elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.

-de, de, voor het oude, du, di, te, voor gij; dan het wordt altijd achter een woord gevoegd; bijv. Hoe roemtde zoo? voor: hoe roemt gij zoo? Wat hadde daar? vo
-je, ke, ken, In de meeste verkleinwoorden heeft men in deze landstreek den ouden uitgang ken niet met dien van je verwisseld. Zoo zegt men bijv. Boomke, huiske, fl
Aa, Aa, Het riviertje de Keerschop, hetwelk langs Bergeijk stroomt, wordt door bijna al de ingezetenen de Aa geheeten. In meest alle talen beteekent A, Aa, Ah
aak, ake, aak, door de landlieden èke of èk uitgesproken, is een woord waarmede men de kinderen van iets wil afschrikken of er hun het leelijke van te kennen wil gev
aan, aan, Veel zegt men hier bijv. aan de kerk wonen, aan den handwijzer wonen, voor hetgeen men elders uitsluitend zegt, bij de kerk wonen, enz. dat hier ook m
aandoen, [aan het lichaam doen, berokkenen], aandoen, Aankleeden.- Aangedaan, aangekleed.
aangaan, [lawaai maken, beginnen], aangaan, (werkwoord), 1) voor geraas of leven maken; 2) Voor beginnen, is als een duidelijk zekerlijk verouderd. Doch men hoort hetzelve hier zeer dikwijls in dien zooals (, 1) Hij gaat aan alsof hem de keel werd afgesteken, als een hond aan de ketting.
aangang, aangang, aangank, Voor begin, aanbegin, wordt hier dikwijls gehoord, vooral in de spreekwijze van het (juist) op den aangang komen, wanneer men ter regter snede, op den
aangespannen, aangespannen, Goed aangespannen of (veel meer) ingespannen zijn beteekent hier niet slechts van goede paarden of ossen, kar en tuig, maar in ’t algemeen, wel van al
aankloeken, aankloeken, voor wat kloeker maken, hoort men weinig.
aankomen, [terechtkomen, aanraken], aankomen, voor op uit loopen of op neêrkomen zoo als men elders zegt , voor op uit loopen of op neêrkomen zoo als men elders zegt.
aankunnen, aankunnen, voor kunnen bereiken, geraken.
aanlopen, [ergens heengaan], aanloopen, Er tegen aanloopen beteekent hier berispingen of ook wel schade beloopen. Op andere plaatsen zegt men er tegen aanrijden of eenvoudig aanrijden.
aanpakken, aanpakken, wordt wel overal in ons land gebruikt voor aantasten, doch hier meer op eene bijzondere wijze, bijv. die ziekte heeft hem sterk aangepakt. Dit zeggen
aanschieten, aanschieten, een hemd, rok of ander kleedingstuk, voor aantrekken en zoo ook uitschieten voor uittrekken.
aanstoten, aanstooten, Even raken of stooten.
aanvatten, aanvatten, 1) voor aantasten; 2) voor vasthouden is hier algemeen, 1) de koorts vatte (vattede) haar sterk aan; 2) hij wou wegloopen, maar ik vatte hem; hij vatte mij met mijn’ (bij den) arm en wou mij niet los laten.
aanwerk, aanwerk, voor begin., aanwerk van een gebouw, van een kanaal, eenen koop, eene ruiling enz. maken. Men bezigt het ook in den zin van ergens de schuld of oorzaak van zijn, bijv. hij is het aanwerk van dien twist, dat proces, dat nadeel, enz.
aanzetten, [aan het werk zetten], aanzetten, (werkwoord), 1) voor laten beginnen; 2) als (onzijdig) voor vermeerderen, toenemen, en zulks zoo wel in een’ morelen als een physieken zin., 1) ik zal den knecht aan ’t dorschen zetten. Ook voor regt doen wedervaren of tot zijn’ pligt doen brengen, (of iemand met magt of regt bekleed) eens aanzetten. 2) de liefde zet hier sterk aan; de koude zet hard aan
aard, aard, Men zegt hier: ergens zijn aard niet kunnen krijgen, voor hetgene men elders noemt: ergens niet kunnen aarden. Als iemand ergens niet gaarne woont of
adem, naassem, "voor aassem, adem; navend voor avond en soortgelijke uitdrukkingen."
af, af, voor afschaffen, vervallen, ontslaan, is algemeen gebuik, in den zin als bij Van Rijswijck, Antigonus, bl. 48:
af en toe, af en toe, voor van tijd tot tijd en nu en dan. Ook wordt het veel gebezigd, doch niet zoo algemeen voor heen en weder, in de spreekwijze af en toe gaan.
afdelen, afdeelen, bij schifting en scheiding van eenen boedel of bij eene andere verdeeling afrekenen.
afdokteren, afdocteren, beduidt hier door geneeskundige hulp of medecijnen eene kwaal te doen ophouden.
afdrinken, afdrinken, dat is: een twist, verschil enz. te doen ophouden of vereffenen door een gezamentlijke dronk.
affolen, affoolen, door menigvuldig foolen afmatten.
afgaan, [aflopen, afstaan], afgaan, wordt veel in de beteekenis van afstaan gebruikt, bijv. ik ga van mijn regt niet af. Wanneer een dienstbode binnen den bepaalden tijd vertrekt zegt me
afgebrand, afgebrand, noemt men hier iemand die, door het verbranden van zijn huis, zijn goed verloren heeft.
afkomen, [naar beneden komen, thuiskomen ], afkomen, "zegt men hier als iemand van eene reis of een verwijl weder terugkeert, bijv. hij zal vanavond wel afkomen; zij komt eindelijk af."
afkomst, [geslacht], afkomst, voor een geslacht, familie.
aflezen, aflezen, 1) Men hoort hier bij het domme boerenvolk veel van het aflezen der koorts, dat is: van het verdrijven van dezelve door verbanning van den boozen gees
afpassen, afpassen, zegt men gemeenlijk voor: de betaling door passen, aftrekken. Ik heb hem tien stuivers afgepast, dat is dat het met het geld zoo uitkwam, afgekort. Ev
afstellen, afstellen, voor afzetten. Als men wil te kennen geven, dat iemand van zijn post is afgezet, dan zegt men somtijds dat hij af gesteld is. Meer hoort men dit in de
afstoken, afstoken, Een huis, schuur of dergelijke, afstoken, voor in den brand steken, zoo dat het door de vlammen vernield worde. Men zegt ook wel: alles in een huis af
afval, [ontrouw, afgevallen fruit], afval, voor afgevallen fruit.
afwinnen, afwinnen, in sommige gevallen voor winnen, beter kennen.
ajuin, juin, ajuin.
aker, aker, wordt hier ook genaamd eene soort van koperen ketel of melk-emmer.
akker, akker, "Dit woord is het algemeen voor een stuk zaailand. Wanneer ze klein zijn zegt men akkertje of akkerke. Indien zulk stuk land met eene heg of wal omgev
akkermannetje, akkermanneken, Wanneer al de schoven op een’ akker tot hoopen (bij rogge van schoven) gezet zijn, en er blijven nog eenige schoven over, maar niet genoeg om eenen vo
al, aldat, voor al ware het dat., " aldat gij het gezegd haddet, zou ik het toch niet gelooven. Zoo ook: al loopt het nog zoo hoog, waarvoor men in ongebonden stijl zegt: aldat het nog zoo hoog loopt; waaruit men ziet, dat al, aldat, zeer nabij aan den zin van ofschoon komt, ja, mijns bedunkens meestal dezelfde beteekenis heeft. Het staat eigenlijk voor al is het dat."
alert, allert, vlug, levendig. Hij is een alert man.
alevenwel, [echter], alevel, evel, el, In de beteekenis van evenwel, nochtans en desalniettemin. Wordt alevèl uitgesproken voor evenwel. In de praattaal zegt men veeltijds evel en zelfs nog, hij is el gekomen. Ik moest gaan, maar ik heb el geenen tijd.
aling, aalling, aling, voor geheel, gansch, ongeschonden, doch schaars voor te zamen. Zie aalling enz. Men hoort het hier dagelijks en is een verouderd woord. Ik las het in , een aallinge gulden, een allinge boom. Als (bijwoord) hoort men dit minder.
allijk, [geheel], aallijk, aallik, alink, alik, (bijwoord), wordt meest als voor geheel, ganschelijk gebruikt., hij slikte die peer aallik op, dit boek is nog aallik. Minder als bijv. naamwoord.
als, als, "wordt hier veel bij gisteren, morgen, verledene week, toekomende maand en andere, eenigen tijd aanduidende woorden gevoegd, even als bij dan in alsda
alsof, al of, voor alsof., het is zoo heet al of ’t in den zomer ware. Van ouds heeft al of de beteekenis als of.
alweg, alweg, voor gestadiglijk, steeds, bij aanhoudendheid., het is tegenwoordig alweg schoon weder. Het is een zeer goed woord. Ik heb het hier niet vaak gehoord.
amer, amer, Houtskool. Het is een oud woord.
amper, amper, voor naauwelijks, ter naauwer nood. In onze taal beteekende het onrijp, zuur, scherp. Ook in deze laatste beteekenis wordt het hier gebruikt. Mede hoo
angel, angel, zegt men gemeenlijk voor eenen vischhaak.
april, pril, April. In den Pril sturen is iemand op den 1sten April foppen.
as, as, voor als. Dit zeggen echter de meer beschaafden, anderen noemen het es.
astrant, astrant, voor vrijpostig, brutaal. Het is assurant.
aver, aver, Men hoort hier wel eens bij de landlieden zeggen: van aver tot aver, d.i. van ouder tot ouder. Het is geene verbasterde, maar slechts verouderde spree
averechts, averregts, wordt hier zeer veel pleonastice uitgesproken met averregts verkeerd. Bekend is het, dat averregts zamengesteld is uit het oude aver en regts, of, zoo
averechtse kant, averregtse kant, voor: de ruwe of verkeerde zijde.
avond, avend, navend, voor avond. Afgeleid van het Hoogduitsch aben. Navend voor avond, doch meest onder de geringste soort van landlieden. Diergelijk voorzetsel hee
awel, awaai, waai, awooi, wooi, Een dezer overtollige woorden hoort men in een dorp, als met verwondering of vragend gesproken. Het heeft nagenoeg dezelfde kracht als begets. Awooi i
azen, asen, voor spijzen, voeden, alleen gebruikelijk voor aanbrengen van aas door vogels aan hunne jongen.
ba, ba, , "Niets. In velerlei ontkennende gezegden komt het in deze streken, evenals in andere voor: ba neent is wel neen: Ba ’t en doet, is wel het doet niet,
baan, baan, De heerweg (verkeerdelijk door sommigen de heerenweg genaamd, daar het toch de heirweg is) of de groote weg wordt veeltijds de Baan geheeten, zekerlij
baan, zwaar baan, hoort men hier altijd zeggen, als er spraak is van eenen weg, waarover veel vervoer. Zie Baan.
baanstroper, baanstroopers, zegt men in deze streken voor struikroovers, of zulke roovers, die de groote wegen onveilig maken. Het is het Fransche voleurs de grand chemin.
baar, baar, Dit woord gebruikt men hier alleen in de beteekenis van doodbaar of lijkbaar.
baas, baas, (baaske) is hier een titel, met welken men iemand van minderen stand aanspreekt, hetwelk eigenlijk vriend zeggen wil, vertalende Kiliaan het am
babbelaar, rababbel, babbelaar, zeker suikerballetje; fig. oorveeg, opstopper."
baden, [een bad nemen], baaijen, voor baden. Dat dit niet ten eenenmale af te keuren zij, zoude kunnen betoogd worden uit het Latijn Bajae, een bad beteekenende.
bakje, bakje, noemt men hier wel eens een glas jenever, welk woord door de militairen daaraan meestal gegeven wordt en is alzoo alhier sedert de laatste revolutie i
bakkeet, bakkeet, De boerenwoningen zijn, in deze streken meest voorzien van eenen oven, veeltijds buiten een van het huis afgezonderd vertrekje uitsteekende, waarin de
bakkerin, bakkerin, "voor bakkersvrouw. De andere hier nog in gebruik zijnde vrouwentitels zijn, brouwerin, bazin, mulderin (molenaarsvrouw), boerin. Bodinne voor bodesvr
balie, balie, vrouw met gering verstand, ook eene die veel buiten ’t huis gaat of uitloopt. Is weinig hier in gebruik.
baliën, balieën, rondloopen, raaskallen.
balkdonker, balkdonker, voor erg of gansch donker. Zoo donker dat ge geen hand voor oogen kunt zien, dat ge tegen een’ balk aanloopen zoudt.
balsturig, balsturig, bolsturig, voor kwalijk beraden, onberaden, woest.
bamis, bamis, voor St. Bavo’s Mis. Deze dag, de 1ste van October, is een van die, welke bij de boeren, tijdmerk maken, gelijk Lichtmis, St. Jan, St. Maarten, enz.
bank, [wolken], bank, eene lange reeks van wolken aan den gezigteinder. Zoo zegt men: ‘er groeit een bank’, ‘de zon is in een bank’. Sneeuwbank, verhevenheid verhooging bov
bank in het lijf, bank in het lijf, bezetting, drukkend gevoel, verstopping.
barg, berg, Mannelijk gesneden varken.
bauw, baauw, voor paardenvlieg.
bazin, [leidster, hoofd van iets], bazin, bazinne, voor meesteres, de vrouw van het huis. Meer in het bijzonder gebruikt men het van eene herbergierster, vooral indien dezelve geen man heeft. De dienst
bedelbrief, bedelbrief, Een bedelbrief wordt, in deze streken, genaamd een verlofschrift, door R.C. Geestelijken of burgerlijke overheden gegeven, aan lieden, door brand of a
bedevaart, beevert, beevaart, voor bedevaart. Vele zoodanige hebben alhier plaats, niet alleen naar Kevelaar, Scherpenheuvel en elders, waar de H.M. Gods bijzonder geëerd wordt, ma
bedienen, [dienst bewijzen, de sacramenten toedienen], bedienen, noemt men hier het toedienen van de laatste H. Sacramenten aan stervende Katholieken, na afgelegde biecht. Wanneer iemand dezelve alle ontvangen heeft
bedkoets, beddekoets, voor bedstede. Algemeen in de mindere standen.
bedstee, bedsteei, voor bedstede. Nogthans moet men bemerken dat alzoo hier zeer vele woorden uitgesproken worden. Stad en stede voor plaats is bekend.
beduid, bedied, voor uitlegging., hij wil van alles bedied hebben. Bediedsel, bediedenis en bedieden, wordt ook veel in dien zin gehoord. Bedieden voor beduiden, iets zeggen, berichten.
beeld, beeldje, beeldeken, voor een prentje, of welke afbeelding ook van iets. Zoo hoort men bijv. de kinderen zeggen: Gij moest eens een beeldje voor mij maken, d.i. eens eene
beemd, beemd, voor wei- of hooiland is van algemeen gebruik, vooral als hetzelve met eenen sloot of gracht, hegge of iets dergelijks omringd en aan de zijde van het
beer, beer, Mannelijk ongesneden varken.
beet, beet, voor beetwortel.
beetje, beetje, beeteken, Men hoort hier veel een beetje, een beeteken voor hetgeen men elders zegt een bietje voor een weinigje. Dat het ook in dien zin een verkleinwoord zij
begaaien, begaaijen, begaden, voor bederven. In oude werken vindt men wel eens bekaaijen voor bevuilen. Begaan voor betijen, waarvoor men ook geworden zegt. beteekent hier alleen i
begaan, [te voet gaan], begaan, voor te voet gaan bereiken; bijv. eene plaats in eene uur tijds begaan.
begaan, begaan, Begaan zijn met iemand of met de omstandigheden van iemand is hier niet van algemeen gebruik.
begankenis, [drukte], begankenis, is hier in algemeen gebruik voor bedevaart. Elders zegt men het voor begrafenis of eigenlijk lijkstaatsie.
beget, beget, begets, uitroep of pleonasme. Iemand die verwonderd spreekt bezigt dit woord veel. "zoveel als toch, evenwel, immers, zekerlijk.”, " ik moest dat begets al lang gedaan hebben; gij hebt begets al gegeten. Ik weet de beteekenis van dat woord niet, moet men daarvoor een ander nemen, dan is het gewis, zekerlijk, voorwaar of een dergelijk. Als uitroep of bewondering komt het misschien van bij God, hetgeen onze Belgische naburen veel in den mond hebben."
begeven, [begiftigen, ergens heen gaan, bezwijken ], begeven, voor begiftigen.
beginnen, begost, voor begonnen. In de oude taal en bij de oude schrijvers was het zeer gemeen.
begrijpen, begrijpen, wordt in deze streken veel gebruikt in den eigenlijken zin van omvatten.
behangsel, behangsel, noemt men hier de kamerbehangsels alsmede de gordijnen der ledekanten en diergelijke slaapplaatsen.
behoorte, behoorte, voor behoorlijkheid. Het is een goed maar verouderd woord.
beidegaar, beide-gaar, voor alle-beide. Het is zeer oud.
beiden, gebeiden, voor alle beiden. Zoo zegt men ook gebroers, geneven, genichten, enz.
bekennen, bekennen, voor kennen en erkennen., het was zoo donker dat men geene hand voor zijne oogen kon bekennen, is een spreekwoord dat men ook hier veel hoort. Zoo zegt men ook: ik was daar in zoo langen tijd niet geweest, dat ik mij er niet meer bekende.
bekijven, bekijven, voor berispen, bestraffen.
beklagen, [klagen, aanklagen], beklagen, Iemand beklagen, voor iemand aanklagen.
beklaveren, beklaveren, voor beklauteren, beklimmen. In denzelfden zin zegt men het zelfst. nw. beklauwing.
beknopen, beknoopen, Enkele malen hoort men hier nog het verouderde beknoopen, in de beteekenis van het bekorten, in het korte zamentrekken. Van hetzelve is het dagelijks
bekomen, [verwerven, goed bevallen], bekomen, 1) voor herstellen, beter worden. 2) voor goed doen, genot hebben.
bekomst, bekomst, voor genoeg, verzadiging, voornamelijk na gebruikte spijzen., " ik heb mijne bekomst; aan zwaren kost heeft men ligtelijk zijn’ bekomst."
bekoring, [verzoeking], bekoring, voor verzoeking is bij de Roomsch Catholieken van algemeen gebruik. Men zegt hier bekeurd voor bekoord. Bekoren was eertijds verzoeken.
bekruizen, [zwart maken], bekruizen, voor met kruis- of buskool vuil maken of teekenen.
bekwelen, bekwelen, voor betreuren. Niet veel gehoord.
belabberd, belabberd, zegt men hier in den dagelijkschen omgang voor haveloos, bevuild. Voor het overige hoort men het meest in eenen overdragelijken zin, bijv. Het ziet er
belachelijk, belachelijk, wordt hier somtijds niet in eenen kwaden zin voor bespottelijk gebruikt, maar lachverwekkend.
belakken, belakken, voor lasteren, verachten. In de beteekenis van iemand eenen lak, eene ondeugd aanwrijven, is zeer gemeen.
beleg, beleg, voor inlegering van krijgsvolk.
beleid, beleed, voor beleid, overleg, besturing.
belet, [bezoek], belet, in de spreekwijze belet laten vragen, zich zelven op bezoek noodigen enz. is een uitvloeisel van ’t werkwoord beletten.
beletten, beletten, 1) in de beteekenis van weerhouden, verhinderen, voorkomen is hier ook in gebruik. 2) Iets beletten, voor: op iets letten, iets met opmerkzaamheid bes, " Belet Jan eens, hij ziet er slecht uit. Opletten, met den klemtoon op op, heeft schier dezelfde beteekenis. Men zegt ook: Ge moet goed opletten; let op de deur, op de kippen, op het vee enz."
belfort, bellefrooi, bel fort, noemt men hier – het eerst met een bastaardswoord – het hout, aan hetwelk de klok in eenen toren hangt.
bellenman, belleman, voor omroeper. Alleen in de steden der Meijerij zijn mij nog dusdanige bekend. – Op sommige plaatsen dezer omstreken is belleman anderszins de ram der
beloken, beloken, Beloken Paschen is hier van algemeen en uitsluitend gebruik, voor den Zondag die het Paaschfeest besluit, den Zondag Quasimodo.
belopen, [lopend bereiken], beloopen, "voor loopende bereiken hoort men hier zelden. In eenen anderen zin, namelijk: ik zal die zaak wel eens beloopen; voor: ik zal die zaak wel eens bewer
bemullen, bemullen, voor bestuiven, met stof overdekken, bezoedelen, en in het gemeen voor bevuilen, vuil maken. Het is hier zeer weinig in gebruik.
ben, ben, mand, schaapsben.
benauwd, [zuinig, karig], benaauwd, zegt men hier voor: zuinig, karig. Elders zegt men naauw ziende, naauw bezet, hetwelk hier ook veel gehoord wordt. Men zegt ook naauw dingen, naauw me
beneutelen, beneutelen, wordt hier gebruikt voor iets met meer aandacht dan het verdient, te beneuzen, te beneuzelen.
bengel, bengel, Dit zegt men hier van eenen ongehoorzamen of ondeugenden jongen, ook een kwade, een stoute bengel. Niet in andere landen is het een scheldnaam.
benoemen, benuemen, voor benaemen. De ae wordt door echte Meij. Kempenaars van de laagste en middelbare klasse, op zijn Brabantsch als ue, de oo als eu uitgesproken. Beke
bens, bens, walgelijk.
bent, bunt, bund, bont, eene soort van lies of spichtig gras, veel in broekachtige gronden wassende en zeer nadeelig aan het houtgewas.
berecht, berechts, voor oordeel, gisping, afkeuring. Dat thema van “die aan den weg timmert lijdt veel berechts”, leeft ook nog op de tong des volks voort in een Mechels
berechten, beregten, 1) is in den stijl der C. Kerk, iemand de laatste kerkregten toedienen. 2) uitvoeren, ten uitvoer brengen. Ik zal ’t wel beregten: ik zal dat wel te w
berijden, berijden, rijdende behalen, bereiken. Ik kan het in een uur berijden voor: ik kan met rijden in een uur daar zijn.
beroeren, [aanraken], berueren, voor beroeren.
bescheid, bescheed, voor bescheid, op sommige plaatsen.
bescheiden, [toewijzen], bescheijen, Aanzeggen, afspreken, bestellen om ergens te komen.
beschieten, [schieten, met zand bewerpen, baten], beschieten, 1) Met aarde, met zand, enz. beschieten, dat is met aarde, met zand enz. overworpen. 2) voor voordeel aanbrengen, helpen, baten, waarvoor men ook wel , 2) De granen zijn wat beter koop, maar het beschiet niet. Ik heb 2 dagen aardappels laten zetten, maar zal er niet aan beschieten.
beschik, beschik, voor overleg.
beschoren, beschoren, voor toegeschikt.
beschreven, beschreven, Het is beschreven, dat is: er bestaat een authentiek, een echt geloofbaar schrift.
beslag, beslag, voor beroerte.
beslechten, beslichten, voor beslechten, in de beteekenis van beslissen.
beslenteren, beslenteren, Iemand beslenteren, d.i. door slenters of valsche draaijerijen om den tuin leiden.
besmeuren, besmeuren, bevuilen, bezoedelen. Dit hoort men hier weinig. Het is welligt eene verbastering van besmeren.
besnieten, besnieten, waarvoor men ook zegt: betaald zetten, bezuren enz. Als iemand zich een gedaan onregt, eene gedane schade of iets dergelijks, hetzij moedwillig, door , Mijn buurman wilde mij geenen rog leenen, dat hij zal moeten besnieten, dat hij hem namelijk ook niet zal helpen. Ik ben gisteren naar de Eerselsche markt geweest, maar ik moest het besnieten, want ik werd door nat toen ik terug kwam.
bespreken, bespreken, wordt het meest in eenen kwaden zin gebruikt voor: op de spraak brengen, in een kwaad gerucht brengen.
bespugen, bespiersen, bespatten.
beste, beste, (ten beste). Tot een geschenk, eene verëering of onthaal. Zoo zegt men: Hij gaf eene ton bier ten beste, dat is: hij verëerde eene ton bier. Er
besteken, [beschenken], besteken, wordt hier gebezigd voor het geven van een geschenk aan iemand, op deszelfs verjaardag, enz.
bestel, bestel, werk, zaak., Het is een raar bestel voor: het is eene eigenaardige zaak. Het is een heel bestel, voor: het is een voornaam werk.
bestel, mastel, bestel, mestel, mutsel, voor een bekend gebak. Wordt hier meest verkeerdelijk bestel genoemd. Dat echter de m en b in onze taal veeltijds verwisseld worden, blijkt uit
bestellen, bestellen, gebruikt men hier ook in de beteekenis van bestemmen, bepalen. Dit is voor mijn’ neef besteld. Dat was zoo niet besteld.
bestuiten, bestuiten, voordeelig van iemand spreken. Zie Stuiten.
beteuterd, beteuterd, voor verlegen, beschaamd, bedeesd.
betijen, betijen, "Iemand laten betijden, voor iemand laten begaan, zoo als het niet ongebruikelijke: laat maar betijden, voor: laat maar begaan; laat mij maar te werk
betjoecht, betjoegd, betoegd, slim, leep, snugger, geslepen. Het komt misschien van betoogd = betooverd of van betuigd, geschikt, bekwaam, wel toegerust of gewapend.
betonie, meitonneke, mertunneke, hier metunneke uitgesproken, sleutelbloem.
betrekken, betrekken, voor aanleggen, schikken. Hoe zult gij dat betrekken? Dat werk betrekt hij aardig. Ook voor slim of wijs behandelen. Zij meenden mij te betrekken.
betrekken, betrekken, Op iemand betrekken, wordt in sommige dorpen gezegd voor op iemand trekken, naar iemand gelijken. Men hoort hier bijna altijd: op iemand trekken, hetw
betrekking, [een zekere relatie], betrekking, 1) op iemand hebben, voor op iemand gelijken; vergelijk boven Betrekken. 2) Men hoort het enkele malen: betrekking tot iets hebben, in plaats van trek
beu, beu, bui, Dit woord beteekent tot walgens toe verzadigd, meest in den ligchamelijken zin hier in gebruik. Het wordt thans voor gemeen en laag gehouden en men du
beuling, beuling, Deze spijs bestaat hoofdzakelijk uit meel in pensnat stijf gekookt. Zij behoort hier eeniglijk in den slagttijd te huis. Meestal wordt zij in schijven
beuren, opbeuren, beuren, geld ontvangen, ontvangen., Ik heb nog niets opgebeurd en moest toch veel beuren.
beuzelen, beuzelen, voor onwaarheden vertellen. Het is eene verzuchtende uitdrukking van liegen evenals jokken, ’t welk eigenlijk schertsen is. Hier hoort men het zeer ze
bevroren, bevrozen, zegt men hier meer, dan bevroren.
bewonderen, bewonderen, bezigt men hier veel onzijdig, bijv. Het bewonderde mij, dat enz. en wederkerig zich over iets bewonderen.
bezem, bessem, zegt men hier voor bezem.
bezembinder, bessembinder, voor bezemmaker.
bezet, bezet, voor: begiftiging (zie Bezetten).
bezetten, [schenken, lenen], bezetten, Iemand bezetten, wordt alhier gezegd voor iemand eene som, goederen en dergelijke voor eenen zekeren tijd schenken., Hij heeft hem jaarlijksch voor zijn leven vier honderd gulden bezet. Zoo zegt men ook van huiszittende armen, dat dezelve van het armbestuur bezet zijn. Bijv. Hij is wekelijks met vier stuivers en een brood bezet. Zie op Zetten.
bezetten, bezetten, Het dank, den muur, enz. bezetten is hier hetgeen men in Holland aanstrijken noemt.
bezien, bezien, beproeven, proberen, pogingen aanwenden.
bezoeken, bezueken, voor bezoeken. Het is geene vervalschte maar verouderde uitspraak.
bezuren, bezuren, (bezoeren uitgesproken) voor lijden, zuur te staan komen., Die knecht heeft van zijn’ baas veel te bezuren. Ik zal ’t moeten bezuren.
bidden, bidden, 1) voor noodigen is hier in onbruik, uitgezonderd bij het noodigen ter begrafenisse. 2) voor bedelen. Alzoo werd het eertijds ook gebruikt.
biechten, bichten, voor biechten is hier algemeen.
bier, bier, "Te bier gaan beteekent hier thans nog naar een feest gaan, waar bier gedronken wordt als: van eene gilde, kermis enz. Men zegt het ook wel voor: naar
biest, biest, de melk van eene pas gekalfd hebbende koe. Sommigen brengen het tot biezen, bijzen, bissen, ’t welk eigenlijk gezegd wordt van het rondloopen der rund
biezen, bissen, voor snel loopen en springen der runderen, voornamelijk der koeien. Meijer heeft voor bijzen of biezen, van hitte zieden, met een geweldige drift gedr
big, bag, een zeer jong of pasgeboren varken.
bij name, bename, in plaats van bij name, met name, inzonderheid.
bijendief, biedief, biemeeuwis, is een klein vogeltje, door de landlieden alzoo genaamd, niet, gelijk van zelf spreekt, omdat het op de bijen maar op de vliegen aast. Op de dorpen al
bijkans, bekants, Bijkans, bijna. Het is een oud woord.
bijs, bees, voor bui, onder de beschaafde klas. Het beteekent bijs, regenvlaag.
bijze, bijs, voor onweersbui, ook wel voor eene koude regenbui. Voor bijze geeft Meijer noordewind, storm, onweer.
bikkelen, [eten], bikkelen, eten, bikkels kluiven, vinden, verzamelen. “Er valt niet veel te bikkelen”, dat is: schrale schotel.
bindgaren, bindgaren, voor bindtouw.
bitter, bitter, voor zuur.
blaak, blaak, voor rook, mist, nevel. Blaken, voor weinig rooken, misten enz.
blaasbalg, blaasbalk, voor blaasbalg.
blak, [open], blak, voor open, openbaar. Het zal wel ten blakke komen, d.i. aan den dag komen. Iets blak leggen, voor: open leggen. Het wordt ook voor regtuit gebruikt, b
blauw, blauw, noemt men wat verdicht, verzonnen, ongegrond is. Dus gewagen onze schrijvers van blauwe boodschap, blauwe uitvruchten, blauwe hoop, blauwe oorzaak en
blauwtje, blaauwtje, Men zegt hier: een blaauwke loopen, voor eene mislukte poging ondernemen, vooral bij geliefden. Heeft bijv. een jongman bij eene jonge dochter vergeef
bleek, bleik, voor bleek.
blees, bleezen, voor de ruwe, uitstekende punten aan de aren van rogge, tarw, haver, gerst enz.
blein, blein, voor blaar, eene opzwelling der huid, door brandwond enz. veroorzaakt. Hier zegt men meestal blaaijer.
bleu, bleu, voor bloode, beschroomd., Ge moet niet bleu zijn.
bliek, bliek, voor zeelt (zekere visch). Zoo algemeen is deze benaming, dat bijna niemand, behalve geletterden het woord zeelt verstaan.
blijde inkomst, [inhuldiging], blijde inkomst, Door de blijde inkomsten van Brabant, verstaat men die privilegiën en voorregten, welke de Hertogen van Brabant, bij hunne inhuldiging, verleenden en
blik, blek, voor blik
blikhout, blekhout, is geschild hout
blikken, blekken, noemt men hier het schillen van hout, voornamelijk van het eikenhout, om den bast in den looijerijen te gebruiken.
blind, blind, "Ik ben daar blind in, d.i. ik weet daar niet van; de zaak is mij geheel vreemd."
bloedtrekken, bloedtrekken, voor aderlaten.
bloemtuin, bloem-tuin, noemt men hier veel, hetgeen men in Holland een pleziertuin noemt. Zie Tuin.
bocht, bocht, Dit spreekt de laagste klas meestal Bucht uit en verstaat dan daardoor een stuk grond of akker van de slechtste soort, gewoonlijk door eenen aarden wa
bode, bode, Men spreekt dit booi uit en gebruikt het hier ook dikwijls in den eigelijken zin van boodschapper. Zoo zegt men: ik heb eenen bode gezonden en ik zal
bodebrood, bodebrood, Wie eene goede boodschap brengt, wordt onthaald en krijgt “bodebrood”, dat is eene gift.
boedelslechter, boedelslichter, of boedelslechter, voor: boedelverevenaar, boedelredder. Het is bekend, dat slechten evenen, effen maken, beteekent. Men noemt dit met een bastaardwoo
boef, boef, en boefje, in eenen goeden zin, wanneer men van een aardig, schrander kind spreekt.
boek, boek, "Vele woorden van het (onzijdig) geslacht worden hier door het grootste gedeelte van den volksstand en door de landlieden voornamelijk mannelijk gemaa
boekweit, boekweit, boont, "Dit koren heeft in zijne gedaante veel overëenkomst met eene boeknoot of beukenoot; wellicht naar den vorm zoo genoemd. eerst in de 16de eeuw hier ge
boeman, boeman, Boe, spook. Met dit of een dergelijk woord maakt men kinderen vervaard.
boezen, boezen, voor zoenen, kussen, wanneer men zulks kleine kinderen doet.
bolster, boost, voor bolster, meest van noten.
bolsteren, boosten, (werkwoord), van bolster ontdoen.
bolwerp, bolwerp, voor eene verwijdering zoo verre als men eenen bal of bol kan werpen.
bondig, bundig, bondig, d.i. bindend, geldig.
bonk, bonk, Groot of plomp stuk.
bontig, bontig, voor bont, of eigenlijk voor min of meer bont.
bool, bool, voor los, ledig.
boos, beus, voor boos.
borst, borst, voor berst, ook borsten voor bersten.
bot, bot, voor oogenblik, op eenen bot, op éénen oogenblik.
bot, botten, voor laarzen.
boterbloem, boterbloem, voor paardebloem.
boteren, boteren, voor karnen, boter maken. Boterstand of enkel stand voor karn.
bouw, bouw, voor timmeraadje., Hij doet daar een´ heelen bouw. Hebt gij mijnen nieuwen bouw al gezien?
braak, braak, is omgeploegd, doch rustend, ledig liggend land.
braambes, brembeziën, voor braam-beziën. In het meervoud zegt men tegen dit heestergewas brèmen. Ik betwijfel niet of het gehucht Braambosch te Westerhoven ontleent hieraan
braamschijter, brem-schijter, voor bastaard nachtegaal. Ook brembijter [en bremspoers, jb].
braden, braaijen, voor braden. Dan dit zij eens voor al omtrent zoodanige woorden gezegd, als laden, baden, naden enz. Deze verbasterde uitspraak gaat hier zoo ver, dat
brak, brak, voor eene woning van zeer weinige waarde, een gering of versleten huis. Van zoodanige zegt men ook: een brak van een huis.
brallen, brallen, 1) voor pronken of schitteren is zeer weinig in gebruik. 2) in de gemeene taal voor overmatig wenen of veel beweging maken bij het schreijen.
breed, breed, Elders zegt men gelijk hier, het breed of niet breed hebben, en het breed laten hangen of breed laten waaijen. Hier zegt men daarenboven: den breede s
breien, braaijen, voor breijen, breiden. Op die wijze worden er hier zeer vele uitgesproken, welke ik in ’t vervolg niet zal aanhalen.
brem, brem, zekere plant of heestergewas, in deze streken wel aan de heidekanten en onbebouwde akkers gevonden wordende; het draagt gele bloemen. Deszelfs zaad wo
brief, brief, voor al wat geschreven is. Eene halve eeuw geleden was het algemeen in gebruik.
broer, bruer, voor broer of broeder. Op die wijze zijn er zeer vele.
brossel, brussel, "voor klein stukje van bijv. van turf, kalk; [brokje of kruimel van brood, jb]."
brusselen, brusselen, (werkwoord), voor aan kleine stukjes geraken van sommige voorwerpen. Zie Brussel.
buil, buil, voor buidel en zakje.
buiskool, baskoolen, blusch-koolen, voor bosch-koolen.
bullen, bullen, wordt hier gezegd van lappen, oude vodden, of wat men elders slecht goed noemt. Ook voor andere nietigheden.
bus, bus, voor kreupelhout, struikgewas of ruigte.
bussel, bussel, Meer busselke. Een klein boschje, hetzij een gebonden bussel stroo, hooi, rijs, enz., ’t zij eene te veld staande verëeniging van opgaand geboomte of
butsen, butsen, "voor kneuzen, zoo drukken, dat er eene deuk of holligheid veroorzaakt wordt; en buts voor kneuzing."
buurten, buurten, noemen hier de mindere standen het bij elkander komen van ‘geburen’ om door kout den tijd te slijten, en bijv. den avond des winters kort te doen vall
captie, kapsie, twist, krakeel, verschil. Kapsie maken is ongenoegen verwekken.
christus marante, kriele marante!, tusschenw., verbastering van Christus Maria. Ook hoort men Christus Marante.
cijns, tijns, voor schatting. Het wordt doorgaans bij cijnsen gevoegd, cijnsen en tijnsen. Ondertusschen schijnt het oorspronkelijk een en hetzelfde woord te zijn,
corruptie, [gebrek], krupsies, (zijn corrupsies) = ziekelijke lichaamsgebreken.
Court-Pendu, Court-Pendu, "een zeer smakelijke appelsoort; aldus om de ongemeene kortheid van den steel genaamd."
dak, dakken, voor daken.
dakpan, dekpannen, voor dakpannen.
dampig, dempig, voor dampig, kortademig.
danig, danig, voor veel, zeer of sterk. Het wordt ook wel als een bijv. nw. gebruikt, bijv. ik had eenen danigen dorst.
dank weten, dank weten, dank zeggen.
dappen, dappen, voor het maken van eenen kuil met menschenhanden, door dieren, vogels, enz. In de aarde wroeten.
dat, da, , voor: dat. Zoo is het ook met wat en dergelijke woordjes.
dat gij, dagge, degge, voor: dat gij; zoodanige andere hoort men zeer vele."
de, de, Dit lidwoord wordt hier veel in het spraakgebruik voor die, deze en dergelijke woorden gezet. De die deed dit, de deze deed dat.
deksel, dekscheel, voor deksel.
del, del, voor kleine ronde laagte of klein del. Familie is delven, een graf maken, graven. Men zegt ook pokdellig voor pokdalig. Pokputten heet men pokdellen.
derde, driede, voor derde. Het is een zeer schoon, goed, thans bij beschaafden minder gebruikelijk woord.
deren, deeren, "voor: schade toebrengen wordt hier schaars gehoord, zoo ook voor medelijden hebben; doch meer in de beteekenis van onverschillig zijn. Zoo zegt men w
deugd, deugd, voor goed, weldaad., dat weder, die spijs, deze erfenis enz. zal hem deugd doen, dat is goed doen. Hij heeft er deugd van. Het woord in deze beteekenis is zeer oud.
deun, doon, (doonder) voor digt, nabij. Hij woont doon bij de kerk, is dus: hij woont nabij de kerk, vlak bij de kerk.
dicht, dicht, "Op vele plaatsen der Kempen noemde men in mijnen tijd het door den onderwijzer vervaardigde en op karton geplakte of op het bord geplakte schrijfvoor
dienlijk, dienlijk, voor gedienstig. Het is hem niet dienlijk, voor niet nuttig.
dik, dik, voor groot of breed. Het is een dik brood. Ik kocht een dik mes.
dik, dik, voor dikwijls. In de Legende van St. Vitus en Modestus, Martelaren, Handschrift van 1282 komt het ev. dicke o.a. in dien zin voor.
dinges, dinks, dings, voor iemand wiens naam niet te binnen komt, of als bijv.nw. voor: zonderling, buitengewoon iets, dat men als ’t ware geen naam kan geven. Misschien is
dode, doode, voor het lijk. In zeer oude tijden was dit reeds gebruikelijk.
doen, doen, voor kosten, gelden. Doeget voor doet het? vragenderwijze, Hoeveel doet het?
doende zijn, doende zijn, voor bezig zijn.
dokter, doctoor, voor docter, geneesheer.
dokteren, docteren, werkwoord onder docters handen zijn.
dol, dol, oudtijds dolkes, voor los, roekeloos., dol te werk gaan. Hij deed het met een dol hoofd.
dol, dol, Veel of grooten dol met iets hebben, voor: veel moeite, in de wandeling, veel tobbens of veel getob, met iets hebben.
dol worden, dol worden, Duizelig worden.
dolboteren, dolboteren, voor: op eene onzinnige wijze zijn goed verkwisten.
domineren, [slempen, vrolijk zijn], domineren, voor: slempen, brassen, lustig en vrolijk zijn.
domphoorn, domphoorn, voor Roerdomp.
dompig, dompig, voor dampig, doch meest wanneer van het weder of de lucht gesproken wordt. Men zegt ook een dompig huis, in stede van een vochtig huis, of een bedompt
doofhout, doofhout, volgens gebruik verstaat men hieronder alle soort van ongeschild hout, in tegenstelling van geblekt of geschild eikenhout, daar ongeschild hout niet b
door, door, (bijwoord), vóór een bijv.nw. als gebezigd, geeft hier eene versterkende beteekenis aan hetzelve., dooreerlijk, doorslecht, en nog krachtiger zegt men, door en door eerlijk, door en door slecht.
door, door, Men zegt hier: het is tien, twaalf, enz. uren door, voor hetgene, dat men elders zegt en ook hier gehoord wordt: het is over twaalf, of het is tien ur
doorgaan, doorgaan, 1) (deurgaan uitgesproken) voor weggaan; 2) voor: uit het geheugen gaan, bijv. Het is mij doorgegaan; 3) voor: voorbijgaan., 1) als men heengaat, ik ga er van door. Hij is met haar doorgegaan, in de beteekenis van: hij heeft haar geschaakt. Goed doorgaan is met spoed of weinig oponthoud gaan; 3) Die vriend is in het dorp geweest, maar hij is bij mij doorgegaan: niet in mijn huis of bij mij aangekomen.
doorloop, doorloop, 1) voor: buikloop. 2) (ook: loop) voor: kleine beek of waterlossing.
doorn, doorn, voor: de tong eener gesp.
doorslaan, doorslaan, Het slaat er nog al door is gezegd: het loopt nogal hoog op.
doorstrijken, doorstrijken, voor: heimelijk of slim heengaan., hij is hier doorgestreken zegt zoo veel als: hij is hier stillekes voorbij gekomen.
doorzenden, doorzenden, of doorsturen, voor: voorbij- of wegzenden., Wanneer iemand, die ons een bezoek komt geven of iets verzoekt, afgewezen heeft, zegt men veel: ik heb hem doorgezonden. Insgelijks zegt men dit, als eenen biechteling door den priester de absolutie in de biecht niet is gegeven, dat hij doorgezonden is.
dorpel, dorpel, voor drempel.
dreef, dreef, is bij Kiliaan eene rije van boomen. Men bezigt het hier voor eene laan, of een’ weg, van weerszijden met boomen beplant.
dries, dries, wordt alhier genaamd het met gras bezette land in het gemeen, en in het bijzonder dat, welk binnen eene boerenhofstede besloten of nabij dezelve ligt.
drijven, drijven, Het drijft alles op mij, voor: het komt alles op mij aan.
drillen, drillen, voor lastig, hatelijk maken. Mogelijk afkomstig van of doelende op het in vorige eeuwen gebezigde strafwerktuig dril- of draaikooi.
drispelen, drispelen, voor: heen en weêr draaijen. Van hetzelve komt ook het zelfst. nw. gedrispel enz.
druivenwijngaard, druiven-wijngaard, dat men druiven-wijger uitspreekt, wordt hier algemeen gezegd voor hetgeen men elders eenvoudig een wijngaard noemt.
dubben, dubben, voor: weifelen, aarzelen, in beraad staan, mijmeren, malen.
duchtig, duchtig, voor geducht, degelijk als bijv. nw. of als (bijwoord), Iemand een duchtig pak slaag geven, iemand duchtig de waarheid zeggen.
duizig, duizig, voor hetgene men thans meest duizelig noemt, of ook wel voor verstompt en voor suffend.
dunk, [mening], dunk, voor meening, waan.
dunnen, [lies], dunnen, (Den dunnen). Wanneer van het menschelijk ligchaam gesproken wordt, verstaat men door den dunnen, het lies.
durske, deerske, voor: meisje, meiske, hetwelk men meske uitspreekt, wordt door het boerenvolk in sommige oorden der Meij. Kempen veel gebezigd. Te Bergeijk, Eersel en
duts, dutsel, dutske, duts zegt men van een teutelachtig vrouwspersoon, vooral, indien dezelve niet doorzigtig of schrander is. dutske of sukkeltje is hier ee
dwalm, dwalm, Onnozel, onverschillig mensch, dien alles om ’t even is.
dweil, dwaal, dwaan, Handdwaal of dweil eene soort van grooten handdoek van de ruwste soort, welke men hier meest gebruikt om het water of vuil van den vloer op te nemen.
dweilen, [reinigen met een dweil, cafés aflopen], dwalen, dwanen, of opdwalen, voor den vloer met eene dwaal of dweil het water of vuil opnemen. dwanen voor dweilen, dwalen, afvegen, reinigen; doch bijna nooit
echel, echel, voor bloedzuiger.
een en al, een en al, zegt men hier enkele malen voor het elders en ook het algemeen gezegd wordende hoop en al.
eerlijk, eerlijk, voor deftig, fatsoenlijk., eene eerlijke begrafenis. Zoo ook eerlijkste, voor aanzienlijkste.
eerste, [rangtelwoord], met den eersten, eerstdaags, zoo spoedig mogelijk.
eigen, [zelf], eigens, voor in eigen persoon., Hij heeft het eigens gezegd, d.i. hij heeft het zelf gezegd.
eikel, ekel, voor eikel.
eiloof, heiloof, voor klimop.
einde, end, "voor afstand. Zoo zegt men hier algemeen: Bergeijk ligt een heel eind uit melkaar; die mensch woont maar een klein end achter de kerk, ik ben met mij
eksteroog, eksteroog, Men heet alzoo alhier die knoestachtige, eeltachtige verharding, aan de gewrichten der teenen meest gevonden wordende, welke elders wel weeroog genaam
elf, Elfke, Alfke, voor een eenvoudig of onnoozel vrouwspersoon. Heb ik hier dikwijls voor een goed, onnoozel vrouwspersoon hooren bezigen. Ik ben van gevoelen dat dit g
Elisabeth, Liezebet, Lijzebet, Lijzebet, Elisabeth. Van iemand die langdradig of niet schrander is wordt gezegd: Het is een - .
elk, ielk, elk, ieder. Het wordt zoo wel bij verbastering van elk als zamengetrokken van iegelijk gehoord.
emmer, eemer, voor emmer. Dewijl, gelijk waarschijnlijk is, het van ee, water (zie op Aa) komt, is eemer zeer gegrond. Wordt ook in Vlaanderen en elders gebezigd.
en, en, "zegt men hier nog zeer veel als de oudtijds voor het werkwoord gevoegde negatie, als: hij en doet zulks niet; ik en doe het niet, het en zal nog niet
er, es, voor er., Ik heb naar visch gezien, maar er was es geen.
erg, [bekwaam], erg, erreg, voor bekwaam, bij de hand zijn. erreg zegt men voor erg. Welluidendsheidhalve wordt zulks in vele woorden gehoord, om de zamenkorting va, die timmerman is erg.
ergens, iergend, ieges, iever, ievers, iewers, ergens, iewaarts, te eeniger plaatse. Het eerste woord is goed en oud.
eten, geten, "voor gegeten; men zegt ook wel ge- eten."
even, effen, en effentjes of efkens voor even, eventjes. Efkes voor eventjes wordt meer dan effen en effentjes gezegd.
falie, falie, De vrouwen en ook jonge dochters bedienen zich hiervan in de R.C. Kerken en bij begrafenissen. De dragt der faliën is uit Spanje afkomstig en door de
feesten, feesten, (Een beest (aan)feesten) een beest streelen.
fel, fel, 1) voor zeer verlangend, zeer genegen, ergens sterk op gesteld zijn; 2) voor sterk, hard., 1) Mijn zoon is fel om te kunnen vertrekken; ik heb onze Mie naar de markt laten gaan, ze was er fel op. Hein en Trien zullen trouwen, want zij zijn fel op elkaar. Die 2 Broers gelijken fel op elkander. Die mensch bestaat fel op zijne eer. Hij is fel op zijn fatsoen gesteld. Ook alleen voor zeer, hard. Bijv. Deze knecht werkt fel; Leen kan fel goed naaijen. Het is een fel goede man. Eertijds beteekende het ook arglistig, grimmig. 2) Het is felle wind; van nacht was ’t fel koud enz. De felle oord is een deel of uithoek van Woensel, tegen Eindhoven gelegen.
felsen, [beschadigen], felschen, voor bederven, schenden, beschadigen., " Die boom is gefelscht; deze vrouw is door de pokken gefelscht; onkruid felscht de vruchten."
femelen, fimelen, futselen, in het geheim of listig bedrijven. Treuselen.
fiedel, fietel, voor viool. Wordt nog door geringe of eenvoudige lieden gezegd.
fijn, fijn, voor edel, keurig, voortreffelijk.
fijnaard, fijnaard, voor een veinzer, een schijnheilige.
fijne, fijne, voor slim, doortrapt. Ook voor godsvreezend. In beide gevallen zegt men hier dikwijls, dat het een fijne is.
fikflakken, fikflakken, wordt door Weiland omschreven: op en neer drentelen, zonder iets uit te rigten. Het beteekent dus zoo veel als iets doen niets doende. Dan hier gebrui
flambouw, flambeeuw, voor flambouw.
fleer, fleer, voor eene geduchte klap, slag of oorvijg, meest boertende.
flerecijn, flerecijn, voor jicht. Het is zooveel als vliegende jicht.
fleren, [een klap geven], fleeren, het werkwoord: een klap of oorvijg geven.
fletsen, fletsen, Een klap geven. – Flets, klap.
flits, [snee, snipper], flitsken, voor sneedje, een snippertje, meest van eetwaren, inzonderheid van brood, vleesch of spek.
floets, floets, (de). Nalatig vrouwmensch.
flos, plos, flos, kwast van zijde, wol en andere fijne voorwerpen.
fluks, vlus, of vlus, elders vleus, vleuskens = spoedig, dadelijk, aanstonds.
foef, foefen, Foesen voor bijgeloovige of verkeerde gebruiken.
foezel, foesel, voor slechte jenever of andere sterke drank.
fonkel, fonkel, Men zegt hier fonkel-nieuw, zoo als men elders uitsluitend zegt voor splinter-nieuw, nagelnieuw. Splinter-nieuw is hier ook meest in gebruik.
fooi, fooi, Alzoo wordt in deze streken genaamd het maal of dranken, de welke de landlieden aan hunne geburen, enz. geven, nadat deze hun eenige gezamenlijke dien
frommelen, frommelen, verfrommeld. Kreukelen, verkreukeld.
fronsen, fronschen, verfronsd. Kreukelen, verkreukeld.
gaaf, geef, voor gaaf.
gaan, gaan, Met iemand gaan, zeggen hier de burgerdochters der mindere klasse en de dienstmaagden voor hetgeen men anders noemt verkeeren, met eenen vrijer verkee
gaanstok, gaanstok, voor wandelstok. Men zegt echter bijna altijd slechts stok.
gaar, [helemaal], gaar, voor gansch, volstrekt, is algemeen in den minbeschaafden volksstand., Ik heb gaar geenen honger. Mijn buurman komt sedert kermis bij mij gaar niet meer in huis.
gaffel, gaffel, Zonder onderscheid noemt men hier alle hooivorken gaffel, maar bepaaldelijk, volgens den aard van het woord, eene tweetandige. (In den beginne hadden
gagel, gagel, Een gewas ’t welk in deze streken op broek- en heideland zeer gemeen is. Op dezelve groeit eene soort van bessen, van welke men vet of was stookte om
galg, galg, voor draagband, schouderriem, om de broek op te houden. Het fransche woord bretelle wordt ook veel gebezigd.
galper, galper, galpert, voor huiler, schreeuwer, ook voor: lompert, onnoozele, enz.
gareel, gareel, of garreel, hier voor het getouw of getuig gebruikelijk, waarin de paarden gespannen zijn.
garf, gerf, gerve, op andere plaatsen garf, garve: een bundel koren-aren. Men gebruikt het hier ter onderscheiding van schoof, een bundel stroo, of eene gedorscht
gasconnade, kaskenade, verwaande manier.
gauw, gaauw, gauw, voor ligtelijk, in sommige beteekenissen.
gebak, gebak, of gebekt, voor baksel., Het gebekt is al in den oven.
gebeuren, gebeuren, beuren, voor te beurt vallen.
gebod, gebod, voor bod, is een goed maar verouderd woord.
gebreken, gebreken, voor: ontbreken, bijv. het gebreekt hier aan alles, d.i. hier is aan alles gebrek.
gebuur, geburen, voor buren.
gebuurte, geboert, voor: boerenlieden, boerenvolk.
gedaan, [genezen], gedaan, voor genezen, hersteld., Hij is gedaan, dat is, hij is van eene ziekte hersteld. Zij is bijna gedaan, voor bijkans genezen.
gedijen, bedijn, voor gedijen. Gestolen goed bedijt niet.
gedoen, gedoen, "gedoente, voor zaak, werk, bedrijf, kostwinning, of hetgeen men hier ook, met een onduitsch woord noemt affaire. Het wordt in eenen anderen, doorgaan
geen, egeen, voor geen, doch wordt minder gehoord dan eweg voor weg. In schriften der 17de eeuw tref ik het zeer veel aan.
geer, geer, Driehoek met een langwerpigen zeer scherpen hoek.
geheel, geheel, wordt krachtdadiger gemeend in de zegswijze: in ’t geheel of gedeel niet willen of toestaan.
gehorig, hoorig, gehoorig, hoorbaar., In dit huis is het hoorig.
gehors, gehorsch, voor geraas, kleine twist.
gek, [overdreven], gek, (Te) en te bijster. Overdreven, buitensporig.
gekken, gekken, als meer fatsoenlijk dan liegen. Jokkend liegen., Ge gekt het.
gelden, gilden, voor gelden, kosten. Hoeveel of wat gildt (geldt) het brood enz. is van dagelijksch gebruik.
geleerd, geleerd, wordt hier iemand genoemd, die lezen en schrijven kan. De titel van eenen geleerde is alzoo in de Meijerij goedkoop te bekomen. Daar in de tijden der
gelerig, geleerig, voor: leergierig, leerzaam, vatbaar. Het is een Germanismus.
gelicht, gelucht, voor licht., Bij die uitvaart was een schoon gelucht.
gelijk, gelijk, 1) voor toen. Hij kwam juist te huis, gelijk ik aankwam; dat is: juist toen ik aankwam. En zoo ook in andere spreekwijzen. 2) voor als het ware. 3) vo, 3) het is gelijk aan stukken; het is gelijk weg; hij is gelijk blind; dat is, geheel en al blind, enz. Zijn zoon neemt de zaken gelijk waar, d.i. geheel en al waar; - Ik heb reeds drie afschriften vervaardigd, als ik er nog een gereed heb, is alles gelijk af. Of ook wel voor in eens, in welken zin ook moet verstaan worden te zamen."
gelijk als, gelijk als, "In plaats van bijv. eenvoudig te zeggen: “Ik moest dat gisteren doen; - ik zoude vandaag wederkomen”, zegt men hier veel: “Ik moest dat gelijk als gi
gelte, gelt, Varken van het vrouwelijk geslacht, dat nog niet gebigd heeft.
gemeen, gemeen, voor vriendelijk, toegankelijk, spraakzaam, vooral jegens zijne minderen.
gemeen, gemeen, ('t gemeen) voor het algemeen, allen wordt niet gezegd; alleen voor het geringste of het slechtste volk."
gemul, gemul, voor gruis, stof, vuilnis, kleine stukjes., turfgemul, zijnde afval of de kleinste stukjes daarvan.
geneven, geneven, zijn hier volle neven, of een volle neef en nicht. Verdere neven worden niet aldus geheeten.
genoeg, genoeg, voor zeer wel., wanneer men iemand vraagt: “Begrijpt gij mij wel?” ontvangt men doorgaans ten antwoord: genoeg, dat is, heel goed. Ook in den zin van gemakkelijk, bijv. ik kan dat genoeg doen, dat is, ligt doen. Het schijnt in de eerste dezer beteekenissen zeer oud te zijn. Men gebruikt het hier ook dikwerf voor zeer veel. Genoeg, wordt veelal genog uitgesproken.
geraakt, geraakt, voor beroerd, lam.
geraken, [slagen], geraken, voor wel slagen., die man zal nooit geraken, dat is, in eene andere zegswijze door de wereld komen.
gerechtig, geregtig, voor opregt, in de spreekwijze het is de geregtige waarheid. Gerechtigheid voor vereischten loop.
gerei, gerei, voor gereedschap.
geren, geeren, "voor eene schuinsche rigting geven, aan een stuk land; het geert als het van de regte lijn afraakt. Men zegt ook geer voor een stuk land dat in een p
gerens, gerens, voor regtvaardig, billijk, onpartijdig, behoorlijk. Het wordt meestal door kinderen bij het spelen en door eenvoudige lieden gezegd.
gerustig, gerustig, voor gerust, of ook wel voor rustig.
gespan, gespan, voor werk- of trekbeesten., wanneer iemand te kennen wil geven dat hij een goed werkpaard of os bezit, zegt hij gemeenlijk, dat hij een goed gespan heeft. Zoo hoort men den eenen boer den anderen hier menigmalen vragen, welk gespan hij heeft. Gespan houden is alzoo trekkend vee met karren, etc. houden.
getuig, getuig, voor slecht volk, tuig.
getweeën, getweeën, voor tweeën. Zij waren met hun getweeën. Het voorvoegsel ge- duidt eene zekere gemeenschap aan. Men hoort ook wel gedrieën, gevieren, gevijven, gezess
gevallen, gevallen, voor gebeuren.
gevoeg, gevoeg, Zijn gevoeg doen, ook zijn behoefte doen, zegt men soms voor aan eene natuurlijke behoefte voldoen. In eenige plaatsen, waar dit in gebruik was te zeg
gevrienden, gevrienden, voor zamen vrienden.
gewarig, gewarig, voor waakzaam, doch niet, gelijk ook eertijd, van eenen mensch maar bijna uitsluitend van eenen hond.
gewend, gewend, voor gewoon, bijv. ik ben nog niet gewend.
gewesten, gewesten, Hier hoort men veel zeggen buiten gewesten zijn, voor buiten kennis, buiten weten, buiten westen zijn.
gewiekst, gewikst, Men zegt wel eens van iemand, die niet ligt te bedriegen is, dat hij gewikst is. Hoeufft zegt dat het zoo veel is als gestreeld voor doortrapt, doorsl
geworden, geworden, voor het enkele worden. Wat zal er van hem geworden, en diergelijke.
gezag, gezag, voor gezeg. Zoo hoort men dikwijls van iemand die veel te zeggen heeft veel gezag heeft. Sagen of zeggen is gebieden. – Jacoba van Beijeren, 1418 “noc
gezelschap, gezelschap, "Wanneer men landlieden tegenkomt, is het hier, gelijk op zeer vele andere plaatsen, zeer gemeen, indien men nog van een of twee personen verzeld is,
gezusters, gezusters, voor zusters.
gezwaai, gezwaai, voor streep hooi gelijk het op het veld gemaaid ligt. Zie Zwaai.
gezwaai, [omslag, beweging], gezwaai, voor: omslag, toestel, nasleep, beweging. Daar was een heel gezwaai bij. Ook wel, wat had hij een gezwaai op zijn lijf, waarvoor men elders zou zeggen
gier, gier, voor gierig in de praattaal.
gilde, gilde, guld, of gulde, voor gild of gilde (broederschap) is zeer oud. worden hier genaamd de broederschappen, elders ook onder den naam van schutterijen bekend. Zi
giroffel, snoffel, (vrouwelijk), gesnoffel, anjelier.
gisteren, giesteren, voor gisteren. Zoo ook: kiesten voor kisten en eene menigte diergelijke.
glad, [helemaal], glad, voor geheel en al. – Ik heb het glad vergeten, voor geheel en al vergeten.
gleiwerk, gleiwerk, voor hetgeen men elders aardewerk heet. Dit laatste woord gebruikt men alhier eveneens. Zo ook glei-winkel.
gloeiig, [heet], gloeijig, hoort men hier meer dan gloeijendig, voor gloeijend., de kagchel was gloeijend.
goed, goed, goei, goe, wordt, op verscheidene bijzondere wijzen, als een bijwoord gebuikt voor zeer wel, gemakkelijk, rijkelijk, sterk, hevig. Zoo zal men, bijv. een winkeli, het is goei of goe weer. Ik heb goei geburen. Het is eenen goeijen ambachtsman enz.
goedemorgen, gemergen, voor goeden morgen. Zie genacht en dergelijke.
goedenacht, genacht, voor goeden nacht. Zoo ook genavond, voor goeden avond.
goedendag, gendag, goêndag, eene verkorting van goeden dag.
goesting, gusting, en goesting, voor smaak, zin, lust, zoo wel als in eenen zedelijken als ligchamelijken zin., Het is niet naar mijne gusting. Ik heb er geen gusting voor.
goor, goor, Alle plaatsen in dezen omtrek, welke dezen naam gegeven wordt, is broekachtig land.
gort, grut, voor gort, wordt hier meest gebruikt.
graven, graven, voor begraven, wanneer van het ter aarde bestellen van eenen doode gesproken wordt, vooral onder de lagere volksklasse. Het was oudtijds in die beteek
greppel, greppel, grep, 1) (grep) voor klein slootje, klein grachtje, te gering om slootje of grachtje genoemd te worden. Het is meer in gebruik dan greppel. 2) (gr
griend, grind, meest grijnd uitgesproken voor griend.
griezel, griessel, voor hark, alsmede het werkwoord griesselen. Anders zegt men: eene houten en ijzeren reek. Zie hierover De Navorscher XIX 1869 bl. 463.
grijnzen, grijzen, hetwelk grijnzen moet zijn, voor schreijen, zoodat de tranen niet ten volle uitbarsten of dat men moeite doet, om dezelve op te houden, waardoor eene
groen, gruun, voor groen, zoowel als bijv. nw. dan als bijwoord en als enkelvoud en meervoud.
groen water, grün water, voor water dat niet gekookt wordt. Zoo zegt men: grün water is ongezond; hiermede wordt bedoeld, dat ongekookt putwater om te drinken, niet goed is."
groente, grün, (gruun, dat is groen) voor groente. Door groen (grün) verstaat men hier voornamelijk het veevoeder te velde, inzonderheid de knollen.
groeze, groes, noemt men hier de aanwassen op wegen, slooten, pleinen etc. Ook den dries nabij eene boerdeij, alsmede het gras in de weilanden. Zoo hoort men hier ge
grommer, grender, voor grommer.
haal, haal, noemt men hier het ijzeren werktuig, hetwelk in den schoorsteen (zie schouw) hangt, om den pot of ketel aan te hechten, die over het vuur hangt. Kilia
haalbier, [bier zonder suiker], hoolbier, haalbier, bier zonder suiker, in tegenstelling van gesuikerd bier.
haam, haam, noemt men hier het jak, ’t welk op de voorschoften der paarden of ossen gelegd wordt, om dezelve des te gemakkelijker te doen trekken, hetwelk in deze
haammaker, haammaker, voor zadelmaker, paardentuigmaker.
haansberg, haansberg, Deze naam is waarschijnlijk aan die hoogten gegeven, op welke de staak werd opgerigt, aan welke eertijds, op de boeren-kermissen enbij soortgelijke ve
haar, haar, Ook dezen uitgang voeren, eenige plaatsen in N. Br. in hare namen. Het duidt eene dorre, drooge plaats aan, zegt Cannegieter. Het beteekent ook eene h
haar, haar, is een woord, ’t welk de karrelieden tot hun trekkend vee zeggen, om dezelve links te doen afgaan. In de oude taal beteekent het hier, her, welke laat
haar, haren, De haren worden hier zoowel van dieren als menschen, steeds enkelvoudig en vrouwelijk in den praattaal gebezigd., " mijn haar wordt te lang, ik laat ze snijden; die koe heeft zwarte haar; onze kat heeft haar haar verbrand."
haard, haerd, herd, woonvertrek. Gemeenlijk verstaat men alhier daardoor het vóórste vertrek des huizes, omdat er de vuurhaard aangetroffen wordt. Hert als zoodanig
haarklein, haar-klein, voor naauwkeurig, met alle kleine omstandig-heden.
hacht, hagt, voor ijzeren streng aan eene kar.
hak, hak, voor hiel, onder den gemeenen man en boerenstand.
hakkelen, hakkelen, voor stamelen, stotteren.
halsneusdoek, halsneusdoek, neuzik, voor halsdoek dienende tot bedekking van hals en schouders.
halvelings, halveling, voor ten halve, ook wel in de beteekenis van bijna; bijv. ik zou het wel halveling gelooven, dat is bijkans gelooven. Het komt bij K[iliaan] in beide
hamerslag, hamelslag, eene soort van kleine wolkjes, op kleine keisteentjes gelijkende, ook wel op eene ladder.
hand, hand, 1) Van de hand slaan. Afslaan, verwerpen; 2) Bij de hand zijn beteekent hier niet alleen, gelijk elders, digt bij zijn, te huis, te spreken zijn, geen
handvol, [kleine hoeveelheid], haffel, voor handvol., hooi, zand, meel.
hanenbalk, [bovenste balk van gebint], hanebalken, Bovenste balken van een gebint.
hap, [beet], hap, voor beet, mondvol. Happen voor bijten. Het wordt meestal door en tegen kinderen gezegd.
hard, hard, voor zeer, sterk, vlug., hard loopen is vlug loopen.
haren, haren, is scherpen. Meest voor de zeis in gebruik.
hauw, houw, schil of bast van boomen, erwten en andere peulen. Oudtijds schreef men haude en houde voor rok, schil, pel.
hazenschool, hazeschool, houden, zegt men hier voor heimelijk uit de school blijven der kinderen. In elke streek onzes lands is daarvoor een eigenaardig gezegde of woord, waar
hebbelijk, [hebzuchtig], hebbelijk, voor hebzuchtig.
hebben, hebben, (hedde) Zich wel hebben is hetzelfde als gezond zijn, zich wel bevinden, zich goed houden. Zie dat woord. Het is echter slechts in de praattaal
hebbig, hebbig, voor hebzuchtig. Dat zegt enkel de gemeene man.
heel, heel, voor zeer.
heer, heer, Dit is een eernaam, den Roomsch Catholieke Geestelijken door de Roomschen, bij uitnemendheid gegeven wordende. Het is eene zeer oude gewoonte hen aldu
heerbaan, heerbaan, of heerstraat, waarvan de eerste lettergreep her uitspreekt, voor den grooten algemeenen weg of straat. Men vindt ook heirbaan en heirstraat geschreve
heeroom, heeroom, worden hier, gelijk op andere plaatsen van ons vaderland, de R. Geestelijken wel eens genaamd. Hoeufft meent het een pleonasmus te zijn, gelijk aan di
heesters, heesters, wordt hier het jong voornamelijk eiken plantsoen genoemd. Kiliaan heeft eester, ester, heester. Een heester is een boompje, dat niet hoog opwast. Het
heft, heft, voor hecht, ook in ’t meervoud.
heikneuter, heikneuter, Kleine boer die in de heide woont.
heiveld, hefveld, voor heiveld. Dit woord is in deze streken gebruikelijk van stukken heide, die geene gemeene heide zijn, maar aan eenen bijzonderen eigenaar toebehoor
hekel, hekel, Men zegt hier een hekel aan iets hebben, voor: een walg aan iets hebben. In het Hoogd. is eckel een walg.
hel, hel, voor vlug, levendig, gezond. Ik ben nog hel. Hij is hel op den weg. Hel wordt in deze streken ook voor opgeklaard van begrip, van denkbeelden gebruikt
hel, hel, De Hel, de Helkant enz., worden in andere oorden van N. Br. sommige plaatsen genoemd. Waarschijnlijk om derzelver lage, afhellende ligging. Mij zijn i
helegans, heelegansch, (bijwoord), voor geheel, als bijv. nw. en als Het is niet dan eene zamentrekking van heel gansch, of liever van heel en gansch. Van gelijken aard is ook het elder
hem, hem, hum, 1) voor zich, vindt men in vele oude schrijvers en staatsstukken, zelfs in het vrouwelijk geslacht en het meervoudig getal. Hetzelfde heeft nog hier p, " Ik heb gisteren mijn’ broers te R. bezocht; zij hielden hun nog wel. Wij verwachten menschen uit E.; maar zij zullen hun bedacht hebben."
hen, hen, algemeen in gebruik voor hoen, kip. Henëi voor hoenderei, hennenkooi voor hoenderhok enz.
hennep, kennip, hennip.
heren, heeren, Dit werkwoord wordt ook in deze streken door de bouwlieden gebruikt, hetwelk in de steden meest rentenieren genoemd wordt. Heeren voor den heer spelen
herenweg, heerenweg, voor al het volk gemeen, die door iederëen mag gebruikt worden. Men hoort hier echter meer van Her- of Heerbaan.
herik, herrik, herik, elders harrik, is eene wilde olie-plant, een algemeen bekend onkruid, voornamelijk op den zandgrond. Het heeft veel gelijkenis met het mosterd-zaad, o
heten, heeten, voor: gebieden. het wordt meest haiten, heiten uitgesproken. “Ik heit het niet- ik beveel het niet”.
heten, [liegen], heeten, liegen voor loochenen.
heug, heug, oudtijds ook heuge en hooge, voor zin, blijdschap, wellust, enz. alleenlijk gebruikt in het gezegde: met- of tegen heug en meug, dat is met- of tegen
heulen, heulen, In zeker spel met den bol werpen, die de eerste mag wezen. Heult = holte, kuiltje.
hierlands, hierlandsch, voor inlandsch, meest voor eetwaren, houtsoort.
hierzo, [hierheen], hers, voor hierwaarts.
hij, hij, Dit pers. vnw. gebruikt men, in mijne standplaats, in de praattaal, gedurig ook voor personen van het vrouwelijk geslacht, wordt in eenige dorpen ook
hinkelen, hinkelen, voor hinken. Eene hinke-baan is hier eene hinkel-baan.
hinkepink, [kreupele], hinkelepink, scheldnaam voor kreupelen mensch.
hippen, hippen, Op het hippen wordt hier gezegd, voor zoo laat als het lijden kan. Zoo hoort men gedurig: die arbeid komt altijd op het hippen, dat is: als zijn tijd,
hitsen, hissen, voor hitsen, ophitsen, aanzetten, aanjagen, aanhitsen.
hitsig, hitsig, 1) voor warm 2) in den zin van oploopend, driftig, bijv. Het is eenen hitsigen mensch. Meer wordt het hier van beesten gebezigd, bijv. Ik heb een hits
hoed, hoed, voor bloemenkrans is nog veel in gebruik. In middeleeuwsche geschriften en liederen komt het durig voor.
hoek, hoek, Alles uit de hoeken halen, voor alles opzoeken, voornamelijk ter bezwaring of beschuldiging van iemand.
hoeken en kanten, hoeken en kanten, voor overal, geheel. In Zuid-Vlaanderen is het mede van dezelfde beteekenis.
hoes, hoes, hors, hor, Kinderspeeltuig, bestaande uit een beentje, waarin een gaatje geboord is, waardoor een touwtje wordt gestoken om daarmede een snorrend geraas te maken
hoetelen, hoetelen, ruilen.
hoeve, hoef, Zelden komt men hier eene boeren-woning, of het eenvoudige woning, naar het Middeleeuwsch Lat. mansus, zeggen voor een stuk lands met een woonhuis daa
hoeven, hoeven, (werkwoord), behoeven.
hoezen, hoezen, een snorrend geluid maken., men hoort den wind hoezen. Verg. hiezen.
hof, hof, Nooit hoort men hier het woord tuin anders bezigen dan voor eene omtuining. Het gebruikelijke woord is hier hof, ook in de zamengestelde woorden als e
hofland, hofland, voor warmoezeniers-, of tuin-land.
hogen, hoogen, verhoogen, ook ophopen.
hol, hol, eene haastige of uithuizige vrouw. Ook hollewaai geheeten.
hol, hool, hol.
holderdebolder, holder de bolder, woest, hals over kop, in groote verwarring.
holderdebolder, [vrucht], hulder de bulder, vrucht van den sleedoorn.
holte, [uitholling, laagte in het land], hoolte
hom, hom, zegt men tegen een dier voornamelijk een paard, wanneer men verlangt, dat het zich omkeeren of eenigszins verplaatsen zou. Het is denkelijk om bedoeld
hond, hond, In den hond werken, beteekent vernielen, bederven.
hondenweer, hondeweer, "slecht of buiig weer; ruw, vooral sneeuwend weer, d.i. een weer om geen hond uit te sturen."
honds, [verachtelijk], hondsch, (bijwoord), walgelijk, vies, verachtelijk., hij leeft hondsch.
honzenhout, honzenhout, o.a. een struik, de ongewapende hondsboom.
hoofd, hoot, heut, voor hoofd. Het was bij de Ouden in gebruik.
hoog, hoog, (bijwoord), rijkelijk, overdreven.
hoogbord, hoogbord, heubord = karachterschot.
hoogkar, hoogkar, de grote landbouwerskar, in tegenstelling der lage of mestkar, ook aardkar genoemd.
hoogsel, hoogsel, het verhoogd deel van een’ bijënkorf.
hool, hool, (onzijdig), kan, pot, vaatwerk in het algemeen., er is geen hool genoeg voor al de room in te gieten. Gij zijt van hool goed voorzien.
hool, hool, ruimte, meer welke in de schuur tot berging van de akkervruchten verstrekt.
hoop, hoop, voor veel, menigte. H[oeufft] zegt dat hij het vrij dikwijls bij eenen aanzienlijken schrijver heeft aangetroffen in het enk. getal, een hoope. In het
hoorn, horen, mannetjesduif.
hoos, hoos, kous. Vandaar hozenband. Vroeger was hoos algemeen gebruikelijk. Men zegt het ook wel van eene onverstandige, lompe vrouw.
horloge, orologie, oorlogie, (vrouwelijk), (onzijdig), uurwerk, meest voor een zakuurwerk.
hors, [zeer, erg], hors, zeer, sterk, erg. Horsdroog is zeer droog weer.
horsel, horsel, lastig, twistziek, grimmig vrouwspersoon. Horselaar, een’ dergelijken man.
horst, horst, (mannelijk), heuveltje. Spreekwijzen: Met Lichtmis springt de leeuwerik op den horst. Van den horst op den heuvel springen, dat is van den hak op den tak.
hort, hort, hortje = oogenblik, tijdruimte, wijl., dat heeft hij met horten en stooten. Wacht een hortje.
hort, horten, "voor stooten of oogenblikken, bijv. Hij heeft dit met horten, maar niet lang. Ook zegt men: Met horten en stooten; Wacht een hortje."
horzelen, horselen, grommen.
horzelmuts, horselmuts, gat, - beurs. Een opvliegend mensch, inzonderheid van een vrouwspersoon.
horzen, horsen, razen, kijven enz.
hot, hot, bevel der voerlieden, wanneer hun trekkend of in de kar gespannen vee zich rechtsaf begeven moet. Het is dus ’t tegengestelde van Haar. Men hoort ook
hottelen, hotselen, schiften, zuren der melk.
hotteren, hutteren, hunselen = doorëen schudden.
hou, hou, houw, of houw, voor het oude houd, hold, dat is gunstig, genegen in het gezegde houw en trouw, hetgeen beteekent gunstig en getrouw.
houden, houden, Zich wel houden is gezond blijven. Houd u wel, houd u goed is hier een gewone wensch.
houden, houden, een nest hebben., in dien boom houdt eene vink, dat is: daar heeft eene vink haar nest gebouwd. Hier houden geen vogels. Als afscheidsgroet zeg men veeltijds haawd oe, dat is: Houd u goed, Vaarwel.
houten, [hakken van kort hout], houten, het hakken, om de 4 – 7 jaren, van het kort hout.
houtmijt, houtmijt, In Holland, zegt mr. Hoeufft, hoort men dit woord zelden, dan voor den houtstapel, waarop de Ouden hunne dooden verbrandden. Hier is het gemeen voor e
houtspecht, houtspecht, bonte specht, zekere vogel.
houtwas, houtwas, houtgewas.
houwmouw, hamaauw, hamauw, voor ruk- of wervelwind. (Eene ingeperste wolk schiet als een ronddraaiende zuil naar beneden, door den wind steeds slingerend voortgedreven).
howe, howe, auwe, Dit roepen de koewachters of heerden, vooral wanneer deze kinderen zijn, bij het wederkeeren met het vee uit de weide. Howe is hetzelfde als het alöud
hozen, oosen, eusen, water gieten of scheppen.
huid, huid, Op de huid geven voor slagen geven. Iemand de huid vol schelden voor met scheldwoorden overladen.
huik, huik, Een overkleed der vrouwen, thans afgeschaft. Zie Falie.
huil, huil, steenuil, naar het geluid dat hij geeft, wel eens dus geheeten.
huisje, huiske, sekreet of gemak.
huiszegen, huiszegen, (den) = Afbeelding van O.L. Heer aan ’t kruis met gebeden. Is meer in België gebruikelijk.
hukkem, hukkum, ja, het is zoo.
hulp, [bretel], hulp, bretel, ook galg genoemd.
hulsen en bulsen, [kleinigheden], hulsen en bulsen, niettigheden. Ook een en ander.
hulte, hult en bult, ongelijk. Ook in de spreekwoorden met hult en bult vertrekken.
hulte, hult, laagte, kuiltje. Ook is er de spreekwijze over hult en bult, dat is over alle onëffenheid van den grond heen.
hum, hum, Hem! tusschenwoord.
hurken, hukken, bukken.
hurken, hurken, op de hielen zitten. Men zegt: hij zit op zijn hurken.
hut, hut, voor een zeer gering woonhuisje, waaraan gemeenlijk geene steenen gevonden worden. Van “hut” komt “gehucht” voor bijëengebouwde hutten zegt Mr. H.A.A.
hutek, hutek, futek, wietek, Zeker vogeltje naar zijn geluid genoemd. Spreekwijze: ’t Is een futekker. Zekere vogel = zwartkeeltje.
huts, huts, ook met den huts = in menigte, hoeveelheid.
iemand, iemes, iemens, verkorting van iemand of een’ mensch.
ieperig, ieperig, hypochonderig, zich inbeeldende ongesteld te zijn.
iets, iet, iets.
iezegrim, iezegrim, yzegrim, Altijd gemelijk norsch mensch. Ik hoorde deze uitdrukking zeldzaam en niet dan door oude lieden.
ijl, ijl, yl, voor ledig, wanneer men spreekt van eene opene plaats of ruimte in een bosch., Die boomen staan ijl.
ijselijk, ijsselijk, yselijk, ijselijk, wordt hier zeer veel als een vergrootingswoord gebruikt; bijv. die boter is ijsselijk duur, en als een uitroepingswoord, bijv. ijsselijk, wat is de bo, " Het is ijsselijk gelukkig; ijsselijk schoon, ijsselijk goed, ijsselijk bij de hand, ijsselijk rijk, enz. Ja, men schroomt niet dagelijks te zeggen: hij kan ijsselijk praten; de pastoor heeft ijsselijk gepreekt; die vrouw is ijsselijk godsdienstig; het is een ijsselijke geleerde; mijn buurman is een ijsselijke behulpzame. – Het wordt dus meest in plaats van uitermate, uitmuntend, zeer, en zoo als men hier ook veel zegt, geweldig, gebezigd. Men behoorde eiselijk te schrijven, in plaats van ijsselijk, zoo als de gewoonte is. De Navorscher VI, 1856, bl. 182. Eene ijsselijke verkwisting. Dat is ijsselijk duur. Ysselijk! wat staat het koren slecht. Ook bezigt men het woord zoo wel als bnw en als (bijwoord) in eenen goeden zin. Bijv. Het is ijsselijk schoon, - goed, - gelukkig; het is een ijsselijke geleerde; mijn buurman is ijsselijk behulpzaam. Het woord beteekent hier alzoo bovenmate, uitmuntend, schroomelijk, geweldig, zeer enz."
ijsgras, ysgras, Zeker onkruid, meest op akkerland wassende.
ijzel, ysel, hijsel, bevroren nevel.
ijzen, yzen, ijzen, (werkwoord), schrikken, ontstellen. "voor schrikken, wordt hier niet alleen in het onzijdige gebruikt, maar ook impersonaliter; bijv. het ijsde mij dat te zien, vo, Dat doet mij ijzen. Ik ijs ervan. Het ijsde mij toen ik dat zag.
ijzermaal, yzermaal, ijzermaal, ijzersmet, roestvlek, vlek in papier, linnen, katoen en andere stoffen, wanneer die vlek uit ijzerroest bestaat.
ik, ‘k, ik, vooral wanneer het ontkennende en volgt., ‘K ben er geweest. ‘k doe het niet.
iks, iks, iets. Ook niks = niets.
immers, ummer, ummers, immers, toch, trouwens.
inboezem, inboezem, inborst, karakter.
inhalen, inhalen, (werkwoord), achterhalen.
inhalig, inhalig, (bijwoord), al te eigenbelang zoekend.
inhangen, inhangen, veel bedragen, moeiëlijk te bereiken, te volbrengen zijn.
inhebben, inhebben, beteekent bijna hetzelfde., Dat werk zal veel inhebben.
inhouden, inhouden, aanhouden = zich naar iets regelen of gedragen., Houd er op in. Ik zal het er op aanhouden.
inkomen, inkomende, (onzijdig), inkomsten, inkomen.
inkt, enk, voor inkt, of, gelijk anderen spellen enkt, hetwelk de oude spelling is. In de zamenstelling zegt men ook enkpot, enkkoker, enz.
inraken, inreken, bij verbastering inrekenen = inscharen. Men zegt het vuur inrekenen.
jacht, [wind], jagt, voor togt, trekkende wind, togt-lucht.
jagen, jagen, voortdrijven, den gang of loop verhaasten., Als zij niet jagen, komen ze te laat. De molen jaagt snel. Hij zet jacht bij het werk.
jak, jak, In mijne jeugd en nu weder, is deze vrouwendracht, reeds in de 14de eeuw in ons land in gebruik, gedragen.
janken, janken, gedurig of luid grijzen. Is eene onfatsoenlijke uitdrukking.
jeminee, jemenie, o jemenie = o Jezus. Een uitroep.
jeuken, euken, voor jeuken. Euksel voor jeuking.
Johanna, Jen, vrouwennaam, vroeger algemeen = Johanna. Het is meestal met Mie zamengekoppeld tot Jennemie. Men zegt om eene babbelaarster te beduiden: een jen, babb
jong, jong, jonk, (zelfstandig naamwoord), kind, zoo wel voor ’t vrouwelijk als mannelijk geslacht., Het is een lief jong, een ondeugend jong, al wordt van een meisje gesproken. Men noemt haar zelfs wel eens: mijn jongen! Ergens jong geweest zijn, beteekent dáár geboren of in de eerste jaren gewoond te hebben.
jongelijk, jongelijk, voor jeugdig. Hij ziet er nog jongelijk uit naar zijne jaren.
kaaljakker, [kale jonker], kaaljakker, kale jonger.
kaan, kaaijen, kaaiën, veeltijds kaën uitgesproken wordende, noemt men hier de vezels van geroost, gebraden of gesmolten vet, hoofdzakelijk dat van varkensdarmen. Dat het ee
kaars, [schil], kerskes, blikken of zemelen van tarwemeel.
kaarsbranding, kaarsbranding, (hier kars en kers). Toeslag bij het branden van een klein kaarslicht in openbare veilingen. Nog elders in gebruik werd het hier in ’t begin dezer eeu
kaarsriet, karsriet, karsruut, kaarsvet.
kaas, kees, (uitspraak: als de franse ai) kaas.
kaats, kaats, kets, De kaats of kets staan is goed durven of zijn belang zeggen. Ik stond hem de – enz.
kaatsen, ketsen, kaatsen.
kabbe, kab, big, jong varken.
kabben, kabben, het jongen krijgen van eene zog of zeug (varken).
kakedie, kakedietje, kakeduut, nnadruk op duut, zekere vogel = spotvogel, komt op 10 Mei.
kakelbont, kakelbont, bont als een kakelhoen, gespikkeld.
kalissepek, klusiepek, drop.
kalissesap, klusiesap, dropwater.
kampernoelie, kampernoen, (onzijdig), paddenstoel op houten vloeren.
kamtas, kamtesch, (vrouwelijk), tasch onder den spiegel waarin de huisgenooten den haarkam bewaren. Ook brieventasch of portefeuille.
kankerbloem, kankerbloem, kankerblad, eene plant of kruid, elders naamblad.
kant, [geheel], kant, volkomen, geheel.
kapel, kapel, vlinder.
kapitoor, kaffetulie, kappertulie, koffertulie, kapel, kopel, omslag van een lees- of schrijfboek. Zie kapel.
kappen, kappen, hakken. Vandaar kaphout, kapmes, kapbaar, enz.
kapper, kapper, (mannelijk), een drinkglas ter grootte van ¼ liter.
kaps, kebs, kaps, kept, 1) doodarm, op zijn; 2) wordt door jongens gezegd die alles bij ’t spel verloren hebben.
kar, kaar, voor kar. In vele woorden spreekt men de a lang uit.
kas, [lokroep voor schapen, geiten], kas, woord waarmede een ram wordt geroepen.
kat en hond, kat en hond, Als – zijn, beduidt elkander niet te kunnen verdragen, vijandig te wezen. Men zegt ook: zij kunnen elkander luchten of zien.
kattenstaart, kattestaart, paardenstaart (plant).
kavete, kafeet, slecht, vervallen huis.
kawauw, kawaauw, 1) pruim tabak; 2) zoutelooze praat.
kawauwen, kawaauwen, kauwaauwen, 1) wauwelen, klappen, babbelen. Ook zegt men kwateren en kwetteren, hiervan kawaauw, kwater en knetter voor een snapachtig vrouwspersoon. 2) voor snap
kebbelen, kebbelen, babbelen.
keer, keer, Hij is nog maar een’ keer ziek geweest, ge moet veel keeren komen, dat is: ge moet dikwijls komen.
keet, keet, gering huisje of vertrek van het woonhuis afgezonderd. In oude schriften komt het ook als huisje voor.
kegelbank, kiegelbank, bank of plank, bij ’t kiegelen of wippen gebruikt wordende.
kegelen, kiegelen, wippen (een kinderspel).
keidood, keidood, volkomen dood, zoo dood als een kei.
keren, keeren, vegen, reinigen., den haard of het huis keeren.
keren, keeren, beletten, afkeeren.
keren, [verdragen], keeren, uithouden, uitstaan, verdragen., Het is hier te koud, om lang te kunnen keeren.
kerkelijke gerechten, [sacramenten], kerkelijke geregten, bij verkorting doch verbastering, kerkeregten gezegd, noemen hier de R.C. de sacramenten, welke aan hen die in doodsgevaar verkeeren, worden toegekend
kerkhof, kerkhof, gebruikt hier sprekende de lagen stand mannelijk: de kerkhof.
kerkput, kerkeputje, graf. In de kindertaal.
kermetser, kermetsers, vrucht van den witten doorn.
kermis, kermis, het prettigste of schoonste feest.
ketelboeter, [ketellapper], ketelbuter, "een koopman die in koper handelt. De ouden bezigden verboeten voor lappen, vermaken, dat is herstellen. Mij kwam wel eens een perceel gronds ‘de kete
kets, kets, "Spreekwijze: hij zal hem de kets niet staan; dat is: het is voor hem niet te doorstaan."
ketsen, ketsen, teleur stellen, zijn doel niet bereiken.
keuren, keuren, proeven, toetsen.
keus, kues, Kueske! woord waarmede men een varken roept. Schetsend zegt men ook: onze kues. Wij slachten morgen den kues. Kleine kinderen noemen het ook alzoo.
keuter, keuter, en keuterboer = hutbewoner of zeer kleinen boer die zijn land met de spade bewerkt.
keuteren, [een kleine boerderij houden], keuteren, eene kleine boerderij houden.
kibbelen, kibbelen, gedurig of een weinig kijven.
kiel, keel, kiel. Overkleed van mannen.
kiem, [gevoelig, stipt], kiem, (bijwoord), "gevoelig, teer, stipt, naauwgezet; bijv. kiem van aard zijn."
kietelen, kietelen, kierelen, kiedelen, kittelen.
kijk, , kek, kijk, ook wel als Ei!
killen, killen, is in onze Meijerij koud zijn.
killig, kellig, keltig, killig, vochtig, eenigszins koudachtig. verkelde weide is ook verzuurde weide.
kind, kijnd, voor kind hoort men thans alleen onder den boerenstand, die in ’t meervoud ook kijnder zegt.
kink, kink, knol, paard van geringe waarde.
kist, [aansporing om weg te jagen], kist, zeggen velen als zij een huisdier, bijv. eene kat van zich verwijderen of oogenblikkelijk willen doen weggaan. Misschien is het keest, oudtijds ten sp
kits, kits, kets, Walg. Mij steekt er de kist van, dat is: het walgt mij, staat mij tegen, ben daarvan afkeerig.
kitsen, kitsen, braken. Ook sissen, ook kisten, tisten = sissen., Het vuur zal uitkissen.
kittig, kittig, driftig,opvliegend, zoo bij menschen als voor dieren in gebruik.
klaar, klaar, geheel en al.
klaar, klaar, hendig, genoegelijk. Hij is niet klaar, d.i. lastig in den omgang.
klacht, [uiting van verdriet, onvrede], kluft, en door eene zeer gemeenzame verwisseling der F en CH, klacht. Hier, gelijk elders, zijn klaft en klucht onder de jagers zeer in gebruik voor eene kud
klad, klad, klatte, klasse, klesse, klisse en klitte zijn verschillende vormen van klissen, een onkruid met doornen bezet. Het zijn oude uitdrukkingen.
klamp, [tiendblok], klamp, blok, meest gebruikt bij de Tienden. Zoo hoorde men vroeger bijv. zeggen: Ik had 2 klampen gepacht.
klampvogel, klampvogel, roofvogel.
klapbots, klabbots, een tusschenwoord, uit klappen en botsen gevormd., Ge vielt klabbots van de kar. Klabbots! daar ligt hij.
klapmuts, [vrouwenmuts], klapmuts, katoenen vrouwemuts.
klappei, klappei, babbelaarster, ook iemand die een geheim vertelt. Onder kinderen hoort men dit woord als zij elkander verklappen of hunne misdrijven enz. bekend maken
klappen, klappen, praten. Men bezigt het schaarsch. Is algemeen in Zuidbrabant. Het beteekent hier ook veel praten, iemand verraden.
klater, klater, eene babbelvrouw.
klateren, klateren, babbelen.
klaver, kleever, klever, voor klaver.
klaveren, klaveren, klefferen, klauteren, klimmen.
klein kijken, klein kijken, "er verlegen of bedrukt uitzien; (bang voor den dag komen)."
klemmig, klemmig, vasthoudend, verbonden., Deze grond, streek, plek is klemmig.
klep, klep, "voor pet; ter onderscheiding noemt men de klep zelve op eenige plaatsen klepscheel."
kleppen, kleppen, verraden, bekend maken.
klepschuw, klepschuw, bedeesd, vreesachtig.
klets, klets, uitroep bij een’ onverwachten of plotselingen val. Zie klabbots.
klets, [iemand die kletst], klets, onzedig vrouwspersoon.
kletsen, kletsen, babbelen.
kletsen, klitsen, met de hand slaan, dat het geluid geeft. Meest gehoord wanneer zulks kleine kinderen gedaan wordt.
kletser, kletser, kletsoor, babbelaar, van kletsen.
kletsoor, klasoor, klesoor, klessoor, klapmoer aan eene zweep.
kleuter, kleuter, (kleuterke) aardig, onversaagd kind; meest van kleine meisjes."
klink, klink, De klink trekken = vluchten.
klis, klis, (vrouwelijk), vlecht, kleine bundel.
kloek, kloek, Bijv. ik kan er niet kloek uit worden, voor dat men elders zegt: ik kan er niet wijs uit worden
kloek, klok, klokken (de o zacht) = eene hen, die kuikens of kiekens heeft. De naam heeft ze bekomen naar ’t geluid dat ze ten tijde van de eerste dagen der uitbro
klokken, [geluid van de keel], klokken, (werkwoord), zeker geluid met de keel.
klomp, klomp, (mannelijk), kluit., een klomp aarde, boter, suiker.
kloot, kloot, (zelfstandig naamwoord), goedaardige sukkelaar.
klot, klot, klut, klomp., een klot aarde, deeg enz. Als verkleinw. ook klotje.
klot, klot, dikke, vierkante turf, die uit veen (moer) bestaat. De naam draagt hij wellicht omdat hij op eenen klomp of ene kluit gelijkt.
kloten, klooten, (werkwoord), foppen, bedriegen.
klotten, klotten, (werkwoord), den turf of klot uit den grond steken of delven.
klucht, [kudde (vogels)], klocht, (vrouwelijk), slag, hoop, schaar. Vooral van vogels, b.v. een klocht hennen. Onder de jagers gebruikelijk vooral voor eene kudde patrijzen.
klungel, klungel, (vrouwelijk), "een’ lompen onbeschaafden manspersoon. Ook wordt het in een’ minder verachtelijken zin gebezigd; b. van eenen langen, mageren boerenjongen zegt men:
klungelen, [onhandig te werk gaan], klungelen, (werkwoord), onhandig of lomp te werk gaan.
kluts, kluts, menigte. Hoeveel is die heele kluts waard? Dat is de geheele hoop.
knap, knap, 1) degelijk, behoorlijk; 2) vlug, handig, oogenblikkelijk., 2) Ik heb dat knap gedaan. Hij is er knap mee. Ga knap van hier.
knappen, [eten], knappen, (werkwoord), eten, afgeleid van knabbelen., Zij hebben alles opgeknapt.
knapper, knapper, (mannelijk), tot een rolletje of staafje ingepakte centen of geld.
knapperen, knapperen, knetteren, knitteren.
knapzak, knapzak, (mannelijk), spijszak, zak ter bewaring van eetwaren op reis enz.
kneuter, kneuter, knoter, kleine jongen.
kneuterachtig, kneuterachtig, meerkneuterig, voor knorrig, lastig enz.
kneuterig, kneuterig, kneuterachtig, knorrig, lastig, brommig, vooral van ontevredene kleine kinderen.
kniebanden, kniebandelen, "kniebantelen, van kniebanden, (werkwoord); vooral zegt men dit voor vee, aan welks beenen eene touw gebonden is, om het spoedig loopen te verhinderen
knipmes, kniep, kniepmes, knipmes.
knobus, kernobis, Te kernobis komen = te voorschijn komen, bijv. bij een geding.
knoeperen, knoeperen, (werkwoord), "oppeuzelen, stil of onmerkbaar eene kleinigheid opeten; ook voor hard bijten, het geraas daarvan. Zie opknoeperen."
knoken, knoken, krooken, kneuken.
knokkel, knokel, (zelfstandig naamwoord), knokkel.
knook, knook, (knooken) beenen, beenderen. Hij verdient wat op zijn knoken, dat is: hij moest een pak slagen ontvangen of hebben. Kneuk.
knorsel, knorsel, kroezel, knorzel, knoersel, knorzels, kroezels, knoerzels, kruisbezie, kruisbes.
knorzel, knorzel, knorvleesch.
knuppel, klippel, kluppel, (mannelijk), knuppel, een dik, rondachtig hout.
knuppelen, klippelen, kluppelen, van kloppen = met knuppel naar iets werpen, om het te treffen. De kat klippelen is een oud barbaarsch spel, thans verminderende.
knutselen, kutselen, knutselen.
knutsen, knutsen, (zelfstandig naamwoord), kneuzen. Hiervan heeft men ook het knuts. Zoo wordt gezegd: Met Paschen knutst men vele eiëren. – Met een glas aanstooten bij het drinken van elkander
kochel, [(zwakke) vrouw], kogchel, eene versletene of zwakke vrouw.
koe, koeuw, koe. Meerv. koei.
koeherder, koeheerd, koeheerder, koeheert = koeherder.
koekoekszang, koekoekzang, verdrietelijke herhaling van dezelfde zaak.
koelik, koelik, zekere vogel, groote kluter.
koers, koers, (om die) = ongeveer.
koest, koest, (vrouwelijk), 1, elders koes. Wil men b. dat een hond zich stil houde of gaat liggen zegt men: koest of koest u. Voor koesten heeft Meijer: liggen.
koestouwer, koestouwer, koeherder, ook voor drijver of koopman van koeiën.
koevereren, koevereeren, koevreeren, in het finatieële vooruit gaan, geld winnen., Hij is verkoevereerd.
koewachter, koewachter, een vogeltje, dat veeltijds in de nabijheid van grazend rundvee gezien wordt.
koffiedras, koffiedras, koffijdras, koffiedik. – Koffiemoor zie Moor.
kommerlijk, kummelijk, kummelik, gemelijk, ontevreden, lastig.
koning, koning, Zoo wordt hij genaamd, die bij een en ander volksvermaak den papegaai geschoten of eenen prijs behaald heeft.
konkel, konkel, praatster, babbelaarster.
konkelen, konkelen, (werkwoord), 1) de opbrengst van heimelijk verkochte producten versnoepen. Hiervan heeft men konkel voor eene snoepachtige babbelvrouw; 2) bij buren babbelen enz.
kont, kont, gat. Onwelvoegelijke uitdrukking voor billen of het achterdeel.
kooi, kooi, schaapsstal. Hij wordt bij de Ouden veel gevonden.
kooi, kooi, kudde. Vooral van schapen.
koopmanschap, komanschap, voor koopmanschap. Het is een zeer oud woord even als kooman voor koopman, nog over in het koomans-gilde te Dordrecht.
kop, kop, hoofd, ook voor dat van een’ mensch, doch meest door onbeschaafde lieden gebezigd.
koren, koren, rogge.
korenschop, korenschoep, korenschup, houten groote schup.
korenwerk, korenwerk, allerlei soort van graan.
kornet, cornet, cornette, heet men hier eene soort van vrouwenmuts, voornamelijk onder den burgerstand gedragen, welke met een lint of lap van zijden stoffen wordt vastgebonden
kornuit, kernuit, kernoet, schuim van volk.
korrel, keurzel, keurske, korrel.
korselig, korselig, kurselig, wrevelig, lastig.
kort, kort, (zijn eigen te – doen) = zelfmoord plegen.
korts, korts, onlangs, kort geleden.
kossem, kossem, "dubbele kin; een gezwel onder de kin; wordt meest van vee gezegd."
kostelijk, [heel goed, kostbaar], kostelijk, kostbaar, duur.
koster, kuster, koster.
kosteres, kusteres, kosteres. Zie Hoeufft.
kosteresse, kustersse, voor kosterin. Zonderling zoude het zijn, dat men altijd op de tweede lettergreep van dit woord den klemtoon vallen doet, ware het niet een zamentrekk
kot, kot, koot, gat, opening., Er is eenin de grond, den muur, de kous enz.
kot, kot, hok, als hoenderkot, varkenskot enz. Ook als een gering of vervallen huis of vertrek.
koteren, keuteren, (elders) omhalen, roeren, rakelen, griessen, welke laatste in sommige plaatsen eene walgelijke gewoonte der vrouwen uit de lage klas beteekent, bestaa
kothillen, kothillen, pothillen = een huis of vertrek alleen bewonen en zelf het huiswerk verrichten.
kotmulder, kotmulder, zie Hegmulder.
kotsen, kotsen, braken. Ook walgen.
koud, kou, (bijvoeglijk naamwoord), (bijwoord), koud. Het is kou weer. Het waait erg kou.
kozijn, kozijn, neef. Men noemt een’ vrind ook wel eens koseke.
kraaiappel, kraaiäppel, galnoot.
krakelen, [twisten], krekelen, (de eerste e als in ’t Fr. faire) = krakeelen, twisten.
kramer, kremer, (mannelijk), marskramer.
kramer, [pijn], kremer, (mannelijk), zekere rumatische pijn in den rug. Eene soort kramp.
krank, krank, voor zwak, gering. Krankvermogen, kranke moed enz.
krauwsel, kraauwsel, (werkwoord), schurft. Ook het kraauwen (krouwen) krabben.
krek, krek, juist, naauwgezet, naauwkeurig, even., Het is krek één uur. Dat is krek gewerkt. Zij zijn krek vertrokken. Overal krek op.
kreng, kreng, dwarsdrijver.
krets, krets, schurft. Van kretsen, kratsen, krabben.
kreuk, [knak, vouw], krook, (mannelijk), kneuk, knak., " Gij maakt een krook in uw boek. Doe de knooken uit uw kleed. Ook zegt men : Er is geenaan; hetwelk beteekent: de zaak is zeer solied; er ontbreekt niets aan."
kreuken, krooken, (werkwoord), kneuken.
kreukstoel, krookstoel, (ook onkiesch kakstoel) noemt men den tonnestoel, vele eeuwen onder alle standen in gebruik. Nu ziet men er nog arme lui’s kinderen in zitten.
kriel, kriel, kriele, krielhen = eene zeer kleine hen, gewoonlijk de kleinste van een broedsel. Ook eene soort kleine hen met goudgele vederen en korte gele pootjes
kriemelen, [kriebelen, krioelen], kriemelen, (werkwoord), 1) krieuwelen = jeuken; 2)kriemen, krioelen, , = in groote menigte voorhanden zijn., 2) Hier kriemelt het van kinderen. In den zomer krioelt het van muggen.
kriesbussel, kriesbussel, Een rond gebonden bundel kort stroo.
krik, krik, (zelfstandig naamwoord), boschkool.
krikkel, krikkel, (bijvoeglijk naamwoord), 1) netelig, moeiëlijk; 2) opvliegend, gramstorig, hetzelfde als kregel, kriegel, krekelig. Vgl. krekelen. Spoedig toornig, driftig., 1) Die zaak, dat proces is - . Ook voor lichtelijk gestoord. B.v. Hij is een krikkel man.
krikkemikken, krikkemikken, tweedracht of onëenigheid beoogen, kibbelarij verwekken. Bijna hetzelfde als kapsie.
kringelen, krengelen, met moeite ergens door geraken, lastig zijn. Men zegt ook wel krengel van een bitsch mensch.
kritsel, kritsel, een armoedig gewas enz.
kritselen, kritselen, slecht groeiën van planten.
kroefelen, kroefelen, kruipen (met moeite).
kroeskop, [krullenkop], kroezelkop, krullekop.
kroezen, kroezelen, kroezen, krullen.
krom, krom, averechts, verkeerd., Hoe kunt ge dat zoo krom krijgen, dat is: zoo averechts zeggen of doen.
kromme arm, krommen-erm, Met den krommen erm (dat is met een’ gebogen arm) een bezoek met een geschenk bij eene kraamvrouw brengen. De beteekenis is echter kraamgeschenk.
kroos, kroos, binnenste van een’ appel, eene peer, noot enz. Het beteekent zooveel als ingewand. Zie Kiliaen.
kruchelaar, kruggelaar, krugger, Iemand die veel hoest wegens tering- of borstkwaal.
kruchelen, kruggelen, Hoesten of sukkelen wegens tering of borstkwaal.
kruidnagel, kruinagel, sering. Zoo ook kruinagelboompje enz.
kruimel, krummel, grummel, kruimel.
kruiskool, kruiskool, buskool. Zie bekruizen.
kruiwagen, kreugen, kruigen, (mannelijk), kruiwagen.
kruizen, kruizen, (zich) = zich aan ’t roet van pot of ketel zwart maken.
krullen, [gekruld zijn], krollen, krullen, kronkelen.
kui, kuezeke, Met dit woord roept men een kalf. Ook zegt men enkele malen: Kijk mijn kuezeke eens! Van eenen onnoozelen mensch wordt ooit gezegd: Hij is eenen kuese
kuilder, kuilder, Zekere groote zich in de heide ophoudende vogel.
kuilen, kuilen, in den kuil doen., De aardappelen, knollen, enz. zijn gekuild.
kuis, koes, (de oe gerekt) woord, waarmede men de koeiën roept of aanspreekt.
kuis, kuisch, kusch, geheel, zonder overschot., Dat boek isverbrand. Gij moet die portie kusch op
kukelhaan, koekelhaan, Wel eens van eenen haan, om zijn gekraai.
kuken, kuken, voor slootspringen door de kinderen. Dit woord is slechts op eenige plaatsen van Kempenland in gebruik.
kullen, [foppen], kullen, (werkwoord), bedriegen, foppen, misleiden., " Hein kult Jan en Jan kult Hein. Zoo zegt men kulbroer voor bedrieger; kulkoek voor bedrog."
kuren, [zich verkneuteren], kuren, (zich) = zich verkneuteren, innig pret of vermaak hebben.
kus, kus, zoen.
kussen, kussen, zoenen.
kuur, kuur, eigendunkelijke of vreemdsoortige handeling., Hij had eene wonderlijke kuur. Die buur komt met kuren voor den dag.
kuwen, kuwen, luid roepen., om iemand in de verte te waarschuwen.
kwaad, kwaad hebben, (het, 't) = lastig, te zwaar iets moeten doen. Ook zegt men voor iemand die hoogmoedig is.
kwab, kwab, onderkin of vel, dat aan den onderhals van den os hangt.
kwade hand, kwade hand, Geven koeiën in langen tijd gene boter of bestaat er een dergelijk ongeval onder de beesten, dan zeggen bijgeloovige lieden, dat ze door de kwade hand
kwajongen, kwajongen, ook doorstooter genoemd = pijpendoorsteker.
kwak, kwak, hoop., Een kwak aardappelen, wortelen enz. Het is geene groote hoeveelheid.
kwaken, kwaeken, (werkwoord), "Luidruchtig weenen of praten. Een kwaeker, een kwaek, iemand die bij het spreken veel lawaai maakt, het hoogste woord voert. Het is welligt afgeleid
kwakkel, kwakkel, weifelachtig., " Het is kwakkel weer, dat is bij afwisseling regen en zonneschijn; kwakkelen is talmen, weifelen."
kwalijk, kwalijk, bezwaarlijk, moeiëlijk.
kwalijkvaart, kwalijkvaart, misselijkheid, bezwijming.
kwalsterboom, kwalterboom, haverësch, lijsterbesboom. De bessen heeten kwalsters of kwalsterknoppen.
kwanselbier, kwanselbier, bier, bij den ondertrouw, door bruidegom en bruid aan hunne gewezen speelgenooten en jonge lieden der buurt geschonken. Zie mijn 1ste taaleigen dezer
kwanselen, kwanselen, verkwanselen, verkwisten, iets lichtvaardig of voor eene kleinigheid verruilen.
kwanselen, kwanselen, storten voornamelijk vocht., Gij hebt melk gestort. Zorg dat gij geen bier uit het glas stort.
kwartel, kwakkel, kwartel.
kwartier, kartier, kwartier.
kwebbel, kawebber, babbelaar, kakelkont.
kwekken, kweken, kwaken, (werkwoord), (als ’t Fransche ai) = luidruchtig praten of weenen. Een kwek, kwèèker is iemand die bij het spreken veel lawaai maakt, het hoogste woord voert. Welli
kwelen, kweelen, kwelen, kwijlen, De Ouden bezigden het ook alzoo. Op het platte land is doorgaans de oude taal het meest behouden. Dit ziet men o.a. weder in dit woord, hetwelk hier v
kweling, kweeling, kwijling, kweling, kwijnende ziekte. Zie kwelen
kwetteren, kwetteren, quetteren, snappen, klappen, snateren. Hiervan kwetteraar voor snapper, kwetter voor eene snapster.
kwibus, kniebus, kleine jongen, schalk.
kwijt, kwijt, verloren. Hij is veel geld kwijt.
kwikbil, kwikbil, (elders klikbil) = pronkziek, ijdel meisje, die, als zij loopt, het lichaam aanhoudend heen en weer draait en zoo doende de billen tegen elkander slaa
kwikkelen, [schommelen, trippelen], kwikkelen, schommelen, slingeren. Een kaartspel heet ook kwikkelen, wiegelen of wiggelen.
kwikken, kwikken, met de handen optillen om de zwaarte te kennen. Kiliaen geeft het ook in deze beteekenis. Minder gebruikt men het hier voor enkel opnemen, oplichten.
laagkar, laagkar, ook aardkar = mestkar. Zie Hoogkar.
laat, laat, hoevenaar, cijnsplichtige. Het wordt hier voor huurder of pachter eener boerderij gebezigd.
laatst, [achterst, onlangs], lest, laatst, letst. Het komt voor in de spreekwijze lest heugt best en in lestmaals, ten lesten, ten langen lesten.
labben, labben, "kwaadspreken, snappen; ook voor ledig loopen. Het woord is hier niet algemeen gebruikelijk als elders."
labbendig, labbendig, (bijwoord), waarlijk, wezenlijk., Gij zult labbendig te laat komen.
laden, laaiën, laaijen, laden. Men spreekt het zoowel voor laden, dat is opnemen als voor de laden eener kast alzoo uit. Een voerman verhaalt bijv. een zware vracht gelaaiën
lallen, lallen, (werkwoord), "klagende of kermende huilen; vooral van kinderen en katten."
langen, langen, (werkwoord), geven, overreiken. Misschien komt het van het verlengen des arms bij het uitreiken. Zoo zegt men slaag, geld, eten langen enz. Vroegere en latere Schr
langs, langst, langs.
langzaam, lantzaam, langzaam. Het sterft hier lantzaam uit.
lanterfant, [lui persoon], lanterfant, vrouwelijk persoon die haren tijd met beuzelingen doorbrengt. Elders algemeen in gebruik, sterft het hier uit. Het werkwoord lanterfanten duidt deze n
lap, lap, klap, oorveeg.
lapboon, lapboonen, groote of tuinboonen. Dezen naam dragen zij omdat zij door hunne grootte een gat kunnen stoppen. Moffelboonen, dat is mondvolboonen heeten zij elders
lappen, lappen, klaren, behendig verrichten., Ik zal ’t wel lappen. Hij heeft dat gelapt, dat is klaar gespeeld.
lapzak, lapzak, gering mensch, soort van kwakzalver.
larie, larie, beuzeling, gekkernij.
lawaai, lawaai, (vrouwelijk), oorveeg, opstopper is niet algemeen in gebruik.
laweit, laweit, lawaai, lawaait, (onzijdig), geraas, rumoer, luidruchtig leven.
leed, leed, moeite., Dat zal leed kosten. Gij zult leed hebben, om dat te doen.
leeg, ledig, spreekt men hier leeg uit.
leeg, leeg, voor laag. Men vindt het ook veel bij oude schrijvers.
leer, leer, ladder.
leisen, leisen, temen.
lelijk, leelk, lielk, leelijk.
leppik, leppik, (e als Fr. ai) = bier of anderen drank na een’ verkoop ten beste gegeven.
letsen, litsen, letsen is zeker kinderspel.
letten, letten, deren, schelen zooals men het in de Hollandsche volkstaal noemt. Wat let hem?
leuren, leuren, (werkwoord), waren langs de deuren venten. Hiervan leurder.
leuteren, leuteren, talmen, zich lang ergens over bedenken, al te langzaam. Langwijlig en vervelend praten, ook wauwelen, kletsen, enz.
leuterwerk, leuterwerk, prulwerk.
licht, licht, ligt, 1) voor misschien of welligt, bijv. ligt zie ik u van daag nog; 2) gemakkelijk., 1) Ik zie u van daag licht nog; 2) Dat kunt gij licht doen.
licht, [draagband], licht, draagband waarin de burries der karren van het trekkend vee hangen.
licht, locht, logt, licht wat niet zwaar is
lichten, luchten, lichten, voornamelijk van kaars- en lamplicht. Iemand niet kunnen zien of luchten beteekent ze niet te mogen lijden, ze te haten, niet kunnen verdrage
lid, led, let, lid., van eenen vinger. In Limburg zegt men leed, dat een zeer oud woord is.
liefgetal, liefgetal, lieftallig., Dat is een liefgetallig meisje.
lierdraaier, lierendraaiër, orgeldraaiër. Men zegt ook schertsende voor koffie malen de lier draaiën.
liggen, leget, ligt het., Daar leget
ligroede, ligroede, legroede, (vrouwelijk), loot, die gebruikt wordt om het stroo op het dak vast te leggen.
lijden, lijden, dragen, sterk genoeg zijn., Het ijs lijdt al. Die ladder zal het niet lijden.
lijken, lijkenen, gelijken, lijken., Het lijkent nergens naar. Die broeders lijkenen goed op elkander.
lijkstro, lijkstroo, Hij ligt op ’t lijkstroo, dat beteekent: hij is gestorven. Het leggen van een lijk op stroo is hier afgeschaft.
lijkweg, lijkweg, algemeene of groote weg, waarover de lijken naar het kerkhof gebracht worden. Zie mijne eerste Verzameling Taaleigen.
lijpen, [zacht huilen], lipen, lippen = zachtjes schreiën, zooals vooral ontevredene meisjes en jonge vrouwen en pruilende jonge kinderen doen.
lijvent, lijvent, lijvet, lijnwaad.
linnen, lijnde, linnen.
lispelen, tispelen, (werkwoord), lispelen, zachtjes praten., Die staan weer te - .
lissen, lissen, zachtjes schreijen, zooals ontevredene meisjes en jonge vrouwen, en pruilende, dwingende kinderen doen.
litteken, ledteeken, lidteeken, likteeken.
lobberig, lobberig, flodderig.
lobbes, lobbes, loböor, allemansvriend., Het is een rechtedat is: zachtzinnig goedaardig dier. Het wordt ook in de beteekenis van lomperd gebruikt.
loeder, loeder, iemand die in een of ander opzicht slecht is. Loeris heeft bijna dezelfde beteekenis, meer bepaald die van een’ valschaard.
loef, [bedrieger], loef, bedrieger, valschaard.
loer, loer, heeft dezelfde beteekenis. Zoo zegt men ook een loer draaiën, voor misleiden, bedriegen, bedotten.
loeriën, loeriën, (werkwoord), lurken., koffie, thee - . Eene vrouw die veelvuldig of heimelijk koffie drinkt heet wel eens eene loerie. Men hoort ook een leuke of looike koffie malen of drinken welke beide woorden denkelijk met loeriën in verband zullen staan.
loeris, loeris, heeft bijkans dezelfde beteekenis, meer bepaald die van een valschaard.
lof, lof, (onzijdig), namiddag- of avond- godsdienst, eigenlijk de aanbidding met gezang voor het Allerheiligste der Roomsch Catholieken.
lof, loover, blad.
loodje, looike, leuke, voor een scheutje of portie; slechts bij koffij gereed maken of hem te drinken in gebruik, bijv. zet een looiken koffij, wij zullen een looiken drinke
looi, [stier], looi, voor stier.
look, [twijghout], look, (onzijdig), twijghout ter vervaardiging van wanden die niet bestreken worden.
loos, loos, (bijvoeglijk naamwoord), (bijwoord), slim, arglistig., Het is een looze.
loos, loos, verscholen. Men zegt bijv. Die vink houdt loos, dat is: zij heeft haar nest zoo geplaatst, dat het moeiëlijk te ontdekken is.
loos, loos, long.
lopens, loopens, loopense = een zesde deel van een bunder lands. Deze landmaat is hier algemeen in gebruik.
lor, lor, vod, een zeer gering voorwerp.
lorder, lorder, smokkelaar
lorren, lorren, smokkelen
lorsen, lorsen, "sluiken, ter sluik handelen; ook leursen, lorsel."
los van kop, los van kop, "vergeetachtig, slecht van geheugen; ook wel dolhoofdig."
loteren, loteren, loten.
lotsoor, lotsoor, valschaard.
louw, louw, "zeelt; zekere visch."
loven, loven, tot zekeren prijs te koop stellen. Van deze beteekenis komt prijzen, omdat een verkooper doorgaans zijne waren hoog verheft.
lucht, locht, logt, 1) voor de lucht, uitspansel. 2) luchtig
luchter, luchter, lichter, kandelaar.
luchthout, luchthout, glimhout, hout dat licht van zich geeft.
luk, [toeval], luk, toeval.
lukken, lukken, gelukken.
lullen, lullen, sneppen, zotteklap uitslaan.
lummel, lummel, lomperd. Ook een lomp, lang manspersoon.
lus, lits, lets, klap, slag., Hij kreeg eenin ’t gezicht. Uit de litsen, letsen zijn beteekent ontvlucht, veilig wezen.
lut, lut, dotje, suikerpopje.
lutje, lutske, korte wijl.
maal, maal, (vrouwelijk), vaars, jonge koe.
maar, maar, nachtmerrie. Om de – niet te krijgen nemen sommigen verschillende bijgeloovige voorzorgen.
maat, maat, makker, speelmakker. Het is een zeer oud woord.
machochel, machochel, michochel, zwaarlijvige vrouw of meisje ook machachel = dik, leelijk of verwaarloosd vrouwspersoon.
makelaar, makelaar, iemand die helpt maken, dat eenige koop of onderhandeling doorgaat.
makelen, makelen, eene zaak haar beslag doen krijgen.
maling, maling, verwarring., Hij is in de - . dat is: in de war. Zoo ook malen voor lastig zijn, berispend spreken.
man, man, persoon., Zij waren met zes man, 3 wijven en 3 manslui.
mangelen, mangelen, ruilen.
mans, mans, mansch, sterk, groot, aanzienlijk. Het wordt hier weinig gehoord.
mans, [niet dragende koe, geit, enz.], mans, mansch, eene niet dragende koe, geit, enz.
manskerel, manskerel, in tegenstelling van vrouwspersoon.
Maria, maranta, marante, marantela, (Heilige). Uitroep van verwondering. Jezus Maria! Als mijdspraak wordt vervangen door Jonges Maranta!
markten, merten, (werkwoord), markten, ter markt brengen, te koop aanbieden.
marsen, marsen, op den rug dragen. Ook langs de deuren met eene mars rondgaan.
martelen, martelen, (werkwoord), tobben, sukkelen.
maseur, maseur, broeders vrouw of zwagerin. Meest bij den burgerstand.
mastappel, mastappel, voor pijnappel.
meerhannik, maarhanik, meerkol. Zie hikster.
meerkor, meerkor, ook meelkors en merkor, soort van kwabaal met gelen buik en strepen.
meesteren, meesteren, onder heelkundige behandeling zijn. Ook heelkundig behandelen. Hier meer van ’t vee dan van menschen.
meesteres, [vrouw van onderwijzer], meestersse, met klemtoon op de tweede lettergreep = de vrouw van eenen schoolonderwijzer, die men ook maîtres noemt. Thans geraken deze beide benamingen hier in o
mei, mei, meitak. Zie mijn 1ste Taaleigen.
mei, meijen, Hoeufft zegt hiervan, dat te Breda niet alleen in het algemeen de takken worden genoemd, maar in het bijzonder de takken, welke de kinderen op den 1st
meisje, meske, meisje, meiske.
melk, mulk, karnemelk. Voor melk zegt men rome altijd meervoud, bijv.: De rome zijn gemolken.
mem, mem, "moederborst; memmen voor de borsten. De mem langen is de borst geven."
memmetje, memmekens, memmekes, kamperfoelie.
menen, meinen, meenen.
menig, mennig, menig, gelijk mennigte voor menigte, ook in andere woorden.
mennen, mennen, voor aanwakkeren.
mens, mensch, man, echtgenoot. Ik zal er mijnen mensch over spreken, zegt menige vrouw.
menseneter, menschenëter, engerling.
mente, mente, (te) = te mettene, van – of heden morgen.
mentijd, te mentijd, dezen ochtend of heden morgen. Het is eene verkorting van morgen of mettens dat is mettijd. Oudtijds was men gewoon vele tijdbepalingen naar gebeden e
merel, melw, merrel, merel, zekere vogel.
merelknop, [plant], meluwknopske, lijsterbes.
merkaton, merketon, merston, eene geurige, welsmakende, groote perziksoort. Fruitkundigen noemen haar melcoton, merlicoton of mielicoton.
met, met, om., Met geld verlegen zijn. Ook voor bij. Men zegt: met het vat verkoopen enz.
meteen, bedeme, voor aanstonds. Ook medeme: het beduidt meteen, de b en m zijn wisselletters.
metselaar, metser, metselaar. Zoo ook metsen voor metselen.
meug, meug, "begeerte, macht; doch slechts in de zegswijze: met heug en meug of tegen heug en meug, hetgeen beteekent met – of tegen lust en begeerte."
meuk, muik, meuk, 1) bewaarplaats van fruit, als appelen, peeren, enz.; 2) eene bijëengepakte verzameling kwade stoffen in het lichaam.
meuken, muiken, meuken, zacht laten worden, weeken., Deze appels moesten muiken. Leg die peeren wat in de muik.
meutel, meutel, muitel, molk, stof uit vermolmd hout.
meutelen, meutelen, vermolmen.
meutelen, meutelen, prutten, knorren.
michielszomer, Michaëlszomer, Michielszomer, sint michiels zomer, (Sint), is een zomertje, dat op een’ tijd (29 Sept.) invalt, wanneer de herfsttijd reeds daar is. – De uitdrukking verklaart zich van-zelf. Als het we
middag, middag, (mannelijk), "middagmaal of middageten. Men zegt: Ik ga naar den middag; wij zullen aan den middag gaan, wat beteekent: Ik ga naar ’t middagmaal; wij zullen beginn
middel, middel, voor midden.
mie, mie, Woord, waarmede men soms eene merrie toeroept.
mier, [afkeer], mier, afkeer, hekel, tegenzin. Zoo zegt men: een – daarvan hebben of krijgen.
mierzeik, moerzeik, (soms) = mier.
mijt, mijt, stapel, hoop. Zoo zegt men altoos mutserd-mijt, houtmijt, enz.
mijt, miten hebben, mijten, duiten of geld hebben.
mik, mik, brood van gezift roggemeel.
mikken, mikken, (stoffelijk naamwoord), Een – boterham. Als uitroep van verwondering en ongeduld: Sapper de mikke! Ook: Sapper de mikken boterhams!
min, min, minneke = geit.
misdienaar, misdienaar, misdiener, worden de knapen genoemd, die het autaar of de mis bedienen of den dienst-Geestelijke te hulp staan.
miserabel, miser, miserabel, armzalig., de oogst is miser, dat is zeer schraal, ellendig.
misnoemen, misnoemen, (werkwoord), schelden, hatelijk noemen. Is een oud woord. Wordt in dien zin weinig gezegd.
misschien, beschien, voor misschien. Het is eene verbastering van bijschien.
misschien, misschiens, magschien, misschien. Het is zamengetrokken uit mag geschien of magschien.
misselijk, misselijk, eene zekere flaauwte.
misselijk, misselijk, onzeker, toevallig., ’t Ismet het weêr; - hoe lang Jan nog uitblijven zal.
moei, moet, moed, moetje, moedje, Moei, Moeitje, Tante, Vaders of moeders zuster.
moer, moer, (onzijdig), moeren, veen, ook voor moerland en voor slijkigen, drassen grond. voor moerlanden, ’t welk echter ook veel gezegd wordt, van slijkerige drassige landen, elder
moeren, muren, moeren, moeren, onklaar maken. Hiervoor ook poelieën.
moezelen, moezelen, (op) = opëten.
mofje, [soort handschoen], mofjes, handschoenen zonder vingers., "Dat staat - ; dat is: treffend, verrassend, roerend."
mogelijk, meugelijk, of mogelijk, voor aardig, verwonderlijk.
mogen, meugen, mogen, gaarne hebben, vooral spijs of drank.
mok, mok, nevel, mist. Ook in zamenstelling moklucht, mokregen, mokachtig. ’t Is mokkig weer.
mokkel, moggel, mokkel, zwaarlijvig persoon, voornamelijk eene dikke vrouw.
mokken, mokken, pruilen.
mol, mol, Zie Mul.
molen, meulen, molen.
molenvarken, molenvarken, (een insect) = kelderzeug, pissebed.
momber, mommer, (mannelijk), voogd.
moor, moor, zwarten, gegoten, ijzeren ketel, waarin ’t water wordt gekookt. Ongetwijfeld noemt men hem alzoo om de overëenkomst zijner kleur met de Mooren of zwar
moos, moos, (vrouwelijk), grachtje tot waterafvoer van ’t water enz. der goot. Oudtijds was mose, slijk. Hiervan bestaat de spreekwijze: moos hebben, voor geld hebben, welvaren
moosgat, moosgat, (mannelijk), gootgat.
morgen, mergen, morgen.
morsdood, morsdood, gansch, geheel dood.
morsig, [vuil], smorsig, morsig, vuil.
morzel, murzel, morsel, kruimel., Er schiet geen’ murzel, dat is niets over. Van hier de (werkwoord) Murzelen en vermurzelen = (ver)kruimelen.
mot, mot, Iemand in de mot hebben, voor iemand in ’t gezicht hebben.
mottig, [pokdalig, door mot beschadigd], mottig, pokdalig. Ook voor vuil, in welken zin het oudtijds veel gebruikt werd.
mul, mul, (onzijdig), stof, zand, aarde. Men zegt: turfgemul enz. Mullige aarde is losse, poreuse aarde.
mulder, mulder, molenaar, zoowel voor eenen molitor, als voor den meikever onder dien naam bekend.
mult, mult, (zelfstandig naamwoord), menigte., Er zit een’ mult musschen. Ik heb mee (met) multen patrijzen gezien. Het woord zal zoo veel als het Fr. multitude beteekenen.
murw, murw, gaar.
muts, muts, (vrouwelijk), "hoofddeksel van mannen en vrouwen. Men zegt praat -, babbel -, kebbel – enz.; lulmuts voor babbelaar, babbelaarster. De goede, de kwade muts op hebbe
mutsaard, mutsaard, mutserd uitgesproken = takkebos.
muur, mier, muur, murik. Ook walg.
na, na, Het onderscheid tusschen na en naar wordt hier, gelijk vele andere dergelijke woorden, slecht nagekomen. Echter dunkt mij, dat het taaleigen dezer str
naakt, naaks, "naakt, bloot. Ook nakend. Moeder- of paddenaaks; moeder- of paddenakend is geheel naakt."
nachtbraken, nachtbraken, (werkwoord), den nacht in slenterij of beuzelingen doorbrengen.
nagel, nagel, nagels, spijker.
nagelen, [spijkeren], nagelen, (werkwoord), spijkeren
narzig, narzig, (bijvoeglijk naamwoord), norsch, bits, wrevelig.
nauw, naauw, karig. Men zegt ook naauw bezet, naauw zien.
nauw bezet, naauw bezet, voor karig.
nauwpuntig, naauwpuntig, naauwkeurig.
navel, nagel, navel.
nee, nee, neen.
neer, neer, neerde, "’t deel of plaats in den stal bij de deur; neerdeur = staldeur."
neerzetten, neerzetten, terecht, op zijne plaats zetten, iemand geducht, ongewasschen de waarheid zeggen.
neetoor, [vervelend persoon], neetoor, voor kitteloorig mensch.
nek, nek, hals.
nemen, namp, en nampen voor nam en namen. Zoo ook kwamp voor kwam en meer dergelijke woorden.
nest, nest, heimelijk ding. Zoo hoort men: ’t is ’n nest van een kind voor een lastig of ondeugend kind.
nestel, nestel, (onzijdig), wat de vogel tot bouwing van zijn nest gebruikt.
nestelen, nutselen, nusselen, talmwerk doen, talmen. Van hier nutselaar.
net, net, juist, precies., Mijn kleed is net als ’t uwe. Het is net 10 ure geslagen. Krek heeft hier dezelfde beteekenis.
netten, netten, (werkwoord), brood, of mik natten.
neuken, neuken, stooten, futselen, in drift wegwerpen. Van hier wegneuken en opneuker voor opstopper, oorveeg.
neusdoek, neusdoek, neuzik, den opperhalsdoek die de vrouwen en meisjes over het hoofd, kleed of jak dragen. Na de invoering eener fatsoenlijke wijze van neussnuiten bezigde men
neutel, neutel, (neutelke, neuteltje), voor een vrouwtje dat geen groot verstand heeft, daar, gelijk men in de wandeling zoude zeggen, het niet diep bij
neutelen, [lastig zijn, talmen, prutsen], neutelen, (werkwoord), moeiëlijk of lastig zijn. Meer gebruikelijk is neutelig voor knorrig, moeiëlijk.
neutelig, neutelik, neutelig, gemelijk.
neuzen, [snuffelen, berispen], neuzen, berispen, een neus krijgen.
nevens, neffe, neffen, naast, nevens. Er glad of geheel neffen zijn, beteekent zich ten eenenmale bedriegen, het spoor bijster wezen. De spreekwoorden er glad of gelijk neff
niemand, niemes, niemensch, en niemensch voor niemand.
niet, nie, niet. Is hier, als in België, algemeen in gebruik.
nieters, nieters, In een kinderspel heet het: Oppers of nieters, dat is kruis of munt.
nieuw, nieuwd, nuw, voor nieuw, in de praattaal.
nijdig, [zeer begerig], nijg, zeer begeerig., " nijg op vleesch, pannekoek enz.; nijg om te gaan wandelen."
nijdig, nijg, verkorting van nijdig. Men zegt: neeg gaan, voor vlug, snel gaan; ook nijg werken.
niks, niks, niet, niets, niemendal.
niksnutter, niksnutser, iemand die niets nuttigs verricht, een dagdief.
nippig, nippig, barsch, vinnig., Hij sprak nippig. Dat is een nippig ding van een meisje voor een bits meisje. Van nippen.
nirken, nierken, ierken, (werkwoord), herkaauwen door het vee.
nobis, [Laatste Oordeel], nobis, Te – komen. Gods gericht komen.
node, nooi, noode, ongaarne, met verdriet.
noodstal, noodstal, De plaats, waar de paarden, om beslagen te worden door nood, door geweld, bedwongen of gedwongen worden. Men zegt hiervoor, bij verkorting, veel noost
nop, [tegenwerker], nop, nienop, ninop, nupje, dwarsdrijver.
nukken, nukken, (zelfstandig naamwoord), luimen.
nummer, noemer, nummer. Er geen noemer van doen beteekent: het getal niet noemen, niet opgeven.
nust, nust, hier niet gebezigd.
nuun, nuuntje, "fluitje; in de kindertaal."
nuver, nuver, nuverig, niever, nijver, zeer ijverig, arbeidzaam. Zie Niever.
ocharm, och! erm!, Och! Arme = ach, helaas.
oer, oer, ijzermaal = ijzererts.
ogendienaar, oogendiender, oogendiener, voor vleijer.
olijk, oolik, oolijk, doortrapt, schrander, slim.
om, om, omstreeks., Om Paschen zal ik eens komen.
omkant, omkant, (omkanten) omtrek en omstreken.
omweg, [langere weg], omweg, een weg of pad niet het naaste. Zoo zegt men: die weg is om. Gij gaan een kwartier om.
onbesuisd, onbesnut, onbesoesd, onbesuisd, onbehouwen, onbedacht, onstuimig., Ga niette werk.
onderkomen, onderkomen, (werkwoord), verwaarloosd worden, in verval geraken.
onderwijl, onderwijl, in tusschentijd.
onderwonen, onderwonen, (werkwoord), door slechte bewoning of niet onderhouden een huis laten vervallen of het aanzien doen verliezen.
ondeugend, [niet deugend, bijdehand], ondeugend, bij de hand, goed beslagen.
ondeugend, ondeugendig, ondeugend. Meer woorden met een’ dergelijken staart hoort men hier.
ongerecht, ongerecht, Van eenen bijënkorf zegt men, dat hij – is, als hij geene koningin bezit. Eenen ongerechten korf ontbreekt iets wat hij niet missen kan.
ongerens, ongerens, (het tegenovergestelde van gerens) = onrechtvaardig, onëerlijk. Er is eene spreekwijze: Ongerens gebenedijt niet.
ongezien, ongeziens, Ietskoopen of ruilen, dat is ongezien.
onnozel, onnoozel, (bijwoord), onschuldig. Hij was er – aan.
onnozel, onnoozel, (bijwoord), ongelukkig. In deze beteekenis zegt het zoo veel als buiten zijne schuld ongelukkig te zijn, een deerniswaardig lot bekomen te hebben.
onnut, [nutteloos, smerig, ondeugend], onnut, onrein, vuil, smeerig. Hiervan onnutterik voor een smeerpoets, onrein persoon.
onpaar, onpaar, oneven.
onraad, onraad, ontuig, vuilnis. Weinig hier in gebruik.
ont, ont, leelijk, vieselijk, verwaarloosd., Die jongen ziet eruit. Deze akker ligt ont.
onterik, onterik, vuilik, onzindelijk mensch.
ontfutselen, ontfutselen, (werkwoord), heimelijk ontnemen, afhandig maken.
ontlijken, ontlijken, (werkwoord), er niet als vroeger uitzien.
onverschillig, [willekeurig, geen verschil makend], onverschillig, verschillend, uitëenloopend.
onze-lieve-vrouwe-haantje, onze-lieve-vrouwe-henneke, onze-lieve-heershaantje, een insect.
onzienlijk, onzienlijk, onoogelijk, slordig.
oog, oogje, lonkje. Iemand een eugske schieten of geven beteekent iemand toelonken.
oogscheel, oogscheel, ooglid, zooveel als oogdeksel. Zie Scheel.
oogsten, [het gewas binnenhalen], oogsten, ooksten, Alzoo noemt men in deze streken het rapen of nalezen der korenaren, na het inzamelen der schoven.
ooit, ooit, (bijwoord), van den verleden tijd = wel eens. Zoo zegt men bijv. Ik heb het ooit hier zien met water onderloopen.
ook, ook, ter bekrachtiging of bevestiging = ten volle, voorzeker, volkomen., Ik geef u ook gelijk in die zaak. Het is ook waar wat gij gezegd hebt.
oor, ter oore komen, bekend worden wegens aanbrengen.
op, op, "Hier zegt men vruchten op de boomen voor vruchten aan de boomen; op de lucht komen voor in de lucht komen; visch op den vijver voor visch in den vijv
opbeuken, opbeuken, oprispen. Vgl. beuken.
opbeuren, [optillen, bemoedigen], opbeuren, aanmoedigen, oprokken.
opbotten, opbotten, oprispen.
opdoen, opdoen, (werkwoord), in orde brengen.
opdoen, opdoen, (werkwoord), bekomen, verkrijgen., Hij heeft met die koopmanschap veel opgedaan, dat is voordeel behaald. Dat meisje doet eenen goeie’n op, ’t welk beteekent dat zij eenen rijken of deftigen man zal huwen.
opdraaien, opdraaiën, opbinden = wijs maken.
opflikken, opflikken, (werkwoord), opflikkeren, = opknappen, opsieren, iets van mindere fraaiheid netheid bijzetten.
opgang, opgank, (werkwoord), opgang maken, = veel beweging, drukte maken. Van zich doen hooren of spreeken.
opgebeurd, opgebeurd, opgeruimd, vroolijker dan te voren.
opgeven, [sommen etc. opgeven], opgeven, vraagstukken ter beantwoording voorstellen.
ophevelen, ophevelen, (werkwoord), bedotten, opbeuren.
ophouden, ophouden, daar houden.
opkalken, opkalken, (werkwoord), opschrijven, in het krijt stellen van schuld.
opkeren, opkeeren, belemmeren, tegen houden.
opklotteren, opklotteren, met kluiten werpen.
opkoesteren, opkoesteren, zuiveren, versieren.
opkrassen, [vertrekken], opkrossen, opkrassen, vertrekken.
opluchten, oplochten, (werkwoord), blijde worden of maken, zich verheugen, ergens mee ingenomen zijn., Gij moet hem in die ziekte wat oplochten. Jan was met dat vertelsel erg opgelocht.
opmaken, opmaken, voor verkwisten. Opmaker = verkwister.
opneuker, [klap of stoot], opneuker, opstopper, oorveeg.
opnieuw, oppennieuw, opnieuw, nog eenmaal.
opper, opper, een hoop hooi, kleiner of lager dan eene mijt. Van de prei in ’t veld zet men het daar doorgaans in (op of aan) oppers.
opperen, [als oppperman werken], oeperen, upperen, opperen, ueperen, aanbrengen, kalk en steen aanbrengen ten dienste van den metselaar, het hooi op hoopen zetten.
oppers, [in oppers of mieters raden], oppers, Gewoonlijk met centen (vroeger duiten) hoort men: raad oppers of mieters, wat beduidt: kruis of munt, of kruis boven of onder.
opraden, opraden, (werkwoord), raden. Bij kinderspelen is opraden, spelen of raden wie het eerste spelen zal.
opredderen, opridderen, beredderen, schoon, effen maken.
oprokken, oprokken, 1) diets maken. Men kan hem alles - , voor wijs maken, doen gelooven. 2) ophitsen. Is een oud woord.
opscheppen, opscheppen, (werkwoord), opdisschen.
opspelen, opspelen, op den poot spelen = uitvaren, kijven, den baas spelen. Elders zegt men: de beest spelen.
opspieden, opspieden, (werkwoord), "(Opspieën) = aanduiden, bekend maken, bijv. Ik zal u eenen knecht opspieden; hij heeft mij eenen dienst opgespied."
optrekken, [omhoogtrekken, opvoeden], optrekken, (werkwoord), opvoeden.
optrossen, optrossen, (werkwoord), weg- of heengaan, vertrekken., De gasten zijn opgetrost. Men gebruikt het meestal als het vertrek of de verwijdering gewenscht wordt en beteekent zoo veel als met pak en zak verhuizen.
opzetten, opzetten, (werkwoord), verkrijgen, bekomen, nemen., Hij heeft eene vrouw, eenen knecht, eenen winkel opgezet.
opzien, opzien, (werkwoord), met verwondering zien., Wat heb ik daarvan opgezien. In dezen zin zegt men ook opkijken, zooals kijken hier veel voor zien gebezigd wordt. Het znw. gebruikt men hier voor verbaasdheid, verwondering, druk gesprek of verergernis. Bijv. Gij moest dat niet doen, want het verwekt groot opzien.
orde, orde, in de wandeling order = welvaart, goeden staat van gezondheid., Ik ben al in order. Hij zal niet gaauw (spoedig) in order zijn.
orgel, orgel, Dit wordt hier mannelijk in plaats van onzijdig gebruikt. Zoo ook kerkhof en andere. Men weet, hoe het volksgebruik op verschillende plaatsen de gesla
ossenboer, ossenboer, een boer, die niet vermogend genoeg is, een paard te koopen en te onderhouden, eenen os voor zijne kar en ploeg spant. Toch bezigt menige welgestelde
oubollig, aubollig, auballig, voor oud, versteend, kwijnend. Zoo hoort men hier veel een aubollige boom of heester voor eenen boom of plant die niet weelderig maar treurend of kwij
ouder, ouder, meest ouwer uitgesproken = ouderdom of in ’t algemeen voor leeftijd., Dat kind is groot voor zijnen ouwer. Die vrouw is nog hel (vlug) voor haren ouwer. Het woord zal eene verkorting voor ouderdom wezen.
oudlings, ouwlings, en ouden tijd = voorheen, van ouds, in voortijden.
over en weer, overëntweêr, een oogenblik, korten tijd., Piet is maarhier geweest. Ik ga - naar mijnen buur.
overdekker, overdekker, zeker vogeltje, aldus naar den vorm van zijn nest genoemd.
overeind, [rechtop], overëind, "overhoop, bijv. Het volk liep overeind, de straat, of buurt liep overeind, de menschen stonden overeind of overhoop; d.i. waren te been = uitgeloopen
overentie, overentie, (klemtoon op de 3de lettergreep) overtallig, te veel., Er zijn nog 3 paar sokken en 5 doeken in overentie.
overgang, overgang, overgank, voor besmetting, wanneer eene ziekte van den eenen op den anderen overzet, of overgaat.
overheid, overigheid, overheid, oversten.
overkant, [overkants, schuins], overkant, overkants, schuins.
overloop, [besmetting], overloop, besmetting, even als overgang.
overschriks, overschriks, of schriks-over = bijna tegenover elkander of wanneer spraak is van voorwerpen die als met overspringing tegenover elkander zijn geplaatst.
overslag, overslag, (een) maken = eene berekening maken.
overweg, over weg, Met iemand niet over weg kunnen = met iemand niet overëen komen, niet kunnen geraken; Met iets geenen weg weten of met iets niet weg kunnen beteekent:
ozendrop, neuseldrop, euseldrop, wordt hier veel gezegd voor oos-drop, oosel-drop of hoosdrop.
ozing, neuselen, neuzelen, euselen, dat gedeelte van ’t dak, hetwelk buiten den muur vooruitsteekt. Men zegt: het dooit, de neuselen druppen. Van hier neuseldrop of neuzelendrop.
paaien, paaiën, met vleiërij of zoete woorden tevreden stellen. Meijer schrijft voor paijen, voldoen, overtuigen, te vreden stellen. Zou het niet het fransche paix, v
paal, paal, grenspaal of scheidspaal, een steen of kei die de grens bepaalt. Ook bij Kiliaen is paal hetzelfde als paalsteen.
paap, [voornaamste paal in kegelspel], paap, (mannelijk), koning of voornaamste paal in het kegelspel.
paar, [even], paar, even.
pad, pad, eenen kleinen of binnenweg, eigenlijk voetweg, want wegen welke met karren bereden worden geeft men nooit dezen naam, althans niet als het groote of m
paddennaakt, paddenaaks, paddenaakt, geheel naakt, zoo naakt, zoo kaal als eene pad. Paddenaakt-jong zegt men gewoonlijk voor eenen vogel, welke nog geene vederen heeft.
paddenvoets, paddevoets, "zeker onkruid met gele bloempjes; elders paddebloem, camille."
paffen, paffen, rooken (eene pijp of sigaar). Wordt gewoonlijk door kinderen of schertsende gezegd.
pagadder, pagadder, (mannelijk), kleine jongen. Mogelijk van paggelen, wat elders voor onbehendig of lastig gaan van kleine kinderen gezegd wordt.
pal, pal, vast, onbeweegbaar.
pan, pan, "Oudtijds beteekende panhuis een brouwhuis of brouwerij, naar de groote ketels; in den ouden tijd pannen genaamd, waarin bier en andere dranken gemaak
panhuis, panhuis, beteekende oudtijds een brouwhuis of brouwerij en heette aldus naar de groote ketels, in den ouden tijd pannen genaamd, waarin zout, bier en andere dr
papier, pampier, (onzijdig), papier. Het sterft uit, was vroeger algemeen, waarom het in oude schriften en boeken gelezen wordt.
papzak, [dikkerd], papzak, dik, zwaar mensch.
partoeten, partoeten, zeker kaartspel.
pas, pas, welvarend, ook in den ontkennenden zin., Ik ben weder wel, goed te pas. Bezoek uwen buur, want hij was niet goed te pas.
passen, passen, te pas komen, zeer wel gelijken., Die post zou mij goed passen, dat is niet te onpas komen.
paternoster, pater-noster, wordt soms gezegd om uit te drukken eenen zeer korten tijd, een oogenblik, zoo lang als het bidden daarvan vereischt. Kleine tijdsbepalingen placht me
pee, pee, peeke, grijsäard, oud man. Verbastering van père of Peeter.
pee, pee, peekoffie, cichorei.
peet, peet, peetje, meter.
peizen, [in een arm dragen], peizen, het dragen van kleine kinderen op den arm.
pel, pel, schil, bast, schors, dop.
pellen, pellen, (werkwoord), de schors of bast afstroopen.
pernuts, pernuts, weinig waard., Het is niet veel - . Ook wordt het als tusschenwerpsel wel eens gehoord.
pers, pors, (werkwoord), pers. Meijer heeft porsse, persing, zoodat ’t geen verbasterd, maar verouderd woord is. Porsen, = persen.
persen, porsen, voor persen.
perzik, pesik, (de e soms als ai) = perzik.
peternel, peternelleke, vergeet mij niet.
peuk, peuk, eenen afgunstigen of schraapzuchtigen mensch. Ook wel een plaatzieke jongen of meisje.
peulen, [doppen], polen, (werkwoord), ook peulen, = doppen, uit den dop nemen., Erwten polen.
peuteren, peuteren, (werkwoord), stil of zachtjes uitgraven of uithalen.
piel, pieleke, kuiken.
piepenbergen, piepenbergen, zeker kinderspel = schuilhoek spelen.
pier, pier, aardworm.
pietelaar, pietelaar, (mannelijk), wambuis.
pijl, pijl, voor spier. Men zegt hier graspijltjes, haarpijl, een pijltje stroo, hooi en diergelijke.
pijn, pijn, verdriet, afkeer., " Hij heeft pijn, dit zoo duur te betalen. Oudtijds beteekende pijn, moeite, arbeid, waarom men nog, ook in deze streek zegt: het is der pijne waard; zoo mede in ontkennenden zin: dat zal de pijne niet waard zijn."
pijnappel, [dennenappel, soort gebak], pijnappel, appel met deeg omringd en in den oven of ’t vuur gebakken.
pijp, pijpen, worden alhier alle langwerpige onderaardsche gangen genoemd, bijv. de pijpen van vossen en konijnen.
pikker, pikker, (mannelijk), stekel, doorn.
pil, [afkeer], pil, afkeer, walg., Hij heeft een’ pik op hem. Hij heeft er een mier aan.
pimpelen, pimpelen, (werkwoord), een goed glas drinken. Vroeger verstond men onder pimpeltgens kopjes met ooren.
pinegel, pinëgel, egel, stekelvarken.
pingelen, [afdingen], penkelen, peekelen, pingelen, pinkelen, Afpegelen, voor afdingen, afknibbelen, waarvoor men elders penteren zegt. In den kleinhandel bijv.: “Wat ligde (ligt ge) weêr te penkelen?” Hierom zeg
pinken, pinken, Bij de pinken zijn is zeer vernuftig, bekwaam zijn.
pinksterbloem, pinksterbloem, Zekere bloem omstreeks Pinksteren open. Het Pinksterbloem zingen door versierde meisjes bestaat nog in eenige plaatsen. Te Westerhoven is het gebruik
Pinksteren, cinksen, voor Pinksteren, vooral door de landlieden.
pits, pitske, (een) = weinig. Een – brood.
pitsen, pitsen, (werkwoord), uitnemend weinig drinken of proeven., Hij pitst maar. Ge hebt er niet van gepitst.
pittig, pittig, driftig, lichtelijk boos.
pladen, pladen, de balken waar de vier leemen muren op rusten, alsook die waar het dak op rust.
plaidanker, plaisdanker, flitsdanker, vleiër.
plat, plat, sluw, schrander. Een platte is een schalk, ondeugd, slimme, sluwe enz.
platziek, platziek, erg ziek. Zoo zegt men: de zieke ligt plat te bed. Platte kinderen zijn kinderen die nog niet loopen.
plavuter, plavuter, (mannelijk), "arm mensch; ook wel voor een’ gemeenen kerel; onverschillig levend, weinig beduidend mensch."
plek, plak, plek, (vrouwelijk), plaats., Ik verlang een plaats (plak) in een kerkbank. Er is plak voor 100 man in die kamer. In de plak van mijnen broeder zal ik gaan. Zie Plek.
plek, plak, vlek., in de kleederen, op het papier. De plak was vroeger een strafwerktuig in de school.
pletsen, [geluid maken met water], pletsen, pletschen, het water roeren.
plichtig, [schuldig], plichtig, schuldig, dadig. Volgens Hoeufft komt het van plegen, bedrijven; niet van plegen, gewoon zijn of van plicht."
plichtig, pligtig, Zeer algemeen is dit woord in de beteekenis van schuldig, dadig. Het komt van plegen, bedrijven, niet van plegen, gewoon zijn, of van pligt.
plimp, plimp, (vrouwelijk), wimper, ooghaartje.
plimpen, plimpen, (werkwoord), de wimpers doen bewegen.
plug, vlug, bij letterverwisseling = plug, dat is deugniet, lichtmis. Ook bezigt men het hier in de beteekenis van schalk. Zie Strop.
plukken, plukken, 1) berooven, plunderen, oplichten, vooral in rechtsgedingen; 2) rooiën.
poel, [lokroep; koosnaam], poeleke, Een der liefelijke woordjes, welke minnenden elkander, vooral aan meisjes geven. Van de kinderen werd het op de vrouwen overgebracht.
poel, pullen, pullekes, op andere plaatsen poelen of poeliën, noemen de boerenlieden alhier de jonge hoenderen. Meer dan waarschijnlijk komt het van het Fransche poule en het
poeliën, poelieën, (werkwoord), het water onklaar maken, muren. Zie dat woord.
poen, poen, geld, hier weinig in gebruik. Het is een oud en gemeen woord, zegt Bilderdijk.
poen, [kus], poen, zoenen, een zoen geven.
pof, pof, Iets op den pof koopen is zonder dadelijke betaling koopen. Op den pof praten voor zonder grond of genoegzame zekerheid iets vertellen.
poffen, poffen, (werkwoord), op crediet koopen.
poliets, polits, sluw, geslepen, slim.
pompoen, pompoos, (vrouwelijk), pompoen.
ponder, punder, unster, (mannelijk), ponder. Men zegt wel eens: het zal veel of goed punderen voor zwaar wegen.
pooien, pooien, stevig, onmatig drinken.
pootje, pootje, voor podagra of voeteuvel, een niet zeldzaam gebrek bij lieden, die veel gereisd en vooral goeden sier gemaakt hebben.
post, post, blok of wortel van een’ struik, de penwortel of blok van een’ boom.
pot, pot, Den pot zoeken, vinden = den schat zoeken of vinden.
potage, pottasie, groenten.
potkarren, potkarren, potkerren = onnoozel, ellendig aanhuizen, aardig toe leven.
prang, prang, (pran uitgesproken), Prie, Prij zijn onfatsoenlijke zegswijzen of scheldwoorden voor iemand die al te gierig of een verdrukker is.
prangen, prangen, (werkwoord), naauw zien of afpersen, voornamelijk in den handel. Hiervan prang of preng van iemand die al te naauwgezet of geldzuchtig is.
prazen, prazen, (werkwoord), mompelen, morren. Het is hier weinig in gebruik.
prengel, prangel, prengel, vlegel, knibbelaar, gierigaard.
prengelen, prengelen, (werkwoord), hard of overmatig arbeiden. Zie Prangel.
preuts, preutsch, meestal prutsch en prut = gemakkelijk, toegevend. Het wordt gewoonlijk hier in den ontkennenden zin gebruikt., Hij is niet prut.
priegel, [afranseling], priegel, straf, afranseling., Hij kreeg priegel. - Priegelen hoort men ook als: Ze zijn gepriegeld.
proever, pruver, dronkaard, een misbruikmaker van sterken drank.
pront, pront, juist, naauwkeurig.
prossen, [opruimen], prossen, prussen, (werkwoord), opruimen of in orde brengen van sommige waren of zaken.
pruik, pruik, (vrouwelijk), wollen slaapmuts.
pruim, [ontevreden], pruim, ontevreden, onvriendelijk., Hij kijkt - . Zij zat zoote kijken.
prullen, prullen, voor lompen, voor zaken die geene of weinige waarde hebben.
prutboel, prutboel, smeerige of verkeerde boel.
pruts, pruts, oudtijds hoogmoedig, trotsch.
prutselen, prutselen, (werkwoord), futselen, beuzelen.
pruttelen, preutelen, pruttelen.
prutten, prutten, preutelen, (werkwoord), grommen, onvriendelijk of knorrig spreken, een norsch gelaat toonen.
puin, panen, pijnen, penen, (als in ’t Fr. ai) = het zoogenaamde peen- of hondsgras, om zijne lange voortkruipende wortelen aldus genoemd.
pul, pul, jonge hen, kuiken. Van ’t Fransche poule en het Latijn pullus, welke laatste woord allerlei jong van gedierte beteekent.
pulken, pulken, ook polken. Aan eene roof of wond – is er met de vingers aan werken.
pulveren, polferen, (werkwoord), stof verwekken.
pummel, pummel, grof, lomp mensch.
putje, putje, kuiltje (in de wang).
putter, putter, distelvink.
puur, puur, versterkingswoord, zooveel als volkomen, alleen., Ik ben puur in mijnen schik, u te zien. Zij had puur in 2 dagen niets gegeten. Puur arm is geheel arm.
puut, [juist, eerlijk], puut, Juist, eerlijk. In het knikkeren zeggen de jongens soms Puut! D.i. op ’t rechte punt. Ge moet – doen, d.i. op de juiste plaats beginnen.
raat, raat, honigraat.
rabauw, rabauwe, rabauwt, zijn hier eene soort van late appelen. Rabauw is bij Kiliaan een boef, een hoerenjager. – Voor gemeene rondzwervende lieden heb ik dit woord menigmaal
rademaker, radenmaker, raaimaker, raaimaker of radmaker, voor wagenmaker. Dezelve worden reeds raaijmakers genaamd in eenen brief der regenten van Breda van 3 Mei 1561, gelijk men het
radig, raadsig, ook wel radig = raadzaam.
raffineren, raffineeren, (werkwoord), uitdenken, verzinnen.
raggen, raggen, rakken, reggen, (werkwoord), beteekent in het wilde rondloopen, zonder ophouden heen en weder loopen, zegt Hoeufft. Alhier gebruikt men het juist in dien zin, doch het wordt meest
rakelen, rakelen, voor hetgeen men elders zegt, roeren, uithalen, enz.
raken, [toebehoren], raken, toebehooren. Dat land raakt mijnen buurman.
rammel, rammel, (vrouwelijk), een woest of lichtschikkend vrouwspersoon. Van rammelen veel beweging maken.
rammelen, rammelen, (werkwoord), afrossen. Hirvan de spreekwijze: Hij moest wat rammel hebben of krijgen.
randen, randen, (werkwoord), overslaan, nu en dan niet verrichten., Hij moet dagelijks komen, maar hij randt dikwijls. Meijer heeft voor randen: het werk staken.
randen, [bijwerken van de omtrek], randen, de vezelen of haren van de boomen enz. verwijderen.
randewei, randewei, uitspraak rendewaai, op sommige plaatsen, de weide, waar men ’t vee laat grazen. Een lichtschikkend of onnadenkend vrouwspersoon noemt men hier wel ee
ranselen, ranselen, slagen geven enz.
rap, rap, vlug., Dat is een rappe jongen.
rap, rap, boef, slecht persoon, mogelijk verkorting van rapaille.
rapen, rapen, voor het nalezen van korenaren, is alhier weinig in gebruik, zie Oogsten.
rapplement, rapplement, berisping.
ravotten, ravotten, (werkwoord), stoeiën, zich woest aanstellen. Hiervan ravotter, ravot, een mannelijk of vrouwelijk woest persoon. Het is meest verouderd.
razend, razendig, razend.
recht, richt, langs den naasten weg.
recht, richt, handelbaar., Ge kunt er geen richt mee schieten.
redderen, ridderen, beridderen, in orde brengen.
reep, reep, (mannelijk), 1) koord, touw; 2) hoepel. Nimmer hoort men hiervan lieden die niet van andere gewesten gekomen zijn, het woord hoepel, maar altijd dat van reep. Zoo
refter, reefter, hier refter, zooals ook Kiliaen heeft = spijszaal in kloosters en Godshuizen.
regel, regel, (vrouwelijk), liniaal, van ’t Fr. règle. Ook rigchel is regel. Beide is goed.
reilen, reilen, (werkwoord), scheef loopen., Mijn bol reilt. Die knikker reilde.
rek, rek, (vrouwelijk), meubel om schotels in huis te pronk te plaatsen. Men zegt ook toonderrek.
rel, [schijf], rel, (vrouwelijk), "schijf, platte eenigszins afgeronde bol, waarmede de jongens werpen; denkelijk alzoo genoemd, dewijl een dusdanige bol soms reilt. Zie op Reilen."
repel, repel, (mannelijk), stijltje, waaraan het rundvee gebonden wordt. Hiervan stalrepel.
reppen, [spreken], reppen, (werkwoord), spreken., Die zaak is lang voorbij, rep er niet meer over. Ik wilde dat gij daar over nooit meer repte.
retireren, rettereeren, (werkwoord), ’t Fr. retirer, = hard loopen, ook terug trekken. Hoor ’t paard rettereerde! De soldaten konden gerettereerd komen.
reuzel, reusel, (mannelijk), "rooster in eene kachel of boven eenen kuil; mogelijk van rijzen in de betekenis van vallen. (Russel, jb)."
riek, riek, (mannelijk), mestvork.
rientienen, rientienen, (werkwoord), een kinderspel met het tellen van rien, tien, twintig enz. aanvangende. Zie mijne Verzameling van Spelen etc.
riet, [vet], riet, ruut, (onzijdig), vet. Zoo is kaarsriet, kaarsvet.
rijeren, reeren, (werkwoord), (ee = ë) bibberen, beven., Gij reert van schrik.
rijk, rijk, reek, hark, rijf; (ee = ê) = houten hark. Ook ’t werkwoord reeken = harken.
rijmen, [rijpen], rijmen, (werkwoord), rijpen, weinig of in geringen graad vriezen., Het rijmt. Het zal dezen nacht rijmen.
rijzen, [vallen], rijzen, (werkwoord), vallen, afvallen., Er rijst zaad door de spleten. Die bloem begint te rijzen. De bladeren zullen gaan rijzen.
ring, ring, ringelen = de varkens eenen ring of koperdraad in den snuit steken.
rins, rens, rins, zerp, eenigszins scherp, niet zuur.
rist, rist, rits, mars.
rits, rits, zekere in ’t wild groeiënde plant.
ritsen, [wijken, zwichten], ritsen, (werkwoord), "wijken, zwichten; meest in een dergelijk gezegde: Jan is al rits, die is: vertrokken. Die jas zal gaauw rits zijn, dat is: versleten wezen."
ritsig, rits, ritsig.
rode duit, rooie duit, rooije duit, "dat is: roode duit of koperen duit. Sedert de intrekking of verwisseling der duiten heet het wel eens; rooie cent."
rodehond, [kinderziekte], roodehond, (rooijenhond uitgesproken), zeggen de lagere standen hier veel in plaats van roodvonk.
roem, roem, in ’t kaartspelen. Als men de 3 opeenvolgende kaarten kan toonen.
roep, [het roepen, bekendmaking], roep, eene openbare uitroeping. Ondertrouwden worden gezegd hunnen eersten of tweeden roep te hebben, wat elders hun eerste of tweede gebod heet. Het goed i
roer, [gedoofd vuur], roer, (mannelijk), op sommige plaatsen de uithaling of het gerakelde buiten het vuurijzer. Zie Keuter.
roeren, rueren, voor roeren. Men vindt het veel bij de oude Vlaamsche en Brabantsche schrijvers. Zoo ook berueren, verrueren, enz. Zie het woord Keuteren.
roest, roest, "stok, waarop ’s nachts de hoenders zitten; roest is wellicht verbasterd van rust, rusttakje voor vogels."
roesten, [rusten van kippen], roesten, (werkwoord), het rusten of slapen der hennen op den roest of slaapplaats.
rok, rok, eene bijëengebonden hoeveelheid van wol, garen enz.
rollenzanger, rollezanger, voor liedjeszanger.
rommel, rommel, prommel, (mannelijk), 1) rommel nietige of geringe voorwerpen van verschillende soort bij elkander. 2) prommel iets wat niet netjes, slordig of smerig is.
rond, rond, omstreeks, ongeveer.
rondmuieren, rondmoeren, (werkwoord), rondsnuffelen.
roof, roof, korst op eenen zweer, wond enz. Ook voor rok in de beteekenis van bundel. Zie Rok.
room, room, roome, melk. Hiervan roompot, roomteil enz. Haal de roome eens.
roos-van-Egypte, rosegipte, Reseda (bloem).
rosmolen, [paardenmolen], rosmolen, paarden molen van ’t eenigszins verouderde ros, in den dichtstijl nog overig.
rossen, rossen, de o bijna als u, = wrijven.
rot, rot, verrot.
rouw, rouw, In den rouw gaan = de mannen met eenen rouwmantel, de vrouwen met eene falie ter begrafenis gaan. Al zijn de mantels hier eenige jaren afgeschaft en d
rouwage, rouwagie, ruigte, ook verzameling van ruwen afval, welk laatste men ook bocht heet.
rouwbolsteren, rouwboosten, de eerste ruwheid, zoo wel van vruchten als personen wegnemen. Zoo zegt men bijv. Die noten moeten nog gerouwboosd worden. Deze woeste jongen zal men
rouwenis, rouwenis, ruwenis, vuilnis.
rouwkoop, rouwkoop, (mannelijk), verdriet of spijt van eenen koop.
rozijn, razijn, rozijn.
rug, [veld], rug, (mannelijk), veld of deel. (gewoonlijk door een’ greppel of ploegvoor van elkander gescheiden) van eenen akker., Dat is een smalle rug. Mijn akker ligt in drie ruggen.
ruggenstreng, rugstrank, rugstrang, (mannelijk), ruggegraat.
ruien, ruizen, ruizelen, (werkwoord), ruiën, dat is: van vederen verwisselen van vogels.
rups, reps, (vrouwelijk), rups, een insect.
rus, rus, rusch, zode. Dit eerste woord is hier zoo gebruikelijk, dat men er het laatste schier niet verstaat. Bij Kiliaen is het resch en rusch. Welëer beteekende rus
rutselen, rutselen, (werkwoord), hutselen, heen en weêr schudden.
sa, [uitroep], sa!, Uitroep = lustig, zwijg stil.
sabberen, sabberen, (werkwoord), zeveren.
salie, savie, (vrouwelijk), salie. Zie Zilf.
salie, zilft, salie, eene plant, van ’t latijn salvia. Zoo zegt men zilverbosch, zilverroom of saliemelk enz.
savooi, savooi, lompe, onnoozele vrouw.
schaal, schaal, bast of schors van een’ boom enz.
schaar, [dat wat is gesneden], schaar, (vrouwelijk), snede. Zie Scharen.
schaar, [dat wat is gesneden], schaar, maaisel, snoei.
schaarbos, schaarbosch, een bosch, enkel van kort of kreupelhout, van scharen, scheren.
schaarhout, schaarhout, elders en ook hier wel hakhout in tegenstelling van opgaande boomen. Ons schaarhout komt niet van scharen in den verouderden zin stapelen, ophoopen, m
schaars, schaars, schars, (onzijdig), scheermes.
schaars, schaarsch, naauwelijks.
schab, schab, schabbe, laster, schimp enz. is hier thans bijna vreemd.
schabbernak, schabbernak, schabernak is in het Oud-dietsch gemeen, valsch, bedrieglijk. Door een’ schabbernak verstaat men hier gemeenlijk eenen lagen bedriegelijken mensch. Ve
schabienen, schabienen, (werkwoord), schimpen, schelden, lasteren, eerrooven, smaad aandoen, schenden. Eertijds heette het schabbouwen.
schabiener, schabiener, "lasteraar, schimper, eerroover enz. Meijer heeft nog schabbe voor laster, schimp, smaad; doch dit is hier in die beteekenis geheel vreemd."
schade, schaai, schade.
schaden, [schade toebrengen], schaaiën, (werkwoord), schaden.
schaft, schoft, vierendeel van een’ werkdag.
schaften, schoven, (werkwoord), schoften, rusten, uitrusten. Arbeiders zeggen bijv. zoo wel voor een bepaalden als onbepaalden tijd schoven,, rusten na het eten, tusschen het werk. Een schoofuur is het rustuur.
schalie, schalie, (vrouwelijk), "lei; doch niet veel wanneer ze in eene lijst is gezet. Zoo zegt men ook schaliedak voor leiën dak; schaliedekker voor leidekker, enz."
schaliedekker, schaliedekker, voor leidekker is niet algemeen.
schalm, schalm, schakel eener keten.
schampen, schampen, af- of uitglijden.
schandaliseren, schandeleseeren, (werkwoord), bederven, het sieraad of fatsoen benemen., Deze kast is geschandeleseerd.
schande, schande, schande.
schandelijk, [schandelijk], schandelik, schandelijk.
schap, schab, meervoud schabben, plank van geringe waarde, gewoonlijk de buitenste plank van eenen boom. Meijer heeft voor schabbe en schobbe deksel. Sommige meenen
schaper, scheper, schaapherder. Zie mijn 1ste Taaleigen.
schappelijk, schappelijk, geschikt, inschikkelijk, toegevend., Maak het wat schappelijk. Het schijnt een verkreupelde zin van maatschappelijke te wezen.
schapperen, schappeeren, (werkwoord), ontzien, sparen., Gij schappeert de haver niet.
schapraai, schaprade, hier schapraai en schapraaike = etenskas, doch is niet van algemeen gebruik.
scharen, scharen, (werkwoord), snijden, maaiën, schrapen, verzamelen., bijëenharken. , Dat hout kan geschaard worden. Die heg kunnen wij scharen. Wij zullen den klaver nog niet scharen. Hij schaart veel geld, graan bijëen.
scharen, scharen, (werkwoord), rakelen., Het vuur scharen of inscharen, wat hier ook inrekenen genoemd wordt. Van reke, eene hark.
scharren, scharen, scharren, krabben., Hij heeft de hand geschard. De hennen scharren hier erg.
schavieren, schafvieren, schavieren, (werkwoord), ontzien, de moeite schikken, spaarzaam toedeelen., Schafviert uwen hoed wat beter. Ik schafvier den tijd. Gij moet de aardappelen schafvieren. Vergelijk Vieren.
schavierig, schavierig, schavurig, losbandig, liederlijk, baldadig, ondeugend.
schavierigheid, schavurigheid, ondeugendheid.
schavuit, schavuit, iemand die niet veel deugt. Het woord is van vreemden oorsprong. De Navorscher, 1859.
scheef, scheef, dwars, dat is onbescheiden., Hij kreeg een scheef antwoord.
scheel, scheel, deksel, van pot enz.
schelen, schelen, schillen, (werkwoord), schillen, verschillen, deeren. Zie Verschillen.
schelf, schelft, (mannelijk), hooizolder.
schelm, schelm, dief. Men zegt: er komen schelmen aan mijn bijën, dat is: de roofbijën halen den honig weg.
schemer, [halfduister], scheemer, schimmer, schemering, ook soms voor schaduw, waarvoor het oudtijds ook gebruikelijk was, glans.
schemeren, schimmeren, glinsteren, schemeren, schitteren.
schemerig, schimmerig, tamelijk. Elders en ook hier zegt men: Het gaat nogal.
schenk, schenk, been (enkelvoud) en schenken voor beenderen.
schenkbord, [uithangbord], schenkbord, uithangbord.
schenkel, schenkels, beenderen, ook in het enkelvoud, alzoo hetzelfde als schenk.
scheppen, schoepen, 1) met de schoep arbeiden; 2) afschoepen = met de spade de bovenste speet aarde afsteken.
scherf, [vrouw], scherf, wel eens een bits ding (vrouwspersoon).
schets, schets, schimp, steek.
scheut, scheut, opbrengst in maat van het graan.
scheut, scheut, schot.
scheutig, [goedgeefs], scheutig, haastig., Hij is nietom dit te doen.
schieten, [betalen], schieten, (werkwoord), betalen, niet met waren, maar met klinkende munt was ’t oudtijds in gebruik. In deze beteekenis hier nog voor terug geven, lossen, bijv. eene rent.
schieten, schieten, ontkiemen, ook opbrengen in graan.
schijn, schijn, schriftelijk bewijs., doodschijn.
schijndel, schijndel, of schijndelsteen = buitenste laag van eenen steenoven welke steenen eene mindere waarde hebben dan de gewone, omdat ze minder gebakken of zachter zij
schikkelijk, schikkelijk, voor tamelijk, Zoo antwoordt men ook hier, als gevraagd wordt, hoe het met eene zaak gelegen zij, nog al schikkelijk, in plaats van het schikt nog al,
schikken, [schatten], schikken, (werkwoord), achten, schatten, gissen., Ik schik dat het tijd is.
schil, schellen, schillen, zoo wel ’t werkwoord als ’t zelfstandig naamwoord.
schild, schild, 1) wapenbord, wapenschild; 2) een gedeelte van het dak., 2) Wij zullen twee schilden dekken.
schillen, schellen, schillen, zoo wel ’t werkwoord als ’t zelfstandig naamwoord.
schimmel, [onderdeel weefgetouw], schimmel, zeker voetplankje aan een weefgetouw.
schit, schit, een hoopje (verdroogde) koedrek.
schob, schop, schob, gebouw, hetwelk doorgaans afzonderlijk bij het woonhuis staat en tot berging van turf en andere brandstoffen dient.
schobbejak, schobjak, schoft, schoffert = deugniet, onbeschoft mensch.
schobberdebonk, schaberdebonk, schobberdebonk, elders ook schaverdebonk. Deze uitdrukking wordt gebezigd voor personen die wij thans eenvoudig een schoft zouden noemen, die namelijk op indringende,
schobberdebonk, schobberdebonk, Alleen in de spreekwijze op schabberdebonk (of op schaverdebonk) loopen, dat is ongenood en onbeschroomd het een en ander trachten op te doen, voor on
schobberen, [huiveren], schobberen, rillen, huiveren.
schoer, schoer, zware bui, vlaag. (Donder-, hagel-, regenvlaag).
schoester, schoester, "schoenmaker; weinig hier meer in gebruik."
schoffel, schoefel, (vrouwelijk), "schoffel; een werktuig."
schoffelen, [met een schoffel werken, schuifelen], schoefelen, schoffelen, wegsluipen.
schoft, schoef, eenen slechten, boozen listigen kerel. Schoeft, Schoeffel, Schoft, Schoelie beteekenen hier hetzelfde of soms havelooze, gemeene jongens of mannen.
schok, schok, "hoop, tas, stapel; weinig in gebruik. Het werkwoord schokken als zoodanig onbekend."
schokken, [schelden], schokken, (werkwoord), schelden, schimpen. Hiervan ook schokker en schokster.
schom, schom, schuim. Zoo ook schommen voor schuimen.
schooien, schooiën, (werkwoord), bedelen, het land afloopen om te bedelen. Hiervan schooiër, schooister voor bedelaar, bedelaarster. Voorheen had het werkwoord schooiën eene niet zoo
schooier, [bedelaar], schooijer, "schooister, voor landlooper, landloopster, en hiervan ook voor zoodanigen, die gewoon zijn het land af te loopen, om te bedelen. Meer bepaald gebruik
schoon, schoon, mooi, opgeschikt, zuiver, gewassen.
schoon, schoon, geheel en al.
schoonmaken, [reinigen ], schoonmaken, (werkwoord), zegt men hier dagelijks voor versieren, opschikken, opsieren. Zoo zal men bijv. aan een kind zeggen: wat heeft uwe moeder u schoon gemaakt. Het huis w
schoor, schoor, houten brugje, eene niet kostbare brug over eene rivier enz.
schoot, schoot, elders schok, zoodje. Een schoot appelen enz. is zoo veel als een – kan bevatten.
schop, schoep, houten schop, geschikt tot scheppen, niet om te spitten. Hiervoor geeft Meijer schuppe, schoppe.
schop, schup, schop, spade.
schop, schopje, drafje. Op een schopje. (draven is loopen).
schoppen, schuppen, (werkwoord), een stoot met den voet geven. Hij kreeg eenen schup tegen zijn’ been. Gij moet niet schuppen. Op eenen schupstoel3 beteekent: ergens niet van verzeker
schorremorrie, schromolie, (onzijdig), schorremorrie.
schort, scholk, voorschoot, boezelaar.
schort, schort, schortkleed, vrouwenrok.
schot, schot, pijn in den ruggegraat.
schots, schots, ruw, lomp, verkeerd.
schouden, schouwen, (een varken) = met heet water overgieten, alvorens het te scheren, zengen.
schouw, schouw, schoorsteen, de ruimte tusschen het vuur of den haard tot aan den nok van ’t gebouw. Ook in de middelëeuwen bezigde men schouw algemeen voor schoorste
schouwveger, schouwveger, schoorsteenveger.
schram, schrab, schram, schraam.
schrammen, [schaven], schramen, (werkwoord), schrammen., Ik schraamde mijnen vinger. Die kast is erg geschraamd, ook wel beschraamd.
schrank, schrank, een (met de handen) opgezette hoop, bijv. van turf, hooi, hout enz.
schranken, [ophopen], schranken, (werkwoord), het op hoopen zetten van turf, hout en sommige andere dingen., Ik heb dat geschrankt.
schranzen, schransen, (werkwoord), gulzig, onmatig of sterk eten., Er was veel te - . Zij hadden er geschranst.
schrappen, schrabben, (werkwoord), schrappen
schreeuwen, schreeuwen, (werkwoord), schreiën, weenen. Voor luid roepen is ’t weinig gebruikelijk, wel voor eenen schreeuw geven of laten, dat is een luid geroep, gil.
schrepel, schrepel, mager, rank, schraal.
schriel, schriel, schraal.
schrijlings, scherlings, schreilings.
schrijver, schrijver, (mannelijk), geelgors, eene soort van ortolaan, wiens eiëren er als beschreven uitzien.
schrikachtig, schrikachtig, vreesachtig.
schriks, schriks, schuin, dwars. Het is een oud woord.
schro, schrooike, schreukske, afsnijdsel of een klein gedeelte bijvoorbeeld van papier. Alhier is ’t niet van algemeen gebruik.
schrobben, schrobben, (het huis) schuren.
schrokken, schrokken, (werkwoord), gulzig eten.
schrokker, schrokkert, gierigaard, ook schraper.
schromelijk, schromelijk, wordt als vergrootings- of uitroepingswoord gebezigd., – wat is de koffie duur. Het weêr is schromelijk heet. Zie IJsselijk.
schuifelen, schuifelen, (werkwoord), op de handen, op eenen stok enz. fluiten.
schuren, schuren, schoeren, voor hetgeen, dat men in Holland noemt schrobben of boenen. Zoo zegt men hier nooit de keuken of de kamer schrobben of boenen, maar in beide gevallen,, sommige vrouwen schuren des Vrijdags, andere des Zaturdags. Dat het woord schuren beter is, dan schrobben of boenen, is daaruit blijkbaar, dat deze twee laatstgenoemde woorden eigenlijk vegen beteekenen.
schutsboom, schutsboom, een’ hooge boom of staak waarop met kermis of andere gelegenheid een’ vogel geplaatst is, naar welken door gildeleden dan geschoten wordt.
schutten, schutten, Eenen bol in zijnen loop stuiten wordt hier alzoo genoemd. Het is een oud woord.
schuurhaard, schuurherd, dorschvloer.
schuw, [ondeugend], schauw, schauwe, schalkachtig, grappenmaker, schalk, ook wel voor een losbandig of onbeschaafd man.
schuw, [ruw], schouw, (er) uitzien = woest, verwilderd er uitzien. Het gaat daar schouw toe, beteekent: het gaat daar ongeregeld, wild toe.
schuw weer, [ruw], schouw weêr, onstuimig weêr.
seffens, seffens, te effens, T’effens of tevens wat minder goed is. Ook gebruikt men het hier voor oogenblikkelijk, dadelijk., Het wordt seffens donker, heet, koud enz.
selderiemuts, selderiemuts, onnoozel of niet schrander vrouwspersoon.
semmelen, samelen, sammelen, sommelen, semmelen, (werkwoord), talmen, dralen, leuteren. onverstandig, langdradig spreken.
semmelen, semmelen, semelen, sammelen, (werkwoord), 1) babbelen, wauwelen. Hiervan semmelaar, -laarster; 2) langzaam en langwijlig spreken.
sent, [kledingstuk], sent, wambuis of buis, hier wammes, een mansrok met mouwen tot de lenden reikende.
sermoen, sermoon, preek of kerkelijke redevoering. Het woord is hier echter niet zoo algemeen als elders.
sik, sik, "geit, baard; doch meest lachende."
simmen, simmen, simpen, (werkwoord), huilen of weenen van kinderen, ook veinzen te schreiën.
simpel, simpel, eenvoudig, onnoozel.
simuleren, simuleeren, ’t Fr. simuler = talmen.
sint-jansbloem, sint-jansbloem, witte of groote madelief of ganzenbloem.
sissen, tissen, (werkwoord), als bedr. = sissen., De pan tist. Het ijzer tiste.
sitsenwinkel, sitsenwinkel, Men hoort hier wel eens: den heelen sitsenwinkel of de heele santenkraam voor den ganschen boel, al wat er is.
sjanfoeteren, sjanfoeteren, (werkwoord), tieren, vloeken.
sjilpen, siperen, (werkwoord), "sjilpen; van vogels"
slaan, slaan, "hoogen; bijv. op eene verkooping één slag, 3 slagen enz. zetten."
slaaplijf, slaaplijf, (onzijdig), borstrok.
slabakken, slabakken, (werkwoord), verzwakken, verflaauwen., De wind, die bloem slabakt. Zijn ijver begint te - .
slachten, slachten, slechten, (werkwoord), gelijken., Gij slacht (de a lang) hem. Die twee slachten elkaar.
slachten, slachten, slagen, vee dooden.
slachter, slagter, slachter, voor slager. Algemeen is dit hier zoowel voor iemand die vee, bepalende dit zich hier meest tot de varkens, voor anderen slagt, als voor zich zelven v
slag, slag, "soort of hoedanigheid; ook manier."
slak, slek, (vrouwelijk), slak.
slameur, slameur, slammeur, (onzijdig), slommer, beslommering, ook druk of ruw werk. Zoo zegt men: het is in dat huis altijd zulk slammeur. Enkele malen heb ik een morsig of ruw vrouwspersoo, Gij hebt of maakt - . In dat huis is altijd veel -.
slecht, slecht, (bijwoord), erg gevaarlijk., Hij is of ligt - , dat is zeer gevaarlijk ziek.
slecht, slecht, kwalijk, niet wel., Ik kan dat van daag slecht doen. Dit huis zal slecht eenen kooper, dat meisje zal slecht eenen man vinden.
slechten, slichten, (werkwoord), slechten in de beteekenis van gelijk maken. Ook in die van beslissen, bemiddelen.
slechterik, slechterik, slechtaard. Dergelijke woorden zijn niet ongemeen als vuilik, botterik enz.
sleeuw, sleu, doof, stomp. Als de tanden door ’t bijten van appelen, druiven enz. min of meer krachteloos zijn, noemt men ze hier sleu.
sleik, sleik, gestreken.
sleiken, sleiken, Een vat sleiken = strijken.
slenter, [valsheid], slenters, valschheden, bedriegerijën., Hij heeft - . Die man gaat metom. Gij moogt geengebruiken.
slenteren, slenteren, (werkwoord), rond slenteren, = heen en weer loopen, straat op straat neer gaan.
slepen, sleipen, de ei ook als ai = sleepen.
slet, slet, tod, luur. Ook wel op een ontuchtig vrouwspersoon toegepast, meer toch op eene slordige vrouw.
slibberen, [glibberen], slipperen, slibberen, (werkwoord), glibberen, uitglibberen, uitslipperen, glijden, uitglijden. Het komt van slibbe, slibber dat is slijk.
slichtmes, slichtmes, hakmes, kapmes tot het hakken van hout, enz.
sliep, sliep, Zoo scheer, zoo sliep beteekent: het een als ’t ander. Eene andere spreekwijze: zoo geld, zoo sliep, wat beduidt: voor weinig geld verkrijgt men niet
slim, slim, scheef., Die boom, deze muur staat slim.
slinks, slinks, links.
slins, slins, slints, oer, harde, rotsachtige ondergrond.
slip, [nauwe doorgang], slip, slop, naauwe doorgang in eene heg.
slits, slits, klein, kort., Uw jas is te - . Hij had eene slitse broek aan. Haar kleed is wat slits gemaakt. Dit woord is hier niet algemeen.
slodder, slodder, stapel, hoop, menigte., Een heelegeld.
slodder, slodder, een slordig, slecht of onachtzaam gekleed mensch. Met verandering der eerste letter f en s zal slodderen en flodderen gemaakt zijn.
slons, slons, slom, een slordig vrouwspersoon.
sloof, sloef, werkvoorschoot of boezelaar, welke in sommige dorpen de boeren en arbeiders dragen, ook sommige ambachtslieden. Zie Sloof.
sloof, sloof, linnen voorschoot tot over de borst reikende, door metselaars enz. gedragen.
sloof, sloof, eene goede sloof voor eene vrouw, dochter of meid, die zich voor anderen afslooft.
sloor, sloer, een onachtzaam, slordig, morsig vrouwspersoon.
sloor, sloor, een goed onnoozel of slordig vrouwspersoon.
sloor, [koolraap, koolzaad], sloor, wilde kool; het zaad heet sloorzaad. (Dit is het koolzaad)."
slot, sloot, slot, kasteel, sterkte.
sluimeren, slommeren, slooren, (werkwoord), sluimeren.
sluitappel, sluitappel, keizerskroon, eene tuinbloem.
slungel, slungel, iemand die veel langs de straat loopt. Soms is de gedachte van magerheid of weinig oordeel daaraan verbonden.
smeel, [onbebouwd land], smeel, (vrouwelijk), een stuk onbebouwd land, een akker die lang onbewerkt heeft gelegen.
smelleken, smelleke, sperwer, zekere vogel.
smerig, [vuil, vet, voordelig], smerig, smeerig, wordt hier niet alleen, behalve in de eerste beteekenis van vettig, gebruikt in die van vuil, morsig, bijv. smerige wegen, een smerige mensch, maar oo, Een smeerige weg. Een smeerig mensch.
smeuren, [vuil worden], smeuren, (werkwoord), besmeuren, = vuil worden., Wit goed smeurt licht.
smiegel, smigchel, bedrieger, ook – een jood. Van dit woord ook smigchelen.
smijten, smijten, slaan, slagen geven., Hij smeet hem ter dege. Gij moest niet gesmeten hebben. Zij smeten met de vuist op tafel. Het is een middennederl. woord.
smodder, smodderke, een kort pijpje.
smoel, smoel, mond, aangezicht., Er staat een goedeaan, d.i. goed kunnen praten.
smoken, smooken, de pijp rooken. Is hier niet zoo algemeen als in België. Men zegt ook wel smookertje voor tabakspijpje.
smokkelen, smokkelen, (werkwoord), sluiken. Van hier smokkelaar, smokkelgoed.
smookregen, smookregen, smook, stofregen, omtrent welken tijd het twijfelachtig schijnt, of dezelve regen of mist zij; aldus genaamd om de gelijkheid van mist naar rook.
smoorpot, smoorpot, doofpot.
smoren, smoren, smooren, voor smeulen.
smots, smods, slordig, onkuisch vrouwspersoon.
smullen, smullen, (werkwoord), lekker eten, goede sier maken. Zoo ook smulpartij = eetvisiet, enz.
snakken, snakken, (werkwoord), sterk verlangen., Hij snakt naar eten. Ook in de beteekenis van snikken. Bijv. Zij gaf haren laatsten snak.
snappen, snappen, (werkwoord), schielijk en als ter loops iemand ontvangen of aanroepen om hem iets te zeggen., Hij zou voorbij gegaan zijn, maar ik snapte hem.
snateren, snetteren, (werkwoord), heet of al te druk toegaan., Dáár zal ’t snetteren. Zie Spannen. Snetteren komt van snetter, dat is snater.
snee, [eetpartij of koffievisite], sneê, eetpartij of koffievisite, vooral een vrouwenkransje eenigen tijd na de bevalling, na het betrekken eener woning of bij eene of andere gebeurtenis. Zo
sneu, [snugger], sneu, slim, sneeg, snugger, schrander.
snijder, [kleermaker, glazenmaker], snijër, sneijer, (mannelijk), glazenmaker, een insect met uitnemend prachtige kleuren. Zie mijn 1ste Taaleigen.
snijder, snijders, of kleermakers, noemt men hier meestal de koorn- of Rombouten, ook puistenbijters genoemd, insecten, welke van vliegen en vliegende insecten leeft. In
snikheet, snikheet, buitengewoon heet, d.i. heet om te kunnen snikken.
snippig, [bits, vinnig], snippig, haastig, snel, scherp., Een snippige man. Die vrouw praat gemeenlijk snippig.
snips, snips, dronken. Ook jenever.
snobben, snubben, (werkwoord), snoepen.
snoeien, snoeiën, snoeijen, (werkwoord), "eten of snoepen van fruit. Kiliaen heeft – voor afkappen in ’t algemeen; alzoo beteekent het ook afbreken of afsnijden van vruchten, zegt Hoeufft."
snoepje, snub, snoepachtige vrouw of kind.
snof, snof, snoef krijgen = sterke vermaning of berisping ontvangen, waarvoor ook gezegd wordt: een neus krijgen.
snokken, snokken, (werkwoord), nokken, snikken.
snuf, snuf, snuif. Zoo ook snuffen = snuiven, snufdoos = snuifdoos enz. Een liefhebber der vrouwlieden noemt men wel eens een snufferboertende, een steek (zekere
snuffen, snoffen, (werkwoord), snuffen, ruiken.
snuisterij, snutselarij, snuisterij.
snuiten, snutten, en snutter = snuiten en snuiter.
snuitsel, snutsel, snuitsel van de kaars.
snuiven, snuffen, "voor snuiven. Zoo ook snuf, snufdoos. Hier en daar zegt men wel snuf op iets hebben, voor begeerte tot iets hebben; ook wel hij is een regte snuffer,
snurken, snurken, snorken, snorken, ronken.
soebatten, soebatten, (werkwoord), met aandrang en kracht van herhaling smeeken, ook = geveinsd, fijn of schoon praten.
soebatter, soebatter, iemand die naar den zin van anderen weet te praten.
solfer, solfer, zwavel. Het is de oude benaming. Men zegt ook sulfer.
sollen, sullen, (werkwoord), (met iemand of iets) = sollen, heen en weder trekken., Gij moet dat sullen laten.
sommige, zom, som, Sommigen.
soos, sjoses, josis, onhandig mensch, treuzelaar. Vergelijk Soos.
soren, sooren, (werkwoord), even slapen, sluimeren, vooral als men dit zonder te bed te gaan doet.
spaarsen, spoersen, (werkwoord), sprenkelen., Het water spoersde overal henen. Gij hebt hem bespoersd. Zie spiersen.
spaden, spaden, hier spaaiën = in onze noordelijke gewesten gebruikelijk spitten. Voorheen werd het algemeen gebezigd.
spannen, [erg druk zijn], spannen, (werkwoord), erg druk zijn, hard toegaan., Het spant er. In de herberg spande het gisteren. Wat heeft het er toch gespand! Op die tractatie zal ’t er weer spannen. Zie Snetteren en Wetteren.
spar, sper, (vrouwelijk), soms spar. Meer zegt men spaar.
spek, [spint van hout], spek, spint van hout.
spel, speul, spul, spel.
spelden, [naaigerei, naald van naaldboom], spelden, ook spellen, mastespelden = maste- of dennenaalden.
spelden, spelden, speten, (op den mouw) = wijs maken., Speet mijnen doek eens vast. Hij zocht u wat op den mouw te speten, dat is: hij wil u wat wijs, iets diets maken.
spelen, spelen, (werkwoord), in den echtelijken staat minvermaak plegen.
spie, spie, wigge. Als eene zaak op niets, eenen sisser afloopt, zegt men: dat komt of loopt op eene spie uit.
spier, spier, In de spreekwijze: geen spier, beteekent het niet het minste, niets. Elders zegt men: geen zier, geen pijl.
spiersen, spiersen, spiertsen, (werkwoord), spatten, springen van water, speeksel door de tanden uitschieten., Het spierste, toen ge met den stok in ’t water sloegt. Hij heeft den vloer bespierst.
spijker, spijker, Spijkers worden in de Baronie van Breda genaamd de kleine slotjes, kasteeltjes of heeren-hofsteden, die zich bij eene boerenwoning bevinden. In het Mi
spijs, spijs, Onder de mingegoede standen gebruikt men hier veel, om de mindere kostbaarheid vooral, in stede van boter op brood en mik, eene soort van pap van appe
spilworm, spilworm, kleine adder.
spint, [landmaat], spent, (onzijdig), eene landmaat ¼ van een loopense.
spit, speet, (onzijdig), spit, diepte met eene schop in de aarde te bereiken., De zwarte grond zit 2 speeten. Aan dat werk is de eerste speet gedaan. Er mankeert geen speet aan, dat is niets.
spitten, speten, (werkwoord), spitten, spaden.
splinternieuw, splinternieuw, geheel nieuw. Oulings zei men splinter- en splitternaakt voor moedernaakt.
spoeden, [haasten], spoeën, spoeden.
spoers, spoers, zekere zangvogel, ook brem (braambijter en bremspoers geheeten.
spollen, spollen, (werkwoord), gaan, loopen, drentelen, in de beteekenis van door ’t water, ’t zand, den sneeuw spollen.
sponde, spon, (vrouwelijk), spond, plank. Zoo zegt men karspon, bedspon.
sport, sproot, sport, van stoel of ladder.
sprei, sprei, gestikte katoenen deken.
sprenk, sprenk, sprenkel, (vrouwelijk), strik om vogels te vangen.
sprenkelbes, sprenkelbezie, lijsterbes.
spreuk, spreuk, vertelsel, sprookje.
spriet, spriet, kwartelkoning, zekere vogel.
sprok, sprok, broos, sprokkelig, gemakkelijk te verbreken.
spuiterij, spuiterij, jokkernij.
spul, [moeite; ruzie], spul, ’t Is zoo al spul, waarvoor men elders zegt: ’t Is zoo al werk. Ergens spul, spuls mee hebben beteekent ergens last, moeite mee hebben.
spul, spul, huisraad, klederen of andere voorwerpen., Hij heeft zijn spullen verkocht. Vat uw spullen bijëen. Haar spullen zijn verbrand.
spuug, spuw, "voor speeksel; onder gemeene lieden, vooral gehoord."
spuwen, speuwen, spuwen, (werkwoord), spuwen, speeksel uitwerpen, ook overgeven, braken.
spuwen, spouwen, braken, het overgeven der melk bij zuigelingen.
staan, staan, staget, uithouden, pal staan, durven., Ik sta het u, Hoe staget met het werk? dat is: hoe ver is uw arbeid gevorderd?
staande, [rechtop; op de voeten], staanden, staandenbeens, staande. Ik ben staandenbeens in huis geweest, dat is zonder zitten.
staande voet, [rechtop; op de voeten], staande voet, staanvoets, aanstonds, oogenblikkelijk.
staart, staart, stort, stort = staart.
stade, staai, stade, stade, pas, gemak; bij de lagere standen staat: voor gemak., Doe het op uwen staai. Ik ga er op staai henen, dat is op gemak, langzaam. Zie mijn 1ste Taaleigen. Doe het op uw’ stade, doeget op uwen staai. Men vindt het in dien zin bij Kiliaan en bij Meijer in deszelfs verouderde woorden omschreven: gelegenheid, bekwaamheid, plaats, leegen tijd; als de stade hebben, ledigen tijd hebben. In de aanteekening van stade en metstade voor langzaam is het bijv.nw. stadig, staâg, zamen getrokken
stalen, stalen, (werkwoord), gelijken, overëenkomen., Uw jas staalt op den mijnen.
stalen, stallen, voor bestallen, voor stalen, betalen. Dit hoort men echter van niet veel personen. Algemeen zegt men meer stalen, bestalen enz. in den onvolm. verlede
stalkaars, stalkaars, "dwaallicht of dwaaslicht. Het wordt alzoo genoemd, omdat het zich voornamelijk bij en in de stallen vertoont; dit doet het ook bij kerkhoven en moera
stallicht, stallicht, "en stalkaars, voor dwaallicht of dwaaslicht. Het wordt alzoo genoemd, omdat het zich voornamelijk bij en in de stallen vertoont; dit doet het ook bij
stand, [vat voor melk of boter], stand, (vrouwelijk), het vat waarin de boter gemaakt wordt, karn, boterkarn. Stand was oudtijds ook melkemmer.
stapelgek, stapelgek, geheel, gansch gek.
statie, [onderpand], statie, Iets in statie zetten is: iets tot onderpand geven.
steek, steek, (mannelijk), 1) priesterhoed. 2) voor ’t Hollandsche spit, spade. Een steek diep is een spa diep. 3) geen steek = niet, niets., 3) Ik zie geendat is ter oorzake der duisternis niets zien.
steekte, steekt, steekte, stikt, stikte, steekte, stikt, stikte = zijdewee, anders pleuris, zoowel uit koude als ontsteking ontstaande. Gewoonlijk voegt men: in de zijde, er bij. Verwisseling
steel, steel, Er bestaat eene spreekwijze: Hij is niet wel aan zijnen steel = hij is niet mak, lastig om er mee om te gaan.
steen, [hoeveelheid], steen, hoeveelheid vlas, omtrent 3 kilo.
steengruis, steengruis, (onzijdig), puin.
steenweg, steenweg, straatweg, voornamelijk als hij met keisteenen gestraat of belegd is.
steggelen, stechelen, stachelen, steggelen, "krakeelen, twisten. Men zegt ook stechelen en stichelen. Hiervan stachelaar, stichelaar en stechelaar voor twistzoeker, ruziemaker; twist zoeken is v
stek, stek, (mannelijk), afgebroken of dor takje, meervoud stekker.
stekeblind, stekeblind, geheel, volkomen blind.
steken, steeken, (werkwoord), 1) grammoedige, geveinsde toepassingen maken. 2) wordt hier als onzijdig werkwoord veel gebruikt voor belediging te weeg brengen. Dat zou te veel stek, 1) Hij steekt gaarne. Gij gaaft eenen steek.
stekkeren, [sprokkelen], stekkeren, (werkwoord), sprokkelen.
stellig, stellig, zeker.
stemmen, stemmen, druk praten.
stemmig, stemmig, zedig, bedaard.
stenen kamer, steenenkamer, Gelijk in meer oorden van ons vaderland en de Zuidelijke Nederlanden, is ook in de Baronie van Breda (zegt Hoeufft) eene zoogenaamde steenen-kamer, ee
sterlings, sterlings, "Gij ziet er – naar; dat is steroogend."
stiechel, stiechel, stigchel, onhandelbaar man.
stiel, stiel, (mannelijk), beroep, ambacht., Die metselaar kent zijnen stiel (stijl) goed. Lang, langzaam van stiel (stijl) zijn, is: langzaam van manier.
stijf, stijf, ruim., het is stijf een vat, stijf zoo veel. Dat dorp ligt stijf drie uren van hier.
stijfsel, stijsel, stijfsel.
stijsel, stijsel, stijselkremer, lompe, stijve of ongemanierde kerel.
stik, stik, geheel en al., Hij is er met zijn’ erfenis stik uit. De aardappelen zullen stik bederven. Het is van daag stik heet.
stikken, stikken, (werkwoord), stikken met eene aalgeer, stikt genoemd, om paling te vangen.
stiklijf, stiklijf, stiflijf, rijg- of keurslijf. Hoeufft acht het eene verkorte uitspraak van stijflijf, dat is eene keurs om het lijf.
stil, stil, zedig., Een stil mensch.
stil, stil, langzaam., stil gaan.
stil, stillekens, stillekes, voor zachtkens. Op bijzondere wijzen wordt dit woordje gebruikt. Zoo zegt men: ik heb maar stillekens gereden, even gelijk men elders zachtkens voor l
stipt, stip, stipt.
stobberen, stobberen, (werkwoord), stuiven., Het zand stobbert. Gij moet niet stobberen, dat is stof verwekken. Op sommige plaatsen zegt men stubber en stubberen.
stoefen, stoffen, pochen. Zwetsen
stokdoof, stokdoof, zoo doof als een stok.
stoken, stoken, steuken, (werkwoord), aanzetten, ophitsen, aanmoedigen.
stook, stook, brandstoffen. Weinig in gebruik.
stoppelveer, stoppelveêren, ook stoppelhaar = de eerste veederen van vogels.
storiën, storieën, druk en langdurig praten., Hij storiet altijd. Zij zaten hier te storieën. – Het woord staat waarschijnlijk met historie in betrekking.
stotteren, stotteren, voor hakkelen. Dit laatste woord is hier echter in algemeen gebruik. Dit stotteren, zegt Hoeufft, verbeelde ik mij een frequentativum te zijn van het
straailijk, straailijk, krachtig, stevig., straailijke kost is degelijke, zeer voedzame kost. Het woord is hier niet in algemeen gebruik.
straat, straat, openbare weg door steden, dorpen en gehuchten. Onze oudste schrijvers heeten ze ook alzoo, schoon ze toen weinig bestraat waren. De lange breede, open
straatschender, straatschender, iemand die veel straatgerucht maakt.
straf, straf, 1) sterk. 2) gestreng, wreed., 1) Een straffe vent. Die touw is niet straf genoeg. Gij gaat te straf . 2) Hij handelt straf,
straks, strak, straks, bijna., Ik was dat strak vergeten. Meer = niet lang, in korten tijd. Bijv. Wij zullen strak komen.
streek, streek, (vrouwelijk), gril., Dat is eenvan U. Hij had streeken.
streen, streen, streng., Eenelint, garen. Hiervan ook ’t woord streenen.
strekel, strekel, (vrouwelijk), speen, tepel.
striemelen, striemelen, (werkwoord), struikelen, strompelen. Meijer heeft striemen.
strijken, strijkelen, (werkwoord), strijken.
strooien, straauwen, strouwen, (werkwoord), strooiën, dat is stroo of andere ruigte onder de beesten spreiden om op te liggen. Zie Straauwsel.
strooisel, [strooigoed], straauwsel, strooisel.
strop, strop, guit. Het verkleinwoord is strupke.
struffen, struffen, (werkwoord), stuiten, stillen, haperen, niet voldoen., De honger is gestruft.
struif, struif, pannekoek, spekstruif.
struis, struisch, zwaar, kloek, sterk, zoowel van bezielde als onbezielde wezens. Groot of sterk van gestalte.
stubber, stobber, (vrouwelijk), (mannelijk), gebezigde stof.
stubber, stubber, stobber, stof. Ook het werkwoord stubberen en stobberen; zie dat woord."
stuiten, stuiten, (werkwoord), prijzen., Ik heb u hooren prijzen, dat is: ik heb op u horen stuiten. Die man wordt bestuit. Iemand lof toebrengen.
stuk, stik, stuk. Naar ’t taaleigen te Bergeijk.
stumper, stumper, een onnoozel mensch, een hals, een bloed.
sturen, sturen, (werkwoord), schommelen, heen en weer slingeren., Die boom stuurt. Een kinderspel heet sturen en de schommel stuur. De kinderen zeggen bijv.: Wij gaan sturen. Er is een goede stuur gemaakt.
stuurs, steur, (van storen) = stug, onvriendelijk, stuursch.
stuw, stouw, staauw, eene drift., Er komt een stouw ossen, varkens enz.
stuwen, stouwen, staauwen, (werkwoord), stuwen, voortdrijven., Gij moet de koeiën uitstouwen, dat is: van de stal naar de wei of ’t veld drijven. Van stouwen heeft men: stouwer, beestenstouwer, kalverstouwer, varkensstouwer.
subiet, siebot, (op een’) = oogenblikkelijk, eensklaps, op een’ spronk.
suf, suf, bevreesd, bang, ook kindsch.
suffen, [bang zijn], suffen, (werkwoord), bevreesd, bang zijn.
sufferd, [slaperig, dom persoon], suffer, een flaauwhartige.
suien, susen, (werkwoord), wiegen; kindertaal.
suikerboon, suikerboontjes, tuinboontjes.
suikerpek, suikerpek, zwarte drop.
suikersap, suikersap, drop.
suizen, suisen, suizen, susen, (werkwoord), zacht waaien., Het suist. Zie Sussen.
sul, snul, sul, onnoozel, eenvoudig.
sul, sul, een eenvoudig, lomp mensch.
sulten, sulten, (werkwoord), branden, smeulen. Het vuur sult maar.
sussen, sussen, voor doen zwijgen.
taalsman, taalsman, tolk. Het beteekent eigenlijk iemand die voor een ander de taal voert.
tafelen, tafelen, (onzijdig), ketelmuziek maken.
taille, talis, Op zijn talie (even als falie) krijgen, beteekent op zijnen rug, dat is klappen krijgen.
takel, takel, slechts door top voorafgegaan. Zie top en toptakel = geheel, gansch.
takken, takken, (werkwoord), tukken, langdradig zijn. Hiervan takker = iemand die tukt, talmt.
talie, talie, 16e deel eener oude el.
tanig, [mager, vochtig], tanig, vochtig, kleverig.
tasneusdoek, tesneuzik, zakdoek. Het woord geraakt in onbruik.
tassen, [stapelen], tassen, (werkwoord), laden, pakken., Ik heb alles op één kar getast.
tateren, tateren, zonder ophouden, flaauw, vervelend voortpraten.
te, te, , woord waarmede men eenen hond roept.
té-té, tè-tè, "(e als ai) = heb dank; ik dank u bij iets aan te nemen. Het wordt niet dan door kinderen of boertend gezegd."
teems, temis, eene soort van koperen of blikken emmer met gaatjes. Elders is het onze gewone zeef.
teemsje, teemeske, in sommige plaatsen timmeske = klein mandje tot dagelijksch gebruik. Het is verkleinwoord of verbasterd van teems of tems.
teer, tar, meest taar uitgesproken = teer. Zoo heeft men tarpot voor teerpot, taroven voor teeroven, taren en betaren = met teer bestrijken.
tegen, tegen, Er tegen loopen of ook wel er tegen rijden = verwijtingen of bestraffingen ondergaan., Hij is er leelijk tegen geloopen, dat is erg berispt of bekeven geworden, ook groot nadeel ondervonden.
tegenwoordig, tegenswoordig, tegenwoordig.
teil, teel, tijl, (als têl), eenen ondiepen aarden pot, in evenredigheid breed, doch laag.
telen, teulen, (werkwoord), ploegen, omploegen. Oulings beteekende het landbouwen. Men heeft eene spreekwijze van eggen of teulen weten, wat dom zijn beteekent. Meer zegt men hie
teljoor, teiloor, telloor, teljoor, bord. Het woord is ’t Fr. assiette; men hoort het slechts onder ouderwetsche lieden. Men zegt ook telder."
temet, te mets, omtrent, ook = aanstonds. Het sterft geheel weg.
temperen, [mengen], timperen, (werkwoord), al slaande mengen., van suiker, meel enz. Zoo zegt men: De struif is getimperd, dat is: het beslag voor den pannekoek is gereed.
tenger, tenger, mager.
terwijl, terwijle, terwijl, onderwijl. Ik vind het veel bij oude schrijvers.
tetteren, tetteren, (werkwoord), tateren, babbelen.
teunissen, teuniszen, (werkwoord), hard slaan., Gij teunist dien bengel goed. Hij teunisde er op. Dewijl het met Sint-Teunis (17 Jan.) gewoonlijk al gevroren heeft, bestaat er een gezegde: Heeft het met St. Teunis niet geteunisd, dan zal ’t nog teuniszen, dat is hard vriezen. Teuniszen en afteuniszen beteekent alzoo ook afrossen.
teut, teut, handelaar, in andere landen of rijken gaande.
teutelaar, teutelaar, kleinhandelaar. Femelaar.
teutelkous, teutelkous, en teutelaar, zegt men van iemand die langzaam in zijn doen of spreken is.
teuteren, teuteren, (werkwoord), sukkelen. Oulings was het sidderen. In den zin van dit laatste woord zegt men hier nog beteuterd. Eene vrouw, langzaam in spreken en doen wordt ook we
Thomas, Thomas, Sint Thomas, Op dezen dag sluiten dienstboden hunnen heer, schoolkinderen den meester, om eene gift te verkrijgen, buiten. Dit gebruik vermindert.
tiersen, tiersen, (werkwoord), tergen, kwaad maken, plagen, uitdagen., Hij tierst hen. Zij hadden hen lang uitgetierst. – In sommige streken zeggen ze tirtsen.
tiet, tiet, kip, ook tiet-ei voor een hoenderei, meest door kinderen. Met dit woord roept men ook de hoenders.
tijd, tijd, In plaats van over eenigen tijd of over een tijd, gelijk men ook veel, schoon zeldzamer, zegt, hoort men veel over tijd. Dit over heeft in deze spreek
tijd over, tijd over, eenigen tijd geleden of voor eenigen tijd., Over tijd leende ik U een boek.
tijdig, [vroeg, gereed], tij, tijdig, spoedig, vroeg., Ik zal zoo tij als gij gedaan hebben. Zoo tij mogelijk verwacht ik u.
tijdig, tijde, wordt hier als een bijwoord gebruikt voor ras in de spreekwijze van zoo tijde als, dit is zoo ras als. Men spreekt het tij uit.
tijding doen, tijding doen, tijding geven, antwoord geven, bescheid doen.
tik, [lichte klap], tik, tikske, wat, iets., Uw brood is een heel tikske grooter.
tik, tok, tik. Tokken = tikken, zachtjes kloppen.
tikken, tokken, voor kloppen, meestal zachtjes kloppen.
timmer, [timmerhout], timmer, timmerhout.
tin, ten, tin., Tennenlepels, overtend = overtind, tennengieter voor tingieter enz.
tis, [aardappel], tis, ook wel teske = aardappel, in de kindertaal.
tit, [klein beetje], titske, evenals pitske = zeer weinig., Ik kreeg maar een titske. Zie Pitske.
tittel, tittel, tittelke = punt, ook weinig.
tjaffelen, taffelen, (werkwoord), sukkelen, lang werk hebben. Hiervan sukkelaar en taffelaar.
tobben, tobben, (werkwoord), zorgen, sloven.
tobber, tobber, tobberd = iemand die met moeite voortkomt of den kost wint.
tocht, tocht, togt, (vrouwelijk), voor vruchtgebruik is hier in algemeen gebruik. Een enkele reize hoort men het woord lijftogt.
tochten, [trekken], tochten, (werkwoord), doorspelen van lucht of wind.
tochtig, [winderig, vochtig, ritsig], tochtig, togtig, wordt hier gebruikt voor vochtig, van linnen, papier en dergelijke zaken, welke vocht naar zich trekken, doch van geene andere, waarom ik oordeele dat
toe, toe, tusschenwoord., Toe! Jan kom. Toe! laat ons gaan. Ook met maar vergezeld. Bijv. Toe maar Piet, gij werkt goed, hetwelk dan beduidt: ga maar voort.
toebehoorte, behoorte, toebehoorte, Voor toebehooren of wat er bij behoort.
toebrengen, toebrengen, (werkwoord), een ander zijn glas overhandigen om daaruit te drinken, elkanders gezondheid drinken.
toedoen, toedoen, hulp, schuld., Gij zijt door zijnrijk geworden. Door toedoen van hem is hij ongelukkig.
toemaat, toemaat, toemet, toemet uitgesproken wordende, is hier hetgeen men ook het nagras, nahooi of het hooi van de tweede snede noemt. Dat de oude Brabantsche landtaal hier
toen, doen, voor toen. Wordt hier minder dan elders gezegd.
toer, toer, last. Het is een heele toer. Gij hebt daar eenen harden – aan.
toet, toetje, zoen.
toetje, [kooswoord], teutelke, tuutje. Liefkozend woord waarmede kleine kinderen soms toegesproken worden.
toetsen, [stoten], toetsen, (werkwoord), met de horens stooten, van rundvee en schapen.
toetsen, [stoten], tutsen, (werkwoord), recht tegen elkander stooten, met een glas klinken. Vergelijk toetsen.
toezien, toezien, acht geven, opletten, aandachtig zijn., Zie toe dat gij niet valt.
toeziender, toeziender, voogd.
tokken, [talmen], tukken, (werkwoord), talmen, vertoeven, verwijlen, blijven., Het tukt lang, eer het er toe komt. Gij tukte nog al. Zij moesten niet tukken en seffens maar vertrekken.
tol, dol, "hoort men hier dagelijks door de kinderen zeggen voor tol; [kapdol (voor jongens); zwipdol (voor meisjes), jb]."
tonnenstoel, tonnestoel, (ook onkiesch kakstoel) vele eeuwen onder alle standen in gebruik. Nu ziet men er nog arme lui’s kinderen in zitten.
tontelen, tontelen, Onder buurvrouwen in ’t geheim een kopje koffie drinken.
toon, teun, "toon, op eenige plaatsen = ¼ van een gewoon blad schrijfpapier; ook dat waarop de scholieren het voorschrift afschrijven. Zie Toon."
toon, [voorbeeld], toon, voorschrift waarnaar de leerlingen in de school schrijven leeren. Is thans meestal niet meer gebruikelijk.
toot, toot, ook wel tootzot, toterik = gaperd, niet schrander mensch.
top, top, (in den) = op het hoogst.
toponder, toponder, geheel onder.
toptakel, toptakel, van het hoofd tot de voeten, geheel., Jan viel in het water, toptakel onder. De koe lag toptakel in den gracht. Hij wasonder, dat beduidt: doornat of gansch in ’t water. Op sommige plaatsen, ook in ’s Bosch, zegt men topentaal.
tot, toe, tot, in de beteekenis van ’t Fr. jusque., Ik zal toe Eersel meêgaan. Minder zegt men het in de beduiding van bijv. Toe Eindhoven is feest.
touw, touw, is hier vrouwelijk. Wordt niet zoo veel als zeel gebezigd.
tranquil, krankiel, billijk, toegevend.
traperen, trapeeren, (werkwoord), het Fr. attraper = betrappen., De dief is geattrapeerd.
trappen, trappen, (werkwoord), treden, stappen., Trap in, trap binnen, trap achter. Gij moet zoo ver niet trappen.
trats, traats, traatske, trets, tretske = koperen nageltje.
treinen, treinen, (werkwoord), (ei als ae in waereld) ook trennen = dwarsboomen, sarren, bijna hetzelfde als traiteren.
treiteren, traiteren, (werkwoord), sarren. Van hier traiterkop.
trek, [tocht, smaak], trek, treklucht. In den trek zitten = treklucht, tocht gevoelen.
trek, trek, smaak., Gij valt in trek. Hij staat niet in (den) trek.
trekken, trekken, (werkwoord), vertrekken., Hij trekt naar Rome. De soldaten trekken naar Amsterdam.
trekken, [lijken op], trekken, (werkwoord), gelijken, overëenkomen, de trekken of gelaatstrekken van iemand hebben., Die neven trekken goed op elkander. Sommigen zeggen ook betrekken. Van trekken en betrekken bestaan ook trekking en betrekking.
trekken, trekken, (werkwoord), uitstellen, duren., Wat trekt het lang eer hij komt. Ik zal daarmede nog wat trekken. Het woord uittrekken wordt ook in die beteekenis gebezigd.
trekken, trekken, (werkwoord), ontvangen, loon genieten., Die jongen trekt den kost al. Hij begint veel te trekken. De knecht trekt 10 gulden.
trekpot, trekpot, theepot.
trennen, trennen, (werkwoord), overëenkomen., Zij zijn op één getrend, dat is: eens met elkander.
trenselaar, trenseler, trenselaar, futselaar.
trenselen, trenselen, transelen, (werkwoord), futselen, lui zijn werk doen.
treuzelen, treuzelen, "voor traaglijk iets verrigten. Bij Kiliaan vind ik trantselen; trenselen. Bij Meijer, verv. woord is trenselen, trantselen, fatselen, luijelijk zijn
troebel, trubbel, verdriet, drukte, moeite., Hij heeft veel - . Het is er eenhuishouden. Zij hadden lang trubbel.
troebel, trubel, troebel, het Fr. trouble., Wat is dat water - .
troebelen, trubbelen, (werkwoord), roeren.
troep, trop, troep, wordt slechts hier en daar gebezigd.
tronie, tronie, gelaat., Hij heeft een’ valsche - . Mijn buurman houdt een’ vaste tronie, dat is onveranderlijk gelaat.
trop, [trots], trop, trots, hoogmoedig.
trossen, trossen, (werkwoord), weg gaan, doch op eene ongewone of voor anderen genoegelijke wijze., Daar trost zij henen. Laat die gasten maar optrossen. Hiervoor zegt men ook wel optorsen en optrommelen.
trots, trots, voor trotschheid. Op iets trots voeren, op iets hoogvaardig zijn.
trouwen, trouwen, (werkwoord), op de wijze der Duitschers betrouwen. Is niet algemeen hier gebruikelijk.
trul, [schijf], trul, trel, een schijfachtige bol.
trullen, trullen, (werkwoord), met een’ bol of rel langzaam of zacht over den grond werpen, een’ bol of schijf voortrollen., Uw bol trult ver. Ook wordt trullen5 voor rollen van bezielde wezens gebruikt, bijv. die jongen rolde als een knikker.
tuf, tuf, speeksel, ook spouw, spuw, spuwsel.
tuffen, tuffen, (werkwoord), spuwen, ook spouwen.
tuier, tuiër, de paal welke hiertoe dient, en ook het gras dat binnen den omtrek van het touw zonder voortzetten kan gegraasd of bereikt worden.
tuieren, tuijeren, tuiëren, Dit zegt men hier alleen voor het binden of vasthechten van ’t vee met een touw aan eenen paal of staak, ten einde hetzelve alzoo te kunnen doen graze
tuig, tuig, getuig, gemeen volk, ook voor een ander slecht voorwerp. In Zuid Vlaanderen is het in de eerste beteekenis gebruikelijk. Zie De Navorscher XIX, blz. 304.
tuin, tuin, volgens den aard van ’t woord, eene omheining van beuken plantsoen, doorn, hulst enz. De eigenlijke tuin heet hier nog veelal hof.
tuisen, tuischen, Verruilen. Iemand die gedurig vee verruilt of daarmede handelende is, heet een tuischer.
tuit, toetje, builtje, klein spits zakje.
tuit, toot, teut, tuit., De toot is van de kan, van den pot enz.
tuitel, [klein kind], tuitelke, Evenals Hoeufft te Breda, heb ik dit, in deze streken als een liefkozend woord hooren gebruiken. Zelfs heb ik menigmaal hier, even als in andere Braba
tuitelen, [ruilen, handelen], tuitelen, (werkwoord), ruilen, handelen. Tuischen heeft schier dezelfde beteekenis. Beide werkwoorden duiden eene koopmanschap op hazard of avontuur aan. Een man, zich met s
tuiten, [drinken], tuten, tuteren, (werkwoord), pooiën, drinken. Beide worden weinig gehoord.
turfschop, turfschop, eene gedeeltelijke opene plaats waar de turven bewaard worden.
turven, turven, (werkwoord), of turf steken = plaggen uitsteken, om die tot turf te drogen.
tus, tusch, heide of broekgrond, gewoonlijk met kuilen en ruigte, gagel en klein houtgewas doorsneden.
tut, tut, uitroep. Veel hoort men: tut, tut! is ’t anders niet, waarvoor ook gezegd wordt: Och! och! het beduidt niemendal. Ook zegt men wel eens voor eene niet
u, u, Onnoemelijk veel wordt U hier met UW verward, zelfs in het schrijven onder beschaafde lieden. Deze spreken het meestal OU uit, de lagere standen als e
uitdoen, uitdoen, (werkwoord), uitwerpen., Gij moet die boomen - . Onze aardappelen zijn al uit (of uitgedaan).
uiten, [kinderspel], uiten, "uitloopen; zeker kinderspel."
uitersgang, [voorjaar], uitersgang, vroegjaar. Men past het somwijle ook op andere zaken toe en spreekt het wel eens oetersgang en oetersgank uit.
uitgaan, [naar buiten gaan, aflopen], uitgaan, (werkwoord), afloopen, eindigen. Slag of hoogsel van een huis of andere vaste goederen bij eene publieke verkooping uitgaan beteekent den koop toegeëigend worden.
uitgang, uitgang, de uitkomende = het vroege voorjaar of lente, beteekenende zulks den uitgang van den winter of den vasten.
uithalen, uithalen, (werkwoord), helpen, baten. Het haalt niets uit, dat is: het helpt niets.
uitkoteren, uitkeuteren, (werkwoord), uitrakelen, uithalen. Vergelijk Ned. koteren.
uitlichten, uitlichten, (werkwoord), bij eenen stervende in zijn uiterste de brandende kaars in de hand houden.
uitmuntend, [voortreffelijk], uitmuntig, voor uitsteekende, voortreffelijk.
uitogen, uitöogen, (werkwoord), afgloren, afgluren.
uitrafelen, uitreffelen, (werkwoord), uitrafelen (van stoffen).
uitsliepen, uitsliepen, (werkwoord), uitjouwen, uitlachen. Wanneer kinderen dit onderling doen, strijken zij daarbij gewoonlijk den eenen wijsvinger over den anderen”.6
uitstaan, uitstaan, (werkwoord), uithouden., Ik kan de pijn niet - . Ook verdragen, dulden. Bijv. Hij kan nieter zoo veel geld aan te geven. Gij stondt niet uit, zoo erg belasterd te worden.
uitsteken, [bovenuit steken, uittrekken], uitsteeken, (werkwoord), uitzonderen. Uitsteeken, den bezem (hier bessem) = visiet houden, terwijl huisgenooten afwezig zijn.
uitvaart, uitvaart, plechtige lijkdienst bij (of als uitzondering kort na) de begrafenis. Volgens de eigenlijke beteekenis van uitvaart is het de lijkstatie bij de begraf
uitvallen, uitvallen, (werkwoord), hevig ontstellen, ergerlijke woorden spreken.
uitvlaggen, [uitplaggen], uitvlaggen, (werkwoord), uitplaggen, d.i.: tot vlaggen (plaggen) geworden onkruid en ruigte te zuiveren. Een bosch uitvlaggen is: een bosch geheel van vlaggen zuiveren of weg
uitwassing, uitwassching, Eene – geven, eene – krijgen voor doorhalen. Geduchte berisping geven of krijgen.
uitwegen, [ergens uit komen], uitwegen, (werkwoord), een’ uitweg hebben.
uitzetten, uitzetten, (werkwoord), uitstaan, te doen hebben. Ook = uitrichten, uitvoeren, uitwerken, te weeg brengen., Met alle moeite kon ik niets met hem uitzetten. Er is met dat weêr (weder) weinig uitgezet.
ulevel, nunevel, nunevelleke, ulevel.
vaak, vaak, slaap. Vakerig = slaperig, slaapachtig.
vaal, [varen], vaal, (vrouwelijk), vaar , zekere in ‘t wild groeiënde plant.
vaardig, verrig, vaardig, gereed.
valling, valling, (vrouwelijk), zinking (catharrus) [verkoudheid, jb].
van, [familienaam], van, geslachtsnaam. Dit woord is in vele oorden van ons vaderland gebruikelijk.
van doen hebben, van doen hebben, voor noodig hebben.
varen, varen, varren, (werkwoord), 1) gaan, doen; 2) met de kar varen, dat is: rijden. Zoo zegt men turf, hout, mest enz. varen. Dit woord is dan ook wel eigenaardig, want met eenen os,, Hij vaart (vurt) daar (te) loopen. Zij voer er weer staan kijken.
varen, varen, (werkwoord), ongewoon voorkomen, vreemd zijn., Het zal hun varen vertrokken te zijn. In die plaats vaart het. Ik geloof, dat het haar gevaard heeft. Het woord is meer in de beteekenis van verdrieten of ongaarne zijn dan in die van zich verblijden, doch meest voor vreemd zijn hier in gebruik.
varken, varken, verken, houten bruggetje.
varken, vercken, of verken = varken. Men bezigde het oudtijds.
varken, verreke, verken. Wild verken is hier de naam van een kelderpissebed.
varkensblad, verkensblad, zekere plant.
varkensstouwer, verkensstouwer, voor varkensdrijver.
vast, vast, gewisselijk, zekerlijk., Het iswaar. Het isgebeurd.
vast, vast, reeds, al, voorloopig., Ik heb op de mij verschuldigde som vast de helft ontvangen. Het komt in de stadsrekening van ’s Bosch op ’t jaar 1582 als zoodanig voor.
vast, vast, digt aan, zeer nabij., Vast aan de grens, digt aan de grens.
Vastenavond, vastenavent, vasteravent = Vastenavond. Er bestaat nog eene familie Vasteravends.
vaten, vaten, (werkwoord), een’ zwerm bijën in een’ korf doen.
vedel, vedel, bij verkorting veêl = is viool.
vedelen, [viool spelen], fietelen, voor viool spelen. Fietelen of fietelvoeren is ook kermis houden, boerenkermis vieren.
vedelen, vedelen, (werkwoord), verkort velen, = op de viool spelen. Men zegt ook fietel en fietelen.
veeg, veeg, bekwame, ook lichtschikkende vrouw., Een wakkere veeg = eene vrouw die vlug werkt. [’n hèl veeg, jb].
veel, veul, voor veel, vooral door de lage standen.
vegen, [hard lopen], vegen, (werkwoord), hard loopen., Kijk dáár veegt een’ hond henen. Wat veegde dat konijn. Ik zag eenen haas, maar hij is geveegd.
veger, [stoffer], veger, "stoffer, ook varken naar de gelijkende gedaante of de borstels; ook heet het soms stofvarken."
veil, vaal, veil.
veil, veil, te koop.
veilen, veilen, (werkwoord), te koop aanbieden, te verkoop hebben. Het is van loven daarin onderscheiden, dat veilen aanbod tot verkoop van waren, loven vraag van zekeren prijs de
veldgewas, veldgewas, (onzijdig), meer alle veldvruchten bedoelende.
veldhoen, veldhoen, veldhoender, meerv. veldhoenders = patrijs.
ven, ven, verwant met veen = water of soort van weiër in de heide.
vendel, vendel, vaandel.
venijn, vernijn, venijn.
venten, venten, (werkwoord), langs de huizen veilen.
venter, venter, een koopman, die zijne waren aan de huizen veilt.
veraarden, veraarden, uitgesproken veraaren is met ontaarden niet synoniem. Veraaren beduidt eenen anderen aard hebben dan vroeger of die van zijne broers enz. Uit den aard
verandzaden, veronzooren, ook wel verhonzooren = bederven, verknoeiën.
verbenen, verbeenen, De kwartel verbeenen is door eenen valschen slag op ’t kwartelbeentje den vogel verjagen of schuw maken. Vergel. Beenen.
verbouwereerd, verbavereerd, Ned. verbouwereerd = ontsteld, onthutst, verward, ongerust. Kiliaen heeft verbaareren, dat is: in verwarring of ongerustheid brengen.
verdekseld, [krachtterm], verdekseld, (bijvoeglijk naamwoord), een uitroep en ook als bijv. = drommels.
verdoemen, verdimmen, verdommen, verdoemen., Hij verdimt te gaan.
verdoen, verdoen, (werkwoord), verkwisten, slecht gebruik, ook verteeren, opmaken, besteden., Hij heeft al zijn geld met koopmanschappen, reizen enz. verdaan. Het werd bij de Ouden veel gebruikt. Men zie De Navorscher, 19e jaarg. No. 7, bl. 417-420. Id. 21 jaarg. bl. 574.
verduld, verduld, sterk, machtig, geweldig, enz., Het isheet. Ook als een uitroepingswoord, bijv.: Verduld, wat is het koud. Volgens Wassenberg beteekent het woordzoo veel als dul gemaakt.
verduren, [lijden, duurder worden], verduren, (werkwoord), verdragen, lijden.
verduren, verduren, (werkwoord), duurder worden.
verdut, verdut, een uitroep en ook = ontsteld, onthutst, verdwaasd. Meijer heeft ook dit laatste woord.
verdutst, verdutseld, bedot, ontsteld.
verdwijnen, verdwijnen, Dit ongelijkvl. werkwoord gebruikt men hier ook in den dadelijken zin van doen verdwijnen.
vergaan, [verloren gaan, zich vertreden], vergaan, (werkwoord), vertreden., Gij moest u wat - , dat is hier: hier of daarheen gaan of wandelen.
vergang, vergang, hier vergank = uitstap, vertreding., Hij heeft geen vergang, dat is: geen persoon, geene plaats, werwaarts hij zich begeeft.
vergang, vergang, verval, bijv. van krachten, wordt schier niet gehoord, wel ’t werkwoord vergaan in dien zin.
verhaffelen, verhaffelen, (werkwoord), verfrommelen, verplukken, vooral door ’t menigvuldig gebruik van in de handen nemen, doen slijten, bederven of verwelken.
verhalen, verhalen, (werkwoord), wijten., Gij moogt de schade op mij - .
verharen, verharen, (werkwoord), weggaan, verhuizen, vertrekken, verdwijnen. Oorspronkelijk was het verhaarden, alsof men zeide van haard veranderen. Het woord is hier in onbruik gera
verhit, verhits, verhitst = verhit, meest van eene lichamelijke verhitting.
verkassen, verkassen, (werkwoord), verhuizen, vertrekken, van dienst verwisselen.
verkeerd, verkeerd, het onderste boven, het hoofd omlaag.
verkild, verkeld, verkild, verstijfd van koude.
verkoevereren, verkoeveren, verkoevereeren = bijwinnen, verwerven, vergrooten.
verkonkelen, verkonkelen, (werkwoord), verbrassen, voornamelijk in het huishouden door onnodig eten en drinken. Zie Konkelen.
verkronkelen, verkronkelen, verkroken, (werkwoord), verkreuken.
verkwisten, verkwasten, (werkwoord), verkwisten.
verlaat, verlaat, uitstel, rust. Oudtijds schreef men verlang.
verlatereren, verlatereeren, (werkwoord), ontstellen.
verlegd, verleed, verlegd, verleid.
verleiden, verlaaiën, verlaaijen, verleiën, verleiden. Aai voor ei is hier bijna algemeen.
verlet, verlet, verletsel, verzuim.
verletten, verletten, verzuimen.
verloren, [vergeefs], verloren, vergeefs. “’t Is maar verloren”, zegt men, als men meent: ’t Is al te vergeefs, of ’t Kan niet helpen.
vermangelen, vermangelen, mangelen = ruilen.
vermeutelen, vermeutelen, (werkwoord), vermolmen, wormstekig worden. Ook meutel = molm.
vernaamd, vernaamd, vermaard. Een oud woord.
vernoegd, vernuegd, vernoegd, dat is vergenoegd. Vrij algemeen is in N.Br. de uitspraak van oe, ue, zooals de ouden het ook schreven.
vernoes, vernoes, (de v als f) = boosaardig meisje of vrouwtje. Wellicht is het met venijn verwant.
verouwelijken, verouwelijken, verouden. Meijer noemt het onder de verouderde woorden.
verpeuteren, verpeuteren, misdoen, bederven, verkerven, bijv. Hij heeft het verpeuterd.
verschieten, verschieten, Geen oogen - hebben is: geen oogen geloken hebben.
verschieten, verschieten, 1) verschrikken. In dien zin meldt het ook Kiliaen;2) verkleuren. Is oud. Dat kleed, uw jas, dat behangsel, is veel verschoten.
verschillen, [verschil maken], verschillen, verschelen., Dat kan mij niet - . Zie Schillen.
verschillig, verschillig, dit woord gebruikt men hier meestal voor onverschillig en omgekeerd.
verschouwen, verschuwen, verschouwen = door schuw te maken, wegjagen, bijv. de musschen uit den tuin, een vogel uit zijn nest.
verschrikken, [schrikken, doen schrikken], verschrikken, schrikken.
verslakkeren, verslakkeren, verslekkeren, verslakken, verwelken, verslensen.
versmachten, versmachten, versmooren.
versmoren, versmooren, verdrinken., Hij is in den put versmoord.
versobbedobben, versobbedobben, (zeer weinig in gebruik) = verteeren, verkwisten.
verspreiden, verspraaijen, voor verspreijen, verspreiden. Het is de hier nog overgeblevene Brabantsche uitspraak der ei. Zie op meer dergelijke.
verspreken, verspreken, (werkwoord), afspreken.
verspreken, [verkeerd zeggen], verspreken, (werkwoord), ontvallen, iets onbedacht, verkeerdelijk zeggen.
verstand, verstand, begrip.
vertoelibrassen, vertoelibrassen, vertoelibassen, (werkwoord), Verbrassen, verkwisten.
vertonsen, vertonsen, verkwisten, door schuld verbinden., Hij heeft zijne goederen vertonst.
vertrakken, vertrakken, trakken, vertrekken, uitstellen, wachten, vertoeven, blijven.
vervaren, vervaren, voor heen komen, te huis komen., Ik ben nieuwsgierig waar hij nog vervaren zal. Het wordt hier ook wel impersonaliter gebruikt. Bijv. ik ben nieuwsgierig hoe het met hem, of met deze zaak, vervaren zal.
verven, verwen, hier verven. Wat men in Holland klad schilderen of eenvoudig schilderen noemt, heet in deze streken verven, dat is eene kleur of verw geven. Hoe Hoeuf
verwaaid, verwaaid, hoogst zelden, enkele malen., Hij komt hier maar - . Ik zie hem niet als - .
verwelfsel, verwulfsel, verwelfsel. Zoo ook gewulf = gewelf. Men zegt ook verwilfsel en gewilfsel.
verwelkomen, verwellekomen, verwillekomen, verwilkomen, verwelkomen. in de praattaal veel verwillekommen, voor verwelkomen. Zie Wilkom.
verweren, verweeren, weeren, tegenstaan, tegenstand bieden.
verwinnen, verwinnen, overtuigen, gelijk krijgen, winnen., Gij hebt met die zaak niet verwonnen.
verwreken, vervreuken, verwringen, verstuiten., Ik vervreukte mijn’ hand. Hij heeft zijnen voet vervreukt.
verzenen, vars, (mannelijk), hiel van den voet, van een’ schoen, eene kous enz. Elders zegt men vers.
verzet, verzet, vermaak, genoegelijke verpoozing, plezier. Een verzettelijke dag.
verzetten, [verplaatsen ], verzetten, (werkwoord), uit de hand verkoopen.
verzetten, verzetten, eene andere plaats geven, verplaatsen, verplanten.
verzetten, zetten, verzetten, plaatsen of verplanten.
verzulten, verzulten, verzengen. Vergel. sulten.
vesper, isperen, verbastering van vesper, avondeten., Wij gaan aan den isper. Ik zal om den isper bij u komen.
veziken, feziken, fluisteren, zachtkens praten.
vieren, vieren, feest houden, ook eenen tijd rusten of niets doen., Ik werk van daag niet en zal maar vieren, dat is rusten, in welke beteekenis de Ouden het ook bezigden. De viere was in het middeneeuwsch de rustdag.
vieren, vieren, ontzien, van personen en zaken.
viervoets, viervoets, vuurvoets, vuurvoets = vlug, snel, behendig. Hij liep - . Maak dat ge vuurvoets weg komt, dat is: heel spoedig [als de bliksem, jb].
vies, vies, afkeerig, walgelijk.
vies, [aardig, geestig], viesch, aardig, geestig. Een viesch man is een aardige of geestige persoon.
vijg, vijg, veeg, lasteren of nietswaardig vrouwspersoon. Het beteekent eigenlijk niets, zooals men ook zegt: Gij zijt mij dat niet waard. Ik wil er dat niet voor geven
vilder, vilder, "(den) = een bot mes; een zoo bot mes, dat goed dienen zou om er een paard mee te villen."
vim, vim, vem, veem, is hier zeer gemeen, wanneer van koren gesproken wordt. Het duidt een getal van 100 korengarven aan, en heb het hier nooit van graan hooren gebruiken.
vinden, vijnnen, vinden. Even gemeenzaam zijn hier bijnnen voor binden, bevijnen voor bevinden, enz.
vingerlijk, vingerlek, zeer gemakkelijk, zonder veel moeite,, Dat werk heb ik vingerlek van daag klaar.
vinnig, vinnig, snel, gaauw, vlug, rap., Het is eenventje. Gij zijt - . Hij moest zooniet zijn.
vis, vis, Zie Fis.
vitselen, vitsel, eene teen of teenen band, hier gewoonlijk tot beschutsel, vakwand of wand, (eene soort van muur) gebezigd. Dit werk heet Fitselen of Vitselen.
vlag, vlag, plag, gras- of heizode.
vlaggen, vlaggen, (werkwoord), heideplaggen afsteken.
vlak, vlak, (bijwoord), juist., vlak in ’t oog. Vlak tegenover.
vleesbloem, vleeschbloem, koekoeksbloem of Lychnis.
vleist, vleischt, (mannelijk), eene geelachtige grondstof of aarde, die het midden houdt tusschen leem en klei.
vlek, vlak, (vrouwelijk), vlek.
vleugen, vleugen, (werkwoord), voortwerpen, in tegenstelling van voortrollen. Zoo zegt men bij het beugelen: Ik vleugde den bol door den ring. Hij kan goed vleugelen. Ook: met eenen
vlies, vlies, vezel. Oudtijds beteekende het huid, vel.
vlijm, vlim, van vlimmen, een soort van mes.
vlim, vlim, vischgraat.
vlimschop, vlimschup, eene vleugelachtige spade ter uitsteking van heideplaggen, zoo als men hier zegt, om te turven of turf te steken. Deze schup of spade noemt men m.i.,
vlotgras, vlotgras, zwemkruid.
vluchten, vlugten, vluchten, als bedr. werkwoord., zijn’ goederen vlugten, zijn vee vlugten.
vod, vod, (zelfstandig naamwoord), vodden, onwelvoegelijke uitdrukking voor billen. Ook enkelv. in gebruik.
vodden, vodden, (werkwoord), futselen. Zie Fotteren.
voegen, vuegen, (werkwoord), voegen.
voelen, vuelen, voor voelen.
voeren, voeren, veuren, Hij voer daar staan gapen: Zij veurt te babbelen.
voeren, vueren, voor voeren.
vogel, vogel, Naar een zeer oud gebruik wordt hier jaarlijks op den schutsboom naar den vogel of papegaai geschoten. Zie mijn 1ste Taaleigen.
vogel schieten, vogel schieten, Volgens oud Vaderlandsch gebruik, wordt op bijna alle dorpen der Meijerij, bij sommige gelegenheden, gemeenlijk met Kermistijd, op eenen hoogen houten
vogelweide, vogelwei, braakland.
volk, volk, lieden van hun of eens anders, doch alle naaste bloedverwanten, gezin., Ons volk is gezond. Doe uw volk de groeten. Ook gebruikt men het woord om leden van dezelfde familie aan te duiden. Bijv. Van hun of dat volk wonen er velen ver van hier.
volk, volk, krijgsvolk., Met de revolutie lag hier lang veel - . Er komt morgente Eindhoven. H. is er ingevallen (ongunstig nummer getrokken) en moet onder het Volk.
voluit, volüit, ten volle, gansch volkomen. Het zijn niet – 4 dagen. Gij hebt voluit betaald.
vonder, vonder, vander, vondel, vundel, een klein brugje of brugplank. Meijer plaatst het onder de verouderde woorden.
vooi, vooike, moederkonijn.
voor, veur, in plaats van voor, in de beteekenis van ante. Zoo mede in zamenstelling als veurhoofd, veurschoot, de veurste, veurstel, enz. Volgens Kiliaen is het
voorkomen, [verschijnen, aangetroffen worden], voorkomen, 1) verschijnen, bijv. ter rechtbank, ook ontgaan, ontduiken; 2) Een goed of slecht voorkomen hebben beteekent: zich goed of slecht vertoonen, van deft
voorschieten, verschieten, voorschieten., Hier is het kwartje terug dat ge mij voorgeschoten hebt. Met den klemtoon op de eerste lettergreep beteekent het verwijten.
voorstal, voorstal, vorstal, veurstal = het gedeelte van den stal vóór het rundvee, de plaats waar ’t gevoederd wordt.
voort, voort, voortaan.
voort, voort, dadelijk, seffens, zonder uitstel. Voortmaken = onverwijld heen gaan.
voortvluchtig, vlugtig, "dat is, voortvlugtig; wordt hier wel eens, doch meest voortvlugtig gehoord. Kiliaan heeft niet anders dan dit laatste woord."
voorvel, veurvel, schootsvel, sloof.
voorvoeten, voorvoeten, blootvoets., Men ziet zoo veel niet oploopen als vroeger.
voorwitsig, voorwitsig, verwitsig, (bijvoeglijk naamwoord), "veurwitsig, en bijv. nieuwsgierig, voorbarig, gretig. Meijer heeft voorwittig en voorwitte; voorwittigheid voor nieuwsgierigheid."
voos, [stomp], voos, (zelfstandig naamwoord), stomp., Ik krijg voosche tanden. Van appelen te eten zijn de tandengeworden.
voos, voos, sponsachtig., Die turf is - .
voos, [stem], voos, stem., Gij hebt een goede voos.
vorket, forket, verket, Forket, vork, lepel om te eten. Dit bastaardwoord is hier onder den lagen en middelstand zeer gemeen en was reeds van ouds bij ons bekend, voor eene e
vorst, vorst, nok van het dak.
vreet, vreet, freet, scherp, bijtend, prikkelend., Dat is vreete wijn. Azijn is vreet.
vrijgezel, vrijgezel, ongehuwd jongman.
vroegjaar, vroegjaar, voorjaar.
vrommes, vrammes, elders ook vrommes, denkelijk van vrouwmensch verbasterd = jonge, volwassen dochter.
vrouwmens, vrouwmensch, vrouwspersoon in tegenstelling aan manspersoon of manskerel.
vuurlicht, vuurlicht, weerlicht, bliksem.
vuurschop, vuurschap, voor hetgeen men elders noemt een aschschop.
waar, wor, woor, waar, waarheid. Het wordt veelal achter eene vraag, in plaats van niet waar? gebezigd, bijv. Gij gaat mee wor?
waarachtig, warèn, warens, (de è als ai), warijn, ook warends, warens. Uitroep voor waarachtig, waarlijk, wezenlijk. Het is in weinige dorpen gebruikelijk.
waard, werd, waard, zoowel voor waardig (geldig) als voor waard (herbergier).
wade, waai, zege, groot vischnet.
wagenwijd, wagenwijd, geheel., de deur staatopen. Hij laat de kastopen.
wak, wak, (bijvoeglijk naamwoord), (bijwoord), week, nat, vochtig, los, slap, zacht, regenachtig, ongestadig., Wak weêr, wakke grond, wakke winter.
wal, wal, (mannelijk), opgeworpen aarde langs of rondom een stuk land en met hout beplant.
walg, [afkeer], walg, (de) steken = afkeer krijgen, er van walgen., De walg steekt mij om ’t langer te zien, te doen, te hooren.
walm, walm, bundel of bussel stroo.
walm, walm, wasem, damp, stoom.
walmstro, walmstroo, gezuiverd stroo.
wambuis, wammes, wambuis. Hij krijgt - , dat is: wordt geslagen.
wambuizen, wammessen, (werkwoord), slaan, afkloppen.
wand, wand, muurtje of afrastering uit twijgen of takken saamgevlochten en met leem besmeerd.
wandeling, wandeling, gemeenlijk, doorgaans. Het wordt altoos door in de voorafgegaan.
want, want, wanneer. Oudtijds veel, thans schier niet meer in gebruik.
want, wanten, (zelfstandig naamwoord), grove, warme handschoenen, meer bepaald echter zulke, waaraan slechts de duim en de kleine vinger uitsteken, terwijl de drie middenste vingers (ook we
wasem, wasem, damp, uitwaseming, adem, uitdamping., Het water wasemt nog. Koewasem = vochtige damp der koestallen.
wassen, wassen, wasen, "groeien, bijv. die boom wast goed: die vruchten wassen hard; groeien vlug."
wat, wa, verkorting van wat, even zoo gemeen als da, eigenlijk dè voor dat, enz.
wat niet, wanie, wonie, wonnie, niet waar?, Gij zult morgen komen, wanie? Hij kwam te laat wonnie?
wateren, wetteren, (werkwoord), buitengemeene drukte of lawaai geven of maken, hier ook spannen genoemd.
waterogen, wateroogen, (werkwoord), tranen in de oogen hebben, met moeite zijne tranen wederhouden.
wauwelaar, [kletser], waauwelaar, voor babbelaar.
wauwelen, waauwelen, wawelen, voor babbelen, onnutte of langwijlige praat voeren. Ik heb het ook wel in den zin van talmen hooren bezigen. onverstaanbaar spreken. Hiervan een wawel
weduwe, weeuw, weuw, weduwe.
weduwman, weduwman, voor weduwnaar. In de praattaal zegt men meestal weeuwer.
weduwnaar, weeuwer, weuwer, weduwenaar.
weduwnaar, [vonk aan de kaarsvlam], weeuwer, sprank aan de kaars, ook een rookend kooltje in de stoof.
weduwvrouw, weduwvrouw, voor weduwe. De lagere standen zeggen weeuw.
weef, weef, web, als spinneweef en spinnegeweef.
week, week, 1) zwak; 2) goedaardig, teerhartig, zachtzinnig., 1) Dat is een’ weeke vrouw. Zijn broer is altijd week. Bij middeleeuwsche Schrijvers komt het alzoo voor.
weelde, weld, welde, weeld, wilde, "weelde; in sommige plaatsen. Het is niet verbasterd, maar verouderd, want wel is de oorsprong. De afleiding van wel toont genoegzaam, dat het geene v
weer, weer, gesneden ram, hamel, mannelijk schaap.
weer, weer, (in de – zijn). Voor iemand die ons welzijn behartigt of in ons voordeel is, zegt men dat hij voor ons in de weer is.
weerga, weerga, weergaai, (de). Er de weerga van geven, beteekent (zooals men ook zegt: er den brui van geven, dat is: zich daarmede niet bemoeiën of er om bekreunen.
weerga, weergaais, als uitroep en versterkingswoord., – wat is het schoon weer of: ’t Is van daagheet.
weerlicht, weerlicht, (mannelijk), elders vuurlicht = bliksemstraal. Er is een gezegde: er de weerlicht van geven, wat beteekent: zich daarmede niet bemoeiën, zich er niets om bekommere
weeroog, weeroog, eene knoestachtige, eeltachtige verharding op het oogscheel. Het woord weer betekent eelt, onevenheid, knoest enz.
weet, weet, "voor kennisgeving. Zoo zegt men voor kennis geven de weet doen. Het wordt hier ook wel gebruikt voor wetenschap; bijv. het is maar eene weet, dat is
weet, weet, wetenis, 1) kennisgeving. 2) wetenschap, kunde, kunst, kennis., 1) Gij moet hem de weet van mijne ziekte doen. Ik heb al weet van hunne komst. 2) Het is maar eene weet, hetwelk beteekent: er is niet veel kunde of kunst toe noodig, als men het maar weet.
weg, eweg, in de praattaal voor weg, wanneer het heen beduidt., Gij moet eweg, dit is heen gaan.
weg, weg, 1) Dezen weg = hier, hier naar toe, herwaarts. 2) raad., 1) Kom dezen weg. Hij wil dezen weg, dat is: hier of bij mij of bij ons komen.2) Ik weet daarmee. Hij zal wel eenenweten.
weg en weer, weg en weer, weg ende weer, voor heen en terug. – Het is ook in vele streken van België in gebruik., Gij moet zoo veel niet weg ende weer lopen.
weg kunnen, weg kunnen, (werkwoord), kunnen gemist worden., Jammer dat hij stierf, want hij kon heel slecht weg. Als gij weg kunt moest gij namiddag komen. Wij zijn laat vertrokken, omdat wij niet eerder weg konden.
wegge, weg, klomp, klont of ronden, spitsen vorm, van welken, evenals van het genoemde soort brood, de naam weg of wegge ontstaan is. Men hoort hier meest van een, Ik breng eenen schoonenboter ter markt.
wegge, wegge, Eene wegge boters is alhier een klomp boters, doorgaans van eenige ponden, hoedanige ter markt, naar den winkel, enz. ter verkoop gebragt worden. Het
wegge, weg, wek, (bijvoeglijk naamwoord), brood, van fijn roggemeel, thans ook meer dan vroeger uit tarwemeel bestaande, gebakken. De weg ook mik geheeten, is rond of aan de einden spits toelo
weghorzelen, weghorzelen, (werkwoord), weghorzen, = driftig gaan, gramstorig wegloopen. Elders zegt men wegbruiën.
wegjeren, wegjèren, (werkwoord), in drift wegwerpen.
wegmikken, wegmikken, (werkwoord), schielijk wegwerpen.
wegscheren, wegscheeren, (werkwoord), onverwijld of spoedig trachten heen te gaan. Men zegt wel eens aan iemand: scheer u weg.
weken, [zacht maken], weiken, wèken, (werkwoord), voor weeken.
welkom, wilkom, willekom, voor welkom. Men schreef oudtijds niet alleen wel, maar ook wil. Zoo schreef men onverschillig wellekeur en willekeur (want wil is hier niet voluntas)
wenden, wenden, wènen, (werkwoord), omwenden, omkeeren., Ga ’t hooi - . Het hooi moet tweemaal gewènd zijn.
wender, wiender, mansëend.
wenkbrauw, wensbrouwen, wijnsbrouwen, ook wijnsbrouwen = wenkbrauwen. Beide eerste woorden bezigden ook onze oude Schrijvers.
weren, weeren, (werkwoord), verweeren.
weren, weren, weeren, (werkwoord), Zich weren, niet alleen voor in de weer zijn, maar ook voor hetgeen men mede in de wandeling zegt, zich uitsloven, zijn best doen.
werk, [soort of slag (dat werk)], werk, soort of slag. Men hoort dit hier zeer zonderling bij woorden elders niet gebezigd wordende, bijv. Er was veel beestwerk op de markt. Tegenwoordig is
wezen, wezen, verl. hetzelfde als weesten = geweest., Zijt geeten?
wezen, [gezicht], wezen, gelaat., Hij is knap van - . Zij heeft een rood - .
wezen, wezen, (in zijn) laten = gerust laten, niet hinderen.
wicht, wicht, kind van het vrouwelijk geslacht of een ongehuwd meisje tot omstreeks 18 jaren., Dat wicht is te jong voor dat werk.
wielewaal, wielewaal, wielewaal, zekere vogel. Doorgaans zegt men een gele wiewouw, ooit wiewouw.
wietelen, wietelen, (werkwoord), inhalig of onbehoorlijk spelen, bijv. bij beugelen, biljarten enz. Zie Ongerens.
wiezen, wiezen, zeker kaartspel.
wiggeldewaggel, wiggeldewaggel, op en neer, wiegelend., De bank gaat wiggeldewaggel.
wiggelen, wiggelen, (werkwoord), heen en weer bewegen., Laat de tafel zoo niet - . De stoel wiggelt.
wijd, wijd, ver. Het is een uur wijd., Rome is wijd van hier. Ik kan van daag niet wijd gaan.
wijer, wijer, vijver.
wijf, wijf, vrouw. Bijna standvastig zegt men van zijne eigene vrouw sprekende mijn wijf. Anderen insgelijks., Zijn wijf was niet te huis. Daar stond een wijf te dorschen. In ’t meervoudig is het op vele plaatsen wijs. Bijv. Er kwamen veel wijs voorbij. Gemalinnen van Koningen en Vorsten noemde men oudtijds ook wijf.
wijfmens, wijfmensch, wefmensch, hier en daar volgens spraakgebruik, wefmensch voor vrouwmensch of vrouwspersoon.
wijl, wijl, poos, korten tijd. Men hoort hier wel de zegswijze: bij tijd en wijle, dat is: bij tusschenpoozingen, na verloop van tijd, nu en dan.
wild, wild, los, woest., Dat kind is - . Hij heeft een wilde jongen.
wilderik, wilderik, (mannelijk), een wild, onbehouden en los kind. Het komt van wild, woest. Er zijn ook plaatsen die den naam van wilderik dragen, zijnde deze eenzaam gelegen en, met
wildernis, wildernis, wildernissen, onbebouwde gronden, doorgaans met uit de natuur daargestelde boomen, kreupelhout, gagel, soms ook met heidewas bezet. Dikwijls is ’t ook broekachtig.
winnen, winnen, (werkwoord), verkrijgen. Het wordt hier nog van de koeiën gebezigd., Die koe heeft gewonnen.
wis, wis, twijg, teen.
wit, wit, bleek. Als iemand door ziekte, schrik, vreugde of anderszins plotseling of voor eenigen tijd zijne natuurlijke gelaatskleur verloren heeft, zegt men b
witstaart, witstaart, zekere vogel = langstaartje.
woele, woele, woord, waarmede men de eenden roept.
woeperen, woeperen, (werkwoord), op en nederwaarts gaan. Van wippen.
woerken, woerken, worken der kikvorschen.
woest, woest, Men heet eene wildernis of onbebouwde grond, hier wel eens woeste grond. Van menschen, dieren, enz. wordt het hier ook voor wild gebruikt.
woest, wuust, woest. In vele woorden heet hier de oe, uu.
woeteren, woeteren, (werkwoord), elders woelteren, hier meestal wuteren genaamd, = wentelen., Dat varken wutert in ’t slijk. Die kinderen liggen daar te wuteren.
woewoe, woewoe, woord, waarmede de kleine kinderen bang gemaakt of bedreigd worden., De woewoe komt als gij niet deugen wilt. Er wordt dan meestal een groote of kwade hond door bedoeld.
wolf, [ziekte van het gewas], wolf, wolfstand, brand in het koren, moederkoren. Het zijn zwarte roggekorrels. Ook geheten hazenbrood.
woltors, woltors, vogelnestje zonder eiëren. De laatste lettergreep van het woord is mogelijk hetzelfde als horst, wat oudtijds ook vogelnest beduidde. Naar de meening
wolvestaart, wolvestaarten, wolverstaarten, lischdodde; plant met biesachtige bladeren."
wonder, wonder, (zelfstandig naamwoord), verwondering. Als is het van lateren tijd, bijv. Het zijn wondere zaken.
wonder, wonder, uitnemend, uitermate, Doorgaans hoort men het voor het woord schoon, waarvan dan wonderschoon gemaakt wordt. In de middeleeuwen en ook thans hier nog
wonder geven, [verwonderen], wonder geven, niet verwonderen., Het geeft mij geen wonder, dat het zoo nat is.
wonderen, wonderen, of wonder doen, voor benieuwen, begeerig zijn te weten.
wonderlijk, [ongewoon, bewonderenswaardig], wonderlijk, bewonderenswaardig. Bij de Ouden komt het ook alzoo voor.
wooi, wooi, woi, woord waarmede men de schapen roept. Misschien hetzelfde woord als vooi, mogelijk ook verbasterd van wol, wolle of van wei, hier waai.
wrak, vrak, wrak.
wreed, vreet, freet, freed, wreed, gezwind, deftig, moedig, ijverig, fier, trotsch; (van wreed), voor dapper, moedig, oppassend enz. Ook voor grootsche, trots enz., Dat is een vreet man, eenmeiske. Gij komtaangegaan. Vreet is mogelijk van wreed, oudtijds dapper.
wreken, [wringen], vreuken, (werkwoord), wringen, wiggelen., Gij staat zoo met uw schup te vreuken. Hij vreukte den sleutel kapot. De timmerman had de deur uit de gehengten gevreukt.
wringachtig, vringachtig, dwarsdrijvend, onoprecht, valsch.
wringen, wringen, vringen, (werkwoord), vringen uitgesproken, = hatelijk handelen, het iemand bemoeiëlijken. Hiervan een wringer.
wringer, vringer, een haatdrager, wraaknemer, een lastig mensch, enz.
wroet, vruut, wroet, snuit van een varken. Schertsende hoort men wel eens: een vruut, fruut als een varken zetten.
wroeten, vruten, fruten, (werkwoord), wroeten.
wroeter, [soort ploeg], vruter, eene ondergrondsploeg.
wrok, vronk, wronk, vrok, wrok, bedekte haat, veete, oude haat. Vergelijk wringen.
wulft, wulft, Eene soort kort of laag wilgenhout, bij het water of waterachtige plaatsen het meest wassende. Men noemt het ook wurvenhout.
zaagmeel, [zaagsel], zaagmeel, (onzijdig), zaagsel.
zaak, zaak, Is ’t zake, ’t was zake = als het gebeurt. Men leest deze uitdrukking veel in oude Handvesten en andere werken.
zaan, zaan, dikke melk, room.
zaar, zaar, zaargras, zoor, eene grove, schaapachtige grassoort.
zakneusdoek, zakneusdoek, (mannelijk), neusdoek, ter onderscheiding neusdoek. Zie Halsneusdoek. Aan een’ vrouwenhalsdoek gaf men den naam van neusdoek, nog hier in gebruik.
zandschel, zandschel, (vrouwelijk), zandplaat in eene rivier.
zang, [bundel korenaren], zang, (vrouwelijk), bundel nagelezen korenaren, kleiner dan de helft eener garf.
zang, zank, (mannelijk), gezang., Ik hoor schoonen zank.
zanik, zanik, zauwel, voor flaauwen praat.
zaniken, zaniken, (werkwoord), herhaald of vervelend over eene zaak praten, onzinnig zijn.
zank, zank, lust, begeerte, vitterij, in de spreekwijze ergens den zank op hebben., De musschen hebbenop ’t zaad. Jan heeft gewoonlijk op iemand - .
zauwel, zauwel, sauwel, zanik, (mannelijk), flaauwen of vervelenden praat.
zauwelen, sawelen, sebbelen, (werkwoord), wauwelen, babbelen.
zavelachtig, savelachtig, Zandgrond van niet mullen aard, maar met eene soort bastaard klei vermengd heet savelachtige grond. Het komt van ’t Fr. sable. In deze streek is -acht
zebedeus, sebedees, sebedeeske, onnoozele vrouw
zeebrand, zeebrand, roodachtig licht, zonder donder, of eene zekere klaarheid, die men ’s avonds of ’s nachts aan den gezichtseinder ziet.
zeeg, zeeg, mak, niet schuw., Een zeege vogel, een zeeg paard. Men zegt ook gezeeg.
zeel, zeel, (onzijdig), dikke touw, koord. Er is eene spreekwijze: één zeel trekken, voor overëenstemmen. Ook aan ’t klokzeel hangen voor bekend maken.
zeem, zeum, "zeem; zeumlêer = zeumleder, enz."
zeemstrijker, zeemstrijker, voor pluimstrijker.
zeer, zeer, pijn of gevoel.
zeer, zeer, gaauw, spoedig., Hij loopt - . Gij kunt dat zeerder.
zeg, zeg, gerucht = gezegde., Gij moet het op den zeg niet gelooven. Het is nog maar den zeg.
zeg, zig, een spichtig graangewas. Ook zekere lage, moerassige grasvlakte aan – of in de heide. Den met gras begroeiden zoom of boord van een hei– of broekwater
zegenen, zegenen, overlezen, op bijgeloovige wijze zegenen.
zeggen, zeet, zeit, zegt.
zeggen, zeggen, zeget zegt het, zate zeide. De Ouden bezigden het veelal. zeede voor zeide. Men vindt het ook bij de Ouden, o.a. het Pass., woord
zeiken, zeiken, Pissen is meer onder de lage standen gebruikelijk.
zeikmier, zeikmoeiër, zijkmoeijer, ook moerzeik = mier, alzoo geheeten naar een scherp vocht, dat dit insect afscheidt, wanneer men de hand in het mierennest steekt.
zeis, zessie, zeis of zeissen. Een vorkachtig aan eenen zeer langen steel vastgehecht, waarmede graangewassen gemaaid worden en van de Zigt onderscheiden. Zie dat w
zeker, zeker, zekers, gebruikt men veel als versterkingswoord, voornamelijk achter ja of wel; wordt hier dikwijls adverbialiter gebruikt en bij, ja of wel gevoegd, ja zeker, Ja zekers, wel zekers.
zelfde, zelfste, dezelfste = dezelfde.
zelfkant, zelfkant, uitëinde of omslag der breedte eener stof, bijv. van zijde, laken, linnen enz.
zemelentreder, zemelentreder, veinsaard, pluimstrijker. Verg. het Ned. Zemelenknoopen. Ook noemt men hier iemand, die langwijlig is een zemelen – of zemeltreder, wat – trejer uitge
zerp, zerp, fijn, doch schraal op ’t gevoel.
zerp, zerp, serp, zuur, zuurachtig, wrang.
zet, [het zetten], zet, (op eenen) = met zeker inzicht.
zetel, zetel, en zetelstoel = armstoel.
zetten, zetten, (werkwoord), planten, poten.
zetter, zetter, pootaardappel.
zeug, zog, (onzijdig), (o zacht uitgesproken) – zeug.
zicht, zigt, "sikkel. Een werktuig waarmede de graangewassen gesneden of gemaaid worden. Tot het besturen wordt slechts eene hand gevorderd; tot de zeissen twee ha
ziel, ziel, Hij loopt me (met z’n ziel onder z’n errem (arm) zegt men van eenen leêglooper of iemand die bij gebrek aan werk verveelt. Op sommige plaatsen heet di
ziep, ziep, vest., Dat is een sterke - . Als van afrossen spraak is, hoort men gedurig de volgende gezegden op bovenkleederen toegepast: hij kreeg op zijn ziep, sent, baaitje, jak, kraag enz. Het woord is in de laatste jaren afgesleten en naauwelijks nog over in ziepzak, dat is vestzak.
zier, zier, iets, niet eens. Geen zier = niets, bij. Hij weet er geen zier van.
zijg, zij, zijg, werktuig waardoor de geronnen melk van de dunne wordt gescheiden.
zijgen, zijën, (werkwoord), zijgen, zijpelen., Ik ga de room (roome) zijën.
zijn, weesten, geweest., Ik heb zijn huis eenszien. Zij zijnwandelen.
zijn, zij, Ik zij = ik ben, in den eersten persoon. Zoo ook wij en zij bennen.
zijn leven niet, zijn leven niet, mijn leven niet, Nooit. Het is hier onder den boerenstand, het gebruik zijn leven niet voor nooit veeltijds te zeggen. Men hoort gedurig: ik zal daar zijn leven niet k, Ik heb van mijn leven nog geene tandpijn gehad. Men zegt verkeerdelijk nogthans in dezen zin ook wel van zijn leven niet. Ik heb mijn leven geen tandpijn gehad. Hij zal van zijn leven niet in Rome komen, want het is ver en kostbaar.
zinken, zinken, (werkwoord), bij de Roomsch Catholieken een lijk begraven, zonder dat tevens de uitvaart (om eene of andere reden uitgesteld) gehouden wordt. Hij is gezonken betee
zoen, poen, zoen.
zoer, zoer, een zoere = stuursch, een stuursch mensch.
zoetelaar, zoeteler, zoetelaar, zoetelaar = sukkelaar, ook wel gering koopman.
zoetelen, [verkopen, sukkelen], zoetelen, (werkwoord), sukkelen, tobben, langzaam vorderen.
zoetelief, [vogelsoort], zoetelief, (onzijdig), zeker vogeltje, alzoo naar zijn geluid genoemd.
zoetelwerk, zoetelwerk, gering of sukkelwerk.
zog, zok, zog. Meijer heeft het evenëens.
zomerbij, zomerbij, (uitspraak bie) ook hemelbij = moederbij; want zonder haar komen geen jongen voort. Ook vliegt de zomer- of hemelbij in ’t wilde, die in geenen korf t
zomerhuis, zomerhuis, tuinhuisje.
zomervogel, zomervogel, vlinder, kapel.
zonk, zonk, (vrouwelijk), laagte in den grond.
zonnen, [in de zon liggen of leggen], zonnen, (werkwoord), in de zon leggen.
zooien, zojen, (werkwoord), koken. Het wordt vooral in den verleden tijd gebezigd.
zoor, soor, onverschillig, vadsig vrouwspersoon. Het woord is elders als verdroogd, verdord in gebruik. Wil men een’ manspersoon hier als zoodanig aanduiden dan w
zuchtig, zuchtig, onpasselijk, ziekachtig. Het is een pleonasmus en wordt in de spreekwijze ziek of zuchtig slechts gezegd.
zuigen, zuiken, (werkwoord), zuigen. Het is hier niet algemeen gebruikelijk en bij Kiliaen een verouderd woord.
zuipe, zuipe, eene melkpap uit melk, met (gemeenlijk oud) bier, meel en stroop zamengesteld. Soms wordt ze uit bier, karnemelk, eiëren enz. bereid. In Groningen en
zullen, zulle, en zulde, zijn van die stopwoorden, welke hier in de gemeenzame verkeering veel gebruikt worden. Het is eigenlijk zultde, zoveel als: zult gij het doe
zullen, zulle en zuldge, zultde, zoo veel als: zult ge het doen, zult ge ’t nakomen. Het is van den zelfden aard als het ook hier gebruikelijke hoorde, hoorre, weette, dat is
zult, [muurtje in de stal], zult, zul, (vrouwelijk), muurtje, waarop de stalrepels of stalpalen rusten, waaraan het rundvee vastgebonden wordt.
zult, zult, (mannelijk), een soort pap of brij van kort gehakt (doorgaans varkens) vleesch.
zulten, zulten, verzulten, (werkwoord), verteeren of smooren door ’t vuur zonder dat het brandt. Ook aan de oppervlakte zonder vlam branden., Dat hout ligt maar te zulten, want het is nat. Zijn’ sokken zijn al verzuld.
zurkel, zurkel, surkel, surkel en zuring, die in ’t wild groeit, vooral in velden en klaver, bij schraal weder.
zus, sus, zoodanig, van die soort, hoedanigheid of manier. Er is eene spreekwijze: sus en zoo.
zuus, suus, zuus, (vrouwelijk), wieg; in kindertaal.
zwaaien, zwaaiën, (werkwoord), zwieren.
zwaard, swerd, (vrouwelijk), of zwerd, voor zwaard. Melis Stoke heeft dit woord. IV Boek, 60 : En weiveden met swerden zeer.
zwad, zwaai, dat is zwad, zwade = rei, streep of regel afgemaaid gras, zooals dit in ’t veld gemaaid ligt. Zoo zegt men: er is eene goede zwaai afgekomen. Ik zal d
zwadder, [menigte], zwadder, (mannelijk), menigte, hoeveelheid., Een heelepapier, katoen, hooi enz.
zwartdag, zwartdag, een dag waarop aan de Roomsch Catholieken het gebruik van vleesch en zuivel is verboden. Op sommige plaatsen heet hij droogdag.
zwartgoed, zwartgoed, vuil linnengoed.
zwavel, zwevel, zwèvel, de e als in ’t Fr. vrai = zwavel. Komt ook voor in stadsrekening van ’s Bosch op ’t jaar 1512.
zwavelstok, solferstek, zwavelstok.
zwellen, zwullen, zwollen, (werkwoord), zwellen.
zwemmer, zwemmer, (mannelijk), zekere roofvogel.
zwenk, zwink, zwonk, (mannelijk), zwenk. Zo ook zwenken
zwenken, zwinken, zwenken., Ik zal dien paal eenen zwenk geven.
zwiep, zwiep, zwieps, slag, slagen, kloppen., Die hond kreeg zwieps. = Het beduidt wellicht met eene zweep slagen geven.
zwoerd, zwaard, (vrouwelijk), huid van ’t varken.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal