmer schuimt, gelijkt het meer op portel. De boer, die graag eene handbreed schuim op de melk ziet, is dat geknispel spoedig moede en berispt den melker, “omdat hij schuimende melk maar geen portel verlangt.” Zie portel.
knorf, knurf, (mannelijk), knurven, knobbel, bonk, verharding, kliergezwel. Dat wordt een heele knurf.
knorren, gnorten, (intransitief werkwoord), knorren, grommelen. Het varken gnort; vandaar het spreekwoord: “Zij worden gnortende vet.” De beteekenis wordt door den klank van het woord aangegeven.
knorrepot, [mopperaar], knorrepot, (mannelijk), knorrepotten, grommer, gnort, een knorrig bestje, een oude knorrepot, ontleend aan het grommend en morrend geluid van een varken. Van daar noemt men eene knorrende zeug mortje, gnort, of knorrepot.
knut, gnuit, (onzijdig), gnuiten, haft, oeveraas, een klein insect dat slechts weinige uren leeft.
knuttig, [pittig], knuttig, (bijvoeglijk naamwoord), knutterig, pittig, beknopt. Een knuttig ventje, wat staat haar dat mutsje knuttig. Al wat klein en snedig is: een knuttig bruidje.
koehooi, [hoeveelheid hooi], koe hooi, (onzijdig zonder meervoud), 5000 oude ponden hooi. In den regel rekent men als wintervoeder voor ééne koe 5000 halve ned. ponden voldoende: op die berekening berust ook het verkoopen bij het koe hooi.
koekeloeren, koekeloeren, (intransitief werkwoord), stil en gemakkelijk leven, een slakkenleven leiden, het hoofd in de schouders halen, zich bij een goed vuur warmen. Zie verder op kroelen.
koeskoezen, [door elkaar stampen], koeskoessen, (intransitief werkwoord), mengelmoezen. Hij koeskoest alles door malkander, wat een gekoeskoes. Het woord schijnt van oostersche afkomst en vroeger uit Barbarije door onze zeelieden hierheen gebragt.
koeterwaal, [onverstaanbaar persoon], koeterwaal, (mannelijk), koeterwalen, kromsteven, kromtong, een kleine snapper, die pas begint te praten.
koetouw, [soort touw], koetouw, (onzijdig), koetouwen, horenzeel. Een van hennep gevlochten touw, zijnde een vadem lang en aan het boveneinde van een oog of lus voorzien.
koets, koets, (vrouwelijk), koetsen, slaapstede op den koegang, kribbe, kreb. Naar de koets, te bed gaan.
kok, kokje, (onzijdig), kokjes, huisvrouw, huishoudster. Een oud kokje, dat is net zoo’n kokje voor hem.
kol, kol, (vrouwelijk), kollen, witte ronde plek voor het hoofd van een paard.
konkelen, konkelen, (intransitief werkwoord), koffij drinken, een kopje gebruiken. We zullen konkelen, het is konkeltijd, het is tijd een kopje te nemen.
konkelfoezen, konklefoezen, (intransitief werkwoord), draaien, huichelen, onder het hoedje spelen, niet opregt zijn. Hij konklefoest er onder.
kont, kont, (vrouwelijk), konten, gat, achterste. Het paard achter zijn kont zitten: drijven. De koe het kalf uit haar kont kijken: verlangend naar de geboorte uitzien.
kooien, [blijven liggen], kooien, (intransitief werkwoord), liggen blijven. Een gebrek aan sommige paarden eigen, die als zij zich neder gelegd hebben onmagtig zijn om op te staan. Van zulk een paard zegt men: het kooit, het is een kooier.
koosjer, kouster, (bijvoeglijk naamwoord), rein, zuiver. Toen men vroeger ook hier nog jodenkaas maakte, werd het opzigt van zulk een kaasmakerij aan een Jood opgedragen, die van wege het israelietisch kerkbestuur werd aangesteld. Hij had in last, naauwkeurig toe te zien en te zorgen, dat alle gereedschappen bij het kaasmaken in gebruik, rein en zuiver werden gehouden; te dien einde werden alle schoongemaakte gereedschappen door hem met een krijtje gewaarmerkt, ten teeken dat ze kouster waren. Van daar is het hier een spreekwoord geworden: “het zit er niet kouster,” niet zuiver.
kop, koppen, donderkoppen, (mannelijk), onweershoofden, vuurkleurige wolken, die tegen het hemelsblaauw der lucht scherp geteekend staan. De lucht zit vol donderkoppen.
kopjestijd, [koffietijd], kopjestijd, (mannelijk), kopjestijden, de tijd dat men koffij of thee drinkt. Het was juist kopjestijd. Zij zitten aan een kopje. Iemand op een kopje verzoeken.
koren, koren, (intransitief werkwoord), braken, overgeven, eigenlijk: neiging tot overgeven hebben. Hij koort wel maar geeft niet over.
korrie, [kruiwagen], korrie, (vrouwelijk), korries, kordewagen, kruiwagen, kor, handwagen. Een eenwiels wagentje met twee handvatsels of armen, zeer onderscheiden van vorm, constructie en bestemming; waarvan de mestwagen, zoo als die bij vele boeren hier nog in gebruik is, zeker wel de lompste figuur uitmaakt.
kous, kousie, (vrouwelijk), kousies, list streek. Hij verschuilt zich achter kousies, dat was een kousie. Misschien van het duitsch kause, kausen machen, knevelen, bedriegen.
kraggen, [kaaien], kraggen, (transitief werkwoord), kaaien, een krag of kade maken. Ze zijn daar aan het kraggen, d.i.: ze maken een kaai.
krap, krap, (bijvoeglijk naamwoord), naauwsluitend, strak, naauwelijks toereikend. Het zit er krap om, het staat er maar krap voor, de man heeft het krap.
kraplap, [kledingstuk], kroplap, (mannelijk), kroplappen, een vrouwen onderkleed zonder mouwen, dat slechts den boezem en rug bedekt.
krassen, krassen, (intransitief werkwoord), snoeven, opspreken. Wat zit hij weêr te krassen.
krasser, [krasijzer], krasser, (mannelijk), krassers, een ijzeren weêrhaak aan den looper van eene narrenslee.
kregel, kriegel, (bijvoeglijk naamwoord), kregel. Het is een kriegel mannetje, een korselig ventje die zich niet gemakkelijk iets uit de handen laat nemen; een kriegel paard: dat weêrspannig en koppig is.
kribbebijter, [onwillig paard], krebbebijter, (mannelijk), krebbebijters, krebbezuiger. Een paard dat zich al zuigende en bijtende met den bek aan de kreb of voerderbak vastklemt, noemt men een krebbebijter.
kriek, kriek, (mannelijk), krieken, bochel. Hij heeft het voor zijn kriek, zegt men van iemand die ligt ongesteld of dronken is, hij heeft den trek weg. Wil men dronken zijn te kennen geven, dan verwisselt men het woord kriek ook wel met kas of bochel.
krieuwelen, kriewelen, (intransitief werkwoord), krielen, wemelen. Zij kriewelen door malkander, het kriewelt van ongedierte.
kroelen, kroelen, (intransitief werkwoord), Dit woord wordt hier even als loeren en lodderen in eenen onschuldigen zin genomen, en beteekent als zoodanig niets anders dan dat kinderen zoowel als jonge dieren rustig en vreedzaan bij malkander liggen. Zie op de woorden, lodderen en loeren.
krok, krok, (onzijdig), Zie hooikrok.
krokken, [sneeuwen], krokken, (onpersoonlijk werkwoord), Het krokt, er valt fijne sneeuw. Er zal sneeuw komen, het begint alreeds te krokken.
krolleman, [waterspook], krolleman, (mannelijk), krollemannen, waterspook. Men maakt de kinderen wijs dat de krolleman zich in het water verbergt en dat kleine volk, als het te nabij den sloot komt, bij de lurven pakt.
kui, [vrouwelijk kalf], kui, (vrouwelijk), kuien, kalf van het vrouwelijk geslacht, koekalf, kuikalf, kuitje. Als de boer gedurende den staltijd veel kuien en weinig bullen teelt, dan noemt men dat een kuijaar; van daar het spreekwoord: “een kuijaar, een bruijaar.”
kuur, kuur, (onzijdig), kuren, tuiketting. Bullekuur, lange ijzeren ketting waaraan men een stier tuit.
kwakkelen, kwakkelen, (intransitief werkwoord), wankelen. Zijne gezondheid is aan het kwakkelen. Het is een kwakkelwinter.
kwalmen, kwalmen, (intransitief werkwoord), dampen, uitwasemen. Het kwalmt nog. Koekwalm, natte kwalm, vochtige uitwaseming van het vee in den stal.
kwast, kwast, (mannelijk), kwasten, pluim, het onderste gedeelte van eenen koestaart.
kwatten, [spugen], kwatten, (intransitief werkwoord), spuwen. “Hij laat zich niet op zijn vest kwatten,” d.i. hij laat zich niet overbluffen.
kween, kween, (vrouwelijk), kwenen, dubbelslachtig dier. Indien de kween het meest op eene koe gelijkt, noemt men haar eene koekween, anders een bulkween.
kwikkelen, kwikkelen, (intransitief werkwoord), trippelen, op een korten draf gaan, kwikkeldraf. Het paard loopt op een kwikkel.
laatst, lessent, (bijwoord), laatst, onlangs, lest. Hij was lessent nog hier. Men zegt hier gewoonlijk lessent of lest.
laatstje, [restje], lesje, (onzijdig), lesjes, lest, poesje, overschot, het laatste. Het is een oud lesje. Hij zoekt de lesjes bij malkander.
lak, lak, (zonder meervoud), mislukte proef. Hij dacht mij een loer te draaien, maar het was lak. ’t Is altemaal lak.
lakken, [vals beschuldigen], lakken, (transitief werkwoord), valsch beschuldigen, lasteren. Dat kunt gij hem niet lakken.
lamenteren, lammeteren, (intransitief werkwoord), klagen, jammeren, kermen. Verbastering van het fransche woord lamenter.
lamlendig, lamlendig, (bijvoeglijk naamwoord), zwak in de lenden, dat is een lamlendig paard.
landloper, [zwerver, jong varken], landlooper, (mannelijk), landloopers, een jong varken, dat gedurende den zomer geweid wordt, om vervolgens in den herfst gemest te worden. Landloopers zijn voorjaarsbiggen, terwijl herfstbiggen tot wintervarkens aangehouden worden; zie op dat woord.
lappen, lappen, (transitief werkwoord), ten uitvoer brengen. Hij zal dat niet lappen, d.i.: het zal hem niet gelukken.
larie, larie, (vrouwelijk zonder meervoud), gekkernij, beuzeling, ijdel gesnap. Allemaal larie. Vroeger droegen de vrouwen jakken van lariebloemt gemaakt.
lat, latje, (onzijdig), latjes, zijdgeweer. Hij droeg het latje op zij, de man met het latje. Van daar het spreekwoord, “hij krijgt van ’t latje.”
lawaai, lawaai, (onzijdig zonder meervoud), beweging, drukte. Wat maakt hij een lawaai. Het is een regte lawaaimaker, het is jodenlawaai, harde wind zonder regen.
lebbig, [zuur], lebbig, (bijvoeglijk naamwoord), onsmakelijk, zuur. De kaas smaakt lebbig, een lebbig gezigt.
leg, [legdarm van kip, laag garven], leg, (onzijdig zonder meervoud), lijf, draagzak, de baarmoeder van eene koe, een paard, een schaap of eenig ander zoogdier.
lens, lens, (bijvoeglijk naamwoord), ledig. De pomp is lens, zijn geldbuidel is lens.
leuk, leuk, (bijvoeglijk naamwoord), warm, luw. Het is daar leuk, matig warm.
licht, ligt, (onzijdig), ligten, koeligt, de water- en slijmvliezen die na de geboorte van het kalf uitgedreven worden. Indien het ligt niet binnen een paar uren na de verlossing volgt, dan zegt men: “de koe blijft met het ligt staan.”
lichterschap, [verlichting], ligtenschip, (vrouwelijk zonder meervoud), verligting, ruimte, vermindering van pijn, wegruiming van benaauwdheid. Dat geeft ligtenschip.
lidderen, [trillen], lidderen, (intransitief werkwoord), lillen, schudden. Zachte trillende beweging maken.
lijf, lijf, (onzijdig), lijven, leg, draagzak, de baarmoeder van een zoogdier. Als dit ingewand kort na het afkalven naar buiten gedreven wordt heet het: het lijf is van de koe; het weder inbrengen noemt men: het lijf insteken.
lijst, [ooi], lijst, (vrouwelijk), lijsten, Een lam van het vrouwelijk geslacht, heet lijst of ooi: vandaar, lijstlam. Na voor de eerste maal geoond te hebben, noemt men haar oonlijst. Zie oonen.
likken, lekken, (transitief werkwoord), glanzen, gladmaken. Vroeger plagen de vrouwen met een halfronden glaskogel hare schorteldoeken en andere kleedingstukken sterk te wrijven, hetwelk lekken heette. Zie verder op het woord klanderen.
liplap, [laffe kost], liplap, (mannelijk), liplappen, laffe kost. Leg niet te liplappen.
lobbes, lobbes, (mannelijk), lobbessen, een speelzieke, jolige hond, een goedwillig vriendelijk dier, een maloor, lokkebout.
loeder, [lummel], loeter, (mannelijk), loeters, lummel, lomperd, domkop. Het is een regte loeter. Loeterig, dommelig, slaperig. Beloeteren, bedriegen, beetnemen, misleiden.
loer, lurtje, (onzijdig), lurtjes, een slaapkous, onnoozele bloed. Een lurtje zonder erg.
loeren, [slapen], loeren, (intransitief werkwoord), slapen, lodderen. Het kind loert op moeders schoot, de kinderen loeren bij malkander.
lokkebout, [zachtaardig dier], lokkebout, (mannelijk), lokkebouten, zachtaardig dier. Het is een lokkebout. Zie lobbes.
lollepot, lollepot, (mannelijk), lollepotten, koffijpot, konkelpot, een zekere soort van koffijketel, vroeger meer algemeen, nu nog bij enkelen in gebruik. In overdragtigen zin zegt men van iemand, die veel en vervelend praat over niets beteekende dingen: ’t is een lollepot.
loof, loof, (bijvoeglijk naamwoord), vermoeid, mat, onlustig, lusteloos, afgemat. Ik ben die drukte al lang loof, d.i. ik ben die moede, ik walg er van. Somtijds ontstaat loofte of loofheid ook wel meer uit traagheid en luiheid; in dat geval past men het spreekwoord toe: “Loof kan lang aan.”
lor, lor, (vrouwelijk), lorren, bel, lap, vod. Ik geef er geen lor om, het kan mij geen lor schelen.
luif, luif, (vrouwelijk), luifen, luifel, afdak. Ten platten lande vindt men op sommige dorpen, vooral aan boerenwoonhuizen, een soort van afdak, hetwelk men de luif noemt, dienende of tot werkplaats, of ook wel tot zomerwoning.
luilak, luielak, (mannelijk), luielakken, langslaper. De zaturdagmorgen voor Pinkster is hier voorlang bekend als: “luielaks-ochtend”, dan zijn de kinderen al vroeg in de weer, ieder met een bos brandnetels in de hand.
lummel, lummel, (mannelijk), lummels, stoetel, lomperd. Het is een lummel, een onnoozele hals, hij is onhandig, onredzaam, lummelachtig.
lurken, lurken, (intransitief werkwoord), zuigen, bij kleine teugen drinken. Als het mestkalf de in een emmer voorgediende melk meer zuigt dan drinkt, zegt men: het is een lurker; mamzieke kalveren lurken het meest.
lurven, lurf, (vrouwelijk), lurven, Iemand bij de lurven krijgen, aanpakken; hij pakte hem bij zijn lurven; had ik hem maar bij zijn lurven.
lustnietig, [kieskeurig], lustnietig, (bijvoeglijk naamwoord), kieskeurig in het gebruik van spijs en drank. Veelal zijn die lustnieten door verkeerde opvoeding bedorven.
luur, luur, (vrouwelijk), luren, luier. Het kind in de luren steken, inbakeren. Luurbak, luurmand. Men zegt ook wel, iemand in de luren steken, d.i.: bedriegen.
maaireed, [gereed om te maaien], maaireed, (bijvoeglijk naamwoord), Als het gras gereed is om gemaaid te worden heet het maaireed.
mad, mad, (onzijdig zonder meervoud), Een mad is zooveel land, als een man per dag kan afmaaien. Het mad is op, groot of klein mad. Het gaat bij het mad.
maf, maf, (bijvoeglijk naamwoord), muf, dof, vadzig, laf. Een maf huis, maffe, vochtige muren, de meubelen zijn maf en schimmelig.
mainteneren, mentineren, (transitief werkwoord), waarnemen, uitvoeren. Hij heeft het slecht gementineerd, hij kan zijn eigen boel niet mentineren. Het fransche maintenir.
mal, malje, (onzijdig), maljes, voorbeeld, mal, schapseljoen. Hij maakt malje naar malje.
malbol, [kaas], malbol, (mannelijk), malbollen, in het begin dezer eeuw en vroeger maakte men hier onder meer andere soorten, kazen van 15 oude ponden zwaar, malbollen geheeten. Ik heb in mijne jeugd de vormen waarin ze gemaakt werden nog wel gezien, doch al sedert langen tijd worden ze niet meer gemaakt.
maljagen, [gekscheren], maljagen, (intransitief werkwoord), op malligheid jagt maken, malligheid maken, gekscheren, iemand met zotternij kwellen. Het is maljagerij.
maltentig, maltentig, (bijvoeglijk naamwoord), eigenzinnig, nuffig, overdreven zindelijk, kraakzindelijk. Men vindt ook hier op het platte land meermalen zulke ultra-zindelijke vrouwtjes, die aan meubelen en huissieraden dikwijls veel tijd verbeuzelen, waardoor zij het den dienstboden zeer lastig maken.
mammer, [zuiger], mammer, (vrouwelijk), mammers, zuiger, eene melkkoe die zich zelve zuigt heet een mammer. Men heeft verschillende middelen uitgedacht om zulke mammers dat schadelijk zuigen te beletten. Het gebeurt ook niet zelden, dat graskalveren, die bij de melkkoeien in de weide loopen, aan de koeien zuigen; op zoodanige mammers is men in het geheel niet gesteld.
mans, [sterk, krachtig], mans, (bijvoeglijk naamwoord), sterk, krachtig. Hij is veel mans. Men zegt van eene vrouw, die niet spoedig verlegen is en den mond goed tot haar wil heeft: dat wijf is mans.
mars, [bevel om weg te gaan], marsch, (tussenwerpsel), ga heen, ruk op, zoo zegt men tegen een hond of ander dier dat men wegjaagt; marsch met den boel: weg er mee.
mei, mei (oud), (mannelijk), de twaalfde dag van Mei, volgens den onzijdigs. In Friesland rekenen de boeren nog veel bij oud-Mei.
mei houden, meihouden, (intransitief werkwoord), meidag vieren, verhuizen. Als de boer zijn vee van den stal neemt en naar de weide brengt, zegt men: hij is aan het meihouden, onverschillig of het een dag in Mei of in April is; zoo ook heet het bij ontijdig verhuizen van knecht of meid: de boer heeft Mei gehouden.
melkhok, [melkplaats], melkhok, (onzijdig), melkhokken, bon, afgesloten plaats waar men des zomers de koeien melkt. Bij de meeste boerderijen is het melkhok nabij de woning; daar waar het land aan losse stukken verdeeld ligt en niet dan met een schuitje te naderen is, melkt men de koeien los over het veld of bindt ze aan paaltjes.
melkpij, [kledingstuk], melkpij, (vrouwelijk), melkpijen, een wit jak van linnen of katoen, dat de boerenmeiden dragen als zij aan het melken zijn.
mem, mem, (vrouwelijk), memmen, moeder. Voor 50 jaren en vroeger noemden de kinderen hier vrij algemeen hunne ouders mem en taat; thans vinden vele boerenkinderen de naam van vader en moeder te plat en zeggen daarom: pa en ma of moesje.
mep, mep, (mannelijk), meppen, slag, klap. Hij kreeg een mep aan zijn oor.
meppen, meppen, (intransitief werkwoord), drinken, zuipen, dronken drinken. Hij mept hem, ze meppen hem daar.
meshanger, [vette kaas], meshanger, (bijvoeglijk naamwoord), vette kaas, die onder het snijden aan het mes blijft hangen. Zulke meshangers worden als zoodanig opzettelijk op bestelling gemaakt.
mestbult, [mestvaalt], mistbult, (mannelijk), mistbulten, mestvaalt, de mist. Breng het maar op de mist. Meestal zijn de mistbulten hier langwerpig vierkant, achter breed en hoog, vóór meer smal en lager; ze worden netjes afgestoken en met slootmodder gedekt.
mesten, misten, (intransitief werkwoord), mesten, de mest van achter het vee wegnemen en naar den mistbult brengen; twee malen daags wordt de groep van mest geledigd.
meug, meug, (vrouwelijk zonder meervoud), eetlust, smaak. Het is mijn meug niet, elk zijn meug, tegen heug en meug.
meugebet, meugebet, (bijvoeglijk naamwoord), iemand die goedwillig in een anders plaats treedt, heet meugebet. Als een vrijer een meisje ter bruiloft vraagt, maar door haar wordt afgewezen, en dan een ander in hare plaats verzoekt, die het aanneemt, dan is deze laatste meugebet. Het woord is afgeleid van meugen, mogen en beter.
meuken, meuken, (intransitief werkwoord), weeken, zacht maken, gaar meuken. Het staat te meuken, laat die zaak maar stilletjes meuken, d.i. rusten.
meul, [zacht], meul, (bijvoeglijk naamwoord), zacht, murw, bol. De grond is meul en zacht. Meul vleesch.
meuzelen, [peuzelen], muizelen, (transitief werkwoord), peuzelen, eten, muizen. Als de kat muist dan maauwt zij niet; de kinderen zijn lekker aan het muizelen: hij heeft het opgemuizeld.
miegelen, miegelen, (onpersoonlijk werkwoord), met kleine spatjes regenen. Het miegelt een weinig. Het is muggepis, zegt men, zinspelende op het miegen (mijgen) van muggen.
mier, mier, (mannelijk zonder meervoud), tegenzin, hekel. Daar heeft hij een mier aan; hij heeft een mier aan het werken.
miereken, mierken, (transitief werkwoord), turen, gluren, het oog op een bepaald punt rigten. Hij staat al te mierken. “Ik heb ’t gemierkt”: zei de jood.
miezen, [inleg bij spel], miezen, geld, inleg bij zeker spel. De miezen verzamelen. Hij past op de miezen.
mijt, mijt, (vrouwelijk), mijten, hooimijt, kaasmijt, een klein insect: mijten, vermijten, door de mijt verteerd worden.
mikmak, mikmak, (mannelijk), mikmakken, ongemak, verstoring. Door een nog al beduidend mikmak aan het rijtuig viel het om en kreeg de voerman een klein mikmak aan zijn been.
mild, mild, (bijvoeglijk naamwoord), zacht, murw, mollig. Mild vleesch, de grond is mild, d.i. zacht en murw, juist zooals men dien begeert.
miniseren, [minderen], mienezeren, (intransitief werkwoord), minderen, inkrimpen, afnemen. De koeien mienezeren, d.i. ze minderen in het melk geven. Zijn drift mienezeert, hij wordt bedaarder.
miserabel, mizerabel, (bijvoeglijk naamwoord), ellendig, jammerlijk. Men gebruikt dit woord hier somtijds in de beteekenis van: bijzonder, uitmuntend, en spreekt dan van: mizerabel mooi, hij was er mizerabel mêe in zijn schik, er was mizerabel veel volk op de kermis.
modden, modden, (intransitief werkwoord), kladden, morsen, vuil maken. De kinderen zijn aan het modden, eene moddige vrouw, de weg is moddig, morsig. Gemod, moddiger.
modderen, modderen, (intransitief werkwoord), flossen, beugelen, baggeren, uitmodderen, de sloot van slappen modder zuiveren.
moet, moet, (vrouwelijk), moeten, indruksel, merk. De moeten zijn nog aan den wand zigtbaar, waar de spiegel heeft gehangen. Men kan aan de moet nog duidelijk zien, waar het verband het meest gekneld heeft.
moeten, moeten, (intransitief werkwoord), genoodzaakt wezen, behooren, “het is te moeten” zegt men van eene vrijster of weduwe die spoedig de bruid zal worden omdat ze in een gezegenden toestand verkeert. Niet moeten gebruikt men hier ook in den zin van afkeerig zijn: ik moet hem niet, ik zou hem niet moeten.
moffelen, moffelen, (intransitief werkwoord), verbergen, bedektelijk verplaatsen, wegmoffelen, verschuilen, ontvreemden, zoek maken. Men zegt ook van iemand die een slecht gebit heeft, en op taaie stukjes vleesch of broodkorsten zit te knabbelen; hij moffelt als een oud bestje.
moffentoer, [zware arbeid], moffentoer, (mannelijk), moffentoeren, moeielijk werk. Dat was een moffentoer, een zware arbeid.
mokkel, mokkel, (mannelijk en vrouwelijk), mokkels, dik vet kind. Een dikke mokkel, eene dikke vette vrouw.
mokken, mokken, (intransitief werkwoord), mopperen, pruilen, zwijgend, met een ontevreden gezigt zitten te wrokken, wrevel in het hart voeden.
mollen, mollen, (intransitief werkwoord), effenen, gelijk maken. De hoogten van het bouwland met het molbord wegnemen heet mollen. Hij is aan het mollen. Men neemt dit woord hier ook in den zin van dooden. Hij heeft hem gemold, hij zal hem wel mollen, dood maken.
mombakkes, bombakkes, (onzijdig), bombakkesen, masker, momaangezigt. Wat een leelijk bombakkes.
mondjesmaat, [afgemeten], mondjesmeet, (vrouwelijk), mondjesmeeten, Meet is Noord-Hollandsche uitspraak van maat. schraaltjes afgemeten. Het gaat daar bij mondjesmeet, het wordt als het ware met den mond afgemeten, het zijn kleine hapjes, zuinige beetjes, schraalhans is er keukenmeester.
moorden, [doodmaken, wroeten], moorden, (intransitief werkwoord), wroeten, wurmen, zich dood werken, bovenmatig inspannen. “Het is moorden” zegt men als het werk een inspanning vordert, die de kracht van den werkman uitput. Als er iets plaats heeft of gedaan wordt wat niet bevalt, en tegen de opinie van velen inloopt, dan zegt men: “het is een moord.”
mot, [zeug], mort, (vrouwelijk), morten, oude zeug, een moedervarken, dat in den regel veel mort en grommelt, van daar oude mort, oude marie. Intusschen is de zeug doorgaans eene teedere moeder, die zorgvuldig hare kinderen voedt en beschermt. Het is waarlijk een lust om te zien als zij met een dozijn biggen aan hare breede borst, op het heldere stroobed uitgestrekt, onder een eigenaardig gemor hare kinderen zoogt.
motteren, [motregenen], motteren, (onpersoonlijk werkwoord), het mottert, er valt fijne regen, stofregen, het begint te motteren.
motterig, [groezelig, gepokt], motterig, (bijvoeglijk naamwoord), groezelig, bepukkeld, een motterig bakhuis, een groezelig gezigt. Zoo noemt men iemand die zwaar gepokt heeft, of wat puistig en morsig in zijn gezigt is.
motvogel, [insect], motvogel, (vrouwelijk), motvogels, motuil, een vliegend insect dat zijne eitjes legt in wollen stoffen.
mud, mudje, (onzijdig zonder meervoud), groote hoop, het heele boeltje; het hudje met het mudje: alles.
muf, muf, (bijvoeglijk naamwoord), maf, drem, vunzig. Een huis of stal waar, bij gemis van versche lucht, alles vermuft en bederft heet muf. Zie maf.
muffen, [stinken], muffen, (intransitief werkwoord), een onaangenamen reuk van zich geven; het muft. Ook voor de daad van ruiken: hij muft het al. “Zwijg zoo lang het stinkt,” zei grootje “dan zal ik het wel muffen.”
muitig, [dapper, opgeruimd, kras], muitig, (bijvoeglijk naamwoord), moedig, opgeruimd, kras. Wel zwak maar toch nog muitig; wat was zij gisteren nog muitig. Goedsmoeds, geduldig en hopende.
naamziek, [voorliefde voor een naam hebbend], naamziek, (bijvoeglijk naamwoord), gehecht zijn aan een kind, alleen omdat het den naam draagt van een bemind persoon. Zoo ook worden sommige grootouders door naamziekte gedreven om de kleinkinderen die hun naam dragen voor te trekken en hun bij voorkeur meer genegen te zijn.
naaroog, [nare jongen], naaroog, (bijvoeglijk naamwoord), nare jongen, zoo noemen de meisjes dikwijls een vrijer, die niet regt in den smaak valt, omdat hij er somtijds schik in heeft anderen te plagen en te kwellen. Het is een naaroog van een jongen.
nachtronken, [nachtrust verbeuzelen], nachtronken, (intransitief werkwoord), nachtrust verbeuzelen, op vrolijke nachtpartijen verkeeren moedwillig slaap derven.
nakend, nakend, (bijvoeglijk naamwoord), naakt, bloot, ongedekt. Naakte boomen, nakende wegen, nakend en bloot.
nar, [arrenslee, trog], nar, (vrouwelijk), narren, ar, arreslede, trog, prik. Als werkwoord narren. Ze zijn druk aan het narren, hij heeft genard, zij narden.
narren, [plagen, aanhoudend huilen], narren, (transitief werkwoord), kwellen, plagen. Het is een nar, hij is er altijd op uit om te narren; vandaar het spreekwoord: “Men kan wel narren zonder ijs.”
natten, [spatten], natten, (onpersoonlijk werkwoord), spatten. Het begint te natten, d.i.: te regenen. Het heeft genat, het begon een weinig te natten.
nes, nesk, (bijvoeglijk naamwoord), los, slap, zwak. Men noemt eene melkkoe nesk, als de melk onwillekeurig uit de spenen vloeit. Het is een gebrek aan de spenen, ontstaande door zwakte of verlamming der sluitspieren die de sterke aanpersing van de melk niet kunnen weerstaan.
nezig, [flauw], nezig, (bijvoeglijk naamwoord), flaauw, geeuwend. Hij is nezig, hij heeft den geeuwhonger, is flaauw ten gevolge van felle koude en holle maag.
nietemijtig, [nietig, zwak], nietemijtig, (bijvoeglijk naamwoord), nietig, zwak, onbeduidend, minvermogend. Ze is zoo nietemijtig, flaauw, traag, onlustig: wat zij doet is geen mijt waard.
niezen, fniesten, (intransitief werkwoord), niezen, hij fniest, moet gedurig fniesten, ook wel fniezen. Vroeger was het hier vrij algemeen gebruikelijk, den fniestenden een welbekomtje, of Godzegentje, toe te wenschen.
nijten, neiten, (intransitief werkwoord), dreigen, tegenstand bieden, weerstreven. Men zegt dit vooral van dieren die met de horens dreigen en kwaadschiks zijn. Het is een neiter.
nik, nok, (mannelijk), nokken, nik, hik, eene krampachtige aandoening van het middenrif.
ninnen, [zuigen], ninnen, (transitief werkwoord), titten, zuigen, mammen. Het kind ligt aan moeders borst te ninnen; hetzelfde als: nunnen, klodderen, aan een pijpkan zuigen. Zie klodderen.
nippen, nippen, (intransitief werkwoord), nijpen. Als het nipt en weernipt: dat gaat op het nippertje af, het was maar bij den nipper af.
noest, noest, (bijvoeglijk naamwoord), wild, ongeschikt, ruw, doldriftig. Het is een noest en wrevelig dier. Het is een lomperd: altijd even noest. Het gaat er noest naar toe, d.i.: onstuimig en ongeregeld, met dolle drift en onbedachtzaam.
nog eens, noggeres, (vrouwelijk), w. nog een reis, nog eens. Hij wil het noggeres wagen. Van iemand die vlug in het aanleeren is zegt men: als hij het noggeres ziet, dan weet hij het ook.
nol, nol, (vrouwelijk), nollen, kleine heuveltjes, op een weiland, waarvan de bodem zacht en slap is. Deze nollen ontstaan veelal bij vochtig weer, wanneer het rundvee den grond stuk trapt, waardoor kleine bulten ontstaan, die vervolgens uitdroogen en hard worden. Een knap landman heeft weinig last van nollen.
non, non, (mannelijk), nonnen, de top van een tol. Hij draait op zijn non. Zij is op haar nonnetje, zegt men van eene vrouw, die niet goed gemutst is.
noppen, noppen, (intransitief werkwoord), het vee nopt, de koeien noppen, zegt de boer, als hij in den zomer de kale weide als bezaaid ziet met doode grasplanten, die ten gevolge van de sterke droogte, met wortel en al uit den grond getrokken worden.
nuizig, [begerig], nuizig, (bijvoeglijk naamwoord), graag, begeerig, happig. Hij is er nuizig bij; niet lui om aan te grijpen. Zoo nuizig als zij zeide: enz. Dit woord is waarschijnlijk verwant met gruizig. Zie aldaar.
nunnen, [zuigen], nunnen, (transitief werkwoord), zuigen, lurken, door de tanden zuigen. Op een doek, den duim of iets anders nunnen.
o wee, o waai, awaai, (tussenwerpsel), o waai, o wee, eene weeklagt, eene uitroeping van ontevredenheid en verbazing, misschien van de Joden overgenomen. Men gebruikt dit woord meestal spottender wijze. “O waai riep de jood, was ik maar in Abrams schoot.”
oerbank, [bepaalde aardlaag], oerbank, (vrouwelijk), oerbanken, oerlaag, ijzeroer. Eene aardlaag, die op zekere diepte, in het zuidelijk gedeelte van de Beemster schijnt aanwezig te zijn, waardoor vroeger het putboren in die streek geen plaats kon hebben. De toen gebruikelijke werktuigen stuitten op die zoogenoemde oerbank af; van daar dat men op dat gedeelte putten met riolen heeft aangelegd. Nu echter gebruikt men verbeterde werktuigen en boort ook daar putten tot beneden de oerbank.
offeren, offeren, (intransitief werkwoord), afwijzen, weigeren. Ik heb het verzoek geofferd; zij zullen het voorstel wel offeren, d.i. van de hand wijzen. Hij offert alles wat men hem verzoekt.
okseldoek, [lap stof], hasseldoek, (mannelijk), hasseldoeken, okseldoek, een driehoekig strookje linnen of katoen dat onder de oksels aan de hemdsmouwen wordt bevestigd. Hassel is hetzelfde als oksel.
om zeep, [buiten kennis], om zeep, (bijvoeglijk naamwoord), buiten kennis, in flaauwte. Hij is om zeep, buiten westen. Men wil dit spreekwoord afleiden van de kruisvaarders die de zeep uit Palestina medebragten.
omdoening, [gedoe], omdoening, (vrouwelijk zonder meervoud), omslag, noodelooze drukte, te veel omhaal. Wat een omdoening! Ik houd niet van al die omdoening.
omloop, [zwelling], omloop, (mannelijk), omloopen, rand, zuchtige zwelling om den voet van een paard of rund. Dat zal een omloop worden. Zij heeft een omloop om haar vinger.
ommekant, [snee brood], ommekantje, (onzijdig), ommekantjes, eene snede roggebrood, een heel stuk. Een halfje is de helft van een ommekantje.
omstaan, omstaan, (intransitief werkwoord), Om en weer om staan. Ze hebben hem omstaan geleerd, zegt men van iemand die vroeger vrij en ongedwongen naar zijn eigen hoofd te werk ging, maar nu aan strenge tucht onderworpen is.
omzonst, omsonst, (bijwoord), vergeefs, onnut. Dat is omsonst geweest. Het was een reisje voor den prins. Ik vrees dat zijn poging weer omsonst zal zijn.
onbehouwen, onbehouwen, (bijvoeglijk naamwoord), lomp, onbehakt, bot. Wat is dat onbehouwen zwaar. Altijd nog even onbehouwen, ruw en lomp.
onbeweeglijk, [onbegaanbaar], onbewegelijk, (bijvoeglijk naamwoord), slechtweegs, onbruikbaar. Als de kleiwegen in het wintersaizoen slecht te gebruiken zijn, zegt men hier: het is onbewegelijk, onbegaanbaar.
onen, oonen, (transitief werkwoord), jongen ter wereld brengen, lammen, jongen werpen. Het schaap oont, heeft geoond, zal oonen. Van daar oonschaap, d.i.: een schaap dat oonen moet,of geoond heeft. Men verwart dit woord meermalen met ooi, (meervoud), dat zelfstandig naamwoord is en slechts het geslacht aanduidt. Zie op het woord lijst.
ongereed, [onvoorbereid], onreed, (bijvoeglijk naamwoord), ongereed, onvoorbereid. Het is hier alles nog onreed, het tegendeel van gereed en reisvaardig.
ongezouten, ongezouten, (bijvoeglijk naamwoord), ongeredderd, ongemakkelijk. Hij kon het ongezouten hard zeggen. Dat zal daar ongezouten aankomen, ongeredderd aanbotsen.
onguur, onguur, (bijvoeglijk naamwoord), bar, ruw. Het is een onguur schepsel, onguur weer. In dezelfde beteekenis zegt men doch verkeerdelijk ook: guur.
ontkrombeenen, [ontlopen], ontkrombeenen, (intransitief werkwoord), ontkruipen, ontloopen, zich uit de voeten maken, zich aan iets onttrekken, ontkrommen. Hij heeft het wel weten te ontkrombeenen.
ontlaten, [zachter worden], ontlaten, (onpersoonlijk werkwoord), dooien, loslaten. Het begint te ontlaten, de harde grond wordt zachter, murwer.
ontrampeneren, [vernielen], ontrampeneren, (transitief werkwoord), vernielen, reddeloos maken. Dit zeemanswoord wordt ook hier gebruikt in de beteekenis van beschadigen, vernielen. Een ontrampeneerd huis, een ontrampeneerd stuk land, dat ten gevolge van geweldige regens, door het vee stuk getrapt is.
ontschieten, [verwonderen, ontglippen], ontschieten, (intransitief werkwoord), bevreemden, verwonderen. Dat ontschiet hem; het zou mij erg ontschieten als dat gebeurde.
ontuig, [vuilnis, onkruid], ontuig, (onzijdig zonder meervoud), vuilnis, onkruid, allerlei gemeen goed dat men op den mestbult brengt is ontuig.
onzoet, [onsmakelijk], onzoet, (bijvoeglijk naamwoord), onsmakelijk, onzindelijk. Onzoet dier, morsig zwijn. Hij kreeg onzoet op zijn randsel.
oomzegger, [neef, nicht], oomzegger, (mannelijk en vrouwelijk), oomzeggers, een oom- of peetzegger is een broeders of zusters kind; deze noemt men ook neef en nicht, even als de kinderen van oom en peet; zoo doende zijn het allen neven en nichten. Om ze evenwel van malkander te onderscheiden, noemt men hier de kinderen van broeder en zuster oom- en peetzeggers, de anderen neef en nicht.
oorijzer, [hoofdsieraad], oorijzer, (onzijdig), oorijzers, beugel, hoofdsieraad der vrouwen, vooral ten platten lande, oorspronkelijk van ijzer, later van koper, zilver of goud gemaakt. Hoe ook van vorm en gehalte veranderd, heeft het tot nog toe den naam van ijzer behouden: van daar spreekt men nog van een gouden of zilveren ijzer, of eenvoudig weg ijzer. Het nieuwe ijzer staat goed.
oorlam, [grappenmaker], oorlam, (mannelijk), oorlams, schalk, guit. Het is een regte oorlam, zegt men van iemand die wat schalkachtig is, en er schik in vindt een ander te foppen. Dit woord is van het scheepsvolk afkomstig.
ootje, ootje, (onzijdig), ootjes, grootmoeder, grootje. In mijne jeugd was ootje vrij algemeen op het. platte land de naam van grootmoeder; sedert is ootje een oude best, een grootje geworden.
op de wit, [boos], op de wit, (bijvoeglijk naamwoord), boos, ontevreden, wrevelig, nijdig. Hij rijdt op de wit, hij is schielijk op de wit; spoedig boos. Misschien ontleend aan een of ander oud gebruik; zoo spreekt men ook nu nog van: ons lievenheers witje: het heilige bontje.
op gaal, [op komst], op gaal, (bijwoord), in aantogt, op komenden weg. Er is onweer op gaal, daar is zeker wat op gaal, op komst.
op jacht, [ergens ongewenst mee verbonden zijn], op jagt, (bijwoord), aangehaald, geschoren. Ergens mede op jagt zijn. Hij geraakt leelijk met dien vent op jagt, hij zit er mee geschoren, hij raakt er tegen wil en dank aan verbonden.
opa, [grootvader], ota, (mannelijk), otaten, grootvader, beb. Zie op het woord bappe.
opbreken, [afbreken, oprispen], opbreken, (intransitief werkwoord), oprispen, kwalijk bekomen. Het zal hem opbreken als den hond de worst; dat brak hem zuur op, het is hem slecht bekomen.
opdiggelen, opdiggelen, (transitief werkwoord), opschikken, opknappen, verfraaien. Zij heeft zich intusschen wat opgediggeld. Hij zal dat vervallen huis wat laten opdiggelen. Misschien ontleend aan het gebruik van de kinderen, die met diggels pronken, en hunne speelplaats met diggelen opsieren.
opdokken, opdokken, (transitief werkwoord), betalen, afschuiven, geld geven, teruggeven, mogelijk verwant met opduiken.
opkrassen, opkrossen, (intransitief werkwoord), heengaan, vertrekken, zich verwijderen. Kros op met uwe zijden kousen. Als het avond wordt krost elk naar huis. Ze gaan opkrossen. Misschien aan karos ontleend.
opper, opper, (mannelijk), oppers, hooihoop, kleine hooirook, van p. mannelijk 100 ned. ponden. In de zoogenoemde oude landen, waar het hooi te water vervoerd wordt, draagt men de oppers op twee stokken. Zie verder op het woord: rook.
opperen, opperen, (intransitief werkwoord), beteren, winnen. Hij oppert, hij haalt op. Het werk oppert maar zoo weinig, d.i.: het vordert maar een beetje.
opperkeur, [meester], opperkeur, (mannelijk), opperkeuren, opperbaas, meester, haantje de voorste. Het is een opperkeur, hij is uitgeleerd. Men zegt hier ook wel opperteur.
oppotten, [verzorgen, opvoeden], oppotten, (transitief werkwoord), verplegen, opvoeden, met de melkpot groot maken. Jonge lammeren of biggen, die moederloos zijn, of van de moeder verstooten worden, voedt men op met de melkpot; van daar, potlam, potbig enz. Zie op het woord potje.
oproden, oproden, (transitief werkwoord), opruimen, oppakken, bergen. Zij zullen den boel oproden, wegmaken, het overtollige wegzenden. Ik zal eenige paarden oproden. De meid heeft het verbruid, nu kan zij oproden, heen gaan.
opsteken, opsteken, (transitief werkwoord), aansteken, de pijp aansteken. Laten wij eens opsteken, hij heeft zijn pijp opgestoken. Wij gaan onderweg bij vriend A opsteken, d.i.: hem even bezoeken en onze pijp opsteken.
opwaarts aan, [opwaarts], opperdan, (bijwoord), vooruit, voorwaarts, opwaarts. Kom maar opperdan. Zij komen meer opperdan: naderen. Verkorting van opwaarts aan, even als inverdan en uitwerdan.
ort, ort, (onzijdig zonder meervoud), afval van riet, hooi of stroo, nat hooi. “Heden ort, morgen goed voeder”: dit spreekwoord beteekent: wat heden als ort nat, slap en onsmakelijk is, kan morgen, in zon en wind gedroogd, bruikbaar voeder zijn.
orten, [rietafval verwijderen], orten, (transitief werkwoord), uitorten, ieken, van ort zuiveren, het ort uit den rietschoot wegnemen. Ort droogen. Zie verder op het woord ieken.
overhouder, [jong schaap], overhouder, (mannelijk), overhouders, jarig schaap. Het lam wordt op den ouderdom van een half jaar een overhouder. Na geschoren te zijn noemt men den overhouder een vet schaap of gevetweide.
overspruiten, [besmetten], overspruiten, (intransitief werkwoord), besmetten, aansteken, het overspruiten van ziekten, die zich door besmetting voortplanten. Al of niet overspruitelijk zijn.
pak je scheer je, [ga weg], pakje scheerje, (tussenwerpsel), ga weg, maak dat je weg komt. Gewoonlijk zegt men hier pakje scheerje voor rep u, scheer u. Zie op het woord scheerje.
papperig, [zacht], papperig, (bijvoeglijk naamwoord), week, zacht, bol. Het land is papperig, zeggen de boeren als de grond waterig en slap is. Het land is nog te papperig, te pappig om het vee te kunnen dragen. Het is slecht, papperig land, moerassige grond.
pardoes, pardoes, (bijwoord), regtstreeksch, regt toe regt aan. Dat gaat er pardoes op aan; je moet er maar pardoes op aanhouden.
parmantig, promantig, parmantig, (bijvoeglijk naamwoord), vol inbeelding, verwaand deftig, kinderachtig grootsch. Het is een promantig ventje; zie, hoe promantig zit de kleine Frits in grootvaders leuningstoel, zich inbeeldende dat hij grootvader zelf is.
pasjes, [zonet], pasjes, (bijwoord), flus, straks, zoo even. Hij is hier pasjes nog geweest, zoo pas.
peet, peet, (vrouwelijk), peeten, peettante, de eigen of aangehuwde zuster van vader of moeder.
pennen, [persen, ringen], pennen, (intransitief werkwoord, transitief werkwoord), 1. persen, schuiven, natuurlijke poging der zoogdieren om zich van de vrucht te ontlasten. De koe pent, het schaap ligt te pennen. Zie verder op: schuiven. 2. ringen. Een varken pennen, d.i.: het van een ring op den neus voorzien, ten einde het wroeten in de aarde te beletten. Vroeger gebruikte men daartoe, ijzer- of koperdraad, thans veelal zoogenoemde kunstpennen of platte ringen, die zeer goed voldoen.
penterig, [opgeblazen], penterig, (bijvoeglijk naamwoord), Zie op papperig.
pet, pet, (mannelijk), petten, put, wel. Een doorgestooten of geboorde put met kuip, pomp en dek, noemt men hier pet; van daar: pethout: petwater of ook wel pompwater, hier doorgaans een zeer goed drinkwater voor het vee, voor den mensch veelal onsmakelijk.
pielen, pielen, (transitief werkwoord), snijden, kerven, met een stomp mes of stompe bijl er onhandig en ruw op in houwen. Hij pielt er maar op in. Alweer een piel, een brok.
pieper, pieper, (mannelijk), piepers, Als jonge dieren tenger en achterlijk zijn, en door herhalend gekerm hunne zwakheid te kennen geven, noemt men ze piepers, en omdat er van die piepers weinig goeds te verwachten is, is het spreekwoord ontstaan: “Piepers moeten de schuif uit.” d.i.: weggesmeten worden.
pieren, pieren, (transitief werkwoord), foppen, beetnemen, misleiden. Hij heeft zich laten pieren, d.i.: bedriegen. Daar is hij meê gepierd.
pietlut, pietlut, (mannelijk), pietlutten, onnoodige beweging. “Wat heeft hij een pietlut,” zegt men van iemand die over eene geringe zaak, een onbeduidend leed, hetzij reeds aanwezig, hetzij te gemoet gezien, veel drukte maakt. Wat heeft dat mensch een pietlut op zijn lijf. Maak maar zoo’n pietlut niet. Zie Navorscher: XII, 279.
pietsje, piesje, (onzijdig), piesjes, beetje, weinig. Een klein piesje. Er zat nog maar een klein piesje wol op dat lam. Het moet bij piesjes gezocht worden.
pijlstaart, [soort vogel], pijlstaart, (zelfstandig naamwoord), wat van vreemd ras is. Eigenlijk heet een zekere soort eendvogel met spitsen staart pijlstaart. Van daar noemt men de kinderen van een duitschen vader en hollandsche moeder pijlstaarten, zoo ook omgekeerd.
pijp, pijp, (vrouwelijk), pijpen, steenen brug. Voor ruim 250 jaren bestonden hier in de Beemster verscheidene steenen bruggen, die toen reeds pijpen genoemd werden. Sedert zijn zij dien naam blijven behouden. Van de 10 steenen pijpen in de Beemster is de grootste nabij de zoogenaamde Hoornsche keet, lang 15 el. Het woord pijp wordt hier op verschillende voorwerpen toegepast, van daar: tabakspijp, steenen pijp (brug), schoorsteenpijp, kachelpijp, broekspijp, spuitpijp, pijpleider enz. Het beteekent eene ronde buis, dienende tot doortogt van water, lucht of rook.
pijpengaal, piepegalen, (mannelijk, vrouwelijk), van piepegaal, korriewagen, of aardwagen. Bij het droogmaken van de Beemster kende men die korrie- of aardwagentjes reeds onder den naam van piepegalen. Ze werden misschien zoo genoemd naar het piepend geluid dat zij maken.
pik, pik, (mannelijk zonder meervoud), hekel, haat. Hij heeft een pik op hem, hij is op hem gebeten. Even als de vogels, die door pikken, en bijten duidelijk toonen aan wien zij een hekel hebben.
pikken, pikken, (transitief werkwoord), azen. De vogels pikken het graan, insecten, wormen, enz., zij pikken er het beste uit. Het boomkruipertje pikt in de schors van de boomen. Van daar: uitpikken. Zie verder op prikken.
pink, pink, (mannelijk en vrouwelijk), pinken, hokkeling, éénjarig rund, pinkbul, pinkvaars, pinkos. Men gebruikt hier het woord pink even zoo algemeen als hokkeling. Zie op dat woord.
ploeteren, ploeteren, (intransitief werkwoord), wurmen, wroeten, moeielijk werk verrigten, met veel moeite en inspanning een werk verrigten, dat weinig voordeel aanbrengt, wurmen en wroeten om een sober stukje brood. Het is ploeteren.
plussen, [roeren, kloppen], plussen, (transitief werkwoord), roeren, mengen, kloppen, meelbeslag maken; meel plussen. De vrouw plust het meel met melk en eieren en bakt er pannekoeken van, op een feestdag doet zij gest en krenten in het plussel en bakt boffers. Van daar pluspot, pluslepel, plussel. Eigenlijk blutsen.
pochel, [rug], pokkel, (mannelijk), pokkels, bogchel, rug. Hij krijgt op zijn pokkel, iemand den pokkel smeeren, den rug smeeren, slaan.
poep, poep, (mannelijk), poepen, mof, bovenlander. De poepen komen over. Veelal gebruikt men dit woord als scheldwoord, waartoe de minder zindelijke kleeding en de manieren der duitsche arbeiders welligt aanleiding hebben gegeven. Het woord poep komt van het duitsche bube, dat knaap beteekent. Van daar misschien nog dat die duitsche arbeiders zich onderling met den naam van knaben of jongen begroeten.
poes, [restje], poesje, (onzijdig), poesjes, lestje, kliekje, klein overschot van den maaltijd. Er schiet een poesje over.
poespas, [gladde ondergrond], poespas, (mannelijk zonder meervoud), morsige plek gronds, slibberige weg, een voetpad dat ten gevolge van het poezerige weer voor voetgangers onbruikbaar is geworden. Dat is hier een poespas. Zie verder op het woord poezen.
poesten, poesten, (intransitief werkwoord), blazen, in het vuur poesten. Van daar asschepoester.
poestig, [driftig], poestig, (bijvoeglijk naamwoord), driftig, voortvarend, doldriftig. Het is een poestige mijnheer, een poestig ventje, altijd even poestig.
poetsen, poetsen, (transitief werkwoord), schuren, gladmaken, schoenen poetsen, “de plaat poetsen;” deze spreekwijze heeft de beteekenis van: wegloopen, den dienst verlaten. Hij heeft de plaat gepoetst, is heen gegaan. Men meent dat dit spreekwoord aan den krijgsmanstand ontleend is; ik geloof dat de oorsprong niet zoo ver te zoeken is, ik denk aan de zindelijke huisvrouwen van vroegeren en lateren tijd toen de vuurhaarden, dat is de plaat en het staande ijzer zilverblank geschuurd werden. Menige meid heeft de plaat gepoetst en is weggeloopen, omdat zij dit tijdverspillend en moeielijk werk, de overdreven zindelijke vrouw toch nog niet naar den zin kon maken. Dikwijls moest de knecht helpen schuren. Dat plaatschuren moest telken morgen weer herhaald worden; en ultra zindelijke vrouwen, waren maar niet te vreden, als er geen vol uur aan besteed werd.
poezen, poezen, (intransitief werkwoord), nat maken, met water kletsen, schrobben, boenen, kladden. Van daar: het weer begint te poezen, het wordt alles even nat en morsig, het is poezerig weer.
poffen, poffen, (transitief werkwoord), op den pof koopen, op krediet halen, op uitstel van betaling koopen. Menig winkelier zal ook vroeger van dat poffen nadeel hebben ondervonden, en waarschijnlijk zal dat later wel niet beter geworden zijn.
pofferig, [opgeblazen], pofferig, (bijvoeglijk naamwoord), opgeblazen, opgezwollen. Een pofferig gezigt. Hij ziet er erg pofferig (poffig) uit. Men gebruikt hier bij verwisseling pofferig en poffig.
pogge, [blaas, zak], pog, (vrouwelijk), poggen, blaas, zak. Waterpog, voetpog. Als de koe begint te kalven, dan komt, in den regel, de waterpog het eerst te voorschijn zijnde een gedeelte van het eivlies met water gevuld, dan volgt de voetpog een ander gedeelte van het eivlies, gevuld met slijmachtig vocht, in welke voetpog een gedeelte van de voorpooten van het kalf zigtbaar is.
polig, [lui], polig, (bijvoeglijk naamwoord), lui, traag. Men zegt van iemand die een tegenzin in arbeiden heeft; “hij heeft den pool op den rug”, hij is polig, een luiaard.
polsteren, polsteren, (intransitief werkwoord), in het water spartelen. Als de zwemvogel zich in het water reinigt en al spartelende zijn vlerken en pooten snel beweegt, zegt men, hij polstert in het water. Zwemmers polsteren met handen en voeten. Daar ligt hij nu in het water te polsteren.
pompen, [verplaatsen via een pomp, stompen], pompen, (intransitief werkwoord), slaan, stompen, stooten. Hij pompt er maar op. Uit den mond van onbarmhartige veedrijvers hoort men niet zelden: als zij niet willen moet je er maar op pompen.
ponder, ponder, (mannelijk), ponders, bungel, ponderboom. Een houten bungel dienende tot afsluiting van het vee en tot het bevestigen van hooi of stroo op den wagen: den eersten noemt men meestal slagboom den laatsten hooiponder.
pook, pook, (onzijdig), poken, kort hooiijzer van twee el lengte en korter, dienende om den graad van warmte van het broeiende hooi te peilen. Zie hooiijzer.
poot, poot, (mannelijk), pooten, stift van een oorijzer. De vorm dezer pooten is in de onderscheidene gewesten van ons land verschillend, even als de oorijzers zelf; anders toch in Friesland dan in Noordholland, enz.
pootaan, [hard werken], pootan, (bijwoord), (poot aan) Het is maar al den dag door pootan, d.i. hard werken.
pop, popje, (onzijdig), popjes, kind. Men noemt hier nog altijd een eerstgeboren kind, tot op eenige weken leeftijd, een popje. Zij moet om een popje, popjes doopen.
pork, purk, (mannelijk), purken, dwerg, achterblijver. Al wat bij de geboorte beneden het middelmatige is, al wat slecht groeit en in het oog vallend achterlijk blijft, noemt men alligt een purk. Dat schaap heeft twee goede lammeren, maar de derde is een purk, een purkje. Zoo zegt men ook van kinderen die ten gevolge van ligchaamsgebreken of verwaarloosde opvoeding achterlijk en klein blijven: het zijn purken.
portel, portel, (vrouwelijk zonder meervoud), kaasnat, een melkachtig vocht, dat onder het kruimelen en drukken van de kaas, uitzijpelt. De portel bestaat, behalve uit een weinig wei, uit opgeloste kaasstof met eenige boterdeelen en melksuiker.
post, post, (mannelijk), posten, een houten beun, een losse brug, beweegbare voetbrug, die gedragen en spoedig weggenomen kan worden. Op dorpen waar niet gereden kan worden, zijn dergelijke posten onmisbaar.
potje, [kooswoord], potje, (onzijdig), potjes, potlam, troetelkind. Het zuiglam dat zijne moeder verloren heeft, of van haar verstooten wordt, neemt de boerin onder hare bescherming, voedt en verpleegt het met melk, en noemt het: potje, omdat zij het als het ware met den melkpot groot maakt: van daar noemt men het op die wijze opvoeden van lammeren of biggen, potten.
praam, praam, (vrouwelijk), pramen, platbodemde schuit, langwerpig vierkant, dienende tot vervoer van vee, hooi, en mest. Zie boot.
prakken, prakken, (transitief werkwoord), breken, fijn maken, drukken, mengen. Hij prakt alles door malkander, maakt prakmoes. Hij zal het eerst fijn prakken. Misschien van prikken.
prengel, prengel, (bijvoeglijk naamwoord), vlegel, lomperd, lummel, Boerenprengel plag men vroeger niet zelden uit den mond van stedelingen te vernemen, waartoe de plompe houding en spraak der landlieden welligt veel aanleiding gaf. Afgeleid van het duitsche prügel, stok, knuppel.
prik, [prijs], prik, (mannelijk), prikken, prijs, prijsbepaling. Dat is mijn prik: de prijs waar voor ik het wil aannemen. Zijn prik was veel te laag gesteld; het gaat boven mijn prik.
prik, prikje, (onzijdig), prikjes, futje, kleintje, beetje. Hij koopt het voor een prikje. Hier zegt men meestal: voor een futje. Zie op dat woord.
prikkel, [scherpe punt], prikkels, (meervoud), scherpe punten, naalden van boomen, heesters en planten, prikkels in het hooi van de muizengarst, de zoogenoemde kruipertjes, de kinderen zeggen: “poesje kruip in.” Men zegt ook wel prikkers.
prikken, prikken, (transitief werkwoord), steken. Met spelden prikken, stekelen prikken. Men verwisselt dit woord ook wel met pikken.
prol, prol, (vrouwelijk zonder meervoud), dikke brij, meelpap. Het onderscheid tusschen karnemelksbrij en prol bestaat daarin, dat het eerste een kooksel is van karnemelk en gort, terwijl het laatste gekookt wordt van wei en meel. De bovenlandsche hooiers en maaiers, zijn vrij wat beter gediend met brij dan met prol.
prop, prop, (vrouwelijk), proppen, Op de proppen komen, verbeteren van toestand, ophalen, vooruitkomen, winnen. Hij is nu maar weer geheel op de proppen, op de kluiten.
pruimen, pruimen, (transitief werkwoord), tabak kaauwen, een pruimpje nemen. Rooken en pruimen is al voor lang in gebruik; doch sedert het gebruik van sigaren meer algemeen is geworden, wordt hier minder tabak gekaauwd.
pruttelen, pruttelen, (intransitief werkwoord), borrelen, opwellen. Kokende spijzen, die op een zacht vuur staan te sudderen, maken dikwijls een pruttelend geluid; van daar zegt men van eene knorrige vrouw: “altijd pruttelen en nooit gaar is lastig.”
prutten, [baggeren], prutten, (intransitief werkwoord), baggeren, modderen, de prut uit de sloot halen. Als de sloot vuil is, d.i.: als er te veel prut of slijk (weeke aarde) in is, dan wordt zij uitgeprut, hetzij met den beugel of met de schop. Van daar noemt men eene vervuilde sloot, prutsloot.
puffen, puffen, (transitief werkwoord), vertrouwen. Ik puf den boel niet, ik heb die zaak al lang niet gepuft, en vele anderen met mij puffen dat ding evenmin: hoe aannemelijk ook in schijn, stelt men er geen vertrouwen in. Van daar neemt men puf in de beteekenis van lust; ik gevoel geene begeerte die zaak mijn vertrouwen te schenken, en heb er alzoo geen puf op, mij daar mede in te laten.
puist, puist, (vrouwelijk zonder meervoud), pik, tegenzin; ergens een puist aan hebben.
pukkel, pukkel, (mannelijk), pukkels, droppels. De pukkels zweet staan hem op het aangezigt. Kleine pukkeltjes. Verwant met pok.
pul, pul, (onzijdig), pullen, het jong van een vogel; hennepul, eendepul. Ik heb een paar zwanen met tien pullen gezien.
puur, puur, (bijwoord), veel, vrij wat. Er is puur handel in dat artikel, dat helpt puur, dat staat puur deftig, hij heeft er puur wat van in zijn hoofd.
quitte, kiet, (bijwoord), gelijk, effen, kamp. Wij staan kiet, d.i. we hebben niets van mekaar te vorderen. Kiet spelen, niet winnen noch verliezen. Van het fransche quite.
raam, raam, (mannelijk), vorm en afmeting van eene zware koe. Er ligt een goed raam in, dat wil zeggen: het is eene vlugge vierkante koe, zwaar van bouw, en welgemaakt van leest.
raffelen, raffelen, (intransitief werkwoord), snel spreken, babbelen, rabbelen. Ze kan raffelen, haar mond staat niet, dat raffelt maar door, het is een raffel, ze heeft wat afgeraffeld.
rag, raag, (onzijdig zonder meervoud), rag, spinneweb. Het raagt, het veld is met raag bedekt, enz.
raggen, raggen, (intransitief werkwoord), rijden, schuiven, wiegelen, wemelen. Op den stoel zitten te raggen. Jantje ragt op zijn moeders schoot.
rak, rak, (onzijdig), rakken, regtuitloopende weg, of vaart. Dat is een heel rak, dat was een heel rak in den wind.
ramen, [waggelen], ramen, (intransitief werkwoord), waggelen. De man is zoo zwak, hij loopt te ramen. Van een paard dat onvast en log van gang is, zegt men: het raamt. Van eene koe die, door ziekte verzwakt, moeielijk kan gaan: het dier loopt te ramen.
rampu, [beschadigd], rampu, (bijvoeglijk naamwoord), beschadigd, gehavend, slordig. Dit scheepswoord is hier nog al veel in gebruik.
ranzig, ranzig, (bijvoeglijk naamwoord), sterk, bedorven; ranzige boter, sterke boter.
rap, rap, (onzijdig zonder meervoud), Afval van boomen, snippers en fijne takken, die in den boomgaard verspreid liggen en bij een geharkt worden, noemt men rap.
rappig, rappig, (bijvoeglijk naamwoord), schurftig, puisterig, roesterig. Een rappig paard, eene rappige koe, rappige biggen.
rassen, [diarree hebben], rasken, (intransitief werkwoord), aan de diarrhée zijn. Het vee is aan den rasker.
ratjetoe, radjetoe, (zelfstandig naamwoord), slappe kost, waterige soep, dunne spoeling. Hij voedert zijn varkens met radjetoe.
razendbloed, [razernij], razendbloed, (vrouwelijk zonder meervoud), razernij, hersenontsteking, eene ziekte die niet zelden bij mestkalveren voortkomt, en dikwijls ook graskalveren aandoet. Zij stellen zich dan aan als dol en maken een verschrikkelijk geluid.
refrein, revereintje, (onzijdig), revereintjes, rijmpje, versje. Hij maakt allerlei revereintjes. Men vindt soms zonderlinge revereintjes op achterkratten van boerenwagens, luifels en uithangborden.
rekenen, rekenen, (transitief werkwoord), inrekenen, het vuur met asch bedekken, een rekenturf bijleggen om aan te glimmen. Niet alle turf is even goed om gerekend te kunnen worden. Afgeleid van reken, dat zoo veel beteekent als klaauwen, harken, eggen.
rel, rel, (vrouwelijk), rellen, onderaardsche gang, loopgraaf van muizen en mollen. Men onderscheidt ze in diepgaande gangen der mollen, die de molshoopen onderling verbinden, en rellen of ritten, die onmiddelijk onder de graszode doorloopen; de muizenrellen zijn meer aan de oppervlakte en open. De muizen azen hoofdzakelijk op ’t gras en knagen zijn wortels af; terwijl de mollen op insecten en wormen azen. Zie verder op het woord ritten.
rem, [raster, afschutting], rem, (onzijdig), remmen, raster, schut, afsluiting: van daar varkensrem, kalverenrem. In Zuidholland en elders staan de koeien met den kop door het rem. Een varkens- of kalverenrem, is eene houten afsluiting aan de voorzijde van het hok, met openingen juist wijd genoeg dat er de kop door kan.
remelen, remelen, (intransitief werkwoord), ijlen, praten. Hij heeft de remelkoorts, is ijlhoofdig, hij ijlt, hij ligt te remelen, praat buitensporig.
rep-je-de-brui, [gerecht], rep-je-de-brui, (vrouwelijk), zelfstandig naamwoord, meeltroet, eene spijs die op een rep klaar gemaakt kan worden. Meelbeslag dat tot een dikke pent of troet gekookt wordt. Het gebeurt niet zelden, dat babbelachtige vrouwen, in dorpen en achterbuurten, die gaarne een buurpraatje houden, te lang op de klapbaan staan, waardoor het haar vaak aan den tijd ontbreekt om de middagkost op het gezette uur, als de man thuis komt, klaar te hebben; van daar dat zij dan de toevlugt nemen tot het koken van rep-je-de-brui.
reutelen, reutelen, (intransitief werkwoord), aanraken, kwellen, lastig zijn. Je moet er niet zoo gedurig aan leggen te reutelen, dan maakt gij de wond nog erger. Ook babbelen: hij reutelt maar voort, altijd hetzelfde lied.
rijden, rijden, (transitief werkwoord), bespringen, dekken. De koe wil rijden; hij heeft zijn koe van een vreemden stier laten rijden.
rijglijf, rijlif, (onzijdig), rijliffen, rijglijf. Weleer een vrouwen onderkleed, gemaakt van sterk doek en stevige baleinen strooken, zijnde boven wijd en onder naauw, wordende met een sterk koord aangeregen.
rijp, rijp, (vrouwelijk), rijpen, rups, worm. De boomen zitten vol rijpenesten. Ringrijp, koolrijp enz.
rijzen, rijzen, (intransitief werkwoord), opzwellen, gisten. Een gebrek in de kaas terwijl zij nog jong is. Zulk eene kaas noemt men rijzer.
ritten, [ondermijnen], ritten, (transitief werkwoord), rellen, ondermijnen. Mollenritten zijn nadeelig voor wei- en hooiland, één mol maakt soms in korten tijd een rit van 20 tot 30 ellen lengte: al wroetende met zijn snuit ligt hij de graszode op, zoo dat de graswortels breken en loslaten, hetwelk men op korten afstand merkbaar kan hooren.
robben, robben, (intransitief werkwoord), rossen, ravotten. Kinderen willen graag robben en rossen. Je robt de kleeren van je lijf. Dat robt wat af.
rode boter, [soort boter], roode boter, rooboter, Zoo noemde men vroeger de grasboter, in onderscheiding van hooi- of witte boter, later sprak men van gele en witte boter. Sedert het boterkleuren in gebruik is gekomen, is alle boter geel.
roek, roek, (vrouwelijk), roeken, zwarte kraai. De roek is hier blijvende; terwijl de bonte kraai hier alleen in het wintersaizoen verkeert. De roek nestelt in de boomen en legt gewoonlijk 4 of 5 eieren.
roeper, [eend], roeper, (vrouwelijk), roepers, eene kleine soort eend, een wachter. Het is soms verwonderlijk zoo snel en aanhoudend als een roeper kan kwaken. Men noemt ze roepers, van wege hun aanhoudend en veelvuldig kwaken (roepen).
roeren, reuren, (intransitief werkwoord), roeren, woelen. Daar is reuring in huis; geeft het niet, het reurt toch; zij reuren van de maart.
roezemoezen, [ruw zijn], roezeboezen, (intransitief werkwoord), ruw, onstuimig te werk gaan. Het is roezeboezig weer; regen en wind: ruw weer. Roezemoezen, onstuimig zijn.
roezen, roezen, (intransitief werkwoord), gissen, schatten, raden. Het gaat bij de roes, hij heeft het maar zoo wat geroesd, je moet het maar roezen.
roffel, roffel, (mannelijk), roffels, bestraffing, verwijting. Hij kreeg een duchtigen roffel, het liep met een fikschen roffel af.
roffelig, [ruw], roffelig, (bijvoeglijk naamwoord), roesterig, ruw, oneffen. Roffelig hout, d.i. ongeschaafd; roffelig vel, rompelig, rimpelig.
rommelage, [rommel], rommelazie, ommerazie, (vrouwelijk zonder meervoud), rommeling, omboel, ontsteltenis, ontroering, beweging, drukte. Wat eene rommelazie, rommel, rommelboel. Je schrikt van zulk eene rommelazie. Dat was eene heele ommerazie.
romp, rompje, (onzijdig), rompjes, borstrok, en vrouwenkleedingstuk, met en zonder mouwen.
rondje, rondje, (onzijdig), rondjes, kransje, rondgaand vriendenbezoek, een bezoek dat beurtelings bij ieder der vrienden plaats heeft. Van daar: koffijrondje, theerondje, halfelfjesrondje, enz., enz.
roodschier, [rood gespikkeld], roodschier, (bijvoeglijk naamwoord), rood gespikkeld. Een rund met fijn gestreept of gespikkeld rood en wit haar.
rooien, rooden, (transitief werkwoord), rooien, delven, graven; aardappelen rooden, boomen rooden, het onkruid uitrooden, opruimen, zuiveren.
rouwkoop, rouwkoop, (mannelijk zonder meervoud), boete, kooprouw. Die iets koopt, doch berouw krijgt en zijn woord terug neemt, moet rouwkoop betalen; hij onderhandelt met den verkooper over eene som, om van den koop ontslagen te worden. Zie verder op het woord katten.
ruiterig, [jeukerig], ruiterig, (bijvoeglijk naamwoord), jeukerig, rappig. Als het vee in een doffen stal staat, en niet behoorlijk gereinigd en geroskamd wordt, dan ontstaat er spoedig eene huidziekte, waardoor zich op de weinig behaarde gedeelten schurftachtige korsten vertoonen, men zegt dan: het vee is ruiterig.
rul, rul, (bijvoeglijk naamwoord), los, murw, zacht. De bodem van den tuin en het bouwland is thans zoo rul en los, als men het kan begeren; de modder of teelaarde is zoo rul, dat hij bij het minste aanraken uit een valt.
rul, rul, (vrouwelijk), rullen, nuk, gril. Het is zoo bij de rullen dat het paard geen goeden zin heeft; daar krijgt hij weer een rul.
rut, rut, (bijvoeglijk naamwoord), rutje, geldeloos. Hij is rutje, zijn geld is op, hij is van den boel af, de zaak is verspeeld. Dat loopt op rutje uit.
ruttelen, ruttelen, (transitief werkwoord), kwantselen, ruilebuiten. Hij ruttelt in oude paarden, het is een ruttelaar, een ruilebuiter. Kunnen zij geen degelijken handel drijven dan gaan zij aan het ruttelen.
saai, saai, (bijvoeglijk naamwoord), zacht, temerig, langzaam en temerig. Het is een saaie prater, het komt er alles zoo saai uit.
sabel, sabel, (mannelijk), sabels, das, halsdoek van sabel. Voor lang droegen de vrouwen kostbare halsdassen, gemaakt van het vel van ’t sabeldier; sedert eenige jaren dragen de mannen hier vrij algemeen sabels van wol of katoen vervaardigd.
saggelen, [waggelen], zaggelen, (intransitief werkwoord), langzaam voortgaan, traag loopen, waggelen, schommelen, slepen, slurven. Hij zaggelt, wij zijn maar zoo zachtjes voort gezaggeld, het paard zaggelt.
schabberlakken, [schouders], schabberlakken, (meervoud), schabbers, schouders. Hij pakte hem bij zijn schabberlakken, hij nam den hond vrij onzacht in zijn schabberlakken. Mogelijk van scapulier, schoudermantel.
schaften, schoften, (intransitief werkwoord), schofttijd houden, het werk tijdelijk staken. Ze gaan schoften. Van schaffen, eten, maaltijd houden. Vijf schoft en nog geen vroegertje.
schammerottig, [verwaarloosd], schammerottig, (bijvoeglijk naamwoord), wanhavenig, bouwvallig, slordig, verwaarloosd. Het is een schammerottig huis, hij heeft die zaak schammerottig behandeld.
schamperen, [kwetsen], samperen, (intransitief werkwoord), schamperen, ligt kwetsen. Het samperde nog al een beetje, het was maar een schampschot, het kon erg geweest zijn; maar neen, het sampert nog al.
scharmaaien, scharremaaien, (intransitief werkwoord), zwaaien, in het wilde schermen. Een paard scharremaait als het de beenen in eene buitenwaartsche rigting beweegt. Hij scharremaait met armen en beenen, zegt men van iemand die snel loopende tevens met de armen slingert en zwaait.
scharminkel, scharreminkel, (mannelijk), scharreminkels, scherminkel, magerbeen. Het is een magere scharminkel, een leelijke langbeen, een aap.
scheg, scheg, (vrouwelijk), scheggen, wig, drijfhout. Met scheggen aandrijven. Hij slaat er een scheg tusschen; timmermanswoord.
schel, schel, (bijvoeglijk naamwoord), klinkend, helder van geluid. De lucht is schel, men kan geluid gevende voorwerpen op verren afstand hooren: in den winter dikwijls een voorbode van vorst, in den zomer van regen.
schepper, [beker], schepper, (mannelijk), scheppers, een houten nap met handvatsel, handnap.
schiemannen, [opknappen, besturen], beschiemannen, (intransitief werkwoord), beschikken, waarnemen. Hij kan dat zoo heel goed beschiemannen. Het is ontleend aan het scheepswoord schieman, hoogbootsmansmaat, die voor de pompen en de reinheid van het schip zorgt.
schiften, schiften, (intransitief werkwoord), runnen, scheiden. Als de room onder het karnen begint te scheiden, zoodat er kleine korreltjes zigtbaar worden, zegt men: de karn is aan het schiften en zal haast boteren.
schifterig, [vuil], schifterig, (bijvoeglijk naamwoord), vuil, morsig. Eene koe of een schaap dat zich bevuild heeft noemt men een schijter. Men zegt nu ook wel, de koe is schitterig, de schapen zijn schitterig.
schiftig, [schichtig], schiftig, (bijvoeglijk naamwoord), schuw, schichtig. Dat paard is schiftig, schrikt spoedig en is van wege het onverwacht zijdelings wegspringen gevaarlijk.
schimmelig, [beschimmeld], schimmelig, (bijvoeglijk naamwoord), beschimmeld, onnoozel, bloode. Zie op beschimmeld.
schinsteren, [glinsteren], schinsteren, (intransitief werkwoord), glinsteren, lichten, flonkeren. Het licht schinstert in de verte, men zag nu en dan een kleine schinstering van het licht.
schipper te voet, [ontslagen worden], schipper te voet, spreekwijze, schipper af, schipper op het drooge. Men zegt van iemand wiens zaken hard terug gaan: hij zal spoedig schipper te voet zijn, loopen in plaats van varen. Hij raakt buiten zijn element, wordt zandruiter.
schipperen, beschipperen, (transitief werkwoord), besturen, leiden, regt houden. Er behoort nog al wat toe om dat alles goed te beschipperen.
schobbejak, schobbejak, schobbejakken, beledigend woord, schobberd, gemeen mensch, wanhavenig lediglooper. Het zijn schobbejakken, wanhavenig volk.
schoer, schoer, (mannelijk), schoeren, windvlaag, bui; hagelschoer, een schoer wind. Men zegt ook wel, een kaag met zure appelen.
schoft, schoft, (mannelijk), schoften, ruw, onbeschoft, lomp mensch, een schoft, een lompert. Schouder, bovenste gedeelte van den rug; wat is dat dier breed van schoft.
schokken, schokken, (intransitief werkwoord), electriseren. Hij laat zich schokken, wordt geschokt, schokmachine.
scholver, [stinkei], schulperd, (mannelijk), schulperds, vuil ei, scholferd, stinkei. Een onvruchtbaar ei, dat onder het broeden tot bederf overgaat en geheel met stinkend vocht gevuld is, noemt men hier een schulperd of een vuilik.
schonk, schonk, (vrouwelijk), schonken, bonk, stuitbeen, uitstekende schonken van een dier, de kruisbeenderen van eene koe. Schonken en bonken.
schooier, schooier, (mannelijk), schooiers, bedelaar, landlooper, een die langs de huizen om een aalmoes bedelt.
schop, schop, (mannelijk), schoppen, stoot; “hij zit op de schop,” zegt men van iemand wien waarschijnlijk eerlang de huur opgezegd, of die van zijn post ontslagen zal worden.
schorem, schorem, (bijvoeglijk naamwoord), sjofel. Het is een schoreme troep, gemeen zoodje. Dit woord schorem, sjorem, sjofel, dat men hier nog al dikwijls hoort, is misschien van de Joden overgenomen, om iets aan te duiden dat men noch vertrouwen, noch beminnen kan.
schorremorrie, schorriemorrie, (onzijdig zonder meervoud), gemeen volk, janhagel, uitschot van vee. Het woord schijnt van oosterschen oorsprong.
schorteldoek, [kledingstuk], schorteldoek, (mannelijk), schorteldoeken, schort, voorschoot, een vrouwen kleedingstuk. Vroeger droeg men hier vrij algemeen een schorteldoek van zijde of andere fijne stof, niet te verwisselen met boezelaar, boezel, bontje of slob; ze worden ook nog gedragen, doch veel smaller. Een dorp in Waterland droeg weleer den naam van Schorteldoekshaven.
schossen, schossen, (intransitief werkwoord), opkoopen. Zij die het vee aan de huizen der landlieden of aan den ingang der markt opkoopen en terstond weer aan de markt verkoopen, noemt men schossers. Men vindt op jaarmarkten dikwijls veel schossers.
schot zetten, [spoed maken], schot zetten, (intransitief werkwoord), spoed maken, hard loopen, snel rijden, hetzij te paard, met rijtuig of op schaatsen. Hij zet schot.
schotter, schotter, (vrouwelijk), schotters, gelde vaars. Een rund van één tot twee jaren ouderdom, dat niet gereden wordt en dus geld blijft, heet eene schotter; wordt zij op den ouderdom van twee jaren gereden, dan noemt men haar een kalfschot; doch is dat het geval niet en blijft zij tot aan haar derde jaar geld, dan draagt zij den naam van dubbele schotter. Zij staat dan in ouderdom gelijk met een twinter, die haar tweede kalf ter wereld brengt.
schotwal, [wal van aarde of bagger], schotwal, (mannelijk), schotwallen, De uit de sloot gebaggerde of met de schop opgeschoten aarde, die op den kant van het land wordt geworpen, heet schotwal: deze wordt vervolgens weggenomen, om tot bemesting van het land of tot andere einden gebruikt te worden.
schranzen, [gulzig eten], schranzen, (intransitief werkwoord), graag en gulzig eten. Ze kunnen goed schranzen, hij is een fiksche schranzer. Het is een lust om te zien, als een gezelschap bovenlandsche arbeiders in den hooitijd aan een goed gesausden schotel met graauwe erwten en spek zit te schranzen.
schranzen, [beschadigen], schranzen, (intransitief werkwoord), krabben, krassen, beschadigen. Gladde meubelstukken uit onachtzaamheid of met opzet beschranzen, met scherpe nagels op de gladde tafel schranzen, dat mooie kabinet onlangs nog zoo zuiver en glad is nu door het herhaaldelijk schranzen en krassen geheel ontglansd en beschadigd. Met een scherp voorwerp op de lei schranzen.
schriel, schriel, (bijvoeglijk naamwoord), schril, schraal. De zaak staat er schriel voor, dat is schriel afgeloopen, een schriele man, een schriel gezigt.
schriel, schriewel, (bijvoeglijk naamwoord), schrook, ingekrompen; opgedroogd, min, nietig. Het is een schriewel, een schrieweltje.
schrooi, schroei, (mannelijk zonder meervoud), honger, eetlust. Hij kreeg schroei, wat heeft dat paard een schroei. De maag begint te schroeien.
schroot, schroodje, (onzijdig), schroodjes, strookje, eene rond uitgesnedene strook gaas, die als tusschenzetsel dient tot verlenging van een vrouwenhul, zijnde aan de benedenzijde versierd met een echt brabantsch kantje, of, zoo dat te duur is, met een goedkoop zoogenaamd valsch kantje.
schrot, schrot, (onzijdig zonder meervoud), kleingoed, afval, uitschot, kriel; het is schrot. Al wat klein, achterblijvend en onvolgroeid is noemt men schrot. Daar loopt veel schrot onder.
schuiven, schuiven, (intransitief werkwoord), pennen, persen. De koe schuift, d.i.: zij doet sterke pogingen om het kalf af te drijven. Ook na de geboorte van het kalf begint zij weer te schuiven, zijnde andermaal eene poging der natuur om de verlossing te voltooien.
schuur, schuur, (vrouwelijk), schuren, varkenschuur, boet. Zie verder op dat woord.
scrupuleus, schrimpeljeus, (bijvoeglijk naamwoord), schrimpelig, schrimmelig, beschrookt, roesterig; een schrimpeljeus gezigt. Men gebruikt dit bastaardwoord alzoo in de beteekenis van leelijk, onaanzienlijk, meermalen evenwel ook in den zin van beschroomd, onnoozel, beschimmeld, verlegen; zij is zoo schrimpeljeus. Scrupuleus.
sjabloon, schapseljoen, (onzijdig), schapseljoenen, model, voorbeeld, mal. Dat is een goed schapseljoen.
sjofel, sjofel, (bijvoeglijk naamwoord), arm, ellendig; een sjofel huisgezin, een sjofel bestaan, een sjofele mijnheer. Het gaat er sjofeltjes bij langs. Het woord is zeker van de Joden overgenomen. Men zegt ook wel schofel.
slaatje, [koud gerecht, pruim tabak], slaadje, (onzijdig), slaadjes, pruimpje, een pruim tabak. Vroeger was het tabak kaauwen meer algemeen in gebruik. Zie op: pruimen.
slabbakken, [verslappen], slabbakken, (intransitief werkwoord), verslappen, minderen, stillen. De wind slabbakt, begint te slabbakken. Verbastering van slaphakken.
slak, slak, (vrouwelijk), slakken, een ontijdig geboren kalf waarvan het haar nog kort is. Met slakkenvellen worden koffers, hoofdstellen, en andere dingen, bekleed.
slee, slees, (vrouwelijk), slezen, slede, sleep. Hij had twee paarden voor de slees, ze hebben haar met de slees thuis gebragt.
sleets, [slordig, versleten], sleetsch, (bijvoeglijk naamwoord), veel verslijtend. Hij is erg sleetsch op zijn goed, zijn kleeren slijten spoedig.
slem, [taai], slem, (bijvoeglijk naamwoord), taai, stijf, stug. De grond is slem, d.i.: taai, deegachtig. De slemmigheid van den grond is oorzaak dat bouw- en tuinlanden moeielijk te bewerken zijn. Van daar ook een slem huis, dat vochtig, dof en drem is.
sliepen, sliepen, (transitief werkwoord), uitsliepen, uitjouwen, beschimpen. Sliep uit! Onder het uitsliepen strijkt men de voorste vingers kruislings over elkander. Dit kinderlijk gebruik is misschien aan een of ander spel uit vroegere dagen ontleend.
sliet, sliet, (vrouwelijk), slieten, tak, knuppel, stok; sliethout, lange slieten die men tot brandhout kapt en klooft.
slobben, [bevuilen], slobben, (intransitief werkwoord), bossen, straten en vloeren met morsige voeten vuil maken; de hond slobt, de kinderen slobben. Als de koeweide zacht en week is, zoo dat het vee er met de spitse klaauwen intrapt, zegt de boer: “de koeien slobben.” Van daar noemt men de varkens, die meestal uit den aard niet zindelijk zijn, slobvarkens, en zegt voor een spreekwoord: “Een slobbende hond ontziet geen sloot.”
slobberdoes, [kooswoord voor hond], slobberdoes, (mannelijk en vrouwelijk), slobberdoezen, een slobberhond. Kardoes is een slobbert. Gewoonlijk verstaat men hier dit woord in den zin van slobben, vuilmaken, bossen. Een slobbende hond. Het zou evenwel ook van slobberen afgeleid kunnen worden, als aanduidende de wijze hoe varkens, ganzen en eenden hun voedsel opslurpen, waarmede het slobberen van een hond veel overeenkomst heeft.
slochter, slofter, (onzijdig), slofters, slop, opening, doorgang. Een slofter in het hooi graven, om het broeien te doen bedaren, een slofter door het ijs maken; zoo als in 1575 van Petten tot Amsterdam, in 1829 van het Nieuwe diep tot Amsterdam.
sloerie, sloerie, (vrouwelijk), sloeries, slordebel, een slordig wijf, eene havelooze vrouw. Zij versloert alles, het is eene regte sloerie. Wat helpt den man zijn ijver en vlijt als de vrouw een sloerie is.
sloof, slob, (vrouwelijk), slobben, voorschoot van graauw linnen of katoen; werkslob, hetwelk men gebruikt bij het schuren en schrobben; een ander van meer fijn en wit linnen dient vooral voor boerenmeiden bij de kaastobbe en de boterbereiding.
slooien, slooien, (intransitief werkwoord), slingeren, waggelen, draaien, wankelen; hij loopt te slooien langs den weg, hij is zoo dronken als een staartmolen, zoo zegt men van een dronkaard, die den pas niet houden kan. De man is zoo zwak, dat hij loopt te slooien. De paarden waren zeer vermoeid en afgemat, ze liepen te slooien.
sloter, [modderman], slooter, (mannelijk), slooters, modderman. Vroeger kwamen hier vele slooters uit naburige streken van Duitschland, die zich des zomers bezig hielden, de vervuilde slooten met de schop uit te modderen; nu echter is dat getal aanmerkelijk verminderd, doordien vele arbeiders alhier wonende dat werk verrigten.
slurven, [slepen], slurven, (intransitief werkwoord), slepen, met de voeten langs den grond schuiven; hij loopt te slurven; het paard slurft, geen wonder dat het dikwijls struikelt.
smiechter, smiegter, (mannelijk), smiegters, hufter, een mager lusteloos dier. Het is een smiegter, een smiegtlap.
smiesterig, [nat], smiesterig, (bijvoeglijk naamwoord), iesterig, nat, vies, vochtig, smeerig. Smiesterig weer, smiesterige kat.
smiezen, [eten, smullen], smiezen, (transitief werkwoord), eten, schranzen, smullen. Hij smiest lekker, ze zitten daar wel aardig te smiezen.
smoes, smoes, (mannelijk), smoezen, een smoesje, streek, list, bedrog, koopmanslist, jodenstreek. Van daar: Het is een smoesje, ik smoes hem niet.
smokken, [verschuilen], smokken, (intransitief werkwoord), zich smok houden. Houdt u maar smok, verbergt u. Wegsmokken, verschuilen; ontleend aan sommige vreesachtige vogels, die met den kop in de veeren gedoken, zich verbergen. Ze zitten maar te smokken.
smuiger, smuiger, (mannelijk), smuigers, rooktrekker, een houten schoorsteen met zijstukken en klep, aan de binnenzijde met blik beslagen. Dezen toestel plaatste men vroeger op den breeden vuurhaard, om zoo doende de wijde schoorsteenmantels te vernaauwen en zoo mogelijk het lastige rooken voor te komen. Later heeft men de wijde schoorsteenmantels geheel weggenomen en zoogenaamde engelsche schoorsteenen aangelegd, die van tijd tot tijd verbeterd en verfraaid zijn geworden, waardoor de draagbare smuigers in onbruik zijn geraakt.
smul, smulje, (onzijdig), smuljes, smul, smulletje, eene korte tabakspijp, die door langdurig gebruik smullig en bruin geworden is. De liefhebbers van tabakrooken houden er doorgaans zulk een smulje op na.
snaaien, snaaien, (intransitief werkwoord), snoepen, proeven. Die ter sluiks de spijskast bezoekt, en van al wat hem lekker smaakt iets proeft, is een snaaier, hij snaait; misschien verwant met snaauwen, snappen, snijden, snoeien.
snaar, snaar, (vrouwelijk), snaren, schoonzuster, aangehuwde zuster; de vrouw van mijn broeder is mijne snaar, even zoo ook de zuster van mijne vrouw.
snakker, [ziltig, hartig], snakker, (bijvoeglijk naamwoord), ziltig, zout, hartig. De visch was snakker, wel wat al te snakker.
snarig, snarig, (bijvoeglijk naamwoord), aardig, geestig, snedig, scherp. Het was snarig heet, het is snarig koud, dat gaat er snarig door.
snarsig, [vies], snarsig, (bijvoeglijk naamwoord), smiesterig, berookt, vies. Men zegt van eene vrouw, die er smeerig en berookt uit ziet, even als of zij al eens gebraden is: het is een snarsig wijf. Zoo zegt men ook wel als het weer nat en vies is: het is snarsig weer.
snijden, snijden, (intransitief werkwoord), lubben, ontmannen, onvruchtbaar maken; lammeren snijden, biggen snijden. Zij die zich met het snijden van mannelijke en vrouwelijke dieren bezig houden en van tijd tot tijd aan de huizen der veehouders rond gaan, noemt men in de wandeling biggensnijders.
snijpap, [gerecht], snijpap, (vrouwelijk), pent, meelpap, gesneden pap; in plaats van het meel vooraf te plussen, d.i. met melk tot een dun beslag te maken, gebruikt men het droog en strooit het langzaam in de tot kokens toe heet gemaakte melk, terwijl een ander aanhoudend met een lang mes door de melk roert tot zij behoorlijk gemengd en klonterig is, waarna de snijpap gereed is.
snik, snik, (bijvoeglijk naamwoord), snugger, wakker, vlug. Men gebruikt het woord snik hier meestal ontkennend, niet snik zijn, hij is niet regt snik, niet helder in den bol, het schemert hem, hij is niet goed bij zijn verstand.
snor, snor, (mannelijk), snorren, roes, een slokje te veel. Hij heeft een snor aan, is dronken.
snorren, [stelen], snorren, (intransitief werkwoord), rooven, stelen, gabberen, wegpakken, ontvreemden. Hij gaat op den snor, zij snorren hier alles weg.
snuffen, snoffen, (intransitief werkwoord), huilen, krijten. Zoo een groote meid zit me daar nog te snoffen, dat is een gesnof van dat dwingachtig kind. Leg niet te snoffen.
soebatten, soebatten, (intransitief werkwoord), mooi praten, smeken. Hij heeft er wat om gesoebat, en toch heeft al dat soebatten, huichelen en kruipen hem niet kunnen helpen.
soes, soes, (mannelijk), soezen, dommel, bedwelming; hij ligt in een soes, hij soest.
sok sok, [traag], sok sok, (tussenwerpsel), traag, slepend, langzaam; dat gaat sok sok, voetje voor voetje, sokkerig, met langzame kniebuiging.
sollen, sollen, (transitief werkwoord), schommelen, duien. Zij heeft wat met dat kind gesold, de kinderen sollen met de poes, ze zouden haar wel van liefde dood sollen.
sopperig, [zacht], sopperig, (bijvoeglijk naamwoord), week, zacht, sopachtig. Het land is sopperig, zegt de landman, als de bodem door te veel water week en slap geworden is.
spaken, spaken, (intransitief werkwoord), winden, aanspaken, met de handspaak werken; van daar het spreekwoord: “het zal er spaken.”
spannen, spannen, (transitief werkwoord), binden, remmen; de koe spannen, alvorens men haar melkt, dat is, de achterbeenen boven de hakken met een spantouw binden. Enkelen doen het beneden de hakken.
spatie, spatie, (vrouwelijk), spatieën, ruimte, plaats; daar is nog spatie genoeg, daar is te veel spatie tusschen die twee voorwerpen.
speet, speet, (vrouwelijk), speten, houten pijltje waaraan men den haring steekt, om te rooken. Hij heeft de haringspeten al gereed om er den haring aan te steken.
speiten, [spuiten], speten, (transitief werkwoord), de koe aan de spenen trekken om te beproeven of zij goed melkt; dat is: onderzoeken of er goede melkstralen uit getrokken kunnen worden. Die eene melkkoe koopt, verzuimt niet haar eerst te speten. Dit woord is verwant met spat, spuiten, van daar de spreekwijzen: hij kan er geen spat melk uit krijgen; als hij maar even aan de spenen trekt, spuit de molk er uit.
spelen, spelen, (transitief werkwoord), rijden, dekken, bespringen; de ram speelt het schaap, de beer de zeug, de bok de geit, de hengst dekt de merrie, de stier bespringt de koe. Van daar spring- of rijstier, dekhengst, speel- of springram enz.
spenderen, spandeeren, (transitief werkwoord), te koste leggen; hij heeft er veel aan gespandeerd. Hij zou er alles aan spandeeren.
speuren, speuren, (intransitief werkwoord), afspeuren, blinken. Dat speurt af, het is een speurtje, hij vindt die verw te speurig, laat het maar wat minder speuren.
spinde, spein, (onzijdig), speinen, spinde, spijskast, het broodspeintje, bergplaats voor het benoodigde, dienende voor het dagelijks ontbijt.
spoorstok, [trekhout], spoorstok, (mannelijk), spoorstokken, trekhout. Een spoorstok van een boerenwagen heeft in het midden eene ijzeren lus, waaraan men het zoogenoemde gebroken lid vastmaakt, terwijl aan de ingekeepte einden de strengen van het haam of gareel bevestigd worden; voor een span paarden gebruikt men den dubbelen spoorstok, evenaar geheeten.
sprielig, [dun], sprielig, (bijvoeglijk naamwoord), dun, mager, schraal, spichtig. Dat is een sprielig gewas, een sprielig dier, het zijn sprielen. Smal en nietig van gewas.
sprieten, [moeite doen], sprieten, (intransitief werkwoord), splieten, tegen de wind en stroom opwerken. Ze hebben daar wat te sprieten, veel moeite te doen om hun doel te bereiken. De werkwoorden sprieten en splieten gebruikt men hier nagenoeg in dezelfde beteekenis, hoewel de zin van beide nog al verschilt.
spuiig, [onstuimig], spuiig, (bijvoeglijk naamwoord), spui, onstuimig, het is spui weer, ruw en winderig, het is regt spuiig. De regen stroomt als door een sluis. Van spuien.
spul, spul, (onzijdig), spullen, spel, vertooning, bedrijf. Hij heeft daar een mooi spul; hij past goed op de spullen, dat spul is in goede handen, hij houdt de spullen in orde, hij heeft nu al 10 jaren op dat spul gewoond. – moeite, last, inspanning, hij heeft veel spul met dat mensch, wat heeft hij een spul gehad met dat koppige paard teregt te komen, te veel spuls voor zoo schrale belooning.
staand ijzer, [ijzeren plaat], staand ijzer, (onzijdig), staand ijzers, ijzeren plaat, staande tegen den schoorsteenstam, zijnde of effen, of met beeldwerk en blinkende als zilver. Zie op het woord poetsen.
staggen, staggen, (intransitief werkwoord), stijgen, springen, rijden. De koe stagt, wordt bestagd, zij staggen, bespringen elkander. Als de koe togtig is (zie op dat woord), dan springt zij op de andere koeien die tegelijk met haar in de weide loopen, en deze wederkerig op haar; dit noemt men staggen.
stakker, stakker, (mannelijk), stakkers, sukkelaar, arme hals, behoeftig mensch. Het is een arme stakker. Men gebruikt dit woord hier dikwijls schertsend in tegenovergestelden zin tegen iemand die heel goed zijn tol kan draaien, maar toch meermalen zijn nood klaagt: “je bent een arme stakker.”
stalhout, [richel], stalhout, (onzijdig), stalhouten, richel, vroeger een dikke houten plank, eene soort van kisting, nu meestal van steen gemetseld; het is dat gedeelte van den stalvloer, waarop het vee met de achterpooten komt te staan. Ofschoon geheel van steen gemetseld, behoudt het toch den naam van stalhout, even als een oorijzer al is het van goud of zilver.
staling, [onderlaag], staling, (vrouwelijk), stalingen, onderlaag, voeting, staal. Hij maakt de staling gereed, om er den hooiklamp op te plaatsen. Veelal gebruikt men daartoe riet of takkebossen. Eene goede staling beveiligt het hooi tegen vochtigen opslag van den grond.
staltijd, [tijd waarop vee gestald wordt], staltijd, (mannelijk), staltijden, de tijd om het vee te stallen. Staltijd houden. In den regel kan de staltijd niet bepaald aangegeven worden, omdat die van bijzondere omstandigheden afhangt; veelal verschilt de staltijd met ieder jaar.
stap in de karn, [vreemd persoon], stap in de karn, (vrouwelijk), stap in de karns, eene rare stapster, eene hosklos, half man half vrouw, half visch half vleesch. Het is een mansvel, eene vreemde stap in de karn, ze stapt als de karnstok in de karn, regt op en neer.
steigeren, steigeren, (intransitief werkwoord), stollen, dik worden, het gesmolten vet begint te steigeren, bekoelt en wordt dik: het steigert.
steunen, stennen, (intransitief werkwoord), stenen, zwaarmoedig klagen, luid zuchten. Hij stent, het dier lijdt zware pijn, men kan het hooren stennen.
steuren, [koken, braden], steuren, (transitief werkwoord), koken, braden, kokkeren; het eten steuren. Men past dit woord hier toe op elke wijze van spijze te bereiden. Niet alle vrouwen kunnen goed en lekker steuren; niet alle hebben er even goed den slag van een smakelijk ontbijt gereed te maken. Zij die in koken, braden, stoven en bakken bekwaam is, kan met regt den eernaam dragen van: goed te kunnen steuren.
stiek, stiek, (mannelijk), stieken, vaste dienst, vast werk. Dat is een beste stiek. Hij vraagt naar een stiek bij den heer A., daar zijn nog een paar mooie stieken te vrijen. Een vaste stiek is vrij wat beter dan los en onzeker werk.
stiekem, stiekem, (bijwoord), stevig, stijf. Hij gaat maar stiekem door, stijfweg zonder omzien, hij blijft maar stiekem op zijn stuk staan.
stijf, stoef, (bijwoord), aanhoudend, voortdurend, stijf door. Dat gaat maar al den dag stoef door. Hij liep mij stoef voorbij. Stoef doorwerken.
stijg, stijg, (mannelijk), stijgen, ligte zwelling van een ooglid. Hij heeft een stijg op zijn oog. Door een haartje van het aangedane ooglid uit te trekken is de stijg verdwenen.
stik, stikje, (onzijdig), stikjes, strookje, een stukje gestreept linnen of katoen bont dat de vrouwen boven aan haar boezelaar vast hechten, en dat van de noodige plooien voorzien, met een band van dezelfde stof om den middel wordt vastgemaakt. Naarmate het boezel fijn of grof is, is ook de kwaliteit van het stikje. Zie verder op het woord boezel.
stoeis, [tochtig], stoeisch, (bijvoeglijk naamwoord), stoeiziek. De koe is stoeisch, d.i., bulsch, togtig, rijdend. Zie verder op die woorden.
stoetel, stoetel, (mannelijk), stoetels, stoethaspel, onredzaam mensch, een dom werkman. Het is een regte stoetel, die alles door elkander haspelt. Het gaat er vrij stoetelig bij langs.
stolp, stulp, (vrouwelijk), stulpen, boerenstulp, een vierkant gebouw met spits op één punt toeloopend dak, veelal met een staart of vleugel, dienende tot verlenging van den koestal. Zie de Boeren Goudmijn 1860 no. 8. De Noordhollandsche boer en zijn stolp van vroegeren tijd, door J. Bouman.
stomen, [met stoom bereiden, warm maken], stiemen, (intransitief werkwoord), uitstralen, afstiemen, warm maken. Het vuur stiemt af, de kachel stiemt, de warme lucht stiemt, het begint hier erg te stiemen; “heete vrijsters stiemen af.”
stoops, [stuurs], stoopsch, (bijvoeglijk naamwoord), stuursch, stijf, stug, onvriendelijk. Dat is een stoopsch gezigt, die man is altijd even stoopsch en stroef.
strips, strips, (bijvoeglijk naamwoord), kreupel, mank, stijf. Het paard is strips, het gaat zeer moeielijk, is stijf in de leden, stramheid in de leden is oorzaak dat het paard zoo strips is.
stroffelen, [strompelen], stroffelen, (intransitief werkwoord), strompelen, stronkelen, struikelen, struffelen. Hij stroffelt over een strootje, het paard stroffelt. Dit woord wordt hier nog dikwijls gebruikt in plaats van struikelen.
stroppen, stroppen, (intransitief werkwoord), stuiten, teuven. Het begint te stroppen, te stuiten, de handel verflaauwt, het stropt, de prijzen dalen, de kooplieden krijgen een strop om den hals.
struinen, strunen, (intransitief werkwoord), spionneeren, verspieden, snuffelen, schuimen. Hij gaat weer te strunen, ze hebben al dikwijls hier in het rond gestruund. De beteekenis is niet slechts rondsnuffelen en heimelijk zoeken, of er ook iets te kapen is, maar wel vooral wegrooven, ontvreemden. Van daar zegt men ook dikwijls: ze hebben alles weggestruund.
stuit, stuit, (vrouwelijk), stuiten, stuitje, hooistuit, overschot, een gedeelte van het geheel. Als een klamp of berg hooi bij gedeelten wordt afgestoken en aan het vee vervoederd, dan noemt men die deelen stuiten; blijft er eindelijk nog een gedeelte over, dan zegt men: er schiet nog een stuitje over.
sudderen, sudderen, (intransitief werkwoord), pruttelen, borrelen, opsudderen. Dit woord is ontleend aan het opwarmen en stoven van spijs en als zoodanig klanknabootsend. Het is nu mooi aan het sudderen. Van daar zegt men, het suddert nog al zoo heen, wij zullen die zaak nog maar wat laten sudderen.
taat, taat, (mannelijk), taten, vader. Voor 60 jaren sprak men hier ten platten lande vrij algemeen nog van taat en mem; sedert heeft men zich langzaam aan de benaming van vader en moeder gewend; op enkele visschers dorpen zegt men nog taat en mem, of ook wel vaar en moer.
tashaak, [soort gereedschap], tashaak, (mannelijk), tashaken, kniphaak, halmerhaak, een drie- of viertande haak, met langen steel, waarmede men de afgestoken walzoden optast, en de mest van den wagen afhaalt. Elders zegt men heinhaak.
teilen, [maaien], teilen, (intransitief werkwoord), teilen afmaaien; men noemt de rijpe grashalmen, die dikwijls de weilanden ontsieren, teilen; als die teilen sterven laat men ze met de zeis afmaaien, wat men teilen noemt.
teinvat, [roomvat], teinvat, (onzijdig), teinvaten, roomvat, een houten vat waarin men den room verzamelt en dik laat worden, om ze vervolgens te karnen. Elders noemt men het teil.
tekken, [minder melk geven], tekken, (intransitief werkwoord), minder melk geven. Als melkgevende dieren van tijd tot tijd minder melk geven dan zegt men: zij tekken. De koe is op eens hard getekt.
tezen, tezen, (transitief werkwoord), pluizen, talmen, dralen; “je hebt al zoo lang zitten te teezen,” “ik ben dat getees al moede.”
thuishalen, [in huis halen], tuishalen, (intransitief werkwoord), Een vreemd kind als eigen aannemen, noemt men tuishalen. Een zoodanig kind heet: tuishaalder.
tiemen, [hooi aan roken schuiven], tiemen, (transitief werkwoord), hooi tiemen, het opgewieringde hooi door middel van een tiemtuig en paard aan rooken schuiven. Het hooitiemen is hier in den omtrek nog bij velen in gebruik. Zie verder op het woord: wieren.
til, til, (vrouwelijk), tillen, draagbare brug, beun, plank, in de zoogenoemde oude landen onmisbaar. Zie op post.
tintelen, tintelen, (intransitief werkwoord), killen, prikkelen, jeuken, eene pijnlijke aandoening der uitterste ledematen ten gevolge van strenge vorst. Zijn vingers tintelen van de kou.
tippelen, tippelen, (intransitief werkwoord), trippelen, dribbelen. Hij tippelt maar voort, maakt korte snelle stappen. Dat paard heeft al wat afgetippeld. Je moet maar wat aantippelen.
tissen, tissen, (transitief werkwoord), warren. Vertissen, in den tis helpen. Zijn haar was erg vertist, hij nam de tiskam, en heeft het uitgetist. Het garen is een tisroof geworden, er is heel wat aan te onttissen. De man is met zijn zaken in de war; het is een tisboel.
titten, [zuigen], titten, (transitief werkwoord), zuigen, mammen. Het veulen, het kalf en het lam tit in staande houding, de biggen titten liggende. Zuigen aan den tepel, het speen of het uur.
tjad, [vlug, kras], tjad, (bijvoeglijk naamwoord), vlug, kras, flink, moedig. Van eene bejaarde vrouw die nog vlug ter been en bij de zaak is, zegt men: zij is nog rad en tjad.
tochtig, togtig, (bijvoeglijk naamwoord), rijend, stierziek, bulsch, Zie bulsch.
tod, tod, (vrouwelijk), todden, todje, zuiglapje met suiker gevuld, hetwelk men jonge kinderen in den mond steekt, eene bakers uitvinding.
toet, toet, (vrouwelijk), toeten, 1. moedervarken. De toet met haar biggen. Als men de zeug haar voeder in de zeunis doet, en een paar maal luid, toet toet! roept, komt zij spoedig op het geluid af. Men past dit woord ook toe op jongere varkens: een koppel toeten, mooie toetjes, vette toeten. 2. toetje, mond, mondje; kindertoet, strooptoet; van een lekkerbekje zegt men, wat heeft dat kind een lekker toetje. Zamenstelling: diktoet, smultoet, toetebakkes.
toetijd, [verlangen], toetijd, (vrouwelijk zonder meervoud), verlangen, begeerte, trek. Hij heeft veel toetijd naar zijn nieuwen dienst, zij schijnt er weinig toetijd op te hebben, de toetijd is ditmaal niet groot.
toeven, [tegenhouden], teuven, (transitief werkwoord), stuiten, tegenhouden, stremmen, toeven. Daar is geen teuven aan, een klein teuvinkje, hindernis.
tof, tof, (bijwoord), warmpjes, goed verzorgd, veilig en gemakkelijk, eigenlijk veilig, goed gedekt, even als een vogel die zijn nest op eene veilige plaats gebouwd heeft, waar hij zijne jongen ongestoord kan uitbroeien, terwijl hij rustig den kop in de veeren trekt. Daar zit hij tof.
ton, ton, (vrouwelijk), tonnen, kinderstoel, kakstoel. Het kind zit in de ton. Vroeger was hier ten platten lande de algemeene naam ton, kakstoel scheen wel wat fatsoenlijker te klinken, kinderstoel was het woord voor groote lui. De vroegere tonnen waren hecht en sterk; de wijze van gebruik toen of nu verschilt aanmerkelijk; dat doet ons nog aan leiband, valhoed en loopstok denken.
tondel, tontel, (onzijdig), verbrand linnen. Tonteldoos. Vroeger gebruikte men veel tontel, zwam, en zoogenaamd lichthout, om vuur te maken, hetwelk geschiedde met behulp van vuurslag en vuursteen; door de lucifers verdrongen.
tornen, tornen, (intransitief werkwoord), stooten, rukken, losmaken. Het paard tornt er wat op aan, om het touw te breken, waarmede het aan den boom gebonden is. Aantornen, manen om betaling van schulden.
trappeleind, [wendakker], trappelend, (onzijdig), trappelenden, wendakker, het keerpunt van den bouwakker waar de paarden omgewend en de ploeg uit de voor geligt worden, welke trappelenden vervolgens dwars door geploegd worden.
trappen, trappen, (intransitief werkwoord), treden, beschadigen; als het rundvee met de spitse klaauwen het natte drassige weiland beschadigt, dan zegt men: “de koeien trappen.” Vandaar de spreekwijze: “zij eten met vijf monden.”
treilen, treilen, (transitief werkwoord), duwen, sturen, leiden, trekken. In het groot schijnt treil in het algemeen het touwwerk van een schip of zeilschuit aan te duiden, en in het bijzonder, dat gedeelte waaraan het vaartuig wordt voortgetrokken: ook in het klein noemt men de lijn waaraan een schuitje of praam wordt voortgetrokken een treiltouw, terwijl het touw waarmede het paard een jaag- of zeilschuit voortrekt, jaaglijn heet. Het eigenlijk treilen bestaat daarin, dat men een schuitje of ander ligt vaartuig met den kloet voortstuwt. De bewonders der naburige oude landen zijn in de kunst van treilen verwonderlijk geöefend.
trentelen, trentelen, (intransitief werkwoord), trappelen. Eene kalfkoe, die op het punt staat haar kalf af te werpen, wordt pijnlijk en onrustig, staat gedurig te trentelen en te trappen, men zegt dan: de koe begint te trentelen, het kalf zal haast komen.
triem, trem, (vrouwelijk), tremmen, sport, spaak. De tremmen van den stoel zijn los gegaan, er moet een nieuwe trem in gestoken worden. De tremmen zijn even zoo de steunsels en binten van den stoel, als de spaken van het wiel, en de sporten van de ladder.
troet, troet, (vrouwelijk), pent, meelbeslag, troetje. De vrouw zal troet koken. Troet, pent en pap verschillen alleen daarin dat pap een dun meelbeslag is zoo als b.v. meelpap, doch kinderpap is een mengsel van melk en beschuit, waartoe weleer de zoogenoemde papbeschuit opzettelijk gebakken werd; pent is een dikker beslag, waartoe men ook vruchten en fruiten gebruikt, zoo als appelen, peren, aalbessen enz.; troet is een dik beslag van meel met melk of wei, of ook wel met water. Zie verder op het woord repje de brui.
trut, trutje, (onzijdig), trutjes, truntel. Het is een trutje, een weinig beduidend schepsel dat noch lust, nog overleg bezit iets goeds voort te brengen.
tuik, tuik, (bijvoeglijk naamwoord), net, zindelijk, rein. Het is hier alles even tuik en netjes, hij houdt van tuik, een tuik spultje. Men kan ook al te tuik zijn, te overdreven zindelijk.
tuk, tokje, (onzijdig zonder meervoud), hij gaat met een tokje, is kreupel, gaat mank. Het hinkende paard komt achteraan.
tukje, tokje, (onzijdig), tokjes, middagtokje, kort slaapje; een tokje vangen, een uiltje knippen. Hij tokt te lang, heeft zich vertokt, zal zich vertokken. Een hazentokje.
tuntelen, [kunstelen], tuntelen, (intransitief werkwoord), kunstelen, beuzelen. Leg niet te tuntelen, verwaauwel uwen tijd niet met kleinigheden die veel tijd en geduld vorderen. Dat is een getuntel. Vandaar tuntelwerk, vertuntelen.
tuur, [verlangen], tuur, (vrouwelijk zonder meervoud), trek, verlangen, begeerte. Hij heeft weinig tuur op de reis, wat heeft ze een’ tuur op haren nieuwen dienst.
twinter, [driejarig rund], twinter, (bijvoeglijk naamwoord), twenter, driejarig rund. Eene koe die op driejarigen ouderdom haar tweede kalf ter wereld brengt is een twinter, terwijl men een eerste kalfvaars enter noemt. Vandaar de spreekwijze: “enter en twenter.”
uier, jaar, (onzijdig), jaren, uier, elder, jadder. Het jaar van eene melkkoe heeft vier uren (spenen), en bestaat uit even zooveel afdeelingen (kwartieren), hier vurrels of vierendeelen geheeten. Zoodanig goed gevormd uier noemt men een goed vierkant jaar, in tegenstelling van een wrak jaar, indien er één vierendeel of meer onklaar is. Zie verder op de woorden: drieuurd en vurrel.
uier, uur, (onzijdig), uren, speen. De koe heeft vier uren, het schaap twee spenen. Het hier gebruikelijke woord uur, is hetzelfde als uier. Zie op het woord jaar.
uitduwing, [uitdrukking], uitduwing, (vrouwelijk), uitduwingen, uitdrukking. Dat is eene rare uitduwing, hij doet uitduwingen die leelijk zijn.
uitgestreken, [netjes], uitgestreken, (bijvoeglijk naamwoord), netjes, deftig, in de naden, opgeschikt. Hij was puur uitgestreken, met het beste pak op den rug.
uitig, [uithuizig], uitig, (bijvoeglijk naamwoord), uithuizig, veel uit en zelden thuis. Niet zelden wordt door te groote uithuizigheid veel in huis verzuimd. Eene uitige vrouw verspilt veel.
uitslanig, [vochtig], uitslanig, (bijvoeglijk naamwoord), beslagen, vochtig, nat, dof. Het is uitslanig weer, de steenen slaan uit, zij zweeten.
uitveteren, uitveteren, (transitief werkwoord), uitschelden, hard de waarheid zeggen. Hij heeft hem terdeeg uitgeveterd. Iemand achter den veter zitten.
uitwaarts aan, [naar buiten toe], uitverdan, (bijwoord), uitwaarts, uitwaarts aan. Hij zal dat gebouw, wat verder uitverdan laten brengen; de weg zal breeder worden als men de boomen meer uitverdan plaatst.
vaar, vaar, (bijvoeglijk naamwoord), geld, gust, niet vruchtdragend. Eene vare koe, hij heeft zijn koeien vaar gehouden, d.i: ze niet laten rijden.
vaars, vaars, (vrouwelijk), vaarzen, enter, enterling, eersteling. Vroeger var, varre, jong rund, of ook wel uitsluitend, jonge stier; later heeft men het woord vaars alleen toegepast op een tweejarig rund dat voor de eerste maal kalft: van daar kalfvaars, en melkvaars.
vader, vaar, (mannelijk), vaars, vader, voor 50 á 60 jaren hoorde men hier ten platten lande den naam vader en moeder weinig noemen, meestal zeiden niet alleen de kinderen maar ook bejaarden taat en mem, en de minst ontwikkelden vaar en moer. Ik herinner mij den tijd nog zeer goed, dat ik, in navolging van eenige schoolmakkers, besloot, niet meer taat en mem, maar vader en moeder te zeggen.
van rapas op rapas, [van het een op het ander], rapas op rapas (van), Dat gaat maar van rapas op rapas, van het een op het ander, dan dit en dan dat, nu hier en dan daar.
vang, [greep, deel van rund], vang, (vrouwelijk), vangen, greep, vleeschachtig gedeelte tusschen den buik en de billen van een rund; het is een voorname tast van slagtvee, om eenigermate over den graad van vetheid te kunnen oordeelen.
vat, vaat, (mannelijk), hij heeft er den vaat van weg, hij heeft het begrepen, hij heeft er den slag van gekregen, “den vaat vit hebben.” d.i.: er meê klaar zijn, de zaak gevat hebben.
ven, ven, (vrouwelijk), vennen, venland, weiland. Al het grasland dat beweid wordt, heet venland, in onderscheiding van hooiland en bouwland, alsmede boschland, tuinland en etgroen. Hij heeft zijn koeien van het venland afgenomen en op het etgroen gebragt. Het is meestal een artikel in de huurcontracten: jaar om jaar hooien en vennen.
vergerven, [ruien], vergerven, (intransitief werkwoord), ruien. Als de vogels van vederen verwisselen, zegt men: zij vergerven. Als de kippen vergerven leggen ze geene eieren.
verkassen, verkassen, (intransitief werkwoord), verhuizen, vertrekken, van dienst verwisselen. Zij gaan wel haast verkassen.
verpeuteren, [verbruien], verpeuteren, (intransitief werkwoord), verbruien. Zij heeft het bij mevrouw verpeuterd; door het al te erg te verpeuteren, is hij uit zijn dienst ontslagen.
verrel, vurrel, (onzijdig), vurrels, vierendeel, verrel. De vier afdeelingen of kwartieren van het uier van eene melkkoe noemt men vurrels; voorts het vierde gedeelte van een zekere maat of gewigt: een vurrel tabak, een vurrel kant; een vurrels voerhooi, van vier op een koehooi.
verschieten, verschieten, (intransitief werkwoord), verschrikken. Hij verschiet, verschoot, je zoudt er van verschieten.
vet varken, [iemand die ontijdig uit dienst is geraakt], vet varken, (onzijdig zonder meervoud), zoo noemt men iemand die ontijdig uit zijn dienst geraakt is; buurmans knecht is vet, hij gaat verkassen.
villen, villen, (transitief werkwoord), ontleden; het kalf van de koe villen, eene kunstbewerking die door zoogenoemde vilders of koeienhelpers verrigt wordt. De heeren Knip, de zoon, vader, grootvader en overgrootvader zijn in dat vak met roem bekend.
vink, [kaan], vink, (vrouwelijk), vinken, koonder, kaan, uitgebrande vliezen en vellen, die van uitgesmolten slagtvet overblijven. De vinken van varkensvet zijn velen eene lekkernij.
vlaai, vlaai, (vrouwelijk), vlaaien, del, holle vlakte, geul, eene laagte in het wei- of bouwland; zulke vlaaien zijn veelal nadeelig, doordien het water er staan blijft, waardoor een waterachtig gewas ontstaat.
vlam, vlam, (vrouwelijk), vlammen, zeevlam, damp, natte vlam. Dat is eene koude vlam, een natte mist.
vleek, [klauw], fleek, (mannelijk), fleeken, klaauw, scherpe nagels, de kat heeft scherpe nagels aan haar fleeken, muisje wacht u voor de scherpe fleeken van de kat, de kat stak haar fleeken uit naar de gebraden visch. Overdragtelijk pleegt men dit woord ook op menschenhanden toe te passen, houdt u fleeken thuis, als hij het maar eerst in zijn fleeken heeft, dan is er geen loskrijgen aan.
vleken, [krabben], fleeken, (transitief werkwoord), krabben, de kat fleekt, zij kan vuilaardig fleeken. Ze fleekte al een paar malen naar de kleine meid; pas op ze zal haar fleeken.
vlook, vlook, (bijvoeglijk naamwoord), ondiep. Een vlook vaarwater, hij is vlook van verstand, het zit er niet diep.
vloot, vloot, (vrouwelijk), vloten, vlootje; kaasvloot, portelvloot, bij het kaasmaken in gebruik, zijnde ondiep en langwerpig vierkant. Vroeger werden ze uit vijf stukken zamengesteld, thans maakt men ze uit één stuk hout.
vlossen, [baggeren], vlossen, (transitief werkwoord), modderen, beugelen, baggeren, den modder uit de sloot vlossen, met de vlos uitbaggeren. De vlos is een ijzeren beugel, bevestigd aan een langen houten steel, waaraan een zakvormig net is vastgemaakt; vandaar vlosbeugel, vlosnet.
vlotwal, [lage wal], vlotwal, (mannelijk), vlotwallen, lage wal, slootwal, de slappe wal van een stuk wei- of hooiland. De vlotwallen verschillen van breedte, zijn vaster of slapper, al naarmate den aard van den grond en den stand van het water. Het gras dat er op groeit, is veelal slap en waterig, men noemt het vlotgras.
volger, [deksel], volger, (mannelijk), volgers, deksel; kaasvolger, het deksel van den kaaskop. Vroeger bestond de volger uit eene platte houten schijf met klamp, nu maakt men ze uit één stuk hout, dat op de draaibank rond gesneden en aan den onderkant uitgehaald wordt, zijnde aan de bovenzijde vlak; deze vorm bevordert tevens het spoediger rond worden van de kaas.
voor, [ploegsnede], vurg, (vrouwelijk), vurgen, voor, ploegvoor. Het eene paard loopt in de vurg; twee vurgen, twee voren diep ploegen.
voorhuis, [deel van huis], voris, (onzijdig), vorissen, voorhuis, binnenkeuken, pronkvertrek. Vroeger waren de boerenwoningen, behalve hooiberg, dorsch en koestal, verdeeld in woonkeuken, of eenvoudig weg keuken, voris, opkamer en kelder. Het voris of voorhuis werd ook genoemd middeles d.i. middelhuis. Zie de Noordholl. boer en zijn stolp t.a.p.
voorjaar, [vooruier], vóórjaar, (onzijdig), vóórjaren, vóóruier van eene vette koe. Het voorjaar van een slagtbaar beest behoort even als de vang, de borst, de schenkel en meer andere uitwendige tasten, tot de kenteekenen waarnaar men de waarde van een slagtdier in levenden toestand beoordeelt.
vroedvrouw, vroemoer, (vrouwelijk), vroemoeren, vroedvrouw, vroedmoeder, vroeger Geertje-, Kaatje- of Truitjemoer. De vroedvrouwen werden weleer ten platten lande bijna uitsluitend met de verlossing belast; thans is dat het geval niet.
vrouwmens, [vrouw], vrommes, (vrouwelijk), vrommessen, vrouwmensch. Een knap vrommes, flinke gezonde meid; een slecht vrommes, eene deugniet.
vuilendig, [vinnig], vuilendig, (bijvoeglijk naamwoord), vuilaardig, vinnig, scherp. Het paard slaat vuilendig. Het schaap verstoot een van zijne lammeren, het is er vuilendig op. Een vuilendig wijf, zij snaauwt naar den wind.
vuilnis, vullis, (onzijdig zonder meervoud), vuilnis, stof, vuil; “het vullis van den vloer” d.i.: het onruim, stof en vuilnis, fig. de kinderen.
vuurvreter, [onverschrokken persoon], vuurvreter, (mannelijk), vuurvreters, een onverschrokken, onbevreesd mensch, wiens woeste aard en sterk gespierde arm voor niets terug deinzen. Een vurig, sterk en moedig paard.
waardschap, [op bezoek], warschip, (onzijdig), warschippen, warschap, te warschip gaan, warschippen, thans logeren, een bezoek van eenige dagen. Ten platten lande maken de jonge lieden vooral in den wintertijd gebruik van het warschippen; de meiden bedingen bij het jaarlijksch verhuren meestal 14 dagen warschip, de knechts een week. Ze vertoeven echter doorgaans niet lang, van één, twee tot drie etmalen; van daar het spreekwoord: “Een warschipper van drie dagen begint te stinken.” d.i.: dan gaat het mooi er af en wordt het tijd van vertrekken.
wal, wal, (mannelijk), wallen, stoep, boenwal, een houten trap aan het water, dienende om water te scheppen en te boenen.
wambuis, wammes, (onzijdig), wammessen, wambuis; iemand bij zijn wammes nemen, hij krijgt op zijn wammes, hij zal hem wammes geven.
wamelen, wamelen, (intransitief werkwoord), Zij wamelt, zegt men van eene jonge vrouw, die door belustheid het vermoeden doet ontstaan dat zij zwanger is; meestal wordt dit schertsend gezegd, om de jonge vrouw, die er een weinig over schijnt te blozen, te plagen. Zie op het woord belust.
wanhavenig, [slordig], wanhavenig, (bijvoeglijk naamwoord), haveloos, slordig. Het is een wanhavenig schepsel.
wapeling, wapeling, (vrouwelijk zonder meervoud), zeepsop, waschwater. De wapeling is vetter en troebeliger naarmate de wasscher meer zeep gebruikt.
warempel, warempel, (bijwoord), waarlijk, zoo waar. Het is warempel zoo, hij is warempel met de zaak verlegen.
warsig, warsig, (bijvoeglijk naamwoord), walgelijk, morsig, smerig, vies. Eene warsige vrouw, warsige praat, een warsig zwijn.
watbenjemen, [tussenwerpsel], watbenjemen, (tussenwerpsel), Hij wordt me een kerel watbenjemen, dat is me een gebouw watbenjemen.
wateren, wateren, (transitief werkwoord), drenken, het vee water toedienen. Gewoonlijk watert men het gestalde vee twee malen per dag, soms ook 3 of 4 maal.
watjekouw, watjekaauw, (vrouwelijk zonder meervoud), oorveeg, muilpeer, trawaffel, kinnebakslag. Hij heeft een watjekaauw gehad, hij gaf hem een watjekaauw.
wauwelen, wauwelen, (intransitief werkwoord), talmen, treuzelen, dralen. Het is een wauwelaar, hij driegt en talmt en verbeuzelt zijn tijd.
weer, weer, (mannelijk), weren, gesneden ram. Een ram dien, hetzij door insnijding, hetzij door afbinding (gorren) de teelballen ontnomen zijn, heet weer; even zoo noemt men een gesneden hengst, ruin; een gesneden stier, os; en een gesneden beer: berg.
weerdeger, [vermagerd dier], weerdeger, (bijvoeglijk naamwoord), misdijer. Een rund, schaap of ander dier dat kwaaddeegsch is, noemt men een weerdeger. Het is een weêrdeger, eerst groeide het dier vrij goed, maar nu gaat het aan het weerdegen, misdijen, vermageren.
weerschoen, [weerga], weerschoen, (tussenwerpsel), weerga. Wel weerschoen is het zoo niet! wat weerschoen is dat? Dat zal om de weerschoen niet weer gebeuren.
weerwoest, [verhit], weerwoest, (bijvoeglijk naamwoord), verhit, ontsteld, door vermoeienis of drukkende hitte een woest voorkomen hebbende. Hij is weerwoest van de warmte en vermoeienis.
weerzerig, [weerpijn], weerzerig, (bijvoeglijk naamwoord), weerpijnig, weerpijn gevoelende. Het is bekend dat pijnlijke zweren die aan eenig ligchaamsdeel ontstaan, door medegevoeligheid pijn verwekken aan nabij gelegen gewrichten; men noemt dat weerzeer, weerzeerte, weerpijn.
wellen, wellen, (transitief werkwoord), zacht koken, tot kokens toe heet maken, van daar: biest wellen, wei wellen, gewelde biest, gewelde wei.
wiersen, [wieringen maken], wieren, (transitief werkwoord), wieringen, het gedroogde hooi op wieren smijten, hooi wieren, wieren maken. Hij heeft het hooi aan wieren gemaakt; eene soort van kaden of lage dijkjes, die vervolgens met den vork of het tiemtuig tot rooken worden opgewerkt. De hooiwieren hebben veel gelijkheid met de wierkaden, die de zeedijken tegen den aanslag van de golven beveiligen.
wijdwagen, wijdwagen, (bijwoord), wagenwijd. De deur staat wagenwijd open, d.i. geheel open; zoo wijd als zij kan, zoo ook: deuren en vensters staan wijdwagen open, hij heeft al de deuren van kamers en kasten wijdwagen opengezet. Hij staat te kijken met den mond wijdwagen open, Zoo wijd dat er schier een wagen door kon, zoo wijd als een wagendeur.
willig, willig, (bijvoeglijk naamwoord), hengstig, tochtig. De merrie is willig; hij zal zijne merrie laten dekken, zoodra zij willig is.
winds, [scheef], wijnsch, (bijvoeglijk naamwoord), scheef, schuin, niet vlak. Wat naar de eene of andere zijde trekt heet wijnsch; het gordijn hangt niet zuiver vlak, het trekt naar den eenen kant, het is wijnsch; de gebinten van dat gebouw staan niet in den haak, ze zijn wijnsch.
woeg, [woelig], woeg, (bijvoeglijk naamwoord), woelig, aalwerig, druk. Het vee is woeg, een woeg paard, de kinderen zijn woeg.
woerd, woord, (mannelijk), woorden, mannetjeseend. Vette woorden. Bij een koppel eenden houdt men een of twee woorden. Het roepertje met haar woordje.
worpelen, [zacht spenen], wurpelen, (transitief werkwoord), zacht spenen. Alvorens de koe gemolken wordt begint men eerst te wurpelen. Men trekt een weinig melk uit de spenen, bevochtigt de handpalmen en maakt de spenen nat, wrijft een weinig aan het uier, terwijl de melk begint te schieten en men het melken aanvangt. Goed wurpelen is een voornaam vereischte om goed te melken.
wrakstukken, [zwaar werk verrichten], wrakstukken, (intransitief werkwoord), wrikken, zwaar en moeielijk werk verrigten. Daar is heel wat meê te wrakstukken.
wrielen, [wiegelen], wrielen, (intransitief werkwoord), wriegelen, wemelen, bewegen. Hij zit gedurig op zijne stoel te wrielen, tot last van een ander.
zelfegge, [rand van laken of landstreek], zelfweg, (mannelijk), zelfwegen, zelfkant, zelfegge, de buitenste kant van laken, linnen enz., de uiterste grens van een landstreek, oord of gewest. Hij woont aan den zelfkant. De naden met zelfweg breeuwen; hij maakt pantoffels van zelfwegen. Zelfweg is misschien verbastering van zelfegge: platweg zegt men zelleweg.
zels, [gezellig], zelsch, (bijvoeglijk naamwoord), gezellig. Hij is maar wat al te zelsch, zijn te groote zelsigheid heeft hem ongelukkig gemaakt. Het paard is dikwijls erg zelsch, en daarom lastig en onrustig als het van zijn makker gescheiden is. ’t Is wat zelsch! ’t is wat bijzonders!
zengerig, [aangebrand], zangerig, (bijvoeglijk naamwoord), aangebrand. Door aanbranden verkrijgt de spijs een wansmaak, zij wordt zangerig. De brij is zangerig, de kost is zangerig, men kan het in de verte al luchten; van daar het spreekwoord: “Zangerig heeft pooten.”
zetter, zetter, (mannelijk), zetters, kaaszetter, kaasvorm waarin de kaas gezouten wordt. Men heeft kaaszetters van verschillende grootte b.v. groote, middelbare, en kleine, overeenkomstig de hoegrootheid der kaaskoppen of vormen waarin de kaas geperst wordt. Zie op volger.
zeunis, zeunis, (vrouwelijk), zeunissen, varkenstrog, voederbak. De varkenszeunissen zijn onderscheiden van grootte, al naar mate het gebruik waartoe zij moeten dienen; om het stuk bijten voor te komen worden zij aan den bovenkant met bandijzer beslagen.
zwarte kat, [kwaadstoker], zwarte kat, (vrouwelijk), zwarte katten, kwaadstoker, twistzaaier. Als tusschen vrijer en vrijster de aangeknoopte vriendschap afgebroken wordt, en daardoor de onderlinge verkeering ophoudt, zegt men: “de zwarte kat is er tusschen gekomen,” een spreekwoord aan het bijgeloof van vroegeren tijd ontleend.
zweelhooi, [soort hooi], zweelhooi, (onzijdig zonder meervoud), hooi dat met de hark aangezweeld wordt. Vroeger was het de gewoonte, het gedroogde hooi niet alleen met de vork aan rooken te brengen, maar tevens ook te gelijk het zweelhooi met de hark aan te zwelen; thans laat men veelal het zweelhooi liggen, en zoekt dat later met de hark bij malkander.
zwijd, [gezond, zuiver], zwiet, (bijvoeglijk naamwoord), men gebruikt dit woord meestal ontkennend, en zegt: ik ben niet al te zwiet, hij is niet zwiet, het zit er niet zwiet; niet gezond, niet rigtig, niet zuiver.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal