elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.

aan, òn, aan
aanfeesten, ònfiste, aanfeesten
aanschrabben, anskrabbe, aanstrijken
aanstaan, ànstòn, aanstaan
aanstalten, anstalte makte, ergens mee beginnen
aantreden, òntreje, aantreden (beginnen)
aardappel, èrpel, èrrepel, èrpels, aardappels
aardig, aorige, eigenaardige
aardigheid, aorighèd, aardigheid
aardkar, èrdkaar, aardkar (zand)
accorderen, akkedeer ’t, overeenkomen
achtereen, aachterin, achter mekaar, meteen
afhaffelen, afgehaffeld, vertroeteld
afvragen, zal doe afvraoge, zul je je afvragen
ajour, azjoer, open naaiwerk
ajuin, jùin, uien
akker, èkker, èkkers, akker
aling, ’n ólling wèèk, een hele week
allemaal, allemol, allemaal
altijd, eltè, aaltè, altijd
altijd, eltè ùit, altijd uit
arm, èrrum, arm
armband, èrrembèndje, armbandje
armoede, èrremoei-j, oew èrmoei-j, armoede
astrant, strante, brutale
batist, betist, batist (soort stof)
bedevaart, bèèvert, bedevaart
begaaien, begaoid, verbruid
begankenis, begènkenis, een heel aangaan
begankenis, ’n hil begènkenis, een heel gedoe
begrijpen, begriip, begreep
Belg, in Bels, in België
belse, ’n Belze, een Belgische
betalen, veur betald, voor betaald
bezie, beezies, bessen
bezigheid, bissigheeje, bezigheden
big, bagge, biggen
bij, , b’ons, bij, bij ons
bijkans, bekant, bijna
bijkrijgen, bèkrigge, bijkrijgen
biljarten, [biljart spelen], wà biljèrterèè-j, om te biljarten
billenwagen, billewaoge, te voet
binnen, binne de kortste kirre, in korte tijd
Bladel, Blaal, Bladel
bladeren, blaor, blorkes, bladeren (van de bomen)
bleek, blèi-jk, bleek, grasveld
blèren, blèèrde, huilde
blij, blèè-j, blij
blijken, bliik, bleek
blijven, blèft 't, blèttie, blijft het. blèttie (blijft hij)
blikken, blie-ke, kijken
bodem, dèsse bojem hebbe, dat ze goed gegeten hebben
boek, buukske, boekje
boerderij, boerderèè-jkes, boerderijtjes
boom, n'n bom, een boom
boomgaard, bôôgerd, boomgaard
broche, bröske, broche-je (sierspeldje)
broer, bruurs, broers
brokmop, brokmop, plaatselijk gebak
brouwerij, [waar gebrouwen wordt], braawerèè-j, brouwerij
brouwselkar, braawselkaar, brouwselkar (bierbostel)
bruinachtig, bruin-èittig, bruinachtig
buil, bölleke, papieren zakje
burgerhuis, börgerhùiskes, burgerhuisjes
commies, cummieze , douane ambtenaren
compassie, compassie, medelijden
cuisinière, kwiesenjèèr, kookkachel met oven
D.U.W., D.U.W., Dienst Uitvoering Werken
daarlangs, durlangs, daarbij
daarom, durrum, daarom
dabber, dèbberkes, kleintjes, kleutertjes
dat, dètter, dèt ie, dètter: dat er; dèt ie: dat hij.
deeg, dig, deeg
delen, dèlde, deelden
dennendol, dennedolle, dennenappels
dennennaald, dennenolde, dennennaalden
dikwijls, dikkels, dikwels, dikwijls, vaak
doen, dinne, deden
door doen, dur doen, doorspelen van oud- naar nieuwjaar
doordraaien, durdrèèjde, doordraaide
doorgaan, durgòn, doorgaan
dorp, dörrep, het dorp zelf
dorp, törrep, centrum in ons dorp
dorser, dorser, dorsende boer
Dorst, [toponiem], Dorst, klein plaatsje vlak bij Breda
drijven, drèève, drijven
druk, ‘nnen drukke mens, een drukbezet man
dubbeltjesmeter, döbbeltjesmèèter, dubbeltjes-gasmeter
dweilen, dwèile, van café naar café gaan
eekhoorn, iikhorres, eekhoorns
eerder, iir klaor, eerder klaar
eerste, zunnen urste, zijn eerste
eigenheimer, [soort aardappelen], eigenheimers, soort aardappelen
Eigenheimers, Eigenheimers, hier ’n Carnavalsclub
el, el, oude lengtemaat
ellegoed, ellegoed, stof aan de meter
ettelijke, etteleke, enkele
eventijdig, èffetèèd, gelijktijdig
fier, fier, trots
fil d’écosse, fil décosse, gemerceriseerde katoen
flauw, flùiw, flauw
frutcadeau, frutkedookes, kleine cadeautjes
gaan, gi, gigget; godde; godde; gull, gaat. gigget (gaat het); godde (ga je); godde gullie (gaan jullie)
gaarne, gèèr, graag
galg, gallege, bretels
galper, galpert, jong galperds, gallepers, snotjongen, jonge jongens
gave, givve, gave
gebed, gebid, gebeden
geen een, ginnen innen, geen een
geest, vur de geest haole, herinneren
gehaaid, gehei-jd, gehaaid
gejaagd, [jachtig], gejaogde, gejaagde
gelijk, gelèk, gelèèk, gelijk, zoals
gelijk, ’t is lèk as, het is gelijk als
gelijk, lèkas, zoals
geloven, geleuve, geloven
gerief, gerie-f, benodigdheden
get, gette, zijn leren beenkappen
getrek, getrèk, grapjes (figuurlijk)
gewaar, gewaor, gemerkt
geworden, geworre, zijn gang gaan
giroffel, snoffels, kleine anjers
glijer, glijer, step
goed, nie tegoei-j, niet goed (ziek)
gordijn, gurdèèn , gordijn
gossiemijne, gossie mijne, kracht term
goudgeel, gaawdgèèl, goudgeel
griezelen, gegrieseld, geharkt
groot, gruttere, grotere
groot, grotsten hôôp, de meeste
groots, gruts praote, deftig praten, spreken
halen, holde, haalde
handig, hendig, hèndiger, makkelijk
hard, harde weg, bestraat, klinkerweg
hebben, hadde, hè’k; hè'k 'r; hedde; hit, had je; hè’k (heb ik); hè'k 'r (heb ik er ); hedde (heb je); hit iemes (heeft iemand); hit’r (heeft er); hig’t
hebben, wà han, wat hadden
heel, hille, hele
heen, henne, heen
heen, um oe hinne, om je heen
heet, hiit, loops
heet, hiite zommer, hete zomer
heilig, hèllige daog, heilige dagen
heten, hiet, hit, hiette, heet. hiette (heette)
hof, hof, wà hoof (mv.), moestuin, enkele hoven (tuinen)
hond, huundjes, hondjes
hoogtijdag, hogtèèjdaog, hoogtijdagen
hoop, hôôp hôôge omes, veel belangrijke personen
hoorn, horres, hoorns
horen, hurde, hoorde
horlogemaker, lòzziemaoker, horlogemaker
hoven, heuve, tuinieren, de tuin bewerken
huishouden, haushaawes, huishoudens
iemand, iemes, iemand
inbouwen, ingebaawe, ingebouwd
intijds, [op tijd], intèds, op tijd
intreden, ingetrojje, ingetreden
jas, jèske, jasje
jenever, snèèvel, jenever
jeneverflessen, snèèvelflessen, jeneverflessen
joekelen, joekerde, kort janken
jullie, èllie, eulie, geulie, gèllie, jullie
jullie, ellie-je vadder , jullie vader
kaan, koi-jkes, kaantjes
kalf, kelfke, kalfje
kamer, kommer, kèmmerke, kamer
kap, kèpkes, valkerij-attributen
kapel, kepèl, kapel
kar, kèrke, karretje
kasteel, kestilleke, kasteeltje
kattenpis, dè war ginne kattepies, dat was niet mis
Keersop, Kirsop, Kirsup, Keersop (riviertje)
kèès, kaas, kaas
keigaaf, kèi-jgif, puntgaaf
kelen, keele, raapstelen
keren, kèèrre, vegen
kerkloop, kerk-lupke, kerkloopje, sloot
kijken, kèèke, kijken
kin, dobbel kien, dubbel kin
kind, kèind, kind
klare, klaore , jenever
kleed, kleedje, jurkje
kleermaker, klirmaoker, kleermaker
klein, klèèn, klein; klèèn strotje: klein straatje
klemmen, klemme, spannen
klepschuw, klepschùiw, praatschuw
kleren, kliir , kleren
koe, koe-j, koe-j, koe en/of koeien
koffieroom, koffieromme, koffiemelk
komen, kum’t, kwamde, kum’t (komt het), kwamde (kwam je)
konijn, knèèn, konijnen
kont, kont, gewoon kont
korenmijt, korremèèt, korenmijt
kostganger, kosgèngers, kostgangers
krek, krèk, precies
krek, krèk te goei-j, net goed
krek, nie krèk, niet precies
krijgen, krè, krèè’k; krèèk’t; kriigde;, krijgen. krè (krijgt), krèè’k (krijg ik); krèèk’t (krijg ik het); kriigde (kreeg je); kriige (kregen)
kruiwagen, kreuge, kruiwagen
kunnen, kosde, kosse, kost, kosde, kosse (konden), kost (kon)
kwaad, koi-je durhenne, de kwaaien door ( het slechte door)
kwaad, kaoi-j jaor, slecht jaar
kwijt, kwèèt, kwijt
labboon, labbònne, tuinbonen
lamenteren, lammetèère, jammeren
lang, laang kleedjes, lange jurkjes
langveter, langveter, valkerij-attributen
lap, lèpke, lapje
later, latterhenne, later
leesteken, lèèstiike, leesteken
lierlauw, lierielùiw, lauw, halfwarm
lievermannetje, lievermènnekes, duizendschonen
liggen, , (ligt)
lint, lèint, lint
loer, loer, valkerij-attributen
lopen, lupt, loopt
maaien, gemij-jd, gemaaid
maandagmorgen, mandaggemèrge, maandagmorgen
maar, mèr, maar
mallejan, mallejan, speciaal voertuig voor bomenvervoer
mangel, mangel, linnenpers (met twee rollen)
mangel, mangels, mangelwortelen
mannetje, mènneke, mannetje, jongetje
mastbos, maastebos, dennenbos
meepassant, meej-impassant, meteen
meestal, mistal, meestal
melk, mölk, karnemelk
mens, ne mens, een man
met, meej vadders meej, met vader mee
middag, op de middeg, mee eten (warm eten)
mij, vur mè, voor mij
mijn, mèèn, mènne, mijn
moeiig, muug, moe
moeten, moeze, moesten
molen, meule, molen
molière, molières, bepaald model schoenen
mondig, mundig, mondig, hier meetellen
mondverterger, mondvertèrreger, mondverterger, iets van niks
moor, moor, moore watter, waterketel
morgen, smèrreges, ‘smorgens
morgen, smèèreges, 's morgens
naar, nur, naar
najagen, naojaoge, najagen
nemen, nemme, nemen
nevens, neffenin, naast elkaar
nieuw, nèèi-j, nieuw
nieuw, nuuw, nieuw
nieuwerwets, nuuwverwetst, nieuwerwets
nieuwjaar, Nèèjaor, Nieuwjaar
nijpen, te nèèpe, te nijpen (schaars worden)
node, nooi, node, met tegenzin
noemen, genuumd, genoemd
nog eens, ’t noggis, het nog eens
omdat, umdè, omdat
onderweg, onderweeges, onderweg
oor, urkes, oortjes
opgetakeld, òngetaokeld, aangekleed
opnaad, opnùi-jkes, opnaadjes
opnieuw, opnèèt, oppernèèjd, opnieuw
oudelui, d’aawlùi-j, de oudelui (ouders)
ouderwets, aawverwetste, ouderwets
overentie, overèntie, over
paar, por aander, paar anderen
paard, pèèrd en kaar, paard en kar (wagen)
paasbest, pòsbest, paasbest
pad, pèèjke, paadje
pakje, pèkskes, pakjes
paplepel, [lepel voor pap], paplippel, paplepel
parochieblad, perochieblèè-jke, parochieblaadje
peulen, póóle, doppen
pinnentol, pinnendol, tol
pissen, piese, plassen
plaatje, [afbeelding], platjes, plotje, plaatjes, afbeelding
plaats, plak, plaats
plakzuurtje, plèkzuurkes, zuurtjes (snoepgoed)
plooien, ploi-je, plooien
poot, van de pôôt gevoeijerd, verkeerd gevoerd
pootje baden, pòtje baoi-je, pootje baden
prakkeseren, prakkezere, bedenken
prepareren, prippereerde, prepareerde
proberen, prebèère, proberen
pront, ‘n pronte madam, een flink mens, ’n dame
pruimen, prùimde , pruimen (pruimtabak in je mond kauwen)
raad, ginne raod, geen raad
rademaker, raojmaoker, rad- of karwielmaker
raden, raoit is, raad eens
randen, bòntjes rànne, boontjes randen
rats, [helemaal], rats, helemaal
reep, op riip, de hort op
rij, op ’n rèi-jke, op een rijtje
rondom, rontelum, rondom
room, romme, gewoon melk
room, romme, melk
roomkar, rômkaar, melkkar
roomkruiken, romkrùike, melkkruiken
schob, skop , lage schuur
schoffelen, geschoefeld, geschoffeld
schoon, skòn, schòn, schònste, mooi.mooiste. schònder plats: mooiere plaats
schop, schup, spade of schop
schort, skolk, schort
schort, zùivere schollek, schone schort
schreeuwen, schreuwde , huilde
slapen, slupt, slaapt
slibberbaan, slibberbaon, glijbaan
slijk, slèèk, slijk
smid, smed, smid
snoepje, snuupkes, snoepjes
snoeven, snoeve, opscheppen
snuit, snoet, neus
sopje, söpke, een klein wasje
speculaaspop, spikkelassiepoppe, speculaaspoppen
spekstruif, spèkstrùif, spekpannenkoek
staan, ge stòt, je staat
staart, stèrtje, staartje
staat, stòt, staat
standhouden, standhouwe, bestaan
steel, stilleke, steeltje
steen, stiin, stenen
steken, stèkte, steek je
stiefelen, stiefelde, liepen
stobberen, stobberde, stofte (stuiven van zand)
stoel, stuul , stoelen
straatje, strötje, straatje
strijken, strèèke, strijken
stro, strooi-j en kaf, matrasvulling
stromen, stromt, stroomt
subiet, subiet , meteen
sunlightzeep, zunligtziip, sunlightzeep
swiersen, swierse, uitspugen
tafel, toffel, töffelkes, tafel
teerweg, taarweg, asfaltweg
tegelijk, teglèèk, tegelijk
tering, tirring, tering
tevoorschijn, vurskèèn, te voorschijn
tijd, ‘n hillen tèèd geleje, een hele tijd geleden
tijd, tèèd, tèèj-je, tèèje, tijden
toelaten, toelot, toelaten. toelot (toelaat)
toemaat, toemut, toemaat
Tongelreep, Tonrep, Tongelreep (riviertje)
tot horens, tot hurres, tot horens
totdat, toedè, tot dat; toe degge: totdat je; toe desse: totdat ze
troep, wanne troep, wat een troep
trouw, trùiw, trouw
trouwen, trùiwe, trùiwt, trouwen. trùiwt (trouwt)
trullen, trulde, op je gemak gaan, langzaam
tuffen, tufte, spuugden
twee, twii, twee
tweede, twidde, tweede
uitkrijten, [uitschreeuwen], ùitkrij-jt, uitkraait
uitnaaien, ùitnèi-je, weglopen
valkerij, valkerèèj, valkerij
vaneigens, gì dè van èiges, gaat dat van zelf
varen, vaore, varen, rijden
Varkensbaai, Vèrkesbaai, stukje Dommel bij Venbergen
vee, vii, vee
vergalopperen, vergaloppèèrd, verbruid
vernikkelen, vernikkele, kou lijden (tot op het bot)
vernoemen, vernuumd, vernoemd
vers, vorse èi-jer, verse eieren
verschieten, verskie-te, schrikken
vinden, vèène, vinden
vlees, vlis, vlees. vlis en gesneje: vlees en vleeswaren
voelen, vule, voelen
voet, vuut, voeten
vogel, vuggelkes, vogeltjes
voile, vwaal, voile (soort stof)
voltassen, voltaase, volbouwen (stapelen)
voor, veur, voor
voorraad, vurraod, voorraad
vorm, vörrem, vorm
vreemden, vrimde, vreemden
vriezen, gevrôrre, gevroren
waar, wor, wur, WAAR
waarheen, worhenne, waarheen
waarom, wurrum, waarom
waartussen, wortusse, waartussen
waarvoor, worvur, waarvoor
waken, wakt, waakt
warm, wèèrem, warm
wassen, niks tege gewaase, niets tegen te doen
wat, wà’k, wat ik. witte wà: weet je wat
werk, wèèrek, werk
weten, witte, wit; witte gè; wizze, weten. wit (weet); witte gè (weet je); wizze (wiste); witte wà: weet je wat
wetering, wittering, wetering
wijder gaan, wij-jer gi, verder gaat
willen, wulle, willen
wonen, wònde, wonen
worden, wor’t, wur; worde; wierde, worden. wort (wordt het), wur (word); worde (werd) ; wierde (werd je)
wreed, friit, trots, fier
zaaien, zèi-jde, zaaien. zèi-jde (zaaide)
zaaikorf, zij-jkörref, zaaikorf (hier maxi-cosi)
zacht, zoft, zacht
zagerij, zaogerèè-j, zagerij
zandpad, zandpèè-j, zandpèèjke (vkl.), zandpaden
zat, plats zat, plaats genoeg
zat, veul te zat, veel te dronken
zeggen, ie zì, ze zeje; zin ze, zeggen. ie zì (hij zegt), ze zeje (ze zeiden); zin ze (zei ze)
zijn, zènnen, bende gullie; d’r zèn, zijn. bende gullie (zijn jullie); d’r zèn (er zijn)
zodat, zôdèt, zodat het
zonde, sund genog, jammer genoeg
zo’n, zònne, zo een
zwaaien, zwèi-jde, zwaaide
zweet, zwiit, zweet
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal