elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.

aalt, ale, Tw. het vocht dat uit de mest zevert. Eig. uitbraaksel. Isl. at ala, braken. Dev. aalte, id.
aambeeld, ambelt, zie haren.
aanbijlangs, [rakelings langs], anbiling, digt voorbij, er kort langs. [Aan bij langs.]
aanblekken, [blaffen, toesnauwen], anblekken, blaffen, toesnaauwen.
aanblekken, anblikken, een stuk van den bast van een boom snijden, ten teeken wat men in een bosch denkt te verkoopen.
aanbuiten, [aanleggen, aanhogen], anbuten, Vuur anbuten, vuur aanleggen. beuten, id. mest anbuten, mest bijeenschrapen en aanhoogen. A. S. bytan, bytlian, bouwen.
aantijden, [beginnen, beginnen te trekken; te lijf gaan], antyen, beginnen aan te trekken als een paard voor den wagen. [tiden, trekken].
aard, oart, het regte ras. Hee is in ’t oart, hij is in ’t soort.
aarden, [aansteken], oaren, [aarden] aansteken; eig. aard hebben, d. i. tier. De ziekte oart, de ziekte is besmettelijk. L. F. ik mei net yn de sted aerdje, de stad is mijn leven niet.
aardwelpen, [inboorlingen], artwelpen, inboorlingen. W. 451. d. i. telgen die in den aard zijn, van het echte erkende ras. Zie oart.
aas, oas, (onzijdig), kreng, spijtig en stekelachtig menschje.
achterdocht, achterdocht, aandacht bij ’t geen men doet, nadenken.
afgunst, oävelgunne, Euvel-gunne, Tw. wangunst.
afniefelen, ofniifelen, met mooije praatjes of slinksche grepen afhandig maken. Zie niifelen.
afrikken, afrikken, het land met latten en palen omheinen tegen het vee. Zie rik.
afschotelen, [afschepen, afzetten], ofschuttelen, afzetten, afschepen. Hee lief my lelek of ’eschutteld.
akkermaalshout, [kreupelhout], akkermoals-holt, tienjarig gewas van eiken kreupelhout om te branden. Scher. mal, grens, rand. Hout op de randen der akkers.
aks, ekse, (vrouwelijk), de zware bijl, met blad van den vorm der oude strijdbijlen, bij het scherp breeder uitloopende; dient om zwaar hout te hakken, en met een’ hamer tot kloven. Holl. akse.
aliband, [grappenmaker, losbandig persoon], aliband, (mannelijk), een snaak vol guitestreken. Die op zijn 18de jaar poogt aardig te zijn door aanslagen van een kind van tien jaar. b. n. alibandig. z. n. alibanderye, een snaaksche moedwil van ledige handen. Het Overijselsch is getrouw aan het oud H. d. De Joden zeiden tegen Christus, bist elibenzo fremider, gij zijt een vreemde landlooper en guit. Otfrid III. 18. 28. Van eli, in el-lende, uitlandigheid, en bende of bent, gemeene, verachtelijke troep volks. De H. d. veranderen het in alifanz.
arend, arend, mannetjesduif, doffert. Zoo wordt ram toegepast op de mannetjes van verscheidene viervoetige dieren als arend op die der vogels.
arks, [vel papier], arksel, (onzijdig), vel papier. Isl. Ark, id.
as, [allooi], asse, Tw. specie, allooi.
avegaar, effer, groote boor, voor eviger, contr. efger en effer. Van daar pl. d. evern, diep invreten. Hadr. Junius auigeer. De Vriezen, Engelschen en Hollanders werpen de o uit dit woord en houden de g. Eng. [awger] auger. Holl. agger, ook eviger en neviger. L. F. noager. Thema ave, nave, waarvan ook navel, [A. S. naefe-bôr.] en gere, punt.
baak, baak, staak waarom het paaschvuur gestookt wordt.
baden, [betten], biën, betten.
bageren, [drukte maken, luid praten], bageren, drukte op het lijf hebben zonder veel uit te voeren. Isl. bagi, zwarigheid, moeite, eig. een pak. Eng. bag, zak.
baggeren, baggelen, zich wentelen als een kind dat op den grond ligt. Isl. böggla, bijéén rollen.
bakslagerij, bakslagerye, zwendelarij. Eig. rug-slagerij, van achteren, d. i. bedriegelijk.
balie, balie, Sw. tob.
balkhaas, [kat], balke-haze, een kat. [Jachtterm].
balsturig, balstoerig, nijdig en norsch omdat men zich verongelijkt waant.
bandel, [hoepel], bandel, (vrouwelijk), hoepel om een vat. Bandelen, hoepelen. [Kinderspel.]
bank, banken, planken in een kas.
barg, barg, borg, birg, gesneden varken.
bast, [buik], basse, (vrouwelijk), balg, buik.
bast, baste, Tw. de bil van een mensch. m. v. bassen, billen. Fr. les fesses?
beboden, [door een bode bekend maken; overbrengen; uitnodigen], bebooyen, noodigen laten.
begaving, begavung, vallende ziekte. Bij de ouden met de pestilentie begaaft worden. “Aldus verciert mit vele duechden waert meyster geryt die grote begaeft van gode mitter pestelencie.” HS. van suster Greete. Er moet dus van gode onder verstaan worden. Zoo gift, voor vergift. Het was alzoo eene fraaije equivoque van Vondel in zijn bekend opschrift voor een dolhuis, Hier worden gespijst en gelaeft / Die met sotheyt syn beghaeft. De burgermeester, wiens zoon voor gek verklaard was om hem wegens moord van de galg te vrijen, kon den dichter hierop niet vatten.
beien, [rechtbuigen door te verwarmen], bêen, een’ groenen stok, die krom gewassen is, in ’t vuur regt maken.
beieren, beyeren, heen-en-wederslingeren als een hangende kwast. De manen beyert, de manen golven. Men beyert den klepel zonder de klok te bewegen, [klipt]. Thans in Tw. luiden. [beg-e-ren, van beg of bag, hangende zak.]
beklijfelijk, bekliefelyk, Tw. besmettelijk.
beknoopt, beknupt, beknoopt, waarvan beknopt dus alleen dialektverschil is.
belt, belt, (vrouwelijk), heuvel.
ben, benne, (vrouwelijk), mand.
benacht, [waar de nacht is overgegaan], benacht, waar de nacht is overgegaan. W. 253. Ook Friesch.
bengel, bungel, blok aan den poot van een’ koe.
bengel, buungele, Ensch. slingertouw, schop.
bengelen, bungelen, achterna bengelen.
bengelen, buungelen, schommelen. zie bungel.
benul, benul, (onzijdig), begrip, besef, b. n. [benullig.] onbenullig, plomp en onbezuisd. [Lul, cadans van ’t vers, voys. be-lul, berooi. l = n.]
benzen, [aansporen, drijven], benzen, aansporen, haastig drijven.
beppe, bebbe, (vrouwelijk), het oudste vrouwtje in een huisgezin.
beppe, beppe, Tw. grootmoeder. L. F. id. Tw. anneke beppe, overgrootmoeder.
beschrijden, beschrien, bestrien, bijwoord, schrijlinks. Eng. stride.
bestemoer, bestemoar, (vrouwelijk), grootmoeder.
bestevaar, [grootvader], anneke bestevoar, Tw. overgrootvader. Otfr. anon, voorouders.
bestevaar, bestevoar, (mannelijk), grootvader.
betuin, [schaars], beteune, schaarsch. De proemen zint der van ’t joar vinnig beteune, de pruimen zijn er van ’t jaar bijzonder schaarsch. Gr. betuun. Eigenlijk bekrompen, eingeschränkt, van A. S. betynan, insluiten, [betuinen]. Aldus naouw voor gierig.
beukel, [beukennoot], boekel, (vrouwelijk), ook beukelkoarn, een beukenzaad; zoo als eikel van eik, is boekel van het oude boek beukenboom. L. F. boek, beukenboom.
beun, bunne, Tw. vliering.
beunebast, bunebast, kwaadaardig man.
biezen, bissen, met de staart in de hoogte heen en weder draven als de koeijen bij groote hitte door wespen geplaagd. Omdrentelen, druk wezen en niet uitvoeren.
bissinge, bizzinge, kermisgewoel. De Ommer bizzinge, de kermis te Ommen.
blaag, blage, een opgeslopen meisje, dat zich het air geeft van een groot mensch. Blage van een deerne, kleuter. A. S. blaegen, puist, buil, contr. Eng. blain. Dus buil, windbuil. pl. d. balge, id.
blaar, bleure, bloare, (vrouwelijk), koe. Kil. blaere. vacca nigra, sed fronte alba. Isl. blâr, caeruleus.
blad, blad, (onzijdig), tong. [In scherts.]
bladder, [tong], bladder, (vrouwelijk), tong. [In scherts.] Oudholl. blader, voor blad. [Bladeren, contr.] blaren, vagire, mugire.
bladster, [praatgrage vrouw], bladster, labbei.
blaken, bleuken, de holsblokken [klompen] door een vuur van groene takken de bruine kleur geven.
blakerig, bleukerig, naar den rook smakende, aangebrand. pl. d. Blakerig.
blekken, blékers, mazelen. Tw. blekkens. Per ellypsin voor bleecke maselen. Apherdiani Tyrocinium. p. 31.
blekken, blekken, blaffen, keffen. Voor [balken] belken, Eng. to belch, oprispen, gelijk pl. d. blöcken voor balken.
bloeien, bleuyen, broeijen. De luchte bleuyt, er komt donder aan de lucht.
bluisterig, bluistrig, los en windig [van het weder gezegd], veel pohei makende [van driftige menschen gezegd]. Kil. bluyster, pustula. Isl. blâstr, flatus.
bod, bot, (onzijdig), boodschap. Bot sturen, doen weten. Ik hebbe bot ’ehad, ik heb tijding ontvangen. Spreek de o uit als in lot.
boekweit, bookweite, (vrouwelijk), boekweit. Eng. buckwheat, van bokken of bukken, gedokene of lage weit. Van hier Eng. buck, en Zw. byka, zeep, uit de asch van boekweit?
boh, [tussenwerpsel], boh, ei, wel! Boh zé! Ei zie! Boh! dat leuv’ ik, Wel! dat geloof ik.
boks, bokse, (vrouwelijk), broek.
bol, [onkruid], bol, onkruid in het koorn.
bom, bonge, trommel. Dim. bungesken. Koffibungesken, koffijtrommeltje. Koffibonge, koffijbrander.
boren, boren, stooten, verstooten. Uut de neuze boren, uit de neus stooten.
bot, botten, beenderen. Ossn. Spreek de o uit als in bot, visch.
braai, brau, kuit van den mensch. Spreek uit als het Eng. law.
brandige, brandegge, Tw. hy hef der de brandegge af, hij heeft er het nieuwtje af; eig. den gloednieuwen kant.
breien, [tijdens het koken breken of uiteenvallen], breyen, onder het koken breken, b. v. boonen, aardappelen.
broek, brook, (onzijdig), grasrijke laagte in de heide.
brommen, brommen, pralen, pronken, b. v. met het hommetje van het overhemd. Holl. een bram, een moedig borstje.
bros, [een eindje pijp], bros, endje pijp.
brugge, brugge, (vrouwelijk), brug. Boterham. Dim. bruggesken.
budden, [lomperd], budden, Tw. lompert.
buikslaan, boekslagen, Tw. hijgen als een paard.
buil, buil, [gezwel], oprijzing van ’t vel bij een stoot.
buil, buul, (vrouwelijk), en m. [contr. voor bu-deli>i>.] papieren zak, peperhuis. Iemand de buul, [d. i. den zak] gêven.
buis, buusse, Tw. ook L. F. Fr. poche.
buiten, buten, ruilen. Fr. troquer. Ver-buten, verruilen.
buiten, buten, Tw. ruilen.
bukking, [lompe streek], bukking, (vrouwelijk), Hi moakt en bukking, hij begaat een’ lompe streek.
bukstaan, [iemand helpen iets te beklimmen], bukstoan, Tw. bukken om te laten opklimmen.
bul, bolle, stier. bolle-kalf, mannetjes-kalf. Bollig, taurum appetens.
cinq et six, [oorvijg], sinkeziize, een frissche oorvijg. [cinq et six] Donner cinq et quatre, – donner deux soufflets. Furetiere. Dict. op cinq.
daal, dale, Tw. beneden. Lekt et dale, leg het neder. Umme dale, om laag, beneden. Holl. dal, vallis. L. F. del, neder.
dagdeugd, [langzaam], dagdeugde, Tw. bi dagdeugde, langzaam.
dauwelen, [dartelen, stoeien], dauwelen, dartelen, stoeijen. pl. d. daven, leven maken. freq. davelen, tijd verbeuzelen.
dauwtreden, dauwtreén, op den morgen van hemelvaartsdag met het eerste daglicht naar buiten, de jenever en brandewijnvlesschenin den zak, en na zich onder de boomen en priëlen verlustigd te hebben, voordemiddags, somtijds vroeg genoeg om naar de kerk te gaan, terugkeeren. Ook de meisjes zijn bij dit dauw-trêen! Men heeft iets dergelijks in het Sterrebosch te Groningen op den tweeden pinksterdag.
deeg, dege, (vrouwelijk), tier. De tuten heft nen dege as ’t rêgent, bij regen hebben de hoenders geen tier.
deel, delle, (vrouwelijk), Hengelo, de vloer in het huis. Dêle, Dev. vloer van het voorhuis, ook het geheele boerenachterhuis. Boeren-dêle, dorschvloer, ook dele genaamd. A. S. thele, thell, thil, zoldering, plankenvloer. Kil. dele, pavimentum, thans deel, zeer verschillend van deel, gedeelte, Dev. deil, A. S. dâl.
deelloos, [twistig], deiloos, Gr. twistig. L. F. deilis. Dus Hind, schalies, Holl. schaloos, met haverij. Holl. schandelijk, L. F. schandeloos. Isl. at deila, verdeelen, twisten.
deerne, deerne, (vrouwelijk), jonge dochter.
del, del, (onzijdig), morsig wijf, slet.
denken, decht, hij denkt, Ik dink, doe dinkst, h, [hi decht]
dijn, diin, diine, Tw. uw, uwe.
ding, hul-tink, Tw. vergadering der boeren in de marke. Ting, raadsvergadering. Holt, woud. Zie Haltaus op holzding.
disteren, distere, dristike, haspelen en twisten. Eig. steekspel houden, een lans breken. Isl. at thysia, hefi thust, ergens op in stormen of stooten. Eng. toast, lans-stoot, kelk-stoot [anstoss] in het gezondheid drinken. pl. d. diosteren, divsteren, disteren, spiegelgevecht houden.
doedel, doedel, kinderslaapmuts met keelbandjes; bij de Ommelanders voluit nacht-doedel, vrouwen slaapmuts. Eigenlijk, een slaap-ding. Van Isl. dodi, loomheid at dodna, aan een slaapziekte lijden, at dotta, dutten: daarom is doedel in ’t pl. d. een slaapkop, sukkel.
doedeldoppen, [weinig opmerkzaam zijn], doedeldoppen, zonder indrukken van het omringende daar heen leven. Hi lup den helen dag doedeldoppen. Hij loopt daar voor zich zelven zoo heen zonder zich aan de wereld te storen.
doen, doet mi, geeft mij.
doen, donne, Tw. dronken. pl. d. duun. Gr. doem. Eig. zwellende vol: pl. d. dunen, dijnen.
doeskop, [sufkop, stijfkop; geesteloos en onverschillig persoon], doeskop, geestelooze en onverschillige jonge.
dol, dul, de ronde holte aan een spade of hark, waar de steel in steekt. Holl. dol, riempen; eigenlijk het gat waar de riempen in steekt. A. S. dolc, armband.
dollen, dollen, ijlen in de koorts.
donderpad, [kikkervisje], donderpedde, (vrouwelijk), kikvorschje nog in den vorm van kop of lijf met een langen dunnen staart.
doof, doave boekel, een verdord beukenzaadje. Doave stokken, sprokkelen, verdorde takken.
doop, deup, (vrouwelijk), saus. Deup, m. de doop, [inwijding in de Christelijke kerk]. Deupen, doopen [in de kerk opnemen]. Doopen, bedoopen, met saus begieten.
door, doar, Tw. mal. Hd. thor.
dop, doppen, slekke-doppen, slekkehuisjes.
dopguts, dopguzze, (vrouwelijk), ronde beitel.
dotkuikentje, dodkukentje, het laatste kind, eigenlijk het ongevederd kuiken. Osnabrugsch dodde, pluimloos kiekentje. Isl. at duda sig, zich in mollig dons kleeden. Van hier per ellypsin het Hollandsche dotje, schatje, hartedief. Een dod, een katoenen wolletje in de ooren.
dra, drau, [drô] droog, stroef in de naaf van het rad wegens gebrek aan smeer. Karrelig van humeur, tegenstrevend, onwillig. En drauen kerel, van wien men niet veel gedaan krijgen kan. Drauïgkeit, onvoorkomenheid. pl. d. drauen, droogen.
drammen, drammen, aanstaan, dringen, drijven.
drenzen, drenzen, op een verdrietigen en vervelenden toon om iets aandringen als een kind bij zijne moeder. Teut. drenzen, kneesten, stoenen, suchten. Isl. at thruma, id. pl. d. drammen, id. Goth. thramstei [de ruischster] sprinkhaan. Isl. at thrámma, hijgende daar heen waggelen.
dreps, drepse, dravig. Festuca. Een onkruid in de rogge, niet ongelijk aan de gierst, met zwarte en bittere zaadkorrelen. Bremen drespe.
driest, driiste, Tw. opgetooid. A. S. threste, gedraaid [opgedrild]. Isl. at thrista, dringen. Dus pronk van prang.
drijven, driiven, boomen in de hoogte opdrijven.
drum, drummen, enden van wevergarens, die na de afweving van het doek afgeknipt worden om de afgehaspelde roven garen te binden. Eng. thrum, id. Eig. rand. Isl. thröm, kant, zoom.
du, [jij], doe, gij. Enkelv. accus. dy.
dubbeling, [kwart vel papier], dobbeling, kwart vel papier.
dunnege, dunne egge, ook duneggel, vr. de slaap van het hoofd. Eigenlijk de dunne kant of zijde, in tegenoverstelling van de heuvels der jukbeenen. De A. S. en Islanders noemen het de dunne wang. A. S. thunwanga. Isl. thun-wangr. De oude Hollanders de duyning des hoefts. Ook dunninghe.
duwen, deyen, zachtkens slaan met een kinderhand, tik geven, [in scherts] afrossen.
echel, eggel, (vrouwelijk), bloedzuiger.
eenleurig, [eenzaam], eenleurig, Tw. eenzaam.
egen, eegen, [sik eegen], Tw. zich inhouden. A. S. agan, bezitten.
egge, egge, kant. egge spek: een half geslacht varken, zijde spek.
eigenhandig, [met eigen handen; moedwillig], eyer-handig, Tw. moedwillig.
elft, elft, de groote huidworm op het vee. Ook eggel. Elft wegens de vorm gelijk bot in de ingewanden der schapen.
emt, emte, (vrouwelijk), mier.
enk, enk, nenk, (mannelijk), een bepaalde omtrek bouwlanden of weidegronden. Dit woord is in den vorm H. D. Theot. ankar. De anderen hebben g. Gelijk broek, fenne, weide, eigenlijk vochtige en dampige moerassen beteekenen, zoo is het Zw. anga ook stoom en damp. Van daar Isl. angur, Zw. ang, vlakte bij het zeestrand, weide. Zw. anga, vlakte, district. Men zet er ook de lipaspiratie voor in A. S. wang, Isl. wangr, veld, warande. In de rekenboeken van Deventer is eene klagte van boeren, dat hunne wangen overstroomd waren, d. i. de randen der beken, kleine dijkjes.
enk, ink, voor A. S. ing, weide. Jan komt te wonen op eene landhoeve, die naar hem Jan-ink genoemd wordt; eig. Janninkhof, en hiervan het onzijdige geslacht het Jannink, het Bannink enz. In Engeland zijn een’ menigte dorpen die hunnen naam op dezelfde wijze gekregen hebben; b. v. Godelm, Godelm-ing. Zie enk.
enter, enter, (mannelijk), paard op zijn tweede jaar.
erfgenaam, erfgenaam, (mannelijk), de eigenaar van erven in de marke. [Genaam, naamgenoot. Erfgenaam, medegenoemde tot de erven, d. i. die ook titel van eigendom heeft.]
ever, evert, (mannelijk), Den evert hef mi, ik ben lui. L. F. Hy het de evert op ’e rœch.
feitel, [borstdoek, servet], feitel, (vrouwelijk), Tw. een kleine vrouwen nachtdoek om den hals, gemaakt van servetten-linnen. Een grove halsdoek. Dev. ook dweil.
fel, feil, Hy is der feil uppe, happig, fel.
fikkert, [inhalig persoon], fikkert, (mannelijk), inhalig mensch Zw. . imperf. fick, greep. A. S. feccon, na zich toehalen. Eng. to fetch. Zw. fika. pl. d. vike, broekzakje.
flakkeren, flakkeren, flikkeren.
flantuten, flantuten, kuren, eigenzinnigheden, grillige en omslagtige toestel.
fleer, flér, (vrouwelijk), oorvijg. Kil. flere, alapa.
flikken, vlikken, vlikkeren, vleijen. πληγειν [πλησσειν]; πληγη. plangere. Goth. flekan, [slaan, klappen] op de borst slaan. Van hier de klapwiek. [Gl. MS. A. S. flien, penna.] flik, wiek. flikken, met een wiek streelen; freq. vlikkeren, id. maar bij de A. S. fliccerian, [Kil. vleggheren] met de wieken wapperen. Holl. een vlikker slaan, danser un entrechat, en hiervan vlikkeren, schitteren door snelle beweging. Men verdubbelt de beteekenis met flik-flooijen. Het L. F. flaye heeft zich opgelost in het platduitsche floyen en Holl. vleijen: ook floy, vleiachtig, verwisselen de pl. d. met flei; en flik-vlooijen is dus eigenl. met een wiek al streelende caresseren, juist als pluim-strijken, [niet over, maar met de pluim aaijen], of gelijk de L. F. het nog uitvoeriger schilderen, mei plomke-bjizzems oaffeye, met donzen schuijers afvegen, d. i. honig om den mond strijken, vleijen. De Duitschers daarom ook zeer eigenaardig in hunne spreektaal, fuchs-schwänzen.
flint, flinte, (onzijdig), Tw. geweer.
fochtelen, [lopen (van iemand met korte benen)], fochtelen, met korte beentjes al zijn best loopen.
foef, [voorwendsel, grap, bijgelovigheid], foefe, (vrouwelijk), grap.
foekepot, foekepot, (vrouwelijk), rommelpot. Fig. stoot-pot, van Kil. fuiken, stooten.
foper, fopen, dennen appels, denne-moppen.
gaffeltand, [iem. wiens voortanden ver uitsteken; soort mos], gaffel-tand, die veel lacht en hare groote tanden blinken laat.
gaffeltang, gaffeltander, oorkruiper.
gagel, gagel, (onzijdig), gehemelte in den mond juist achter de bovenste tanden. tand-goal, id.
gaps, gepse, gupse, (vrouwelijk), zooveel als men met de 2 aan elkander gehoudene handen opschept. En gepse fol hoaver, een dubbelde hand-vol haver. Fris. gaspe, en gaps. [vid. Kil.] In Essex in Engeland a yaspen, a yeepsen. De versterkende s mist nog in het lsl. gaupn, holle hand, schoot; van gaupna, omvatten.
gauw, gau, vrij veel. En gau bitjen, vrij wat een hoopje, b. v. peulen, aardbezien enz. Gauw is eigenlijk, bij der hand, vaardig, schrander; wij zeggen ook zoo een knap beetje, een aardig hoopje. De Scotten gebruiken hun gay in denzelfden zin, voor het Eng. pretty much. Isl. [gaw] aandacht.
gedaante, gedeunte, [in de gedeunte], Tw. uit gewoonte, zonder nadenken.
gee, [hoeveelheid gemaaid gras], geen, [gyn] vr. swade [regel van gemaaid gras]. Ook gine. Eig. gaping, opening tusschen twee regels. A. S. gian, gapen.
gelp, gelp, gegraven grup of sleuf.
gelte, gelte, varken dat nog niet gebiggeld heeft. Zw. gal, onvruchtbaar. N. S. gelte, id. Kil. ghelte, sus castrata. Eig. betooverd, en door betoovering onvruchtbaar. A. S. galan [zingen, incantare] betooveren. Isl. galdra, id. Ita runan, L. F. ruenje, incantare et castrare, unde fluxit ruin.
gene, geen, Up genn’ ende, aan de andere zijde of overkant.
gerfkamer, garfkoamer, (vrouwelijk), [de kleedkamer voor den priester] de kosterijkamer. Kil. gaerv-kamer. A. S. ge-arwigean, aantrekken.
geslons, [smerig stuk textiel], gesluns, (onzijdig), morsige vodderij.
gestreid, [met een goede gemoedsstemming], estrêyd, [good estrêyd]Tw. welgemoed. A. S. streka, dapper, grootmoedig.
getod, [het (heen en weer) slepen], getod, gesleep heen en weder.
gewaarde, gewoarde, geregtigde tot de marke-gronden. A. S. warian, hoeden. Eig. de beschutte, de gezekerde.
giebelen, gijbelen, Gr. spotlagchen, boerten. freq. van giben. A. S. gabban. Isl. at gabba, bespotten, bedotten.
gieteling, gieteling, een meerle. Bij Kil. reeds komt dit woord als verouderd voor.
gijnen, ginen, kiemen. Het gemaaide gras giint wanneer het niet op zijn tijd gekeerd wordt.
ginder, geêr, [Laren] doar geêr, daar ginder.
gitsig, [gierig, vrekkig], gitsig, vrekkig.
gleuf, gliive, (vrouwelijk), neet, spleet. De deur op enne gliive setten, de deur op een reet zetten.
glijtand, gleitand, (vrouwelijk), tand van geslagt rundvee, die den jongens voor speelkoot dient. Eig. glinstertand.
glint, glind, (onzijdig), Tw. houten afschutting van een tuin, staketsel. Hamburg. Osnabrug. H. Jun. p. 276, glent.
gommenikke, gomenye, uitroep van verwondering. [Gif mi nye, dat doet mij nieuw.]
Gorssel, [dorp in Gelderland], Gorsel, naam van een dorp in Gelderland in het kwartier van Zutphen, ruim één uur van Deventer, midden in de heide. Eigenlijk gorstel van Α. S. gorst, heide.
gosselen, [heimelijk spotlachen], goschelen, steelsch spotlagchen, ook οp plaatsen waar ernst past. Kil. guyoh, spotternij.
gralen, greuylen, glimlagchen en blij gelaat toonen als iemand wien ’t naar den zin gaat. pl. d. grifeln, grimlagchen. A. S. geriflan, rimpelen. Eig. rimpel-lagchen. Aldus contr. Isl. grila, spook, en grȋma, mom, grijns.
grep, gruppe, (vrouwelijk), een ril, smal slootje. V. Kil.
grienen, grinen, schreijen.
groen worden, [boos worden], gruun worden, vergrammen, pl. d. sik grün maken, het haantje spelen.
groeve, grôve, (vrouwelijk), begravenis. Noa de grôve goan, ter begravenis gaan.
gruit, grute, eene oude belasting.
gruiten, [in korrels uiteenvallen], gruten, uitvallen als de graankorrels uit de airen bij sterke droogte in den oogst. Eigenlijk korrelen, d. i. in korrels nedervallen, van grut, korrel. Α. S. mere-grot, zee-korrel, d. i. parel. Grut is uit ga-rut, en rut is van ruten en rijten, scheuren, breken en tot gruis maken.
gruwelijk, gruwwelik, Tw. vreesachtig. Aldus vreesachtig voor vriesachtig, d. i. sidderachtig. Fr. frisonner.
gudderig, [geneigd tot beven], godderig, Tw. beefachtig.
gunst, gunst, (vrouwelijk), vaag, tier in de planten. Men zegt dus zeer eigenaardig, dat het koorn ongunstig staat.
haal, hoal, (onzijdig), getakte schuifijzers, waar de ketel aan hangt, in den schoorsteen. heulken, id. waar de lamp aanhangt. Eig. uithaal.
haal, hoal, Tw. schraal, bar [weder] Lex Salica hall, verdord. Fr. hâle, opdroogende en verdorrende lucht.
haar, haar, hot, regts en links. Bij het mennen der paarden. Hamburg, hott un hoh. Isl. hott, equisonum clamor. L. F. hoët, id. N. S. hotten, gaan. Spieghels hert-spieghel. IV. 178. “Ghi zijt ter slinkerhand verdoolt: om die te schouwen, / Geen rechter hotwegh voegt, maar ’t middelpat te houwen”. Haarlem, otweg, vrije drift over eens anders land. Overijs. oetweg. L. F. harre, Jagerwoord, om de hond aan te hitsen. Fr. hare, id. Hâr is in het Isl. hoog, overeenstemmende met pl. d. hoh. Voluit L. F. har-op. de kreet der Vriesche piqueurs om den harddraver aan te zetten. Isl. haer-ôp, oorlogskreet, vreugdekreet. Adel. op hott.
haarspits, hoarspits, zie hoaren.
haberdoedas, habbedoedas, abbedoedas, oorveeg. [Habe du dass!]
hader, [twist], hader, twist.
hagedis, êverdesse, (vrouwelijk), hagedis.
hagengaarde, [tuin], hagen-goaren, Tw. tuin, cingel, [boulevart.] A. S. hage, omheining, landhoeve, huis. Kil. gaerde, tuin. Aldus ook boom-gaard.
hank, hank, (vrouwelijk), langwerpige kolk langs de oevers van den IJsel, het gevolg van een’ vroegere doorbraak of het overblijfsel van een verlaten bed. Eig. een bocht, of kroft. Isl. hânki, touw, band. Zie slag en knipslag.
haren, haren, hoaren, den zeissen met een hamer op den platten kop van een ijzeren bout [ambelt, hoarspit.] scherpen. Een oud woord verwant aan het Got. hairus, zwaard. L. F. harje.
harrewitsen, [krijgertje spelen], harrewitsen, krijgertje spelen. Vergelijk Fr . haro! de oude kreet om een dief te vervolgen. Witsen, den dief pakken. Witsener, beul, geregtsdienaar. L. F. witjer. Scherzius op wiszen.
hebrechtig, [die altijd gelijk wil hebben], hebberechtig, die altijd gelijk wil hebben.
hechten, hechten, hijgen. [adem-hechtig.] Holl. aamechtig, hijgende naar den adem.
hede, hadde, afval van het vlas. L. F. hjidde, afval der hennip. Zie starthakke op hee.
hede, hee, afval van het gehekeld vlas, eerste soort. Spiit, tweede soort, ook plukke genaamd. Stert-hakke derde soort.
heep, jipe, (vrouwelijk), hakmes.
heester, heister, heester, (vrouwelijk), een. klein eiken boompje, dat men in het kreupelhout tot een groote laat opschieten, in tegenoverstelling van telgen, die met opzet daartoe geplant worden.
hef, [het geluid van de Noordzee], hef, heft, Gr. het gegrom der Noordzee zoo als het zich in het land hooren laat. Isl. haf, zee. A. S. heafo, id. Het hef raast, is dus hetzelfde, als de zee raast. De vorm hef is oud Vriesch. Zie Asegabôk 17, 18 , 85.
hegen, hegen, schoon maken. Isl. haga, schikken, in orde brengen. Be-hagen, is eigenlijk te stade komen, handigen.
heide, heet, (onzijdig), heidestruiken, adj. heeten, heeten dak, een dak van heide.
heimpje, hemeltje, (onzijdig), ruischend sprinkhaantje in de muren, onder bakkers ovens, enz. Kil . heymken, heymelken, heemken. Eig. huisdiertje, van Isl. heimill, huisselijk.
helf, [steel van een bijl], hellef, steel van een bijl. A. S. helf. Eng. helve.
hellig, hellig, verwoed, nijdig.
hermelijn, hêrmken, wezel. Verward met den mus Armenius, Fr. hermine. In Reineke de Voss heet de geitenbok hermen en het wijfje van den vos frouwe Armeline. A. S. hara, haas. Alles eig. harige dieren. Theot. harmo.
heuftheer, [borg], heuft-heer, borg. [guarandeur.]
heuker, heuker, Gr. een kruideniertje. Isl. hoka [op de hurken, d. i.] krom zitten. at hokra, met eene kleine boerderij den kost winnen. L. F. heukerje, zich ellendig behelpen. Voluit L. F. heuker-boer, gering boertje.
hild, hilde, (vrouwelijk), zoldering van nevens elkander liggende sparren boven de koestal tot berging van het hooi. A. S. helan, dekken. helede, [het bedekte] dak.
hoe een, woʼn, [Wo een] Hoe een?
hoeden, huën, Tw. wegleggen, bewaren. Voor huden, hoeden. Eng. to hide, bedekken.
hoes, hoezen, overtreksels over de stoelkussens. Hetzelfde als huis. Tw. hoes. Zoo zegt men zaadhuisjes, peperhuizen enz.
hof, hof, tuin.
hogen, hoggen, (mannelijk), Tw. verkoudheid.
hoi, Hooi,, hooi an, De roep waarmede men de koeijen in de weide naar de melkplaats drijft. Hooi, hooi an, beesies!
hokketokken, [op een stoel heen en weer wiebelen], hokketokken, op den stoel zittende met een kind op den schoot voor en achterwaards stooten. Kil. hokken, nederzitten, tokken, stooten.
hoop, hope, te hope, zamen.
hoos, hoaze, (vrouwelijk), kous. Dimin. heusken, m. v. heuskes. Hoazen-veutlinge, [op de] kousevoeten.
hop, [sprinkhaan], hoppen, ... hoppen, sprinkhanen in de weiden, die zich roeren onder het hooijen. Kil. hobben, springen. freq. hobbelen. Huppen, huppelen.
hor, urreken, hurreken, raampje onder een opgeschoven venster. Holl. horretje. Kil. horde in de venster, hetzelfde als horde, hurde, crates viminea; die raampjes waren eertijds gevlochten mandewerk. Van die zelfde stof maakten onze vroegste vaderen hunne deuren, schuttingen, borstweringen, enz. Got. haurds, deur. Theot. hurt, id. tralie, afschutting. A. S. hord [de afschutting] schatkamer, schat. Crates wordt gezegd voor cartes, contr. carts, hetzelfde als haurds, beiden van καρτειν [κρατειν] καρτος, harden. Lat. c = Germ. h.
hot, hot, haar, regts en links. Bij het mennen der paarden. Hamburg, hott un hoh. Isl. hott, equisonum clamor. L. F. hoët, id. N. S. hotten, gaan. Spieghels hert-spieghel. IV. 178. “Ghi zijt ter slinkerhand verdoolt: om die te schouwen, / Geen rechter hotwegh voegt, maar ’t middelpat te houwen”. Haarlem, otweg, vrije drift over eens anders land. Overijs. oetweg. L. F. harre, Jagerwoord, om de hond aan te hitsen. Fr. hare, id. Hâr is in het Isl. hoog, overeenstemmende met pl. d. hoh. Voluit L. F. har-op. de kreet der Vriesche piqueurs om den harddraver aan te zetten. Isl. haer-ôp, oorlogskreet, vreugdekreet. Adel. op hott.
huigen, [smeken], hugen, Gr. vleijend smeeken als een kind om iets lekkers. Isl. hugr, ziel, adem. A. S. hycjan, hijgen, vurig begeeren en trachten. freq. Isl. hugla, zachtkens streelen. [met zin of naar den zin behandelen.] Kil. huichelen, vleijen.
hul, hulle, Wiin in de hulle, wind in het hoofd. Eig. in de kap. pl. d. hülle, de muts der getrouwde vrouwen in onderscheiding van die der maagden huven genaamd. Dit onderscheid is nog bij de Hindelopers en in Holstein. Zie H. I. op hülle.
hurken, hoeken, Op de hoeken zitten, Holl. huiken en hukken. Isl. at hûka, en at hoka, op de hurken zitten.
iewers, [roodvonk], ieuwersen, roodvonk.
ijlgat, tiilgat, het gat in den korf waar de bijen uit en invliegen. Hd. zeidel. [pl. d. tidel] zeideln, uit den korf de gepaste hoeveelheid honig snijden. Contr. tiil, honig. Pl. d. tiel-baar. Hd. zeidelbär, [honigbär.]
imker, immeker, (mannelijk), oppasser der bijen.
imme, immen, (vrouwelijk), bijen. Isl. ymia, ruischen, gonzelen, dommelen.
immenkogel, [bescherming gedragen door imkers], immenkugel, masque van koperdraad, met een zak van achteren die hoofd en hals bedekt en de oogen vrijheid laat om in den bijenkorf te zien. Teut. cogel, covel, capruyn, hoofddeksel.
immenschuur, immenschoer, (onzijdig), bijenstal.
immenzaad, immenzaad, meer dan één soort van koorn door elkander tot gebruik voor menschen. Isl. ymsir, verschillende, onderscheidene.
impestig, eempeestig, eigenzinnig. Dev. emtig.
ingelijken, [holle sporen in een weg aanvullen], inliken, de holle sporen in een weg aanvullen.
inschuinen, inschunen, iemand kwaad insteken. Opschuinen, aanhitsen. Theot. Scuntan, id. pl. d. schunden. A. S. scynnan, aanschennen.
jammerlust, [zin in eten (van zieken)], jammerlust, trek der zieken tot eten, hetwelk voorgediend niet smaakt.
jandoedel, [jenever], jandoedel, jenever. In scherts. Eig. Jan slaapmuts. Dus zegt men, een slaapmuts opzetten, als de avondslok genomen wordt.
janken, sjanken, sjenken, tjanken, tjenken, janken, op een ontrevredenen toon praten, temen, saniken. gesjank, getjank, sjankert, tjenkert. etc.
janstramme, janstremi, waarachtig, het is zoo! [Jan straf mi.]
jeuzelen, jeuzelen, Gr. sanikend morren, klagen. Fr. jaser. freq. jaselen.
jij, i, m. v. Enkelvoudig, uit wellevendheid zoo als het Fr. vous. I, Ji, gij. acc. dat. oe, u.
jong zijn, jonk wêzen, geboren worden, pl. d. jung werden.
juchteren, [vrolijk zijn; stoeien], joechteren, uitgelaten vrolijk zijn, wild stoeijen, geen maat in luidruchtigheid kennen. Dee derens likt eeuwig en arfelik langs de stroate te joechteren. b. n. joechterig. Z. n. gejoechter. Goth. Jiuka, θυμος. 2 Cor. XII. 20.
kaan, kaayen, overblijvende vezels van uitgebraden vet. Kil. kaye.
kabaf, [daar ligt het], kabaf, Daar ligt het!
kakelbaard, [iem. die veel praat], kêkelboard, (mannelijk), babbelaar.
kakelmoei, kêkelmeuye, (vrouwelijk), babbelaarster.
kalebas, kallebasse, de bol, het hoofd. In scherts.
kallen, kallen, keuvelen.
kanels, kanels, woedend boos. Kanels in de kop.
kern, koarn, (mannelijk), korrel, pit van een vrucht. Pit is op het Overijs. iets anders.
ket, kidde, (vrouwelijk), dubbelde hit. Pl. d. kiddeln, haastig loopen. Kil. kitsen, ketsen, id.
keu, keune, (vrouwelijk), jong varkentje in het eerste jaar loopende.
keukelen, keukelen, buitelen; ôver de kop keukelen, over den kop tuimelen. Keukelaar, kunstspringer. Oud Arnh. HS. Koekeler, kunstig zwemmer. Teut. coicken, draaijen.Van hier koek, gelijk taart, van torta, draaisel. Fr. tourte, Teut. coick. Torta, libum. Overijselsch koke, koek. dim. keuksken, koekje. Insgelijks koker, [de ronder, draaijer] Isl. at kûka, χηζειν. Kil. drol, turbo, filum, res. convoluta, pila stercoraria.
keurig, koerig, Tw. lusteloos. Kil. koeren, zuchten en stenen.
keuter, keuter, (mannelijk), een kleine boer, die geen paard houdt: ook wel, die maar één paard houdt, doch deze wordt te Deventer dan koarman genoemd. Kot, hut. Eibergen, keuterhuusken, stoof onder de voeten.
kidde, kidde, (vrouwelijk), drie regels hooi te zamen geharkt eer het geöpperd is.
kiek, kêk, herik, valsch koolzaad. L. F. kroade. D. kidike, wilde mostert. [Sinapis arvensis, Linn.]
kiel, kiil, wigge.
kielspitten, [een greppel graven ter afscheiding van een gebied], kiilspitten, een gruρ ter landscheiding graven. Uut kiilspitten, op die wijze in heidegronden afbakenen, hoe ver men van zins is land te ontginnen. De grup is wigvormig.
kiemsel, [uitspruitsel], kiensel, (onzijdig), uitspruitsel aan oude aardappelen. Holl. kiemen, uitspruiten.
kiep, kiepe, Gr. mand om op den rug te dragen.
kiepkorf, [langwerpige mand], kiepe-korf, Gr. langwerpige mand van grof teenwerk ter vervoering van aardwerk. Eng. a cope, kooi. a keep, slaapvertrek. to keep, bewaren, vatten, van Isl. at kippa, [kip ik heb je] zamenvatten. Kippa, bundel. Een kip stokvisch.
kieps, [muts], kipse, meisjeskindermuts. pl. d. vrouwenmuts.
kies, kies kies, met dit woord roept men de kalveren. Isl. kusa, kalf. In kindertaal kieseman, kalf.
kissebissen, kizzebizzen, drukte op het lijf hebben, al rondtrippelende zich vermoeijen zonder iets uit te voeren. Zie bizzen.
klabats, klabatse, helleveeg: eigenlijk die rijdt en rost als een man. Ditm. klabastern. Holst. klabakken, het paard als een wildeman jagen, heen en weder draven. Kil. klabotsen, knallend slaan.
kladderadatsen, [door vocht bewegen], kleddretsen, door slijk of water plassen. Z. n. gekleddrets.
klamp, klampen, haken aan een bijbel. Isl. klampi, gesp. MHd. klimpfen, vastbinden. [Klemmen.] klamp, een verbind-hout.
klank, klank in ’t touw, (vrouwelijk), kronkel in het touw. Isl. hlickr, scheefheid, kromming. Pl. d. klinker, verkeerde vouw in een kleed. Eng. to clinch. Het huwelijk is geklonken. Eng. to cling, omklemmen.
klas, klasse, (vrouwelijk), de stekelige knop van kliskruid.
klavergaren, [schakelnet], klever-goarn, (onzijdig), een schakelnet.
kleeën, kleën, boekweiten doppen Teut. clyen, semelen.
klits, klitse, (vrouwelijk), scortum. Kil. klitse, teef.
kloek, klokke, (vrouwelijk), eene hen met kiekens. Kloksche hoener, broedsche hennen.
kloen, kluun, Tw. gebaggerde turf. Gel. kloeten. Was oudtijds rond.
klontermelk, [gestremde melk], klundermelk, (vrouwelijk), melk tot brokken geronnen, [klonter-melk.]
klungel garen, [een kluwen gesponnen draad], klungel goarn, kluwen garen
klutteren, [slenteren], klutteren, Tw. langzaam slenteren.
kluwen, kluun, kluwen garen.
kluwen, kluwel, (vrouwelijk), id.
knerpen, knarpen, aan een beentje kluiven, met de tanden knersen.
kneuteren, knutteren, kneukelen.
knijf, kniif, knipmes. L. F. id. id.
knikken, nukken, zachtkens toeknikken.
knipslag, knipslag, (vrouwelijk), holte in het wagenspoor. L. F. knikspoar. Knik, knip, een plotselinge stoot, die plotseling terugstoot. Zie Β. N. L. op knuk en H. I. op knik. Isl. slôg, voetpad. A. S. slog, een holte. [slag in den rug, in het touw, enz.]
knollebol, [hoofd], knollebolle, (vrouwelijk), hoofd. In scherts.
knorbot, knorrebot, kraakbeen. dim. knorrebutjen.
knorf, kneurf, (mannelijk), en stevegen kneurf, een lomp-gebonkte en sterk gespierde kerel. Hd. knorre. Eng. cnur. L. F. knoärre, knobbel, knoest, bonk, klomp.
knuffel, knoffel, plooi, kneukel. Knoffelen, in verkeerde plooijen brengen, kneukelen. Een gluipscbe neep toebrengen. Verknoffelen, omtrent vermorselen.
knuppel, [briefje dat van huis tot huis wordt gestuurd], kluppel, knuppel, (vrouwelijk), aanzegging van gezagswege aan de boeren, van huis tot huis rondgebragt door twee kinderen en wel op een briefje dat in een gespleten takje gestoken is. Die kinderen worden collective ook de kluppel genoemd. Doar kumρ de kluppel an!
koen, keune, [koen] moedig.
koert, koert, (mannelijk), toren-koert, torenwachter. Kil. koer, koer-torn, koer-wachter. L. F. koeren, turen.
koertneefje, [haas], koertnêfken, haas. In scherts. Koert-neve, eig. neef-kijkuit, wegens de waakzaamheid van het diertje. Zie koert.
koeslag, [belasting op koeien], koeslag, belasting op de koeijen.
koof, koue, (vrouwelijk), hoenderhok. Oudtijds swine-koue, varkenshok. Kou-e-ner [e. n. Kouwenaar.] en kovener, hutbewoner, die zich onder de boeren van zekere marke een hut van plaggen opgeslagen had en dus niet als inwoner maar bijwoner voorkomt. Isl. kofi, hut. Van die hut zijn de schepen, die achter een roef boven deks hebben, kof-schip genoemd.
kraaien, kreyen, kraaijen. De doove zegt, Aleer kreiden de hanes, noe gaapt se.
kraanwaken, krane-waken, op bed woelen zonder den slaap te vatten. Hamb. kur-waken.
krang, krang, het binnenste buiten gekeerd. Hi hef de kouzen krang anne, hij heeft de kousen omgekeerd aan. Eng. crank, het omgebogen end der as in een werktuig, om het om te draaijen.
krap, [wervel], krappe, (vrouwelijk), wervel. Ook krabbe.
krasgat, [zakgat in een vrouwenrok], krasgat, spleet in een vrouwenrok op zijde. Eig. splitgat. Holst. kröse, bodemkerf in een vat.
krenselen, krenselen, kribbig, verdrietig en ongedurig zijn. Z. n. gekrensel. B. n. krenselig. Holst. kreesen, werken en schuimen als bier. Kil. kreser, muiteling. Pl. d. kreetelen.
kreukel, [bouwvallig], kreukel, kruk, bouwvallig.
kreunen, kronen, twisten. W. 251. L. F. kreune, morren, stenen.
kreute, [iets kleins], kreute, (onzijdig), een klein, maar slim en boos ventje. Hd. kröte, pad.
kreute, [anus, spleet], kreute, (vrouwelijk), podex. Pl. d. krete, spleet.
krijfkeurig, [grillig], krivvekeurig, ongemakkelijk te voldoen, grillig. Z. n. krivvekeurigheid.
krik, krikke, (vrouwelijk), een kleine jonge. Isl. kracki, kleine jonge.
kruidmoes, [karnemelkse gort], kruudmoos, (onzijdig), melksoep met groente. [Boerenkost.]
kruisbes, krisselbessen, (vrouwelijk), kruisbezien.
kui, [moedig; hoogmoedig], kuy, moedig, hoovaardig, vermetel.
kuieren, kuyeren, kouten, buurpraatjes houden. Eig. elkander bescheid doen. Cue, noemen de Engelschen het laatste woord van een spreker, hetwelk het wachtwoord voor den tegenspreker is om te beginnen: van cowe, thans het Fr. queue, staart. Hieruit ook de andere beteekenis van staart-slepen: omkuijeren, omslieren, en wandelen tot vermaak. [Keue, W. w. keu-en; freq. keu-e-ren.] keuvelen, kouten, is woord-wisselen. Isl. en Zw. kyta, wisselen, ruilen. Sc. cose, ruilen. Fr. causer, kouten.
kuilen, [in een kuil leggen; spelen met knikkers], kulen, contr. voor kuzelen. Kil. kuyselen, met knikkers of andere ronde dingen spelen. De balle kuulde al in de rondte, de bal rolde steeds in de rondte. Als het kind den bal werpt of ziet werpen roept het kulo! zoo veel als kule ho! Z. n. gekule, gerol met ballen.
kuip, kuven, tobbe. A. S. cyfe. Fr. cuve.
kuis, koeze, (vrouwelijk), Tw. knods, wandelstok met een dikken knop onder aan. Deze stok is onder de Drenthen en Twentenaars nationaal, en zeker geen stok beweegt zich gemakkelijker bij elken stap in het vooruitzetten, of is beter tot middel van verdediging.
kuis, kuize, (vrouwelijk), knikkert om te spelen. M. v. keuyen. Kil. kuysel.
kukelhaan, [haan], kukelehane, haan. [Kinderwoord.] Eig. kukeloe-zinger. Hane = cano.
kulppan, [soort dakpan], kulp-pan, Gr. dakpan met een bol ruit in het midden om licht op den zolder te brengen. Pl. d. kolp-oge, uitpuilend oog. Isl. at kûlpa, zwellen, uitsteken. G. J. oer-kolpje, met zwellende golven overstelpen.
kundig, kunnig, met iemand bekend.
kussentuig, [kussensloop], kussentuug, (onzijdig), sloop. Zie tuug.
kwad, quadde, quatse. Gel. takkebosch. Isl. at quista, verdeelen, naar alle kanten verspreiden. [ver-kwisten.] quistr, tak van een boom, van eene familie, rivier, enz.
kwalen, [druk zijn, druk praten], qualien, vervelenden omslag hebben. Gequalie, zotte zorgvuldigheid en gekwesel met een kind, freq. van qualen voor quadelen, saniken. Zoo is van queden, praten, quedelen, babbelen, wildzang hooren laten, contr. quelen. Holl. kwelen.
kwalster, klawster, omzetting voor kwalster. W. w. klawsteren.
kwappen, [met kracht op de grond gooien, op de grond vallen], quappen, met kracht iets tegen den grond kletsen, er plat ter nedervallen. Hy quapte der neer! Hij tuimelde daar neder. Onom. Hee strukelden, en quap doar lê ʼe Flap! daar lag hij. L. F. quips, slagen, ros. Eng. to quip, met slagen der satire kastijden.
kweekwee, quekkewe, peijen, ledgras. Triticum repens. L. Gl. MS. A. S. quiquae [kwik-wê, quick weed] gramen. Eng. quick-grass. Holl. queeck. Van quick, levendig, krachtig, wegens de voorbeeldelooze tier met welke deze plant hare wortelen door den grond schiet, en waardoor zij bijkans onuitdelgbaar is.
kweer, queer, laffe flaauwe smaak. Eig. scheef. Kruis en queer, dwars en scheef.
kwetsen, quedderen, kneuzen, door vingerdrukking de vruchten kwetsen.
land, land, land. lendeken, landje, [met spot van sommige gedeelten der provincie gezegd.] El-lendig, uitlandsch. Ellendige best, uitheemsch best; d. i. uitstekend best.
landheer, lânter, grondeigenaar in betrekking tot zijnen boer. [Land-heer.]
lappekrans, [gezelschap van kletsende vrouwen], lappekrans, (vrouwelijk), gezelschap van klappeisters. Kil. labben, babbelen.
leemschuttel, [betekenis onbekend], leem-schuttel, ?
leep, leep, doortrapt. versutus. πολντροπος.
leep, lepe, slecht, haveloos. Lepe weg, drassige onbereisbare weg. Lepe uutseen, er slecht uitzien. Bremen, leep vee, mager en niets waardig vee. Hetzelfde als leep, doortrapt, bedriegelijk, slecht. Snood, thans boosaardig of slim en schrander, beteekende oudtijds schamel, berooid, slecht. Isl. snaudr, armoedig.
leidsels, leisels, (onzijdig), teugels. Fr. rênes.
lempe, lempe, een vrouwmensch zonder vrouwelijke keurigheid of netheid, die daarheen slendert, zonder op hare houding acht te geven. Isl. at limpiaz, verslappen, bezwijken. Pl. d. limpe. A. S. lempe, goedaardigheid: hier in den zin van zoetsappig, sleeuw. De haas heet in Reinike de Vos daarom ook lampe; en bij Kil. lempe, scheefbek, eig. hazemond.
leus, [waterplant], leus, (onzijdig), door elkander gegroeide waterplanten.
leuteren, leuteren, Tw. langzaam gaan. Isl. latr, lui; at lötra, lui en loom daar heen gaan. Dus luiteren.
licht, licht, Gr. nageboorte der koe. Isl. lykt, het slot, end? Van at lika [luiken] sluiten, eindigen.
licht, luchte, handlantaarn. Lanteerne is de straatlantaarne. Deensch lögte.
lid, lid, deksel van een pot. A. S. hlidan, gapen, openstaan. Isl. hlidr, deur, gat. A. S. hlid, deksel van het gat. L. F. lid, pot-deksel.
lidteken, liikstê, (vrouwelijk), lidteeken. Got. leik, vleesch.
lieuw, [verheugd], liewen, Tw. verheugd.
lijken, liiken, op iets gelijken, het voorkomen hebben, te passe komen, effenen. De weg too liiken, en sloot too liiken, met den grond gelijk aanvullen.
lijpen, lippen, de lip laten hangen. Lippig, ontevreden. Pl. d. lips.
lijs, liizen, Tw. zacht. Pl d. lise. Hd. leise. A. S. lisse, toelating, gunst; lisan, ontbinden.
linder, [weefwerktuig], linder, een werktuig om tot het einde toe uit te weven, hetwelk van belang wordt als de stof kostbaar is. Hy hef ’t an de linder, Tw. hij ligt op het uiterste.
linkerhand, [tegenover rechterhand], lochterhand, (vrouwelijk), linkerhand.
links, bilinks, aan de linkerhand.
loenen, loenen, Dat loent mi, dat bolt mij. Zoo zegt de Vries., dat sinnicht my, van zin. Isl. at lynda, in goeden luim zijn. Isl. lünd, inborst.
loenen, loenen, Tw. Iuimen.
loens, loensch, Tw. gluipsch, valsch. Isl. at luma a, iets stil en heimelijk bewaren.
loeren, loeren, ’t Weer loert, het weder weet niet wat het wil. Loeren, op de loer leggen en zwijgen. Hetzelfde past men toe op het gehoor en zegt, 't weer lustert.
loket, lokket, (onzijdig), vakje van een ingedeelde kas.
look, look, uijen, vr. enkelv. o. collective.
los, lus, open. De deure steet lus.
lotte, [suiker], lotte, (vrouwelijk), suiker. In scherts. De o als in bot.
luikes, lukes, Hold y moar lukes! houdt u maar stil. Dee is lukes! die is gaar. Eig. gesloten, die ze inwendig heeft. A. S. lucan, sluiten, verbergen.
luizenmelde, [plant], luuze-méle, tuinmelde. Atriplex sativa. Op deze plant aast een luis, die dikwerf het geheele blad bedekt.
lummel, lummel, Gr. lange zoete koek. Bij de Holl. een lompe vlegel. Isl. hlömm, een stok. Lat. stipes, botterik.
lustjammerig, [lust of begeerte hebbend], lustjoamerig, Tw. belust.
lutje, [klein, weinig], luk, En luk kuyeren, een weinig keuvelen, voluit pl. d. luttik. Holl. luttel. Sc. lock.
lutje, [klein, weinig], lutke, Tw. klein. L. F. lyts. Lutken, [sc. vinger,] de pink.
maar, mên, Tw. maar.
made, mate, Tw. moate, m. v. möä, een weide zonder sloot, doch afgeheind. Waterkuil in de weide tot drinken voor het vee.
magenaas, [eten, voedsel], magenaas, spijze. W. 420. Isl. magamâl, diëet.
maggelen, [knoeien, kriebelig schrijven], maggelen, Gr. met de pen op het papier kribelen, als kinderen. Isl. mak, smeer, zalf. [mik-mak, gemors door elkander.] Kil. maeckel, vlek, macula. [maeckelen] maggelen. [makelje, contr], L. F. malkje. Het is dus kladden.
mak, mak, zwak wegens een voorgaande koorts of andere ziekte.
mank, [met iets gemengd; tussen, onder], mank, er onder geroerd of gestoken. Mankzaad, twee soorten van graan onder elkander tot beestenvoer.
manks, manges, ondertusschen, middelerwijl. Hoal y de boom, ik zal manges ’t gat groaven. A. S. gemang, tusschen. Eig. onder gemengd.
mark, marke, een groot veld van, heide- en grasgronden, die in gemeenschap bezeten en gebruikt worden door de omliggende boeren. Zie gewoarde. A. S. Isl. enz. mark, grenspaal. Voluit aard-mark, grondomtrek, Gl. Rb. M. erdmarcha, territorium.
mast, mast, het regt om de varkens op de eikels van een bosch te drijven. Mast, voeder. Van waar mesten.
mat, [in de mat hebben, in de gaten hebben; iets geheims van plan zijn], mot, In den mot hebben, iemands oogmerk peilen; iets heimelijk voornemens zijn. Men heeft duivematten, waar de duiven geknipt worden; men heeft een mat, waar men hanen laat vechten. De Hollanders hebben iemand in het matje, als zij hem plagen, vastzetten, in de knijp hebben. De Overijselaar heeft iemand in den mot [mat] als hij hem ge-knipt, be-grepen, ge-vat heeft, en hij heeft iets in de mat verborgen, dat hij ter zijner tijd denkt te laten uitvliegen. Zie Winschootens Zeeman op mat.
meel, moal, (onzijdig), meel. Eig. het vergruisde, van malen.
meelspieren, [plant], meelspieren, harde lange grashalmen groeiende vooral in de veenen, en op schrale weiden, maar de runderen ze staan laten, maar de schapen ze eten. Ell. melen. Misschien de festuca ovina van Linnaeus.
meisje, mêken, meisje, [mägdeken. H. d. mädchen.]
mekaar, menoare, elkander, [malk-een-ander, i. e. elk een ander. contr. malk-een-aar, mal-en-aar, man-en-aar, manaar.]
mekkeren, mêken, temen, mêkert, temer, saniker.
melk, melger, hom, in tegenoverstelling van kuit. Hombaars. Kil. melcker, hom. Piscium lactes.
melk, melk, Hekse-melk, wolfsmelk. Een plant. Tithymallus. Heksemelker, de rups die op de wolfsmelk aast.
mem, mam, (vrouwelijk), uider. Tw. memme.
mem, mem en taat, Oud-Dev. vader en moeder.
memmentrut, memme-trutte, een afgesneden uijer, dien de jongens met een pijpensteel opblazen om een zeker geluid na te maken. Van memme en trutten, trompetten. A. S. truth-horn, trompet.
meun, [soort vis], munne, een zeelt. Tinca. Voluit mud-hond. Oud Holl. muid-hond. L. F. muwd-houn. Een grondige slijmige [Hd. schleihe] visch, en daarom modder-hond. Eng. mud, modder.
meuten, [tegenhouden], meuten, Tw. tegenhouden. Gr muiten. id. [moeten, ontmoeten.] Isl. môt, tegen.
mijsen, [polsmof], miisen, wollen polsmofjes. Van hier het Fr. mitaines, wanten; kleine vrouwen handschoentjes, die alleen het bovenste der vingers dekken. Lat. barb. mitana. Sc. mittens, wollen handschoenen die de vingers niet bedekken.
mijt, mite, stapel van hout, rijs, enz.
min, minne, (vrouwelijk), duif. Het wijfje. De Vriezen roepen met dit woord de duiven.
mistegrie, [onvriendelijke vrouw], mistegrie, een stuursch meisje, norsche vrouw.
moed, moeth, wat men verlangt, lust. W. 96. L. F. moed.
moer, moer, wijfje van de haas of het konijn.
moere, moor, (vrouwelijk), koningin der bijen.
moffelen, [verbergen], maffen, met duiten spelen. Zie moffelen.
moffelen, moffelen, de duiten met twee geslotene handen naar partij overbrengen, die ze opsmijt om kruis of munt te krijgen [jongens-spel.]
mondvaardig, [rijp], mondvêrdig, rijp om te eten, van fruit gesproken.
mondzaam, [rijp], mondzaam, rijp om te eten, van fruit gesproken.
morgen, maargen, maantiid, heden morgen. Maan, morgen van den volgenden dag. Ook monne, Fr. demain.
mot, mot, (onzijdig), vuilnis, poedermest. Motterye, vr. allerlei vuilnis. ’t Land motten, den bovengrond met losse mest bestrooiden. Isl. mod, kaf.
mot, [onthutst, verpletterd], mot, onthutst, verpletterd. Van een oud W.w. motten, verpletteren, zijn zulke woorden als mijt, mot, eigenlijk vergruisel en daarom kleine beestjes, stof enz. beteekenende.
mot, mot, zeer. Mot fulle, zeer veel. Eng. much.
mot, motte, (vrouwelijk), zeug, varken dat jongen heeft.
mots, [soort pijp], motse, boerenpijpje zonder hak. Eig. brander. Fine motse, fraai doorgebrand pijpje. Fiin is hier fraai zoo als Eng. fine. Holl. mutse, vlam eener blinde liefde. Mutsaard, brandstapel. Eng. match, lont. N. S. metze, een groot kanon.
mouder, molder, (vrouwelijk), houten linnenbak.
muiten, [wieden], muiten, Gr. onkruid muiten, wieden. Isl. mya, bij hoopen uitroeijen.
mummelen, [kauwen; mompelen], mummelen, tandeloos op de spijze omknabbelen. Van mund, mundelen, zoo als de Isl. van mudr, mond, at mudla, kaauwende door den mond rollen.
naadzak, [zak van een rok], nazak, (vrouwelijk), zak hangende op den zijnaad van een vrouwen onderrok.
nachtkoert, [torenwachter], nachtkoert, torenwachter. Zie koert.
nagelhout, negelholt, rookvleesch van de bil der runderen.
nedendeur, hiindeure, ’n hiindeure, achterdeur. H. d. hinter, achter.
nedendeur, niin-deure, voor den hiindeure. Zie hiindeure.
nerig, nêrig, vlijtig, tijdgierig. Z. n. nêrigheid, nijverheid. Van naren, voeden, is Pl. d. närig, nijver, spaarzaam; närigkeit, verregaande zuinigheid en winzucht.
nes, nes, eene bepaalde vlakte met bouwlanden. Eig. een moerassig veld. Isl. esia, drassige grond. Meijer. Nes, waterleegte, zijp.
neuren, nuren, op het laatst loopen als eene dragtige koe. Isl. hnûdr, zwelling. [hnuderen, zwellen.]
neusterbroer, nosterbreur, praatvaar.
neusteren, nosteren, prevelen. Genoster, geteut. Al op een ding om zagen, zeggen wij, en dit is de eigenlijke beteekenis. Isl. at nostra, al op een ding wrijven om het glad en fraai te krijgen. Het pl. d. nêteln, en het Vriesche neutelje en neulje, id. is verwant met het Isl. at nötra, klapperen, trillen.
niefelen, niifelen, Tw. na zich toehalen. Isl. at hnefa, met de hand omvatten.
niemand, nummes, niemand. [nin mens.] Holst. nums.
nieuwplichtig, nyplichtig, benieuwd, verlangend. Kil. plichtig, devinctus, obnoxius. [onderhevig aan het nieuwe.]
nirtig, nuitig, knorrig. L. F. noättig.
noppen, [uitpluizen, knabbelen], noppen, gelijk de paarden elkander door knabbelen in de manen jeuken.
nuver, nuver, Gr. L. F. aardig, vreemd, nukkig, origineel. Pl. d. nuur. Holst. nurig. Kil. nuveren, begeeren, vorderen, uveren, id. Vocab. 1472. peticius, nuever, § frequenter petere. Sc. to nyarr, to fret, to be discontented. Jam. Suppl.
oer, oere, ijzererts. Oerege grond, bodem vol ijzererts.
omzonst, [vergeefs], sunst, Umme sunst, om niet, vergeefsch. H. d. Um sonst.
ondeugd, onducht, [ondeugd] guit. Sc. wandocht. wan = on, zonder.
onhandig, [niet handig, gebrekkig; lusteloos], onhendig, onhandig, lusteloos, die een knoop in het humeur heeft.
onnemoeite, [onnodige moeite], onnemeuite, Tw. onnoodige moeite.
onnut, [slordig], onnut, morsig, slordig.
ons, met ons, bij ons, onder ons. Eng. with us, id.
ontijig, ontiig, morsig, vuil.
ontlaten, [dartel], onlatten, Tw. dartel, stoeiziek. [ont-laten, i. e. uitgelaten.]
onverlaat, onflaat, uitvaagsel, vuilnis. W. 97.
onverschillig, [zeer verschillend], onverschillig, verschillend. Er is tweederlei on, verminderend en versterkend; hier is het versterkend, zoo als veel bij de A. S. b. v. on-ered, zeer geeerd.
onwetend, onnewetten, Tw. onbehouwen. L. F. onwiten.
onzalig, onzelig, vuil, walgelijk morsig. Die zich van binnen niet zuiver naar den ligchame gevoelt, lusteloos. Kil. unsel, ongel. Sax. Holst. unöselig. Zie op oesel, glimmend kaarssnuitsel. Onselig, Geld. lui, slaperig. Zoo als vuil in het Η d. [faul] lui beteekent.
oogbrauw, oogbraân, de haartjes aan de randen der oogleden, in tegenoverstelling van wenkbraauwen. Fr. les cils. L. F. de teisterkes. De Hollanders hebben hier geen naam voor.
oogslag, [ogenblik, snelle blik], oogslag, oogenblik. Gr. oogen-slag
ooievaar, heilêver, heilêvel, (vrouwelijk), Kampen, heileuver, ooijevaar. Heil, geluk. Êver voor oeuver, o-vaar, ooijevaar voor ode-bar, brenger van het goede. L. F. eabarre voor cade-barre. A. S. eadig, gelukkig. Heil is er voor gezet nadat de oorspronkelijke beteekenis van euver vergeten was. Eigenlijk dus geluk-brenger. Het is de bona avis, die nog als de bode des heils door de landlieden ontvangen en behandeld wordt.
ootje, ootien, [naar de kanten van Zwol] grootmoeder. L. F. ote.
orgel, orkoan, fortepiano. [organum.]
ozewoud, [sukkel], ozewold, hoze-wold, m. sukkel, domoor. Vocab. 1472. Osa hose, een leerse. Wold als in pl. d. sture-wold stuursch mensch. Dus een kous van een kerel.
paardendood, [dienaar van de schout], peerdedoot, (mannelijk), schoutsdienaar.
padde, [mesthoop], padde, Benthem, opgemaakte mesthoop, ook die voor het huis staat.
palmdoorn, [vlinder], palmdoorn, (vrouwelijk), vlinder in het algemeen.
panvogel, [vlinder], pannevogel, (mannelijk), panneveugeltjen, dagvlinder.
pardoes, pedows, Da’s pedows ook woar! dat is verdoemd ook waar! Een vloek die nog uit de Spaansche revolutie-oorlog is overgebleven. Sp. par dios! bij God. L. F. perdoes!
peterziek, [broeds], peterziek, gallum adpetens; dicitur de gallina. Confer. Osnabr. Transisal. pit, penis. [piten, peten, peteren; fodicare.] Holl. peter-man, id. Conf. poeren.
peuren, poeren, paling visschen met daauwwormen aan een draad geregen. Van het pl. d. pödder, vischaas aan een draad genaaid, is pöddern, contr. poeren. Kil. met de poyen visschen, poyeren. Isl. at pola, met de naald steken, naaijen. Van hier poten, insteken, stikken, planten; poteren, peuteren, contr. Kil. poyeren, fodicare, en, fuscina piscari. Ook porren.
pieleend, piilende, (vrouwelijk), eend. Piil, is in pl. d. de zachte punt, die van de pluimen nog in de huid van geplukte vogels zit: zoo vertoont het pluim zich bij jonge vogels, en daarom duidt dit woord eig. een jonge eend aan. Osnabr. Ditm. pyl een jonge eend of gans.
pieremachochelen, [foppen], pieremagochelen, foppen, als vriend medenemen. [Gemeen.]
pierottig, pierrottig, wormstekig.
pijpen, [kussen], piipen, Tw. kusschen. Pl. d. Van pipen up de lippen kumt vrundschap under de slippen. L. F. pappe en pea-e. Teut. pachen, cussen.
pilaar, pile, pijlaar.
pingelen, [de weg herstellen], pingelen, den weg ophoogen, effenen, herstellen. Pingelen, wateren. Mingere. Pingelen, afdingen. Deze drie zijn één! Teut. pegghe, punt, prop, spon. L. F. pich, klein lis-pitje in de nachtlamp. Pl. d. pegel, punt in een kan ten teeken hoe veel vocht er tot die hoogte ingaat. Een vochtmaat. Contr. peil, aanduiding op een schaal hoe hoog het water staat. Pegelen, iets tot zijn peil brengen door effenen en ophoogen. pe-n-gelen, pingelen, id. Pegelen, het vocht voorzigtig bij droppeltjes ingieten om tot de maat en niet hooger te komen: eene naïve afbeelding van het dingen in den handel. Pl. pegelen, mettre quelque liqueur par mesure et assez escarssement. Pl. pemelen [pimelen] donner de quelque chose chichement et escarssement. Van hier afpegelen, afdingen, en pingelen, dingen. Eindelijk is [pegelen] pingelen, en [pemelen] pimelen toegepast op eene flaauwe waterlossing. Hamburg, pinkeln, mingere. Overijs. pingelen, guttatim mingere. De overgang van druppelend ingieten tot mingere, is omgekeerd van mingere tot druppen in het H. S. van den Roman van Fergut, bl. 14. pisslinge, guttatim.
plag, plagge, ν. afgestoken graszode, vooral van de heidevelden. Plaggen, den grond van zoden ontblooten. Zoden van fijn gras vierkant afgestoken om een bleek te leggen noemt men zôn. De plaggen dienen om mest te maken. Het woord is pl. d. eig. lappen. [Got. plats, lap. Sc. plod, zode.] Teut. plaggen, oude kleêren, krullen.
plak, fleksken, (onzijdig), sneetje brood, vleesch, enz.
plakken, plakken, den grond met de spade plat slaan. De zôn plakken, de gelegde graszoden vlak slaan. Plakke-schuppe, plat-spade. Platte-kinder, kinderen die nog niet loopen en niet droog zijn. Pl. d. pladde, vodde. Dus eig. lappe- of luierkinderen. In den Codex Argenteus is het plats, lap om een oud kleed te stoppen. Marc. II. 21.
plet, [losse plank], pletten, losse planken boven elkander als b. v. in een boekenkast.
ploeteren, ploeteren, met ruim sop frisch afwasschen. Sc. to s-platter. Ik hebbe my ’s broaf ’eploeterd. Eig. met de handen in het water omplassen.
pluis, pluus, (vrouwelijk), pluize, vr. hoop aarde met mest gemengd voor weilanden inzonderheid. Van pluizen; eig. wat door elkander geplozen en geward is. Pl. d. plüstern, verwarren. Plüserye, allerlei vodderij door elkander. Kil. pluyserye, scruta. Gr. pluister, [voor bluister,] windig en regenachtig weder, hoort hier niet, maar bij ’t D. plustre, snuiven als een paard.
pluk, plukke, de tweede soort van vlas.
plundermelk, plondermelk, melk die onder den room verzuurd en verdikt is. Tw. gestremde melk. Ook pl. d. plonder [plunje], een vodde, lap, brok. C. A. plats, [plot, plo-n-t.] lap.
pochel, pokkel, (mannelijk), bogchel, huid. Dim. pukkeltjen. Pokkelen, iemand op den rug dragen. L. F. puchelje, zwaar arbeiden. Pokkelsmêr, slagen op den rug.
podde, podde, (vrouwelijk), kwijnende of ongeredderde staat. Men zegt te Dev. ook uut de podde, net opgeschikt. Wa ’s Jan uut de podde! ’t is wel te zeen dat’t zundag is, wat is Jan in den pronk. Podderig, podderik, smerig, ongehavend. Zoo komen de moeskruiden bij eene lange en koude droogte in de podde. Het beteekent eigenlijk eene havenlooze morsigheid. en is één met pad, waarom de L. F. den naam van den kikvorsch hier bezigen. De finne is yn ’e pogge, de weide is in de kwijning.
poedelen, poedele, wasschen en plassen, in het water omplassen als een spelend kind. L. F. poësje. Van hier poedel-hond voor waterhond. Isl. pytla, watersprong.
poel, [poezelig], pol, Tw. poezelig. Osnab. se pulet sik, zij liefkozen elkander. L. F. Myn poele, mijn liefje!
poesten, poesten, blazen.
poet, [slag], poete, klap met de hand. Poete um d’oren, oorvijg. Holl. poets, slagen. Isl. pûstr, oorvijg.
poet, poete, morspot, smeerlap. O dou poet, O dou piet! O, gij morspot! Smêrige peter! poeterig, pieterig, morsig. Pl. d. pötern, vervuilen. Hamb. verpetern. Holl. verpieterd, verflensd, uitgerammeld. Pl. d. verpöterd gesicht, vervallen, uitgemergeld gelaat. L. F. poätterig, haveloos. Isl. puta, hoer. Fr. putaine. Geld. meerpoete, gemeene visch. Oud Holl. pute, kikvorsch. Pl. d. puutje, slet, morsige vrouw. Zw. Put, stinkpoel. Isl. pedra, bezoedelen.
ponder, punder, (mannelijk), een weegstok hangende in een ring, met het gewigt aan den eenen en een haak aan den anderen kant, aan wien de waar gehangen wordt. Men verschuift het gewigt om de zwaarte te vinden. Punderen, op deze wijze wegen. Pond, gewigt. M. v. punden.
pongel, pungel, bundel, dikke prop, hangende zwaarte, blok aan den poot van een beest.
pooi, poye, poyeman, een veulen; zoo als men de kat poes noemt.
populier, peppel, (vrouwelijk), populier.
pot, pot, (vrouwelijk), vuurtest in een stoof.
prak, prakke, (onzijdig), kribbekat, stijfkop, grillig en onhandelbaar wezen. Dat bliksemsche prakke van en peerdjen wil neet vort as et de kuren in de kop krig. Isl. prackari, een schelmsche schuldenaar, een deugeniet. Kil. pracher, vrek. Pl. d. bedelaar. Heyns ged. 148. prack, bedelaar. Van prachen, dringend smeeken; eig. persen en dwingen.
prak, [priktol], prakke, (vrouwelijk), brommende priktol.
prauwel, pruwel, (onzijdig), koppig en kribbig kind.
preuze, preuze, bijeengevommeld hoopje van lappen, garen enz. een dod, Eig. wat bruischt of uitpuilt, zoo als Holl. prat. Dev. proesten.
prewer, [onvriendelijk persoon], preuwel, (mannelijk), stekelachtige vent.
proesten, proesten, niezen. Argens tegen proesten, een afkeer hebben; eig. tegen een walgelijken drank aan niezen.
pruik, prakke, Gr. paruik. Dev. olde prakke, [oude pruik] oude paai.
pruim, [verhaal, sprookje], proemen, Dat sint moar proemen, dat zijn maar spreukjes.
pudde, puddeke, (onzijdig), lief mannetje! een kind dat nog waggelt op den gang. Sc. pud, s-ped-lin, id. Pl. d. puddeken. D. putte. Isl. ped, mannetje. L. F. pjut, klein ding. Fr. peu, weinig.
raak, [haardkuil], rake, de haardkolk waar men het vuur in berekent. Isl. raka, schrabben, scheren, bij één schrabben. Van hier ook rakker, die de stads vuilnis bij elkander rakelt, knecht van den beul [zie Kil.] en niet van rekken.
raap, ruif, Gr. raap. Raap is uit het Latijn; ruif is Germaansch. Lat, p = Germ. f.
rammelaar, remmelaar, (mannelijk), het mannetje van den haas of het konijn. Holl. Rammelaar. Theot. rammalon, coire. uit-gerammeld, venere luxatus.
rapschotel, [straatmeid], rap-schuttel, een straatmeisje, dat van het eene huis in het andere slendert. Van Isl. at rabba, [railler] boerten. L. F. rabje, klappeijen, en schottel. Pl. d. schottel, hoer. Schute, id. Schuut, vel. Zoo als leelijk vel, oud vel. L. F. roffelscoete, een vrouw die er alles uitflapt. [roffel-vel]. Holl. blaauwschuit, scheurbuik. [blaauw-vel] A. S. scyta, linnen. [omkleedsel.] Eng. sheet.
rapzak, [schraper], rabbezak, (mannelijk), schraper, uitzuiger. Oud Holl. rappen, schrabben; van waar rappe, schurft. Rapen en schrapen. L. F. Jan raeb. Holl. Jan rap. [Jan-schurft.]
ravé, [uitroep], ravé, De roep der jongens als zij een anderen jonge, die met het hoofd in den schoot van zijn kameraat ligt, bij het achterend in de hoogte heffen, nadat zij hem eerst den rug geschuurd, en met vuisten of ellebogen gestampt hebben. Bij het spel, bal in ʼt huutjen, is dit de straf van hem, die den hoed misgooit.
rechtevoort, rechtevoort, tegenwoordig, in dezen tijd.
red, [recht], redde, regt. Van reden, in een regte lijn uitstrekken, gelijk regt van regen, [rekken] id.
redelijk, rêdelik, bij de Holl. tamelijk, matig, een gangetje, maar te Deventer, op streek [naar rede], heel goed. De seeke is noe rêdelik, heel wel.
redelijk, rellik, rein, zindelijk, in orde. Eig. naar rede, uit red-elik, [redelik] contr. rellik.
reden, reyen, het eiken kreupelhout in den winter opsnoeijen om het in de hoogte te drijven. Eig. het bosch kammen, d. i. kappen als een friseur.
reek, reek, onkruid, de bladen als van den persik, gestippeld met roode vlekjes, het gevolg van bloedige zweetdroppelen, volgens het bijgeloof er op gevallen in den hof Gethsemane.
reekam, [grote kam], reidekamme, kam, Reyen, kammen. Uutreyen, uitkammen. Bij uitlating Holl. kam alleen. Kam is van Theot. kamben, dekken, kronen, en dus eig. crista. reen, kammen. [reden, streken trekken] oetrêen, uitkammen. Retelik, effen, glad gekamd, in eene rigting, b. v. vlas, hair, enz.
reik, reik, Gr. schommel, schop. Isl. reik, slingering, zweving.
rek, rik, (onzijdig), open latwerk om iets op te bergen. b. v. melk-rik, emmer-rik, latwerk om melkvaten en emmers op te plaatsen. Ook één lat alleen, zoo als hoenderrikke, ellyps. rikke, de prik waar de hoenders op slapen. rik, Gr. leuning bij een vonder. Rikkinge, heining van palen met dwarslatten. Zie afrikken.
rekening, [becijfering, zwangerschap], rékening, De vrouwe is an de rékening, elle est enceinte.
ren, runne, de loop van een hoenderkot.
reppel, reppels, houten staken waar men de koeijen op stal aan bindt. [reeppaal, bindpaal]
reren, reeren, Gr. schreijen, huilen. A. S. raran, huien, brullen. Eng. to roar.
revelen, reurlen, praten. A. S. reodian, spreken. Van reoren, freq. reorelen, contr. rèorlen. ρεω
ribbezakken, [slaan, rossen], robbezakken, slaan, rossen. Verbasterd uit ribbezakken, een ribbestoot geven, bij Hooft Tac. bl. 533 verwisseld met bengelen, eig. met stokken afrossen. Van rib en suk voor schak. Eng. to shake, [sjeek] stooten, drillen, even als het Eng. to rib-roast, ribben braden. d. i. rossen. Visschers Zinnepoppen. Zesde schok. Negende kwik. “Maer wil hy klappen, sal hy moeten lyen, / Dat men hem reckende sal ribsacken en ryen.” Tuinman Spreekw. nal. bl 19. Hy ribbesakt de goudtas met de scherpste nyptang.
rijoe, [overvloedig, niet zuinig], riioe, meer dan genoeg, niet zuinig, verspillig, overvloedig. Kil. rijf, id. L. F. ry, id.
rijp, ripe, (vrouwelijk), rand van klinkerts, die bij de huizen langs loopt, de kleine steentjes. In vroegere eeuwen was de eerste eigenschap van dezen straatrand niet dat hij gevloerd was met effene steentjes, maar hooger dan het overige van de straat om de afwatering te bevorderen, gelijk nog aan den Brink te Deventer te zien was. Het was dus een kleine straatrug, en dit beteekent ripe nog in het Noordsch. Isl. ripr, heuveltje.
rijs, riize, e. v. collective, takkebosschen om te branden.
rijten, riiten, Tw. trekken. De eerste beteekenis van rijten, splijten, en van Isl. rita, schrijven. Eng. to [w]rite.
rijvelen, rioelen, diep ploegen. Holst. rioolen, id. Slav. ryju. Riool is van het Fransche rigole, dim. van [Theot. riho] Barb. Lat. riga. Caepit terram fodere et in modum sulci rigam facere. Du Cange, Gloss. Pl. d. rige, reeks.
rijven, riiven, men riift notenmuskaat, men raspt broodsuiker. Rasp, Sc. risp, is daarom ook de groote vijl in tegenoverstelling van de kleine of zoete vijl. Pl. d. riven. Hd. reiben, [w-rijven.] Sc. rive, [fricatio] pruritus.
rijzen, riizen, korlsgewijze uitvallen, druipen, zoo als gruten. A. S. hreosan, vallen. Pl. d. risen.
ris, [zeer, flink], ris, zeer, dapper. Ris vol, strijk-vol. Ris nat, dapper- of doornat, Teut. Dail. wercklick. schefferlick. Rysch. wacker.
roeielen, [schommelen; schoppen], reullen, schommelen, schoppen. In den schommel zitten. Reuile, schommel. Hetzelfde als roei-e-len. freq. van roeijen, over de beide zijden heen en weder bewegen. L. F. roeykje, id. Van hier ook reulen of ruilen in den zin van wisselen.
roest, [dwerg], roest, dwergje. Zie ruddeken.
roezemoezig, [druk, verward, onordelijk], roezemoezig, druk en verward in de huishouding.
rol, rolle, ell. rolpens.
rooien, reuyen, onkruid wieden. Holl. roeijen, uitroeijen. Holst. Gr. ruden, en ruiden. Isl. at rya, plukken. hefi rûd, ik heb geplukt. Hd. rotten. Isl. at rydia disturbare.
roppen, roppen, het gras tusschen het kreupelhout weg plukken, de vogelen pluimen. Got. raupjan, plukken.
ruddetje, ruddeken, een klein kereltje. Pl. d. een lutjes rüddik, een prop van een kind. N. S. Rütticht, strütticht, [struik] struwellen, heestergewas.
ruggelen, [terugdeinzen], ruggelen, teruggaan als de paarden van koppigheid of schrik.
ruien, rurigen, Tw. ruijen. freq. van ru-en. Isl. at rya, plukken, scheren. Rudr saudr, geschoren schaap. Hd. act. sich rauhen, [zich plukken] en neutrum rauhen, ruijen. Het Holl. ruijen is dezelfde vorm als Overijs. reuyen. Kil. ruiven.
ruif, reupe, (vrouwelijk), schuinsch latwerk boven de paarde-krib, waar de paarden het hooi uit plukken, het rib, de ruif. Hd. raufe. Holst. röpe. Got. raup-jan, uitplukken, L. F. ropje. De Hollandsche f is Hoogduitsch en de Overijselsche p Gothisch. Sc. our horses got nothing but a rive oʼ heather, i. e. een pluk heide. Jam. Suppl.
ruinen, runen, catulire. Eig. susurrare catulientium more.
ruisterig, ruustrig, koude en windig. [het weder.]
ruit, roet, (onzijdig), onkruid; gepeupel. [canaille.] Den sit dikke in ʼt roet, die is ruig op de zak of rijk. Eig. van veldvruchten gezegd, die vol onkruid zijn. Zie reuyen. Vergelijk echter Isl. rôt. Eng. root, wortel, en Eng. weed, A. S. weod, kruid, onkruid, met wieden, onkruid uitroeijen.
ruit, ruut, (onzijdig), schurft. Isl. hrûdr, roof eener wonde. L. F. rude.
ruitwagen, roetwagen, een vierkant net met twee stokken aan de enden waarbij het voortgetrokken wordt. Men vischt er beken en weteringen mede af, en dewijl men de waterplanten [roet] dan met één in het net krijgt, wordt het de roetwagen genoemd. Eng. root, wortel.
ruwerij, [woeste heidegrond], ruwerie, rouwerie, woeste heidegronden.
sadde, [kwaadaardig persoon], sadde, een kwaadaardig kereltje, Hooft, sadze, de beul.
salie, zelve, (vrouwelijk), salie.
schaap, sjaap, Hooge Veluwe, schaap. Eng. sheep, [sjiip]
schaarde, scheure, scherf.
schaatsen lopen, schaatsen loopen, schaatsrijden. Eig. op houten spanen loopen, zoo als in het Noorden over de sneeuw. Isl. scîd, spaander en schaats. Kil. schier [contr. voor schider] spaander. Schaats, beteekende naderhand een schraag omdat men er op stond. Fr. echasse. Kil. scavendijnen. Gron. scheuvelloopen. Pl. d. schave en schevel, splinter.
schab, [schoffel], schabbe, tuinschoffel. Kil. schabben, afkrabben, van waar schabbig, schurft, haveloos.
schabul, schabul, [schabuwel] een meisje met valsche streken. Kil. schabbeeuwen, lasteren. schabbe, lasteraarster.
schadde, schadde, heidezode, veenzode, tot turf gebezigd, de plagge daarentegen tot mest. Eig. afsteeksel. Isl. at skadda, een deel afnemen. [scheiden, schade, enz.] A. S. scaeftha, afschering.
schaden, schroan, afsnijden. De bekke schroan, de beek door afsnijding der waterplanten zuiveren. Pl. d. schraden. Goth. Skreitan. Eng. to schred. Holl. schroden, waarvan schroder, snijder [tailleur.] L. F. scrôar.
schampen, schampen, Gel. eene gewoonte overslaan. Wy sult van dage ens schampen met den borrel, wij zullen van daag eens voorbij van slokjes. Eig. ontkomen en dus passeren. Kil. schampen, weggaan, vlugten, ontkomen. Ital. scampare, id. Tuinm. Spreekw. nalez. bl. 8. Hy speelt scampado, hij pakt zich weg. De m is ingeschoven als blijkt uit het Fr. [schappen] e-schapper, echapper. Schappen is voor schabben en schaven, schuren, als Holl. schapperling voor schaafling, spaander. Van hier de beteekenis van schaven, strijkend voorbijgaan: iemand schuren en honen [ schamper, schempen, schimpen], en weggaan [strijken gaan] in schampen.
schap, schap, een vak in een kas met planken. Schaap-schop, i. e. kooi. Schap, een houten driekant schild, waarin de top der rieten boerendaken aan de endzijden eindigt, zoodat evenwel een tuif van stroo over de twee bovenste randen uitsteekt. Pl. d. schapen, ijzeren pan. Scher. schuppeken, tugariolum. Appel-schappen, vakken in de houten stellaadjen, waar de appelen bewaard worden. Van hier de uitgang schap in wetenschap, insluiting van het weten, enz.
schaper, scheper, herder.
schavelen, schaviilen, [de accent op vii]. Iets langzaam van zijne plaats bewegen; b. v. zware vaten. Eene moeilijke zaak beredden. L. F. scewiele, iets schikken ten gunste van een ander. Winschootens Seeman. Schavielen, ruim baan maken, opruimen. De wind schavielt, als hij gunstig wordt. Sc. to skaole, to shevel, uit zijne gedaante brengen.
schef, schevve, kaf. Pl. d. scheve, de bastsplinters van gehekeld vlas of hennip. Isl. at skifa, [schaven] klieven, skifa, spaan. A. S. scyfla, schilfertjes.
schemelglas, [stukje spiegelglas], schimmelglas, een stukje spiegelglas, waarmede kinderen iemand de zonnestralen in de oogen kaatsen. Heb. schemesch, zonneglans. A. S. sciman, schitteren, freq. schimeren. L. F. scimerje, schemeren, en hier schimmelen.
schenk, schinke, ham. Eig, poot. A. S. scanca, been. Zoo als de Franschen van jambe hebben hun jambon.
schepper, [iem. die creëert; opziener], schepper, Gr. opziener over bruggen en wegen. Scheppen beteekent niet slechts iets uit het niet maken, maar in het Isl. en O. F. ook vormen, regelen, hulp en raad schaffen, O. F. W. 5. da wreecke scheppa, wraak oefenen. 141. syn fryonden agen toe skepena, zijne vrienden moeten hulp schaffen [voor hem betalen.]
scheuken, scheuken, [zich scheuken], zich schurken. A. S. scéakan, schudden. Isl. at skeckia, distorquere. Shetland, skacles [ora distorta, larvae] people disguised. Zoo als gryns, momaangezigt, van grynen, grimmen, os distorquere, ringere.
scheuteling, [varken], schuttelink, [schot.] Een varken dat van het schot, d. i. van een bekend persoon gekocht is.
schieren, schieren, aan het drijven of zinken der eijeren in het water beproeven of een ei zuiver is. Schier-ei, verbroeid en dus vuil ei. [door verwarring.] Eig. louteren, van A. S. scîr, rein. Isl. at skira, reinigen, afwasschen.
schieuw, [vogelverschrikker, lelijk persoon], schiw, (onzijdig), tuinspook, molik, leelijk mensch. Schiw of schif is één met schich in schich-tig, schuwachtig. Eng. e-schew, schuwen. Ital. skifare, schuwen. Isl. sky, ijzing. Vocab. 1472. priapus, een vede, [mentula] vel een scu in eenen hof.
schijnvat, schiinvat, Gr. lantaarn. Het echte Germaansche woord. Lantaarn is Latijn. A. S. léohtféohtfaet [L. F. ljochtfet, lichtvat.] Isl. liósberi [licht-berrie of drager] id. Isl. skin, licht. De lantaarnen waren oudtijds groot en rond, het glas van hoorn, en hadden den vorm van een tamelijk vat of ton.
schild, schild, het achterste flaauw oploopende vlak van een boeren dak.
schin, schin, stof van de huid dat men als zemelen van het hoofd schuijert. Pl. d. id. Sc. skanes, id. Isl. skin, de opperhuid. Epidermis. Eng. skin.
schob, [schuur], schuppe, Tw. een afgezonderde schuur nevens het huis om er in te stoken, hooi in te bergen, enz. Bij de pl. d. is schupp, een aan de schuur aangebouwde hut, waar de dingen voor wind en regen veilig staan. A. S. scypene, winkel. Het is één met schap.
schobben, schobben, kraauwen tegen de jeukte, Kil. schabben.
schoffel, [bakkersschotel], schoffel, Tw. een bakkersschotel om brood in den oven te schieten. A. S. scofl. Eng. shovel. Pl. d. schüfel.
schopspaan, schupspoan, Up den schupspoan zetten, plotseling te leurstellen. Schuppen, den schup geven. Paromasia voor schuim-spaan.
schout, scholte, voorname boer. Ten platten lande nam men meest eenʼ voornamen boer tot schout. Van scholten, misdrijf aantijgen [schelden, gescholden] is O. F. scelta en scolta, eig. procureur crimineel, officier van den geregte, die beschuldigt en eischt van ambtswege: voluit scolt-hete [schuldheiss.] Rom. v. d. kinderen van Limburg, H. S. 101, 1. Mett ien hi comen siet / Enen scouthete met cnapen vele / En brachte enen die om die kele / Een zeel brachte ende omme ghebonden /En leidene ten selven stonden ) Ter galgen wert.
schouw, scholde, hengst of praam ter overhaling over een water. Eig. een platte bodem. ol = ou; old, oud. Holl. schouw, Sc. skow, een platbodemde boot om op rivieren te ligten. Zoo als de platvisch, schol genaamd; zoo als de ijs-schol; zoo als de afgestokene graszode door Theut. scolla, de pl. d. schulle genaamd: zoo als de hoofdschedel bij de Eng. skull [schil.]
schram, schram, een varken, dat van een onbekende [uit den hoop] gekocht is. Eig. de omheining waarin een groote kudde zwijnen op het veld zich ophoudt. Hranne in de Salische wetten. Hd. schranne. Ital. scranna, omheining. Gelijk scuttelink van schut, dus schrammelink van schram, ell. schram. Wiarde leg. Sal. 386.
schrander, schrandren tiid, dure tijd. Eig. scherpe, bijtende tijd. Got. skreitan, klieven. Theot. scrintan, id. schrander, die klieft en scheidt, d. i. die een doordringend, scherp verstand heeft. Schranzen, met de tanden van elkander scheuren, d. i. onbeschoft vreten. Sc. skran, a promiscuous collection of eatables, however collected. Skran-pock [de schrans-zak] a beggars wallet for receiving promiscuously the offals of the table that are given to him.
schrap, [bekrompen, ontoereikend; nauwelijks], schrap, bekrompen, ontoereikende. Dee lappe loaken vult wat schrap, met dien lap laken komt het niet te ruim uit. Eig. schrabbend. Teut. schrepel, mager. L. F. krap, bekrompen, van krappen, afknarpen, gelijk schrap, van schrappen, id. zich schrap zetten. [d. i. in den stand om te kunnen schrabben met de voeten.] L. F. Ik ha’ nin screp, d. i. geen vast steunpunt om met mijne voeten kracht te zetten. L. F. screppe, groote haast maken; klouwe, met snelle streekjes zijn uiterste kracht doen op schaatsen.
schrok, schrok, (mannelijk), [woord van het gepeupel] honger. L. F. scrok, verdord door droogte, inhalig, hongerig, armoedig. Isl. krâka, met een haak aanhalen. Isl. at krefia; Eng. to crave, [inklaauwen] inhalig eischen. Kreeft, krab, enz. wegens de pooten. Isl. skrâ, een slot op de deur, adv. overdwars, d. i. de helft er schuins afgesneden. Van daar L. F. scraech [skra-ig] niet volkomen, omtrent, schrok, [skro-ig] schrap, schraal, [skra-el.]
schruikerig, [huiverig, kouwelijk], schreuikerig, huiverig, koudelijk.
schuw, schee, schuw.
sib, [knorrepot, dwarsdrijver], sibbe, Gel. knorrepot, dwarsdrijver. Isl. at sipra, klagen, morren. Scher. Sibner, getuigen tegen den aangeklaagde.
sik, sikke, siksken, geit, lange baard. De geit is in dit woord inderdaad naar den baard genoemd. Sanskrit chaga, geit [sjaga, sege] s-chaga. Isl. skêgg, baard. Het pl. d. heeft seeg in de beteekenis van een ruige dot. Een seeg hede, een bundeltje werk om te breeuwen.
sinds, sus, sedert. Kil. not. sus langhe, sedert lang. Pl. d. sus, anderzins. Voor sûste, sunste. H. d. sonst, op een anderen tijd.
Sint-Jan, [feest], Sint Jan, Een oud feest overgebleven in eene enkele buurt van Swolle, de Smeën genaamd, in de Dizerstraat. Op Sint Jan gaat één der bewoners op zijne beurt met een bekken rond en zamelt bij de deuren der buren giften in onder het slaan van een bekken, en roepende, Doar kump Sint Jan Met et ketteltien an. De opbrengst geeft een buurtfeest.
sjag, [tussenwerpsel], sjag, [schak, shak]. Geld. woord van een verlegen man, die niet weet of hij ja wil of neen kan zeggen. Isl. at skâka, in de knijp brengen.
slaan, slaan, schatten, belasten. W. 519. Thans nog omslaan, een last verdeelen. Munt-slaan, eene officiele waarde aan een stuk metaal geven. O. F. slachta, muntswaarde. Den belastingschuldige naar de raming zijner bezittingen belasten. Asegabôk. 13. 16.
slag, slagen, water-slenken in laag land. Zie knip-slagen.
slank, [kronkel], slank in het touw, kronkel in het touw. Isl. slanga, opgewonden klos weefgaren.
slateren, slateren, vocht storten. [L. F. slanterje]. Ook van drooge waren, strooijen, ontglijden laten. Zijne zaken slof waarnemen. Isl. At sladda, en pl. d. slatten, door het water plassen. slatte, dweil. Isl. sladde, een kerel slordig in zeden en gewaad beide. Eng. slattern, slordig wijf. Slaterkouse, [morskous] die achteloos in zijn bedrijf is. Een sloffe boer, die zijn pacht niet op den tijd brengt.
slee, sliere, [slidere] schuifslede op ijs en sneeuw. Teutonista 1477. lubricare, slijden.
sleef, sleef, potlepel. Eig. boezem, schoot, holligheid om te scheppen, en dus één met het Eng. sleeve, mouw.
sleeuw, slee, stomp, niet scherp. Miin tande wordt slee, mijne tanden worden stomp. Die bile is nog de sleeste van alle, i. e. stompste. Het behoort tot die groote familie van woorden, die openende met sl iets slaps, slepends en onveerkragtigs uitdrukken, zoo als Got. slawan, zwijgen. A. S. slaew, lui. L. F. sleeuw, slaapkoppig, zouteloos. Isl. sliár, en slae, zammelig, zonder scherpte, stomp.
slemp, [lange vrouw], slempe, lange lijs van eenʼ vrouw.
sleutel, slutle, sleutel. Van slut-en is slut-el, werktuig om te sluiten, van sleu-ten is sleu-tel.
sliet, sleten, ruwe balken, ribben, boomen van allerlei slag naast elkander boven den koestal of de dêle gelegd om er hooi op te bergen. Pl. d. sleet, id. Eig. spleten, omdat die ribben voor de luchtigheid van het hooi met tusschenruimten liggen. A. S. slite, reet, spleet. Tw. slete, losse schutting.
slik, [lekkernij], slikje, (onzijdig), stroop als kokinje gebakken in een smal peperhuisje. Ook slikkepitje. Van slikken, lekken.
sloerig, [lusteloos], sloerig, lusteloos, die overal omhangt zonder lust om iets te doen. Eig. sleperig. Van sloven of sleuven, slepen. Zoo als van togen, slepen, “Morbidus, toegsch, syecklick.” Teutonista 1477.
slok, sloeke, keel. sloeken, slikken.
slok, [slap], slok, [o als in rok] slap. Isl. at sloka, hangen, slepen. Zw. sloka, nederhangen als de wieken van een vogel, de takken van een boom, enz. Eng. to slak.
slomp, slomp, groote massa, menigte. A. S. limpan, toevallig gebeuren. Eng. lump, eene toevallig bij elkander gehutselde, ordenlooze en vormlooze hoop. Zw. en Sc. slump, a large quantity of any thing. Jam. Suppl.
slonde, slochte, Tw. voorschoot. Behoort tot de familie van slok, Kil. slons, slap, enz. Zie slonde.
slonde, slonde, (vrouwelijk), grove schorteldoek die de meiden voordoen onder het schrobben en ander grof werk. Hamb. slunten, lappen, vodden: hiervan Holl. slons, gelijk slet voor dweil en slordig wijf. Slonde, was eigenlijk een oude vod, die de meid in het werk over den boezelaar hing en waaraan ze het morsigste afveegde.
slungel, slungel, (mannelijk), een onachtzaam mensch, die daar waggelende heen slendert. Van slingeren en pl. d. slunkern, waggelen.
smak, smakke, Gel. boterham. Pl. d. smekken, smaken. Smikke, een sneedje brood, alleen om het eens te proeven.
smeu, smeu, zacht, lenig. Got. smitan, met olie besmeren. Holl. smijdig, lenig. Oudtijds waren er ook vormen zonder s gelijk wij zien uit Kil. ge-moedig leder, corium sequax. Isl. at môa, met klei besmeren.
smeugel, smeugel, een platje, die het fijn weet te overleggen. Isl. at smiúga, door allerlei gaten weten te kruipen.
smiesterd, smystert, onrein mensch, zoo wel naar ziel als ligchaam. Omzetting voor smytsert, van Goth. A. S. smitan, met vettigheid besmeren. Eng. smut, vuiligheid. Bij de Schotten gaat de beteekenis van verachting over tot iets dat klein en verachtelijk tevens is; Sc. smytcher, a contemptuous term for a child. Dus van [sma-e-len] smalen, honen, is smal, klein, dun.
smobbes, [viezigheid], smobbes, drek, vuiligheid. Hetzelfde als pl. d. smudde, morsigheid.
smoel, smoele, (vrouwelijk), muil. Smoelwark, [taal van ’t gepeupel] vreet, bakhuis. Hy hef doar smoel uppe, hij heeft daar zin aan. Holl. dat mondt hem. Holl. smuil, van waar smuilen, glimlagchen, [mees-muilen]. Eng. to smile.
smoesterig, [smerig], smoesterig, smerig, waar een waas van vuil over ligt, misselijk en rookerig van smaak. Hd. schmutzen; schmutzig. [smoesten, smoesteren, smoesterig.]
smokken, smokken, kussen dat het klapt. Eén met smakken. Sc. smeeg, a kiss. Hd. Schmiegen, zich ergens om heen vlijen. Smeicheln, vleijen. D. smigre, id. Isl. at smeikiaz, glibberen.
smos, smos, eertijds. Zw. snima, id. [snimos, contr. smos]. It is rechtevoort anders as smos.
snapperen, [smullen, smikkelen], snapperen, smullen. Van snapen, ergens naar bijten, is snaperen en versnaperen; versnapering, een lekker beetje tusschen beiden. Snapperen is ’t freq. van snappen.
snaveleren, [oppeuzelen], snabeléren, [in scherts] iets met een innig genot oppeuzelen.
snees, sneze, stok waar het vleesch aan hangt. Osn. id. Isl. sneis, tak van een boom. Snees, twintigtal. Eig. stok. Zie stiig.
snik, snik, de hik; Fr. hoquel. Bij de Holl. sanglot, de nokking onder het weenen. Nikken, nakken, nokken, met een slag voorover knikken, s-nikken, s-nakken.
soes, [druiloor], soese, druiloor.
spanvogel, [vlinders], spanvogels, vlinders.
spartelen, spalteren, omrollen en schoppen als een kind op den vloer. Teut. spalteren, spartelen. Van sport, tred, schrede [verzet van den voet]; oudtijds loopbaan voor de wedspelen, waarvan Eng. sports. Spalter-basse, woelig kind, wildebras. Basse, les fesses. Dus spartelgat.
spee, [ongewenst zichtbaar], spee, begluurbaar. Wee sitt hier zo spee, wij zitten hier met opgehaalde gordijnen dat elk ons bekijken kan. Van spie in spie-den, bespieden. Spee, verklaart de Teut. hoenlick, smelick, en dit beteekent spey ook in ’t pl. d. zoodat het ook kan zijn ten spot.
spel priemen, spil priemen, een stel breidpriemen. Pl. d. spill, spel: dus gelijk men zegt een spel kaarten, voor een vol stel.
spijker, spiker, het lusthuisje van den landeigenaar bij de woning van den boer aangebouwd. Zoo ook te Bremen: maar overal elders een bewaarplaats voor de vruchten des velds, en aan de Elve tollenspieker voor tolhuis. De reden is, dat niet de bestemming, maar de vorm van het huis door spik aangeduid wordt, hetwelk als het middeleeuwsche spica alles beteekent wat spits is. Alzoo een huis met een spitsen gevel of dak, in tegenoverstelling van het platte en nederige boerendak. Zie Du Cange op Spicarium. Eig. dus spitsdak, gelijk spiculus een spitsgewelfden kelder beteekende. Spiker alleen is altijd een ellypsis; men zeide oudtijds Kil. koren-spycker, graanpakhuis. Teut. spycker to were, een fortres, enz.
spijl, spilen, latwerk tegen de balken om het vleesch op te hangen. Pl. d. fleesk-spiele, van spill, ronde dunne stok.
spijt, spiit, de afval van gebraakt vlas; dient om er touw en grof garen van te spinnen.
spik, spik, een boeren bruggetje, bestaande uit eenige sparren over een slootje naast elkander gelegd en bedekt met plaggen tot een overgang voor het vee. Die sparren worden hier genoemd spaken. Hd. speiche. Pl. d. speek, spaak waar iets op gedragen wordt.
spinde, spinde, spindeke, broodkas. Lat. Barb. spenda, spijs-kamer: het zij van spendere, uitreiken, voederen; het zij van spenan, trekken, vertrekken. Dus is een spint haver, eig. een maal haver, zoo veel men op eens ver-strekt tot een voer. Eng. to spend, uitgeven.
spleeuw, spleu, taai. Spreu [Teut. sproe. Hd. spröde] is juist het tegenovergestelde, namelijk, brokkelig.
spocht, spochte, veldduif.
spranken, [zich verdelen, scheiden], spranken, spruiten, d. i. zich verdeelen. Doar woar de wig sprankt, daar waar de weg zich scheidt. Theot. sprankon, springen. Van hier tweesprong, driesprong: bivium, trivium; viersprong. Quatre-bras. [vier-arm, om de 4 wegwijzers in den vorm van armen.]
sprauwel, [klein ventje], spruwel, zie pruwel. Sc. sprewl, een spartelende worsteling, [Eng. to sprawl.] Een ontembaar klein ventje.
spreeuw, spra, spreeuw.
spreuk, spruk, spreekwoord.
sprok, sprok, droog. Pl. d. id.
staan, stoan, Ik stoa, hy steet. Wy stoat., staan. Bukstoan, gebukt staan, om bij zich opklimmen te laten.
staarthakken, sterthakke, zie hee.
stee, stee, plaats. Op ’e stee, aanstonds. L. F. te namiddag. Eig. op de plaats. Pl. d. Up den stuts, id.
steeds, [weigerachtig paard], steedsch, een weigerig paard dat niet schieten wil. Eig. dat op één plek blijft trappelen. Pl. d. stedisk, en staïsk.
steenmot, [pissebed], steenmotte, krob.
sterkenkalf, [koekalf], stereken-kalf, koekalf, in tegenoverstelling van bolle-kalf van het mannelijk geslacht. Sterke, een vaars, hokkeling. Kil. stier-kalf, kalf. Stierick, vaars. Pl. d. starke. Wat bij ons een stier beteekent was in vroegere eeuwen een kalf. Cod. Arg. stiurs, kalf. A. S. stéor en stiórk, id. een éénjarig vaars. Eig. één die in het opgroeijen is. Isl. at styrkíaz, in krachten toenemen, aankomen, opgroeijen.
stiems, stìims, stug en koppig.. L. F. stiimsk, id. Eig. onverzettelijk stijf, of tegenworstelend. Kil. stimmen. vetus. firmum reddere. Isl. at stîma, worstelen. [stif-men.]
stieperdistelig, [lomp], stiperdisselig, vlegelachtig lomp. Teut. styppen, stijven, steunen. Geld. distel, een man stekelachtig als een distel.
stieren, stieren, Het vet stiert, het gesmolten vet stolt. Contr. voor stiveren, stijf worden, van stiif, stijf.
stijg, stiige, twintigtal. De Gothlanders tellen bij stiigen en zeggen fyra stig, vier stiigen, tachtig, hetwelk de Franschen woordelijk in het Latijn overgebragt hebben door quatuor viginti, quatre vingt, [Eng. four score = 80, vier insnijdingen op den kerfstok.] Stige is in eene menigte van Germ. dialekten, een ladder, steeg. In dien zin zeggen ook de Geld. voor twaalf gas, [gasse, steeg]; beide in den zin van reeks.
stik, stik, steil. Fr. escarpé. Eig. wat stijf opstaat. Eng. stick, een stok. In de hoogte stikken, d. i. steken.
stoer, stoer, aanhoudend. Dat geet stoer deur, [assidu] men werkt stijf door. Eig. stijf. L. F. stjurje, stijf worden als vet enz. Eng. sturdy, hardnekkig.
stoet, stoete, brood van gezift roggenmeel. De oude vorm was spits aan twee einden en hiervan stuit, [L. F. stuet, Pl. d. stute]. Fr. croupion, de uiterste punt des ruggegraads. Isl. stût-kanna, tuitkanne. Dit woord is versterkt door de s en eigenlijk toete, nog overig in tote, tuite. L. F. tute, de pijphals van een trekpot, enz. Pl. d. tüte, peperhuisjen. L. F. tuwt, mond. Zw. tut, snavel.
stoeterig, [stug, onbeholpen], stoeterig, stug.
stoethaspel, stoethaspel, een dwarsboomer, een wargeest die alles door zijne stijfhoofdigheid of onhandigheid in de war haspelt. L. F. stuwt, een norsch en onhandelbaar man. Isl. stutr, kort en stomp. A. S. stith man, een ongemakkelijk man. Van [stuten.] A. S. styntan, bot maken, verstompen. Stunt, dierlijk plomp, dwaas.
stok, stokken, sprokkels. Doave stokken, dorre afgevallene takken.
stomp, stomp, et is stomp warm, het is glad weg warm. Eig. in eens afgebroken d. i. zonder eenige wijziging, volkomen, zeer. In de Holl. taal verbasterd tot stom. Stomme warm! stikkend warm.
stootvogel, stoot-veugel, In het algemeen roofvogel, wegens het van boven nederstoten op zijne prooi. De valk, de sperwer, enz. Rom. v. Walewein, H. S. 30. 1. Soe leerde mi vliegen harentare Ghelike ene valke of 1. sporeware, i. e. sperwer. Bar, var, in ode-bar, ooye-vaar, kan men tweezins opvatten; als drager, of als vogel, en dan gelijk aan Eng. bird. Dus geluks-vogel. Spore-ware, is de vogel die spoort of speurt, zoo als spoor-hond, brak, of de vogel met sporen en klaauwen. Eng. to spar, hanen met beslagene sporen tegen elkander in het gevecht brengen. Eng. spar-hawk, sperwer. A. S. spear-hafoc.
stop, stop, (mannelijk), [o als in op, schop] oogenblik. Eig. een oponthoud [stopping] van een oogenblik. Up den stop, plotseling.
strank, strank, (mannelijk), een onhandelbaar mensch, die niets meer doet dan hij verpligt is, maar zelf onbescheiden bits is op het vermeende onbescheid eens anders. Isl. strâkr, deugeniet.
streek, strik, een hard vierkant stuk hout waarmede de zeissen aangezet wordt. Lancashire dialect, strickle, id. meet- of strijkstok.
streep, [kus], strepen, Cecilia met lange strepen, une douzaine de baisers donnés d’un seul trait. Cecilia was niet alleen een lied, maar ook een dans, waaronder gekust wierd.
strijken, striken, met een touw of rotting slagen [streek] geven.
stuik, stoeke, L. F. eenige schoven piramidaal aan elkander opgezet, van Kil. stuiken, verheffen. Geld. opstoeken, boekweit-garwen tegen elkander opzetten. Overijs. garsten [voor garwe-sten], id. Bij de Schotten is to stoich, ophopen, overladen, freq. to stoicher. She ’s a stoichert quean, de vrouw zit in een dik pak kleren. He ’s stoichert up like a Dutchman, [overloaded with clothes.] Hij zit zoo dik in het pak als een Hollander.
stunteren, stunteren, sloven. [stoot-e-ren] Hee hef der wat mee te stunteren, hij heeft er wat mede over te brengen. I mot der moar zo mee hen stunteren, gij moet er zoo maar wat mede heen sukkelen.
suf, [slaperig, dom iemand], suf, die maalt, mijmert, en menschenschuw is. Eene zielskwaal die het verstand aandoet. A. S. sefa, ziel, denkend deel [be-zef]; scofan, zuchten, klagen. Sc. souft [souf-it] uitgeput, anhelus. Soukit, id. f = ch = k.
taat, mem en taat, Oud-Dev. vader en moeder.
tap, tappen, ijspegels aan den neus der paarden bij harde vorst. Kil. tap, een spits, kraan in een vat enz. tip.
telg, telge, een eiken boompje. Contr. voor telege, van telen. A. S. tilian, tiligan, kweeken. tiligea, landbouwer.
teppen, [plukken], teppen, Gr. appels, karsen teppen, plukken. Van Hd. tappen, tasten, voelen. [Sc. teppit, feeling] is Hd. ertappen. Zw. ertappa, grijpen, vermeesteren [attraper.] Sc. tap-swarm, de bijenfamilie die uitzwermt; eig. de zich afwerpende of afscheidende zwerm. Alles van tap, punt, [met een punt be-raken] hetzelfde als top. Eng. topsy-turvy, onderste boven; [de top naar beneden geworpen. A. S. torsian, werpen, slingeren.] Sc. tapsie-teerie, id. [de top omgekeerd, van L. F. tere, keeren, vouwen, over eenen kant hangen als een zwaar zeilend schip.] Top, [prop, punt] tol, van waar toppen, tollen, omdraaijen, hetwelk bij de Schotten voorkomt in de beteekenis van omzetten, d. i. uitventen. Sc. to top; bying and topping of wax, koopen en verkoopen van was. Dus πωλεω, vendo, van πολεω, verto, circumago.
teuten, teuten, oprukken. Wat teutet dat an! wat loopt dat al meer en meer aan! Als er van de dorpen naar de markt of de kerk al meer en meer volk achter elkander begint op te loopen. Eig. aanstormen. A. S. thutan, onstuimig zijn. Isl. thot, overhaaasting.
tibbe, tibbe, scheldnaam der doopsgezinden. Eig. een wederdooper. Johan Picardt, zich noemende Godgeleerde, eerste predikant van Coeverden en Doctor in de medicijnen, laat zich bl. 219 zijner Cronijck der Landschap Drenthe in dezer voege hooren. “Te deser tijdt worp sich eenen luijzigen snyder op tot coninck van Munster genaemt Jan van Leyden, die sich eenen grooten aenhanck maeckte van eenen hoop uytsinnige wederdopers of Tibben, die met de lijmstange liepen, en vergaderden t’ zamen in dese landen, van voornemen om een nieuw Zion, en een nieuw coninkrijck der gerechtigheydt binnen Munster te fonderen; doch het viel anders uyt, alsoo desen boeckweyten coninck, met t’ samen zijne broodt-eetende propheten met gloeijende tangen verscheurt en in ijsere korven, aen S. Lamberts tooren, naer den hemel verheven wierden.” Het woord Tibbe is in Vriesland onbekend, maar gangbaar in Overijsel, Groningen, enz. en alzoo platduitsch. Tibbe, en Tibbeke, Tipp-ke beteekent te Bremen een neuswijs wijf, van Tibbe, een eigennaam daar nog in gebruik en bij de L. F. Tsjibbe, en Tsjipke; en die waarschijnlijk in één viel met een oud woord, eigenwijs en onverzettelijk beteekenende, en alzoo verwant met het Isl. thybbin, hardnekkig; zeker om de neuswijsheid van snijders en kramers, die niets op de wereld goedkeurden dan hunne eigene dweeperijen, waarvoor koningen en bisschoppen, als orakels van God, het hoofd moesten buigen. Die de sermoenen van Broer Cornelis gelezen hebben, weten hoe zijn Eerwaarde de vrouwen der protestanten in het algemeen aan de kaak stelt wegens haar neuswijs beslissen over de diepste onderwerpen der Godgeleerdheid, en dat het dus geheel in den geest van partij was om de Wederdoopers neuswijze oude wijven te noemen. Bij de Schottten is Tibbe eene verbastering van Isabel.
tieren, tieren, aanstellen, gedragen. I tiert oe neet goed met dat dink, de wijze, waarop gij met dat ding omgaat, is verkeerd.
tijden, tiën, contr. voor tiden, trekken, betrekken in regten. Doar za ’k is hen tiën, daar wil ik eens heen gaan.
tijk, tiik, beddetijk. Van ti-en, trekken. Overtreksel.
timp, timpen, (mannelijk), kapje van het brood, hoek van een stuk land. Intimpe, inspringende hoek van een stuk land. Timpke, stukje brood. Pl. d. timpe, alles wat spits uitloopt, het hoofd, enz. L. F. timpe brea, een frisch stuk brood. Van tip, een spits.
tobben, tobben, naar snoeken visschen met een haak, waar een vorentje tot aas aan gestoken is. Hengelen is vrij; voor tobben neemt men acte. Eig. tokkelen, dat het te Hamburg beteekent, voor toppen, bij den top, d. i. bij den punt, de hairlok, of den dobber aanhalen. Van hier zich aftobben, eig. aftrekken, voor afmatten.
tocht, [tijk, overtrek], tocht, tijk. Eig. overtreksel, van togen, trekken.
tod, todden, oude vodden. Isl. tötr, versleten goed, vodde. Eig. wat afgesleept is.
todden, todden, Hanover, id. slepen, getod, getoog, gesleep. Dee meid hadde ’em van alles uut ’t huus ’etod. Doar kump de hond der mee antodden. Todde-vos, die van alles en dikwerf wegsleept, te zoek maakt. De Schotten per ellypsin tod, de vos [de wegsleper.] Todde-vis, gemeene visch. Toddig, voddig, gemeen. A. S. tode, [sleep] pad. Eng. toad. A. S. tuddur, kroost, [dat getogen is.]
toddeworm, [insect], todde-worm, de wolf in het koorn. Eig. vodde-worm, omdat hij het koorn als lappen en slieren aan elkander hecht. Van daar het pl. d. ry-worm, [die het graan aan elkander rijgt.] Isl. toddi, een geheel brok van iets.
toemoeden, tomoden, vergen. Dat mut y miin neet tomoden, dat moet gij mij niet vergen. Pl. d. to-moden en an-moden, id. Eig. toedenken, i. e. opleggen. Pl. d. mood, schuim op ingeschonken bier. Goth. môds, toorn, [opbruising.] De grondbeteekenis is dus windbruising, blazing, en van hier moed, hartigheid, courage [coeur-age]: ge-moed, voor ziel, als animus van ἀνεμος, en geest, adem, ziel, van Isl. at giósta, koud waaijen, enz. Pl. d. moden, denken, vermoeden.
tokken, [dralen], tukken, [trekken] freq. tukkeren, talmen, dralen. Pl. d. tukken. Eng. tug, trekken, slepen. Dus eig. rekken.
tomig, [werkeloos], teumig, werkeloos. Isl. tômr, id.
tommel, [kapje van een brood], tummelken, kapje van het brood. Pl. d. timpe, id. [tumpe, dim. tumpel, tumpelken, per assimil. tummelken.] Timp is voor tip, top, tap.
tors, [graszode], tossen, kleine vierkante graszoodjes, die de boeren op kleine afstanden langs den dijk laten vallen waar de schouwing over gaat. Eig. is tos iets, dat men hier en daar nederwerpt. Eng. to toss, van zich werpen. Pl. d. teuzen, [het hooi van den wagen b. v.] hier en daar strooijen, vallen laten.
traan, treuntje, [traantje] glaasje wijn. Roman van Walewein. 20. 3. Wilso ten borne hare handen dwaen / Of nutten van den borne een traen.
trantvoeten, [trippelen], trantvoeten, trippelen als een driftig paard. Kil. trant, schrede. L. F. trantke, dans. Drentelen is eene verbastering van trantelen. Ik treed, Imperf. Ik trad, [trand.]
trekken, trekken, als een boom in de hoogte schieten.
treuten, [toeteren, blazen], treuten, toeten, blazen. Treutert, blaashoorn. Getreut, getoet. Zie memme-trutte.
treze, [trek naar iets], treze, trek naar iets. Trezen, trekken, van waar tris, trens; Limb. H. S. 84. 3. trasen, [traces] wegen, viae. trees, [doorhaal] zeef enz.
trip, trippen, meideklompen met houten zolen en overleer over de tonen. I proat as en trippe doar ’t lêr af is, gij spreekt als een’ zottin. Zie Kil. Het beteekent ook eene jufvrouw klosklos, heks, grimmig wijf. Gierege trippe, gierige heks.
troebel, troebel, betrokken. De lucht wordt troebel, er komt onweder aan den hemel.
tuien, tugen, tuën, trekken. Dat ka’ ’k neet tugen, bij die ruiling of koop zou ik te kort komen. L. F. tsjoege, id. Eig. dat kan ik niet trekken of halen als het op de weegschaal komt. Men zegt te Ensch. ook verziizen, zoo veel als het pl. d. verzisen, eig. iets veraccijnsen, er den impost van betalen. Van tugen is pl. d. be-tugen, betrekken [L. F. verschalken] d. i. bedrijven. Van daar betjoegd, bedreven, doortrapt. B. N. L. betügen, [in allerhand, sonderlick losen und bösen, händeln sich geschäftig erweisen.] L. F. betoewd. Eng. to tow, pl. d. tugen, trekken.
tuier, tuur, De beesten mut op ’t tuur, de beesten moeten getuierd worden.
tuieren, turen, het vee in de weide aan een paal binden. A. S. tian, binden. Waarom de pl. d. te regt [freq. ti-e-ren] tiren. Isl. tiódr, tuijer. L. F. tsjóar.
tuieren, tuyeren, hetzelfde als stateren. Achteloos strooijen, storten, slordig zijn. Tuyer-breur, die zijne zaken in de war stuurt door slordigheid of den drank. Contr. voor tuderen, van tuden, gelijk aan toden, knoopen, verwarren. Pl. d. tudern, tidern, türen, id. Hanover, toddern. Kil. verwisselt ook todderen en tuyeren.
tuierhamer, tuurhoamer, zware houten hamer, slei, met welken men den paal in den grond slaat, waar het beest aan getuierd wordt. Visschers Minnepoppen. 7de Schok. 27ste kwik. Sy, die my op den tuy heeft gehouen, / Heeft my getoond haer barmhertigheyt. Zij die mij aan het lijntje heeft gehouden door mijne hoop te voeden en niets te schenken. L. F. op ʼe tocht en op tok, id. van togen, trekken, als het andere van tuden, tiden. A. S. tion, trekken, binden. De d is er overal in, pl. d. tider, tier; Kil. tudder. Eng. tedder, tether. Isl. tiddr, tuier; maar L. F. tsjoar. Holl. sjorren, vastbinden.
tuig, tuug, kleederen. Eig. aantreksel, indumentum, van tugen, trekken = ducere.
tuimeldistel, [soort distel], tommeldistel, de platte distel met eene menigte zijspranken, die afgemaaid door den wind over het land tuimelt: in onderscheiding van de zaad-distels, die op één enkelen hoogen stengel groeijen.
tuin, tuun, (mannelijk), heining. De Hollandsche tuin, op de munten. A. S. tynan, insluiten. Isl. tûn, stad [ingeslotene plaats.] Eng. town.
tuisen, toeschen, kwanselen. Fr. troquer. Hd. tauschen, ruilen en bedriegen. Eig. uit het hoorntje spelen, d. i. dobbelen. Van tote [Hd. taute?] of tuyte, hoorntje, is [tuiten] freq. Kil. tuytelen, verwisseld met tuyschen, uit den koker spelen, dobbelen, kwanselen, ruilen. Van daar is tauschen bij de Hd. ook bedriegen.
tuit, tute, Gr. sukkel, bloed, b. n. tuterig, tutig, halzig, onnoozel. Eig. tepel. L. F. memme-tutte, sukkel. Kil. tuyte, tepel.
tuit, tuten, hoenders, [kippen.] Pl. d. tüte. Hd. sand-schneppe. Trynga Glareola. Waterhoen met lange beenen daar het vaardig mede voort kan. Eig. korreltje-pikker. Van Zw. tut, snavel, is het Isl. at tutía, met de neb pikken.
tuit, tuten, (mannelijk), tip van een servet.
tuk, tuk, Tw. Een vest- of broekzak, of in de onderkleederen. A. S. tuccan, dragen.
tukker, tukker, grasmusch, kneu.
tuks, [met de voeten naast elkaar], tuksche, Swolle, de voeten aan elkander gesloten om verst springen. L. F. trobbelje, id. Isl. at tuska, uit spel met elkander wat worstelen.
tuntelen, tuntelen, sammelen, talmen. Isl. tômr, ledig, lui. Sc. tume, id. Zw. tom, langzaam. [tumen, tumten, tumtelen.] Zie tunteln. B. N. L.
turf, turf, Ensch. afgestokene lange turf in tegenoverstelling van gebaggerde turf [kluun], en dit zeer te regt; want turf is zode. Zie ’t Eng. turf.
tweedonker, [schemering], tweedonker, avondschemering. Ook tweelichten. Eng. twi-light A. S. tweone-leocht. Fr. entre le chien et loup.
twijg, [tak], toog, mv. teuge takken van boomen. Eig. uithalen, van togen, trekken.
twijg, twiig, het wilgensoort om manden van te maken.
uier, gier, (onzijdig), jadder der koeijen.
uier, oeren, Tw. uijers.
uitvensteren, uutvensteren, een pak kijven geven, den mantel uitstoffen. Eig. afjagt en een blaauwe scheen geven. Bij het Vriesche en Saxische ras is het nacht-gevrij nationaal. Door de tusschenkomst van gedienstige vriendinnen wierd het meisje van de komst des minnaars vooraf verwittigd, die in het holste der nacht aan de vensters van haar slaapvertrek kwam, smeekende om binnengelaten te worden. Was hij aangenaam, de intrede was in en door het venster tot de minnares; was hij niet aangenaam, dan stak zij het hoofd ten venster uit zeggende: Gaat wiider; ik vermag ju nig, en daarmede was de ongelukkige uitgevensterd. Pl. d. utfinstern, id. Deze gewoonte is nog niet uitgestorven op het eiland Fehmarn aan de kusten van Wagerland in de Oostzee. Uit een woord, dat Jamieson in zijn Supplement heeft, merk ik, dat men dit nachtbedrijf ook onder de colonisten der Vriezen in Schotland gekend heeft. To sprog vertaalt hij “to court or to make love under the cover of night,” onder begunstiging der nacht met een meisje vrijen, en dit sprog beteekent eigenlijk vensteren. Isl. sprôgr, fenestra.
ulk, uulk, ultik, bunzel. Kil. ulck, ullick. Miin uulk, mijn schelmpje! tegen kinderen. L. F. uws uwlken, onze hartediefjes; van meisjes gesproken met welke men kermis houdt. Isl. ull, wol, vacht. Pl. d. een rugen ulk, wien de hairen woest om het hoofd hangen. Een lütjes ulk, kleine schalk van een meisje. Zie hêrmken.
unen, eunen, [ergens na] Tw. haken, reikhalzen. A. S. onda, naarijver.
vaart, voart, een rijweg die dwars door een beek loopt; onderscheiden van vaart, kanaal. Van hier de namen der landhoeven in den omstrek dier doorreden gelegen; b. v. het Aver-voorde, het Kruus-voorde, enz. onzijdig omdat er huis onder verstaan wordt. Van hier reeds het furtum der ouden in Franco-furtum, [der Franken doortrek over de Main], Frankfort. Van amere [emmer] amese, [thans Eem] en voart, Ameres-voart, de weg over de Eem, nu Amersfoort.
varen, voaren, rijden, en varen. Riin, [ri-en] is te paard rijden, van waar ridder, man te paard, cavalier. Gevoar, het rijden in het rijtuig. Met gevoar, per as. Voartuug, rijtuig en vaartuig. Voar, een wagenvracht.
vast, veste, vast, d. i. middelerwijl, zonder mij op te houden. Zoo als de Holl. ik zal vast voortgaan met eten.
veek, fêke, vêke, een gevlochten heg van boomtakken. pl. d. veken, feek, de rand van aangespoeld stroo enz. bij hoog water. Pl. valveken, en veken, une closture de praierie.
veld, veld, heide. Voluit A. S. feld-land, vlakte, plat-land.
veranderzaten, [vervreemden; hertrouwen; veranderen], verandersaten, [hem verandersaten], een tweede huwelijk aangaan. Overijs. Landr. 2de d. tit. 1. § 9. Ell. voor sich ehelichen veraenderen zoo als Scherzius op veraenderen heeft.
verbouwen, [kweken], verbouwen, vruchten kweeken, vrucht van boomen of tuingronden trekken. Heb I vulle kersen verbouwd, hebt gij veel kersen geöogst. Dat is en good verbouw, zegt men van alles wat geteeld wordt, tot kinderen toe.
verbroed, [door broeden bedorven], verbrod, door broeijen bedorven als een ei. Van hier het Holl. verbrod, door onhandigheid verknoeid.
verbrouwen, [bij het brouwen verbruiken; vermorsen], verbrouwen, vermorsen, door elkander haspelen. Zee verbrouwt dat met eʼnoar, zij verwarren het één met het ander. Kil. Bruwe, mengsel, saus, brij. Holl. ver-bruijen. Wat hebt gij het verbruid! bedorven.
verduwen, [weigeren], verdeyen, vertikken, met zelfverwensching afslaan, weigeren te doen. Zie deyen. Isl. at dya, bewegen, schudden, terugstooten.
verkoudheid, [ontsteking van de slijmvliezen], verkelt, verkolden, (zelfstandig naamwoord), Verkeltheid.
verlies, [het verliezen], verlos, verlies. Ik verlies, ik verloor of verloos. Eng. loss.
vermoeden, vermoed-braken, vermoeden.
verneemstig, vernemstig, vlug van bevatting, schrander, vindingrijk. Z. n. Vernemstigheid.
vernooi, vernooi andoon, verdriet aandoen. Kil. noyen, ver-noyen, [noden] schenden, overlast doen. Goth. nauthjan, id. Voc. 1472. periculum, vernoy.
vertijden, vertyen van eene arfenisse, eene nalatenschap weigeren te aanvaarden. Eig. vertrekken, zich onttrekken. Kil. vertijden, abnegare.
vervlimd, vervlimt, jammer. Dat is vervlimt, dat is spijtig. Isl. flimt, laster.
verwalter, [zaakbezorger], verwalter, zaakbezorger in plaats van een ander. Zich loaten verwalteren, zijne plaats door een ander laten bezetten. Verwalter-richter, Tw. onderschout door den schout of rigter zelven benoemd. Verwalter-rentmeister enz.
verwierd, [ordeloos], verwierd, Et sut er verwierd uut, alles ligt er overhoop. En verwierd mensche, ordeloos, en haspelig, of ongedaan en slordig mensch. Ook die afgetrokken is.
vettik, [veldsla], vetteke, veldsalade, vettekost. Valeriana campestris.
veulen, vul, (onzijdig), veulen.
vinnig, finnig, Hoe is ’t met den kranke? et is nog neet finnig, niet heel best. Ellypsis voor finnig good.
viool, fitele, (vrouwelijk), viool.
vlak, flo, ondiep. Doar ist flo, daar kan men ’t begronden. Wat vis y flo, Wat hengelt gij met kort zink. Wat vis y blok, id. N. F. blok, laag.
vlecht, vlechte, vischmandje. Dit woord was in 1590 reeds te Antwerpen verouderd. Zie Kil. En vlechte bot, een zode bot.
vlies, vluus, Wit vluus, kleine guit! tegen een kind. vluus is vacht, en wit vluus blanke vacht, overgesteld tegen een oud zwart vel, oud wijf.
vlotten, vlatten, vlotten, drijven: maar vleu-ten, doen over- of doorvloeijen, zoo als het water door de weilanden.
voer, foer, (onzijdig), In ’t foer wêzen, in de kost leggen.
vogel, veugelke, vogeltje. Lievenheers-veugelken; lievenheers-wurmken, een klein vliegend insect, met dubbelde wieken, waarvan de bovenste schildpadvormig, hard, glad, schitterend rood of oker-rood, somtijds bespikkeld met witte stippeltjes. Het is de lieveling der kinderen en wordt te Amsterdam genoemd lievenheers-haantje, en in Vriesland ingelke. De overeenstemming in de benaming duidt aan waar men dit fraai insectje eertijds voor gehouden heeft, en hiervan is nog overgebleven, dat men het voor een teeken van geluk houdt, wanneer het beestje zich op iemands kleederen nederzet.
vrang, wrangen, loopgraven der konijnen. Één met wrongen, van wringen, kronkelen.
vriezen, vriezen, rillen van koude. Ik vries, ik bibber; ik vroor, ik bibberde.
vuil, voel, (onzijdig), nageboorte der koe.
vuil, voel, foel, slim, doortrapt. L. F. fuwl, tuk op winst. It byt fuwl, het vreet geweldig in, b. v. vitriool. De betrekking tusschen vuil en doortrapt is dezelfde als in snood, leep, enz. Zie leep.
vuiligheid, [wat vuil is; kwade opzet], voeligheid, kwade moedwil. Uut voeligheid, gedaan met een boos opzet.
waar, waraai, waarlijk zoo.
waardhout, [hout dat op de waarden groeit], weerd-holt, Twiig-weerd, een laag en waterachtig stuk gronds, waar mandemakers teenen groeijen. Weerd, [O. S. werder] een eiland of hoogte in een rivier, zoo als in Keizers-weert. Bommeler-weert, enz. Eig. rand die zich om het water heen slingert, van weren [warren, warrelen] omringen, draaijen. A. S. wéarth, strand. Voor twiigweerd, per ellypsin, weerd; en weerdholt is het hout, dat daar groeit, en dus één met twiig. De twiig rijp en gesneden zijnde slaan de kinderen met het hecht van een mesje op één der groene rijsjes, tot dat de bast loslaat, dien zij er dan heel aftrekken en als een pijp gebruiken om op te fluiten of er erwten door te blazen. Zoo lang het kind met zijn mesje op den bast tikte plag het oudtijds de volgende regelen te zingen, Lange, lange pipe, / Wenneer bistou ripe? / Te Meye, te Meye, / As de veugeltjes eyer lekt. / ʼt Ketjen op den dyk zat, / Sute melk met brokken at. / Doe kwam de voele Hesse / Al met de scharpe messe; / Woldʼ et ketjen et oor afsniën; / It ketjen ging an ʼt lopen. / To hope, to hope! / De foele Hesse ging lopen. / Heel of, half of, / Houwe diin den kop af, / So dood as en piere: / Kump siin lêven dage neet weer hiere. In het voorjaar [Mei] van 1498 heeft de afgedankte garde van Albert van Saxen, de zwarte hoop genaamd, Deventer aangevallen, doch afgeweerd en verslagen zijn er over de honderd van onthoofd en buiten de stad op raden gezet. Zie Camper-Kronyk op Maart 1498.
wachtel, wachel, kwartel.
walm, swalm, qualm, walm. Ook met de k, k-walm. Isl. svaela, rooken.
wam, wammen, de stukken vleesch, die bij de onderribben van een koe zitten. In alle Germaansche talen wamb, lijf: eig. lijfstukken.
wasdoek, wasseldoek, een vagedoek op tafel.
wat, wat, sommigen.
wateren, gewetert kalf, met melk gemest kalf.
wauwel, [praatziek persoon], waal, [wa-wel] labbei, klappeister.
week, wéke, mannetjes eend. Kil. weeck.[k-wéken, k-waken.] Geld. buunder. Eig. zwemmer. Zw. bonde, schepen van mandewerk met leêr overtrokken. Isid. Carabus. Isl. at buna, wellen, nederstorten als water.
weem, weme, de woning van den kerkleeraar, pastorij. Oudtijds alle kerkelijke goederen. Osnabrug, weme, wedum. Eig. bekleeding. in den zin van met regt en magt bekleeden, en dus overdragt van bezitting, inzonderheid aan de kerk; van widan, binden, zamenknoopen, wede, gewaad; widen, kleeden; bewedemen, de kerk met de bezitting bekleeden. B. N. L. Van daar wedeme kerkelijke gronden; contr. weme. In de middeleeuwen heeft men dit woordelijk vertaald door vestire en investiture ecclasiae. Men vindt bij Kiliaan en overal iets over dit woord, maar nergens de goede afleiding.
weerteken, [teken van een verandering in het weer], wêrteiken, stuk van een regenboog op den gezigteinder.
weesboom, wezeboom, een lange houten paal om het hooi op den wagen van boven neder te drukken en zoo vast te binden. Voor wede-boom, bind-boom. Scherz. wide, touw van taai twijg. Scher. witzener, beul, lictor. Men hing de dieven voormaals aan stroppen van taaije basten, rijsjes, waarvan nog hange-bast, galgen-aas. Weten is zamenknoopen, en wis vastgebonden.
wegbeun, [deel van de weg tussen de wagensporen], wegbeune, Tw. het midden van een wagenspoor, waar het paard loopt. Hooger zijnde dan de rest heet het beune [Hd. buhne] verhevenheid.
wegge, weggen, mikkebrood, hetzelfde als stoete.
weidegraaf, [opzichter over een weide], weidegreven, opzigters eener algemeene weide. Van graaf, greve, gelijk pluimgraaf, opzigter over de vogels.
weiger, [gevoelig; onwillig], weiger, zwakkelijk, teeder. Weiger jungsken, zwak jongetje. Weigere pipe, broze pijp. Eig. bewegelijk, gevoelig, teeder. N. S. weigen, bewegen. Cod. Arg. Luc. VII, 24. raus fram winda waged, een riet van den wind bewogen. Tatianus IV. 2. [Matt. IX. 36.] giweigite, uitgeput en krachteloos. Gl. Florent. wichit, prurit.
weigierig, [met de neiging gras voort te brengen], weigierige grond, een grond die neigt om bij voorkeur gras voort te brengen.
wel, waal, wel. Eig. uitgelezen best, van walen, uitkiezen.
welen, wêlen, Tw. spoken, visioenen. Isl. at vœla, misleiden. Vœli, misleidster, bezweerster, tooverkol.
welk, wel, wee, wat, quis, quae, quod.
welter, welter, welterken, langwerpig-vierkante klomp boter. Voluit en welter botter. Eig. een gerolde klont [Sc. whulter, een groote klomp.] Tw. welteren, wentelen, rollen. Welteren [zich] zich op den rug wentelen als een paard in de weide.
wende, wende, Van ende tot wende [van het einde tot de omkeering] van het eene einde tot het ander.
wetering, weteringe, beek die het landwater afbrengt op de rivier.
wieme, wimme, pl. d. wiem, latwerk in den schoorsteen of tegen den zolder aan om vleesch op te droogen of te rooken. Eig. een ophangplaats, en dus oudtijds ook de galg. Scherz. wide, koord van taai twijg, strop. Vocab. Gemma 1497. “Viburnum est minuta virga qua vitis ligatur een wedeke.” Scherz. Bey der wide, op poene van den strop. Wideme toestel om aan op te hangen. Contr. wymen, galg. Pl. d. enen sien recht doon und hangen en an des koninges wymen, iemand zijn verdiende loon geven en hangen hem op aan des konings galg. Aan de wimme hangt men vleesch en worsten als dieven aan de galg. Kil. wieme, rookplaats voor vleesch. Dit is één der duizend voorbeelden hoe de taal van één punt uitgaande langs verschillende wegen op de tegenstrijdigste uitersten uitkomt. Wie zoude oppervlakkig gelooven dat de galg, een domenijshuis, en de hanglatten van het rookvleesch in het zelfde woord wedeme zouden zamenkomen? Ondertusschen is niets natuurlijker noch zekerder. Maar nog godloozer! De oude Vriezen noemen het latwerk tegen den keukens-zolder aan, waar zij hunne worsten aan hangen, de deise, en dat hebben de Franschen in hun dais tot het gehemelte van den koninklijken troon gepromoveerd!
wierig, wierig, lustig, tierig, levendig. Kil. wieren, in ʼt rond draaijen.
wigbold, wigbold, kerspel. N. S. wicbilethe, stadsgrond buiten de muren, stads geregtigheid buiten de poorten. Het woord beteekent eenvoudig wijk, en bild is er aangehangen als in weibs-bild, hetwelk niets meer dan vrouw beteekent. Evenwel bolde, [indien het niet eene verbastering van bilde is] beteekent A. S. gebouw, verblijf. Dus een wijk-verblijf.
Wijhe, [plaatsnaam], Wihe, Wijhe, Wye, Naam van een dorp aan den IJsel. Oud Sax. wiha, heiligdom, kerk. A. S. wih-gyld, afgod. Eig. dus kerk-dorp.
wijzemoer, wiize-moor, vroedvrouw. Ten blijke dat de Franken hetzelfde woord hadden, toen zij Gallien veroverden, kan dienen dat zij het woordelijk vertaald hebben femina saga, verbasterd in femme sage.
wikken, wikken, eig. voorspellen. Dat wiʼk oe wikken! dat dreig ik u!
wil, wille, vermaak, lust, behagen. Ook L. F.
witteris, [spoedig], witteris, spoedig. Pl. d. wits, id. Fr. vite.
woel, weule, mol. Bij uitlating van aarde, eig. aardwoeler. De Hollanders werpen woeler weg en zeggen alleen aarde, molde, contr. mol. Maar de Vriezen, Engelschen en Duitschers voluit; L. F. mol-wrot, aardwroeter. Eng. mouldwarp, aard-opwerper. Hd. maulwurff, id.
wolk, wolke, Ensch. golf in het water. Hetzelfde als Kil. bolghe. Een bolkenvanger, zeemansjas, heet te Bremen wulken-fänger.
wrachten, vrochten, omheinen, en het land alzoo beschutten tegen het vee. O. Hd. frehte, en pfrechten, sepimentum. Zie Haltaus en Scherzius. A. S. freah, vrij, d. i. omheind, beschut. Isl. frîdr, veilig, tam.
wurster, wurster, Gel. boender. Het is één met burster, [W = b] borstel, van worren en borren, worrelen en borrelen, draaijende op bruisen, gelijk van Isl. at brûsa opbruisen is Isl. brûskr, dik bosch hair. Eng. brush, borstel, penseel. Fr. brosse.
zam, sam, smijdig, lenig, b. v. leder. Hd. sanft. Smeu en sam, sappig en malsch.
zauwelen, saauwelen, Gel. kieskauwen. Eig. op iets omlekken zonder er in te bijten; sabbelen. Kil. verwisselt sabbe met sauwe, [be-labberde] slordige vrouw.
zeeg, sege, geit.
zeugdistel, [plant], zeug-distel, hondsbloem. Taraxicum. Eig. zwijne-distel. L. F. barge-blommen, [varkens-bloemen.]
zicht, zichte, (vrouwelijk), sikkel.
zij, hee, zij, vooral als er sprake is van een klein meisje. Hee spult, zij speelt. Dit is het oude pron. personale. A. S. hio, zij.
zin, zinne, Met zinne, bedaard en bedachtzaam.
zinnig, [zijn verstand hebbend; betekenis hebbend; mak], zinnig, mak, tam. De tute is zinnig, de hen is tam, laat zich vatten enz.
Zipelt, [naam van een beekje], zipelt, een beekje bij Harderwijk. Van emen, gieten, lekken, sijpen heeft men de riviernamen Eem, Eems, Lek, Sijpe, en zoo krijgt men van het freq. sipelen ook sipelt.
zo, zo, Van zo, van zelven.
zoel, zoel, drukkend warm, als tegen den donder. A.S. swælan, branden. Pl. d. swool, id. als dit zoel.
zoel, zoel, vuil en ziekelijk van kleur. A. S. sylian. Teut. soelen, bevlecken. freq. soede-len. besoedelen. Fr. souiller. O. F. soldêde, vuile daad. Hunsingoër Landrecht, bl. 23. thet is en soldêd, wersama mon alsa fir anfiucht, tket him sîn spîse eta tuam enden utgunge. Soel en foel of vuil is eigenlijk het zelfde woord met verschil alleen der voorgezette aanblazing fe of se, en het thema is oel of uil, zoo als in het O. F. Asegabôk. 15. um-be-wlen, onbevlekt. Dus hebben de Latijnen ficus voor συκος, en de L. F. fykje, snijden, voor het Lat. secare, sica, sicarii.
zoor, zoar, dor, uitgedroogd. L. F. soar, id.
zulle, sulle, (vrouwelijk), de deursdrempel, elke optrap die van het eene vertrek in het andere leidt. Cod. Arg. suljan, grondvesten. A. S. syl, grondvest. Sul is iemand die met kousen en schoenen over zich heen laat gaan. Vergelijk B. N. .L. op sull.
zwad, swat, regel afgemaaid gras. L. F. swé. Eig. een’ snede hooi. Kil. swade, zeissen. Isl. svedia, door het zwaard ontblooten. A. S. swathe, snijding, lidteeken, spoor. Eng. swathe, regel afgemaaid gras. Na de maaijing volgt de etgarde, nieuwgras waarin de beesten grazen; de beesten laten bundels van grashalmen [L. F. bosken.] staan, die men bost, d. i. afmaait.
zwak, swak, buigzaam, lenig als een rijsje.
zwalp, [zinkput], swalp, zinkput. [zwelg?] Kil. swalp, golf, golving.
zwijd, swie, zeer. Swie nat, zeer nat. Swie vulle, zeer veel. L. F. swiid. A. S. swythe, id.
zwil, swil, hetzelfde als kidde. Ell. voor swil-hope. Kil. sweelen, L. F. swylje, de regels gras links en regts slaan. Sc. to sweel, als een waschvrouw het linnen in het water links en regts slaan, in het rond draaijen, enz. Van welen, walen, heen en weder zweven, draaijen, van waar weel, vortex, bij Kil. L. F. wiel, id. Swil, wat bijéén geharkt is.
zwil, swil, (onzijdig), swoord van het spek. Kil. swil, een gezwel, en eelt.
zwoek, swoek, taaije tak. Pl. d. zwukse. Isl. svigna, buigen, krommen. Svigi, twijg. Eng. switch, id. Pl. d. zwuksen, drillen als een’ losgesprongene veerkrachtige roede.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal