elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)

-boring, -boring, zie grondboring.
-bouw, -bauw, (zelfstandig naamwoord), vgl. biesbauw.
-breeuwen, -breeuwen, (zwak werkwoord), vgl. verbreeuwen.
-eens, -eens, zie alleens, eveleens.
-ekel, -ekel, (zelfstandig naamwoord), vgl. brandenekel.
-er, -er, vgl. blodder, zadder.
-havenig, -havenig, (bijvoeglijk naamwoord), vgl. wanhavenig.
-hem, -em, vgl. klistem, nettem, tjoemptem, wiptem en lochem, loerem.
-hokkelen, -hokkelen, (zwak werkwoord), vgl. ophokkelen.
-jorum, -jorum, zie krankjorum.
-laar, -laar, (zelfstandig naamwoord), vgl. Riedelaar.
-lander, -lander, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. broeklander, grotlander, kiplander.
-lentig, -lentig, vgl. pentelentig.
-leuken, -leuken, leukeren, (zwak werkwoord), vgl. opleuken, opleukeren.
-loos, -loos, vgl. schadeloos, slotteloos.
-lorum, -lorum, vgl. kastelorum, soppelorum.
-maai, -maai, vgl. katjemaai.
-mad, -maad, in Driemaad, Vijfmaad, Zevenmaad, enz.; zie mad 2.
-meeg, -meeg, vgl. oudemeeg.
-ment, -ment, vgl. ezelement, garlement, griezelement.
-morten, -morten, (zwak werkwoord), zie kielemorten.
-mos, -mos, vgl. potmos.
-nichelen, -niggelen, (zwak werkwoord), vgl. verniggelen.
-panteren, -panteren, (zwak werkwoord), vgl. verpanteren.
-priem, -priem, vgl. morspriem.
-richten, -rechten, (zwak werkwoord), Bijvorm van richten. In verschillende samenstellingen als aanrechten, oprechten, uitrechten. Vgl. Ned. Wdb. I, 276 op aanrechten. || Geen kramen op te regten, Hs. (a° 1737), archief v. Wormerveer. Maar doort doyen conde sy (nl. de Fransen) niet veel meer uytreghte, Journ. Caeskoper, 27 Dec. 1672. – Vgl. verder rechtbontje.
-roden, -roden, (zwak werkwoord), vgl. oproden, uitroden en pijperoder.
-schap, -schap, vgl. boodschap, heugenschap, lichtenschap, waardschap, zelschap.
-siggelen, -siggelen, vgl. besiggelen.
-stallig, -stallig, (bijvoeglijk naamwoord), vgl. afstallig (Aanh.).
-waarts aan, -waard aan, zie inverdan, neerwerdan, opperdan, ovverdan, uitverdan.
a, a, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook een A-vormig houtje aan de hengeltouwen (staartlijntjes) in de koestal. ǁ Hij heb a’s an zijn steertlijntjes.
Aaf, Aaf, vrouwennaam; in verkl. Afie. Zie een zegsw. op iefie.
Aagt, Aat, vrouwennaam. Verkorting voor Aagt, Aagje, Agatha. – Ook hogerop in N.-Holl. bekend.
aal, aal, eel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De vis. Zie Ned. Wdb. I, 18. || Een lote eel (vgl. lot). Breng me vier pond breedeel (braadaal). Aaltjes zo dun as klinktouwtjes. (Vergelijk: Maer dusschen zootjen aeltjens as klinck-snoertjens om zeven duits! HOOFT, Warenar 638). – Overdrachtelijk van de plooien in afgezakte kousen en sokken. ǁ Je kousen zitten vol êlen. Doen die aal der uit (haal je kous op). Zie dobberaal, dolaal, lebaal, roekaal, scheiaal.
aalbes, alebes, aalbes, (met hoofdtoon op bes), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Aalbes. || Een mandje alebessen. – Zegsw. Hij redeneert net as ’en alebes die ’en pruik opheb, wat hij zegt lijkt naar niets.
aaldobber, aaldobber, eeldobber, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Dobber om aal te vangen. Zie dobber. || Eeldobbrs schieten (uitzetten). Honderd stuks nieuwe aaldobbers. Een mand klaargemaakte nieuwe aaldobbers (dobbers die van een haak en steen zijn voorzien),
aalpoon, aalpoon, eelpoon, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Vaartuig, middelmatig van grootte, met ronde steven. Uit Holland en Friesland varen veel aalponen op Londen. – Zie de wdbb. op poon.
aalstal, aalstal, eelstal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meerv. aalstalen en aalstallen. Natuurlijke dammen onder water, door aanslibbing ontstaan of door boomstronken en dergelijke gevormd, waarbij de aal zich bij voorkeur ophoudt. Synoniem aalstee. De aalstalen zijn dus gezochte plekken om te vissen. – Vgl. stal II en dijkstal. Het Ned. Wdb. vermeldt aalstal in een enigszins afwijkende betekenis.
aalstee, aalstee, eelstee, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Hetz. als aalstal; zie aldaar. Van stee, plaats.
aan, aan, an, (steeds an), (voorzetsel en bijwoord), 1) Voorzetsel || Ik heb ’et an de tijd, ik heb tijd, ik heb de tijd aan mij. – De uitdr. komt ook bij HOOFT voor, b.v. Warenar 435: “Alsewe te nacht niet slaepen gaen, zoo hebbe we ’t an de tijt”, en 1153: “Daer sprak ik jou gaeren af, hadt jy ’t an de tijt.” – Evenzo Fri. an tiid of an ’e tiid. An me lijf niet! (met nadruk op lijf), om de dood niet, in géén geval. || “Willen we na huis gaan?” “Nee, an me lijf niet na huis toe!” An me lijf geen quadrille! (laten wij toch in ’s hemelsnaam geen quadrille dansen). – Aan mijn lijf zal wel gelijk staan met: ik zou het niet willen, al ging het aan mijn lijf (leven), al moest ik er an sterven. An ... toe, tot aan. || Aen ’t Westland van ’t Ventje (een stuk land) toe. Priv. v. Westz. 543 (a° 1638). ’t Was van de brug an Krommenie toe erge smerig. Ze is an Kersmis toe bij ons ’eweest. – Zo ook in het Stad-Fri. 2) Bijwoord – An zijn, lidmaat van de kerkelijke gemeente zijn. || Je benne ommers al an? – Ook in het Stad-Fri. Vgl. alaan, inverdan, VAN KANT AAN op kant I, kirrie-kirrie, neerwerdan, opperdan, ovverdan, POOT AN op poot I, REED AN op reed III, uitverdan, weeraan, zijd-an.
aanbakken, aanbakken, (anbakkǝ), (sterk werkwoord, intransitief), Zie de wdbb. – Ook overdr., evenals aanbranden (zie aldaar), onaangename gevolgen hebben. || Dat zel anbakken, as je vader ’et hoort.
aanbinden, aanbinden, (anbindǝ), (sterk werkwoord, transitief), Zie de wdbb. – Ook overdr. dat zel anbinden, het zal spannen, het zal er aan houden.
aanbollen, aanbollen, (anbollǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Met een bol (klomp) van ijs omgeven worden, met ijs omvriezen. Van vaarbomen die zich halfweg in ’t water bevinden, en waaraan zich bij vriezend weer aan het watervlak een bol van ijs vastzet. || Haal de bomen uit ’et water, aars ben ze morgenochtend an’ebold. – Zie bollen.
aanbranden, aanbranden, (anbrandǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Zegsw. Dat zel anbranden, dat zal onaangename gevolgen hebben. || Heb-je te water ’elegen? dat zel anbranden, as je thuis komme. – An’ebrand wezen, boos zijn. || Hij is gauw an’ebrand. Evenzo elders in Nrd.-Holl.
aanbrengen, aanbrengen, (anbrengǝ), (onregelmatig werkwoord, transitief), || Iemand een glas wijn anbrengen (toebrengen, iemand toedrinken).
aandirken, aandirken, (andirkǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Opdirken, opschikken. || Wat heb ze er an’edirkt. Zo’n an’edirkte dame.
aandraaien, aandraaien, (andraaiǝ), (zwak werkwoord, transitief), Zegsw. An’edraaid wezen, dronken zijn. || Wat was hij weêr an’edraaid! – Kort an’edraaid zijn, kort aangebonden, korzelig zijn. || Hij is ’s morgens altijd wat kort an’edraaid. – Soms ook: Hij is gauw an’draaid.
aandrijven, aandrijven, (sterk werkwoord), zie een zegsw. op strobos.
aaneen, aaneen, (an-ien), (bijwoord), In verkoopbrieven en dergelijke stukken vindt men gesproken van aaneengedamde, aaneengemaakte of aaneenverheelde stukken land, stukken land, die bij elkaar getrokken zijn door het leggen van dammen of het dempen der tussemliggende sloten.
aangezicht, azend, (ázǝnt), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Aangezicht, bakkes. Weinig gebruikelijk. || Ze heb ’en lief azend. – Evenzo elders in N.-Holl. In de Beemster beschrijft men een varken als een klein persoontje, laag op de voeten, een smal azend en kleine oogjes, BOUMAN 4. In de oude kluchten komt assent, asingt, herhaaldelijk voor, b.v. BREDERO, Klucht v. d. Koe, 459: Met sucken sattynen neus, vol dyamanten, root, en blanckjes. Ick gheloof niet datter kostelijcker aasingt inde stadt is. Vgl. OUDEMANS, Wdb. op Bredero 6. Ook schertsend voor achterkwartier, achterste. || Nou, nou, jou azentje ken ofgeven! je stinke zeuven vamen in de wind!
aanhaalder, aanhaalder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In zaadpakhuizen en molens. Een plankje aan een lange stok, waarmede het zaad in de kassen naar voren wordt gehaald. – Bij de papiermakerij. Een dergelijke stok, waarmede elke morgen, eer het werk begint, de bezonken papierstof in de kassen wordt omgewoeld, om de stof en het naar boven gekomen water weer dooreen te werken. || 1 Slees, 1 aanhaalder, Invent. papiermolen (Koog, a° 1793), Zaanl. Oudhk.
aanhalen, aanhalen, (anhálǝ), (zwak werkwoord, transitief), Zegswijze Ergens mee an’ehaald wezen, zich over iets bezwaard gevoelen, zich gegeneerd gevoelen door, ergens verlegen onder zijn. Vgl. Ned. Wdb. 1, 159 op aanhalen, II 2. || Hij heb me zo’n groot present ’egeven; ik ben er eigentlijk wel ’en beetje mee an’ehaald. Zie de wdbb. – Ook: niet veul anhalen, niet veel betekenen, niet veel opleveren. Synon. ophalen; zie aldaar. – Ook in het Stad.-Fri. – Zie aanhaalder.
aanhangen, aanhangen, (sterk werkwoord), vgl. hangaan.
aanhouden, aanhouden, (anhouwǝ), (sterk werkwoord, transitief), Zegsw. Iemand de handen anhouwen, hem voor de gek houden.
aanjagen, aanjagen, (sterk werkwoord), zie een zegsw. op pan.
aankomeling, aankomeling, (ankòmmǝling), (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Jongmens dat lidmaat van de kerkelijke gemeente wordt. || Hoeveul ankommelingen ben der van ’t jaar? De ankommelingen hebben vanavend en morgen vergaring (catechisatie). – Zie Ned. Wdb. I, 192 op aankomen, II 1.
aanlangen, aanlangen, (anlangǝ), (zwak werkwoord, transitief), Iemand iets anlangen, aanreiken (zie Ned. Wdb. I, 215). Ook van zeer zware dingen. || Ik zel ’em strakkies die baal rijst wel effen anlangen (bij huis aanbrengen).
aanpikken, aanpikken, (anpikkǝ), (zwak werkwoord, transitief), Zegsw. An’epikt wezen, van een persoon, boos zijn, geraakt, nijdig zijn. || Hij was an’epikt, hoor, toe-ie ’et hoorde. – Vgl. aansteken en zie pikken.
aanplakbord, aanplakbord, (anplakbort, met hoofdtoon op an), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Plakbord.
aanpraten, aanpraten, (anpratǝ), (zwak werkwoord, transitief), Een avondbezoek brengen ten huize van een meisje. De jongeling, die verkering wilde aanknopen, vervoegde zich op zondagavond aan de deur van zijn uitverkorene. Werd hem vergund binnen te treden en te komen aanpraten, dan was dit een bewijs, dat zijn kansen gunstig stonden. Vgl. Karaktersch. 307 en SCHELTEMA, Mengelw. IV3, 63. Met het gebruik is ook het woord verouderd. || De spijtige vrijster had hem dikwerf te vergeefs laten aanpraten ..., doch eindelijk ... had zij ... hem hoop gegeven eenmaal de zijne te zullen worden, Zaanl. Jaarb. 1842, 66.
aanpunten, aanpunten, (anpuntǝ), (zwak werkwoord, transitief), Aansteken, van een sigaar of pijp. || Wacht, leet ik effe me pijp anpunten. || Bij de houtzagerij. De punten van de stompgeworden zagen met een puntvijltje aanscherpen. || Wat zitten der ’en rafels an ’et hout: je magge wel ders anpunten.
aanrukken, aanrukken, (anrukkǝ), (zwak werkwoord, transitief), Aantrekken, aanhalen, door middel van een touw. || Ruk dat touw nog wat an. Ik heb die balk mit ’en touw goed an’erukt.
aanschodderen, aanschodderen, (anskoddǝrǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Schodderend naderen, waggelend aan komen lopen. Zie schodderen. || Kijk, daar komt dikke Guurt ook aanschodderen.
aanschroken, aanschroken, (anskrókǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Vastschroeien, vastbakken aan de pan, van spijzen. || Zet de rijst maar niet meer op ’et vuur, aârs schrookt ze an. – Ook aankorsten, door drogen. || As de borden niet op tijd ’ewassen worre, dan schroken ze zo an. – Zie schroken.
aanslag, aanslag, (anslag), (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de uitdr. anslag maken met iemand, een praatje met hem beginnen.
aansnijden, aansnijden, (ansnaiǝ), (sterk werkwoord, transitief), Zie de wdbb. – Iemand ansnijden, hem staande houden en aanspreken. || As je Jan teugekomme, dan (dan) mos-je ’em effen ansnijje en vragen of-i ders ankomt. – Ook elders in de gemeenzame taal.
aanstaan, aanstaan, (anstaan), (onregelmatig werkwoord, intransitief), Aanhouden bij iemand, om hem tot iets over te halen. ǁ “Och toe, neem nog een koekie.” “Nou, omdat je zo anstaan.” Ik kon niet wegkommen, want ze stingen er allemaal op an, dat ik bleef. Al staan je der nag zo op an, ik doen ’et toch niet. – Vgl. Ned. Wdb. I, 348 op aanstaan, II 1.
aansteken, aansteken, (anstékǝ), (sterk werkwoord, transitief), Zegsw. An’estoken wezen, van een persoon, nijdig zijn. || Wat was-i an’estoke toe-i ’et mork. – Vgl. aanpikken.
aanstijven, aanstijveren, (anstaivǝrǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Aanstijven, stijver worden; van slappe en vloeibare dingen. || De rijst is erge slap, maar ze zel onder ’et bekoelen wel wat anstijveren. – Zie stijveren.
aanstoelen, aanstoelen, (anstoelǝ), (zwak werkwoord, transitief), Met de stoel bij de tafel schuiven, van jonge kinderen. || Moeder, wil uwe me effies aanstoelen?
aantij, aantij, (antai, met hoofdtoon op an), (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de uitdr. ’t is een hele antij, ’t is een heel beginnen, ’t is een onderneming waar veel aan vast is. – In dezelfde zin zegt men soms ook antijing. || Zo’n bruiloft is ’en hele antijing (een hele drukte, onderneming).
aantuigen, aantuigen, (antoigǝ), (zwak werkwoord, wederkerend), Zich optuigen, zich opschikken. || Wat had ze der weer an’etuigd!
aanvallen, aanvallen, (anvallǝ), (sterk werkwoord, intransitief), 1) Bevallen, aangenaam zijn. || Ik denk niet, dat ’et erg anvallen zel, in dit weer na Wormer te lopen. (De lente,) die ons valt zoet en lieflyk aan, SCHAAP, Bloemt. ed. 1724, 304. Het valt niks an, zo dadelijk na den eten te moeten roeien. 2) Bevallig staan, van kledingstukken. || Die kapertjes vielen haar toch zo an (dat kleine kind stonden die kapertjes toch zo aanvallig). Alles valt haar an (alle kleren staan haar goed). Het woord is ook verderop in N.-Holl. in gebruik, vgl. DE JAGER, Taalk. Mag. 4, 365 en Ned. Wdb. I, 431. Er van afgeleid is het algemeen gebruikelijke aanvallig.
aanzoeken, aanzoeken, (anzoekǝ), (onregelmatig werkwoord), Zie de wdbb. – Zegsw. Dat zel anzoeken, het zal spannen (Krommenie).
aapjesket, aapjesket, (ápiesket), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Uitroep om te kennen te geven dat men aan het door iemand gezegde geen waarde hecht, er geen gehoor aan geeft. Gekheid! Larie! Morgen brengen! || “Ik wil dat ’et doen zel.” “Aapjesket hoor!”– Vgl. ket.
aard, aard, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Alles na de aard, maar geen stuk op zijn plaats, ironisch van een slordige boel.
aardappel, aardappel, eerdappel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Zegsw. Zijn aardappelen afgieten, wateren.
aardbei, aardebei, eerdebei, arebei, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Aardbei. Zie de wdbb.
aarde, aarde, eerd, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Zegsw. ’t Is pik en eerd, ’t is pikdonker, zo donker als pek en aarde (Zaandijk). || As je strakkies buiten komme, is ’et pik en eerd. – Vgl. de samenst. nesaarde.
aardig, aardig, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Vreemd, eigenaardig, wonderlijk, raar. – 1) Bijvoeglijk naamwoord || Ik krijg toch zo’n aardig gevoel (van iemand die duizelig wordt). De oude man wier wat aardig (begon wat te malen), maar aârs was hij nog kras. Zegsw. Zo aardig as ’en goot die druipt. – 2) Bijwoord || Vader zat in zijn stoel en toe daan (deed) i in eens zo aardig (hij kreeg nl. een beroerte). – Evenzo in het Stad- Fri.
aars, aars, eers, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Gat.
aarslikker, aarslikker, eerslikker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Gatlikker, stroopsmeerder, vleier. || O die vent is zo’n eerslikker.
aarzelen, eerlingen, (zwak werkwoord, transitief), Aarzelen, weifelen. || Hij eerlingde of-i ’et wel doen zou. Staan (sta) nou maar niet te eerlingen, en gaan (ga) mee. ‒ Eerlingen zal wel ontstaan zijn uit eerslingen, bij KIL. aerselinghen, van welk werkwoord het Ned. Wdb. I, 596 op aarzelings een paar voorbeelden uit de 17de e. aanhaalt. Vgl. Fri. earsling (EPKEMA 101) naast Ned. aarzelings, aarzeling.
aas, aas, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. eesje, ezeling, ezen, ezig, nezig, verezen.
aas, aasje, (ásie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), In de uitdr. een aasje wind, een zuchtje wind. || Er is maar ’en asie wind. – Van aas, het kleinste gewicht in het oude gewichtstelsel; zie Ned. Wdb. I, 599.
aasje, eesje, (êsie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij verschillende knikkerspelen. Êsie schieten of êsie-schiet doen (Krommenie), êsie-op (Jisp), êzen, êsieën en êsie-pik (Koog). Twee jongens geven een gelijk aantal knikkers, die achter elkaar op rijen worden gesteld en waarop dan wordt geschoten. Raakt de schieter de knikkers zijner tegenpartij, dan zijn deze voor hem en moet de ander êsies geven, d.i. zijn rij wederom aanvullen. Soms ook plaatst men de knikkers naast elkaar op een rij. ‒ Te Westzaan leggen beide spelers een gelijk aantal knikkers in een kloet (kuiltje). Om beurten trachten zij dan enige knikkers daaruit te schieten. Gelukt dit aan een van beiden tweemaal achtereen, zonder dat de ander iets heeft geraakt, dan moet deze êsies geven, d.i. de door de ander weggeschoten knikkers bijpassen. ‒ Te Krommenie krijgt men bij het êsie schieten wat men raakt. Zo de knikker van partij geraakt wordt, dan moet deze alles afstaan wat hij reeds gewonnen heeft, doch men blijft spelen tot alles weggeschoten is, zodat bij een volgend schot de gehele winst weer op de ander kan overgaan. Men vult de rij niet aan. ‒ Ees in de N.-Hollandse vorm van Ned. aas, voedsel; evenzo in het Fri. ies naast aes (HALBERTSMA 838). Esies geven is dus zoveel als nieuw aas geven. Elders in N.-Holland is eesje nog in de eigenlijke zin gebruikelijk; vgl. BOUMAN 25: “Het is geen eesje, geen begeerlijk aas, het is geen hapje, geen eesje om naar te verlangen, ik ben op zulke eesjes niet gesteld.” ‒ Soms zegt men ook aan de Zaan (althans op de Koog): “dat is ’en êsie” voor: dat is een kleinigheidje, maar dat niet kwaad is. Ook wel voor een klein stukje van iets, een kruimel, een snipper, enz., b.v. “Kijk, daar leit nog ’en êsie.”
aasje-pik, eesje-pik, eesje-schiet, (zelfstandig naamwoord), zie eesje.
Abbenoord, Abbenoord, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk nesland onder Assendelft, in Buitenhuizen. Thans onbekend. || Noch dat Abbenoort, Polderl. Assend. I f° 25 r° (a° 1599), Abbennoort, ald. II f° 22 r° (a° 1600). Genaemt abbenoodt., Maatb. Assend. (a° 1635). – Abbenoord zal betekenen het oord van Abbe; zie oord. Abbe is een bekende mansnaam.
Abtsland, Abtsland, Nabtsland, Napsland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land onder Assendelft in Buitenhuizen, in de Middeleeuwen toebehorende aan de abt van Egmond. Vgl. abtsweer. || Nabtslant, Polderl. Assend. I f° 18 r° (a° 1599). Die dijckmeed of Nabbslant, ald. f° 80 r° (a° 1600).
Abtsweer, Abtsweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een weer lands onder Assendelft, behorende aan de abt van Egmond. Thans onbekend. Vgl. abtsland. || In des abbets were, Hs. v. Egmond, f° 11 r° (13de e.). Abtsweer, Stoelb. Assend. f° 44 r° (einde 16de e.).
achtendeel, achel, achtendeel, achelen, aggel, aggelen, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Samengetrokken vorm naast achtendeel. Daarnaast achelen, waarschijnlijk voor achteling. Naam van verschillende maten; thans in onbruik, maar nog aan velen bekend. Daar de achel 1/8 deel is van allerlei maten, is de grootte verschillend. – Als landmaat. || Een stuk land gelegen in de banne van Graft, groot omtrent 18 aglen, een dito groot omtrent 4 aglen, Hs. (Wormer a° 1762), prov. archief. – Als maat voor appelen en peren = 1/8 mud. || Een achelen appelen. Evenzo een achelens mand, een mand inhoudende 1/8 mud. – Verder was achel gebruikelijk als maat voor andere droge waren, b.v. zaad. De grootte wisselt af. – De vorm achtendeel vindt men o.a. nog in Handv. v. Assend. 124 (a° 1557): Halve vaten, vierendelen, achtendelen, half achtendelen, vierlings, halve vierllings, merritgens. – Het woord was ook elders in Holl. gebruikelijk. || (Voor het ijken moet worden betaald:) Van ieder Aggelen den Yck niet hebbende 12 stuivers, den Yck hebbende 6 stuivers, van ieder schepel ... 8 (of) 4 stuivers, van ieder half Aggelen ... 6 (of) 3 stuivers, van ieder half Schepel ... 4 (of) 2 stuivers, van ieder Vierling ... 4 (of) 2 stuivers, van ieder half Vierling ...3 (of) 1 stuiver 8 penn., van ieder merretje, half merretje of kleinder maat ...2 (of) 1 stuiver Keuren van Beverwijk 29, n° 74 (a° 1731). Van een nieuw Schepel f 0-4-0, van ½ Schepel f 0-2-8, van ½ Vierling en alle andere kleyne Maten, yder f 0-1-0, ½ Agling f 0-4-0, ¼ Agling f 0-2-8, Beemster-lands Keuren 21. – Vgl. verder Ned Wdb. op achtel en achteling; Mnl. Wdb. op achtendeel.
achtentwintig, achtentwintig, (telwoord), Als zelfstandig naamwoord Zeker thans verouderd muntstuk ter waarde van 28 stuivers, goudgulden. Men zegt ook: Niet voor een daalder, maar wel voor een achtentwintig, als iemand het mindere boven het betere verkiest (Zaandam). Evenzo: “Jij neme ook ’en achtentwintig voor ’en daalder (of: jij hebbe liever ’en achtentwintig as ’en daalder)”, b.v. als een kind, dat kiezen mag tussen een grote stoofpeer en een kleine handpeer, de eerste kiest. || Zegsw. Daar bijt er me ien van achtentwintig (nl. stuivers), wie geeft er ’en daalder voor? (als iemand door een vlo gebeten wordt). – Zo ook in Friesl.
achter, after, afterdeel, afterling, enz., zie achter, enz.
achter, achter, after, (voorzetsel en bijwoord), Zo ook van afteren, afternê (achterna), en in enige samenstellingen. – Zegsw. Op achter zijn, ten achter zijn. || Ik ben mit me werk op achter.
achteraanstaarten, achteraansteerten, (zwak werkwoord, transitief), Achterblijven, op een korte afstand achter het overige gezelschap aankomen. || Piet steert weer achter ons an (kan ons niet bijhouden; bij het schaatsenrijden). Loop je weer achter ons an te steerten? blijf toch in de rij. – Zie staarten.
achterbalk, achterbalk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), a) In een molen. De balk, die aan het achtereind der kap op de voeghouten rust, en waaraan de staartbalk en de korte schoren zijn bevestigd. Vgl. Groot Volk. Moolenb. I pl. 10. – b) Op een schip. De balk die de opening van het ruim van achteren afsluit, gelijk dit van voren door de zeilbalk geschiedt. Op de achterbalk ligt een windvering. Synon. waterbalk.
achterbint, achterbint, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het touw, dat over de ponder van een volgeladen hooiwagen wordt geslagen, om het hooi van achteren vast te leggen. Het touw aan de voorzijde heet voorbint; zie wagenbint en vgl. BERKHEY. Nat. Hist. 9, 211.
achterdeel, achterdeel, afterdeel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In de houthandel. Een der uiterste van een boomstam gezaagde delen, die aan de kant nog een schuinte met een gedeelte van de boomschors heeft. Zie Ned. Wdb. I, 649, en vgl. kopschaal.
achterdocht, achterdocht, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook: zorg, bezorgdheid voor de toekomst. || Je benne ’en zieltje zonder zorg; je hebbe niks gien achterdocht. – In deze zin eertijds ook in de algem. taal; zie Ned. Wdb. I, 653 vlg.
achterdoft, achterdoft, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meestal in de verkl. achterdoffie. De doft (zitbank) achter in een roeischuitje. || Gaan maar samen op ’et achterdoffie zitten. – Zie doft.
achtereind, achterend, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het achterste deel van een huis, in het bijzonder het gedeelte dat op het water uitkomt. || De meid is in ’et achterend om de vaten te wassen. – In kleine huizen het achterste der beide woonvertrekken. – Zie end.
achterhanger, achterhanger, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een molen; zie hanger.
Achterhem, Achterhem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een hem, die achter iemands woning ligt; zie op hem.
achterkamer, achterkamer, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de visserij. De kub van een fuik; zie kamer.
achterkeep, achterkeep, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de papiermakerij. Een onderdeel van de rol: de keep achter de schenen, de stompe scheen die de papierstof wrijft. Zie scheen en vgl. Groot Volk. Moolenboek I pl. 18.
achterkeuvelend, achterkeuvelens, (zelfstandig naamwoord mannelijk en onzijdig), Een stel van balken achter in de kap van een molen, in de vorm van een trapezium met twee loodlijnen, en rustende op de achterbalk. – Zie keuvelens.
achterkeuvelendsbalk, achterkeuvelensbalk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een molen. De gording of bovenste sluitbalk van het achterkeuvelens.
achterkrat, achterkret, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie krat.
achterlijf, achterlijf, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Hetz. als achterkamer. Vgl. middellijf.
achterling, achteling, achterling, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zeker soort van grof wittebrood, bestaande uit acht (4 aan 4) aaneengebakken stukken, en plat van vorm. Het werd alleen ’s zaterdagsavonds gebakken en warm gegeten. In de laatste tijd komt het niet meer voor. || Breng me zaterdagavend drie ronde bollen en twee achtelings. – Het woord is ook elders in N.-Holl. gebruikelijk en staat reeds opgetekend bij HADR. JUNIUS, Nomencl. 65a: Panis cibarius. Huys broot, grof terwen broot, afterling, onghebuyelt broot. || Sullen mede Wittebroodt Backers, een regel Witte-broodt ende Achterlingen, niet minder als voor seven Oortjes ... mogen verkoopen, Handv. v. Ench. 282b. Als mede dat ghene Backers van nu voortaen sullen vermogen eenige vermenginge van Witte-broodt ende Achterlingen te doen, maar elck moeten laten, ende backen op hen selfs; dat oock geen Witte-broodt sal mogen werden gecoleurt, als alleen de Achterlingen, op de verbeurte van ’t Broodt, ald. 283a (a° 1655). Noch gekeurt, dat niemandt met eenigh Witte-broodt, Achterlinghs-koecken, Garst ende Olykoecken ofte ander Broodt, ... sal mogen omme-lopen, ald. 381b (a° 1624). Ongze Bakker toet niet half zo mooi warme Afterlingen, of Weggen, J. VAN ELSLAND, Dronke Jaap de Boer op het Concert, 8. – Dit brood draagt waarschijnlijk die naam, omdat het gebakken wordt van het grofste gedeelte van het meel dat als het gebuild wordt, door het achterste en grofste gaas om de buil valt. Elders gebruikt men zo ook ’t woord achtertarwe, die, van minder hoedanigheid, door de wanmolen van de betere wordt afgescheiden, De Ned. Taal, 6, 148. Aan de Zaan heeft men achterling tot achteling vervormd, omdat het brood uit acht delen bestond. Achterling is ook in Gron. gebruikelijk (MOLEMA 2).
achternaam, achternaam, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Geslachtsnaam, in tegenstelling met de voornaam. || Zaanse achternamen zijn meestal kort. – Evenzo elders in Holl., alsook in Friesl. en Gron.
achteroverloop, achteroverloop, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie overloop.
achterree, achterree, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie ree I.
achterschaar, achterscheer, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de weverij. De zware lat, achter aan het weeftouw, welke de opstaande zijstukken met elkaar verbindt en staande houdt. Zie schaar I.
achterste, achterste, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie een zegsw. op hemd.
achtertui, achtertooi, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zeker touw aan een molen; zie tooi.
achteruit, achteruit, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het erf achter het huis; zie Ned. Wdb. I, 723. Ook in verkl. achteruitje. Eveneens in de naam van stukken land, die achter het huis van de eigenaar liggen; vgl. vooruit. || Het Afteruyt (een stuk land in Jan Flooren-weer onder O. Zaandam), Custb. (a° 1740). Noch het achtervuytsventgen (onder Assendelft, in Buitenhuizen), Polderl. Assend. I f° 18 r° (a° 1599). Dat achtervuytsland, ald. f° 18 r° . Vgl. ’t Weer achter Baert Jan Dirck Everts uyt, Gerrit Heyndricks weer achter Cornelis Jan Trijnnen uyt, Maatb. Assend. (a° 1635).
achtervelling, achtervelling, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Aan molenwieken. De velling die achter de plooien, tussen de kruisarmen, aangebracht is. Zie Groot Volk. Moolenb. II pl. 2, en vgl. velling. – Aan verscheidene wielen ontbreekt de achtervelling.
achterwinsing, achterwinsching, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De winsching aan de achterzijde van de molenroede. Zie winsching.
achterwuifelaar, achterwuifelaar, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie wuifelaar.
Achterzaan, Achterzaan, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Dat gedeelte van de Zaan, hetwelk achter de Dam te Zaandam gelegen is. – Zie zaan.
achterzoom, achterzoom, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij een molen. De latten aan de molenwieken, welke de hekkens met elkaar verbinden. Hekkens en achterzomen liggen kruiselings over elkaar en vormen samen het netwerk, waarop de zeilen worden gelegd. – Vgl. voorzoom.
achtkant, achtkant, (bijvoeglijk naamwoord), Acht kanten hebbende; zie Ned. Wdb. I, 760. – Een achtkante molen, een molen, waarvan de opstal achtkantig is. Vgl. Groot Volk. Moolenb. II pl. 3, || Wordt verkocht een achtkante oliemolen. – Is het werk dubbel dan spreekt men van een dubbele achtkante oliemolen, – Vgl. de volgende woorden.
achtkantpilaar, achtkantpilaar, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een molen. Naam van de acht vierkante stenen pilaren, waarop de houten achtkantstijlen rusten. Op de achtkantpilaren ligt het ondertafelement.
achtkantstijl, achtkantstijl, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een molen. Naam van het achttal vierkante houten stijlen, die het achtkant van een molen vormen. Op de achtkantstijlen rust het boventafelement. – Vgl. Groot Volk. Moolenb. I pl. 10.
Adam, Adam, persoonsnaam. – Adam en Eva, volksnaam voor de monnikskap, Aconitum napellus. Ook voor: Dicentra spectabilis. – Evenzo in Friesl.
adem, asem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Adem. Zie Ned. Wdb. II, 726. – Zegsw. Hij laat erg genoeg zijn asem zien, hij praat altoos meê, stelt zich erg op de voorgrond. – Die heb vergeten zijn asem te halen, schertsend voor: hij is dood. Zegsw. <i>Geeni> <i>asemi> <i>geveni> (of krijgen), niet antwoorden (of beantwoord worden). || Ken-je gien iens asem geven, as ik je wet vraag? Ik krijg gien asem, hoor. – Evenzo elders in de volkstaal.
af, of, (bijwoord), Af. Evenzo in alle samenstellingen. Zie op af, enz.
af, af, (bijwoord), Steeds bezigt men de bijvorm of; zo ook in de samenst. – Af en door, in de vorm of-en-deur en soms al-va-deur, aldoor, herhaaldelijk. || Je stote maar of-en-deur mit je stoel toe de kant op. – Vgl. zegsw. op door, kop en pad.
af en door, al-van-deur, (bijwoord), zie af.
afbladderen, afbladderen, ofbladderen, ofblateren, (ovbladdǝrǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Andere vorm van Ned. afblaren; zie Ned. Wdb. I, 864. Bij kleine stukjes loslaten van een ergens op aangebrachte laag. || De gang is slecht ’ewit; de kalk bladdert of. Ik heb ook zo’n vernikkeld trekpotje ’ehad, maar ’et nikkel bladerde er allemaal of. – Vgl. bladderen.
afbladderen, afbladeren, (zwak werkwoord), zie afbladderen.
afdeken, afdeeken, (ovdiekǝ), (zwak werkwoord, transitief), Het aan de kant der landen en dijken aangespoelde deek wegnemen (Assendelft). Zie deek I. || In het voorjaar moet het land of’edeekt worden. Ik zel mijn bon dijk maar ers ofdeeken gaan; het riet zit zo vol ruigte. – Evenzo hogerop in N. Holl. || Also ... de Gemene-Lands Wegen ende Kayen, als ook particuliere Schot-Wallen in de Zijpe, buyten Consent van Dijk-graaf ende Heemraden, ofte de Eygenaars, werden berooft ende afgedeect, daar door de selve Wegen ende Kaden onbruykbaar ende onnut gemaakt ...wer(den) ...So ist, dat (wy) ...Ordonneren ...dat niemand ... enige Wegen often Kaden in de Zijpe sal vermogen af te deeken, af te halen, uyt te delven, in enigerhande manieren, Octr. v.d. Oude Zijpe, Titel 34 (a° 1710).
afdoelen, afdoelen, (ovdoelǝ), (zwak werkwoord, transitief), Afpalen, de grens tussen twee stukken land enz. aanwijzen door middel van een doel (merkteken, paal, grenssteen). Zie doel. || We moeten ’et land voor de verkoping nog ofdoelen. De helft van twee ackers lant ..., gelijk het met roypalen sal afgedoelt werden, Hs. T. 80, f° 319 v° (W. Zaandam, a° 1717), prov. archief. Te besteden het maken verhogen en gloyen van enige perken dijks aan de hogedijk, zo als dezelve door geslagen palen en modellen zijn afgedoeld, Hs. (Westzaan, a° 1763), archief v. Westzaan. – Vandaar afdoelen, zelfstandig naamwoord vrouwelijk || Volgens de gemaakte afdoelingen, idem (a° 1767). – In dezelfde zin komt voor Fri. âfdoelje, Nedersaks. afdolen, Schots to dule off, Zie HALBERTSMA 775.
affie, affie, (klemtoon op af), uitroep van kinderen, als zijzelf of anderen iets breken, scheuren of een ander ongeluk hebben. Meestal gevolgd door een ander woord, nl. te Westzaan door foei!, te Zaandijk door schande of zonde! Te Krommenie zegt men haffie schande! Affie en haffie hebben als ze lang gerekt worden uitgesproken ook een klemtoon op fie. || Haffie schande! Wat zel jij ’en schelden krijgen! – Synon. ham, zie ham II.
affie schande, haffie schande, zie affie.
affoezelen, affoezelen, (offoezǝlǝ), (zwak werkwoord, transitief), Bij de visserij. Met het foezelnet van de grond afschuren en in het net slepen. Zie foezelen. || De korper staat vaak erge vast teugen de palen, maar-i wordt er door ’er net of’efoezeld.
afgeven, afgeven, (sterk werkwoord), zie een zegsw. op azend.
afgieten, afgieten, (sterk werkwoord), vgl. zegsw. op aardappel.
afglooien, afglouwen, (ovglouwǝ), (zwak werkwoord, transitief), Afkijken, afgluren. Zie glouwen. || Hij glouwt alles van je of. – Ook in de Beemster (BOUMAN 34).
afgnokken, afgnokken, ofgnukken, (ovgnòkkǝ), (zwak werkwoord, transitief), Afbedelen, aftroggelen, afpollen. || Hij zeurde net zolank tot hij me mijn knikkers of’egnokt had. – Zie gnokken en vgl. Ned. Wdb. V, 177.
afhalen, afhalen, (ofhálǝ), (zwak werkwoord, transitief), Afnemen, van een hoed of pet. || Oud, haal je pet of; deer komt dominie an.
afharpen, afharpen, (zwak werkwoord), Alleen in overdr. zin van aftakelen, oud en zwak worden. || Hij begint nou af te harpen hoor.
afhechten, afheften, (ofheftǝ), (zwak werkwoord, transitief), Afhechten. Zie Ned. Wdb. I, 1020. en vgl. heften. || Ik moet nog effe die draad ofheften.
afkauwen, afkauwen, (ofkauwǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Afbrokkelen, aan pappige stukken uiteenvallen. || ’t Ben slechte kurken tegenswoordig, telkens heb-je der, die ofkauwen (afbrokkelen als men ze van de fles trekt). Toe ik die papieren van mekaar wou halen, kauwden ze helegaar of, zo waren ze vergaan van de nattigheid. – Vgl. Ned. uitkauwen dat naast uitkalven voorkomt in de zin van afbrokkelen, afzakken van de kant van land, van kalk aan de muur, enz., DE JAGER, Freq. 2, 210. Over afkalven in diezelfde zin zie men Ned. Wdb. I, 1039. Vgl. ook kalf II.
afknauwen, afknaaien, (ofknaaiǝ), (zwak werkwoord, transitief), Iets met geweld van een ander voorwerp afdraaien. Zie knaaien. || Hij heb de krek (knop) van de deur of’eknaaid.
afkraggen, afkraggen, (ofkraggǝ), (zwak werkwoord, transitief), Een stuk land door kraggen (lage dijkjes) omgeven om het tegen overstroming te beveiligen. Zie krag en kraggen. || Dat stuk land leit zo laag, we mosten ’et maar ofkraggen. – Ook verderop in N.-Holl. || Dies zal het de Eygenaars van de Landen vry staan, dezelve Landen af te kraggen, ende met klijne molentgiens op de gemene Tocht-Sloten te malen, Octr. v. d. Meren in Waterl. 35 (a° 1628).
aflikken, afslikken, (ofslikkǝ), (zwak werkwoord, transitief), Aflikken. Zie slikken. || Mag ik de strooplepel ofslikken? Poes slikt zijn baard of.
afloopstok, afloopstok, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een oliemolen. De verticaal geplaatste stok, aan welks ondereinde de afloper is bevestigd.
afloper, afloper, (oflopǝr), (zelfstandig naamwoord mannelijk), a) In een oliemolen. De houten strijker bij de stenen, die het gemalen zaad van de legger doet aflopen. Zie Groot Alg. Moolenb. I pl. 11. – b) Bij de houtzagers. Aflopend afsnijdsel van een stuk hout. Vgl. ribschaal.
afluiving, afluif, ofluiving, (ovloif, met klemtoon op of), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Het schuinaflopend aanbouwsel van vele Zaanse huizen en pakhuizen. Het is betimmerd en van ramen en deur voorzien. Ook wel een op zichzelf staand huisje of schuurtje met afhellend dak. Hetzelfde als luif en luiving; zie die woorden. || Hij heb ’et weeftouw in zijn ofluif. Dat huys sal langh wesen 76 voeten, wijt 32 voeten ...; dan moet de affloyff noch 6 voet wijt wesen, van de buytenkant van de binten aff te meten, Hs. bestek spinhuis (a° 1664), archief v. Assendelft. Een pakhuis met een afluiving. Een caats of afluyving met het erf, Custb. (a° 1743). Noch een afluiving en erf, ald. (a° 1754). – Ook in de zin van luifel, regendak. || (Se) namen een Kerk-ladder van onder de afluyvinge. N.-Holl. Ontrust. 9.
afmadderen, afmadderen, (zwak werkwoord), Alleen in de uitdr. afgemadderd wezen (uitspr. ovvǝmaddert wézǝ), vermoeid zijn door madderen (de Wormer). zie madderen. || Hij waar ’s aves zo of’emadderd, dat-i zijn ogen haast niet meer open houwen kon. – Vgl. aftalmen, aftreuzelen.
afmezen, afmeizen, (zwak werkwoord), zie meizen.
afpollen, afpollen, (ofpollǝ), (zwak werkwoord, transitief), Iemand iets ofpollen, hem door zoete woordjes iets aftroggelen. || Hij heb ’em al zen knikkers of’epold. – Het woord is in het Ned. thans verouderd, doch komt bij 17de en 18de eeuwse Holl. schrijvers vaak voor; zie Ned. Wdb. I, 1253. Volgens O. Volkst. 2, 181 is het ook in het Stad-Fri. bekend.
afscheren, afscheren, (ofskérǝ), (sterk werkwoord, transitief), Afbakenen, afdelen, door touwen te spannen of een houten schot te zetten. Zie scheren. || Toe de koninginnen op Zaandam waren, was de Spoorstraat met touwen of’eskoren. As je ’t zolder ofscheren late (door een schot verdeelt), ken-je nog wel ’en slaapkamertje maken. – Evenzo in Oost-Friesl. (KOOLMAN 3, 114b).
afschodderen, afschodderen, (zwak werkwoord), Aflopen, aftrippelen. Zie schodderen 2. || We hebben vandaag heel wat of’eskodderd (veel gelopen).
afschroeven, afschroeven, (ofskroevǝ), (zwak werkwoord, transitief), Afschuiven. Zie schroeven. || Je moete niet zelf je stoel van de tafel ofschroeven; ik zel je wel helpen.
afschulpsel, afschilpsel, (ofskilpsǝl), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Timmermansterm. De kleinere stukken, die bij het schilpen van een blok hout overschieten. Zie schilpen.
afslaan, afslaan, (ofslaan), (onregelmatig werkwoord, transitief), Iets losmaken en wegnemen van iets anders, waaraan het tijdelijk is vastgehecht. Zie Ned. Wdb. I, 1417 C. – Ook van de borden der molenroeden. || As ’en molen in de rouw staat voor de patroon, worre alle borden of’esloegen.
afspeuren, afspeuren, (ofspeurǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Van kleuren en kleurige stoffen. Helder afstekende bij het omringende. Zie Ned. Wdb. I, 1487, en vgl. speuren. || Wit band speurt erg of op zo’n rooie jurk.
afspinken, afspinken, (ofspinkǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Hetz. als afspeuren. – Zie spinken. || Die loper spinkt te veul of bij de gang.
afstallig, afstallig, (bijvoeglijk naamwoord), in de uitdr. ofstallig van iets wezen, er zijn hart van hebben afgetrokken.
afstoken, afstoken, (zwak werkwoord, transitief), Zie de wdbb. – Bij de stijfselmakerij. De stijfsel ofstoken, de vochtdelen, die na het verwinnen (zie aldaar) in de stijfsel zijn achtergebleven, daaruit trekken; de tweede droging der stijfsel.
afstomen, afstiemen, (ofstiemǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Afstralen, warmte uitstralen (Jisp). Zie stiemen. || Wat stiemt die kachel of; ik gaan der wat verder van of zitten. – Evenzo elders in N.-Holl.; vgl. BOUMAN 103 en Taalgids 2, 115.
afstoven, afstoven, (ofstòvǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Afstralen, warmte afgeven. || Die passies (zo pas) op deze stoel ’ezeten heb stooft ook goed of. Die kachel zel ok niet hard meer afstoven; uit is-i.
aftalmen, aftalmen, (zwak werkwoord), Alleen in de uitdr. afgetalmd wezen (uitspr. ovvǝtalmt wézǝ), vermoeid zijn van allerlei kleine bezigheden, mak (stil) zijn van vermoeidheid. Van talmen in de zin van treuzelen, beuzelig bezig zijn. || Na al dat rondlopen ben ik wel wat of’etalmd. – Vgl. afmadderen, aftreuzelen.
aftippelen, aftippelen, (oftippǝlǝ), (zwak werkwoord, transitief), met de bepaling heel wat als object. Afwandelen, aftrippelen, tippelend afdoen. Zie tippelen. || Ik heb vandaag heel wat af’etippeld. Die kinderen tippelen toch op ’en dag heel wat of, en toch worre ze, lijkt ’et wel, niet loof.
aftoffelen, aftoffelen, (oftòffǝlǝ), (zwak werkwoord, transitief), Slaan, afrossen. Zie toffelen. || Iemand flink oftoffelen. Ben je nou genoeg of’etoffeld en zel je zoet wezen?
aftreuzelen, aftreuzelen, (zwak werkwoord), Alleen in de uitdr. afgetreuzeld wezen (uitspr. ovvǝtreuzǝlt wézǝ), afgemat zijn door allerlei kleinigheden. Van treuzelen in de zin van rondlopen, met onbeduidende dingen bezig zijn. || Ik heb vandaag niks bizonders ’edaan, maar ik ban toch helemaal of’etreuzeld. – Vgl. afmadderen, aftalmen.
afvellen, afvellen, (ofvellǝ), (zwak werkwoord, transitief), De scherpe kanten van een balk of plank afschaven, een velling maken. Zie velling. || De breglenen (brugleuning) ofvellen. De weech salmen maecken van goet vieren hout ... 2 duym over malcander geleyt ende de kanten recht gestreecken ende affgevelt. Hs. bestek spinhuis (a° 1664), archief v. Assendelft.
afwaarts aan, ovverdan, afwaardaan, (met hoofdtoon op an), (bijwoord), Voor ofwerdan, d.i. afwaard aan. Henen, weg. || Toe ik ankwam was vader net ovverdan mit ’en aâr. Neel der man is ... van evend ovverdan (van huis), die most né de kustebood (veiling) op de Koog, Sch. t. W. 278. Zie zo, ik zel maar weer ers ovverdan gaan; ik heb hier lang genoeg zitten praten. – Ovverdan wezen, ook slapen. || Is de kleine al ovverdan? Ik gong vroeg te bed; ik was zo loof (vermoeid), dat ik al ovverdan was voordat ik goed lag.
afwijzig, afwijzig, (bijvoeglijk naamwoord), Van kleine kinderen. Eenkennig. || Wat is kleine Jantje ofwijzig; hij wil niks van de mensen weten. – Bij de 17de-eeuwse Hollanders is het woord gewoon in de zin van afkerig van iets en geneigd om iemand onheus af te schepen, terugstotend; zie Ned. Wdb. I, 1904 vlg.
akkefietje, akkefietje, hakkefietje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Akefietje: zie Ned. Wdb. II, 2.
akker, akker, ekker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een vrij stucke lant genaemt die lange ecker. Hs. T. 242, f° 148 r° (Wormer, a° 1624), prov. archief. Een stuck lants genaemt ’t eckertjen (onder Wormer), Hs. (a° 1642). prov. archief. Gerrit Reyersz. ekker (onder Jisp), de Ekker op Deukelsloot (onder Wormer), Hs. (a° 1769), prov. archief. De goutsbloemsekker, Hs. 18de e.), archief v. Wormer. De halve eckeren, noch d’eckeren half (te O. Zaandam), Polderl. Oostz. I (midden 17de e.). – De vorm ekker is Oud-Fries. Tegenwoordig spreekt men in Friesl. van eker en ikker (HALBERTSMA 890). – Vgl. bijlakker, Boekakker, Breenakker, Broodakker, Delfakker, Hemakker, Heubelen-akker, Hoefakker, Ilpakker, Kesakker, Kijfakker, Klampakker, Kruisakker, Leerenakker, Legerakker, Loetakker, Mierenakker, Moerakker, Mouwenakker, Paalakker, Padakker, Petakker, Rempke-akker, Scharpakker, Schotakker, Slieakker, Smalakker, Stekelakker, Stieropakker, Stolpakker, Twisakker, Veerakker, Velingsakker, Wallingakker, Wijnakker.
al, al, (bijwoord), (steeds met de klemtoon uitgesproken). Wel. ǁ Er is niemand ’eweest, is ’t al? Trijn was niet op ’et ijs, maar Neel reed er al. Ze zeggen van al. “Is vader thuis?” “Ik meen van al.” – Zo ook verderop in N.-Holl. en in Friesl. De uitdrukkingen al of niet en al dan niet zijn overal gangbaar; zie Ned. Wdb. II, 68.
al gaande, allegaande, algaande, (met hoofdtoon op al en bijtoon op gaan), (bijwoord), Gaandeweg, langzamerhand; eig. al gaande. || As je dat gat niet stoppe (stopt), wordt ’et allegaande groter. Een mens wordt allegaande een dagje ouder. Moeder wordt allegaande beter. Op ’et pad ben allegaande meer huizen ’ekomme (zijn telkens nieuwe huizen bijgebouwd).
alaan, alaan, (al-an, met klemtoon op al), (bijwoord), Telkens, bij herhaling. ǁ Ik denk alan, dat ’et vrijdag is. Maartje is tegenswoordig alan ziek. – Het woord heeft de klemtoon op an (de in het Ned. Wdb. vermelde; zie aldaar II, 89) wanneer het voorafgaande woord het hoofdaccent van de zin heeft. || Ik verstuik me voet alan. Dat gezeur begint me te vervelen.
albast, albaster, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie alikas.
algemeen, algemeen, allegemien, (bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord), Zie de wdbb. || Wist jij ’et niet? ’t Is toch allegemien bekend.
Alicants, Alicants, (bijvoeglijk naamwoord), In de naam van een stuk land onder Assendelft, in Buitenhuizen: het Alicantsche land. || Sijn paert (deel) vant alicantse lant, Polderl. Assend. I f° 22 r° (a° 1599). ’t Alecantse Landt, ald. II f 20 r° (a° 1600).
alikas, alikas, allekas, allekasse, kalebas, kallebas, kallebaster, (allǝkas, met hoofdtoon op kas), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een knikker van roodgeaderd wit marmer, of van albast met rode en blauwe lijnen overtrokken. (Alikas vindt men ook elders in N.-Holl., in het Sticht, te Rotterdam, Nijmegen en Kleef; zie Ned. Wdb. II, 140). In dezelfde zin gebruikt men te Westzaan kalebas, kallebas, (welke vorm men ook in Waterland (Noord en Zuid 3, 183) en te Vlaardingen (ald. 3, 115) aantreft) en kallebaster. Op de Koog zegt men polleka. Elders (niet aan de Zaan) heeft men nog albast, albas, allebas (Ned. Wdb. II, 100.) Te Zaandam ook albaster, te Assendelft kallebas. Alleen een geaderde marmeren knikker heet aldus. Polleka is de naam van een witte, niet marmeren knikker, waarover rode en blauwe lijnen getrokken zijn.
alikasoog, alikasoog, (allǝkas-oog), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Oog, waarvan men de appel niet zien kan. Zie alikas. || ’t Is ’en gril gezicht, iemand mit ’en allekasoog.
Alkenbusch, Alkenbusch, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Assendelft. || Een stucke landts genaempt Alkenbusch, leggende in tSmayers weer, Hs. U. 19, f° 51 v° (a° 1579), prov. archief. Alkebusch groot 1374 (roeden), Polderl. Assend. f° 316 r° (a° 1600). – De naam zou kunnen samenhangen met alk, watervogel (Ned. Wdb. II, 142). Vgl. echter de bekende mansnaam Alke, die ook in de naam van andere stukken land voorkomt. || Alkes camp, Polderl. Assend. I f° 96 r° (a° 1600). Alkes ven, Alkes madt, Alkes weer, Maatb. Assend. (a° 1635). – Te Westzaan was een Alkweer || Een stucke lants genaemt Alckweer leggende int suytent, Hs. T. 52 f° 398 (a° 1614), prov. archief.
Alkweer, Alkweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie Alkenbusch.
allang al, allank al, (bijwoord), uitdr. (met hoofdtoon op lank). Reeds lang. || Me werk is allank al of. Hij heb ’et allank al ’edaan. Ze is allank al weg. – In het Stad-Fri. allang al.
alleens, alleens, alliens, (met klemtoon op een), (bijwoord), Eveneens, gelijk. || Die kinderen bennen net alliens ’ekleed. – ’t Is mijn alleens, ’t is mij om het even. – Ook verderop in N.-Holl. en in Gelderl. nog bekend; zie Taalgids I, 103 en Taalk. Magazijn 2, 420. Vroeger was het woord zeer gebruikelijk; zie Ned. Wdb. II, 159. Ook als bijvoeglijk naamwoord: alliens. Gelijk. || Jan en Kees hebben alliense petten. – Gewoner in het gebruik van eveleens (bijwoord en bijvoeglijk naamwoord); zie aldaar.
allerhande, alshands, (alssans), (bijwoord), uitdr. Van alderhande soort, van allerlei. || “Wat soort is ’et” “Nou, ’t is alshands.” Ook: op allerlei wijze. || “Bouwen is duur.” “Nou ja, je kenne alsans.”
allerlei, allerlei, (bijvoeglijk naamwoord), Soms met buigingsuitgang, gelijk elders in de spreektaal. || Rood lint, blauw lint, dat men om de benen bindt, allerlei linten (uit een kinderrijm). Daer lijt een vromen man ... Hij wert geheel verdruckt en staegh verruckt met allerleye smaet, van s’werelts quaet, SOETEBOOM, Bloeme-crans 132. – Vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal 147*, en Mnl. alreleide.
allijk, allijk, elijk, allijkes, lijkes, (allaik of ǝlaik, met klemtoon op laik), (bijwoord), Alleen gebruikelijk in vraagzinnen, als men te kennen wil geven, dat men zich iets van het gevraagde herinnert, doch er het rechte niet meer van weet. Ook, ook weer, ook soms. || Wanneer is ze allijk ’etrouwd? Hoe heet-i allijk? Heb jij ’et allijk ’edaan? Heb ik je dat allijk al ’ezeid? – Ook allijkes, d.i. allijk des. || Hoe was ’et allijkes? Wat zei-i toe allijkes? – Soms lijkes. || Wi, was dat ok lijkes? – Allijk is ook elders in N.-Holl. bekend (Taalgids I. 104; BOUMAN 3). Het woord was in de 17de eeuw en vroeger algemeen in gebruik in de oorspronkelijke zin van geheel en al; zie Ned. Wdb. I, 22 op allijk.
als, als, as, (steeds as), (voegwoord), Zie de wdbb. – Ook na de vergrotende trap en na anders en niemand, evenals elders in de spreektaal. || Hij is groter as Klaas. Je ziene der (ziet er) aârs uit as gewoonlijk. – Soms zegt men azze, doch naar het schijnt alleen vóór het toonloze je, we, ze en der. Vgl. het gebruik van ovve op of. || Azze je hard lope (loopt) ken-je nag mee. Hij komt ok altijd azze we uit bennen. Ze lopen vort azze ze jou maar zien. Azze der drie bennen mag jij der ok ien hebben.
als eraan toe, asterantoe, (bijwoord), uitdr.; zie daar.
alsdan, astin, (met klemtoon op tin), (bijwoord), Daarnaast soms asten. In elk geval, ten minste, stellig. || Vindt de domenie ’et goed, dan de kerkeraad astin (dan is er geen twijfel aan, of de kerkeraad vindt het ook goed). Als hij gaat, dan gaan ik astin ok. Dat moet astin niet gebeuren (d
alwaardig, alewerig, aalwerig, (met hoofdtoon op ), (bijvoeglijk naamwoord), Onhandelbaar, gemelijk. Weinig gebruikelijk. || Die jongen is zo alewerig, je ken niks mit ’em beginnen. – Evenzo in W.-Friesl. In de Beemster is aalwerig woelig, dartel. || Het jonge vee is zo aalwerig en dartel, dat je ze naken noch raken kunt. Wat zijn de kinderen aalwerig (BOUMAN 1). – Zie verder over dit alleen nog gewestelijk voortlevende woord Ned. Wdb. op aalwaardig, aalwarig, awalig, en Mnl. Wdb. op aelwerich.
ambel, ambel, (ambel, met klemtoon op bel), Middagmaal van slappe spijzen, meelkost, ziekenkost. Het woord is bij vissers gebruikelijk. || We aten ambel, van de schrale buul (uit armoede). Nou jongens, ambel hoor! ’t Ken vanmiddag niet lije.
Ameland, Ameland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land, thans ook een pad te W. Zaandam. || Hij woont op ’et Ameland. – De Paerdeven, ofte anders ghenaemt Aemlandt, Priv. v. Westz. 544 (a° 1643). – Te Zaandam vindt men ook een Tessel.
ander, aâr, oude samentrekking van ander, in alle betn. Vgl. Ned. Wdb. op aâr. || Ze houdt ’et met ’en aâr. Op ’en aâre keer; enz. – Zie aârf, aârs en veraren.
ander, ander, enz. zie aâr, enz.
anderhalf, aârf, arelf, arehalf, oude samentrekking van anderhalf. Vgl. aâr. || Aarve cent (van een verloofd paar, waarvan de een veel langer is dan de ander). – Aarfhoofd, scheldnaam van iemand met een dik hoofd. – Evenzo in geheel N.-Holl. Vroeger was ook in gebruik aarfke, voor anderhalfke, d.i. halftweetje (vgl. halfelfje). || As de zon op ’t troor is, dan is ’t aarfke (als de zon op de etensspinde schijnt, is het half twee), Hs. Kool. || Als zelfstandig naamwoord aârf-en-aârf, in de houthandel, een lat vanAmsterd. duim breed en dik. De aârf-en-aârven worden bij bossen van zes stuks te zamen gebonden. || Douw me die aârf-en-aârf ers an (schuif me die lat eens toe).
anders, aârs, samentrekking van anders. Zie aar en vgl. Ned. Wdb. I, 576. || Hij is altoos aârs as ’en aâr. – Evenzo aârsom, enz. – Zegsw. Zeg maar hoe je ’t hebben wille, net aârsom ken-je ’t krijgen, ironisch, als iemand zijn eisen hoog stelt. – Vgl. nog een zegsw. op dansen.
anderwerf, aarfs, in de uitdr. van aarfs, opnieuw, van voren af aan. Uit anderwerfs. || Hij moet van aarfs beginnen. – Evenzo in Waterland, waar men in dezelfde zin ook zegt, iens arefs, eens anderwerfs (Taalgids 6, 309). – Vgl. aâr.
ang, ang, (bijvoeglijk naamwoord), Bang. || Wat is-i ang. Hoe ’t vlees te anger wert benert, hoe dat de Ziel te ryker wert, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 277.
anijs, anijs, janijs, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ook janijs. Zie de wdbb. || ’En glasie janijs.
ankerstok, ankerstok, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij vissers. Een stok met ijzeren punt die in de grond gestoken wordt om de vissersschuit vast te leggen (in ruw water b.v.) Aan de stok is op 2 of 3 voet afstand van het ondereind een lijn gebonden, waaraan de schuit wordt vastgemaakt. || We zellen de skuit maar an de ankerstok vastleggen.
apekool, apekool, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Schelvis van slechte hoedanigheid, en die daarom gerookt wordt. || Die schellevissies deugen niet veul, we mosten er maar apekolen van maken. Ik koop nooit apekolen. Die ’ebakken botjes, ’t was me wat! ’t leken wel apekolen! – Zegsw. Apekolen bijten niet, rooie spiering lust ik niet, minachtende aanduiding dezer vissoorten, welke de visser moeilijk verkopen kan. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 3). – Of de Ned. uitdr. ’t is (maar) apenkool de oorsprong is van deze benaming, of dat omgekeerd de slechte hoedanigheid der apekolen tot de zegsw. aanleiding gaf, is onbekend. Vgl. Ned. Wdb. II, 532 op apenkool.
apenland, apeland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Arm, onvruchtbaar, land (de Wormer). || As je die akker kopen wille, moet je er niet te veul voor geven, ’t is maar apeland. Het is apeland, er groeit niks op. – Evenzo in Friesl. – In het Ned. heeft apenland een andere bet.; zie Ned. Wdb. II, 544.
apennootje, apeneutje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Benaming van zekere zeer harde olienootjes, grondnoten, Curaça°se amandelen (Lat. Arachis hypogaea).
apenvlo, apevlooi, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie een zegsw. op takken.
apollos, apollos, (met klemtoon op pol), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Gietemmer, bloemengieter. || Vul de apollos. De apollos is lek. Wij hebben wel gieters (hoosscheppers) in de molen, maar der is gien apollos meer. – Ongetwijfeld is de benaming ontleend aan de bijbeltekst: Ick hebbe geplant, Apollos heeft nat gemaeckt: maer Godt heeft de wasdom gegeven, 1 Cor. 3: 6.
appel, appel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Die zijn lijf bewaart, bewaart geen rottige appel, men moet op zijn gezondheid passen. Evenzo elders in ons land. – Dat bennen schoentjes om appeltjes meê van ’t zolder te halen, van oude schoenen, die voor de straat onbruikbaar zijn. – Het appeltje is toch zo dun geschild (dun van schil), gezegd van iemand, die lichtgeraakt is, of van een kind, dat met moeite zijn tranen inhoudt en bij de minste aanleiding dreigt uit te barsten. – Zie de samenst. pafappel, piepappel en de appelnamen beendert, zijdenhemdje, pippeledoortje en zoeteveentje.
appeldepap, appelepap, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Brij van appelen gekookt. – Zegsw. ’t Is allemaal geen appelepap, ’t is niet alles even mooi. Zo ook elders, b.v. te Utrecht.
ark, ark, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook: een oude, op het land getrokken schuit, die tot woonplaats is ingericht. || Ze wonen in ’en ark.
arm, arm, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Zegsw. Zo arm as ’en rot, zeer arm.
arm, arm, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Het lichaamsdeel. – Zegsw. Armpje-door steken, elkaar de arm geven. || Ze staken mekaar armpie-deur. – Ook zonder steken. || Trijn en haar kammeraad (vriendin) lopen altijd armpie-door. Ze gane armpie-door nê school. – Vgl. de samenst. langarm.
arm, arm, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Een ongelukkig schepsel, iemand die tobt om door de wereld te komen. Het bijvoeglijk naamwoord arm in de zin van ellendig, ongelukkig, als zelfstandig naamwoord gebruikt; evenzo in het Mnl. (zie Mnl. Wdb. I, 549). – Vgl. armhartig. || Och, ’t is zo’n arm; aldoor zit ze in de zorgen. – Het werkwoord ermen, zie aldaar, is waarschijnlijk niet verwant.
armejanen, armejanen, (zelfstandig naamwoord meervoud), Klachten. Wel een vervorming van jeremiaden. || Wat heb-i ’en armejanen.
armhart, armhart, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die armhartig is. || ’t Is zo’n armhart, hij durft nooit wat te wagen. Ook: een medelijdende, teergevoelige ziel. || Die vrouw is ’en armhart.
armhartig, armhartig, (bijvoeglijk naamwoord), Kleinmoedig, teergevoelig. || Och, ze is zo armhartig. – Zie Ned. Wdb. II, 681.
arminiaan, Armiaan, Arminiaan, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Benaming voor de grootste soort van baars. || Dat’s ’en armiaan. Er bennen heel wat armianen in ’et net. – Navorscher 4, 350 vermeldt omgekeerde Armiaan in de zin van gebraden en op een bepaalde wijze toebereide baars (of snoek?). De verkorting Armiaan voor Arminiaan, volgeling van Arminius, Remonstrant, komt ook voor in sommige lezingen van het scheldrijm: Klikspaan, Armiaan, je zult niet op mijn straatje gaan, enz.
armoede, armoede, (ook armoet of arrǝmoet), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Met houtjes stoken, beschuitjes eten, is armoed lijden eer dat je ’t weten.
armpje-door, armpje-door, zie arm II.
as, as, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Vgl. lui-as, steenasje, wentelas.
asgijn, asjijn, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie jijn.
aspotten, aspotten, (zwak werkwoord, intransitief), Term bij het quadrille-spelen. Wanneer niemand iets annonceert laat men soms één der spelers (b.v. die voor de hand zit) zijn kaarten onder de overigen verdelen: hij geeft daartoe aan elk drie kaarten en behoudt er dus één voor zich terwijl de anderen, na hun spel te hebben verbeterd, hem weer een drietal kaarten teruggeven. Deze handeling heet aspotten. || Zellen we vanavond aspotten of niet? Het lot valt altijd op Jonas, ik heb nou driekeer geaspot (mijn spel moeten verdelen). – Evenzo elders o.a. te Blokzijl. Onder andere bet. zie men Ned. Wdb. II, 724.
Assendelft, Assendelft, naam van een Zaans dorp. || Ascmannedilf (a° 1063), Oorkb. I n° 85. Escmundelf (a° 1083), ald. no 99, 105. Escmadelf, Eskendelf (6 maal), Esknemendelf (2 maal) (vóór a° 1120), ald. no 108. Aschamenedelf, Ascamannasdelf (a° 1156), ald. n° 133, 134. Ascemdelf (a° 1182-1206), ald. n° 204, Asmundelf (begin 13de e.), ald. n° 377, Assemdelf (midden 13de e.), Hs. v. Egmond, f° 11 r°. Assendelf (a° 1343, 1344), Rek. d. Graf v. Holl. 2, 240, 241, 328, 515, e.e. Ascendelf (a° 1394), Cart. v. Egmond, f° 79 r°. Assendelft (a° 1442), Oorkonde v. 18 juni 1402, Rijksarchief. Assendelft (a° 1443), GONNET, Zijlkl. 78. – Later vindt men gespeld Assendelf, Essendelf (o.a. Journ. Caeskoper, 7 Dec. 1676; de vorm wordt ook nu nog gehoord) en Assendelft. Deze laatste vorm is sedert de 16de e. de gewone. – Volgens RICHTHOVEN, Unters. über fries, Rechtsgesch. III, 104 hangt de naam samen met Ascomannos, een der benamingen voor de Noorse Vikings. De in de naam genoemde delft is wellicht het zo geheten water ten O. van het dorp; het kan echter ook een andere, nu verdwenen, gracht zijn geweest. – In hoeverre de naam van Assendelft met die van het naburige gehucht Assem samenhangt, is niet met zekerheid uit te maken, maar dat de namen op elkaar gelijken zal wel geen toeval zijn. De oudste vermelding van Assum is van 1397 (Lib. V, AELBRECHT, cas E. f° 255, Rijksarchief), waar sprake is van een veer, geheten Assem tussen Heemskerk en Uitgeest. De naam is samengesteld met -em, hem, heim, woonplaats. Wellicht is de stichter daarvan dezelfde persoon, bij wiens delft zich het dorp Assendelft ontwikkelde. – Nabij Assum ligt de Assenburg, het kasteel dat de Heren van Assendelft voorgoed betrokken, nadat hun huis te Assendelft in het begin der 15de e. was verwoest. Het is echter ongetwijfeld ouder; vgl. Handv. v. Assend. 3. De naam wordt geschreven Assenburg en Assumburg(h). Het slot wordt o.a. vermeld Handv. v. Assend. 63 (a° 1465). Van Assendelft is afgeleid: Assendelver, inwoner van Assendelft. – Een Assendelver kast is een bijzonder soort van kast; zie de afbeelding bij SCHOTEL, Zeden, pl. II. – Een Assendelver lijfje, een zeer kort lijfje, zoals de Assendelver vrouwen vroeger droegen, en waarbij de rokken bijna onder de armen zaten. Overdr. ook elders gezegd van lijfjes die te kort gemaakt zijn. – Het is een Assendelvertje, iemand die klein in zijn soort is. Eertijds golden nl. de Assendelver kippen voor zeer klein. – Scheldnamen: Assendelver gortbuik, zie op gortbuik, gortlander, gortzak, kiplander, ottak, Spanjool en Spanjaard; zie aldaar.
at, at, (zelfstandig naamwoord), Alleen in de uitdr. dat (of ’et) is geen at, er is niets aan, ’t is niets aardig. – Wellicht van de stam van eten.
ate, ate, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Vader. Alleen nog te Krommeniedijk en Krommenie, doch bijna verouderd. In de Wijde-Wormer kent men nog de uitdr. aat en mem, vader en moeder, naast het zeer gebruikelijke taat en mem. || Is ate thuis? Ate, der is er een om je te spreken. – In het begin der 17de e. komt Ate ook als geslachtsnaam voor en daarnaast Aten, gelijk dit geslacht thans nog heet. – Het woord is in vele Germ. talen bekend in de zin van vader (zie o.a. GRIMM, 595; KOOIMAN I, 70). Onzeker is of ook Ofri. at(h)a, Mnl. (Drents) ette, schepen (RICHTHOFEN 613; Mnl. Wdb. II, 743) verwant is.
atlas, atlas, atlast, (met de klemtoon op at; de a van las wordt enigszins gerekt), Alleen in de uitdr. wat een atlas, wat een uitdouwing, wat een drukte, en atlas(t) hebben, zich bezorgd tonen, allerlei (nodeloze) bezwaren hebben, zich angstig aanstellen. || Mijn hemel, wat ’en atlas! Och, wat heb-je weer ’en atlast, ’et komt immers wel in orde. Toe-i dat hoorde had-i geen altlas meer (was zijn bezorgdheid weggenomen). – Het woord is ook elders gebruikelijk in de vormen atlas en hartlast, eveneens in de zin van last, drukte. Misschien moet de uitdr. worden afgeleid van de mythologische reus Atlas, wie de zware taak van de wereld te torsen was opgelegd. Vgl. Ned. Wdb. II, 740.
avegaar, auweger, (aewǝgǝr en aukǝr), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere grote boor, avegaar. Ook in de vorige eerw luidde het woord aldus, blijkens verschillende inventarissen, waarin auweger voorkomt. ǁ Mannen, hewwe jollie ok veur me te lien ’en auker van drie kertier van elven of een duim van twaalven? (heb-je ook voor mij te leen een avegaar om een gat van 2 cm te boren?) – Drie kwartier van elf is ¾ Amsterdamse duim (de Amst. voet is in 11 duim verdeeld), een duim van twaalven een Alkmaarse duim (de Alkm. voet heeft 12 duim). – Vgl. sluitauweger.
aveluinig, aveluinig, (bijwoord), Knorrig. || Je lijkt ’et vanavend niet na je zin te hebben; wat kijk-je aveluinig. Zet niet zo’n aveluinig gezicht. Wat is dat toch ’en aveluinige vent. – Het woord was in deze eeuw ook elders in Holl. nog bekend (BILDERDIJK, Versch. 2, 112; DE JAGER, N. Ned. Taalm. 4, 14). Bij de 17de-eeuwse schrijvers vindt men ook aveluinigheid en een werkwoord aveluinen. Haveluinig en schaveluinig komen voor in de zin van haveloos, schaverottig. Zie Ned. Wdb. II, 750.
avond, avend, vend, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Avond. Ben-je van êvend thuis? – Saves, aves, des avonds. || Zonder kachel is ’et koud aves. Ik ben sêves altijd thuis. Vgl. loopavend.
azeling, eseling, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie ezeling.
azeling, ezeling, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast te Assendelft soms nog êseling. Afgestoken stuk van een hooiklamp of hooiberg. Als de boer begint te voederen, steekt hij een vierdepart of een kleiner stuk van de berg af. Van deze êzeling wordt dan dagelijks met de hooigraaf zoveel afgespit als er nodig is. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 25: eseling.) Eseling is de N.-Holl. vorm van een Ned. *azeling, en hangt samen met azen, voederen; vgl aas.
azen, ezen, (zwak werkwoord), vgl. verezen.
azen, ezen, (zwak werkwoord, intransitief), Zeker knikkerspel; zie eesje.
azig, ezig, (bijvoeglijk naamwoord), IJverig in zaken, bij de hand, voortvarend. || ’t Is ’en êzige vent, hij is best voor zijn zaken. ’En êzig kereltje. Hij is êzig op ’en commissie (hij is gretig op een order, geeft zich moeite om een order (bestelling) te krijgen). ‒ N.-Holl. êzig beantwoordt aan een Ned. *azig, gretig, dat echter niet schijnt voor te komen. Vgl. aas.
azijnen, azijnen, (bijvoeglijk naamwoord), Gemaakt van azijnhout. Azijnhout is het zeer harde hout van de steeneik, Lat. Quercus ilex, Spaans alsina. Het wordt vooral door molenmakers gebezigd. || Een gang (stel) azijnen dollen. Twee roedsleien en twee azijnen vuistwiggen, zes azijnen stokken
baan, baan, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. Het woord komt ook in de zin van lijnbaan voor in de naam van stukken land, waar eertijds een lijnbaan was. || De Baans (meerv.; land in de Kalverpolder). De Baanven (de Koog, a° 1778). Vgl. baanmeid. In de zin van volle breedte van een stof is het woord onzijdig || Dat baan is te smal. Er moet ’en nuw baan in dat kleed ’ezet worre.
baanderen, baanderen, (zwak werkwoord, intransitief), Alleen in de Inf. Hard werken, vooral gezegd van schrobben, schoonmaken, enz, (de Wormer). || Wat is buurvrouw an ’t baanderen vandaag; ze haalt ’er hele huis om. – Vgl. paanderen.
baanmeid, baanmeid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meisje dat op de lijnbaan werkt. – Ook minachtend slet, sloor, hoer. Vgl. bij VAN DALE baanloopster in de zelfde zin.
baar, baar, beer, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Draagbaar. – Zo ook doodbeer.
baars, baars, beers, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere vis. ǁ Een zoodje beers. Gelde beers (hommers); zie geld II. – Vgl. drolbaars en armiaan.
baarzen, baarzen, beerzen, (zwak werkwoord, intransitief), Baars vangen. || We ganen uit beerzen.
baas, baas, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)), Schrik, ontsteltenis. Thans verouderd. || De Deenen ... deden een Landt-tocht, dan de Stavorsche hadden de Baas ’er in, want soo haest hun komst by de Deenen vernomen werde, namense af-scheydt, SOETEBOOM, Stavoren 126. Eenige Edelen in Oostergoo bedreven alle moetwil ... om in de Schieringers te brengen, ald. 226. De baas is in de man, SOETEBOOM, Bat. Eneas, Gr°. – Baas komt elders niet voor, maar zeer bekend is het verwante werkwoord bazen, ijlen, verbijsterd zijn, verbijsterd rondlopen, en het daarvan afgeleide bazelen en verbazen. Vgl. Franck 60 (bazelen), KIL. 30 (baesen), HALBERTSMA 194 (baze).
baas, baas, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meester. – Zegsw. Hij is zijn eigen baas, hij kan doen wat hij wil, niemand heeft iets over hem te zeggen. || Ik ben me eigen baas, hoor, ik weet zelf wel wat ik doen moet. – Zegsw. De baas van ’t zaakje (ook wel: van ’t spul), schertsend voor: baas. || Jij kenne de boodschap niet doen: we moeten de baas van ’t zakie hebben (de voornaamste persoon, de heer des huizes enz). Wie is de baas van ’t spul? – Zie andere zegsw. op knecht en Jan, en vgl. hellingbaas, veembaas en vlottersbaas.
baat, baat, (zelfstandig naamwoord), Als naam van enige stukken land; thans waarschijnlijk onbekend. || Die baet in de ban van Westzaanden), Polderl. Westz. II (a° 1629). De baet (de Krommeniedijk), Maatb. Kromm. I (a° 1639). – De Kaart v. d. Uytw. Sl. 8 vermeldt onder Landsmeer twee evenwijdige sloten, genaemd Bate Sloot en Schouten Bate. – Ook in Friesl. en Gron. heten landerijen aldus. || Een gras “in der bate”, Cart. v. Selwerd, f° 79 Hunsingoo, (a° 1428). Een half iuck in die baetwert, ald., f° 134 v° (a° 1461). Anderhalf iuck landes gelegen in der batewert, ald., f° 135 (a° 1463), aangehaald in Navorscher 41, 337 vlg. VII ponden hoyland ... genoempt die Baetwe, Reg. v. Aanbreng 2, 360 (Wymbritseradeel, a° 1511). – Vgl. Veluw.
baat, baat, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Hij is an de baat, van een zieke, hij is aan de beterhand. Thans weinig gebruikelijk. – Ned. baat is winst, voordeel; aan de baat zijn is dus winnende zijn, wat ook van een zieke wordt gezegd. De uitdr. komt reeds in het Mnl. voor; zie Mnl. Wdb. I, 599: ane die bate sijn.
babbelgat, babbelgat, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Babbelaar, babbelkous (Assendelft). || ’t Is zo’n babbelgat: zen mond staat niet. – Ook in Friesl.
bag, bag, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In verkl. baggetje. Oorringetje. Ook oorbel, vooral de ronde gouden belletjes, die geluid geven of bellen, waarom ze in de Wormer ook schelbaggen worden genoemd. Ze worden thans weinig meer gedragen. || Wat heb-je mooie baggen in je oor. Ik heb gouden baggetjes voor me verjaring ’ekregen. – Evenzo elders in N.-Holl. In W.-Friesl. noemt men ook de bloemen der fuchsia, die veel op oorbellen gelijken, baggen. – De gewone betekenis van bag is edelsteen, of kleinood, waarin zulke stenen voorkomen; later ook gouden sieraad in het algemeen.
baggeren, baggeren, (zwak werkwoord), vgl. opbaggeren.
bak, bak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Het verkleinw. bakkie heeft behalve de gewone betekenis ook die van schoteltje. || Stijve koelte, vergezelt met sterk vriesen, zo dat de kopjes en bakjes, daar uit gedronken wiert, op tafel vast vroren, Journ. Jacob Honig, 24 Dec. 1794. De koffie is niet te dogen, ik zel ze maar in me bakkie overgieten. – In de Inventaris van 1813 staan vermeld onder het aardewerk: 4 aardbezien-bakjes: een tafeltje met confituur-bakkies. Ook elders in N.-Holl. spreekt men van kop en bakkie (Taalgids 6, 309). Vgl. verder Ned. flessebakje (VAN DALE), en voor bak, schotel, in de 17de e.: DE VRIES, Warenar 144. – Soms heet ook een bordje bakkie, vergelijk stekkebakje, bloembak en klerebak. – Zie verder ook de samenstellingen bakendje, bakhuis en drankbak, drijlbak, druipbak, garstelbak, gatebak, houtjesbak, kattebak, klaarbak, klossebak, legebak, pletbak, roerbalk, slordebak, staartebak, stofbak, stuurbak.
bakeind, bakendje, (bak-entjǝ, met hoofdtoon op bak), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het (achter)end van het huis, waar zich de regenbak bevindt. Zie end. || Zet de tobbes maar in ’et bakendje. In ’t bakendje ..., in de schuur ..., in ’t kamertje ..., Hs. invent. (Krommenie, a° 1796), prov. archief.
bakenen, bakenen, (zwak werkwoord), zie bekenen.
baker, baker, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een looie (luie) baker, een driebenig ijzeren tafeltje, waarop de kolen voor de vuurmand gelegd worden.
bakhuis, bakhuis, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een gebouw, waarin zich een of meer olie- of traanbakken bevinden. || Ik zel maar ’en bakhuis huren, want ik heb geen berging genoeg in de molen. Het bakhuis, genaamd de Tweekap (te O. Zaandam). Het oude pakhuys met sijn twee bakhuysjes, en in yder van die twee traan of olybakken. Hs. boedelscheiding (a° 1740), verz. Honig.
bakken, bakken, (sterk werkwoord), vgl. aanbakken.
bakker, bakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Voor kouwe bakker, zie koud. – Vgl. de samenst. koekebakker, koolbakker en taaibakker.
bakstag, bakstag, bagstag, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meerv. bakstaggen. Daarnaast bagstag. Op een schip. De steuntouwen aan weerskanten van de mast, die aan boord achter de zwaarden worden vastgemaakt. – Evenzo in Friesl.
bakwiel, bakwiel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In papiermolens. Het wiel waardoor de rol van de maalbak in beweging wordt gebracht.
bal, bal, (bijvoeglijk naamwoord), Thans meestal balt. Boos, driftig, razend. Weinig gebruikt. || Hij wordt balt. Kijk ers, dat is-i balt. – Evenzo elders in N.-Holl. Het woord betekent ook verward, onrustig, Lat. perturbatus. || Waren daer nemers in ’t ghevoegh (in passend aantal), daer souden ghevers zijn ghenoegh; die nemers zijnder vele in ’t ghetal, dies maken sy die ghevers bal, VALCOOGH, Regel d. Schoolm. 102. – Vanhier ook het in de Beemster gebruikelijke bals, schuw, van vogels, wier nest is aangeraakt, en die daarom weigeren er in terug te keren (BOUMAN 5). Evenzo Fri. de ein bal meitsje (of forbalje), de eenden van hun nest wegschrikken. In het Noord-Fri. betekent bal slecht, evenals Ofri. bal(u), Ags. bealu. Het bijvoeglijk naamwoord behoort bij Ags. bealu, Osaks. balu, Ohd. balo, Ono, böl, verderf, kwaad, dat in het Ned. alleen nog voorkomt in samenst. als baldadig. Vgl. verder HALBERTSMA 166 vlg. en FRANCK op baldadig. Vgl. klosbal.
bal, bal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een Hs. keur van 1659 (archief v. Assendelft) staat: Dat niemant hem vervordere langs de wech te schieten nat off droochbal, mede op de boete als vooren. – Klootschieten en balslaan op ’s heren wegen worden herhaaldelijk verboden, doch wat men verstaan moet onder nat- en droogbal blijkt niet.
Balie, Balie, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In de zegsw. ’t Is een bezige Balie, ’t is een bedrijvige vrouw, ze is altoos in de weer. – Balie is hier wel een vrouwennaam Baly, Bely, Mabelia.
balie, balie, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie dikbalie, verfbalie en veegtebalie. – Kleine tobbe. || ’En balie met wapeling (hete zeepsop) om de vaten te wassen. Doen de sla maar in ’en balietje. – Ook elders gebruikelijk; zie Ned. Wdb. II, 917.
baljaren, baljaren, (met klemtoon op já), (zwak werkwoord, intransitief), Tieren, schreeuwen, leven maken. Vaak in verbinding met schreeuwen. || Wat ben die jongens weer an ’t schreeuwen en baljaren. Vgl. gebaljaar. – Het woord is in geheel Holland en ook hier en daar elders (b.v. Gron. MOLEMA 18) bekend. In de schrijftaal komt het o.a. voor bij WOLFF en DEKEN. || Ik hoest en baljaar de hele buurt by malkander, Will. Leevend 3, 36. Springen en baljaarden, ald. 4, 291. – Het woord is overgenomen uit Spaans baylar, zie KLUYVER, in Tijdschr. 13, 158.
balk, balk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Pas maar op dat de balken niet op je hoofd vallen, gezegd tegen iemand, die voor het eerst weer in huis wil treden, nadat hij lange tijd afwezig (op reis, uit logeren) is geweest. – Zie nog een zegsw. op vlot, en vgl. de samenst. achterbalk, dransbalk, hangeniersbalk, hanigbalk, keuvelensbalk, keuningsbalk, kotbalk, middelbalk, Noordse balk, roerbalk, slagbalk, sloving, spoelbalk, staartbalk, steunderbalk, waterbalk, zeilbalk.
balken, balken, (zwak werkwoord, intransitief), Luid schreeuwen, ook van een koe. Zie de wdbb. || Wat balkt die koe (Wijde Wormer).
balkenvlotter, balkevlotter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die balken vlot, houtvlotten vervoert. – Overdr. ook als scheldnaam voor R.K. geestelijken (Zaandam).
balkhaak, balkhaak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Op een schip. In het meerv. balkhaken. Kleine haken aan een touw, om balken of kisten op te hijsen. Synon. scherpe haken.
balkjes lopen, balkie-loop, (zelfstandig naamwoord), Het lopen op de losse balken in de houthaven bij een zaagmolen. ǁ Jonges, willen we balkie-loop (of balkie-loop doen)?
balkzager, balkzager, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Houtzaagmolen, die voornamelijk balken zaagt. Synon. sommerzager. In tegenstelling met wagenschotzagers, deelzagers, lattenzagers en veerzagers. || Een vuure balcksaeger (wordt gesteld op) 2 prick; een eken balcksagermolen (op) 3 prick, Hs. verponding (a° 1696), archief v.Wormerveer.
balt, balt, (bijvoeglijk naamwoord), zie bal II.
balvecht, balvecht, (met hoofdtoon op bal), (zelfstandig naamwoord), Zeker gebak. Te Zaandam hetzelfde als vlaggeknop; zie aldaar.
bamboes, bamboes, (zelfstandig naamwoord), Zeer ongunstig, gemeen weer met storm en regen (de Koog). || ’t Is bamboes vandaag. ’t Is weer ’en echte bamboes.
ban, ban, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Rechtsgebied, streek staande onder de rechtspraak van éénzelfde rechter. Thans verouderd. De Zaanstreek was vroeger verdeeld in de bannen van Assendelft, van Westzaanden en Krommenie, van Wormer, Jisp en Nek (dikwijls verenigd) en van Oostzaanden. Alleen van de banne van Westzaanden bleef nog iets over, nl. het gemeenschappelijk beheer van de vroegere bansluizen door de gemeenten, waarin de ban thans is opgelost. In zoverre leeft dus de Ban van Westzaanden nog voort. – Verder spreekt men nog van de ban omrijden of omlopen, d.i. een rijtoer of wandeling doen de ban rond, hier de ban van Westzaanden. Men onderscheidt daarbij de kleine en de grote ban. De kleine ban omvat de kring: Zaandam, Koog, Zaandijk, Guispad, Westzaan, Hoogendijk; de grote: Zaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie (Zuideind), Assendelft (Noordeind), Vrouwenverdriet, Westzaan, Hoogendijk. – Van Krommenie uit is de kleine ban: Assendelft (Noordeind), Vrouwenverdriet, Westzaan (Noordeind), Guispad, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie; de grote ban: Assendelft, Zaandammerpad, Westzaan (Zuideind), Zaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer, Krommenie. – Wanneer tegenwoordig ban als historische term gebezigd wordt, spreekt men meestal verkeerdelijk van banne, en gebruikt dit vrouwelijk; b.v. Schout en Schepenen der banne (i.p.v. van de banne) van Westzaanden. Deze vorm was echter reeds in de vorige eeuw gewoon. – Vgl. banscheid.
band, band, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. haringband, karband, kitband, kruiseband, kuipband, lasband, onderband, raband, reefband, roedband, schinkelband, sleedsband, slobband, spijkerband, stoelband, tonband, verrelsband, wiggebandje en zwindelband.
bandhaak, bandhaak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de kuiperij. Hetz. als blokhaak; zie aldaar.
bang, bang, (bijvoeglijk naamwoord), Verbonden met van. Angstig voor. || Ben-je bang van de hond? Ik zou schier bang van je worre, zo lelijk kijk-je. – Zegsw. zo bang als een wicht, zeer bang. || As ’et onweert is ze zo bang as ’en wicht.
bangschijter, bangschijter, (met klemtoon op bang), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bangerd, bloodaard. Ook wel bange schijter(d) || Wat ben jij ’en bange schijter. Ze hadden immers nog niet van de Boel estolen, wel waaren ze dan sukke bangschijters?, Schuytpraatje 8. – Ook in het Stad-Fri.
bank, bank, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook: Een egale donkere streep van wolken aan de horizon. || Er zit een bank in het Westen; het zal gaan regenen. Evenzo in het Fri., Gron., Eng. – In namen van stukken land betekent het woord een laag in de grond. || De Bankjes (weiland op de Koog). d’Riebancken (land te Krommenie, Noordend), Polderl. Krommenie, (a° 1665), f° 36. De Riedbanks-akker (idem, Zuidend), ald. f° 97. De bet. van het woord is hier een soortgelijke als in zandbank, Doggersbank, enz. – Vgl. de samenst. reedzettersbankje, strijkbank, verleesbank, zaagbank.
banken, banken, (zwak werkwoord, intransitief), Knikkers stelen. || Denk om die jongen; hij doet niks aârs as banken: hij zet zen bien op de knikkers en zoekt ze in ’et gniep op. – Soms ook hetz. als klauwen; zie klauwen.
bannen, bannen, (zwak werkwoord, intransitief), Opspelen, uitvaren, vloeken en razen. || Hij ken dan geweldig bannen. – Vgl. KIL., die bannen reeds in de zin van vloeken, tieren vermeldt. Vgl. uitbannen.
banscheid, banscheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De grensscheiding tussen twee bannen. Thans verouderd. || De banscheid tussen Assendelft en Krommenie. De sluys by de banscheyt, Polderl. Assend. I f° 315 v° (a° 1600). – Gewoonlyk vindt men banscheiding. Evenzo elders in N.-Holl.; vgl. b.v.Kaart v. d. Uytw. Sl. 12 en 16. – Zie scheid.
bar, bar, (bijvoeglijk naamwoord), Onvruchtbaar, dor. In namen van stukken land. || Barre weer (onder Assendelft, in Buitenhuizen, Polderl. Assend. I f° 2 r°, 15 r° (a° 1599). De barre vennen (zes aaneengedamde stukken land te Zaandijk).
barbiersjongen, barbiersjongen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Alle begin is moeielijk, zei de barbiersjongen, en hij zette de stok buiten. Het eerste werk van de jongen was ’s morgens bij het openen van de winkel de stok uit te zetten. De barbiersstok, vroeger het teken der barbiers, dat door hen ook werd adergelaten, wordt door HALBERTSMA 478 beschreven als een dunne stok, die met rode en witte spiralen was beschilderd. Met de hand van de arm, welke gelaten werd, hield de patiënt deze stok, die op de grond rustte, vast en draaide hem rond, opdat het bloed beter zou vloeien. Thans is de barbiersstok als uithangteken in Holl. en Friesl. in onbruik; in Schotland schijnt hij echter nog voor te komen.
barbiertje, barbiertje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In barbierswinkels en in de lommerd. Een plank, bij de buitendeur onder en boven met haken in de muur bevestigd, waartegen men de deur kan laten aanleunen als men de lucht wil verversen. synon. makelaartje.
barboks, barboks, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Barbier. || Ik gaan nê de barboks. – Ook elders bekend.
Barend, Barend, mansnaam. Vroeger meest in de vorm Baernt (b.v. Baernt Jansz., te Assendelft a° 1582) en Baert (b.v. Baert Baertsz., onder Westzaanden a° 1584). – Zegsw. (als iemand zich zeer onverschillig betoont) ’t Scheelt Barend ook niet; ’t kind is toch dood (Assendelft).
Bargweer, Bargweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land te Assendelft. Thans onbekend. Vgl. weer I. || Dat huys ende worff ... op barchweer geleegen, Hs. U. 19, f° 94 v° (a° 1580), prov. archief.
barkman, barkman, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een knikker die slecht gebakken is en dus moeilijk rolt, misbak. Thans weinig gebruikelijk. || Neem ’en aâre knikker: met die barkman ken-je niet goed skieten. – Ook te Buiksloot en Nieuwerdam nog bekend als naam voor een knikker met een vlak kantje. Evenzo bij de 17de-eeuwse Amsterdammers. || O bloet datsen vlacken barckman (dus daar is weggeschoten): die jongen die kan schieten, BREDERO, Spa. Brab. vs. 468. –Zie verder STOETT in Noord en Zuid 20, 234.
barnoeder, barnoeder, (barnoedǝr, met klemtoon op noe), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Valse knikker, vervaardigd van hardgebakken klei. || Je wille me ’en bernoeder in me hand stoppen, maar ik merk ’et wel. – Ook lange, zwart-blauwe korrels, die als onkruid in Deense garst voorkomen. || Wat zitten der ’en barnoeders in die garst.
barrel, barrel, (barrǝl), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iets, dat slecht is in zijn soort. Ook van een vrouw gezegd. Slet, slons, lel. || Zo’n barrel! || Wat ’en barrel van ’en stien, smijt die maar vort. – Van zaad, graan, enz. Afval, uitschot. || Doen die barrels maar door mekaar (werk die partijtjes uitschot maar dooreen). – Van een persoon. Doordraaier, verkwister, dronkaard. || Bemoei je niet met zo’n barrel. ’t Is ’en gemiene barrel. – Ook als scheldnaam onder jongens. || Lillike barrel. – In de Wormer zegt men barrel ook voor barmt van een koe. Misschien berust deze vorm op verwarring van beide woorden. Is deze bet. van barrel echter oud, dan zou het de oorspronkelijke kunnen zijn; vgl. Ned. hondsvot. Zie barmt. – Barrel voor iets ondeugdelijks is ook in Waterland gebruikelijk. Elders in N.-Holl. kent men het in de zin van ploert (Taalk. Magazijn 3, 510). – Zie barrelen en verbarrelen.
barrelen, barrelen, (zwak werkwoord, intransitief), In rijstpellerijen en pakhuizen. Barrels (partijtjes afval) door elkaar werken, opknappen. Zie barrel. || We hebben nou wel tijd om ers te barrelen. Ze hebben guster al ’ebarreld. Ook: doordraaien, pierewaaien. || Gemiene vent! hej-je weer twee dagen ’ebarreld?
barribaal, barribaal, bannibaal, (met hoofdtoon op baal), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die altijd op anderen scheldt, bullebak. || ’t Is ’en barribaal. Maak-je maar niet bang, ik ben niet zo’n bannibaal. – Evenzo elders in Holl. barriba(a)l. Het woord is wellicht oorspronkelijk een der benamingen van de duivel. Deze komt althans onder namen voor, die er in klank op gelijken, b.v. Barnebon in Zeeland en Barlebos in Gelderland in de 16de e., Mnl. Barlibaen, Barlebaen, Oeng. barlibak. Vgl. verder Mnl. Wdb. op barlebaen.
barst, barst, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie bart.
barst, bart, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Barst. Door uitval der s ontstaan uit barst, dat later weer in gebruik is gekomen en de gewone vorm is geworden. || Der is ’en bart in dat koppie. Die barten in ’t ijs ben lastig bij ’et schaatsenrijden. – Zegsw. Met een bart, met een vaart, plotseling; alleen van windsverandering gezegd. In deze uitdr. hoort men nimmer barst. || De wind schoot mit ’en bart na ’t Noordoosten. November 22 had(d)emen savons een sware storm, eerst de wint uyten Suyden en liep met een bart W.-Noord-West, en gesciede veel scade, Journ. Caeskoper, 22 Nov. 1686. – In de 17de e. gebruikte men ook met een barst. || De Stormwind quam met een barst haer schielijk en plotseling overvallen, SOETEBOOM, Ned. Schout. 113. Vgl. zegswijzen als de wind barst los. – Zie barsten en bartvol.
barsten, barsten, (sterk werkwoord, intransitief), borst, borsten, ’eborsten, Vroeger toen de s tussen r en t nog regelmatig werd uitgeworpen (zie de Klankleer) moet men gesproken hebben van barten (vgl. bart), doch deze vorm is weer door barsten vervangen. Nog steeds in gebruik is echter ’eborten naast ’eborsten. || Die schotel is ’eborten. Ik liet ’et vallen en toe is ’et eborten. – Te Zaandam wordt de vorm barten nog wel gehoord. || Je kenne van mijn porsie barten. – Zie een zegsw. op luis.
barstensvol, bartvol, (bijvoeglijk naamwoord), Ook bartbartvol en bart-en-bartvol. Alleen in verbinding met zijn. Tot barstens toe vol, propvol. || Het pakhuis is bartvolt. Hij kon temet niet door de mensen heenkommen op de Dam: ’t was er bart-en-bartvol. Ik zal die schoenen er maar niet in doen; de koffer is toch al bartvol. Je kon gien plaats meer krijgen in de kerk; ’t was alles bartbartvol. Men zegt ook: stikvol en bartvol. – Zie bart.
bast, bast, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – In de droogschuur van een papierfabriek. De balken, waartussen de lijnen worden geschoren, die dienen om het papier op te hangen. De droogschuur is overlangs door drie rijen stijlen in vakken verdeeld. Tussen deze stijlen liggen boven elkaar enige balken met gaten, de basten. De basten tussen de stijlen der middelste rij liggen vast en vormen de middel of het middenrif, waardoor de schuur in twee helften wordt verdeeld. De andere basten, ook wel kantbasten genoemd, zijn los en rusten op klampen in de stijlen. Door de gaten in de basten wordt een lijn van vijgetouw gestoken en, van de kantbast naar de middel en vandaar weer terug, zigzagsgewijze uitgespannen. Over deze lijnen wordt het papier te drogen gehangen, Vgl. Groot Volk. Moolenb. I, pl. 17. – Waarschijnlijk heeft men vroeger voor dit doel van boomschors (bast) gevlochten touwen gebruikt en deze later door balken met gaten vervangen, op welke oude benaming bast werd overgedragen. || Help ’et papier ers op de basten hangen. Heeft het (papier) de regte droogte, ... dan trekken oud’ en jongen het weder van de bast, Liedje op de papiermakerij (19de e.). 12 Vak van de Droogschuur van ’t Westen af te rekenen, met zijn Basten en Lijnen, Catal. afbraak papiermolen (W. Zaandam, begin 19de e.). Vgl. de samenst. bastjeshout, bastklamp en knoeibast, stinkbast.
bastaardstel, basterdstel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij vissers. Een stelfuik met wijde mazen. Vgl. stelfuik.
bastjeshout, bastjeshout, (bassieshout), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Ramenasbast, gedroogde schil van een ramenas. Als purgeermiddel in de apotheek verkrijgbaar. De naam wordt verklaard door de gelijkenis met de verdroogde schilletjes van een boomtak. – Synon. stinkbast. – In Utrecht kent men in dezelfde zin bassies.
bastklamp, bastklamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de droogschuur van een papierfabriek. Tegen de stijlen gespijkerde klampen, waarop de basten rusten. Zie bast. || 12 Bastklampen, Invent. papiermolen (Koog, a° 1793).
batnet, batnet, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Soort van visnet. Kruisnet, totebel, een aan twee gekruiste stokken hangend net, dat door middel van een staak neergelaten en opgehaald wordt. Het woord is weinig gebuikelijk, maar komt ook voor in Waterland. || (Wordt verboden), dat van nu Voortaan Niemand met eenige Scheer-netten als Baars-netten, Bly-netten, Plemp-netten nog Flouwen ofte Bat-netten in Waterland mogen Visschen, Keuren v. Waterl. 23 (einde 17de e.).
batonneren, batteneren, (zwak werkwoord, intransitief), Ruzie maken. Misschien voor batoneren. || Hij batteneert altijd.
batonneren, battenisten, (zwak werkwoord, intransitief), Twisten, ruzie maken (Zaandam). Synon. batteneren. || Wat leg jollie weer te battenisten!
bazelen, bazelen, bozzelen, bazzelen, (bázǝlǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Met blote voeten door het water lopen, tot de enkels door het water plassen, in greppels, verdronken land, enz. ’s Zomers een zeer algemeen jongensvermaak. || We hebben vanmiddag ors (heerlijk) ’ebazeld. Me moeder wil niet hebben, dat we bozzelen gane. Susanna, ’t schoonste Beelt, ... die wil ik eens ... in deeze Waterbaden zien baaslen in de stroom, en zo mijn lust verzaden, SLOOFF, Susanna 20. – Soms wordt bozzelen ook gebruikt voor met de handen in het water heen en weer gaan. || Je moete goed in zeepsop bozzelen, dat ze schuimt. – In W. Friesl. spreekt men van de aardappels ofbozzelen, ze in een emmer met water heen en weer stommelen, zodat het vuil er af gaat. – Vgl. verder bozzen en poezelen.
bebotten, bebotten, (zwak werkwoord, transitief), Beetnemen. || Je moete je niet door haar bebotten laten. (Tot een kaartspeler:) Ken-je ze nogal bebotten (kunt ge de anderen afzetten, wint ge)? - Het simplex botten, dat thans in onbruik is, betekende vals spelen. || Ik had mij leven niet elooft dat Floris so flensten en morsten met de kaart, en hy bot as de Droes, BREDERO, Spa. Brab. 2018. Het woord wordt in deze zin ook door KIL. opgegeven en komt reeds in het Mnl. voor; vgl. Mnl. Wdb. op botten.
bed, bed, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. Te bed kruipen, te bed gaan. || Ik voel me niet lekker, ik zel maar wet (wat) vroeg te bed kruipen. In ’t bed raken (van een vrouw gezegd), moeten bevallen. Evenzo op Marken: in bed moeten; zie Ned. Wdb. II, 1110. – Zegswijze ’t Is: Zoetelief, kom bij me te bed. ’t is erg aan tussen hen, ’t is koek en ei. – Daar zel je ook niet van te bed gaan, dat zal ook geen voordeel opleveren, dat zal niet de gewenste uitkomst hebben. – Vgl. nog een zegsw. op water, en zie de samenst. doodbed en bedsbordje, bedlaag, bedlaning, bedpan, bedsplank en bedsvak.
bedaren, bedaren, (zwak werkwoord), In de uitdr. bedaard zijn, beland zijn, gebleven zijn. || Me mes is weg; ik weet maar niet waar ’et bedaard is. Hij wou nooit deugen en is op ’et lest in Amerika bedaard. Waar was jij zo gauw bedaard? – Evenzo verderop in N.-Holl. (Taalgids, 4, 198), Friesl. (bidarje) en Gron.; zie de wdbb.
beddenbord, bedsbordje, (besbortjǝ), (zelfstandig naamwoord onzijdig), De plank in een bedstede aan het hoofdeinde, diende om de pot en andere benodigdheden op te zetten. Vgl. bord I || ’Et bedsbordje sting (stond) vol drankflessies. – Evenzo in Friesl.
beddenlaag, bedlaag, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Alleen in het meerv. De onderlagen van een bed of bedstede. || Leg de bedlagen recht, aârs val-je er vannacht nog doorhenen. – Vgl. HADR. JUNIUS, Nomencl. 182b: fulcrum, bedschragen, lagen van de bedstede, en KIL. laeghe van ’t bedde, fulcrum. In Friesl. spreekt men van bêdlegers. – In dezelfde zin ook bedlaning.
beddenlaning, bedlaning, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie bedlaag en laning.
beddenpan, bedpan, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Beddepan. – Zie zegsw. op sop.
beddenplank, bedsplank, (besplank), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Beddeplank, de plank aan de voorkant van een bedstede, die verhindert dat de slaper of zijn dekens uit de bedstede vallen. De bedsplank staat in een gleuf en kan weggenomen worden. – Zegsw. Hij is van de bedsplank, hij is op de dag af negen maanden na het huwelijk van zijn ouders geboren.
bedelaar, bedelaar, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een bedelaartje, overgebleven koffie, melk, suiker en kaneel dooreengekookt (Jisp). Elders heet deze drank een soldaatje. || Ik hou nog meer van ’en bedelaartje as van verse koffie. – Een bedelaar is iemand, die alles aanneemt, die met alles tevreden is. Vandaar ook de zegsw. een bedelaarsmaag hebben, alles lusten. || Je heb ’en makkelijke gast an me; ik heb ’en bedelaarsmaag. – Evenzo zegt men, dat iemand, wie alles goed staat, een bedelaarslijf heeft. || trijntje heb ’en bedelaarslijf, ze ken maar alles antrekken wat ze wil. || Te Krommenie heet koffie die met suiker en melk wordt opgewarmd eveneens bedelaarskoffie. Te Zaandijk zegt men: Lust je nog ’en bedelaarskoppie?
bederven, bederven, (sterk werkwoord), bedorf, bedorven en bedurven, zie de wdbb.
bedibberen, bedibberen, (zwak werkwoord, transitief), Bedisselen, in orde brengen, met de bijgedachte, dat dit bedrijvig geschiedt. Zie synon. op bekleuteren. || Der valt heel wat te bedibberen eer alles klaar is. – Zie bedibbering en vgl. debber. – In het Fri. is him bedibbertje: zich bedwingen, inhouden (HALBERTSMA 243). Wvla. dibberen is weifelen, onzeker zijn. Oost-Fri. dibberen beduidt druk praten. Vgl. DE JAGER, Freq. 2, 68.
bedibbering, bedibbering, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bedrijvigheid, drukte. Zie bedibberen. || Wat het ze ’en bedibbering.
bedienst, bedienst, (zelfstandig naamwoord), Alleen in de uitdr. in bedienste, ten dienste van wie er gebruik van wil maken. || Train, geef dat kraffie deres an, den (dan) zelle we ’t maar in een bierglaassie doen, in bedienste, Sch. t. W. 279.
bedoen, bedoen, (transitief werkwoord), Alleen in de inf. – 1) Afdoen, verrichten, met het bijdenkbeeld, dat het werk over de hand loopt. || Zo’n drok huishouden en dan alles alleen bedoen moeten, dat valt niet toe. – Meest in de uitdr. het niet bedoen kunnen, het werk niet af kunnen. || Gaan effen helpen in de winkel, anders ken vader ’et niet bedoen. Drie tegelijk, dat ken ik niet bedoen. 2) Hem bedoen kunnen, zich kunnen redden, voor zichzelf kunnen zorgen. B.v. te Zaandijk nog bekend. || Hij verdient wel niet veul, maar i ken ’em toch bedoen. || Soo heb ick vorgestelt, dat men de keinderen souden houwen ende daer vor opbrengen, kleden en reeden tot daer tiet (tot der tijd) toe, dat sy haer konnen bedoen, Hs. (Oostzaanden, a° 1673), prov. archief. 3) Iemand niet bedoen kunnen, iemand niet kunnen goeddoen, tevreden stellen. || Je ken jou toch ok nooit bedoen; je zegge dat je zoveul van gort houwe (houdt) en as ik ze geef, dan eet je der niet van.
bedoening, bedoening, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gedoe, moeilijk te verrichten werk, drukte. || Wel, wel, wat ’en bedoening, ’t werk loopt me over de hand. ’t Was een bedoening eer alles weêr schoon’emaakt en op stel (in orde) was. – Evenzo als iets onhandig wordt gedaan: Hè, wat ’en bedoening. – Ook: manier van doen. || ’t Is zo hullie (hun) bedoening, dat moet je maar niet kwalijk nemen. – In W.-Friesl. zegt men: Die man heeft een aardige bedoening (hij is een gezeten man). Dat is daar een mooie bedoening (’t is er een mooie boel, een warboel). – Vgl. bedoen.
bedoven, bedoven, (bǝdovǝ), Eigenlijk verl. deelw. van een verouderd werkwoord beduiven, indompelen, en dus betekenende ondergedompeld, bedolven onder, en bij uitbreiding middenin; het heeft aan de Zaan alleen de laatste bet. bewaard. Het schijnt echter merkwaardiger wijze niet van water te worden gebruikt, hoewel het oorspronkelijk juist daarvan gebezigd werd. || Hij gliste uit en viel bedoven in de modder. Grijp toch zo niet met je handen bedoven in ’et vuur (als iemand zijn vingers als tang gebruikt). Ik wier (werd) met ’en schrik wakker van ’et brandgeroep en toe keek ik bedoven in de vlam. – Het woord komt bij vroegere Holl. schrijvers dikwijls voor; zie Mnl. Wdb. en OUDEMANS. Dialectisch is het ook elders in gebruik; vgl. MOLEMA.
beduusd, beduusd, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Beteuterd, verbaasd, bedremmeld. || Ik ben der beduusd van. Wat staan-je beduusd te kijken? – Het woord is ook in Friesl., Oost-Friesl., Gelderl. e.e. bekend in de zin van verwonderd, bedwelmd, duizelig (Taal- en Letterbode 2, 71); Noord en Zuid 4, 266; Navorscher 39, 661, en 40, 239). Eigenlijk is beduusd het deelw. van beduzen, beduizen, bedwelmd, duizelig maken. Dusia, duizelen, vindt men in het Ofri. (RICHTHOFEN 696a). In Drente zegt men beduseld, beduusd, bedremmeld. Vgl. verder de aangehaalde plaatsen en DE JAGER, Freq. 1, 100.
bedvak, bedsvak, (besfak), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bedstede. || Heb-je ’t bedsvak goed uit’eschrobd? Thoen ik er bij kwam was de brand pas geblust, maar het was een akelige vertoning, het bedsvak was half verbrand, de vrou lag op de vloer dood, Journ. Jacob Honig, 24 febr. 1803.
beeld, beeld, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie een zegsw. op onnozel.
beelt, beelt, (of beeld?), (zelfstandig naamwoord mannelijk, onzijdig?), Aan een molen. Een vrij brede, enigszins gemodelleerde plank aan de voorzijde van de kap, aan weerskanten van het keuvelend. De beelt wordt vastgemaakt tegen de hoekstijlen van het keuvelend, die daarom beeltstijlen heten, en ligt aan de ene zijde tegen het riet, aan de andere kant naast de winddeuren. De beelt belet, dat de wind onder het riet kan komen. – De beide stukken, waaruit de beelt bestaat, heten ook beeltstukken. Daar de beelt nooit met beelden versierd is geworden, is het niet duidelijk hoe deze benaming in verband kan staan met Ned. beeld, waarvan het bovendien in geslacht verschilt. Misschien is beelt dus ontstaan uit een vroeger belt, dat in verwante talen voorkomt in de zin van gordel, omgevende band, Noord-Fri. bealt, belt, onzijdig Ags. belt, mannelijk, Ono. belti, onzijdig, Lat. balteum. Vgl. de Grote en Kleine Belt in Denemarken. Beelt zou dan betekenen de omringende planken.
beeltstijl, beeltstijl, (beelstail), (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een molen Benaming der beide uiterste stijlen van het keuvelend. Zie beelt.
beeltstuk, beeltstuk, (beelstuk), (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie beelt.
Beemster, Beemster, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Als naam van verschillende stukken land. || De Beemster (te Oostzaan, bewesten de weg). De halve Beemster (onder Wormer, 18de e.). – In hoeverre deze benamingen samenhangen met de drooggemaakte Beemster is niet bekend. Deze wordt ook wel de Biemster genoemd, welke vorm men reeds vindt in de 17de e. || Een ven groot ontrent twee maden leggende aen den biemsterdijck, Hs. T. 242, f° 27 ro (a° 1613), prov. archief. – De vorm Biemster is vreemd, daar de oudste gedaanten, waarin de naam voorkomt, zijn Bamestra, Oorkb. I no 66 (10de e), en n° 89 (a° 1083), en Bemestre, ald no 108 (begin 12de e.).
been, been, bien, (zelfstandig naamwoord onzijdig), 1) Het lichaamsdeel. Zegsw. Het wild zit (haar) in de bienen, (zij) wil telkens uit, is telkens van huis. Vgl. in de 17de e.: op ’t wilt slaen (HOOFT, Warenar 265), op ’t wilt raken (BREDERO; zie OUDEMANS, Wdb. op Bredero 487). – Over bientje rijden, beentje-over rijden (op schaatsen). – Bientje-strengel doen, Jongensspel, elkaar trachten beentje te lichten. – Zie andere zegsw. op hoofd, water, zoetjes. 2) Voet. – Evenzo elders in Holl. in Westl. Utrecht en in het Stad-Fri. || Trap me niet op me bienen. Ik heb zukke kouwe bienen. – Zegsw. (van een molen, die zonder zeilen gaat:) Hij loopt op (of met) bloote bienen. Zijn ook de borden er af, dan loopt hij op bloote bienen met de nagels van zijn tonen. – Op bloote bienen, ook als term bij het pandoeren. || “Ik speul der honderd.” “Met hoeveul roem?” “Honderd op blote bienen (d.i. zonder roem).” – Zie nog een zegsw. op droog en stijf en vgl. de samenst. jodebeentje en weversbeen. 3) Als naam van stukken land, die aan de ene zijde in twee of meer evenwijdige tongen (benen) uitlopen en vandaar tweebeen, driebeen of vierbeen worden geheten; zie die woorden. || Kees Aelberden bientgen, Piet Joosten bientgens, Maatb. Assend. (a° 1634). Het scherpe been (te Jisp). – Zie de samenst. benehok, krakelbeen, mikbeen, nekbeen, en vgl. ontkrombienen.
beenderhok, benehok, (bienǝhok), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Beenderhok, knekelhuis.
beenderman, beenderman, (beendǝrman), (zelfstandig naamwoord mannelijk), De dood. || De beenderman heb ’em ’ehaald.
beendert, beendert, (zelfstandig naamwoord), Een bepaald soort van appel. Thans onbekend. Waarschijnlijk is dezelfde appelsoort bedoeld, die bij KNOOP, Beschr. v. Appelen en Peren, 29 “Binderzoet” wordt genoemd en elders ook “zoete holaart” heet. || Octo(ber) 5, koght ap(p)ele; tvatie beend(e)rt voor 2½ st., geel rib(b)eling voor 3½ st., Journ. Caeskoper, 5 Oct. 1722.
beenophipper, beenophipper, (bienòphippǝr), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Kale pronker, half-blanksheer. || Denk-je dat ik me dat van zo’n bienophipper zeggen laat? – Beenophipper is letterlijk iemand, die zijn benen (voeten) ophipt d.i. trippelt, danspasjes maakt, en dus een minachtende benaming voor iemand, die zwierig loopt en naar de mode gekleed is, maar geen geld bezit.
beentje-haal, beentje-haal, (zelfstandig naamwoord), In de uitdr. beentje-haal doen. Zeker kunstje bij het tollen. De tol onder het been door achteruit halen. Vgl.handje-haal.
beentje-strengel doen, beentje-strengel doen, zie been.
beest, beest, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie zegsw. op looi en vgl. knoeibeest en biestkamp.
beet, bet, (bijwoord), vgl. meugebet.
beet, beet, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Grafkuil, graf. Thans verouderd. || 25 Ditto is begraven de wedu van (mijn broer) G(e)rrit int beet van mijn vrou, Journ. Caeskoper, 25 Febr. 1681. – Beet (van bijten, kloven) moet vroeger in N.-Holl. ook voor andere in de grond gegraven kuilen in gebruik zijn geweest. || (De dijkwerkers van de Zijpe klagen:) Pover, pover (armoede), hoe hebstu ons ghebeten / Luysich en nat cruypen wy in die beten, / In arme hutkens moeten wy slapen, VALCOOGH, Chron. v. de Sype 101.
beet, beet, In zegsw. De kabel loopt te beet, de kabel loopt onklaar. Een schip dat vastgemeerd ligt, viert bij stormweer de kabel op, omdat die anders gevaar loopt te breken; loopt hij nu onklaar, dan zegt men de kabel loopt te beet. – Overdr. ook van allerlei zaken die verkeerd aflopen. || Pas maar op, eindelijk zel de kabel te beet lopen (eindelijk zal de bom barsten).
beetje, beetje, bietje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. Ook als naam van kleine stukken land. || ’tBeetgen, Stoelb. Assend. f° 21 v°; tgroot affgebreecken beetgen, tcleynste affgebreecken beetgen, Polderl. Assend. I f° 34 r° (a° 1599); vgl. ald. f° 33 r°: daff-gebreecken lantgen aende Braeck. – Zie bit.
befje, befje, (beffie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – Ook schertsend voor halfhemd. || Weet je ook weer (waar) of me beffie is?
befnadderen, befnadderen, (zwak werkwoord, transitief), Met de vingers vuil of kleverig maken, bevingeren. Zie fnadderen. || Jongen, zit die gladde tafel (de ramen enz.) niet zo te befnadderen.
begaan, begaan, (sterk werkwoord), Zie de wdbb. – Om iets begaan zijn, er behoefte aan hebben, er om verlegen zijn. || Ik ben om ’en mes begaan; ken-jij er me soms an helpen? Zo’n haast heb ’et niet: ik ben er niet om begaan (ben er niet dadelijk om verlegen). Dat ding ken-je wel houwe van mijn part; ik ben er niks om begaan. – De uitdr. is bij de 17de-eeuwse schrijvers zeer gebruikelijk, doch is thans in de algem. taal verouderd; zie Ned. Wdb. II, 1360.
begaffelen, begoffelen, (bǝgòffǝlǝ), (zwak werkwoord, transitief), Beetnemen, bedotten. || Ze zellen er mijn niet licht mee begoffelen, daarvoor kennen ze me te goed. ’t Is ’en stiekemerd; pas maar op, dat hij je niet begoffelt. – Fri. biguffeltje, uitlachen, bespotten (HALBERTSMA 269). Vgl. Oost-Fri. guffel, N.-Holl. goffeldoffel, sul, Beiers goff, domkop, enz. Zie verder op goffen.
begaffelen, begabberen, (zwak werkwoord, transitief), Begaffelen, iets handig en snel gedaan weten te krijgen. || As-i ’et maar half weet te begabberen, loopt-i weg.
begijn, begijn, bagijn, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast bagijn. – Ook als naam ven een bepaald soort van koe. Vgl. BERHHEY, Nat. Hist. 42, 216: Bagijnekap is er ook; dit zijn gemeenlijk kleine Koetjes, wier horenen niet uitgewassen zijn, en de kruin zwart hebben, zoo dat deze zich als een zwarte Bagijne tipkap vertoond, en even of zij een ouderwetse Bagijnehuik dragen. || Ik heb de bagijn verkocht. Een roo bagijn, Custb. (a° 1746).
begin, begin, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie zegsw. op barbiersjongen.
begist, begist, (bijvoeglijk naamwoord), Opgewonden van toorn. Synon. gisterig. Beide afgeleid van het zelfstandig naamwoord gist. || Het is om je begist te maken. Altijd dat tegenspreken, je zou er begist van worden. – Te Krommenie in de zin van belust, in de uitdr. begist maken. || (Iemand vertelt een kind van allerlei lekkers, tot moeder zegt:) Toe, schei nou uit; je zitte ’et kind zo begist te maken, en ze ken er toch niks van krijgen. – Zo ook: een begistmakertje voor een proefje van iets, dat de begeerte naar meer opwekt. || We kregen ’en klein stukkie zalm voorof: ’en begistmakertje; ik eet liever me genoegen an vis en dan niks meer.
beglooien, beglouwen, (zwak werkwoord, transitief), Begluren. Zie glouwen. || As ze de gordijntjes wegschuiven, kennen ze je net beglouwen.
begrafenis, begroef, (zelfstandig naamwoord), In de uitdr. te begroef gaan, te begraven gaan. Weinig gebruikelijk. || Ik gaan morgen te begroef. We hebben te begroef ’eweest. Vgl. Ned. te begroef gaan (Ned. Wdb. V. 795).
begrieken, begrieken, (zwak werkwoord, transitief), Land, dat van de griek beroofd is, weer met gras doen begroeien, het met zoden bekleden of met graszaad bezaaien (Wormer en Jisp). Zie griek. || De eenden hebben ’et land rauw ’emaakt; we moeten ’t weer begrieken. – Evenzo aan de Geestkant en in Waterland.
begrieten, begrieten, (zwak werkwoord, transitief), hetz. als begrieken. Zie gried.
begrijpen, begrijpen, (bǝgraipǝ), (sterk werkwoord), Zegsw. Zo, begrijp-ie ’t ook?, als betuiging van instemming met de wijze, waarop iemand antwoordt op het door spreker gezegde. || “’t Is slecht weer voor de boeren?” “Ja, ’t hooi verregent allegaar.” “Zo, begrijp-ie ’t ok?” – Ergens mee begrepen zijn, er verlegen onder zijn, gevoelen dat iets niet naar behoren is, spijt hebben dat men iets verkeerds heeft gedaan. || Ik ben er erg mee begrepen, dat ’et stukkend is, maar ik kon ’et echt (heus) niet helpen. Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 105); VAN DALE geeft als gewestelijk op in dezelfde zin zich ergens in begrijpen.
begrotelijk, begrotelijk, (bijvoeglijk naamwoord), Spijtig, verdriet veroorzakende, nooslijk. || ’t Is begrotelijk geld van zo’n gebroken ruit (geld, dat men met tegenzin betaalt, omdat men er eigenlijk niet bij vooruitgaat). ’t Is zo begrotelijk, as je zoveul zieke aardappels weg doen moete. – Evenzo elders in Holl. en in ’t Stad-Fri.; Fri begreatllik.
begroten, begroten, (onpersoonlijk zwak werkwoord), Spijten, leed doen, aan het hart gaan. || Dat ik ’et weggedaan heb begroot me nog. Het begroot me zo van die arme vrouw, die met zoveul kleine kinderen zitten blijft. Het ken-je begroten, dat er in de keuken zoveel ’ebroken wordt. – Evenzo elders in Holl., alsook in het Stad-Fri., Gron. en Oost-Fri.; Fri bigreatsje. Zie de wdbb.
behang, behang, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Behangsel. || Het behang is ’escheurd. We moeten ’en nieuw behang uitzoeken.
behappen, behappen, (zwak werkwoord, transitief), Alleen in de uitdr. iets (niet) kunnen behappen, iets (niet) kunnen afhappen. || Ik heb zo’n dik stuk koek, dat ik ’et temet niet behappen ken (bijna kan mijn mond niet ver genoeg open, om het naar binnen te krijgen). Je hoeve zo wijd niet te gapen, je kenne ’et toch wel behappen. – Overdr. betekent dat kan ik niet behappen: dat gaat boven mijn kracht, dat is mij te kostbaar. – Evenzo in het Stad-Fri.
beide, beide, (onbepaald telwoord), Van beids wat (uitspr. van bais wet); vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 142. || Wat wil-je hebben, koek of alderhand? – Nou, liefst van beids wat.
beidegaar, beidegaar, (baiǝgaar), (onbepaald telwoord), Allebei, beide te zamen. Ook beitegaar, d.i. beî te gader. || Ik heb ze beiegaar ’esproken. – Evenzo elders in N.-Holl. en in het Stad-Fri. Zie ook Mnl. Wdb op beidegader.
beidemaal, beidemaal, (beiǝmaal), (onbepaald telwoord), Allebei (Assendelft). Synon. beidegaar. || Ze benne beiemaal an ’t werk.
Beier, Beier, (zelfstandig naamwoord), Naam van een paar stukken land te Wormerveer; in 1792 verdolven en thans onbekend. || Noch 2 beyer strepen, Polderl. Westz. II (a° 1629, die beyeren, ald. III f°60 v° (a° 1644). de twee beyeren, ald. V f° 509 (18de e.).
beitel, beitel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. kopbeitel, losbeitel, slagbeitel.
bek, bek, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – In een pelmolen. Naam der uitstekende punten van de rijn (molenijzer), waarmee deze in de molensteen sluit. Een rijn heeft vier bekken; vgl. rijn. – Zie ook koebek, kraaiebek, leeuwebek, muggebekken, bebekt en bekkig.
bekenen, biekeren, (zwak werkwoord, intransitief), Riet en ruigte branden. Thans onbekend; zie op bekenen.
bekenen, bekenen, (bêkǝnǝ), (zwak werkwoord), Vuren branden op bepaalde tijden van het jaar (St. Matthijs, Pasen, St. Jan, St. Maarten, enz.), hout, oude manden, stro, enz. op een hoop gooien en in brand steken. ǁ We hebben guster ’ebêkend en toe heb ik me hand ’ebrand. Niemant sal vermogen te bekenen of branden met riet, houdt, teertonnen, of iet anders op de ... boeten van 42 stuyvers, Hs. keur v. Westzaanden (vernieuwd a° 1711), archief v. Wormerveer. Er sal niemant, Jonck noch Oudt, by dagen noch by nachten, noch in de avont-stont lopen beckenen, elcken reys opte boeten van 42 schellingen, die Ouders voor de Kinderen, ende Meesters voor haer Jongens (Oostzaanden, a° 1644), LAMS 721. – Tot in de vorige eeuw was het woord aan de Zaan algemeen; thans kent men het nog te Krommenie en te Assendelft, doch alleen in dit laatste dorp is het nog in volle gebruik. Het leeft verder nog in het Nrdl. deel van N.-Holl. (Akersloot, Heiloo, Bergen, enz.), waar het vuur zelf onder de naam van bêken bekend is. Te Heiloo is het woord verbasterd tot bêkemen. Zie Tijdschr. 13, 233 vlg. – Naast bêkenen vindt men in Assendelver keuren ook bakenen. || Schout en Schepenen ... hebben gekeurt ende geordonneert mitsdesen, dat hem niemant van nu voorts aen en onderwinde te baeckenen met eenighe materialen, telckens opte verbeurte van twintigh schellingen, Hs. keur (a° 1630), archief v. Assendelft. – Het werkwoord is afgeleid van bêken, een bijvorm van baken, seinvuur. Beide vormen komen naast elkaar reeds in het Ofri. voor (zie Tijdschr, 13, 214). Op het Noord-Fri. eiland Sylt spreekt men van bîken. – Bêken branden werd wegens het brandgevaar reeds in de Middeleeuwen verboden. || Item nyemant en moet beken barnen binnen der vrijhede .., noch en ghien poirter en moet beken barnen up eenre mile na der stede (keur v. Amsterdam), N. Bijdr. v. Rechtsgel. en Wetg. N.R. 5, 40. Oeck so moet men gheen bakenen barnen, op vijff scelling (keur v. Grootebroek, 15de e.), Wfri. Stadr. 2, 267. – In Hs. Kool wordt vermeld biekeren, riet en ruigte, welke door het water aangespoeld is, verbranden. Dit woord schijnt thans onbekend te zijn. Andere woorden voor het verbranden van hopen stro en hout zijn blakeren en lochteren, zie aldaar, en vgl. fik en blufter.
bekennen, bekennen, (zwak werkwoord, transitief), Herkennen, onderscheiden. || Er komt in de verte iemand an, maar ik ken ’em nog niet bekennen. Ik ken nog niet bekennen wie ’et is. – Der is nergens ’en mens te bekennen (wijd en zijd is niemand te zien). Er is geen wolkie an de lucht te bekennen. – Gewestelijk is het woord ook elders in gebruik.
beker, beker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. stofbeker.
bekeuren, bekeuren, (zwak werkwoord, transitief), Steentje-(straatje-)bekeur, kinderspel, waarbij het verboden is over rode steen te lopen. Vaak gespeeld onder het uit school naar huis gaan. Over de rode stenen moet men hinkelen; wie er met beide voeten op komt mag door de man worden bekeurd en moet dan deze vervangen.
bekken, bekken, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Meest in de verkl. bekkentje. Zie de wdbb. Lage bak of schotel; keukengerei. || Een ijzeren pan en een stenen bekken. Doen de sla op ’en bekkentje. Kook de lappies maar in ’et tinnen bekkentje. – In een oliemolen: de onder het blok geplaatste tinnen schotel, waarin de uitgeperste olie wordt opgevangen; zie Groot Volk. Moolenb. III. pl. 3.
bekkig, bekkig, (bijvoeglijk naamwoord), Brutaal, gauw van zich afbijtende, || Dat wijf is bekkig. – Schertsend, met volketymologie, voor mondig, meerderjarig. || Ik ben nou bekkig.
bekleuteren, bekleuteren, (zwak werkwoord, transitief), Bedisselen, in orde brengen. Zie kleuteren. || Laat hem dat zelf maar bekleuteren. Heb ik dat zaakje nou niet netjes bekleuterd? – Evenzo elders in Holl. – Soortgelijke betekenis hebben bedibberen, bestunneken, bestuntelen.
beknijpen, beknippen, (zwak werkwoord, transitief), Beknijpen, beknellen. || Ik heb me vinger toch zo beknipt tussen de deur! – Zo ook elders in N.-Holl. In de 17de eeuw vindt men het o.a. bij HOOFT, b.v. Ned. Hist. 218: Zulx Landslot van Brederoode ... bijna van ’t grondys beknipt werd. Zie Uitl. Wdb. op Hooft op beknippen.
beknuffeld, beknuffeld, beknoffeld, (bijvoeglijk naamwoord), Knuffelig, onbruikbaar door de koude, verkleumd. Alleen van handen en vingers. || Me handen ben beknuffeld, ik ken haast geen doek vasthouwen. Ik heb toch zukke beknoffelde vingers. – Vgl. knuffel.
bekomen, bekomen, (bǝkòmmǝ), (onregelmatig sterk werkwoord), Te bekomen zijn, te bereiken zijn. || Ze is toch zeker na haar huis ’ebrocht? – Zo’n ziek mens? – Nou, maar, al ben-je ziek, dan is Sendam (Zaandam) toch altijd nog wel te bekommen.
bekringeld, bekrengeld, (bijvoeglijk naamwoord), Benauwd, gedrongen. Synon. bekrongen (zie bekringen). || Wat zit je hier bekrengeld.
bekringen, bekringen, (sterk werkwoord, transitief), Alleen in het verl. deelw. bekrongen, benauwd, beklemd, gedrongen. Zie kringen. || Tussen die twee balken zit je zo bekrongen; gaan wat zijd-an, daar is ’et ruimer. ’t Is erg bekrongen mit zijn tweeën in zo’n nauw bed. – Ook in het Ofri. (RICHTHOFEN).
bekuipen, bekuipen, (bǝkoipǝ), (zwak werkwoord, transitief), Thans alleen in het verl. deelw. bekuipt. Beklemd, bekneld. Weinig gebruikelijk. || (Tot iemand, die de mast op zijn been krijgt:) Baas, nou ben-je bekuipt. 19 Ditto is Cornelis Marte Jansz. van een moolewiel bekuipt, dat hijt enighe uren daer naer is bestorven. Journ. Caeskoper, 19 Febr. 1677. (Sy) seylde tegen malckander an ..., dat de mast en het geheele seyltuygh agterover viel, en vader, sittende regt voor de mast, wier sijn hooft tusse de mast en de balck van het keeringhluyck sodanigh bekuip(t), dat onligtbaer was, Hs. (18de e., doch feit geschiedde a° 1664), Zaanl.Oudhk. – Vroeger in het algemeen beet krijgen, in het nauw brengen, benarren. || Ten sy datse sus anders den Vorst niet hadde konnen bekuypen, achtende dese voorbaet evenwel voor die reys goet te zijn, SOETEBOOM, Ned. Schout. 580. – Vgl. Ned. bekuipen, inkuipen, in een vat kuipen, en door list (kuiperij) zoeken te verkrijgen. Mnl. becupen, misleiden, in de val lokken. Vgl. verder over dit woord Taalk. Bijdragen 1, 18, en Mnl. Wdb. op becupe en cupe.
bel, bel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Steeds in het meerv. bellen. De ingewanden van haring. || De haring van de bellen zuiveren. – Evenzo elders in N.-Holl. || Oock sullen (de haringpackers) gehouden zijn elcke laegh wel te suyveren, de bellen uyt te halen, de Haringh wel te koonen ende spoelen, ... ende zoo stijf te leggen in ’t lijf, dat yder tonne niet meerder als tweemaal behoeft gesprongen te werden, Handv. v. Ench. 228a; ook 230a. – In de algemene taal kent men bellen in de zin van neerhangende lappen, flarden, b.v.: de bellen hangen bij je rok neer. Zie de wdbb. – Ook in de zin van een groot glas. || ’t is ’en hele bel. Wat ’en bellen, moeten we daaruit drinken? Evenzo in Friesl.
belemmeren, belemmeren, (zwak werkwoord, transitief), Zie de wdbb. – Het verl. deelw. belemmerd wordt gebruikt om aan te duiden, dat water met een dun vlies van ijs is bedekt. || Kijk, de sloot leit belemmerd. Het vriest, want de plassen bennen belemmerd.
belijd, belijd, belij, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Alleen in de uitdr. belijd hebben bij, hinder hebben van. || Zolang ik er zelf geen belijd bij heb, mag-je mijn mes wel gebruiken. Ze heb nou al veertien dagen belijd bij de koorts. Ik heb toch zoveul belijd bij kouwe voeten. – In dezelfde zin heeft men in het Fri. bilij (HALBERTSMA 289) en daarnaast een werkwoord bilye, door eigen of anderer schuld lijden. In Waterland is belijd (blijd) hebben, meer bijzonder aandrang voelen tot ontlasting (BOUMAN 12).
beloken, beloken, (bijvoeglijk naamwoord), Eigenlijk verl. deelw. van het verouderde beluiken. Zie de wdbb. – Ook van de lucht. Betrokken, met wolken bedekt. || ’t Is beloken lucht. – In het Fri. zegt men nog: Di loft belukt, de lucht betrekt (HALBERTSMA 298). – Vgl. Rein I, 2269: “Tusscen Hijfte ende Ghent hilden si haer parlement in ene belokenre (donkere) nacht.”
beloop, beloop, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij de zeildoekweverij. Zeker stevig soort touw, dat om de gereed zijnde rollen doek wordt gebonden. || Gaan dat beloop effen opkloenen. Is ’et beloop al om de rollen ’edaan? – Beloop komt van belopen in de zin van omgeven, omringen, vgl. Mnl. Wdb. I, 866, op belopen 4°.
Belsche, Belsche, Naam van een stuk land te O. Zaandam. Thans onbekend. || In Jan Heynenweer: belsche, 200 (roeden), Polderl. Oostz. I (midden 17de e.).
belt, belt, (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)), Hoop; van as, mest, enz., in tegenstelling met schelven, die uit hooi bestaan. Zie de wdbb. || Gooi ’et maar op de belt. En sal niemant Oelten (l. Belten) maken van scharn (mest) opten Hogen-dijck, LAMS 723 (17de e.). – Vroeger ook als plaatsbenaming; wellicht in de zin van heuvel. || De Belt (stuk land in de Oosterwillis onder Westzaan, a° 1776). De Belt (idem te Krommenie in het Noordend), Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 29. Item een viertel op dien belt (te Assendelft, 13de e.), Hs. v. Egmond, f° 11 v°. Evenzo elders in N.-Holl., b.v.: Item twee want (landmaat) tjeghes den belt .. Claes Cuper, van den belt XXXV sc(ellingen), ald. f° 104 r° (Heiloo a° 1378). – Vgl. HALBERTSMA 550, vlg. op bult.
belten, belten, (zwak werkwoord, intransitief), Belten maken. Zie belt. || En sal niemandt schelven ofte belten op den Dijck, of hy sal ruymte laten acht voeten of meer (keur v. Oostzaanden, midden 17de e.).
bemerken, bemiereken, (bǝmierǝkǝ), (transitief werkwoord), Alleen in de uitdr. iets niet bemiereken kunnen, met mierken (inspannend turen) niet gedaan kunnen krijgen. Zie miereken. || Ik ken ’et niet meer bemiereken: ’t is zo donker, dat je die kleine steken niet meer zien kenne.
ben, ben, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. vuurben, larieben.
bendel, bindel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), soms onzijdig Het touw met ijzeren haak, waarmee de hooischuit wordt gemend (Assendelft). Aan de schuit is een strop, waaraan de bindel wordt vastgemaakt. Vgl. mennen 2. – In de zin van touw om iets vast te binden ook in Waterland. || Een yegelyk zal gehouden wezen (Eyndvogelen) binnen de Dorpen daar men is Sayende den oogst lang geduerende aan de Bendel in eenig hoek te houden, Keuren v. Waterl. 27 (a° 1637).
bengel, bongel, (bòngəl), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Paal tot afsluiting of afscheiding, in verschillende toepassingen. Synon. is bommel (uitspr. bòmməl). – 1) Een lange, dunne paal, die dwars langs het sluithek van een weiland wordt gehangen om dit te versterken. Aan weerskanten wordt een bongel opgehangen. || Doen de bongels voor ’et hek, aȃrs ragt ’et vee ’et heelemaal stukkend. 2) De ronde of vierkante sluitboom, die tussen een paar klampen dwars achter een deur wordt gelegd om deze te sluiten. || De schuur is toe, ’k heb de bongel voor de deur ’edaan. De bommel is er op. 3) In een paardenstal. De dunne paal, die tot afscheiding dient van twee naast elkander staande paarden. – Bongel (in de Beemster bungel; BOUMAN 83) is een bijvorm van bengel, dat door KIL. o.a. in de zin van paal wordt vermeld. In het Fri. wordt de kluister, waardoor een paard het galopperen in de weide wordt belet, en die in een paal aan een ketting bestaat, bongel genoemd (HALBERTSMA 340 en 454). – Of bommel een bijvorm van bongel is, of een heel ander woord, valt niet met zekerheid uit te maken. Ook bommelen komt echter voor in de zin van bengelen, bungelen, hangend heen en weer slingeren (Ned. Wdb. III, 335).
benist, benist, (zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord), Met wisseling van b en m in de toonloze lettergreep voor Menist, Doopsgezind(e). || Hij is benist. De beniste vermaning (kerk). – Vroeger ook banist, b.v. Journ. Caeskoper, 16 mei 1690. Benist is in N.-Holl. onder het volk de gewone vorm van het woord. Vgl. ook OUDEMANS, Wdb. op Bredero 28.
bent, bent, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Borstelgras, een taaie dunne grassoort, die de koeien niet gaarne eten. Lat. Nardus stricta (OUDEMANS, Flora 3, 298; VAN HALL, Landh. Flora 250). – Ook in de naam van een stuk land te Assendelft. || De bentacker, Maatb. Assend. (a° 1635). Elders dragen andere soorten van gras de naam van bent, bentgras; vgl. OUDEMANS, t.a.p. 257, 274, en BERKHEY, Nat. Hist. 9, 84 en 127. Te Wormerveer is bent de naam der Deschampsia caespitosa; zie synon. op hengstebos. – Evenzo bij Amsterdam. 2) Zelfstandig naamwoord mannelijk Een der drie soorten van hennep: de onzijdige. Daarnaast ook benthennep. – Vgl. verder hennep.
Bentakker, Bentakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie bent.
bentel, bentel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de uitdr. aan de bentel zijn, de buurt op zijn, langs de straat slenteren, in ongunstige zin (de Wormer). Zie bentelen. || Trijn is weer eens an de bentel.
bentelen, bentelen, (zwak werkwoord, intransitief), Langs de straat slenteren; veelal in ongunstige zin (de Wormer). || Je ken wel zien, dat ’et mooi weer is, er wordt je me wat ’ebenteld. Een fatsoenlijke meid loopt niet zo’n hele avond langes de straat te bentelen. – Ook in Waterland (BOUMAN 8). In het Ndd. is bentern gebruikelijk voor onrustig heen en weer lopen van kinderen. Zie DE JAGER, Freq. 1, 19. – Vgl. bentel, bentelgat, bentelkonten en gebentel.
bentelgat, bentelgat, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een vrouw, die veel bentelt (de Wormer). || ’t Is ’en bentelgat. Ik wil niet omgaan mit zo’n bentelgat.
bentelkonten, bentelkonten, (zwak werkwoord, intransitief), Hetzelfde als bentelen (de Wormer). || Ze mag graag zo zondags lopen bentelkonten.
benzen, benselen, (zwak werkwoord, transitief), Met bensel omwoelen. Thans zelden gebruikt. || Dat keertouw moet nog ’ebenseld worden. – Elders ook beinselen. || Vastgenaaid in ’t midden van de lengte (een touw) in een gebeinseld oog, Selsame Walvisv. 33; vgl. 29.
beppe, beppe, beppie, (zelfstandig naamwoord), zie bebbe.
beppe, bebbe, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Grootvader. Ook in verkl. bebbie (Assendelft). || Me bebbe is dood. Ik gaan nog ers na me bebbie. – Te Zaandam hoort men soms nog beppe voor een oud man; evenzo op de Koog bep. || De ouwe bep (bijnaam van zeker persoon). – In verkl. beppie; ook in de zegsw. ’t is een onverschillig beppie, een onverschillig iemand. – Een raar ootje, van ootje, grootmoeder. || Ik heb zijn vrouw ’ezien, maar dat’s me ok ’en raar beppie. – Hogerop in N.-Holl. is het woord in gebruik in de vorm bep, bup, in de Beemster zegt men bappe, babbe, bab (BOUMAN 6). In Friesl. is beppe grootmoeder. – Beppie wordt te Zaandam ook gebruikt voor jongetje. || Zeg, beppie, wou je mit me vechten?
beraken, beraken, (zwak werkwoord, transitief), Alleen in de inf. Bereiken. || Ik ken ’et flessie niet beraken; ’t staat te hoog. Het is er zo laag: as je op je tonen staan gane, ken-je de zolder raken. ’t Is toch zo gemakkelijk zo’n klein kamertje (b.v. in een schip), je hoeve (behoeft) nooit op te staan, want je ken zittende alles beraken (overal bij). – Evenzo in het Stad-Fri.
beredden, beredden, (zwak werkwoord, transitief), Alleen in de uitdr. ’t is bered, ’t is beredderd, ’t is klaar, het werk is gedaan. || ’t Werk is al bered. – Evenzo in Gron. (MOLEMA). In het Fri. en Stad-Fri. berêdden.
bereddering, bereddering, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook: drukte. || Wat het die meid ’en bereddering op ’er lijf. – Zo iemand noemt men ook wel een ootje bereddering; zie ootje II.
beren, beren, (bérǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Schreeuwen, aangaan. Meest in verbinding met schreeuwen. – Soms ook luid schelden (de Wormer). || Lieve hemel! wat beert die op der kinderen. – Het woord is ook elders (Holl., Friesl., Gron., enz.) bekend; zie de wdbb.
berentand, beretand, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Op een Binnenvaartuig. In het meerv. beretanden. Twee rechtopstaande, boven het scheepsboord uitstekende balkjes nabij de voorsteven, aan weerskanten van de kluizen.
berenvet, berevet, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Minachtende benaming voor buitenlands, gesmolten varkensvet. || Een potje met berevet. Smeer je laarzen met berevet in, aârs worden ze hard.
berg, berg, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. barg.
berg, barg, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hooiberg, hooihuis, de beschutte bergplaats voor het hooi, in tegenstelling met de onoverdekte klampen (schelven). – Heeft de barg een beweegbaar dak, dat langs roeden (stijlen) op en neer bewogen wordt, dan spreekt men van een roedenbarg, en in de Wormer van een vijzelberg (nooit barg), naar de vijzel waarmede het dak opgewonden wordt. Ook de naam kapberg is in gebruik. Deze bargen zijn echter in N.-Holl. zeldzaam. || ’t Is ’en best hooijaar, behalve de barg hebben we nog drie klampen. De barg begint te broeien – Het woord is ook elders in Holl. gewoon; zie BERKHEY, Nat. Hist. 9, 217 vlgg. Het komt ook reeds voor in het Mnl. en Mnd.; vgl. o.a. Mnl Wdb. op berch (barch).
bergroede, bargroed, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De stijlen of staanders, waarlangs het dak van een roedebarg op en neer geschoven kan worden. Zie barg. – Evenzo elders in Holl. Het woord komt reeds in de Middeleeuwen voor. || Item 6 barchroeden ende 6 laen, 6 pnd, Rek. d. Graf. v. Holl. 2, 556 (Egmond, a° 1355). – Vgl. roed.
berk, berk, bark, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere boom. Het woord werd vroeger als bark uitgesproken, blijkens het meermalen voorkomende barkenhout, berkenhout. || Wortelen en tronken van Barkenhout, SOETEBOOM, S. Arc. 378. – Ook in O.-Friesl. spreekt men van barke, barkenboom en barkenholt (KOOLMAN I, 106).
berm, berm, barm, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Rand van een dijk, weg of akker. Zie de wdbb. en vgl. barmt. – Ook in de naam van een stuk land onder Wormer: de Barmpaal. Het land heet naar een daarop staande paal.
berm, barm, (zelfstandig naamwoord), zie barmt en berm.
bermte, barmt, barm, barnt, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Schaamdeel van vrouwelijk vee. – In de Wormer spreekt men soms ook van barrel. Het is niet uit te maken of deze vorm op vergissing berust, of dat barrel een geheel ander woord is; zie barrel. || Kweenen onder koebeesten zijn kennelijk uytwendig aan de klink of barnt, dat verder van ’t aarsgat af staat als van een koe, Advers. Oostwoud, f° 833. – Het woord is ook elders in N.-Holl. bekend (Navorscher 8, 88). – Barmt kwam vroeger ook voor in de zin van Ned. berm. || Niemant sal vermogen eenige Kuylen, Putten ofte Kelders in de Dycken ofte Barmten te maecken, Keuren v.d. Beemster 2, 171. – Het is hetzelfde woord als Ned. barmte, opgehoopte aarde, tas hooi, en verwant met Ned. berm, rand van een weg of dijk. Vgl. Ono. barmr, rand, en Ags. bearma, Eng. barm, Hgd. bärme, gist. De oorspronkelijke betekenis zal geweest zijn zwelling, verheffing, verhoging. Zie verder FRANCK op barmte en berm.
berriehaler, berriehaalder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meestal in het meerv. De aansprekers, belast met het halen van de berrie van het kerkhof; bij een begrafenis (Zaandam). || De berriehaalders moeten om 3 uur berrie halen.
bersen, beerzen, (beerzǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Door slijk en water waden. Synon. bozzen, kneteren. || ’t Was zo slikkerig; ’et kostte moeite om er doorheen te beerzen. Denk er om, dat je met je nieuwe schoenen niet maar door alles heen beerze. Loop niet zo te beerzen. – Ook: modderige voetstappen op een schone vloer zetten. || Beers niet zo in me gang. Vgl. toebeerzen. – Ook het zelfstandig naamwoord gebeers is in gebruik. || Veeg toch goed je voeten of; ik heb ’en hekel an dat gebeers. Zie inbeerzen. – Vgl. Wvla. beersen, bersen (door het slijk bersen), haastig lopen, Mnl. bersen, jagen, Ofra. berser.
Beryven, Beryven, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land te Westzaan. Thans onbekend. || Die beryven, Polderl. Westz. III f° 51 r°, 55 vo (a° 1644). – Misschien is de Beryven (Berrie-ven?) hetzelfde stuk land, dat nu het land van Lambert Melisz. heet, en waar door deze, volgens de overlevering, de berrie gevonden zou hebben, waarmede hij in het jaar 1574 zijn moeder uit de handen van de Spanjaarden redde en over het ijs naar Hoorn bracht. Vgl. SOETEBOOM, Bat. Eneas, welk toneelstuk over dit feit handelt, en VELIUS, Kron. v. Hoorn (ed. CENTEN), 407 vlg.
berzie, berzie, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Smeerboel, vuiligheid. || ’t Is er ’en berzie in huis (een smerige boel). Loop niet deur die berzie (modderpoel). – In de zin van warboel, drukte, onrust in huis, is het woord ook elders in Holl. gebruikelijk.
bes, bei, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie vlaardebei. Vgl. hondebei, loerbei.
bescharen, bescharen, (zwak werkwoord, transitief), Beweiden. Thans in onbruik. Zie schaar II en scharen II. || Dezelve dijk was leggende op de ende (uiteinden) van particuliere luyden haar landen, welke landen deurgaans waren weylanden, die met beesten werden beschaart; ook dat de aarde seer rauw en moel was ... en van dezelve beesten jaarlijks seer werd geruïneerd en bedorven, Handv. v. Assend. verv. 452 (a° 1662).
bescheuren, bescheuren, (bǝskeurǝ), (zwak werkwoord, transitief), Bij het biljarten. Trekken. || Ik ken die bal niet bescheuren.
beschieten, beschieten, (bǝskietǝ), (sterk werkwoord), Beschoten zijn, ingedommeld zijn. || Ik was juist beschoten, toe ze brand riepen. – Evenzo bij de 17de-eeuwse Amsterdammers, b.v. BREDERO, Griane 1295: Ick slaperighe mensch die was daar al beschoten, en Moortje 1690: Sy lach en was beschoten.
beschijten, beschijten, (sterk werkwoord), Zie de wdbb. – Zegsw. Er bescheten uitzien, een ongezond, ziekelijk voorkomen hebben. – In een bescheten doekje, in zinnen als: Ik wou dat ik al ’et geld, dat hij verbrast heb, in ’en bescheten doekie had.
beschikken, beschikken, (zwak werkwoord, transitief), In orde brengen, van de fijne was. || Ik moet vanmiddag nog de boorden en manchetten beschikken, dan ben ik klaar. De was is beschikt.
beschikster, beschikster, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een vrouw, die van hetbeschikkender was haar beroep maakt.
beschot, beschietsel, (bǝskiesǝl), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Behangsel (de Wormer). || We hebben ’en nieuw beschietsel in de voorkamer ’kregen.
beschrollen, beschrollen, (bǝskrollǝ), (zwak werkwoord, transitief), Vitten, aanmerkingen maken op; ook voor de gek houden, in het zonnetje zetten. – Vgl. Ned. schrollen op, vitten, smalen op. || Hoor ers, oud, je beschrolle me niet, hoor! Hij wier (werd) toch zo beschrold.
beschuit, beschuit, (beskoit), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. ’t Is een fijne beschuit, hij is niet goed te vertrouwen. – Een beschuitje, een fijn kneepje, b.v. in het vel van de hand || Wat wil-je, ’en broodje of ’en beschuitje? (vraag aan iemand, die men voor de aardigheid wil knijpen). – Evenzo een beschuitje met suiker, een kneepje in de kin. Hetzelfde heet elders een (<i>boereni>)<i>beschuitjei> (VAN DALE). – Vgl. knabbelbeschuitje.
beschuitbol, beschuitbolder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Beschuitbolder; een bol (rond broodje) van beschuitdeeg gekneed, die, na eenmaal te zijn gebakken, terwijl hij nog zacht is wordt doorgesneden met hetboldermes”, zodat men twee beschuiten verkrijgt; een hoge en een platte. || As de slaapkamer wordt schoon ’emaakt, trakteer ik op beschuitbolders.
besjacheren, besiggelen, bezaggelen, (zwak werkwoord, transitief), Beetnemen, bedotten. || Wees niet bang, ik zel je niet besiggelen. Ze hebben je besiggeld, hoor. – In de Wormer gebruikt men in dezelfde zin bezaggelen. Dat’s ’en kwaje koopman, hij heb er al heel wat bezaggeld. – In de Beemster zegt men besjaggelen (BOUMAN 9). Evenzo in het Fri. besjaggelje. Het woord is wellicht aan de jodentaal ontleend. Bezaggelen zou echter ook kunnen betekenen maken dat iemand gaat zaggelen; zie saggelen. Vgl. voorts besjoecheld. In het land van Kuik zegt men seggelen voor twisten, kijven, onder het spelen of bij het maken van overeenkomsten (Navorscher 10, 89).
besjoecheld, besjoecheld, (bijvoeglijk naamwoord), Bezeten, gek. || Ben-je besjoecheld? Een van me broers is besjoecheld. Een besjoecheld vrouwtje. – Evenzo in het Stad-Fri.: Bist besjoecheld? – Het woord hangt wellicht samen met Fri. bisucht (Mnl. besiect), dat dezelfde betekenis heeft. Vgl. ook besiggelen.
beslagen, beslagen, verl. deelw. van beslaan in de zin van uitslaan, door vochtigheid. Vochtig. || Het is erg vochtig in huis, de kleren hangen beslagen in de kast.
beslobd, beslobd, (bəslờpt), (bijvoeglijk naamwoord), Eigenlijk verl. deelw. van beslobben; vgl. slobben. Bemodderd, beslijkt. || Wat ben-je beslobd, heb-je in ’en prutsloot ’ezeten? Hij kwam doornat en beslobd thuis.
besluiten, besluiten, (sterk werkwoord), vgl. besloten bor op bor.
besmettelijk, besmettelijk, (bijvoeglijk naamwoord), Licht besmet wordende, gemakkelijk vuil aannemende. || Zo’n witte mantel is mijn te besmettelijk. Pak dat lint niet met vuile vingers an; ’t is erg besmettelijk. Evenzo elders in Holl.
besmeuren, besmeuren, (zwak werkwoord, transitief), Besmeren, bevlekken. || Wat heb-je je boezel besmeurd. Je moete de tafel niet zo besmeuren. – Evenzo bij de 17de-eeuwse Amsterdammers, b.v. VONDEL (VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 16). Ook nog in Z.-Nederl. (SCHUERMANS 46). Vgl. verder Mnl. Wdb. op besmeuren.
besmoezelen, besmoezelen, (zwak werkwoord, transitief), Vuil maken, smetten maken op. Zie smoezelen. || Besmoezel die boeken niet met je vuile handen. Wat is die lijst besmoezeld, je ken zien, dat hij in heel wat handen ’eweest is. – Evenzo elders in Holl. en in Utrecht. Zie DE JAGER, Freq. 1, 633.
besnarrelen, besnierzelen, (zwak werkwoord, transitief), Hetz. als besnarzelen. Vgl. snierzel. || Hoor ers, as je me besnierzele, zal ik je wel aars leren. – Evenzo in Utrecht en waarschijnlijk ook elders.
besnarrelen, besnarrelen, (zwak werkwoord, transitief), Bedotten, door list benadelen. Vgl. snarren. || Je magge (moogt) met hun wel oppassen; as hij je ken besnarrelen, dan laat hij het niet. Zoek-je me weer te besnarrelen? ik moet dertien knikkers hebben en gien twaalf. – Synon. besiggelen, bezaggelen, besnierzelen.
Besse, Besse, Naam van een stuk land in de Kalverpolder. || De Besse, Custb. (aº 1741). – Vgl. voor de oorsprong wellicht: Een stuck lants genaemt Besses kamp (te Jisp, aº, 1649), Hs, T. 246, fº 83 vº, prov. archief. BES en BESSE komen beide als geslachtsnaam voor.
bessel, bessel, bestel, (bəssəl), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Oprijg, opnaaisel in een vrouwenrok, een ingenomen zoom midden in de rok, om deze te verkorten en later te kunnen uitleggen. || Die rok is me veuls te lang, ik zel der maar ’en bessel in maken. – Evenzo in N.-Holl. Bessel is ontstaan uit bestel. In Friesl. spreekt men van bestelthried, besteldraad, en kent men nog het werkwoord bȇzje (volgens HALBERTSMA 348 ook beste, biste), een zoom op een kleed naaien. Evenzo Mnl. besten en Eng. to baste, rijgen, los opnaaien.
bestaan, bestaan, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In de uitdr. Iets in zijn bestaan hebben, in zijn aard hebben. || Om anderen kwaad te doen, dat heb ik zo niet in mijn bestaan (ligt niet in mijn aard). Maartje is niet erg gauw; dat heb ze niet in der bestaan. Ze heb ’et in der bestaan om altoos op ’en ander af te halen. – Evenzo Fri. hy het sa’n bistean (natuur). Vgl. ook HALBERTSMA 348; bistean, cujusdam indolis esse: Heit is nat gjirrich; sa bistiet hy nat; mar wol sünich (vader is niet gierig, dat heeft hij niet in zijn bestaan, maar wel zuinig).
bestal, bestal, (bəstal), (zelfstandig naamwoord), Alleen in enkele uitdr.; Ergens geen bestal in zien, er niets vreemds of onbehoorlijks in zien, er zich niet aan ergeren. Evenzo elders in Holl. – ’t Is zonder bestal, men kan er geen redelijke aanmerking op maken. – Met bestal staan en goed bestal maken, niet misstaan, niet hinderlijk zijn voor het oog; van gebreken aan kledingstukken, enz. || Nou, hoor, ’et staat met bestal: je ken ’em best dragen (van een gescheurde, maar herstelde japon). Het maakt goed bestal, al is er ok ’en vlek op. – Bestal staat waarschijnlijk voor me(s)stal, misstal, misstand; vgl. benist. In de beide laatste uitdrukkingen is bestal dan onjuist gebruikt; zij zullen ontstaan zijn, toen men de eigenlijke betekenis van het woord niet meer voelde. Men zegt ook: Nou, hoor, ’et staat niet met bestal (er is geen aanmerking op te maken). Dit is de juiste vorm der uitdrukking, die dikwijls verkeerd gebruikt wordt.
besteden, besteden, (zwak werkwoord, transitief), Van de hand doen, van zich schuiven; van iets onaangenaams. || (Iemand, die zijn werk wel wil staken, omdat het hem te zwaar valt, of verveelt, of het loon hem te gering is, zegt): ik wil het wel besteden. – Evenzo elders in Holl. en in Friesl. – Vgl. de betekenisssen van de hand doen, verkopen en geven, schenken, die besteden eertijds eigen waren; zie Mnl. Wdb. I, 1108. De oorspronkelijke betekenis is plaatsen, een plaats geven.
bestellen, bestellen, (zwak werkwoord, transitief), Zie de wdbb. Het vee bestellen, het ’s avonds verzorgen. Synon. jaden. || ’En goeie boer bestelt zen vee geregeld ’s aves.
besteltje, besteltje, (bəsteltjə), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Alleen in de uitdr. een aardig besteltje, een vlug, handig meisje. || Guurt is toch zo’n aardig besteltje. – Eigenlijk is een besteltje iemand die alles goed bestelt en bezorgt; later ging deze betekenis over in die van aardig, handig persoontje. Vlg. bestrukje.
bestrukje, bestrukje, (bəstrukkie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een vreemd persoontje, iemand van ongewone gestalte (de Wormer). || Kijk wat komt deer (daar) ’en klein bestrukkie an. Trijn is zo’n aardig bestrukkie. – In de Beemster is een bestrukje iemand, die een huishouding goed bestuurt en bestrukt, en betekent bestrukken waarnemen, behartigen, in orde houden. Ze zal het wel goed bestrukken, het is net zo’n bestrukje (BOUMAN 9, Navorscher 4, 193). – Vgl. ook: "’t Is Klaasje voor, ’t is Klaasje na, / Klaas moet het al bestrukken: / en alles was ik gadesla, / mag doorgaans wel gelukken." WOLFF en DEKEN, Econ. Liedjes (ed. 1792) 15. Op Tessel zegt men bestruken. || Peet had wat met de notaris te bestruke (bedisselen), Sch. t. W. 1, 310. – Een soortgelijke overgang van betekenis als bij bestrukje, eerst iemand die alles goed bestrukt en bezorgt, en later ook een aardig of vreemd persoontje, vindt men bij besteltje, zie aldaar.
bestunneken, bestunneken, (bəstunnəkə), (zwak werkwoord, transitief), Bedisselen, in orde brengen. Zie stunneken. || Er valt voor zo’n bruiloft heel wat te bestunneken. Ik heb geen hulp nodig, ik ken alles alleen wel bestunneken. – Zie synon. op bekleuteren.
bestuntelen, bestuntelen, (bəstuntələ), (zwak werkwoord, transitief), Beredderen, in orde maken; met het bijdenkbeeld dat dit stuntelig, onhandig, gaat. Zie stuntelen. || Laat hem zijn gank maar gaan, hij zei dat zaakje alleen wel bestuntelen. Dat heeft hij toch aardig bestunteld. – Zie synon. op bekleuteren.
bestvat, bestvat, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een vat bier met brandewijn gemengd, dat door de patroon tot tractatie aan zijn werkvolk wordt gegeven. Dit gebeurt o.a. als het dak op een nieuw gebouwd huis is gezet of een nieuwe as in de molen is gestoken. Tegenwoordig heet elke dergelijke tractatie zo, ook al blijft het oorspronkelijk bestvat achterwege. || De baas zel ’en bestvat geven. Bestvat houden (feestvieren). We ganen na bestvat (te partij, te bruiloft). – In soortgelijke zin ook in de Beemster: onthaal, tractatie, feest bij verloving, verjaring, verhuizing, enz. || De vrienden op het bestvat nodigen (BOUMAN 9). – Vandaar bestvatten.
bestvatten, bestvatten, (zwak werkwoord, intransitief), Bestvat houden; zie bestvat. – Ook in de Beemster.
beteutig, beteutig, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Beuzelig, peuterig, onhandig. Van teut, zeur sukkel. || ’t Is wel ’en goejig mens, maar ze is wat beteutig. Hè, wat ben-je beteutig bezig.
betijen, betien, (bətien), (onregelmatig werkwoord), Alleen in de uitdr. laten betien, laten betijen, laten begaan, daarlaten. || Kom, laat betien (schei uit). Die zaak is nou wel uit, laat ’et maar betien (laat het er maar bij blijven). – De vorm laten betien is ook verderop in N.-Holl. en in het Stad-Fri. gebruikelijk. In de 17de e. vindt men hem o.a. bij HOOFT en BREDERO; vgl. OUDEMANS Wdb. op Bredero 49.
betippen, betippen, (zwak werkwoord, transitief), Bekeuren, bij allebei kinderspelen. || Je lope op rooie stien, ik betip je. Je bent betipt. – Zie tip en steentje-betip.
betoeteren, betoeterd, (bijvoeglijk naamwoord), Eigenlijk verl. deelw. Van het niet gebruikelijke betoeteren, tenzij het woord naar analogie van andere dergelijke uitdrukkingen is gevormd. Alleen in: Ben-je betoeterd? Ben je gek, wat bezielt je? – Evenzo Stad-Fri. betútert. Vgl. Ned. beteuterd.
betrappen, betrapen, betrappen, (zwak werkwoord, transitief), Betrappen. Thans verouderd, behalve in het verl. deelwoord betraapt, dat nog gebruikt wordt. || Hij wier net betraapt, toe-i ’et geld uit de laad nam. Neemt op uwe ganghen achte, soo en wordt ghy niet betreapt, Saender Bloeme-stralen 275. Hoe noodig dat het was de sonden uyt te bannen, hoe licht de felle Dood ons eens betrapen kon, SCHAAP, Bloemt. 219. – In de 17de e. is betrapen in Holl. nog in volle gebruik, vgl. OUDEMANS 1, 648, en Wdb. op Bredero 49. In de Middeleeuwen was de vorm betrappen nog onbekend; zie Mnl. Wdb. op betrapen.
betrouwd, betrouwd, verl. deelw. van betrouwen; ook als bijvoeglijk naamwoord Vertrouwbaar. || Het ijs is nou betrouwd, je mag er wel op. ’t Is geen betrouwd ijs. De brug is niet meer betrouwd. – Iets betrouwd zijn, gerust met de zorg voor iets belast kunnende worden. || Hij is geen potlood betrouwd; hij schrijft overal op. Je moete eerst wat groter wezen, eer je ’en horloge betrouwd benne. – Het is betrouwd, het is vertrouwd, veilig. || ’t Is eigenlijk niet betrouwd, dat die twee kleintjes allenig op straat lopen. – Evenzo in Friesl.
beu, ba, (bijvoeglijk naamwoord), In de zegsw. Ik ben het ba, ik ben het beu, ik heb er genoeg van. – Gewestelijk ook elders bekend.
beug, beug, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In de uitdr. de beug zetten, ’s avonds het viswant uitzetten, waarmede men de volgende dag gaat vissen. De beug is de gehele vooraad netten of want, waarvan die dag gebruikt zal worden gemaakt; men bezigt de uitdrukking van alle soorten van vistuig, zelfs van aaldobbers. – Beug wordt bij VAN DALE vermeld als benaming voor een groot net voor de kabeljauw- en schelvisvangst. Volgens HALBERTSMA 232 is het woord ook gebruikelijk voor een paar vissersschuiten, die voor de wind zeilende samen een sleepnet voorttrekken om garnalen te vangen.
beugel, beugel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. roedbeugel.
beuk, beuk, (zelfstandig naamwoord), Ook in de verkl. beukie. Kleine ijzeren kookpot, met hengsel, doch zonder poten. || Kook de gort maar in ’t beukie. Wie mag vandaag de beuk uitslikken? Heb-je de beuk al ’eschrobt. – Wellicht is vroeger ook de verkl. beuken in gebruik geweest. De woordenlijst in Karaktersch. 335 geeft althans op: het beuken is geborten (gebarsten).
beuk, beuk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Beukeboom. Vroeger boek, welke vorm nu nog slechts gebruikelijk is in boekeneut, beukenoot, en boeken, van beukenhout gemaakt. || Boeken planken. Boeken vuisten en keephouten. – Zie verder de wdbb.
beukel-halfmad, Beukel-halfmad, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land te Assendelft. Thans onbekend. || Claes Duyvessen, de beukel ½ maden, in Ouwe Jans-weer (tweemaal 152 en 290 roeden groot), Maatb. Assend. (aº 1635). – Misschien is Beukel hier de bekende mansnaam en is er sprake van de halfmaden van Beukel.
beuken, boeken, (bijvoeglijk naamwoord), zie beuk.
beukennoot, boekeneut, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie beuk.
beuker, beuker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een kleine, doch stevige jongen. || Waar zou zo’n kleine beuker zich al mee bemoeien. Jan is in die paar jaar flink ’egroeid, ’t is ’en aardige beuker ’eworden. – Evenzo elders in N.-Holl. en in Friesl. en Gron.; zie de wdbb.
beulen, beulen, (zwak werkwoord, intransitief), Zeker spel met twee grote knikkers (pollen), waarbij de beide spelers om beurten hard naar elkanders pol smijten, ten einde deze te verbrijzelen. Dit smijten heet te Assendelft beulen.
beuling, beuling, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de bouwkunde. Een houtversiering aan deuren, enz., welke naast een naad wordt aangebracht, om deze minder zichtbaar te maken, en bestaande in een beulingvormige afschaving der kanten van het hout. Dit geschiedt door middel van de beulingschaaf, die een boogvormige snede heeft. Heeft de beuling de vorm van een eierschaal dan spreekt men van een eierbeuling.
beulingschaaf, beulingschaaf, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie beuling.
beun, beuning, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Beun, plankier; planken getimmerte langs het water, waar schuiten kunnen aanleggen, enz. – In dezelfde zin in Gron. buning (MOLEMA 62). – Vgl. buning.
beurs, beurs, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Sparen en vergaren maakt kleine beursjes groot. – Ook als naam van een stuk land te Assendelft. || Die beurse, Maatb. Assend (aº 1634). – In de zin van koopmansbeurs in de uitdr. beurs houden, in een groep met elkaar staan praten. || Het werkvolk hield weer beurs en voerde geen slag uit. – Zie beurzen.
beurt, beurt, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. verbeurten.
beurzen, beurzen, (zwak werkwoord, intransitief), Beurs houden, in groepen met elkaar staan praten. Vgl. beurs. || Er staat altoos ’en troep los volk bij de sluis te beurzen. Toe ik er vanavond langes ging, stingen Trijn en Griet bij Neel an de deur te beurzen.
beveraas, beveraas, (bévəraas, met een hoofdtoon op aas), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zekere winterdrank, bestaande uit oud bier en wijn, met suiker, kaneel, notemuskaat, enz. door elkaar gekookt, en warm gedronken. Thans weinig gebruikelijk. || As je van ’t ijs komme (komt), doet die beveraas je goed. – Beveraas wordt ook in Hs. Kool vermeld en was in de vorige eeuw dus ook elders in N.-Holl. gebruikelijk. – Het woord is uit het Romaans overgenomen en betekent letterlijk drank. Vgl. Ofra, bevrage, drinkgeld (GODEFROY 1, 642), Fra. breuvage, drank, Eng. beverage, Ital. beveraggio.
bevloten, bevloten, (zwak werkwoord), Alleen in de uitdr. het niet kunnen bevloten, met de voeten geen grond kunnen krijgen, aangezien het water te diep is, niet in het water kunnen staan, b.v. van een visser die zich langs het boord van zijn schip in het water wil neerlaten, van baggerlieden, die zich te water begeven, enz. || Ik zel maar weer an boord klimmen, ik ken ’et niet bevloten. Gaan daar maar niet te water, daar ken-je ’et toch niet bevloten. – Vgl. vloten.
bewarmen, bewarmen, (zwak werkwoord, wederkerend), Zich verwarmen. Alleen in de uitdr. zich niet kunnen bewarmen. || ’t Is zo koud, dat je je niet bewarmen kenne. Ik heb zeker koorts, ik ken me niet bewarmen. – Evenzo elders in N.-Holl. In het Mnl. komt bewarmen, transitief, voor in de zin van verwarmen, koesteren; zie Mnl. Wdb. I, 1209.
bewerkelijk, werkelijk, (bijvoeglijk naamwoord), Bewerkelijk, waar veel werk aan is. || Ik heb er gien zin in, want ’et is zo werkelijk. Zo ’n werkelijke tafelloper. – Zo ook hier en daar elders.
bewinnen, bewinnen, (sterk werkwoord, transitief), Door werken verdienen. Alleen in de inf. met de ontkenning niet. || ’t Is niet te bewinnen, zoveul geld geef-je uit. Zo'n dure japon ken ik niet bewinnen.
bezaan, bezaan, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Ook als naam van een stuk land te Oostzaan. Wel zo geheten naar de vorm. || De bezaan, Polderl. Oostz. I (17de e.). – In de vorige eeuw was bezaantje ook in gebruik als benaming voor een bont dasje om de hals, van mannen. Dit is thans verouderd.
bezeeuwen, beseeuwen, bezeeuwen, (zwak werkwoord, intransitief), Ontstellen, verschrikken. || Wat ben ik daar pas bezeeuwd; daar viel me die jongen ternet te water. – Ook flauw vallen. || Hij beseeuwde van de honger. Als je nog langer in die kolendamp had zitten moeten, zou je bezeeuwd hebben. Der lag ’en vlieg in de melk, maar-i bezeeuwde niet: toe-i er uit was vloog-i weg. – Ook in W.-Friesl. kent men beseeuwen in de zin van verschrikken, verbleken. Evenzo Fri. bisauwje en sauwje, ontstellen, bij bezwijmen af (HALBERTSMA 327 vgl.). Vgl. ook Hs. Pelgrimage 93d zie bronnenlijst Mnl. Wdb.): Mine tonge is verzawen ende daerom is si geheten bi harer namen meyneedich. Verzeeuwd, zeeziek, ongesteld, in verzeeuwd van de reis is in geheel Holland bekend (VAN DALE). Misschien behoort dit echter, met het door KIL. vermelde beseeuwen, madefieri oqua marina (nat worden door zeewater), en be-seeuwt goed, merces salo infectae, sive madefactae (door zeewater beschadigd goed), bij zee. Te Krommenie zegt men ook: het bezeeuwt al, het zakt al af, het komt wat bij, de zaak wordt al wat vergeten.
bezem, bezem, beuzem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In verkl. beuzempie. Ook in de zin van stoffer. Een lange bezem, stoffer met lange stok.
bezemsteel, bezemstaal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bezemsteel. – Ook als schertsende benaming voor een magere vrouw. || Wat ’en bezemstaal.
bezetsel, besitsel, (bəssissəl), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Behangsel (de Wormer). Van het nu ongebruikelijke werkwoord besitsen, met sits behangen. || Wat is er ’en grote scheur in ’et besissel.
bezig, bezig, (bijvoeglijk naamwoord), Bedrijvig; zie zegsw. op balie II .
bezwelgen, bezwelgen, (sterk werkwoord, transitief), In de uitdr. het niet kunnen bezwelgen, een te gelijk toestromende grote voorraad vloeistof niet kunnen verzwelgen, inslikken. || Met zo'n plasregen kennen de goten ’et niet bezwelgen. – Beswelgen komt ook in het Mnl. voor; zie Mnl. Wdb. III, 1128.
bezwijken, bezwijken, (sterk werkwoord), Zie de wdbb. – Iemand niet bezwijken, hem niet verlaten, altijd bij hem zijn. || De hond bezwijkt me niet. Ze is zo op die pop ’esteld; hij bezwijkt haar niet. – Evenzo in het Mnl. beswiken, in de steek laten.
bibber, bibber, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Koorts. || Ik heb de bibber. Vijf had de bibber in ’et lijf (uit een kinderrijm).
bidden, bidden, (sterk werkwoord), zie een zegsw. op wees.
bier, bier, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie een zegsw. op rood.
bieren, bieren, (zwak werkwoord, intransitief), Bierdrinken. Inzonderheid bij de wevers te Assendelft; op zaterdagmiddag vóór Pinksteren (Luilak) naar Krommenie gaan, om bij hun patroons bier te drinken zoveel ze lusten. || Is Piet nag uit bieren ’eweest? Ik gaan vanmiddag uit bieren.
biersasser, biersasser, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bierzuiper. Zie sasser. || Gaan toch niet bij die biersassers zitten.
biertje, biertje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zekere maat voor melk. Thans in onbruik. Het woord is echter nog aan oude mensen bekend. || 24 Biertjes koemelk in de Maymaand geven 6 pond wrongel als de kaas uyt de pers komt, en 14 biertjes schapemelk geven zo veel wrongel als 24 bier koe-melk; 2 halve stuyvers koppen doen één biertje, Advers. Oostwoud, f° 878. – In de 17de e. is een biertje een maat of een kan bier. || Waard, wat is hier verteert? – De Man ses biertjes. – Wel daar is achtien stuyvers, N.-Holl. Rustenburg 18. In de Amsterdamse kluchten komt het woord in deze zin herhaaldelijk voor. Vgl. BREDERO, Klucht v. d. Koe vs. 120 noot, 181, 222, en OUDEMANS, Wdb. op Bredero 54.
Bierweer, Bierweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een weer lands onder Oostzaanden. Nu onbekend. || Het bierweer, Polderl. Oostz. I (17de e.).
biesbouw, biesbauw, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in de zegsw. In de biesbauw (biezebauw) zijn, in de verlegenheid zitten, teneinde raad zijn. || Hij is helemaal in de biezebauw. – Evenzo elders in N.-Holl. Vgl. b.v. FOKKE, De Vrouw is de baas (ed. 1828), 1, 173: Gelyk ik ook reeds gezegd heb dat de ... mannen, ... er ook dikwijls lelijk mee in de biesbouw komen. – Biesbauw betekent oorspronkelijk horzel, die door zijn steken het vee aan het biezen (bijzen) brengt. Vgl. Fri. bou, bau, bauwe, horzel (HALBERTSMA 470), Ned. korenbout, rombout, met het verouderde biesbout (KIL.) in dezelfde zin, en biezen, bijzen, wild rondlopen, van het vee (Mnl. Wdb. I, 1270; VAN DALE). Hiervan afgeleid is biesbauwen, voor de biesbauw vluchten; vgl. biesbouten, discurere cum impetu et strepitu (KIL.), Fri. bîzeb
Biestkamp, Biestkamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land onder Assendelft, in de Binnenkaag. || Die Byestcamp, GONNET, Zijlkl. 410 (aº 1445); de Biestkamp, Polderl. Assend. I f°55 r° (a° 1600). Soms ook: Bieskamp, Maatb. Assend. (a° 1635). – Misschien is biest in deze naam de dialectische vorm van beest, die b.v. nog bij BREDERO voorkomt.
biet, biet, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie snijbiet. Vgl. zwambiet.
bieten, bieten, (zwak werkwoord, intransitief), Van koeien. Het uitzakken der baarmoeder, b.v. na het kalven, als gevolg van spierverslapping. Vgl. BERKHEY, Nat. Hist. 7, 360. || Die koe biet. – Vandaar het zelfstandig naamwoord bieter, koe die biet. || ’t Is ’en bieter. – Evenzo in de Beemster.
bieter, bieter, (zelfstandig naamwoord), zie bieten.
bietlijf, bietlijf, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het naar buiten geschoten deel der schede van een koe; zie bieten en lijf. || De koe zijn bietlijf hang er uit, steek ’et er weer in. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 11).
big, big, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Jong varken. – Ook als naam van enige molens. || Het oude Big (op de Koog en te Assendelft). ’t Jonge Big (te Zaandijk en te Assendelft). || Franse big, scheldnaam voor de leerlingen van een Franse school, thans te Zaandam ook voor die der Hogere Burgerschool. – Zo ook elders in Holl.
bij, bij, (voorzetsel), vgl. kortbij; zie een zegsw. op kijken.
bijbel, bijbel, biebel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast nog biebel in de uitdr. zo koud as ’en biebel, steenkoud.
bijheinde, bijhen, (bijwoord), zie hennebij.
bijl, bijl, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Ook als naam van vele stukken land, die de vorm van een bijl hebben. || Het bijltgen (te Assendelft), Polderl. Assend. I f° 70 r° (a° 1600). Neel Steffes suyt aen geleghen met een bijl, Maatb. Assend. (a° 1635). Een stucke lants ghenaempt dye bijll (onder Westzaanden), Hs. U. 137 (a° 1592), prov. archief. De Bijlen (onder O. Zaandam), Custb. (a° 1743). – Verder in samenst.: Die bijlackers, Stoelb. Assend. f° 37 r° (17de e.). – Jan Dirck Huysers bijlcamp. Maatb. Assend. (a° 1635). – De bijlstreng, Polderl. Oostz. II (a° 1782). – Die bijlstrepen, Polderl. Westz. III, f° 16 v° (a° 1644). – Die bijlweyt, Maatb. Assend. (a° 1633). – Vgl. stekenbijl.
bijlakker, bijlakker, bijlkamp, bijlstreng, bijlstreep, bijlweide, (zelfstandig naamwoord), zie bijl.
bijs, -bijs, (zelfstandig naamwoord), zie pikkebijs.
bijspul, bijspul, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij boeren. Bijzaak. Benaming voor al hun produkten, behalve boter en kaas (die voor hen hoofdzaak zijn), dus: aanfok van vee voor verkoop, afzet van vee in het najaar, het houden van zeugen voor aanfok van biggen, het vetmaken van varkens voor de markt, het mesten van kalveren enz. || Skêpen dat is maar bijspul. Spijtig dat de kees zo'n bietje geldt en de bijspullen ook.
bijster, bijster, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. Ook in slechte toestand, arm, doch alleen in de uitdr. rijk of bijster, rijk of arm. – Deze bet. van bijster komt ook in het Mnl. voor; zie Mnl. Wdb. I, 1252.
bijt, bijt, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. ’k Moet bijt hakken en boelhuis houden, (van iemand, die veel beweging maakt, maar niets doet). Bijt hakken laat men door zijn knecht doen en boelhuis houden door een makelaar.
bijten, bijten, (sterk werkwoord), zie zegsw. op achtentwintig.
bijter, bijter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een pelmolen. Benaming van zekere touwen. De snaren (touwen), die over de schijven lopen worden onderscheiden in bijters en sulders. De sulders kan men laten vieren, zodat zij sullen en de schijven niet meer in beweging brengen; de bijters echter blijven dan nog zo strak gespannen, dat zij de schijven doen draaien. – Zie de samenst. oorebijter, spekkebijter, stijlebijter.
bijthakkertje, bijthakkertje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een blauwe (of rode) das of zakdoek, die men om de hals geknoopt heeft, en die op de rug met een punt neerhangt. Inzonderheid door oude mannen tegen de koude gedragen. Oorspronkelijk wel zo genoemd omdat men bij het bijthakken zulk een doek omdeed. || Hij heb ’en bijthakkertje om.
Bijweer, Bijweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een weer lands te O. Zaandam. || ’t Bijweer, Custb (a° 1741).
bijworp, bijworp, (met klemtoon op bij), (zelfstandig naamwoord mannelijk), IJzeren ring, waarmede metalen landbouwgereedschappen (zeisen, haken, klauwen, enz.) aan de houten steel worden bevestigd. De bijworp wordt met een pen en wiggen vastgemaakt.
bijzulk, bijzuk, (met klemtoon op zuk), (bijwoord), Bijzonder, toevallig, casueel. || ’t Is toch al bijzuk, dat ’et net zó beuren moet.
bik, bik, Alleen in de uitdr. dat is bik, dat is binnen, dat is mijn!
bikken, bikken, (zwak werkwoord), vgl. slikkebikken.
bikker, bikker, bikkerd, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Slimmerd, leuke vent. || ’t Is ’en goocheme bikker. Men zegt ook: ’t is ’en gare bikkerd.
bil, bil, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Nou zelle we zien wie de blankste billen het (b.v. wanneer alle spelers hun kaartenblootleggen”, om te bepalen wie het spel wint). De uitdr. is ook in Friesl. bekend; zie HALBERTSMA 285. || Te Krommenie zegt men; zien wie de blankste billen heeft voor: zien wie het beslissende spel wint (wanneer elk der spelers één of evenveel spellen heeft gewonnen). Vgl. ook broekie-val. – Een blotebillen-gezicht, een melkmuil. Zo ook elders. – Een blote-billen-smaak, een kinderachtige smaak in de mond. || Kom, ik zeI er maar ientje pakken (een bord nemen), om die bloote-billen-smaak weg te krijgen. – Zie nog een zegsw. op donker. Vgl. wrikbillen.
billenbouten, billebouters, (zelfstandig naamwoord), meerv. Schertsend voor billen; inzonderheid van kleine kinderen. || Wat ’en lekkere dikke billebouters.
bilwagen, bilwagen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de uitdr. met de bilwagen uit rijden gaan, te voet gaan. || Hoe gaan-je na huis? – Nou, mit de bilwagen.
binden, binden, (sterk werkwoord), vgl. aanbinden.
bindsel, bensel, (bensǝl), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Stevig driedraads bindtouw, bij zeilemakers en schippers in gebruik. || Een bossie bensel. Bij ’et marlen worden er eerst gaten in ’et zeil ’eprikt, waar dan de bensel deur’estoken wordt. Een dwayl met twee teerquasten en 2 bos bensel, Hs. rekening (a° 1685), verz. Honig. – Waarschijnlijk behoort bensel bij binden en is het dus een bijvorm van bindsel.
bink, bink, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iets dat lomp en groot is in zijn soort; vandaar ook een onbehouwen groot stuk, een bonk. || Dat’s ’en grote bink (een grote dikke vis). Ik heb ’en stuk koek van me moeder ’ekregen; kijk ers wat ’en bink. Geef mijn ok maar ’en bink worst. In de verkl. binkie ook bonkje, hompje, stukje. || Geef me ’en binkie kees (kaas). – Vergelijk Ned. bink, botterik, lomperd, knoeier, slecht paard, VAN DALE; binck, binghel, rusticus (boerenlummel), KIL. – Zegws. Een bink maken, niet op het werk komen, een schoft, een halve of hele dag verzuimen, van werkvolk. Daarnaast de bink steken, pinkiesteek doen, meestal van kinderen, heimelijk school verzuimen. || Piet heb vanmorgen weer ers ’en bink ’emaakt. Ze hebben guster de bink ’estoken. Ik zel wel schelden krijgen, omdat ik weer pinkie-steek ’edaan heb. – In dezelfde zin zegt men elders in Holl. binken, binkje draaien, binkje spelen en binkje steken. Vgl. DE JAGER, Archief 1, 198.
Binkaaik, Binkaaik, (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)), Naam van verschillende stukken land onder Assendelft langs de Kaaik gelegen. De stukken aan de dorpskant heten Binkaaik, die aan gene zijde, over de Kaaik, Buitkaaik. De Binkaaik met het daarnaast gelegen Binkaaiks-ventje. De lange Binkaaik. – Dat bincayckgen in Gerrit Claes Pouwelsweer, Polderl. Assend. I f° 14 r° (a° 1599). Drie vierendelen van de bincayck, ald. f° 35 r° (a° 1599). Piet Joosten smalle binkeyck, Maatb. Assend. (a° 1634). – Zie kaaik.
binkas, binkas, binkes, daarnaast binkes (uitspr. binkəs). Alleen in de uitdr. dat is binkas (binkes), dat is binnen, dat is mijn! – Binkas staat waarschijnlijk gelijk met bin(nen) de kas, in de kast. Vgl. het synon. binnen mikken, eigenlijk van het hooi, binnen de palen van de barg, binnen; zie mik. – Vgl. verder op binnen.
binnen, binnen, bin, (voorzetsel en bijwoord), Daarnaast vroeger ook bin; zie aldaar. – Zegsw. Dat is binnen bij Louw, dat is binnen, dat is mijn! Synon. binnen mikken, binkas, bik. – Zegsw. Binnen ben de beste (d.i. die binnen zijn, zijn de beste), gezegd als iemand zijn geld, winst enz. binnen heeft.
binnen, bin, (voorzetsel), Binnen Thans verouderd, en alleen nog bewaard in de samenst. Binkaaik en misschien in binkas; zie aldaar. || Wat Boom dat bombt (bomt) en hol is bin, dat is geen Boom na mijnen sin. Saenl. Wassende Roos 12. – Vgl. Mnl. Wdb. I, 1258 op bin. – In het Fri. spreekt men nog van binhûs, bindoar.
binnenblaar, binnenblaar, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een ziekte van vee. Meermalen sterft een koe plotseling, terwijl het lichaam opzwelt en spoedig tot ontbinding overgaat. Men kent de oorzaak van de dood niet, maar zegt, dat het beest gestorven is aan een binnenblaar. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 11). Vgl. blaar.
Binnendelft, Binnendelft, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van stukken land onder Assendelft, aan de Delft gelegen. De stukken aan deze zijde heten Binnendelft of Opperdelft, die over het water Buiten- of Uiterdelft. || Jan IJsbranden binnendelft, Jacob Trijn Heynen binner Delft (binnen der Delft), Maatb. Assend. (a° 1634). Een stucke landts genaempt die binner delft, Hs. U. 20. f° 50 r° (a° 1584), prov. archief.
binnenhaard, binnenhaard, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie een zegswijze op vriend.
Binnenkaag, Binnenkaag, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een polder onder Assendelft. Zie kaag. || Een stuk land in de Binnenkaag.
binnenkavel, binnenkabel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een kabel lands begrensd door de wegsloot, een tochstsloot en twee kabelsloten, of door twee tocht- en twee kabelsloten. Zie kabel.
binnenlicht, binnenlicht, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een papiermolen. Dat gedeelte van de zijwand der maalbakken, waar de rol op rust. De binnenlicht vormt met de beweegbare buitenlicht het toestel, waardoor de rol gelicht en hoger of lager gesteld kan worden. Samen heten zij ook de licht. Vgl. Groot Alg. Moolenb. I, pl. 4.
Binnenreef, Binnenreef, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van stukken land onder Nauerna, langs de Reef gelegen. De stukken aan de zijde van Assendelft heten Binnenreef, de andere Buitenreef. || Symen Kees Jan Flooren binnenreef, Cornelis Baertsz. Bosmans binnenreefgen, Maatb. Assend. (a° 1634).
binnenroede, binnenroed, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De binnenste der beide molenroeden, die roede welke zich het dichtst bij de kap bevindt. Zie roed.
binnensteen, binnensteen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een oliemolen. De binnenste der beide rondwentelende molenstenen. Vgl. buitensteen.
binnenveld, binnenveld, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het land binnensdijks. Hetz. als veld; zie aldaar. || Zijn molens stane niet an de Zaan, maar in ’t binnenveld. We gane in ’et binnenveld schaatsenrijden. De binne-velden van Krommenye, Uitgeest, Limmen, etc., SOETEBOOM, S. Arc. 222.
bint, bint, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie achterbint, voorbint, wagenbint.
binterig, binsterig, (bijvoeglijk naamwoord), Ruw, schilferig; van de huid (Zaandam, Koog). || Me handen benne binsterig.
bit, bit, (zelfstandig naamwoord onzijdig (?)), In verkl. bitje. Een kleinigheid, beetje. || ’t Ken me gien bit (geen zier, geen lor) schelen. ’t Scheelt me ’en bitje, of ze ’t hoort. – Vgl. Eng. bit en Fri. byt, die evenzo worden gebruikt (HALBERTSMA 356).
bitterhartig, bitterhartig, (bijwoord), Bitter. || Wat heb dat kind bitterhartig leggen huilen.
blaag, blaag, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Kind, onnozel schepsel; lastig kind, hinderlijk persoon. || Een nochtere blaag. Hè, wat ben-je ’en blaag: zit toch niet overal an. – Evenzo elders in Holl., Utrecht, Gron., Oost-Friesl., Nederduitsl., Overijsel, land van Kuik; zie de wdbb.
blaai, blei, blaai, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De uitspraak is blaai. Evenzo in de samenst. blaainet, blaaipoten enz.
blaaiplemp, bleiplemp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Vissersgereedschap. Een kaasvorm aan een stok met handvat, waarmede bij het vissen van blei of baars op het water wordt geslagen, om de vissen te verschrikken en in de netten te drijven. Zie plemp.
blaar, blaar, bleer, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast te Assendelft nog bleer. Van koeien. Een witte streep aan het voorhoofd hebbende, bles. Zulk een koe heet ook bleerkop (Assendelft) of blaarmoorkop. Is de blare koe niet zwart-bont, dan spreekt men ook van roodblaar of grijsblaar; eertijds ook van vaalblaar. De vorm bleer was vroeger de gewone. || Blere koeien hebben een of twee zwarte kringen om ’er ogen. Men heet geen Koe bleer, of hy heeft plek op heer, SOETEBOOM, Ned. Ber. 39. Twe Koeyen en een Pink-vaers, d’een rood bleer, d’ander swart bleer, met een bonte neus, het Pink-veers wesende rood-bleer ..., twee Koeyen, d’een rood-gremeld en d’ander vael-bleer, ... nog twe rood-blere Veerssen, SOETEBOOM, t.a.p. ’t Is ’en blaarmoorkop. – Bleer was vroeger ook in de Beemster gebruikelijk (BOUMAN 11). Blaar, zwart-, rood-, grijsblaar is algemeen Ned. en komt reeds in de Middeleeuwen voor (b.v. Rek. d. Graf. v. Holl. 1, 364 vlg.); zie de wdbb.
blaar, blaar, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Opzwelling. Zie de wdbb. – Ook de benaming van een ziekte van koeien en schapen, waarbij de huid hevig opzwelt, welk ongemak zich soms in korte tijd over het gehele lichaam uitbreidt. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 11). Vgl. binnenblaar. – Zegsw. Een blaar tikken, van verrassing een gat in de lucht slaan. || Ze zel ’en blaar tikken, as ze dat nieuwtje hoort. Mijn gort! wat tikken jullie ’en blaar (wat maak-je een geweld)!
blaarkop, bleerkop, (zelfstandig naamwoord), zie blaar II.
blaarmoorkop, blaarmoorkop, (zelfstandig naamwoord), zie blaar II.
blaas, blaas, blees, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Bij de papiermakerij. Een holle koperen bol van 40
blaastoeter, blaastoeter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Blaaspoep, rondtrekkende muzikant, meestal uit Duitsland. II Een troep blaastoeters. Geef die blaastoeter maar ’en cent.
blad, blad, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Meerv. bladen. Zie de wdbb. – In de houthandel. Deel, gezaagde plank, doch alleen van eiken-, iepen-, of een ander hard hout. Reeds bij HADR. JUNIUS, Nomencl. 158b: Asseres, assamenta, delen, plancken, bladen, berderen. Vgl. ook Mnl. Wdb. I, 1289. || Geer ers ’en halfduims blaadje an. (Sy) sullen de selve Bleeck-velden ... mogen ghebruycken tot Wagenschot-bladen te setten, Priv. v. Westz. 540 (a° 1645). (Sy) hebben gesien dat de dief bezig was met eeken bladen uyt de ... houttuyn in sijn schuytje ... te brengen, (en) vijfmaal telkens een blad bragt in het schuytje, en deselve leyden op die bladen, die er reeds in lagen, Hs. T. 31, f° 76 v° (W. Zaandam, a° 1741), prov. arch. 15 Eeken vathoudsbladen, ald. f° 77 v°. 108 Vathoudsbladen, waardig - 27, -, 4 pijphoutbladen, waardig f 2:10, -, ald. f° 87 v°. 14 Bladen 1 duyms vathout, 15 bladen, 1¼ duyms, dito, ... 10 bladen 2 duyms dito, ... 2 blok en enige bladen vathout, Hs. T. 33 (W. Zaandam, a° 1779), prov. archief. 3 Vure spreiselbladen, 18 voet, ald. (a° 1800). 17 blaadjes spreisel, lang 2 el, 8 palm, breed 250 streep, Invent. molenmakerij (Zaandijk, a° 1846). 4 Eiken blaaden, 1 duim, 8 voet, diverse slortblaaden-veeren, Invent. (Westzaan, a° 1787), Zaanl. Oudhk. – Vgl. samenst. lepelblad, melkblad, poddeblad.
bladderen, bladderen, (zwak werkwoord, intransitief), Blaren, van een geverfde muur, waarop de verf blaren trekt. || Wat bladdert die muur! – Zo ook elders. – Vgl. afbladderen en bladderen.
bladderig, bladderig, (bijvoeglijk naamwoord), Schilferig. || De muur wordt bladderig (de kalk laat los). Bladderig hout (hout, waarvan de hartscheuren los liggen en aan schilfers uiteenvallen). – Evenzo in het Stad-Fri. en Oost-Fr. Ook: geblaard; van geverfd hout dat bladdert. || Wat is die weeg bladderig. – Zie bladderen; vgl. afbladderen.
Bladekamp, Bladekamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land onder Assendelft. Zie Blagelskamp.
Blaf, Blaf, Blafsluis, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast Blafsluis. Een sluis te Assendelft. Met de droogmaking van het IJ gesloopt. Misschien schuilt in deze naam het door KIL. vermelde blaf, vlak van oppervlakte. || Seeckere particuliere Suyteynder Sluys, genaemt die Blaff. De voorn. Blaff-Sluys. Hooft-Ingelanden van de voorsch. Blaff, Handv. v. Assend. verv. 425 (a° 1629).
blaffen, blaffen, (zwak werkwoord, intransitief), Zegsw. Blaffen van de honger, van honger vergaan. || De mans verteren maar geld, en vrouw en kinderen zitten te blaffen van de honger. – Evenzo elders in Holl. en in Utrecht.
Blafsluis, Blafsluis, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie blaf.
blafter, bluchter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie blufter.
blafter, blufter, bluchter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Vlam (Krommenie). || Toe gooiden ze ’en bos stroop op ’et vuur en dat maakte ’en hele blufter. We hadden temet brand ’ehad; we kregen ’et gelukkig gauw uit, maar ’t was toch puur zo’n bluchtertje.
blafteren, blachteren, (zwak werkwoord), zie blafteren.
blafteren, blafteren, blachteren, (zwak werkwoord, intransitief), Flikkeren, op- en neergaan van een vlam. || De lamp blaffert. Dat blachteren van de vlam doet zeer an je ogen. – In Amsterdam zegt men in dezelfde zin blaffen.
Blagelskamp, Blagelskamp, Blagel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land onder Assendelft. Hetzelfde land komt ook voor onder de naam Bladekamp en Blaenkamp. || Thijs Jacobsz., die blagelscamp (in het Huurlands-weer), Stoelb. Assend. f° 37 r° (einde 16de e.). Dat cleyne blageltgen, Polderl. Assend. I f° 244 r° (a° 1600). Die blaegelcamp oft split in Willem Gerits-weer, die noorder blaegel, ald. f° 269 r° (a° 1600). Jannetge Jacob Tijssen, de blaencamp (in Huurlands-weer), Maatb. Assend. (a° 1635). d’Blaedecamp in Huerlants-weer, Polderl. Assend. IX f° 444 v° (a° 1657). – Al deze plaatsen wijzen dezelfde, naast elkaar gelegen stukken land aan (volgens het Maatb. van 1635 waren Huurlands-weer en Willem Gerrits-weer aaneengedamd). Thans is de naam onbekend. De betekenis is duister.
blakeren, blakeren, (zwak werkwoord, transitief en intransitief), Behalve zengen, schroeien (gevogelte of wild blakeren, een door de vlam geblakerd huis), zie de wdbb., ook in de zin van een vuur maken om iets bij te drogen en bij het vuur te drogen hangen, van kleren. || De kleren hangen nog te blakeren, maar ze ben temet droog. Ze blakeren daar ok maar alles bij ’et vuur (luiers, enz.). Schout en schepenen (hebben) gekeurt ..., dat niemant hem vervordere op eenige periculeuse plaetsen, ’t sy buyten ofte binnens huys, te vuur of te blakeren, Handv. v. Assend. 214 (a° 1659). – In W.-Friesl. noemt men ook het verbranden der verdroogde plantenstengels op het land blakeren en de brandende hoop zelf een blaker.
blaten, blateren, (zwak werkwoord), zie uitblateren.
blauw, blauw, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Ook nog in de oude bet. loodkleurig. || De banken an de horizont waren me niet blauw genoeg voor sneeuw. Evenzo in het Stad-Fri. – Zegsw. Zo blauw as ’en lazuur, zeer blauw. – Vgl. verder Blauwe Stad op stad. – Blauwe dikke, ook blauwtje, soort van zoetkoek.
blauwen, blauwen, (werkwoord, intransitief), Alleen in de inf. De armen over elkaar slaan om warm te worden. || As je handen koud worden moet je maar ers blouwen. Ze staan te blouwen, dat ’et ’en lust is. – Blouwen had in de vroegere taal de algemene bet. van slaan, afrossen; zie Mnl. Wdb. I, 1324, waar ook de verwante vormen in andere talen worden opgegeven.
blazen, blazen, blezen, blȇzen, (sterk werkwoord, transitief), Zie de wdbb. – Zegsw. Als hij maar een veer van zijn mond blazen kan, dan wil hij weer over een huis springen (van een herstellende zieke, die dadelijk al zijn bezigheden wil hervatten). – Zie zegsw. op ootje I. || Bij vissers. Het want blaast, gezegd als, bij het vissen met een treknet met zeer nauwe mazen, het water daarvóór door de zich opeenhopende aal en vis slijmerig en troebel wordt. De vis zwemt dan weg, maar de aal blijft en wordt gevangen. – Vroeger ook: orgeltrappen, de blaasbalg van het orgel in werking brengen. || Betaldt aen Grietie Vroemers soon van bleese op de orghel, op rekening f 2 - 10, Hs. rekeningboek kerk W.-Zaandam, f° 17 r° (a° 1665), Zaanl. Oudhk. Van blasen op de orgel, doe hij gestelt worde f 8 - 8, ald., f° 18 r°. Evenzo voor orgeltrapper ook blazer (blȇzer). || Aende bleeser vande urgel betaelt f 10, ald. f° 68 r° (a° 1671). – Bij het damspel. Een stuk wegnemen van de tegenpartij, als deze vergeet teslaan”. || Ik blaas je. Dat stuk is ’eblazen (weg). – Zo ook elders. Vgl. ik zou je blazen, ik zou je lekker danken, ik doe het niet. Synon. ik zou je hoesten.
ble, blè, (uitgesproken met gerekte è), (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de uitdr. een nochtere blè, een nuchter kalf; ook iemand die zich flauw en kinderachtig aanstelt. – Evenzo elders in N.-Holl. Vgl.: In eenige Steden van Holland worden de nuchtere Kalven, die het gemeen nuchter blae noemt, niet verkocht dan ter sluik, BERKHEY, Nat. Hist. 42, 165. – Te Amsterdam heet ook het vlees van een nuchter kalf nuchtere blè. || Nuchtere ble (ook uitgesproken ble, met een e-klank van we ook in de zin van frikkedil (zie aldaar). || We eten vanmiddag nuchtere ble.
bleek, blik, (bijvoeglijk naamwoord), Bleek, wit. Thans verouderd. Vgl. blik III en verblikken.
bleekscheet, bleekscheet, (bleekskeet), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Scheldwoord. || Je benne ’en bleekscheet. Lillike bleekscheet! – Vgl. blieckvijst (OUDEMANS, Wdb. op Bredero 58).
bleipoot, bleipoot, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in het meerv. bleipoten. Grote voeten. Eigenlijk voeten in de gedaante van een blei. || Kijk ers wat ’en bleipoten.
Bleisloot, Bleisloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een sloot te Assendelft. Wellicht zo genoemd naar de vis blei.
bleistel, bleistel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Visgerei. Een stel netten voor het vangen van blei. Zie stel. || Een bleistel met schuttingkalven, VerkoopingsCatal. (a° 1884).
blerken, blerken, (blèrke), (zwak werkwoord, intransitief), Schreeuwen, luidruchtig zijn, huilen. || Jongens, blerk niet zo; me hoofd loopt om. || Ik ken dat kind maar niet zoet houwen, ’et leit aldoor te blerken. Zie geblerk. – Vgl. Ned. blèren, blaren, blaten als een schaap.
bles, bles, (bijvoeglijk naamwoord), Van balken of delen, die niet aan alle kanten recht bezaagd zijn en langs wier ongelijke kanten nog een gedeelte van boomschors zit. Die ruwe kant heet de bleskant. Al naar gelang van hun vorm zijn de balken aan één of meerdere zijden bles. || Gebruik die blesse balk maar. Achterdelen ben nog bles, maar kantdelen hebben geen bleskant meer. – Waarschijnlijk is dit bles hetzelfde woord als Ned. bles, kaal, waarbij ook bles, witte plek, behoort. De overgang van betekenis is duidelijk, indien men mag aannemen, dat door bles in ’t algemeen aangeduid wordt alles, wat een plek vertoont, die in kleur afsteekt bij het omringende. – Samenhang met Oost-Fri. blets, slijk, modder, vanwaar bletsig, vuil, smerig (KOOLMAN I, 183 vlg.; HALBERTSMA 388 vlg.) is niet aannemelijk.
bleskant, bleskant, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie bles.
bliek, blik, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In verkl. blikkie. – 1) Bliek, blei. || Der is veel blik in die sloot. Wat ben der ’en blikkies in ’et net. – Zegsw. Zo blijd as blik, zeer blij, eigenlijk zo blij als spartelende bliekjes. || Ik ben zo blijd as blik, dat-i vort is. – Blik is ook elders in N.-Holl. bekend; VAN DALE vermeldt het als gewestelijk, doch geeft niet op waar. Het is ook in Oost-Friesl. gebruikelijk (KOOLMAN 1, 185). Vgl. KIL. “blik, Ger. Sax. Sicamb. j. bleye. Alburnus, pisciculi genus” en “blick, vetus. j. blank. Candidus”. De vis is genoemd naar zijn witte kleur. 2) Jonge haring. De vissers brengen de blik soms voor sprot in de handel. || Zuiderzeeblik wordt veul ’evongen. – Ook elders in N.-Holl. || Haringh, ... daer onder loopende veele kleyne Kijf-haringh ende Blick, Handv. v. Ench. 235, en aldaar nog enige keren (a° 1585). Evenzo in Oost.-Friesl. (KOOLMAN, t.a.p.).
blij, blijd, (blait), (bijvoeglijk naamwoord), Afgekort uit blijde. Evenzo elders in Holl. en Friesl. – Zie een zegsw. op blik III.
blijdig, -blijdig, vgl. misblijdig.
blik, blik, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) in de uitdr. er is blik in de kaart, er is gezicht (kijk) in de kaart; als er onder het door elkaar schudden een of meer kaarten omgekeerd raken. 2) Bliksemstraal. || Hè, wat ’en blik was dat. Onse naeste gebueren om den Nortwesten ... hadden mede wel wat blikken boven hunne hoofden gehadt en eenige weynige hagelsteenen, anders wistense van geen quaet, SOETEBOOM, Ned. Schout. 537. – Evenzo in geheel N.-Holl. Ook in het Mnl. en Mhd. komt blic in deze betekenis voor; vgl. Mnl. Wdb.I, 1297. Zie kettingblik, zomerblik en vgl. blikken.
blik, blik, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In een pelmolen. Een stuk blik met gaten, als een rasp, waartegen de maalstenen de gerst of rijst werpen, die daardoor gepeld wordt. Vandaar de zegsw.: er is een stien door ’t blik en toe blik an raken, hij is toe blik an, voor insolvent, failliet zijn. Is er nl. geen gerst meer tussen steen en blik, dan loopt de steen door het blik, of toe (tegen) het blik aan. – In de zegsw. ’t Is Piet met zijn blikkies, hij is van zijn geld af, hij is verarmd, is de oorspronkelijke betekenis van blikje onzeker. Overdrachtelijk wordt de uitdrukking ook gebezigd voor ’t is op, er is niet meer, b.v. als een der huigenoten te laat aan tafel komt en reeds een ledige schaal open doende, zegt: ’t Is hier Piet met zijn blikkies.
blikken, blikken, (zwak werkwoord, intransitief), Weerlichten. || ’t Heb de hele avond al ’eblikt, maar onweer komt er niet. Wat blikte het daar. As je niet thuis komme, zel ik je op je donder geven, dat ’et blikt. Evenzo elders in N.-Holl. – Zie blikkeren en blik IV.
blikkeren, blikkeren, (zwak werkwoord, intransitief), Hetz. als blikken; zie aldaar. || ’t Blikkert. Hè, wat blikkert ’et daar. – Zie over blikkeren en blikken in de bet. flikkeren, glinsteren, DE JAGER, Freq. 2, 41 vlgg., en de wdbb. op blikken.
bliksem, bliksem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – hete bliksem, zekere gloeiend hete spijs, aardappels met zoete appelen dooreen gekookt. Ook elders bekend, b.v. te Utrecht voor appels met rijst. || Hete bliksem, te Krommenie ook voor troet of boekweitgort. – Vgl. boekende blakstien.
bliksemsteen, blikstien, blakstien, bliksemstien, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Vloekwoord. Vgl. donderstien. || Te blikkenstien, daar heb ik me geld leggen laten. De blakstien, dat doet zeer. Als scheldwoord is ook in gebruik bliksemstien. || Zo’n bliksemstien! dat zel hij me niet weer lappen. – Vgl. boekende-blakstien.
bliksemsteen, blakstien, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie blikstien en vgl. boekende-blakstien.
blikskater, blikskater, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Basterdvloek; oorspronkelijk wel een naam voor de duivel. || De blikskater, wat is ’et koud. – Ook in Friesl. (HALBERTSMA 670, di blikskater!) en waarschijnlijk ook elders.
blikslager, blikslager, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ook als basterdvloek. || Wat blikslager! Te blikslager! – Wel blikslagers! Maak blikslagers gauw, dat je weg komme. – Ook elders (Utrecht, Gelderland, Overijsel) bekend.
blind, blind, (bijvoeglijk naamwoord), 1) Niet kunnende zien. Overdrachtelijk ook van gebak zonder ogen (krenten). || “Zitten er ook krenten in de ketelkoek?” “Nee, hij is blind.” Vandaar: blinde ketelkoek of blinde zuster, blinde Jan, blinde Dirk, meel, melk en stroop in een zak gekookt. – Zegsw. Nou ben-we waar we wezen moeten, zei de blinde toe (tegen) de lamme, nu zijn we er. Vgl. het leugensprookje van de blinde, die door de lamme gedragen wordt. Zie een zegsw. op zien. 2) Onzichtbaar, met water overdekt; vgl. OUDEMANS, Wdb. op Hooft 54. Als naam van een stuk land onder Oostzaan. || De Blindjes.
blindeman, blindeman, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Dat’s de blindeman de leeuwerik, dat is een onverhoopt buitenkansje. Vgl. het spreekwoord: Een blind man schiet wel een kray, SPIEGHEL (ed. VLAMING) 296.
blindvenster, blindveinster, (met hoofdtoon op blind), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Blindvenster, een nisje van een paar dm hoog, in de vorm van een kerkraam, terzijde van de schoorsteen in de tegels gemetseld. Meestal gebruikt als bergplaats voor pijp en tabakskomfoor. Thans alleen nog in ouderwetse woningen. || Zet de tuutlamp maar weer in ’et blindveinster. Vgl. HADR. JUNIUS Nomencl. 184a: “riscus, fenestella aut capsula intra parietem apparata, B. een blinde veynster” en KIL. “blinde venster j. masiergad.”
blinkerd, blinkerd, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Regenlucht, Noordwester buiten, waarop de zon weerkaatst. 2) Transparant; een stuk papier met dikke en dunne lijnen, dat onder het ongelinieerde schrijfpapier wordt gelegd. || In de hoogste klas magge we op ’en blinkerd schrijven. – Gewestelijk ook elders bekend. – Vgl. ogenblinkertje.
bloedeigen, bloedeigen, (bijvoeglijk naamwoord), In den bloede verwant. In de uitdr. bloedeigen familie, in tegenstelling van familie van de koude kant, aangetrouwde verwanten. Bloedeigen is ook elders in Holl. en Utrecht gebruikelijk.
bloem, bloem, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In verkl. bloempies, verzinsels. Wel een afkorting van blauwe bloemetjes, dat bij BREDERO e.e. voorkomt. || Och kom, vertel me maar geen bloempjes (maak me dat niet wijs). Daarnaast (o.a. te Wormer en Assendelft) ook blom. || Mooie blommen. – Zo ook in samenst. b.v. blompot. – Vgl. blompotten. – Zie de samenst. meibloem, molentjesbloem, nagelbloem, varkenbloem, veldbloem, zere-ogen-bloem.
bloembak, bloembak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de stijfselmakerij. Benaming der grote houten bakken waarin de tarwe (of maïs) te gisten wordt gezet.
Bloemendaal, Bloemendaal, In het Noordelijk deel van de ban van Krommenie, aan de Zaandijk tussen de Horn en Knollendam. Thans onbekend. || Drie ackeren lants ... gelegen bij Bloemendael binnen onsen jurisdictie, belent aende noortzijde die Saendijck. Hs. U. 138, f° 13 r° (a° 1614), prov. archief. Uyt-genomen den Dam by Bloemendael, Priv. v. Westz. 283 (a° 1600). D’eygenaers van de Bloemendaler-Dam, ald. 821 (a° 1625). – Van hier ook de geslachtsnaam BLOEMENDAAL te Krommenie en Wormerveer.
bloempotten, blompotten, (zwak werkwoord, transitief), Benaming van zekere manier om een kind te dragen. Twee personen lopen naast elkaar hand in hand, terwijl het kind op de daardoor gevormde boog zit en met de vrije hand bij de armen wordt vastgehouden (Assendelft). || Kom, kleine meid, wullen we je ders bloempotten?
blok, blok, blook, (zelfstandig naamwoord onzijdig), meerv. bloken en blooks. Daarnaast ook blook, mannelijk (?) Als naam van vele stukken land; thans merendeels onbekend. || Onder Assendelft: Pieter Wittetiaen een bloc after Bilemans, Hs. v. Egmond, f° 11 r° (13de e.). Item een sticke bi Heynetiaens bloke, ald., f° 11 v°. Die groote bloock, Polderl. Assend. 1, f° 269 r° (a° 1600). Dat grote block, dat cleyne block, ald. f° 272 r°. Die cleyne bloock, ald., f° 272 v° (a° 1600). tBlock, Maatb. Assend. (a° 1635), tBlockweer (in Buitenhuizen), Hs. U. f° 231 r° (a° 1581), prov. archief; Polderl. Assend. I f° 132 v° (a° 1600). – Ook de sloot, lopende van de weg tot de IJdijk nabij Nauerna heet de Bloksloot (a° 1458). Reeds Handv. v. Assend. verv. 385: Blocsloot (a° 1458). – Te Krommenie: Het Blok (een der delen van het dorp; gelegen tussen Vlus en Noordend); hierbij de Bloksloot. Verder liggen aldaar in het Noordend: De bloocken, Hs. U. 137, (a° 1593), prov. archief; de blooken, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 101; ’tbloock, ald. (a° 1680), f° 58. Bloke-ventje (403 roeden), Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 43, tblooke-ventje (710 roeden), ald., f° 103. – In de ban van Oostzaanden: De blooks, Polderl. Oostz. II (a° 1756). – Het Blok te Krommenie ligt niet tussen Vlus en Noordend, maar is tegenover de Vlus gelegen en loopt met een brug rechthoekig daarop uit. – De juiste betekenis dezer namen is niet met zekerheid te bepalen. Wellicht is zij dezelfde als die van O.-Fri. blokakker een korte dwarsakker, die de grenzen van langere akkers raakt. – De naam is ook elders in N.-Holl. zeer gewoon. Vgl. voor de Middeleeuwen nog: Een blocketiaen (blokje) an dat lant van over zee, item een bloc tjegen Willem Flores zones huse (de Wijk, 13de e.), Hs. v. Egmont, f° 17 v°. Aleyt Willaem Knapen een bloc tende Gherrit Heynen grote acker, item drie bloke after die kerke, ald., f° 18 v°. Vgl. voor Blokweer de dorpsnamen Ooster- en Westerblokker, waarin blokker uit blokweer is vervloeid. – Vgl. de samenst. hangeniersblokje, holleblok, Kersblok, kroosblok, kussenblok, laadblok, naslagsblok, potteblok, PRUMMELBLOK, schilpblok, sleedsblok, stuitblok, stutblok, trekkerblok, voorslagsblok.
blokdeel, blokdeel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Meerv. blokdeels. In de bouwkunde. – 1) Korte horizontaal geplaatste balken in de kap van een huis, waardoor de kromme stijl (standvink) met de wurmt verbonden wordt. 2) In een molen. Stukken hout, die op de stijlen liggen, en waarin het tafelment is gewerkt. || Het stuycken van de vloerstucken, die op het bovenste tafelment sullen leggen, sal altoos drie voet over die blockdeels komen. Hs. bestek watermolen (a° 1634), archief v. Assendelft.
bloker, bloker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie blookmaker.
blokhaak, blokhaak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de kuiperij. Een haak aan een stok, waarmede zeer zware hoepels om een kuip of ton worden heengehaald. Synon. bandhaak. De blokhaak wordt b.v. gebruikt bij het binden van stijfselkuipen; een man gaat dan aan de stok trekken en hangen.
Blokkerakker, Blokkerakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Krommenie, gelegen langs het Blok. || De Blokkerakker.
blokmaalder, blokmaalder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De meesterknecht op een oliemolen, die aan het (naslags)blok staat. – Vgl. dagblokmaalder, nachtblokmaalder.
Bloksloot, Bloksloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie blok.
Blokweer, Blokweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie blok.
blookmaker, blookmaker, bloker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die katrollen en schijven voor takels maakt. Van blok, meerv. eertijds bloken, katrol. Het woord is thans verouderd. || Bloock-maeckers maecken Blocks en Schijven, en Pompen die het Water suygen, Saenl. Wassende Roos 16. Bloocker die sijn schijf wel drayt, seylman die het lijck wel nayt, ald. 18. Timmerluyden, Kistemaeckers, Bloockemaeckers, Kuypers. Priv. v. Westz. 487 (a° 1644). Govert de Blookemaker (te W. Zaandam, 17de e.), Hs. grafregister, Zaanl. Oudhk. (Betaalt) aan J. Blookmaker voor blokken ... gulden, Rekening (18de e.), verz. Honig. – Evenzo elders in Holl.; vgl. de geslachtsnaam BLOOKER. Het woord komt reeds in de Middeleeuwen voor, doch wellicht in een andere zin. || Arnd die blokemaker, Rek. d. Graf. v. Holl. 1, 210.
bloot, bloot, (zelfstandig naamwoord), Zie de wdbb. – Bij het dominospel. Dubbelde-bloot, dubbelblank. – Zegsw. Bloot is doot. Uitroep bij verschillende kinderspelen (krijgertje, steentje-bekeur, enz.) om aan te kondigen, dat een een tik op een bloot lichaamsdeel (b.v. de hand) niet geldt.
bluffen, bluffen, (zwak werkwoord, intransitief), Pijlen, walmen; van een lamp, die hoog brandt, zodat de vlam boven het glas uitkomt. Zie synon. op loeven. || De lamp bluft, draai ’em gauw wat neer. – Waarschijnlijk ook elders bekend.
bluister, blester, blesterd, (blestər), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Eigenlijk opzwelling, blaar, blaas; in verschillende toepassing. Blaas van een koe of varken. || Haal ers ’en blesterd van de slager. Kijk, wat heb die ’en blesters bij ’em (van iemand, die met een bos blazen loopt). – Diepliggende, vlezige kringen of blazen onder de ogen. || Wat het hij blesters. ’t Staat lillik zukke blesters onder de ogen. – Buil aan het hoofd. || ’t Peerd is ’evallen en heb nou ’en blester an zijn kop. Wat heb jij ’en blester boven je oog. – Blaar, optrekking van verf. || ’t Schut is slecht ’eschilderd: ’t zit vol blesters. Wat ’en grote blester. Je magge (moogt) de blesters niet stukdouwen. – Vgl. Eng. blister, blaar, en Drents bluusteren, opdrachtig, opgezet, opgeblazen zijn, van het gelaat en van het weer. Ned. bluisteren betekent flikkeren, zengen, schroeien; zie DE JAGER, Freq. 2, 46. Vgl. fnisteren naast fnuisteren, fluisteren.
blut, blodder, bludder, (blòddər), (bijvoeglijk naamwoord), Blut, niets meer hebbende. || Ik ben blodder (mijn laatste cent is uitgegeven). As jollie zo achter die koek zitte, zelle-we gauw bludder wezen. – Zie blodderwinst.
bluts, bluts, (blus), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Kwetsuur. Ook afgestoten hoek; van porselein of aardewerk. || Hij heb bij die vechtpartij ’en paar blussen en schrammen op’elopen. Dat bord is zeker ’estoten, er is ’en blus of. – Zie verder FRANCK op bluts, en vgl. blutsen.
blutsen, blutsen, (blussə), (zwak werkwoord, intransitief), Zie de wdbb. Ook afsplinteren, door aanstoten afscherven. Zie bluts. || Porselein is wel sterk, maar ’et blust licht. Een geblust kopje.
blutwinst, blodderwinst, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij kaart- en andere spelen. Winst, die weer verloren gaat. Alleen in de zegsw. eerste winst is blodderwinst , eerste gewin is kattegespin, het laatste gaat de zak in. – Zie blodder.
bobbel, bobbel, bobel, (bòbbəl), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een soort van waterbies, Scirpus Lacustris L. Vgl. Ned. Wdb. III, 5. || Wijders genoemde sloten ... ter degen op te klaren en te zuiveren van kroos, rieden, bobbelen en uitgewassen. Proclamatie heiningschouw (Krommenie a° 1893). Mede (sal) niemant ... met de zegen, kuylen ... (etc.) op enige wassende hooylanden, rietackers, nieuw aengeplante bobel- ofte riedlanden ofte rieddergen mogen gaen trecken, Hs. keur op de visserij (a° 1738), archief van Wormer. – Het woord komt ook voor in de naam van verschillende stukken land. || Die bobelcamp, Stoelb. Assend. f° 35 v° (einde 16de e.). Bobelkamp, Polderl. Wormer, f° 17 (a° 1776). Bobelke mat, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 296. Dat boebbelveentgen, Polderl. Assend 1 f° 280 r° (a° 1600); bobbelveentgen, ald. f° 281 r°. Die bobelven, Polderl. Westz. III f° 60 v° (a° 1644).
Bobbelkamp, Bobelkamp, bobelland, enz. zie bobbel.
bobberd, bobberd, (bòbbərt), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bobbekop, stijfkop, stuipekop; gezegd van onwillige dieren, die zich moeilijk laten leiden, en van stuurse, stijfhoofdige personen. || Met de bonte ken-je niks worden, dat’s ’en bobberd. Laat die bobberd ’et zelf weten, as hij je geen goed woord geven wil. – In het Stad-Fri. beduidt het woord domkop, stommeling.
bochelen, bochelen, (zwak werkwoord), vgl. opbochelen.
bocht, bocht, (bòcht), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Er de bocht om leggen, omhelzen, kussen (de Wormer). Bijna verouderd. || We zellen er de bocht nog ers om leggen (op vrolijke partijen, enz.). – Ook in de Beemster (BOUMAN 14).
bochten, bochten, (bòchte), (zwak werkwoord, intransitief), Een wijze van touwtje-springen, waarbij enige meisjes achter elkaar door het bochttouw springen. || Willen we bochten of slingeren? – Men zegt ook: De bocht is zo slap: bocht wat harder (draai het springtouw wat harder in de rondte). – In het Stad-Fri. bochtspringen.
bod, bod, bot, (bòt), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)), Een losstaand stuk riet aan de zoom van het land. Tegenwoordig meest in de samenst. rietbod. || Laten we de rietbodden maar ofsteken. Riedt, Bodden, Water ende Landt daer bezuyden tot den Gou toe, in Zaandam, Handv. v. Westz. 463 (a° 1642). – Ook als naam van stukken land. || De Bod, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 57. Dat botge aen de dijck, Maatb. Assend. (a° 1635). De botcamp, Jan Dirck Huysers botcampghen, ald. De Botveen, ald. Die budveen, Polderl. Assend. I f° 241 r° (a° 1600). – Daarnaast vindt men bodze in een Instructie voor de landmeter in de Polderl. Oostz. I (17de e.); De landen binnendijck hardt landt (ende) geen bodsen noch sodsen te meten. – Vgl. HADR. JUNIUS, Nomencl. 282b: “Palus B. Maras, vennen, bodsich lant”, en daaruit bij KIL.: “Bodsigh-land, Holl. Palus.” Evenzo staat zodge naast rietzudde; zie aldaar. – Vgl. swansbod, vierbod, bodden en bodswal.
bod, bod, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. kustebood.
bode, booi, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de zegsw. booi is keukenmeester, ’t gaat er wanordelijk toe. – Vgl. Ned. booi is baas, Jan Rap speelt de meester. Wat booi hier betekent staat niet vast. Misschien is het enkelv. van booien, dienstboden, in welk geval de zegsw. echter van elders in Holl. naar de Zaan moet zijn overgebracht. HALBERTSMA en TUINMAN vatten (doch waarschijnlijk ten onrechte) booi op als Fri. bôi, knaap; vgl. booi II. – Het woord is nog gebruikelijk voor knaap (althans in Wormerveer); meestal als vleiwoordje voor kinderen. || Lekkere booi, geef me nog ’en zoentje. Wel booi, wat zien-je der gezond uit. – Zie verder Ned. Wdb. III, 34 vlg.
bode, bode, bood, boodbrenger, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Op de gewone wijze verkort tot bood. – 1) Boodschapper. || Zegsw. Daar is geen bood zo goed, as die het zelf doet. Vgl. Ned. Wdb. III, 381. 2) Boodschap, bericht. Steeds in verkl. behalve in de uitdr. boodbrengen. Wil je ’en boodje voor me overbrengen? Er is ’en boodje van Trijntjebuur ’eweest, of je ers ankomme. – Boodbrengen, langs de huizen rondzeggen, dat iemand overleden is, een kind, gekregen heeft of ondertrouwd is. || Er is bood ’ebrocht, dat Klaas Gerritsz. overleden is. We zelle ’et laten boodbrengen. – Vandaar boodbrenger, zelfstandig naamwoord mannelijk Aanspeker. – Elders in N.-Holl. spreekt men van de bood krijgen, boodschap, bericht krijgen (Taalgids 2, 100).
Bodegraven, Bodegraven, Zegsw. Hij kwam van Bodegraven, en die er vandaan kwamen, hadden er ook geweest (van iemand, die onverrichter zake terugkomt). Wellicht is de uitdr. ontstaan na de verwoesting van Bodegraven en Zwammerdam door de Fransen in 1672. Blijkens Journ. Caeskoper zijn toen vele Zaankanters naar die vernielde dorpen gaan kijken. – Vgl. de zegsw. van de kat, die naar Londen gestuurd werd en die bij zijn terugkomst “miauw” zei.
bodem, bodem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op boter.
bodswal, bodswal, (bòtswal), (zelfstandig naamwoord mannelijk), De een land omgevende rietwal, het riet aan de oever van een stuk land. Zie bod II. || Een stuk lant ... groot ... ses hondert tses en tnegentigh roede, aldus gemeeten met Hondbosse maet, omtrent ter halver bodswal voor lant, volgens tgebruyck daervan sijnde, Hs. (Wormer a° 1680), Zaanl. Oudhk. – Op het einde der vorige eeuw nog bekend, doch naar het schijnt nu in onbruik.
bodze, bodze, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie bod II, en vgl. zodze.
boede, eerdbod, (eerbòt, met klemtoon op eer), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Vierkante houten bak op lopers, om aarde over het land te brengen (de Wormer). De eerdbot wordt getrokken door een paard. Het woord is een samenstelling van eerd, aarde, en bod, bodde. Vgl Oost-Fri. budde, ein auf einem kleinen Schlitten stehender viereckiger offener Kasten oder Behalter, womit Unrath und Dünger aus dem Stall geschafft und Erde übers Grünland gefahren wird. Ndd. drekbütte, Unrathskasten, worin man den Unrath sammelt und in den Dreckwagen ausstürzt. Hetzelfde woord komt in verschillende betekenissen in de meeste Germ. talen en ook in het Romaans voor; zie FRANCK op but, KOOLMAN op budde. Vgl. voor het Ned. nog: bodde j. botte, corbis dossuaria, orca, vas, (KIL.), botte, rugmand, draagkorf; but, bierkan, houten vat, draagkorf, (VAN DALE). Zie bodde.
boede, boed, boet, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meerv. ongebruikelijk. Kleine schuur bij de boerderij of achter het huis. Zie Ned. Wdb. III, 51 vlg. || De varkens in de boed brengen. Haal effen ’en emmer uit de boed.
boedelgave, boȇlgaaf, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Huwelijksgeschenk. – Vgl. Ned. Wdb. III, 61 en SCHELTEMA, Mengelw. IV3, 123. || We hebben van vader een tafel en zes stoelen as boȇlgaaf gekregen.
Boef, Boef, Boefweer, (zelfstandig naamwoord), zie Boveeg.
boef, boef, (zelfstandig naamwoord), Meestal in verkl. boefie. Flanellen hemd, zonder mouwen, hetwelk op het blote lijf wordt gedragen. || ’t Wordt zo koel, denk er om, dat je vanavend ’en boefie antrekke. Me wollen boefie is uit’escheurd. Twee flenelle boevjes, Hs. invent. (a° 1796), Zaanl. Oudhk. Twee paer coussen en twee paer socken, twee boeffies, twee blaeuwe buffelse wolhemties, Hs. Invent. (Jisp, a° 1687), prov. archief. In Drente heet een kort jasje of buisje guut (d.i. guit); vgl. Ned. Wdb. V. 1228. De benaming is dus wellicht ontleend aan boevenkleding.
Boeg, Boeg, Boegveeg, (zelfstandig naamwoord), zie Boveeg.
boeglegger, boeglegger, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hulpschipper die met een tweede schip achter de beurtschipper vaart, als deze zijn vracht niet alleen vervoeren kan. Ook overdr. van een boodschaploper, die bij grote drukte (b.v. met St.-Nicolaas) een helper met een tweede wagen heeft. || Schipper N. vaart vandaag met ’en boeglegger. – Vgl. bij WINSCHOTEN, Seeman: “Boeglegger, de Schipper, of het Schip, dat op een geset Veer vaaren moet, naa den regten Beurdman.”
boeien, boeien, (zwak werkwoord, transitief), Zie Ned. Wdb. III, 89. – Men spreekt ook van een geboeide schop, een ijzeren schop met opstaande randen.
boek, boek, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Ook een soort van haardschut, dienende om een stookplaats te verbergen. Het boek is een vierkant scherm met twee vleugels, die als een triptiek dichtgeslagen kunnen worden, en bestaat uit een geraamte van latten, met behangdoek overtrokken en behangpapier overplakt, terwijl zich in het voorscherm een deur bevindt, die met een landschap beschilderd is. Deze boeken zijn soms kostbaar; zij zullen wel aldus genoemd zijn, omdat zij als een boek worden toegeslagen. || Een boek om de haart f 3 : 10-, Hs. invent. (Wormer, a° 1767, prov. archief.) – Vgl. gaarboek. – Zie de samenst. bofboekje, kusteboodboekje.
Boekakker, Boekakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Assendelft. Thans onbekend. || De Boeckacker, Maatb. Assend. (a° 1635).
Boekhorn, Boekhorn, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie Buikhorn.
boekweit-bliksemsteen, boekende-blakstien, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Boekende-gort – Vgl. hete bliksem als naam voor een andere gloeiend hete spijs.
boekweit-troet, boekende-troet, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie troet.
boel, boȇl, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op omgooien, en vgl. tisboel, uileboel.
boelhuis, boȇlhuis, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie zegsw. op bijt.
boen, boen, (bijvoeglijk naamwoord), vgl. onboen.
boenen, boenen, (zwak werkwoord, transitief), Met water nat maken en vervolgens met de boender schrobben; van houtwerk, keukengerei, enz. – Evenzo elders in N.-Holl., in Friesl., Gron., enz.; zie Ned. Wdb. III, 151 vgll. – Vgl. boenstoep, boenwal.
boenstoep, boenstoep, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een houten beun of steiger aan de kant van het water, waar emmers en vaten worden geboend. Synon. walstoep en boenwal. Evenzo elders in N.-Holl.; vgl. Ned. Wdb. III, 153.
boenwal, boenwal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie boenstoep.
boer, boer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. ’t Is een dure tijd: de boeren zoenen der wijf zelf. – Alle zegen komt van boven, zei de boer, en het dak van zijn huis stortte in. – Waar het rookt is het warm, zei de boer en stak op het ijs zijn pijp op. – Zo zien-je me en zo zien-je me niet, zei de boer, en hij kroop onder de wol. – Vgl. groeneboer, groenteboer, kolenboer, matteboer, petroleumboer, POLBOER op pol V, potteboer, schilpeboer, stadboer, voddeboer, waaiboer, zaagselboer.
boeren, boeren, (zwak werkwoord, intransitief), Zeker spel, bestaande in het met stenen werpen naar een steenhoop (boer), waarbij een jongen (eveneens boer genaamd) de wacht houdt. Vgl. Ned. Wdb. III, 159. Te Westzaan heet dit spel kloteboeren, waarschijnlijk omdat men vroeger met een kloot (bol, ronde steen) naar de boer wierp.
boerenhoed, boerehoed, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meestal in de verkl. boerehoedje. Een strooien hoed van bijzondere vorm, met gebogen opslagen, die met gebloemd katoen zijn bekleed (zie afb. in Ferd. HIRT’s Geogr. Bildertafeln III, n° 60 f). Dracht der boerinnen en burgervrouwen; de boerehoedjes beginnen echter te verdwijnen.
boerenhosklos, boere-hotsklots, (boerəhosklos), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Boerewagen zonder veren. Vgl. hotsklots II. || Ik ben met ’en boerehosklos meegereden.
boerenkarhengst, boere-karhengst, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Plomp, onwellevend persoon. || Och, je ken van zo’n boere-karhengst niet beter verwachten. – Stad-Fri. in dezelfde zin wel karhingst.
boerenkiep, boerekiep, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Hetzelfde als boerehoedje; zie aldaar, en vgl. kiep.
boerenkool, poepekool, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Boerekool. || We eten vanmiddag poepekool. – Evenzo in Waterland (Taalgids 6, 310).
boerenkrijt, boerekrijt, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In de uitdr. met boerenkrijt rekenen of werken met een boerekrijtje, een nu verouderde stuiversrekening, waarbij met Romeinse cijfers en andere tekens op een houten bord werd aangetekend, hoeveel geld verschuldigd was. Ook wordt met een boerekrijtje in de stal aangetekend, op welke tijd de verschillende koeien zullen kalven. Evenzo in geheel N.-Holl. (vgl. BERKHEY, Nat. Hist. 7, 80) en in Friesl. Zie een uitvoerige beschrijving bij HALBERTSMA 557 en DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven I, 404 en 360. Vgl. Ned. Wdb. III, 177.
boerenplat, boereplat, boereplatgat, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast boereplatgat, zelfstandig naamwoord onzijdig Platboomd vaartuig, waarmee hooi, vee of mest vervoerd wordt. || Er zijn hier zo weinig rechtveerdigen in de kerk, dat ze wel in een boereplat kunnen (volgens overlevering uit een preek te Oostzaan).
boerensarge, boeresarries, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een blauw-wollen stof, waarvan vrouwenrokken worden gemaakt. || Een rok van boeresarries. Een boeresarrieswagd. – Sarries is een verbastering van sargie, sarge, serge; zie de wdbb. Evenzo in Friesl. sasjes, sarsjes.
boerenstulp, boerestolp, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Boerewoning, boerderij. Vgl. stolp. || As je rechtsom slane kom-je eerst bij ’en boerestolp en dan bij ’en groot wit hek: dat gaan-je door.
boerenwafel, boerewafel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Beschuit met boter, suiker en kaneel. || Neem nog een krentebroodje, of heb-je liever een boerewafel? – Ook elders gebruikelijk.
boerenwei, boerewaai, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Wei, hui, Zie waai. || Wat ter zijden geset zijnde, klontert de Melk, makende Stremmels tot Kase, goet om te eten, en goet Boereway, soet en aangenaam om te drinken, SOETEBOOM, S. Arc. 264.
boeten, boeten, (zwak werkwoord), vgl. inboeten en boetkam, boetvild.
boetkam, boetkam, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de molenmakerij. Inzetkam, in voorraad gehouden kam voor een molenwiel, om zo nodig een der lopende, maar te veel afgesleten kammen te kunnen vervangen. Deze boetkammen hebben slechts twee konen, omdat ze dienen om ondershands ingeboet te worden en de andere kammen van het gang dus ook gedeeltelijk afgesleten zijn. || 1 Pen tot een as, 10 boetkammen, 6 nieuwe rollen tot de kap, Invent. oliemolen (Zaandijk, a° 1796), Zaanl. Oudhk.
boetvild, boetvild, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de papiermakerij. In voorraad gehouden nieuwe vilden, die gebruikt worden om de te dun geworden en geen water meer houdende vilden in een post te vervangen. Vgl. vild. || Ik heb drie boetvilden nodig. 7 Posten (nl. posten vilden) en enige boetvilden, Invent. papiermolen (W. Zaandam, a° 1770), Zaanl. Oudhk.
Boeveeg, Boeveeg, (zelfstandig naamwoord), zie Boveeg.
Boevenhem, Boevenhem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land onder Assendelft. Thans onbekend. || Bi boeven hem, Hs. v. Egmond, f° 11 r° (a° 1267). Aernt vander Voert II gerse in boeven hem, ald. f° 64 r° (a° 1374). Claes de visker VII made in boeven hem, ald. f° 81 v° (a° 1375).
boezel, boezel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Boezelaar. – Ook overdrachtelijk: Dat huis krijgt een nieuw boezeltje voor (een nieuwe voorpui).
boezelaar, boezelaar, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. In de algemene taal is het woord mann. – Vgl. pikkeboezelaar.
boezelbijs, boezelbijs, (zelfstandig naamwoord onzijdig), De stof waarvan werkboezels gemaakt worden; zie pikkebijs en vgl. bijs.
bofboekje, bofboekje, (bòfboekie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Boekje, waarin van ambtswege werd opgetekend wie van een koop geboft had. In het archief van Assendelft berust zulk een “Boff-boeckje der Jurisdictie Asssendelft”, lopende van a° 1685-1797. Zie boffen.
boffen, boffen, (bòffə), (zwak werkwoord, intransitief), 1) Bonzen. || Hij bofte met zijn hoofd tegen de deur. – Vgl. bofkonten. 2) Afzien van een koop, een koop breken. Ieder die iets had gekocht of verkocht, gehuurd of verhuurd, had het recht binnen drie dagen de overeenkomst te vernietigen. Volgens overlevering moest de bewuste persoon dan op de stoep van het raadhuis driemaal zeggen:Ik bof, terwijl hij met zijn achterste tegen de deur bofte (bonsde). Het woord is tegelijk met het boffen in onbruik geraakt. – Ook elders in N.-Holl., doch aan de Zaan alleen te Assendelft bekend. Vgl. Ned. Wdb. III, 248. || Soo wie hem selven beswaert vindt by eenige koopmanschappen, binnen Assendelft gemaekt, magh binnen drie etmalen boffen, dat is daer van af gaen, ende daer uyt scheyden, mits voor den Schout en twee Schepenen syn boffen verklarende, en betalende de dubbele Wynkoop, Handv. v. Assend. 247 (a° 1668). Den 18 Juny 1685 heeft Dirck Baes geboft van een Coopmanschap van groene kaes off kantert vercoft aen een Coopman tot Amsterdam, betaelt 7 st. 8 p., Hs.bofboekje, archief v. Assendelft. – Zie ook Wfri. Stadr. 2, 309 en 348, en vgl. bofboekje, Boffersven, Bofland.
bofferd, boffer, (bòffər), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zeker gebak. Kleine dikke pannekoek met krenten, waarvan er meerdere tegelijk in een pannekoekspan gebakken worden. Elders heten zij drie-in-de-pan. || We eten vanmiddag boffers. – In verkl. boffertje, poffertje, bollebuisje; een soortgelijk gebak, doch in een poffertjespan gebakken. || Boffertjes bakken. – Boffert en boffe(r)tsje zijn ook in Friesl. gebruikelijk. – Zie gistboffer.
bofferd, poffer, (pòffǝr), (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Meestal in verkl. poffertje. Zeker rond gebak; zie de wdbb., en vgl. poffertjesboel. 2) Gepofte appel. Zie synon. op pafappel. || Ik hou veul van poffers.
Boffersven, Boffersven, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land te Assendelft, zo genoemd omdat indertijd van de koop dezer geboft is. Vgl. boffen.
bofkonten, bofkonten, (bòfkontə), (zwak werkwoord, intransitief), Zeker spel, waarbij twee jongens een derde bij armen en benen opnemen en herhaaldelijk op zijn achterste doen neerploffen. – Dient voornamelijk tot inwijding van de nieuwelingen op school en catechesatie. – Vgl. Taalgids 4, 41: pofkonten, iemand met de knie tegen zijn achterste stoten (Dordrecht).
Bofland, Bofland, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Assendelft; nu onbekend. Wellicht van dezelfde oorsprong als de Boffersven; zie aldaar. || De ackertgens met het boflandt, Polderl. Assend. II f° 139 r° (a° 1600).
bok, bok, (bòk), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Platboomd vaartuig, waarmede turf, mest, zand, enz. vervoerd wordt. Zie Ned. Wdb. III, 264 vgl. Ook in de samenst. misbok (mestbok), zandbok.
bok, bok, (bòk), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Een bokkie kopen, een slokje kopen; te Krommenie op de laatste dag voor kermis. Volgens overlevering zou op die dag eertijds bokkenmarkt gehouden zijn, doch elders blijkt daarvan niet. Vgl. de uitdr. een bok (aan touw) hebben, dronken zijn. – Bok-op Jasper spelen, bok-bok-sta-vast (Krommenie). – Iemand van de Bok op Jasper sturen, van het kastje naar de muur sturen, door verkeerde inlichtingen nodeloos heen en weer doen lopen (de Bok en de Jasper zijn molens). – Een bokkie ook voor slechte sigaar. Evenzo te Amsterdam en in het stad-Fri. – Vgl. bokje-spring, bokkepiel, nijtekop.
bokjespringen, bokje-spring, (zelfstandig naamwoord), in de uitdr. bokkie-spring doen, bok-bok-sta-vast spelen. Vgl. Ned. Wdb. III, 262.
bokkenpiel, bokkepiel, (bòkkəpiel, met een hoofdtoon op piel), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Schertsende benaming voor een afgesleten, tot een stompje geworden verfkwast (Wormerveer). || Met zo’n bokkepiel ken ik niet meer schilderen (verven). Gooi die bokkepiel maar vort. – Vgl. hakkepielen.
bokkentakel, bokketakel, (bòkkətákəl), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij molenmakers. De takel waarmede bij het verroeden van de molen de roede, die er niet wordt uitgenomen, vastgehouden wordt; borgtakel.
bokking, bokking, (bòkkəng en bòkkem), (zelfstandig naamwoord), meerv. bokkings. Zie Ned. Wdb. III, 271. Men onderscheidt droge bokking, strobokking, die zonder verdere toebereiding uit de hand gegeten wordt, en natte bokking, welke gebakken wordt en tot middag- of avondeten strekt. || Bokking met kriel (kleine aardappels). – Ook: vinnig gezegde, grauw, gemopper, in de uitdr. iemand een bokking geven, hem afgrauwen, een hatelijkheid zeggen, en iemands bokkings opeten, zijn gemopper verdragen. || Je moppere altijd zo; ik moet altijd jou bokkems maar opeten. Je hoeve niet zo te mopperen: eet zelf je bokkings (ook wel bokken) maar op. – Zo ook bij oudere Holl. schrijvers, maar thans alleen nog gewestelijk bekend; zie Ned. Wdb. III, 273, vlg. – Vgl. BURGERHART.
boksen, boksen, buksen, (zwak werkwoord, intransitief), Vuistvechten. Zie de wdbb. || Willen we buksen?
Boksland, Buksland, Boksland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast Boksland. Naam van een stuk land onder Assendelft. Thans onbekend. || Een stucke ofte perceel landts genaempt bucxlant, Hs. U. 20, f° 244 r° (a° 1584), prov. archief. Dat bucxlant aen de wech, dat bucxlant ten enden daeraen, die vuyterdijc over bucxlant, Polderl. Assend. I f° 30 r° (a° 1599). Die halve uyterdijck over bocxlant, ald. f° 30 v°. – In 1754 werd “Boxland” afgestoken voor de zeedijk. – De oorsprong van de naam is onbekend. Misschien heeft men te denken aan de heester buks; zie de wdbb.
bol, bol, (bòl), (bijvoeglijk naamwoord), Week, slap. Vgl. Ned. Wdb. III, 293. – Van grond. Week. || Dat land is zoo bol; de koeien zakken er met ’er pooten deur. Hoe dat de Landen ... in de Bannen van Westzaanden ... seer laegh, bol, ende week van grond ... zijn, Priv. v. Westz. 121 (a° 1577). Die bolle, lichte, ende weecke kanten vande smalle Weeren ende Ackeren, ald. 122. Vgl. Bollerd. – Van turf. Bolle turf, losse onvaste lange turf. || Geef maar wat bolle turf, dan zel ik de kachel wel weer an de gang brengen. – Van ijs. Week van oppervlakte ten gevolge van dooi. || Je had geen scherpe schaatsen noodig, de zon maakte ’et ijs bol. We konnen temet niet vooruit kommen, zoo bol was ’et ijs. Was heen moy rije, doordient snaghts een wijnigh had gevrooren, dogh op de wederkomst wast ijs bol door doyen, Journ. Caeskoper, 24 Febr. 1684.
bol, bol, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Verkl. boltje. Zie de wdbb. Ook in de volgende opvattingen. – 1) Wittebrood. Niet alleen cirkelvormige, van onderen afgeplatte ronde broden, maar ook wittebroden van langwerpige gedaante. Evenzo elders in N.-Holl. en in Friesl.; vgl. Ned. Wdb. III, 285. Men onderscheidt naar vorm en bestanddelen knipbollen, krentebollen, pannebollen, plaatbollen, stroopbollen en trommelbollen; zie die woorden. || (Rondbrood:) Op Looielak mag-je zoveul warme bollen eten, as je wille (wilt). – (Langwerpig brood:) As de bakker komt, neem dan ’en bol van negen centen. Je hebbe vanmorgen ’en oudbakken Ceresbol (brood uit de fabriek Ceres) ’ebrocht. Ik wil de punt van de bol wel opeten. Wat ’en schrokerig boltje. – In verkl. ook snee brood, stuk wittebrood, boterham. || Een schootje had vroeger acht boltjes, maar nou tien. Ik lust nog wel ’en boltje. We zellen vanmiddag maar wat boltjes bakken (wentelteefjes bakken). We gane nou een boltje met garreneel klaar make en den (dan) an de schaft, Sch. t. W. 279. – Suikerde bollen zijn sneden brood met muisjes van suiker bestrooid, die ter ere van een jonggeborene worden genuttigd. – Te Krommenie heeft men op Luilak grove (van grof meel) en fijne bollen. Vgl. ook een schootje grove bollen op schoot II. – Vgl. melkbol en waterbol. 2) In een pelmolen. Het onmiddellijk onder de steen gelegen, gladde gedeelte van het steenspil, waarlangs de neuten draaien. 3) In een pelmolen. De schijven, waarover de snaar (drijftouw) van de waaierij loopt. De bol bestaat uit 3 schijven van verschillende grootte vóór elkaar, waartussen dus twee klossen zijn. De snaar wordt, al naar de spanning meer of minder moet zijn, over de een of andere klos gelegd. Meestal is de bol met bontgekleurde wolkjes beschilderd. 4) Bij de visserij. De ronde, platte kurken aan een schakelnet. || Der moeten nog bollen an’emaakt worden. 5) Zegsw. Voor de bollen lopen, er duchtig van langs krijgen. Thans verouderd. Misschien is met bol hier bedoeld de bal van enig werpspel, die men op onzachte wijze tegen het hoofd of op de voeten kon krijgen, indien men er vóór liep. || (Wy) sullen dit niet alleen kortelijk overloopen, maer ook aentrekken hoe den Oversten Wrangel ... voor de bollen geloopen heeft, SOETEBOOM, Ned. Schout. 622. By Brussel settense verscheyden Dorpen in brandt, tot datter over al beter sorge by de besmettingen over gedragen wierdt, en van de Spaense zijde sy menigmaal lustigh voor de bollen liepen, doodt geslagen of gevangen zijn geworden, ald. 644. Hoe wel de Fransen eerst selver niet weynigh voor de bollen liepen, ald. 727. – Vgl. Fri. voor de ballen stean, of foar de ballen opkomme, opdraye, aan het gevaar blootgesteld zijn. – Vgl. verder HOL OVER BOL op hol I, HOLTJE OF BOLTJE op hol I, en breedbol, hanehuinebollen, huinebollen, kaasbolletje, knorsebol, Kuibol, Kuigbol, pruikebol, rollebol, Ruigbol, spinbol, stortebol, witbol en stutelebollen.
Bolder, Bolder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie Bollerd. Op een binnenvaartuig. Een der uitstekende vierkante klampen op het scheepsboord; dwars daardoorheen is een ijzeren pen gestoken, die bolderpen heet. De bolders dienen voor het vastmaken van touwen. Ook elders gebruikelijk; zie Ned. Wdb. III, 300.
boldermes, boldermes, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie beschuitsbolder.
bolderpen, bolderpen, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een zware ijzeren pen met bolvormige knop, die in de hardstenen dekstukken der sluismuren wordt bevestigd, en dient voor het vastmaken van touwen. – Vgl. Ned. Wdb. III, 300, waar bolder in een soortgelijke bet. wordt vermeld. || Der is ’en bolderpen los’eraakt. Noch op de Zuydermuur drie deckstucken tot de bolderpennen, lang drie en breet een en een half voet, en de bolderpennen daar in met loot wel vast te gieten, so als dat behoorende is, Bestek Kooger-sluis (a° 1728, archief v. Zaandijk). – Zie een andere bet. op bolder.
bolk, bolk, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De vismand, die door de visvrouwen op het hoofd gedragen wordt; soms ook de draagkorf, die zij op de rug dragen. Weinig gebruikelijk. – In de 17de e. komt het woord voor, naar het schijnt in de zin van zak, doch het is alleen bekend uit lezingen van het verhaal der burchtvrouw van Haarlem, die door list het leven van haar man redde. || (Sy) dwongen (hem) ... het Casteel over te geven, op dese Voorwaarden, dat zijn Huys-vrouw soude mogen daar uyt draagen, wat sy liefst hadde, waar op het Accoort is aangegaan, en heeft haar Man in een Bolk op den hals geschort, met hulpe van haar Dienstmaagd, buyten het Slot gebracht, LEEGHWATER, Korte Beschr. v. Haarlem (ed. 1706), 6. Hetzelfde wordt bij SOETEBOOM, S. Arc. 105, aldus verhaald: Welck ingewillicht, en met eden bevestigt sijnde, heeft sy ’er man in een male geslooten, en met de dienstmaegden die haar hielpen uyt den kasteele gebracht. De Latijnse lezing bij SCHREVELIUS, Harlemias (ed. 1754) heeft: bugae inclusum. Zie verder Ned. Wdb. III, 303.
bollebuis, bollebuis, bullebuis, (bolləbois), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meest in verkl. bollebuissie. Poffertje. – Ook in samenstelling bollebuisjeskraam, bollebuisjespan, 1 bollebuyspantje, Hs. invent. (Krommenie a° 1796; prov. archief). – Zie verder Ned. Wdb. III, 305.
bollen, bollen(II), (zwak werkwoord, onpersoonlijk), Aanstaan, bevallen, genoegen doen. Zie Ned. Wdb. III, 309. || Zo’n makkelijk leventje dat bolt ’em wel. ’t Bolde me niks, dat ik me zin niet kreeg. – Soms in de zin van spijten, begroten, nozen. || Het bolt me, dat ik ’et maar niet ’ekocht heb.
bollen, bollen, (zwak werkwoord, intransitief), Bolrond worden, met een ronde bol ijs omzet worden; van gedeeltelijk onder water stekende vaarbomen, waarom zich bij vriezend weer aan het watervlak een bol van ijs vormt. || Slaan ’et ijs maar van de boom of, hij is ’ebold. Clare loght, vroor seer sterk ... d’boomen opd’Zaan gebolt, Journ. Caeskoper, 22 Jan. 1704. – Vgl. aanbollen.
Bollerd, Bollerd, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land op het Kalf; misschien zo genoemd omdat het bol (week) van grond was. || Noch braecklandt: de bollert opt Calf, Polderl. Oostz. I (midden 17de e.). – Tegenwoordig heet dit stuk: de Bolder; in de vorige eeuw ook Boldersven, Custb. (a° 1741).
bolling, bolling, (bòlləng), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Alleen in de uitdr. in de bolling van de hand, in de bolle, geopende hand. || As je me tien centen geve (geeft) in de bolling van me hand, dan doen ik ’et. – Evenzo in het Stad-Fri. in de bollen van zen hand.
bolspaak, bolspaak, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In een oliemolen. Een spaak van omtrent 50 cm lengte, met een bolvormige verhoging aan het ene eind. De bolspaken steken in de wentelas en wentelen met deze rond. Daardoor wordt telkens een spaak onder de vuist van een der haaien of stampers gebracht, die daardoor in de hoogte worden getild.
Bombraak, Bombraak, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een braak bij Oostzaanden. Thans onbekend. De oorsprong van de naam blijkt niet. || Dat ... hem niemant sal vervorderen te Modderen ... uyt de Dijck-braeck ..., noch uyt Bom-braeck ende Kock-sloot, LAMS 713 (a° 1633). De nieuwe Braeck en Bommenbraeck, ald. 723 (a° 1644). – Vgl. Kaart v. d. Uytw. Sl. 12.
bommel, bommel, (bòmməl), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hetz. als bongel; zie aldaar. – Vgl. schoftbommel, schotbommel.
bommen, bommen, (bòmmə), (zwak werkwoord, intransitief), Stoten, bonzen. || Hij viel en bomde met zijn hoofd tegen de muur. Bom niet zo tegen me an. Ik heb op de deur ’ebomd, maar jollie hoorden niks. – In het Ned. heeft bommen een enkele maal de zin van met dreunend geweld vallen; de gewone betekenis is echter dof weerklinken; zie Ned. Wdb. III, 336.
bommerd, bommerd, (bòmmərt), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iets dat groot is in zijn soort. || Kijk ers wat ’en bommerd van ’en appel. Nou hoor, ’t is ’en bommerd. – In Waterland ook van iets, dat groot van omvang, maar van binnen hol is; van eten b.v. een grote beet, maar een kleine kauw (BOUMAN 15). – Vgl. Ned. Wdb. III, 323 op bom.
bon, bon, (bòn), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Verkl. bontje; vroeger ook bonje. – 1) Afgeperkt gedeelte of vak van een dijk of weg, dat één persoon te maken en te onderhouden heeft. Zie Ned. Wdb. III, 337 vlg. Nog te Assendelft. Elders spreekt men van park; zie aldaar. || Ik heb ’et gras van me bon dijk verhuurd. Dijckgraef ende Heemraden ... (sullen) de Twischdijk ... beschouwen, ende indien ... (sy) eenig Vack ofte Bon dijck bevonden ... niet (naer het accoort) opgemaekt te wesen, so sullen ... (de makers) gecondemneert werden in een boete van agt Kermer schellingen voor soo meenigen eigendom als de voorn. Dijckgraeff bevinden sal int voorsz. ongemaeckte Vack, Roed ofte Bonne dijck te behooren (Bestek voor het aanleggen van de Twischdijk, a° 1635), Handv. v. Assend. verv. 435. Het gebuert jaerlijcks datter verscheyden Bonnen off Parcken in de Dijck ... boetschuldich zijn geweest, maer is niemant ... boetschuldich geëeschen anders als diegeenen die haer Parck of Bonn niet was gemaakt, ald. 440 (a° 1647). – Niet geheel duidelijk is de volgende plaats in een keur van Oostzanen (a° 1636). || Aengaende de reddeloose plaetsen, soo in de houte Bonne als opte Gouw. Alsoo onderwijlen dickmael bevonden wert eenige vervallen en reddeloose plaetsen inde Breggen in ’t zuyt-ent, waer uyt groot prijckel soude komen van ongelucke, so daer inne niet en werde versien. Soo is ’t, dat Schout en Schepenen ... hebben geordonneert ..., dat soo wanneer daer eenigh parck soo van leenen ende deelen, ofte onderleggers is komen te vervallen, tot onbequaeme wegh, dat den Schout ... den Eygenaer van dien het selfde aen sal mogen seggen om op te maken binnen den tijt van acht dagen, LAMS 715. – Waarschijnlijk is ook hier bon = park van de weg, en noemde men houten bonnen die bonnen, waar een plankenpad over liep, omdat de weg er anders onbegaanbaar was. – Dat bon hier brug zou zijn, weerspreekt de inhoud der keur, en deze betekenis was ook zeer moeilijk te verklaren. – Ook in bouwbonnetje, dat als naam van een stuk land onder Assendelft voorkomt, maar daar thans onbekend is, zal wellicht hetzelfde woord bon schuilen. Het woord zou dan aanduiden een bon dijk, waarop koolzaad of iets dergelijks werd verbouwd. || Jan Dirck Huysers noorder (suyder) bouw bonnetge, Maatb. Assend. (a° 1635). 2) Een tot bergplaats afgeschoten vak, en bij uitbreiding kast. Evenzo elders in N.-Holl. – a) Hok, vak, afdeling in een kast. || Er bennen veel bonnen in die kas. – Ook van een konijnenhok, waarin door een plank een verdeling is gemaakt. || We hebben ’en groot knijnehok met twee bonnen boven mekaar. – In het meerv. ook bons. || De bons van ’en knijnehok. – Vgl. de samenst. geldbon. b) Een aan de muur getimmerd kastje, waarvan er doorgaans meerdere in een vertrek zijn. Soms is een gehele wand met bontjes betimmerd. || Berge ’et maar in ’et bontje. Is ’et in ’et Noorder- of ’et Zuiderbontje (kastje aan de Noorder- of Zuidermuur)? In ’t onderste bon , Hs. invent. Ploegh (a° 1704), Zaanl. Oudhk. In het Oosterbon, in het Westerbon beneden, idem boven, enz. (in het raadhuis van Westzaanden), Hs. (a° 1801), Zaanl. Oudhk. – De bontjes onder een venster, die naar voren springen en van boven een soort van aanrechtbank vormen, heten rechtbontjes; zie aldaar. c) Een klein kastje, dat los aan de muur hangt; in huizen en in molens, waar de knechts vaak een eigen bon hebben. || De koppies zitten in Jan zijn bon. (Weesmeesteren besluiten) tot eene gedagtenis aan gemelde minderjarige te zullen afgeven een kistje en bon, om klederen in te kunnen doen, Hs.(a° 1803), archief v. Assendelft. Een bon met kindergoed, Hs. invent. (Krommenie, a° 1797), prov. archief. – Het woord was in de 17de e. ook te Amsterdam gebruikelijk. || Al datmen sluyten mach in Kassen en Bonnen, ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669), 80. d) Een open bon, een zogenaamde Assendelver kast (zie de afbeelding in SCHOTEL, Zeden), een met bont schilderwerk versierde kast, bestaande uit twee met deuren gesloten kastjes van onderen en twee andere, kleinere, van boven, en daartussen een open vak om porseleinen schotels, enz. te pronk te zetten. 3) Een soort van houten kast met gaten, om vis in te bewaren, bun, viskaar. In deze zin ook vrouwelijk || Er is weinig vis in ’t bon. – Evenzo in Waterland. Ned. bon, bun en beun zijn vrouwelijk 4) Een vlechtwerk van takken, dat dicht bij een stuk land in het water wordt gelegd, om vis te vangen. Alleen in de samenst. takkebon, visbon; zie aldaar. – Vgl. Mnd. bune, vrouwelijk Zaun oder Schlengenwerk am Ufer (LÜBBEN). AANM. De bet. afgesloten ruimte bij de woning, waar des zomers de koeien gemolken worden (Drechterland, Waterland) schijnt aan de Zaan niet bekend te zijn. De verschillende betekenissen van bon laten zich best tot één terugbrengen, nl. die van door planken of vlechtwerk afgeschoten ruimte (vgl. FRANCK op beun). Dat het Zaanse bon bijna alle betekenissen van bon, bun en beun verenigt, kan ondersteunen de ook in het Ned. Wdb. III, 339 uitgesproken gissing, dat deze woorden werkelijk één in oorsprong zijn.
bonenbus, bonebos, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bus om koffiebonen in te bewaren. Zie bos II. || Sla-emmer, 1 bonebos, 1 kleyn vootje, Hs. invent. (Krommenie, a° 1796), prov. archief.
bonenstommel, bonestommel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie stommel.
bonje, bonje, In de zegsw. ’t Is bonje, ’t is ontdekt, ’t is uitgekomen, ik ben er achter. Het wordt plagenderwijze gezegd, b.v. tegen iemand, die in stilte verloofd is, of tegen iemand, die de ander voor de gek meent te houden. || Hou je maar stil, ’t is bonje. – De uitdr. is thans weinig gebruikelijk. In de vorige eeuw was zij ook elders in N.-Holl. bekend, blijkens Hs. Kool, waar ook “’t is bonje, ’t is ontdekt,” wordt vermeld. – Bonje is de verkl. van bon; zie aldaar. Hoe echter de uitdr. hiermee samenhangt is onzeker.
bonk, bonk, (bònk), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook: 1) Grote roggebroodspepernoot, vierkant van vorm en gebakken van roggemeel en stroop. Vgl. Ned. Wdb. III, 358, bonk in de zin van brok, klomp. || We hebben van de bakker ’en handje bonken toe’ekregen. Bonken, tien om een cent. 2) Bult, gezwel. Hetz. als bonkel; zie aldaar. || Wat hebben de vlooien je gestoken; je zitte vol bonken. 3) Dichte menigte, opeengepakte schare; alleen van vogels en vissen. Vgl. Ned. Wdb. 358: er zit een dikke bonk (een zware opeengepakte wolkenmassa) in de lucht, en 359: bonken, een tros vruchten (kersen, perziken, noten, enz. || Kijk, wat ’en bonk (zwerm) spreeuwen. Een bonk (school, troep) vis. – In W.-Friesl. spreekt men van een bonkel spreeuwen, een zwerm spreeuwen (Taalgids 1, 106). – Vgl. de samenst. houtbonk, houtzagersbonk.
bonkel, bonkel, (bònkəl), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Puist, gezwel, bult. || Hebben de muggen je gestoken, je zitte vol bonkels? Ik krijg ’en bonkel op me hand. – Bonkel zal wel afgeleid zijn van bonk (vgl. bonk 2), en beduidt dus eigenlijk uitstekende knobbel, bult, in welke zin het ook elders voorkomt; zie Ned. Wdb. III, 360. Ook Beiers punkel betekent bult, gezwel. – Vgl. echter Ned. karbonkel, rode puist in het aangezicht. Lat. carbunculus in dezelfde zin. – Vgl. galbonkel, jeukbonkel.
bonkelaar, bonkelaar, (bònkəlaar, met klemtoon op bònk), (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een molen. Een liggend wiel met dollen, waarop de beweegkracht overgebracht wordt door een staand wiel met kammen. || 27 Mispele dollen tot (den) bonkelaar, Hs. invent. papiermolen (a° 1774), verz. Honig. – Vgl. bovenbonkelaar, onderbonkelaar. In Ned. Wdb. III, 360 en de daar aangehaalde voorbeelden worden bonkelaar en schijfloop ten onrechte met elkaar vereenzelvigd. Beide raderen verschillen van bouw en werking. Een schijfloop bestaat uit twee liggende schijven, waartussen een kring van houten staven is besloten. Een bonkelaar verschilt in niets van een kamrad; alleen is de ligging horizontaal. De dollen zijn houten blokjes, die verticaal door het liggende rad worden gestoken, evenwijdig met de rand, en waarin de kammen van het staande wiel grijpen. Zie Groot Volk. Moolenb. I, pl. 22 en II, pl. 2.
bonker, bonker, (bònkər), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meest in verkl. bonkertje. Kort duffels jasje, jekker. || Wel jongen, heb-je ’en nuw bonkertje an? Jan krijgt ’en bonkertje en ’en krol (muts) voor zijn Sintereklaas.
bons, bons, (bòns), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Op een bons, plotseling, ineens, alles te gelijk. || Toe kwamen ze op ’en bons allemaal terug. Vgl. ronzebons.
bont, bont, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. schortebont.
Bontekoe, Bontekoe, In de zegsw. ’t is een Bontekoe’s reis, ’t is een moeilijke tocht; b.v. gezegd als iemand met slecht weer naar een ander dorp is gegaan. – De uitdr. is ontleend aan de vroeger veel gelezen “Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe.”
bontje, bontje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie bon.
boodschap, boodschap, (booskap en booskòp), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Een boodschap halen, een boodschap doen. || Ik moet nog effen ’en boodschap halen. – Ook nog in de vorm booskip. – Zeer gewoon is de bet. van dat wat men in de winkel haalt, winkelwaren. || Hij draagt de mand mit booskippen op zen reg (rug). De meid heb ’en booskap ’estrooid (onderweg verloren; b.v. een pond suiker). – Te Oostzaan ook in het meerv. booskip. || Ik bin mit heulie mee’eweest om booskip. – Zie nog een zegsw. op kind.
boog, boog, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in de verkl. boogje (uitspr. boochie). Woord van lof, loftuiting. || Dat heb-je nou ers knap ’edaan, je verdiene ’en boogie, hoor. Hij deed erg zijn best, hij wou sekuur ’en boogje verdienen. Hij kreeg een boogje (werd geprezen). Zo’n boogje kennen ze wel houwen, daar wor-je niet vet van. Ik heb ’en boogje van meester ’ehad, omdat ik zo mooi schreef. – Zie over dit woord Ned. Wdb. III, 395, en Tijdschr. 5, 1 vlgg. In de 17de en 18de e. was het in N.-Holland zeer gewoon, vooral in de uitdr. boog hebben, roem verdienen (zie de citaten t.a.p.). Op een plaats bij JAN VOS vinden wij het in een zin, die zeer nabij de tegenwoordige Zaanse opvatting komt. || Twee deugden in een ding verdienen dubbele boog. Ged. 2, 313. – Het woord schijnt thans elders verouderd te zijn. Aan de Zaan is het nog in algemeen gebruik. – Vgl. verder Ned. op iets bogen, roem dragen op iets.
boom, boom, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook in de zin van stok, kolf, van een zeis. De boom is meestal gebogen, doch somtijds ook recht. – Vgl. de samenst. drijfboom, haalboom, lepeltjesboom, lierieboom, ponderboom, vlaardeboom, zoeteboom, zwaaiboom.
boon, boon, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook knobbel, gezwel op winterhanden of voeten ten gevolge van strenge koude. Daarnaast winterboon. Zo genoemd naar de vorm; vgl. een dergelijke overdracht van betekenis op grijn. || Zodra as ’et begint te vriezen zitten der (haar) handen vol winterbonen. Die bonen jeuken zo. Ik heb ’en boon op me kleine toon. – Zegsw. Jouw bonen! haal je hart op; gezegd tot iemand tegen wie men zich niet langer verzetten wil. – Zie een zegsw. op Wormer. – Vgl. bonebos, boonpeul, Boontje.
boonpeul, boonpeul, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De peul van bonen. Evenzo Fri. beánepûl (HALBERTSMA 208). – Ook de scheldnaam voor de inwoners van het dorp Wormer. || Wormer boonpeulen. – Vgl. erwtepeul.
Boontje, Boontje, Beuntje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van enkele stukken land onder Assendelft. Thans onbekend. || Noch tbuentgen by haer huys, Polderl. Assend. I f° 5 r° (a° 1599). Dat boontgen by Claes Meynssen, ald. f° 25 r° (a° 1599). ‘t Beuntje leggende aenden dijck, ald. VII f° 35 r° (a° 1657). – De betekenis der benaming blijkt niet. Men zou kunnen gissen, dat Boontje een boonakker was (vgl.: de Boonakker, stuk land te Zaandijk); Dirck Claesen Wijffes booncamp (in het Blokweer te Assendelft), Maatb. Assend. (a° 1635), maar de klank ue (= uu of eu) in het woord boon is onverklaarbaar. Wellicht hangt het woord samen met Buning (Beuning); zie aldaar.
boor, boor, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Iemand om de vierkante-gaten-boor sturen, iemand vergeefs laten lopen. – Zie spijkerboor.
boordevol, borendevol, (bórəndəvòl), (bijvoeglijk naamwoord), Boordevol. || Schenk dat glas toch niet zo borendevol. – Vgl. Ned. Wdb. III, 475.
boos, boos, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Zie de wdbb. – Ook als bijwoord van graad. Zeer. || ’t Is boos koud. Ja, ’t is boos erg. – Zo ook elders in de volkstaal (zie Ned. Wdb. III, 490).
boosheid, booste, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Boosheid, toorn. || Ze wier (werd) blauw van booste.
boot, boot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. bunboot.
bootjesketting, bootjesketting, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Karkant, halsketen uit boten (in goud gevatte granaten, enz.) bestaande; aan de Zaan een vrij algemeen vrouwensieraad. || Wat heb ze ’en mooie bootjesketting ’ekregen.
bord, bord, (zelfstandig naamwoord onzijdig (?)), Last. Thans verouderd. || Van selve jaar had(d)e ick Westduyvelant-Coolsaat gekoght ... en ’t slo(e)gh uyten bort 44 menge(le) olye. Noch had(d)e ick Oosmeers van Claes Ayer, dat slo(e)gh 23 mengele oly, Journ. Caeskoper, 5 Juli 1671. – Vgl. Mnl. en Ned. Wdb. op borde, last, vracht, waaruit bord ongetwijfeld is afgekort; vgl. bood voor bode, koud voor koude, enz. Het is merkwaardig, dat borde dezelfde overdrachtelijke bet. heeft aangenomen als het synon. last. Elders is het in deze zin niet opgetekend.
bord, bord, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Nog bekend in de oude zin van planck; in verschillende samenst., als bedsbordje, kaasbord, laadgoedbord, schoorsteenbordje, slagbord, enz. Zegsw. ’t Gaat van het bovenste bordje (plankje); in verschillende opvattingen. Van ruzie. || ’t Gaat altijd van ’et bovenste bordje, ’t is er altijd ruzie (eigenl. de schotels worden van het bovenste bordje afgegooid; dat maakt het meeste lawaai). Van vloeken. || Toe maar, ’t gaat weer van ’t bovenste bordje. Eindelijk ook in de zin van royaal, verkwistend zijn; hetz. als van de hoge boom leven. De uitdr. is eveneens in het Stad-Fri. bekend. – Borden en zwichtborden noemt men ook de houten langs de molenroeden, die met harde wind worden weggenomen om de windvang te verminderen. Iedere wiek heeft er vijf, waarvan het uiterste endbord heet. || Met vier borden malen. Het waait hard, de molens hebben alle borden of. – Plank. || Verders in iedere kast te maken 4 borden van 23-streeps vurenhout, Hs. bestek (Wormerveer, midden 19de e.). – Over het afslaan van borden bij rouw, zie op rouwen. – Vgl. de samenst. aanplakbord, bedsbordje, endbord, hefbord, ijsbord, kaasbord, laadgoedbord, schoorsteenbordje, slagbord, smakbord, steenbord, spatbord, stukkebordje, treebord, uilebord, verhefbord, wasbord, waterbord, winkelbord, en zwichtbord.
bordkuip, bordkuip, (bortkoip), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de papiermakerij. De kuip, waaruit bordpapier wordt geschept. – Zie verder op schepkuip.
bordvilt, bordvild, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de papiermakerij. Benaming der vilden, waartussen het bordpapier wordt geperst. Zie vild. || 341 Oude bordvilden, Invent. papiermolen (a° 1787), Zaanl. Oudhk.
boren, boren, (zwak werkwoord), trans; vgl. petboorder. Zie de wdbb. – Ook in vrijer gebruik. || Hij kwam klagen, dat-i belabbekakt (belasterd) was en zo uit zen stiek (betrekking) wier ’eboord (er uit gedrongen).
borg, borg, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie Ned. Wdb. III, 555. – Ook stut, steunpaal, aan een hek. || We zellen ’en borg (of borchie) bij de palen zetten.
borgen, borgen, (zwak werkwoord), Zie de wdbb. – Bij molenmakers ook van de kammen voor een molenwiel, als die gemaakt worden uit een stok (paal), die een weinig te dun is, zodat aan de hoeken een ronde kant of waan komt. Vgl. waan II. De kammen magge op de hoeken niet meer borgen as ’en half duimpie. Hij ken wel ’en beetje borgen, maar je moete ’em niet al te schraal maken (de kam is te schraal, als hij te veel borgt).
borgtafel, borgtafel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In sommige molens. Een in vakken verdeeld bord, waarop wordt geschreven wat er geborgd is.
borgtakel, borgtakel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Loze takel, die bij het ophijsen van een zwaar voorwerp daaraan wordt vastgemaakt, opdat het, ingeval de hijstouwen breken, toch blijft hangen. – Evenzo Ned. borg, borgstrop, borgketting; zie de wdbb.
borgtocht, borgtocht, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Behalve de gewone bet. ook in die van wat geborgd wordt, borgsom. || Schrijf die borgtocht van vrouw Vet maar op ’et lei. Ze hebben ’et wel drok in die winkel, maar ’et meeste is borgtocht (wordt geborgd). As ze voor een gulden verkopen is er wel voor 80 centen borgtocht bij. – Vgl. in het Mnl.: “Robert ... vercoopt sine teerninghe ... zometiit te borchtuchten, onder borgtocht, d.i. hij borgt”(aangehaald Mnl. Wdb. I, 1373). – Ook borgtocht spreken, borg spreken. || As je geld lenen wille (wilt), moet er eentje borgtocht voor je spreken.
borrel, borrel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op ootje I.
bors, bors, (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)), Daarnaast varkensbors. Kleingoed van het geslacht, schonkjes en bonkjes van het varken, inzonderheid gezouten varkenskluifjes. Vgl. borsvat. || We eten vanmiddag Franse rapen mit bors. De bors is goed zacht ’ekookt. Heb-je de bors al in de pekel ’ezet. – Evenzo elders in N.-Holl., en daar reeds in de 16de e. gebruikelijk; vgl. HADR. JUNIUS, Nomencl. 64a: “Visceratio. Distributio carnis crudae, cuiusmodi recepta est nostrae genti, cum mactantur sues. B. Vleeschdeelinghe, omsendinge van borse Holland. trijpen, buelingen etc. metdeelinghe Brabantis”. – Te Oud-Beierland noemt men het kleingoed van het geslacht borspot. – In de 16de en 17de e. komt bors voor in de zin van beer, HADR. JUNIUS, Nomencl. 40b: “Ursus. B. Beer, bors.” KIL.: “Bors, Holland. j. bere. Ursus.” Of dit bors hetzelfde woord is, valt moeilijk uit te maken.
borst, borst, bort, (bòrst; vroeger bòrt), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De oude uitspr. bort met uitval van s tussen r en t was nog in het begin dezer eeuw in gebruik; zie Karaktersch. 331. Vgl. ook BERKHEY, Nat. Hist. 3, 194: De Jakken die zy (de Zaanse vrouwen) dragen, en welke zy Borstjes of Bortjes noemen, staan glad en plat over ’t Keurslijf gespannen. – In de zin van vrouwenborst (mamma) is het woord steeds onzijdig. || Wat is dat borst ontstoken. ’t Linkerborst moet of’ezet worden. In ’et iene borst heb ze gien zog. – Doch men spreekt van de borst geven. In de andere betekenissen is borst vrouwelijk. Dit onzijdig geslacht van borst was vroeger ook elders in N.- Holl. gebruikelijk; vgl. HOOFT Ged. (ed. LEENDERTZ) I, 237: “(De) lekkernije, die dat borst der Poësie Hujghens vlieten laet voor zògh.” Ook in het Ofri. en Ags. is het woord onzijdig – Vgl. zegsw. op kruis.
borstel, bartel, borstel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Borstel. Bartel ontstond door het verdwijnen der s tussen r en t uit barstel en dit staat tot borstel evenals dars, margen enz. tot Nederlands dors en morgen. Later is de vorm borstel uit het Holl. overgenomen. Bartel bleef echter in sommige betekenissen in gebruik. – 1) Stekelig haar, borstel. || Je magge je bartels wel weer ers ofscheren laten. – Vgl. bartelig. 2) Bij de zeildoekweverij. Schuier van lange varkensharen, die bij het sterken gebruikt wordt om het sterksel op het garen te strijken. Ook sterkbartel genoemd. De haren van een bartel heten stoppels. Vgl. KUYPER. Technol. 2, 33: papborstel.
borstelig, bartelig, (bijvoeglijk naamwoord), Borstelig, stoppelig. Zie bartel. || Wat zien-je der bartelig uit; je hebt je zeker van de week nog niet ’eschoren.
borstnaald, borstnaald, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Aan een houtzaagmolen (paltrok). De verticale balk van voren langs het lijf van de molen, waartegen rechts en links de borstplanken zijn gespijkerd. Zie Groot Volk. Moolenb. I, pl. 4 en 5.
borstplank, borstplank, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. borstnaald.
borstrok, borstrok, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. In de algem. taal is het woord manlijk. || Dat wollen borstrok is versleten.
borstvat, borstvat, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Vat, waarin het kleingoed van de varkensslacht wordt bewaard en onder de pekel gezet. Zie bors. || 6 Tinne lepels, vleysvat, 1 borsvaatje, Hs. invent. (Wormer, a° 1749), prov. archief.
bort, bor, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De ziekte, die elders de boorts of het bort heet; zie de wdbb. || Hij heb de bor. As je van alles zoveel ete (eet) krijg je de bor nog. || Ook: besloten bor. || Hij is gestorven aan besloten bor, waarschijnlijk te veel gegeten, Hs. (Krommenie, 19de e.).
bos, bus, (busk en bus), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Doorgaans is het meerv. busken Hoogopgeschoten, dichte bossen gras; in het weiland ontstaande ter plaatse waar het vee zijn uitwerpselen heeft laten vallen. Het vee laat dit gras onaangeroerd. De busken worden daarom afgemaaid en gedroogd, ofschoon het land geen hooiland is. Zulk hooi heet buskhooi (bushooi) en het afmaaien busken of bussen. || Er ben weer zoveel busken op ’t land, we moeten weer ers busken. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 19); in Friesl. bosken en boskje (HALBERTSMA 464 vlg.) – Vgl. bos I.
bos, bus, bos, (bus en soms busk), (zelfstandig naamwoord mannelijk en onzijdig), Laagliggend rietland, rietbos. Een bus wordt onder water gezet als men na het afsnijden van het riet, dit weer wil laten groeien. Later wordt het land dan weer drooggemalen. || We moeten de bus maar weer onderlopen laten. ’t Is daar in de buurt allegaar bus. – Claes Stap 2 bosse rietlant, tsamen 216 roeden, Polderl. Westz. I f° 11 (a° 1628). Stijn Jans erffgen met haer gedeelte bos, 1 morgen, 176 r(oeden), ald., f° 12. Claes Roo-Claessens bos, ald., f° 17. Die busken van Jan vande Cayck 509 (roeden), Polderl. Assend. I f° 11 v° (a° 1599). De busken (in het Damweer), Maatb. Assend. (a° 1635). Die twee busstrepen (bij Westzaan), Polderl. Westz. III f° 56 v° (a° 1644). – Evenzo elders in Kennemerland. Ook reeds in de Middeleeuwen. || Twee buske lants (Heiloo(?), a° 1378), Hs. v. Egmond, f° 104 v°. Abbetien drie bosche saetlants (afgesneden rietland, dat bebouwd wordt?) van half sestel lants ende een vierendel (Velzen, a° 1372), ald. f° 46 v° Twie bosche in Heemskerkerbroek, Bijdr. Bisd. Haarlem, 4, 254 (a° 1372). Dat bussce, daer die reyghers inne broeden (in Amstelland), Oorkb. II n° 571 a° 1285). – Zie verder rietbos en vgl. Alkenbusch, hondsbos, Otterbosch, Schorrenbusch, Stekelbos, Tienebos, Walbusch. – De Busch is ook de naam van een buurtschap achter Krommenie. || Hij woont op de Busch. ’t Ventje (de Ven) by den Busch, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 145. In de Middeleeuwen komt de naam met een voorvoegsel voor. || Tusschen den Etersken-busch ende dat West-ende vanden Delfrack, LAMS 850 (a° 1357); die Ederbosch, Handv. v. Assend. 53 (in hetzelfde stuk, doch ingelast in een oorkonde van 1644); de Adderenbosch, ald. 98 (a° 1543). Daar de originele stukken verloren zijn, is de juiste naamsvorm niet meer na te sporen. In SOETEBOOM’s tijd was naar het schijnt de naam Aderenbosch nog bekend (S. Arc. 384). Eertijds heeft bij den Busch een slot gestaan; vgl. SOETEBOOM, S. Arc. 395. – Aan dit gehucht zijn ontleend de geslachtsnamen BUSCH, BUS, en in de 17de e. VAN DEN BUS(CH) – Onder Uitgeest ligt ook een meertje, dat de (Wijde) Busch heet. Daar zich omtrent de Busch werkelijk veel bus bevindt, is de naam ongetwijfeld hiervan afkomstig, en niet, gelijk SOETEBOOM gist, van een thans verdwenen bos. – De Nieuwendam bij de Busch (zie op dam) heet thans ook de Busch’endam (of de Busch zen dam?) (uitspr. Bussəndam). || Ik gaan nê de Busch’endam.
bos, bos, bus, (bòs), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Verkl. bossie, bussie. Bundel. || Een bussie scharren. Hij kon dat hooi kwalijk tillen. – In het meerv. als naam van een hard taai gras, dat in bossen groeit. Hetz. als hengstebossen, hondsbossen; zie aldaar. || ’t Is slecht land, er groeien veel bossen op. – Eertijds sprak men ook van: ’En bussie karrel (een bosje karrel om garen van te spinnen voor de zeildoekweverij). Ze is mit ’r bussie nȇ Krommenie (gezegd van een Assendelver spinster als ze het gesponnen garen in een zakje naar de patroon bracht.) Thans geschiedt het spinnen machinaal. – Zie verder bos en rietbos.
bosgaren, bossegaren, ((bòssəgarə), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Vlossig, wit linnen garen, dat aan bosjes (strengetjes) werd verkocht. Voor het gebruik werd het met een stukje witte was bestreken om het glad te maken. Thans niet meer verkrijgbaar. || Een strengetje bossegaren. Me moeder gebruikte altijd bossegaren, want dat was goekoper.
boshooi, bushooi, (bushooi en buskhooi), (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie bus II.
bossen, bussen, busken, (buskə en bussə), (zwak werkwoord), zie bus II.
bossen, bozzen, (bozzə en bòzzə), (zwak werkwoord, transitief), Vuile voeten op een schone vloer zetten. – Zie synon. op beerzen I. || Hè, wat boz-je me gang vuil. Hij bost me alles vol. Foei, wat lopen die honden te bozzen. As je weer zo bozze, Fik, laat ik je niet meer in huis. – Vgl. bozzelen en poezelen, poezen.
bosstreep, busstreep, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie bus I.
bot, bot, (bòt), (bijwoord), Vlak, juist, enz. Het woord wordt steeds met nadruk uitgesproken. || De bal vloog bot tegen me gezicht. Je slane (slaat) bot op me handen. We ben bot bij huis. ’t Is bot ’ezelfde. Hij is schrikkelijk lelijk, ’t is bot ’en aap. Ik ben er niet om verlegen, maar bot an toe (ik heb er dringend behoefte aan). – Het woord is in soortgelijke opvattingen ook in andere streken gebruikelijk; zie de wdbb. – Zegsw. Dat is te bot, dat is te erg (de Wormer). || Ik moet er twee stuiver meer voor ’et pond geven, dat is te bot. Och, dat is toch te bot voor dat arme mens, dat ze guster ’en rijksdaalder ’estrooid (verloren) heb. “Gooi ’et (overgeschoten) eten maar in de vullisbak.” “Nou dat is toch te bot.” – Evenzo Fri. dat is to bot (HALBERTSMA 466).
bot, bot, (bòt), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De vis. Zie de wdbb. – Zegsw. Die zaak is een gebakken botje, die zaak is (tussen hen) in orde, dat is geregeld, afgesproken, klaar. – Met je zieke lijf an de bot, ’t is zo lekker als bot voor iemand, die ziek is. Als iets bijzonder goed smaakt zegt men b.v.: Dat is ’en kossie (kostje)! met je zieke lijf an de bot. – Een botje vangen, iemand niet thuis treffen. || Ik miende nog bij peet Marij an te gaan, maar ik heb ’en botje ’evongen. – Volgens VAN DALE is bot vangen slaag krijgen, teleurgesteld worden. Vgl. een puisje vangen op puisje.
bot, bot, (bòt), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het touw, waaraan een vlieger opgelaten wordt. || Het bot van je vlieger is te kort. Er is ruim bot (touw rijkelijk). Je moete wat bot geven (vieren laten). – Overdr.: Hij heb zijn kinderen te veel bot gegeven (te zwak geregeerd). – Zegsw. Ik ben t’ende bot, ik weet geen raad meer, eigenlijk ik ben aan het einde van het bot, ik kan niet meer laten vieren. Bot vliegertouw, is ook elders in Holl. en in Oost-Friesl. gebruikelijk.
boter, boter, butter, botter, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Ook als geslachtsnaam BUTTER, BOTTER. Zegsw. Dat is te veel boter op een spons, te veel pret op eens; vgl. HARREBOMEE 1, 84: niet alle boter op één stuk. Ook: ’t is niet altijd butter voor de spons, het is niet altijd plezier, er zijn ook allerlei vervelende dingen in het leven. – ’t Is botertje tot de boom en karnmelk zonder end, ’t is alles even mooi en goed; HARREBOMEE vermeldt alleen de eerste helft dezer uitdrukking. – Zie nog een zegsw. op sop en vgl. GRAASDE BOTER op graasde, scheiboter en kladdeboteren. – Het woord komt ook voor in de naam van een weer lands in de ban van Oostzaanden. Thans waarschijnlijk onbekend. || Het butterweir, het buttervens weir, Polderl. Oostz. I (17de e.) SOETEBOOM, Ned. Ber. 16, verhaalt, dat tijdens de troebelen een stuk land was verkocht voor een vaatje butter en daarom de Buttelkamp werd genoemd. Wellicht is hiermede ditzelfde land bedoeld.
boterbiesje, boterbiesje, (bòtərbiessie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – Boterbiesje met oude kaas (of met hufterde kees), schertsend voor iets zeer lekkers; ook wel om iets onwaarschijnlijks aan te duiden. || Ik zel je trakteren op boterbiessies met ouwe kaas. Denk-je dat? Nou, hoor, boterbiessies mit hufterde kees! (dat kunt ge begrijpen! morgen brengen!). – De boterbiesjes, dunne in boter gebakken koekjes in allerlei vorm, ontlenen wel hun naam aan de beestjes (N.-Holl. biessies) van boter die prijkten op het eerste bord graasde-boter, dat de goede klanten van de boterboer ten geschenke kregen en waarvan de gebakjes wel een nabootsing waren. Deze stukjes boter heten hier en daar in Holl. (b.v. te Alfen) nog boterbiesjes.
boteren, boteren, butteren, (zwak werkwoord, intransitief), Zegsw. ’t Wil niet butteren, het gaat niet naar wens. Dat buttert wel, die zaak loopt wel. Evenzo in het Stad-Fri. (O. Volkst. 2, 180) en waarschijnlijk ook elders. De uitdrukking is aan het karnen ontleend.
boterspaan, boterspaan, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast butterspaan. Het meerv. boterspanen wordt schertsend gebruikt voor grote snijtanden in de bovenkaak. || Wat het-i ’en boterspanen in zijn mond.
botertan, botertannetje, buttertantje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Botervlootje (Koog). Zie tan. – Synon. botertijntje.
botertand, botertand, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ook bottertand. In de uitdr. de bottertanden zellen hem uitvallen, zijn lekkere dagen zijn voorbij; hij moet zich nu met minder tevreden stellen. Vgl. Ned. Wdb. III, 719.
botertijn, botertijntje, buttertijntje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Botervlootje. Zie tijn. || Geef ’et botertijntje ers aan. ’t Buttertijntje is leeg. – Synon. botertannetje.
Boterven, Butterven, Butterweer, (zelfstandig naamwoord), zie boter.
botklopper, botklopper, Botmolen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hetz. als klopmolen; zie aldaar.
botsen, bossen, (bòssə), (zwak werkwoord, transitief), Voortstoten; van knikkers of kralen, die men in een kuiltje schiet. Synon. goezen, goffen; zie aldaar. || Jongens, willen we bossen? Ik heb al vijf kralen in de koelk ’ebost. – Het woord was vroeger in ruimere opvatting bekend. || De Hollanders ... sochten met alle mogelijcke middelen, soo de Vriesen, als die van de Anze-steden, uyt ’et voer-water te bossen, SOETEBOOM, Stavoren 246. – In het Stad-Fri. betekent bossen met noten of bakkerts (grote knikkers) schieten (O. Volkst. 2, 177). Vgl. KIL. bossen, botsen, pulsare, tundere, quassare.
botte, bodde, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Viskaar, losse vishouwer, die in de sloot wordt gelegd om vis te bewaren. Het woord is thans in onbruik. || Den voorsz. sloot (zal) altoos aldus wijt moeten blijven als die voorsz. paelen nou steecken, zonder den selven sloot te verspaerren (versperren) met bodden ofte schuyten ofte met eenige dinghen anders (Krommenie, a° 1597), Hs. U. 137, prov. archief. – Bodde is te Akersloot nog gebruikelijk. In Friesl. is het woord zeer gewoon (HALBETSMA 421). – Vgl. eerdbod.
botten, bodden, (bòdde), (zwak werkwoord, transitief), Heinen, de slootkant ophalen, de sloot ophalen. Thans ongebruikelijk. Zie bod. || En is deselve vroetschap voorgedragen off het niet best soude sijn, dat de veen van Crommenie af tot den Nieuwendijk toe ... wierden gebodt en de wallen opgeslikt, omme soo de slooten wat suyverder en claerder te maken. Hs. resolutie (a° 1725), archief v. Assendelft. Schout en Schepenen ... ordonneeren ..., alle de Landen en Erven leggende beoosten de Weg ... te bodden, en de bodden behoorlijk te beslikken, soo dat ten minsten de Slooten wijdt moeten sijn vijf voeten, Keuren v. Assend. 43 (einde 18de e.). Aan Aris Walen voor ’t varen op ’t bodden f 1 : 10 st. (nl. bij de schouw op het bodden), Hs. Rekening (a° 1795), archief van Assendelft. – Vgl. opbodden.
botten, botten, (zwak werkwoord), zie bebotten.
botten, botten, (bòttə), (zwak werkwoord, intransitief), Op de streep gooien, met centen; dobbelspel. || Wie ken ik op ’t strepie botten? – Ook wel met een half geopend mes zo dicht mogelijk naar een muur of een ander aangewezen punt werpen; om uit te maken wie met kiezen of spelen beginnen mag. – Zo ook in Hindeloppen botte, centen tegen een muur werpen, zodat zij terugspringen naar een op de grond getrokken cirkel, binnen welke de centen liggen, waarom gestreden wordt (HALBERTSMA 469). Vgl. KIL. botten, op-botten, resultare, resilire; botten op d’water j. slingeren (keilen). – Zie schietbotten, spanbotten.
botvrij, botvrij, (bòtvrai met klemtoon op bòt), (bijvoeglijk naamwoord), Geheel vrij. || “Hoe is ’t, heb-je weer kiespijn?” “Nou, ik ben niet botvrij (ik heb wel een weinig pijn.)” Kleine Guurt gloeit zo: ik loof niet dat ze botvrij is van koorts.
bout, bout, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)), Als naam van enige stukken land in de Kalverpolder || Mary Garbrants: de bout, 100 (roeden). De bout, 162, 7 (roeden), Polderl. Oostzee. I. (midden 17de e.; Custb. (a° 1741). – Waarschijnlijk is bout een afkorting van bou(w)te, bouwland (vgl. HALBERTSMA op boute) en staat de naam dus gelijk met bouw; zie aldaar. Dat het slechts kleine stukjes land zijn, verhoogt de waarschijnlijkheid van deze verklaring.
bout, bout, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meerv. meestal bouts. IJzeren pen. Zie de wdbb. Vgl. de samenst. billebouters, krambout, reebout, SCHORTKNEPPELSBOUT op schortkneppel. – Zegsw. Hij heeft een bout, hij is dronken.
bouw, bouw, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)), Akkertje waarop graan, bonen of mosterd verbouwd wordt. || Het volk is an ’et werk in de bouw. Me bouw staat goed. Ze ben in de bouw an ’et dorsen. – Vgl. bout II.
bouwbon, bouwbonnetje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie bon I.
Boveeg, Boveeg, (met klemtoon op veeg), (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)), Meerv. Bovegen. Naam van een aantal stukken land te Assendelft, naast elkander in verschillende weren gelegen, tussen de weg en de Delft. Zij worden onderscheiden naar de namen der eigenaars. De oorsprong der benaming is duister en werd, blijkens de vele uiteenlopende gedaanten en afkortingen waaronder het woord voorkomt, reeds in de 16de eeuw niet meer gevoeld. Misschien wordt er door aangeduid, dat die stukken boven (de) wege gelegen zijn; vgl. uitgestrekte blokken land onder Hoogwoud aan het Koningspad, die onder de naam Bovenpade bekend staan. || Twee derdendeelen vant vuyterendt vande boeveech, Hs. U. 19, f° 3 r° (a° 1579), prov. archief. Een stuckgen landts genaemt tsuyer bien vande boeffveech, ald. f° 46 v°. Cornelis Gerritsz bueff aen de wech, Stoelb. Assend. f° 8 v° (einde 16de e.). Jan Dircx bueffven, ald., f° 34 v°. Die boeffveech in Arent Jan Cillen-weer, Polderl. Assend. I f° 30 v° (a° 1599). Die boeveech van Griet Jacobs, ald. f° 35 r° (a° 1599). Tboeffgen achter zijn erff, ald. f° 66 r° (a° 1600). Dat boeffveechgen achter thuys, ald. f° 68 r°. ’t Boechveechgen van Dirck Lou, ald. f° 89 r°. ’t Boechveechgen of voorlant, ald. f° 90 r°. Die boech achter thuys, ald., f° 109 r° (a° 1600). Trijn Pieters suyder (noorder) boefgen opter Delft, Guerte Cornelis boveech, Dirck Bieren boveech, Ysbrant Gerritsz. boveech, Maatb. Assend. (a° 1634). Een stuckje landt genaemt het boveeghje, Hs. resolutie (a° 1705), archief v. Assendelft. Sedert die tijd tot op heden is alleen de vorm Boveeg in gebruik. Ook vond men onder Assendelft een stuk land genaamd het Boefweer. Thans onbekend. || Dat boeffweer van Claes Jan Vrericx, Polder. Assend. I f° 278 r°. Boeffweer in de Heyd, ald., f° 345 v° (a° 1600). Op het Kalf ligt een stuk land, genaamd “de boeves”, Polderl. Oostz. I (midden 17de e.). Ook hiervan is de oorsprong onbekend.
boven, boven, (bijwoord), vgl. zegsw. op boer.
bovenbonkelaar, bovenbonkelaar, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een oliemolen. Het liggende wiel boven in de molen, dat door het bovenwiel wordt gegrepen en zo de beweegkracht van de horizontale molenas overbrengt op het verticaal staande steenspil. Zie bonkelaar.
bovendol, bovendol, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een oliemolen. Een dol van de bovenbonkelaar. Zie bol III.
Bovenhem, Bovenhem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie hem.
bovenjongen, bovenjongen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een der laagste knechts op een houtzaagmolen. Zie jongen.
bovenkruier, bovenkruier, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een molen, waarvan de kap beweegbaar is, en die dus van boven verkruid wordt. Oliemolens, pelmolens en papiermolens zijn altijd bovenkruiers; onder de houtzaagmolens vindt men bovenkruiers en paltrokken.
bovenlade, bovenlaad, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Aan een weefgetouw. De horizontale dwarslat boven aan de lade of slag.
bovenpakker, bovenpakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Knecht in een papiermolen, de voornaamste der twee papierpakkers; in de 18de e. ook opperpacker genoemd. – Vgl. onderpakker.
bovenree, bovenree, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie ree I.
bovensim, bovensim, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie sim.
bovenwiel, bovenwiel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In molens. Het kamrad dat om de bovenas gehangen is; zie de wdbb. – Ook de benaming voor een rijksdaalder, waarvoor men ook, gelijk elders in Holl., achterwiel zegt. || Ik heb ’en bovenwiel verloren.
boy, booi, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Knaap. Thans verouderd en alleen nog over in de geslachtsnaam BOOI, – Het woord is nog in Friesl. gebruikelijk in de uitdr. nee, boi! – Vroeger ook mîn bôi, us bôi, mijn, onze lieve jongen, en vooral in verkl. boike, knaapje, lieveling, als aanspraak voor kleine kinderen. Zie HALBERTSMA 429; KOOLMAN 1, 215. Op Urk heeft buye de bet. van kameraad aangenomen en is het de gewone aanspraak voor mannen zowel als vrouwen: Gemùrgen buye, oe got et buye (hoe gaat het maat), Taal- en Letterb. 6, 27. In de Streek (Taalgids 1, 107) en op Tessel is de verkl. buukje in gebruik voor bakerkind, kindje: Wil-je mijn buukje niet eens zien? – Zie verder Ned. Wdb. III, 255, en vgl. Eng. boy. In de Middeleeuwen komt booi, boye, herhaaldelijk voor in Holl. persoonsnamen. Het wordt gebruikt op dezelfde wijze als zoon, maar het blijkt niet of het daarmede in betekenis volkomen samenvalt. || Tydeman Rissende boy (Assendelft, 13de e.), Hs. v. Egmond, f°12 r°. Gheye Kerstans boy, Rek. d. Graf. v. Holl. 2, 227 (a° 1343). Jan heren Amijs boy, ald. 237. Willaem Gheyen boy, ald. 285. Nanne Stoyts boy, ald. 249, 250, 285, Nanne Stouts boye 377 (a° 1344). Item een acker daer Gillijs Bannen boeye op woont (Beverwijk, a° 1358), Hs. v. Egmond B, f° 4 v°. – Ook wordt booi met de mansnaam samengesteld op dezelfde wijze als ons Pieterman, Janneman, Jan-Baas, Jan-oom en dergelijke. || Heyteboy, Rek. d. Graf. v. Holl. 1, 237 (a° 1344/5). Hughe Hanne boey s(one), ald. 2, 7 (a° 1443/4). Diddeboy, ald. 18. Jan Gherijt Doetseboyen z(one) (Rinnegem, a° 1380), Hs. v. Egmond C, f° 47 v°. Daar Boikin, Boydekin, ook als mansnaam zeer dikwijls voorkomt is niet altijd uit te maken, waar Booi eigennaam is en waar niet. Als persoonsnaam zal zijn op te vatten: Grote Boye, Rek. d. Graf. v. Holl. 2, 248 (a° 1343). Nanne Boyen s(one), ald. 381 (a° 1344). Ysebrant Boyken s(one), ald. 519 (a° 1345). Mauwerin Boydekins sone, ald. 1, 81 (begin 14de e.) – Vgl. FÖRTEMANN, Altd. Namenbuch op boi.
bozig, bozig, (bijwoord), Alleen in verbinding met worden. Boos, kwaad, driftig worden. || Ze wier puur bozig. Je zouwe der bozig van worden.
bozigheid, bozigheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Boosheid, toorn. || Ze smeet in der bozigheid alles op de grond.
braaddeel, breedeel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Braadaal, dikke aal, die gebakken wordt. Vgl. aal en braden.
braadje, breedje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een zootje vis; meest van bakvis. Eigenlijk een partijtje om te braden; van brȇden (braden), bakken, evenals zootje en zieden, koken. || Ik heb ’en breedje voor je mee’ebrocht. ’k Heb net ’en breedje ’evongen.
braak, braak, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de bakkerij. Bank, waarop sommige soorten deeg gekneed worden met een ijzeren hefboom. Deeg voor taai-taai, korstjes, Sint-Nicolaas en pepernoten kan moeilijk met de handen worden doorgewerkt; het wordt daarom op de braak bereid. – Evenzo elders in Holl. Door VAN DALE wordt braak vermeld als werktuig bij de suikerbakkerij.
braak, braak, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Als naam van verschillende wateren, indertijd ontstaan door het inbreken van dijken. De braken zijn de gehele Zaanstreek door talrijk. Evenzo elders in Holl. || Aen de Zuydt-zijde van der Broecke (bij het Kalf), LAMS 666 (a° 1414). De Braak (bij Assendelft), Handv. v. Assend. verv. 393 (a° 1512). Dijck-braeck, Kouwehorns-braeck, Bom-braeck, de grote Braeck (bij Oostzaanden), LAMS 713 (a° 1633). De Havicksbraeck (te Assendelft), Maatb. Assend. (a° 1635). Coenenbraeck (bij W. Zaandam), Priv. v. Westz. 499 (a° 1650). De Buinderbraak en de Boerebraak (bij de Voorzaan), de Graaf Willems-braak (onder Oostzaanden), enz. Vgl. Kaart v.d. Uytw. Sl. 8 en 12. – Ook verschillende stukken land, die bij een braak liggen, zijn daarnaar genoemd. || ’t Braeckelandt (bij Braak onder Assendelft), Maatb. Assend. (a° 1635). Noch braecklandt (bij het Kalf), Polderl. Oostz. I (midden 17de e. ). Hierbij hoort wellicht ook de Brakel, stuk land in het Oostzijderveld, in de Achtersluispolder.
braakhennep, braakhennep, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De mannelijke plant van de hennep, gelling. Zie hennep.
braakland, braakland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), ; zie braak I.
braam, braam, brem, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De scherpe, losse streep, die bij het slijpen van een schaats of mes daaraan blijft vastzitten. Evenzo elders gebruikelijk (VAN DALE). Daarnaast ook brem. || Me schaatsen benne geslepen; ik zel der eerst de braam ofrijen, eer we samen op tocht gane (gaan). Ik moet er de brem nog ofrijjen.
Braansweer, Braansweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een weer lands in de ban van Westzaanden. Thans onbekend. || Zeven coeven lants, gelegen in den ban van Westzaenden in Broensweer, dat belent hebben Jan van Yperen an die zuytzijde, den heligen Geest in Hairlem an de nortzijde, die Saendijck an dat osteynde ende Dierick Janszoon an dat westeynde, GONNET, Zijlkl. 212 (a° 1479).
brabbelen, brabbelen, (zwak werkwoord), Zie de wdbb. – Ook: knoeien, broddelen, iets slordig en onbeholpen doen; inzonderheid van vrouwelijke handwerken. || Wat zit je weer te brabbelen; er is geen steek goed.! – Vgl. brabbellap.
braden, braden, brȇden, breden, (sterk werkwoord), braadde, ’ebraaien, Daarnaast soms nog brȇden (verl. deelw. ’ebrȇden). Roosteren, bakken. Zie de wdbb. || Die eel (aal) is lekker ’ebrȇden. Breed ’et maar in de pankoekspan. Zie zegsw. op haring, en vgl. breedeel, breedje.
brak, brak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die voor allerlei ondergeschikt werk in huis of veld te gebruiken is; duivelstoejager (Assendelft). || Klaas dat is de brak van buurman (hij moet de koeien opknappen, de kachel aanmaken, water halen enz.).
brak, brak, (bijvoeglijk naamwoord), Van personen. Nors, stuurs. || Wat is die man brak. – Evenzo elders in N.-Holl. en in Oost-Friesl. (KOOLMAN I, 218). Vgl. voor de afleiding van het woord FRANCK 140.
Brakel, Brakel, (zelfstandig naamwoord), zie braak I.
brakken, brakken, (zwak werkwoord, intransitief), Boodschappen doen, inkopen doen voor de huishouding (Krommenie). Thans weinig gebruikelijk. || Op zaterdagevend valt er hiel wet (heel wat) te brakken. Ik mag wel wat anmaken (voortmaken), want ik moet nag (nog) brakken. Zo, oud, ok an ’et brakken? Ook: erg in de weer zijn, druk bezig wezen (Assendelft). Vgl. brak. || Dat wijf doet niet aȃrs as brakken (ze zit geen ogenblik op haar stoel). – In W.-Friesl. wordt door brakken uitgedrukt het steeds op de straat verkeren van kinderen (O. Volkst. 2, 175).
branden, branden, (zwak werkwoord), zie zegsw. op water en vgl. aanbranden. Zie verder op barnen.
branden, barnen, (zwak werkwoord), Branden. Niet meer algemeen. || Wat barnt ’et fel. Kijk ’et ers barnen. – de nu ongebruikelijke gebiedende wijs was nog in de vorige eeuw bekend. || Barren dij niet, brand u niet, Hs. Kool. – De meest voorkomende vorm is het deelw. barnde, brandende. vandaar barnde man, St. Elmusvuur. || Daar gaat ’en barne man (als zich St. Elmusvuurop de mst of elders vertoont). – Het Barnde gat, een vroegere inham van het IJ tussen O. Zaandam en Oostzaanden. || Het Barnegat, LAMS 707 (a° 1627). De sluis daarbij heet Barnegatsluis. Evenzo heet een onstuimig water bij Oudkarspel de Barnde Wiel, Kaart v. d. Uytw. Sl. 10. – De Barnde laan, een stuk land te Krommenie op de Vlus. || Die barnde laen, Hs. U. 138, f° 16 r° (a° 1614), prov. archief. De barrende laan, Polderl. Kromm. (a° 1680), f° 10. Vgl. laan I. – De Barnde bok, oliemolen te Jisp, in 1821 afgebrand; de naam is echter ouder. – De Barnde molen, molen benoorden Jisp aan het einde van de Broedijk. Op de Kaart v. d. Uytw. Sl. 11 heet hij Brande molen. Vgl. ook de Barnde steeg te Amsterdam. – zie verder FRANCK en Mnl. Wdb. op barnen.
brandhout, brandhout, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – Zegsw. An brandhout wezen, gebroken, aan stukken zijn. || Nou, hoor, die stoel is an brandhout. Kijk, de Jonker (een molen) staat mit vier houten of; zou-i an brandhout wezen?
brandmerk, brandmerk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie een zegsw. op geseling.
brandnetel, brandenekel, (brandənékəl met hoofdtoon op ), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Brandnetel. || Pas op voor de brandenekels. Ik heb me erg ’ebrand an ’en brandenekel. – In Groningen heet de plant bran(d)-ekkel (Noord en Zuid 3, 372; MOLEMA). Waarschijnlijk is brandenekel dus, onder invloed van Ned. brandnetel, vervormd uit een vroeger barren-ekel, van barnen, branden. Ekel kan hetzelfde woord zijn als het in het Gloss. v. Bern voorkomende ekel, stimulus. Vgl. Ned. Wdb. II, 4 en FRANCK 20 op akelig.
brandzolder, brandzolder, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In molens. De eerste zolder onder de kap, waar de brandblusmiddelen staan. || Op ’et brandzolder staat ’en balie vol water mit ’en staartnap en ’en zwabber.
brasem, brasem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Zegsw. Hij zeurt as een brasem, hij zeurt verschrikkelijk. – Ook in de zin van dwaas, malloot; meestal in verbinding met mal. || Wat ben-je toch ’en brasem. ’t Is zo’n malle brasem (gekke jongen). Ook elders in Holl. en in Utrecht gebruikelijk. Vgl. ook VAN DALE: brasem, bakkers-leerjongen.
brat, brat, (zelfstandig naamwoord), Bij vissers. Alleen in de uitdr. een brat vis voor een grote hoeveelheid. || We hebben ’en goeie trek met de zegen ’edaan; wat ’en brat vis!
brat, brat, (bijvoeglijk naamwoord), Van personen. Flink, stoer, stoutmoedig. || ’t Is ’en bratte kerel. Hij is lang zo brat niet as zijn broer. Ook als geslachtsnaam BRAT. – Door VAN DALE wordt het woord als gewestelijk vermeld in de zin van prat, vurig (vooral van paarden): “Dat paard is brat; dat zijn bratte paarden; gij zijt zo brat, jongetje!” In Friesl. betekent het woord fier, trots (HALBERTSMA 486). Vgl. Ono. brattr, stoutmoedig, Oeng. brathe, trots (HALLIWELL 207).
brat, brat, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In verkl. bratje. Een kluwentje wollen stopgaren; in alle kleuren in de winkel verkrijgbaar. De bratjes zijn gewonden van zeer dunne fijne wol, die gebruikt wordt om te stoppen. Nu deze wol niet meer bij kluwentjes verkocht wordt, begint ook het woord bratje te verouderen. || Een bratje stopgaren. Haal nog ers ’en bratje, me wol is temet op. – Brat is eigenlijk de naam van de soort wol. Vgl. Oost-Fri. brat, barat, die weichste, feinste Wolle, jedoch kürzer als sajét; brattengȃrn, das aus dieser Wolle gesponnene Garn (KOOLMAN 1, 223). Later heeft men een kluwentje van die wol, de hoeveelheid waarbij ze werd verkocht, een bratje genoemd. – Verder is brat, borat, een geweven wollen stof, die vroeger ook aan de Zaan voor het maken van kledingstukken werd gebruikt. || Een bratte jack ..., een brat borsien, Hs. (O. Zaandam a° 1669), prov. archief. Vgl. ook OUDEMANS 1, 808: “bratte kleȇren”. Zie voor de afleiding van het woord FRANCK op borat.
breed, -breed, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), hoofdbreed.
breed, -breed, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. jaarbreed, uurbreed.
breed, breed, bried, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Zegsw. Die het breed heeft, laat het breed hangen, wie rijk is, kan laten zien, dat hij rijk is; meestal ironisch gebruikt als iemand, wie het niet past, zich erg royaal betoont. Ook elders gebruikelijk. – Breed komt ook voor in de naam van vele brede stukken land. || Het Breedje (te Wormerveer en Oostzaan). Pieter Oosten breet, Wouter Gijsen breetgen, Maatb. Assend. (a° 1635). De breecamp, tbree campgen, ald. (a° 1635). Die breelijnnen, Polder. Assend.. I f° 87 r° (a° 1600). Jan Havicken breemadt, Maatb. Assend. (a° 1635). Breedoever (te Wormer). Die halve breeveen, Polderl. Assend. I f° 12 r° (a° 1599). tBreedweer (te Westzaan in de Krabbelbuurt), Hs. T. 118 f° 36 v° (a° 1564), prov. archief Polderl. Westz. I f° 36 (a° 1628). ’t Breeweer terra Ricteti due falcationes, Oorkb. I n° 204 (a° 1182-1206). Breedweer (te Krommenie), Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 87. Het Monnike breeweer (te Wormer), Hs. (a° 1771), prov. archief. Ook een gedeelte van de Koog heet het Breedweer of het Breed. De Breedweers-sloot vormde het scheid tussen de Koog en Zaandam (Priv. v. Westz. 313, a° 1634). – Vgl. Breenakker en Breezaap.
breedbol, breedbol, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere plant, waarschijnlijk de Cirsium lanceolatum, een soort van doorn (distel), die zich breed over het land uitbreidt (de Wormer). Fri. breedkop (HALBERTMA 490), Gron. dikkop (VAN HALL, Landh. Flora 118). De benaming breedbol is slechts aan enkelen bekend.
Breedoever, Breedoever, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie breed I.
Breedweer, Breedweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie breed I.
breegras, breegras, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zekere grassoort met ruwe, brede bladeren, Lat. Dactylis glomerata (VAN HALL, Landh. Flora 261; OUDEMANS, Flora 3, 273).
Breehem, Breehem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), ; zie breed I.
Breekamp, Breekamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), ; zie breed I.
breekhamer, brookhamer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Houten hamer met lange steel, om het ijs stuk te slaan. Zie broken.
breekhout, breekhout, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Aan een brug. Sullat, driekantige dwarslatjes, die tegen de helling van een schuin oplopende houten brug zijn gespijkerd, om bij het afgaan iemands vaart te breken (Zaandam). Weinig gebruikelijk. – Het woord was vroeger ook elders in N.-Holl. bekend. || Niemand zal hem vervorderen ... enige posten, breekhouten, ofte lenen op enige binnen-wegen binnen Waterland te breken, ofte in ’t water te werpen, Keuren v. Waterl. 26 (a° 1673).
breekmeel, breekmeel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het laatste meel, dat van de boekweit wordt afgepeld. Breekmeel is kippen- of varkensvoeder. Van de boekweit worden eerst de doppen afgesneden, daarna een mengsel van doppen en meel, de peper, en eindelijk het breekmeel. || Haal ers ’en stuiver breekmeel uit de grutterij.
Breekooien, Breeukooien, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), alleen in het meerv. Naam van een stuk land bij W. Zaandam, buitendijks. Thans onbekend. || Die breeukoye, Polderl. Westz. I f° 9 (a° 1628). De Brievekooyen, Koopbrief (a° 1674), de Bree koyen, andere koopbrief van hetz. jaar, Zaanl. Oudhk. – De betekenis en juiste vorm van het eerste lid der samenstelling blijken niet. De naam dagtekent ongetwijfeld reeds uit de Middeleeuwen. Vgl. kooi.
breeksel, brooksel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Lange, door broken in het ijs gemaakte vaargeul. || Het brooksel is vannacht weer toe’evroren. Er (zijn) in de Zaan weer verscheide openingen gekomen, door het schijnen van de zon, en door de brooksels, die verder open waaien, Journ. Jacob Honig, 11 Mrt. 1796.
Breelijn, Breelijn, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie breed I.
Breemad, Breemad, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie breed I.
Breemskamp, Breemskamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Wormerveer.|| De Breemscamp, Polderl. Westz. V fo 638 en 652 (18de e.). – Vgl. breems.
Breenakker, Breenakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Assendelft. || De Breenacker, Polderl. Assend. IX f° 487 r° (a° 1657). – Waarschijnlijk is breenakker ontstaan uit de brede (breên) akker. Het is werkelijk breed. Vgl. breed I.
Breeveen, Breeveen, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie breed I.
Breeweer, Breeweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie breed I.
Breezaap, Breezaap, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van enige stukken land. || D’worff in breezaap, Polderl. Westz. VI f° 11 (a° 1723). De Breezaap (onder Assendelft; vermeld sinds de 18de e.). – Vgl. de Breesaap onder Velsen. Sape komt in de Middeleeuwen voor in de zin van heidegrond (dus bliven die herden (herders) metten scapen al verloren in der sapen (heide), BLOMMAERT, Ovl. Ged. 2, 110. De bedoelde stukken zijn zeer schraal land.
breien, breien, braaien, braaiden, breiden, (sterk (en somtijds zwak) werkwoord), bree, ’ebréje, In de tegenw. tijd gebruikt men meestal braaien. Daarnaast komt soms nog voor de oude vorm braaiden, die ook elders in N.-Holl. bekend is. Evenzo zegt men in Friesl. breidsje. De sterke vervoeging van breien als werkwoord van de i-klasse (ook Germ. bregdan was oorspr. sterk , maar behoorde tot een andere klasse) vindt men ook in de Holl. spreektaal. Zie verder de wdbb. || Jan zit achter netten te braaiden. Moeder heb de hele middag zitten braaien. Ze bree an ’en borstrok.
breischede, breischeed, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Afgek. uit breidschede; zie de wdbb. Schede om breiwerk in te bewaren. || 3 Lepeltjes, 3 vorkjes, 1 breyscheed, 24 lakens, Hs. Boedelscheiding (a° 1755), verz. Honig.
breischei, breischiel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie schiel.
breisteker, breisteker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een zilveren of gevlochten puntig voorwerp met een gat, om onder het breien de breipen in te steken, en een haak om de steker in de gordel vast te zetten. Thans niet of weinig meer in gebruik. De breisteker diende tot steun, gelijk thans vele breisters hun breipen onder de arm steunen. – Evenzo elders, ook in de verkleinvorm breistekertje.
breken, broken, (zwak werkwoord, transitief), Het ijs met lange houten hamers stukbreken, een geul in het ijs breken. || Het ijs dooit hard weg, der bennen al schippers an ’t broken. 14 Ditto moy weer, quame die van Wormer en broockte de Zaan en voorts daer ijs in de wegh lagh tot Amsterdam, Journ. Caeskoper, 14 Febr. 1677. 7 Ditto warde de Saen van onsent gebroockt door Jan Aldertsz. tot Saerdam, ald., 7 Mrs. 1684. – Zie broker, brookhamer, brooksel.
breken, breken, (sterk werkwoord), zie zegsw. op hoofd.
breker, breker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie ledebreker.
breker, broker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Iemand die het ijs brookt. In de 17de e. als geslachtsnaam. || Jacob Claesz. Broker (Broocker), Priv. v. Westz. 502 en 507 (W. Zaandam, a° 1656). 2) Werktuig om het ijs te breken, brookhamer. Ook wel ijsbroker; zie aldaar.
Bremen, Bremen, eigennaam; zie een zegsw. op wijs.
bremmen, bremmen, (zwak werkwoord, intransitief), De keel schrapen, herhaaldelijk kuchen om de keel glad te maken. || Brem niet zo. Ik moet wel bremmen, aârs ken ik geen woord zeggen. – Het woord is ook elders bekend; vgl. HALBERTSMA, MOLEMA, OUDEMANS, Wdb. op Bredero, Mnl. Wdb., enz.
brems, breems, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Wesp. || Pas op, dat die breems je niet steekt. – In de Beemster is breems een horzel, paardevlieg (BOUMAN 17). Evenzo bij VAN DALE brems, bremze, en in het Fri. brims. Naar het schijnt duidt Mnl. breemse een soort van kever of sprinkhaan aan. – Zie voor de verwante vormen in andere talen KLUGE op bremse.
brengen, brengen, bringen, (brocht, ’ebrocht), (onregelmatig werkwoord, transitief), Zie de wdbb. – De vorm bringen komt ook bij de 17de-eeuwse Amsterdammers voor; vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal, §7; NAUTA, Aant. op Bredero, §7β. Evenzo Fri. bringe (HALBERTSMA 515). – Vgl. aanbrengen, boodbrengen.
brensen, brensen, brinsen, (zwak werkwoord, intransitief), Van een schip, dat hard loopt en veel golf maakt. Bruisend de golven doorklieven. || Jongen, jongen, wat brenst die schuit. – De eigenlijke bet. van het woord: hinniken, briesen, van een paard, schijnt thans verouderd, doch was eertijds in N.-Holl. gebruikelijk.|| (Van een paard:) ’Tkrult op sijn manen steyl, ’t wrenst, brenst, ’t briest, ’t pruyst seer blyd end moedig, SCHAGHEN, Alckm. Beleg., f° A4 r°. Brinsende zo krachtigh, dat al de werelt sagh, na t’ eele beest, zo praghtigh, aangehaald bij DE JAGER, Latere Verscheidenh. 297. Vgl. ook KIL. brinssen, Holl. j. briesen, hinnire. In het Fri. is bringsje, hinniken, nog in gebruik (HALBERTSMA 519).
brief, brief, (zelfstandig naamwoord), w. Zegsw. Een brief aan de koning schrijven, een middagdutje doen (een brief aan de koning schrijven is een gewichtig werk, waarbij men niet gestoord mag worden). || Ik gaan ’en brief an de koning schrijven. Zegsw. Spel-je een briefje? eigenlijk: heb-je een loterijbriefje, een lot in de loterij? doch thans schertsend voor: heb-je een velletje papier (voor me); bepaaldelijk om er mee naar de bestekamer te gaan. – Vgl. de samenst. paaibrief.
briesen, briesen, (brieskə en briesə), (zwak werkwoord, intransitief), Zie de wdbb. – Ook schreeuwen, sterk spreken, in het oog vallen, van kleuren. || Wat ’en briesende kleuren. Die japon is niet zo heel brieskend, hij staat zuiver deftig. – Ook gebruikt men brieskend in de zin van zeer boos, erg driftig. || Hij wier brieskend, toe ik ’et ’em vertelde. Vgl. SOETEBOOM. S. Arc. 518: “Dikke en sware balken, met groter kracht ingeslagen en te samen gebonden, met machtige key-stenen achter gestut en verstarkt, om de kracht der briesende golven te breken (bij de Hondsbosse).” – Zie brieskend.
briesend, brieskend, (bijwoord), In de uitdr. brieskend graag, buitengewoon graag (de Koog). Zie briesen. || Ze wou brieskend graag mee.
brijbel, briebel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Scheldwoord. Meestal in de samenst. snotbriebel. Hetz. als biebel; zie aldaar.
brijbel, biebel, briebel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meestal in de samenst. snotbiebel, snotbriebel; zie aldaar. Snotneus. Scheldwoord. || Lillike biebel. – Zie bijbel.
brijn, brijn, (brain), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Pekel, brem. In de uitdr. zo zout as brijn en ’t is brijnzout, zeer zout. Zie over de verwante vormen FRANCK op brijn en HALBERTSMA 505 op brein.
brijnzout, brijnzout, (bijvoeglijk naamwoord), zie brijn.
brijpot, brijpot, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Schertsende benaming voor iemand die brijt, de letter r niet kan zeggen. || Je benne (bent) ’en brijpot. || Ook: een lompe, dikke kerel. Vgl. hotsklots II. || Zo’n brijpot!
brijzelen, briezelen, brijzelen, (zwak werkwoord, intransitief), Keilen, platte steentjes over het water doen scheren || (Westzaan). – Het woord is klaarblijkelijk afgeleid van brijzel, stuk steen, scherf, en beduidt dus met scherven werpen. – Zie synon. op keilen.
brik, brik, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie brit.
brik, brik, (bijwoord), Alleen in de uitdr. brik kijken, strak kijken (de Wormer). || Hij ken zo brik kijken. – Evenzo in de Beemster. || Hij kijkt zo brik. Daar keek mijn paard zo brik op af. Ook: Kijk maar zo brik niet (wees maar niet schuw of verlegen), BOUMAN 17. – In W.- Friesl. zegt men wat kijkt hij brik voor wat kijkt hij vergenoegd of vriendelijk. – Op Urk beduidt de locht stot (staat) brik: de lucht staat dreigend, er hangen donkere wolken, Taal- en Letterb. 6, 28. – In het Fri. is brîk een zeer gebruikelijk woord in de zin van verdraaid, misvormd, scheef, van personen en zaken; zie HALBERTSMA 512 vlg; O. Volkst. 2, 177. Vgl. ook Ohd. priek, vertrekking van het gelaat (GRAFF 3, 364; prieken machondo, ora torquendo).
bril, bril, (bijwoord), Alleen in de uitdr. bril kijken, verkeerd kijken, niet goed uit de ogen zien. || “Komt vader daar niet an?” “Och jongen, je kijke (kijkt) bril.” Der is niks van an, je heb zeker weer bril ’ekeken. – In het Fri. heeft bril de betekenis van beneveld, half dronken (HALBERTSMA 514). – De uitdr. bril zien, bril toezien, toekijken, is ook bij de 17de-eeuwse Amsterdammers zeer gewoon. De betekenis is beteuterd kijken. || Het mallen, het stoeyen en had gheen end’, tot dat ouwe Franck haer daer op bekipte; doe keeckense bril toe, Venus minnegifjens, f° 47 r°. (Wy) kregen so veel Bonsjours en Baeselmanis (kushandjes) van de rijcke monseurs, en soo veel goen dach van pelsen en schruers (kleermakers), dat hij bril sach (beteuterd raakte), BREDERO, Moortje 736. En weet gy niet als sy van Ritsart (de medeminnaar) rept, hoe bril dat ghy dan siet?, ald. 1271. Ick (de meid) seyde mijn huur op: mijn Vrouw’ die sach bril toe, Spa. Brab. 789. Zie verdere voorbeelden uit HOOFT en VONDEL bij OUDEMANS, Wdb. op Bredero 73; Wdb. op Hooft 62.
bril, bril, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook als naam van enige stukken land te Assendelft, die in vorm op een bril gelijken. || Cornelis Roelofsen, genaemt de brillen, Maatb. Assend. (a° 1634). Noch de bril int selffde weer, ald. (a° 1633).
brit, brit, brik, brikkie, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In verkl. britje. Vuur van turf of licht hout, kolenvuur. || We zellen maar ers ’en lekker britje maken met de koud. Er leit ’en ferme brit in de kachel. ’t Eten zel wel gauw gaar wezen, er leit ’en goeie brit onder. – Overdrachtelijk ook in de zin van warme stoof, naar het vuur dat in de test is. || ’t Is zo gril (guur), ik zel maar ’en lekkere warme brit nemen. – In Friesl. en Gron. zijn britten, brîten, brokken turf; evenzo in O.-Friesl. brêten. Vgl. KIL. brete, brette, Sicamb. j. britte, frustum sive pars cespitis. Vandaar de zegsw. hij wil al breten voer torven tellen (MEYER, Oude Ned. Spreuken 37), die ook voorkomt bij MARNIX, Biëncorf 170: “Nu en ist ghene tijdt meer, datmen het volk britten voor torven telle.” – In verschillende Ogerm. talen vindt men werkwoord van dezelfde stam in de zin van verbrijzelen, stukbreken. – Als de vorm brik werkelijk oud is en niet op misverstand berust, zou dit woord één kunnen zijn met Ned. brik, briksteen, gebroken steen, puin, dat oorspronkelijk afgebroken stuk beduidt; vgl. BREDERO, Moortje 2353: “Ick sweer u, ick sal u dat malle harsebecken an bricke (stukken) breken.” Zie ook KIL. bricke, brijcke, Flandr. later, laterculus, bricke, Sax. Sicamb. orbis, orbiculus, j. schijve en talioore. Oost-Fri. brik, dunne plank, houten schijf in een melkemmer om het overstorten der melk te voorkomen, damschijf (KOOLMAN 1, 228; HALBERTSMA 512. Ndd. brikke, plat bord, (DÄHNERT, SCHÜTZE). Engels brick, Frans brique, tichelsteen; zie de wdbb. – Vgl. opbritten.
brits, britje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In de uitdr. Iemand een britje geven, hem voor de broek geven. Synon. britten. || Kwaje rakkerd! wacht maar: ik zel je ’en britje geven!
brits, brit, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij vissers. Kooi, rustplaats. || Gaan maar effe op de brit leggen. Rust maar wat uit op de brit. – Soms ook voor bed. || ’t Is ’en slechte brit (een slecht bed). – Vgl. Ned. brits, planken rustbank, slaapplaats in een kazerne, arrestantenkamer of een wachthuis (VAN DALE).
britsen, britten, (zwak werkwoord, transitief), Britsen, voor de broek geven, slaan. Synon. een britje geven. || “Kom, jongens, lêten we ’em ers britten.” – In Drechterland is britten de naam van zeker jongensspel, waarbij met een stok geslagen wordt op een houtje, waarop de spelers centen hebben gelegd; de centen, die er af vliegen en met munt boven liggen, zijn voor de slaander, de overige worden er weer op gelegd voor de andere spelers. Zie britje.
britten, britten, (zwak werkwoord), Vgl. brit I en opbritten. In Drechterland is britten voor een vuur goed aanstoken gewoon.
broddellap, broddellap, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Knoeilapje, het eerste werklapje van een kind, dat leert breien of merken. Vgl. DE JAGER , Freq. 1, 47 op broddelen.
broddellap, brabbellap, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Broddellap (van kinderen die leren handwerken). Zie brabbelen.
broeder, broeder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Broeder in de zak, zekere meelspijs. Ketelkoek; meel, melk en stroop door elkaarin een zak gekookt tot een stijve koek, die met een touwtje aan plakken gesneden wordt. Vgl. zuster. – Zie de samenst. lulbroer, vijfbroers.
Broedijk, Broedijk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een dijkje onder Jisp en Nek, langs de Wijde-Wijzend. || Dat van nu voortaan niemand en sal vermoogen eenige paarden ofte koebeesten op de Broedijck deses dors te laten loopen, Hs. keur (a° 1687), archief v. Jisp. – In oudere stukken schrijft men ook Broekdijk, omdat men – en wellicht terecht (vgl. de uitspraak zaddoek voor zakdoek) – de naam in verband brengt met broek, moerassig land. De dijk is blijkbaar aangelegd op rietschoten en kraggen. – Ook bij Sybekaspel vond men een Broedijk. || Item soe moet men gheen riet winnen op een halve roede an die tocht van die Broedijck, op een boet van tien scellinc (keur v. Sybekarspel, 15de e.?) Wfri. Stadr. 2, 329.
broei, broei, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Het broeien van hooi.|| Het hooi raakt an de broei. – Zegsw. In de broei zitten, in de brand, in verlegenheid zitten.
broeien, broeien, (zwak werkwoord, intransitief), Zegsw. Gebroeid zijn, zich beledigd achten. || Hij is ’ebroeid, dat ik ’et ’em niet verteld heb. – Zie een zegsw. op varken.
broeiig, broeiig, (bijvoeglijk naamwoord), Broeiend, drukkend; van het weer. || Wat is ’et broeiig vandaag; er ken wel onweer kommen. – Synon. dram, brommig; zie aldaar.
broek, broek, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Moerassig, laag land.Zie de wdbb. In de naam van verschillende stukken land, b.v. het Broekje (te W. Zaandam bij de Noorder-IJdijk). – Een der vier delen, waarin Assendelft eertijds was gesplitst, heet het Broekvierendeel. Wij vinden dit Broek reeds in de 12e e. vermeld. || In Escemdelf juxta Wifert in Broke octo virgas er dimidiam, Oorkb. I n° 204 (a° 1182-1206). – Vgl. Broekdijk, broeklander, broekweer en Haaldersbroek, Kranenbroek, Leibroek.
broek, broek, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Het kledingstuk. Zie zegsw. op dagwerk, meid en snert, en vgl. broekgordijn, broekhoest, Broekvol, drasbroek, perebroek. – Ook in de volgende opvattingen: a) In de kap van een molen. Een zwaar H-vormig stel balken, dat aan de ene zijde in de achterbalk is bevestigd en aan de andere kant op de penbalk (broekbalk), en tegen welk dwarsstuk de pen van de as maalt. Dit dwarsstuk draagt de naam van broekstuk, de benen der H die van zijwanden van de broek. Vgl. Groot Volk. Moolenb. II, pl. 3, waar de broek onder de benaming stoel is afgebeeld. – b) Bij de zeildoekweverij. Een der beide delen van de tempel; het broekvormig gedeelte, waar de poot in past. Vgl. tempel.
broekbalk, broekbalk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie broek I.
Broekdijk, Broekdijk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie Broedijk.
broekgordijn, broekgordijn, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Lang, door een band opgenomen gordijn, dat meestal meteen voor statiegordijn dient. Het wordt ’s zomers na de grote schoonmaak opgehangen en ’s winters weggenomen (de Wormer). Evenzo in W.-Friesl. en in het Stad-Fri. Het broekgordijn heet zo naar zijn vorm.
broekhoest, broekhoest, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de uitdr., de broekhoest hebben, schertsende benaming voor last hebben van winderigheid, veesten.
broekie-val, broekie-val, (zelfstandig naamwoord), Naam van zeker kaartspel, waarbij men op een gegeven ogenblik zijn kaart moest openleggen, terwijl de andere spelers broeki-val (of: je broek valt) riepen en de verliezer uitsliepten (Wormerveer). Thans verouderd. – Vgl. zien wie de blankste billen heeft op bil.
broeklander, broeklander, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Benaming voor de beide roeiers der schuit, waarin bij de polderschouw het polderbestuur vervoerd wordt (Jisp). || Wie moeten de broeklanders wezen? Jan en Piet? – De bovengenoemde Regenten eligeren en stellen twee Weesmeesteren, … drie Polder-meesters, twee Broeck-landers, twee Hooy-steeckers (a° 1664), LAM 656.
broekstuk, broekstuk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie broek I.
Broekvol, Broekvol, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land onder Wormer. || De Broekvol. – Een stuk lands genaampt een Broek vol, Hs. (a° 1788), archief v. Wormer.
broekweer, broekweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een weer, dat uit broekland bestaat; zie weer I. Thans ongebruikelijk. || De andere Landen, daar goede Broekweeren ofte Koeijevennen waren, daar weiden se de Beesten, SOETEBOOM, S. Arc. 497.
broekzak, broekzak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook: de broek van vissers; laarzen van leer, die tot aan de borst reiken en die de visser aantrekt, als hij bij het vissen in ’t water wil gaan staan.
brommer, brommer, (bròmmər), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bromvlieg. || Pas op ’t vlees: daar heb-je weer zo’n brommer. Evenzo elders in N.-Holl. en in het Stad-Fri. – Ook als benaming voor een koe die brommend en onrustig heen en weer loopt, bruller, bulker. || Zo’n brommer maakt ’et aâre vee ook onrustig. Evenzo in de Beemster (BOUMAN 18).
brommig, brommig, (bròmməch), (bijvoeglijk naamwoord), Drukkend, broeiend; van het weer. || ’t Is brommig weer. – Zie synon. op broeiig.
brood, brood, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – In verkl. broodje, snee brood, boterham.|| Hoeveel broodjes moet ik snijden (hoeveel sneden)? Broodjes maken (boterhammen snijden en smeren). Broodje eten (brood en koffie gebruiken; vgl. kopjesbroodje). Een broodje blijven eten (bij iemand ’s avonds op bezoek zijnde blijven om een avondboterham te eten). Zie zegsw. op praten en vgl. schootjesbrood, stroopbrood en VERLOREN BROOD op verloren. – Vgl. domineesbroodje.
Broodakker, Broodakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van enige stukken land nabij de Nauernase vaart. || De Broodakker (in het Zuidelijk deel van Krommenie). Kees Moeuduyven brootacker (in het Kerkweer te Assendelft), Mr. Maertens brootacker (in Floorenweer), Maatb. Assend. (a° 1634). – Vandaar de Broodakkersloot, die van de Nauernase vaart tot aan Wormerveer loopt, tussen de Lei- en de Kerksloot.
bros, bros, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Brosse en taaie spijkers: zie op spijker.
brug, brug, breg, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. || Hai sting mit zen reg teuge de léning van de breg (hij stond met zijn rug tegen de leuning van de brug), een van de in omloop zijnde voorbeelden der Zaanse uitspraak. – Zie Hembrug, Hornbreg, KLAPBRUG op klap II en vgl. draai, kluft, kwakel, til, weel en zijl.
brugje-rol doen, brugje-rol doen, Zeker jongensspel waarbij de ene speler een knikker tegen de helling van een brug werpt, zodat hij er weer af rolt, wat door de ander wordt nagedaan. Deze laatste wint, wanneer beide knikkers zo dicht bij elkaar liggen, dat zij met de hand te bespannen zijn (de Koog). – Vgl. een soortgelijk spel op spanbotten.
brui-heen, brui-heen, (met klemtoon op heen), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in de zegsw.: Kom, nog een glaasje op de goeie brui-heen, nog een glaasje op de valreep. Van heenbruien, heengaan, vertrekken.
bruidje-ket, bruidje-ket, (broitjə-ket), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bruidspretje op de dag van de ondertrouw. Verwanten, vrienden en buren kwamen dan het bruidspaar gelukwensen en werden daarbij onthaald. Zie SCHELTEMA, Mengelw. IV3, 113 en 270. Thans is dit gebruik verouderd. – Vgl. ket I.
bruidskopje, bruidskopje, (broiskoppie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Koffievisite in de bruidsdagen. || Ik heb nog bij hullie (hen) op ’en bruidskoppie ’eweest. – Vgl. kopje.
bruidstroosting, bruidstroosting, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie troosten.
bruiloft, bruiloft, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Te bruiloft gaan of bruiloften, schertsend voor zaad verschieten, meel verschoppen; in pakhuizen en pellerijen. Zie synon. op zuchten. || “Hoe is ’t maat?” “Ik gaan te bruiloften.” – Zie de samenst. pannebruiloft.
bruiloften, bruiloften, (zwak werkwoord), zie bruiloft.
Bruiloftsloot, Bruiloftsloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een sloot te Jisp. || De bruloft sloot. Hs T. 246 f° 140 r° (a° 1650), prov. archief.
bruin, bruin, (broin), (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Het bruine water, hetz. als het nare water; zie op naar II.
buiig, buiig, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Van varkens, die lijdende zijn aan zekere ziekte waaraan ze sterven. Stuipbuien hebbende. Varkens, die buiig benne, hebben stuipen.
buik, buik, (boik), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. ’t Is onder het paard zijn buik, ’t is verloren, spoorloos verdwenen; door slordigheid of oneerlijkheid. || Ik heb ’em verleden dat boek ’eliend, maar ’t zel wel onder ’et peerd zijn buik wezen (ik zal het wel nooit terugkrijgen). Hij is wel niet bepaald oneerlijk, maar er raakt toch wel ers wat onder ’et paard zijn buik. – Zie nog een zegsw. op hemd, en vgl. de samenst. gortbuik, schalbuik.
buikdenning, buikdenning, buitdenning, buikhelling, buitenhelling, buithelli, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een plankenbeschot, waarmede de bodem van sommige schuiten van binnen wordt bekleed. || Kalkschuiten hebben altijd een buikdenning, omdat de wanden van de schuit te veel aangetast worden zouden door de kalk. Deze Vaartuigen (nl. moddermachines) ... (gaan) weinig dieper dan 12 duim, want men in dezelve een Koker maakt, die zo hoog staat als het vaartuig diep gaat, in de bovenkant van de Koker een Sponning, daar men dan de Buitendenning in leid, en als van de vaste Huid na de Koker een half voet afwatert, uit reden als men niet langer kan dempen, men dan op de Buitdenning gaat staan, en schoppen het ’er dan maar uit, net zo goed als de beste Modderschouw, Samenspr. 13. – Buikdenning is ook elders in Holl. gebruikelijk; vgl VAN LENNEP, Zeemanswdb. 53 en VAN DALE. In Friesl. zegt men bûkdelling (HALBERTSMA 543), in Gron. boekdellen (MOLEMA 44). – Vgl. ook: Sy hebben alle denningen (uyt) dennebomen van Senir gebouwt: sy hebben cederen van de Lbanon gehaelt, om masten voor u te maken, Stat.-Bijbel, Ezech. 27:5. Vgl. KIL. “dennen van ’t schip, fori, tabulata navium” en zie dendeschuit. – Denne, den, betekent in verschillende delen van ons land vlakke plaats om te dorsen, dorsvloer. KIL. denne, area; pavimentum; tabulatum. Hdg. tenne.
Buikeland, Buikeland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land te Krommenie. Thans onbekend. || Buicke lant, Maatb. Kromm., I (a° 1639). – Vgl. Buikhorn.
buikhoepel, buikhoep, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie hoep.
Buikhorn, Buikhorn, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land onder Assendelft, in de Buitenkaag. Thans onbekend. || Boeckhorn, Polderl. Assend. I f° 48 r° (a° 1600). De Buyckhorn, Maatb. Assend. (a° 1635). – Vgl. Buikeland en de dorpsnaam Buiksloot (vroeger ook Buikesloot).
buil, buil, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie buul. Vgl. klapbuul, tuimelbuil en weelbuidel.
buil, buul, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De Ned. vorm buil is ongebruikelijk. – 1) Zak; in het bijzonder geldbuidel. || Een buultje met geld. ’t Moet vanmiddag wat zuinig an, van de schrale buul (wegens gebrek aan geld). – Zegsw. In de buul blazen, geld uitgeven, royaal zijn.|| Nou, nou, je hebbe goed in de buul ’eblazen. – Vgl. de samenst. KNIKKERBUUL, stukkebuul. 2) In een oliemolen. De zakken, waarin het verwarmde meel tussen de haren tot koeken wordt geperst. Zie Groot Volk. Moolenb. III, pl. 4. – Vgl voorslagsbuul en naslagsbuul, buulgaren en buullaken. 3) In een verfmolen. Een langwerpig stuk gaas (vroeger van touw, thans meestal van zijde vervaardigd), dat om een haspel gespannen wordt en dient tot het zeven van verschillende stoffen. De buul is aan weerskanten met openingen, waardoor een dike katoenen draad (buulgaren) geregen wordt, waarmede men de buul om de triemen (sporten) van de haspel spant. De schuingeplaatste haspel draait in een langwerpige houten kist, de buulkist, met een trechter voor het instorten van boven, een opening voor het ledigen van onder, en aan de achterzijde een bak, waarin dat, wat de buul niet doorlaat, wordt opgevangen. 4) In de bakkerij. Bakkerszeef. Vandaar ook buulkist en bulen.
builen, bulen, builen, (zwak werkwoord, transitief), 1) Bij de bakkerij en pellerij. Builen. Zie de wdbb. en vgl. buul. 2) Bij de houtzagerij. Het kot van de molen leegmaken, het zaagsel uit het kot verwijderen. || De jongen moet ’t kot bulen.
builgaren, buulgaren, builgaren, (zelfstandig naamwoord onzijdig), 1) In een oliemolen. Dik wollen garen, waarmee de bulen worden genaaid. Vgl. buul. 2. – Het fijnere garen, om gaten in de bulen te stoppen, heet kantgaren; zie aldaar. || 24 Voorslag- en 24 Naslagbuulen, 8 kluwe buulgaren, Invent. (O. Zaandam, a° 1809), Zaanl. Oudhk. 2) In een verfmolen. Het dikke garen, waarmede de buul om de haspel wordt gespannen. Zie buul 3.
builkist, buulkist, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie buul 3 en 4. Vgl. klapbuulkist.
buillaken, buullaken, buillaken, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een wollen weefsel, waarvan de bulen voor oliemolens worden gemaakt. Zie buul 2. || We moeten weer buullaken bestellen. Drie worp Voor- en vijf Naslags-buullaken, Invent. (Zaandijk, a° 1796), Zaanl. Oudhk.
builzolder, buulzolder, (zelfstandig naamwoord onzijdig), De zolder waar de buul (zie buul 4) staat.
Buinderbraak, Buinderbraak, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie buinder en braak I.
buis, buis, (zelfstandig naamwoord), vgl. bollebuis, hokkelbuisje.
buit, buit, (voorzetsel), Buiten. Alleen in de samenstelling Buitkaaik; zie aldaar.
Buitendelft, Buitendelft, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van stukken land te Assendelft, langs de Delft. Vgl. Binnendelft. || Jan IJsbranden noorder (middel, suyder) buytendelft, Maerten Steffes suyder (noorder) buyter delft, Maatb. Assend. (a° 1634).
Buitenhuizen, Buitenhuizen, Naam van een polder onder Assendelft. Eertijds een in het IJ uitstekende punt ten Z. van het dorp, thans door het Noordzee-kanaal gesneden. || Een stuk land in de polder Buitenhuizen. Ik gaan na Buitenhuizen. – Uit de oudste vermeldingen blijkt nog de naamsoorsprong. || De Dijk, gelege buyten Huysen om de Braak, Handv. v. Assend. verv. 393 (a° 1512). Een madt lants leggende buyten huyssen inde banne voorsz., Hs. U. 20, f° 113 r° (a° 1583), prov. archief.
Buitenkaag, Buitenkaag, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een polder onder Assendelft. Zie verder kaag I. || De ingelanden van de Buyten-Kaegh, gelegen in de Banne van Assendelft, Handv. v. Assend. 144 (a° 1588). Die twee maed in de buyten caech, Polderl. Assend. I f° 28 r° (a° 1599).
buitenkabel, buitenkabel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een kabel lands begrensd door de dijksloot, de wegsloot en twee kabelsloten. Zie kabel.
buitenlicht, buitenlicht, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie binnenlicht.
Buitenreef, Buitenreef, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land onder Assendelft, langs de Reef. Zie binnenreef. || Claes ende Cornelis Baertsz, Bosmans buytenreefgen, Maatb. Assend. (a° 1634).
buitenroede, buitenroed, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Aan een molen. De buitenste der beide molenroeden. Vgl. buitenroed.
buitensteen, buitensteen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een oliemolen. De buitenste der beide omwentelende molenstenen, die steen welke langs de buitenrand van de legger loopt. || Hij is zo onbegrijpelijk as de buitensteen.
Buitenven, Buitenven, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land te Assendelft; wel de buitenste ven van het weer. Thans onbekend. || De buyttenven (in Maerten Maertsen-weer), Maatb. Assend. (a° 1635).
buitenweeg, buitenweeg, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Buitenmuur van een huis. Zie weeg. || Wat is die buitenweeg vorveloos (verveloos). Zo’n kas (kast) an de buitenweeg is in de winter altijd vochtig. DeWestsijds Molen-buurt pleysant, daer is het Hout wel abondant, tot Binnen-schot en Buyten-weeg, Saenl. Wassende Roos 7.
Buitkaaik, Buitkaaik, (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)), Naam van de stukken land gelegen aan de overzijde van de Kaaik onder Assendelft. Zie binkaaik. || Me (mijn) Buitkaaiken bennen te koop. Een stucke lants genaemt die buyt cayc, Hs. U. 19 f° 19 r° (a° 1579), prov. archief. Die helft vande twee buytcayckges in Jan Gaellen weer, Polderl. Assend. I f° 8 r° (a° 1599). Die middelste buytcayck, ald., f° 28 r°.
buizen, buizen, (zwak werkwoord), vgl. overbuizen en verbuisd.
bukken, bukken, bokken, (zwak werkwoord, intransitief), Zie de wdbb. || Bok effies om die kloen op te rapen. Hoe is ’t, ken-je niet meer bokken? Elk (mocht) maer een deur in sijn huys hebben … niet boven de vier voeten hoog, en dat om wanneerse in huis souden gaen, sy bocken mosten, tot straffe van haer weder spannicheyt, SOETEBOOM, S. Arc. 71.
bul, bul, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Verkl. bultje. 1) Stier (welk woord ongebruikelijk is, evenals verderop in N.-Holl. en Friesl.). Vgl. pink(e)bul op pink. – 2) Bij de kuiperij. Benaming voor een kloofhamer; de zware houten hamer met zeer grote kop, waarmee op het kloofmes geslagen wordt bij het kloven der duigen. – 3) Ook in de naam van verschillende stukken land, waarop een bul werd vastgezet. || Die bullemanscamp. Stoelb. Assend. f° 37 v° (einde 16de e.). Jan Dirck Huysers bullecamp (hetzelfde stuk als het vorige), Maatb. Assend. (a° 1635). Het Bullestuk (te W. Zaandam en te Westzaan). De Bul-ven (in de Kalverpolder).
bulkalf, bulkalf, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Stierkalf, kalf van het mannelijk geslacht. Vgl. kuikalf.
Bullekamp, Bullekamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie bul.
bullenkerk, bullekerk, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bijnaam van de Westzijderkerk te Zaandam. – Deze is zo genoemd naar de zich daar bevindende afbeelding van een voorval, dat bekend is onder de naam van “Stiers wreetheydt” (a° 1647). Vgl. HONIG, Gesch. d. Zaanl.. 1, 316 vlgg, en SCHOTEL, Zeden 20 vlgg.
bullenkuur, bullekuur, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De ijzeren ketting, waarmede een bul wordt vastgelegd. Zie kuur.
bullenman, bulleman, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Eigenaar van een bul, boer die het recht heeft een bul te houden, stierhouder.
Bullestuk, Bullestuk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie bul 3.
bulloper, bulloper, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Man of jongen, die de bul rondleidt.
bult, bult, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen met het onbep. lidw. Grote hoeveelheid. || Hij het ’en bult geld. Ik heb ’en bult plezier ’ehad. – Evenzo elders in N.-Holl., in Friesl., Gron., Oost-Friesl., enz.; zie de wdbb.
Bulven, Bulven, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie bul 3.
bun, bun, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een vaste onder in een visschuit getimmerde vishouder. Zie de wdbb. – Een vissersvaartuig, dat daarvan is voorzien, heet bunboot of bunschuitje. – Onderdelen van de bun zijn: deken, hoofdeschot en trog; zie aldaar. – Waarschijnlijk is bun van elders ingevoerd; de inheemse vom schijnt te zijn bon; zie bon 3.
bunboot, bunboot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie bun.
bunder, bunder, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een landmaat, ter grootte van 1000 roeden. Vgl. buinder.
bunder, buinder, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie bunder, 1000 roeden. Thans verouderd. || 1 Buinder land is 1½ morgen Hollands, Advers. Oostwoud, f° 867 (a° 1775). – Ook als de naam van een stuk land in de ban van Oostzaanden. || De Buinders, Polderl. Oostz. I (17de e.). – Verder in de Buinderbraak, de grootste der beide braken bij de Voorzaan onder O. Zaandam. – De vorm buunre, buunder, buynder, komt ook in de Middeleeuwen voor; zie Mnl. Wdb. I, 1486.
Buning, Buning, Beuning, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land op Ruigoord. Thans onbekend. || Die bueningen, Hs. T. 51, f° 22 v° (a° 1604), prov. archief. Die ½ bueningh, een derdepart inde halve bueningh, Polderl. Westz. II (a° 1629). Op Ruychoort 1/3 inde halve beuningh, noch 1/6 in halve beuning van Kees Heyn, ald. IV f° 7 (a°1649). – De Kaart v. de Uytw. Sl. 14 vermeldt onder Warmenhuizen een Beuninge Sloot.
bunschuitje, bunschuitje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie bun. || Een bunschuitje met zeil en treil.
bunzig, bunzig, (bijvoeglijk naamwoord), Bang, bevreesd, beschroomd. || Je moet niet zo bunzig wezen; hij zel je niet opvreten. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 19) en verschillende Z.-Holl. plaatsen (zie OPREL 50), alsmede in Gron. (MOLEMA 63).
burenkopje, burenkopje, (burəkoppie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een koffievisite in de bruidsdagen, waarop de buren werden genood. Thans is dit feestje in onbruik. – Vgl. kopje.
burg, burg, (zelfstandig naamwoord), vgl. Krimpenburg.
burgerhart, burgerhart, (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)), Haring, die in de schoorsteen gerookt is. Burgerhart is van slechtere kwaliteit dan bokking, daar deze zorgvuldig en langzaam boven stro gerookt wordt. || ’s Avonds venten ze bij ons op ’et pad met burgerhart en sprot. We eten zaterdag meest rijst met burgerhart.
Burts, Burts, (zelfstandig naamwoord), Naam van een stuk land op de Koog. Thans waarschijnlijk onbekend. || De Burts, Hs. (a° 1735), verz. Honig.
bus, bos, (bòs), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk en onzijdig), De Ned. vorm bus is ongebruikelijk. Bos is ook elders in Holl. en Friesl. gewoon. – 1) vrouwelijk Cilindervormig voorwerp van metaal of steen, meestal van een deksel voorzien, en dienende om iets in te sluiten,. Zie de wdbb op bus. – Zegsw. Dat sluit as ’en bos, het sluit; vooral gezegd van een redenering, die steek houdt. – Vgl. de samenst. bonebos, PEPERBOS, tontelbos. – Bos wordt verder in verschillende bijzondere toepassingen gebruikt. – a) onzijdig In een pelmolen en een grutterij. De ijzeren bus, die de neuten omsluit, waartussen het steenspil draait; onder de rijn (molenijzer). Zie Groot Volk. Moolenb. II, pl. 9, en vgl. KROOK, Molenb. 54 vlg. || Het bos loopt warm, steek ’en blikkie (stukje blik) achter de neut om ’em vast te zetten. – b) onzijdig In een papiermolen; aan de roerbak. De bus waarmede het spiltje wordt omgeven, om daaraan het roerbakswieltje te kunnen vastwiggen. Nadat het bos om het spil is gedaan wordt op ieder vierkant daarvan een soort van houten wig (koon) geplaatst en daaroverheen het wieltje van de roerbak geschoven, dat dan door die konen aan het spil wordt vastgewigd. Vgl. Groot Volk. Moolenb. I, pl. 18. || 4 Bossen met konen, Invent. papiermolen (Koog, a° 1793), Zaanl. Oudhk. – c) vrouwelijk Bij de zeildoekweverij. De ronde uitholling of sponning in euverlaad en laadblok, waarin het ried sluit. || De bos van ’et ried. 2) onzijdig Begrafenisfonds. Bos was misschien oorspronkelijk de bus, waarin het geld door de deelnemers werd gestort. || Me man is an ’t geld ophalen voor ’et bos. Hij trekt van ’et bos. Ze bennen geen lid van ’en bos. – Vandaar bosgeld, maandelijkse contributrie voor de begrafenis-sociëteit, en bosloper, man die dit geld ophaalt. || “Moeder, daar is de bosloper om bosgeld.” “Goed, daar heb-je ’en stoter.” – Vgl. ziekebos.
busgeld, bosgeld, bosloper, (zelfstandig naamwoord), zie bos II.
buurt, buurt, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Krabbelbuurt. Op de buurt gaan, zoeken te lenen. || We zellen ’en nuwe glazewasser kopen: ’t is vervelend as je altijd zo op de buurt (gaan) moete om wat te krijgen.
buurten, buurten, (zwak werkwoord, intransitief), Een buurpraatje houden. || Me werk is of, ik gaan nog ers buurten.
buurtvrijer, buurtvrijer, buurtvrijster, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Jongeman, jongedochter uit de buurt. || Wel, buurvrijster, waar gaan-je na toe? – Evenzo elders in Holl.
cent, cent, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In het meerv. centen bij het volk voor geld. || Een dienstbode zal zeggen: Ik heb de centen (het geld; onverschillig of het guldens, kwartjes of centen zijn) op tafel ’elegen. Hoeveel hij (mijn zoon) verdient, weet ik niet, misschien ƒ 3, maar daar vraag ik niet naar, want hij geeft de centen aan moeder, en met het huishouden laat ik mij niet in, Arbeids-enquête (a° 1891), 3078. – Vgl. de samenst. lastcent.
chagrijn, saggerijn, chagrijn, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Daarnaast sacherijn. Een chagrijnig mens, iemand met een lastig humeur, kniesoor. Ook als scheldwoord. || O, ’t is zo’n saggerijn (zo’n akelig mens). Jou lillike sacherijn! – Van Fra. chagrin. Ook elders kent men sagrijn in deze zin.
champignon, sampioen, champignon, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Vervorming van Fra. champignon. Eetbare paddestoel. || Sampioens zoeken.
Citadel, Citadel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land te Assendelft. || De Citadel of boveeg van Arie de Bruin.
Compaan, Compaan, eigennaam; zie kompaan.
compeer, kompeer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Fra. compère; zie zegsw. op fut.
crime, kriem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de uitdr. ’t is een kriem, ’t is een ellende. || Dat schoonmaken is ’en kriem (een last, een hatelijk iets, voor de mannen). ’t Is ’en kriem, dat ze je zo vroeg je bed uithalen. Die baldadigheid teugenswoordig is ’en kriem (een voortdurende ergernis). – Kriem is wellicht Fra. crime; doch vgl. kriemen.
Cullen, Cullen, eigennaam; zie sullen.
daagleer, daagleer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Smalle strook leder, waarmede men daagt; zie dagen I.
daagriem, daagriem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hetz. als daagleer; zie aldaar.
daaierig, daaierig, (bijvoeglijk naamwoord), Hetz. als daaiig; zie aldaar. || Wat is die koek daaierig.
daaiig, daaiig, (bijvoeglijk naamwoord), Niet doorbakken, tetsig; van gebak. || Het brood is daaiig (het is niet genoeg gerezen). Daaiige koek. – Ook gezegd van grond, die taai en lemig en dus zwaar te verwerken en fijn te maken is. || Wat is ’et land hier daaiig, je ken ’et temet niet omspitten. – Het woord is ook verderop in N.-Holl. en in Friesl. gebruikelijk. Daai is de Fri. vorm van deeg; zie HALBERTSMA op dai. Daaiig is dus degig, deegachtig.
daaiigheid, daaiigheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Het daaiig zijn. Zie daaiig. || Een soort van koek noemen ze om zijn daaiigheid kleidikker.
daak, daak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hoofdzeer, een korstige en schilferige uitslag op het hoofd. || Neel der jongste kind heb daak op zijn hoofd. De daak raakt los, as je maar insmere (insmeert) mit ongezouten boter. – Vgl. Mnl. daken, vast zijn aan, hechten, dat later ook in allerlei gewijzigde betekenissen voorkomt; zie Mnl. Wdb. II, 41, en DE JAGER, Freq. 2, 61. In verschillende Germ. dialecten komt een woord daak voor in de zin van nevel, damp; vgl. KIL. daeck, dake, Sax. Fris. j. nevel, nebula, en de bij KOOLMAN 1, 273, opgesomde vormen. Wellicht zijn deze woorden onderling niet verwant; hun afleiding staat nog niet vast. Misschien komt daak van dezelfde stam als dak en dekken, en beduidt het oorspronkelijk: dat wat (het hoofd) overdekt, wat zich (aan het hoofd) vastzet. – Zelfstandig naamwoord, in de uitdr. Iemand op zijn daak geven, hem een pak slaag geven.|| As ik ’em krijg, zel ik ’em op zen daak geven.
daal, del, (bijwoord), Naar beneden. Alleen in de uitroep kop del! kop neer! Bij het haasje-over springen, als waarschuwing aan de gebukt staande makker, dat men komt aanlopen. – Evenzo Fri. del, naar omlaag (HALBERTSMA 603). Vgl. Mnl. Wdb. II, 43: te dale.
daalder, daalder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op achtentwintig en schat.
daar, daar, (bijwoord), Daarnaast deer. Zie de wdbb. – Ook als uitroep van verwondering of tot bevestiging van het door de vorige spreker gezegde (misschien elliptisch voor kijk daar!). Wat je zegt! Gunst! || “Ik heb me knippie (beurs) ’estrooid (verloren).” “Deer!” – “Vader heb ok op schaatsen ’eweest.” “Deer!” – Zegsw. Het is tot daar (of deer) an toe, ook vervloeid tot daarentoe (met nadruk op daar), dat kan er nog door, dat is nog te vergeven.|| Dat je ’et ’edaan hebbe, dat is nog tot daarentoe, maar dat je der om liege is gemien. Evenzo elders, b.v. in Friesl. en Gron. – Vgl. ook Ned. Wdb II, 243: als daar aan toe, Zaans asterantoe.
daas, daas, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Onwijs, onnozel; van de uitdrukking van het gelaat. || Wat heb hij ’en daas gezicht. Hij zat zo daas te kijken. – Ook als geslachtsnaam DAAS. – Daas is een oude wisselvorm van dwaas (vgl. Taal- en Letterb. 2, 70 vlg.), waarvan ook verschillende afleidingen voorkomen. Zie Mnl. Wdb. II, 34 en 74; KIL. 99; HALBERTSMA 791. Het woord is thans verouderd, maar komt dialectisch, behalve aan de Zaan, ook nog voor te Haarlem, waar ook dazen, onwijs doen, ijlen, nog in gebruik is, te Zandvoort (O. Volkst. I, 239), en te Kortrijk (Belg. Museum 8, 172). – Vlg. dazig.
dadelijk, dadelijk, datelijk, (bijwoord), Soms nog datelijk. Vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 7; NAUTA, Aant. op Bredero, § 38. || Ik kom zo datelijk.
dag, dag, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Dag-gedag (dag, goedendag), groet bij het afscheid nemen, die zeer gerekt en zangerig wordt uitgesproken en dus bijna klinkt als daag-gedaag. Vgl. nacht. – In samenstellingen vervloeit de 2de naamval van dag gewoonlijk tot -des, of -dis, b.v. sundes voor ’s zondags, smiddes voor ’s middags. || 1677 de 14 September is gerust Jan Cornelisse Smit, smitdis tusschen 11 ende 12 ure, Journ. Caeskoper, in dato. – Misschien zijn deze vormen reeds oud en niet ontstaan uit -dags, maar uit een Holl.-Fri. vorm zonder g, b.v. -deis; vgl. HALBERTSMA 630 vlgg. Dat dei voor dag ook in N.-Holl. gebruikelijk is geweest, blijkt uit deimt; zie aldaar. – Zegsw. Dat kan geen dag worden, dat kan zo niet langer, dat loopt niet goed af. || Dat ken zo gien dag worre mit die jongen; ik heb ’m nou vandaag al driemaal skone kleren antrekken moeten. (De baas tot de leerjongen:) Zeg, hou maar op mit dat werk, dat ken nooit gien dag worre: ik zel ’et zelf wel doen. – Vgl. de samenst. geldjesdag, iemesdagen, kamerdag, katjesdagen, melkdag, onderdaags, Prinsjesdag, proldag, staddag, tussendag, uitdag, winterdag.
dagblokmaler, dagblokmaalder, (met hoofdtoon op dag en bijtoon op maal), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meesterknecht op een oliemolen; de blokmaalder, die bij dag maalt. – Overdrachtelijk heet de burgemeester de dagblokmaalder van het stadhuis (Zaandam). || Ik moet nog effen na de dagblokmaalder van ’et stadhuis.
dagen, dagen, (zwak werkwoord), In de zegsw. het zal er dagen, er zal wat gebeuren, er zullen klappen vallen. || Pas op dat je ’t niet weer doene (doet) of ’et zel er dagen! – Evenzo verderop in N.-Holland. In de 17de en 18de e. was de uitdr. in Holl. algemeen; zie OUDEMANS, Wdb.op Bredero 78.
dagen, dagen, (zwak werkwoord, intransitief), Met een lederen riem centen naar een zeker doel langs de grond voortslaan. Jongensspel. Zie daagleer, daagriem. – Vgl. Fri. daegje, steentjes of centen naar een doel werpen (projicere), HALBERTSMA 602. Een soortgelijk spel zal ook wel bedoeld zijn in Handv. v. Ench. 375: Wijders sal niemant ... mogen spelen met de Kaert, Teerlinghen, Duyten, of eenigherhande Munten, nochte oock Kruyssemunten, na te leggen, op-werpen, omme-hutselen, daggen, ofte andersins mogen dobbelen (a° 1646). – Het woord zal wel verwant zijn met Ned. dag (bij VONDEL dagk), eind touw tot afstraffing van matrozen, en Eng. dag, reepje, schoenveter.
dagjongen, dagjongen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie jongen.
dagmaat, deimt, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zekere landmaat; oorspronkelijk zoveel lands als men op één dag maaien kan. Hetz. als mad en dagwerk; zie aldaar. Deimt is in de Zaanstreek slechts in het aan Waterland grenzende gedeelte in gebruik. || Een deimt is ⅔ Waterlandse morgen of 400 Rijnlandse roeden. Syn susters landt ... groot te boeck twee deymt, Hs. (a° 1679), archief v. Jisp. Eenige buyten-landen ..., die gelden mosten in de kosten na hare Deymten, SOETEBOOM, Vronen 229. – Ook als naam van een stuk land te O. Zaandam, aan de Zuiddijk. || ’t Halve deymske, Polderl. Oostz. I (17de e.). – Misschien ook in de naam van een stuk land te Krommenie. || ’t Rijke-deynt, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 54; ’t reyke deynt, ald. (a° 1680), f° 37; ’t reyke deyn, ald. (a° 1764), f° 235 r°. Alsdan zou bewezen zijn, dat deimt indertijd ook bewesten de Zaan in gebruik was, doch blijkens de verbasteringen in de 17de e. niet meer werd verstaan; rijk kan hier zijn best, vruchtbaar. – Deimt (in Friesl. deimeth) is Holl.-Fri. vorm van Ned. dagmaad; vgl. Mnl. Wdb. op dachmaet en deimt. Het woord komt, behalve in Waterland (waar men thans ook spreekt van diemt) en W.-Friesl., ook voor in Groningen. – Vgl. deimst-tal.
dagmaatstal, deimts-tal, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Aantal deimsten lands. In de uitdr. na deimtstale gelijk, deimt deimts gelijk, naar rato der deimten (betalende). Thans ongebruikelijk. Vgl. Ned. morgental. || Dat mede die van Purmerent ende Purmerlant tsame, nae Deyms-tale gelijk, met de eerste (ten spoedigste) zullen leggen een duyker in de Purmerlander ban in de dijk van Ilpendam, Hs. akkoord tussen die van Purmerend en Oostzanen (a° 1625), archief v. Zaandam.
dagwerk, dagwerk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – Zegsw.Dagwerk hebben, de gehele dag werk hebben, voortdurend bezig moeten zijn.|| As ik dáármee beginnen wou, dan had ik wel dagwerk (daar kwam geen eind aan). Er is niks lastiger, as dat je dagwerk hebbe met de broek of (last van diarrhee hebt). – Ook als landmaat, 400 □ roeden; oorspronkelijk zoveel land als men op één dag bewerken (d.i. maaien) kan. Hetz. als deimt; zie aldaar. Vele boeren laten nog maaien bij dagwerk. || Een Koeweyde of een Dagwerk groenland is 400 roeden, Advers. Oostwoud, f° 285 (einde 18de e). – Ook in de naam van stukken land onder Oostzaan. || De drie dagwerk op Pieter van Bergen-sloot. De zes dagwerk.
dak, dek, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie dak. Vgl. schandek.
dak, dak, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast te Oostzaan dek. || Hij is op ’et dek ’eklommen. – Zie zegsw. op boer, pan, speelman.
dakkelwieken, dakkelwuken, (zwak werkwoord, intransitief), Soms dakkelewuken. Met de vleugels slaan, pogen te fladderen, van een vogel die uitgeput is. Vgl. wuken. || Hij dakkelwuukte nog ’en beetje , maar toe kon-i niet meer. – Ook: in een onzekere toestand zijn, b.v. tussen ziek en gezond, tussen vorst en dooi. || ’Et dakkelwuukt.
dakkistje, dakkistje, (dagkissie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Aan een molen. De houten omraming der gaten in het rieten dak, waarin de dakraampjes worden geplaatst. || De dakkissies bennen meest wit ’eschilderd met ’en rooie bies.
daklijster, daklijster, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Schertsende benaming voor een krollende kat. || De daklijsters bennen weer an ’t zingen. Hoor die daklijster ers.
daklook, daklook, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zekere plant. Huislook, Lat. Sempervivum tectorum (OUDEMANS, Flora 2 116).
dakschaar, dakscheer, dagscheer, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast dagscheer. Alleen in de zegsw. iemand om een (of de) dakscheer sturen, iemand vergeefs laten lopen. || Ze hebben me om de dakscheer ’estuurd. Je wiste heel goed, dat-i der niet was; maar je bakken ’et me niet weer, dat je me om ’en dagscheer sture. Ik zel ’em maar om ’en dagscheer sturen, dan ben we hem kwijt. Evenzo stuurt men in Gelderland (Tielerwaard) iemand om een kersenschaar of om de vliegenval, en te Leiden (bij bakkers) om de ovenschroef (een denkbeeldig werktuig om de oven te verruimen. – De uitdrukking is ook elders in Noord-Holland nog bekend (Taalgids 1, 107). In de 17de e. was zij bij Hollandse schrijvers zeer gewoon. Vgl.: “Ghy stuert mijn immers om geen dackschaer? (ghy zijt toch so een gesel:)” “Om een dackschaer? neen seker ’tis als ick jou vertel,” COSTER, Tysken v.d. Schilden 710. Six ick wel, soo komt daer de knecht, die my stuerden om een dachschaar, Ardelia en Flavioos vryagie (ed. 1629), 1ste bedr., 5de toon. Hoe is ‘t, houje me veur een dagscheer, De Verliefde Lubbert (ed. 1678), 30. Zie nog een aantal andere voorbeelden bij OUDEMANS 2, 21. De zegsw. komt ook in het Fri. voor: Seyn him umme teckscierre; zie HALBERTSMA 641, die daaraan ter verklaring toevoegt: “fortex, quo arundines exstantes texti amputantur, qui cum non praesto sit, puerum vel fatuum joci causa in vicinos mittunt, ut eum apportet.” – Daar men door iemand om de dakscheer te sturen, hem vergeefs doet lopen, moet de dakschaar een voorwerp zijn, dat niet te krijgen is. Een schaar om het dak gelijk te knippen zal dan ook, zelfs in de tijd toen de rieten daken nog algemeen waren, wel niet in enige inboedel te vinden zijn geweest. Dat er werkelijk iets onzinnigs mee wordt bedoeld bewijzen de uitdrukkingen die aan de Zaan naast om de dakscheer sturen in gebruik zijn. Zo spreekt men ook van iemand om de hooischaar sturen. Een hooischaar nu is een onzinnig ding, want er valt geen hooi af te knippen, omdat er geen hooi groeit, maar gras. Stuurt men dus iemand om de hooischaar, dan laat men hem iets even onmogelijks verrichten als hij, die iemand zendt om de vierkante-gatenboor (zie op boor), of de Fries, die een dichte gaatjespan laat halen. Te Zaandam stuurt men iemand om de rafelscheer. Hierbij moet men bedenken, dat een schaar gebruikt wordt voor het snijden van lappen goed, en niet van rafels.
dalje, dalje, (zelfstandig naamwoord), Alleen in de zegswijzeen: er komt dalje en dalje krijgen. || ’s Morgens waar (was) ’et stil, maar ’s midags kwam er dalje (begon het geducht te regenen). De lucht is zo dik, er zel dalje komen (proest, sneeuw en regen). Hij kreeg dalje (een geducht pak slaag). – Evenzo in Waterland (BOUMAN 20). – Het woord komt in dezelfde zin ook in Friesl. voor; zie HALBERTSMA 612 dalje, dailje, en vgl. KOOLMAN 1, 275 daljen, doljen, slaan, ranselen.
dam, dam, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Waterkering; zie de wdbb. en vgl. een zegsw. op water. – Ook in verschillende plaatsnamen aan de Zaan; zie Knollendam, Zaandam. || De Dam (te Zaandam; reeds in de Middeleeuwen gelegd om het IJ-water uit de Zaan en de Waterlandse meren te houden). De Dam, of Nieuwendam (onder Assendelft; in 1357 in de Krommenie gelegd om deze van het IJ-water af te sluiten). – Nabij de Nieuwendam ligt het Damweer; stukken land daarin komen voor onder de naam Dammes-ven en Dammes-maetghen, Maatb. Assend. (a° 1635). – Ook onder Velsen vindt men een Damweer, thans alleen bekend in de saamgetrokken vorm Dammer (Grote Dammer, Hinderse Dammer), die reeds in de Middeleeuwen de gewone is; zie de aanhalingen op HEN II (superl.). Vgl. bus. 2) Penant, ruimte tussen twee vensters. Ook elders gebruikelijk. – Vgl. damspiegel.
dame, dame, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Haagse dames, zekere plant; een soort van doorn (distel). Lat. Cirsium palustre. Dezelfde plant heet in Friesl., Gron. en Drenthe kale jonker (VAN HALL, Landh. Flora 117).
damloper, damloper, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand, die doelloos op de Dam loopt, baliekluiver, los werkman (Zaandam).
damschuit, damschuit, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zeker soort van vaartuig, jacht, veerschuit. Vgl. KIL.: damloper, barsie, pristis, navigium oblongum et angustum. || Hij vaart op ’en damschuit. Vroeger lagen er allenig in de Middel wel vijf damschuiten, die bier van Haarlem haalden.Hij had op zekere tijd te Zaandam, om de goedkoop, hout gaan kopen; eindelijk met een houtzagers molenaar overeengekomen zijnde, bragt hij dat hout in een damschuit voor de Stad, De mislukte List 51. Van Koeschuyten, Kley-schuyten ende Boeyers, van elck een oortjen ... ende van Dam-schuyten en grooter elck een halve stuyver (Schut-tarief, 17de e.), Priv. v. Westz. 488. Gheen Dam-Schuyten noch Hout-schuyten, Ponden, Schouwen, ende dierghelijcke, ald. 519 (a° 1644).
damspiegel, damspiegel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Penantspiegel, lange smalle spiegel, die een dam bedekt. Zie dam 2. – Evenzo elders in Holl.
Damweer, Damweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie dam.
dan, dan, den, (bijwoord), Daarnaast den. Zie de wdbb. || Kom den. – Vgl. astin en houweer.
dangel, dangel, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Iemand die traag is in zijn bewegingen, teut.Weinig gebruikelijk. Zie dangelen. || Die meid is ’en vervelende dangel; as ’en aâr zijn werk of is, moet zij nog beginnen.
dangelen, dangelen, daggelen, (zwak werkwoord, intransitief), Daarnaast soms daggelen. Beuzelend heen en weer lopen, de tijd verbeuzelen. Weinig gebruikelijk. || Ik ken dat dangelen niet anzien. Gaan weer an je werk, je zitte hier maar te daggelen. – Evenzo in W.-Friesl. Vgl. Fri. dangeltje, hangend heen weer slingeren (HALBERTSMA 614), Eng. to dangle, hetzelfde. – Zie dangel en gedangel.
danken, danken, (zwak werkwoord), zegsw. We zellen maar danken, we moesten aan dat gesprek maar een eind maken.
dansen, dansen, (zwak werkwoord), Zegsw. Dat is anders (of andersom) as dat Kees Joor danst, dat is niet zo aardig als men verwacht had, dat valt af (Zaandam). KEES JOOR was een dwerg, die in het begin der 19de eeuw leefde; als hij danste was dat een potsierlijk gezicht. Genoemde dwerg leefde nog in de tweede helft van de vorige eeuw.
dansmeester, dansmeester, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook als schertsende benaming voor een magere koe. – Te Leiden wordt een nuchter kalf aldus genoemd (Sch. t. W. 1, 249).
Danswijker akker, Danswijker akker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Krommenie, in het Noordend. || Danswijkker Akker, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 35. – Danswijker acker, ald. (a° 1680), f° 19. – Wellicht is het land genoemd naar een pakhuis Danswijk, d.i. Danzig.
daren, daren, (zwak werkwoord), vgl. bedaren, opdaren.
darm, darm, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op geel.
Darp, Darp, (zelfstandig naamwoord mannelijk(?)), Naam van land onder Assendelft. || An wie hoort de Darp? Een stucke landts genaempt die darp ... liggende int Zuyt endt van Assendelft, Hs. U. 19, f° 95 v° (a° 1579), prov. archief. Een stucke landts genaempt Willem Jutten darp, Hs. U. 20, f° 217 v° (a° 1584), aldaar Tveentgen van Aernt Huygen kinderen in Willem Jutten darp, Polderl. Assend. I f° 11 r° (a° 1599). Noch in Willem Jutten darp 580½ (roeden), noch inde zelve darp 579 (roeden), ald., f° 18 r° (a° 1599). Vgl.: eenstucke lants ... int zuyt eyndt ... belent aent westen die darperwech, Hs. U. 20, f° 122 v° (a° 1583), prov. archief. – De Darp wordt reeds in de Middeleeuwen vermeld: Een streng op den dorpe (Assendelft, 13de e.) Hs. v. Egmond, f° 11 r°. – Evenzo elders in N.-Holl. || Item twe strenghe op dien dorpe (Beverwijk, 13de e.), ald., f° 18 r°. Een acker lants, gheheten Jan-Andries-dorp (Uitgeest, a° 1429), GONNET, Zijlkl. 50. – Dit woord darp, dorp, is van dezelfde stam als Fri. therp (terp), vrouwelijk, en Ned. dorp, onzijdig De betekenis is akker. Vgl.: Ic hebbe een dorp ghekocht, ende ic moet daer varen ende besien dat dorp, aangehaald Mnl. Wdb. II, 352; vgl Luc. 14:18 (Staten-vertaling): Ick hebbe eenen acker gekocht, ende het is noodigh dat ick uytgae, ende hem besie. Ook Got. thaurp betekent land, veld. Zie verder de wdbb.
dat, dat, (voegwoord), Zie de wdbb. – Ook achter aanwijzende woorden, om deze tot betrekkelijke te maken. In de vroegere taal algemeen. Vgl. Mnl. Wdb. II, 84 vlg. || Gaan ers kijken wie dat er is. Weet je nog wat hoed dat ze op had? Ik begrijp niet waarom dat je niet wille. Het is waart te noteere, hoe schoon dat het coolsaat dit jaar is aangekoome, Journ. Caeskoper, Juli 1671. Wanneer dat je thuis komme (komt), zeg ’et ’em dan. Ik zag ’et, toe dat ze weg was. Onderwijl dat ik sliep hebben ze me horlozie ’estolen. – Vgl. ook t’ eerst dat, zodra, op eerst. – Ook toen. Vgl. Mnl. Wdb. II, 86. || Dat ik er kwam, was hij weg. Net dat ik dat zei, kwam ze binnen.
dat, dat, (aanwijzend voornaamwoord), zie die.
dauwel, dauwel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een speels, dartel meisje. || Nou heb ze ’r schone boezelaar weer helemaal verfomfaaid. Och, ’et kind is ok zo’n dauwel. – Elders is dauwel een traag vrouwspersoon, en dauwelen traag en vadsig zijn (WEILAND, V. DALE). In Overijsel en Gelderl. betekent dauwelen echter, behalve de tijd verbeuzelen, ook stoeien, dartelen. Zie verder DE JAGER, Freq. 1, 60 en MOLEMA 67.
dazig, dazig, (bijvoeglijk naamwoord), Hetz. als daas; zie aldaar. || Hij zat met zo’n dazig gezicht op zijn stoel, net alsof i geen benul meer had.
De Marken, Merke, (zelfstandig naamwoord), Naam van een meertje onder Wormer, benoorden het Zwet. – Bij SOETEBOOM, S. Arc. 466 heet het de Marke, doch ook de Kaart v. d. Uytw. Sl. 11 vermeldt “de Mercke”. || Een stuk land, gelegen op de Merke. – Zie een zegsw. op haring en vgl. Merkerif.
debber, debber, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Sul, sukkel, malloot; meestal van jongens. || Debber, die je benne, is dat nou ’en boodschap doen? Debber van ’en jongen, door je zo kinderachtig an te stellen. Nee maar, dat’s me ok ’en debber, die denkt nog, dat er heksen bennen – Vgl. bedibberen.
deeg, deeg, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl daaiig.
deeg, deeg, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), 1) Aanwas, voorspoed; vgl. Mnl. Wdb. op dege en Ned. deeg hebben van iets, baat hebben van. – In de zegsw. met alle goê deeg, als alles goed gaat, als er niets tussenbeide komt. || Met alle goê deeg is ’et toekommende week klaar. – Vgl. kwaaddeegs, weerdeger. 2) Overdr. in de zegsw. deeg hebben, genoegen hebben, voldaan zijn. || Ik heb gister te bruiloft ’eweest, maar ik heb deeg ’ehad (ik heb er mij best vermaakt), hoor! Moeder, ... had maar u volk (gezin) wat deegs, daarvoor scheen al u vrezen, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 349. – Zo ook deeg hebben van iets, tonen dat men met iets ingenomen is. || Trijn het deeg van der nieuwe mantel (ze is er erg mee in haar schik). – Deeg hebben, ook elders in N.-Holl. || Wat doet nu het kussen aan Geertuidje deugd. Nu lonktze, nu lachtse, nu heeftze haer deeg, Bruilofts-Kost (17de e.), 164. – Vgl. de in de 17de e. gewone uitdr. het is geen deeg, het is niet pluis, niet in orde.
deek, deek, diek, (zelfstandig naamwoord onzijdig, soms vrouwelijk), Daarnaast diek. In het riet aangespoelde ruigte en vuilnis. Te Assendelft, waar het woord aan het uitsterven is, zegt men deek, waarschijnlijk onder invloed der keuren; in de Wormer en te Jisp echter diek. Des voorjaars wordt daar nog bij keur gelast het riet op te harken om het schoon te maken van diek. || Het riet zit vol diek. Gaan de diek ers opharken. Dat ... niemant hem vervordere eenigh deeck van voor den hoogen-rijck te halen ofte doen halen tusschen [nu] ende Petri ad cathedram (22 Febr.) ... soo wel eygenaers als anderen; ... desgelijx na den voorsz. dagh sal oock niemant eenigh deeck mogen halen voor eens anders dijck, Hs. keur (a° 1584), archief v. Assendelft. Item dat niemant ... eenich riet, deeck ofte ruychte aenden dijck nader sal mogen leggen ofte aen brant steecken dan op een roedt nae van twaelf voeten, Hs. keur (a° 1659), aldaer. Ende ten laetsten is voorgestelt off men ... de keur van de verhuyringh van den Hoogendijk niet en soude vermeerderen met daer in te stellen, dat den huyrder gehouden sal wesen het deeck wel schoon van den dijck te doen, en niet buytenaff werpen, en is eenpaerlijck verstaen van ja, Hs. resolutie (a° 1705), aldaar. – Evenzo in Kennemerland. || Geen Dieck te moghen halen van yemants Lant ofte Riet-dergen (keur v. Uitgeest, a° 1635), LAMS 505. – In Friesl. luidt het woord teek (HALBERTSMA 464). – Vgl. afdeeken.
deel, deel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie de samenst. achterdeel, draagdeel, kantdeel, rafterdeel, sneedeel, stortdeel en weegdeel, en vgl. dalie.
deel, deel, diel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast diel. Zie de wdbb. || Geef me vast maar ’en diel, den krijg ik later de rest wel. || Bij vissers. Op deel, op portie, met aandeel in de winst. Als de vissers aangenomen worden op deel, dan wordt de opbrengst der vangst percentsgewijze verdeeld; De kapitein krijgt het meest, de anderen naar rato. Vgl. remp. || We vissen op deel. – De vorm diel vindt men reeds in de middeleeuwen. || Item drie diel mades op groet acker (Beverwijk, 13de e.), Hs. v. Egmond, f° 19 r°. – Vgl. verrel en achel, vierling.
deel, dalie, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Deel, plank. Thans verouderd. || Op dese tijdt wasset oock ... datmen van Stavoren tot Enchuysen ... (over een Dalie of Balck) konden gaen, SOETEBOOM, Stavoren 184. – Vgl. Fri. déalje, deel (HALBERTSMA 630.
deelzager, deelzager, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Houtzaagmolen die voornamelijk delen zaagt. Vgl. balkzager. || Een deelsager (wordt gesteld op) 1½ prick, Hs. over de verponding (a° 1696) archief v. Wormerveer.
degene, degene, diegenige, (bepaling aankondigend voornaamwoord), Daarnaast ook diegenige. || Ik hoor niet tot diegenige, welke der bij ’eweest hebben. Diegenige mensen, die altijd zoveul praten, liegen ok veul. – Even zo in het Mnl.; zie Mnl. Wdb. II, 157. Vgl. Hgd. derjenige.
deinen, denen, (zwak werkwoord), Alleen in de samenst. doordenen en toedenen, doordrijven, koppig doorzetten, toedringen (de Wormer). Zie deinen en vgl. deenkop.
deinen, deinen, (zwak werkwoord, intransitief), Steken met een knagende pijn; b.v. van het onaangename gevoel dat men heeft in een zwerende vinger. Synon. zangeren. || Me vinger deint zo.
deinen, deinen, (zwak werkwoord), Daarnaast denen. Alleen in de samenst. doordeinen en toedeinen, doordrijven, koppig doorzetten, toedringen; van mensen en dieren (de Wormer). Elders zegt men in dezelfde zin doordeunen en doordeinzen. || Hij deint maar door. Dat kalf deent maar toe. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 21). – Vgl. deiner, deinoor, deenkop. Deinen, denen en de synon. deunen en deinzen zijn waarschijnlijk verwante woorden; zie FRANCK op deun en deinzen. Evenals het bij deunen behorende bijvoeglijk naamwoord deun de zin heeft van schriel, gierig, zo hadden ook dein en deen vroeger deze betekenis. Vgl. KIL. deyn, euclio, homo avarus, sordidus; deyn, Fland. j. korenbijter, dardanarius. Dit dein, gierigaard, hatelijk persoon, komt in 16de- en 17de-eeuwse geschriften herhaaldelijk voor; zie OUDEMANS 2, 46. – Deen in de zin van vrek vindt men in het Leidse Hs. van JAN DE WEERT’s Niwe Doctrinael, vs. 724 (ed. BLOMMAERT): “Dan coemt die doet ende steecht den denen, die siin testament dus heeft besneden (tekst-hs.: ende steckt den vrecken).” – Zie verder deinzen en deunen.
deiner, deiner, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die deint; van mensen en vee. Stijfkop, doordrijver, onhandelbaar persoon; een koppig dier (de Wormer) Zie deinen. || ’t Is zo’n deiner, je ken niks met ’em beginnen.
deinkop, deenkop, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die deent; koppig dier, onhandelbaar persoon (de Wormer). Zie denen, deinen. || Die deenkop wil ok nooit toegeven. Dat beest is toch zo’n deenkop.
deinoor, deinoor, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hetz. als deiner; zie aldaar (de Wormer).
deinsoor, deinsoor, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Het als deiner;zie aldaar (de Wormer). Vgl. deinzen.
deinzen, deinzen, (zwak werkwoord), In de samenst. doordeinzen, volhouden, om zijn zin te krijgen. || Hij deinst maar door. – Vandaar doordeinzer en deinsoor, iemand, die maar doordeinst. – Zie verder op deinen.
deinzerig, deinzerig, (bijvoeglijk naamwoord), Dijzig, dampig, nevelig aan de kim. || ’t Was van ochtend helder weer; dat’s te zeggen in de vroegte was ’et wat deinzerig.
deis, deise, daaise, (daaisə), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Alleen in het meerv. deisen. Twee dunne houten of ijzeren balkjes boven in de schoorsteen, om de latten op te leggen, waaraan het spek of het vees te roken hangt (Assendelft). || Hang ’et spek maar an de daaisen. Met ’et repareren van de schoorstien heb ik de daaisen maar wegslopen laten. – Evenzo in W.-Friesl. || Ich wijs pand an sijn tilber goet ende an sijn coyen, an sijn spec, an sijn deysen, Wfri. Stadr. 1, 162 (15de e.). – Daarnaast ook deisemhouten (Hs. Kool) en deisemen. || Item, dat gheen hout van de deysemen oft richels door de schoorsteen sal mogen steecken opte boete van twee guldens, Handv. v. Ench. 169a (a° 1617). – In Friesl. schijnt men onder <i>deiseni> te verstaan de naast de schoorsteen van de zoldering neerhangende speklatten; vgl. DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 1, 321, en HALBERTSMA 638: “deisen, pl. stipites graciles, de laqueari juxta caminum penduli, quibus reponuntur vel de quibus pendent, carnes infumatae, ut librae sint ab aeris humiditate.” – In een Gemmula (gedrukt te Deventer in 1947) vindt men: <i>siccinumi>, een darre of een deyse, HOFFMANN, Horae Belgicae 7, 11. Bij DIEFENBACH 532: “siccinum, hd. nd. deyse, hd. teyse, teysz test, wymeeyn dore, droghe darne, eygel, eyschel.” Vgl. ook GRIMM, D. Wdb. II, 914 op deise.
deisem, deisem, deisemhout, (zelfstandig naamwoord), zie deise.
deken, deken, (zelfstandig naamwoord), meerv., in een vissersschuit; zie deek II.
deken, deken, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. sleepdeken.
deken, deek, (zelfstandig naamwoord), Alleen in het meerv. deken. In een vissersschuit. Een gedeelte der bevloering; het vastliggende, langwerpig-vierkante samenstel van planken, waarmede de bun is bedekt en waarbinnen zich de met een deksel gesloten opning (de trog) bevindt, waardoor de vis in en uit de bun wordt gedaan. – Evenzo op Marken (Taalgids 4, 199). In Friesl. was vroeger het enkelv. deek in gebruik (HALBERTSMA 640 vlg.).
deksel, deksel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vaak ook mannelijk || Doen de deksel er op. Vgl. petdeksel, potdeksel.
del, dule, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De laagliggende, aan het water grenzende, slappe kant van een stuk land, die steeds aangroeit, en dus, om de sloot ruim te houden, een paar malen ’s jaars op het land wordt gehaald (de Wormer). Weinig gebruikelijk. ‒ Synon. del. || We moeten de dule weer ers ophalen. ‒ Vgl. Oost-Fri. dole, dolle, niederung, senkung, loch, sumpf, graben, grube (KOOLMAN 1, 310), Hindeloopens dolle, honk, meet, eigenlijk grensstreep (HALBERTSMA 707) Mnl. doele, grensgreppel, grensteken (Mnl. Wdb. II, 229); Vgl. doel. ‒ Zie duil II.
del, dil, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Verdronken land, doch gewoonlijk in meer beperkte zin de lagere delen (dellen en greppels) van een stuk land, die ondergelopen en in smalle slootjes veranderd zijn (Westzaan, Krommenie). Vroeger liepen in de winter vele laagliggende stukken land onder en ontstonden er dus vele dillen; tegenwoordig is het waterpeil verlaagd. Te Krommenie heet zeker stuk land, dat gewoonlijk in een dil verandert, de Dil. || Dat land is ’s winters altoos ’en dil. Gaan-je mee wat schaatsenrijden op de dillen? – In de 17de e. komt dil ook voor in de zin van smal grensslootje, halmoer. || Tot die Royingh vande Noord-kant van Dirck Dircksz. Erf toe, wesende een Halmoer ofte Slootgen benoorden Jan Claes Janens Ven, Priv. v. Westz. 463 (a° 1642). – Verderop in N.-Holl. zijn vele door het onder water lopen van land ontstane meertjes, die del heten. Vgl. b.v. op de Kaart v.d. Uytw. Sl. 10 onder Broek op Langendijk ’t Suyderdel en Oosterdel, en onder Scharwoude Heinskendel. – Zie verder del II.
del, del, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), 1) Laagte, inzinking; in een stuk land. Dikwijls oorspronkelijk een dichtgegroeide sloot. || Zijn land zit vol mit dellen. Mien-je (meent ge) dat stuk land, waar die del in zit? – Vgl. de samenst. Vogeldel, Zwartdel en Delkamp. 2) De laagliggende, aan het water grenzende, slappe kant van een stuk land, die steeds aangroeit, en dus, om de sloot ruim te houden, een paar maal in ’t jaar op het land wordt gehaald (de Wormer). Zie synon. op florswal. || De del moet nodig ers op’ehaald worden. – Delle, del, laagte, vallei, is thans in de algemene taal verouderd. Vroeger was het zeer gebruikelijk; zie Mnl. Wdb., KIL., Uitlegk. Wdb. op Hooft, enz. – In de zin van inzinking in een stuk land is het echter nog bekend in N.-Holl., Friesl., Oost-Friesl., Nederduitsl.; vgl. KOOLMAN 1, 289. – Zie verder op dil.
del, del, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk en onzijdig), – 1) Gemeen vrouwspersoon. || ’t Is ’en del. Je magge (moogt) je niet met die del bemoeien. – In de Middeleeuwen en de 16de e. komt dille voor in de zin van babbelkous; zie Mnl. Wdb. en KIL., en vgl. ons bedillen. In de 17de e. betekent het meisje in ’t algemeen (zijn liefste dil, een hupse dil; zie OUDEMANS, Wdb. op Bredero). Het woord had echter reeds in het Mnl. een ongunstige bijbetekenis (vgl.: “nachtraefkens lopen na lichte dillekens”), die de overgang vormt tot de tegenwoordige betekenis van het thans nog slechts gewestelijk voorkomende woord. Vgl. ook HALBERTSMA 643 op delleke. 2) onzijdig Vod, nietswaardig iets. || Een del van een hoed. ’t Hindert niet of-i nat regent, ’t is toch maar ’en del. Jasses, wat ’en del (van alle zaken, die oud en versleten, of zeer lelijk zijn)! – Vgl. het rijnpje: "’t Is ’t (hoedje) wel / Van Libbertje del!" (gezegd als men iemand met zijn eigendom wil plagen), Libbertje zal wel een persoonsnaam zijn; vgl. de vrouwennaam Lubbertje. Del heeft hier dus de bet. 1.
delen, delen, (zwak werkwoord), Daarnaast ook in alle afleidingen, dielen; zie deel I. – Dus ook: verdielen, gedielte, enz.
Delf, Delf, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Delft.
Delfakker, Delfakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie Delft.
Delfgeerd, Delfgeerd, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Delft.
Delfkamp, Delfkamp, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Delft.
Delfrak, Delfrak, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een water bij de Nieuwendam in de Krommenie. Thans onbekend. || Die dijck sal leggen tusschen den Etersken-busch ende dat West-ende van den Delfrack, LAMS 850 (a° 1357). Dat Delfrack, by estimacie meer dan 260 roeden, Handv. v. Assend. 95 (a° 1543).
delft, delft, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In veenderijen. Een slecht soort van turf. De delft wordt gestoken uit veendobben die voorlang werden uitgegraven en weer met de bovenzooi (zwaard van het land) werden toegeworpen.
Delft, Delft, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Vroeger Delf. Naam van een water bij Assendelft. || Die Delf, Oorkb. II, n° 815 (a° 1292). – Ook in de naam van vele stukken land, die langs de Delft gelegen zijn; vgl. Binnendelft, Buitendelft, Opperdelft, Uiterdelft. || Claes en Cornelis Baertsz. Bosmans cleyne delfgens, Maatb. Assend. (a° 1634). Jacob Tijssen over de Delff, Delffacker genaemt, ald. (a° 1635). Dirck Claes Rombouts delffgeerd, Stoelb. Assend. f° 34 r° (einde 16de e.). Een stuckgen landts genaempt die Delfcamp, Hs. U. 19, f° 51 r° (a° 1579), prov. archief. Cornelis Heyndrickse delffcamp, Maatb. Assend. (a° 1635).
Delkamp, Delkamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Westzaan. Thans onbekend. Vgl. del II. || Noch delkamp, Polderl. Westz. III f° 38 v° (a° 1644).
delven, delven, (sterk werkwoord), vgl. Delft, uitdelver.
demee, demee, (dəmee), (bijwoord), Meteen, aanstonds, haast. || Ik kom demee ok. Heb-je demee ’edaan (ben-je haast klaar)? – Evenzo in Waterland en Utrecht temee, en waarschijnlijk ook elders. Vgl. Mnl. tameer, heden nog, VERDAM, Seghelijn v. Jherus., Gloss. 168.
demp, dem, demp, (bijvoeglijk naamwoord), Hees, schor. Te Jisp hoort men naast dem soms nog de oude vorm demp. Vgl. Ned dom uit domb(p), krom uit kromb(p), enz. || Hij wier (werd) demp van al ’et praten. Me verkouwenis (verkoudheid) is nou weer over, ik ben allenig nog wat dem. – Vgl. Fri. demp, kortademig, van paarden en koeien; dempig, kortademig. Ned. dempig en dampig, van paarden. Vgl. FRANCK op damp.
den, denne, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een vloer van dennehout onder in een schuit, om de bodem te versterken. Men maakt alleen dennen in schuiten van goedkoop hout, b.v. dennehout; een schuit van eikenhout is ook zonder denne duurzaam genoeg. – KIL. dennen van ’t schip, fori, tabulata navium. Zie verder buikdenning.
denken, denken, dinken, (onregelmatig werkwoord), docht, ’edocht, Daarnaast soms dinken. Zie de wdbb. De vorm dinken komt in de 17de e. ook bij VONDEL voor (VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 7.) – Vgl. zwaardenkend.
dennenschuit, dendeschuit, denneschuit, denschuit, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast denneschuit en denschuit. De vorm dendeschuit is thans verouderd. Zeker soort van vissersvaartuigen; grote, open roeischuiten, die echter ook zeil kunnen maken. || Een dendeschuyt, met zijn zeylagie ende touwerck daer by synde, groot zes last, Hs. T. 246, f° 50 r° (Jisp, a° 1648), prov. archief. Elck Sluyswachter ... sal genieten ... van een ... Damschuyt, Denschuyten en Ponden een halve stuyver, Handv. v. Assend. verv. 441 (a° 1651). Van ponden damschuyten ende denschuyten, praem ende boeyer 4 penningen: van een kleyn schuytje 2 penningen, Hs. keur (a° 1659) archief v. Assendeft. Ponden, damschuyt ende denneschuyt, idem. – Dendeschuit staat met de gewone wegwerping van ge- voor gedende schuit, d.i. schuit, die van een denne voorzien is. Den(ne)schuit is hieruit vervloeid of rechtstreeks met denne samengesteld. Zie denne. – Van gedende schepen wordt reeds in de Middeleeuwen melding gemaakt, doch misschien werd er een ander soort van vaartuig mede bedoeld. || Wairt dat enige wtheemsche luyde mit gedemde scepe binnen Leyden quamen, Leid. Keurb. 168 (a° 1451). Item dieghene, die weeck coorn vercoopt ende uytlevert, sal den meters gheven van elken hoede (de maat) 2 d. Hollants, daert die meters leveren over sceepsboort ... Ende als men weeckoorn metet uut cleinen scepen in koggen schepen, die ghedendt zijn, so sal hem die ontfanger gheven van elken hoede 1 penninc Hollants, O. R. v. Dordr.1, 46 (a° 1401), aangehaald in Mnl. Wdb. II, 1052.
denning, denning, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie buikdenning.
derde, dart, (telwoord), zie derde, dertien, dertig.
derde, derde, (bijvoeglijk naamwoord), (ranggetal). Daarnaast darde en dard. || Jij ben eerst, Piet is tweed en ik ben dard.. Ze is de darde maart jarig.
derdehalf, derdehalf, dardalf, (telwoord), Daarnaast dardalf. Zie de wdbb. || Dardalf honderd slabonen.
derrie, derg, delg, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Drijvend eiland van riet of veen. – 1) Van riet. Meestal in de samenst. rietderg. De strook riet langs de zoom van een stuk land en daarvan door omtrent een voet water gescheiden. Zie synon. op rietschoot. || De rietdergen beschermen ’et land teugen de anslag van ’t water. Niemand mag vóór Kerstmis riet uit de dergen snijden, Hs. (18de e), archief v. Wormer. – Ook als naam van stukken land, waar een rietderg voor ligt. || De Rietderg (te Assendelft). – Evenzo elders in Kennemerland. || Item, geen Dieck te moghen halen van yemants Lant ofte- Rietdergen, sonder konsent vanden Eygenaer (keur v. Uitgeest, a° 1635), LAMS 505. Item, dat niemandt geen Seegens noch Schrob-netten sal mooghen ophalen op yemandts Landt, Rietdergen ofte Aenwassen, sonder konsent, ald. 509. – In de Wormer spreekt men van rietdelgen, en verstaat men daaronder niet de gehele rietschoot, maar een los drijvend stuk er van, dus wat elders aan de Zaan rietbod heet. 2) Van veen. Meestal in de samenst. veenderg. Veenkluit, die zich van het zand heeft losgescheurd en nu los in het water drijft. || Wat drijven hier ’en veendergen! – Het woord wordt reeds door KIL. vermeld: “Derch, Holl. j. drijvende landt.” Waarschijnlijk hangt het samen met Ned. derrie, vroeger dary, daring, darich (Mnl. Wdb. II, 71), Ndd., Oost-Fri. darg (KOOLMAN 1, 281), zekere veensoort.
dertien, dertien, dartien, (telwoord), Daarnaast dartien. || Hij is dartien jaar.
dertig, dertig, dartig, (telwoord), Daarnaast dartig. || Dartig gulden. De dartigste Juni. Vierendartigh jaren, SOETEBOOM, S. Arc.72. – In de samengestelde vormen wordt dartig vaak afgekort tot dart, mits er geen zelfstandig naamwoord volgt. || Ien-en-dart, twee-en-dart, drie-en-dart.
des, des, alleen in het spotrijmpje: "’t (Hoedje, jasje, enz.) des / Van lik me ves!" (dat is me ook het hoeje wel). – Des is hier wellicht de 2de naamv. van het aanwijzend voornaamwoord dat, expletief gebruikt op soortgelijke wijze als in: ’t is nietes (niet des), ’t is welles; vl. Mnl. Wdb. II, 75. ’t Is ’t hoedje des van lik me ves zal wel op te vatten zijn als: wat dat hoedje betreft, ’t is een hoedje van lik me ves. De bet. van ves is niet duidelijk. Het kan toch niet wezen Fra. fesse, bil? Likken staat ook in andere dergelijke verbindingen. Dat het is afgekort uit vest is onwaarschijnlijk; dergelijke wegwerping van een t is zo al niet ongehoord, dan toch uiterst zeldzaam aan de Zaan. Thans denkt men hierbij echter aan vest; ook in verkl. van lik me vessie.
deugd, deugd, dugd, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast eertijds dugd. Zie de wdbb. || Wie tot dught genegen is, den Heer altijdt bewaert, SOETEBOOM, Lust-hofje 417. (Sy) was een seer dughtsame vrou, Journ. Caeskoper, bl. 3. Te begrafenis gewest met Neeltie Wulms doghter, het welck was een seer dughtsaame doghter, ald., 14 Mrt. 1671.
deugen, deugen, (zwak werkwoord), vgl. kwaaddeugend.
Deukelsloot, Deukelsloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast Duikelsloot. Naam van een sloot te O. Knollendam, onder Wormer. || De Ekker op Deukelsloot, Hs. (Wormer, a° 1769), prov. archief. Het papeland op Deukelsloot, Hs. (18de e.), archief v. Wormer. Duikelsloot, Hs. (einde 18de e.), aldaar. – Ook elders in N.-Holl. vindt men sloten van deze naam. || De Duyckel Sloot (op de grens van Twisk en Abbekerk), Duyckel Gouw (op de grens van Abbekerk en Opmeer), Kaart v.d. Uytw. Sl. 6. – In Friesl. heet een sloot met weke, slikkige bodem een dukelige sleat. Vgl. HALBERTSMA 773: “dukelige sleat, sulcus aquarius coenosus, cujus fundus non est arenae vel firmae argillae, sed mollis uligo in quam pertica, qua fulti saltum dant, vel contus cymbae trusatilis, subsidit, F. dukt.”
deun, don, (dòn), (bijwoord), Strak, stijf. Weinig gebruikelijk. || Met de foezel (een visnet) strijkje don langes de grond, en daardoor vang je de korper; met de zegen zou ze je ontsnappen. As de snoek in de strik zwemt loopt-i don (loopt de strik dicht) en is-i ’evongen. Den kruynen gloyengen (van de dijk) wedersijds met heele groene speeten op te maken, wel net int verband geslooten, alles onder den lijn wel don aengevuld en sadt (verzadigd) van aerde, Hs. bestek dijkwerk (a° 1718), archief v. Assendelft. – Evenzo elders in N.-Holl.; ook in de zin van vlak bij; zie ook deun I. || Het touw is te don aangehaald; de schroef is te don toegedraaid; ’t is te don; ’t is niet don genoeg, Hs. Kool. Dronken waren we niet, maar ’t was don an, ald. De oren staan hem don aan het hoofd; zet ze er maar don tegen aan; het is mij zo don in het hoofd, BOUMAN 21. Vgl. nog Nieu Medembl. Liet-boeck (a° 1646), 160: “Vol en don van drincken en van eeten.” Vgl. voor het gebruik in Friesl. HALBERTSMA 710 vlg.
deun, deun, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Van deunen; zie aldaar. Alleen in de zegsw. ’t is een hele deun, ’t is een hele torn, ’t is moeilijk te volbrengen. – Evenzo elders in Holl. en Utrecht.
deun, deun, (bijwoord), Thans verouderd. Daarnaast het nog gebruikelijke don; zie aldaar. – Deun aan, nabij, vlak bij, eigenlijk stijf tegen. || Adrichum ... is ... deun aende Wijckermeer gelegen, SOETEBOOM, S. Arc. 81. Maer ’et moeit ons meerder, om dat ’et soo deun aen ons geschiet en voorgevallen is, ald. 136. Desgelijks Jisp aan een watertje noch de Jisp genaamt, deunder aan Nek, ald. 451. Sy mochten niet veelen dat de heerlijckheydt van ’t Rijck der Vriesen hun soo deun aen de ooghen schemerde, SOETEBOOM, Stavoren 78. De Graeff van Hollandt liet sich veel aen Stavoren geleghen zijn, als welcke deunst aen Hollandt, de Poort van Frieslandt was, ald. 233. – Evenzo nog hogerop in N.-Holl. || Doon (of deun) an de weeg. vlak tegen de muur (Taalgids 1, 109). – Te Naaldwijk spreekt men van deun bij, dicht bij. – Ook in het Mnl. heeft doon, duen, don, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord de bet. van gespannen, stijf, strak; zie Mnl. Wdb. II, 283 en 290. KIL. vermeldt; doan, prope, juxta. In de algemene taal is deun, bijvoeglijk naamwoord, thans alleen nog in de zin van schriel, gierig, gebruikelijk. Zie over de oorsprong FRANCK op deun. – Zie verder deunen en vgl. deinen.
deunen, deunen, (zwak werkwoord), Spannen, van het weefsel op het getouw. In de eigenlijken zin alleen nog in de samenst. opdeunen (zie aldaar), en in deunklamp en deunstok. – Overdr. in doordeunen (uitspr. deurdeunen), ook vervormd tot deurtuinen, en toedeunen. || Hij deunt maar toe, hij deunt maar deur (hij zet maar door, gaat maar voort, gaat zijn gang, zich aan niets storende). – Deunen met zijn samenst. is alleen te Krommenie en Assendelft in gebruik. – Zie verder deun en vgl. deinen.
deunklamp, deunklamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de zeildoekweverij. Een klamp ter zijde van het weefgetouw, dienende om het garen op te deunen, d.i. strakker te spannen (Krommenie, Assendelft).
deunstok, deunstok, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de zeildoekweverij. Een stok van een paar voet lang, waarmede het garen wordt opgedeund (Krommenie, Assendelft). – Evenzo in W.-Vlaanderen (DE BO2, 199).
deur, deur, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Die komt de winderige deur in, hij is niet welkom, eigenlijk: zijn komst is niet aangenaam. Evenzo Fri. foar de wijnige doar komme. Vgl. Chron. v. Medembl. 305: “1676. Den 18. Augustus zynder tot Broek-oord 3 huyzen verbrand, terwijl een Huysman met zyn Vrouw des s’morgens te melken waren gegaan, en een winderige deur hadde laten openstaan, zoo dat het vuur van den haardstede in het hoy was gewayt.” – Deurtje-schel doen, ergens aanbellen en dan hard weglopen, om de meid vergeefs te laten opendoen. Te Rotterdam en Arnhem beldeurtje spelen (Taalgids 4, 40). – Vgl. de samenst. dooddeur, leideur, middeldeur, onderdeur, teerdeur, treddeur, valdeur, winddeur, zijdeldeur.
Deutel, Deutel, (zelfstandig naamwoord), Naam van twee bij elkaar gelegen stukken weiland te O. Zaandam. || De Deutel.
deutel, deutel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – a) Bij timmerlieden. Een ijzeren wig. – b) Bij kuipers. Benaming van de houten pinnen waarmede de bodem der vaten aaneengemaakt wordt. Tegenwoordig gebruikt men geen deutels meer, maar ijzeren stiften. Vandaar het werkwoord deutelen, met deutels aaneenmaken. || Die boom is nag niet ’edeuteld. – Elders in N.-Holl. sprak men eertijds in dezelfde zin van deuvelen. || Alle bodemen van Haringhtonnen en sullen niet meer ghemaeckt moghen zijn dan van drie stucken, maer wel minder, seer wel gedeuvelt ende soo dicke als de eynden van de duygen, Handv. v. Ench.258a (a° 1620); vgl. ook 257b: deurdeuvelt.
deuvekater, deuvekater, duivekater, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast duivekater. Een bijzonder soort van tarwebrood, dat alleen met Kersttijd gebakken wordt. Vroeger werd het vooral gebruikt om broodsop te maken voor het middagmaal op de 2de Kerstdag. Tegenwoordig is het enigszins gezoet en wordt het bij wijze van lekkernij in plaats van ander brood gegeten. De deuvekaters zijn een zeer dicht en vast gebak van bijzondere gedaante. Zij zijn langwerpig, maar lopen naar de uiteinden zeer puntig toe; van boven zijn er een groot aantal diepe evenwijdige kepen in gemaakt en in de lengte nog enige insnijdingen daaroverheen, wat het brood een zeer stekelig uiterlijk geeft. Het bakken van dergelijke broden op Kersttijd zal wel tot de heidense tijd teruggaan. Wellicht zijn de deuvekaters een afbeelding van het de zonnegod gewijde everzwijn. In andere streken heeft de deuvekater een enigszins andere gedaante; vgl. b.v. HALBERTSMA 799. – Eertijds waren deuvekaters een gewoon kerstgeschenk aan familie en knechts, en het woord komt in die zin ook bij 17de-eeuwse schrijvers herhaaldelijk voor, b.v. bij HOOFT en BREDERO; zie ook KIL. De oorsprong van deuvekater staat nog niet vast. De gewone afleiding uit deux fois quatre, omdat het brood in vieren oversneden en dus in achten gedeeld was (ook door DE VRIES in zijn Warenar verdedigd) is onjuist; een deuvekater is niet in 2 x 4 of acht stukken verdeeld, wat wel met sommige andere broden, b.v. achterlingen en stroopbrood, het geval is. Bovendien komt deuvekater reeds in 1450 voor als bijnaam van een bakker te Leiden (Navorscher 3, bijbl. xxxj). Dat het Hollandse gebak in de Middeleeuwen met een onjuiste Franse naam zou zijn benoemd is ongerijmd. Eerder is aan te nemen, dat het woord werkelijk samenhangt met duivekater als benaming voor de duivel, doch het rechte van de zaak ligt nog in het duister. || We stuurden met Karstijd altijd ’en groote deuvekater na de peten (tantes). Mag ikke nog ’en stuk duivekater? (Wij) ordonneren ..., dat van nu voortaen alle de Backers in den Banne van Oost-zanen sullen gehouden wesen haer Deuvecaters ende Paes-brooden te backen op haer gewichte, soo van een pont, twee pont, ende soo nae advenant van waerden ..., ende voorts sal den Backer de prijs ende het gewicht gehouden wesen op den Deuvecater te setten, LAMS 731 (a° 1652).
deze, deze, deuze, (aanwijzend voornaamwoord), Daarnaast deuze en deus. onzijdig dit (uitspr. dut) waarnaast ditte. Zie de wdbb. || Is deuze hoed van jou? Nee, ’et is deus. – Ook met het lidw. (in de overigens ongebruikelijke vorm den): den deuze, deze. || Het is den deuze. Ik wil den deuze niet hebben. Evenzo bij BREDERO, Moortje 122: “Eerst bid ick datje secht of hy wel swijghen sal, den desen, uwe knecht?” – Hij woont in dut huis. – Bedoel je ditte of datte? – Al deze vormen komen ook bij de 17de-eeuwse Hollanders voor, vgl. NAUTA, Aant. op Bredero, § 91*, VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 122 en 133 n. – Dit wordt ook bijwoordelijk gebruikt in de zin van deze kant. || Je moete dit langes. Ik gaan dit uit (ook:dit kant uit). Waarom gaan-je dit op? Dit heen. Vgl. het gebruik van dat op die.
diaken, diaken, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op Westzaanden.
dibberen, dibberen, (zwak werkwoord), vgl. bedibberen.
dicht, dicht, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Zie de wdbb. – Een dichte wind, een gelijkelijke, niet stotende wind, een wind zonder plotselinge vlagen. || De molens hebben al in ’en week niet van zeil hoeven te veranderen, zo’n dichte wind waait er. Den 25. koeldet digt met regenachtig weer, gelijk ook de volgende, maar op den 27. nam de Windt af, Reys na de Oost-Ind. 6 r°. Sulx warense worder in ’t Vogelen en Visschen besig ... tot dat den 16. met een nieuwe Maan, niet alleen digte koelt, maar ook gestadige Regen quam, waar door elk in zijn schuyl bleef, ald. 23 r°. Zy doens (toen) met een digte koelt en halve-windt, zeylden eenige dagen voorspoedelijk, ald. 23 v°. Donker en mistig weer met een dichte koelt, dat de Mars-zeylen op de rand mosten, ald. 29 v°.
dichtkinken, dichtkinken, (zwak werkwoord, transitief), Bij de smederij. Door klinken dichtmaken; zie kinken. || Een ijzeren bak dichtkinken.
dichtklappen, dichtklappen, (zwak werkwoord, transitief), Met een klap dichtslaan. || Een boek dichtklappen. Ze klapte de kast dicht. Evenzo in het Stad-Fri. – Vgl. Ned. klappen, een slag geven.
die, dieder, (voornaamwoord), zie die.
die, die, (aanwijzend voornaamwoord), onzijdig dat; daarnaast datte. Zie de wdbb. || Wie is datte? Mag ik datte hebben? Evenzo bij de 17de-eeuwse Hollanders (vgl. NAUTA, Aant. op Bredero, § 91) en in het Mnl. (Mnl. Wdb. II, 78 vlg.; VAN HELTEN, Mnl. Spraakk. § 349). – In de uitdr. van dieder grootte (lengte, enz.) van die grootte, enz., zal dieder wel staan voor diere, de oude 3de naamv. vrouwelijk van die. – Dat wordt ook bijwoordelijk gebruikt in de zin van die kant (die plaats, richting). || Gaan je meê dat op. Ik ben dat langes ’ekomme. Ze gong dat heen. Evenzo elders in Holl. Ook reeds in de vroege taal; zie VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 154, Mnl. Wdb. II, 79. Vgl. het gebruik van dit op deze.
dief, dief, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Ik heb er net zoveel zin in as ’en dief in ’et hangen, ik heb er volstrekt geen lust in. Ook elders bekend. – Zie stukkedief, vork-en-lepeltjes, diessak en Dieveland, en vgl. krabbedieven.
diek, diek, (zelfstandig naamwoord), Zekere watervogel. Pluvier. || Hoor die dieken ers schreeuwen! – Evenzo elders in N.-Holland. || Verwachte somer soet, die ’t swaer hart kan vermaken, u ken ick an u lof, an Oyvaer, Dieck en Kieft, BREDERO, Werken 3, 320.
Dienstkamp, Dienstkamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land in de ban van Oostzaanden, buitendijks. Thans onbekend. || De dienstkamp, Polderl. Oostz. I (midden 17de e.). – De dienstkamp zal een stuk land zijn geweest, waarop in de Middeleeuwen een dienst, d.i. een bepaalde verplichting rustte. Zie Mnl. Wdb. II, 164 op dienst 3, en vgl. bezuyden an die vroenlaen (vgl. vroon) ende binoerden an die dienstlaen, Hs. v. Egmond E, f° 9 r° (a° 1458).
diep, diep, duup, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast soms duup. Zie de wdbb. || ’t Is hier lekker duup. – Vgl. diep inliggen op inliggen.
dierbaar, dierbaar, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Kostelijk, verbazend, zeer. Thans bijna verouderd. || ’t Is ’en dierbare zuiper (hij is erg aan de drank). Hij ken dan toch zo dierbaar vloeken. – Evenzo elders in N.-Holl. || Hij was dierbaar dronken, hij zag er dierbaar (zeer kladdig) uit, hij kan dierbaar vloeken, Hs. Kool. In Friesl. spreekt men van: “hij is dierber ziek”(O. Volkst. 2, 181) en van “hy kin dierber flokke, swarre (vloeken, zweren).”
dieszak, diessak, (ook wel uitgespr. diessik; klemtoon op dies), (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Zijzak binnen in een mannenbroek, waar men met de hand van boven inkomt, alleen bij boeren. || Heb-je de monsters karwei wel in je diessak? Dies voegdese haer digter by hem, en leyde stillekens agter in sijne hand een of meer Rosenobels, ’t welk hy als ongemerkt in sijn diessak stak, SOETEBOOM, Ned. Ber. 51. – Zegsw. Ik zel je niet in je diessak pissen, ik zal je niet bedriegen.|| Deze zakken vindt men alleen in broeken met een klep. In de broek is dan op zijde een naad, die toegang tot het zakje geeft; men steekt er de hand dus niet van bven af in. – Ook de zijzakken in een jasje of buis heten wel eens aldus. 2) Losse vrouwenzak, die met banden om het middel wordt vastgemaakt en onder de bovenrok wordt gedragen (de Wormer). || Ze het ’er diessik ’strooid mit ’er gouwe knippie (gouden knipbeurs) der in. – Het woord is ook verderop in N.-Holl. en te Hindeloopen in gebruik. Dat diessak uit diefsak, d.i. geheime zak, is ontstaan, werd aangetoond door DE VRIES, Warenar 194 vlg. Bij de 17de-eeuwse Hollandse schrijvers komt het word herhaaldelijk voor.
Dieveland, Dieveland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land te Wormer. Thans onbekend. || Het Dieveland, Hs (18de e.), archief v. Wormer.
dievengat, dievegat, (zelfstandig naamwoord onzijdig), De gevangenis in het raadhuis. Vgl. Ned. Wdb. IV, 340 op gat (II, 2, d). || Iemand in ’t dievegat stoppen. Hij heb in ’et dievegat ’ezeten.
diggel, diggel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meest in het meerv. diggels. Scherf van gebroken vaatwerk. || Pas wat op met ’t vaten wassen, aârs maak-je weêr diggels. De pot leit an diggels. – Het woord is in vele andere streken bekend (N.-Holl., Friesl., Gron., enz); VAN DALE heeft als meerv. diggelen. Deze vorm vindt men ook bij ROEMER VISSCHER, Sinnepoppen 39. – Vgl. opdiggelen.
dij, dij, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Uitzetting, zwelling; groei, wasdom. – van dijen, zwellen, groeien; zie de wdbb. || Er zit geen dij in die koeken (die lijnkoeken zetten niet uit, als ze in het water gelegd worden).In dat kind zit niks geen dij (het groeit niet). Zo lank er nog dij in die varens is, gane ze nog niet dood.
dijen, dijen, (zwak werkwoord, intransitief), Zegsw. ’t Zal er an dijen (met de nadruk op dijen), dat zal er aan houden, dat is de vraag. Vgl. dijer. || ’t Zel er an dijen, of ik op tijd klaar kommen ken. “Heb-je ok vijf centen? Aârs ken ik ’et niet maken (afpassen).” “Nou, dat zel er wel an dijen.” – Evenzo in Waterland.
dijer, dijer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Dat zel ’en hele dijer wezen, dat zal er aan houden, ’t moet erg meelopen, als het goed wil gaan; oorspronkelijk: het moet wel erg dijen, erg voorspoedig gaan, anders .... – Vgl. dijen. || ’t Zel ’en hele dijer wezen of ze der nag boven op komt (van een zieke).
dijk, dijk, dik, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. De oude vorm dik, hogerop in N.-Holl. nog in zwang, is thans aan de Zaan verouderd. || Een pachtbrieff houdende op Pieter Jansz. opten dick, Hs. T. 118, f° 77 r° (Westzaan, a° 1569), prov. archief. Omtrint derdhalff mat lant, wienich (weinig) min, gheleghen buiten dick, idem. Aen Cornelis van Bergen van slijcken aen de dick by de Kookersloodt-sluys, Dijkb. Wormer (a° 1663). – De vorm dik komt reeds in de Middeleeuwen voor. || Een achtendeel bardicke (te Beverwijk, 13de e.), Hs. v. Egmond, f° 12 r°. Ses acht(endeel) baerdic (idem (a° 1373), ald. f° 58 v°. Zie zegsw. op stronthoop, water en zode, en vgl. de samenst. Broedijk, euterdijk, Haalderdijk, Hoogendijk, Indijk, kaaidijk, kaaldijk, Klamdijk, kolkdijk, Koodijk, Krommeniedijk, Lagendijk, Loodijk, Noorddijk, Onbedijk, paaldijk, platendijk, Plempdijk, saddijk, Schinkeldijk, schordijk, Taandijk, tuimeldijk, Twischdijk, uiterdijk, Zaandijk, Zuiderdijk.
Dijkbraak, Dijkbraak, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een braak bij de Ooszaner overtoom. Thans onbekend. Zie braak I.
Dijkkamp, Dijkkamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land te Zaandijk, aan de Lagedijk. || Dijckamp, Koopbrief (a° 1691).
Dijkmaad, Dijkmaad, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land te Assendelft. Vgl. maad. || De Dijcmaedt in Banningen weer, Maatb. Assend. (a° 1633).
dijkstaal, dijkstal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Ondergrond, staal, van een dijk. Zie Mnl. Wdb. II, 189. Thans ongebruikelijk. || (Hi) heeft geordineert ende verclaert, dat de voorsz. eysschers den dijck, daeromme alhier questie es, maecken, repareren ende onderhouden sullen op den ouden barm ende dijkstal mit palen, aerde, hoeffden ende anders, Hs. (a° 1494), copie, archief v. Jisp. 2) Een natuurlijke dam of aanslibbing onder water, dicht bij de kant van het land of de dijk. Zulk een dijkstal is een visrijke plaats en wordt daarom door de vissers opgezocht. Zie stal II. – Bij Zaandam bevindt zich een dijkstal in de Voorzaan. || De slibbe ... werdt gedreven tot over ’t midden van den voor-Saanschen boesem, en gestut zijnde door ’t voor-landt van den Hem (nu het Katte-gat genaamt) sinkt dan neder, en heeft van langerhandt een hoogte opgeworpen die de buren van de Saanderdam ... den Dijk-stal noemen, SOETEBOOM, S. Arc. 195. – Evenzo ook in W.-Friesl.
Dijkveen, Dijkveen, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van land onder Assendelft, in Buitenhuizen. Stukken veen, die aan de dijk liggen. || In de dijckveen in Claes van Sanen-weer, Polderl. Assend. I f° 15 v° (a° 1599).
Dijkven, Dijkven, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van land te Assendelft. Zie ven. || Gerrit Jansz. dijckven (in het Smalle weer), Maatb. Assend. (a° 1634).
dik, dik, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Prut, dik van lijn- en raapolie. Zie verder op oliedik. || Die olie is slecht deur’elopen; wat blijft er ’en dik in de druipzak. Vgl. dikbalie, dikvat. – Ook het bezinksel van koffie. Zie koffiedik. – In verkl. dikkie, karnemelksebrij. Zie karnemelksdikje.
dik, dik, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Dikke centen, nieuwe onafgesleten centen, die somtijds worden opgespaard om later een potje te hebben. || Ik heb nog ’en buultje met dikke centen, daar zel ik ’et wel van betalen. Kermis, kermis, lieve luidjes, had ik nu maar dikke duitjes, dan zou ik te kermis gaan, Volksliedje. – Van glaswerk. Dof bevingerd, smerig. – Hè, wat is dat glas dik, maak ’et gauw schoon. || Ook: ruim, ver enz. || ’t Is dik elf uur. Hij was dik in de tachtig toe-i storf. ’t Was dik in de lente, toe we nag ’en dik gat mit snee kregen. Zo ook elders. – Vgl. dikke koek op koek.
dikbalie, dikbalie, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In oliemolens. Balie, waarin het dik van de olie wordt bewaard. Zie dik II. || 4 Meelmaten, 4 dikbalien, 8 lampen, Invent. (Zaandijk, a° 1796), Zaanl. Oudhk.
dikkerd, dikker, dikkerd, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In verkl. dikkertje. Soort van zoetkoek. || Haal ers ’en dubbeltjes-dikkertje. Een blauwe dikker (zie blauw). – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 21). – Men had ook stotersdikkertjes die 12½ cent kostten. Vgl. kleidikker.
dikkokerij, dikkokerij, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie oliedikkokerij.
dikmuts, dikmuts, (dikmus, met klemtoon op dik), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Rijkaard. || ’t Is ’en dikmus hoor. Zo’n dikmus kon best wat meer geven. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 21). Vgl. Markens: dik, rijk, welgesteld; diknek, rijkaard (Taal- en Letterb. 2, 64). – Evenzo in het Ned. ’t is een speknek.
dikpot, dikpot, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Pot met koffiedik. || Mag ik de dikpot komme halen? (arme mensen koken daar dan nog een slappe koffie uit).
dikvat, dikvat, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In oliemolens. Vat, waarin het dik van de olie wordt gedaan. Zie dik II. || 10 Dikvaten, 4 bekkens, Invt.(Zaandijk, a° 1796), Zaanl. Oudhk.
ding, ding, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In verkl. dinkie. Zie de wdbb. || ’t Is ’en vlug dinkie (een aardig meisje).
dingsig, dingzig, (bijvoeglijk naamwoord), In de uitdr. dingzig over (of van) iets wezen, gevoelig over iets zijn, verdriet hebben van iets. || Hij is er dingzig van, dat zijn meisie ’em de bons ’egeven heb. – Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 108). WEILAND vermeldt dingsigheid, onenigheid, twist. || Ze hebben telkens dingsigheid. Ik wil met die dingsigheid niet te doen hebben. Bij VAN DALE vindt men dingstig, onenig; dingstigheid, onenigheid, vitterij. – Vgl. dingzigheid.
dingsigheid, dingzigheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In de uitdr. dingzigheid in (of voor) iemand hebben, genegenheid voor iemand gevoelen, zinnigheid hebben in iemand. Zie dingzig. || Hij het sikuur (sekuur) dingzigheid in dat meisie . – Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 108). – In verkl. wordt dingzigheidje ook gebezigd voor dingetje. || Zel-je ok nog zo’n dingzigheidje (een koekje, balletje, enz.) gebruiken? Wat is dat voor ’en dingzigheidje?
dingstal, dingstal, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van het pleintje voor het raadhuis te Assendelft. || Op ’et dingstal wordt de markt ’ehouwe. – Dingstal was eertijds de plaats waar recht gesproken werd. Zie Mnl. Wdb. II, 206.
Dirk, Dirk, mansnaam. – Blinde Dirk, ketelkoek; zie op blind. – Slappe Dirk, dunne brij. || We eten slappe Dirk.
dirk, dirk, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Op een schip. Het touw, dat van de top van de mast loopt naar het uiteinde van de giek, en waarmede de giek op- en neergehaald wordt.
dirken, dirken, (zwak werkwoord), vgl. aandirken.
distel, distel, dissel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast ook dissel. Zekere plant; gewoonlijk doorn en stekel genoemd (zie de woorden). – De vorm dissel is ook elders in N.-Holl., alsmede in Gron. en bij Zwolle bekend; vgl. VAN HALL, Landh. Flora 111 vlg. In de omtrek van Amsterdam spreekt men van dijzels. – Vgl. zeugedistel.
dit, dit, (aanwijzend voornaamwoord), zie die.
djent, tjent, (bijvoeglijk naamwoord), zie jent.
dobbe, dobbe, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meestal afgekort tot dob. Thans verouderd en alleen nog bekend in eigennamen. – 1) Veenput, met water volgelopen kuil, ontstaan door het uitgraven van het veen. Vgl.: (Ik heb) bevonden ... dat die Landen aldaer alle Jaren so dapper afnemen, verminderen en smal werden, ende maar een Weer lands voor de Veen dobben in de langte voorleydt datmen daer nauwelijck een Ringdijck en Ring-sloot soude konnen maken, LEEGHWATER, Haerlb.7, 10, § 15. – In namen van stukken land. || Jan Engelen Scheepmaecker dobbehem op de Haygraft ende aen de Vliedtsloot, die vuyterdobbenhem van de Vlietsloot, dobbenhem aende wech, Polderl. Assend. I f° 111 (a° 1600). Dat dobbekampie (te Westzaan), Polderl. Westz. III f° 32 r° (a° 1644). Noch 2 dobbekampe, ald. f° 90 r° Dobbenveen in Arent Jan Cillen weer (te Assendelft), Polderl. Assend. I f° 51 r°, 61 r° (a° 1600). – Wellicht ook in: De dobbicxs opt Calff, Polderl. Oostz. I (17de e.). 2) Sloot. Deze dobben zijn oorspronkelijk vaarten, die door veenderijn gegraven werden. || Item alle slooten en dobben langs de gemene paden, mitsgaders alle andere slooten en inhammen, daar huyzen by ofte omtrent staan, sallen moeten werden gediept en opgemoddert 2½ voet, Hs. keur v. Oostzanen (a° 1736, vernieuwd 1765), archief v. Zaandam. – De Hanepatter dob (Hanepattersluissloot, te O. Zaandam, a° 1751). De Pantepatter dop (te O. Zaandam), Custb. (a° 1736). Claas Pietersz. dobb, Claas Willemsz. dobb, Baaven dobbe (te O. Zaandam aan de Zuiddijk tot de Weer; op een Kaart, eind 18de e.). – Ook in de samenst. Dobsloot, een sloot in de ban van Jisp, tussen Knollendam en Spijkerboor. – Evenzo verderop in N.-Holl. || De Dob (bij Purmerend), Kaart v.d. Uytw. Sl. 7. Dobsloot (onder Ursum), ald. 11. De Dobsloot (bij Marken-Binen). – Het woord komt ook in de Middeleeuwen in Holl. voor. || Van Florekijn ende oude Heynen cost te Hoirn ende Dirx vander Dobbe 18 sc(ellinc), Rek. v. Graf. v. Holl. 2, 167 (a° 1345). Item inden vrienbanne (Vrijenban) seven morghen lants ... streckende vanden kerve an die dobben, Hs. v. Egmond, f° 5 v° (a° 1373). Zie enige voorbeelden uit Friesl. in Mnl. Wdb. II, 217 vlg. Dobbe is vooral gewoon in Friesl., Gron. en de Nedersaks. streken. Zie de wdbb. van KOOLMAN, HALBERTSMA en MOLEMA.
Dobbehem, Dobbehem, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie dobbe.
Dobbekamp, Dobbekamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie dobbe.
dobbelen, dobbelen, (zwak werkwoord), vgl. misdobbelen.
Dobbelkamp, Dobbelkamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van stukken land te Assendelft; zo geheten omdat het dubbele stukken zijn. Dobbel(d) schijnt echter thans niet meer naast dubbel(d) in gebruik te zijn. || De drie dobbelcampen (in Bieren weer), Stoelb. Assend. f° 13 v° (einde 16de e.). Kees Moyduyven dobbelcamp (in Bieren weer), Maatb. Assend. (a° 1634).
dobbelsteen, dobbelsteen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op opgooien.
Dobbenveen, Dobbenveen, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie dobbe.
dobber, dobber, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Bij de visserij. Ook een van bies gevlochten schijf, met aan het ene einde een steentocht (touw met steen, om het afdrijven te voorkomen) en aan het andere een hoek; dienende om aal te vangen en daarom ook aaldobber genoemd. Syn. duul. || De dobbers worden des avonds geschoten en des morgens gevaand (nagezien, opgehaald). Heb-je de dobbers al klaar’emaakt (van steentocht en haak voorzien)? Eens op een seekre tijdt soo voer ik door de Slooten, om dobberen te vaen, aldaer van ons geschooten: Ik haeld’ een dobber op, en siet ik ving een Snoek; doch echter wierd hy niet gevangen aen de hoek: maer aen de andre draet daer wy de steenen maken, die was, gelijk ’et scheen, geheftet aen zijn kaken, SCHAAP, Bloemt. 55. – Evenzo elders in Holl. en Friesl. (doaper, HALBERTSMA 682). Vgl. dobberaal. – Zegsw. ’t Zal een harde dobber zijn, het zal er om spannen, het is zeer de vraag of het goed zal gaan. || Ze proberen of ze de brand nog blussen kennen, maar ’t zel ’en harde dobber wezen. ’t Zel ’en harde dobber zijn, of de zieke ’et nog haalt. – Ook elders gebruikelijk.
dobberaal, dobberaal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast dobbereel. Zeker soort van aal; aal die met dobbers gevangen wordt. Zie dobber. || Hij maakt wel ƒ 1,– voor de dobbereel.
Dobsloot, Dobsloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie dobbe.
doddelen, doddelen, dottelen, (zwak werkwoord, transitief), Daarnaast dottelen. Kreukelen, in elkaar frommelen. Zie doddel. || Doddel je boezel niet zo. – Vgl. verdoddelen.
doedel, doedel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Dikke bundel, doddel. || Wat ’en dikke doedel. Kijk ik ers ’en doedel in me zak hebben (van iemand, wiens (wier) zak uitpuilt). – Ook wel van kinderen gezegd. || ’En dikke doedel (een dik, rond kind). 2) Zak, waarin men kleren en anderszins doet (de Wormer). || Wat heb-je in je doedel zitten? Me doedel zit toch zo vol. Kijk die ers ’en grote doedel onder der arm dragen. Zie doddel, en vgl. Ndd. dudel, grof zakkenlinnen, afhangende lap aan een kledingstuk (DÄHNERT), Oost-Fri. dudel, dudelmüts, muts met uitstaande linten (KOOLMAN).
doedel, doddel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ineengedraaide bundel haren, wol, enz. || Ze het ’r haar in ’en doddel op ’er hoofd ’ebonden. Maak toch geen doddel van je schort – Meestal een verwarde bundel, dot. || Een doddel wol. Gooi dat doddeltje papier effen vort. Vgl. Gron. doddel, knot garen (MOLEMA 78), Wvla dodder, verwarde bundel (DE BO). Het woord is verwant met dot, dodde; vgl. Navorscher 39, 659. – Zie doedel, doddelen en doddelig.
doedelig, doedelig, (bijvoeglijk naamwoord), Dodderig, dommelig, slaperig. Synon. doezelig. || Ik ben wat doedelig, ik zel maar gauw te bed kruipen.
doedelig, doddelig, (bijvoeglijk naamwoord), Verward, een verwarde bundel vervormende . Zie doddel. || Wat zit je haar doddelig. Die wol is zo doddelig, ze is temet niet uit te tissen (te ontwarren).
doei, doei, doewi, (zelfstandig naamwoord), Daarnaast doewi (tweelettergrepig, met klemt. op doe). Alleen in de uitdr. doei hebben, etenstrek, honger hebben. – Synon. schroei; zie aldaar. || Wat had hij ’en doei, toe hij thuis kwam. Ik heb doewi.
doek, doek, (zelfstandig naamwoord), zie de wdbb. – Zegsw. Daar is doek an, dat duurt lang; b.v. Zie een zegsw. op beschijten. – Vgl. de samenst. asseldoek, SCHOTELDOEK, spoeldoek.
doel, doel, (zelfstandig naamwoord), Merkteken, paaltje, waarmee de grens tussen twee percelen land wordt aangegeven. Thans verouderd, maar nog over in afdoelen; zie aldaar. – Op Marken beduidt dool nog eigendomsmerk (Taal- en Letterb. 2, 64). – Zie verder over dit woord Mnl. Wdb. II, 229, GRIMM, D. Wtb. II, 1227, HALBERTSMA 775, enz., en vgl. dule.
doelen, doelen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. poepedoelen.
doemen, diemen, (zwak werkwoord), vgl. opdiemen.
doemen, doemen, (zwak werkwoord, intransitief), Soort van luchtspiegeling op het water, bij helder weer, waardoor zich schijnbaar een strook land aan de horizon vertoont.|| Kijk ’et ers doemen; de meerkatten dansen op ’et land. – Het doemen is een zeer gewoon verschijnsel; enkele malen in het jaar gaat het echter gepaard met een voortdurend op en neer dansen van donkere voorwerpen op de weerkaatste streep. Dit noemen de vissers het daansen van de meerkatten. – Evenzo zegt men in Drenthe als de bodem sterk uitdampt en de lucht over het veld in trilling of golvende beweging is, de meerkatten lopen. En in Oost-Friesl. de wër-katjes laten sük sên, de wër-katjes spölen in de lücht (KOOLMAN 3, 541). – Synon. met doemen is opdoemen, dat ook door VAN DALE wordt vermeld. Doemen echter is alleen opgetekend in de overdr. zin van zich (werkelijk) aan de horizon vertonen, van de kust, een schip, enz.: ’t Doemen der kuste; zie, een boot doemt uit de baren, aangehaald bij DE JAGER, Freq. 1. 74. Het werkwoord behoort bij doem, doom, damp; zie Mnl. Wdb. II, 289. Zie ook op meerkol en vergelijk opdiemen.
doen, doen, (onregelmatig werkwoord), Vervoeging: Tegenw. tijd, ik doen, je doene (en doen-je), hij doet, we doene, jollie doene, ze (zollie) doene. Verl. tijd, ik daan (dene) of da, je daan (dene) of da, hij daan (deen) of da, we, jollie, ze dane (dene) of dee. Gebiedende wijs, doen. Tegenw. deelwoord doende. Ver. deelw. ’edaan (’edeen) of ’daan. Te Assendelft zegt men in de verl. tijd ook dede in ’t enkelv. en daan, daande in alle personen; de 3de pers. enkelv. luidt soms daat. || Ik dede ’et niet. We daan ’et er maar om. (H)ij daande raar. – Ook in de zin van wedden om iets. || Dat doen ik met je, dat ’et niet waar is (daar verwed ik wat onder). “Nou, doen we nag?” “Weerom (om welke prijs)?” “Om ’en gulden.” Zo ook elders. – Zie een zegsw. op zellen, en vgl. de samenst. omdoen en opdoen. – Zegsw. Het doet me nuw, het benieuwt mij; zie op nieuw. – Het doet me wonder, het verwondert mij; ’t zel me wonder doen, het zal mij verwonderen, ik ben benieuwd.|| Komt ze niet? dat doet me wonder! ’t Zel me wonder doen, of ’et nog beurt. Vindy in my (het boek) iewerts yet, dat u dunckt te laf gebrouwen; slechter als ghy soud vermoen? laet het u geen wonder doen: want ick ben niet voort-gekomen uyt een hooghgeleert Poeet, SCHAAP, Bloemt., voorwerk bl. 15. Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 7, 305). – Vgl. het eertijds ook gebruikelijke het doet mij vreemd, b.v. BERKHEY, Nat. Hist.3, 582: “Het zal niemand vreemd doen, dat de Brabanders, in die dagen, zo veel invloeds op de dragt der Hollandse Vrouwen gehad hebben.” – Daarnaast komt in de vroegere taal voor: het geeft mij wonder vreemd, nieuw, enz. Zie over deze constructie Mnl. Wdb. II, 1799; Ned. Wdb. IV, 1943; GRIMM, D. Gramm. 4, 246 vlgg. – Zie bedoen, toedoen, verdoen, en vgl. de uitdr. als beentje-strengel doen, deurtje-schel doen, eesje-schiet doen, kopje doen, paardje-ket doen, pentje-groes doen, enz.
doezel, duzzel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in de uitdr. aan de duzzel zijn, soezen, iets doen zonder nadenken; in het bijzonder verkeerd doen. || Wat ben-je weer an de duzzel. ‒ Zie duzzelen.
doezelen, duzzelen, (zwak werkwoord, intransitief), Soezen, in een soes bezig zijn, verkeerd doen. || Och wat duzzel je weer, kijk dan toch wat je doene. ‒ Vgl. duzzel, duzzelig, geduzzel. ‒ Het woord is verwant aan duizelen; zie verder over de verwante woorden FRANCK 216 vlg.
doezelig, duzzelig, (bijwoord), Soezerig. ‒ Synon. doezelig; zie aldaar. || Wat kijk-je duzzelig uit je ogen.
doezelig, doezelig, (bijvoeglijk naamwoord), Soezelig, dommelig. || Van dat lange werken wor-je doezelig. Wat zien-je der doezelig uit. ’t Is gien heldere vent, hij is altijd wat doezelig. – Evenzo Oost-Fri. duselig, dusselig (KOOLMAN 1, 366). Vgl. duzzelig.
dof, dof, (dòf), (bijvoeglijk naamwoord), Vochtig. || Het weer is dof. ’t Is altijd dof in die kas. De kleren bennen nog dof. – Evenzo in Friesl. (HALBERTSMA op dof), Gron. (MOLEMA op dof), Oost-Friesl. (KOOLMAN op duf). – Zie doffen, dofte, en vgl. doof.
doffen, doffen, (dòffə), (zwak werkwoord, transitief), Vochten, strijkgoed dof (vochtig) maken door het met water te besprenkelen. Zie dof. || We moeten nog kleren doffen. Ik heb de was ’edoft, maar me vingers wieren (werden) toch zo koud. – Vgl. indoffen.
doft, doft, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In verkl. doffie. Roeibank. || Het woord is algemeen Ned.; zie de wdbb. || Leg nòg ’en doffie in de schuit. – Zie achterdoft, middeldoft.
dofte, dofte, (dòftə), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Vochtigheid. Zie dof. || We hebben hier in huis toch zo’n last van de dofte, alles slaat uit.
dogen, dogen, doven, (zwak werkwoord, transitief), Lijden, doorstaan, verduren; in het bijzonder van warmte (hete spijs en drank, vuur). Alleen in de inf. met kunnen. || Pas op, de soep is kokend, je ken ze nog niet dogen. Me wijf drinkt ’er thee altijd gloeiend heet, dat ze ze temet niet dogen ken. Je ken de brij nou wel dogen. Wat ’en kat, hij ken de tang niet dogen! – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 23). – Ook ontberen, te kort komen ( Krommenie). || Ik doog ok zoveul sleep (slaap), dat ’et gien wonder is, dat ik ’et in me reg heb. – In de Wormer zegt men doven, terwijl dogen er onbekend is, en ook elders in N.-Holl. gebruikt men deze vorm (Taalgids 1, 109). – Ook in het Fri. heeft het woord deze bepaalde betekenis aangenomen; zie HALBERTSMA 602 op daeye.
doken, doken, (zwak werkwoord, transitief), Door middel van doken aan elkaar bevestigen. Zie voorbeelden op dook.
dokter, dokter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. Dikwijls zonder lidwoord, op dezelfde wijze als dominee; b.v.: Hij ging om dokter. Wat zeit dokter er van? Je moete dokter der bijhalen. – Zie een zegsw. op koets. Een dokter Snelletje, een hartversterking. || Kom, neem nog maar ’en dokter Snelletje. – Goed van dokter, medicijnen (o.a. te Oostzaan) Synon. meesterskruiden. || Ik heb nou goed van dokter; dat zel me, hoop ik, beter maken. – Zo ook in het Stad Fri. – Vroeger voor een glas wijn; vgl.: “Als wij voor of aan den disch elkander aansporen tot het gebruiken van een Campertje of Dokter Snel, verstaan wij er immers alleen door een weinig kina op genever, of een glaasje rooden wijn, zonder dat er van die ingrediënten zelven, in de gemelde woorden, eenig gewag wordt gemaakt”, J. LUBLINK DE JONGE in DE JAGER’s Archief 3, 124. – Dokter Rogaars-pad, naam van een pad te W. Zaandam; bij verbastering ook Dokter Rogge-pad. Zo genoemd naar Doctor Jan Rogaars, die op het einde der achttiende eeuw aldaar woonde.
dol, dol, (zelfstandig naamwoord mannelijk), – 1) In een molen. Langwerpige houten blokjes, aan de ene zijde iets breder dan aan de andere, welke, langs de rand, dwars door een horizontaal liggend wiel zijn gestoken. In de gaten tussen de dollen, grijpen de kammen van een verticaal wiel, waardoor de beweegkracht van de molen wordt overgebracht. Kammen en dollen zijn geheel aan elkaar gelijk; het verschil zit in de stand: de kammen liggen horizontaal, de dollen zijn verticaal geplaatst. Zie Groot Volk. Moolenb. II, pl. 2. || Een gang dollen (een stel). Boeken of mispelen dollen (dollen van beuken- of mispelenhout). De dollen van de bovenbonkelaar worden zo dun as messen, we moeten maar ’en nieuw gang insteken Ze kennen lank mee, maar komt er eenmaal de rafeling in, dan regent ’et dollen. – Zie zegsw. op kam, en vgl. bovendol, onderdol. 2) In de bouwkunde. Met hollen en dollen. Een der manieren van lassen, in het bijzonder gebruikelijk bij naast elkaar liggende stenen dekstukken, op een wal, op een muur, enz. Aan de kant, waar de stukken tegen elkaar sluiten, heeft dan het ene in het midden een halvemaan-vormige insnijding, waarin een dergelijk uitsteeksel van het andere stuk past. Die uitholling heet hol, het uitsteeksel dol. De stuiknaad van twee met hollen en dollen bevestigde stukken heeft dus deze gedaante: " _∩_ ". || Aan de buyte-kanten van de Muuren yder een Deckstuck breet 2 voet en lang 22 voet, yder van twee stucken in de langte, met Hollen en Dollen in malkanderen, Bestek Kooger-sluis (a° 1728), archief v. Zaandijk. – Ook van een schroef die niet meer draait, omdat de schroefdraden en de moer versleten zijn. || Die schroef is dol.
dol, dol, (dòl en dol), (bijvoeglijk naamwoord), Bij het tollen. Dood. Wanneer bij het potje-tollen een der tollen na het neerwerpen niet gaat draaien, heet die tol dol en mag niet meer meedoen. Hij wordt dan binnen de kring gelegd, en de anderen zoeken hem daaruit vandaan te pikken. || Je ben dol. Je tol is dol. – Het is twijfelachtig of het woord wel één is met het gewone bijvoeglijk naamwoord dol, gek. Hangt het soms samen met dul, dulde, nietswaardige, in slechte toestand (Mnl. Wdb. II, 457)?
dol, dol, dul, (dòl), (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. Daarnaast soms dul, doch in de gewone betekenis van dol, gek, alleen bij oude mensen. || Ben-je dul? Mitien (meteen) kwam deer ’en dulle bagijn (uit een kinderrijm). – In de zin van zeer boos, razend van kwaadheid, is dul echter nog gewoon. || Hij is dul. As-i dul is. zou-i voor niks staan. – Vgl. Mnl. Wdb. op dul, en HOOFT, Warenar 110: dulheit. – Zie dolaal, dollen.
dolaal, dolaal, (dòl-aal), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast doleel. Zeker soort van aal; magere dobberaal. Deze aalsoort is zeer hongerig; misschien heet zij dus dolaal, omdat zij steeds dol van honger schijnt. – De benaming is reeds in de Middeleeuwen gebruikelijk. || Wtgheven bi mijns heren bevelen om 45 tonnen paildinx, so dol ail ende kijf ail, ghecoft tot Alkemaer. Eirst Claes Cluvers s. van tale dol ails ende kijf ails, elc tal om 4½ scilt ... Item bi Magher Heynen van 3 tonnen ghesoutens dol ails, elke tonne 9 scilde, Rek. d. Graf. v. Holl. 2, 417 (a° 1345).
dolk, dolk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In verkl. dolkie. Een bepaald soort van knikker, stuiter, van gebakken aarde (Jisp). Soms ook van glas, doch alsdan glazen dolk genoemd. Te Wormerveer verstaat men onder dolken alleen glazen knikkers. Deze hebben gekleurde figuren van binnen en zijn verkrijgbaar tot de grootte van een kleine bikkelbal. || Ik heb negentien knikkers en twee dolken. Ik had zo’n mooie dolkie, maar dat heb ik vast ’estrooid (verloren). – Vgl. Fri. dolk in de zin van paardekootje (HALBERTSMA 705), dat echter thans verouderd schijnt. Dit is ongetwijfeld hetzelfde woord, daar eertijds kootjes gebruikt werden om te knikkeren. Vgl. knar en kooten.
dollen, dollen, (zwak werkwoord, transitief), Doodslaan. Zie de wdbb. Bij vissers ook van het met een knuppel doodslaan van vis. || We moeten de vis dollen. – Vgl. koppedollen.
dollen, dollen, (zwak werkwoord, intransitief), Alleen in de uitdr. met iemand (of iets) dollen, gekken, spotten. – Zonderling is, dat de uitspr. der o in dollen verschilt van die in dol (dòl, gek.) || Jollie kennen er nou wel mee dollen, maar ’t is met dat al ’en lamme geschiedenis. Hij dolde mooi met ze (hij hield hen erg voor de gek). Kom, je hebbe nou genoeg met ’em ’edold, schei nou ers uit. – Vgl. meedollen.
dom, dom, (dòm), (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. Ook onbruikbaar door de koude, beknuffeld, verkleumd; van de handen. Synon. dommelijk. || Me handen bennen dom; ik ken er niks mee uitvoeren. Ik heb zokke (zulke) domme vingers. – Evenzo in Waterland (Navorscher 21, 532). – Vgl. Dommient.
domein, domein, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Te Wormerveer liggen bij elkaar twee stukken land, genaamd het Domein-breedje en het Domein-tweebeentje. Of domein hier het gewone woord is, en tot welk domein deze stukken dan behoord hebben, is onbekend. Misschien is de naam verbasterd.
dominee, dominee, (dòmənie), (zelfstandig naamwoord mannelijk), – Ook als benaming van zeker insect (libel), juffertje. De kinderen houden het bij de staart en zingen: "“Domenie preek, / domenie spreek. / As ik je stem niet mag hooren, / heb-je je vleugels verlooren.”" Zij verwachten, dat het dan geluid zal geven. Als het daarbij scharmaait met de pootjes heet het: “De domenie zit te preeken.” En hebben zij het een stukje van een grashalm tussen de poten gestoken, en draai de dominee dit snel in de rondte dan “slaat hij een blaadje om”.
domineesbroodje, domineesbroodje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een dun sneetje brood met kaas en roggebrood. || ’k Heb geen honger: geef me voor de gelijkelijkheid maar ’en domineesbroodje. – Ook wel voor een snede brood met een beschuit erop; synon. peet-marie-stik.
domineesstuk, domineestuk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een bepaald stuk rundvlees, dat van de bil gesneden wordt en van mindere hoedanigheid is dan de haas. || Zo’n domineestuk is mijn te mager. Bestel maar ’en domineestukkie van vijf pond.
dommelijk, dommelijk, (dòmmələk), (bijvoeglijk naamwoord), Hetz. als dom, onbruikbaar van koude. || Me hande bennen zo dommelijk met de koud. || Ook dom, onnozel, suf. || Ootje wordt dommelijk.
Dommient, Dommient, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een stuk land te Wormer; thans verbasterd tot de Dommiet (uitspr. dòmmiet, met klemt. op miet). || Een stuck lants groot duysent roeden, genaempt de domme mient, Hs. Weeskamerboek f° 5 (a° 1618), archief v. Wormer. – Vgl. mient. In welke bet. dom hier voorkomt is onzeker; slecht, dor?
domp, domp, (dòmp), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Damp, dichte walm, nevel. Thans waarschijnlijk verouderd, maar nog over in dompig; zie aldaar. || De Verw Mools (molens) ... die wrijven met een groote macht. Wat verwen dat daer onder komt, sy maeckent haest tot stof en domp, Saenl. Wassende Roos 23. – Bij VAN DALE wordt het woord als gewestelijk vermeld. Het is ook nog in Vlaand. bekend (DE BO). In de vroegere taal komt het herhaaldelijk voor; zie Mnl. Wdb. II, 279, DE JAGER, Freq. 1, 73. Men vindt het ook bij VALCOOGH, Regel d. Schoolm. 115: Het lichaem is niet dan een stanck, die als een domp ofte roock overdrijft.
domp, domp, (zelfstandig naamwoord), De week is over domp, is half om. Vgl. dompen III. || Zie zo, jonges, ’t is woenesdagêvend; de week is alweer over domp. (Om iemand voor de gek te houden zegt men ’s woensdags te Zaandam:) “Gaan-je vanêvend mee nê de Burcht?” “Wat is er an ’t handje?” “De week over domp trekken.”
domp, domp, (dòmp), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meestal in het meerv. dompen. Losse kluiten veen, die gedroogd en dan als turf gebrand worden. Een brandstof van slechte hoedanigheid. || Dompen bennen goed om kalk te branden, maar in ’en heerd ken je ze niet hebben. – Evenzo elders in N. Holl. In W.-Friesl. heeft men de benaming ook overgedragen op de als brandstof gebruikte klompen gedroogde mest; vgl. de op schok aangehaalde plaats uit Advers. Oostwoud. – Het woord behoort misschien ook bij dompen, onder water duiken, en is dan één met domp II.
domp, domp, (dòmp), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een waterplant; lisdodde, Lat. Typha. De dompen hebben een verdikking in de stengel, die in vorm en kleur op een sigaaar gelijkt. Deze wordt door de jongens uitgeplozen en stuift dan rond als de pluim van een paardebloem. – Ook wordt de domp wel in het water gegooid, waarbij hij na een poos omgekeerd weer boven komt. De naam zal wel van dit dompen afkomstig zijn; zie dompen. De plant wordt domp genoemd in de Wormer en in Waterland; vgl. de onderstaande aanhaling van de Rijper LEEGHWATER. Andere namen zijn duul, duikelaar of duiker, en pluim. || Soo dat meest alle die Laghe Landen weynich goede vruchten konden draghen, anders als Riet, Rap, Bobelen, Biesen, dompen ende ander onkruyt, LEEGHWATER, Haerlb.7, 38, § 158.
dompen, dompen, (dòmpe), (zwak werkwoord, transitief en intransitief), 1) Transitief Voorover doen duiken, naar beneden doen dalen; van een tweewielige kar, een schuit, enz. || Ik zel de kar dompen, hou jij ’em wat tegen dat-i niet te hard neerbomt. – Dompen, van een stuk geschut gezegd, is algemeen Ned.; zie VAN DALE en vgl. de volgende plaats. || Maer dat Schut ’t welk in haer stevens lag, ’t selve lagh waterpas, doch sy konden het niet lichten, noch dompen, noch basten; maer mosten haer geheele vaertuygen omdraeyen, als sy naer ons schieten wilden, FRANS JANSZ. VAN DER HEIDEN, Vervarelijke Schip-breuk van ’t Jacht ter Schelling (3de dr., Amst. 1685), bl. 69. 2) Intransitief Voorover duiken, kantelen. In deze zin ook dompelen; zie aldaar. || Laad de kar van voren niet te zwaar, aârs dompt-i. As jollie allemaal an één kant van ’t schuitje staan gane, dan zel ’et nog dompen. – Vgl. domp II en domp III. 3) Overdrachtelijk in de uitdr. met het dompen van de week, als de week aan het afnemen is, in het eind van de week, na woensdag. || Ik zel ’et met ’et dompen van de week wel doen, maar ik heb er nou geen tijd toe. – Bij dompen hoort het freq. dompelen, duiken, onder water steken. In deze zin komt ook dompen in de 17de e. herhaaldelijk voor. Zie DE JAGER, Freq. 1, 72 vlg., en vgl. FRANCK 191.
dompen, dompelen, (dòmpələ), (zwak werkwoord, intransitief), Voorover vallen, kantelen. Hetz. als dompen; zie aldaar.|| Pas op, of die kar dompelt.
dompig, dompig, (dòmpəch), (bijvoeglijk naamwoord), Dampig, mistig. Zie domp I. || ’t Is dompig vandaag. – Dompigh wordt door KIL. weergegeven met vaporiferus, vapidus, d.i. walmend, benauwd; tegenwoordig betekent het in de algemene taal: vochtig, bedompt.
donder, donder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. raasdondertjes.
donderen, donderen, (zwak werkwoord), vgl. opdonderen.
donderkoek, donderkoek, (dòndərkoek), (zelfstandig naamwoord mannelijk), In de zegsw. het wordt donderkoek, het wordt donderen, het wordt ernst, het loopt verkeerd.
donderkop, donderkop, (dòndərkop), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in het meerv. Onweerswolken, wolken die donder voorspellen. || Wat zitten er ’en donderkoppen an de lucht; dat geeft boos weer. – Evenzo elders in N.-Holl., Gron., Friesl., Oost-Friesl., enz.; zie de wdbb.
donderleider, donderleider, (dòndərlaaiər), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bliksemafleider. || Er staat gien donderlaaier op zijn plaats (boerenplaats). – Evenzo in Gron. dunderlaider (MOLEMA 92b).
dondersteen, donderstien, (dòndərstien), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Scheldwoord. || Lillike donderstien! Donderstien, kom op, as je durve! – Evenzo elders dondersteen. – Vgl. blikstien.
donker, donker, (dnkər), (zelfstandig naamwoord onzijdig en mannelijk), Duisternis. Zie de wdbb. || De doncker heeft ons overvallen, SOETEBOOM, S. Arc. 676. – In donkers, in het donker, in de duisternis. || Ze is bang in donkers. Zegsw. Geld hoort in donkers, geld behoort men in het donker te laten, weg te sluiten; gezegd als iemand zijn geld laat slingeren, of telt als anderen er bij zijn. – Men zegt ook: Geld en billen in donkers.
dood, dood, (bijvoeglijk naamwoord), De dooie man, in een pelmolen; zie op man. Vgl. zegsw. op Barend, bloot en kind.
dood, dood, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. ’s Is de dood op rolletjes, gezegd van iemand, die zwak en akelig is en waarschijnlijk spoedig zal sterven. – Zie een zegsw. op doodstroom. – Vgl. duikersdoodje.
dooddeur, dooddeur, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een 2
doodkistje, doodkistje, (dootkissie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Soort van gebakjes; zo geheten omdat ze in vorm op doodkisten gelijken. || Die had nag (nog) een alderhandje, deuze nag een doodkissie, een are nag wet pitmoppe, Sch. t. W. 277.
doodmollen, doodmollen, (zwak werkwoord, transitief), Door mollen dooden, doodmaken. Zie mollen. || Pas op, of ik zel je doodmollen.
doodsbed, doodbed, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – In olie-, verf- en snuifmolens. De zwaar gemetselde massief stenen cilinder, die de metalen legger, waar de stenen over rondwentelen, ondersteunt. Vgl. Groot Volk. Moolenb. I, pl. 20 en 21; Groot Alg. Moolenb. I, pl. 11 en 15.
doodstoep, doodstoep, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een houten stoep in de wal bij de kerk, waar de lijken, die ter begrafenis varen, worden ontscheept (Assendelft). || Den 7den Juni aen Pieter Claes Pietses vant maecken vande dootstoep betaelt 5-2-0. Den 7den Juni aen Heynderick Jansz. van het houdt vande dootstoep int raethuys te dragen betaelt 1-11-0, Hs. (a° 1641), archief v. Assendelft.
doodstroom, doodstroom, (zelfstandig naamwoord), In de uitdr. ’t was doodstroom, het was doods, er was niets te beleven, er ging niets om. || “’t Was saai op de kerremis, hè?” “Nou, zeg dat wel! ’t was doodstroom; ’t leek de dood wel an ’en touwtje.” – Doodstroom is eigenlijk een benaming voor de korte stilstand der golven na de vloed, als de ebbe op het punt staat om in te vallen, doodtij. In deze zin ook bij HOOFT, Warenar, vs. 399: “Denkt om je ziel, ... want ’t is mit je al dood’ stroom, jou leven is an ’t ebben.” Zie de uitg. van DE VRIES bl. 136.
doof, doof, (bijvoeglijk naamwoord), 1) Niet horende. Zie zegsw. op Jaap en vgl. hartstikke-doof, heidoof. 2) Dor, levenloos. In deze bet. verouderd. || (In een vergelijking van de mens met een plant:) Want die al heeten uit het stof der zonden op te zijn gestegen, staan dikwils noch zoo doof, of zy weer gansch ter Aarden zouden zygen ... (Laat de liefde en het geloof) in onze herten woonen, zo zullen wy, niet dor noch doof, maar groen en jeugdig ons vertoonen, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 313. 3) Bewolkt, beneveld; van de lucht. || De lucht is doof. (De visser, die zijn toebereidselen maakt, zegt:) De wind is Zuyden, stil, ’en weynig doove lugt, dat maakt mijn arbeyd ligter, terwijl de hoop my vleyt, Hs. visscherszang (Zaandam, a° 1752), Zaanl. Oudhk. 4) Dof, beslagen; van metalen, die door aanslag hun glans verloren hebben. || Wat is ’et zilver doof, ’t moet nodig ’eschuurd worden. 5) Verdroogd. Dove neuten zijn verdroogde, slechte noten, die dus niet gepeld behoeven te worden, doch deze benaming wordt thans niet of weinig meer gebruikt. – Zegsw. ik zit as voor dove neuten, ik (b.v. een winkelier, herbergier enz.) heb niets te doen (Zaandam).
dooien, dooien, (zwak werkwoord, transitief), Bij het knikkeren. Twee jongens leggen een aantal knikkers in een kuiltje. Gelukt het de één tweemaal achtereen daaruit enige knikkers te schieten, terwijl de ander mist, dan is de winner dooier en mag hij de ander dooien, d.w.z. hij mag van deze evenveel knikkers eisen als hij uit de kuil geschoten heeft. Daarop begint het spel opnieuw. Schieten beiden knikkers uit de kuil, of mist de winner de tweede keer, dan wordt er niets verloren.
dooier, dooier, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie dooien.
dook, dook, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Benaming van zekere vierkantige pennen, waarmede stukken hardsteen op elkander worden gemaakt of ijzerwerk wordt versterkt. ‒ Ook elders gebruikelijk; vgl. PIJTAK, Bouwk. Wdb. 85: “Tot onderlinge verbinding van hardsteen, alsook van hardsteen met hout en ijzer, worden gesmede ijzeren doken gebruikt, die gewoonlijk 10
doolhof, doolhof, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. ‒ Bij de visserij. Zeker soort van vishouwer, met vier afdelingen, en van ijzerdraad gevlochten. Evenzo in Z.-Holl. (o.a. te Dordrecht). ‒ Ook als naam van verscheidene stukken land, die ‒ door een sloot daarvan gescheiden ‒ om een ander stuk heenlopen, d.i. het aan twee of drie zijden omsluiten. Zulke doolhoven hebben dus vaak de gedaante van een hoefijzer. Synon. omloop. || De Doolhof of Middenpolder, 3 ha weiland bewesten de Reef te Westzaan, Verkoopbiljet.
doon, doon, (bijvoeglijk naamwoord), Vochtig, klam; van wasgoed.|| Wat is dat goed doon. ‒ Evenzo elders in N.-Holl., en hier en daar ook in Z.-Holl., althans te Oud-Beierland.
doop, doop, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Saus, vet, enz., waarin men zijn eten doopt. Zie de wdbb. De eigenlijke bet. komt nog duidelijk uit in een uitdr. als: er is nog ’en klein dopie in (er is nog een weinig vet, enz. over). ‒ Zegsw. De doop loopt over de vis, ’t loopt de spuigaten uit, ’t wordt te erg. ‒ Vgl. lollemansdoop, mosterddoop, zuurdoop en dooplokje.
dooplokje, dooplokje, (dooplòkkie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een lokje (klein ondiep bakje) voor doop (saus). || We eten vanmiddag schellevis, vraag dus effies van moeder ’en paar dooplokkies te lien (leen). ‒ De woorden doop en lokje worden beide door VAN DALE vermeld. Ook de samenst. dooplokje was vroeger elders gebruikelijk. In de inventaris van een Groenlandsvaarder (± a° 1700) komen o.a. voor: “6 Vlakke bakken, 12 Doop-lokjes”, FRED. MARTENS, Vojagie naar Groenland, voorwerk bl. 4. ‒ Zie lokje.
door, door, deur, (voorzetsel en bijwoord), Daarnaast deur. Zie de wdbb. ‒ Af en door (of en deur) af en toe, bij herhaling. ‒ Zie of en deur op af, er over en er deur heen op over, alsmede verdeur. || Ik ben er of en deur ’eweest. ‒ Door en weer, hetzelfde. Thans in onbruik. || Daar zijn noch overig twee glasen, doch seer gebrooken, die door en weer gesien hebbe, en getuigen van ’t geene gesegt is (nl. dat er eertijds te Jisp schone geschilderde glazen waren), SOETEBOOM, S. Arc. 472. ‒ Vgl. armpje-door, en door midden op midden.
door kordons, Dirkiedons, (zelfstandig naamwoord), zie kordon.
doorbonken, doorbonken, doorjassen, doorjenzen, (zwak werkwoord), zie doorstompen.
doordeinzen, doordeinzen, (zwak werkwoord), zie deinzen.
doordeunen, doordeunen, doortuinen, (zwak werkwoord), zie deunen.
doorfazelen, doorvazelen, (zwak werkwoord, intransitief), Daarnaast deurvazelen. Doorzetten, doordruisen, toedoen. Zie fazelen. || Hij vazelt maar door (hij redeneert maar toe, hij gaat zijn gang maar).
doorgorrelen, doorgorrelen, (zwak werkwoord, intransitief), Doordraaien, aan de zwier zijn; alleen in de uitdr. hij gorrelt maar door (van iemand die een paar dagen onder water geweest is). ‒ Vgl. gorrelen.
doorhalen, doorhalen, (zwak werkwoord), Daarnaast deurhalen. Zie de wdbb. ‒ Bij de kaasmakerij hetzelfde als klienen: zie aldaar. ‒ Vgl. doorhaalder.
doorhaler, doorhaalder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast deurhaalder. Bij de kaasmakerij. Het werktuig, waarmede de gestremde melk wordt doorgehaald. Synon. kliender; zie aldaar.
doorhalerskom, doorhaalderskom, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Kom, waarin het wasgoed wordt doorgehaald.
doorloop, doorloop, (zelfstandig naamwoord), Daarnaast deurloop. Zegsw. ’t Is deurloop met hem, hij is mal, er loopt een streepje door.
doorlopen, doorlopen, (sterk werkwoord), Daarnaast deurlopen. Zie de wdbb. ‒ Deurlopend krediet, schertsende benaming voor een geheim gemak.
doorn, doorn, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere plant. Een soort van distel, met één hoge stengel en weinig bladeren. Lat. Carduus crispus (VAN HALL, Landh. Flora 117; OUDEMANS, Flora, 2, 128). Ook de Circium lanceolatum (VAN HALL, Landh. Flora 118) wordt aldus genoemd. ‒ De overige distels heten stekels (stikkels); zie aldaar. Een soort van doorns draagt de naam van Haagse dames.
doorpuimen, doorpuimen, (zwak werkwoord, intransitief), Daarnaast deurpuimen. Doorzetten, stijf doorgaan met wat men doet (lopen, enz.) (de Koog). || Hij puimt maar deur.
doorroker, doorroker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast deurroker. Zie de wdbb. ‒ Ook: een losbol, lichtmis. || ’t Is ’en deurroker: hij heb zen vader al heel wat centjes ’ekost. ‒ Evenzo in Groningen (MOLEMA 72).
doorslag, doorslag, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast deurslag. In de bouwkunde. Benaming van de balken die op de stenen voetingspilaren van een gebouw rusten en waarover de vloerrichels worden gelegd. || ’Et deurslag rust meestal op ’en peuluhoutje. Vijf doorslagen, lang 15 mannelijk, Uit een bestek (19de e.).
doorsteken, doorsteken, (sterk werkwoord, transitief), Daarnaast deursteken. ‒ Iemand deursteken, iemands arm nemen, de arm door die van een ander steken. || Zie zo, steek me nou maar door.
doorstompen, doorstompen, (zwak werkwoord), Daarnaast deurstompen. Bij het biljarten, als benaming voor een ongeoorloofde wijze van spelen. Als de drie ballen in een rechte lijn liggen, de beide voorste met de keu tegen elkaar duwen en beide door de hevigheid van de stoot tegen de derde aan doen vliegen. Ook doorbonken, doorjassen en doorjenzen genoemd.
doos, doos, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie wdbb. ‒ Een doosje (uitspr. dosie), twee sneetjes koek met boter er tussen (Zaandam). || Wacht, ik wil nog wel ’en doosje. ‒ Vgl. duitsdoosje, wiezeldoos, stuiversdoosje.
dop, dop, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie de samenst. harpdop, kiendop, urkedop, waaidop en hoppedopjesman, dopjesspel, doppehok, doppesteen.
dopjesspel, dopjesspel, (doppiesspel), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast doppiesspul. In de uitdr. ’tis doppiesspel,’t is vergeefse moeite. || Dat ken-je gerust laten, ’t is toch doppiesspul. De Advocaat Leoninus wilde eigentlyk met die woorden te kennen geven, dat, vermits het soude zyn dobjes spel, indien hy voor zyne Meesteres quam te pleyten by Rechters, welke hy wist dat haar party waren, hy bedankte voor de klugt, Schuytpraatje 7. ‒ Dopjesspel is eigenlijk een goochelspel. De goochelaar op de kermis plaatst een zes- of achttal kleine bekertjes of dopjes omgekeerd op de tafel en verbergt een balletje onder één daarvan. De omstanders moeten dan raden onder welk dopje het zich bevindt. Daar dit raden meestal vergeefs is, heeft dopjesspel de betekenis van onbegonnen werk, vergeefse moeite, gekregen. ‒ Het woord is ook elders in Holl. en Friesl. bekend; vgl. HALBERTSMA 715.
doppenhok, doppehok, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In een pelmolen. Het hok, waar de doppen van de gepelde garst worden geborgen. || (Zij) mogen ... geen doppe uyt het dophok opscheppen al rokende (nl. tabak rokende), Hs. pelderscontract (a° 1728), Zaanl. Oudhk.
doppenmeel, doppemeel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Fijngemalen doppen (b.v. van rijst, cacao enz. || Vroeger was ’et ’en oliemolen, maar nou wordt er doppemeel mee ’emalen.
doppensteen, doppesteen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ook doppestien. In sommige pelmolens. Stenen boven in de kap, om doppen te malen. || De molen raakte in de brand deur ’et warm lopen van de doppestienen.
dorp, dorp, (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)), zie darp. ‒ Als zelfstandig naamwoord onzijdig Zie de wdbb. ‒ Het rooie dorp, de gevangenis. || Hij is nê ’et rooie dorp. ‒ Ook elders bekend.
dorrel, dorrel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ook in de samenst. snotdorrel. Neusvuil, snot. || Hè, wat kwam er ’en dorrel uit (bij het neussnuiten). ‒ Zie dorrelen.
dorrelen, dorrelen, (zwak werkwoord, intransitief), Snoffen, het snot ophalen in een vuile neus (de Wormer). Zie dorrel. || Je moete niet zo dorrelen.
dors, dars, (darsk), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Dorsvloer, dat gedeelte der boerderij waar gedorst wordt. De dars wordt tegenwoordig zelden meer gebruikt om te dorsen; gewoonlijk worden er nu de rijtuigen gezet en vindt men er de paardenstal. – Evenzo elders in N.-Holl., vgl. O. Volkst. 2, 175, en BARTELINK, Beemster-kermis 6: “Ik zie de boeremeid mede op de dars verschijnen, zij brengt ten ronden dis grauwe erwten met rozijnen.” – De vorm darsken voor dorsen, die vroeger in gebruik moet zijn geweest, is naar het schijnt thans geheel verouderd. In het Stad-Fri. spreekt men nog van da’ske.
dorsen, dorsen, (zwak werkwoord), vgl. dars.
dorssloot, dorssloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie dors.
dorsten, dorsten, (zwak werkwoord), vgl. uitdorsten.
dot, dotje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. ‒ Ook: een slordige vrouw, slons (Zaandam). || ’t Is ’en dotje. Waarschijnlijk een toepassing van dot, dat soms aanduidt een smerige, onooglijke bundel of frommel van iets; vgl. b.v. een dotje poetskatoen (voor de machinekamer).
dot, dot, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. kaledot, kalkedot en dotei.
dotei, dotei, (dot-aai), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Ei, waarin zich reeds een vogel begint te ontwikkelen. Ook elders in gebruik; VAN DALE vermeldt dodei, vuil ei. || Ei, ei dotei, allerhande eiertjes (begin van een kinderrijm). Hè, dat’s gemien om me met ’en dotei te gooien. ‒ Vgl. kaledot.
dra, dra, (bijwoord), Daarnaast drê. Zie de wdbb. || Zo drê as ik thuis kom, zel ik ’et doen.
draad, draad, dreed, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast dreed. Zie de wdbb. ‒ Zegsw. Daar is draad an, dat gaat vlug, met gang; b.v. als iemand snel voorbij stuift, als een steen met kracht door de lucht vliegt, enz. Ook hetz. als daar is doek an, dat duurt lang. ‒ Dat bennen lange drêden, daar is heel wat aan vast, daaraan is heel wat te doen. ‒ Als een trekpot langzaam giet, zegt men: Nou dat’s ook van dreedje kom-uit. (omdat de straal haast zo is als een draad). ‒ Vgl. de samenst. drummelsdraad.
draagdeel, draagdeel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meerv. draagdelen. Bij de pakhuizen en molens. Een stevig deel, die bij het lossen van zaad, enz. van het gangboord der schuit naar de wal, of van daar over schragen naar de ingang van het pakhuis wordt gelegd, en waaroverheen het zaad gedragen wordt. || 2 Schraagen, 2 stortdeelen, 1 draagdeel, Invent. oliemolen (O. Zaandam, a° 1809), Zaanl. Oudhk.
draai, draai, (zelfstandig naamwoord), m. ‒ 1) Draaiing. Zegsw. Zijn draai hebben, zijn zin hebben, genoeglijk bezig zijn. || Nou heb-je je draai, hè? Hij heb zijn draai, hoor (’t is geheel naar zijn zin afgelopen, of hij is met iets bezig, dat geheel met zijn zin overeenkomt). ‒ Bij de zeildoekweverij. In de draai, in bewerking; van het garen, waarvan het doek geweven wordt. Het garen is in de draai van het tijdstip af, dat het in het ziedhuis komt om gekookt te worden totdat het op zolder wordt gebracht om op kleur te worden uitgezocht. Met het opmaken van de balans wordt opgegeven, hoeveel garen er gereed is en hoeveel in de draai. || Hoeveel ketels heb-je nog in de draai (hoe groot is de hoeveelheid garen, die nog in bewerking is, garen voor hoeveel ketels ligt er nog op het veld te bleken, is er in de kuip, enz.)? 2) Draaibrug. Thans verouderd. || Eerstelijk soo is ... sijn versoeck geconsenteert om over de sloot agter sijn huys ... te moge leggen een brug, ofte wel een dray, soo wijt als de Wouder sluys en op die hooogte als de andere Bruggen ofte draye over deselve sloot. Hs. (a° 1727), archief v. Krommenie. Symon Nannings wordt geconsenteert aende dijck een dray te mogen leggen. Hs. (a° 1693), aldaar. (Wordt geordonneerd), dat de draye gelegen over de Gouw sulle moete wijt sijn 20 voet, item de draye over de Weerpatsloot gelegen sulle moete wijt sijn 17 voeten, Hs. keur (Oostzaanden, aº 1718), archief v. Zaandam. Een vryen perseel ackerlants gelegen in den ban van Westzanen recht beneven den draey vuyt, Hs. U. 137 (a° 1598), prov. archief, ‒ Op oude kaarten wordt een draai vermeld benoorden Krommenie bij de Wouden. Hiernaar zal genoemd zijn het geslacht OVER DE DRAY, dat in de vorige eeuw te Krommenie voorkomt. Een Cornelis Claesz. over de Dray wordt vermeld a° 1699 en 1708. ‒ Te Oostzaan is draai nog bekend als naam voor een brug die uit één enkele plank bestaat, welke om een pen draait. ‒ Ook in Friesl. en Groningen kent men draai in de zin van smalle draaibrug voor voetgangers. ‒ Vgl. Dreitje.
draaien, draaien, dreien, (zwak werkwoord), Vroeger ook dreien. Zie de wdbb. || De Prince wimpels weyen, zie Janmaat ’t hoedje dreyen, BUTTER. De Zaan 4. ‒ Vgl. draai, draaioor, draaischoen, Dreitje en aandraaien.
draaiertje, draaiertje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een wind, juist sterk genoeg om de molen draaiende te houden. || Er was vannacht niet veul wind: zo’n draaiertje.
draaioor, draaioor, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Iemand, waar men niet op aan kan. Synon. draaischoen; zie aldaar.
draaischoen, draaischoen, (draaiskoen), (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Iemand die alles verdraait, onbetrouwbaar persoon, huichelaar. || Och, ze is zo’n draaischoen. ‒ Vgl. draaioor.
drabbig, drabbig, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. ‒ Van personen. Onlekker, ongesteld. || Ben-je wat drabbig vandaag? ‒ Soms ook lui, traag. || ’t Is zo’n drabbige vent. ‒ Vgl. drabzak.
drachtig, drachtig, (bijvoeglijk naamwoord), Van molenwieken. Gelijk van dracht, evenwichtig zijnde. Is een der wieken te zwaar en de roede dus niet drachtig, dan loopt de molen moeilijk en kan alleen een sterke wind hem draaiende houden. || De molen loopt zwaar, we moeten ’em weer drachtig maken. Van buiten kan een wiek of twee niet drachtig staan, waar door de Windt ... haar niet doet snel omgaan. SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 151. ‒ Zie wandrachtig.
draf, draf, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie kippedraf en kwikkeldraf.
drafzak, drabzak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) In een oliemolen. De druipzak, waardoor men de olie filtreert, en waarin dus de drab achterblijft. 2) Een lummelige, logge vent, || ’t Is ’en drabzak van ’en kerel. Zo’n drabzak. ‒ Bij de 17de-eeuwse Hollanders komt in dezelfde zin voor drafzak. Vgl. b.v. BREDERO, Moortje 906 : ”O, dien oude draf-sack” Draf en drab zijn verwante woorden van gelijke betekenis. ‒ Vgl. ook drabbig.
drafzakkig, drabzakkig, (bijvoeglijk naamwoord), Lummelig, lijzig. Zie drabzak 2. || Loop niet zo drabzakkig. ‒ In Drechterland kent men drafzak als scheldnaam voor iemand die zeer lui is.
dragen, dragen, (sterk werkwoord), droeg, ’edroegen, Daarnaast soms nog drêgen. Zie de wdbb. || Wil-je me effies helpe drêgen? “Wat is daar an gelegen?” “Nou, de juffrouw moet de schoentjes zelf drêgen” (uit een kinderrijm), De Gids 1893, III 29. Den 17 Dito is Cees Loene overleden, den 20 Dito sijn vrouw en sijn agter malkander gedroege, Journ. Hoogeboom, April 1724.‒ Vgl. opdragen en draagdeel.
drager, drager, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. zakkedrager.
dral, dral, drel, (bijvoeglijk naamwoord), 1) Stijf gedraaid. || Dral garen. Een dral touw. 2) Als gedraaid; dus rond, stevig, vast, gedrongen. || Dat kind het zukke lekkere dralle billen. Een dralle jongen. ’t Is dral goed (van stevige, vette aal). ‒ Vandaar ook: Dat broekie zit dral (gespannen). Het waait flink, ’t zeil staat zo dral (bol, rond). ‒ Ook als geslachtsnaam DRAL. 3) Stijf, doch niet vast. || Die manchetten bennen dral. Hoe meer dat je roere, des te dralder wordt de pap. 4) Bol; van de wind. Nu verouderd. || S.W. wint met een dralle koelt. Journ. Gijsen, 8 Jan. 1682. Het woord is ook verderop in N.-Holl., in Friesl., Gron., Oost-Friesl., Nederd., Hoogd., enz. bekend; zie de wdbb. Het is verwant met drillen, draaien. In de Nederl. schrijftaal is het zeldzaam; OUDEMANS geeft alleen een voorbeeld van “dralle benen en kuiten” (VAN ELDERVELT, Hendrik en Pernille 14). ‒ Eertijds was in N.-Holl. ook de vorm drel in gebruik. || (Het wordt zomer:) De Boomen met haar Bloeyzel staan, de Jonge-luy we’er buyten gaan, ... de Erte -peulen worden drel, Maygift 46. Appelen, Peeren, Peulen drel, die haalt men daar, verstaat men wel, Hoorns Liedboek 108. ‒ Vgl. Gron. drel, stijf van de slaap (van oogleden), op drul.
dralte, dralte, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In de uitdr. in de dralte zitten, in de benauwdheid zitten. Vgl. dral. || Ze zat zo in de dralte; ze wist niet hoe ze er mee an most. ’t Was zo’n rommel: ’k zou net de boel wet oproden (opruimen) en deer kwam domenie; wet zat ik in de dralte!
drangwater, drangwater, (met hoofdtoon op drang), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Water, dat door de vloer naar boven dringt. || ’t Water staat zeker hoog, want we hebben last van drangwater in de kelder. Er komt drangwater door de vloer.
drank, drank, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. ‒ Ook spoeling, draf. In het bijzonder het zure vocht, dat bij de stijfselmakerij ontstaat en dat van de stijfsel, die zich in de kuipen gevormd heeft, wordt afgeschept. Drank is een zeer gewild veevoeder. Tegenwoordig worden echter ook de vaste bestanddelen uit de drank gehaald en tot koeken samengeperst. || Daar gaat een schuit met drank, die komt zeker van het stijfselhuis. Evenzo in Friesl. (HALBERTSMA 739). ‒ Vgl. drankbak, drankkuil, dranktafel.
drankbak, drankbak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de stijfselmakerij. De bak, waarheen de drank (afval van de stijfsel) wegvloeit. Zie drank.
drankkuil, drankkuil, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De kuil, waarin door de boeren de drank (spoeling) wordt bewaard. Zie drank.
dranktafel, dranktafel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de stijfselmakerij. De brede houten goot, waarlangs de drank (zie aldaar) langzaam afvloeit. Op de tafel blijven dan de stijseldelen achter, die later worden afgeschept.
drasbroek, drasbroek, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Sukkelige, logge vent. || Hè, wat is dat ’en drasbroek. Willem is zo’n komiek drasbroekie, ’t is net ’en meisie. ‒ Het woord is in de 17e- en 18de-eeuwse Holl. kluchten zeer gewoon; zie OUDEMANS 2, 141.
drebbel, drebbel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op hebbel.
dreef, dreef, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Klap, oorveeg. Alleen nog in de zegsw. een klap en drie dreven, as je meer hebben wille, dan zel ik je meer geven, als uitdaging tot een kloppartij.
dreet, drit, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Drek, mest. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. Het woord kom o.a. voor Handv. v. Ench. 197b (a° 1654). ‒ Drit behoort bij drijten, zijn gevoeg doen. Zie voor de verwante vormen in andere streken Mnl. Wdb. op dreet en drite. ‒ Vgl. kippedrit en dritten.
dreigen, dreigen, driegen, (draigǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Voornemens zijn, van plan zijn. || Vader dreigt na de Koog te gaan, maar as je niet lank werk hebbe, ken-je hem misschien nog wel effies spreken. Dreig-je gauw weerom te kommen? ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 2, 101). Dreigen in deze zin komt reeds in de Mnl. voor (Mnl. Wdb. II, 395) en in de 17de e. bij HOOFT (OUDEMANS, Wdb. op Hooft 79). ‒ Naast dreigen was vroeger ook driegen in gebruik. || “Hoe laat denkt gy (weer na huis) te gaan, wel te verstaan met wat schuit.”(Boer:) “Wel ik dagt merge vroeg maar na huis toe te loopen, maar het kan my zo veel niet schelen, om het selschop wil ik dan wel mee vaaren; driegt men Heer merge ook weer om, en met wat schuit?”, Vlugtende Banqueroetier 47. Evenzo ook bij HOOFT (OUDEMANS, Wdb. op Hooft 80). Tegenwoordig is driegen nog bekend in de Beemster, maar in de enigszins gewijzigde bet. van voornemens zijn, doch dat voornemen niet ten uitvoer brengen, dus dralen, talmen. || Men moet niet driegen maar doortasten, door lang te driegen gaat soms de beste gelegenheid verloren (BOUMAN 23). Leg maar niet te driegen (Navorscher 8, 89). Ook in Friesl. (Makkum) was driegje, voornemens zijn, in gebruik, en daarnaast in dezelfde zin ook drouwje (HALBERTSMA 736 en 757). Bij de 17de-eeuwse Amsterdammers is driegen in de gewone betekenis van dreigen zeer gewoon. || Ick bin veur gien driegen vervaert, BREDERO, Spa. Brab. 1838. Een gedriegt man leeft wel zeven jaar. Alle drieghers vechten niet, SPIEGHEL (ed. VLAMING), 283. Zie verder OUDEMANS, Wdb. op Bredero 92, Wdb. op Hooft 80.
Dreitje, Dreitje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land op de Koog. Thans onbekend. || Het Dreytje (a° 1735). ‒ Misschien hangt de naam samen met draai; zie aldaar.
drem, drems, (bijvoeglijk naamwoord), Hetz. als drem; zie op dram. || Met die dooi is alles drems (vochtig, nat aangeslagen; van muren, enz.).
drem, dram, drem, (bijvoeglijk naamwoord), Drukkend, broeiend; van het weer. Niet slechts in de zomer is het dram, maar ook bij koud, doch benauwend weer. Synon. drammig. || Wat is ’et dram weer vandaag, ’t is of de lucht op je hangt. ’t Was de hele dag al zo dram, ’t is geen wonder dat er onweer komt. ‒ In de Wormer zegt men drem, in de zin van vochtig, klam. || ’t Is overal zo drem in huis, alle muren ben nat (b.v. bij het intreden van dooi of bij broeiend weer). Synon. drems. In de Beemster kent men zowel dram als drem en heeft het woord beide betekenissen (BOUMAN 22). ‒ Soms gebruikt men dram en drammig ook in de zin van lui, loom. Synon. drabbig. || ’t Is zo’n dramme (drammige) vent. Dram, drem, is verwant met Mnl. dremmen, dringen, benauwen, waarbij ook bedremmelen hoort. Zie de wdbb. Elders kent men drammen in de zin van dwingen, drenzen van een kind (Friesl., Oost-Friesl., Nederduitsl. Gelderl.).
dremmig, drammig, (bijvoeglijk naamwoord), Hetz. als dram; zie aldaar. || Over dag zuk drammig weer en ’s avonds zo koel, dan krijg-je ’et net weg. ‒ Drammig is ook in het Ndd. bekend.
drempel, drempel, drumpel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast ook drumpel. Zie de wdbb. ‒ Men spreekt ook wel van onder- en bovendrempel, van een kozijn. In de algemene taal zegt men in deze samenstellingen -dorpel; zie de wdbb. || De stijlen en bovendrempels (van de raamkozijnen) zwaar 10 bij 12 duim, de onderdrempels zwaar 10 bij 15 duim, Bestek woonhuis (Wormerveer, 19de e.).
drensbalk, dransbalk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Huilebalk, schreiend kind. Zie dranzen. || Lillike dransbalk, hou je stil. ‒ “Dransbalk, potje kalk, driemaal om een oortje. Zet je potje op de sluis: morgen komt de dransbalk thuis” (scheldrijmpje).
drenzen, dranzen, drenzen, (zwak werkwoord, intransitief), Drenzen, dwingerig schreien; van kinderen. || Dat kind loopt altoos te dranzen. Drans nou niet langer, of je zel te bed. ‒ Dranzen is ook verderop in N.-Holl. en in Gron. gebruikelijk; drenzen komt gewestelijk ook elders in Holl. voor. Zie FRANCK op drenzen, en vgl. dransbalk.
Dreumelen, Dreumelen, (zelfstandig naamwoord), Naam van een sloot in het Westelijk deel van de ban van Jisp, uitkomende op de Rijper-vaart. || Een stuk weiland, gelegen langs de Wilde Vaart en Dreumelen.
dreutel, dreutel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Klein kind, dreumes. Ook bij VAN DALE en DE JAGER, Freq. 1, 81. || Een kleine dreutel. Wat ’en aardig dreuteltje. ‒ 2) Onhandig persoon, teut. || Hè, wat ben-je ’en dreutel, ken-je d
dreutelen, dreutelen, (zwak werkwoord, intransitief), Onhandig of dom bezig zijn. || Hoe ken-je zo dreutelen! ’t Is wel aardig zo’n klein kind zelf dreutelen te laten. ‒ Zie dreutel en vgl. dreutelig, gedreutel en voortdreutelen.
dreutelig, dreutelig, (bijvoeglijk naamwoord), Onhandig, onbevattelijk. Zie dreutel. || Ben-je altijd zo dreutelig? Zo’n dreutelige meid ken ik niet gebruiken.
drie, drie, (telwoord), vgl. zegsw. op staan.
drie-uierd, drieuurd, (bijvoeglijk naamwoord), Drie (goede) uren (spenen) hebbende; van een koe, die slechts uit drie van de vier spenen goede melk geeft. Zie uur. || Een drieuurde koe. ‒ Ook als zelfstandig naamwoord || ’t Is een drieuurd. ‒ Evenzo in Waterland (BOUMAN 23).
driebeen, driebeen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast driebien. Een stuk land, dat aan de ene zijde in drie evenwijdige tongen (benen) uitloopt. Zie been. || Hij het een van zijn stukken land verkocht, een driebeen. ’t Is ’en driebientje. Dirck Wulmsz. driebeen, Jan Ouwels driebien, Maatb. Assend. (a° 1634).
driegroot, driegroot, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere munt, ter waarde van drie groten, d.i. 7½ cent. De benaming is thans bijna verouderd. ‒ Synon. royaal. || ’t kost ’en driegroot.
Driehond, Driehond, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van land. Zie hond II.
Driekoeven, Driekoeven, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van land; zie koeven.
driel, driel, (bijvoeglijk naamwoord), Kregel, inwendig boos, driftig. || Ze sprak me maar aldoor tegen; ik wier (werd) op ’t lest toch zo driel! Ik ben er om in tien winkels ’eweest, maar ik kon ’et nergens krijgen; ik wier er zo driel om. Wat ben-je gauw driel. ‒ Waarschijnlijk behoort driel bij drielen, drîlen, bijvorm van drillen; zie drijlen. Drillen beduidt o.a. beven, trillen. De eigenlijke betekenis van driel zou dus kunnen zijn inwendig trillende van kwaadheid.
drielicht, drielicht, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie tweelicht.
Driemaad, Driemaad, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van land; zie maad.
dries, dres, (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)), Bouwland, dat braak ligt en zolang tot weide dient, meest voor paarden en schapen. || Stuur de peerden maar in de dres. ‒ Evenzo in Waterland en W.-Friesl. en, althans vroeger, ook in Kennemerland. || Voorts dat men geen Paerden sullen kuyeren op eenige Dijcken, ten waer dat hy daer Dresschen by hadde, op de boete van 3 stuyvers, (Akersloot, a° 1661), LAMS 481; zie ook 480, 482, 488. ‒ Vgl. ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669) 68, 33: “De goede Jan heeft twee Jaer geweest van huys, sijn landt leydt ter Dresch ... daer is niemant die sijn Acker wil bouwen ter noot.” ‒ Zie HADR. JUNIUS, Nomencl. 249b: “ager novalis, novale, vervactum. Al. brach acker so man das ein jar umb das ander seyhet, B. dreslant, lant dat dres leyt.” KIL. heeft: “dres, dres-land, Holl. j. dries” en “dries, dries-land, dres, dres-land, ager novalis, novale, vervactum; ager pascuus.” ‒ Dries is vooral in Z.-Nederl. nog een zeer algemeen woord. Zie de wdbb.
driestal, driestal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. ‒ Ook als naam van stukken land, die de driehoekige vorm van een driestal hebben. || Dat drystaltgen, Polderl. Assend. I f° 28 r° (a° 1599). Jan Cornelissen Coppen driestal, Jan Baerten de suyder (noorder) driestal, Maatb. Assend. (a° 1635). De driestall, Polderl. Kromm. (a° 1680) f° 18.
driewield, driewield, (bijvoeglijk naamwoord), Drie wielen hebbende; van voertuigen. || Een driewielde kar. ‒ Vgl. tweewield.
driewouts touw, driewouts touw, zie wout.
drift, drift, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie kippedrift.
drijfboom, drijfboom, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij vissers. Een der lange stokken (van 30 voet lengte), die dienen om het net open te houden bij het vissen met de kuil. Aan weerskanten van de schuit heeft men een drijfboom, waaraan het net is vastgemaakt; men laat de schuit drijven en het net wordt dan achteraan gesleept.
drijfnat, drijfnat, (bijvoeglijk naamwoord), Ook afgekort tot drijf. Druipnat, doornat. || Hij kwam drijfnat thuis. Ik was drijf. ‒ Ook elders gebruikelijk.
drijfschuit, drijfschuit, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie drijver.
drijlbak, drijlbak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De bak boven aan het drijlwiel, waarin de lege (klossen) worden bewaard. ‒ Zie drijlwiel.
drijlen, drijlen, (zwak werkwoord, transitief), Bij de zeildoekweverij. Het garen, waarvan de schering zal worden gemaakt, op klossen winden (Krommenie, Assendelft). || Is ’et garen al ’edrijld? Van nu voort aen (sal) sich niemandt vervorderen om savonds naer achten te mogen dreylen off scheeren ..., off sullen moeten hebben een behoorlijcke luchter off lantaren. Hs. keur (a° 1687), archief v. Krommenie. Item dat alle de hennipcloppers-molenaers, hekelaers, scheerders, drijlders, etc, ..., idem ook elken reeder die heekelen, drijlen ofte scheeren laet in sijn eygen huys, gehouden sullen wesen ... naer ’t luyden van de klok het werk absoluyt te staecken, Hs. keur (a° 1732), aldaar. ‒ Het Fr. kende drilje, trilje, in de zin van spoelen, spoelen opwinden; vgl. KIL. “drillen, trillen, Fris. j. spoelen, tramam rhombo glomerare, & duplicare fila, conglomerare fila.” Een der betekenissen van drillen is draaien. Zie de wdbb. Naast drillen nu heeft een bijvorm drîlen bestaan. In Mnl. Wdb. III, 407, is daarvan één bewijsplaats opgetekend. Dat die plaats juist is overgeleverd, en drilen niet maar een schrijffout is voor drillen, is bijna zeker, daar ook KIL. vermeldt: “drielen, j. drillen.” Met dit drîlen kan drijlen dus identisch zijn. ‒ Zie verder opdrijlen en de met drijl beginnende samenstellingen, en vgl. driel.
drijler, drijlder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand, wiens ambacht het is te drijlen. Zie drijlen.
drijlhok, drijlhok, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een hok of afgeschoten deel van een huis, waar gedrijld wordt. Zie drijlen.
drijlhuis, drijlhuis, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een huis, waarin gedrijld kan worden, en waarin zich dus een drijlwiel en een scheerraam bevinden. Zie drijlen. || Te koop een gebouw, ingericht tot drijlhuis.
drijlklos, drijlklos, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Klos, waarop men het garen windt, dat de schering voor het zeildoek moet geven. Zie drijlen. Is het garen opgedrijld, dan worden tien drijlklossen naast elkaar op het klossenrak geplaatst en de draad van daar naar het scheerraam geleid. Door dit rond te draaien wordt van de tien draden de schering gemaakt. || Hoeveul drijlklossen heb-je al klaar? Der zit ’en drijlklos in de hobbel (in de war). Een lege drijlklos.
drijlwiel, drijlwiel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het werktuig, waarmede men drijlt; een wiel, dat men ronddraait, en dat daardoor het over de haspel gehangen garen op de drijlklossen windt. Zie drijlen. Een soortgelijk wiel om te spoelen (de weefspoelen op te winden) heet spoelwiel.
drijten, dritten, (zwak werkwoord, intransitief), Zijn gevoeg doen. Zie drit.
drijts, drits, (zelfstandig naamwoord), In de uitdr, an de drits zijn, diarrhee hebben (Assendelft). Vgl. drit. ‒ Ook in het Stad-Fri.
drijven, drijven, (draivǝ), (sterk werkwoord), Zie de wdbb. ‒ 1) Transitief Zie een zegsw. op gepikt. 2) Intransitief Ook haastig lopen, voortsnellen. || Zeg ers, wat drijf jij er over heen? Hij drijft (holt) over de vloer. ‒ In het Mnl komt driven reeds in een dergelijke zin voor, b.v. Wal. 8466: “Die vos quam tote hem ghedreven (gesneld)”; zie Mnl. Wdb. II, 419. Bij de 17de-eeuwse Hollanders vindt men drijvende in de zin van in allerijl, plotseling, en naar het schijnt is dit hier en daar in N.-Holl. nog gebruikelijk; vgl. Taalgids 2, 101.
drijver, drijver, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast drijfschuit. Een soort van vissersvaartuig. Eigenlijk een schuit, die men met de stroom laat meedrijven. || Zy bequamen een Visschers Schuit, die wy Drijvers noemen, en ... op het Ye veel uit visschen voeren, SOETEBOOM, S. Arc. 573. Als hy nu in de Drijver was, leiden se de riemen in, lieten de Schuit met de vloedt te rugge drijven, ald. 574. ‒ Ook elders in Holl. worden drijvers bij de visserij gebruikt, b.v. bij de zalmvangst.
dril, dril, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. ‒ Een dril hebben, zenuwachtige haast aan de dag leggen. || Wat heb-je weer ’en dril, je zelle vast wel op tijd an de trein wezen. Ze zit nooit ers rustig bij je, ze het altijd zo’n dril. ‒ Vgl. driel, en zie de samenst. poepedril.
driller, drilder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Harde wind. || ’t Is ’en ouwerwisse (ouderwetse) drilder vandaag. Wat ’en drilder! ‒ Misschien een wind, die alles doet schudden en trillen.
drinken, drinken, (sterk werkwoord), zie zegsw. op gieter en vgl. drank.
drip, drip, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zeker onkruid, dat veel in granen voorkomt; een grassoort, Lat. Bromus (OUDEMANS 3, 279 vlg.; VAN HALL, Landh. Flora 262). ‒ In verkl. drippie, een dripzaadje. || Er zit veul drip in dat lijnzaad. Zeef de drip ers uit de garst. ’t Was of de muizen de drippies uit de lijnkoeken vandaan zochten. ‒ In Twente heet de plant drep of dreps, in het Mhd. trefs, trëfse, Hoogd. trespe. Elders in ons land heet dit gewas ook dravik en draverik. ‒ Vgl. dripkoek, dripzeef.
dripkoek, dripkoek, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Lijnkoek, gemaakt van zaad, waar veel drip in zit. Zie drip. || Er wazzen veul muizen in de schuur, maar ze zatten alleen an de dripkoeken; de beste lijnkoeken lieten ze staan.
dripzeef, dripzeef, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zeef om de drip uit het zaad te ziften. || Twee drip-zeven, Invent. pelmolen (a° 1793), Zaanl. Oudhk.
droger, droger, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie poldroger.
drol, drol, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Daarnaast droel. Iemand die onhandig en onbevattelijk is, dreutel, teut. || Daar laat me die drol alles uit ’r handen vallen. ’t Is toch zo’n droel, niks doet ze goed. Je bennen ’en droel, dat je dat niet eens begrijpe. ‒ Het woord is één met Ned. drol; vgl. een dergelijke overgang van betekenis bij Ned. dreutel, enz. De verwante woorden komen in allerlei uiteenlopende opvattingen voor; zie de wdbb. ‒ Vgl. drollen, drollig, drul.
drol, droel, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Hetz. als drol; zie aldaar. ‒ Evenzo in het Stad-Fri.
drolbaars, drolbaars, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Schertsend voor in de sloot drijvende faecalién.
drollen, drollen, droelen, (zwak werkwoord, intransitief), Daarnaast droelen. Onhandig bezig zijn, onnozel zijn, dreutelen. Zie drol. || Och meid, droel niet zo. Wat ben ik nou an ’t drollen, ik gaan uit om ’en doek te halen en nou kom ik an mit ’en naaldekoker. Och moeder, wat ben-je an ’t drollen, daar hebben we ’t ommers niet over. Wanneer een fris en jeugdig Kindt het praten leeren eerst begint, soo heeft zijn praten weynig val ...; het drolt en praet, men weet niet wat, ja ’t praet dat naeuw’ zijn Moeder vat, SCHAAP, Bloemt. 135.
drollig, drollig, droelig, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Daarnaast droelig. Handelende als een drol (droel), dreutelig, onnozel. Zie drol. || ’t Is toch zo’n droelige vent. Wat heb-je dat weer droelig ’edaan. Dies of ik al wat drollig schrijf, en juyst niet in de maet en blijf, en hou al vry een Boersche stijl, ... soo neemt ’et echter in het goed’, SCHAAP, Bloemt. 136.
dromdraad, drummelsdraad, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast drumdreed. Bij de zeildoekweverij. Een der draden van het overschietende eind van de schering, dat, als het geweef klaar is, wordt afgesneden. De drummeldraden zijn ruim een halve el lang en worden door de wever gebruikt om gebroken draden te herstellen. || Heb-je assieblief ’en drummeldreedje voor me: ’et touwtje van mijn pijlenboog is stukkend. ‒ Ook elders bij wevers gewoon; vgl. de wdbb. op drom, dreum en dreumel.
drommel, drommel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Duivel. Zie de wdbb. ‒Drommels op ’en ...; de drommel op ’en ... || Dat scheelt de drommel op ’en end (dat scheelt een drommels eind, een heel stuk). Je heb er drommels op ’en gemak van, as er vertrouwd volk bij ’et inladen is (je hebt er drommels veel gemak van ...). ‒ De uitdr. is niet duidelijk en wellicht door analogie vervormd. Vgl. Fri.: it is ien dîwelommen pine, ien dealeommen jild, ien dikerdommen fjild, een duivelse pijn, drommels veel geld, een zeer groot veld, ien hontommen ein’, een verbazend eind (HALBERTSMA 671). ‒ In navolging van drommels op is men drommels door een soortgelijk woord vervangende, ook gaan zeggen: Wat heb-je verbazend op ’en kennissen (verbazend veel kennissen). ’k Heb er deksels op ’en schik ’ehad (duivekaters veel pleizier). ‒ Vgl. ook: dik-op (b.v.: wij krijgen dik-op regen) en vol-op, overvloedig.
droog, droog, (bijvoeglijk naamwoord), vgl. droge bokking op bokking. ‒ Zegsw. Zo droog as bien, zeer droog.
droogpruim, droogpruimer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Vervelende saaie vent. || Wat ’en droogpruimer. ‒ Evenzo elders in Holl., Utrecht, Overijsel; vgl. HALBERTSMA 758.
droogte, droogt, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Met de gewone N.-Holl. afkorting voor droogte. || Het gras het van de zomer toch zo’n last van de droogt.
droop, droop, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een ontsteking van de uier van melkkoeien en andere zoogdieren, waardoor de inwendige delen tot knobbels samentrekken; meestal een gevolg van het vatten van koude, soms ook van verkeerd melken. || De bonte koe heb de droop in ’et jaar (uier). ‒ Ook als naam van een zekere ziekte van kraamvrouwen. || Ze heb de droop ’ehad, toe ze drie weken oud-kraams was. ‒ Zegsw. De droop in zijn ellebogen hebben, aan een ingebeelde ziekte lijden. ‒ Evenzo verderop in N.-Holl. (BOUMAN 23) en in Friesl. (HALBERTSMA 756).
Droost, Droost, (zelfstandig naamwoord), Naam van een stuk land bij O. Knollendam. || De kleine Droost.
drop, drop, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie pijpjesdrop.
drubben, drubben, (zwak werkwoord, intransitief), Het hoofd laten hangen, bij de pakken neerzitten, druilen. Meestal in verbinding met zitten. || Hij zit maar al te drubben, nou zen vrouw dood is. Wat is er mit jou, dat je zo zitte te drubben?
druif, druif, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. De druiven bennen rijp; gezegd als de knopen van een jas of broek er bij bengelen, er bijna afvallen. ‒ Dat is een druifie, dat is een buitenkansie. In dezelfde zin ook: Wel, dat is de druif in mijn mond, zei de smid en hij verkocht een treeft. ‒ Druif van iets hebben, met lust en ijver ergens aan bezig zijn.
druil, drul, druil, (bijvoeglijk naamwoord), Druilig, slaperig, waterig en gezwollen; van de ogen, vooral ten gevolge van verkoudheid. || Je hoeve (behoeft) niet te vragen of ze verkouwen is: wat staan der ogen drul. Zijn ogen stonden zo drul. Wat kijk-je drul. Wat zien-je der drul uit, heb-je slecht ’eslapen? ‒ Evenzo verderop in N.-Holl. Vgl. ook May-gift 33: “Ziet hoe drul de Leeuw’rik staat, als ’t niet na haar zin en gaat”. ‒ Molema 88 vermeldt drel, stijf van de slaap (van oogleden); vgl. dral. ‒ Zie drol en vgl. Ned. druilen. ‒ Daarnaast ook druil. || Zen ogen staan druil van verkouwenis.
druipbak, druipbak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een oliemolen. De houten bak of goot onder de druipzak, waarin de gezifte olie druipt.
druipen, druipen, (sterk werkwoord), zie zegsw. op schotel. ‒ Bij het knikkeren. Twee knikkers tegelijk van een zekere hoogte naar beneden laten vallen. Deze rollen dan meestal ver van elkaar en de medespeler zegt in hoeveel schoten hij de ene knikker met de andere zal raken en wint indien hem dit gelukt. Vgl. BEETS, Na vijftig Jaar 183. ‒ Bij timmerlieden het tegenovergestelde van kippen; zie aldaar.
druipsester, druipsester, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een oliemolen. De sester, waarin de gezifte olie loopt uit de druipbak. Zie sester.
druipsluipend, druipsluipend, (bijvoeglijk naamwoord), Sluipende, behoedzaam lopende om niet bemerkt te worden. || Druipsluipend liep-i ’et raam voorbij. Wat kom jij daar druipsluipend an?
druipzak, druipzak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In een oliemolen. De zak van zeildoek, waarin de olie gegoten wordt om gefiltreerd te worden en waarin dan het dik achter blijft. ‒ Synon. drabzak.
druistig, druistig, druisig, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast druisig. Onbesuisd; van personen. || Wees niet zo druistig, je gooie de boel nog van tafel. ’t Is ’en handige meid, ze is alleen wat druistig. Wat ben-je toch ’en druisige jongen! ‒ Druistig komt in het Mnl. voor in de zin van onstuimig, geweldig; b.v. drustighe tiran, een seer druystighe becoringe (Mnl. Wbd. II, 447). Bij de 17e-eeuwse Hollanders vindt men het in de zin van onbesuisd; zie OUDEMANS. Wdb. op Bredero 95; DE JAGER, Freq. 1, 89. Het woord is afgeleid van het verouderde druist, kracht geweld, aandrang, vaart; zie Mnl. Wdb. op druust. ‒ Vgl. druistigheid.
druistigheid, druistigheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast ook druisigheid. Onbesuisdheid. Zie druistig. || Daar loop-je me in je druistigheid de theeketel onderste-boven. Ze het me mit ’er druisigheid al heel wat borden ’ebroken. ‒ Ook druistigheid is in de oudere taal zeer bekend; zie Mnl. Wdb. II, 447, OUDEMANS, Wdb. op Bredero 95.
druk, druk, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Dat is net zijn druk, dat is juist wat hem past, wat bij hem behoort. ‒ Oorspronkelijk wel van de druk (van de Bijbel), die voor iemands ogen de geschikte was? || Die knecht is net zijn druk. As dat ok je druk niet is, dan moet je die meid maar weer gaan laten.
druk, drok, druk, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Druk. Zie de wdbb. ‒ Zegsw. Maak je niet drok, het kind is er, maak geen onnodige drukte. ‒ Hij heb ’t zo drok as de schout van ’et dorp, en die had één koe. ‒ In verkl. als zelfstandig naamwoord drokkie, drukkie, drukte. || Wat ’en drokkie (wat een onnodige drukte). Wat het-i weer ’en drokkie. Nou, heb maar zo’n drokkie niet. ‒ Ook: Maak geen drukkie (maak geen ruzie).
drukslees, drokslees, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Een druk en levendig persoon, druktemaker, levenmaker, wildebras. || Trijn is ’en drokslees, ze brengt de rest altijd an de gang. Wat ben-je toch ’en drokslees. ‒ Drokslees is misschien samengesteld met sleeds, slede. Vgl. droksteven.
druksteven, droksteven, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Hetz. als drokslees; zie aldaar. || ’t Is zo’n droksteven. Jan is ’en aardige jongen, maar ’t is me ’en droksteven. ‒ Vgl. voor de vorming Fri. babbelskute, roffelskute, babbelkous (HALBERTSMA 141).
drukte, drokte, drukte, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Drukte. ‒ Zegsw. koude drokte, overdrijving, onnodige bedrijvigheid. || Heb maar niet zo’n kouwe drokte. ‒ In dezelfde zin ook kouwe drokte met lawaaisaus; vgl. lawaaisaus.
drup, drop, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op hop II en vgl. ozendrop.
dubbel, dubbel, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast dubbeld, en eertijds ook dobbel. Zie de wdbb ‒ Dubbelde-bloot, dubbelde-krentebol, bij het domineren; zie op bloot, krentebol. ‒ De Dubbelde buurt (op de Koog, te Westzaan en te Wormerveer), dat gedeelte van het dorp, waar aan weerskanten van de weg huizen zijn gebouwd. || Hij woont in (of op) de dubbelde buurt. Evenzo in andere N.-Holl. dorpen. ‒ Vgl. Dobbelkamp.
dubbeltjesdikkertje, dubbeltjesdikkertje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een koek van een dubbeltje. Zie dikker.
dubbeltjespondje, dubbeltjespondje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Dubbeltjesdikkertje, een pondskoek van een dubbeltje. || Haal maar ’en dubbeltjespondje.
duig, duig, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De hoeveelheid hooi of stro, die te gelijk aan het vee wordt toegediend. Men bezigt het woord, onverschillig of het hooi daarbij aan een vork gestoken, in een mand gepakt of in de arm genomen wordt. || Voor ik na bed gaan geef ik de koeien nog ’en goeie duig (vork met hooi). Wanneer krijgen ze de leste duig? Ik zel ze nog maar ’en duichie geven. Een grote en een kleine duig. De eerste en de tweede duig. Een middag- en avendduig. ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 23) en in Gelderland (Navorscher 9, 27).
duikelaar, duikelaar, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast ook duiker. Zekere plant. Lisdodde. Zie duul. De bloem wordt door de jongens afgeplukt en te water gegooid; hij duikt dan onder en komt na een poos, met de steel boven, weer aan de oppervlakte. De naam is ontleend aan dit duikelen. Vgl. domp II.
Duikelsloot, Duikelsloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Deukelsloot.
duiker, duiker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. ‒ Ook zeker soort van brosse spijkers; spijkers met kleine koppen, die dus geheel in het hout wegduiken. Men heeft ¼ ponds, ½ ponds, 1, 2 en 6 ponds duikers. Zwaardere soorten noemt men gewoonlijk lasijzers. Vgl. verder op spijker. || 2200 4 ponds Schotspijkers, 450 10 ponds Duikers, 1075 6 ponds taaye Nagels, Invent. molenmakerij (a° 1846), Zaanl. Oudhk. ‒ Ook als naam van stukken land, die dikwijls onder water staan. || De duikertjes (land in de polder het Woud). ‒ Vgl. duikelaar en kroosduiker.
duikersdoodje, duikersdoodje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Alleen in de zegsw.: Dat zel ’en duikersdoodje wezen, as ’et goed ofloopt, het is een kleine kans, dat het goed gaat (Krommenie, Koog). Dat is ’ok en duikersdoodje, ’t is een onverwacht buitenkansje (Westzaan). ‒ Vgl. Fri. dat giet op ien dîwelsdea âf, Stad-Fri. (dat gaat op ’n duwelsdoodje of; hy weaget it op ’n düwelsdootje oaf; gezegd van iemand die zich moedwillig aan doodsgevaar blootstelt (HALBERTSMA 66 en 99). Wie zich aan zelfmoord schuldig maakt valt in handen van de duivel. Begeeft men zich moedwillig in doodsgevaar en sterft men, dan behoort men ook aan de boze. Wie dit doet waagt het dus op een duivelsdoodje af. ‒ Toen de uitdrukking niet meer goed begrepen werd, kon men dit duikersdoodje licht gaan opvatten in de zin van een groot gevaar, waaraan men ternauwernood kan ontsnappen, en deze betekenis raakt aan die van de tegenwoordige Zaanse uitdrukking.
duil, duul, duil, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast in officiele stukken duil. Meestal in het meerv. dulen. Zeker rietachtig gewas. Lisdodde, Lat. Typha (OUDEMANS, Flora 3, 127; VAN HALL, Landh. Flora 221). Synon. domp, duikelaar, duiker. De bloemaren heten ook pluimen of sigaren. || Het dijkhooi is niet erg mooi, er zitten veels te veel dulen in. En sal daer niemant ... Duylen mogen halen uyt een anders Riet of Rietlant, sonder konsent van den Eygenaer, opte boeten van vijf stuyvers, de Ouders voor de Kinderen (Keur v. Oostzaanden, a° 1644), LAMS 723. ‒Evenzo in Kennemerland. || (Wert verboden) sonder consent van den Eygenaer ... enige Duelen en Rietspieren te plucken, Keuren v. Beverwijk 12, n° 28 (a° 1700). Te Edam spreekt men van rietduilen. ‒ Ook in Friesl. en Oost-Friesl. draagt de plant deze naam (HALBERTSMA 775; KOOLMAN 1, 357). In het N. van N.-Holl. (Schagen) en in Overijsel zegt men dullen. Te Oud-Beierland zijn dielen biezen. 2) Aaldobber. Zo genoemd, omdat dit visgerei van dulen of biezen gevlochten wordt. Vgl. dobber. || Ben de dulen al in de schuit? Geef ers ’en duul an.
duil, duil, (zelfstandig naamwoord), Deuk. Alleen in de allitterende uitdr. vol deuken en duilen (de Wormer). || Die hoed zit vol deuken en duilen. De koperen ketel is vol deuken en duilen, ‒ Vgl. Oost-Fri. döle, grube, vertiefung, dölke, grübchen (dat kind hed dölkes in d’ wang’), een bijvorm van dole, dolle, niedrung, senkung, graben, grube (KOOLMAN 1, 310). ‒ Vgl. dule.
duim, duim, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Ergens de duim tussen zetten, zorgen dat iets niet gebeurt. || Ze ben van plan om die schreeuwer in de raad te kiezen, maar we moeten er de duim tussen zetten. ‒ Gaan maar op je duim zitten; tot een kind gezegd, als er geen stoelen meer vrij zijn. Evenzo in het Stad-Fri. ‒ Men zegt ook (tot kinderen als er geen stoelen meer zijn): Zet je duim in je gat, dan heb-je ’en stoel met ’en kruk. ‒ In verkl. duimpie. Een soort van gebak, dat alleen tegen St-Nicolaas verkrijgbaar is. Langwerpige hardgebakken stukjes koekdeeg, in vorm en grootte overeenkomende met een gestrekte duim. Aan de kinderen wordt verteld dat het de afgehakte duimen van ondeugende kinderen zijn. || Sintereklaas heb peperneuten en duimpies ’estrooid. ‒ Zo ook elders.
duimavegaar, duimauweger, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie op sluitauweger.
duimelen, dummelen, duimelen, (zwak werkwoord, transitief), Kreukelen, vol kleine kreuken maken. || Wat dummel je dat goed, blijf er of mit je handen. ‒ Dummelen is een bijvorm van duimelen (vgl. krummel naast kruimel) en beduidt eigenlijk met de duim betasten. In de 17de en 18de e. komt het woord herhaaldelijk voor, ook in de bijvorm deumelen; zie DE JAGER, Freq. I, 97 vlgg. In het Ned. heeft beduimelen de betekenis van bezoedelen, bevlekken aangenomen. Dummelen heeft deze bijbetekenis niet.
duimeling, duimeling, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. ‒ Op een binnenvaartuig. De haakring, waar het roer met de hangers in hangt.
duinmeier, duinmaaier, duinmeier, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Duinmeier, duinopzichter. Nog bekend als de naam van een molen te Westzaan en te Koog, de Duinmaaier, doch overigens verouderd. || Want na dat het Krijgsvolk van desen Staet, van Spanje en de andere Bontgenooten ten meestendeele, desgelijks de Franse ten meestendeele (niet alle terwijlen sy nu best hasen konden jagen, alsoo de Duynmaayers na huys getrokken waren, en daer mede noch eenig wildt op deden, welke vermoeden was door fretten geschied te zijn) het veld verlaten en in de Winterlegering trokken, moeten wy noch yets van wegens den Keurvorst .. seggen, SOEETEBOOM, Ned. Schout. 647. ‒ Vgl. OUDEMANS, Wdb. op Hooft 83. In de vorige eeuw schijnen in Kennemerland ook zij, die duinen in pacht hadden, duinmeiers te hebben geheten. Hs. Kool vermeldt althans: duinmeier, huurder van duinen.
duit, duit, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie zegsw. op gek, plecht.
duitsdoosje, duitsdoosje, (doisdosie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een doosje, dat een duit kost; dus een heel klein. Alleen in de zegsw. hij ken wel in ’en duitsdosie; gezegd van iemand, die erg in de benauwdheid zit, die in elkaar krimpt van angst.
duivel, duivel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast duvel. ‒ Zegsw. De duivel met zijn grootje, alles en alles, van alles en nog wat. || De duvel met zijn grootje zit er in (in een kast, lade, enz.) ‒ Men zegt ook: de duvel met zen ouwe moer voor alles en nog wat. ‒ Dat is nou de zak, daar de duvel zijn kop in stak; gezegde om iemand af te schepen, die uit nieuwsgierigheid vraagt naar dingen, die hem niet aangaan. ‒ Ook wel bij het deurtje-schel doen. De meid doet open en vraagt: “Wat is er?” “Mag ik de zak?” “Welke zak?” “Nou, die daar de duvel zijn kop in stak”, waarop de plager hard wegloopt, ‒ Onder Wormer ligt een lange smalle akker, die genoemd wordt de Staart van de duvel. Vgl. hiermede Vierige Staert, als naam van een dijkje onder Purmerland, Kaart v. d. Uytw. Sl. 8.
duiveljager, duiveljager, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zeker soort van schaaf om versierde kanten aan balken te schaven, zogenaamde halve schaaf. Vgl. KUYPER, Technol. 1, 740.
duivellsstaart, duivelsstaart, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie op ik-man.
Duivelskwaad, Duivelskwaad, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een slecht stuk land, vol onkruid, te Wormer. || Duyvelsquaat, Hs. (18de e.), archief v. Wormer. ‒ Daarbij ligt een ander stuk: het Riet van Duivelskwaad.
duivelssterk, duivelssterk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zekere blauwe (of bruine) wollen of half-katoenen stof. Van duivelssterk worden borstrokken en onderbroeken gemaakt. Dit goed wordt zo genoemd, omdat het zeer sterk is.
Duizendroed, Duizendroed, (zelfstandig naamwoord), Naam van een stuk land; zie roed.
dun, dun, (bijvoeglijk naamwoord), Zegsw. Dat zel je dun deur je lijf lopen, daar zult ge niet veel van krijgen. Ook elders gebruikelijk.
duren, duren, (zwak werkwoord), vgl. geduur.
Durgsloot, Durgsloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Durksloot.
Durksloot, Durksloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast vroeger Durgsloot. Naam van twee brede sloten te Krommenie: de Noorder en de Zuider Durksloot.|| Een stucke lants ... lendens aen tnoordt de wedue van Pieter van Hoorn, aen toost den Durch sloot (a° 1592); een stucke lants ghenaempt tlandt op den durch sloot (a° 1592); zijn huis ende erf ... belent ... aent suyt den durcksloet (a° 1597), Hs. U. 137, prov. archief. De Noorder Durghsloot. Hs (a° 1687), archief v. Krommenie. Suyder en noorder durkslooten, Hs. (a° 1723), archief v. Wormerveer. ‒ De naam komt ook in Waterland voor. || De Henste Durksloot (onder Landsmeer bij Watergang, a° 1685), Keuren v. Waterl. 56.
durven, durven, deuren, (onregelmatig werkwoord), Vervoeging. Tegenw. tijd, ik durf, jij durve, hij durft, we durve, jollie durve, ze (zollie) durve. Verl. tijd, ik dorst, je dorste, hij dorst, we, jollie, ze dorste. Verl. deelw. ’edorst of ’edurft. In het begin van de 19de eeuw moet in de tegenw. tijd nog gebruikelijk zijn geweest deuren; vgl. Karaktersch. 331. Thans is deze vorm verouderd. Volgens De Nederl. Taal 6, 209, zegt men echter in W.-Friesl. nog: Ik deur het niet an. Ook in het Stad-Fr. is deure in gebruik (HALBERTSMA 596), b.v.: “Deure jou dat te doen?” Zie verder Mnl. Wdb. op dorren; HALBERTSMA op doare, dore; MOLEMA op duren; KOOLMAN op düren, enz.
dutreis, dutreis, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Vergeefse tocht. || ’k Heb ’en dutreis ’emaakt, er was niemand thuis. “Ben-je klaar ’ekommen?” “Nee, ’t is ’en dutreis ’eweest; ik kon nergens geen bijpassend lint krijgen.” (Sijn Czaarse Majesteit wilde zich niet vertoonen) en duysenden van menschen deeden alsoo een dutreys, Journ. Nomen. ‒ Een dutreis zal zijn een reis, waarbij men voor dut loopt; vgl. ons voor gek laten lopen. Dut, dodde, dotskop, dutoor, enz. komen voor in de zin van domkop, dwaas, onnozel bloed. Dutten en doten is ook gek zijn (Mnl. Wdb. II, 365 en 477; KIL). Vgl. voorts ons in de dut laten en uit de dut helpen en bedotten, bedutten, in verwarring brengen, voor de gek houden, enz. Zie verder verwante woorden Navorscher 39, 659 vlg.
Dutske, Dutske, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land in de polder Westzaan. || Dat Dutske, Polderl. Westz. III f° 80 r° (a° 1644). ‒ Waarschijnlijk is dit hetzelfde stuk, dat thans bekend staat onder de naam van Dutskorrel. ‒ Omtrent de oorsprong valt niets met zekerheid te zeggen.
Dutskorrel, Dutskorrel, (zelfstandig naamwoord), zie Dutske.
duw, douw, duw, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Duw. Zie douwen. || Geef ’em maar ’en douw. Het ken wel teugen ’en douwtje. ‒ Evenzo elders in Holl.
duwen, douwen, duwen, (zwak werkwoord), Duwen. Zie de wdbb. || Je moete niet zo douwen. || Formule, haastig uitgesproken als iemand iets vindt en zich het gevondene wil toeëigenen: Vind, houd, zakkie ’douwd, ik vind, ik houd, (’t wordt in mijn) zakje gedouwd. ‒ Vgl. douw, douwvloot, uitdouwing.
duwvloot, douwvloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de kaasmakerij. Het vlakke, houten bakje, waarin de kaas geplaatst wordt, wanneer zij met de hand wordt geperst. Alsdan wordt er met de hand op de opvolger gedouwd (geduwd). Geschiedt het persen onder de pers, dan staan de kaaskoppen op een ander soort van bakken, die persvloten worden genoemd.
dwars, dors, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Dwars. Thans bijna geheel door Ned. dwars verdrongen. Als zelfstandig naamwoord is dors echter nog algemeen in gebruik. Een dors is een dwarssloot, die de verbinding vormt tussen enige parallel lopende hoofdsloten. Het woord is onzijdig, doch heeft onder invloed van het daarnaast gebruikelijke dorssloot ook het vrouwelijk geslacht aangenomen, dat thans het gewone is. Het aantal dorsen is in de waterrijke Zaanstreek zeer talrijk. Naast dors en dorssloot vindt men in geschriften soms dwars en dwarssloot. || De dors van de molen het Hart (te O. Zaandam). De Duinmaaiersdors (dors bij de molen de Duinmaaier, te O. Zaandam). De dors bij de Paap (molen op de Koog). De Wijdewormer-dors. De Zoetelaarssdors (onder Oostzaan). De Welpotsdors (te Wormer). Papendors (te Zaandijk), de lange dors (te Zaandijk en te Oostzaan), Dorssloot (te Jisp), Kaart v.d. Uytw. Sl. 12. Recht oestwaert uut ten halver dorssloet toe, Hs. T. 118, f° 30 r° (Westzaanden, aº 1653), prov. archief. Mits (zij) een vrije vaart door de dorssloot van Stickelpadt sulle hebbe, en dat alle 3 oft 4 jare de geheele sloot en ’t dors sall moete opgediept werden, Hs. (W. Zaandam, a° 1705), Zaanl. Oudhk. Schout en Schepenen ... ordonneren ... dat alle de Slooten beoosten de weg ..., als meede alles dwarsen of dwarsslooten aldaar sijnde, zullen moeten worden gesuyverd van allerlei Kroosen, Flappen, Rieden en Ruygten, Handv. v. Assend. verv. 514 (a° 1772). ‒ Dors is met dwors een bijvorm van dwers, dwars. Zie overdors en vgl. dwors.
dwars, dwors, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Bijvorm van dwars; naar het schijnt thans in onbruik. Vgl: dzelve dworsackertgen (in ’t Lange-Laander-weer te Assendelft), Stoelb. Assend. f° 24 v° (einde 16de. e.), en zie dors.
dwars, dwars, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord en zelfstandig naamwoord), zie dors, dwors, overdwors, en vgl. dweer.
dwarsfluit, dwarsfluit, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie zegsw. op perkament.
dwarsig, dwarsig, (bijvoeglijk naamwoord), Dwars. || ’t Lillikst is, dat er hierzo an ’t zij van de rok ’en dwarsige plooi zit.
dwarsklamp, dwarsklamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij timmerlieden. Benaming voor de klampen of belegstukken, die langs de boven- en onderzijde van een paneeldeur worden aangebracht. Vgl. langsklamp.
dwarssloot, dwarssloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie dors.
dwarsweer, dwarsweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een weer, dat dwars ligt. Zie weer. || Noch een dwersweer in Aerjaen Jansz-weer, Polderl. Oostz. I (17de e.).
dwarswiep, dwarswiep, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie wiep.
dweer, dweer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Dwarrelwind, wervelwind. || Hè, wat ’en dweer, ’t stof vliegt om je oren. Dweren ben met ’et hooien lastig, maar lang zo erg niet als hozen. ‒ Vaak ook in vergelijkingen: Ze vloog as ’en dweer voorbij, maar ik heb nog net ’en vleug van der ’ezien. Die meid is net zo’n dweer: zó staat ze bij je en as je omziene is ze al weer weg. ‒ Evenzo in N.-Holl. (BOUWMAN 24). Vgl. Fri. twierre, twierre-wyn, dwarrelwind, wervelwind (WASSENBERGH 190; EPKEMA 504), Mnd. dwerwind en dwere wind (LÜBBEN 1, 615), Oost-Fri. en Ndd. dweer (dwars) en dwärwind (KOOLMAN 1, 371 en 373), en zie Tijdschrift 4, 214 vlgg.
dweil, dweil, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zwabber, een bos wollen lappen aan een stok, waarmee schepen en walletjes worden afgedaan. Het woord wordt in betekenis van feil onderscheiden. Zie verder de wdbb.
echt, echt, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), 1) Waarlijk, || Is ’t echt waar (werkelijk waar)? ’t Is echt hoor, ’k heb ’et zelf ’ezien. Heb-je der echt ’eweest (heus geweest)? ‒ 2) Goed, prettig. || Wat ’s dat ’en echte tuin (pleizierige tuin). ’t Is zok (zulk) echt glad papier (heerlijk glad). Hé, dat’s echt (dat verdien je; als iemand zich door eigen schuld, tot vreugde van zijn makkers, iets onaangenaams op de hals haalt).
echter, efter, echter, (zelfstandig naamwoord), Alleen in de zegsw. op een efter, op een andere keer. || Nou niet, maar op ’en efter. Op ’en efter zel ’et wel beter gaan. As je op ’en echter weer bij me komme, doen je dan de poort goed dicht? ‒ Evenzo Fri. op ien efter, later (HALBERTSMA 857). Volgens Taal- en Letterb. 2, 64, betekent efter op Marken voortaan, in ’t vervolg. ‒ Efter, echter in de zin van later, daarna, is in de Middeleeuwen en in de 17de e. zeer gewoon; zie de wdbb. De tegenwoordige betekenis van het woord is nieuw en wordt nog niet door KIL. opgegeven.
edel, eel, (bijvoeglijk naamwoord), Edel; in het bijzonder van groente en ander voedsel: fijn, sappig. || Wat bennen die doppertjes eel vandaag. Ik heb toch zukke ele tuinboontjes. Mijn Vader kocht eens eene Kaas, … hij wou er een wat vet en eel, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 144.
edik, eek, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Azijn. || Doen wat meer eek op de sla. Die eek is niks zuur. Hij kijkt zo zuur, of-i de eek in pacht het. ‒ Evenzo elders in Holl. Eek komt reeds in het Mnl. en bij KIL. voor en is een samentrekking van edik. Zie de wdbb.
Eefje, Iefje, (Iefie), vrouwennaam. Zegsw. Iefie en Aafie, van alles en nog wat. || Der leit Iefie en Aafie in die laad (lade). Je ken in die winkel van Iefie en Aafie krijgen. “Wat zit er in die kas?” “Och, Iefie en Aafie.” Mijn hemel! Iefie en Aafie heb-je ok nodig (je hebt ook zoveel noten op je zang). Daar heb-je Iefie en Aafie, zoek nou maar uit wat je bruiken kenne (kunt). Evenzo in de Beemster (BOUMAN 46). – In Friesl. zegt men Iefke voor Eva. Misschien is dus ook Iefje een bijvorm van Eefje, al wordt het tegenwoordig als zodanig niet meer herkend. Aan de Zaan is echter ook in gebruik de mansnaam IJf, vanwaar de geslachtsnaam YFF. In Friesl. heeft men nog de namen Ivo, Ibo, Ibe, Ibele, enz.; vgl. ook FÖRSTEMANN, Altd. Namenbuch op ib.
eek, eek, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Eikeschors. Zie de wdbb. Vooral in de samenst. ekemot, fijngemalen eikenschors, run. || Ik heb de huiden maar alvast in de ekemot ’elegen.
eekhoorn, inkhoren, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie eekhoorn.
eekhoorn, eekhoorn, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie op inkhoren. Zie de wdbb. ‒ Zegsw. Zo vlug as ’en inkhoren, zeer vlug.
een, ien, ienlijk, enz., zie een, eenlijk, enz.
een, een, ien, (telwoord), In verkl. ientje, iemand. || Vader, der is ientje om je te spreken. ‒ In zijn eentje, alleen. || Wat zit jij daar in je eentje? Ik heb ’et maar in me eentje ’edaan. Hij loopt graag in zijn ientje. Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 25), Fri. in zijn ientsje. ‒ In enen (of in ienen), in eens, dadelijk. || Je worre ook in ienen kwaad. ’Et begon wel te branden, maar ’et was in ienen uit. || Ook in Friesl.
eend, eend, iend, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. De wijze eenden leggen de eieren bezijden het hok. Vgl. HARREBOMEE 2, 177: het is een wijze hen: zij legt niet één verloren ei. ‒ Te Oostzaan soms iend. Evenzo in samenst., als iende-ei, enz.
eendenpul, eendepul, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Jong van een eend, Zie pul. Evenzo in de Beemster (BOUMAN 86). ‒ Overdr. ook als scheldnaam voor de inwoners van Oostzaan. || Oostzaander eendepul.
eendenwacht, eendewacht, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Eendehok, omgeven door een houten of gevlochten schutting, die tevens een perk water afscheidt, en waarbinnen de opgesloten eenden dus ook kunnen zwemmen. || Aan de Zuytsloot sal niemant vermoogen te setten nogh gemakhuysjes nogh Eendewagten buyten de rooyingh van de wal, Hs. (Zaandijk, a° 1714), Zaanl. Oudhk.
eenkennig, eenkend, ienkend, inkend, (met de klemtoon op kend), (bijvoeglijk naamwoord), Eenkennig; van kleine kinderen. || ’t Is spijtig, dat Trijntje zo eenkend is. ‒ Het woord komt ook voor bij de 17de-eeuwse Hollanders; zie b.v. BREDERO, Rodd’rick, vs. 1859: “Hoe bingje dus ienkent? Benje vervaart voor Menschen?”
eenlicht, eenlicht, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie tweelicht.
eenlijk, eenlijk, ienelijk, (met klemtoon op een), (bijvoeglijk naamwoord), Eenzaam. || Een ienelijke weg (de Wormer). Als bijwoord ook elders in Holl. bekend, b.v.: “Wat woon-je hier eenlijk”; evenzo Fri. ienlik woane (HALBERTSMA 912).
eenmaal, eenmaals, ienmaals, (bijwoord), Eenmaal (Assendelft). || Was ’et iemals mooi genog, den (dan) zeide moeder: Nou, jonges, schessen (ophouden) hoor! ‒ Iemes (in iemesdagen enz.; zie aldaar) zal wel ontstaan zijn uit ienmaals, in de zin van eens, ereis.
eenmaals, ienmaals, (bijwoord), zie eenmaals.
eenwiel, eenwield, ienwield, (bijvoeglijk naamwoord), Eenwielig Vgl. tweewield. || En’ ienwielde kar (een kruiwagen).
eenwinter, eenwinter, (zelfstandig naamwoord), zie enter.
eenzaamheidje, eenzaamheidje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Jeu de patience, een klein bord in kruisvorm, waarop pennetjes worden verzet, en dat door één persoon gespeeld wordt. || Ik zel het eenzaamheidje maal ers halen. ‒ Het woord is de vertaling van het ook gebruikelijke solitair-spelletje, dat b.v. voorkomt bij MULTATULI, Max Havelaar2 2, 89 en 97.
eer, ier, ierst, enz., zie eer, eerst, enz.
eer, eer, ier, (bijwoord), Vroeger. ‒ Evenzo in de afleidingen ierst, enz. ‒ Ook als zelfstandig naamwoord vrouwelijk Zie de wdbb. ‒ Zegsw. Dat is (me) geen eers genoeg, dat is mijn eer te na, daarover zou ik me schamen. || Je kenne maar niet uit je werk lopen en laten ’et lessie (de rest) maar leggen: dat’s gien eers genog (dat gaat niet aan). De boel zo slordig of te leveren, dat most je geen eers genoeg wezen.
eerst, eerst, ierst, (bijvoeglijk naamwoord), (ranggetal) Zie de wdbb. ‒ Bijwoord uitdr. t’eerst dat, zodra als. || t’Eerst dat ik ’t hoorde, ben ik er heen ’egaan. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids I, 296). De uitdr. is in het Mnl. zeer gewoon; zie Mnl. Wdb. II, 572. ‒ ’tEerst (of(?) ’t eerst) dat is ook gebruikelijk in de zin van de eerste keer, dat. || ’tEerst dat-i hier kwam, was-i erg beschimmeld (verlegen). ‒ Kies eerst (d.i. ik kies eerst), term onder jongens, b.v. als zij gezamenlijk iets machtig worden: ik behoud mij het recht voor er eerst uit te mogen kiezen wat ik wil. Ook wel: ik wil het eerste datgene doen, wat achtereenvolgens door allen moet worden gedaan (of ondergaan) b.v. onder kinderen, die op zaterdag na elkaar verschoond moeten worden.
eest, eest, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In sommige molens en fabrieken. Haard om het fabrikaat op te drogen. Het woord is waarschijnlijk algemeen Ned.; zie VAN DALE en FRANCK. || Wij hebben een eest, waar gort gedroogd wordt voor verzendingen (in een pelmolen), Arbeids-enquête (a° 1891), 1378. Item, die volgens de eysch van stijfselmaken ... den Eest stoockten, Priv. v. Westz. 163 (a° 1601), ‒ Vgl. eesten.
eesten, eesten, (zwak werkwoord, transitief), Drogen op een eest. Zie eest. || Het (is) circa de helft van ons fabrikaat, dat wij eesten, Arbeids-enquête (a° 1891), 1379. “Waarom is er bij u (in de molen) geen eest” “Omdat mijnheer bij een ander laat eesten”, ald. 2692.
eestgeld, eestgeld, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In pelmolens. Geld, dat boven het gewone loon aan het volk wordt uitbetaald, wanneer zij hebben moeten eesten.
eetgraag, etig, (bijvoeglijk naamwoord), Waar veel aan te eten valt; van spijzen. || Ik zel maar voor Deventer-koek bedanken, die is me te etig. Je ete (eet) veel minder van oudbakken brood as van vars, want ’et is veel etiger. ’t Krentebrood is vandaag wel wat etig.
effenaar, effenaar, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de zeildoekweverij. Leesbord; een werktuig, dat de draden van de schering geleidt en belet, dat deze door elkaar gaan. De effenaar bestaat uit twee evenwijdige stokken van omtrent 1½ m lengte, waartussen zich, op afstanden van 1 cm, ijzeren stiften van een paar cm lengte bevinden. Elk paar stiften geleidt een vis. ‒ Vgl. KUYPER, Technol. 2, 30; leesbord.
eg, egge, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. eid en zelfeg.
ei, aai, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie ei.
ei, ei, (aai), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie zegsw. op eend en vgl. dotei, grutte-ei, haaijongsei, kiefte-ei, kob-ei, kroetei, schulpei, stikstar-ei, tuke-ei en zwane-ei.
eid, eid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Egge. || Ploeg en eid. De tanden van de eid. Span ’et peerd voor de eid. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. Eid is op de gewone wijze afgekort uit eide, gelijk het woord in Friesl. en Oost-Friesl. luidt (HALBERTSMA 870; KOOLMAN I, 383). Eide is de Fri. vorm van Ned. egede, eegde (Mnl. Wdb. II, 583), dat thans alleen nog dialectisch voorkomt (Vlaanderen, Zeeland). Vgl. voor eide naast egede o.a. Fri. rein, regen. ‒ Zie eiden, kettingeid en eidketting.
eiden, eiden, (zwak werkwoord, transitief), Eggen. Zie eid. || We gane morgen ’et land eiden. ’t Akkertje is al ’eid (geëgd). ‒ Evenzo elders in N.-Holl en in Oost-Friesl.; Fri. eidje.
eidketting, eidketting, (zelfstandig naamwoord mannelijk), IJzeren ketting, die voor aan de eid zit en dient om het paard aan te spannen. Gewoonlijk zegt men in de Wormer in dezelfde zin kettingeid; zie aldaar.
eierbeuling, eierbeuling, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie beuling.
eigen, eigen, (aigǝn en aigǝ), (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), In dit woord wordt meestal de slot-n uitgesproken. ‒ Mijn (zijn) eigen, mijzelf, zichzelf. || Ik waar men eigen niet meer (ik was buiten mijzelf). Het-i dat uit zen eigen ’edaan? Uit men eigen was ik er nooit op ’ekommen. Hij staat er erg op zen eigen (alleen). Slaan je eigen (sla jezelve)! Ze viel van der eigen (van haarzelf, flauw). Hij gaat op zen eigen (hij gaat alleen wonen, of hij gaat eigen zaken beginnen). ‒ Ook, met adverbiale s, eiges. || Hij sloeg er zijn eiges (zichzelf) mee in zijn gezicht. Je neme mijn doek; ken-je je eiges (dien van jezelf) niet meer? ‒ Zie zegsw. op baas en lijf, en vgl. bloedeigen.
eigenlijk, eigenlijk, eigentlijk, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 31. || Dat is de eigentlijke reden. Wie is dat eigentlijk?
eiken, eken, eiken, (bijvoeglijk naamwoord), Eiken. ‒ Vgl. ekenblad, plank van eikehout, op blad.
eikenmot, ekemot, (zelfstandig naamwoord), onz; zie eek II.
eikenzager, eikenzager, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ook ekenzager. Houtzaagmolen die voornamelijk zwaar eikehout zaagt. Vgl. balkzager.
eindbord, endbord, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Eindbord, het uiterste der borden van een molenwiek. Zie bord. || Een molen heb 16 borden en dan nog vier endborden.
einde, end, einde, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Verkl. endje. ‒ 1) Einde. ‒ Zegsw. Daar is het end van weg, ’t is raar, onbegrijpelijk en betekent ook: dat houdt nooit op. Evenzo elders gebruikelijk. ‒ Zie verder op slot en end op slot, en vgl. de samenst. weversend, winterend, woon-end, zomerend. ‒ ’t Is het end uit, het is allervoortreffelijkst, best, heerlijk, er ontbreekt niets aan. ‒ In den ende zijn, ten einde raad zijn, in de nartel zitten. || Hij is toch zo in de ende, hij weet niet wat hij er an doen moet. ‒ Hij heb ’et end in de bek (van een paard bij een harddraverij), hij is over zijn asem, hij hijgt en kan niet meer van vermoeidheid. Overdr. ook van mensen, die doodaf, doodvermoeid zijn. Evenzo in het Fri. ‒ t’Ende bot zijn, zie op bot I. ‒ Zie nog een zegsw. op boter, en vgl. keuvelend, vlietsend. 2) Gedeelte, stuk. ‒ Een endje nemen, een gedeelte van iets aanvatten; b.v. om het op te tillen. || Kom, neem ok ers ’en endje van die kast. ‒ Een endje koek (een stuk koek). Een endje brood (een homp brood). 3) In het bijzonder een deel van het huis, kamer. De werklieden, wier woning uit een hoofdvertrek met een washok of keukentje bestaat, onderscheiden deze als voor- en achterendje, voor- en achtervertrek. Het eerste heet ook wel het best-end. Bij grotere huizen heeft men ook een achterend, doch dit is dan de staart achter de keuken, waar zich het washok en vatenbank bevindt. Evenzo spreekt men ook van het wester-, ooster-, noorder-end (of -endje) van een huis. ‒ Vader is zeker in ’et osterendje. ‒ Vgl achterend, bakendje, voorend.
eindelijk, endelings, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Bij het uiteinde, uiterst. || Hij zit ’et meest endelings op de bank. ‒ Doen de endelingse stukken maar weg. Gooi ’et zeed (zaad) maar in de endelingse kas, aars zit ’et ons nog in de weg. ‒ In de bouwkunde. Endelings hout, het hout op de tegen de draad doorgesneden kant. Bij het bouwen wordt er dikwijls op gelet, dat men alleen endelings hout gebruikt, d.i. de balken of delen zo plaatst, dat deze tegendraads op elkaar rusten. Hout krimpt nl. alleen in de breedte en niet in de lengte; het endelingse hout krimpt derhalve niet. ‒ Evenzo elders eindelings hout. Compar. endelingser, meer naar het einde. || De band is te nauw, zet ’et knopie dus wat endelingser. ‒ De superl. is ongebruikelijk.
eindhoep, endhoep, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie hoep.
eitje-pik, eitje-pik, (zelfstandig naamwoord), Eitje-pik doen, hetz. als eieren pikken; zie pikken 3.
ekster, aakster, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Ekster. De vorm is ook elders bekend.
elder, elder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Uier van een schaap. ‒ Overdr. ook de borsten van een vrouw. || Wat het die vrouw ’en elders (grote borsten). Kijk die elders ers overhangen. ‒ Reeds HADR. JUNIUS, Nomencl. 23b, geeft het woord op: “Mamma, mammilla, uber. B. Mamme oft borst in femina, wre in armento, elder in ovillo pecore.” ‒ Elder is ook op de Zeeuwse en Z.-Holl. eilanden gebruikelijk (DE JAGER, Magaz. v. Ned. Taalk. 5, 41.).
elf, elf, (telwoord), zie zegsw. op schuit en schijten.
elk, elk, (onbepaald voornaamwoord), Zie de wdbb. ‒ Van elks, van elk. || Ie (hij) had van elks maar ien nodig. Sch. t. W. 276.
Elkhorn, Elkhorn, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie Illikhorn.
elleboog, elleboog, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Ze is wat lang van ellebogen en kort van morsmouwen, zij is slecht van memorie. ‒ Zie zegsw. op droop.
Ellenkamp, Ellekamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land in de ban van Westzaanden. Thans naar het schijnt onbekend. || Noch die ellekamp 125 (roeden), Polderl. Westz. III 59 (aº 1644).
Elsweer, Elsweer, Elzenweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land onder Westzaanden, in de polder Oosterwillis. Wel zo genoemd naar de elzen, die er op stonden. Zie weer. || Derdalf mat lants en de is ghenoemt elssen weer ende leyt opten gou ende binnen den gou, Hs. T. 118, f° 48 r° (a° 1564), prov. archief. Noch Elsweer op den Gou; dat ½ elsweer van Janitjen Aris, Polderl. Westz. II (a° 1629)
emmer, emmer, emer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast te Assendelft en op Nauerna nog de oude vorm emer. ‒ Eertijds ook elders in N.-Holl. || Schoppen, Eemers, ende ander sulck ghereetschap als sy moghen hebben, Keuren v.d. Beemster, art. 137. Stroo, Riet, Eemers, Touwen, Spijckers, ald., art. 139. In de 17de e. ook bij HOOFT en VONDEL. Eemer wordt ook vermeld Mnl. Wdb. II, 626; HADR. JUNIUS, Nomencl. 217b; KIL. 131a.
emmerlok, emmerlok, (zelfstandig naamwoord), Bij de viskoperij. De zich in emmer of tobbe naar boven werkende aal, de mooiste alen uit het zoodje. Weegt men 10 a 15 pond aal op in een emmer met brede bodem, dan komen de mooisten altijd boven, en het partijtje toont beter dan het is. Wijst de viskoper er dan op, dat de aal zo mooi is, dan zeggen de visvrouwen: “O, ’t is emmerlok”, of “’t is ’en mooi emmerlokkie”. Doet men de aal in een mand, dan dringen de mooisten niet naar boven. Het woord komt ook voor bij BREDERO, Moortje 697: “Doe quamen wy op de Vis-marckt, daer wast: Pieter-Cely, dit uyt; Emmerlock, hoor hier Kornuyt, komt me vaer: koopt een sootje, leest jou ga’ing uyt dit tobbetje en schietse in dit Vlootje.” ‒ Men vindt het ook Kodd. Opschr. 2, 31: “Emmerlok, emmerlok! Dit’s in de polityke Kok”.
endelschot, endelschot, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een houten verbindingsschot aan het uiteinde van een of ander voorwerp. || Het endelschot van een kar. Een ondergoot heb an weerskanten ’en endelschot. An de bun in ’en visschuit is ’en endelschot (achter in de schuit) en een hoofdeschot (voorin).
endig, endig, (bijvoeglijk naamwoord), In de naam van een stuk land te Assendelft. || Dat halve endige lant (in Boschmans-weer), Polderl. Assend. I f° 13 r° (a° 1599). Dat derde paert (gedeelte) vant endige lant, ald., f° 31 r°. ’tEnniger lant, Maatb. Assend. (a° 1634). ‒ Tegenwoordig heet het stuk het Endige land of het Hennige land (met Assendelftse verkeerd voorgevoegde h). Het heeft verscheidene uitstekende hoeken of enden en zal dus wel daarnaar zijn genoemd.
Enge-Wormer, Enge-Wormer, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van een polder en gemeente, beoosten de Zaan. De droogmaking der Enge-Wormer is voltooid in 1638. || De achter-Zaen, Kuyl, Poel ende enge-Wormer, LAMS 322 (a° 1628). ‒ Vgl. Wijde-Wormer.
Engeland, Engeland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een eilandje in de Poel bij Wormer; ook op de kaarten uit de 17de e. vermeld. || Engeland leit erg op de anslag van ’t water. Eefke Pools engeland in de Poel, Hs. (18de e.), archief v. Wormer. ‒ Ook onder Heiloo vindt men een stuk land van deze naam, Kaart v. d. Uytw. sl. 15. Op het Schermer-eiland ligt de Meenengsweers-polder, ald. 11. ‒ Engeland en enge( of enk) betekent grasland, weide, en komt in deze zin in de meeste Germ. talen voor; vgl. o.a. Mnl. Wdb. II, 655 en 657; HALBERTSMA 916. Waarschijnlijk was Engeland oorsporonkelijk een aan de gemeenschap (mient) behorende weide; vgl. de Meen-eng op het Schermer-eiland, en de volgende plaats uit een keur van Muiden (begin 16de e.): “Item niemand Paerden off Beesten inden Enghe te brenghen, off daer in te hoeden by vier stuyvers. Ende den Enghe alle ’t gheheele Iaer bevreet (omheind) te wesen ... Item dat niemandt oock op eenighen driesschen (gemene weide) mayen ofte ploegen en sal, by drie pont ... Item yemandt die bevonden worde, eenighe driessche ofte enghe gras (gras van de dries of enge) binnen zijn huys, schuyr ofte bedryve hebbende, al waerdt van zijn eyghen Enghe-landt (de door hem als lid der gemeenschap gebruikte weide) ghehaeldt, die verbeurde oock drie pondt,” Handb. v. Weesp 41b.
Engzwet, Engzwet, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het enge gedeelte van het water het Zwet, onder Wormer. Zie zwet. || Een stucke landts leggende in onse banne by Knollendam by Engswet. Hs. (a° 1664), archief v. Wormer.
enkel, enkeld, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. Ook dun, mager, schraal. || Een enkeld man. Hij is zo enkeld. ’t Is zo’n enkeld kind. Wat is die melk enkeld. ‒ Vgl. enkelde lat op lat. ‒ Ook: Zo’n japon zonder garneersel, dat staat zo enkeld.
enkel, inkel, (inkǝl), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij de visserij. Een onderdeel van een fuik. Het trechtervormige net aan de ingang der fuik, waardoor de vis naar binnen zwemt. Het inkel wordt met vier touwtjes van binnen aan de wanden der fuik vastgemaakt. Synon. keel, kiel. || (Iemand heeft een fuik uitgespannen om spreeuwen te vangen; een spreeuw zoekt bij het aas te komen, wat de mazen hem beletten), dies hy zijn vlucht vast elders nam, tot dat hy in het inckel quam, doen hipt hy vaerdig na het gat, SCHAAP, Bloemt. 86.
enkel, anklauw, ankleeuw, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Enkel. || We liepen toe (tot) de ankleeuwen deur de modder. – Vgl. FRANCK 235 op enkel en Mnl. Wdb. op anclief.
enter, enter, (zelfstandig naamwoord), Eigenlijk een koe van één jaar oud, maar thans in gebruik voor een vaars, die haar eerste kalf heeft. Evenzo verderop in N.-Holl. ‒ Enter is een verkorting uit een-winter, één winter (jaar) geleefd hebbende. Vgl. bij KIL.: “een-winter, enter-dier, hornum animal, unius hyemis, unius anni.” De volle vorm eenwinter komt in de Middeleeuwen ook in N.-Holl. voor. || Claes Willemsz. twee eenwinter gheerse (zoveel weiland als nodig is voor twee eenwinters; vgl. kalfsgors) in tween venne (te Assendelft, a° 1374), Hs. v. Egmond, f° 64 r°. Willem Avetiaens sone vier gheerse, een eenwinters ghers min, in ver Brechtellende venne (te Beverwijk, 13de e.) ald., f° 18 r°. Mabelie Matte Claes dochter heeft in hureware een mad ende een eenwinter in den hendesten dammer (te Velzen, 13de e.), ald., f° 16 r°. Zie verder Mnl. Wdb, II, 554. ‒ Vgl. enterling en twinter.
enterling, enterling, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Schaap, dat voor het eerst oont, als het één jaar is. Oont het niet voor het tweede jaar dan is het een schotter. Evenzo verderop in N.-Holl. ‒ Vgl. enter.
eppen, epper, (bijvoeglijk naamwoord), Netjes, zorgvuldig, keurig; van een vrouw of meisje, bij wie alles er erg precies op aan komt. || ’t Is ’en epper dinkie (een elegant, keurig meisje). ‒ Ook als zelfstandig naamwoord een eppertje, een net, enigszins nuffig aangekleed meisje, een nufje. ‒ Evenzo in de Beemster, waar men bovendien zegt: Het mutsje staat haar altijd even epper en netjes (BOUMAN 25). ‒ In Friesl. gebruikt men in dezelfde zin eptich: it is ’n eptich ding; zie HALBERTSMA 920. ‒ Vgl. ook upper.
eppie, ep, eppie, Alleen in de uitdr. ep(pie) gezien hebben, boos zijn (Krommenie. || Laat haar maar in der sop gaar koken, ze het ep ’ezien. ‒ Midden 19e e. was er te Krommenie een man met de voornaam Ep, die altijd zeer knorrig en korzelig was. Wellicht heeft hij aanleiding gegeven tot het ontstaan dezer uitdrukking. ‒ Het lijstje van Krommeniese woorden in Navorscher 6, 232 geeft ten onrechte op: eppie zien, lui zijn.
erf, erf, orf, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. kloostererf. ‒ Daarnaast orf. || Jaag die kippen deris van ’et orf.
erfdeel, erfdeel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie zegsw. op heiden.
erfgenaam, erfsgenaam, (zelfstandig naamwoord), Erfgenaam. Zie de wdbb. || Wie is erfsgenaam? D’erfsgename van Pieter Pos, Hs. Kaartb. v. Oost-Zaandam door J. VAN HEYMENBERGH (a° 1684), archief v. Zaandam.
erg, erg, arg, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Zie de wdbb. || ’t Is wel arg. ‒ Als bijwoord, vóór een bijvoeglijk naamwoord staande, meestal in de vorm erge (arge). || Ze is erge ziek. ’t Is arge koud. ‒ Doch: Het vriest erg (niet: erge).
ergje, ergje, (erchie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Alleen in de zegsw. dat gaat met een ergje, dat is op een ergje, dat gebeurt met een zientje, met een bijbedoeling, in de hoop dat meteen een ander doel wordt bereikt. Vgl. Ned. erg in iets hebben. || Nou hoor, dat doet-i ok mit ’en ergje. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 110).
erven, erven, (sterk werkwoord, transitief), orf, geörven, Zie de wdbb. || Toe ome Klaas storf orven wij de staande klok, en Jan orf de boeier. Hij het meer as ’en ton geörven.
erwt, erwt, art, ort, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. ‒ De gebruikelijjk vorm van het woord is ort. || Groene en greeuwe orten. Drie sack witt orten a 5¼ gulden, ƒ 15: 15, een sack grau orten ƒ 6: 15, Hs. rekenboek Zaandijker weeshuis (a° 1696), Zaanl. Oudhk. Ook in het Stad-Fri. spreekt men van ort (HALBERTSMA 838; Taalgids 9, 223). ‒ Daarnaast hoort men soms (op het Kalf b.v.), art, welke vorm vroeger aan de Zaan algemener moet zijn geweest. || Terwe, Rogge, Arreten, Boonen, etc., SOETEBOOM, S. Arc. 235. (Myn Vader) heeft’er doen ter tijdt Arweten in gesaeydt, SCHAAP, Bloemt. 12. Art wordt ook in W.-Friesl. gehoord. ‒ Overdr. een kleine ort, een klein kereltje, kleine kleuter. ‒ Ook in de naam van stukken land, die tot het verbouwen van erwten zijn gebruikt. || De Ort-akkers (stukken weiland te Oostzaan, op de Smaalsloot).
erwtenakker, ortakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie erwt.
erwtenpeul, erwtepeul, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), alleen in het meerv. Gewoonlijk in de vorm ortepeulen. Peulen, peulerwten; onrijpe erwten, die tegelijk met de doppen worden gekookt en opgegeten. Zie erwt. ||. Neem maar drie pond ortepeulen. We eten vanmiddag ortepeulen. ‒ Evenzo verderop in N.-Holl. en in Friesl. ‒ Vgl. boonpeul.
es, es, (zelfstandig naamwoord mannelijk), || In ultori Esce quinque pascuas ... In Were Esce alteram dimidiam pascuam (Egmonder landerijen onder Assendelft, a° 1182-1206), Oorkb. I n° 204. ‒ Indien hier bedoeld is het woord es, aan de gemeenschap (mient) toebehorende bouwgrond (vgl. GRIMM, D. Wdb. III, 1140; Mnl. Wdb. II, 732; MOLEMA 103; KOOLMAN 1, 406; Versl. en Meded. K. A., Lettk. dl. 9, 73), dan was dat gemeenschappelijk bezit dus reeds in de 12de e. opgeheven; ook was de es toen geen bouwland meer, maar weiland. ‒ Er is te Assendelft (bij de Vliet) nog steeds een stuk weiland, dat de Es heet en dat reeds in de oudste polderleggers zo genoemd wordt. || De Es, Polderl. Assend. II f° 97 v° (a° 1600). Heyndrick Allerses, genaemt es, Maatb. Assend. (a° 1635). ‒ Het stuk is enigermate s-vormig van gedaante en kan dus ook naar de vorm zijn genoemd.
esseling, esseling, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie nesteling.
essen, essen, esken, (bijvoeglijk naamwoord), Van essenhout. || 1 Esken spaak ..., 1 stapel Esken en Ypenhout ... 2 Esken Parsboomen, Invent. (Koog, a° 1793), Zaanl. Oudhk.
Et, Et, verkorting voor de vrouwennaam Gerritje.
eten, eten, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie zegsw. op pot en roet I.
eten, eten, (sterk werkwoord, transitief), Vrl. deelw. ’eten en geëten. ‒ Eten voor de kost en slapen voor de huishuur (van iemand, die niets uitvoert).
eter, eter, (zelfstandig naamwoord), m.; vgl. koeketer, kooleter, peuleter.
Eterskenbusch, Etersken-busch, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. busch I.
etgroen, etgroen, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Het tweede grasgewas van weiland. Vgl. grondboring. || De beesten lopen in het etgroen. ‒ Wellicht nam Holl. etgroen, onzijdig, toen het in gebruik kwam voor N.-Holl. etgroede, het geslacht daarvan over. Of mogen wij een oud zelfstandig naamwoord (et)-groen, vrouwelijk, beantwoordende aan Ohd. gruonî, vrouwelijk veronderstellen?
etgroen, etgroed, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Op de gewone N.-Holl. wijze afgekort uit etgroede. Etgroen, het tweede grasgewas. Thans naar het schijnt in onbruik. || Zij zullen de dijken ter behoorlijker tijd moeten hooyen en zullen op de etgroed mogen weiden, Hs. (a° 1800) archief v.d. Polder het Woud. ‒ Etgroede is in Kennemerland en W.-Friesl. het inheemse woord voor etgroen. Zie Mnl. Wdb. II, 741, en vgl. Priv. v.Kennemerl. 281: Het nae-gras, dat men et-groede noemt, met beesten te etten (a° 1549). Evenzo in Oost-Friesl. etgrode (KOOLMAN 1, 408). ‒ Groede (zie Ned. Wdb. V, 793) komt van de stam van groeien; etgroede is dus het opnieuw gegroeide.
etland, etland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Land, dat gebruikt wordt om te etten, weiland. Zie etten. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. Vgl ook Mnl. Wdb. II, 741, en HALBERTSMA 943.
etten, etten, (zwak werkwoord, transitief), Beweiden, grasland door het vee laten afeten. || Het is verboden de dijk met koeien te etten. Het gras staat zo schraal, dat ik ok maar ’en stuk hooiland etten zel. Gelyk het land van de Supplianten en derselver Ingesetenen, alleen met Rund-Vee kon en moest beweyd en geët worden, (hadden) sy daer door by gevolge eens so groot een getal tot haer beslag nodig, Handv. v. Assend. 348 (a° 1764). (Dirk Glas) voor sijn vee tot Assendelft geëttet, Belastingbiljet (a° 1749), archief v. Assendelft. ‒ Etten is ook verderop in N.-Holl., in Oost-Friesl., e.e. gebruikelijk; vgl. ook Mnl. Wdb. op etten. Zie vooretten en etland, etveen, etweer.
etveen, etveen, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Stuk veenland, dat gebruikt wordt om te etten. || Claes Allertsz. Schaepen etveen, Stoelb. Assend. f° 13 r° (einde 16e e.). Die etveen, Polderl. Assend. II f° 67 v° (a° 1600). Claes Pieters etveen, Maatb. Assend. (a° 1635).
Etweer, Etweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land te Jisp, dicht bij Nek. Oorspronkelijk wel een weer, dat geët werd. ‒ Hierbij lag reeds in de 16de e. een sluis. || Dat slootgen bynoorden Etteweer-sluys op te ruymen, Hs. Resolutieboek (a° 1617), archief v. Jisp, ‒ De Kaart v. d. Uytw. Sl. 11 vermeldt op de grensscheiding van Jisp en Nek: Etwer Sloot.
eunjer, unjer, onger, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Eertijds onjer, onger. Zekere plant; een lastig onkruid op weilanden. Moeras-paardestaart, hermoes, Lat. Equisetum palustre (VAN HALL, Landh. Flora 273). || Unjer ken-je haast niet doodkrijgen. Van unjer wordt ’et vee ziek (de plant werkt nl. op de ontlasting). – Ook in de naam van stukken land, waarop unjer groeit. || Dat oyngersteck, Polderl. Assend. I, f° 317 r° (a° 1600). Dat oyenger stuckgen, ald., f° 319 v°. Die kleyne ongersijd, 543 (roeden), Polderl. Westz. III f° 81 r° (a° 1644). – Evenzo verderop in N.-Holl. || Een stucke weydlants, ghenoemt die Honghercamp bij Castricommersluys binnen die ban van Lymmen, GONNET, Zijlkl. 326 (a° 1531). In geheel N.-Holl. (BOUMAN 110; BERKHEY, Nat. Hist. 9, 91) en ook in Overijsel (VAN HALL, t.a.p.) is de plant onder de naam unjer bekend. Of deze samenhangt met het bij de 17de-eeuwse Hollanders gewone zelfstandig naamwoord eunjer boze geest, en het bijvoeglijk naamwoord eunjer, doortrapt, geslepen, op kwaad afgericht, duivels (OUDEMANS, Wdb. op Bredero 107), bij KIL. “unghers, Hol. maleficus, veneficus, diabolicus”, is bij gebrek aan nadere gegevens niet met zekerheid uit te maken. De plant zou dan zo geheten zijn om haar boze aard, waarom zij ook elders kwadenaard (naast kwadernaat) heet. KIL. vermeldt verder nog: “ungheren, Holl. j. tooveren; ungher-hoere, Hol. malefica, incantatrix, mulier diabolica”, alsmede unghers-eyeren als naam van een soort van paddestoelen; vgl. DODONAEUS 786: “den ghemeynen man heet het (gewas, deZee Campernoelië”) in Hollandt Vngers eyeren, oft Oniers eyeren, dat is Duyvels eyeren, oft Toovenaers eyeren, als sommige dat woordt uytlegghen”, en zie ook HADR. JUNIUS, Batavia (ed. 1588), 217. Zoals bekend is, zijn ook vele andere planten naar de duivel of naar heksen genoemd. Vgl. voor de afleiding van het woord FRANCK 244 op eunjer.
Euverweg, Euverweg, (zelfstandig naamwoord), Naam van een water, dat zich uitstrekt van het Westzaner Weiver tot het einde van de Middel nabij Krommenie. Eertijds was hier een weg en heette het water Euverweg-sloot. || Twee laenen landts ... ghelegen binnen den ban van Westzanen inde Middel ... ende raeckt van die wech an de noveren wechsloet toe, Hs. T. 118, f° 39 v° (a° 1564), prov. archief. Een stucke landts ... streckende vande overwechsloot, Hs. T. 50, f° 73 r° (a° 1599), aldaar. Oeverwechsloot, Polderl. Westz. I f° 243 (a° 1628). (Een stuk land) gelegen tot Westzanen aan de Euverenweg, Hs. boedelscheiding (a° 1740), verz. Honig. ‒ Op de Kaart v. d. Uytw. Sl. 12 staat den Ouwerwegh, en in navolging daarvan op die in LOOSJES, Beschr. d. Zaanl. Dorpen. Ouwerweg. Deze spelling zal wel ontstaan zijn door het verkeerd oplossen van de schrijfwijze ouer voor over. Waarschijnlijk is Euverweg niets anders dan overweg. ‒ Onder Akersloot ligt een stuk land genaamd de Euverendijk (koopbrief, a° 1708).
Eva, Eva, persoonsnaam: vgl Adam. ‒ In verkl. evaatje, een morsboezelaartje, dat over de gewone boezelaar wordt gedragen, om deze langer schoon te houden. Evenzo in de Beemster (BOUMAN 26). Een evaatje is eigenlijk een klein schortje, als vrouwenopschik. Vgl. BERKHEY, Nat. Hist. 3, 705: “Men droeg (omstreeks 1720) ook veelal een fyn Neteldoeks, of een kort zwart zyden Schortje, met Kant bezet; dat men een Evatje noemde.” Evenzo: “Wat wordt ’er meen’ge Zondags-duit, aan ander tuig van Garnituren, tot meisjes santekraam verbruid! ... aan Pandelokken, Oreilletten, Marseilleborst, Centuur, Evaas, aan Gusretoetjes, Gozeretten, aan Esclavages, Falbalaas”, VAN HULS, Gedichten (ed. 1734), 54. Het woord is in deze zin ook nog in Overijsel bekend (DE JAGER, Nieuw Magaz. v. Ned. Taalk. 3, 128).
even, effen, (bijwoord), Zie de wdbb. Vroeger ook nauwkeurig, precies. Thans in deze zin verouderd. || Sommige schrijven Jesp, Isp, Gisp, maar onsen Meester Pieter Kas van Jisp, die seer effen op de spellinge was, schreef en leerde zijn Discipulen schrijven Jisp, SOETEBOOM, S. Arc. 467. ‒ Vgl. effies, efkes.
even, even, (bijwoord), Zie de wdb. ‒ Om ’t even, gewoonlijk (de Wormer). || Om ’t even komt-i niet voor ’s avonds acht uur thuis, ‒ Vgl. eef.
even, eef, (bijwoord), Even. || Bij het omsteken: “Wat raad je, onk of eef?” “Eef.” “Mis, het is onk.”
eveneens, eveleens, eveliens, Gelijk. ‒ Zie eveleens I en vgl. alleens. || Die huizen bennen net eveliens. We hebben eveliense hoeden op.
eveneens, eveleens, eveliens, (bijwoord), Eveneens. || ’t Gaat er nog net eveliens toe as vroeger. ‒ Ook om het even. || ’t Is mijn eveliens, of-i meegaat of niet. ‒ In de vorige eeuw komt EVELIENS te Wormerveer ook als geslachtsnaam voor. ‒ Het woord is ook elders in N.-Holl. gebruikelijk (BOUMAN 26) en komt ook voor bij de 17de-eeuwse Amsterdammers; vgl. NAUTA, Aant. op Bredero, bl. 21. ‒ Vgl. eveleens.
eventjes, efkes, (bijwoord), Hetz. als effies; zie aldaar. || Kom maar efkes binnen. Je benne efkes te laat. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (BOUWMAN 25) en in Friesl. (HALBERTSMA 949).
eventjes, effies, (bijwoord), Effentjes; ook een weinig. || Ik heb effies bij me dochter ’eweest. Dat huis is me wel effies te groot. Ik ben effies warm van ’et lopen. ‒ Ook elders gebruikelijk.
evenwel, evel, (bijwoord), Evenwel. || ’k Heb eigentlijk gien tijd, ’k zel evel effies bij je opsteken. Ik vond ’et evel erge raar. Al heb ik ’et nog zo drok, ze laten ’t evel alles op mijn ankomme. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 2, 102) Evel is bij oudere schrijvers gewoon. || Ik mag het evel, boven Dominé, boven Pompstok graag zien, WOLF en DEKEN, Will. Leevend 3, 192. Daar is Koning Midas, die ik evel geloof, dat er al vrij wat beter van oordelen kan als jij, FOKKE, Londen (2de dr.) 118. ‒ Evel is samengetrokken uit evenwel; vgl. Ned. Wdb. op alevel.
ezel, ezel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. || Het ezel is mank. Slaan dat ezel zo niet. ‒ De geslachtsverandering heeft wellicht plaatsgegrepen naar analogie van paard. ‒ Vgl. ook ezelement, ezelstrompetter en stofezel.
ezelement, ezelement, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Scheldwoord. Ezel, stommerik. || Wat ben-je toch ’en ezelement. ‒ Ook in het Stad-Fri.
ezelstrompetter, ezelstrompetter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Scheldwoord. Lummel (Wijde Wormer). || Zo’n ezelstrompetter.
fabriek, fabriek, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. || Ik gaan na ’et fabriek. ‒ Evenzo in samenst.: het meelfabriek, het papierfabriek, enz.
falie, falie, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Vrouwen-regenmantel; zie VAN DALE en Mnl. Wdb. ‒ Zegsw. Hij het op zijn falie ’ehad, hij krijgt op zijn falie, hij heeft slaag gekregen. Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 26); ook wordt de uitdr. door VAN DALE als gewestelijk opgegeven
fanke, fanke, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie fijntje.
fantel, fantel, vantel, (zelfstandig naamwoord), Soms ook vantel. Bouffante, wollen halsdoek. || Doen maar ’en fantel om voor de koud. Wat ’en mooie vantel.
fasel, fazel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Rafel. ‒ Synon. fnazel; zie aldaar. || De fazels hangen bij der rok neer. Grietje, as je met naaie ophouwe (uitscheidt), moet je de fazeltjes bij mekaar vegen. ‒ Ook elders gebruikelijk. Vgl. fazelen.
fazelen, fazelen, vazelen, (zwak werkwoord, transitief en intransitief), Daarnaast vazelen ‒ 1) rafelen. || Die doek begint te fazelen. ‒ In deze zin ook elders bekend; vgl. DE JAGER. Freq. 1, 112. 2) Futselen (ook futselen is afgeleid van een woord dat oude lap, vod, betekent; vgl KIL. futsel, vutsel, panniculus). In het bijzonder het heen en weer hutselen der eieren bij het eierpikken op Pasen. De pikker heeft twee eieren en hutselt die achter zijn rug door elkaar. Daarna neemt hij er één in elke hand en laat de ander daartussen kiezen. Dan worden de eieren tegen elkaar gestoten (gepikt) en moet hij, wiens ei breekt, er de ander een geven. || Nee, eerst vazelen! Wacht, ik moet nog vazelen; zie zo, welk ei wil-je: ’et rechter of het linker? ‒ Vgl. KIL. “faselen, agitare, factitare”, en DE JAGER, Freq. 1, 113 “fazen, beuzelen, talmen”. 3) Gooien, smijten. || Hij fazelde de hele boel deur mekaar. Pas op, of ik zel je te water vazelen. Ze vazelden ’m de deur uit. Zie over de verdere bet. van dit woord in andere dialecten DE JAGER, Freq., t.a.p., HALBERTSMA 994, en vgl. KLUGE op faser, ‒ Zie verder doorvazelen, fasel en fnazelen.
feek, feek, (zelfstandig naamwoord), Bij schippers en vissers. Stokdweil, zwabber. || Neem de feek maar, om ’et of te doen.
feil, feil, (fail), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Grove doek om nat op te nemen en vloeren schoon te maken (algemeen Ned.) Aan de Zaan wordt onderscheid gemaakt tussen feil en dweil; zie aldaar. || Grovve feilen. ‒ In verkl. feiltje, een wit grof linnen kleedje, dat in een kamer bij de deur wordt gelegd, voor het vegen der voeten. Thans alleen nog in burgerwoningen.
fel, fel, (bijvoeglijk naamwoord), Zegsw. Iemand fel krijgen, iemand te pakken krijgen, hem vinden. || Wacht maar, ik zel je wel fel krijgen. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (Hs. Kool).
fever, fieber, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ook fiebert. Koorts. Synon. bibber. || Ik tril zo: Ik heb zeker de fieber. Hij leit erg zuinig (zeer zorgelijk); och, hij het zo de fiebert. ‒ Vgl. Lat. febris.
fideï-commis, fideï-commis, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. vierde-commies.
fideï-commis, vierde-commies, (zelfstandig naamwoord), Volksetymologische vervorming van fideï-commis.
fieter, fieter, (bijvoeglijk naamwoord), Netjes, vlug, zwierig staande: Van hoofddeksels (de Wormer). || Wat heb Trijn ’en fieter hoedje op. Wat staat dat hoedje je fieter. Een fieter hultje, mussie, enz. ‒ In de Beemster wordt fieter, fijter, ook van personen gebruikt in de zin van vlug, opgeruimd, levendig. || Een fijter vrouwtje. Al is ze oud en zwakkelijk, ze is toch nog altijd even fieter (BOUMAN 27)
fijntje, fijntje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een fijntje dansen, zekere reidans op de manier van Hei, ’t was in de mei. Eén staat er in de kring; is dit een meisje dan heet zij een fijntje, een jongen daarentegen is een grofkop of groeskop. Het liedje, dat er bij gezongen wordt, begint met : “Hier hebben wij een fijntje in deze dans”. ‒ Soms spreekt men ook van het vantje (of ventje) dansen. Te Krommenie is de beginregel verbasterd tot “Herre werre fanke in deze dans”. ‒ Is dit fanke, vantje, soms ouder dan fijntje? Vgl. Hindeloopens fanke, fânke, Fri. famke, meisje verkl. van faem, faen (HALBERTSMA 957 vlgg).
fijt, fijk, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Fijt. || Ik heb de fijk in me vinger. Een felle fijck heeft in mijn duym geknaegt, SCHAAP, Bloemt. 138. ‒ Fijk is ook elders in N.-Holl. en in het Stad-Fri. bekend. Het wordt ook door KIL. vermeld en komt in vele verwante talen voor. Zie verder FRANCK op fijt.
fik, fik, fuk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast fuk. Meestal in verkl. fikkie, fukkie. Een in brand gestoken hoop van hout, stro en andere brandbare stoffen. || Jongens, we zellen ’en grote fik maken. Mit Suntere Maarten was er vroeger altijd ’en flinke fuk.We hebben ’en fikkie ’emaakt. ‒ Ook gezegd van een hevige uitslaande brand. || ’t Was ’en lekker fukkie hoor. ‒ Zie fikken.
fikken, fikken, fukken, (zwak werkwoord, intransitief), Daarnaast fukken. Branden, helder opvlammen. || Wat zel dat fikken, as we der nou nog ’en bos strooi op gooien. Het fukt lekker. ‒ Of het woord verwant is met het verouderde werkwoord fikken, dat stoten, steken, slaan, wrijven, beduidt en in vele Germ. dialecten voorkomt (vgl. KIL. op ficken, Mnl. Wdb. bevicken, FRANCK op fikfakken, KOOLMAN op fikken, GRIMM, D. Wdb. op ficken, enz.), is niet zeker. De grondbetekenis van dit woord schijnt te zijn snel heen en weer gaan en dit kan, op een vlam toegepast, zijn overgegaan in fel branden. In het Fri. betekent fykje ook in kleine stukjes snijden (HALBERTSMA 961). Fik zou dus kunnen beduiden spaanders, rap, en werkelijk bestaat een fik uit deze en dergelijke brandbare stoffen. Een hoop brandstof is echter nog geen brand, en dit is de enige betekenis van fik.
fikkerij, fikkerij, fiekerij, flikkerij, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast fiekerij, en flikkerij. Alleen in de uitdr, dat ’s ’en goeie (mooie, beste) fikkerij, een voordelig zaakje, een werkje waarmee veel geld te verdienen valt. ‒ Ook in de Beemster is fiekerij in gebruik. || Dat zal een beste fiekerij zijn, zulke fiekerijtjes zijn aannemelijk (BOUMAN 27). Op Urk zegt men flikkerijje (Taal- en Letterb. 6, 33).
fint, fint, vint, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere vis. Een soort van voorn, doch blanker dan de gewone en grover van schubben. || Der bennen nog al wat finten bij.
fitting, fitting, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Timmergereedschap. Zekere kleine schroefboor, hetz. als Ned. fret, fretboortje.
flaars, flaars, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Grauw, afsnauwing. || As je der (haar) wat vrage (vraagt), krijg-je ’en flaars terug. ‒ Zie fleers, en vgl. Oost-Fri. flären, babbelen, klappen, uitflappen. Bij de 17de-eeuwse Hollanders is flaars, fleers gebruikelijk in de zin van snapachtig, lui vrouwspersoon (OUDEMANS, Wdb. op Hooft 93; Wdb. op Bredero 109); vgl. KIL. “flere, Fland. ignava et deformis puella”.
flab, flab, vlab, (flap), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zekere in de sloten groeiende plant. Dekenvlag, Lat. Conferva. In Holl. algemeen; zie VAN HALL, Landh. Flora 281. ‒ Vandaar flab vissen en flabben, flappen, flab uit de sloten opvissen, en flabvisser, de man, die dit werk verricht. || Den 2 Februari 1662 betaelt aen de flabvisser van 8 schuyte flab en 2 dage arbeytsloon 10 gld., Dijkb. Wormer. Me man is niet thuis, hij zou gaan flappen. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. || Wert mede gekeurt ... te vlabben ende te krosen tegen den herfstschouwe (keur v. Heemskerk, a° 1659), LAMS 459. ‒ Het woord schuilt wellicht ook in de volgende benaming van stukken land onder Westzaan.|| Noch twee vlabstukken aende vaert, Polderl. Westz. III fº 59 (a° 1644). Het waren dan stukken land, waarop de uit het water gehaalde flab werd neergelegd.
flabben, flabben, flappen, (zwak werkwoord), zie flaben vgl. toeflappen.
flabstuk, flabstuk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie flab.
flabvisser, flabvisser, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie flab.
flank, flank, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. ‒ Zegsw. In de flank vallen, naar de zin zijn, in de smaak vallen. || De nieuwe dokter valt erg in de flank. Dat viel helemaal niet in de flank. ‒ Ook regelmatige plaatsing; van schalen en schotels op een gedekte tafel, die zó geplaatst zijn, dat het éne recht tegenover het andere staat en alles een harmonisch geheel vormt.|| Zie zo, nou staat alles in de flank. Zet die schaaltjes in de flank. Zo halfweg den eten staan de schalen meestal uit de flank. ’t Hindert niet waar je het neerzette, de flank is er toch uit. Er zit geen flank in. ‒ Zie flanken.
flanken, flanken, (zwak werkwoord, intransitief), Een harmonisch geheel vormen; van gelijksoortige voorwerpen, die tegenover elkaar geplaatst zijn. Zie flank. || Je moet ’et met mekaar flanken laten. Ik moet nog wat hebben, dat met dit schaaltje flankt. Die botertijntjes moeten flanken. Dat flankt niet.
flap, flap, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere platte, stroperige koek (Wormer). || Hier, zeun, hej-je ’en cent; koop maar ’en flap.
flap-an-de-wand, flap-an-de-wand, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Houten tafel met ovaal, neerslaand blad en inslaande poten, die, toegeflapt, tegen de wand gezet kan worden. Meestal met een voorstelling (molens, bloemen, enz) beschilderd. ‒ Synon. flaptafel.
flapsneeuw, flapsneeuw, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Sneeuw met grote natte vlokken. || ’t Is erg smerig weer met die flapsneeuw.
flaptafel, flaptafel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Hetz. als flap-aan-de-wand; zie aldaar. ‒ Ook in Friesl.
flard, flard, flord, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast flord (uitspr. flòrt). Afgescheurde lap, aan flarden gesleten doek, vod. || Die handdoek ken wel weg. ’t is toch maar ’en flord. Ik heb hier nog ’en flordje voor de voddemand. ‒ Ook van stukken land, die als lange, ongelijke, smalle stroken in het water liggen; meerv. flarden (florden) en flards (flars). || Int kercke weir een flard, Polderl. Oostz. I (17de e.) Florden en ackers in sijn weir, ald. Die flars (in Claes Heynen-weer), Stoelb. Assend. f° 19 r° (einde 16de e.); d’flards in Claes Weynen-weer, Polderl. Assend. II f° 513 r° (a° 1657). ⅓ van de flers 73 (roeden), noch tseste paert van de flarde 36½ (roed), ald. I f° 177 r° (aº 1600). Cornelis Claesz. flars, Jan vant Veers flars, Jan vant Veers suyder flars (in Claes Heynen-weer), Maatb. Assend. (a° 1634). ‒ Flars zou ook enkelv. kunnen zijn. In de 17de e. komt althans flarzen voor naast flarden; zie OUDEMANS 2, 306. ‒ Vgl. vlaartje.
flard, flaartje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), 1) Een klein, of dun boezelaartje. || Wat heb-je ’en flaartje voor, ’t Is net zo’n flaartje. ‒ Vgl. flard. 2) Zeker zeer dun gebakje, dat in een rond wafelijzer wordt gebakken (de Wormer).
flark, flark, (zelfstandig naamwoord), Slappe scheut drek (Assendelft). Synon. fleers. || Hij het ’en flark in zen broek ’edaan.
flarken, flarken, (zwak werkwoord, intransitief), Slabakken, in ijver of netheid verflauwen. Alleen in de inf. Weinig gebruikelijk. || Maandags begon-i der mee, maar Dingesdag begon-i al te flarken en Woenesdag was ’et helegaar uit (van iemand die vroeg op wilde staan). Ze zou alle dagen tien naadjes breien, maar ze is nou al an ’et flarken.
flaterig, flaterig, (bijvoeglijk naamwoord), Van hout, waarvan de hartscheuren los liggen, en dat dus begint af te schilferen. Synon. bladderig; zie aldaar. || Die balk is flaterig. Er is heel wat flaterig hout of’ekeurd. Hou dat flaterige deel maar ampart.
flauw, flauw, fleeuw, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast soms fleeuw. Zie de wdbb. || Ik ben fleeuw van de honger. ‒ Bij vissers. Ontzet; van water dat stinkt. Synon. vlaai; zie vlaai II. || ’t Water is flauw, de vis gaat er in dood.
flauwig, fleeuwig, (bijvoeglijk naamwoord), Flauw. || Ik ben zo fleeuwig in me lijf: ik moet ’en spatje (borrel) hewwe. ‒ Vgl. fleeuw.
fleer, fler, (flèr, met gerekte e), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Slag, draai om de oren (Krommenie). Zie op fleers I. || Hij kreeg ’en flèr.
fleer, fleers, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), 1) Klap, draai om de oren. Ook elders gebruikelijk (VAN DALE). || As je niet weggane, krijg-je ’en fleers. ‒ Vgl. KIL. flere, slag. Utrechts flèr, draai om de oren, fléren, slaan, en VAN DALE (gewestelijk) fleren, op slordige wijze afvegen, b.v. hij fleerde er met zijn mouw langs. ‒ Vgl. fleerzen. 2) Slappe, brijachtige massa; in het bijzonder van koedrek. Hgd. kuhfladen. || Trap niet in die fleers. Gaan niet te dicht bij die koe staan, aars krijg-je anstonds nog ’en fleers. ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 27). Vroeger ook elders in Holl.; vgl. Klucht v.d. Pasquilmaecker voor den Duyvel 21: “Hy drayde een dunne flers op de kruyn van Jan Pieters backhuys”. ‒ Vgl. KOOLMAN op flarre, en zie fleren, fleerzen, flaars.
fleerzen, fleren, (zwak werkwoord, intransitief), Loslijvig zijn, dun schijten; van een koe. Synon. fleerzen; zie aldaar. || Die koe fleert. ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 27). Vgl. Oost Fri. flarren in dezelfde betekenis, waarnaast flarrîg, loslijvig, en flarre, fleers (KOOLMAN 1, 502).
fleerzen, fleerzen, (zwak werkwoord, transitief), 1) Slaan, iemand een fleers in het gezicht geven. Zie fleers. || Pas op, of ik zel je fleerzen. Ik zel je leren mijn te fleerzen. 2) Loslijvig zijn, dun schijten; van een koe. ‒ Synon. fleren. || Gaan wat uit de weg, die koe mocht ers fleerzen gaan. Daar fleerst me dat beest helegaar vol. ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 27).
flens, flens, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De uitstekende sluitrand met gaten, aan gas- en waterleidingsbuizen of pijpen. De pijpen worden aan elkaar verbonden door middel van bouten, die men door de gaten steekt en met schroeven vastlegt. Pijpen, waaraan zulke randen gegoten zijn, heten flenspijpen. ‒ Ook vindt men soms een flens bij de koppeling van machine-assen. De flens maakt dan deel uit van de koppelbos (de cilindervormige bus, die het eind der as omgeeft en met een spie daaraan is bevestigd) en is van ijzer of koper. ‒ Het woord is waarschijnlijk algemeen Ned.; VAN DALE vermeldt alleen: flens, ijzeren kraag, Vgl. Eng. flange in dezelfde zin en zie FRANCK 249.
flens, flens, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Verkl. flensie. Zie de wdbb. || Flensies bakken. ‒ Flensie is ook de naam van de dunne vierkante lapjes koek, die bij het koekhakken worden gebruikt. || Man, geef-je dat flensie in vijven (in vijf hakken door midden)? ‒ Ook oorveeg, draai om de oren. || Hou je stil, of je krijg ’en flens! Toe gaf ik ’m ’en flens om zijn kop. ‒ Voor flens, oorveeg, vergelijke men het in de 17de eeuw gebruikelijke werkwoord flenzen. || En daer by heb ic ien paer vuysten, die hangeme soo verhijt los. Om een haer flensten icker wel een voor de kop, COSTER, Teeuwis de Boer, vs 987.
flenteren, flenteren, (zwak werkwoord, intransitief), Slenteren, heen en weer lopen. || Die meiden flenteren altijd bij de straat. Ze flentert maar van de ien na de aâr (vliegt altoos van de ene vriendin naar de andere). ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 28). Op Marken kent men het woord in de zin van op een draf, haastig weglopen (Taal- en Letterb. 2, 64). De eigenlijke betekenis van flenteren is fladderen, heen en weer waaien; vgl. DE JAGER, Freq. 2, 112, en zie de wdbb. op flenter, flard, lap. Het woord komt geheel overeen met Ned. slenteren; ook slenters zijn lappen, vodden.
fles, fles, (soms vles), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. meestersflesje. ‒ Zie een zegsw. op ruig.
flets, flets, (fles), (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. ‒ Ook flauw, van een zieke die geen etenslust heeft. || Ik voel me zo fles.
fliepen, fliepen, (zwak werkwoord), vgl. ontfliepen.
fliert, fliert, (zelfstandig naamwoord), Iets dat lang en dun is, sliert (de Wormer). || Een fliert (reep) papier. Der zit ’en fliert (rafel) an je japon. ‒ Vooral in de uitdr. een lange fliert, een lang, mager mens. ‒ Evenzo is in Oost-Friesl. flîr, flîrt een klein, licht, onbetekenend iets, b.v. een lapje goed, een dunne snee brood, enz. In andere Ndd. dialecten heeft flirre die zelfde zin. Vgl. Oost-Fri. flîren, Hgd. flirren, snel heen en weer gaan, fladderen, en Eng. to flirt, dat o.a. ook deze bet. heeft. ‒ Vgl. fliertrok, en zie synon. op fliestertje.
fliertrok, fliertrok, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in het meerv. fliert-rokken. Rokken, die langs de grond slepen (de Wormer). Zie fliert.
flikken, flikken, (zwak werkwoord, transitief), Zie de wdbb. ‒ Ook in de uitdr. hij zal het wel flikken, wel lappen, klaarspelen, tot een goed einde brengen. ‒ Evenzo elders.
flikker, flikker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Gemene vent, iemand die niet recht te vertouwen is, een vleier, flikflooier; vgl. DE JAGER, Freq. 2, 119. || Pas maar op, ’t is ’en flikker. Zo’n gemiene flikker. 2) In de zegsw.iemand op zijn flikker geven, hem een pak slaag geven. || Ik zel je op je flikker geven. ‒ Evenzo elders in Holl.
flikkeren, flikkeren, (zwak werkwoord), vgl. uitflikkeren.
flink, flink, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in het meerv. flinken. Streken, kuren. || Hou nou toch op met je malle flinken. Doen nou maar niet of je ziek benne (bent), dat ben allegaar maar flinken. Je ken ’em niet vertrouwen, hoor; hij het flinken. ‒ Het woord is ook elders in N.-Holl., Friesl. en Gron. (MOLEMA 109a) gebruikelijk. Men vindt het ook bij WOLF en DEKEN; vgl. DE JAGER, Freq. 2, 121, en MOLEMA 518a.
flint, flint, (zelfstandig naamwoord), Het houten uitsteeksel aan het uiteinde van een kloet (vaarboom), naast de ijzeren punt. De flint is meestal met een ijzeren bandje omgeven. ‒ Vgl. kloet I.
flinter, flietertje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Hetz. als fliestertje; zie aldaar en vgl. fluter. || ’En flietertje koek.
flinter, fliestertje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een dun schijfje van iets. || Een fliestertje koek. Wat geef-je me ’en fliestertje. ‒ Evenzo in het Stad-Fri. fniesterke. Vgl. flinster, dat op Urk gebruikelijk is voor een dun stukje (Taal- en Letterb. 6, 32). ‒ Soortgelijke bet. hebben ook fluter, fliert, flard, flord; zie aldaar.
flip, flip, (zelfstandig naamwoord), Meestal in verkl. flippie. Een klein wittebroodje, waarvan er vier of vijf voor een dubbeltje werden verkocht. Zowel de langwerpige broodjes (timpjes) als de kadetjes werden zo genoemd. || Geef me ’en dubbeltje flippies. De flipppies ben hier lekkerder as bij ons. Ik ken die hele flip niet op. ‒ Evenzo verderop in N.-Holl. (Taalgids 1, 110) en waarschijnlijk ook elders. ‒ ’t Is dikke flip met hem, hij is beste maatjes met hem, ’t is koek en ei.
flodder, flodder, (flòddǝr), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Rietwal, het riet dat langs de kant van een stuk land staat. || Die dijk is an’eleit (aangelegd) op flodders. ‒ In de Beemster heet de slappe walkant langs de sloot flodderwal (BOUMAN 28); zie synon op florswal.
flodderen, florten, (zwak werkwoord, intransitief), Doelloos heen en weer lopen, gnarten (de Wormer). || Hé, wat loop je weer heen en weer te florten. Gaan toch zitten, ik ken dat florten niet hebben. ‒ Florten is eigenlijk plotseling heen en weer bewegen, fladderen.. Vgl. Oost-Fri. flûr, flûrt, flard, lap en synon. als flenteren, slenteren. ‒ Zie flort en vgl. flard. 2) Veesten. || Van uien moet-je altijd florten. ‒ Vgl. Oost-Fri. flûrrtjen, dünn scheissen, weit und breit umherspritzen (KOOLMAN 1, 524).
flodderen, flodderen, (zwak werkwoord, intransitief), Zie de wdbb. ‒ Ook: slenteren, langs de straat lopen; in ongunstige zin. || Ze loopt altijd te flodderen.
flop, flop, (flòp), (zelfstandig naamwoord), Zoen (de Wormer). || Kom, ik moet effen ’en flop hebben. Toe, maar ’en klein floppie. ‒ Soms ook dikke flapzoen. || Hè wat ’en flop! ‒ In de Beemster zegt men in de dezelfde zin flopperd. || Dat was een dikke flopperd van tante. Ze hebben al menige flopperd van dat goede mens gehad (BOUMAN 28). ‒ In Oost-Friesl. en elders in Nederduitsland is flabben, flobben, flappen, met klappend geluid zoenen. ‒ Vgl. floppen.
floppen, floppen, (floppǝ), (zwak werkwoord, transitief), Zoenen (de Wormer). Zie flop. || Ik moet er ers effies floppen. ‒ “Zoenen, dat het flopt (klapt)” wordt nooit gezegd. ‒ Te Assendelft van kledingstukken, inzonderheid schoenen, die te groot zijn. Hetz. als sopperen; zie aldaar. || Wat floppen me schoenen toch; ze benne me veuls te groot.
flors, flort, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) In de uitdr. aan de flort zijn, voortdurend heen en weer drentelen (de Wormer). Hetz. als florten 1; zie aldaar. || Wat ben-je weer an de flort. ‒ Ook: een vrouw die zich zonderling kleedt en die zonderling doet (Assendelft). || ’tIs ’en rare flort. 2) Windje, veest. || Een flort laten. ‒ In deze zin ook elders in Holl.
flors, flors, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Windje, veest. Synon. flort. || ’En flors laten.
flouw, flouw, vlouw, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast flouwnet. Zeker visnet. Een soort van schakel, die gebruikt wordt om zeelt te vangen. Soms worden er meerdere flouwen uitgezet, doorgaans echter slechts één. ‒ Evenzo elders in N.-Holl.; vgl. b.v. Keuren v. Waterl. 23, aangehaald op BATNET. Ook in W.-Vlaand. is vluwe, vluie, de benaming van een soortgelijk visnet (DE BO2, 1154). Elders is flouw of vlouw gebruikelijk in de zin van net om vogels (lijsters, snippen) te vangen (VAN DALE). Ook KIL. vermeldt vlouwe, tendicula, nebula; nebulosum rete, quod turdis et gallinaginum generi tenditur.
flouwnet, flouwnet, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie flouw.
fluim, flijm, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie vlijm.
fluim, vlijm, (zelfstandig naamwoord), Daarnaast soms flijm. Slijm, fluim. || Hij spouwt allegaar bloedige vlijmen uit. – Inzonderheid van vis en vers vlees. De kleverige slijm waarmede de buitenzijde bedekt is. || Op vis moet de vlijm nag zitten, aârs is ze zo lekker niet. De Karper, Braazem en de vlymgehuyde Aal (de aal met zijn slijmerige huid), BUTTER, De Zaan 16. – Evenzo vermeldt HADR. JUNIUS, Nomencl. 16 b: “Pituita, phlegma, B(elgice) vlijme,fluymen”. Vgl. verder Oost-Fri. flêm, flîm, het dunne vlies over gekookte melk, en het wollige huidje van perziken zie KOOLMAN 1, 507). – Vgl. vlijmerig.
fluimerig, vlijmerig, (bijvoeglijk naamwoord), Van vlees en vis. Slijmerig. Zie vlijm. || Dat stuk vlees is zo vlijmerig: was ’et vooral goed of. – Evenzo vindt men bij COORNHERT: “de vlimericheden zijns monts” voor de slijmen.
fluisteren, fnisteren, (zwak werkwoord, intransitief), Fluisteren, stil praten. || Wat zitten jollie daar weer te fnisteren. Ik kan dat fnisteren niet verstaan. ‒ In de Beemster gebruikt men in dezelfde zin fnuisteren (BOUMAN 29). In het Hgd. vindt men ook naast elkaar flüstern en flistern. ‒ Vgl. voor fn wisselende met fl, Tijdschrift 4, 220 vlgg. ‒ Zie gefnister.
flutter, fluter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Meestal in verkl. flutertje. Dun, licht, fladderend iets, zonder waarde. Zie synon. op fliestertje. || Een flutertje papier. “Pas op, daar waait wat weg.” “O, ’t hindert niet, ’t is maar ’en flutertje.” An zo’n flutertje (klein lapje) heb-je toch niks voor ’et verstellen. ’t Hangt nog an ’en flutertje, ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 28). Vgl. Oost-Fri. flutter, Hgd. flitter, in dezelfde zin. ‒ Zie fluteren, fluterig en fluut. 2) In de uitdr. op de fluter gooien, laten vliegen, laten wegwaaien (Krommenie). Zie fluteren. || Een papiertje op de fluter gooien. Gooi ’et maar op de fluter.
flutteren, fluteren, (zwak werkwoord, intransitief), Fladderen, in de lucht heen en weer bewegen; van een stukje papier, een dun lapje, of een ander licht voorwerp (Krommenie). Fluteren wordt niet gezegd van een vlaggewimpel of vlag. || Hè, dat flutert in de lucht. ‒ Vgl. Oost-Fri., Ndd. fluttern, fladderen. Eng. to flutter, fladderen, trillen, zweven, gejaagd zijn. Ned. flodderen, enz.
flutterig, fluterig, (bijvoeglijk naamwoord), Dun, licht, fladderig. Zie fluter. || Dat lint moet je niet nemen, ’t is zo fluterig. Een fluterige stof (voor een japon). Wat ’en fluterig papiertje. Je rokken hangen der zo fluterig (slap) bij. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 28). Vgl. Oost-Fri. flutterig in dezelfde zin,
fluttertje, flutertje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Ook van een dun sneetje brood, een dunne pannekoek enz. || Moet je niet meer hebben as dat flutertje (brood)? Ik lust nog wel ’en pankoek; maar ’en flutertje, hoor!
fluut, fluut, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Magere knol (de Wormer). || Wat ’en fluut. ‒ Vgl. fluter.
fluweel, fluweel, ferweel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast soms nog ferweel (uitspr. fǝrweel). || Ze het ’en japon mit ferweel. ’En ferwele hoed. ‒ Evenzo in de 17de-eeuwse kluchten ferwiel. || Ja siet, om goos-wil, hy het al me (mee) ien ferwiellen broeck an! BREDERO, Klucht v. d. Koe 294. Vier Borsten, het ierst ferwiel, de tweede satyn, de derde zyd-beelt, ’t vierde van een heere saaitje, W. D. HOOFT, Jan Saly. ‒ Ook in het Stad-Fri. is fe(r)wiel bekend.
fnadderen, fnadderen, (zwak werkwoord, intransitief), Met de vingers of de hand heen en weer wrijven in een natte of kleverige massa. || Kinderen spouwen op school op ’er leien en fnadderen daar dan in (d.i. zij smeren het uit over de lei, om die daarna schoon te kunnen maken). Fnadder niet zo met je handen in de beslagen ramen. Je giete wat olie op je bien en dan gaan-je der maar in fnadderen (wrijven met Sequah-olie). ‒ Vgl. Urks fnadderig, week, geleiachtig. (Taal- en Letterb. 6, 33). ‒ Zie befnadderen en gefnadder.
fnazel, fnazel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Rafel. Hetz. als fazel; zie aldaar. Bijna verouderd. || ’t Ben net fnazels van versleten doek. ‒ Het woord was vroeger ook elders in Holl. gebruikelijk; zie DE JAGER. Freq. 1, 118. ‒ Vgl. fnazelen.
fnazelen, fnazelen, (zwak werkwoord, intransitief), Rafelen. Weinig gebruikelijk. || Wat begint je rok te fnazelen. ‒ Eertijds ook elders in Holl. ‒ Zie fnazel.
fniezen, fniesten, (zwak werkwoord, intransitief), Bijvorm van fniezen en daarnaast in gebruik. || Ik moet telkens fniesten, ‒ Evenzo in de Beemster (BOUMAN 28).
foef, foef, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In verkl. foefie. Bedrieglijk voorwendsel, fopperij, streek. || Dat is maar ’en foef (voorwendsel, smoesje). Daar schuilt ’en foefie achter. Maak maar geen foefies, ik weet dat ’et niet waar is. Iemand ’en foef spelen (een poets bakken). ‒ Het woord is ook elders in N.-Holl. bekend en verder in Friesl., Oost-Friesl., Gelderl., N.-Brab. W.-Vlaand., Henegouwen, e.e.; vgl. Taal- en Letterb. 4, 212; DE JAGER, Freq. 1, 118; KOOLMAN 1, 567. ‒ Zie foefen.
foefen, foefen, (zwak werkwoord, intransitief), Bedektelijk bedriegen, foppen. Zie foef. || Pas met hem wat op, hij foeft. Er is erg geknoeid en gefoeft.
foei, foei, (tussenwerpsel), vgl. affie.
foeteren, futeren, (zwak werkwoord, intransitief), Hetz. als foeteren 2; zie aldaar. – In het bijzonder zich aan onanie schuldig maken. || “Hoe ziet die jongen er zo slecht uit?” “Hij futert te veel.”
foeteren, foeteren, (zwak werkwoord, intransitief), 1) Mopperen, pruttelen, zijn ongenoegen te kennen geven. || Hè, wat foeter-je toch, is ’et niet na je zin? Foeter maar niet langer, ik verander ’et toch niet. ‒ Foeteren wordt bij VAN DALE vermeld in de bet. van zweren (vloeken?) en knorren, mopperen. Het woord schijnt algemeen Ned. te zijn. In Gron. en Oost-Friesl. beduidt het schelden en in die zin is het ook verderop in Duitsland bekend. Zie de wdbb. 2) Met de vingers aan iets zitten te beuzelen. || Wat zit je daar te foeteren, ken-je ’et niet gedaan krijgen? Foeter der nou maar niet langer an, aârs gaat ’et helegaar stuk. Zit niet zo an je boezel te foeteren. Foeter toch niet zo an me goed (zit toch niet zo de hele tijd aan mijn kleren). ‒ Vgl. futeren II.
foezel, foezel, foetsel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Vroeger ook foetsel. Daarnaast ook foezelnet. Zeker visnet, dat langs de grond wordt voortgeschoven. Zie foezelen. || Schrob-netten, foesels, beugels, heeven, zuylen (keur v. 1659), Handv. v. Assend. 220. Seegens, leusnetten, schaeckels, schutnetten, foetsels en fuycken, Hs. ampliatie (a° 1687) op een keur v. !682, archief v. Assendelft. Ook sal niemandt vermoegen eenige Heeff, Schrob- of Foeselnetten ... te hooven nog te huysen, Hs. keur (Westzaanden, a° 1713), archief v. Wormerveer. – Elders komt foesel voor als benaming van de lederen riem, waarmede men muntstukken langs de grond voortslaat (Zaans dagen; zie aldaar). || Men gebruikte deze ... Penningen in velerlei Spelen, op een dergelyke wyze als de Jongens tegenwoordig doen, die dezelven werpen, onder den voet trappen, door lederen foesels voortslaan, tegen dezelven aan knikkeren of ’er met Stuiters op gooien, BERKHEY, Nat. Hist. 3, 1442. Ook het woordenboek van HALMA vermeldt foetzelen als naam van dit kinderspel. In de vorm voezelen vindt men het op een kinderprent, aangehaald bij SCHOTEL, Vaderl. Volksboeken 1, 294.
foezelen, foezelen, (zwak werkwoord), Bij de visserij. Vissen met de foezel, met het foezelnet langs de grond strijken en zo de vis opvangen. Het foezelen heeft plaats bij koud weer, tegen de winter, en geschiedt door twee vissers. De een loopt op de wal en trekt het net voort, de ander zit in de schuit en duwt. Men strijkt met het net stijf langs de wal en de grond en trekt er zodoende alle vis in. Met de foezel wordt vooral karper en baars gevangen. Zie foezel. || We ganen morgen foezelen. – Vgl. affoezelen.
foezelnet, foezelnet, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie foezel.
fok, fok, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook als naam van talloze stukken land, die de driehoekige vorm van een fok hebben. Vgl. bezaan, als naam van land. || Een stuk land, zijnde een fok. Het Fokje. – Reeds in de l7de e. || Een stuk land, || De fock, Polderl. Oostz. I (a° 1694). – Ook als naam van een buurt te W.-Zaandam. || De Fok, Custb. (a° 1750).
fokkeval, fokkeval, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Op een binnenvaartuig. Een touw om de fok op te halen en neer te laten.
fommelen, fummelen, fommelen, (zwak werkwoord, intransitief), Frommelen, met de vingers aan iets zitten te beuzelen (de Wormer). || Zit niet zo an je boezel te fummelen. – Bijvorm van Ned. fommelen, Ndd. fummelen; zie DE JAGER, Freq. 1, 121 vlgg. Evenzo zegt men in de Beemster frummelen voor Ned. frommelen.
fonteinijzer, fonteinijzer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In een oliemolen. Een glad ijzer, onder in de laad van het blok, met aan weerszijden langs de wangstukken een gleuf, waardoor de uitgeperste olie wegloopt in het bekken. – Vgl. laad en zie Groot Volk. Moolenb. III, pl. 3 en 4; Groot Alg. Moolenb. I, pl. 12.
foppepeer, foppepeer, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast foppeer. Een grote winterpeer, die gebruikt wordt om te stoven. || Kijk ers wat ’en grote foppepeer. Neem maar vijf kop foppeperen. Een benn met foppe peren, Hs. T. 33 (W.-Zaandam, a° 1797), prov. achief. – Bij een bepaalde familie in de Wormer is in gebruik de zegsw. half jut, half fop, half om half; b.v. van een kledingstuk, dat twee kleuren heeft, of andere zaken, die uit twee verschillende bestanddelen bestaan. De uitdrukking werd ontleend aan een pereboom, die zowel jutteperen als fopperen droeg. Men spreekt echter in de Wormer niet van foppen, maar van fopperen. – Het woord is ook elders bekend, b.v. in Amstelland; door VAN DALE wordt foppepeer als gewestelijk vermeld.
Frans, Frans, (bijvoeglijk naamwoord), vgl. Frans jassen op jassen.
fransismo, fransimo, (met hoofdtoon op mo en bijtoon op fran), (zelfstandig naamwoord), Alleen in de uitdr. ’t is een fransimo, ’t is een ferme, flinke kerel. – Waarschijnlijk is het woord oorspronkelijk een eigennaam, doch dienaangaande is niets bekend.
frijnen, vrijnen, frijnen, (zwak werkwoord), Daarnaast frijnen. Bij steenhouwers. Met een beitel, waarop met een houten hamer geslagen wordt, smalle evenwijdige lijnen hakken in hardsteen; graderen. || Hardstienen stoepen worre an de kanten ’evrijnd. – Zo ook elders frijnen (zie de wdbb.); in Vlaand. freenen (DE BO). – Zie overvrijnen en vrijnslag.
frijnslag, vrijnslag, frijnslag, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast frijnslag. Bij steenhouwers. Houw, keep, bij het vrijnen gemaakt. Zie vrijnen. Men onderscheidt de Hollandse en de Belgische vrijnslag; bij de eerste zijn de kepen nauwer en dichter opeen. || (Er moeten) niet minder als 9 vrijnslaagen in een duim breedte zijn, Bestek steenhouwerswerk (Krommenie, (a° 1781), Zaanl. Oudhk.
frik, frik, vgl. mortje-frik.
frik, frik, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gehakt (de Wormer). Hetz. als frikkedil; zie aldaar. || We eten vanmiddag frik. Zie zo, de frik is klaar. – Schertsend voor een som geld. || “Zou zo'n ding duur wezen?” “Nou, dat zel zo’n frik niet kosten.” “’t Valt niet mee:’t is nog ’en hele frik, hoor.”
frikadel, frikkedil, (met hoofdtoon op dil), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Frikkadel, gehakt van het vlees van nuchtere kalveren. || Frikkedil eten. Ik zel-je tot frikkedil slaan. Hak em maar an frikkedille. – Evenzo in Friesl. en elders; in Gron. frikkedille. Bij VAN DALE vindt men de vorm frikkadel. Het woord is overgenomen uit het Fra. (fricadelle). – Vgl. frik I.
fruiten, fruiten, (zwak werkwoord, transitief), Braden, stoven. || Vlees fruiten. Je moete de appeltjes goed fruiten. De kool is niet genoeg ’efruit. – In dezelfde zin komen fruten en friten in het Mnl. voor, terwijl het woord ook wordt vermeld door HADR. JUNIUS en KIL. In de 17de e. vindt men het bij CATS. Fruiten en frijten zijn ook nog in W.-Vlaand. gebruikelijk (DE BO). Zie voor de afleiding Mnl. Wdb. II, 852.
fruitig, fruitig, (bijvoeglijk naamwoord), Kril, levendig, opgewekt, vrolijk. || Een fruitig vrouwtje. Trijn ziet er altijd zo fruitig uit. Wat ’en fruitige (kleurige, heldere) japon.
fruitigheidje, fruitigheidje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Iets dat fruitig is. Zie fruitig. || Ze houwen tegenswoordig wel weer van ’en fruitigheidje (van kleurige hoeden en klederen).
fudder, fut, (zelfstandig naamwoord), Onder fut verstaat men gewoonlijk een gebak van parelmeel. – Futters zijn pannekoeken van parelmeel (Koog).
fudder, fudder, fut, futter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast ook futter en fut. Soort van gebak. Meel en water (of melk), vaak met krenten er door, in olie gebakken tot een dikke koek met harde bovenkorst. Synon. (vlagge)knop. Vgl. fudderen.
fudderen, fudderen, (zwak werkwoord, intransitief), Bakken in de pan; alleen van meelbaksels (Zaandam, Wormerveer). Zie fudder. || Breng maar ’en zakkie meel mee, dan zelle-we van avend nog ers lekker fudderen.
fuik, fuik, vuik, vuk, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast bij vissers vuik en vuk. Zie de wdbb. || Doen de vukken maar alvast in de skuit. – Malle fuiken, benaming voor een basterdstel; zie aldaar. – Eertijds werden ook zekere haarlokken aan weerskanten van het gelaat der draagster van de kap bij vergelijking fuikjes genoemd. Zie de platen in Karaktersch. || Dikwijls werd langs het voorhoofd een lokje van fijn gekruld haar gelegd in het midden smal en breder eindigende, ter weerszijden van het hoofd in krullen of fuikjes neerhangende, G. J. HONIG, Oud-Zaansch Bruiloftsfeest 48. – Vgl. de samenst. henfuik, raamfuik, sluisfuik, stelfuik.
fuikstok, fuikstok, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij vissers. Stok die in de grond gestoken wordt om een fuik vast te zetten. Vg1. kamerstok, kubstok, schuttingstok. || Kubstokken benne langer as gewone fuikstokken. – Het woord is ook elders in gebruik.
fun, fun, (bijvoeglijk naamwoord), Smerig. || Wat zien-je der fun uit. – Van dezelfde stam als Ned. vuns, Ndd. fünsk, enz.; vgl. FRANCK op vuns. – Ook: duf. Synon. ousig || Wat is dat boek fun; ’t mag wel ers goed luchten.
fut, fut, (tussenwerpsel), Daarnaast fuut! || Ik kom hard anlopen, en “fuut!” daar gaat de trein net weg. – Evenzo elders in Holl. en in het Stad-Fri.; vgl. DE JAGER, Freq. 2, 132.
fut, fut, (zelfstandig naamwoord), Alleen in de verkl. futje; daarnaast fuutje. Een kleinigheid. || Zo’n mes koop-je voor ’en futje. Der is nog maar ’en futje van over. Honderd gulden! dat ’s geen futje. ’t Kost maar ’en fuutje. – Futje is ook in de Beemster gebruikelijk. Vg1. VAN DALE: fut, niets, wissewasje; zegsw. ’t is fut, ’t betekent niets, heeft niets te beduiden. Evenzo bij MEILAND.
fut, fut, fuut, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)), Daarnaast fuut. Kracht,opgewektheid, levenslust. || De fuut is er uit (van iemand, die neerslachtig is, bij de pakken neerzit). Der het nooit fut in ’ezeten. – De vorm fut is ook elders in Holl. gebruikelijk (BOUMAN 29; O. Volkst. 1, 35) alsook in het Stad-Fri., in Utrecht, W.-Vlaand., e.e. – Fuut hoort men o.a. ook in de Neder-Betuwe (0. Volkst. 1, 177) en in Gron. (MOLEMA 113).
futeren, futeren, (zwak werkwoord, intransitief), Zachtjes blazen (de Wormer). || Futer me niet zo in me oren. Je moete niet zo futeren, blaas goed door. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 29). Vgl. DE JAGER, Freq. 2, 132.
gaaf, gaaf, geef, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast soms nog geef. Zie de wdbb. || Wat ’en mooie, gêve appel. Wat Boom dat hart en geef oock is en noch (nochtans) de dickte mee niet mist (dat is mijn keuze), Saanl. Wassende Roos 12. – De vorm geef hoort men ook in het Stad-Fri.
Gaaitelings, Gaaitelings, (meervoud), || Guurtte Everts, of agter de gaytelings (een stuk land te Krommenie in de Vlus), Polderl. Kromm. (a° 1764), f° 8 v°. Thans onbekend.
gaal, gaal, (bijvoeglijk naamwoord), Onstuimig, ruw; van het weer. || Er is gaal weer op til. – Daar onstuimig weer zich van te voren aankondigt door een zekere beweeglijkheid in het water, zeggen de schippers en vissers ook: “Kijk, wat is ’et water gaal, we krijgen storm”. – In de Wormer en in de Beemster is gebruikelijk op gaal zijn, in aantocht zijn; vooral van storm en onweer. || Er is onweer op gaal. Der is zeker wat op gaal (BOUMAN 77). – Vgl. Deens gal, gek, woedend, Noors ein galen storm, eit galet veer, hevige storm, onstuimig weer (AASEN), Eng. gale, windvlaag, storm. – Zie ongaal.
gaal, gaal, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij vissers. De hoeveelheid viswant, die tussen de beide simmen zit; van zegens en schakels. Het woord wordt niet gebezigd van fuiken. || Er zit weinig (veel) gaal in die zegen. Een mooi gaal.
gaan, gaan, (onregelmatig werkwoord), Vervoeging: tegenw. tijd, ik gaan, je gane (en gaan-je), hij gaat, we gane, jollie, ze gane. Verl. tijd, ik gong, je gong, hij gong, we, jollie, ze gonge. Gebiedende wijs, gaan. Verl. deelw. ’e gaan of ’gaan. || (Wij) gonge nogh met pa(e)rt en slee op Amst(e)rdam, Journ. Caeskoper, 27 Febr. 1697. – Zie heengaan, neergaan, voortgaan, en vgl. allegaande, ongaans, gaandewerk, gang, vergangen, waar-gaan-je en VLAK GAAN op vlak.
gaandewerk, gaandewerk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In een molen. Alle assen en wielen, die de beweegkracht van een molen vormen; in tegenstelling met de onbeweeglijke opstal. || Beschrijving van de Grondt en Gaandewerk van een agtkante Water-Moolen, staande tussen Assendelft en Uitgeest, Groot Volk. Moolenb. I, bl. 3b. Evenzo elders gebruikelijk. – Zegsw. Me gaandewerk is kapot, ik voel mij onwel, ziek.
gaang, gaang, (zelfstandig naamwoord), Zeker soort van vaartuig. Thans onbekend. || Dit maakte meerder schaarsheidt van werk (voor de scheepstimmerwerven), en drong de Timmermeesters ... met yver te trekken aan Boeijers, Gaangs, en diergelijks, SOETEBOOM, S. Arc. 644.
gaar, gaar, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Zegsw. Hij is gaar op de koek, hij is gaar, slim, geslepen, glad.
gaard, gaarde, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. gebed.
gaarderboek, gaarboek, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gaarderboek, legger voor de omslagen der ingelanden van een polder; polderlegger. Thans verouderd, doch de naam gaarboek staat op verschillende polderleggers in de Zaanse archieven.
gaas, gaas, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. kappegaas, schroodjesgaas.
gabber, gabberd, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Guit, slimmerd. || Hij is ’en gabberd (een platje). Je moete zo met ’em oppassen, want ’et is zo’n gabberd. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 30). – Vgl. Mnl. gabber, Mnd. gabbert, spotter, ijdeltuit, en zie gabben, gabberen.
gabberen, gabberen, (zwak werkwoord, transitief), Gappen, wegkapen, stelen. || Pas op, datte ze je horloge niet gabberen. We zellen ders kijken, of er nog wat te gabberen valt. Evenzo in de Beemster (BOUMAN 30). – Vgl. begabberen, ontgabberen, weggabberen, en zie gabben.
gaillarde, galjaartje, (met klemtoon op jaar), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Pretje, vrolijkheidje; eigenlijk een bijeenkomst van jongelui, waarbij gedanst wordt. || Ik hou wel van zo'n galjaartje. – Ook: Ze maken er ’en galjaartje van (ze doen de vrolijkheid ontaarden in herrie). – Evenzo elders in N.-Holl. Het woord komt van Ofra. gaillarde, een soort van dans (LITTRÉ 1, 1816); vgl. Fra. gaillard, lustig, vrolijk. In de eigenlijke zin wordt het nog gebruikt door ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669), 173: “Ghy leert slaen op Herpen, Cijters en Luyten, ... daer toe de Musycke op de mate singen, een Allemande danssen voor de vuyst, ... lustige sprongen in de galjaerden springen.” Zie verder TER GOUW, Volksvermaken 53. – Vgl. galjaren.
galaatje, galaatje, (met klemtoon op la), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Klein wittebroodje (Noord en Zuid 3, 304).
galbonkel, galbonkel, (galbònkǝl, met hoofdtoon op gal), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Meestal in het meerv. Kleine blaasjes of bultjes op de huid, die bij zekere gestellen met de warmte opkomen en verdwijnen. Vgl. bonkel. || Met de warmte heb ik dadelijk weer last van de galbonkels. Me handen zitten vol galbonkeltjes.
galg, galg, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Bij de houtzagerij. Een stellage, om gereedgemaakt hout tegenaan te zetten, en bestaande uit twee staanders met een mik en een dwarslat.
Galgeland, Galgeland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land te Wormer. || ’t Galgelandtje, Hs. (a° 1755), archief v. Wormer. – Ook op de Koog vindt men een Galgeland. Vgl. Galgeveld.
galgenzager, galgezager, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Scheldnaam voor de inwoners van Zaandam. || Zaandammer galgezager. – De oorsprong van de naam ligt in het omzagen van de galg, waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (mei 1678) hingen. Dit feit geschiedde in de nacht van 18 op 19 aug. 1678.
Galgeveld, Galgeveld, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een buurt op de Koog. || Hij woont op ’et Galgeveld. Vgl. Galgeland.
galjaren, galjaren, (met klemtoon op ja), (zwak werkwoord, intransitief), Een galjaartje maken, leven maken, uitgelaten vrolijk zijn. Zie galjaartje. || Jollie moete niet zo galjaren.
Galkamp, Galkamp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een stuk land in de ban van Oostzaanden. Thans waarschijnlijk onbekend. || Het galcampsweer, Polderl. Oostz. I (midden 17de e.).
Galt, Galt, Gal, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk(?)), Thans de Gal. Naam van een water onder Assendelft. || Een stuk land daar ten ende aan gelegen tot de Galt toe, Hs. (a° 1781), archief v. Assendelft.
gammel, gammel, gamel, (bijvoeglijk naamwoord), Oud, vervallen, wrak. || Wat ’en gammel huis. ’t Is er ’en gammel boeltje. Die stoel is zo gammel, je durve der temet niet op zitten gaan. – Ook van personen. Schunnig, maar ook: zwak, ziekelijk. || Hij ziet er gammel uit. Ik voel me gammel. – Vooral ook van vis (alle soorten), die een of meer nachten oud is. In deze zin ook gamel en (van haring) nachtgame1. || ’t Is gammele vis. Die vis is gamel, we moeten er van of. – Het woord is ook elders in N.-Holl., Friesl, Gron., Oost-Friesl. en Drente gebruikelijk, in verschillende opvattingen, doch alle afgeleid van de oorspronkelijke betekenis oud. Het woord is in de Noordse talen zeer gewoon, en komt ook voor in Ohd. en Ags. Vgl. verder Taal- en Letterb. 1, 129 vlgg. en Mnl. Wdb. op gamel. – Nachtgamel vindt men ook in Middeleeuwse keuren van Brielle en Dordrecht; zie Mnl. Wdb. II, 903. In verbasterde vorm komt het voor in Bijvoegsel op WAGENAAR, Vad. Hist., St. XVII, 92: “nagtschamel of wrak”, en Handv. v. Ench. 222a: “de Haringh-koopers … sullen korten ... voor elcke tonne nacht-schamel 2-0-0.” Met nachtschamel kan bedoeld zijn nachtsgamel.
gang, gang, ganggoed, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast ook ganggoed. Zeker soort van aal, trekaal. || Wat is er ’en gang in de fuiken. We hebben heel wat ganggoed ’evongen. – De gang kan alleen in fuiken gevangen worden; met een zegen of kuil is ze niet te krijgen.
gang, gang, (zelfstandig naamwoord mannelijk en onzijdig), Daarnaast gank. In verkl. gankie. Zie de wdbb. – 1) mannelijk Het gaan. || Laat hem zijn gank maar gaan. – In het bijzonder een snelle beweging, vaart. || Daar zit gank achter. Dat gaat met gank. Er zit ’en lekker gankie in. Ik moet eerst goed op gank kommen. - Geef me ’en gankie (een zet om de schommel in gang te brengen). Hele maan, halve maan, laat de schommel zijn gank uitgaan (laat de vaart van de schommel uitgaan, laat de schommel uitlopen; uit een schommelrijm). – Zegsw. Laat hem zijn gank uitlopen, laat hem maar in zijn sop gaar koken. 2) mannelijk Bij de zeildoekweverij. Een gedeelte van de schering. Het garen loopt in 10 draden van de klossen naar het scheerwiel, en loopt daarlangs van boven naar beneden; is het wiel rond geweest dan is een halve gang (10 draden) geschoren. Daarna wordt het wiel teruggedraaid en gaan de draden dus langs dezelfde weg naar boven, wat wederom 10 draden geeft. Dit samen is een gang, die dus uit 20 draden bestaat. Een gang is dus een omloop, één op en neer gaan bij het scheren van de schering. || Eerstelijk dat geene witte Hollandtse soo hennip- als karlgaeren-rollen sullen werden gemaakt als van 45 gangen, wel meerder, maar niet minder, Hs. keur op de rolreederij (± a° 1700), archief v. Wormerveer. – Bij andere weverij bestaat een gang meestal uit meer draden. Vgl. Ned. Wdb. IV, 230 vlg.; Mnl. Wdb. II, 909. 3) onzijdig Een stel. – Een gang water (of melk), zoveel water, enz. als men in één gang of loop kan halen, d.i. twee emmers. || Twee volle emmers maken een gang. Bij ’et gang verkopen. Hoeveel kost ’en gang water? – Evenzo elders in N.-Holl. en in het Stad-Fri. – In molens: Een gang kammen (of dollen), een stel kammen (of dollen), zoveel stuks als er voor een wiel benodigd zijn. Het ene wiel heeft een groter gang dan het andere. || We moeten ’en nuw gang insteken. Een gang van 48 stuks. Der leit al ’en ander gang klaar, as ze breken. – Evenzo: een gang schenen, een stel schenen. || Vier gang schene in de rolle ... , ider gang op 28 stuk en samen 112 stukken, Hs. rekening papiermolen (a° 1780), verz. Honig. – Een gang laadgoed, een compleet stel ijzers en houten voor de laad in een oliemolen. – Een gang hekkens, een gang zomen, voor een molenroede; enz.
gangig, gangig, (bijvoeglijk naamwoord), Bij de stijfselmakerij. Een kwade eigenschap van stijfsel, hierin bestaande, dat de stijfsel tengevolge van de zomerhitte gaat nagisten, zodat er gistgaatjes in komen. || Die stijfsel is gangig.
gangsloot, gangsloot, ganssloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Sloot, die tot verkeersweg dient, vaarsloot. Naam van verschillende sloten onder Wormer en Jisp. Tegenwoordig wordt in officiële stukken en kaarten bijna altijd geschreven ganssloot. Toch zal in de naam wel schuilen het woord gang; vgl. ook Gangweer, gangweg. De spelling gangsloot vond ik o.a. in een Hs. van 1660, archief v. Jisp. Maar veel gewoner is reeds in de 17de e. gansloot en ganssloot. Tegenwoordig spreekt men zowel van gangsloot als van gan(s)sloot. || De Noorder gangsloot en de Kromme Gangsloot (te Jisp). – Ook als naam van stukken land, die op de Gangsloot gelegen zijn. || Pouwels Schoenmaeckers gangssloot, Aegt Symons ganssloot, Jan Pieter Pinck ganssloot, Mr. Jacob ganssloot, Oom Reyers gangssloot, grote Gerrits ganssloot nu genaemt Cees Bierens, enz., Hs. invent. Ploegh (a° 1704), Zaanl. Oudhk.
Gangweer, Gangweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een weer lands in de ban van Oostzaanden. Thans onbekend. || Het gangweer, Polderl. Oostz. I (midden 17de e.). – Het weer zal wel zo genoemd zijn, omdat er een gang (weg) over liep.
gangweg, gangweg, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De begane weg, de weg door een dorp. Thans ongebruikelijk. Vgl. Ned. gangpad (Ned. Wdb. IV, 241.). || (Wordt) geordonneert ... dat yder ingeseten deses dorps voor zyn huysinge ofte erve, langs de gemeene straat off ganghwegh zal moeten stroyen met sant, Hs. keur (a° 1719), archief v. Jisp.
gannefen, gannefen, (zwak werkwoord, transitief), Stil wegkapen. Van gannef, dief, schelm (Ned. Wdb. IV, 243). || Heb jij me stuk koek ’egannefd? Ze gannefde wat ze maar krijgen kon. – Het woord is ook elders bekend.
gapen, gapen, (zwak werkwoord, intransitief), Zegsw. (als men een kind of speelmakker een stuk koek, enz. in de mond wil steken): Gaap, spreeuw!
gappen, gabben, (zwak werkwoord, transitief), Gappen, wegkapen, stelen. || Ze hebben me knikkers ’egabd. Niet gabben daar! – Evenzo elders in N.-Holl. En waarschijnlijk ook in andere streken. – Zie weggabben en gabberen.
garant, garande, garand, gerande, grande, (met klemtoon op ran), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast gerande en garand; vroeger ook grande. Wat men rechtmatig te vorderen heeft, het iemand wettig toekomende deel. Overdr. ook van vrijwillig toegestane giften. || Moet je ’m nog wat betalen, dan zel-i er om opkommen: hij zel wel zorgen, dat-i zijn garande krijgt. Ik heb me garand (weekgeld) al gehad. Hij komt iedere zondag zijn garande (het hem toegelegde pensioentje) ophalen. Zo, kom jij je garande weer halen? (van een bedeelde: eten, brood; van een kind bij familie: koekjes). – Als staande term komt het woord voor in sommige oude transportbrieven. || IngevalIe oft ghebuerden ... , dat dit voorgeschreven lant alsoo vry niet en waer alst wel gewaert wort, soo stelden den voornoemden Pieter Woutersz., voor hem ende sijn erven, sijn ghoederen, roerende ende onroerende, present ende toecomende, van als gheen wtgesondert, om by foute van dien daer aen ende aen die keure van dien haren gharanden, mitsgaders alle costen ende schaden te mogen verhalen ofte doen verhalen by den toonder van dezen, Hs. U. 137 (Krommenie, a° 1598), prov. archief. Om dese betalinge aldus te geschien soo stelle den voornoomden Claes Jansz. Vreexsijs voor zijnen voornoomden dochter Aelet Claes ... , tot eenen prinsepale hypoteke ende onderpant, sijn huis ende erf .. , mitsgaders ... alle sijne anderen goederen, roerende ende onroerende, present ende toecomende, geen van als wtgesondert, om by gebreecken van quade betalingen daer aen ende aen die kuere van dien haren granden, mitsgaders alle costen ende schaden te mogen verhalen ofte doen verhalen by den toonder van desen, ald. (eveneens a° 1598). Ook op Z.-Beveland en te Kadzand kent men garand in de zin van wat men moet hebben, krijgen (Navorscher 10, 378). Uit de vroegere literatuur is tot dusver slechts één voorbeeld van grand in deze betekenis opgetekend. Zie verder over dit woord, dat bij de 17de-eeuwse Amsterdammers ook in de vorm granje voorkomt: Taal- en Letterb. 2, 277 vlgg.; Ned. Wdbb. V, 569; Tijdschr. 12, 279; Museum 2, 315.
garde, geerd, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Meerv. geerden en geers (t voor s wordt nooit uitgesproken). Zekere landmaat; zie Ned. Wdb. op garde en Mnl. Wdb. op gaerde. Het woord is thans verouderd, maar leeft nog voort in de naam van verschillende stukken land. Omtrent de grootte van een geerd is niets met zekerheid te bepalen, daar de in de polderleggers opgegeven maat blijkbaar niet die is, welke de stukken oorspronkelijk hadden. Sommige stukken zullen door het water zijn afgespoeld, andere weder zijn slechts een derde, vierde, zesde part van het oorspronkelijk zo geheten stuk of de samenvoeging van verschillende stukken land. || Die Crommeniers of Vlietsenders hondert geerden, gelegen tusschen Guerts-weer ende ’t banscheyt van Crommenie (tezamen ruim 43 morgen groot), Stoelb. Assend. f° 54 r° (einde 16de e.). Die noorderste geerd, 368 (roeden), Jacob Cuypers geerd, 732 (roeden), Polderl. Assend. I f° 349 r° (a° 1600). Die vier geers, 1945 (roeden), aId., f° 12 r° (a° 1599). Willem Jutten vier geers, 1020 (roeden), ald. f° 30 r°. Die vijff geers, 1077 (roeden), ald., f° 40 r° (a° 1599). Die ses geerden, 804 (roeden), ald., f° 14 r° (aldaar heet hetzelfde stuk ook: die ses geers 804). Die elff geerden, 787 (roeden), ald., f° 119 v° (a° 1600). Die geers, Maatb. Assend. (a° 1635). Die geerde, Polderl. Westz. II (a° 1629). – Van deze stukken zijn thans nog bekend de Vier geers, Vijf geers en Zes geers. Geers is hier het meerv. van geerd en niet de landmaat geers; zie aldaar. – In de Middeleeuwen was geerd aan de Zaan nog in de Friese vorm jerd in gebruik; vgl. GONNET, Zijlkl. 34: Twee jerden vrijlants in Jacobijnenweer (Oostzaanden, a° 1410). – Vgl. Delfgeerd.
garen, garen, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast soms gêren. Zie de wdbb. – Zegsw. er is geen goed garen mee te spinnen, er is met hem niets aan te vangen, hij werkt altijd tegen. Vgl. Ned. Wdb. IV, 290. – Hij is in zijn goed garen of in zijn goed garing (met de nadruk op goed), hij is in zijn nopjes, in zijn element, hij neemt het er van. || Nou, jij ben ok in je goed garen, je zit me daar lekker te smullen. As-i maar ’en boek heb, dan is-i in zijn goed garing. – Zich verhuren met vrij gêren en stopgêren; van boereknechts, zich verhuren onder beding van boven kost en loon ook het nodige garen en stopgaren voor het herstel van kleren en kousen te ontvangen. Evenzo in Waterland. – De vorm gêren is ook in W.-Friesl. en Waterland gebruikelijk, alsmede in het StadFri. – Vgl. de samenst. bossegaren, buulgaren, kantgaren.
garen, gaderen, gadering, zie garen, garing en vgl. vergaring.
garen, garen, (zwak werkwoord, transitief), Zie de wdbb. – Ook collecteren in de kerk. || Bij ons garen twee diakens. We hebben vanmorgen niet veel ’egaard. – Vgl. garing.
garenreder, garenreder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Reder van garen; de zeildoekfabrikant, die het garen toebereidt en dan aan de wevers ter verwerking geeft. Thans verouderd.
garing, garing, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Bij de houtzagerij. De afval der gezaagde balken, die bijeen wordt gegaard en door de knechts voor brandhout mee naar huis wordt genomen.
garnaal, garnaal, garrineel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast garrineel of garreneel. Zie de wdbb. || Vraag ers, of de visvrouw nog garrinelen heb. Toe, eet nog ’en boltje (boterham) mit garreneel. – Vgl. piepgarnaal.
gars, geers, gars, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zekere landmaat, vroeger in Friesl., Gron. en N.-Holl. gebruikelijk. De grootte is niet overal dezelfde; gewoonlijk is de geers ⅓ van een morgen. Vgl. Ned. Wdb. op geers en Mnl. Wdb. op gerse. – In de Middeleeuwen was het woord in N.-Holl. zeer gewoon, vooral in W.-Friesl. Waarschijnlijk gebruikte men het ook aan de Zaan; vgl. “Item een anderhalf gheers in ghint ende van langhe velde” (te Assendelft of te Beverwijk, 13de e.), Hs. v. Egmond, f° 12 v°. Twe gheerse ende eens calves ghers in des abbets venne (te Velzen, 13de e), ald f° 13 v°. – Onder Assendelft vindt men ook heden nog stukken land die Viergeers, Vijfgeers, enz. heten, doch in deze namen schijnt geers van andere oorsprong te zijn; zie geerd. Geers is een bijvorm van gers, gars, gars, dat ook in de vorm gors in gebruik is geweest; zie kalfsgors, koegors. Tegenwoordig is in het N. van N.-Holl. gars, meerv. garzen, als landmaat nog zeer bekend. Men rekent daar 3½ gars als gelijkwaardig met 1 bunder van 1000 □ roeden. – Gars of geers betekent oorspronkelijk grasland, weide.
gart, jirt, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in de uitdr. aan de jirt, op de jirt zijn, aan het jirten zijn, veel uit zijn (de Wormer). Zie jirten. || Hij is nooit thuis; der gaat gien dag voorbij, of-i is an de jirt. Ze bennen weer op de jirt.
gart, jart, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Alleen in de uitdr. aan de jart zijn, veel van huis zijn, langs de straat lopen (de Wormer). Zie verder op garten.
garten, jirten, (zwak werkwoord, intransitief), Veel van huis zijn, langs de straat lopen (de Wormer). – Synon. jarten, jachten, bentelen. || O, die ben weer an ’et jirten; dat zou wel wonder wezen, ze kennen nooit thuis blijven. Die honden jirten wat of; altoos lopen ze bij de weg. – In dergelijke zin ook in de Beemster (BOUMAN 49). – Zie jirt.
garten, gnarten, (zwak werkwoord, intransitief), Doelloos en hinderlijk heen en weer lopen, drentelen. Synon. garten. || Loop niet zo te gnarten. Dat gnarten verveelt me al lang. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 34).
garten, garten, jarten, (zwak werkwoord, intransitief), Doelloos heen en weer lopen drentelen; vaak met de bijgedachte, dat dit hinderlijk is voor anderen. – Synon. gnarten; zie aldaar. || Wat lopen die kinderen weer in de gang te garten. Je most eres ophouwen mit dat garten; alan (telkens) loop-je me in de weg. – Ook: achter een meisje garten (een meisje achternalopen, op straat volgen). || Die jongens garten maar aldoor achter ons an. – In de Wormer is garten onbekend, maar zegt men jarten en, meer nog, an de jart zijn in de zin van veel langs de straat lopen, niet thuis kunnen blijven. || Die kerel is altoos an ’et jarten, thuis zien-je ’em niet. Die meiden ben weer es an ’et jarten. – Synon. is jirten; zie aldaar.
gas, gas, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Lichtgas. || Doen ’et kraantje toe, anders ontsnapt de gas. Ik ruik de gas.
gasser, gaster, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. miesgaster.
gast, gast, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. ingasten.
gat, gat, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zegsw. We krijgen een dik gat met snee, er komt een dik pak sneeuw. – Hij zal er zijn gat wel weten uit te draaien, hij zal zich wel uit die moeilijkheid redden, hij zal wel zorgen, dat hij er niet aansprakelijk voor wordt gesteld, er geen schade bij heeft. – Een roe toe (<i>tegeni>, <i>langsi>) zen eigen gat ophalen, zich zelf benadelen. Zie andere zegswijzen op boor, hemd, karnen, schepel. – In verkl. gatje, iemand met kromme, naar buiten gebogen benen. || Kijk, daar komt gatje. – Vgl. de volgende art. en zie babbelgat, BARNDEGAT op barnen, bentelgat, boeregat, dievegat, hennegat, hooigat, Kattegat, kijfgat, kisgat, kringelgat, lulgat, Mallegat, rijsgat, roedgat, snirtgat, spatpengat, tempelgat, tochtgat, trapgat, trekgat, zwartgat.
gatenbak, gatebak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Gatenplateel, vergiettest. || Laat de andijvie wat uitdruipen op de gatebak. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 31).
gatje-voel doen, gatje-voel doen, Zeker gezelschapsspel, waarbij ieder om de beurt geblinddoekt op de schoot van anderen wordt gezet, om met zijn achterste te raden op wiens (wier) schoot hij zit. – Vgl. kouwe-gatjes-voelderij.
gatwrikken, gatwrikken, (zwak werkwoord), zie wrikbillen.
gauw, gauw, (bijvoeglijk naamwoord), Zegsw. Niet gauw zijn, lusteloos, ongesteld zijn. || Ik ben vandaag niet erge gauw. – Zie een zegsw. op snel.
Gauwentjes, Gauwentjes, Naam van land te Krommenie. Thans niet meer bekend. || Gauwentjes, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 22 (in het Noordend); ald., f° 61 (in de Kerkbuurt). – Misschien is dit land genoemd naar de eigenaar; Gauwe is een bekende mansnaam. Aan samenhang met het water de Gouw (Gauwersloot, Gavesloot) is wegens de ligging niet te denken.
gave, gaaf, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. boêlgaaf.
Gaves, Gaves, Naam van een stuk land op het Kalf. || De gaves op 't Kalff, Polderl. Oostz. I (17 de eeuw).
gebaljaar, gebaljaar, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Getier. Zie baljaren. || Dat is me ’en geschreeuw en ’en gebaljaar; as ’t niet ophoudt, stuur ik jullie allegaar na bed. – Gebaljaar komt ook voor bij GOKKE, Boertige Reis 4, 86.
gebarsten, geborsten, verl. deelw. van barsten; zie barsten.
gebbetje, grebbetje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Grapje. Hetz. als het meer gebruikelijke gebbetje; zie aldaar. – Wellicht is grebbetje uit gebbetje ontstaan onder invloed van grap.
gebbetje, gebbetje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Alleen in verbinding met maken. Grapje, gekheid, gek gebaar. || Hij maakt er altijd ’en gebbetje van. Maak maar geen gebbetjes, dat geeft je toch niet. – Ook elders gebruikelijk. – Vgl. Ned. gabben, gabberen, op een dwaze manier lachen (Ned. Wdb. IV, 114 vlg), en zie grebbetje.
gebed, gebed, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – Ook als naam van een stuk land te Zaandijk. || Het Gebed.
gebekt, bebekt, (bijvoeglijk naamwoord), Praatziek, brutaal. || Hij is goed bebekt (hij is niet op zijn mondje gevallen). – Evenzo in Friesl.
gebentel, gebentel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geslenter (de Wormer). Zie bentelen. || ’t Is me hier op zondagavend ’en gebentel langes de deur.
gebeuren, beuren, gebeuren, (zwak werkwoord, intransitief), Gebeuren. || Dat zel niet beuren. As ’et weȇr beurt, stuur ik je weg. Ik wachtte, maar er beurde niks. Wat is hier ’beurd? (of ’ebeurd)? ’t Is ’ebeurd (’t is gedaan, ’t is uit). ’t Vriezen is ’ebeurd. – Deze vorm is in geheel N.-Holl. de gewone.
geblerk, geblerk, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geschreeuw. Zie blerken. || Dat geblerk zel ophouwen. – Ook elders, b.v. te Utrecht, gebruikelijk.
gebod, gebod, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – De tien geboden, schertsend voor de tien vingers. || As je de kam niet vinden kenne (kunt), neem dan de tien geboden maar. – Ook elders bekend.
gebruiken, gebruiken, bruiken, (zwak werkwoord), Daarnaast soms bruiken. || As jij ’et bruiken kenne (kunt), neem ’et dan maar mee. Ik bruik er altijd groene zeep voor. Hij bruikt ’en bietje te veuI. – Evenzo elders in Holl. In het Fri. brûke, Stad-Fri. brúke.
gebulder, bulder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Heftige woordenvloed, gebulder. Van bulderen. || Toe kwam-i mit ’en bulder op me anstuiven, en-i docht dat ik wel bang worre zou; maar ’et kon me niks schelen, hoor.
gedangel, gedangel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gebeuzel. Zie dangelen. || Maak toch wat an (voort) en schei uit mit je gedangel, aârs kom je nooit klaar. – Evenzo in Friesl. (HALBERTSMA 614).
gedend, gedend, (bijvoeglijk naamwoord), zie dendeschuit.
gedoezel, geduzzel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geteuter, onhandig gescharrel. Zie duzzelen. || ’t Is as je van haar (een oude koopvrouw, die zich moeilijk redden kan) wat kopen wille (wilt) altijd zo’n geduzzel.
gedreutel, gedreutel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Onhandig gescharrel, geteut. Zie dreutelen. || Hè, wat ’en gedreutel! Ik mag dat gedreutel van zo’n klein kind wel zien.
gedreven, gedreven, verl. deelw.; zie zegsw. op gepikt.
gedrog, bedrogje, (bǝdrochie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), een klein gedrochtelijk mens, iemand van ongewone gestalte (de Wormer). || Wat ’en klein bedrochie gaat deer. – Vgl. het nu verouderde Ned. gedrog, spookverschijning, monster (Ned. Wdb. IV, 632), Mnl. gedroch en droch (Mnl. Wdb. II, 1081 en 420) en Ned. gedrocht. De oorspronkelijke bet. dezer woorden is bedrog en dit concreet opgevat als bedriegelijke verschijning, droombeeld, spookverschijning, en vervolgens als spook, monster, misvormd wezen. Vgl. verder Ned. Wdb. IV, 628 op gedrocht.
geduur, geduur, (zelfstandig naamwoord), Bestendigheid, rustige stemming; van een persoon. Steeds met een ontkenning. || Hij het geen geduur (vrede, rust), voordat hij weet wat ’et is. Daar zit geen geduur in (van iemand, die onrustig, ongedurig is, die geen ogenblik bij hetzelfde kan blijven). – Vgl. Ned. ongedurig. Geduur zelf is in de algemene taal verouderd, maar komt in het Mnl. herhaaldelijk voor; zie Mnl. Wdb. II, 1089. Van tijd gebruikt, dus in de zin van duur, vindt men het nog bij SPIEGHEL; zie Ned. Wdb. IV, 653.
geel, geel, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Zegsw. Zo geel as een darm, van iets dat geel ziet. || Dat linnen ziet zo geel as ’en darm. – Zo ook in het Stad-Fri.
geeltje, geeltje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie op witje.
geen, geen, gien, (onbepaald voornaamwoord), Daarnaast gien. Zie de wdbb. || Ik wil der gien ien van hebben. Ik heb er niks gien zinnigheid in.
geeps, geeps, geefs, geeuws, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast ook geefs en geeuws. Geelachtig, ziekelijk van gelaatskleur. || Wat ziet ze der geeuws uit. Je kenne (kunt) wel an zijn geepse kleur zien, dat-i last van zijn gal het. – Geeps is ook in de Beemster gebruikelijk. In de 17de e. vindt men het o.a. bij BREDERO. Zie verder over de afleiding, die niet vaststaat, Ned. Wdb. IV, 688.
geer, gier, geer, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Geerakker; een stuk land, dat giert (geert). Zie gieren. || Anna Duyff Wouters, die gieren, Stoelb. Assend. f° 14 r° (einde 16de e.). Symon Claes Maerts gieren, ald., f° 15 v°. Die gieren in Roeloff Baerts-weer, Polderl. Assend. II f° 195 v° (a° 1600). – Gier is de N.-Holl. vorm van Ned. geer; zie Ned. Wdb. IV, 689.
geer, geerde, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In een schip of schuit. De schuin geplaatste plank bij de steven, die tot steun dient voor de welving. || Je moete de geerde niet te schuin leggen. De planken met een sponningh in de steven: drie duyms binnesponningh; de geerde met een berst van 2 duym op de boom, opdat sy niet scharp werden uytgewerkt; de planken aan de steven na beneden 4 voet en boven op de steven 1½ voet langh, Hs. bestek modderschuit (a° 1736), archief v. Zaandam. Vgl. Ned. geer in soortgelijke zin vermeld in Ned. Wdb. IV, 690 β.
geerd, geerd, geerdig, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast ook geerdig. Bij de kuiperij. Van de hoepels, waarmee de vaten gebonden worden. Scheef toelopende; wanneer de hoepel met de uiteinden over elkaar geslagen, gelijk hij om het vat wordt gelegd, aan de ene zijde wijder is dan aan de andere. De meeste hoepels zijn geerd. Die langere kant heet de geerdkant. Men legt een geerdige hoepel met de geerdkant naar het brede deel van de ton of kuip, de nauwe kant komt dan in de richting van de kimme. – Geerd is oorspronkelijk het verl. deelw. van geren, scheef, schuin lopen, in de oude vorm zonder ge-; geerdig is van geerd afgeleid.
geerde, geerd (lIl), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Afgekort uit geerde. – Op een binnenvaartuig. Een touw achter aan de giek, om deze vast te zetten, wanneer er zwaar goed te laden of te lossen valt en het schip dus over zij gaat. De geerd wordt dan vastgemaakt aan de bolder of de achteroverloop. – Vroeger hadden beurtschippers aan weerskanten van de spriet een geerd, doch dit komt thans niet meer voor. || Als Marktschipper zal (hy) gehouden zijn te varen met 2 knegts en met 2 geerde aen de spriet, Hs. (a° 1780), archief v. Wormerveer. – Zie verder Ned. Wdb. IV, 691, waar geerde vermeld wordt als een touw om de gaffel in bedwang te houden.
geerdkant, geerdkant, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie geerd I.
Geesje, Geesje, (gesie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land te Westzaan, bij de Hogendijk. || Dat geesie, Polderl. Westz. II (a° 1629).
geestig, geestig, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Ook: vol vluchtige delen, werkende; van hout, waar veel hars in zit. || Het hout moet eerst wat uitwerken, want ’et is zo geestig; je ken ’et nou nog niet gebruiken.
geflenter, geflenter, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geslenter. Zie flenteren. || Dat is ’en geflenter bij de straat.
gefluister, gefnister, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gefluister. Zie fnisteren. || Ik hou niet van dat gefnister, ’t is nooit wat goeds. Dat gefnister weet wat.
gefnadder, gefnadder, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gewrijf, gesmeer in een natte of weke massa. Zie fnadderen. || Dat gefnadder in de raam zei uit wezen. ’t Is zo'n smerig gefnadder in die olie.
gefoeter, gefoeter, (zelfstandig naamwoord onzijdig), De handeling van foeteren; zie aldaar, en vgl. Ned. Wdb. IV, 777. – 1) Geharrewar. || Dat eeuwige gefoeter van jollie begint me te vervelen. Wat ’en gefoeter om zo’n kleinigheid. 2) Gebeuzel, geteutel, gewroet. || Schei toch uit met dat gefoeter an je schortel. As je niet ophouwe met dat gefoeter an die klok, dan breek je de hele boel nog.
gegart, gegart, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geslenter. Zie garten. || Schei nou maar ers uit met dat gegart in de gang; de vorf (verf) slijt er toch wel of. Wat was ’et weer ’en gegart achter die meiden.
geglooi, geglouw, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gegluur. Zie glouwen. || Ik ken dat geglouw van die overburen niet velen.
gegnok, gegnok, (gǝgnòk), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast gegnuk. Geschooi, gebedel. Zie gnokken. || je kent niet zitten eten, of je heb altijd dat gegnok van die hond. Dat gegnok verveelt me allang.
gegraasde, graasde, (bijvoeglijk naamwoord), Alleen in graasde boter, grasboter, boter van gegraasd hebbende koeien. || De koeien lopen al ’en paar dagen in ’t land; gaan ers vragen, of ze nog geen graasde boter hebben. – In Ned. Wdb. IV, 789 wordt gegraasde (begraasde) boter vermeld als gewestelijk voor grasboter. Zie verder Ned. Wdb. V, 524 op graasde boter.
gegrut, gegrut, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gezoek, gewroet. Zie grutten. || Ik heb genoeg van dat gegrut, ik schei der mee uit. Al dat gegrut in de sloot geeft toch niks, ze vinden de lepel toch niet terug.
geguif, geguif, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Hetz. als gegui. Zie guiven.
geguif, gegui, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geloei, gegier, van de wind. Zie guien. || Dat gegui van de wind is toch zo'n droefgeestig geluid.
geguifel, geguifel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gegiechel. Zie guifelen. || Onder groot gejuich, gelach, gegil en geguifel werd de tocht (van de gecostumeerden) volbracht, Zaanl. Courant v. 22 juli 1893.
geguit, geguit, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Hetz. als gegui. Zie guiten.
gehakt, gehak, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In verkl. gehakkie. Gehakt. || We eten vanmiddag gehak. Wat is dat gehak zwart gebrand. Een koud gehakkie. Je krijge der altijd gehakkies.
geheellijk, geheliglijk, (bijwoord), Geheellijk. Thans verouderd. || Gelyk de geen ... die hier in zonden leeft, en zich geheelliglyk de Waereld overgeeft, SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 59. – De eerste druk van het boek heeft hier (bl. 57) “gehelelijk”. Gehelelijk komt ook bij BREDERO voor; zie Ned. Wdb. IV, 822.
gehoesteproest, gehoesteproest, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Voortdurend gehoest en geproest. Zie hoesteproesten. || Wat ’en gehoesteproest. Hou ers op met dat gehoesteproest.
gei, gei, gaai, (gaai), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Op een schip. Een lopend touw, waarmede het zeil wordt aangehaald en ingekort; zie Ned. Wdb. IV, 903. Misschien schuilt dit woord ook in de uitdr. an de gaai wezen, op de loop, aan de haal zijn. Onder het geien gaat ook het zeil, als het ware, op de loop, daar het onder het inkorten hoe langer hoe kleiner wordt. – De gei draagt hogerop in N.-Holl de naam van gover, en dit woord komt ook voor bij BERKHEY, Zeetriumph 294: “Wijl de zeilen door de gover, een poos gedekt zyn, op dat men wat drijven kon.” Vgl. Ned. Wdb. V, 497, waar de betekenis van het woord in het midden gelaten wordt. Een zeil met een gei heet goverzeil. Zie Taalgids 1, 29 vlgg.
gek, gek, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Wees mijn gek eens voor een oortje, dan zel-je twee duiten zien (tegen iemand, door wie men voor de gek gehouden wordt, gezegd, om te tonen dat men dit bemerkt). – Vgl. scheren.
gekarteld, gekarreld, (bijvoeglijk naamwoord), Gekarteld, van ronde inkepingen voorzien. Zie karrel. || Schalen met een gekarreld randje. – Vgl. karrelrand.
geklam, geklam, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gekibbel, getwist. Zie klammen. || ’t Is altoos geklam tussen hollie (hen). Schei nou toch ers uit met dat gekibbel en geklam.
gekletter, geklet, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Weerkaatsing. Thans verouderd. Zie kletten. || Hier moet dit gansche ryk, de Koninklyke kroon eens wagg’len, beven, voor ons sterke Minaltaren, de Zee moet door ’t geklet, de gollevende baren, door eenen sterk geklots verheffen tot de lugt, SLOOFF, Suzanna 15.
geklieder, geklieter, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gemors, gesmeer. Zie klieteren. || Wat ’en geklieter in je eten. Wil-je dat geklieter wel ers gauw laten.
gekneek, gekneek, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gezanik. Zie kneken. || Ik ben dat gekneek al lang moe. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 57).
gekneert, gekneert, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gezeur; ook het spreken door de neus. Zie kneerten. || Altijd dat gekneert an te moeten horen, zel toch ok vervelen.
gekneert, geknirt, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Hetz. als gekneert. Zie knirten.
gekneter, gekneter, (zelfstandig naamwoord onzijdig), De handeling van kneteren; zie aldaar. – 1) Gemors, gesmeer, gekneed. || Hou op met dat gekneter in je eten. Kijk me zuk gekneter in me gang ers an (als die vuil wordt gemaakt door smerige voeten). 2) Geplooi, gebeuzel. Thans in onbruik. || Het roken van den toeback, het opproncken van sijn Huyt, het versieren van zijn Ligchaem, het nodeloos gekneter, dat velen hebben met haer Lynwaet, daer se soo veel tijt mede verspillen, Hs. (einde 17de e.), Zaanl. Oudhk.
gekneuter, geknoeter, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het gebrekkig spreken, stamelen van kleine kinderen. Zie knoeteren. || Dat geknoeter van die kleintjes mag ik wel horen.
geknoei, geknoei, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geknijp, gepijnig. Zie knoeien. || Jij ok altijd met je geknoei, schei uit! – Even zo in het Stad-Fri.
gekoor, gek-oor, (met klemtoon op gek), (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Gek, dwaas, malloot. || Wat ben je toch ’en gek-oor. – Vgl. mal-oor.
gekopt, kopt, (bijvoeglijk naamwoord), In de uitdr. kopte maat, een maat waar een kop op staat. Zie kop 2. Kopt is een oude vorm, zonder ge-, voor gekopt, van een kop voorzien. Het tegenovergestelde is streekte maat, gestreekte, met de streek afgestreken maat. || Gort wordt verkocht bij de kopte of de streekte maat.
gekramdenap, kramdenap, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast kramdenappig, krammenappig en krammenak, krammenakkig. Zwak, teer, wrak; eigenlijk zo breekbaar als een (ge)kramde nap. || Dat koppie is wat kramdenap. Pas op, die stoel is kramdenappig. Ik moet elke dag ’en endje lopen (wandelen), want ik ben tegenswoordig wat krammenak (zwak van gezondheid). Je kenne (kunt) wel zien, dat ze ziek ’eweest heb, ze loopt zo krammenakkig (onzeker, wankelend).
gekriem, gekriem, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geweeklaag, getob. Zie kriemen. || Ik heb al lang genoeg van je gekriem. Dat vervelende gekriem!
gekringel, gekringel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gedrang. Zie kringelen. || ’t Was zo’n gekringel, toe de kerk uitgong.
gekroel, gekroel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), De handeling van kroelen; zie aldaar. || Kijk dat gekroeI van die twee kleintjes ers.
gekwebbel, gekwebbel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gebabbel, druk gepraat. || Wat ’en gekwebbel! – Evenals kwebbelen, babbelen, snateren, is het woord ook hier en daar elders in de volkstaal bekend (DE JAGER, Freq. I, 351; OPPREL 68; GALLEÉ 24).
geld, geld, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. eestgeld, lastengeld, overwerkersgeld, weelgeld en geldjesdag. – Zegsw. Geld of de kinderen wakker, schertsend dreigement als men van iemand geld ontvangen moet. – Zie nog een zegsw. op donker.
geldbon, geldbon, (gelbòn), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Kastje, waarin het geld bewaard wordt. Vgl. bon 2. || Ik zei ’et maar in de geldbon bergen.
geldjesdag, geldjesdag, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De dag, waarop het werkloon aan de arbeiders wordt uitbetaald. Vgl. Ned. Wdb. IV, 1085. || Dingesdag is ’et geldjesdag. Ik moet vandaag na de molen, want ’et is geldjesdag, anders krijgt ’et volk zijn loon niet. Me man zel ze vandaag wel slikke, en ik zel em mit geldjesdag wel op zen kop tikke. Sch. t. W. 276.
gelebber, gelebber, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geslurp, langzaam, drinken. Zie lebberen. || Hou nou op mit dat gelebber, je maken ’et glas zo smerig.
gelegenheid, gelegenheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast gelegentheid. Vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 31; NAUTA, Taalk. Aant. op Bredero, § 44γ. || Ik zeI ’et bij gelegenheid wel doen. – De vorm wordt ook elders gehoord.
geling, geling, (géləng, met klemtoon op gé), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Benaming van een ziekte. Geelzucht. || Hij heb de geling.
geloven, geloven, loven, (zwak werkwoord), Daarnaast loven. || Ik loof er niks van. Weerom loof-je ’t niet – Evenzo elders in N.-Holl. Ook in de oudere taal; vgl. NAUTA, Taalk. Aant. op Bredero, § 27a. Voorts ook in het Stad-Fri.
gelt, geld, (bijvoeglijk naamwoord), 1) Niet drachtig, gust, vaar; van koeien en andere vrouwelijke dieren, die men niet laat bevruchten, maar wil vetweiden of mesten. || Drie gelde koeien en twee kalfkoeien. Een geld schaap. Een gelde zeug. – Zie Ned. Wdb. IV, 1067, waar het woord als gewestelijk N.-Holl. wordt opgegeven. Vgl. ald. 1278 op gelt en zie geld III. 2) Van baars en andere vis, ter aanduiding van het mannetje of hommer. || Ik had gelde baars besteld, maar ik heb toch niet allemaal hommers ’ekregen. – Vgl. Ned. Wdb. IV, 1068, waar deze bet. als verouderd wordt opgegeven en voorbeelden uit de 17de en 18de e. worden medegedeeld.
gelte, geld, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gesneden varken van het vrouwelijk geslacht. Het castreren geschiedt gewoonlijk wanneer de biggen vier weken oud zijn; na het snijden heten de vrouwelijke gelden en de mannelijke bargen. – Evenzo elders in N.-Holl. Vgl. geld II en zie Ned. Wdb. op gelte.
geluid, luid, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geluid, gerucht. || An ’et luid van de haai (hei, in een oliemolen) ken-je horen of-i goed of ’eborsten (gebarsten) is. Het luid deugt niet. – Zegsw. Dat is goed luid, dat is goede tijding. – Zo ook in het Stad-Fri. in (’en) goed <i>luudi>. – In de algemene taal komt het woord alleen nog voor in de uitdr. naar luid van, volgens de inhoud van. In het Mnl. is luut, geluid, gerucht, enz. zeer gebruikelijk.
gelukkig, gelukkig, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Zegsw. Zo gelukkig as ’en kat die op zen verjaardag verzuipt.
gemaal, gemaal, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Hoeveelheid zaad, die gemalen wordt. || Een goed gemaal. ’t Waait lekker; dat geeft van de week wel ’en gemaaltje. – Vgl. Ned. Wdb. IV, 1332.
gemak, gemak, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. ongemak.
gemeen, gemeen, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast gemien. Zie de wdbb. – Ook gemeenzaam, niet hooghartig. || ’t Is zo’n gemien man, zo niks niet trots. Vgl.: De Mosschoviters konnen niet wel verdragen en zijn daer over seer jeloers, dat haren souverayn so veel houdt van de Zaandammer timmerlieden en hem so gemeen bij deselve maeckt (zo gemeenzaam met hen omgaat, met hen eet, enz.), Journ. Nomen. – Gemeen in deze zin is ook elders in N.-Holl. en in Friesl. gebruikelijk. In de schrijftaal vindt men het b.v. bij WOLFF en DEKEN, Econ. Liedjes (ed. 1792), 80: “Dorst jij met zulken Heer zó praten! Maar hy’s niet grootsch, hoe wel schatrijk; en heel gemeen, hoe hoog in staaten.” Evenzo reeds in het Mnl.; zie Mnl. Wdb. II, 1338.
gemeente, mient, meente, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Afgekort uit miente. – 1) Meente, gemeente. Thans verouderd. || Ter mienten oirbaer (ten algemenen nutte), Priv. v. Westz. 338 (a° 1444). Soo dat hem per slot van Rekeningh komt (toekomt) vande Miendt de somme van ses-hondert negentien gulden, ald. 521 (a° 1649). De miendts molenwerff (d.i. de werf van de korenmolen der mient), Polderl. Oostz. I (O.-Zaandam, 17de e.). - Vgl. mienteschuur, mientewerf. 2) Een stuk land dat aan de mient toebehoort, gemeenschappelijke weide, meent. Thans alleen als historische term bekend. In de Zaanstreek bestaat nog slechts één mient, nl. de Buitenkaag onder Assendelft. De gemeenschappelijke bezitters hebben ieder een bepaald aangewezen stuk, waarop zij hooien. Dit hooien moet op een bepaalde dag zijn afgelopen, waarop bij bekkenslag wordt omgeroepen dat het vee in de weide gedreven mag worden. Iedere koeschaar (45 roeden), die men in de Kaag bezit, geeft het recht één koe te laten weiden. – Mient komt ook voor in de naam van verschillende stukken land. || Guertgen Claes, die mient ande leegendijck (in Guerts-weer te Assendelft), Stoelb. Assend. f° 53 r° (einde 16de e.). De mient in Claes Pietersz. Keyens, 587:7 roeden (in de ban v. Oostzaanden), Polderl. Oostz. I (17de e.). Mientdijkje (stuk land te Wormer), Polderl. Wormer f° 3 (a° 1776). – Vgl. dommient.
gemeenteschaar, mienschaar, meenschaar, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast mienschar. Gemeenschappelijke weide. Vgl. mient 2 en schaar II. Het woord is thans alleen als historische term bekend. Het komt ook voor in de naam van stukken land. || Die vuyter mienschar 305 (roeden), Polderl. Westz. III f° 86 v° (a° 1644). – Evenzo elders in N.-Holl. || Op mijn Vaders Landt genaemt die Mienscher (in de Rijp), LEEGHWATER, Kl. Chron. 6. – Het woord is ook in andere streken gebruikelijk, vgl. Mnd. mênschar, mênscher.
gemeenteschuur, mienteschuur, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een schuurtje waarin spaden, kruiwagens en ander aan de gemeente behorend gereedschap wordt geborgen. Zie mient. – In het bijzonder heet aldus een schuur aan de Hoogendijk tussen Westzaan en Assendelft. || Haal ’et reedschap maar uit de mienteschuur. Van de mienteschuur af tot aan de straat langs het voetpad een hekje te maaken, Hs. aanbesteding (a° 1773), archief v. Westzaan.
gemeentewerf, mientewerf, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De werf aan de Hoogendijk, waarop de mienteschuur staat. || De nieuwgemaakte straat op de dijk, genevens de zoogenaamde Mientewerf, Hs. (a° 1775), archief v. Westzaan.
gemengd, gemengeld, (bijvoeglijk naamwoord), Afwisselend. Thans in onbruik. || Ik heb my in de vertellinge van de Zaan soo vermaakt, even of wy aan de lieffelijke en gemengelde Zaan met de hoogste vermakelijkheidt geseten hadden, SOETEBOOM, S. Arc. 275.
gemeutel, gemeutel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gepruttel, gemopper. Zie meutelen. || Wat ’en gemeutel, wil-je wel ers gauw stil houwen!
gemierek, gemierek, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Getuur. Zie miereken. || Pas maar op, dat je met dat gemierek je ogen niet bederve.
gemodder, gemadder, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gemors. Zie madderen. || Wat is me dat hier ’en gemadder.
gems, gems, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gemzen jagen, zaad verschieten, meel verschoppen. In pakhuizen en pellerijen. Zie synon. op zuchten. || Ze hebben de schoppen op schoer (schouder); ze ganen zeker weer uit gemzen jagen.
geneugte, neugt, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zin, genoegen. In de uitdr. ik heb er gien neugt in, ik heb er geen lust in, ik wil niet. – Evenzo in Friesl. ik heb er gien nogt an.
genezen, genezen, (sterk werkwoord), Zie de wdbb. – Zegsw. Dat geneest je niet, dat helpt je niet, in overdrachtelijke zin. || Al heb-je er gien zin in, ’t moet gebeuren: dat geneest je niet. – Zo ook elders.
geng, geng, (bijwoord), Dikwijls. || Ze komt nogal geng bij ons. Dat beurt (gebeurt) geng. – Soms ook: graag. || “Hou je van bokkern?” “Ik lust ze dan geng!” – Het woord zal wel hetzelfde zijn als Mnl. genge (ginge, gange), bijvoeglijk naamwoord, gangbaar (van munten), dat vooral gebruikelijk is in de uitdr. geng ende gave. Het komt echter ook voor in de zin van gewoon, veel voorkomende; b.v. Rijmb. 25481: “deze dinge sijn nu weder worden ghinghe”. Zie Mnl. Wdb. II, 1419 vlg. Uit deze bet. is het ontstaan van een bijwoord geng, dikwijls, zeer goed verklaarbaar.
geniepen, gniepen, (zwak werkwoord, transitief), Op verraderlijke wijze pijn doen. || Hij heb me ’egniept; me arm is er blauw van. – Vgl. Ned. Wdb. op geniep en gniep.
genieperd, gnieper, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die gniept, geniepigerd. Zie gniepen. || ’t Is zo'n gnieper.
genig, genig, gienig, (onbepaald voornaamwoord), Daarnaast gienig. Geen enkel, geen één. Weinig gebruikelijk. || Ik heb er gienig mens ’ezien. Daer geschiede geen navorsschinge van de Regenten, in geenige plaetse, over de bedrijvers van de eerste beroertern, N.-Holl. Ontrust. 50. – Het woord komt bij 17de-eeuwse schrijvers dikwijls voor, maar is thans in de algemene taal verouderd; zie Ned. Wdb. IV, 684.
genoeg, genoeg, (onbepaald telwoord en bijwoord), Daarnaast genog. || Der is genog regenwater ’evallen.
gent, gent, (bijvoeglijk naamwoord (?)), In de naam van een stuk land onder Oostzaanden. Thans onbekend. || In de veen in Claes Langenweer noch de gente veen, Polderl. Oostz. I (midden 17de e).
genuffel, genuffel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gepeuter, teutwerkje. Zie nuffelen. || ’t Is nog ’en heel genuffel om ’et weer in mekaar te krijgen.
gepikt, gepikt, (bijvoeglijk naamwoord), Met pik ingesmeerd. Zegsw. Hij is gepikt en gedreven, hij is reisvaardig, klaar, uitgerust. – Het beeld is ontleend aan de schoenmakerij. Het leder wordt eerst in een emmer met water geweekt, daarna gepikt en dan op de leest gedreven.
gepolster, gepolster, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geplons, geroer in het water. Zie polsteren. || Gelijk sommige visschen ... met groot gepolster en gedruys gedreven worden in des Visschers netten, SOETEBOOM, Voorlooper 25.
gepook, gepook, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Het nemen van korte streken hij het schaatsenrijden. Zie poken. || Kijk ers wat ’en allerakeligst gepook. Hij komt met zijn gepook toch maar goed vooruit.
gepriegel, gepriegel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gepeuter. Zie priegelen I. || Wat ’en fijn borduurwerk, dat’s me ok ’en gepriegel.
geraamd, raamd, (bijvoeglijk naamwoord), Voor geraamd. Van een ijzeren schop. Geboeid, van een opstaande rand voorzien, omraamd (Assendelft). Een raamde schop wordt gebruikt om bagger uit de sloot te scheppen of om mest te verschoppen.
geraamd, geraamd, (bijvoeglijk naamwoord), zie raamd.
gerak, gerak, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zoveel voedsel als men nodig heeft; ook zoveel spijs of drank als iemand gewoonlijk of op een bepaald tijdstip wordt toegedeeld. || Je krijge hier je gerak niet (niet genoeg te eten). Hij geeft zijn vee ’en goed gerak. “Wil je nog ’en koppie koffie?” “Nee, ik heb me gerak gehad.” Mijn gerak is twee broodjes (ik ben gewoon altijd twee boterhammen te eten). Daar heb je je gerak (de iemand toekomende portie van een gelijkelijk verdeelde lekkernij). Dat is je gerak, meer krijg je niet. – Gerak was in de 17de en 18de e. bij Hollandse schrijvers zeer gebruikelijk. Thans is het in de algemene taal bijna verouderd; zie Ned. Wdb. IV, 1621. Voor het gebruik in dialecten vergelijke men verder: BOUMAN 32 (de Beemster), Taalgids 3, 279 (de Bildt), MOLEMA 120 (Groningen), KOOLMAN I, 611 (Oost-Friesl.). Ook in het Stad-Fri.
gereedheid, redigheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), gewoonlijk in de vorm reejigheid. Het reed zijn. Zie reed III. || Om de reejigheid loop ik dit om (omdat het reder is, spoediger tot het doel leidt, ga ik deze weg). Dat doen je zeker voor de reejigheid (om spoediger gereed te zijn), dat je de boel die schoon was nag eres (nog eens) moddig make (maakt).
gereedzetter, reedzetter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij het toebereiden van het garen voor de zeildoekweverij. De jongen wiens werk het is het garen reed (gereed) te zetten. Hij gaat daartoe zitten op een laag bankje, het reedzettersbankie, en vlecht telkens twee roven (strengen) ruw garen door elkaar tot een soort van kloen, die hij op stapels gereed zet. Daarna wordt het garen in de ketel van het ziedhuis gekookt.
gereedzettersbankje, reedzettersbankje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie reedzetter.
gerei, gerei, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij vissers. De lever en kuit van kabeljauw en leng. || We verkopen ’et gerei ook. – Vgl. (?) Ned. gewei, geweide, ingewand (Ned. Wdb. IV, 2030). Men schijnt echter alleen de vorm gerei te kennen.
geren, geren, (zwak werkwoord), vgl. gieren.
geren, gieren, (zwak werkwoord, intransitief), Geren, scheef lopen, een scheve richting hebben; zie Ned. Wdb. IV, 692. || Een gierende kamer. Dat huis giert. – De vorm is ook elders in N.-Holl. gebruikelijk (Ned. Wdb. IV, 2290). – Vgl. gier, giering, geerd I en geerde.
geribbeld, geribbeld, (bijvoeglijk naamwoord), Geribd, aan de oppervlakte van ribbels (evenwijdig lopende smalle verhevenheden) voorzien. Zie ribbel. || Een deur met geribbeld glas. Wat is dat papier mooi geribbeld.
gerij, gerit, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Dat waarmede men rijdt, paard en rijtuig. || Gaan effen bij de boer vragen, of ik morgen zijn gerit lienen (lenen) mag. Ze hebben de schoolkinderen voor niks met ’er gerit na Kastrikum ’ereden. – In deze zin schijnt het woord elders niet voor te komen. Wel vindt men gerit in het Mnl. en bij KIL. voor ruiterij, paardenvolk. In de 17de e. betekent het ook telkens en aanhoudend rijden, toeloop, aanloop. Zie de wdbb.
gerin, giering, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een stuk land, dat giert. Zie gieren. || De lange Giering, de Middel-giering (namen van landerijen onder Assendelft). Willem Clousz. ghiring; Kees Moyduyven gieringh, Maatb. Assend. (a° 1634). – Vgl. gier.
geroffeld, geroffeld, (bijvoeglijk naamwoord), Roffelig, van evenwijdige verhevenheden voorzien. Zie roffel. || Een geroffelde weeg (muur). As ’en weeg uit over mekaar gelegen planken bestaat, is-i van binnen getrapt en van buiten geroffeld.
Gerrit, Gerrit, mansnaam. Zegsw. Smalle Gerrit, gierigaard; hetz. als Ned. gierige Gerrit; vgI. Ned. Wdb. IV, 2298. || ’t Is ’en smalle Gerrit, hoor.
gerven, gerven, (zwak werkwoord, intransitief), Nieuw dons en gevederte krijgen; van eenden en andere vogels. || De eenden ben an ’t gerven. – Gerven is hetzelfde woord als Mnl. gerven, eigenlijk gereedmaken, in orde maken, doch dat gewoonlijk voorkomt in de zin van kleden, uitdossen, in het bijzonder van geestelijken, die zich met hun ordegewaad tooien; zie Mnl. Wdb. II, 1574. Vandaar het vooral in de oostelijke provinciën nog gebruikelijke woord gerfkamer, consistoriekamer, eertijds de kleedkamer des priesters; zie Ned. Wdb. op gerfkamer. – Vgl. de samenst. opgerven, vergerven.
gesaggel, gesaggel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast gezaggel. Geslenter. Zie saggellen. || Ik hou niks van dat gesaggel, je worre (wordt) der zo loof (moede) van.
geschild, geschild, (bijvoeglijk naamwoord), Van een schil voorzien. Zie een zegsw. op appel.
geschinder, geschinster, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geschitter. Zie schinsteren. || Dat geschinster van de zon op de snouw (sneeuw) doet zeer an je ogen.
geschommel, geschoppel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Geschommel, getouter. Zie schoppelen. || Pas maar op, dat je van al dat geschoppel niet duizelig worre (wordt).
geselen, geselen, (zwak werkwoord, transitief), Zegsw. De melk is gegeseld, de melk ziet blauw (nl. van het water, dat er door gedaan is). || Nou, nou, wat is die melk gegeseld.
geseling, geseling, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Op zo’n geseling past een brandmerk; gezegd door burgermensen, als zij een pijpje opsteken na goed gegeten te hebben.
gesoezel, gesoezel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gesoes, onrustige beweging om iemand heen. Vgl. soezelig. || Ik ken er niet meer tegen zo’n hele dag in dat gesoezel van kleine kinderen te wezen. Van al dat gesoezel loopt je hoofd om.
gesp, gasp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie gesp.
gesp, gesp, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast soms nog gasp. In verkl. gespie, gaspie. Zie de wdbb. || Een boekie met twee silvere krapies (knipjes), een paar silvere gaspies, Hs. invent. (Wormer, a° 1764), prov. archief. – De vorm gasp is ook in het Stad-Fri. gebruikelijk.
gespook, gespook, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Leven, rumoer. Zie spoken. || ’s Morgens, as de kinderen wakker worden, begint ’et gespook al. Wat is dat voor ’en gespook op zolder? – Zie Ned. Wdb. IV, 1783, waar het woord in een dergelijke zin wordt vermeld.
gesprenkeld, gesprenkeld, sprenkeld, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast sprenkeld. Van sprenkels voorzien, gespikkeld; van vee, honden, enz. || Een sprenkelde koe (hetz. als grimmeld; zie aldaar). Hij heb ’en mooie gesprenkelde hond. – Volgens Ned. Wdb. IV, 1786, is het in de algemene taal verouderd.
gesputter, gesputter, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gespat, met de mond. Zie sputteren. || Dat is me ’en gesputter en geproest. Je make (maakt) me alles nat mit je gesputter. – Elders gebruikt men het woord in de zin van gemopper, gefoeter.
gesterig, gisterig, (bijvoeglijk naamwoord), Opgewonden, van toorn. Hetz. als begist; zie aldaar. || Het is om je gisterig te maken.
gestruin, gestruin, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast soms nog gestruun. Gesnuffel, gezoek. Zie struinen. || Wil-je dat gestruin wel ers laten; je hoeve (behoeft) niet mit je handen overal in te zitten. Dat gestruun van die meiden is toch ’en last, je ken geen sleutel in ’en kast staan laten.
gestuntel, gestuntel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gebrekkig lopen, onredzaam bezig zijn. Zie stuntelen. || Kijk dat gestuntel van die ouwe vrouw, help ’er ’en handje.
getijgerd, tijgerd, (bijvoeglijk naamwoord), Voor getijgerd. Met zwarte stippels, gespikkeld. Synon. gesprenkeld. || Een tijgerde koe. – Evenzo in Oost-Friesl. tigerd, gevlekt (KOOLMAN 3, 409).
getjuiter, getjuinder, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Drukte, getier. Zie tjuinderen. || Wat is er ’en getjuinder an de weg. Jongens, hou op mit dat getjuinder; horen en zien vergaat me.
getrapt, getrapt, (bijvoeglijk naamwoord), Uit trapsgewijs geplaatste planken bestaande; van een houten wand, die uit over elkander gelegde planken getimmerd is. || Zo’n getrapte weeg staat toch lillik. ’t Is ’n ouwerwets huis, er is nog ’en getrapte gang (de wanden der gang bestaan uit over elkaar stekende planken).
geuen, geuen, (zwak werkwoord, intransitief), Geluidjes maken; van een zeer jong kind. Klanknabootsend woord. || Het kindje geut. Wat leit dat kind lekker te geuen. – Evenzo elders in Holl. || “De zuigeling scheen zelfs begerig dit te zien. Het kinderbolletje kijkt om, en geut met lonkjes de lieve moeder toe”, BERKHEY, Zeetriumph 2, 431. – Vgl. guien.
geürm, geërm, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Getob, geweeklaag. Zie ermen. || Hou nou maar op met je geërm. Al dat geërm geeft toch niks.
Geuzenverraad, Geuzenverraad, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een stuk land in de ban van Oostzaanden. || ’t Geuse verraet, Polderl. Oostz. I (17de e.). – Ook het weer, waarin het stuk ligt, heet het Geuse-verraetsweer, ald. De naam doelt op een gebeurtenis in de Spaanse tijd.
gevel, gevel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een houten spits van omtrent 1 m lengte, boven op de top der Zaanse puntgevels, ter plaatse waar de beide windveren elkander raken. De gevel heeft de gedaante van een puntig toelopende kurketrekker, die op een bol is geplaatst; tegenwoordig wordt de vorm dikwijls vereenvoudigd. Meestal draagt zowel de voor- als de achtergevel van het huis zulk een spits. || De gevel is van ’et huis of’ewaaid. Er hoeft geen nieuwe gevel op ’ezet te worden. Moet ik de gevel wit of groen schilderen? Item aen elck ent te maecken twee wintveeren met een gevel daer op, Hs. bestek spinhuis (a° 1664), archief v. Assendelft. – Ook als naam van een pakhuis te Wormerveer: de Rode Gevel. Vroeger was de gevel, die hier op stond, roodgeverfd, doch deze is voorlang weggenomen. – Wat men elders gevel, voorgevel noemt, heet aan de Zaan voorschot. Het gebruik van gevel in de algemeen gebruikelijke zin dagtekent hier eerst van de jongste tijd. Vgl. verder Ned. Wdb. en FRANCK op gevel.
geven, geven, (sterk werkwoord), Zegsw. Wat hij geeft ken-je wel voorbij de schout zijn deur dragen, hij geeft weinig weg.
gevlogen, gevlogen, verl. deelw. van vliegen. In de uitdr. van gevlogen, zeer groot, buitengemeen. || ’t Was ’en leven van gevlogen (een hels lawaai). We hadden ’en ket van gevlogen (verbazend veel pleizier). – Vgl. de zegsw. dat is gevlogen, dat treft uitmuntend, valt mee, die VAN DALE als gewestelijk opgeeft.
gevuld, vold, (vòlt), (bijvoeglijk naamwoord), eigenlijk verl. deelw. van vollen, vullen. Dichtgegooid, gedempt. In de naam van vele stukken land. || Die volde sloot (te Assendelft), Polderl. Assend. I f° 345 r° (a° 1600). ’t Volde stuk (te Krommeniedijk), Polderl. Kromm. (a° 1665), f°195. Het volde land (te Krommenie), ald. f° 266. De volde vijver; zie vijver. – Ook als zelfstandig naamwoord het Vold (stuk weiland onder Oostzaan). – Vgl. volling en vulkamp.
gewapper, gewapper, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Heen- en weergevlieg. Zie wapperen. || Dat gewapper in de gang moet uit wezen. Ik ken dat gewapper van de kinderen niet langer uithouwen.
gewicht, wicht, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gewicht. Zie de wdbb. – Op een binnenvaartuig. Het aan het ondereinde van de mast bevestigde gewicht dat deze in evenwicht houdt. Zo ook elders; vgl. spoor. – Bij vissers. Zeker gewicht, thans vertegenwoordigende de zwaarte van 100 pond, doch vroeger 80 pond. || Een wigje bot is 80 pond, Advers. Oostwoud, f° 283.
gezelschap, zelschap, selskip, (zelskap), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast zelskip en selskip. Gezelschap. Thans weinig meer in gebruik. || Wet is hier ’en zelskip. Daer veel selschap is vergaert Word menighmael gesproocken Dat twist, onrust en moeyte baert, SCHAAP, Bloemt. 163. ’t Quae selschap moet geschout zijn, ald. 204. – Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 294). || Men schonk aan ’t selschip bier en koffy, De Gryzaard 2, 103. Zie ook OUDEMANS, Wdb op Bredero 324. – Vgl. zelschappen.
gezelschappen, zelschappen, gezelschappen, (zwak werkwoord, intransitief), Daarnaast zelskippen. Gezelschappen. Thans verouderd. Benaming voor het bijeenkomen op zondagavond van jongelieden die verkering met elkaar zoeken, gelijk dit tot in het begin dezer eeuw gebruikelijk was. Een aantal vrijers maakten dan afspraak om te “zelskippen”; elk hunner moest een vrijster zoeken en de paren kwamen dan bijeen ten huize van een der meisjes. Zie SCHELTEMA, Mengelw. IV3, 62 vlg.
gezemel, gesummel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gesammel, geteut. Zie summelen. || Ik ken dat gesummel niet velen. ’t Is me eeuwig en altijd ’en gesummel; maak toch wat an (voort)!
gezemel, gesemmel, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gesammel, geteut (Krommenie). Zie semmelen. || Hoor es, dat gesemmel begint me nou te vervelen.
gezicht, gezicht, (zelfstandig naamwoord onzijdig), vgl. kale-gezichten.
gezondheid, gezondheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zeker kledingstuk voor mannen. Een rechthoekig stuk flanel of wol, dat men als een brede gordel met een ruime overslag om het lichaam slaat. Tegenwoordig ook wel synon. met flanelletje, rompje, boefje. – Sommigen dragen een zomer- en een wintergezondheid van verschillende dikte. – Evenzo in geheel N.-Holl. || Je moete gezondheidjes dragen gaan. Een swarte camisool, een streepte (gestreepte) gezondheyd, een hoedekas met een hoed, Hs. invent. (Wormer, a° 1766), prov. archief. – Het woord is ook elders gebruikelijk; ook spreekt men wel van gezondheidsgordel.
gezwind, gezwind, (zelfstandig naamwoord), In de uitdr. in een gezwind, in een oogwenk, terstond. || ’k Moet effies ’en booskip (boodschap) doen, maar ik kom in ’en gezwind terug.
giek, giek, (ook chiek), (tussenwerpsel), Ba, ajakkes! – Ook in de uitdr. dat is giek, het is vies, vuil, als waarschuwing aan kleine kinderen. || Niet ankommen, hoor, want ’et is giek!
gier, ier, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gier, vloeibare mest; inzonderheid koepis. || Ier over ’et land brengen. – Ier is de Fri. vorm van Ned. gier, Ofri. iere, gere, die overal in N.-Holl. gebruikelijk is en daar reeds in de Middeleeuwen voorkomt; zie Mnl. Wdb. III, 799 op ier; Ned. Wdb. IV, 2288 op gier. Thans luidt het woord in Friesl. jarre. – Vgl. ieren, ierkar, ierkuil, ierput.
gieren, ieren, (zwak werkwoord, intransitief), Gieren, ier over het land verspreiden, het land met ier bemesten. Zie ier. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 47) en in het Stad-Fri.
gierkar, ierkar, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De wagen, waarmee de ier naar het land vervoerd wordt. Zie ier.
gierkuil, ierkuil, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een kuil in de grond, waarin ier wordt bewaard. Zie ier. || Ende salmen opte Wal ... geen mis-hoopen ... mogen leggen, noch aldaer geen Yer-kuylen maecken, Priv. v. Westz. 538 (a° 1637). – Evenzo elders in N.-Holl. || Dat ook niemant de Yer van zijn Mis zal mogen laeten loopen langs de straaten, ... noch ook zijn ... yerkuilen mogen leggen noch maken aen zijn Buurmans muur, weg of Heining, Keuren v. Beverwijk 22, no. 51 (a° 1700).
giermolen, giermolen, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Op het ijs. Een in het ijs geslagen paal, waaraan een dwarsbalk is bevestigd, op de wijze van een ra aan de mast van een schip en die dus draaien kan, terwijl aan het ene einde een lang touw is gebonden. Men bindt aan dat touw een klein ijssleetje en loopt dan met het andere eind van de dwarsbalk in de rondte, waardoor het sleetje met een verbazende snelheid over het ijs giert.
gierput, ierput, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hetz. als ierkuil; zie aldaar.
gierzwaluw, gierzwaveltje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gierzwaluw. Zie zwaalf. – Ook overdrachtelijk met een woordspeling voor een klein kind dat geluidjes maakt, dat giert van pret. || Wat ben-je toch ’en gierzwaveltje!
gieter, gieter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Hoosschepper; gootvormig uitgehold, enigszins gebogen, houten werktuig met lange steel om water te scheppen en te verspreiden; in gebruik op schepen, in molens en bij blekerijen. – Zegsw. Hij ziet er uit, of hij uit de gieter gedronken heeft, hij ziet er bleek, misselijk uit. De zegsw., die o.a. ook bij BREDERO en BETJE WOLFF voorkomt, is nog niet bevredigend verklaard; zie Ned. Wdb. IV, 2317. Misschien moet men er aan denken, dat met een gieter alleen sloot- of zeewater wordt geschept, en dat dus hij, die uit de gieter drinkt, veel gevaar loopt onpasselijk te worden. – Een bloemengieter, gietemmer, heet apollos; zie aldaar. 2) Een werktuig in de vorm van een gieter, waarmede de bal over het ijs wordt voortgeworpen; zie gieteren.
gieteren, gieteren, (zwak werkwoord, transitief), Zeker spel; bestaande in het voortwerpen van een kaatsbal over het ijs, door middel van een houten schepper in de vorm van een gieter, zie aldaar.
gij, gij, (persoonlijk voornaamwoord), zie jij.
gijn, jijn, gijn, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gijn, een takel met blokken; zie Ned. Wdb. IV, 2341. Ook in de samenst. asjijn, roedjijn, steenjijn, jijn om een molenas, molenroede, molensteen op te hijsen. || Een asjijn, 1 steenjijn, 1 roedjijn, Invent. molenmakerij (Zaandijk, a° 1846), Zaanl. Oudhk.
gijp, gijp, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie Ned. Wdb. IV, 2342. – Ook zwenking. || Hij kwam mit ’en gijp op me af. Hij nam ’en gijp. – Bij gijpen, bij vlagen. || Hij is bij gijpen mild. Bij gijpen heb ik toch zo’n zin om te schrobben en te boenen. – Vgl. geep.
gijp, geep, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Plotselinge trek in iets, vlaag om veel van iets te willen eten. || Ik heb vandaag ’en geep van sinaasappelen. – Vgl. gijp.
Gijs, Gijs, mansnaam. In verkl. Gijsie. – Zegsw. Hij is Gijsie, hij is er de dupe van.
ginder, ginder, gunder, gunter, (bijwoord), Ook gunder. Daarnaast gunter. || Hij woont gunter. Ik gaan gunter henen (derwaarts). De vorm gunter komt in de spreektaal in geheel Holl., Zeel. en Vlaand. voor; zie Ned. Wdb. IV, 2379.
gis, goes, (zelfstandig naamwoord), 1) In de uitdr. bij de goes, op de gis, bij de roes, zo maar. Eigenlijk door te goesen, door naar gissing de verlangde hoeveelheid uit te gieten; vgl. goesen. || Doen (doe) ’et maar bij de goes, zo net komt ’et er niet op an. Ik neem zowat ’en pond meel op ’en paar kan melk, maar ’et gaat maar zo’n bietje bij de goes (zonder maat). 2) In verkl. goesie. Inleg bij het knikkeren; het aantal knikkers, dat elk der medespelers inzet of·naar de kuil schiet. Vgl. goesen. || Hij het zijn goesie al binnen (zijn inzet reeds teruggewonnen). – Ook in ruimere zin: Hou jij je goesie maar (betaal maar niet mee).
gist, gist, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zegsw. Iemand van gist op kaneelwater sturen, hem (nodeloos) heen en weer laten lopen, hem sturen van het kastje naar de muur en van de muur naar het kastje. – Elders zegt men lopen om gerst en kaneelwater.
gisteren, gisteren, guster, (gustǝrǝ), (bijwoord), Daarnaast guster. Zie de wdbb. en vgl. NAUTA, Taalk. Aant. op Bredero, § 11 (gustren). || Guster was ze jarig. Ik heb er gusterêvend (gisteravond) nog ’eweest.
gistkladder, gistkladder, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Minachtende benaming voor een kleinhandelaar in gist, iemand die gist uitvent. Vgl. Ned. kladder, handelaar, die goed onder de waarde verkoopt.
gistpoffer, gistboffer, (gizbòffer), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast ook gistpoffer. Kleine dikke krentenpannekoek, waarvan er twee of drie tegelijk in een pannekoekspan gebakken worden. Zie boffer. – Soms ook hetz. als gistpannekoek, waardoor een gehele pan gevuld wordt. || Moeder zel vanmiddag gistboffers bakken. – Overdrachtelijk ook iemand met een dik, bleek gezicht.
git, git, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie een zegsw. op zwart.
glad, glad, (bijvoeglijk naamwoord), vgl. spierglad.
gladoor, glad-oor, (met klemtoon op glad), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Scheldnaam der inwoners van Wormerveer. || Wormerveerder gladoren. Lillike gladoor!
gladsmeer, gladsmeer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Schoensmeer, smeer om schoenen glad te poetsen (de Wormer).
glazenwasser, glazenwasser, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook als naam van een insect, behorende tot de familie der libellen, elders glazenmaker geheten. – Evenals ragebol bij vergelijking ook kop met haar (inzonderheid als dit lang is) || Wat heb-je weer ’en glazewasser: je lope met de centen van de barbier in je zak.
glazuur, glazuur, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. Daarvoor soms klezoor. || As je verkouwen benne, moet je suikerwater drinken, den (dan) krijg-je ’en klezoor om je keel.
glee, gleed, glede, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Afgekort uit glede. Daarnaast ook de saamgetrokken vorm glee. Kale, afgesleten, doorschemerende plek in kledingstukken en linnengoed. || Er kommen gleden in je broek. Je kous zit vol gleden. Wat heb-je ’n lillike gleed an je elleboog. Er is ’en glee in ’et tafellaken. Wat ben der ’en gleetjes in die rok. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 33). Zie verder Ned. Wdb. V, 54, en. vgl. gleden.
gleeën, gleden, (dikwijls gléjǝ), (zwak werkwoord, intransitief), Kale plekken hebben, doorschemeren. || Je rok begint te gleden, er zel gauw ’en gat in wezen. Wat heb-je dunne kousen an, je bien gleedt er door. – Zie gleed.
glei, glei, (bijvoeglijk naamwoord), Glanzend; alleen van het sterke schijnsel der zon bij bewolkte lucht. || Wat ’en gleie zon. De lucht is zo glei, de zon steekt zo. – Evenzo in Friesl. (WASSENBERGH 85 vlg.). In het Oost-Fri. is glei, gloeiend, in ruimer gebruik: ’n glei für (een helder gloeiend vuur), ’n glei gesigt (glanzend gelaat), kleie ôgen (gloeiende, verleidelijke ogen); zie KOOLMAN I, 633. In Gron. zegt men glai van het ijs en van glimmende, rozige zweren (MOLEMA 124b). Vgl. Ned. Wdb. V, 55.
glib, glib, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Lil van gebraden vlees (de Wormer). || Smelt ’et glib maar op. – In de Beemster is glib gebruikelijk in de zin van geronnen melk, kaasrunsel (BOUMAN 33, en vgl. Tijdschr. v. Nijverheid V (1839) 670: “(Men doet stremsel in de melk en) na een kwartier min of meer ... is de melk dik geworden, en in het zoogenaamde glib veranderd. Nu wordt met eenen houten nap, deze (lees: dit) glib zachtjes in alle rigtingen doorgekliefd, hetwelk men doorhalen noemt; de hui of weit, die tot nog toe zich tusschen de menigte gliblagen had afgescheiden, komt nu naar boven, terwijl de thans vaster geworden kaasstof naar beneden zinkt”). Het woord is verwant met Ned. glibberig, glad, en glibberen, glippen, glijden; zie Ned. Wdb. V, 62. Vgl. voor de betekenis Ned. <i>gleei>, lil, dat afgeleid is van glijden.
glimmen, glimmen, (sterk werkwoord, intransitief), Zie de wdbb. – Zegsw. Hij staat te glimmen, van iemand die aan de kaak is gesteld, “in zijn hemd staat”. – Bij de 17de-eeuwse Amsterdammers vindt men hij staat (of zit) en glimt gezegd van iemand die door een onverwacht voorval of door een plotselinge ontgoocheling verbluft, beteuterd staat te kijken. Zie Ned. Wdb. V, 89. – Zie ook zegsw. op vrouw.
glippen, gliepen, (zwak werkwoord), vgl. ontgliepen.
gloed, gloed, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Verkoold zaagsel of kleine stukjes kool, door de bakkers gebruikt om de oven te stoken. Synon. gland. Gloed wordt ook in warme stoven gedaan. || Haal effies ’en dubbeltje gloed van de bakker. Doen wat gloed in de stoven. – Zie Ned. Wdb. V, 128, waar deze bet. als verouderd wordt opgegeven. Reeds KIL. vermeldt: gloed, pruna.
gloed, gland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gloed, gloeiend zaagsel, waarmee de bakkers stoken. || Haal wat gland van de bakker. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 33). – Gland is een Fri. woord; vgl. Ofri. gland, gloeiend (RICHTHOFEN 173), Oost-Fri. glënd, gloeiend, glënde, gloed (KOOLMAN 1, 634).
glooi, glouw, (bijvoeglijk naamwoord), Bijvorm van glooi; zie aldaar. Duidelijk zichtbaar, open en bloot (de Koog). || Wat zit je hier glouw. 't Is zo glouw as de lamp op is en de luiken bennen nog niet toe.
glooi, glooi, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), 1) Duidelijk zichtbaar, open en bloot. Synon. glouw. || Zet ’en horretje voor de raam, aârs zitten we zoo glooi. As met klaartijd (schoonmaaktijd) de gordijnen van de raam bennen, dat staat zo glooi. ’t Is hier akelig glooi zitten; ieder, die voorbijgaat, ken zien wat er op tafel staat. Ramen voor en achter in ’en kamer, dat geeft altijd iets gloois. ’t Is ’en glooie kamer. 13 Ditto wast al meest open waater; altoos daermen sanderendaegs over de Zaan liep lagh nu gloy open, Journ. Caeskoper, 13 mrt. 1677. – Soms gebruikt men glooi ook in de zin van gluder, maar deze betekenis is misschien het gevolg van verwarring dier beide woorden. || Die meid ziet er zo glooi (knap, helder, fris) uit. 2) In de uitdr. glooi lopen, glad zonder belemmering aflopen, als van een leien dakje lopen. || As alles glooi loopt, is de zaak overmorgen in orde. ’t Is allemaal zo glooi ’elopen, dat ik veul gauwer klaar ben, as ik docht. Maak-je maar niet bezorgd, dat zel wel glooi lopen. – Dit glooi is wellicht hetzelfde woord als het onder 1) genoemde. Uit de betekenis open en bloot, vrij voor het gezicht, moet zich dan ook die van vrij, zonder belemmering, hebben ontwikkeld. Maar misschien ook hoort glooi bij glooien, hellen, en beduidt het dus eigenlijk hellend. – In bijna alle Germ. talen worden woorden van dezelfde stam als glooi aangetroffen in de zin van scherpziend, verstandig, of een dergelijke betekenis; vgl. Got. *glaggwus (glagwo, glaggwuba), Ohd. glaw, glau, Ono. glöggr, enz. Zaans glooi heeft de passieve bet. van wat goed gezien wordt. Glooi en glouw staan tot elkaar als hooi en houw, gooi en gouw, ooi en Mnl. ouwe. Vgl. verder Tijdschr. 3, 218 vlgg. – Zie glouwen.
glooien, glouwen, (zwak werkwoord, intransitief), Gluren, kijken, bespieden. Zie glooi. || As ze ’et redden ken, glouwt ze altijd om ’en hoekie. An de overkant zitten ze maar aldoor na ons te glouwen.Staan toch niet zo op me handen te glouwen. – Ook: Je bien glouwt deur je kous (je kous is zo dun, dat het been er door gluurt). – Vgl. afglouwen, beglouwen, inglouwen.
glop, glop, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Open ruimte. – a) Tussen huizen. || Sont (sinds) ze dat huis weg’esloopt hebben is er ’en glop. Hier heb-je ’en heel glop (een onbebouwd vak in een rij huizen). – Ook als eigennaam. || Het Glop (te Wormerveer; de Stationsweg, voor welks aanleg indertijd enige huizen zijn weggebroken). Het grote Glop (te O.Zaandam, een kwartier benoorden de Dam, en op de Koog). Het Glop (te Oostzaan). – b) Tussen andere hoogten. || Er is ’en groot glop tussen die bomen. (Bij het zetten van lijnkoeken in een koeken kas:) Ik heb er maar ’en glop in’elaten, aârs kennen we der niet deur. (Van een kind, dat aan het tanden wisselen is en b.v. de beide voortanden mist:) O, wat heb-je ’en glop in je mond. – c) Vaargeul, slop in het ijs. || Ze hebben ’en glop in ’et ijs ’ezaagd. Het glop van de boot is weer toe’evroren. – Het woord is ook elders in N.-Holl. en in Friesl. in gebruik. Zie verder Ned. Wdb. V, 148 vlg.
glunder, glunder, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), 1) Van zaken. Helder, netjes, zindelijk. || ’t Is ’en knap wijf, ’et ziet er in huis overal even glunder. ’t Is ’en glundere boel. 2) Van personen. Helder, blakend van gezondheid of vergenoegdheid. || Een glundere meid. Ze het zo’n glunder gezicht, je zoudt er ’en zoen geven. 3) Bijwoord Vergenoegd. || Wat kijk-je glunder? Hij lacht zo glunder. Glunder is in de 19de eeuw uit het N.-Holl. in de algemene taal opgenomen, doch alleen in bet. 2 en 3. Zie verder Ned. Wdb. V, 168.
glurf, glurf, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gleuf. || Der is ’en glurf in de vloer. Zij (hadden) een glurf gemaakt ... rontom het schip van 10 voet water, Samenspr. 12. – Vgl. gurf.
gluur, gluur, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast ook gluurnet, zelfstandig naamwoord onzijdig. Soort van palingfuik. De gluur wordt uitgezet op een plaats, waar de paling gaarne komt. Daar paling de eigenaardigheid heeft van nooit recht op de hoek van een stuk land aan te zwemmen, maar steeds een weinig daar bezijden gaat, wordt ook het net niet op de hoek van het land gezet, maar terzijde daarvan, zodat het als het ware gluurt naar de paling, die aan komt zwemmen; vandaar volgens de vissers de naam gluurnet. || Een stel zijden fuiken met een zijden gluur. Twee zijden gluren, groot 200 mazen. De gluur uitzetten.
gluurnet, gluurnet, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie gluur.
gnartelen, gnartelen, gnatelen, (zwak werkwoord, intransitief), Daarnaast ook gnatelen. Knabbelen. || Wat zit-i an die koek te gnartelen.
gnokken, gnokken, gnukken, (gnòkke), (zwak werkwoord, intransitief), Daarnaast gnukken. Schooien, bedelen, hunkeren. Alleen van met de ogen bedelen, hunkeren om iets, dat een ander eet; van honden en kinderen. || Hè, wat gnokt die hond. Staan jullie daar weer te gnukken? Dat gnokken verveelt me danig. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 34). Het woord was eertijds ook in de Hollandse schrijftaal gebruikelijk; zie Ned. Wdb. V, 176. – Vgl. afgnokken, gegnok, gnokker.
gnokker, gnokker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die gnokt, schooier. Zie gnokken. || O, onze Does (hond) is zo’n gnokker. Ik wil niet zoveel gnokkers om me heen hebben (zegt een moeder, als de kinderen rondom haar staan te schooien).
God, God, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. op vloeken.
goed, goed, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie goed van dokter op dokter. – Vgl. de samenst. ganggoed, garlgoed, haamgoed, kraggoed, laadgoed, liemgoed, steevaardersgoed, taaigoed.
goed, goed, (bijvoeglijk naamwoord), Zegsw. Dat is goeie! (met ellips van een zelfstandig naamwoord), dat is goed, flink, in gunstige zin; ook wel ironisch: mooi zo, dat verdien je! – Zie nog een zegsw. op garen II.
goedkoop, goedkoop, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Dikwijls in de vorm goeiekoop. || Zukke schoenen koop je goeie koop. Zie Ned. Wdb. V, 364.
goedschik, goedschik, (bijvoeglijk naamwoord), Opgeruimd. Thans verouderd. In de 18de e. komt GOETSCHIK voor als geslachtsnaam te Jisp. – Goedschik was in de 17de e. ook elders gebruikelijk; vgl. Kodd. Opschr. (ed. 1698) I, 66: “Komt hier en weest goetschik, en drinkt na uw begeeren; al is de beurs neit dik, gy kunt ’er hier na teeren.” – In Ned. Wdb. V, 374 vlg. wordt alleen de bijwoord uitdr. goedschiks vermeld. – Zie kwaadschik.
Goetjeswijk, Goetjeswijk, (zelfstandig naamwoord), Naam van een stuk land in de ban van Oostzaanden; buitendijks. Thans onbekend. || Goetjes wijck, Polderl. Oostz. I (17de e.). – Wijk zal hier wel betekenen inham, en het stuk land zal aan zulk een wijk gelegen hebben. Zie wijkje.
gof, gof, (gòf), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Stoot, duw, zet. || Ik kreeg ’en gof teugen me borst. Hij wier (werd) met ’en gof van zen paard ’egooid. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 34). In Gron. heeft goffel dezelfde zin (MOLEMA 521). Vgl. Ned. Wdb. V, 385. – Zie goffen.
goffelen, goffelen, (zwak werkwoord), vgl. begoffelen.
goffen, goffen, (gòffe), (zwak werkwoord), 1) Transitief Bij het knikkeren in een kuiltje; vgl. koelkie-gof. Een knikker met de vlakke vinger voortschuifelen. Hetz. als goesen. || Ik zei eerst deuze knikker in de koelk zien te goffen. – Vgl. gof. 2) Intransitief Onderdrukt, ingehouden lachen. || Zit toch niet zo te goffen. – Overdr. ook schudden, proesten van het lachen. || Hij zit te goffen van ’et lachen. – Ook in het Fri. heeft guffeln de bet. van aanhoudend luid of onderdrukt lachen (KOOLMAN 1, 704 vlg.); vgl. daarmede begnoffelen en Ned. Wdb. V, 385 vlg. op gof, goffeldoffel en goffer.
Gog, Gog, (zelfstandig naamwoord), Naam van een stuk land in de ban van Oostzaanden. Thans onbekend. || De Gogh, Polderl. Oostz. II (a° 1694). – Het woord komt met de bijvormen Goog en Gaag ook elders in N.-Holl. voor als benaming van verschillende wegen. Het is synon. met Gouw en wisselt daarmede af. Wellicht zijn de woorden ook verwant. De bedoelde wegen zijn: De Gog bij Monnikendam (een weg evenwijdig aan de Leek; thans onder deze naam onbekend en op de Kaart v. d. Uytw. Sl. 8 vermeld als de Overleecker Gouw. || Dieselver Stede haer vryheydt (sal) vander Kercken, daerse nu aengaet, voort gaen ... ter halver Leke (nl. ter halver breedte van de Leek) ende daenen tenden buyten den Goghe (en van het eind daarvan af, buiten langs de Gog, tot) aenden Wilt-sloote, ende den Wilt-sloot half, al langhes aen Purmer ban ende voort om tot halver Purmer Ee, Handv. v. Monnickendam 17b (a° 1404). – De Gaag (de dijk lopende van Purmerend naar Kadoelen; thans onder deze naam onbekend, maar gewoonlijk genoemd de Purmerlander Gouw). De naam wordt vermeld bij DE VRIES, Kaart v. Holl.’s Noorderkwartier 72 (a° 1521?). – Nog bekend zijn de Gog, een weg te Ankeveen, en de Goog, een weg onder 's-Graveland of Blaricum. – Het stuk land genaamd de Gog zal wel gelegen hebben aan een der zich in de Oostzaander ban bevindende gouwen. – Vgl. gouw.
golfje-lidder doen, golfje-lidder doen, (golfie-lidder), Met een rij jongens dribbelend over onsterk ijs lopen, teneinde dit in een golvende beweging te brengen (de Koog). Vlg. lidderen. || Jongens, willen we nog ers golfie-lidder doen? – Zie synon. op ijsjeklidder.
golfjes-tuk, golfjes-tuk, (golfiestuk), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij hengelaars. Beweging van de dobber door de golfjes van het water. Vgl. tok I. || Ik krijg in ’t geheel gien tuk: ’k hew de hele tijd golfiestuk.
golijk, golijk, (bijvoeglijk naamwoord), Broeds; van vliegen en muggen, als zij in het najaar wegkruipen en een warm plekje zoeken, om daar hun eitjes te leggen. || Teugen de winter worden de vliegen golijk. – Ook elders in N.-Holl., doch het woord schijnt thans weinig bekend te zijn. || Zo haast de koude Winter kwam, het Vliegje werd zo golijk; ’t kroop schuyl, en ’t werd zo mak, zo tam, zo lam, zo stram, zo olijk. Nu (in de zomer) is ’t weer rat, nu is’t weer tjat, nu zingt en snert (snort) het vrolijk, May-gift 32.
gondel, gondel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie op snip.
gons, gons, (gòns), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Een gons regenwater, een grote hoeveelheid regen. || Er is ’en gons water ’evallen. – Evenzo elders in N.-Holl. (zie BOUMAN 35).
gooien, gooien, (zwak werkwoord), vgl. vergooien en garldegooi.
Goor, Goor, (zelfstandig naamwoord onzijdig(?)), Daarnaast gore en Goren; in verkl. Gorentje. Meerv. Goren en Goors. – 1) Als naam van talloze stukken land, die laag gelegen zijn. Langs de Goren loopt meestal diep en groot water. || Te Assendelft: Een stucke landts genaempt die Goeren, Hs. U. 19, f° 93 v° (a° 1579), prov. archief. Die gooren, Polderl. Assend. I f° 320 r° (a° 1600). De gooren van Claes Cuypers (buitendijks), ald. II f° 1 r° (a° 1600). De gooren bijt veer (idem), ald., f° 15 r° (a° 1600). De goorrs (nesland, buitendijks), Maatb. Assend. (a° 1635). Te Krommenie, in ’t Noordend: Die gooren, Maatb. Kromm. II (a° 1646). Te Krommenieërhorn: De goore (19de e.). Te Wormerveer: De goore, Polderl. Westz. V f° 521 (begin 18de e.). Te Westzaan: Die cleyne ghooren ... gelegen ... achter die middel vuyt opte ghooren sloot, Hs. T. 51, f° 39 r° (a° 1604), prov. archief. Dat driebiende goren, dat gorentje, die goorsven (d.i. de ven in de Goren), Polderl. Westz. II (a° 1629). Te Jisp: De kleine (grote) goore (19de e.). Onder Oostzaanden: Int goorens weer de goorens, Polderl. Oostz. I (17de e.). – Evenzo elders in N.-Holl. || Brecht Dirckx Jacobs Goorken, Dirck Bastiaensz. Gooren, Taemis Symonses Gooren, Keuren van Waterl. 61. Clyne Goorken, Gerrit Jansz. Gooren, ald. 62 (alles onder Landsmeer, a° 1683). – Goor, gore, in de zin van laag broekland, komt reeds in het Mnl. voor. Vgl. ook KIL.: “goor, palus, locus paludosus”, Teuthonista: “broick, venne, ollant, goir, palus”. Het woord leeft nog in verschillende dialecten: de Kempen (SCHUERMANS 159), N.-Brab. (HOEUFFT, Breda’s Taal 208), Gelderl. (Oude Volkst. 1, 120), Drente (DE JAGER’s Archief 1, 265). Het komt ook voor in verschillende plaatsnamen. Zie verder Ned. Wdb. V, 420, en Mnl. Wdb. 11, 2073. 2) Ook als naam van sloten, die door of langs Goren lopen. Meestal in samenst. met sloot. || Onder Jisp: De Gore. Aan het einde hiervan bevindt zich een sluis, de Goresluis, vroeger ook Goorsluys (Hs. T. 246, f° 73 r° (a° 1649), prov. archief), waarnaar de sloot ook Goresluissloot wordt genoemd. Bij Krommenie: De Goresloot. Tussen Zaandijk en de Middel: De Gooresloot, Polderl. Westz. I f° 310 vlg. (a° 1628). Vgl. de boven aangehaalde plaats uit Hs. T. 51. – Ook onder Obdam bevindt zich een Goresloot; zie daarvoor Kaart van de Uytw. Sluyzen 10.
Goorsluis, Goorsluis, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie goor.
goot, goot, geut, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast soms ook geut. Zie de wdbb. – Zegsw. Zo lopen de gootjes als het regent, zo gaat het nu eenmaal in de wereld. – Zie een zegsw. op aardig en vgl. leigoot, ondergoot, snotgootje, spiergoot, stofgoot.
gor, gor, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie gorren II.
gorden, gorren, gorden, (zwak werkwoord, transitief), Van ramlammeren. De balzak afbinden en hen zodoende lubben. || De lammeren worden ’egord as ze ’en paar maanden oud bennen. Ik moet an ’t gorren; gaan-je mee? – In Drechterland heet een sterk touw, dat dient om te gorden, gor, en spreekt men van angorren voor: iets met een gor stevig toebinden. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 35). Gorren zal wel ontstaan zijn uit gorden. Vgl. verder Ned. Wdb. V, 433.
gordijn, gardijn, gordijn, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Ook wel gǝrdijn. Bijvorm van gordijn. || Laat ’et gardijn wat zakken. – Evenzo in samenst. || Twee ijserde en drie houten gardijnroeden, Hs. (Wormer, a° 1678), prov. archief. Vier kopere glasgardijns-roetjes. Hs. invent. (a° 1681), archief v. Assendelft. – De vorm gardine komt ook in het Mnl. en Hgd. voor; zie Mnl. Wdb. op gordine, Ned. Wdb. op gordijn, GRIMM, D. Wdb. op gardine. Evenzo zegt men in het Stad-Fri. gǝrdiin. – Vgl. broekgordijn.
gordijnroede, gardijnroed, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Houten of koperen roede, waarlangs de glasgordijntjes heen en weer worden geschoven. Zie gardijn.
gordsingel, gordsingel, (gorsingel), (zelfstandig naamwoord mannelijk), De zeildoekse band of singel, die, stijf om het lijf van het paard gegespt, het dek vasthoudt dat als zadel dienst doet; b.v. als men het paard uit het land haalt.
Gore, Gore, Goren, (zelfstandig naamwoord), zie goor.
Gorensloot, Gore(n)sloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie goor.
Gorensweer, Gorensweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie goor.
gorrel, garl, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Alleen in de uitdr. iets aan garlen gooien, aan stukken gooien (Assendelft). || Pas op, of ik zel ’et an garlen gooien. – Zie garlement en garldegooi.
gorrelen, gorrelen, (zwak werkwoord, transitief), Fijnmaken, fijnstampen. Weinig gebruikelijk. || Doe die beschuiten in de vijzel en gorrel ze dan. De rinmolens gorrelen de eken bast en de rin (run) gaat dan na de looiers. – In het Gooi spreekt men van fijngorrelen. – Zie garl, garldegooi en garlement en vgl. doorgorrelen.
gorrelgoed, garlgoed, garrelgoed, gorrelgoed, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast garrelgoed en gorrelgoed. Klein, nietswaardig goed, uitschot. Zie garl en garldegooi. || ’t Is garlgoed (van kleine peren, slechte noten, katvis, enz.). Laat je toch niet zuk garrelgoed in je handen stoppen. Wat ’en gorrelgoed. – Overdr. ook van kleine kinderen. || Wat moet ’en mens met al dat garlgoed (klein grut) beginnen?
gorrelgooi, garldegooi, gorlegooi, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Klein grut, prullegoed (Wormerveer). || Onze pereboom het van ’t jaar slecht ’egeven, ’t was allegaar garldegooi. Doen dat garldegooi (die rommel: schillen, pitten, enz.) maar van je bord. – Garldegooi voor garlegooi (met ingeschoven d, als in geelder, diender, enz.), is een bijvorm van gorlegooi, dat in de 17de en 18de e. herhaaldelijk voorkomt met de betekenissen prullegoed; slecht volk, schorremorrie; slechte, slappe kost. Zie Ned. Wdb. V, 444. Het woord schijnt in andere dialecten niet meer voor te komen, doch op Urk kent men nog girlegorrel, dunne brij, slappe koffie (Taal- en Letterbode 6, 34), en te Dordrecht gierlegooiig, flauw, krachteloos, b.v. van soep (Taalgids 4, 33). De oorsprong van het woord is tot dusverre nog niet aangewezen, daar de poging ter verklaring in Taal- en Letterbode 3, 290 (uit goor, vuil, en gooi (m. of vrouwelijk), hoop), als mislukt te beschouwen is. – Garlegooi (gorlegooi) is wellicht dat, wat aan garlen (stukken) gegooid is of zonder nadeel gegooid kan worden, dus uitschot, afval. Later heeft het dan ook de betekenis aangenomen van uitschot der maatschappij, schorremorrie, en van nare, weinig deugende kost. Vgl. garl, garlement en garlgoed. Ook bestaat het werkwoord gorrelen, fijn maken; zie aldaar.
gorren, gorren, (zwak werkwoord, intransitief), Zeker knikkerspel. Een aantal knikkers wordt naast elkander op een rij gelegd; de eerste ter rechterhand heet de gor. Naar deze rij wordt nu met één knikker geschoten. Wie een knikker wegschiet wint deze, benevens alle links daarvan gelegene. Wie dus de gor raakt wint alles. – Het spel is van Joodse oorsprong en werd tijdens het Paasfeest gespeeld. Men bezigde echter geen knikkers, maar hazelnoten. De eerste der rij heet bechoore (waarschijnlijk Hebr. bēkor, eerstgeborene). Het spel werd door christenkinderen overgenomen en is thans over ons gehele land verspreid. De naam is op verschillende wijzen verbasterd; vgl. o.a. Navorscher 16, 246.
gors, gors, (zelfstandig naamwoord), vgl. kalfgors, koegors.
gorstel, garstel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast gartel. Bij de bakkerij. Een schrood (lat) van 10 a 12 voet lengte, die bij het garstelen van roggebrood wordt gebruikt. Het gereedgemaakte brood wordt op twee garstels gelegd en zo in de oven geschoven. Zie garstelen. || Leg ’et brood nou maar op de garstels. Drie garstels, een garteltaafel, een dito back, Hs. invent. bakkerij (a° 1723), archief v. Krommenie.
gorstelbak, garstelbak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast gartelbak. De bak, waarin zich het voor het garstelen benodigde deeg bevindt. Thans ongebruikelijk. Zie een voorbeeld op garstel.
gorstelen, garstelen, gartelen, (zwak werkwoord, transitief), Daarnaast (met uitval der s tussen r en t) gartelen. Bij de bakkerij. Het zwart schroeien van de met deeg besmeerde bovenkorst der roggebroden. || ’t Roggebrood is te veu1 ’egarsteld. – Garstelen is ook verderop in N.-Holl. gebruikelijk. Het woord is één met het thans verouderde Ned. gorstelen, schroeien (transitief en intransitief), waarnaast ook in gebruik is geweest gorselen en gortselen; zie Ned. Wdb. V, 447. – Vgl. garstel, garstelbak, garsteltafel.
gorsteltafel, garsteltafel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast garteltafel. De tafel, waarop de broden voor het garstelen in gereedheid worden gebracht. Zie garstelen.
gort, gort, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk en onzijdig), Zegsw. Het gort is gaar, hij is boos. || Hè, ’et gort is gaar, hoor! – Evenzo bij MOLEMA 130: daar is de gort gaar, daar zijn de poppen aan ’t dansen. – Voor: het gort is gaar zegt men ook: het gort kookt. – De boel in de gort roeren, alles in de war sturen. Evenzo elders: het in de gort jagen, of: het in de gort laten lopen (Ned. Wdb. V, 448). || Met je kouwe drokte heb-je de boel weer in de gort ’eroerd.
gortbuik, gortbuik, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook een scheldnaam der inwoners van Assendelft. Vgl. gortlander. || Assendelver gortbuiken.
gorter, gorter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Grutter. Thans in onbruik, doch nog bekend als geslachtsnaam GORTER en in eigennamen als de Gortersloot (te Wormerveer, achter een grutterij, het Gorterspad en de Gortershoek (te Zaandijk). || Willem Claesz. die gorter (te Wormerveer, a° 1562), Hs. T. 49, f° 143 v°, prov. archief. – Zie gorterij, en vgl. Ned. Wdb. V, 450.
gorterij, gorterij, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Grutterij. Thans in onbruik. || Brant tSaardam in een gorterij, Journ. Caeskoper, 16 Aug. 1701.
gortlander, gortlander, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een der scheldnamen van de inwoners van Assendelft. Vgl. gortbuik, gortzak. || Assendelver gortlanders.
gortzak, gortzak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook een scheldnaam der inwoners van Assendelft. Vgl. gortlander. || Lillike Assendelver gortzak!
goteling, guiteling, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een gegoten koperen ketel, hoog van model en niet wijd. Thans weinig gebruikelijk. – Elders in N.-Holl., b.v. te Volendam, is de guiteling echter nog zeer bekend. Evenzo in Friesl., waar het woord goteling luidt. Zie Ned. Wdb. V, 454.
goud, goud, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zegsw. Ik zou je in goud laten beslaan, als het een dubbeltje het pond kostte, ik ben je zeer erkentelijk; vgl. Ned. Wdb. V, 461.
gouden, gouden, (bijvoeglijk naamwoord), zie kap en tor.
Gouw, Gouw, (zelfstandig naamwoord), Daarnaast eertijds Gouwe. Naam van verschillende wateringen of sloten, die belangrijk zijn als verkeerswegen. Vroeger ook de weg of dijk langs zulk een watering, wat wellicht de oorspronkelijke betekenis is. Verschillende Gouwen zijn met huizen bebouwd. || Veele ... Ingesetenen ... vervorderen (haer) te houden buyten-gemeene ende seer groote Honden, ende (laten) deselve niet alleen ... losloopen op hare eygen Werven ende Woonplaetsen, maer laten de selve 1oopen langes de straten, Gouw, ende andere ’s Heeren wegen (keur v. Oostzaanden, a° 1661), LAMS 736. – De Oostsaner Gouw en de Oost-Gouw (langs het dorp Oostzaan), Kaart v. d. Uytw. Sl. 12. – De Kerkgouw (water bij Oostzaan). – De Nagouw, ook wel alleen de Gouw (water bij O.Zaandam). – De Gouw en, in het verlengde daarvan, de Nagouw en de Middelgouw (water in het Westzijderveld, evenwijdig met Westzaan; vgl. Kaart v. d. Uytw. Sl. 12). De Nagouw heet ook enkel Gouw; de Middelgouw gaat langs de Middel (een binnenweg voerende van het Westzaner Weiver naar Krommenie). || Derdalf mat lants ... ende leyt opten gou ende binnen den gou, Hs. T. 118, f° 48 r° (a° 1564), prov. archief. – De Kromme Gouw (water te Assendelft). – De Crommenier Gouwe (water buiten de Krommenie), Priv. v. Westz. 189 (a° 1621). – Vroeger was ook Gouwsloot in gebruik. || De Gou-sloot (te Oostzaan), LAMS 721 (a° 1644), de Gouwe-sloot, ald. 722. De Crommenie Gauwer-sloot, Priv. v. Westz. 189 (a° 1621); thans de Gave sloot. – Verder komt het woord voor in de naam van stukken land, die aan een Gouw zijn gelegen. || De Gouwcamp, Polderl. Oostz. I (17de e.). Die Gouwen (te Westzaan), Polderl. Westz. III f° 32 r° (a° 1644). De Kerkgouwtjes (te Oostzaan, beoosten de Kerkgouw). – Gouw is in geheel Waterland en West-Friesl. bekend. || Niemand zal (hem) vervorderen eenige Viervoetige Beesten te laten loopen op de Gouwen ende Binnen-weegen van geheel Waterland, Keuren v. Waterl. 28 (a° 1673). Wateren en wegen, die de Gouw heten vindt men o.a. bij Landsmeer (de Gouw, de Nieuwe Gouw, de Uitgouw), bij Purmerland (de Gouw, de Nieuwe Gouw, de Gouwsloot, de Uitgouwsloot), bij Nieuwendam (de Gouw), bij Zunderdorp (de Zunderdorper-Gouw), bij Ransdorp (de Gouw, de Gouwsloot, de Westender-Gouw, de Noordgouw, De Poppendammer-Gouw, de Molengouw, de Herfster-Gouw, de Durgerdammer-Gouw, de Bloemendaler-Gouw), bij Broek in Waterland (het Gouwtje), bij Zuiderwoude (de Gouw), bij Monnickendam (de Overleker-Gouw), bij Kwadijk (de Dwarsgouw, de Gouwsloot), bij Edam (de Broekgouw, lopende door de Broek, en de Blokgouw, door de Blokweren), bij Warder (de Warder-Gouw, de Gouwsloot), bij Purmerend (de Purmerender-Gouw), bij de Rijp (de Gouw. de Oude Gouw), bij Mijzen (de Gouwsloot), bij Ursem (de Noordgouw), bij Avenhorn (de Gouw), bij Berkhout (de Oude Gouw), te Hem (de Gouw), bij Wognum (de Oude Gouw), bij Opmeer (Duikelgouw), te Sybekarspel (de Gouw), bij Barsingerhorn (de Gouw), bij Kolhorn (de Kromme Gouw), bij Spanbroek (de Kaaggouw, lopende door de Kaag), bij Aartswoud (de Gouw), bij Nibbikswoud (de Wikgouw), bij Oostwoud (de Oostergouw, de Nieuwe Gouw), bij Lutjebroek (de Kleine Gouw), bij Grootebroek en Enkhuizen (de Oude Gouw). – In Wymbritseradeel in Friesl. is een vaart, die de Geeuw heet. Een dorp in dezelfde grietenij draagt de naam van Gauw. – Vgl. verder Mnl. Wdb. II, 2086, en Ned. Wdb. V, 496. De afleiding van het woord is niet bekend. Zie ook gog en gouwe.
gouwe, gouwe, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Op een schip. De zware balk, dwars over het schip, waarin de koker van de mast is aangebracht. De benaming gouwe is thans weinig gebruikelijk. Men spreekt nu van zeilbalk; zie aldaar. || Die schuit heb ’en gouwe van zeven voet. Een smal schip met een gaffel, lanck over steven 60 voet, hol 6½ voet ende op de gouwe wijdt, Hs. T. 246, f° 209 r° (Jisp, a° 1653), prov. archief.
Gouwkamp, Gouwkamp, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Gouw.
Gouwsloot, Gouwsloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Gouw.
Gouwven, Gouwven, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Gouw.
gover, gover, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie gei.
graaf, greef, (zelfstandig naamwoord), Dijkput, plaats waaruit aarde gegraven wordt ten behoeve van de dijk. Thans verouderd. || Bij ons Schout ende Schepenen, als Dijck-graef ende Heemraden, eendrachtelijck de Greef verleyt, van ’t nieuwe Gadt af West aen, tot de Kouwehoorn toe, streckende tot de Kouwe-Hoorns-Braeck toe, binnen de palen, by Schepenen gesteecken, geen aerde meer uyt te mogen halen, op de boeten daer toe staende (keur v. Oostzaanden, a° 1627), LAMS 707. Item, noch by de E. Heeren Schepenen de Greef verleyt uyt het Rietland van Jan Cornelisz., niet uyt te delven als alleenlijck dat tot de Kadijk gebruykt sal werden (Oostzaanden, a° 1635), LAMS 714. – Vgl. Ned. Wdb. V, 507 op graaf II.
graaf, graaf, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Verkl. grafie. Spade met naar onderen spits toelopend blad. Het woord spaad, spade is bij de boeren ongebruikelijk, doch bij tuinlieden bekend. Soms maakt men een onderscheiding tussen graaf en spaad naar de vorm van het blad; dit is dan bij de spaden vierkant, bij de graven puntig. Zie verder Ned. Wdb. V, 508.
graaien, graaien, (zwak werkwoord), 1) Transitief Wegpakken, kapen. Weinig gebruikelijk. || Je magge wel oppassen, hij zoekt altoos wat te graaien. Ze heb vast wel weer wat ’egraaid. 2) Intransitief Met de handen ergens in rondtasten, rommelen. Weinig gebruikelijk. || Wat zit je me weer in die laad (lade) te graaien. – Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 112). Zie verder Ned. Wdb. V, 516.
graat, graat, graad, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Visgraat. Het meerv. luidt graden, evenals in het Mnl., Mnd. en Nnd. Vgl. verder Ned. Wdb. V, 524. || In snoek zitten zo akelig veel graden. Doen de graden maar van je bord.
gracht, gracht, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. heidgracht.
gras, gras, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie bent, breegras, haard, haargras, hengstebos, hengstegras, hondsbos, lies, sniel, witbol, en vgl. kalfsgors en geers.
graspoep, graspoep, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Grasmaaier, hannekemaaier. Synon. groene poep. – Graspoep is ook in Friesland gebruikelijk. – Zie ook op poep.
grauw, grauw, greeuw, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast greeuw. Zie de wdbb. || Haal ers ’en kop greeuwe orten (erwten). – Zegsw. Zo grauw as ’en zeelt.
grauwen, grauwen, (zwak werkwoord, intransitief), Grommen, snauwen. Zie Ned. Wdb. V, 612. – Zegsw. Waar het nauwt, daar grauwt het, of ook wel: van nauwte komt grauwte, als het geld op is, begint het gekijf, gebrek brengt ruzie tussen de echtgenoten.
grauwte, grauwte, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gegrauw, bitse woorden. Zie een zegsw op grauwen.
grazen, grazen, (zwak werkwoord), Zegsw. Iemand te grazen nemen, hem te pakken nemen, bedotten. || Pas maar op, dat-i je niet te grazen neemt. Vgl. Ned. grazen, transitief, iemand in het hooiland onder het afgemaaide gras bedelven, en grazen, intransitief, naar hartelust te werk gaan, zijn driften (aan iemand) botvieren; zie Ned. Wdb. V, 630 vlg.
greid, gried, griet, (griet), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zonder meerv. De bovengrond, het zwaard van grasland. || De eenden hebben de gried van ’et land helegaar vernield. De grasworm zit in ’et land, de gried is er op verschillende plekken of. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 35). – Vanhier begrieten, rauw land, dat van de gried is beroofd, met gras doen begroeien. Vgl. voor de t de Ned. afleidingen van riet, dat eveneens oorspronkelijk op d eindigde. – Gried komt reeds in de Middeleeuwen in N.-Holl. voor; vgl. griedlant (grasland) Wfri. Stadr. 2, 272. Het woord is één met Fri. greide, Ofri. gred, Ndd. grêt, grêde, greide, grasland. Vgl. verder Mnl. Wdb. II, 2121 (grede) en Ned. Wdb. V, 643 (greid). – Synon. griek.
greien, graaien, greien, (zwak werkwoord, intransitief), Schreien, huilen (de Wormer). || Die zit zo'n hele dag te graaien en te grienen. – Evenzo elders in N.Holl. en in Friesl. In de 17de en 18de eeuw was het woord in de schrijftaal zeer gebruikelijk. Zie Ned. Wdb. V, 643 op greien.
gremelneus, gremelneus, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zeker soort van schapen. Schapen met bonte neuzen, gremelde schapen (Assendelft). Zie grimmeld. || ’k Heb ’en paar gremelneuzen verkocht.
gremelpoot, grimmelpoot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Koe met zwarte stippels op de poten, grimmelde koe; zie grimmeld.
greppel, greppel, grebbel, grippel, gruppel, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast grippel en gruppel. Zie Ned. Wdb. V, 679. || De grippel uitgooien (de bij het grippelen met de graaf afgestoken aarde uitgooien, greppels steken). – Daarvoor te Zaandam dikwijls grebbel.
griek, griek, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De bovengrond, de grasnerf, het zwaard van grasland (Wormer, Jisp). Hetz. als gried; zie aldaar. – Het woord is ook elders in N.-Holl., b.v. aan de Geestkant, in gebruik. Vgl. verder wat in Ned. Wdb. V, 691, over deze gewestelijke benaming wordt medegedeeld. – Zie begrieken.
gries, gries, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Gebroken, maar niet geheel fijn gemalen graan, inzonderheid van gerst en rijst. || We moeten nog ’en paar balen gries verzenden. – Het woord is uit het Hgd. overgenomen; zie Ned. Wdb. V, 697. – Vgl. rijstegries.
griet, griet, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Op een schip. Benaming der smalle ribben, die onder aan de luiken voor het ruim zijn aangebracht. Aan ieder luik zijn er twee; één langs elk der lange zijden van het luik. De grieten sluiten in de gleuf van de markussen (de losse balkjes, die dwars over het ruim worden gelegd) en dienen dus om de luiken vast te leggen. – Vgl. Ned. Wdb. V, 699 op griet VI.
griet, griet, (zelfstandig naamwoord), In de zegsw. de griet is er uit, de lust is er uit; van iemand die zijn opgewektheid verloren heeft, die stil en lusteloos is. Daarnaast ook: de giet is er uit. – De uitdr. wordt ook in Hs. Kool vermeld, maar is veel minder gebruikelijk dan het synon. de fu(u)t, de nor is er uit.
Griet, Griet, vrouwennaam. Voor Margriet, Margareta. Ook verkort tot Iet. – Zegsw. As zwarte Griet er maar niet onder komt, als er maar niets tussen komt, dat de zaak in de war stuurt. Zwarte Griet (of de zwarte kat, gelijk men ook zegt) is een toverkol, boze geest. || ’t Is nou heel mooi weer, maar as zwarte Griet er maar niet onder komt. – Griet komt ook voor in verschillende basterdvloeken; zie vloeken.
grift, grift, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Verkl. griffie. Zie Ned. Wdb. V, 722. – Zegsw. Hij het nog al griffies, hij heeft geld.
grijsblaar, grijsblaar, (bijvoeglijk naamwoord), zie blaar II.
gril, gril, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Rilling. || De grillen lopen over me lijf. – Zie Ned. Wdb. V, 763. Het meerv. wordt aldaar als thans ongebruikelijk opgegeven. Eertijds werd het o.a. ook door BREDERO gebezigd.
gril, gril, (bijvoeglijk naamwoord), Huiveringwekkend, griezelig, schril. || ’En grille man. Wat ’en gril mens. ’t Is ’en gril gezicht (een schrille aankijk). Wat staat die asketel daar gril (angstwekkend, gevaarlijk; op de kant der sloot). – Ook van het weer; koud, huiverig, guur. || Wat is ’et gril vandaag. ’t Kon wel weer ’en grille Pinkster wezen van ’t jaar. – Evenzo te Amsterdam en in Friesl. en Gron.; zie Ned. Wdb. V, 764. – Vgl. gril II.
gril, grel, (bijvoeglijk naamwoord), Viezig, weerzinwekkend van gelaatskleur. || Wat ziet dat wijf er grel uit. – GREL komt in de 18de e. te Assendelft ook als geslachtsnaam voor. – Vgl. bij KIL. grelligh, grilligh, met jeukende uitslag bezet, ruw, schurftig, grellighe puysten, en grelligheyd, jeuk, uitslag. In verschillende streken is grel in gebruik als bijvorm van gril, dat echter andere betekenissen heeft (tornig, bar, schel; zie Ned. Wdb. V, 764; KOOI.MAN I, 678). Vgl. gril.
grille, griel, grille, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), In een papierfabriek. Een langwerpig rooster met dunne koperen staven, in de maalbak. De papierstof loopt over de griel heen en laat het vuil daar doorvallen in een gleuf, die van tijd tot tijd wordt geleegd. – Het woord is het Fra. grille, rooster. || Heb-je de griel wel na’ekeken. Je moete ’et vuil nog van de griel ofdoen. Een rood koperen grille, wegende 9 pond, Invent. Papiermolen (a° 1855), Zaanl. Oudhk.
grim, grim, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), 1) Masker van papier of linnen, mombakkes, grijns. || De kinderen wiere (werden) bang van me grim. Zet maar ’en grim op, dan kennen ze je niet. Der leggen en heleboel grimmen in de onderste laad. Wat ’en mooie grim. Zegsw. Een grim ophebben, slecht geluimd zijn, de pruik ophebben. || Je hebbe ’en grim op vandaag. 2) Lederen halster, met touw of ketting. Men heeft landgrimmen en stalgrimmen. || Zet ’et peerd ’en grim op en maak ’et touw an de kreb vast. Waar is de grim? – In deze bet. ook in de Beemster (BOUMAN 5). Vroeger was het woord ook elders in Holl. bekend; zie Ned. Wdnb. V, 771. Daarnaast stond de vorm grijm. Vgl. Ono. grîma, masker, grijnzend, versiersel aan de voorsteven van een schip, Ags. grîma, in de samenst. beodogrîma, hêregrîma, grîmhelm, helm, Deens grime, masker, halster, Zweeds gri(m)ma, halster.
grimmeld, grimmeld, gremeld, gegremeld, gegrimmeld, (bijvoeglijk naamwoord), Daarnaast gremeld. Van vee, gesprenkeld, gestippeld; tegenwoordig in het bijzonder met zwarte stippels. Koeien kunnen grimmeld zijn over het gehele lichaam, doch gewoonlijk bevinden de stippels zich aan de poten. Die koeien heten ook wel grimmelpoten. Bij schapen vindt men ze aan de poten en de kop. Een bepaald soort van schapen met bonte neuzen heet grimmelkop of gremelneus. || ’t Is ’en grimmelde koe. ’En paar grimmelde schapen. Twee Koeyen, d’een rood-gremeld (rood-gestippeld) en d’ander vael-bleer (grijsblaar), SOETEBOOM, Ned. Ber. 39. – Het woord is ook elders in N.-Holl. gebruikelijk (BOUMAN 35). Grimmeld is het verl. deelw zonder ge- van het verouderde werkwoord grimmelen, vuil maken, bevlekken; zie Ned. Wdb. V, 79. Van de bijvorm gremelen (ald. V, 653) komt gremeld. Gegremeld komt ook bij VONDEL voor, gegremeld vindt men bij BERKHEY, Nat. Hist. 42 ,204; zie Ned. Wdb. IV, 790. Vgl. gremel, vlek, spat, ald. V, 653.
grimmelkop, grimmelkop, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Schaap met bonte neus; zie grimmeld. Vgl. Ned. Wdb. V, 653: gremelskop. – Synon. gremelneus.
grind, grint, (zelfstandig naamwoord), Alleen in de uitdr. ergens grint van hebben (of krijgen), van iets op de hoogte zijn, erg in iets krijgen. || Ze sprak derzelf (haarzelf) tegen, daardoor kreeg ik grint van der valse streken. Hij was woedend toen-i der grint van kreeg, dat zen broer zin had in ’etzelfde meissie. Ik heb er wel grint van, dat die twee ’et mit mekaar houwen. Hij heb ’er gien grint (geen benul) van. – Te Krommenie ook voor ongedierte op het hoofd, inzonderheid jonge luizen. || Kijk eris wat ’en grint: dat benne gezonde tekens.
grind, grint, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Ook de gemalen doppen van rogge, fijne zemelen. Hetz. als grand; zie aldaar. Waarschijnlijk is grand aan de Zaan de oorspronkelijke benaming en grint eerst later van elders ingevoerd. Vgl. WEILAND, die het woord opgeeft in de bet. van tweede meel van de boekweit, en Ned. Wdb. V, 785, waar grind, grinte, het tweede meel van tarwe, als Graafschaps en Twents wordt vermeld.
grind, grand, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), De gemalen doppen van rogge. Hetz. als grint; zie aldaar. – Het gruis van tarwe heet zemelen. – Vgl. Gron. grande, grof weitemeel, Oost-Fri. grand, grof meel, zandgruis, Ndd. grand, zand, Fri. grânt, korreltje, Zweeds en Deens grand, stofje. Het woord is van dezelfde stam als grint; vgl. FRANCK 319 op grind.
grindig, grandig, (bijvoeglijk naamwoord), Schurftig (?). Thans verouderd. || Aelbrecht Jansz. vanden Dam (de Nieuwendam bij Assendelft) alias den grandigen Aelbrecht ofte Hollaert, Hs. Register vander vierscharen (a° 1556), archief v. Assendelft. – De bet. van grandig blijkt niet. Daar grandige Aelbrecht echter een landloper is, kan het best zijn, dat het in betekenis gelijk staat met grindig, schurftig, dat elders in gebruik is geweest (Ned. Wdb. V, 787); vgl. grand naast grind.
grinniken, gninniken, (zwak werkwoord, intransitief), Hinniken, ginniken (de Wormer). || Wat gninnikt dat peerd weer.
groede, groede, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. etgroed.
groef, gurf, gerf, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Verkl. gurfie. Insnijding, keep, kerf, geul. || De gurven (lijnen) van ’en hand. Der is ’en lillike gurf (kras) in de tafel ’ekomme. In ’et blad van ’en butterspaan benne allemaal gurfies. Wat heb dat kristal diepe gurven (diep slijpwerk). Maak maar ’en gurf in die balk. De vloer zit vol gurven (gleuven). – In de Beemster kent men gurf in de zin van greppel, vore (BOUMAN 36). – In de 17 de e. komt het woord voor in de vorm gerf. || Steen-houwers maecken mee de Gerf, in Stienen, rissen, klooven, kerf, en rechten oock (maken recht) de scheeluw kant, Saenl. Wassende Roos 19. – Het woord was toen ook elders in Holl. gebruikelijk; vgl. OUDAEN, Poëzy 2, 307: “Het veurhoofd glad van gerf; en Lip en Wang aantrekkelyk van verf”. – Zegsw. Heb-je geen durf in je gurf, durft ge niet? – Vgl. glurf.
groeien, groeien, (zwak werkwoord), Zegsw. In eens anders zeer groeien, zich verheugen over andermans leed. Zie Ned. Wdb. V, 805; Mnl. Wdb. II, 2151; en vgl. SOETEBOOM, Ned. Schout. 213: “Het verwoede Grau, dat by soodanige Treurspel als de vliegen in een anders zeer groeyen en sich vermaekt, hadde dit met goeder oogen en open monde aengesien.”
groen, groen, (bijvoeglijk naamwoord), Zie de wdbb. – Groene poep, hannekemaaier; vgl. poep en graspoep. – Groene ket, groene pret, zeer groot genoegen. || Nou hoor, we hebben er groene ket ’ehad. – Vgl. de basterdvloek grote groen in ’t huisie op vloeken.
groenland, groenland, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Grasland. || Der is tegenswoordig nog eer wat te verdienen mit groenland als mit bouwland. – Evenzo in Overijsel, Drente, Friesl. en Gron.; zie Ned. Wdb. V, 847. Hgd. gründig.
groenteboer, groenteboer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Groenboer, groenteverkoper. || Is ’er nog wat nodig van de groenteboer? Evenzo elders in gebruik; zie Ned. Wdb.V, 854.
groenteboer, groeneboer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Groenboer. Thans verouderd en vervangen door groenteboer. Het woord leeft nog voort in de naam van de pelmolen de Groeneboer, die in 1759 gebouwd werd voor rekening van Willem Pietersz. Groeneboer op de Koog.
groep, groep, grop, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast soms nog grop. Zie Ned. Wdb. V, 859 vlgg. – Behalve de algemeen gebruikelijke betekenis bezigt men het woord ook voor school, menigte; van vis. || ’En grop vissen. De groep krijgen (bij het vissen een school treffen en dus veel vangen). Overdr. zegt men ook: “hij heb de groep” als iemand bij het kaartspelen alle slagen krijgt. – De vorm grop was vroeger meer gebruikelijk. Vgl. SOETEBOOM, S. Arc. 18: “Aldus de groote van Batavia overgesien hebbende, magh ick de volkeren met Plinius in haer groppen, en gedeelten onderscheyden.”
groep, groep, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie Ned. Wdb. V, 857 vlg. – 1) Groeve, greppel. In deze algemene zin verouderd. || (Mij) heeft ... verhaalt eenen Claes Botter van Ackersloot ... , dat hy selver gesien heeft, ontrent Uyt-geest, een groep, waer in een ontallijcke menighte doode beenderen over een hoop gesmeten waren, SOETEBOOM, Vronen 133. – Evenzo in het Mnl. en bij PLANTIJN en KIL.; zie Mnl. Wdb. II, 2156. In de 17de e. ook bij HOOFT; zie OUDEMANS, Wdb. op Hooft 124. 2) In een koestal. De gemetselde goot achter het vee, waarin de uitwerpselen worden opgevangen. – Het woord is gebruikelijk in geheel N.-Holl. Evenzo Fri. groppe, Gron. group, Oost-Fri. grôpe, grôp, enz.; zie de wdbb. 3) In een pelmolen. De bak onder de kuip, waarin het pelmeel wordt opgevangen. De afval van de garst, die gepeld wordt, valt door de gaatjes van het blik in de groep. Het pelmeel wordt daarna uit de groep geschept in het pelmeelhok.
groesje, groetje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Hetz. als groesje; zie aldaar. || Wat ’en groetje. – Vgl. Gron. groetjepoes, groetjepoetje, groetert, een meid of vrouw, die het werk slordig behandelt, groetjen, iets slecht schoonmaken, b.v. met een vuile doek (MOLEMA 135), Oost-Fri. grûtjen, smeren, vuil maken (KOOLMAN 1, 703), Ned. gruit, bezinksel, droesem, gewestelijk slordig werk (VAN DALE), Z.-Nederl. gruiten, modderen, baggeren (KIL., SCHUERMANS). Vgl. grutten.
groesje, groesje, (groesie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Morsebel, smerig wijf. || ’t Is zo’n groesie. – Vgl. Fri. grûsig, smerig, Oost-Fri. grösen, smeren, grôsig, vuil. Ned. groezelig, morsig. Zie ook pentjegroes, groeskop, groezelen, groetje.
groeskop, groeskop, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Schertsende benaming voor jongen; alleen in het liedje dat gezongen wordt bij het fijntje dansen; zie fijntje. || Hier hebben wij ’en groeskop in deze dans. – Anderen zingen van grofkop. – Groeskop zal wel behoren bij de op groesje genoemde woorden.
groezelen, groezelen, (zwak werkwoord, intransitief), Grabbelen, rondtasten, rommelen. Synon. graaien. || Groezel niet zo in die kist. Hij groezelt in zijn zak, maar-i kon ’t niet vinden. Wat loop je daar in donkers (in de duisternis) te groezelen; steek ’en licht op. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 36). – Ook in Aken is grusele voor grijpen, grabbelen in gebruik. Vgl. Ned. Wdb. V, 882.
grof, grofje, (groffie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een soort van grof wittebrood. Zie op bol. || Haal maar ’en groffie.
grofkop, grofkop, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Op dezelfde wijze gebruikt als groeskop; zie aldaar.
grol, grol, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gril, kuur, caprice. || ’t Is maar ’en grol van ’em. Je moet niet zukke grollen hebben. – In de algemene taal heeft het woord verwante betekenissen; zie Ned. Wdb. V, 913 vlg.
grommelen, greumelen, (zwak werkwoord, intransitief), Grommen, pruttelen. Zie synon. op meutelen. || Hoor ers, je moete niet zo greumelen, dat helpt toch niks. – Het woord was reeds in de Middeleeuwen gebruikelijk; vgl. Hs. v. Egmond B, f° 48 v°: “Bi Mergrieten Clais Gruemelaers dochter” (te Velzerbroek of te Assendelft, a° 1342). – Zie ook de aanhaling op weumelen. – Greumelen is een bijvorm van grommelen; vgl. Ned. Wdb. V, 684. – Zie greumelig.
grommelig, grommelig, (gròmmeləch), (bijvoeglijk naamwoord), Mopperig, grommend. || Wat ’en grommelige koopvrouw, die zel ok niet veul slijten. – Zegsw. een grommelig ootje, een pruttelkous. – Het woord is ook elders in Holl. bekend; zie Ned. Wdb. V, 922 op grommelen, en vgl. greumelig.
grommelig, greumelig, (bijvoeglijk naamwoord), Pruttelig. || Wat ben-je weer greumelig. Je moete niet zo greumelig wezen. – Vgl. greumelen en grommelig.
grond, grond, (grònt), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook in de uitdr. er is geen grond in te krijgen, van kledingstukken, die zo vuil zijn, dat men ze niet schoon kan wassen. Oorspronkelijk wel: zo vuil, dat men de ondergrond, het goed zelf, niet meer voor de dag kan brengen onder het vuil vandaan. – Evenzo elders in Holl. en in Overijsel. – Zie nog een zegsw. op vest, en vgl. de samenst. kleigrond, stortgrond.
grondboren, grondboren, (zwak werkwoord, transitief), Een stuk land grondboren, er grondboring op laten groeien, er grondboring van winnen (Westzaan). Zie grondboring. || Der benne (zijn) veul stukken land, die niet ’grondboord worden. Van ’t jaar grondboor ik niet.
grondboring, grondboring, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Het tweede gras op weiland, waarvan hooi gewonnen wordt (Westzaan). Als het land, waarin de koeien des voorjaars gestuurd zijn, is afgegeten, worden de beesten verweid en laat men het gras weer aangroeien. Wordt het daarna gemaaid, dan heet dit gras en het daarvan komende hooi grondboring. Wordt het niet gemaaid, maar weer afgeweid, dan is het etgroen. Men onderscheidt dus drie soorten van hooi, nl. <b>voorb>- en nagras-hooi (van hooiland) en grondboring (van weiland). || Der was in de voorzomer weinig gras, maar de grondboring valt nogal mee. – Vgl. grondboren.
grondel, grondel, grundel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast grundel en eertijds ook gruntel (SOETEBOOM, S. Arc. 473). Zekere vis. – Ook als geslachtsnaam GRUNDEL. – De vorm grundel vindt men ook bij HADR. JUNIUS, Nomencl. 53a: “govius fluviatilis, een grundel” en BERKHEY, Nat. Hist. 3, 15: “Poschjes en Grundeltjes”. – De grondels heten ook poepegrondels (poepegrundels).
grons, gronsje, (grònsie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een kleinigheid, een ziertje, een niets (Wormerveer). || Ik geef er geen gronsie voor. Er mankeert maar ’en gronsie an. – In Limburg is grons een klein geldstuk, een halve cent, en zegt men: “ik bezit geen grons meer, geen rooie duit meer” (t Daghet in den Oosten 7, 37). – Vgl. munsje.
groot, groot, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. driegroot.
groot, groot, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Zegsw. Groot houden van, veel houden van, gek zijn op. || Ze houdt groot van ’em. Trijn houdt toch zo groot van de poes. Den Huysman heeft soo lief ’t gewas, hy houdt so groot van Velt en Gras, Saenl. Wassende Roos 24. – Groot zijn met iemand, veel ophebben met, zeer bevriend zijn met iemand. || Hij is nogal groot mit ’em. – Groothonderd, van maat en gewicht, 104 (stuks). Groot honderd pond aal = 104 pond. Het (groot) honderd (lijn)koeken is 8 worp of 104 stuks. Evenzo rekent men een duizend (of groot duizend) lijnkoeken op 1040 stuks.
grootje, grootje, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – Grootje Grovekoek, schertsende benaming voor iemand, die schor is. || Wel, wel, grootje Grovekoek, hou je mond maar. – Zie een zegsw. op duivel, en vgl. ootje.
groots, groots, (bijvoeglijk naamwoord), vgl. grozig.
grootsig, grozig, (bijvoeglijk naamwoord), Trots, groots. || Wat ’en grozige meid. Hij is niks niet grozig. Ze is grozig op ’er jongens. – Evenzo elders in N.-Holl. Grozig is, op dezelfde wijze als bozig van boos, afgeleid van groos, de N.-Holl. uitspraak van groots. – Vgl. grozigheid.
grootsigheid, grozigheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Trots, hoogmoed. Zie grozig. || Dat komt van die grozigheid. – Evenzo elders in N.-Holl.
grootvaderzegger, grootvaderzegger, grootvaderzegster, (zelfstandig naamwoord), Kleinzoon, kleindochter. || ’t Is me grootvaderzegger. – Vgl. oomzegger, peetzegger.
grootvorst, grootvorst, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook als naam van een pelmolen onder O.-Zaandam, tegenover Zaandijk; vroeger ook geheten de Czaar van Moscovien. Gebouwd in 1697 en genoemd naar Czaar Peter den Groote, die op een zijner zeiltochtjes langs de Zaan de in aanbouw zijnde molen bezocht en zelf bij dit bezoek de hand aan de bijl sloeg.
gruis, gruis, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zie de wdbb. – Ook fijngemalen kruidnagelen of fiment. || Heb-je geen nagelen in huis, roer dan maar wat gruis in ’et vlees. Van vet met peper en gruis hou ik slordig (erg veel). – Evenzo in het Stad-Fri. nagelgruus. Vgl. kruidvet. – In verkl. als naam van een stuk land in de ban van Westzaanden. Thans onbekend. || Dat gruyske, Polderl. Westz. II (a° 1629).
gruizig, gruizig, (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Niet kieskeurig op zijn eten, gretig naar spijs, gulzig, schrokkig. || Ik ben toch zo gruizig tegenswoordig (ik heb zoveel etenstrek, alle eten smaakt mij goed). Die hond is altijd gruizig (lust altijd wat). Wat eten ze gruizig. Wees toch niet zo gruizig. – Evenzo elders in Holl. (BOUMAN 36; Noord en Zuid 3, 114); daarnaast elders ook groezig in dezelfde zin. Zie Ned. Wdb. V, 883 vlg. – Vgl. gruizigheid.
grut, grut, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Klein, onbetekenend goed, prullegoed, rommel, afval. || Wat is ’er ’en grut onder die peren. ’t Is allegaar klein grut. Doen dat grut (rommel, kleine vodjes) maar weg. – 0ud grut, kleine stukjes oud ijzer. De knechts in molens sparen het oud grut en oud touw op en verkopen dit dan met Pinksteren aan de grutboer. – Klein grut, overdrachtelijk ook van kleine kinderen. || Wat is daar ’en klein grut over de vloer. Wat moet ik met al dat kleine grut doen. – Grut wordt door VAN DALE als vrouwelijk opgegeven. Vgl. grut en gort, gepelde garst, en Mnl. grute, gruit, korrel.
grutboer, grutboer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Opkoper van oud ijzer. Zie grut II.
grutten, grutten, (zwak werkwoord, intransitief), Zoeken, wroeten in rommel of modder, om iets terug te vinden. || Ik grut al in me zak, maar ik kan ’et maar niet vinden. Zit niet zo in die rommel te grutten, der is toch niks goeds meer bij. – In het bijzonder met een soort van beugel modder uitspoelen en baggeren, om oud ijzer of verloren voorwerpen te zoeken. || Der is ’en lepel in de sloot ’evallen, we zelle (zullen) der maar na grutten laten. Ze hebben ’en uur ’egrut, maar niks vinden kennen. –- Vgl. bij KIL. gruyten, canales expurgare. In het Vla. is gruiten, grutten, kuisen, ruimen van een sloot, nog gebruikelijk (SCHUERMANS 168). – Zie gruttelen en grutter II en vergelijk groetje.
grutten, gruttelen, (zwak werkwoord, intransitief), Tastend zoeken, rommelen. || Ik heb gien zin om in die ouwe rommel te zitten gruttelen. – Zie grutten.
grutter, grutter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Ei van de grutto; zie grut I. || Grutters ken-je haast niet van kiefte-eieren onderkennen. We hebben drie grutters ’evonden.
grutter, grutter, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Oudroest, voddenkoper, iemand die grut opkoopt. Synon. grutboer. – Zie grut II. 2) Prutter, iemand die in de sloten naar verloren voorwerpen grut. – Zie grutten.
grutto, grut, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zekere vogel. Grutto, griet, Lat. Limosa aegocephala. – De eieren van deze vogel heten grutte-eieren of grutters.
grutto-ei, grutte-ei, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Ei van de grutto; zie. grut I. || Grutte-eieren ben heel wat goekoper as kiefte-eitjes. – Vgl. grutter I.
gruweldig, gruweldig, (met klemtoon op wel), (bijwoord), Gruwelijk. Stellig gevormd onder invloed van geweldig. || ’t Heb vannacht zo gruweldig ’eregend, dat ’et hele bleekveld onder’elopen is. Hij zette ’en gruweldig grote mond op. Ik heb me gruweldig verveeld. – Ook elders bekend.
gruzelementen, griezelement, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Alleen in de uitdr. aan griezelementen, aan stukken. || Daar leit me de schotel an griezelementen. – aan gruizelementen. Het woord is afgeleid van griezel, gruizel, stukje, kleinigheid. – Synon. garlement.
gruzelementen, garlement, garrelement, gorrelement, (met hoofdtoon op ment), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast ook garrelement en gorrelement. Alleen in het meerv., in de uitdr. an (of in) garlementen, aan stukken. || Daar leit ’t bord an garrelementen. Nou heb me die meid de spiegel in garlementen vallen laten. Hij sloeg de hele boel an gorrelementen. – Zie garl en garldegooi, en vgl. griezelement.
guien, guien, (zwak werkwoord, intransitief), Huilen, gieren, van de wind (Wormerveer). || Hoor die wind ers guien. ’t Is ’en akelig gehoor as die wind zo guit. De wind guide in de schoorstien. – Vgl. I. VOS, Pekelharing in de Kist 10: “Het onweert, ’k bid, ei, hoort hoe dat het buldert, tiert en guit, en weerlicht t’elken stond”. – Hier kan echter ook het werkwoord guiten gebezigd zijn; zie aldaar. – Verwant met guien is misschien Ono. geyja, blaffen. Vgl. verder Ags. gôian in de Mercische overzetting van BEDA, Lib. I, 27: gôiende ond géomriende (Lat. ingemiscens) en nog eens aldaar: gôad ond géomrad. Zie gegui en opguien, en vgl. geuen, guiten, guiven.
guifelen, guifelen, (zwak werkwoord, intransitief), Gichelen. || Ze zitten weer te guifelen. – Zie geguifel en vgl. goffen, guiven.
guilijk, guilijk, (bijvoeglijk naamwoord), Gretig, guldig; alleen van vogels. Weinig gebruikelijk. || Kijk ers, hoe guilik die mosken (mussen) bennen (als vogels hun jongen komen voederen en deze gretig naar de wormpjes happen). – Zie guiling, en vgl. wellicht Mnl. gule, guyle, gulzigaard, slemper (Mnl. Wdb. II, 2210).
guiling, guiling, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Aas, voedsel, dat een vogel uit de mond wegpikt. Bijna verouderd. || Me vogeltjes pikken de guiling uit me mond. – Evenzo in Waterland, althans nog in de 17de e. || Het Muschje volgt den Jongen gauw, om een kleyn Kruympje, om een kauw, of om wat guyling uyt zijn Mond, als hy ’t maar roept, het komt terstond, May-gift 24. – Vgl. guilijk.
guit, guit, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zie de wdbb. – Ook als scheldnaam, door de Assendelvers aan de Krommenieërs gegeven. || Die lamme guiten wouwe me weer ofranselen.
guiten, guiten, (zwak werkwoord, intransitief), 1) Geluidjes maken, van een zeer jong kind. Hetz. als geuen; zie aldaar. – Ook guiten van pleizier, het uitkraaien van pret. 2) Huilen, schreien, drenzen. || Hè, meid, schei toch uit mit dat guiten. Je guit al de hele dag. 3) Huilen, gieren, van de wind. Hetz. als guien en guiven; zie aldaar. || Wat guit die wind in de sohoorsteen. Hoor de wind ers guiten. – Vgl. geguit. Guiten is hier en daar ook verderop in N.-Holl. bekend. Men kent het te Andijk en Langendijk in de zin van huilen, wenen, schreien, van kinderen, en te Broek op Langendijk hoort men: “Jongens, hou toch op mit dat geguit”. Eindelijk kent men guiten ook te Hoogkarspel, doch uitsluitend in de zin van tochten, trekken. Vgl. ook HADR. JUNIUS, Nomencl. 250a: “Ululates, gheschrey, janckinghe, huylinge, crijtinge, guytinge”, en 34b: “Canache, basserken, guytere”. – Guiten zou, gelijk in Tijdschr. 10, 283 wordt gegist, een bijvorm kunnen zijn van gieten in de zin van tranen storten en vandaar schreien, huilen. Aannemelijker is echter identiteit met Ned. guiten, spotten (vanwaar guit), dat oorspronkelijk schelden, tieren, heeft betekend. Vgl. ook: Niemandt (sal hem) vervorderen ... t’eenigen tijden inde kerck oft kerckhoff te lopen rasen, tieren, goyten, praecken, lachen oft andere onstuymicheyt te bedrijven, Hs. keur (a° 1585), archief van Assendelft. Zie FRANCK 324 op guit.
Guitskind, Guitskind, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie Guitsman.
Guitsman, Guitsman, (goisman), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bijnaam van een papiermolen aan het Guitspad te Zaandijk, officieel genaamd de Vergulde Bijkorf. De naam Guitsman komt reeds voor in een koopbrief van 1687, verz. Honig. – In de nabijheid van de Guitsman stonden vroeger ook de later in een pelmolen veranderde papiermolen het Guitswijf en de papiermolen het Guitskind. Beide zijn verbrand en thans verdwenen. – Zie verder Guitspad.
Guitspad, Guitspad, (goispad), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Naam van een pad tussen Zaandijk en Westzaan, volgens overlevering in de Spaanse tijd zo genoemd naar de Geuzen. Of dit juist is lijdt echter twijfel. De naam wordt in geschrifte eerst aangetroffen in de 17de e. en ook de weg tussen Westzaan en Zaandijk is niet ouder. De 25ste maart 1624 verleenden de Staten van Holland octrooi om een voetpad te leggen van de Middel tot aan de Zaandijk, ten einde de voor de bewoners van de Lagendijk zeer lange weg naar de kerk en het raadhuis te Westzaanden te bekorten. Het pad werd door de tegenwerking van sommigen eerst een paar jaar later voltooid. Het blijkt uit de hierop betrekking hebbende stukken in Priv. v. Westz. 298 vlgg., dat er vóór die tijd, behalve over water, geen rechtstreekse verbindingsweg tussen het Westzaner Weiver en de Lagendijk bestond. Op getekende kaarten uit de eerste helft der 17de e. heet dit nieuwe pad Kerkepad, op de Kaart v. d. Uytw. Sl. 12 wordt het vermeld als ’t Guyts Padt. Het blijft echter mogelijk, dat er reeds vroeger bewesten de Zaandijk een kort pad, Guitspad genaamd, is geweest, en dat men dit bij het maken van de nieuwe verbindingsweg heeft doorgetrokken. Met zekerheid is hieromtrent niets bekend. Dat HOOFT de partijnaam Geus, uit Fra. Gueux, beschouwt als een verbastering van guits, dat “zooveel als fielen, oft landtloopers zeggen wil” (Ned. Hist. 78), bewijst niet, dat in de 16de e. de Geuzen ook Guits zijn genoemd en dat de benamingen Guitspad, Guitsman, enz. hiervan afkomstig kunnen zijn. || Een papiermolen genaamt ’t Guytswijff ... bij de Saandijk ..., belent ten zuyden ’t Guytspadt (windbrief, a° 1670), Hs. T. 117, f° 18, r°, prov. archief. – Ook in de Overweerse polder bij Purmerend is een pad van deze naam. || ’t Guyts Padt, Kaart v. d. Uytw. Sl. 7.
Guitswijf, Guitswijf, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie Guitsman.
guitzak, guitzak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Guit, schelm. || Die guitzakken hebben me geld ’estolen. Deze Guytsakken (want wy hen (de oproerlingen) soo noemen na de daet) en woedende Rotten, N.-Holl. Ontrust. 111. – Vroeger was het woord ook elders in Holl. gebruikelijk; vgl. DE REGT, Mengeldichten 142: “Ook in myn neef gegreepen ... is ’t mooglijk! licht van dees gesleepen guitzakken”.
guiven, guiven, (zwak werkwoord, intransitief), Huilen, gieren; van de wind (Assendelft, Jisp). || We zeggen as de wind zo onwerig waait en van alle hoekies en holtjes ’en fluitje maakt, dat de wind guift. Hoor die wind ers guiven. – Het woord is ook elders in N.-Holl. bekend (Alkmaar en omstreken, Uitgeest, De Rijp). || De wind guift op de schoorsteen, Hs. Kool. Den wint donderde en guyfde grouwelick, de vlammen kraeckten in de omvallende huysen, LEEGHWATER, Kl. Chrono 20. – Ook van snorrende kogels. || D’achthienden van Ooghst-maand vroegh liet den Spanjaard ’t vier zeer yselick schind’ren van sijn zwavel-blixem fier, end schricklick dav’ren sijn Salpeterighe donder, die uyt Weershoofden van Metaal, snel khuyvend, onder de huysen van de Stadt zeer vreeslick schoten fel, SCHAGHEN, Alckm. Beleg, f° B3 v°. Terwyl een Hooftman daer steld syn slaghoorden rad, zoo komter snuyven uyt deez blixem-donder-Stadt een guyvend Yser, ’t welck een man maar vlicht aan flarden end stroopt zijn Buurman d’hoed van ’t hoofd, ’t vel van den darden, ald., f° B3 v° – Vgl. Hindeloopens goefe, rommelpot, en goefjen, op de rommelpot spelen, Mhd. güefen, schreeuwen, roepen, Md. gûf, geschreeuw, en Mhd. guft, geschreeuw, gejuich. – Zie verder guiten, guien, en vgl. guifelen.
guizen, goesen, goezen, (zwak werkwoord, transitief), Daarnaast vaak goezen. Bij het knikkeren in een kuiltje. Een knikker met de vlakke vinger voortschuifelen. Hetz. als goffen. || Je moete de knikkers in de koelk (kuil) goesen. Je kenne (kunt) niet goezen. – In andere streken heeft goesen, goezen, de bet. van met geraas stromen, gutsen; in Vlaand. is goeschen ook werpen, smijten. De Ned. vorm van het woord is guizen (KIL.). Vgl. Taal- en Letterb. 2, 275; SCHUERMANS 159; Mnl. Wdb. 11, 2052, KOOI.MAN 1, 708. – Vgl. goes.
guizigheid, gruizigheid, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Gretigheid, schrokkigheid. Zie gruizig. || Daar verslik je je al door die gruizigheid.
gul, gulk, (zelfstandig naamwoord), Zekere vis, sterk gelijkende op schelvis; doch niet daaraan gelijk. || Dat’s ’en gulk. Er benne nog al wat gulken bij. – Het woord is ook elders in Holl. bekend; vgl. BERKHEY, Zeetriumph 1, 16: “De visscher bij zijn want en vischtuig zit en krijt, wijl gulk noch cabbe1jaauw aan hoek of angel bijt”. – De vis heet ook gul, en gulk zal hiervan de verkl. zijn. Te Volendam spreekt men van gultje. Vgl. KIL. “gulle, gulleken, asellus piscis”. Gulleken komt reeds in de Middeleeuwen voor; zie Mnl. Wdb. II, 2210.
Guurt, Guurt(je), vrouwennaam. In verkorte vorm Uut. Aan de Zaan en hogerop in N.-Holl. zeer algemeen, doch elders ongebruikelijk. In de 17de en 18de e. komt naast Guertje, Guyrt(e) ook Goortje voor. In de Middeleeuwen vindt men Guurtruyt, b.v.: Guurtruyt Dirck Soyers soens weduwe (te Haarlem, a° 1468), Bijdr. v. h. Bisd. Haarlem 16, 166.
haag, haag, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Zie de wdbb. – Ook als naam van stukken land te Assendelft, waarschijnlijk zo geheten, omdat zij met een haag omheind waren. Thans onbekend. || Die haech, Polderl. Assend. I f° 102 r° (a° 1600). D’haegen te samen 953 (roeden), ald. VIII f° 185 r° (a° 1657).
Haaigracht, Haaigracht, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie Heidgracht.
haak, haak, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Dat is ʼet hakie, daar de kluw an hangt, dat is de hoofdzaak (vroeger hing men het brei-tuigje met een zilveren haak aan het schort). Vgl. de ook aan de Zaan bekende zegsw. dat is het haakje, daar de kan aan hangt (vgl. HARREBOMEE 2, 265). – Zie de samenst. balkhaak, bandhaak, blokhaak, heinhaak, helhaak, hogelhaak, kaarhaakje, knevelaarshaak, kniphaak, pethaak, pothaak, raphaak, rukhaak, slaghaak, stokelhaak, tiemhaak, tiphaak, tokelhaak, walhaak, windhaak.
haaklijf, haaklijf, (haaklaif), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Soort van keurslijf met haken, onderjak, stijve vrouwenborstrok. || ʼk Heb een ruw haaklaif an met een wachie (wagdje, rok) van me grootmoeder, Sch. t. W. 277. Een kavelotte rijglijff, een haecklijff, een brat borsien, Hs. invent (O.-Zaandam, a° 1669), prov. archief.
haaktouw, haketouw, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een touw met een haak aan het ene uiteinde. || Neem maar ʼen haketouw mee. Een haketouw en drie tooistropjes, Invent. Molenmakerij (a° 1846), Zaanl. Oudhk.
Haal, Haal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Naam van een buurt in het Noordelijk deel van Oostzaan. || De Haal. (N.N., wonende) in de Haell, Trouw-register (a° 1627), archief v. Oostzaan. 18 juli 1720 verbrandden er tot Oostzaen in de Haal 13 huizen, Journ. Caeskoper, in dato. Die van de Hadel ende die van den Zuydt-eynde van Oostsanen, LAMS 660 (a° 1394). – Vanhier ook: Dat Haelre vierendeel (een der vier onderdelen van Oostzaanden) LAMS 663 (a° 1408). Halersbroek of Haaldersbroek (het broekland in het Haler vierendeel; thans de Kalverpolder onder O.-Zaandam). – De Haalderdijk (de dijk om Halersbroek); ook als naam van percelen land, die aan deze dijk gelegen zijn. – Het Halerweer (een weer lands onder Oostzaanden), Polderl. Oostz. I (17de e.). – De Haal is een samentrekking van Hadel, en dit is Ofri. halfdel, haldel (helft), tha hadele, tha haldele (RICHTHOFEN 792; HETTEMA 235), Ned. halfdeel (KIL.). – Waarom dit gedeelte van Oostzaan de Hadel heet, blijkt niet. Ook een gehucht bij Schagen heet de Hale, (Chron. v. Schagen 34: d’Haale) en de weg vandaar naar Schagen de Haalderweg (Kaart v.d. Uytw. Sl. 10). Ook onder Castricum komt de naam voor; vgl.: een out ghers lants gelegen op die lutke halen in den ban van Castrichom, Oorkonde v. 22 mrt. 1452/3, Rijksarchief. – Vgl. Halig en Haling.
haal, haal, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. Der is veel haal an de klink, veel drukte, veel bemoeiing. || Der is veel haal an de klink, eer ʼet beurt (ʼt houdt heel wat, eer het gebeurt). Hier over was veel halens aen de klink, SOETEBOOM, Ned. Schout. 514.
haalboom, haalboom, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In papiermolens. Een boom (staak), waarmede de pers voor het papier wordt aangedraaid. De haalboom is omtrent 12 voet lang. – De pars (pers) wordt eerst met een boompje vastgedraaid; dan wordt de haalboom door de spil van de pars gestoken, om deze stijver aan te schroeven dan met het eerste boompje kon geschieden. Daarna wordt de windboom gebruikt, om de pars tot zijn maat aan te draaien. || Vijf parsblokken, 3 haalbomen; … vijf haal-, twee windbomen, een spil, blok en touw, Invent. papiermolen (W.-Zaandam, begin 19de e.).
Haalderdijk, Haalderdijk, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie Haal II.
Haaldersbroek, Haaldersbroek, (zelfstandig naamwoord), zie Haal II.
haalmes, haalmes, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij de boeren. Een sikkelvormig mes aan een lange houten steel, dat gebruikt wordt om het riet op het land te halen.
haalpijl, haalpijl, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Een lange, van hout gesneden pijl, die op de grond gelegd wordt en door middel van een zweepje wordt weggeslingerd. Hij heet haalpijl, omdat hij langs de grond wordt gehaald vóór het voortslingeren.
haam, haam, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bekleedsel van dikke, stevige stof om de bovenrand van zakken. Men zet een haam om zakken, die dikwijls gevuld moeten worden en dus door het vele ophouden licht aan de rand zouden scheuren. Vooral voor die zakken, welke door middel van haakjes onder aan een kaar worden gehangen, zijn hamen noodzakelijk. || Neem ʼen aâre zak, deuze heb gien haam. 126 Moolenzakken met haamen. Hs. invent. stijfselhuis (a° 1767). – Dit haam, bekleedsel, is hetzelfde als Ogerm. woord hamo, hulsel, bedekking, waarnaar ook het haam, zeker paardetuig, heet. – In de zin van (trek)tuig van paarden gebruikt in de zegsw. ʼk ben de hele dag in ʼt haam geweest, als men een drukke dag heeft gehad. – Vgl. FRANCK op haam, hemd en lichaam.
haamgoed, haamgoed, (zelfstandig naamwoord onzijdig), De stevige, geweven stof, waarvan de hamen van zakken worden vervaardigd. Zie haam.
haan, haan, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Zegsw. ʼt Komt hier niet op ʼn hentje (hennetje) of haantje an, het kan hier wel lijden, men is er royaal, – Je kenne net zo lank onthouwen as ʼen haan ʼen koren pikt, je hebt geen geheugen. – Vgl. de samenst. koolhaan.
haar, hares, (bezittelijk voornaamwoord), uit haar ʼes, d.i. haar des. Haar, van haar. || Is ʼet zijnes of hares (is dat voorwerp van hem of van haar)? – Ook elders in Holl. In het Stad-Fri. horres.
haar, haar, (bezittelijk voornaamwoord), vgl. hares.
haar, -haar, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zenuw. Alleen in de samenst. langhaar; zie aldaar.
haar, haar, heer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast heer. – 1) Mensenhaar. Zegsw. Rood haar is Judashaar; dat niet en krult is duvelshaar. – Iemand ʼet haar uit zijn kale kruin trekken, hem het vel over de oren halen, hem uitzuigen. – Zijn haar zal uitgekamd worden, het zal hem tegenvallen, hij zal er van opfrissen! || Nou, die zen heer zel ok uitʼekamd worre! – Je ken er je heer wel op uitkammen, zo vet benne ze (van koeien: ze blinken zo, dat je er je in spiegelen kunt). – Iemand aan de harde zij in ʼt haar hangen, hem hinderen. Thans in onbruik. Konink Willem … gaf eenige welbooren mannen vryheden op datse sonder ophouden de Vriesen aan de harde zy in ʼt hair hangen souden, SOETEBOOM, S. Arc. 240. – Daarnaast ook alleen in ʼt haar hangen. || Het (wierdt) ook eyndelijk daer toe gebracht, dat men malkanderen te degen in ʼt hayr hing. SOETEBOOM, Ned. Schout. 621. De twee Noorder Kroonen, Denemerken en Sweden, begonnen nu weder malkanderen in ʼt hayr te hangen en de broek op te nesten, ald. 275. – Zie de samenst. poddehaar. 2) In de olieslagerij. De op een bijzondere wijze van paardehaar gemaakte omslagen, waartussen het in bulen gedane lijnmeel wordt geperst, zodat de olie er uit loopt en het meel tot koeken wordt samengedrukt. Zie Groot Volk. Moolenb. III, pl. 4. || De haren ben of; we moeten nuwe haren van de haremaker kommen laten. – Vgl. haremaker. 3) Zeker soort van taai gras, dat op vochtige bodem groeit. Lat. Trichodium caninum (VAN HALL, Landh. Flora 253). Dit gewas heet ook haard en haargras; zie aldaar. || Wat staat ʼer ʼen haar in dat veld. – Evenzo elders in N.-Holl. || Daar lag Tsijp verdroncken wel 24 jaeren; daer worde nergens op gesayt noch gheplant, dat boven lach wies niet op dan helm en haeren, Kalveren en Lammeren weydemen op thoochste lant, VALCOOGH, Chron. v. d. Sype 65. 4) Het rooie haar, zeker roodachtig, fijn watergewas, dat zich vastzet aan wallen, schuiten, enz. en gedurende enkele weken in de zomer groeit. Het tijdstip, waarop het zich vertoont, valt juist samen met de hooitijd. De wallen stinken dan van het rode haar en de aal schrikt hiervoor terug. Vandaar het vissersrijmpje: "Hooi op land / Aal van de kant"
haard, haard, heerd, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast heerd. Zie de wdbb. | Stook de heerd maar op.
haarde, haard, haarde, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)), Afgekort uit haarde. Zekere grassoort (Westzaan). Hetz. als haar en haargras; zie haar I, 3°. || Haard groeit allienig op natte grond. – Het woord komt ook elders in N.-Holl. voor. || (Na een doorbraak): de laage Landen, daar het water afgemalen moeste zyn quamen swart boven en met de droogte wit van flab, en daar na wierde het rood of het verbrand was, uytgezondert tot Oostwoud en Hauwert, en buyten dik (dijk) die waren met waterheyd en haarde, Chron. v. Medembl. 325.
haardkoek, haardkoek, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Daarnaast heerdkoek. Plaatkoek, zeker gebak van roggemeel.
haargras, haargras, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zekere grassoort (Assendelft). Hetz. als haar en haard; zie haar I, 3°. De benaming haargras is ook elders bekend (VAN HALL, Landh. Flora 253).
haarspit, haarspit, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een klein aanbeeld, dat gebruikt wordt bij het haren (scherpen) der zeisen, en bestaande uit een ijzeren pen met verstaalde kop. Op het haarspit wordt de snede van de zen door middel van een hamer dun en scherp geslagen. De beide wigvormige armen van de hamer zijn aan de scherpe kant verstaald. – Het woord is ook elders in Holl. en Oost-Friesl. bekend.
haarsteker, haarsteker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie poothaarsteker.
haast, haast, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), vgl. midderhaast.
haastig, haastig, (bijvoeglijk naamwoord), Zegsw. De haastigen zijn gevlogen, de haast is er uit, het gaat langzaam, b.v. gezegd, wanneer bij het eten de grootste trek over is en “de molen langzamer begint te malen”. Vgl. HARREBOMEE I, 272: de haastigers hebben gedaan.
habejaks, habejaks, habijaks, abejakkig, aberjapst, (met hoofdtoon op ha), (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Daarnaast ook aberjapst (met hoofdtoon op japst). Raar, vreemd, slordig, slecht. – Een zaak habejaks doen, slecht, half doen. || Wat is dat weer habijaks ʼedaan, ʼt deugt helegaar niet. ʼt Is aberjapst (raar, slecht). – Het woord is stellig uit een vreemde taal overgenomen, maar de oorsprong is niet duidelijk. Te Zaandam zegt men ook abejakkig voor ongesteld, zich onlekker voelende. || Ik ben wat abejakkig.
had ik eens, haddekes, (haddǝkǝs), in de uitdr. hij is van haddekes volk, hij is nooit tevreden, hij wenst altoos wat anders. – Haddekes volk is samengetrokken uit had(de)-ikke’s volk, dat zijn zij, die altoos spreken van “had ik dit” of “had ik dat”.
Hadel, Hadel, (zelfstandig naamwoord mannelijk), zie haal II.
haffen, haffen, (zwak werkwoord, transitief), Bij de visserij. Het want, met de gevangen vis daarin, uit het water in de schuit halen. Bij het inhalen van het net zijn twee personen werkzaam; de een haalt de kurken op, de ander hijst de buik van het want in de schuit. Deze laatste persoon heet wanthaffer of haffener. – In dezelfde zin gebruikt men ook mennen. || Laat mijn maar haffen, en haal jij de kurken op. Het want ken nou wel ʼehaft worre. – Ik zel de haffener wel wezen. Wie is wanthaffer? – Haffen is de oude vorm van heffen; vgl. haft naast heft, hecht. Daarnaast is, blijkens het er van afgeleide haffener, ook in gebruik geweest het freq. haffenen. Dit woord komt in de Middeleeuwen ook elders in N.-Holl. voor; vgl. Rek. d. Graf. v. Holl. 2, 314: “Item bi Hughe Lanen (wtghegheven) van houte te halen bi der zee ende van netten te haffenen, die an quamen ter Wijc (Wijk aan Zee), 5 sc. 7d.” – In de zin van ophijsen in het algemeen vindt men het Rek. d. Graf v. Holl. 1, 294: “Van 1 groten reep van 30 vadem, die gebesicht was dit hout (30 sparhoute) mede te haffenen ende te scepen, elc vadem 3 d., maect 7 sc. 6 d.”. Vgl. Mnl. Wdb. III, 22, waar aan de eerste plaats ten onrechte een andere bet. is toegekend.
haffenier, haffener, (zelfstandig naamwoord mannelijk), De visser, die het want haft (in de schuit haalt). Zie haffen.
haft, heft, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Plaats, waaraan men blijft heften (hechten); zie haft. – Ook overdr.: We hebben heel wet (wat) heften ʼehad (we hebben heel wat oponthoud gehad onderweg). – Vgl. heften I. – In verkl. heffie ook het gevolg van het blijven heften (hechten) met een kledingstuk; rafeltje. || Er zit ʼen heffie an je jas.
haft, haft, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Daarnaast heft. Bij de vissers. Een uitstekende punt onder water (boomstronk, anker, enz.), waaraan de visnetten blijven heften (hechten). || Pas op, dat ʼet want niet an ʼen haft zitten blijft. Doen wat voorzichtig, want hier zit ʼen heft. – De oude vorm haft is alleen nog bij ouderwetse mensen in gebruik: de jongeren zeggen heft. Hetzelfde woord, doch in de vorm van hecht vindt men ook bij BERKHEY, Nat. Hist. 3, 2044: “In het Westen van Wyk aan Zee 21/2
hakken, hakken, (zwak werkwoord), zie zegsw. op koek.
hakkepak, hakkepak, (met hoofdtoon op hak), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Iemand die onbedreven is, die onhandig doet. || We hebben ʼen nieuwe meid, maar ʼt is nog zoʼn hakkepak. – Vooral van schaatsenrijders: brekebeen. || Je benne ʼen hakkepak, je kenne der niks van. Wat doen al die hakkepakken ok op de baan. – Bij VAN DER VENNE, Belachende Werelt 120, leest men hackje-pack, eveneens in ongunstige zin, doch de juiste betekenis blijkt niet: “over Dreegers, Schoyers, Glippers, over Ambochts-luy, en Boer, over Hackje-pack, of Hoerˮ.
hakkepiel, hakkepiel, (met hoofdtoon op piel), (zelfstandig naamwoord mannelijk), Stoffelig, onhandig, onbedreven persoon. || Och, jij benne ok zoʼn hakkepiel. – Zie hakkepielen, en vgl. bokkepiel.
hakkepielen, hakkepielen, (zwak werkwoord), Met stomp gereedschap hakken en snijden, onhandig bezig zijn. || Wat staan-je daar te hakkepielen, slijp eerst je mes. Zuk hakkepielen geeft toch niks. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 37). - Hakkepielen is een samenst. van hakken en pielen (snijden, kerven). Vgl. hakkepiel.
hakkepoffen, hakkepoffen, (hakkǝpòffǝ, met hoofdtoon op pòf), (zwak werkwoord, intransitief), Slecht schaatsenrijden. || Kijk die ers hakkepoffen. Wat is-i an ʼet hakkepoffen. – Het tweede lid der samenst. zal wel zijn poffen in de zin van met een bof neerkomen. – Vgl. hakkepoffer.
hakkepoffer, hakkepoffer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Onbedreven schaatsenrijder. Hetz. als hakkepak; zie aldaar. – Vgl. hakkepoffen.
hakker, hakker, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. bijthakkertje.
hakketak, hakketak, (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk), Hakkelaar, stamelaar (Zaandijk). || Zoʼn hakketak: ze ken nog niet eens goed praten.
hakketouwen, haketouwen, (zwak werkwoord, intransitief), Hakketeren, kibbelen. Thans verouderd. || De geschillen, die ʼr geweest zijn, tusschen de Stadt Groeningen, en de Ommelanden, gaen wy willens voorby, desgelijcx ook het haketouwen tusschen die van Deventer, en zijne Hoochheydt de Heere Prince van Oranje, SOETEBOOM, Ned. Schout. 727.
hakvloot, hakvloot, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Hakbord, voor groente enz. Vgl. vloot I. || De hakvloot is versleten.
hal, hel, hal, helt, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)), Daarnaast helt en hal. Bevroren plek in de grond; Ned. hal, onzijdig || De hel zit nog in de grond. Zolang de helt niet uit de grond is ken-je niet grippelen (geen greppels graven). De snouw is wel ontdooid, maar ʼet water ken nag niet wegtrekken, want de hal is nag niet uit de grond. – In de Beemster spreekt men van het helt (BOUMAN 40). Vgl. FRANCK op hal.
halen, halen, (zwak werkwoord), zie zegsw. op asem, boodschap, kind, opgooien, ruis, en vgl. aanhalen, afhalen, doorhalen, ophalen, uithalen, verhalen en handje-haal. – Vgl. prijsie halen op prijs, alsmede beentje-haal en berriehaalder.
Halersbroek, Halersbroek, (zelfstandig naamwoord), zie Haal II.
Halerweer, Halerweer, (zelfstandig naamwoord onzijdig), zie Haal II.
half, halvers, (bijwoord), Ten halve, voor de helft (Assendelft). || Ik geloof ʼet maar halvers.
half, half, (hallǝf), (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord), Zegsw. Als het half kan, als het enigszins mogelijk is. || As ʼet hallef kan, dan kom ik. Piet, gaan-je mit me mee, as je hallef kenne? – Een half koppie half, zeer gebruikelijke maatbepaling, ¼ kop. || Geef me ʼen kop gort en nog ʼen half koppie half. Vgl. Hs. v. Egmond, ƒ° 16 v°: “Een halve roede half in Ewijns tuneˮ (te Velzen, 13de e.).
halfelfje, halfelfje, (hallǝvelfie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij de boeren. Een maaltijd van brood en koffie, des morgens om half elf, tussen het ontbijt en het middagmaal. Tegenwoordig bestaat het halfelfie ook wel alleen in het drinken van koffie. – Ook: een benauwd halfelfie voor een kleine, nauwe ruimte. || ʼt Is hier ʼen benauwd halfelfie, hoor; ik ken der nauwelijks bijkomme. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 37). Vgl. halfzesje.
halfet, halfet, (halvet, met klemtoon op et), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Melk van de vorige avond, die men des morgens een weinig afroomt en dan verkoopt. || Haal wat halfet. – Waarschijnlijk is de benaming daaraan ontleend, dat de melk een half etmaal heeft gestaan; men spreekt althans ook van halfetmaalsmelk. Anderen vatten halfet op als half-vet, omdat de melk een weinig is afgeroomd. – Vgl. Fri. etmiels-moalke, melk die ʼs morgens gemolken is en de volgende morgen wordt afgeroomd. (HALBERTSMA 943).
halfetmaalsmelk, halfetmaalsmelk, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie halfet.
halfje, halfje, (hallǝfie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een half boezelaar, dat bij vuil werk over de schort wordt gedragen om deze van boven te sparen. || Doen ʼen halfie voor. Vijf boeselaars, vier halfjes. Hs. invent. (Krommenie, a° 1796), prov. archief.
halfvathoutsblad, halfvathoutsblad, (zelfstandig naamwoord onzijdig), In de houthandel. Een deel van 6 voet lengte. Vgl. blad en vathoutsblad.
halfzesje, halfzesje, (hallǝfsessie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Bij de boeren. Een maaltijd tussen het middagmaal en het avondeten, bestaande uit koffie met koek of brood. Het halfzesje geraakt in onbruik. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 37). Vgl. halfelfje.
Halig, Halig, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Naam van verschillende stukken land in de ban van Westzaanden. Daarnaast Haling, Halinge; zie aldaar. || Een kamp an die Zaendijck ende is ghenoemt die halich, Hs. T. 118, ƒ° 39 r° (a° 1564), prov. archief. De halich, Polderl. Westz. IV ƒ° 383 (a° 1649). Die halich, ald., ƒ° 390. Noch het halichgen, ald., ƒ° 402 (alles te Zaandijk of Koog). ’t Suyer halichgen, noch Willem Albertz. haligh, ald., ƒ° 497 (te W.-Zaandam, a° 1649). Een stucke lants genaemt de papen halich (Westzaan, a° 1594), Hs. T. 49, ƒ°165 r°, prov. archief. Dit land is belend aan “ een stucke lants genaemt die pastoors halingeˮ, ald. – Ook elders in N.-Holl. vindt men landerijen met deze naam, b.v. “het Haligjeˮ te Marken-Binnen. – Halig en Haling zullen wel in betekenis gelijkstaan, doch zijn niet identiek. Halig zal wel zijn het als zelfstandig naamwoord gebruikte bijvoeglijk naamwoord halig, dat voorkomt Wfri. Stadsr. 2, 262: “In halige sloten laycken” (baggeren). Oock so moet daer niement scuitwasen (baggeren) in halighen slooten twischen die (Tocht?) ende die oude Ghou op een pont (keur v. Grootebroek, 15de e.). – Halig is afgeleid van haal, hadel, halfdel, de Fri. vorm van halfdeel, helft; zie haal II. Halige (halfdelige) sloten zullen dus zijn sloten, die voor de helft aan elk der beide aangelanden toebehoren (Mnl. Wdb. III, 45), hetzelfde dus als halmer; zie aldaar. Halig als naam van land zal een dergelijke betekenis hebben gehad. Wellicht werden stukken land, die aan twee verschillende eigenaars elk voor de helft toekwamen, aldus benoemd. Haling, afgekort uit het oudere Halinge, staat voor *hadelinge, dat beantwoorden zou aan een Ned. *halfdeling(e) en dus, evenals hadel, helft betekent. Uit de ligging of vorm der thans nog bekende landen van deze naam valt omtrent de betekenis niets op te maken.
Haling, Haling, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Vroeger ook in de niet afgekorte vorm Halinge. Naam van verschillende stukken land. || Die haeling (in Buitenhuizen), Polderl. Assend. I ƒ° 12 r°, e.a. (a° 1599). De haling in de Nes (idem), ald. II f° 10 r°. De haling (te Krommenieërhorn), Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 243. Die pastoors halinge (te Westzaan, a° 1594), Hs. T. 49, f° 165 r°, prov. archief. De Haling (te Jisp, aan het einde der Noordergangsloot. In 17de-eeuwse stukken: de halinge). – Onder Enkhuizen is een dwarswatering, die de Haling heet; zie Handv. v. Ench. 397a (a° 1620) en Kaart v. d. Uytw. Sl. 2. – Zie voor de afleiding van het woord op halig, en vgl. Oosterhaling.
halje travalje, halje-travalje, (met klemtoon op hal en val), (bijwoord), Overhaast, hals over kop. || Waar gaan jij zo halje-travalje na toe? Toe ze mork (merkte) dat ʼet al zo laat waar ging ʼet halje-travalje, om maar klaar te kommen. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 38) en in Amstelland.
halmer, halmer, halmoer, (halmǝr), (zelfstandig naamwoord vrouwelijk, soms onzijdig), Daarnaast halmoer (met klemtoon op hal). Heiningsloot, grensslootje tussen twee landen; soms ook het slootje, dat de rietdergen van het land afscheidt. Het woord begint te verouderen. || In ʼt najaar moeten de halmers opʼehaald worden. As de halmoeren dichtgroeien dan loopt ʼet vee in ʼet riet en gaan de dergen vort (weg). – Dit namelicke ende tegenwoordige lant soo groot ende kleyn ende heynsloten, daer wy al te samen op staen, Hs. dingtaal van zeventuigsrecht (begin 15de e.), archief v. Assendelft. Als te weeten opte houffslaegen ende andere dijcken geen seeckere roeyinge hebbende opte slooten off halmeren der weeren daertoe zy respecteren, Hs. (a° 1591), archief v. Assendelft. Aengaende de Landen sal de Lemijt-scheydingh zijn van de voorsz. Roypalen Noord aen, tot die Royingh vande Noord-kant van Dirck Dircksz. Erf toe, wesende een Halmoer ofte Dil, komende over een met het Halmoer ofte Slootgen benoorden Jan Claes Jannes Ven, ende soo voort dat Halmoer langhs Oost aen over die Braeck, na die Zuydkant van Pieter Jaep Michaeyes Ven toe, gelegen op den Gou, Priv. v. Westz. 463 (a° 1642). Zy-luyden bevindende datter in de voorsz. Ban veele Slooten ende Halmers niet open ofte schoon gehouden werden, soo dat het water geen behoorlijcke loop konde hebben … beramen een Keure tot het laten verwijden en diepen van Slooten en Halmers, soo, ende gelijck ʼt selve … noodigh bevonden souden werden (keur v. Oostzaanden, a° 1654), LAMS 701. En sulle de secreeten moeten staan binne de wal, digt gemaakt tot aan de Soomer of laagh water, opdat de sloot vry en wyd blijft vijf voeten van het midden der Halmoer af, Hs. contract Stikkelpad (W.-Zaandam, a° 1676), Zaanl. Oudhk. Twee voet diep oordeelen (wij) best te zijn, wijl van mijn (mij) vier halmoeren sij besteet op dito diepten, Hs. (18de e.) Zaanl. Oudhk. Dat alle halmers van de landen in de banne van Wormer gelegen by de bruyckers of eygenaars van de landen sullen moeten werden opgeklaart en wijt gemaak(t) zeven Rijnlandse voeten, diep een voet schoon water beneden zoomerpeyl, en sal een ider een half voet over sijn helft moeten halmoeren, Hs. keur v. Wormer (a° 1754), archief v. Wormer. De vervuylde slooten en hallemoeren die van die van Purmerland in de banne van Oostzaane leggen, Hs. (a° 1763), archief v. Zaandam. De halmoers moeten wijt zijn 6 voet, Keur v. Oostzaanden (a° 1769), archief v. Zaandam. Ieder halmoer vermag niet minder dan 1.75 ellen wijd en 4 palmen diep zijn, onder het zomerpeil van den polder, Publikatie halmoerschouw (polder Oostzaan, a° 1895). – Het woord komt ook elders in N.-Holl. voor || De voorsz. requiranten … versochten vonnis precyes, beroerende die halmer vande voorsz. gemeente dijck. Hs. (a° 1590), archief v. Velsen. Halmoer zal wel hetzelfde woord zijn als Ndd. helmer, vrouwelijk en mannelijk, een zij-, dwars- of bijweg, die van de hoofdweg naar de dijk of de marsen voert. In het Mnd. heeft het woord de vormen helmendere, helmeder, halmdor, helmede, helmerde, helmer; zie LÜBBEN III, 233. De afleiding is onbekend, doch LÜBBEN wijst op Ono, helmingr, helft. Zo er werkelijk een woord met de zin van half in school, zou dit sluiten met het feit dat de Zaanse halmers slootjes zijn, die half aan de ene belendende en half aan de andere toebehoren. – Zie verder halmeren en halmerschouw, en vgl. halig.
halmeren, halmeren, (zwak werkwoord, transitief), Daarnaast halmoeren. Heinen, de slappe kant van het land afsteken en ophalen en daardoor de halmeren op behoorlijke breedte brengen. Zie halmer. || In ʼt najaar wordt vanwege de polder altijd geordonneerd om te halmeren. Is mede insgelijckx nogh gekeurt ende geordonneert, vermits dʼgroote naelaetigheyt int halmoeren ende tʼopruymen der toegegroeyde slooten, waer door veele clagten ende inconvenienten tussen dʼbueren komen te ontstaen, willende daer inne voorsien, hebben dehalven goedgevonden te keuren … dat indien eenige sloot ofte slooten soo verre toegegroeyt ende vervuylt sijn, dat dʼbeesten van dʼeene ofte dʼandere seyde van het eene landt op het andere soude kunnen overspringen ofte dʼwalle en dʼlanden malkanderen raekende, ende dʼeygenaer van dʼeene seyde genegen sijnde aen sijn kant te halmoeren, soo sal synen buerman ende eygenaer van het nevensleggende land … mogen insinueren ende aenseggen, dat sy mede sullen moeten kaeden, Hs. halmoerkeur (a° 1753), archief v. Wormer. De bodem der schouw en de koebruggen ieder keer met hamerslag te bestrooyen en wijders het tijdig halmoeren der weg, Hs. rakende het onderhoud van weg en schouw om de Noord te Wormerveer (a° 1828), archief v. Wormerveer. – Halmeren is ook in Waterland gebruikelijk (BOUMAN 38). || (Wij ordonneeren), dat alle de slooten, rontom de Landen in deze Jurisdictie … geleegen, zullen moeten werden Geklaart en Gehalmert, de Vaar- ofte de Nootslooten uytgesondert, en dat ter weytte van ses voeten op het Water sal moeten wezen, en een half voet klaar water daar in (keure op de halmer-slooten, Landsmeer, a° 1690), Keuren v.Waterl. 59. T.a.p. bl. 31 vindt men een keur “op ʼt ongeregelt Holmeeren, ofte Slooten klarenˮ (a° 1673). Deze vorm kan echter wel op een drukfout berusten. || Over de percelen die bij de eerste Schouw niet of slechts onvoldoende zijn gehalmoerd (zal) een tweede, zijnde een laatste Schouw worden gedreven, Publikatie halmoerschouw (polder Oostzaan, a° 1895).
halmerschouw, halmerschouw, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Daarnaast halmoerschouw. Heiningschouw, de jaarlijkse schouw op het halmeren door dijkgraaf en heemraden. – Zie halmer en halmeren.
hals, halsje, (halsie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Zeker soort van brood, dat in een blikken trommel gebakken wordt, trommelbol (Zaandijk, Koog). || Geef mijn maar ʼen stuk van ʼet halsie, dan magge (moogt) jullie ʼet schootje wel opeten. – Ook: een zeer klein, min kindje. || ʼt Is zo’n halsie. – Vgl. Ned. hals, onnozele stumper (Ned. Wdb. V, 1668 vlg.). – Ook in Friesland is een krintehalske een in blikken vorm gebakken krentenbol (DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 1, 417).
hals, hals, (zelfstandig naamwoord mannelijk), In verkl. halsie; vgl. halsje. – Zie een zegsw. op meid, en vgl. de samenst. voorhals, zwanehals, halshoep, halshout, lange-halsklamp, halsklos.
halshoep, halshoep, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Bij de kuiperij. De tweede hoepel van een vat. Zie hoep. – Evenzo elders in Holl. || De (haring)-tonnen te kleyn ofte te kort bevonden werdende, sal den Brander met den brandt tusschen den derden ende den hals-hoep teeckenen, Handv. van Ench. 257b (a° 1620). In gevalle den Brander tot alsulcken Cuyper eenige tonnen brandt, al eer hem de tonne vertoont ofte gewesen is waer die is gebleven, die hy tusschen den derden halshoep ghesteken heeft, sal den Brander elcke reyse verbeuren twee ponden Hollandts, ald.
halshout, halshout, (zelfstandig naamwoord onzijdig), Steeds in het meerv. halshouten. In een molen. Een paar vullingstukken, aan weerskanten van den hals van de as op de broek aangebracht, en waartussen de as draait. De halshouten heten ook halsklossen.
halsje, halsje, (halsie), (zelfstandig naamwoord onzijdig), Een vrouwenkledingstuk. Halsdoek. || Doen ʼen halsie om. Dertien paar poveretten, tien halsjes, twee neusdoeken, Hs. invent. (Jisp, a° 1730), prov. archief.
halsklos, halsklos, (zelfstandig naamwoord mannelijk), Hetz. als halshout, zie aldaar.
ham, ham, uitroep van kinderen als zijzelf of anderen iets breken, scheuren of een ander ongeluk hebben. Ook ham ʼt is, elliptisch voor ham, ʼt is zonde, schande, of in verkl. hampies! || Ham! – Ham, ʼt is! wat zel jij ʼen schelden krijgen! – In het Ndd. gebruikt men ham! als uitroep om iets te doen ophouden of te verbieden, dus in de zin van halt! (DANNEIL, VILMAR). Vgl. Hgd. hemmen.
Ham, Ham, (zelfstandig naamwoord mannelijk), 1) Naam van een water onder Krommenie en Uitgeest, bij de Busch. || De Ham. – Een Molen … om het water uyt den Ham in de Kil op te malen, Handv. v. Assend. 311 (a° 1730). Euterdijk op de Ham, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 59. 2. Naam van een stuk land in de Kalverpolder. || De Ham, Custb. (a° 1741).
hamer, hamer, (zelfstandig naamwoord mannelijk), vgl. hesselhamer.
hamerslag, hamerslag, (zelfstandig naamwoord mannelijk (en onzijdig?)), In het Ned. is het woord onzijdig; zie de wdbb. – Ook: schapenwolkjes. || Wat zit er ʼen hamerslag an de lucht. "Hamerslag, / Regen met den derden dag." volksrijmpje, ook elders in Holl. bekend. Wellicht heeft men bij het geven van deze naam aan die wolkjes gedacht aan de hamer van de dondergod. – Ook als naam van een perceel grasland te Wormer. || De Hamerslag.
Hammenmeed, Hammenmeed, Hammenven, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Stukken land te Assendelft, in Oflaatsweer. De Hammenven of de Groote Meet. – Griete Gerrits hammen ven, Claes Wouters hammen ven, Claes Symen de boers hammen meet, Gerrit Ham comsoosijt (cum sociis) hammen ven, Maatb. Assend. (a° 1634). – De naam is afkomstig van de geslachtsnaam HAM, door de vroegere eigenaar dezer landen gedragen. – Vgl. verder maad en ven.
hand, hand, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), zie de wdbb. || Wil-je ʼen éénhands of tweehands stuk (een snee brood zo dik, dat men het met één hand vasthouden kan zonder dat het doorbreekt, of zo dun, dat men het met twee handen moet steunen)? – Zegsw. Ergens het handje van hebben, neiging hebben iets te doen, dikwijls doen. Hij het er erg ʼet handje van, om laat te kommen. Evenzo elders in Holl. – Zie nog een zegsw. op kind. || Vgl. vaders handje mag, op spanbotten.
handhuks, handhuks, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Een huks met korte steel. Zie huks.
handjehaal, handje-haal, (zelfstandig naamwoord), Een kunstje bij het tollen. De tol wordt dan niet op de grond gezet, maar op de hand teruggehaald en moet daarna op de vlakke hand “staan”. || Willen we ers kijken, wie ʼt beste handje-haal doen ken? Ken-je ok handje-haal als ik?
handkruk, handkrik, (zelfstandig naamwoord vrouwelijk), Handvatsel van een zeis, het uitsteeksel aan de kolf, dat de maaier vastgrijpt (Westzaan). De gewone zen heeft één, de zwaaiboom twee handkrikken. – Vgl. krek.
handschoon, handschoon, (bijvoeglijk naamwoord), Traag om te helpen, onhulpvaardig; letterlijk zijn handen schoon houdende of verschonende, sparende, dus: nooit de handen (voor iemand anders) uitstekende (de Wormer). || Je hoeve ʼ