elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents

aaltgat, [mestgat], aalgat, (onzijdig), mestgat.
Aaltje, [vrouwennaam], Äolken , (vrouwelijk, eigennaam), Aaltje.
aaltkar, [gierkar], aolkaore, (vrouwelijk), gierkar.
aaltschaar, [aalvork], aolschère, (vrouwelijk), aalvork.
aaltton, [gierton], aaltonne, (vrouwelijk), aaltton.
aan, an, (voorzetsel, bijwoord), aan.
aanbijten, [een stukje eten], ãnbîten, (sterk werkwoord), een stukje eten.
aanbikken, [aanschrappen van bomen], ãnbikken, (zwak werkwoord), aanschrappen van boomen.
aanbinden, [braken], ãnbinden, (sterk werkwoord), ’n kelfken anbinden, braken.
aandoen, ãndôn, (onzijdig werkwoord), aandoen.
aangejaagd, [zenuwachtig], ãnejagd, (bijvoeglijk naamwoord), zenuwachtig.
aangloeien, [gloeien], ãnglö̂jen, (zwak werkwoord), aangloeien.
aankoeveren, [langzaam vooruitgaan], ãnkö̂veren, (zwak werkwoord), langzaam vooruitgaan.
aanlangen, ãnlangen, (zwak werkwoord), aangeven.
aanlaten, [zachter worden], ãnlaoten, (sterk werkwoord), zachter worden.
aanloten, [positief loten], ãnlòten, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk].
aanmoeden, [vergen], ãnmôden, [weinig gebruikelijk], zie tômôden.
aanpraten, [opdringen], ãnpraoten, (zwak werkwoord), opdringen.
aanspreken, [spreken tot iemand, bezoeken], ãnsprèken, (sterk werkwoord), bezoeken.
aantijgen, [aanrijden], ãntîen, (sterk werkwoord), aanrijden.
aantrekken, [aan het lichaam doen, naar zich toe trekken], ãntrekken, (sterk werkwoord), aantrekken; de achterbokse ãntrekken, zich terugtrekken.
aar, aor, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk].
aarden, [een plek vinden, besmetten], aorden, aoren, (zwak werkwoord), aarden.
aarseinde, [stompe punt van een ei], eersende, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] stompe punt van het ei.
achter, achter, (voorzetsel) , lö̀p üm achternao, hij loopt hem achterna.
achterdeel, [nadeel], achterdeel, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] nadeel.
achterdocht, achterdòcht, (vrouwelijk), nadenken.
achterhout, [evenaar aan een wagen], achterhõlt, (onzijdig), achterhõlter, evenaar aan den wagen.
ader, aoder, (vrouwelijk), ader.
af, of, af, van.
afbraak, [het afbreken, puin], òfbraok, (vrouwelijk), afbraak.
afgaand, òfgaon, (sterk werkwoord), afloopen; ’t is afgaond werk.
afgestomd, [volstrekt], afgestomd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ’n afestomde lögen, een volstrekte leugen.
afgunst, äovelgünne, (mannelijk), afgunst.
afgunstig, [jaloers], avengünst, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] afgunstig.
afgunstig, avengünstig, (bijvoeglijk naamwoord), afgunstig.
afhouden, [verwijderd houden], ofhõlden, (sterk werkwoord) , en kind ofhõlden, een kind ophouden om zijn gevoeg te doen.
afrangen, [bonen van dragen ontdoen], òfrangen, (zwak werkwoord), boonen van draden ontdoen.
afschotelen, [afzetten], òfschòttelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] afzetten.
afstellen, [uitstellen], òfstellen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] uitstellen.
afvreden, afvréden, zwak werkwoord, [weinig gebruikelijk] omheinen.
al, aal, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), al.
albendig, [moedwillig], aalbendig, (bijvoeglijk naamwoord), moedwillig.
algerak, [buitenkansje], aalgerak, (onzijdig), buitenkansje.
alibandigheid, [losbandigheid], aalibandigheid, (vrouwelijk), losbandigheid.
aling, [geheel], aling, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] geheel.
allebot, [telkens], allebòrd, allebòd, allebòt, elkebòt, (bijwoord), [weinig gebruikelijk] elk oogenblik, telkens.
allemaal, allemaole, (bijvoeglijk naamwoord, voornaamwoord), alle.
altijd, aaltîd, aait, (bijwoord), steeds.
ander, ãnder, aor, (bijvoeglijk naamwoord), ander.
appelhof, [boomgaard], appelhòf, (mannelijk), boomgaard.
arbeid, ârbeid, (mannelijk), arbeid.
ark, ârke, (vrouwelijk), ârken, ark.
arm, [pover], ârm, (mannelijk), ârme, arm; met den krommen ârm gaon, een geschenk brengen.
arm, ârm, (bijvoeglijk naamwoord), arm.
armoede, ârmod, armô, (mannelijk, vrouwelijk), armoede.
avlam, [jongensspel], avlam, jongensspel. Van schaatsenrijders gaan alle naar een kant van een plan, een gaat tegenover hen staan. Hij rijdt op de anderen los, avlam roepende, vangt er een die hem helpt de anderen vangen; zoo gaat het door tot er een over is, die dan avlam wordt.
avond, aovend, (mannelijk), aovende, avond, g’navond, goeden avond.
avondregen, [avondregen], aovondrègen, (mannelijk), avondregen; va laowe meer weer nao bèrre gaon, ’t gif nen aovondrègen zè de jonge, dô et ’s morgens om vîf ü̂r begün te drö̀ppelen (wordt als voorbeeld van luiheid gezegd).
azen, äozen, (zwak werkwoord), azen.
baal, baal, bale, (mannelijk), baal.
baanderdeur, [schuurdeur], bãnzendöre, (vrouwelijk), schuurdeur.
baggeren, [slijk verwijderen, door slijk lopen], baggeren, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk].
bakken, bakken, (sterk werkwoord) , bakken.
bakslag, [slag uit gekkigheid], bakslag, (mannelijk), slag uit gekheid.
bakslagerij, [stoeierij], bakslagerije, (vrouwelijk), laffe gekheid, stoeierij.
band, [uitbundig], bãnd, bẽnde
bandgard, [stokken over een rieten dak], bandgarden, (meervoud), [weinig gebruikelijk].
bandstok, [hout voor hoepels], bandstö̀kke, [weinig gebruikelijk].
bank, bãnke, (vrouwelijk), benke, bank.
bansdeur, [schuurdeur], bandöre, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk].
barg, borg, (mannelijk), gesneden varken.
barst, [breuk], bòrst, bòst, (mannelijk), barst.
barsten, bersten, besten, (sterk werkwoord), bersten.
beaardigen, [begraven], beëerdigen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] begraven.
bed, bedde, bèrre, (onzijdig), bed.
bede, , (vrouwelijk), bede.
bedeesd, bedeesd, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] bedeesd.
bedelen, bedeln, (zwak werkwoord), bedelen.
bederven, bederven, (sterk werkwoord), bederven.
beduusd, bedü̂sd, [weinig gebruikelijk], ontsteld, onthutst.
beefes, [abeel], bèfesse, (vrouwelijk), bèfessen, [weinig gebruikelijk] abeel.
begaving, begaves, begaoving, [weinig gebruikelijk], zie aoverval.
begeven, begeven, (zwak werkwoord), er van afzien.
begluren, [bespieden], beglûren, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk].
begrip, begrip, (onzijdig), begrip.
bekeerde, [blauwe leembank], bü̂kérde, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] blauwe leembank.
beker, beker, (mannelijk), bèkers, beker.
bel, bellen, (vrouwelijk), bellens, lichtekooi.
beloeren, [begluren], belûren, (zwak werkwoord), begluren.
belofte, [toezegging], belöfte, (vrouwelijk), belòften, belofte.
bemerking, [opmerking], bemarkung, (vrouwelijk), bemarkunge, [weinig gebruikelijk] opmerking.
ben, bünne, (vrouwelijk), bennen, mand.
beneden, benéden, (bijwoord), beneden, meest vervangen door onder.
benzen, [dringend verzoeken], benzen, (zwak werkwoord), dringend verzoeken.
bergen, bergen, (sterk werkwoord), bòrg, ebòrgen
berk, berke, (vrouwelijk), berken, berk.
berm, bèrm, (mannelijk)
beslot, [sluiting], beslòt, (onzijdig), sluiting.
besnuiten, [bedriegen], besnü̂ten, (sterk werkwoord), bedriegen.
bespreken, bespreken, (sterk werkwoord)
besteden, bestèën, (zwak werkwoord), besteden.
bestendig, besténdig, (bijvoeglijk naamwoord), bestendig.
beugel, bö̀gel, (mannelijk), beugel.
beun, [grote kast], bönne, bönneken, (mannelijk), ook groote kast boven de bedstede.
beuren, bü̂ren, (zwak werkwoord), beuren.
beurt, bü̂rte, (vrouwelijk), beurt.
bever, bèver, (mannelijk), bever.
bies, bösen, (vrouwelijk), bies, lt. juncus.
biezen, birzen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] drijven, aandrijven.
bikaars, [doorgereden achterste], bikeers, (mannelijk), doorgereden aars.
blad, blad, onzijdig, blaaë, blad.
blak, [strak], blek, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] strak.
blaken, blöken, (zwak werkwoord), blakeren.
blakerig, [naar rook ruikend], bläokerig, blökerig, (bijvoeglijk naamwoord), naar den rook ruikend of smakend.
bleken, bleeken, (zwak werkwoord)
blekken, [mazelen], de blekken, (meervoud), [weinig gebruikelijk] mazelen.
blij, blij, (bijvoeglijk naamwoord), blijde.
blijken, bliken, sterk werkwoord, bleek, eblèken, blijken.
blik, blik, (onzijdig), blik.
blikaars, blikeers, (vrouwelijk), blikaars.
blindaas, blindauwsche, (vrouwelijk), blinde paardevlieg.
bloesem, blòsem , (mannelijk), bloesem
bode, bòde, (mannelijk), bode.
boeuf, [gestold vleesnat], bève, (vrouwelijk), gestolt vleeschnat.
bok, bok, (mannelijk), bükke, bok.
bokstuk, [broekzak], boksentük, (mannelijk), broekzak.
bond, [honderd el. garen], bond, (onzijdig), honderd el garen.
boon, boone, (vrouwelijk), boonen, boon.
boor, boor, (onzijdig), boors, boor.
bord, [kist met schuifdeksel], bred, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] kistje met schuifdeksel.
bors drinken, [alles opdrinken], bòrs drinken, bòs drinken, [weinig gebruikelijk] alles opdrinken.
borstel, bö̀rssel , bö̀ssel, (vrouwelijk meervoud), borstels van het zwijn.
bots, [slag, stoot], bots, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] slag, stoot.
bottel, bottel, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] bottel.
bout, bòlte, (vrouwelijk), bòlten, bout.
braai, brau, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] kuit van het been.
braak, braoke, (vrouwelijk), gebroken land, hoog roggeland.
braaktuut, [regenwulp], braaktü̂te, regenwulp (steltlooper).
braam, brö̀mel, (vrouwelijk), brümmels, braam.
branderig, [vurig, koortsig], brendērig, (bijvoeglijk naamwoord), vurig, ook koortsig.
breien, breiden, (zwak werkwoord), breidde, ebreid, breijen.
brein, bragen, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] hersens, meest van geslachte dieren gezegd.
breinaald, [breigerei], breinaold, (mannelijk), breinaald.
breken, brèken, (sterk werkwoord), breken.
bressen, [zwetsen], bresgen, (zwak werkwoord), zwetsen.
brij, brîj, (mannelijk), brij.
brink, brink, (mannelijk), brinke, plein in een dorp, open veld in eene marke, zie pootbrink, klaoverbrink.
broeds, [verlangend te broeden], brö̀idsch, (bijvoeglijk naamwoord), broeiziek (van vogels).
broeien, brôn, (zwak werkwoord), broeien.
broek, brôk, (onzijdig), lage streek.
bromkloot, [bromtol], bromkloot, (mannelijk), bromtol.
bron, bòrn, bòrnputte, [weinig gebruikelijk] bron, put.
bruidsnodiger, [nodiger voor de bruiloft], brûdsnögers, brülléftenöger, [weinig gebruikelijk] noodigers voor de bruiloft, z. brülftennöger.
bruusk, brus, (bijvoeglijk naamwoord), wild.
bui, büje, (vrouwelijk), bui.
buigen, bögen, (sterk werkwoord), buigen.
buil, bü̂l, (mannelijk), bü̂len, geldzak.
buiskool, bûskool, (vrouwelijk), kabuiskool.
bukken, bokken, (zwak werkwoord), bukken.
bunebast, [kwaardaardig man], bü̂nebast, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] kwaadaardig man.
burgemeester, bö̀rgemeister, (mannelijk), burgemeester.
buur, [tijk van een bed], bü̂re, (vrouwelijk), tijk van een bed.
buurtschap, [woongemeenschap], bûrschap, (vrouwelijk), gehucht.
cichorei, sokery, (vrouwelijk), cichorium intybus.
coûte que coûte, [op stel en sprong], kûterdekût, (bijwoord), [weinig gebruikelijk] op stel en sprong.
daal, [neer], dale, (bijwoord), [weinig gebruikelijk] neder.
dam, dam, (mannelijk), demme, dam.
damp, damp, (mannelijk), dempe, damp.
dampig, dēmpig, (bijvoeglijk naamwoord), kortademig.
danig, daonig, (bijwoord), vrij wat, zeer.
das, dasse, (vrouwelijk), desse, das, halsdoek.
deeg, dége, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk].
deelbrief, [scheidingsakte], deilbrieef, deilbreef, (mannelijk), scheidingsacte.
deelloos, [onenig], deiloos, [weinig gebruikelijk] oneenig.
deemsterig, [duister], demmerig, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] duister.
deger, [verstandig], déger, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] verstandig.
dek, dek, (onzijdig), dek, deken.
deken, déken, (mannelijk), deken (decanus).
dekens, dekene, (vrouwelijk), dekens, dekens.
deksel, deksel, (mannelijk), deksel.
delen, deelen, (zwak werkwoord), deelen.
dellenhaan, [fabrieksbaas], dellenhane, (mannelijk), baas op de fabriek.
den, danne, (vrouwelijk), dennen, den.
dertig, dertig, (telwoord), dertig.
deuk, dö̀k, (mannelijk), deuk.
deur, dü̂re, (vrouwelijk), deur.
dier, dier, (onzijdig), diere, dier.
diggel, diggel, (vrouwelijk), diggels, [weinig gebruikelijk] scherf.
dik, dük, (bijwoord), [weinig gebruikelijk] dikwijls.
doden, dooien, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] sterven.
dol, dol, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] dol, bont.
dol, dòl, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] lieveling.
donderpad, donderpedde, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] dikkop.
dooien, dèjen, (zwak werkwoord), doojen.
door, dü̂r, (vrouwelijk), door.
door, dü̂r, (voorzetsel), door.
doorslag, [vergiet, werktuig, kopie], dü̂rslag, (mannelijk), zeef, vergiet.
doortocht, [buikloop], dü̂rtòcht, (mannelijk), buikloop.
dopen, doopen, (zwak werkwoord), doopen.
dopheide, [erica tetralix], dòpheed, (onzijdig), erica tetralix.
dorp, dö̀rep, (onzijdig), darpe, dorp.
dorpel, dürpel, (mannelijk), dorpel.
dorsen, dö̀rsgen, (zwak werkwoord), dorschen.
dorst, dòrst, (mannelijk), dorst.
dorsterig, [duizelig], dôsterig, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] duizelig.
dotkuikentje, [hartelap, laatste kind], dòdkü̂kentjen, (onzijdig), laatste kind, hartelap.
dozig, [slaperig], dûzig, (bijvoeglijk naamwoord), slaperig.
draaischuit, [mallemolen], drèjschü̂tjen, (onzijdig), mallemolen.
dragen, drégen, (sterk werkwoord), drôg, edraogen, dragen.
dras, drö̀s, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] drassige, lage grond.
dreef, dreef, (mannelijk), dreef, hé is op drève.
dreig, [vierkante koppige kerel], drieëgge, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] vierkante koppige kerel.
drenzen, drünsen, (zwak werkwoord)
driest, [braak], driest, (bijvoeglijk naamwoord), driest liggen, braak liggen.
drijven, drîven, (sterk werkwoord), dreef, edrèven, drijven.
dril, dril, (mannelijk), geweven (driedraadsch) stof.
dril, dril, (onzijdig), gestold vleeschnat.
druif, drûf, (mannelijk), druif.
druif, [kleine bundel bloemen], drûf, (mannelijk), drü̂ve, kleine bundel bloemen.
druk, drük, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), [weinig gebruikelijk] druk.
du, , pron. pers. 2. sg.
duren, dûren, (zwak werkwoord), duren, uithouden.
durven, dö̀rven, (zwak werkwoord), mogen.
duwen, dèjen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] zacht slaan.
dwarsnacht, [de derde dag], dwarsnacht, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] den derden dag.
dwerg, dwerg, dwarge , (mannelijk), dwerg.
edik, ettik, (mannelijk), azijn.
eekhoorn, eekhoren, (mannelijk), eekhorens, [weinig gebruikelijk]
eenbomig, [onbekommerd], eenbömig, (bijvoeglijk naamwoord), zich om niemand of niets bekommerend.
eend, enterik, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] mannetjes eend.
eenpassig, [eigenzinnig, koppig], eempestig, (bijvoeglijk naamwoord), eigenzinnig, koppig
eik, eeke, (vrouwelijk), eik.
eikenboom, [soort boom], eekenboom, (mannelijk)
einde, énde, (onzijdig), eind.
elfrib, [te lang, een rib teveel], elfribbe, (vrouwelijk), die een rib te veel heeft, nl. te lang is; wordt bv. van een paard gezegd, dat te lang in de lenden is.
elkermalk, [een ieder], elkermalk, (voornaamwoord), [weinig gebruikelijk] een ieder.
elleboog, ellebaom, (mannelijk), ellebäome, elboog.
els, els, (vrouwelijk), els (priem).
enk, eng, enk, (mannelijk), enke, [weinig gebruikelijk] veld om het dorp.
erf, èrve, (onzijdig), erf.
erg, èrg, (onzijdig), erg.
erg, èrge, (bijwoord), erg.
ergens, iewers, [weinig gebruikelijk] ergens.
ergernis, èrgernisse, (vrouwelijk), ergernis.
erve, èrve, (mannelijk), èrven, erfgenaam.
erven, èrven, (zwak werkwoord), erven.
erwt, èrfte, (vrouwelijk), èrften, erwt.
evenouder, èvenö̀ulder, min èvenòlder, van gelijken leeftijd zijnde, tweeling.
evenwel, èvenwels, (bijwoord), evenwel.
ezel, ezel, (mannelijk), ezels, ezel.
fasel, [halfvet], vasel, (onzijdig), halfvet.
feeks, feekse, (vrouwelijk), feeksen, [weinig gebruikelijk] feeks.
feeks, fikke, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] feeks.
feil, fèjl, (bijvoeglijk naamwoord)
feil, veile , (vrouwelijk), dweil.
ferm, ferm, (bijvoeglijk naamwoord), ferm.
flantuten, flantüte, (vrouwelijk), flantüten, dwaze gewoonte.
flappen, flappen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] slaan.
fleer, flèr, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] oorveeg.
fles, flesche, (vrouwelijk), flesch.
flik, flik, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] klap.
fluisteren, flü̂steren, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] fluisteren.
foegelen, [oneerlijk handelen], fûggelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] oneerlijk handelen.
foper, [dennenappel], fobel, [weinig gebruikelijk] denappel.
framboos, frambóze, (vrouwelijk), frambózen, framboos.
fuik, [stil, gesloten], fûk, (bijvoeglijk naamwoord), stil, gesloten.
gaaf, gaove, (vrouwelijk), gaaf.
gaan, gieene, geene, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] gang.
gaard, gaor, gaord, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] tuin, kamp.
gaard, gaoren, (mannelijk), gaard, tuin.
gagel, gagel, (onzijdig, mannelijk) , plantnaam.
gallig, [welig, welvarend], gellig, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] welig, welvarend.
gangs, [gangs maken], gengs, gangs maken.
gave, geve, (vrouwelijk), gave.
gebedde, [bedgenoot], gebedde, (mannelijk), gebedden, [weinig gebruikelijk] bedgenoot.
gebeuren, gebü̂ren, (zwak werkwoord), gebeuren.
Geertruida, [vrouwennaam], Hète, [weinig gebruikelijk] verkorting voor Geertrui.
gelp, gelp, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] welig, geil.
gelui, [hetl luiden van een klok], gelü, (onzijdig), het luiden der klok.
genoeg, genôg, (bijvoeglijk naamwoord), genoeg.
gent, [zilverschoon], gēnte, (vrouwelijk), potentilla anserina.
gerst, gerste, (vrouwelijk), garst, koren.
gesp, gaspel, (vrouwelijk), gesp.
gesp, gesp, (vrouwelijk), gaspel, gaspels, gesp.
getouw, getou, touw, (onzijdig), weefgetouw.
gevel, gevel, (mannelijk), gevels, gevel.
geweten, geweten, (onzijdig), geweten.
gezin, gezin, (onzijdig), gezin.
gezond, gezond, (bijvoeglijk naamwoord), gezond.
gieren, gieren, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] zwaaien.
ginder, ginter, (bijwoord), ginds.
gispel, [berisping], gispel, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] berisping.
gist, gest, (mannelijk), gist.
glij, [zwil in het vlees], glî, (vrouwelijk), zwil in het vleesch.
glijlap, [straatslijper], glîlappe, (mannelijk), straatslijper.
glint, glint, (vrouwelijk), schutting.
glip, glip, (mannelijk), spleet, barst in de handen, vrouwelijk glippe.
gobbelen, [braken], gobbelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] zich bewegen (van vloeistof) braken.
goesting, gôstink, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] zin, smaak.
goud, gould, (onzijdig), goud.
graaf, grave, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] spade.
graat, graot, (onzijdig), gräote, graat.
greep, grep, (mannelijk), greep (het grijpen).
griezel, grûsel, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] huiverig.
grillen, grillen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] huiverig zijn.
gruwel, griuwel, (mannelijk), gruwel.
gruwelen, griuwelen, (zwak werkwoord), bang zijn.
gruwen, gruwen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] gruwen.
gudderig, [beverig], gidderig, (bijvoeglijk naamwoord), beverig.
gunzen, [smekend vragen], gönzen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] smeekend vragen.
haak, haok, (mannelijk), häoke, [weinig gebruikelijk] haak.
haarrook, [veendamp], haarrook, z. vennedamp.
haarstrik, [plat hout], haarstrik, (onzijdig), plat hout om de zicht mee te scherpen; zie hare.
haft, haft, (onzijdig), hafte, [weinig gebruikelijk] watervlinder, haft.
hagedis, èveltassche, (vrouwelijk), hagedis.
hal, hal, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] bevrozen grond.
hamel, [armoedig], hamel, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] armoedig.
handig, hendig, bijvoeglijk naamwoord, behendig.
handschoen, handsche, (vrouwelijk), handschoen.
hard, hart, (bijvoeglijk naamwoord), hard.
harksel, [bijeengebracht door de hark], arksel, (onzijdig), [weinig gebruikelijk].
harst, hest, (mannelijk), ribbe.
hart, herte, (onzijdig), harten, hart; he(r)telik.
hart, herte, hete, (onzijdig), hart.
hartkuil, [verdieping in de borstkas], hertekûle, hetekûle, (vrouwelijk), hartkuil, maagkuil.
hazengerf, [carum carvi, duizendblad], hazegerf, (vrouwelijk), carum carvi.
hede, hadde, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] afval van vlas.
heellijk, hilk, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] geheel.
heermoes, heerenmòs, ook ruwbòlt, equisetum.
heester, heester, (mannelijk), heester.
heffen, heffen, (sterk werkwoord), [weinig gebruikelijk] opnemen.
heft, hecht, (onzijdig), handvat.
heggenwrat, [bastaardnachtegaal], heggenvratte, (vrouwelijk), bastaardnachtegaal.
heide, heet, (onzijdig), heide.
heide, heet, (vrouwelijk), erica.
heilig, hillig, de hillige driee kö̀nige, de heilige drie koningen.
heimpje, [krekel], heemken, (onzijdig), krekel.
heksenmelker, [rups], heksemelker, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] rups, die op de wolfsmelk aast.
helft, helfte, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] helft.
helken, [band om zes korenschoven slaan], helken, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] een band om de zes staande korenschoven slaan.
hellig, hellig, (bijvoeglijk naamwoord), boos.
hemd, hẽmde, (onzijdig), hemd.
hemel, hemel, hemmel, (mannelijk), hemel.
hemel, [zindelijk, netjes], hemmel, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] zindelijk, netjes.
Hendrika, [vrouwennaam], Henders, Henners, Hente, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] verkortingen van Hendrika.
hengsel, hengsel, (mannelijk), hengsel; hengelmand.
herberg, hèrbèrge, harbarge, (vrouwelijk), herberg.
herfst, herfst, (mannelijk), herfst.
hesp, hepse, epse, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] ham.
het, ette, (persoonlijk voornaamwoord, neutraal), het, in verkleinenden zin gebruikt.
heup, hüppe, (vrouwelijk), hüppe, heup.
hiers, [hier behorend], hiersch, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] hier behoorend.
hild, hîlde, hîlle, (vrouwelijk), de lage zoldering in den stal.
hinnebes, hinnebèren, [weinig gebruikelijk] frambozen.
hippen, hippen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] springen.
hoe, , (bijwoord), hoe.
hoede, hö̂de, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] bewaarplaats.
hoeden, höën, (zwak werkwoord), hoeden.
hoeneer, hôneer, (bijwoord), [weinig gebruikelijk] wanneer.
hoeven, höven , (werkwoord) , behoeven.
hokjeskermis, [verhuur van zitplaatsen in de kerk], hö̀kkieskarmse, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] verhuring van de zitplaatsen in de kerk.
holting, hö̀ltink, (mannelijk), markvergadering. Op den hö̀ltink zit de markerichter of hòltrichter met den schrîver aan de tafel; de gewaarden (eigenerfden, vroeger erfexen) zitten op de banken, de lütkelü̂j of kö̀tters blijven staan.
hondenblijmensla, [molsla], hondeblîmenslaot, (vrouwelijk), molsla.
hondenhaar, [gras], hondehaor, (onzijdig), gras; fig. tweedracht: daor is hondehaor inekommen, zij zijn oneens geworden.
honderd jaar, [eeuw], honderd jaor, (vrouwelijk), eeuw.
hoop, hoop, (mannelijk), höpe, hoop.
hoorntje, [horzel], aonte, (mannelijk, vrouwelijk), horzel.
hopen, [opeenhopen], höpen, (zwak werkwoord), opeenhopen.
horken, hòrken, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] nauwlettend luisteren.
horloge, allozi, (onzijdig), horloge.
hort, [ogenblik], hòrt, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] oogenblik.
houtwagen, [een jongensspel], houltwagen, (mannelijk), houtwagen, een jongensspel. De eerste die krijgen moet roept “houltwagen een been”; heeft hij er een gevangen dan gaan zij hand aan hand de anderen vangen en roepen “houltwagen twee been”, en zoo voort. Als de anderen de handen kunnen verbreken, de keten doorbreken, dan wordt de houltwagen terug gedreven onder het gejuich van pokkel op! pokkel op! sla op! sla op!
huiskennig, [zich thuis voelend], hûskünnig, (bijvoeglijk naamwoord), zich tehuis gevoelend.
hul, hülle, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] omslagdoek.
hullen, [zoden om aan het vuur te branden], hüllen, [weinig gebruikelijk] zoden om aan ’t vuur te branden.
hulst, hòls, (vrouwelijk), hulst.
ijdel, îl, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] ijdel.
ijp, [zwaarmoedig], îpe, (vrouwelijk), hé hef de îpe op ’t lif, hij is zwaarmoedig.
ijselijk, îselik, bnw. , zeer.
ijselijk, îselik, (bijvoeglijk naamwoord), ijselijk.
ijzen, eizen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] bang zijn.
immenhoeve, [bijenkorf], imenhü̂ve, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] bijenkorf.
immenkar, [bijenkorf], îmenkaor, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] bijenkorf.
immenzaad, [gemendg koren], immenzaod, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] gemengd koorn voor huishoudelijk gebruik.
immer, ümmer, (bijwoord), [weinig gebruikelijk] steeds.
inboedel, imbôdel, (mannelijk), inboedel.
ipsen, [spelen met centen in hokjes], ipsen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] spelen met centen in hokjes.
jachtenduivel, [hypericum perforatum, sint-janskruid], jachtendü̂vel, (mannelijk), hypericum perforatum.
jas, jas, (vrouwelijk), jas.
jeuzelen, jözelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] zeuren, klagen.
jodenboon, [paardenboon], jö̀ddenboon, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] paardeboon.
jood, jö̀dde, jö̀rre, (mannelijk), jood.
juchteren, [wild stoeien, schreeuwen, hard lopen], jüchteren, (zwak werkwoord), wild stoeien, hard loopen en schreeuwen.
kaak, kaak, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] kaak, (wang).
kaamsel, [schimmel], käomsel, (vrouwelijk, onzijdig), kaam, schimmel.
kade, ka, kade, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] kade.
kade, [voor de gek houden], kaaie, ieemand op de kaaie hebben, [weinig gebruikelijk] voor den gek houden.
kakspaan, [bil], kakspaon, (mannelijk), kakspäone, bil.
kalamink, kalmink, (onzijdig), kalmink.
kalot, [muts], klòd, (vrouwelijk), klö̀dde,, [weinig gebruikelijk] vrouwenmuts.
kam, kam, (mannelijk), kam.
kamille, kamille, (vrouwelijk), kamille.
kanels, [boos], kanels, kanils, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] boos.
karnhuis, [plaats waar de karn staat], keernhûs, (onzijdig), plaats waar de karn staat.
karnsel, [boter van eenmaal karnen], keernsel, (onzijdig), de boter van eenmaal karnen.
karnton, keerntonne, (vrouwelijk), karn.
karrenwagen, [marktwagen, kinderwagen], kaorewagen, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] marktwagen, kinderwagentje.
katrol, katrol, (vrouwelijk), katrol.
kauw, kao, (vrouwelijk), kraai, kouw.
kauwen, kawwen, (zwak werkwoord), kauwen.
kawipje, [sprongetje], kawüpsken, (onzijdig), sprongetje.
keep, kepe, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] keep.
keilen, keilen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] met een steen werpen.
kelder, kẽlder, (mannelijk), kelder.
kerf, kerf, (mannelijk, vrouwelijk), kerf.
kerk, kerk, (vrouwelijk), kerk.
kerkeneind, [de mooie kant van iets], karkenende, [weinig gebruikelijk].
kermis, kermisse, (vrouwelijk), kermis.
kers, kerse, (vrouwelijk), karsen, kers.
kerspel, kerspel, kespel, (onzijdig), kerspel.
kerstmis, karsmisse, kasmisse, (vrouwelijk), Kerstmis, z. middewinter.
ketel, ketel, (mannelijk), ketels, ketel.
keten, keten, (vrouwelijk), ketens, ketting.
ketsen, kitsen, ketsen, (zwak werkwoord), vuurslaan met ijzer en steen.
keu, köken, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] jong varken, big
keur, kü̂re, (vrouwelijk), keur, keus.
keurig, [lusteloos], kûrig, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] lusteloos.
keus, köze, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] keus.
keuter, köter, (mannelijk), köters, boer die één paard houdt.
kevie, kévie, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] kooi, kast met tralies.
kiebig, [bij de hand], kiepig, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] bij de hand.
kiem, kim, kine, (vrouwelijk), kiem.
kiemen, [wortel schieten], gînen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] kiemen.
kietelen, kiddelen, (zwak werkwoord), kitelen.
kievit, kivit, (vrouwelijk), kievit.
kijf, kîve, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] bestraffing.
kinnebakbotten, [wangbeenderen], kennebakkenbütte, (meervoud), wangbeenderen.
klabats, [klauteraar, woesteling], klabatse, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] klauteraar, woesteling (meest van kinderen).
klamp, klãmp, (mannelijk), klãmpe, klamp.
klamp, klãmpe, (vrouwelijk), krap, haak.
klander, [strijkijzer], klãnder, (vrouwelijk), kleermakerspers, heet ijzer.
klank, klãnk, (mannelijk), klãnke, klank.
klank, [kronkel in touw], klãnke, (mannelijk), kronkel in touw.
klater, [vuil], klater, (vrouwelijk), vuil.
klauw, klau, (vrouwelijk), klauwe, klauw.
klauwen, klaowen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] klauwen; ’t vö̂tjen klaowen.
klaver, klaover, (vrouwelijk), klaver.
klaverbloem, [klaverbloem], klaoverblôme, (vrouwelijk), klaverbloem.
kleeën, [boekweitdoppen, zemelen van tarwe], kliëne, boekweitendoppen, zemelen van tarwe.
klep, [deksel], klip, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] deksel van een kan.
kleumen, klömen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] koud zijn.
klieren, [gezwollen klieren], kliere, kliergezwellen.
klis, klîve, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] klis.
klit, klitte, (vrouwelijk), klitten, klis (ook benaming van een vrouw).
kloen, [turf, bagger], klü̂n, (mannelijk), turf, kloen, bagger.
kloof, kloove, (vrouwelijk), klooven, [weinig gebruikelijk] kloof.
klootjesmaal, [feest na het klootschieten], klötjesmaol, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] feest na afloop van het klootschieten.
klos, klòs, (vrouwelijk), klòssen, klos, kloot.
klucht, klocht, (vrouwelijk), troep.
kluitenboer, [een kinderspel], klẽisterbûr, een kinderspel.
klungel, [vod, kluwen], klüngel, (mannelijk), vod, kluwen.
klungelolie, [drank], klüngelaole, (vrouwelijk), jenever met stroop.
knak, knak, (mannelijk), slag; hi hef er een lelliken knak ekrégen.
knapblaas, [varkensblaas], knapblaoze, (vrouwelijk), varkensblaas, welke de jongens spelend laten knappen.
knars, knarre, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] knarsbeen.
knerpen, [knauwen], knarpen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] knauwen.
knevel, knèvel, (mannelijk), zware boom, sluitend aan een hek of deur; sterke man.
knijf, knîf, knîfmes, (mannelijk, onzijdig), mes.
knijpworm, [oorworm], kniepworm, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] oorworm.
knikkenbijl, [driekante bijl met punt], knikkebîle, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] driekante bijl met punt.
knipspoor, [zandweg met gaten in de sporen], knipspeur, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] zandweg met gaten in de sporen.
knisteren, knèsteren, (zwak werkwoord), knetteren.
knob, knobben, (mannelijk), dikte.
knoest, oost, (mannelijk), kwast in het hout.
knorbot, [kraakbeen], knòrrebot, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] knarsbeen.
knotwilg, knòtwilge, (vrouwelijk), knotwilg.
knuffel, [plooi, stool], knoffel, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] plooi, stool.
knuffelen, knoffelen, (zwak werkwoord), drukken.
knuppel, knüppel, (mannelijk)
koek, kôke, (vrouwelijk), koek.
koekkant, [voorzichtig zijn], kôkãnte, (vrouwelijk), zik an de kôkãnte hõlden, voorzichtig zijn.
koelte, kö̂lte, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] koelte.
koen, kö̂n, (bijvoeglijk naamwoord), koen, dapper.
Koenraad, [jongensnaam], Kôraod, (eigennaam) , Koenraad.
koetoef, [graspol], kôtûf, (mannelijk), graspol in eene weide.
kogel, kògel, (vrouwelijk), kögeltjen, onzijdig kogel.
kogel, kûgel, (mannelijk), bal, z. ook kògel.
komen, komen, (sterk werkwoord), kwèm, ekommen, komen.
koningsjager, [veldwachter], kö̀ninksjager, (mannelijk), veldwachter.
kooi, kòwwe, (vrouwelijk), kooi.
kool, kòle, (vrouwelijk), kool (brandstof).
kopschuw, kòpschee, (bijvoeglijk naamwoord), schichtig.
koren, koorn, (mannelijk), körne, pit in de vrucht.
korst, kö̀rste, (vrouwelijk), korst brood.
kortneef, [haas], kûrtnève, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] haas.
kortsen, [kort op iets gooien], kòrtsen, (zwak werkwoord), kort op iets gooien.
kot, kaote, (vrouwelijk), kaoten, huisje, kot.
kou, [kou ], käolte, (vrouwelijk), koude.
kou, kelde, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] verkoudheid, z., kòlde.
kraaienkoren, [moederkoren], krèjenkoorn, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] moederkoorn.
kraaienstekel, [klein visje, stekeltje], krèjenstrekel, (mannelijk), klein vischje, stekeltje.
krans, [vet aan de darmen], krans, (mannelijk), vet aan de darmen.
krempeldraad, [grassoort], krempeldraod, (onzijdig), grassoort.
kribbe, [kirbbig wezen], kribbe, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] kribberig wezen.
kribbe, [lastige vent], kribbe, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] lastige vent.
kriel, kriel, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] klein.
krik, krikke, (vrouwelijk), taling.
krodde, kròdde, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] onkruid.
kroes, krûs, (bijvoeglijk naamwoord), kroes, sierlijk.
kroon, [kroonkraan], krûne, z. krûsekrane.
kroonkraan, krûsekrane, voor krûnekrane, zie krûne p. 24.
kroos, kroos, (onzijdig), kroos, waterlinze.
kruid, krûd, krûderije, (vrouwelijk), kruid, kruiderij.
kruikar, [kruiwagen], krü̂jkaore, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] kruiwagen.
kuier, [sterven], kü̂ijer, [weinig gebruikelijk] üm kü̂ijer gaon, sterven.
kuieren, [praten], kuieren, (zwak werkwoord|), praten
kuif, kü̂f, (mannelijk), kuif.
kuil, kûle, (vrouwelijk), kûlen, kuil.
kuip, kûven, (vrouwelijk), kuip, tobbe.
kuizensleper, [stokslepen, bruidswerver], kûzeslepper, stoksleper, iemand die voor een ander uit vrijen gaat, bruidswerver.
kullage, [fopperij], küllazie, (vrouwelijk), fopperij.
kuur, [klein meisje], gör, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] klein meisje.
kwab, wabbe, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] dikte van vet, kwab.
kweekweemeier, [lijsterbessenboom], kwekwemeier, (mannelijk), lijsterbes-boom.
kween, kwene, manwijf, ook in physieken zin.
kwikkwak, [kleinigheid], kwikkwak, [weinig gebruikelijk] kleinigheid.
laagte, [tegenover hoogte], läogte, lögte, (vrouwelijk), laagte.
laak, [merksteen], laoke, (vrouwelijk), merksteen.
laars, leerze, (vrouwelijk), leerzen, [weinig gebruikelijk] laars, z. stével.
ladder, ledder, (vrouwelijk), ladder.
laden, laan, (sterk werkwoord), laden.
lakris, lakrisse, (vrouwelijk), drop.
laksen, [met laffe woorden spreken], laksen, (zwak werkwoord), van geliefden gezegd die elkander sterk aanhalen, met laffe woorden spreken.
lakserij, [laffe aardigheden], lakserije, (vrouwelijk), laffe aardigheden.
langwagen, [hout aan een boerenwagen], lankwage, (vrouwelijk), hout, waardoor een boerenwagen verlengd wordt.
lariks, lariks, (vrouwelijk), lariks.
last, last, (vrouwelijk), laste, last.
lauw, [luid], lauw, (bijvoeglijk naamwoord), luid.
lawaaksel, [kaft om een boek], lawaaksel, (onzijdig), kaft om een boek.
leeg, läog, lög, (bijvoeglijk naamwoord), ledig.
leem, leem, (mannelijk), leem.
leepogen, [druipogen], leepoogen, druipogen.
lelijk, leelk, lelk, lellik, (bijvoeglijk naamwoord), leelijk.
lemmet, [katoen in een olielamp], lemt, (onzijdig), (accent op met) katoen in eene olielamp.
lengte, lenge, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] lengte.
lest, lest, (bijvoeglijk naamwoord), lastig, strekkend, ruim.
leugen, lö̀gen, (vrouwelijk), leugen.
leur, löre, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] slons.
liggen, liggen, (sterk werkwoord), lag, èlègen, liggen.
lijden, liën, (sterk werkwoord)
lijftocht, [wonersplaats op een erf], lîftücht, vrouwelijk, naam voor de wonersplaats bij een boerenerf.
lijftochtenaar, [bewoner van een lijftocht], lîftüchter, (mannelijk), bewoner eener lîftücht.
lijken, lîken, (sterk werkwoord), leek, eleken, lijken.
lijkstee, lîkstè, (vrouwelijk), litteeken.
lijn, [langzaam, traag], lîn, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] langzaam, traag.
lijpen, lippen, (zwak werkwoord), schreien.
linker, linker, vrouwelijk, linkerhand.
lis, losch, onzijdig, lisch.
lobbes, lòbbes, (mannelijk), onverschillige kerel.
lodderig, lûderig, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] loom.
loer, [luier], lûre, (vrouwelijk), loer, en lûre drèjen.
lok, lokke, (vrouwelijk), lokken, lok.
loochenen, lögnen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] loochenen.
loopgaren, [spinnn, heen en weer lopen], loopgaren, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] loopgaren spinnen, heen en weer loopen.
lopen, loopen, (sterk werkwoord), löp, eloopen, snel loopen.
los, lö̀s, (bijvoeglijk naamwoord), los, open.
lossen, lösgen, (zwak werkwoord), lossen; ’nen èkster de tonge lösgen.
loven, laoven, (zwak werkwoord), prijzen.
luchterhand, [linkerhand], lüchterhand, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] linkerhand.
luikes, lü̂kes, bijvoeglijk naamwoord, [weinig gebruikelijk] leuk.
luisteren, losteren, zwak werkwoord, luisteren.
luizenzak, [sleutelbeenholte], lûzezak, (onzijdig), de sleutelbeensholte.
lust, lost, (vrouwelijk), lust.
lutjepink, [pink], lütkepink, (mannelijk), kleinen vinger; a’j den dü̂vel den lütkepink dôt taste tô en nemp de heele hand.
maal, male, (vrouwelijk), maaldag, mannelijk geerfden dag der mark.
maalder, [hoeveelheid koren], maolder, onzijdig, [weinig gebruikelijk] de hoeveelheid koorn, die in eens gemeten wordt.
maalder, [hoeveelheid koren], maolder, onzijdig, [weinig gebruikelijk] maat voor koren.
maalster, [hoeveelheid koren], maolster, onzijdig, [weinig gebruikelijk] maat voor koren.
maaltje, [feestje, onthaal op jenever], mäoltjen, onzijdig, feestje, onthaal op jenever, mäolken.
made, maot, vrouwelijk, weide, vrouwelijk maote.
maggelen, maggelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] knoeien.
man, man, (mannelijk), mans, manslö, man.
mark, mark, (mannelijk), mark (geldstuk).
markt, markt, markte, (onzijdig), de markt.
mars, mèrse, (vrouwelijk), mars (korf).
marter, marder, mader, maorter, maoter, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] marter.
marter, marte, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] wezel.
medicijnen, [medicijnen], mesînen, medicijnen, speciaal drankjes.
meent, meene, meente, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] gemeene weide of heidegrond.
meerkol, meerkol, markol, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] Vlaamsche gaai.
meers, mörsch, (mannelijk), lage, drassige grond.
melkrek, [latwerk om melkemmers te laten drogen], melkrek, (onzijdig), latwerk, om de melkemmers op te laten drogen.
mengzaad, [dierenvoer], mankzaod, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] gemengd zaad v. beestevoer.
merg, merg, (onzijdig), merg.
merken, merken, (zwak werkwoord), merken.
mest, mest, (onzijdig), fijne afval.
meten, meten, (sterk werkwoord)
meug, möge, (mannelijk), zin; elk zin möge, ieder zijn eigen zin.
middel, middel, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] enen onder de middelen nemen, iemand de les lezen.
midden, midde, (onzijdig), midden.
miegelen, miggelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] motregenen.
miegemt, [mier], mîgempe, (vrouwelijk), mîgempen, mier.
miegemtenpol, [mierenhoop], mîgempenpòl, (mannelijk), mierenhoop.
miezelen, mîzelen, (zwak werkwoord), fijn regenen.
miszaken, [loochenen], missaken, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] loochenen.
moe, , (bijvoeglijk naamwoord), moede.
moeilijk, möilik, (bijvoeglijk naamwoord), moeilijk.
moeite, mö̀ijte, (vrouwelijk), moeite.
moeiziekte, [loomheid], möjzieekte, möjzeekte, (vrouwelijk), loomheid.
moer, [wijfjeskonijn], mö̂re, (vrouwelijk), wijfjeskonijn.
moet, [tegemoet], mö̂te, te mö̂te kommen, te gemoet komen.
moeten, [tegenhouden], möten, (zwak werkwoord), tegenhouden, part. prt. emot.
mor, [koffiedik], mòrre, (vrouwelijk), koffiedik.
mouder, [vierkante houten bak], mòlder, [weinig gebruikelijk] vierkante houten bak, voornamelijk voor de wasch.
mul, mül, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] mulle zand.
munne, [grote voorn], mö̀nne, (vrouwelijk), groote voren (visch).
naaf, naven, (mannelijk of vrouwelijk), naaf.
nacht, nacht, (mannelijk), nächte, nacht; ’s nachens, des nachts.
nauw, naw, nouwe, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] nauw.
navel, naffel, (onzijdig), navel.
neb, nebbe, (mannelijk), nebben
nedendeur, [lage deur tegenover de baander], niendöre, de lage deur tegenover bānsdöre (dus die aan de andere zijde van het huis).
nerf, nerf, (mannelijk), nerf.
nergens, niwers, (bijwoord), [weinig gebruikelijk] nergens.
nering, nèringe, (vrouwelijk), nering.
nest, nüst, (onzijdig), nest.
nestdotje, [jongste kind], nüsseldö̀ddeken, (onzijdig), jongste kind.
netel, nettel, (vrouwelijk), nettels, netel.
neuren, nü̂ren, (zwak werkwoord), opzwellen van de uiers der koe.
neus, nö̀sse, nü̂ze, (mannelijk), neus.
nevel, nevel, (mannelijk), nevel.
niemand, nüm, (voornaamwoord), niemand.
nieneinde, [beneden eindee], nieneinde, (onzijdig), beneden einde.
niet, nich, (bijwoord), niet.
nirtig, [nurks], nirtig, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] nurksch.
nodigerstaf, [stok van een bruilofnodiger], nögestaf, (mannelijk), stok der bruiloftnoodigers.
noot, nòt, (mannelijk), nö̀tte, noot.
notvist, [kleine worm], nòtvist, (mannelijk), kleine worm, die een onaangename lucht geeft.
onabel, [lomperd], onabel, (mannelijk), lompert.
onderschoer, [binnenbouw tegen de regen], onderschûr, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] binnenbouw, om voor den regen te schuilen.
onguur, onhü̂r, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] niet pluis, gevaarlijk.
onlastig, [zeer lastig], onlastig, [weinig gebruikelijk] zeer lastig.
ontheit, [bericht], ontheit, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] bericht.
ontmoeten, ontmö̂ten, (zwak werkwoord), ontmoeten.
onzuur, [zeer zuur], onzûr, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] zeer zuur.
oom, öm, (mannelijk), öms, oom.
open, aopen, (bijwoord), [weinig gebruikelijk], zie lö̀s.
opluchten, [verhelderen], oplö̀chten, (zwak werkwoord), verhelderen, het gemoed verruimen.
opper, ö̀pper, (mannelijk), kleine hooistapel in het hooiland.
opperen, ö̀pperen, (zwak werkwoord), het hooi aan oppers zetten.
oprellijken, [verbeteren, opdrogen], oprelliken, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] verbeteren, opdroogen.
opsuikeren, [omroeren van suiker], opsokkeren, (zwak werkwoord), omroeren van suiker in ’t gevulde glas.
order, òrder, (vrouwelijk), order.
otter, òtter, (onzijdig), òtters, otter.
oud, ould, (bijvoeglijk naamwoord), (Wintersw. oold), oud.
overeenkomst, [overeenkomst], aovereenkümste, (vrouwelijk), overeenkomst.
overeind, aoverènde, (bijwoord), overeind.
overeind blijven, [opblijven, waken], aoverènde blîven, opblijven, waken.
overleden, [wijlen], aoverléden, (bijvoeglijk naamwoord), wijlen, zaliger.
overval, [beroerte], aoverval, (mannelijk), beroerte.
paar of onpaar, [knikkerspel], paar of ompert, knikkerspel, even of oneven.
pad, perre, (vrouwelijk), pad.
panvogel, [vlinder], pennevogel, (mannelijk), vlinder.
pekel, pekel, (vrouwelijk)
peper, pèper, (mannelijk), peper.
persen, persen, pesen, (zwak werkwoord), persen.
persijzer, [kleermakers strijkijzer], persîzer, (onzijdig), kleermakers strijkijzer.
peul, pö̀lle, (vrouwelijk), peul (vrucht).
peuter, [slag], pöter, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] slag, oppeuter.
peuteren, [morsen, met water spelen], pötern, (zwak werkwoord), penteren, met water spelen, morsen.
pier, pîre, (vrouwelijk), pier.
piermottig, [wormstekig], pîrmottig, (bijvoeglijk naamwoord), wormstekig.
pierrottig, [wormstekig], pîrròttig, (bijvoeglijk naamwoord), wormstekig.
pij, pij, (vrouwelijk), pij (kleed).
plodden, [vodden], plòdden, (mannelijk, meervoud), vodden.
ploddenstok, [paraplu], ploddestòk, (mannelijk), parapluie.
plooi, ploojeöje, (vrouwelijk), plooi.
plooien, [plooien maken, regelen], ploojen, (zwak werkwoord), plooien.
plotsig, [opgezet], plossig, (bijvoeglijk naamwoord), opgezet.
poel, [koosnaam], pûle, pûleken, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] liefje.
poes, pûs, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] schimmel, uitslag.
poes, [blikken gieter], püs, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] blikken gieter.
poester, [blaaspijp], pü̂ster, (mannelijk), blaaspijp.
poet, [slag], pûte, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] slag.
pogge, pogge, (vrouwelijk), poggen, [weinig gebruikelijk] jong varken.
pongel, [bloedbeuling], püngel, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] bloedbeuling.
pongel, püngel, (mannelijk), bundel.
poolse mik, [boerendans], poolsche mikke, (vrouwelijk), een boerendans; waarbij sterk met de voeten gestampt wordt.
poot, pòte, (vrouwelijk), jonge boom, stek.
populier, pö̀ppel, (vrouwelijk), populier.
posselbos, [gogel], pòsselbos, (mannelijk), gogel.
poten, pòten, (zwak werkwoord), poten.
potjebeuling, [rijst met krenten], pö̀tjebönink, (mannelijk), rijst met krenten.
praan, [mengelmoes], pranje, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] mengelmoes (van spijs).
prauwel, [neetoor], prèwel, (mannelijk), neetoor, lichtgeraakt mensch.
proesten, prûssen, (zwak werkwoord), niezen.
pulver, polver, (mannelijk, onzijdig), buskruit.
pulverbus, [kruithoorn], polverbüsse, (vrouwelijk), kruithoorn.
pungelen, [arenlezen], püngelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] arenlezen.
put, [mestgat], patte, (vrouwelijk), mestgat.
put, pûte, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] in de pûte kommen, in verval raken.
putbalk, [dwarsbalk boven de put], pütbalken, (vrouwelijk, meervoud), dwarsbalk boven den put.
raaskloot, [bromtol], raoskloot, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] bromtol.
raat, röte, (vrouwelijk), honigraat.
rafel, rafel, (vrouwelijk), rafel.
rag, [slecht persoon], ragge, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] slecht persoon.
raken, raken, (zwak werkwoord), het vuur bijeenschrapen (inraken).
rakken, rakken, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] schoonmaken.
ral, [niet sluitend, los in de mond], ral, (bijvoeglijk naamwoord), niet sluitend, ook los in den mond.
ramen, raomen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] mikken.
rappen, [slecht sluiten], rappen, (zwak werkwoord), de dü̂re rapt, de deur sluit slecht.
rasp, raspel, (vrouwelijk), rasp.
ree, , (vrouwelijk), réë, ree (hert).
reek, [onkruid], reek, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] onkruid.
reekam, [grote kam], reekamme, (vrouwelijk), groote kam.
reider, [fabrikant], reider, (mannelijk), fabrikant.
reiderij, [fabriek], reiderije, (mannelijk), fabriek.
rek, rek, de stok in het kippenhok.
reling, reiling, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] reeks latten om iets achter te zetten.
reppelkops, [slecht geluimd], reppelkö̀psch, (bijvoeglijk naamwoord), slecht geluimd.
reuk, rö̀ke, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] reuk.
rijten, rîten, (sterk werkwoord), rijten.
rijtensplijt, [iemand die gauw kleren scheurt], rîtensplît, (mannelijk, vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] die gauw zijn kleeren scheurt.
rijvelen, [diep ploegen], rîvelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] diep ploegen.
rodderig, [haveloos], ròdderig, (bijvoeglijk naamwoord), haveloos.
roemer, römer, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] roemer, drinkglas.
roest, rûst, (mannelijk), roest.
roezi, [wild], rûzeg, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] wild.
rondsel, ronsel, (vrouwelijk, onzijdig), rad dat rond gedraaid wordt.
rooien, raoën, rooien.
roppen, [aftrekken], ròppen, (zwak werkwoord), aftrekken.
roten, röten, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] vlas laten rotten.
rug, rügge, (vrouwelijk), rüggen, rug.
ruig, rûg, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] ruig.
ruigijzel, [ijzel], rowgîsel, (mannelijk), ijzel.
ruil, [schommel], ruile, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] schommel.
ruimen, rûmen, (zwak werkwoord), ruimen.
ruit, rût, (onzijdig), onkruid.
ruiter, rûter, (mannelijk), ruiter.
ruiter te paard, [jongensspel], rûter te peerd, een jongensspel.
rust, rust, (vrouwelijk), rust.
ruw, row, (bijvoeglijk naamwoord), ruw.
ruwbolt, [onkruid], rowbòl, (vrouwelijk), onkruid
sabbelen, sabben, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] kwijlen.
salie, selver, zelver, (vrouwelijk), salie.
samen, sam, (bijwoord), zamen.
schaap, schaop, (onzijdig), schaope, schaap.
schaapsschop, [schaapskooi], schaopschoppe, (vrouwelijk), schaapskooi.
schaarde, schäord, schäore, (mannelijk), schäoren, scherf.
schamel, schemmel, (mannelijk), het hout waar het voorstel van een wagen op draait.
schamom, [vlinder], schamomme, (vrouwelijk), vlinder.
schenk, [ham], schînke, (vrouwelijk), ham.
scherp, schaarp, (bijvoeglijk naamwoord), scherp.
scheur, schü̂re, (vrouwelijk), scheur.
scheut, schö̀tte, (vrouwelijk), scheut.
schichtig, schüchtig, (bijvoeglijk naamwoord), schuchter, bang.
schier, schîr, (bijwoord), [weinig gebruikelijk] vlug, terstond.
schieren, [vertrouwen], schîren, (zwak werkwoord), vertrouwen; ik schîre üm nig, ik vertrouw hem niets.
schierewip, [vlinder], schîrewippe, (vrouwelijk), vlinder.
schierzwaluw, [oeverzwaluw], schîrzwaalver, [weinig gebruikelijk]
schin, schin, (mannelijk, onzijdig), stof, van de huid.
schoffel, schófel, (mannelijk), zaadschepper.
schol, school , (bijvoeglijk naamwoord), ondiep.
schol, school, (bijwoord), ondiep; school plôgen.
schoppen, schoppen, (zwak werkwoord), een schop geven.
schopspaan, [in onzekerheid zijn], schopspaon, op den schopspaon (op schopstôl) zitten, in onzekerheid zijn.
schot, schòt, (onzijdig), schötte, schot (van schieten).
schouder, scholder, (vrouwelijk), schouder.
schram, schram, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] varken.
schrips, [klein, onaanzienlijk man], schrips, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] klein, onaanzienlijk man.
schroeven, schrûfen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] benauwd hoesten.
schrooi-ijzer, [schrooi-ijzer], schròîzer, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] schrooiijzer.
schuifkar, [kruiwagen], schûfkaore, (vrouwelijk), kruiwagen.
schuiker, [scheldnaam], schûkert, (mannelijk), scheldnaam.
sij, [wijfje van een vogel], sije, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] wijfje van een vogel.
sijsje, [sijsje], seisjen, (onzijdig), sijsje.
sik, sik, (mannelijk), geit.
slag, slachte, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] slacht, soort.
slak, slak, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] lui, traag.
slank, slanke, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] dun, buigzaam.
slee, sliere, (vrouwelijk), sleën, slede.
sleets, slets, (bijvoeglijk naamwoord), snel zijn goed verslijtend.
slegel, [arm van de pomp], slegel, (mannelijk), arm van de pomp.
slet, [lap goed], slat, (onzijdig), lap goed.
sleuren, slûren, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] slepen.
slijm, slîm, (mannelijk), slijm.
slok, klok, [weinig gebruikelijk] slok.
sloop, slópen, (onzijdig), sloop.
sloot, sloot, (mannelijk), slöte, sloot.
smart, smerte, (vrouwelijk), smarten, smart.
smelten, smēlten, (sterk werkwoord), smelten.
smet, smet, (mannelijk), smette, [weinig gebruikelijk] smet.
smeugel, [bedrieger], smö̀gel, (mannelijk), oolijkert, bedrieger.
smeugeltje, [kort pijpje], smögelken, (onzijdig), kort pijpje.
smoel, smûle, (vrouwelijk), mond.
smoken, smooken, (zwak werkwoord), rooken.
smokken, [kussen, zoenen], smokken, (zwak werkwoord), kussen.
smuigerd, [bedrieger], smuigert, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] bedrieger.
snaar, snaarske, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] zwagersvrouw.
snakken, [praten], snakken, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] praten.
sneb, snebbe, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] snavel.
sneeuw, snee, (mannelijk), sneeuw.
snig, [slak], snigge, (vrouwelijk), slak.
sniggenhuis, [slakkenhuis], sniggenhü̂sken, slakkenhuisjes.
snik, [hik], snük, (mannelijk), hik.
snot, snòt, snòtter, (vrouwelijk), snot.
sobben, [morsen], soppen, (zwak werkwoord), morsen.
soepel, söpel, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] gevoelig.
sok, [voetbedekking], sö̀kke, (vrouwelijk), sok.
soppen, [in een vloeistof dopen], soppen, (zwak werkwoord), morsen.
spalteren, [krimpen van pijn], spalteren, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk].
spat, spat, (vrouwelijk), spatte, spat (van een paard).
spel, spûl, (onzijdig), spel.
speld, spēlde, (vrouwelijk), speld.
speldengeld, [fooi], speldegeld, (onzijdig), spillepennink, m. [weinig gebruikelijk].
spier, spîr, spîre, (onzijdig), spriet.
spik, spîk, (onzijdig), spîke, vr. [weinig gebruikelijk].
spik, spikke, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] brugje.
spleet, splite, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] spleet.
spleeuw, [taai, buigzaam], splö, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] taai, buigzaam.
splinter, splitter, [weinig gebruikelijk] splinter, kleinigheid.
spoelen, spölen, (zwak werkwoord), spoelen.
spons, [zwam], sponze, (vrouwelijk), spons, zwam.
spoor, spü̂r, (onzijdig), wagenspoor.
spradde, [klein ventje], spradden, (mannelijk), klein ventje met veel praats.
spreeuw, spree, (vrouwelijk), spreeën, spreeuw.
spril, spril, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] sterk in ’t oog vallend.
sprotter, spròtter, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] spreeuw.
spuit, [werktuig om te spuiten], spö̀jte, (vrouwelijk), spuit.
spuug, spij, (vrouwelijk), spuug, speeksel.
staag, staodig, (bijwoord), gestadig.
staart, sterte, (mannelijk), staart.
stadig, stäodig, (bijwoord), gestadig.
stap, [toeslaande (muizen)val], stappe, vòssestappe, (mannelijk), toeslaande val.
stee, stè, (vrouwelijk), stede.
steeg, stege, (vrouwelijk), steeg.
steegreep, [stijgbeugel], stégereep, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] stijgbeugel.
steek, steke, (mannelijk), steek.
steel, stel, (mannelijk), steel.
stek, stikke, akkerstikke, eikenstruik.
ster, stèèrne, (vrouwelijk), ster.
sterfelijk, sterflik, (bijvoeglijk naamwoord), op sterven.
sterk, staark, (bijvoeglijk naamwoord), sterk.
sterke, [rund], sterke, (vrouwelijk), vrouwelijk rund van één jaar.
sterven, stèrven, (sterk werkwoord), sterven.
stevig, stevig, (bijvoeglijk naamwoord), .
stijf, stîve, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] stijfsel.
stijgbeugel, stîbögel, (mannelijk), stijgbeugel.
stip, stippe, (vrouwelijk), stip.
stoof, staove, (vrouwelijk), stoof.
storen, stûren, (zwak werkwoord), storen.
stork, stòrk, (mannelijk), ooievaar.
straal, straole, (vrouwelijk), straal.
strang, strank, (mannelijk), strenge, [weinig gebruikelijk] lijn, strook, arm van een water.
streek, streek, (mannelijk), strèke, [weinig gebruikelijk].
streek, [platte stok waar langs bouwzicht gestreken wordt], strik, (onzijdig), platte stok waar langs de bouwzicht gestreken wordt.
streep, streepe , (mannelijk), streep.
strips geven, [slaag geven], strips gèven, slaag geven.
stronkenbraden, [lanterfanten], strünkebraon, [weinig gebruikelijk] lanterfanten.
stuiken, [stoten], stûken, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk]
stulp, stö̀lpe, (vrouwelijk), stulp.
suiker, soker, (mannelijk), suiker.
sukkelen, sökkelen, (zwak werkwoord), ziek zijn.
taai, tao, (bijvoeglijk naamwoord), taai.
taainagel, taonnègel, (mannelijk), nijdnagel.
taal, tale, (vrouwelijk), taal.
taling, tèlink, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] taling.
tas, tassche, (vrouwelijk), tasch.
teef, teve, (vrouwelijk), teef (hond).
teems, temse, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] zeef.
teer, tèèr, (mannelijk), teer.
tegen, tegen, (bijwoord, voorzetsel), tegen.
telder, têlder, (mannelijk), bord, schotel.
temet, tamet, (bijwoord), zoo straks.
tergen, tergen, (zwak werkwoord), tergen.
tibbe, [oud wijf], tibbe, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] oud wijf.
tibben, [snateren, kwaken], tibben, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] snateren, kwaken.
tijk, tîk, (vrouwelijk), tijk.
tilbaar, [roerend goed], tilber, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] tilber gôd, roerend goed.
tocht, [poosje], tocht, (mannelijk) , poos, ’n tö̀chtken, een poosje.
toe, , (bijwoord), toe, tô maor.
tondeldoos, [om vuur te ontsteken], tondeldöze, (mannelijk), tondeldoos.
tondeldoos, tondeldöze, (vrouwelijk), tondelpot.
traan, traon, (mannelijk), traan (smeer).
traan, traon, (vrouwelijk), träone, traan (uit het oog).
trouw, tròw, (bijvoeglijk naamwoord), trouw.
trouw, tròwe, (vrouwelijk), trouw.
tuien, tü̂gen, (zwak werkwoord), trekken.
tuin, tûn, (mannelijk), tuin, heining.
tuisen, [ruilen], tûsgen, (zwak werkwoord), ruilen; ummetûsgen, omruilen.
tussen, tüsgen, (bijwoord), tusschen.
tweernen, tweernen, (zwak werkwoord), twijnen.
ulk, ülk, (onzijdig), bunzing.
unen, [trachten naar iets], äonen, (zwak werkwoord), trachten naar iets.
urmen, ü̂men, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] zeuren.
uur, ü̂r, (onzijdig), uur.
uw, uw, (bijvoeglijk naamwoord), uw.
vaak, vaak, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] slaap.
vaak, vake, (bijwoord), dikwijls, soms.
vaardig, veerdig, (bijvoeglijk naamwoord), gereed.
vaars, veerze, vierze, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] vaars.
vaart, vaort, (vrouwelijk), vaart.
valk, valk, valken, valk.
varen, vaorns, (meervoud), varen, plantnaam.
varken, verken, (onzijdig), varken, zwijn.
vedelaar, fidler, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] vioolspeler.
vedelen, fidelen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] vioolspelen.
veek, [heining], vèke, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] heining.
veld, vëld, (onzijdig), velde, veld.
veldhoen, [patrijs], veldhôn, [weinig gebruikelijk] patrijs.
vennevoel, [weerwolf], vennevül, (onzijdig), weerwolf.
venster, veñster, (onzijdig), venster, glas.
vereersen, [vernemen], vereeschen, (zwak werkwoord), vernemen.
vergif, vergift, (onzijdig), vergift.
vergif, vergift, (onzijdig), vergift.
verhitsing, [verkoudheid], verhitsing, (vrouwelijk), verkoudheid.
verkeuring, [verkiezing], verköring, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] verkiezing.
vers, versch, vesch, (bijvoeglijk naamwoord), versch.
vertrouwen, vertrouwen, (zwak werkwoord), gelooven, vertrouwen.
vertuisen, [ruilen], vertûsgen, (zwak werkwoord), ruilen.
vetprijzen, [geslacht vee bekijken en taxeren], vetprîzen, (zwak werkwoord)), [weinig gebruikelijk].
vettik, vettik, (mannelijk), veldsla.
vezel, fazel, faze, fazels, fazen, vezel.
vijfschacht, [kledingstuk met vijf schachten gemaakt], vîfschaft, kleedingstof met vijf schachten of kamhouten gemaakt.
vijgenboon, [soort plant], fikseboon, (vrouwelijk), fikseboonen, [weinig gebruikelijk] lupine.
vim, vîme, (vrouwelijk), z. vimme.
viool, vióle, (vrouwelijk), viool, videl.
vlek, vlakke, (vrouwelijk), vlek.
vlek, vlekke, (vrouwelijk), vlekken, [weinig gebruikelijk] vlek.
vlerk, vlü̂rik, (mannelijk), vlerk.
vleus, [dronkenlap, ruziemaker], vlös, (mannelijk), en vlös van en kerel, een dronkenlap of ruziemaker.
vloeien, vlöen, (zwak werkwoord), water over ’t land doen stroomen.
vloot, vloot, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), [weinig gebruikelijk] ondiep.
vogel, vògel, (mannelijk), vö̀gel, vogel.
vorm, vòrme, fòrme, (mannelijk), vorm.
vorst, vost, vorst, (vrouwelijk), koude.
vos, vòs, (mannelijk), vösse, vos.
vreemd, vrö̀md, (bijvoeglijk naamwoord), vreemd.
vriend, vreñd, (mannelijk), vrénde, vriend.
vriendelijk, vrëndelik, (bijvoeglijk naamwoord), vriendelijk.
vriendschap, vrëndschap, (vrouwelijk), vriendschap.
vroeg, vrô, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), comp. vrogger; vroeg.
vroegjaar, [vroege voorjaar], vrogjaor, (onzijdig), [weinig gebruikelijk] vroege voorjaar.
vroegte, [vroege morgen], vrö̂gte, vrogte, (vrouwelijk), vroegte.
waanzeune, [onzindelijk], wansöne, (bijvoeglijk naamwoord), onzindelijk.
waard, weerd, (bijvoeglijk naamwoord), waard.
wakelbes, [jeneverbes], kwakelbèze, (vrouwelijk), jeneverbes.
walen, walen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] iemand in ’t hooiland onder ’t hooigras stoppen en rondwentelen.
walnoot, walnòt, (vrouwelijk), walnö̀tte, walnoot.
wam, [vlees op de onderrib], wamme, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] vleesch op de onderrib.
weduwman, wedeman, (mannelijk), weduwnaar.
weduwvrouw, wedevrouw, (vrouwelijk), weduwe.
weeps, [schuw], weeps, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] schuw (van paarden gezegd).
weerborstel, [ruziemaker], weerbö̀ssel, (mannelijk), ruziemaker.
weken, weeken, (zwak werkwoord), week maken.
welen, [spoken], wèlen, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] spoken.
wende, [keer, draai], wende, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] keer, draai in een weg.
wendeput, [wendeput], wendepütte, (vrouwelijk)
wens, wonsch, (mannelijk), wensche, wensch.
werg, [vlug], werg, (bijvoeglijk naamwoord), [weinig gebruikelijk] vlug.
werk, werk, (onzijdig), werk.
werkdag, wö̀rkeldag, (mannelijk), werkdag.
werken, werken, (zwak werkwoord), werken.
wijl, wîle, (vrouwelijk), tijd.
wiks, [schoensmeer], wiks, (mannelijk), schoensmeer.
wind, wind, (vrouwelijk), winde, wind.
windsnee, [valwind], windsnöw, (mannelijk), valwind.
winterleverig, [oude man met jeugdig voorkomen], winterlöverig, (bijvoeglijk naamwoord), van een ouden man met jeugdig voorkomen gezegd.
wip, wüppe, (vrouwelijk), wip.
woel, [mol], wöle, (vrouwelijk), mol.
woest, wöst, (bijvoeglijk naamwoord), woest.
wol, wulle, (vrouwelijk), wol.
wonderen, wondren, (zwak werkwoord), verwonderen.
worstelen, fruselen, (zwak werkwoord), worstelen.
worstelen, wosselen, (zwak werkwoord), worstelen.
woud, would, (onzijdig), woud.
wrachten, [omheinen], vrochten, (zwak werkwoord), [weinig gebruikelijk] omheinen.
wrachting, [schutting], vrochting, [weinig gebruikelijk] schutting.
wrat, waore, (vrouwelijk), wrat.
wrensen, frènsgen, (zwak werkwoord), om eten hinneken (van paarden).
wroet, [mol], wrö̂te, vröte, (vrouwelijk), mol.
zak, sak, (mannelijk), sekke, zak.
zat, [neetoor], sadde, sadaos, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] neetoor.
zauwelen, sawweln, (zwak werkwoord), kieskauwen.
zauwelklaas, sawwelklaos, (mannelijk), zabbelaar.
zeeg, sege, (vrouwelijk), geit.
zegel, zègel, (onzijdig), zegel.
zegenbok, [bok], segenbok, (mannelijk), bok.
zelfkant, zö̀lfkante, (vrouwelijk), zelfkant.
zeug, zûge, (vrouwelijk), zeug.
zever, zeiver, (vrouwelijk), [weinig gebruikelijk] zeever.
zichtvree, [plaggengrond], zichtvree, (mannelijk), [weinig gebruikelijk] plaggengrond.
zout, zoult, (onzijdig), zout.
zucht, zocht, (vrouwelijk), ziekte.
zuid, , (bijwoord), zuid.
zuiden, zûen, zuiden.
zuimen, zömen, (zwak werkwoord), zuimen.
zuipen, sûpen, (sterk werkwoord), zuipen.
zulle, zül, (mannelijk), drempel.
zullen, zollen, (onr. werkwoord), zòl, zullen.
zuring, zü̂ring, (mannelijk), zuring.
zweer, zweer, (onzijdig), zweren, zweer.
zweren, zwéren, (sterk werkwoord), zweren.
zwijd, [talrijk], swît, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), [weinig gebruikelijk].
zwijnegel, [liederlijk persoon], zwinegel, (onzijdig, mannelijk), zwijnegel, liederlijk persoon.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal