elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.

aafs, efs , binnenstebuiten , ge hëd oewe jas efs aon je hebt je jas binnenstebuiten aan
aalbes, ellebëze, (W) aalbessen
aan beide kanten, baaiskaante , wirskaante, aan beide zijden
aan gene kant, aon gunne kaant , aan die kant
aanrecommanderen, aonrikkemendére , aanbevelen
aantuiieren, [aankleden], aontooiere , aankleden , wâ hè ze der èège aongetooierd wat heeft ze zich potsierlijk aangekleed
aanzetten, ge môt de veinsters aonzëtte, je moet de vensters in V-vorm zetten, bijna dicht doen
aardappel, èèrepel schëlle , aardappelen schillen
aardappelschilmes, [soort mes], èèrepelschëlmëske, aardappelschilmesje
aardbei, errebëze, (W) aardbeien. Erbëze (M)
accorderen, akkedére , overweg kunnen (Fr.: accorder), die twee akkedére goe meej mekaor die twee kunnen goed met elkaar overweg
achterhuis, [(gedeelte van het) huis dat niet aan de straat staat], aachterhuis , soort bijkeuken
adem, aosum, adem, ’t Is un zaok van unne langen aosum
ader, aojer, ader
afwas, [vaatwas], aafwaas , vaat
afwas doen, dun aafwaas doen, de vaat doen
afzijgen, de èèrepel aafzège, de aardappelen afgieten
ajuin steken, juin stèke, uien rooien
akelig, aokeluk , akelig, niet fit
akkefietje, akkefietje , karweitje, probleempje
aling, [in de lengte], èèling , in de lengte, in tegenstelling tot: dwars
aling, [in de lengte], èling, èlings, in de lengte
allemeneur, allemeneur , te kwader ure (Fr.: à la malheur)
als je, egge , (V) als je. Agge (B)
amper, aamper, nauwelijks, Ik zij nog mar aamper klaor
anderander kleuren, aanderaander kleure, allerlei kleuren
anderdaags, [volgende dag], s aandren daags, de volgende dag
anderjaars, ônderjaors , afgelopen jaar of een aantal jaren geleden
andijvie, andivie, andijvie
appelsien, appelesien, sinaasappel
arbeider, errebaajer, arbeider
arm, èèrum , arm, lichaamsdeel
arm, èèrum, niet rijk
arm met weerhaken, èèrum meej wirhaoke, (W) letterlijk: arm met weerhaken, dus erg arm.(uitdrukking J.W. Bouman)
armenhuis, [tehuis voor arme mensen], èèremeshuis , (B) huurhuis van de diaconie
armoede, èèremoei, armoe
armoeden, [tobben], èèremoeie , tobben
astrant, ôntstraant , onbeleefd
avanceren, affesére , opschieten. Affesaotie maoke (W)
baak, [mes], baok , groot mes
bakje koffie, bakske koffie, kopje koffie, gif de jông mar un kommeke poeier en mijn mar un bakske koffie
bakkes, bakkus, mond
ballie, ballie , evenwicht , mekaor in ballie haauwe elkaar in evenwicht houden
bamismarkt, baomusmèrt , herfstmarkt
bamissen, baomuse , (W) nalezen fruitoogst. Komt van St-Baafmis, feestdag van St. Bavo (1 oktober)
bamisweer, baomusweer , regen- en storm- achtig weer in de herfst.
bank, baank, bangeske, bank, bankje
bascule, baskwiel, bascule
bedzeiker, beddezèker, pissebed
been, biëën, been, benen
beer, bèèr , mannetjesvarken
beest, biëëste , beesten
beetje, bietje , beetje
begaaien, begaoje , er een potje van maken. Een streek uithalen. , hij hèggut wiëër begaoid hij heeft de boel weer op stelten gezet
begrafenis, begraffenis, begrafenis
behemstig, behemst , achterbaks
bekijks, [het bekijken], bekëks, bekijks
belasten, [last geven], belaaste , opdracht geven , hedde me nog wâ te belaaste? Heb je nog een opdracht voor me?
belatafelen, zijde belaojtaffeld!, ben je nou helemaal gek!
belder, [seugniet], belder , deugniet
belderen, [kattekwaad uithalen], beldere , kattenkwaad uithalen
ben, bin, mand. Zie: Van Dale: ben
beneukt, benukt , betoeterd. , zijde benukt! Ben je benukt!
bereiken, berëkt , bereikt
betijen, betije , bijkomen , ik mot effe van die drukte betije ik moet even van die drukte bijkomen
bezem, bëssum, bezem
bezwaai, [drukte, gedoe], dè ’s un hiëël bezwaai, dè’s un hiëël bezwiet, dat is een heel gedoe
bijkans, bekaant , bijna
bijtijds, [op tijd], betëts , bijtijds, op tijd , zurg dè ge vanaovond betëts thuis zijt zorg dat je vanavond op tijd thuis bent
binden, beinde, binden
black varnish, [houtbeschermingsmiddel], blekwânnes , (W) zwart houtbe- schermingsmiddel, soort carboleum
blad, blèt , dienblad , un blèt bier een blad bier
blaten, blète , blaten
bleek, blèèk , grasveld waar de was te drogen ligt.
blein, blèèn, blaar. ,  Ik heb un blèèn op mun haand
blekken, [vergiet], blekkentje , (W) een schaaltje om de gewassen ruiten af te gieten.
blèren, blère, hard huilen/indringend roepen
blezen, [ontdoen van kaf, kroontje], de errebëze worde geblèèst, de aardbeien worden van de kroontjes ontdaan
blindaas, bleindaos, daas of paardenvlieg
blindedarm, [lichaamsdeel], bleinde dèrum, (blinde) darm
bloten, [van haren of begroeiing ontdoen], bleuite , blöte, onkruid, restoogst maaien
bocht, bocht , kantgras, onkruid,
bocht, bocht , slecht materiaal, slecht spul
boesteren, [hard werken], boestere , (G) hard werken
boezeroen, bazzeroen, boezeroen, werkoverhemd
boomgaard, bôôgerd, boomgaard
bord, borreke, bordje
boter, bôtter , margarine
braai, [(restje) voedsel], unne braoj, een kliekje warm eten
braam, brème , bramen. Bremme (G, W)
braden, braoje, braden
breed, briëëd, breed
breekboon, brèèkboeôôine, prinsessenbonen
breien, braaje, breien
brief, brifke, briefje
brobbelen, [rommelen], brobbele , rommelen, er een potje van maken , ge brobbelt er mar wâ van je maakt er een potje van
broekeind, [boomstronk ], broekèènd, kontèènd, boomstronkgedeelte onder de grond
bronolie, bronôlie , petroleum
bronoliemachine, bronôliemesien , (M) petroleumstel
brood, broeôôid, broeôôi, brood
brug, bruggeske, bruggetje
buikzoet, bukzuut , beurse plekken in het fruit
bunzing, bussing, bunzing
bussel, bussel , bos hout, rieten mandje voor bessen e.d., inh. ca. 5 kg.
buten, bute , verstoppertje spelen
buts, buts , deuk
buurschap, buurschop, (W) nabuurschap
buurt, burt, in de omgeving , in de burt
buurtavond, deinsdagaovond is onze burtaovond, dinsdagavond is onze bezoekavond
buurten, burte , burenbezoek afleggen
centenbak, [vooruitstekende onderkaak], centebak , (G) vooruitstekende onderkaak
contreie, contraaje , streek, omgeving. Zie: Van Dale: contreien
cornelisroos, knelisroeôôze , pioenrozen
dag, wanniëër den dag aon de locht komt, wanneer de zon opkomt
dam, dam , erf, oprit , môtte oewen dam nôg doen, vège of rijve? moet je het erf nog vegen of harken?
dapelen, [rollen], daopele, (om)rollen
darm, dèrum, darm
dat, , dèt, dat , , dèt boek
derde, driede , (W,V,B) derde
dikwijls, dikkels, dikwijls
dit, du boek, dutboek, dit. , du, dut boek
dodoor, dodoor, domoor, onnozel iemand
doen, dè doede zô dat doe je zo; wâ gaode gij doen? wat ga je doen?
doerak, doerak , deugniet, wè zijde unnen doerak
doorberen, deurbère , met vieze schoenen naar binnen gaan
doorheen, ge mot er effe deurhëne, je moet er even doorheen
doos, doske, doosje
dorp, durp, dorp
dot, dot , veel, unnen dot sigaorebaandjes
draad, draoike, draadje, un draoike gaore een draadje garen
draai worst, unne draai worst , een ring worst
dreesmannetje, [goedkope klusser met AOW], dreesmanneke, (V) goedkope klusser, werkman als 65-plusser
drein, [ruziezoeker], drèèn, ruziezoeker
dreinen, drène, dreinen, plagen, zeuren
droffel, [anjer], droffeltjes , klein soort anjers
droog, drueug , droog
droogheining, drueughèning , waslijn die is gespannen tussen twee palen
dun, dun, koud, schraal
eek, [dwars], èèke, dwars, eigenwijs, hij is toch zunne èèke (M) hij is toch zo'n dwars iemand
eend, ènd, eend
eerst, iëërst , eerst, meteen
Eethen, [toponiem], Ik môt niet vergète dè ‘k zij vergëte te ète in Ië, ik moet niet vergeten dat ik ben vergeten te eten in Eethen
ei, aai, aaier, aaike, ei
einde, èènd, eind(e)
einde, ènd, eind
emmer, immer, emmer
en passant, passaant , meepesaant, tegelijkertijd
enkel, inkel, enkel, hij hëët zunnen inkel verstukt
enkele, inkelde, enkele
er op hebben , daor hëët ie ut nie ôp, dat lust hij niet graag, daar is hij bang voor
er tussen uit naaien, er tussen uit naaie, er vandoor gaan, hij naait ur laangs hëëne
eten, ète , eten,  ik môt niet vergète dèk zij vergëte te ète in Iëëthe ik moet niet vergeten dat ik ben vergeten te eten in Eethen; waor der zeuve ète, kunne der ôk aacht ète!
even, [eventjes], effe , eventjes
fleer, [bijdehand], flèèr , bij de hand, uitgekookt , zij is un flèèr zij is een bijdehand iemand
folen, fôôle, foeôôle, knuffelen, vrijen
gaan, gaon, ik gaoi ,hij gaot, vormen van gaan in de teg. tijd
gaan, hoe gaoggut mee hum?, hoe gaoggut mee heur?, hoe gaat het met hem, haar?
gaarne, gère, graag
gaarne, ik zò dè zô gère doen, ik zou dat zo graag doen
gaffel, gaovel, tweetandige hooivork
gans, gaans, gans
gapen, gaope , gapen, nieuwsgierig kijken , den dieje staot te gaope die staat nieuwsgierig te kijken
gaper, unne gaoperd, een nieuwsgierig iemand
gasconnade, wâ hëdde toch un kaskenaode, wat heb je toch een koude drukte
gauw, gaauw, gauw, vlug
gebbeken, gëbbeke, ginnegappen
geen, gin, geen, er is gin man gewiest er is niemand geweest
geeneens, giniëëns , niet eens
geit, gèèt , geit, nou zak iëërst de gèèt mer gaon melleke, dan krijgde zo metiëën un kommeke gèèterôôme, dè ’s goed veur den dorst
gekuch, gekech, gekuch
gelegenheid, gelegenighèd, gelegenheid
genaai hebben, genaoi hebben, baat bij iets hebben
gerei, geraai, gereedschap
geresolveerd, [resoluut], geriszeleveerd , resoluut, vastbe- sloten
gerst, gaarst , gerst
gesleept, ik zij geslept, ik ben doodmoe
gibberen, gibbere, giechelen
gibberkont, gibberkônt , een giechelend meisje
ginder wijd, gunderwijd, ginds
ginds en hier, guns en herres , hier en daar. Herres betekent: hier
gindsop, [die kant op], guns op, die kant op
girlegooi, mî ‘ne girlegoeôôi, (W) iets met de Franse slag doen (uitspr. Nel Kolff)
giroffel, snôffeltjes , (E,B) kleine anjers
glas, glaske, glaasje
goed, goed , goed
goed, goed, kleren, hij hâ zun goei goed aon hij had zijn zondagse kleren aan
Goede Week, [week voor Pasen], De Goei Wèèk , (W) de Stille Week, de week voor Pasen, in de Goei Wèèk règen ut altijd
goot, geut , goot
gootgat, [afvoer], gutgat , afvoergat in de aanrecht. (B) Gat in de muur, vlak boven de vloer om daar het schrob- water door  naar buiten te vegen
gorgelen, gurgele, gorgelen
gort, aon gort, helemaal kapot, hij hèt de auto aon gort gereje
graven, graove, graven
grep, grip, grippel, greppel
groen, gruun, groen
groene met witte, gruun meej witte, snijbonen met witte bonen
groots, grots, gruts, groots, trots
grunzelen, [lachen], grunzele , lachen met binnenpret
guts, [hoeveelheid vloeistof], getske règen , buitje regen
Haagse kadee, un Haogse kadee, een kakmadam
haal, haol , In de hoogte ver- stelbaar ijzer in de schoorsteen, waar- aan de pan of ketel  boven het vuur hangt
haan, haon , haone, haan, hanen
haareender, haorinder, precies eender
haargetouw, harketaauw , gereedschap om een zeis te haren met pin en hamer.
haas, haos, haske, haas
haast, hast , bijna
hagedis, erdëze, hagedissen
haksel, haksel , zult
halve, halleve, (V) halve
handig, hèndig, handig, aardig, flink, hij is erg hèndig, hij het twee rechterhaand. Hij het daor un hèndig meske opgedaon. Ut is nog een hèndig endje fietse.
handveger, [handstoffer], haandvèrreke, stofvèrreke, handveger
harden, harde, volhouden, ut is nie om te harde het is niet om uit te houden
haren, haore, scherpen van de zeis
hauw, haauw , peul, schil van erwten
heg, hëggeske, hegje
heinen, hène , een heining zetten om een weiland.
hekkendam, [brug met hek], hëkkendam , brug over een sloot, waarop een hek
hengellat, hingellat , hengel
hengst, hingst , hengst
her en der, herris en derris, hierheen en daarheen
heremijntijd, heremetije , tsjonge nog aan toe (klagerig)
herik, hirrik , (B) herik, wilde variant van koolzaad
het is maar dat je het weet, ut is mar dèggut wit, het is maar dat je het weet
hoeden, huuje , hoeden, de dieren opjagen (bij het verscharen van vee)
hoeden, meej al die jông ôver de vloer kande mar blijve hu, met al die kinderen over de vloer moet je blijven opletten
hollewaai, [lawaaiige vrouw], un hollewaai, Een luidruchtige vrouw met veel woorden waarvan er weinig verstandig zijn.
hoofdpijn, [pijn in of aan het hoofd], heûitpijn , hoofdpijn
hoor eens even, heur is effe, hoor eens even
horsdroog, [erg droog], hôrdrueug, erg droog
hort, komde gij un hortje burte?, kom je een poosje op bezoek?
hort, hortje , poosje (Fr.: heure, Lat.: hora)
hou je bakkes, haauwd’oe bakkus, houd je mond
houdoe, houdoe , tot ziens (houd je goed)
houten kop hebben, unne houtere kop hebben, een kater hebben na een feestje.
huisje, hûske , de w.c. buiten
ietwat, iete wâ , (E) iets. Iete , iet (W)
ijselijk, èèseluk , (M) heel erg
janken, jaanke, janken, huilen
janker, [zeurpiet], wa zijde toch unne jaankert, wa zijde toch unne maauwert, wat ben je toch een zeurpiet
jong, de jông, de kinderen, de jonge dieren, ’t jông toch: och het kind toch; dè jông: dat kind, dat jonge dier
jorissen, [plagen], jèrisse, (W, M) plagen, sarren
jotteren, [rammelen, trillen], jottere , rammelen, wrikken
kaas, kèès, kaas, er gaot niks bôven een sneeke broeôôid meej aauwe kèès
kadee, kadee, netjes
kaffen bed, kaffe bëdde, bedden gevuld met kaf
kanis, kaonus, mand om fruit in te plukken
kanissen, kaonuse, kaone, smakelijk eten, schranzen
kaps, [buiten adem], ik loeôôip me kèps, ik loop me een ongeluk
karosseren, [rondrijden], karrossiere, (pronkend) rondrijden
kast, kaasje, kastje
kauwauwen, [kwetteren, kletsen], kaauwwaauwe, gekaauwwaauw, kletsen, geklets
kavel, kaovul, kavel, stuk land
keel, kééle, raapstelen
kei, [helemaal], kaai, helemaal
kei, kaaier, keistenen
kei, [helemaal], de weind is kaai oeôôist, de wind is helemaal oost
keieren, [onzin verkopen], kaojere, onzin verkopen
kerkenbuil, kërkenbuil, collectezak
kers, korse, kersen
Kerstmis, Korsemis, Kerstmis
kiel, këëltje, (W) kort werkjasje, meestal blauw. Kieltje (E)
kievitsbonen, [witte boon met zwarte spikkels], kievitsboeôôine, witte bonen met zwarte spikkels
kijken, këk, kijk, këk taor is, kijk daar eens, këk tus effe, kijk eens even
kind, keinder, kinderen
kist, kiest, kist
kistjesman  , [venter], kiesjemanneke, marskramer
klapekster, un klëpekster, een roddelaarster
klaphek, [vrouw], un klëphëkke, een uithuizige vrouw
klauwen, klaauwe, krabben
kleed, klééke, kleedje
klei, klaai, klei
klep, un groeôôite klëp hebbe, een grote mond hebben
klep, zij is altijd op de klëp, zij is altijd de hort op, zij is altijd weg
klepschuw, klëpschouw, kopschuw
klooien, kloeôôje, prutsen, aanrommelen, wè zitte toch te kloeôôje? Wat pruts je toch?
klootveger, unne kloeôôitvèger, iemand die slecht werk levert, iemand die iets doms doet
knolraap, knurraop, knolraap
knoopsgat, knupsgat, knoopsgat
knuppel, knippel , (W) knuppel
koe, koei, koe, koeien
kommetje, kommeke, kopje
konijnenmepper, knijnemepper, koopman die konijnen opkoopt om te slachten
konkelen, kônkele, wat aanrommelen
kool, koeôôil, koolsoorten, grune, rooie, sevooie koeôôil
kop en schotel, kopke en schotteltje, kopje en schoteltje
koud, kaauw, koud, de kaauw daog zijn bekaant aont èènd, de kachel hoeft dan ôk nie meer te braande
krek, krèk zô, net zo,  krèk wèk wou: juist wat ik wilde; krèk geraoje:  precies geraden
kries, kriezen, kruisbessen
krikkemik, krikkemik, krakkemikkig, oud en rommelig
kringen, [pesten], kringe , (W) pesten
krooi, krooi, een heleboel, zij hebben un hiëël krooi zij hebben veel kinderen
kroot, krôôte, rode bieten
krus, [pruimensoort], kruskes, vroege, kleine pruimen
kuchen, kechen, hoesten
kuieren, kùijere, kuieren, wandelen
kuis, kuis, helemaal, dè ding is kuis verrot dat ding is helemaal kapot, versleten
kulleken, [kokhalzen], kulleke , (M) kokhalzen
kwak, [kledder], unne kwak, veel
kwaken, kwèke, kwaken, ook: druk praten, de minse zate me toch te kwèke in de kërk veurdet den dômenie begôn
kwakje, kwakske, zeuike, beetje, zootje, kwakske èèrepel, zeuike èèrepel beetje, zootje aardappelen
kwalijk, kwèlluk , (W) nauwelijks, ternauwernood. Zie ook: aamper
kwanselen, kwaansele, roeren, ongunstig bedoeld
kwatten, kwaaiere, spugen, overgeven
lammeren, [betalen], lammere, betalen
lamp, laamp, lamp
land, laand, land
langs, langs, laangs, langs
lappen, lappen, geld bij elkaar leggen om gezamenlijk iets te kopen
lazarus, ik loeôôip me ut lebbis, ik loeôôip me ut lebberis, ik loop me een ongeluk
leem, liëëm, leem
leer, liëër, ladder
leidsel, laaisel, leidsel
letsen, [ervandoor gaan], litse, er van door gaan. Lits, Zuid-Ned.: streep, Midden-Ned.: schans, barricade
licht, locht, vrijzinnig, niet orthodox, er prikte vandaog mar unne lochte dômenie
licht in het hoofd zijn, locht in’t heûit zijn, licht in het hoofd zijn
loop, loeôôip, buitenverblijf van een varken
lopen, loeôôipe, lopen
lucht, locht, lucht, un locht es unne sloeôôit, een erg donkere bewolkte lucht
luisteren, keinder luster nou es, kinderen luister eens
lus, oe ège uit de litse maoke, je uit de voeten maken
lus, gao us uit de litse, ga eens uit de buurt
machine, mesien , machine, ook: oliestel, ut vliëës staot te suddere ôp ut mesien
makkelijk, mèkkeluk, gemakkelijk
marbel, melver , stuiter
meel, [strekel], mëël , wetstok voor een zeis
meestal, mestal , merstal, meestal
meet, miëët , akker
Meeuwen, [familienaam], Mèèuwe, Meeuwen
meid, mèèd , meid, groot meisje
meisje, mèske , (B,W) meisje. Mëske (W)
meizoentje, maajzoentjes , madeliefjes
melkpap, [met melk gekookte pap], mellekepap, karnemelkse pap
menage maken, mensie maoke , (W) opschieten
mens, dè mins , die vrouw
mens, dieje mieñs, die man
mens, munne mieñs, mijn echtgenoot
mes, mèske, (B,W) mesje. Mëske (W)
messing, missing, (B) mest. (W) Messing 
meteunisje, meteuniske , klein soort primula
meuk, meuk, muik, bende, rotzooi
meutel, [zeurend], meutele , (M) zeurende (kiespijn)
Mies, [poes], ies , vrouwtjespoes
moe, muuj, moe, ‘k zij zô muuj es unne geslëpten hond erg moe
moeder, môin, moeder. Môen (W)
moeten, motte , moeten , wè môtte nou? Wat moet, wil je nou? hoe môt tè? hoe moet dat ?
moffelboon, môffelboeôôin , môffeboeôôin, tuinboon
molen, meulen, molen
molentje, [plant], meulentjes , kievitsbloemen
morgen, mèrege, morgen, dè doek mèrege wel
Mostaardweg, Mostaardweg , genoemd naar de vroegere Mosterddijk; deze dijk had een ondergrond van musterd (takkenbossen).
mulder, mulder , meikever, molenaar
mutsaard, musterd , bos dunne takken, ook bomenkring, begroeiing rond- om boerenerf, windsingel.
naarhaar, naorhaor, (E,B) vervelend iemand
naast, nast , naast
natschieten, natschiete , beetje regen, dèr schiet nog wâ nat
nevens, neffe , naast
nieuw, nij , neije, nieuw, hij hèt unne hingel. Dè ’s paas unne neije: hij heeft een hengel. Dat is pas een nieuwe
nieuwsgierig, nijsgirrig , (G) nieuwsgierig
oksel, ekse , knieholten
onder, ôndere, beneden, ik gaoi wir naor ôndere:  ik ga weer naar beneden
onder
onderbaaien, [bevuilen], ônderbaoje, ônderbère, de vloer vuil maken met het schoeisel, ge het hiëël de vloer meej modder ôndergebaoid meej oe ônte lèèrze
onderlaatst, [laatst], ônderlest , laatst
onderweg, ônderwégus, onderweg
ongepermitteerd, [niet toegestaan], ôngeperremeteerd , Het is te erg, dat hoort niet, dat is niet toegestaan (Fr.: permission)
onkantig, [ongelijk], ônkantige stiëën , (M) ruwe steen
ont, ônt , oneerlijk, vies, vuil
onterik, ônterik , oneerlijk iemand
op de schobberdebonk lopen, hij lopt ôp de schôbberdebônk, hij loopt te schooien, ook: klaplopen
opneuken, [opdonderen], Ette gij ôk al nij èèrepel. Nûk toch op miens, schiet toch op mens, maak dat je weg komt
ossenkop, [plant], ossekoppe , kleine margrieten
ossenkop, [appel], ossekoppe, appelsoort
overentie, [over, op voorraad], ôverènsie, op voorraad, dè hè ’k nôg wel veur oe in ôverènsie
overhands, [op de hand], overhaans, op de hand, Ze waast dè bloeske ôverhaans int iëërste sôp ze wast dat bloesje op de hand in het eerste sopwater
paap, [plant], paope , lisdodde
paard, pèèrd, paard
paardenbloem, pèèrdeblom, paardenbloem
paardenmachine, pèèrdemesien , machine aangedre- ven door paarden- kracht
paardenstaart, [staart van een paard; haardracht; plant], pèèrdestart , paardenstaart
pap, et gaauw oewe pap ôp, eet vlug je pap op, ruur in oewe ège pap joh: bemoei je met je eigen zaken
papier, papirke , papiertje
parentage, hij zit nôg bij ôns in de perremetaosie, hij is nog familie van ons
parentage, perremetaosie , (W) familiebetrekking
peen, peeje , bieten , peeje deurslaon bieten doorslaan
peenbaak, peejebaok , bietenmes
peenstamp, peejestaamp , hutspot, stamppot van aardappelen met wortelen en uien
peer, dè smakt joh, hiëël père meej spëk, Dat smaakt joh, in de schil gekookte peren met spek
peer, pèèr, peer
peer, père, peren
peggen, [priksleeën; door middel van een peg vastzetten], pëgge , (W) priksleeën
Peter, Piëër , Peter
petroleum, peterôlie , petroleum
pijn, pien in ‘t heûit, (M) hoofdpijn
pinksterbloem, pinksterblom , iris, blauwe of gele
pispotjes, [akkerwinde, haagwinde], pispotje , akkerwinde, hagewinde
plank, plangeske, plankje
plee, pleej , toilet
plukken, plok , plukte , hij hèt un kiest père geplokke hij heeft een kist peren geplukt
poeder, un kommeke poejer, een kopje chocolademelk, gif de jông mar un kommeke poeier en mijn mar un bakske koffie
poeder, poejer, cacaopoeder, chocolademelk
ponteneur, ôp oewe ponteneur staon, op je strepen staan
ponteneur, ponteneur , eer
pooieren, pooiere, poeiere, peuren, op paling vissen
pook, un pôôk van een mèèd, een stevige, uit de kluiten gewassen jongedame
potdeksel, [(planken) bedeksel; vrouw], un potdëksel, een vrouwspersoon met allerlei fratsen
prak, un prakske, een kliekje warm eten
prut trappen, proetje trappe, Een door dooi ontstane dunnere ijslaag kapot lopen
raak, dè ’s raok, dat is erg
raam, raom, raam
raap, [opgeraapt (fruit)], ut is mar raop, ut is mar val, het is maar opgeraapt fruit
ragebol, raogusbol, ragebol
ramen, raome , bereiken, het halen , dè raomde nooit dat haal je niet
regenen, ut règent dè ’t zèkt, het regent dat het giet
rietsigaar, [bloemaar van de lisdodde], rietsigaore, lisdodde
rijk, rëkste minse, rijkste mensen
rijven, môtte oewen dam nôg doen, vège of rijve?, moet je het erf nog vegen of harken?
rinkelrooien, rinkelrôôie , nietsnutten , lop nie hiëël den dag te rinkelrôôie loop niet de hele dag te nietsnutten
roeren, ruure, roeren
rogge, rog, rogge
room, rôôme, volle melk
roomboter, rôômbôtter, goeibôtter, roomboter
roompap, [met melk bereide pap], rôômepap , zoetemelkse pap van volle melk
ruigte, rugt , onkruid
ruigten, [onkruis wieden], rugte , onkruid wieden
sajet, sjet , wollen brei- en stopgaren
sakkeren, sakkere, (M) mopperen, zeuren
schaap, schaop, schaap
schabouwelijk, schabaauweluk, onverzorgd bij kleding of bij een huis
schaften, schofte , schaften
schafttijd, schofttijd , schafttijd
scharrelen, scharrele , met een meisje omgaan.
scheer, [schaar; kattekop], schèèr, kattekop van een meisje, schaar  
scheiden, geschaaie, gescheiden
schelen, schouw, scheelde
schelf, schilft , (M) hooiberg. Schëlf (W)
schenden, schène, schelden
schillen, èèrepel schëlle , aardappelen schillen
schobberdebonk, schôbberdebônk, klaploperij
schobberen, schôbbere , schuren tegen de jeuk
schobbetje, [drafje], schobbeke, sukkeldrafje, zij lopt ôp un schôbbeke
schop, schup, schop
schorre, [plant], schorre , fluitenkruid, gao es gaauw wâ schorre plukke veur de knijne =
schoteldoek, schôtteldoek , vaatdoek , de schôtteldoek lëët aachter ut mesien de vaatdoek ligt achter het oliestel
schreeuwen, schriëëwe , huilen van verdriet
schretten, schrète , schreeuwen, hard roepen, hij schrèt es un maoger vèrreke
schuur, schurke , schuurtje
schuw, schouw, schuw
schuw, schouw , gehaast, slordig, ge hëggut mar schouw aafgemakt. Lop toch nie zô schouw
schuwe, [onbetrouwbaar mens], unne schouwe, een onbetrouwbaar mens, een wildeman
siererwt, [pronkerwt], sierèrtjes , lathyrus
sinterklaasmannetje, [koek], sintereklaosmanneke , speculaasje
sjouwen, wè sjouwde toch?, wat doe je toch?
sla, slaoj, sla
slechten, messing slichte , met een riek mest over het land verdelen, ut is te slecht weer veur den os om te gaon ploege, zin den boer tegen zunne knecht, gao mar messing slichte.
slep, [bruggetje], slëp , smal bruggetje over de sloot
slepen, geslept , (B,E) gesleept, ook doodmoe
sloot maken, sloeôôt maoke, gras en riet uit de sloot halen in het najaar, de sloot schoonmaken.
slootje lepsen, sloeôôike lëpse, slootje springen
smaken, [smaak hebben], smaoke, smaken
smiespelen, smiespele , (zie: fëzike) fluisteren in gezel- schap (ongunstig)
smorrelen, [pruttelen], smorrele , kliekje opwarmen in een pannetje
smorrelig, [vies], smorrelig, vies, smerig
sneb, snep, kattekop van een meisje
snotkoker, [snotneus], snotkôker , snotneus, wâ witte gij daorvan, snotkôker
spaak, spiëëke, spaken in een wiel
spade, spaoj, spa
spaden, spaoje , spitten
spader, [grondwerker], hij èt es unne spaojer, hij eet veel
spek  , spèèk , parmantig , ut spèèk manneke zit spèèk: het parmantige mannetje zit rechtop
spinazie, spinaozie, spinazie
spoelen, spule, spoelen
sprauwtje, spraauwke, een beetje regen
spuwen, spouwe , (M) zie: kwaaiere overgeven
steukeren, [moeizaam voortbewegen], steukere , moeizaam voortbewegen
stoep, stôp , stoep
storm, sturm , storm
strobbelen, strôbbele , struikelen, vallen , ik zij me toch lëgge strôbbele: ik ben me toch gestruikeld
strooien, straaie , (W) stro onder de dieren leggen
strooisel, straaisel , (W) stro in de stal onder de koeien
subiet, sebiet, subiet dadelijk, onmiddellijk, ik kom sebiet
taailappen, taailappe , scholletje lopen
tafel, taffel, taofel, tafel
tafellade, taffellaoi , tafella
tarwe, terruf , tarwe
tarwebloem, terveblom , tarwebloem
tatel, [wankel], taotul , wankel, dè taffeltje staot mar taotul
teems, témus , melkzeef
temptatie, temtaosie , drukte
terugstaan, terugstaon , (W) opzij, goade ’s gaauw terugstaon
tetter, [waffel, snater], tetter , (M) mond, haauwd’ oewe tetter nou es
tijd, uit de tijd gaon, overlijden, dieje miens is uit de tijd
tillevreeën, [kinderspel], tillevreeje , (B) verstoppertje spelen
todden, todde , vodden, ook: kleren, hij hâ zun goei todde aon
toetmem, [hetzelfde], tut mem, (W) hetzelfde
tomaat, tomaote , tomaten
trubbelig doen, trubbelig doen, (B,E,M) druk doen, gejaagd zijn.
trutsen, [drentelen], dritse , drentelen , lopt ammel nie zô om de taofel te dritse, lopt ammel nie zô om de taffel te dritse drentel niet steeds rond te tafel
tuk, tuk , beet , nou hèk oe tuk nu heb ik je beet (genomen) 
uitkruipertje doen, [kinderspel], uitkruiperke doen, verstoppertje spelen
uitscheiden, uitschaaie , er mee ophouden.
vakantie, vakaansie , vakantie
varken, vèrreke, vèrkentje, varken
vasthouden, [in de handen houden], hij hief ut vaast, hij hield het vast
veel te veel, veuls te veul, veel te veel. Vus te veul (W)
vegen, môtte oewen dam nôg doen, vège of rijve?, moet je het erf nog vegen of harken?
vensterbank, [deel van raam], veinsterbaank , vensterbank
vergeme, [bastaardvloek], vergimme, verdorie
vergeten, Ik môt niet vergète dè ‘k zij vergëte te ète in Ië, ik moet niet vergeten dat ik ben vergeten te eten in Eethen
verinteresten, [nutteloos bewaren], verintereste , nutteloos bewaren van dingen
verkwanselen, verkwaansele, verknoeien
verleden, vleej, verleden, vorige, vleej wèèk
verruïneren, verrinnewëre, ruïneren, vernielen
vers, vors, vers
verscharen, verschaore, vee naar een andere wei brengen, koei verschaore koeien naar een andere wei brengen
verse koe, een vorse koei, een koe die na het kalven aan een nieuwe melkgifteperiode begint
veulen, vulle, veulen
veziken, fëzike , (E) smoezen, fluisteren (ongunstig bedoeld). Zie: Van Dale: veziken, vezelen
vleet, [vrouw], een lui vliëët, een lui vlëët, een luie vrouw
voelen, vuule, voelen
voeren, de vôgels zijn aon ’t vuure, (W) de vogels voeren nestmateriaal aan
voordeur, vurdeur, voordeur
vraag-eens-boekje, vraogusboekske , cathechisatieleer- boekje
vrijdagge, vrijdagge , (W) wekelijkse poetsbeurt op vrijdag
vrouwmens, frommes, frammes, vrouwspersoon
vuilnis, vullis, vuilnis. Vuilis (W)
waakhond, [hond die erf bewaakt], waokhond, waakhond
waar, war, wèr, nietwaar (stopwoord)
wassen, waase, wassen
wateren, wittere , dieren water geven.
weerga, wirgaoi, weerga, gelijke, da kint zun wirgaoi nie
weerga, wirgaoi , wedergade, andere helft of bijpassend deel, echtgeno(o)te, hier hë’k zunne iëëne klômp en daor ziek zunne wirgaoi
wei, waai , wei (bijprodukt van kaasproduktie)
weide, waai, weide
welja, weljattik , wejattik, welja
welnee, wëlnentink , wëlnettik, welnee
werk, dè doe ‘k ut iëërste werk, dat doe ik meteen
wervel, [grendel], wurvel , houten deursluiting
wetten, [hardlopen], wette , hardlopen, hij kwam me daor toch den dam aafgewet
wiewauwen, wiewaauwe, wiebelen, zit nie zô te wiewaauwe ôp oewe stoel
wijd, wijer, wijder, ruimer, vrouw mak mun broek es wijer, ik heb ut er zô benaauwd in
wijders, wijer, verderop, ik gaoi weer wijer
Wijkenaar, [inwoner van Wijk ], un Wèkse, Wijkenaar. Un bij vrouw, unne bij man
wind, unne dunne weind, een schrale wind
wind, wie hèt er hier unne weind gelaote?, wie heeft er hier een wind gelaten?
windopper, weind-opper , kleine hooiopper, wordt gemaakt wanneer het slecht droogt.
winteren, [winterweer zijn], ut is aorig aon ’t weintere, het is al aardig aan het winteren
wintertarwe, weinterterruf , wintertarwe
wreken, vrueuke, wrikken
zaaikoren, [koren om als zaad te gebruiken], zadkoren, zaaikoren
zakhorloge, [horloge], zakkelôzie, zakhorloge
zal ik maar zeggen, zâ ‘k mar zëgge, een stopwoord
zand, zaant , zand
zat, ’t is zat, het is genoeg,  ik zij ut zat: ik ben het beu
zat
zat , hij is zat, hij is dronken
zeggen, zômar zëggus, niet gemeend, voor de grap
zeik, iemand in de zèèk zëtte, iemand voor schut zetten
zeis, zèsie, zeis
zoetigheid, [dat wat zoet is], ik heb gère zuutighed op mun broeôôid, ik heb graag zoet beleg op mijn brood
zonde, sunt , jammer, zonde
zooi, un zooi, veel
zootje, zeuike , zootje, un zeuike boeôôine
zootje, ut is er altijd un zeuike , het is er altijd een rommeltje
zwaluw, zwalfke, zwaluw
zwemmen, zwimme, zwemmen
zwing, zwing , onderdeel van een boerenwagen waaraan de stren- gen van het tuig bevestigd zijn.
zwonk, [in de gauwigheid], zwônk , flits, in de gauwigheid. , in unne zwônk zag ik hum gaon
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal