elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie

aai, [strelende aanraking], aaie, (zelfstandig naamwoord), liefkozing.
aalscholver, aalskolver, (zelfstandig naamwoord), aalscholver.
aalt, aalte, (zelfstandig naamwoord), aalt, mestvocht, gier.
aalten, [mest verspreiden], aalten, (werkwoord), aalten, e-aalt, het verspreiden van vloeibare mest. De boer was ant aalten.
aaltput, [put waarin mest wordt bewaard], aalteputte, (zelfstandig naamwoord), gierput. Uitdr.: IJ stinkt as een aalteputte ‘hij stinkt verschrikkelijk’.
aamborstig, ambörstig, zie körtaosemig.
aan, an, (voorzetsel, bijwoord), aan. De klokke angt skief an de mure; An de belle trekken; Loop is wat an ‘loop eens wat vlugger’; Uitdr.: Döör is niks van an ‘daar is niets van waar’; Ie bint mi’j an ‘je hebt me ingehaald’.
aanbakken, anbakken, (werkwoord), 1. aanbakken, licht bakken; 2. aanbraden. Zie ook: anbraoden; 3. aanbranden. Zie ook: anbrannen; 4. sterk aanvriezen.
aanbelanden, [ergens aankomen], anbelanden, (werkwoord), belanden an, anbeland, ergens terechtkomen. IJ is ärgens anbeland.
aanbeteren, [beter worden], anbèteren, (werkwoord), bèteren an, an-ebèterd, (wat) beter worden. IJ is weer wat an-ebèterd.
aanblazen, anblaozen, (werkwoord), aanblazen. Ie mutt vuur nog wat anblaozen.
aanblijven, [een ambt blijven bekleden], anblieven, (werkwoord), aanblijven.
aanboksen, [opschieten], anboksen, (werkwoord), boksen an, an-ebokst, opschieten.
aanbossen, [vermeerderen; bij elkaar binden], anbossen, (werkwoord), bossen an, an-ebost, 1. vermeerderen, aanwassen. Dät bost mooi an; 2. bij elkaar binden van garven.
aanbraden, [licht braden], anbraoden, anbraojen, (werkwoord), aanbraden. Zie ook: anbakken.
aanbranden, anbrannen, (werkwoord), aanbranden. De eerpels bint an-ebrand; Uitdr.: Die man is rap an-ebrand ‘die man is gauw kwaad’. Zie ook: anbakken.
aanbreken, anbrèken, (werkwoord), aanbreken.
aanbrengen, anbrengen, (werkwoord), 1. aanbrengen. Zie ebben die kerel an-ebrach; 2. aangeven. IJ ef de kleine bi’jt gemeente-uus an-ebrach.
aandacht, andacht, (zelfstandig naamwoord), aandacht. E-j wel een bettien andach e-ad ‘hebben ze wel naar jou geluisterd?’
aandoen, andoen, 1. (iemand iets) aandoen. IJ dut emzelf nog is wat an ‘hij doet zichzelf nog eens wat aan’; Die naerigeid ku-j mi’j niet andoen; 2. aanzetten. Wi-j de radio effen andoen?; 3. aantrekken. Ie mut oew goeie goed andoen ´je moet je mooie kleren aantrekken’; 4. bezoeken. Aj es in Zwolle komt, mu-jt museum ook effen andoen.
aandraaien, [zo ver mogelijk draaien], andreien, (werkwoord), aandraaien.
aandrijten, [langzaam lopen], andrieten, (werkwoord), aansloffen, langzaam lopen. Döör kwamp e andrieten.
aandrijven, [aansporen], andrieven, (werkwoord), aandrijven.
aandrijver, [iem. die aanspoort], andriever, (zelfstandig naamwoord), aandrijver.
aanduiden, anduden, andujen, (werkwoord), aanduiden, aanwijzen.
aandurven, [durven ondernemen], andörven, (werkwoord), aandurven.
aangaan, [gaan in de richting van, bezoeken; tekeergaan], angaon, (werkwoord), 1. te keer gaan; 2. bezoeken. Döör za-k eerdaegs bi’j angaon; 3. beginnen. De skoele is nog niet an-egaon.
aangapen, [verwonderd aankijken], angapen, (werkwoord), gapen an, an-egaapt, aangapen.
aangebrandje, [wat vastzit aan de bodem van de pan], an-ebräntien, (zelfstandig naamwoord), aardappelkorstje aan de bodem van de pan.
aangebreid, [door breien toegevoegd of verenigd], angebreid, (bijvoeglijk naamwoord), aangebreid. In die trui zitten angebreide mouwen ‘aangebreide mouwen’.
aangedaan, angedaon, (bijvoeglijk naamwoord), 1. ontroerd. Een angedaon gezichte; Een angedaon gevuul; 2. aangetast. Angedaone longen.
aangeschoten, angesköten, (bijvoeglijk naamwoord), 1. aangeschoten, een beetje dronken. Een angesköten cafébezuker; 2. door een projectiel geraakt. Een angesköten ente.
aangeven, [in handen geven], angèven, (werkwoord), 1. aangeven (bij de politie); 2. aanreiken. Zie ook: anlangen.
aangluipen, [tersluiks aanstaren], angloepen, (werkwoord), aanstaren.
aangrijpen, [vastpakken], angriepen, (werkwoord), aangrijpen.
aangroeien, angruuien, (werkwoord), aangroeien.
aanhalen, an-alen, (werkwoord), aanhalen. Iemand an-alen ‘iemand strelen, iemand aantrekken’; Iets an-alen ‘iets citeren’; De wind aalt an; Der is gien an-alen an, zovölle as die kinder èten!
aanhalig, [geneigd tot aanhalen; vriendelijk], an-alig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. aanhalig; 2. vriendelijk.
aanhangen, an-angen, (werkwoord), aanhangen. Wat angt die zwärte broek an, döör zie-j alles op. Zie ook: anpakken.
aanharken, [bij elkaar harken], an-ärken, (werkwoord), aanharken.
aanhoren, [luisteren naar], an-euren, (werkwoord), aanhoren.
aanhouden, an-ollen, (werkwoord), 1. aanhouden; 2. volhouden.
aanjongen, anjongen, (werkwoord), jongen an, an-ejonkt, vermeerderen.
aankachelen, [aanpakken, hard werken], ankachelen, (werkwoord), kachelen an, an-ekacheld, aanpakken, hard werken. IJ mos flink ankachelen um met zien wärk klöör te kommen.
aanketsen, [wijsmaken, aansmeren], ankatsen, (werkwoord), katsen an, an-ekatst, 1. wijs maken; 2. aansmeren. Laot oe niks ankatsen ‘laat je niets wijs maken’.
aankijken, [kijken naar iets of iem.], ankieken, (werkwoord), 1. aankijken; 2. er tegenop zien. Döör zit e ärg tegen an te kieken; 3. afwachten. Ik zalt nog effen ankieken.
aankleden, anklejen, (werkwoord), aankleden. Ook: (zich/em-) antrekken
aanklooien, [aanmodderen], anklooien, zie: anknooien.
aanklungelen, [aanmodderen], anklungelen, (werkwoord), met weinig effect bezig zijn. Die klungelt maer wat an.
aanknoeien, [aanmodderen], anknooien, (werkwoord), aanrommelen. IJ knooien maer wat an. Zie ook: anklooien.
aankomeling, ankommeling, (zelfstandig naamwoord), 1. beginneling; 2. iemand die nog niet helemaal volwassen is.
aankomen, ankommen, (werkwoord), 1. aankomen, bezoeken. Ik komme effen bi’j oe an. Zie ook: langeskommen; 2. dik worden, groeien. Wat bin ie an-ekommen.
aankomend, [aanstaand], ankommend, (bijvoeglijk naamwoord), aanstaand. Ankommende maondag. Zie ook: toekommend.
aankrijgen, [aan het lichaam krijgen], ankriegen, (werkwoord), op zijn brood krijgen, in Uitdr.: IJ ef de biecht an-ekrègen ‘men heeft hem eens goed de waarheid gezegd’.
aankruisen, [met een kruisje merken], ankrusen, ankruzen, (werkwoord), krusen an, an-ekruust, aankruisen.
aanlangen, anlangen, (werkwoord), langen an, an-elankt, aanreiken. Zie ook: angèven.
aanleggen, anleggen, (werkwoord), 1. (iets) aanleggen; 2. aansteken, ergens wat gebruiken. Zullen wi’j döör effen anleggen; 3. organiseren. Dät mu-j anders anleggen.
aanleren, anleren, (werkwoord), leren an, an-eleerd, aanleren.
aanleunen, anleunen, (werkwoord), leunen an, an-eleund, 1. aanleunen; 2. aanpraten. Laot oe niks anleunen.
aanlijken, [egaliseren], anlieken, (werkwoord), lieken an, an-eliekt, egaliseren, gelijk maken.
aanloop, anloop, (zelfstandig naamwoord), bezoek, visite. Krie-j mörgen völle anloop? Zie ook: veziete.
aanlopen, anlopen, (werkwoord), 1. aanlopen. Ik lope effen bi’j de buren an; 2. doorlopen. Ie mut wel een bettien anlopen.
aanmaakhout, [hout om de kachel aan te maken], anmaakolt, (zelfstandig naamwoord), aanmaakhout.
aanmaken, anmaken, (werkwoord), maken an, an-emaakt, 1. aansteken. Maak de kachel maer an; 2. toebereiden, gereedmaken. Ie mutt beslag van de pèperbuskoeke nog anmaken; 3. opschieten. Ie mut anmaken, anders kom ie te late. Uitdr.: Ie maakt met mi’j de kachel niet an ‘je maakt mij niet gek’.
aanmerken, [beschouwen als; kritiek leveren], anmärken, (werkwoord), aanmerken.
aanmeten, [de maat nemen; zich toe-eigenen], anmèten, (werkwoord), aanmeten. Een pak laoten anmèten. Pas maer op, anders za-k oe der iene anmèten ‘pas maar op, anders zal ik je een oplawaai verkopen’.
aanmodderen, [zonder plan werken], anmodderen, (werkwoord), modderen an, an-emodderd, aanmodderen.
aannaaien, [naaiend vasthechten], anneien, (werkwoord), aannaaien. Uitdr.: Ik laote mi’j gien oor anneien ‘ik laat mij niets wijsmaken’.
aannemen, [aanpakken; geloven], annemmen, (werkwoord), 1. aanpakken. Dät geld ku-j niet annemmen. Zie ook: anpakken; 2. aannemen, geloven. Ik nem an dät ie geliek ebt; 3. aannemen in de kerk, belijdenis doen. Met palmpaosen wört e in de kärke an-enömmen.
aanpakken, [overnemen, ter hand nemen], anpakken, (werkwoord), pakken an, an-epakt, 1. aanpakken, aannemen. Za-k die deuze effen van oe anpakken? Zie ook: annemmen; 2. hard werken. Die kerel wärkt ärd, die weet van anpakken; 3. aangrijpen. Dät verael pakt em wel ärg an; 4. aanpakken, de waarheid zeggen. Dät jonk mu-j anpakken, IJ luustert niet; 5. aanhangen. Dät zwärte jässien pakt ärg an. Zie ook: an-angen.
aanpikkeradeur, [rangeerder], anpikkerateur, (zelfstandig naamwoord), rangeerder, iemand die de koppeling tussen de treinwagons tot stand brengt.
aanpoten, anpoten, (werkwoord), poten an, an-epoot, opschieten, flink doorwerken.
aanpraat, [belangstelling], anpraot, (zelfstandig naamwoord), belangstelling. E-j nog een bettien anpraot e-ad?
aanpraten, anpraoten, (werkwoord), 1. aanpraten, opdringen. Ik laote mi’j niks anpraoten; 2. doorpraten. IJ pröt maer an.
aanprijzen, [als goed aanbevelen], anpriezen, (werkwoord), aanprijzen.
aanpunten, anpunten, (werkwoord), punten an, an-epunt, aanscherpen.
aanraden, anraoden, anraojen, (werkwoord), aanraden, aanbevelen.
aanraken, anraken, (werkwoord), raken an, an-eraakt, aanraken.
aanrecht, anrech, (zelfstandig naamwoord), aanrecht.
aanrecommanderen, [aanbevelen], anrikkemederen, (werkwoord), rikkemederen an, an-erikkemedeerd, aanbevelen.
aanrekenen, [in rekening brengen, verantwoordelijk houden], anrèkenen, (werkwoord), aanrekenen.
aanrijden, [met een voertuig tegen iets of iem. stoten], anriejen, anrieden, anri’jen, (werkwoord), aanrijden.
aanrijding, [verkeersongeluk], anrieding, anriejing, anri’jding, anriedink, (zelfstandig naamwoord), aanrijding.
aanrijgen, [aan een draad vastmaken], anriezen, (werkwoord), riezen an, an-eriezen, aanrijgen. Zie ook: anriegen.
aanrijgen, [aan een draad vastmaken], anriegen, (werkwoord), aanrijgen. Zie ook: anriezen.
aanroeren, [aanraken; oppervlakkig behandelen], anreuren, (werkwoord), aanroeren. Dät onderwärp ku-j bèter niet anreuren.
aanschaffen, anskaffen, (werkwoord), skaffen an, an-eskaft, aanschaffen.
aanschieten, anskieten, (werkwoord), 1. aanschieten. IJ ef een aze an-esköten; 2. snel aantrekken. Skiet oew jässe effen an; 3.snel iets vragen. Skiet oew maot effen an a-j em ziet.
aanschrijven, anskrieven, (werkwoord), aanschrijven.
aanschuiven, anskoeven, (werkwoord), aanschuiven.
aanslaan, [treffen; taxeren; salueren], anslaon, (werkwoord), 1. aanslaan in de belasting; 2. salueren (verouderd). De soldaot mos anslaon veur de mejoor.
aanslaan, anslaon, (werkwoord), 1. even beginnen te blaffen. Die ond slöt an; 2. starten. De motor van de auto wil niet anslaon; 3. waarderen. Die kerel ebben ze öördig oge an-eslagen;
aanslaan, anslaon, (werkwoord), stotteren. Zie ook: anstoten.
aanslepen, [over de grond voorttrekken], ansleppen, (werkwoord), aanslepen. Wöör kump e now weer met ansleppen.
aansnakken, [aansmeren], ansnakken, (werkwoord), snakken an, an-esnakt, aansmeren. Laot oe niks ansnakken.
aansnijden, [de eerste snee maken; beginnen te spreken over iets], ansniejen, ansnieden, (werkwoord), aansnijden.
aanspoelen, [door de stroming op het land eindigen], anspulen, (werkwoord), aanspoelen.
aanspreken, ansprèken, (werkwoord), 1. aanspreken, het woord richten tot; 2. voor het gerecht dagen, ter verantwoording roepen.
aanspreker, [begrafenisondernemer], ansprèker, zie: anzegger.
aanstaan, anstaon, (werkwoord), 1. aanstaan. Wat ie edaon ebt stiet mi’j niet an; 2. open staan. De deure stiet ietsien an.
aanstappen, [met gelijkmatige schreden naderen; bezoeken], anstappen, (werkwoord), stappen an, an-estapt, vlot doorlopen.
aanstaren, [met strakke blik aanschouwen], anstaeren, (werkwoord), aanstaren.
aanstekelijk, [besmettelijk], anstèkelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), aanstekelijk.
aansteken, anstèken, (werkwoord), aansteken.
aanstellen, anstellen, (werkwoord), stellen an, an-esteld, 1. aanstellen, kinderachtig doen; 2. benoemen in functie.
aanstellerij, [ijdele gemaaktheid], anstelleri’je, anstellerieje, (zelfstandig naamwoord), aanstellerij. Zie ook: anstellerieje.
aanstoten, anstoten, (werkwoord), aanstoten.
aanstoten, [stotteren], anstoten, (werkwoord), stotteren. Zie ook: anslaon.
aanstrijken, [tegen en langs iets strijken], anstrieken, (werkwoord), bijschilderen.
aanteuten, [treuzelen; kletsen], anteuten, (werkwoord), teuten an, an-eteut, 1. treuzelen; 2. kletsen.
aantodden, [aanslepen], antodden, (werkwoord), aanslepen.
aantonen, anteunen, (werkwoord), aantonen.
aantonneken, [slordig naaien], antonneken, (werkwoord), tonneken an, an-etonnekt, (Diezerpoorts), slordig naaien.
aantreffen, [toevallig ontmoeten; ergens vinden], antreffen, (werkwoord), aantreffen.
aantrekken, antrekken, (werkwoord), 1. aantrekken, naar zich toe trekken. De auto liep weer toen de trekker em antrök; Trek dät touw maer goed an zodätt goed an mekaere zit; 2. aantrekken van kleding. Wat veur kleren trek ie an?; 3. (zich/em wat -): zich iets aantrekken, zich ergens bedroefd door voelen. Döör mu-j oe niks van antrekken; 4. (zich/em-): aankleden. IJ ef em aostig an-etrökken. Zie ook: anklejen.
aanvegen, [door vegen in orde brengen], anvègen, (werkwoord), aanvegen.
aanvoelen, anvulen, (werkwoord), aanvoelen.
aanvragen, anvraogen, (werkwoord), aanvragen.
aanvullen, anvullen, (werkwoord), vullen an, an-evuld, aanvullen.
aanwaaien, [door de wind aangevoerd worden], anweien, (werkwoord), aanwaaien.
aanzeggen, anzeggen, (werkwoord), 1. zeggen waar het op staat; 2. aanzeggen van een sterfgeval.
aanzegger, [aanspreker, begrafenisondernemer], anzegger, (zelfstandig naamwoord), aanspreker, begrafenisondernemer. De anzegger ging vroeger langs de deur als iemand uit de straat overleden was. Zie ook: ansprèker.
aanzoek, anzuuk, (zelfstandig naamwoord), 1. aanzoek, het ten huwelijk vragen; 2. plechtig verzoek.
aanzoeten, [zoeter maken], anzuten, (werkwoord), zuten an, an-ezuut, zoeter maken, verzoeten.
aanzoeten, [tot een gewoonte worden], anzuten, (werkwoord), zuten an, an-ezuut, tot een gewoonte worden. Dät zuut zo an.
aanzuigen, [zich door zuigen vasthechten; door zuigen verplaatsen], anzoegen, (werkwoord), aanzuigen.
aap, ape, (zelfstandig naamwoord), aap. Uitdr.: Ie kunt ter apen met vangen ‘je kunt er niets mee beginnen’.
aar, aere, aer, öör, (zelfstandig naamwoord), aar.
aardappel, eerpel, eerappel, eerappel-, eerpel-, (zelfstandig naamwoord), aardappel.
aardappelbuik, [opgezwollen buik], eerpelboek, eerappelboek, (zelfstandig naamwoord), aardappelbuik.
aardappeleter, [iem. die vaak aardappelen eet], eerpelèter, eerappelèter, (zelfstandig naamwoord), aardappeleter.
aardappelkraal, [vrucht van de aardappel], eerpelkralle, eerappelkralle, (zelfstandig naamwoord), vruchtje van de aardappel na de bloei.
aardappelkuil, eerpelkoele, eerappelkoele, (zelfstandig naamwoord), aardappelkuil.
aardappellepel, [lepel om aardappels mee op te scheppen], eerpellèpel, eerappellèpel, (zelfstandig naamwoord), aardappellepel.
aardappelschilmand, [mandje waarin aardappels worden geschild], eerpelskelmäntien, eerpelmäntien, eerappelmäntien, eerappelskelmäntie, (zelfstandig naamwoord), mandje waar men aardappels in schilt. Zie ook: skelmäntien.
aardappelschilmesje, [klein mes om aardappels mee te schillen], eerpelskelmessien, eerpelmessien, eerappelmessien, eerappelskelmessie, (zelfstandig naamwoord), aardappelmesje. Ook: skelmessien.
aardbei, aerdbeie, aerbeie, eerbèze, (zelfstandig naamwoord), aardbei
aarde, aerde, (zelfstandig naamwoord), aarde (de planeet). Een emel op aerde ‘een hemel op aarde’.
aarde, eerde, (zelfstandig naamwoord), aarde, grond. Uitdr.: Dat ef völle voeten in eerde ‘dat kost veel moeite’.
aarden, aerden, (werkwoord), aerden, e-aerd, 1. aarden, gewennen. Döör kan-k wel aerden; 2. lijken op. IJ aerdt naor zien va.
aardig, öördig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), aardig, leuk.
absoluut, apseluut, (bijwoord), absoluut.
acht, achte, (telwoord), acht.
Achter de Broeren, [straatnaam], Achter de Breuren, (zelfstandig naamwoord), Achter de Broeren, een straat in het centrum waar de Broerenkerk en het Broerenklooster staat, rond 1465 gesticht door de dominicanen. Tegenwoordig wordt de kerk alleen nog gebruikt voor concerten, exposities en proefdagen.
achter mekaar, achtermekaere, (bijwoord), 1. achtereen; 2. achter elkaar.
achteraan, [aan de achterkant], achteran, (bijwoord), achteraan. Ie gaot maer achteran staon want ie bint nog niet an de beurte; Mien moe giet op de fietse en mien va fietst ter achteran.
achteraf, achterof, (bijwoord), 1. achteraf, ver van iets (in ruimte); 2. na afloop, later.
achterblijven, achterblieven, (werkwoord), achterblijven.
achterblijver, [persoon die niet meekan], achterblievertien, (zelfstandig naamwoord), achterblijvertje.
achterdeur, achterdeure, (zelfstandig naamwoord), achterdeur.
achterduims, achterdoems, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), achterbaks, in ‘t geniep.
achtereind, achterende, (zelfstandig naamwoord), 1. achterste deel; 2. achterwerk. Uitdr.: IJ is zo stom ast achterende van een värken ‘hij is ontzettend dom’. Zie ook: achterwärk, konte.
achterheen, [achteraan], achter-en, (bijwoord), achterheen, achteraan. Ik gao der maer is achter-en umme te kieken oft wel klopt; Ik mut ter meer achter-en zitten want anders kump ter niks van terechte.
achterhoofd, [achterkant van het hoofd], achtereufd, (zelfstandig naamwoord), achterhoofd. Uitdr.: IJ is niet op zien achtereufd evallen ‘hij is niet dom’.
achterhuis, [achterste deel van een huis], achteruus, (zelfstandig naamwoord), achterhuis.
achterkant, [achtereind], achterkante, (zelfstandig naamwoord), achterkant.
achterlaten, [laten staan of liggen], achterlaoten, (werkwoord), achterlaten.
achterna, achternao, (bijwoord), (achter)na. De ond zat mi’j achternao; Bi’jt diner kregen wi’j pudding achternao.
achternaam, achtername, (zelfstandig naamwoord), achternaam.
achterneef, achternève, (zelfstandig naamwoord), achterneef.
achternicht, [dochter van een neef, nicht, oudoom of oudtante], achternichte, (zelfstandig naamwoord), achternicht.
achterom, achterumme, (bijwoord), achterom. Achterumme binnenkommen; IJ giet achterumme; Kiek es achterumme.
Achterom, Achterummegien, (zelfstandig naamwoord), 't Achterummegien, ‘t Achterom, een klein straatje aan de Kamperpoort tussen de Meeuwenlaan en het Nachtegaalplein waar stadstype Blauwe Ale vroeger een snoepwinkeltje had.
achterover, achteraover, (bijwoord), achterover.
achterovergaan, [achterovervallen], achteraovergaon, (werkwoord), achterovergaan.
achteroverslaan, [naar achteren vallen; verbaasd zijn], achteraoverslaon, (werkwoord), 1. achteroverslaan, achterovervallen; 2. erg verbaasd of ontsteld zijn; 3. snel of achter elkaar uitdrinken.
achterruit, achterroete, (zelfstandig naamwoord), achterruit.
achterschip, [achterste deel van een schip], achterskip, (zelfstandig naamwoord), achterschip.
achterstevoren, achtersteveuren, (bijwoord), achterstevoren.
achteruit, achteruut, (bijwoord), achteruit. Achteruut rieden met de auto. Uitdr.: Ik mut effen achteruut ‘ik moet even naar de wc’.
achteruitboeren, achteruutboeren, (werkwoord), boeren achteruut, achteruuteboerd, financieel achteruitgaan.
achteruitkijker, [achteruitkijkspiegel], achteruutkiekertien, (zelfstandig naamwoord), achteruitkijkspiegeltje.
achteruitleggen, [sparen], achteruutleggen, (werkwoord), sparen. Zie ook: spören.
achterwerk, achterwärk, (zelfstandig naamwoord), achterwerk. Zie ook: achterende, konte.
achtste, [rangtelwoord], achstes, (zelfstandig naamwoord), de achtste.
achttien, achttiene, (telwoord), achttien.
adem, aodem, aosem, (zelfstandig naamwoord), adem.
ademen, aosemen, (werkwoord), aosemen, e-aosemd, ademen.
advertentie, affetensie, (zelfstandig naamwoord), advertentie.
advocaat, advekaot, affekaot, (zelfstandig naamwoord), advekötien, eierlikeur. Doe mi’j maer een affekötien.
advocaat, advekaot, affekaot, (zelfstandig naamwoord), advekötien, advocaat, rechtsgeleerde.
advocatengeweten, [een ruim geweten], affekaotengeweten, (zelfstandig naamwoord), een ruim geweten.
af, of, (bijwoord), af, klaar.
afbekken, [afsnauwen], ofbekken, (werkwoord), bekken of, of-ebekt, afbekken, afsnauwen.
afbijten, [via bijten verwijderen], ofbieten, (werkwoord), afbijten.
afbijtmiddel, [verzepende vloeistof], ofbietmiddel, (zelfstandig naamwoord), afbijtmiddel.
afblazen, ofblaozen, (werkwoord), afblazen.
afblijven, ofblieven, (werkwoord), afblijven.
afbraak, ofbraoke, (zelfstandig naamwoord), afbraak.
afbranden, ofbrannen, (werkwoord), afbranden.
afbreken, ofbrèken, (werkwoord), afbreken.
afbuigen, [door buigen van iets verwijderen], ofbugen, (werkwoord), afbuigen.
afdak, [dak boven open ruimte], ofdak, (zelfstandig naamwoord), afdak.
afdekken, ofdekken, (werkwoord), dekken of, of-edekt, afdekken.
afdoen, [wegnemen], ofdoen, (werkwoord), afdoen.
afdraaien, ofdreien, (werkwoord), afdraaien.
afdrijven, [door water of wind weggedreven worden; door drijven verwijderen], ofdrieven, (werkwoord), afdrijven.
afdrogen, [droogmaken; pak slaag geven], ofdreugen, (werkwoord), 1. afdrogen; 2. pak slaag geven.
afgaan, [zich baseren op iets], ofgaon, (werkwoord), afgaan. Ie mut niet op em ofgaon.
afgang, ofgang, (zelfstandig naamwoord), afgang.
afgeleefd, ofgelèèfd, (bijvoeglijk naamwoord), afgeleefd, versleten.
afgelegen, [afgezonderd], ofgelègen, ofgelegen, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), afgelegen. Een ofgelègen uus.
afgemeten, [met de juiste maat], ofgemèten, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), afgemeten. Een ofgemèten lappe stof.
afgescheiden, [losgemaakt], ofgeskeiden, (bijvoeglijk naamwoord), afgescheiden, behorend tot de Afgescheidenen (een kerkgenootschap).
afgeven, ofgèven, (werkwoord), 1. afgeven, overhandigen. Een päkkien ofgèven; 2. afgeven, loslaten. Die värve gef of; 3. – op iene: afgeven op iemand, kwaadspreken.
afglijden, [naar beneden glijden], ofglieren, ofgli’jen, (werkwoord), afglijden.
afgrijselijk, [gruwelijk], ofgrieselijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), afgrijselijk.
afgrijzen, ofgriezen, (zelfstandig naamwoord), afgrijzen.
afhaken, [losmaken], of-aoken, (werkwoord), afhaken.
afhakken, [door hakken scheiden], of-akken, (werkwoord), afhakken.
afhalen, of-alen, (werkwoord), 1. afhalen; 2. bonen van draden ontdoen.
afhandig, of-ändig, (bijvoeglijk naamwoord), afhandig.
afjacht, ofjacht, (zelfstandig naamwoord), in: ofjacht gèven ‘afjacht, nors of bits antwoord geven’. IJ ef em toch ofjacht egöven!
afkammen, [door kammen wegnemen; bekritiseren], ofkammen, (werkwoord), kammen of, of-ekamd, afkammen, afkraken.
afkijken, ofkieken, (werkwoord), afkijken.
afkluiven, [kluivend van iets eten], ofkloeven, (werkwoord), afkluiven. De nagels ofkloeven. De botten ofkloeven.
afknijpen, [dicht knijpen], ofkniepen, (werkwoord), afknijpen.
afkoken, ofkaoken, (werkwoord), afkoken.
afkoker, [soort aardappel ], ofkaoker, (zelfstandig naamwoord), aardappel die afkookt.
afkomst, ofkomst, (zelfstandig naamwoord), afkomst. Zie ook: komof.
afkomstig, [voortkomend], ofkomstig, (bijvoeglijk naamwoord), afkomstig.
afkorting, [het afkorten of afgekort-worden], ofkörting, (zelfstandig naamwoord), afkorting.
afkrijgen, [van een hoogte afnemen; klaarkrijgen], ofkriegen, (werkwoord), afkrijgen.
afleiden, ofleiden, (werkwoord), leidt of, leiden of, of-el, afleiden. Dät lewaai leidt mi’j of.
aflossen, [vervangen; voldoen], oflössen, (werkwoord), aflossen. Zie ook: inlössen.
afluisteren, ofluusteren, (werkwoord), afluisteren.
afmaken, ofmaken, (werkwoord), afmaken.
afmeten, [geheel meten], ofmèten, (werkwoord), afmeten.
afmeting, [lengtemaat], ofmèting, ofmètink, (zelfstandig naamwoord), afmeting.
afnemen, [verwijderen], ofnemmen, (werkwoord), afnemen. Stof ofnemmen. Iets van een ander ofnemmen.
afpraten, ofpraoten, (werkwoord), afspreken. Zie ook: ofsprèken.
afprijzen, [in prijs verlagen], ofpriezen, (werkwoord), afprijzen.
afraden, [de raad geven iets niet te doen], ofraoden, ofraojen, (werkwoord), afraden.
afrafelen, [ontdoen van rafels], ofrefelen, (werkwoord), refelen of, of-erefeld, het afhalen van (snij)bonen.
afraffelen, [haastig doen], ofraffelen, (werkwoord), raffelen of, of-eraffeld, afraffelen, iets haastig afmaken.
afrekenen, [verrekenen, betalen], ofrèkenen, (werkwoord), afrekenen.
afrijden, [zich rijdend verwijderen], ofriejen, ofrieden, (werkwoord), afrijden.
afrikken, ofrikken, (werkwoord), rikken of, of-erikt, omheinen.
afrit, [het wegrijden; hellende weg], ofrit, (zelfstandig naamwoord), afrit.
afritsen, [afbakenen], ofritsen, (werkwoord), ritsen of, of-eritst, afritsen.
afroppen, [afrukken], ofroppen, (werkwoord), afrukken.
afruimen, [wegruimen], ofrumen, (werkwoord), afruimen.
afscheid, ofskeid, (zelfstandig naamwoord), afscheid.
afscheiden, ofskeiden, (werkwoord), afscheiden.
afscheren, [door scheren wegnemen], ofskeren, (werkwoord), afscheren.
afschermen, [omsluiten, beveiligen], ofskärmen, (werkwoord), afschermen.
afschillen, ofskellen, (werkwoord), afschillen.
afschrijven, [aftrekken], ofskrieven, (werkwoord), afschrijven.
afschrijving, [aftrekking], ofskrieving, ofskrievink, (zelfstandig naamwoord), afschrijving.
afschuimen, [ontdoen van onzuivere stof], ofskumen, ofskoemen, (werkwoord), 1. afschuimen, afscheppen. ‘t Ofskumen met de (gagies)slieve; 2. afborstelen.
afschuiven, ofskoeven, (werkwoord), afschuiven.
afschuren, [door schuren wegnemen], ofskoeren, (werkwoord), afschuren.
afslaan, ofslaon, (werkwoord), afslaan.
afslijpen, [door slijpen wegnemen], ofsliepen, (werkwoord), afslijpen.
afslijten, [door slijten loskomen], ofslieten, (werkwoord), afslijten.
afsluiten, ofsluten, (werkwoord), afsluiten.
afsnijden, ofsniejen, ofsnieden, (werkwoord), afsnijden.
afsnijdsel, [afgesneden stuk], ofsniejsel, ofsni’jsel, (zelfstandig naamwoord), afsnijsel.
afsoppen, [schoonmaken], ofsoppen, (werkwoord), soppen of, of-esopt, afsoppen, schoonmaken.
afspelen, ofspöllen, (werkwoord), afspelen.
afspoelen, ofspulen, (werkwoord), afspoelen.
afspraak, ofspraoke, (zelfstandig naamwoord), afspraak.
afspreken, ofsprèken, (werkwoord), afspreken. Zie ook: ofpraoten.
afstaan, [afstand doen van iets], ofstaon, (werkwoord), afstaan.
afstand, [verwijderdheid], ofstand, (zelfstandig naamwoord), afstand.
afsteken, ofstèken, (werkwoord), afsteken.
afstelen, [ontnemen], ofstèlen, (werkwoord), afstelen.
afsterven, ofstärven, (werkwoord), afsterven.
afstoffen, [stof verwijderen], ofstoffen, (werkwoord), stoffen of, of-estoft, afstoffen.
afstropen, ofstreupen, (werkwoord), afstropen. IJ streupent ele gebied of.
aftroggelen, oftroggelen, (werkwoord), troggelen of, of-etroggeld, aftroggelen.
aftuigen, oftugen, (werkwoord), 1. aftuigen, iemand in elkaar slaan; 2. aftuigen (van een kerstboom), leeghalen; 3. een paard van zijn/haar tuig ontdoen.
afvoeren, ofvoeren, (werkwoord), voeren of, of-evoerd, afvoeren.
afvoerpijp, [pijp om vloeistof of gas af te voeren], ofvoerpiepe, (zelfstandig naamwoord), afvoerpijp.
afvragen, ofvraogen, (werkwoord), afvragen.
afwas, ofwas, (zelfstandig naamwoord), afwas.
afwassen, [de afwas doen], ofwassen, (werkwoord), wast of, wassen of, of-ewa, afwassen.
afwegen, ofwègen, (werkwoord), afwegen.
afwijken, ofwieken, (werkwoord), afwijken.
afwijking, [het afwijken, verschil], ofwieking, (zelfstandig naamwoord), afwijking.
afwijzen, [wegzenden], ofwiezen, (werkwoord), afwijzen.
afzakkertje, ofzäkkertien, (zelfstandig naamwoord), afzakkertje, een laatste glaasje.
afzetterij, [slinkse handeling], ofzetteri’je, (zelfstandig naamwoord), afzetterij.
afzijdig, [neutraal], ofziedig, (bijvoeglijk naamwoord), afzijdig.
afzonderen, [scheiden], ofzunderen, (werkwoord), zunderen of, of-ezunderd, afzonderen.
afzuigen, [door zuigen losmaken of wegnemen], ofzoegen, (werkwoord), afzuigen.
afzuigkap, [installatie boven het fornuis], ofzoegkappe, (zelfstandig naamwoord), afzuigkap.
akelig, akelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), akelig.
akkefietje, akkefietien, (zelfstandig naamwoord), akkefietje.
akker, [aspirientje], äkkertien, (zelfstandig naamwoord), aspirientje.
akker, äkkertien, (zelfstandig naamwoord), kleine akker. IJ löp op zien dooie äkkertien ‘hij loopt heel langzaam’.
akkermannetje, äkkermännegien, (zelfstandig naamwoord), akkermannetje, kwikstaartje. Zie ook: bouwmeestertien, kwikstaert.
aks, akse, (zelfstandig naamwoord), grote bijl. Zie ook: akbiele, biele.
albast, albaster, allebaster, (zelfstandig naamwoord), witte knikker met gekleurde strepen.
aldaar, [op die plaats], aldöör, (bijwoord), aldaar.
aldoor, [voortdurend], aldeur, (bijwoord), aldoor, voortdurend.
algeens niet, [helemaal niet], agees niet, aggis niet, (bijwoord), helemaal niet. Dät wis ik agees niet; Döör bin-kt agees niet met iens. Zie ook: gieniens.
allang, [sinds lange tijd], allange, (bijwoord), allang.
alleen, alleent, (bijvoeglijk naamwoord), alleen. Bi-j alleent?; Zi’j is ärg alleent. Zie ook: allene, allenig.
alleen, allene, (bijvoeglijk naamwoord), alleen. Ik bin allene ekommen; Die vrouwe is ärg allene. Zie ook: alleent, allenig.
allegaartje, allegaertien, (zelfstandig naamwoord), allegaartje, mengelmoesje.
allemaal, allemaole, (telwoord, bijwoord), allemaal.
allenig, allenig, 1. bn., alleen. Zi’j is ärg allenig. 2. bw., slechts. Döör doe-kt allenig veur. Zie ook: alleent, allene.
allerakeligst, [in hoge mate], alderaekeligs, alleraekeligs, (bijwoord), verschrikkelijk, heel erg. IJ gong met zien fietse alderaekeligs kört langes mien auto; IJ vuult zich alderaekeligs ziek.
allerbarstend, [in hoge mate], alderbärstens, allebärstens, (bijwoord), heel erg, verschrikkelijk. Zie ook: aldergloepens, alderglunigs.
allerbest, [in de hoogste mate goed], alderbeste, (bijvoeglijk naamwoord), allerbest(e).
allerellendigst, [het meest ellendig], alderellendigst, (bijvoeglijk naamwoord), allerellendigst.
allergloeiendst, [in hoge mate], alderglunigs, (bijwoord), heel erg, verschrikkelijk. Zie ook: aldergloepens, alderbärstens.
allergluipendst, [in hoge mate], aldergloepens, (bijwoord), heel erg, verschrikkelijk. Die soep is aldergloepens iete. Zie ook: alderglunigs, alderbärstens.
allerhande, alderande, allerande, (zelfstandig naamwoord), bepaalde soort koekjes. Mien oma ad altied een trommel met alderande in de kaste staon.
allermooist, [in de hoogste mate mooi], aldermooiste, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), allermooiste. Dät is mien aldermooiste jörk; Ik vinne die jörkt aldermooiste.
als, as, (voegwoord), als. As ik ter niet bi’j wazze gonkt glad verkeerd; Zo gruun as grös; As ik oe wazze, zol ik stoppen met wärken; Zi’j wärkt as ik vri’j binne.
alsjeblieft, asteblieft, asteblief, (bijwoord, tussenwerpsel), alsjeblieft, alstublieft. Zie ook: astoeblieft.
alsmaar, alsmaer, (bijwoord), alsmaar.
alsof, asof, (voegwoord), alsof.
alstublieft, astoeblieft, astoeblief, zie: asteblieft.
altaar, altaer, (zelfstandig naamwoord), altaar.
alteratie, alteraosie, (zelfstandig naamwoord), opwinding. Zie ook: veralteraosie.
altijd, altied, (bijwoord), altijd.
alvast, alvaste, (bijwoord), alvast. Zie ook: vaste, vöste.
amandel, mangel, (zelfstandig naamwoord), keel- of neusamandel. De mangels knippen.
amateur, ammeteur, (zelfstandig naamwoord), amateur.
ambachtsschool, ambachskoele, (zelfstandig naamwoord), ambachtschool (nu VBO, voorbereidend beroepsonderwijs, vroeger L.T.S.). In Zwolle vroeger ook wel Klumpiesskoele genoemd.
amper aan, amperan, (bijwoord), amper, nauwelijks.
ander, ander, (telwoord, bijvoeglijk naamwoord, onbepaald voornaamwoord), ander. Andere wèke ‘volgende week’.
anderdaags, anderdaegs, (bijwoord), de volgende dag.
andermaal, [nog eens; een andere keer], andermaol, (bijwoord), een andere keer.
andersom, andersumme, (bijwoord), andersom, omgekeerd.
andijvie, andievie, (zelfstandig naamwoord), andijvie.
anemoon, annemone, (zelfstandig naamwoord), annemeuntien, anemoon.
anijs, anies, (zelfstandig naamwoord), anijs.
anijsmelk, [melk met anijszaad], aniesmelk, (zelfstandig naamwoord), anijsmelk.
anijszaad, [vrucht van de anijsplant], anieszaod, (zelfstandig naamwoord), anijszaad.
Anton met de beentjes, [stadstype in Zwolle], Anton met de bienties, (zelfstandig naamwoord), stadstype. Ook wel Kromme Anton genoemd, vanwege zijn ongelukkige benen. Hij was ijscoman en stond vaak met zijn ACO- karretje vlakbij de IJsselbrug, bij afslag Engelse Werk. Zijn echte naam was Anton Arends.
apart, ampärt, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. apart, bijzonder. Dät is iets ampärts; 2. eigenaardig, vreemd. Dät is een ampärte kerel;. 3. afzonderlijk, gescheiden. Ol dät maer effen ampärt.
apartigheid, [iets bijzonders], ampärtigeid, (zelfstandig naamwoord), iets bijzonders. Uitdr.: Zi’j ad altied ampärtigeid ‘ze had altijd wat anders’; Ik wille niks gien ampärtigeid ‘ik wil alles heel gewoon’.
apenhaar, [haar van een aap; tabak], apenöör, (zelfstandig naamwoord), 1. apenhaar; 2. shag, fijne tabak.
apennootje, apenöttien, (zelfstandig naamwoord), apennootje, pinda. Zie ook: assien.
apezuur, [versterking bij een werkwoord], apezoer, (zelfstandig naamwoord), apezuur. Uitdr.: Zicht apezoer skrikken ‘erg schrikken’.
apotheek, apteek, zie: appeteker.
apotheker, appeteker, apteker, (zelfstandig naamwoord), 1. apotheker; 2. apotheek. Zie ook: apteek.
appartement, appärtement, (zelfstandig naamwoord), appartement, wooneenheid.
arend, örend, (zelfstandig naamwoord), 1. arend (roofvogel); 2. sufferd; 3. val, smak. IJ maken mi’j een örend!
arm, ärm, (bijvoeglijk naamwoord), 1. arm, niets of bijna niets hebbend. IJ is zo ärm as de rotten; Een ärme sloeber; 2. armzalig, treurig. Op die ärme vieftig euro zit ik niet te wachen; 3. niet voorzien van. De tuin is ärm an goeie umus.
arm, ärm, (zelfstandig naamwoord), 1. arm (ledemaat). Zi’j gaf mi’j een ärm; 2. mouw van een kledingstuk. De ärms van oew ni’je trui bint völste lang.
armeluisspek, [bruine suiker], ärmelu’s spek, (zelfstandig naamwoord), bruine suiker. Vroeger had men amper geld voor broodbeleg; bruine suiker was niet zo duur.
armenbuidel, [collectezak], ärmenbule, (zelfstandig naamwoord), collectezak (van de kerk). Zie ook: kärkebule.
armeninrichting, [tehuis of hospitaal voor armen], ärmeninrichtige, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), armeninrichting.
armleuning, [plaats om de arm te rusten], ärmleunink, (zelfstandig naamwoord), armleuning.
armoede, ärmoed, armoe, (zelfstandig naamwoord), 1. armoede; 2. ruzie. Ik wille der gien ärmoe aover ebben ‘ik wil er geen narigheid over maken’. Spreekw.: As de ärmoed de deure in kump vlög de liefdet raam uut ‘armoede kan de liefde verdrijven’.
armpje af, [failliet], ärmpien of, (bijvoeglijk naamwoord), failliet.
Armpje Nagtzaam, [stadstype in Zwolle], Ärmpien Nagtzaam, (zelfstandig naamwoord), stadstype. Albertus Nagtzaam, ook wel Sieze Nagtzaam genoemd, geboren op 5 juli 1913, kreeg zijn bijnaam door zijn korte arm. Albert was o.a. toegangscontroleur bij het voetbalstadion, haalde de contributie van PEC bij de mensen thuis op, en stond tot in de jaren zestig op Koninginnedag voor in de Diezerstraat feestprogramma’s te verkopen. Je kon bij hem ook terecht voor kaartjes voor het vuurwerk. Hij is 56 jaar geworden.
as, asse, (zelfstandig naamwoord), as (van bijv. een sigaret). Spreekw.: Asse is verbrande törf en vergaon olt ‘nakaarten helpt niet’
as, asse, (zelfstandig naamwoord), spil. Zie ook: spille.
asje, [pinda], assien, (zelfstandig naamwoord), assies, (meestal mv. assies), pinda, apennootje. Uitdr.: IJ ef een kop as een assien ‘hij heeft een raar gezicht’. Zie ook: apenöttien.
augurk, augörke, (zelfstandig naamwoord), augurk.
avond, aovend, (aomd), (zelfstandig naamwoord), aovenden, öventien/övemtien, (mv. aovenden), avond.
avond, aovens, (bijwoord), ‘s aovens, ‘s avonds.
avondmaal, aovendmaol, (zelfstandig naamwoord), avondmaal.
Avondmaalstafel, [bij het avondmaal gebruikte tafel], Aovendmaolstaofel, (zelfstandig naamwoord), Avondmaalstafel.
Avondmaalsviering, [het vieren van het Avondmaal in de kerk], Aovendmaolsviering, (aomd), (zelfstandig naamwoord), Avondmaalsviering.
avondmens, [iem. die 's avonds het best op dreef is], aovendmense, (zelfstandig naamwoord), avondmens.
azijn, azien, (zelfstandig naamwoord), azijn.
baal, bale, (zelfstandig naamwoord), baal, grote zak. Een bale eui; Een bale koffie.
baalzak, [grote zak], baalzak, (zelfstandig naamwoord), jutezak. Wiede baalzak ‘een kledingstuk dat veel te ruim om het lichaam zit’.
baan, bane, (zelfstandig naamwoord), 1. baan. Dät is van de bane ‘dat gaat niet door’; 2. weg.
baard, böörd, (zelfstandig naamwoord), baard.
baars, böörs, (zelfstandig naamwoord), baars.
baas, baos, baas, (zelfstandig naamwoord), bösien, baas. Uitdr.: Wöör de rook tegen de wind giet, is de kerel de baos ‘de vrouw is altijd de baas’.
babbelguigjes, [grimassen, fratsen, praatjes], babbelegoegies, (zelfstandig naamwoord), 1. praatjes; 2. geintjes, flauwe grapjes.
badientje, [wandelstok], badientien, (zelfstandig naamwoord), dameswandelstok.
badkuip, [kuip om in te baden], badkupe, (zelfstandig naamwoord), badkuip.
baggeren, baggelen, (werkwoord), baggelen, ebaggeld, baggeren. IJ baggelen met die smerige skoenen deurt uus en.
bak, bak, (zelfstandig naamwoord), bäkkien, bak.
bakerpraatje, bakerpröties, (zelfstandig naamwoord), bakerpraatjes.
bakkei, [baksteen], bakkeie, (zelfstandig naamwoord), baksteen.
bakken, bakken, (werkwoord), bakt, bakken, ebakken, bakken.
bakkerij, [het bakken; bakkerswinkel], bakkeri’je, (zelfstandig naamwoord), bakkerij.
bakkersverdriet, [broodpap], bakkersverdriet, (zelfstandig naamwoord), broodpap die vroeger veel werd gegeten. Ook wel luie wievenkost genoemd.
bal, balle, (zelfstandig naamwoord), bällegien, bal.
baldadig, baldaodig, (bijvoeglijk naamwoord), baldadig.
balein, beliene, (zelfstandig naamwoord), balein.
balg, balg, (zelfstandig naamwoord), 1. buik. Zie ook: boek; 2. lijf, lichaam.
balgsmart, [buikpijn], balgsmärten, (zelfstandig naamwoord), buikpijn. Zie ook: boekpiene, boekzeerte.
balie, balie, (zelfstandig naamwoord), 1. ovale zinken teil; 2. houten tobbe; 3. groot of overvol kopje. Een balie koffie.
balie, balie, (zelfstandig naamwoord), soort toonbank.
balk, balke, (zelfstandig naamwoord), balk.
balkenbrij, balkenbri’j, (zelfstandig naamwoord), balkenbrij (streekgerecht).
ballèr, [balspel], ballèr, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), een soort balspel.
ballon, belonne, (zelfstandig naamwoord), ballon.
balluw, [insect], balluw, (zelfstandig naamwoord), meikever.
banaan, benane, (zelfstandig naamwoord), banaan.
bang, bange, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), bang. Een bange aze; IJ is ärg bange.
bank, banke, (zelfstandig naamwoord), bänkien, zitbank.
bank, banke, (zelfstandig naamwoord), bänkien, bank (geldbedrijf).
barst, bärste, (zelfstandig naamwoord), barst.
barsten, bärsten, (werkwoord), bärst, bärsten, ebärsten, barsten.
bast, baste, (zelfstandig naamwoord), 1. dop, schors, bast; 2. schaal van een ei; 3. huid, vel.
basten, [doppen], bassen, (werkwoord), doppen. Assies bassen, pinda’s doppen.
basterdsuiker, basterdsuker, (zelfstandig naamwoord), basterdsuiker.
Batavier, Battevier, (zelfstandig naamwoord), Batavier, Bataaf, Germaanse bewoner van Nederland in de Romeinse tijd. Uitdr.: Die stamt nog uut de tied van de Battevieren ‘die is wel heel erg ouderwets’.
bats, batse, (zelfstandig naamwoord), 1. grote brede schop met opstaande randen. Zie ook: skep, skuppe; 2. grote schoen.
batterij, batteri’je, (zelfstandig naamwoord), 1. batterij; 2. achterwerk.
bed, bedde, (zelfstandig naamwoord), bed. IJ ef de vrouwe in bedde ‘zijn vrouw ligt in het kraambed’.
bedaard, bedaerd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), bedaard.
bedaren, bedaeren, (werkwoord), bedaeren, bedaerd, bedaren.
beddengoed, beddegoed, (zelfstandig naamwoord), beddengoed, dekbedovertrek. Zie ook: beddetiek, tiek.
beddenkoord, [trekkoord voor het licht], beddekoord, (zelfstandig naamwoord), trekkoord bij bed om het licht aan te doen.
beddenkwast, [koord om zich in bed op te richten], beddekwaste, (zelfstandig naamwoord), beddenkwast.
beddenplank, beddeplanke, (zelfstandig naamwoord), beddenplank.
beddentijk, [overtrek van een bed], beddetiek, zie: beddegoed.
bedelen, delen, (werkwoord), bèdelen, ebèdeld, bedelen.
bederven, bedärven, (werkwoord), bedärft, bedierf/bedärven,
bedkruik, [kruik om een bed te verwarmen], beddekruke, (zelfstandig naamwoord), bedkruik.
bedoen, [zich bevuilen], bedoen, (werkwoord), (em/zich bedoen), zich bevuilen, beschijten. Zie ook: bedrieten.
bedrijf, bedrief, (zelfstandig naamwoord), bedrijf.
bedrijten, [met drek bevuilen], bedrieten, (werkwoord), beschijten. Zie ook: bedoen.
bedrijvig, wärkerig, (bijvoeglijk naamwoord), bedrijvig.
bedstee, beddestèè, (zelfstandig naamwoord), bedstee.
bedstro, beddestro, (zelfstandig naamwoord), bedstro. Veruzen kost beddestro.
beduusd, bedoesd, (bijvoeglijk naamwoord), 1. beduusd. Ik wazze der bedoesd van; 2. beteuterd. Dät kleine jonk keek wel wat bedoesd.
been, bien, (met lange ie), (zelfstandig naamwoord), been. Uitdr.: IJ löp met twie bienen in iene piepe ‘hij is erg onhandig of langzaam’.
beerput, beerputte, (zelfstandig naamwoord), beerput. Zie ook: usiesputte.
beest, biest, (met lange ie), (zelfstandig naamwoord), biesien, beest.
beestachtig, biestachtig, (bijvoeglijk naamwoord), beestachtig.
beestenmarkt, [veemarkt], biestemärkt, (zelfstandig naamwoord), veemarkt.
beestenweer, [zeer slecht weer], biesteweer, (zelfstandig naamwoord), beestenweer, slecht weer.
beestig, biestig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), druk, uitgelaten. As e zo biestig dut, krie-j slecht weer.
beetje, bettien, (zelfstandig naamwoord), beetje. Een bettien völle; Een biester bettien.
begaan, begaon, (werkwoord), begaan.
begaanbaar, [begaan kunnende worden], begaonbaer, (bijvoeglijk naamwoord), begaanbaar.
begapen, [behappen; betalen], begapen, (werkwoord), begapen, begaapt, 1. behappen, bijbenen. Zie ook: berappen; 2. betalen. Ze kont niet begapen.
begraafplaats, [kerkhof], begraafplase, (zelfstandig naamwoord), begraafplaats, kerkhof. Zie ook: kärkof.
begrafenis, begraffenisse, (zelfstandig naamwoord), begrafenis.
begrijpelijk, [verklaarbaar, kenbaar], begriepelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), begrijpelijk.
begrijpen, begriepen, (werkwoord), begrip, begreep, begreppen/
begroeien, [groeiende bedekken], begruuien, (werkwoord), begruuien, begruuid, begroeien.
behaard, be-öörd, (bijvoeglijk naamwoord), behaard.
behoorlijk, be-eurlijk, (bijwoord), behoorlijk.
behuisd, be-uusd, (bijvoeglijk naamwoord), behuisd. Die mensen bint klein be-uusd.
bejaard, bejöörd, (bijvoeglijk naamwoord), bejaard.
bejaardentehuis, [ouderencomplex], bejöördenuus, (zelfstandig naamwoord), bejaardenhuis.
bekaf, bek-of, (bijwoord), bekaf, doodop.
bekeilen, [begooien], bekeilen, (werkwoord), bekeilen, bekeild, begooien, bekogelen. Dät jonk bekeilen mi’j met zandkloeten.
beker, bèker, (zelfstandig naamwoord), beker.
bekijken, bekieken, (werkwoord), bekik, bekeek, bekeken/bek, bekijken, beschouwen.
bekleden, [van kleren voorzien; bedekken], beklejen, (werkwoord), beklejen, bekleed, bekleden.
bekomen, bekommen, (werkwoord), bekomt, bekwam, bekommen, bekomen. IJ is nog niet van de skrik bekommen.
bekwaam, bekwaom, (bijvoeglijk naamwoord), 1. bekwaam, capabel. Zie ook: kepaobel; 2. nuchter.
bel, belle, (zelfstandig naamwoord), bel. Zie ook: skelle.
bel, belle, (zelfstandig naamwoord), groot glas.
beleefd, belèèfd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), beleefd. Bin ie wel belèèfd ewest? Ik bin een belèèfde vrouwe.
belegen, [gelegen hebbend], belègen, (bijvoeglijk naamwoord), belegen. Belègen keze.
beleven, belèven, (werkwoord), belèven, belèèfd, beleven, meemaken.
belevenis, belèvenisse, (zelfstandig naamwoord), belevenis.
belijden, belieden, (werkwoord), belid, beleed, beleden, belijden.
bellenblazen, belleblaos, (zelfstandig naamwoord), het kinderspel bellenblazen.
bellenbloem, bellenbloeme, (zelfstandig naamwoord), fuchsia.
beloven, belaoven, (werkwoord), belaoven, belaofd, beloven.
beluisteren, beluusteren, (werkwoord), beluusteren, beluusterd, beluisteren.
bemoeial, bemuuial, (zelfstandig naamwoord), bemoeial.
bemoeien, bemuuien em/zich, (werkwoord), bemuuien, bemuuid, bemoeien. Bemuui oe der niet tegenan ‘bemoei je er niet mee’.
benaderen, [dichterbij komen], benaoderen, (werkwoord), benaoderen, benaoderd, benaderen.
beneden, benèden, benejen, (bijwoord), beneden.
benemen, [zich gedragen], benemmen, (werkwoord), benemp, benam(p), benömmen, (em/zich -), zich gedragen.
benemen, [ontnemen], benemmen, (werkwoord), benemp, benam(p), benömmen, benemen, ontnemen (van adem bijv.).
benevelen, [met nevel bedekken], benèvelen, (werkwoord), benèvelen, benèveld, benevelen.
benieuwd, beni’jd, (bijvoeglijk naamwoord), benieuwd. Ik bin beni’jd of i’j nog kump.
benieuwen, beni’jen, (werkwoord), beni’jen, beni’jd, benieuwen.
benoemen, benumen, (werkwoord), benumen, benuumd, benoemen.
bepalen, bepaolen, (werkwoord), bepaolen, bepaold, bepalen.
beperken, bepärken, (werkwoord), bepärken, bepärkt, beperken.
beproeven, bepruven, (werkwoord), bepruven, bepruufd, beproeven.
beraad, beraod, (zelfstandig naamwoord), beraad.
berappen, berappen, (werkwoord), berappen, berapt, 1. overzien; 2. klaarspelen. Zie ook: begapen.
berekenbaar, [te berekenen; voorspelbaar], berèkenbaer, (bijwoord), berekenbaar.
berekenen, [door rekenen vaststellen], berèkenen, (werkwoord), berèkenen, berèkend, berekenen.
berg, bärg, (zelfstandig naamwoord), berg.
bergen, bärgen, (werkwoord), bärgt, börgen, ebörgen, bergen, kwijt kunnen. Dät mu-k toch ärgens kunnen bärgen.
bergruimte, [ruimte om iets te bergen], bärgruumte, (zelfstandig naamwoord), bergruimte.
berk, bärke, (zelfstandig naamwoord), berk.
berm, bärm, (zelfstandig naamwoord), berm.
beroemd, beruumd, (bijvoeglijk naamwoord), beroemd. Een beruumde skriever.
beroemdheid, [het beroemd-zijn; beroemd persoon], beruumdeid, (zelfstandig naamwoord), beroemdheid. Dät is een beruumdeid.
beroering, bereurink, (zelfstandig naamwoord), beroering.
beroerte, bereurte, (zelfstandig naamwoord), beroerte, attaque. Zich/em een bereurte skrikken ‘erg schrikken’.
bes, bèze, besse, (zelfstandig naamwoord), bessien, bes.
beschermen, beskärmen, (werkwoord), beskärmen, beskärmd, beschermen.
beschijnen, [op iem. of iets schijnen], beskienen, (werkwoord), beskient, beskeen, beskenen, beschijnen.
beschikken, beskikken, (werkwoord), beskikken, beskikt, beschikken.
beschimmeld, beskimmeld, (bijvoeglijk naamwoord), 1. beschimmeld; 2. verlegen. Stao der toch niet zo beskimmeld te kieken.
beschot, beskot, (zelfstandig naamwoord), schutting, schot.
beschrijven, beskrieven, (werkwoord), beskrif, beskreef, beskröven/, beschrijven.
beschuit, beskute, (zelfstandig naamwoord), beschuit. Zie ook: twiebak.
beschuitbus, [blikken bus voor beschuit], beskuutbusse, (zelfstandig naamwoord), beschuitbus.
beschuitkruimel, [afgebroken stukje beschuit], beskuutkrummels, (zelfstandig naamwoord), beschuitkruimels.
besje, bessien, (zelfstandig naamwoord), oud vrouwtje.
besluit, besluut, (zelfstandig naamwoord), besluit. Spreekw.: ‘t Zwolse besluut dreit altied op stront uut ‘een feestje loopt altijd af met gepraat over poep en pies’.
besluiten, besluten, (werkwoord), besluut/beslöt, besloot, b, besluiten.
besparen, [bezuinigen], bespören, (werkwoord), bespören, bespöörd, besparen.
bespelen, bespöllen, (werkwoord), bespöllen, bespöld, bespelen.
besproeien, [sproeiende begieten], bespruuien, (werkwoord), bespruuien, bespruuid, besproeien.
bessenstruik, [struik waaraan bessen groeien], bèzenstruke, bessenstruke, (zelfstandig naamwoord), bessenstruik.
bestaan, bestaon, 1. ww., (bestiet, beston, bestaon), bestaan. Dät bestiet niet; 2. zn., bestaan, kostwinning. Zi’j ebben een goed bestaon.
besteden, bestèden, (werkwoord), bestèden, bestèèd, besteden. Zi’j bestèden te völle andacht an dät kind.
bestelen, bestèlen, (werkwoord), bestèèlt, bestal/bestèlen,
besterven, bestärven, (werkwoord), bestärft, bestierf, bestärven, besterven.
bestig, bestig, (bijvoeglijk naamwoord), (verouderd), heel goed.
bestijgen, [beklimmen], bestiegen, (werkwoord), besteg/bestig, besteeg, be, bestijgen.
bestoken, [verwarmen; aanvallen], bestaoken, (werkwoord), bestaoken, bestaokt, bestoken. IJ wört met völle vraogen bestaokt.
bestormen, [stormlopen op], bestörmen, (werkwoord), bestörmen, bestörmd, bestormen.
bestraten, [met stenen bedekken], bestraoten, (werkwoord), bestraoten, bestraot, bestraten.
bestrijden, bestrieden, (werkwoord), bestrid, bestreed, bestreden, bestrijden.
bestrooien, bestreuien, (werkwoord), bestreuien, bestreuid, bestrooien.
bestuiven, [met stof overdekken; stuifmeel overbrengen], bestoeven, (werkwoord), bestöf, bestoof/bestoeven,
besuikerd, besukerd, (bijvoeglijk naamwoord), bedonderd. Uitdr.: Bi-j now elemaole besukerd! ‘ben je nu helemaal mal!’
besuikeren, [met suiker bestrooien], besukeren, (werkwoord), besukeren, besukerd, met suiker bestrooien. De ölliekrappen besukeren.
betekenis, betèkenisse, (zelfstandig naamwoord), betekenis.
beter, bèter, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. beter. IJ is bèter dan zien breur, maer ik binne bèterder; 2. opgeknapt, gezond, hersteld. Mien moeder is weer bèter.
beteren, [beter worden], bèteren, (werkwoord), bèteren, ebèterd, beteren. IJ ef zien lèven ebèterd.
beterschap, bèterskop, (zelfstandig naamwoord), beterschap.
betijen, beti’jen, (werkwoord), beti’jen, beti’jd, begaan, tot rust komen. Laot em maer effen beti’jen.
betoveren, [door toverij in zekere toestand brengen], beteuveren, (werkwoord), beteuveren, beteuverd, betoveren.
Bette de Nakke, [stadstype in Zwolle], Bette de Nakke, (zelfstandig naamwoord), stadstype. Deze vrouw kwam van de Kamperpoort. Haar echte naam is niet bekend. Van haar wordt gezegd dat ze er vaak op uit trok met haar kinderwagen, die ze als vervoermiddel gebruikte. Ze plukte dan vlierbessen en kamille die ze aan Ten Doesschate verkocht. Ook ging ze de boer op voor aardappelen.
betuigen, betugen, (werkwoord), betugen, betuugd, betuigen. Zien dank betugen.
betuin, [schaars], betuun, (bijvoeglijk naamwoord), schaars.
betwijfelen, betwiefelen, (werkwoord), betwiefelen, betwiefeld, betwijfelen.
beuk, beuke, (zelfstandig naamwoord), beuk.
beukennootje, beukenöttien, beukeneutien, (zelfstandig naamwoord), beukennootje.
beur, beur, (zelfstandig naamwoord), gewicht. Döör e-j een beste beur an!
beurt, beurte, (zelfstandig naamwoord), beurt. Ie bint an de beurte.
beven, bèven, (werkwoord), bèven, ebèèfd, beven.
bever, [het trillen], bèverd, (zelfstandig naamwoord), in: IJ ef last van de bèverd ‘hij trilt’.
bevertjes, bèverties, (zelfstandig naamwoord), trilgras.
bevoelen, [betasten, waarnemen], bevulen, (werkwoord), bevulen, bevuuld, betasten.
bevoorraden, [van voorraden voorzien], beveurraoden, (werkwoord), beveurraoden, beveurraod, bevoorraden.
bevuilen, [vuilmaken], bevoelen em/zich-, (werkwoord), (bevoelen, bevoeld),, (em/zich bevoelen), bevuilen. IJ ef zich kats bevoeld.
bewaarschool, bewaerskoele, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), groep 1 en 2 van de basisschool, kleuterschool. Zie ook: kleuterskoele.
beweegbaar, [bewogen kunnende worden], bewèègbaer, (bijvoeglijk naamwoord), beweegbaar.
beweeglijk, [beweging toelatend; veel bewegend], bewèèglijk, (bijvoeglijk naamwoord), beweeglijk. Die baby is bewèèglijk.
bewegen, bewègen, (werkwoord), bewèègt, bewoog, bewögen, bewegen.
bewerkelijk, bewärkelijk, (bijvoeglijk naamwoord), bewerkelijk.
bewerken, [werk aan iets verrichten], bewärken, (werkwoord), bewärken, bewärkt, bewerken.
bewijs, bewies, (zelfstandig naamwoord), bewijs.
bewijzen, bewiezen, (werkwoord), bewis, bewees, bewezen, bewijzen.
bewustzijn, bewuszien, (zelfstandig naamwoord), bewustzijn. Dät deed e bi’j zien volle bewuszien.
bezem, bèzem, bessem, (zelfstandig naamwoord), bezem.
bezemsteel, bèzemstelle, bessemstelle, (zelfstandig naamwoord), bezemsteel.
bezig, bèzig, (bijvoeglijk naamwoord), bezig.
bezoeken, bezuken, (werkwoord), bezöch, bezoch(t), bezöcht, bezoeken.
bezorgd, [zorg dragend; bekommerd zijnd], bezörgd, (bijvoeglijk naamwoord), bezorgd.
bezorgen, bezörgen, (werkwoord), bezörgen, bezörgd, bezorgen.
bezuinigen, [beperken van uitgaven], bezunigen, (werkwoord), bezunigen, bezunigd, bezuinigen. Dit jöör gaon ze öördig bezunigen op de dieselöllie.
bezuren, bezoeren, (werkwoord), bezoeren, bezoerd, bezuren. Dät zal em bezoeren.
bezwaar, bezwöör, (zelfstandig naamwoord), bezwaar.
bezwaard, [gedrukt door schuldgevoel], bezwöörd, (bijvoeglijk naamwoord), bezwaard.
bezwaarlijk, [zwaar vallend], bezwöörlijk, (bijvoeglijk naamwoord), bezwaarlijk.
bezwaarschrift, [uiteenzetting van bezwaren], bezwöörskrift, (zelfstandig naamwoord), bezwaarschrift.
bezwijken, bezwieken, (werkwoord), bezwik, bezweek, bezweken, bezwijken.
biest, biest, (met korte ie), (zelfstandig naamwoord), (geen vkw.), eerste melk na het kalven.
biet, biete, (zelfstandig naamwoord), biet.
big, bigge, (zelfstandig naamwoord), biggien, big.
bij, bi’j, (voorzetsel, bijwoord), bij.
bij, bi’je, (zelfstandig naamwoord), bij. De bi’jen zitten op de bloemen. Uitdr.: De witte bi’jen vliegen ‘het sneeuwt’.
bij name, [vooral], benaemens, (bijwoord), vooral. Zie ook: veural.
bij toeren, [soms], bi’jtoeren, (bijwoord), zo nu en dan, soms.
bijbaan, [baan naast het primaire ambt], bi’jbane, (zelfstandig naamwoord), bijbaan.
bijbel, biebel, (zelfstandig naamwoord), bijbel.
Bijbellezen, [lezen uit de Heilige Schrift], biebellèzen, (werkwoord), bijbellezen.
Bijbels, biebels, (bijvoeglijk naamwoord), bijbels. IJ ad biebelse lesse.
Bijbelverhaal, [verhaal in de Bijbel], biebelverael, (zelfstandig naamwoord), bijbelverhaal.
bijblijven, bi’jblieven, (werkwoord), bijblijven.
bijdehand, bi’jde-and, (bijvoeglijk naamwoord), bijdehand. Dät is een bi’jde-and jonk.
bijdraaien, bi’jdreien, (werkwoord), bijdraaien.
bijeenkomst, bi’jienkomst, (zelfstandig naamwoord), bijeenkomst.
bijenkorf, bi’jenkörf, (zelfstandig naamwoord), bijenkorf.
bijgeloof, bi’jgeleuf, (zelfstandig naamwoord), bijgeloof.
bijgelovig, bi’jgeleuvig, (bijvoeglijk naamwoord), bijgelovig.
bijgelovigheid, [geneigdheid tot bijgeloof; uiting van bijgeloof], bi’jgeleuvigeid, (zelfstandig naamwoord), bijgelovigheid.
bijgeluid, [bijkomend geluid], bi’jgeluud, (zelfstandig naamwoord), bijgeluid.
bijhouden, bi’jollen, (werkwoord), bijhouden.
bijkans, bi’jkans, zie: bi’jnao.
bijkomen, bi’jkommen, (werkwoord), bijkomen.
bijkomstigheid, [erbij komende zaak], bi’jkomstigeid, (bijwoord), bijkomstigheid.
bijl, biele, (zelfstandig naamwoord), bijl. Zie ook: akbiele, akse.
bijltjesdag, bieltiesdag, (zelfstandig naamwoord), bijltjesdag. Ontstaan tijdens de bezetting: dag van afrekening met de verraders.
bijna, bi’jnao, (bijwoord), bijna. Zie ook: bi’jkans.
bijnaam, bi’jname, (zelfstandig naamwoord), bijnaam.
bijpraten, [door gesprek op de hoogte brengen of worden gebracht], bi’jpraoten, (werkwoord), bijpraten.
bijrijder, [passagier naast de bestuurder], bi’jriejer, bi’jrieder, (zelfstandig naamwoord), bijrijder.
bijschaven, [door schaven afwerken], bi’jskaven, (werkwoord), bijschaven.
bijschenken, [schenkende toevoegen], bi’jskinken, (werkwoord), bijschenken.
bijschuiven, bi’jskoeven, (werkwoord), bijschuiven.
bijschuren, [bijwerken door schuren], bi’jskoeren, (werkwoord), bijschuren.
bijsluiter, bi’jsluter, (zelfstandig naamwoord), bijsluiter.
bijspijkeren, bi’jspiekeren, (werkwoord), spiekeren bi’j, bi’jespiekerd, bijspijkeren.
bijster, biester, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), 1. erg, buitengewoon, bijzonder. Biester bettien ‘erg weinig’; 2. kwijt. Ik bint spoor biester; 3. buiig, onbestendig. ‘t Is biester weer.
bijten, bieten, (werkwoord), bit/biet, beet, ebetten
bijtijds, bi’jtieds, (bijwoord), bijtijds. Zie ook: intieds.
bijtring, [ring om op te bijten], bietringe, (zelfstandig naamwoord), bijtring.
bijwerken, [tot een bepaalde gedaante bewerken], bi’jwärken, (werkwoord), bijwerken.
bijzonder, bezunder, bi’jzunder, biezunder, (bijvoeglijk naamwoord), bijzonder.
bil, bille, (zelfstandig naamwoord), bil.
billenwagen, billewaegen, (zelfstandig naamwoord), in Uitdr.: Ik gao met de billewaegen ‘ik ga lopen’.
binden, binnen, (werkwoord), bint, bunnen, ebunnen, binden. Die takken mu-j bi’j mekaere binnen.
binnendeur, binnendeure, (zelfstandig naamwoord), binnendeur.
binnenkant, binnenkante, (zelfstandig naamwoord), binnenkant.
biscuit, beskwie, (zelfstandig naamwoord), beskwiegien, biscuit. Zie ook: maalmöppien.
bisschop, bisskop, (zelfstandig naamwoord), bisschop.
blaar, blöre, (zelfstandig naamwoord), blaar.
blaas, blaoze, (zelfstandig naamwoord), blösien, blaas.
blaasbalg, blaosbalg, (zelfstandig naamwoord), blaasbalg.
blad, blad, (zelfstandig naamwoord), blaegien, blad.
bladzijde, bladziede, (zelfstandig naamwoord), bladzijde.
blauw handje, [alcoholische drank], blauw äntien, (zelfstandig naamwoord), glaasje brandewijn met wat bruine suiker.
Blauwe Ale, [stadstype in Zwolle], Blauwe Ale, (zelfstandig naamwoord), stadstype. Haar echte naam was Aleida Linthorst, geboren op 13 januari 1878. Ze had een winkeltje aan de Kamperpoort op de hoek van ‘t Achterom en Koekoekstraat. Doordat haar gezicht zo blauw doorscheen van de drank kende iedereen haar als Blauwe Ale. Ze overleed op 18 oktober 1956 in het ziekenhuis.
Blauwvinger, [scheldnaam], Blauwvinger, (zelfstandig naamwoord), Zwolse Blauwvinger, scheldnaam voor een Zwollenaar.
blauwvingerkoekje, [soort koekje], blauwvingerkukien, (zelfstandig naamwoord), lang dun spritskoekje met aan één kant een likje chocolade.
blazen, blaozen, (werkwoord), blös/blaost, blies/blaozen, blazen.
blazer, blaozerd, (zelfstandig naamwoord), 1. blazer, iemand die op een blaasinstrument bespeelt; 2. rood gezicht. Die vent kreeg mi’j toch een blaozerd toen ik em de wööreid zeie!; 3. pocher.
bleek, bleke, blieke, (zelfstandig naamwoord), bleek, grasveld om te bleken. ‘t Wasgoed op de bleke leggen.
blèren, blèren, (werkwoord), blèren, eblèèrd, huilen.
bleshoen, [soort vogel], bles-oen, (zelfstandig naamwoord), meerkoet.
blij, bli’j, (bijvoeglijk naamwoord), blij.
blijdschap, bli’jdskop, (zelfstandig naamwoord), blijdschap.
blijken, blieken, (werkwoord), blik/bliekt, bleek, ebleke, blijken. Dät antwoord bliekt (blik), niet goed te wèèn. Dät mut nog blieken.
Blijmarkt, [straatnaam], Bli’jmärkt, (zelfstandig naamwoord), Blijmarkt, een oude straat in de binnenstad. Eind dertiende eeuw was de Blijmarkt niet meer dan een pleintje dat tegen de stadsmuur lag. De naam is te danken aan de middeleeuwse wapens die men blijden noemde.
blijven, blieven, (werkwoord), blif/blef, bleef, eblöven<, blijven.
blijvertje, [iem. die niet weggaat], blievertien, (zelfstandig naamwoord), blijvertje. De vri’jer van mien dochter lik mi’j gien blievertien, die verkering raakt wel uut.
bliksem, blikstien, blikstiender, (tussenwerpsel), bliksem, verdraaid, bliksems (krachtterm).
bliksemstraal, [lichtstraal; beroerd persoon], bliksemstraole, (zelfstandig naamwoord), 1. bliksemstraal; 2. ondeugend kind.
bloei, bluui, (zelfstandig naamwoord), bloei.
bloeien, bluuien, (werkwoord), bluuien, ebluuid, bloeien. Bluuiend olt ‘forsythia’.
bloeimaand, bluuimaond, (zelfstandig naamwoord), bloeimaand, mei.
bloeitijd, [tijd dat planten in bloei staan], bluuitied, (zelfstandig naamwoord), bloeitijd.
bloem, bloeme, (zelfstandig naamwoord), bluumpien/blumegien, bloem.
blok, blok, (zelfstandig naamwoord), blukkien, blok.
bluister, bluuster, (zelfstandig naamwoord), onnatuurlijke blos.
bocht, bochte, (zelfstandig naamwoord), bocht.
bodem, baodem, (zelfstandig naamwoord), bödempien, bodem.
boek, boek, (met lange uu), (zelfstandig naamwoord), bukien, boek.
boel, boel, (zelfstandig naamwoord), 1. boel, alles met elkaar; 2. het hele huis, in: Ik mut de boel nog doen. Ik ebbe mien boeltien skone.
boerderij, boerderi’je, (zelfstandig naamwoord), boerderij.
boezekerel, [boeman], boezekerel, (zelfstandig naamwoord), boeman, enge man.
boezelaar, boezelaer, (zelfstandig naamwoord), schort. Zie ook: skört, skölk, slonde.
boezen, boezen, (met lange oe), (werkwoord), boezen, eboesd, 1. (verouderd) spel eiertikken (paasgebruik). Zie ook: eiertikken; 2. tolspel: de tol van de ander proberen te raken als die draaide.
boezeroen, boezeroen, (zelfstandig naamwoord), (werk)overhemd.
bok, bok, (zelfstandig naamwoord), bukkien, bok. Uitdr.: IJ is altiedt bukkien ‘hij is altijd de pineut’.
Bok, [stadstype in Zwolle], Bok de, (zelfstandig naamwoord), bijnaam voor Westerhof, die vroeger aan de Kamperpoort woonde. Bij hem kon je terecht voor een halfje warm water of een halfje vuur. Met vuur werd platte doorgebrande turf bedoeld, die je in een stoof kon doen. Voor geld kon je ‘s morgens ook gewekt worden door de Bok.
Bokken Mien, [stadstype in Zwolle], Bokken Miene, (zelfstandig naamwoord), bekend volkstype. Bokken Miene was een vrouw die altijd de geur van haar bokken meedroeg. In de jaren twintig woonde ze aan de Boerendanserdijk. Om haar bokken te kunnen voeren ging zij op pad voor oud brood en aardappelschillen. Dat deed ze een keer per week met een kruiwagen, voortgetrokken met een band die ze aan de handvatten had bevestigd en om haar hals. Ook ging ze met haar bokken de boer op om geiten te laten dekken voor geld.
bokkenpootje, bokkepeutien, (zelfstandig naamwoord), bokkepeuties, (meestal mv. bokkepeuties), bokkepootje, bep. soort koekje.
bokking, bukkem, bukking, (zelfstandig naamwoord), 1. bokking, gerookte haring; 2. (scheldwoord) sloom iemand. Een ärde bukkem ‘iemand die niet veel kan missen’.
boks, bokse, (zelfstandig naamwoord), broek.
bol, bolle, (zelfstandig naamwoord), böllegien, (vkw. böllegien), bol. Een böllegien kan ook een broodje zijn.
Bolle Dien, Bollen Diene, (zelfstandig naamwoord), bekend volkstype. Bollen Diene was een stevige vrouw die donderdags en vrijdags koeien op de veemarkt dreef. Misschien dezelfde als Diene met de musse, die op de Melkmarkt/Grote Markt haar melk aan de man probeerde te brengen.
bollenkruid, [soort plant], bollenkruud, (zelfstandig naamwoord), wolfsmelk (euphorbia) (plant).
bon, bonne, (zelfstandig naamwoord), bunnegien, bon.
bonk, bonke, (zelfstandig naamwoord), 1. groot stuk. Een grote bonke; 2. grote hoeveelheid. Een bonke geld. Zie ook: bulte, kladde.
bonker, bonkerd, (zelfstandig naamwoord), iets dat groot is. Een bonkerd van een kerel.
boodschap, bosskop, (zelfstandig naamwoord), boodschap.
boog, baoge, (zelfstandig naamwoord), bögien, boog.
boom, boom, (zelfstandig naamwoord), beumpien, boom.
boomstronk, [afgeknotte boomstam], boomstronke, (zelfstandig naamwoord), boomstronk, stobbe. Zie ook: stobbe, stompe, stronke.
boon, bone, (zelfstandig naamwoord), beuntien, boon. Grote bone ‘tuinboon’.
boor, bore, (zelfstandig naamwoord), boor.
boot, boot, (zelfstandig naamwoord), beutien, boot.
bord, börd, (zelfstandig naamwoord), börtien, bord. Zie ook: telder (verouderd).
borrel, börrel, (zelfstandig naamwoord), borrel. Zie ook: assebässien, diendertien, koetsiertien, jenèver, junkien, klöre.
borst, börste, (zelfstandig naamwoord), borst.
borstel, börstel, (zelfstandig naamwoord), borstel.
borstkas, [thorax], börstkaste, (zelfstandig naamwoord), borstkas.
borstrok, börstrok, (zelfstandig naamwoord), gebreid hemd van jaegerwol. De borstrok werd vroeger in de winter over het hemd gedragen.
bos, bos, (zelfstandig naamwoord), bussien, 1. bos (bloemen bijv.), bundel; 2. bos, woud.
bosbes, bosbèze, bosbesse, (zelfstandig naamwoord), bosbes.
bosschage, boskazie, (zelfstandig naamwoord), bosschage, struikgewas.
bot, bot, (zelfstandig naamwoord), buttien, bot. Buttien (scheldnaam) ‘sukkel’; Uitdr.: Buttien bi’j buttien leggen ‘gezamenlijk de kosten dragen’.
boter, botter, (zelfstandig naamwoord), boter. Uitdr.: IJ ef botter op zien eufd ‘hij heeft boter op zijn hoofd, d.w.z. hij heeft zichzelf (ook) iets te verwijten, hij is niet onschuldig in een bepaald opzicht’.
boterbloem, botterbloeme, (zelfstandig naamwoord), boterbloem.
boteren, botteren, (werkwoord), botteren, ebotterd, boteren. ‘t Bottert niet meer zo tussen die twie.
boterham, boteram, (zelfstandig naamwoord), boterham.
boterknol, [soort knol; zakhorloge], botterknolle, (zelfstandig naamwoord), 1. bepaald soort knol, rond geel knolletje; 2. zakhorloge.
boterkoek, [soort koek], botterkoeke, (zelfstandig naamwoord), boterkoek.
botermarkt, [plaats tot verkoop van boter], bottermärkt, (zelfstandig naamwoord), botermarkt. De botermarkt werd vroeger in de Voorstraat gehouden en daarna op de Nieuwe Markt.
botersaus, bottersauze, (zelfstandig naamwoord), botersaus.
botervloot, bottervloot, (zelfstandig naamwoord), bottervleutien, botervloot.
botschuiver, [iem. die achter een kar loopt; visboer], botskoever, (zelfstandig naamwoord), iemand die vroeger achter een kar liep, visboer.
bottenwerk, [zwaar werk], bottenwärk, (zelfstandig naamwoord), zwaar werk.
bout, bolte, (zelfstandig naamwoord), 1. metalen staaf met schroefdraad; 2. strijkbout. Zie ook: iezer, striekbolte, striekiezer.
bouwmeestertje, [soort vogel], bouwmeestertien, (zelfstandig naamwoord), kwikstaartje. Zie ook: akkermännegien, kwikstaert.
boven, baoven, (voorzetsel), boven.
bovenarm, [deel van de arm], baovenärm, (zelfstandig naamwoord), bovenarm.
bovendien, baovendien, (bijwoord), bovendien.
bovenlip, [bovenste lip], baovenlippe, (zelfstandig naamwoord), bovenlip.
bovenmeester, [hoofd van een school], baovenmeester, (zelfstandig naamwoord), bovenmeester, hoofd van een school.
bovenste, baovenste, (bijvoeglijk naamwoord), bovenste.
braadpan, braodpanne, (zelfstandig naamwoord), braadpan.
braadworst, braodwörst, (zelfstandig naamwoord), braadworst.
braaf, braef, (bijvoeglijk naamwoord), braaf. Dät is niet zo’n braeve kerel.
braam, braome, (zelfstandig naamwoord), bröömpien, braam.
braam, braome, (zelfstandig naamwoord), bröömpien, scherp puntje.
braam, brummel, (zelfstandig naamwoord), braam.
braamneus, [scheldnaam], brummelnöze, (zelfstandig naamwoord), (scheldwoord) iemand met een dikke rooie neus.
braden, braoden, braojen, (werkwoord), braoden, ebraoden, braden.
bradertjes, [gebakken aardappels], bröderties, (zelfstandig naamwoord), bradertjes, kleine gebakken aardappeltjes (krieltjes).
branden, brannen, (werkwoord), brannen, ebrand, branden.
brandnetel, brandnettel, (zelfstandig naamwoord), brandnetel.
brasem, braosem, (zelfstandig naamwoord), brasem.
breekbaar, [gebroken kunnende worden], brèèkbaer, (bijvoeglijk naamwoord), breekbaar.
breekboon, brèkebone, brèèkbone, (zelfstandig naamwoord), slaboon, sperzieboon.
breekijzer, brèèkiezer, (zelfstandig naamwoord), breekijzer.
breinaald, bri’jnaolde, (zelfstandig naamwoord), breinaald.
breken, brèken, (werkwoord), brek/brèèkt, brak, ebröken, breken.
brengen, brengen, (werkwoord), brengt, brach, ebrach, brengen.
brief, brief, (zelfstandig naamwoord), brief
brievenbus, brievenbusse, (met lange ie), (zelfstandig naamwoord), brievenbus. Zie ook: busse, loerkleppe.
brij, bri’j, (zelfstandig naamwoord), brij, pap.
brijpap, [soort pap], bri’jpap, (zelfstandig naamwoord), pap.
brijpot, bri’jpot, (zelfstandig naamwoord), pappot.
bril, brille, (zelfstandig naamwoord), bril. Zie ook: fokke.
brillenkoker, [omhulsel waarin de bril wordt geborgen], brillekökker, brillekaoker, (zelfstandig naamwoord), brillenkoker.
broeien, bruuien, (werkwoord), bruuien, ebruuid, broeien.
broeierig, bruuierig, (bijvoeglijk naamwoord), broeierig.
broek, broek, (zelfstandig naamwoord), brukien, broek.
broekje, brukien, (zelfstandig naamwoord), 1. kleine broek; 2. onervaren jong iemand.
broer, breur, (zelfstandig naamwoord), broer.
brok, brokke, (zelfstandig naamwoord), brökkien, brok. Een brokke sukela. Een brokke in de kèle.
brood, brood, (zelfstandig naamwoord), breutien, brood.
bruikbaar, bruukbaer, (bijvoeglijk naamwoord), bruikbaar, geschikt.
bruiloft, brullefte, (zelfstandig naamwoord), bruiloft.
bruin, broen, bruun, (bijvoeglijk naamwoord), bruin. Een broene broek.
bruis, [schuim], broes, (zelfstandig naamwoord), schuim. Zie ook: skoem.
bruisen, broezen, (werkwoord), broezen, ebroesd, schuimen. ‘ t Broezen van de soep. De iete botter begint te broezen.
brulaap, brulape, (zelfstandig naamwoord), 1. brulaap; 2. jankend kind.
brutaal, bretaol, (bijvoeglijk naamwoord), brutaal. Zie ook: vri’jpostig.
bui, bujje, (zelfstandig naamwoord), bujgien, bui.
buigbaar, [gebogen kunnende worden], buugbaer, (bijwoord), buigbaar.
buigen, bugen, (werkwoord), bög, bugen, ebögen, buigen.
buigijs, [doorbuigend ijs], boegies, (met lange ie), (zelfstandig naamwoord), doorbuigend ijs van bevroren water.
buik, boek, (zelfstandig naamwoord), (vkw. bukien, met korte uu uitgesproken), buik. Zie ook: balg.
buikfles, [ronde fles], boekflesse, (zelfstandig naamwoord), buikfles.
Buiklap, [stadstype in Zwolle], Boeklappe de, (zelfstandig naamwoord), bekend stadstype. Zijn werkelijke naam was Gijsbertus Brand. Ooit was hij los arbeider en venter van galanterieën maar hij is beter bekend als schoenmaker. Hij dankt zijn bijnaam aan de leren voorschoot die hij niet alleen tijdens zijn werkzaamheden droeg, maar ook op straat.
buikorgel, [orgeltje dat op de buik gedragen wordt], boekörgel, (zelfstandig naamwoord), buikorgel.
buikpijn, [pijn in de buik of darmen], boekpiene, (zelfstandig naamwoord), buikpijn. Zie ook: boekzeerte, balgsmarten.
buikzeer, [pijn in de buik of darmen], boekzeerte, zie: boekpiene.
buikziek, boekziek, (bijvoeglijk naamwoord), buikziek, van binnen half verrot, beurs (van een vrucht).
buil, bule, (zelfstandig naamwoord), buultien, papieren zak.
buil, bule, poele, (zelfstandig naamwoord), buultien, bult, buil opzwelling. IJ ef een poele an de kop. Zie ook: bule.
buis, buis, (zelfstandig naamwoord), jas, kiel.
buis, buize, (zelfstandig naamwoord), buis, holle pijp.
buiskool, boezekool, (zelfstandig naamwoord), witte kool.
buiten, buten, (voorzetsel, bijwoord), buiten.
buiten dat, [bovendien], butendät, (bijwoord), bovendien.
buiten langs, [er omheen], butenlanges, (bijwoord), er omheen, buitenom. Zie ook: butenumme.
buitenaf, butenof, (bijwoord), buitenaf. IJ woont butenof.
buitenbeentje, butenbientien, (zelfstandig naamwoord), buitenbeentje. Ik von em altied al een butenbientien.
buitendeur, [deur in een buitenmuur], butendeure, (zelfstandig naamwoord), buitendeur.
buitengewoon, butengewoon, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), buitengewoon. Een butengewone vrouwe. ‘t Èten is butengewoon läkker.
buitenkant, [het uitwendige van iets], butenkante, (zelfstandig naamwoord), buitenkant, buitenzijde.
Buitenkant, [straatnaam], Butenkante, (zelfstandig naamwoord), Buitenkant, een straat langs de Thorbeckegracht, ooit de buitenkant van de stad met stadsmuur waar vroeger een en al bedrijvigheid is geweest door het laden en lossen van schepen.
buitenkraan, [buiten aangebrachte kraan], butenkrane, (zelfstandig naamwoord), buitenkraan.
buitenleven, [leven op het platteland], butenlèven, (zelfstandig naamwoord), buitenleven.
buitenmens, butenmense, (zelfstandig naamwoord), buitenmens.
buitenom, butenumme, (bijwoord), buitenom. Zie ook: butenlanges.
buitenshuis, butensuus, (bijwoord), buitenshuis.
buitensluiten, [ergens buiten houden], butensluten, (werkwoord), buitensluiten.
buitenspel, [spelsituatie in balspelen], butenspel, (zelfstandig naamwoord), buitenspel, offside.
buitenstaander, butenstaonder, (zelfstandig naamwoord), buitenstaander.
buitentijds, butentieds, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), buitentijds, tussentijds.
buitentrap, [trap aan de buitenzijde van een gebouw], butentrappe, (zelfstandig naamwoord), buitentrap.
buitenwijk, [ver buiten het centrum gelegen stadsdeel], butenwiek, (zelfstandig naamwoord), buitenwijk.
bul, bolle, (zelfstandig naamwoord), bullegien, (vkw. bullegien), stier.
bulken, bulken, (werkwoord), bulken, ebulkt, 1. zwaar hoesten; 2. boeren.
bult, bulte, bult, (zelfstandig naamwoord), 1. bult, heuvel. Uitdr.: Die ef een bult op de veurband ‘die is in verwachting’; 2. veel. Een bulte geld. Zie ook: bonke, kladde.
bunzing, bunzink, (zelfstandig naamwoord), bunzing. Uitdr.: IJ stinkt as een bunzink ‘hij stinkt ontzettend’.
burgemeester, börgemeester, (zelfstandig naamwoord), burgemeester.
Burgemeester Mooiweer, [stadstype in Zwolle], Börgemeester Mooiweer, (zelfstandig naamwoord), een van de bekendste stadstypes van Zwolle. Zijn werkelijke naam was Hendrikus Herman Dijkslag, ook wel Billy Mooiweer genoemd. Hij is op 10 juli 1902 geboren en overleden op 13 december 1983. De meeste Zwollenaren kenden hem als burgemeester Mooiweer. Op bijzondere dagen, zoals bijvoorbeeld bij optochten, was hij altijd aanwezig en ging gekleed in jacquet, hoge hoed en burgemeestersketting en omdat hij de mensen altijd vriendelijk begroette en ze daarbij nog eens mooi weer toewenste, kreeg hij zijn bijnaam.
burger, börger, (zelfstandig naamwoord), burger.
bus, busse, (zelfstandig naamwoord), 1. blik; 2. brievenbus. Zie ook: brievenbusse, loerkleppe; 3. (verouderd) ziekenfonds.
bus, busse, (zelfstandig naamwoord), autobus. Uitdr.: De busse van Skutte en lopen dät dut e (Schutte was de onderneming die ± 1960 de Zwolse stadsbus liet rijden).
buskruit, buskruut, (zelfstandig naamwoord), buskruit.
bussenman, [geldophaler], busseman, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), geldophaler van het ziekenfonds.
butkieper, [iem. die uitwerpselen ophaalt], butkieper, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), tonnetjesman, man van de gemeentereiniging die de tonnetjes met faeces ophaalde. De butkieper ef de stronttonne vergèten op te alen. Zie ook: tunnegieskerel.
buurt, buurte, (zelfstandig naamwoord), buurt.
buurtschap, buurtskop, buurskap, (zelfstandig naamwoord), buurtschap.
cadeau, kedo, (zelfstandig naamwoord), kedeugien, cadeau.
cadeaubon, [waardebon], kedobonne, (zelfstandig naamwoord), cadeaubon.
cadeaupapier, [inpakpapier], kedopepier, (zelfstandig naamwoord), cadeaupapier.
capabel, kepaobel, (bijvoeglijk naamwoord), capabel, bekwaam. Zie ook: bekwaom.
carbid, cärbied, (zelfstandig naamwoord), carbid; werd vroeger gebruikt voor lampen.
carbidbus, [bus waarin men carbid laat ontploffen], cärbiedbusse, (zelfstandig naamwoord), knalbus, bijvoorbeeld een oude verfbus of een koffiestroopbusje van Buisman. Een beetje carbid erin, deksel erop, de voet op het busje zetten en wat spuug in het gaatje smeren dat in de bodem van het blikje zit. Door de verhitting van het carbid vliegt de deksel met een knal van het busje. Op ongeveer dezelfde wijze wordt op ouderjaarsavonds nog in dorpen met melkbussen geschoten.
carbidlamp, cärbiedlampe, (zelfstandig naamwoord), carbidlamp, een lamp op de fiets die vroeger door middel van carbid werd verlicht.
catechisatie, cattechesaosie, (zelfstandig naamwoord), catechisatie.
cementkuip, [kuip waarin cement gemaakt wordt], cementkupe, (zelfstandig naamwoord), cementkuip.
centenbakje, centenbäkkien, (zelfstandig naamwoord), 1. centenbakje; 2. vooruitstekende onderkaak.
chagrijnig, sjaggerijnig, saggerijnig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), chagrijnig.
cheffin, cheffinne, (zelfstandig naamwoord), cheffin.
chocolade, sukela, (zelfstandig naamwoord), chocolade.
chocoladeballetje, [soort snoep], sukelabällegien, sukerlabällegien, (zelfstandig naamwoord), suikerballetje waarin wat chocolade zit.
cichorei, siegerei, (zelfstandig naamwoord), cichoreikoffie, koffiesurrogaat. Zie ook: sjiegerei, kniep-of.
cichorei, sjiegerei, (zelfstandig naamwoord), cichorei, surrogaat voor koffie. Zie ook: siegerei, kniep-of.
cijfer, ciefer, (zelfstandig naamwoord), cijfer.
cijferen, cieferen, (werkwoord), cieferen, ecieferd, cijferen. Zie ook: rèkenen.
citroen, cetroene, (zelfstandig naamwoord), cetruuntien, citroen.
citroengeel, [de kleur van een citroen hebbend], cetroengèèl, (bijvoeglijk naamwoord), citroengeel.
citroenpers, [toestel om het sap uit citroenen te persen], cetroenpärse, (zelfstandig naamwoord), citroenpers.
citroentje, cetruuntien, (zelfstandig naamwoord), 1. kleine citroen; 2. citroentje (drank); 3. citroengele vlinder.
cokes, kooks, (zelfstandig naamwoord), cokes, steenkool.
col, [kraag, boord], kolle, (zelfstandig naamwoord), hoge boord op trui.
collectebus, [bus om mee to collecteren], collectebusse, (zelfstandig naamwoord), collectebus.
commies, kemies, (zelfstandig naamwoord), commies.
commiesbrood, kemiesbrood, (zelfstandig naamwoord), tarwebrood.
commissaris, commesaeris, (zelfstandig naamwoord), commissaris.
compliment, komplement, (zelfstandig naamwoord), 1. compliment; 2. (mv.) groeten. Met de komplementen van de baas.
consorten, konsjörten, (zelfstandig naamwoord), consorten, soortgenoten.
consternatie, konsternasie, (zelfstandig naamwoord), consternatie.
Constructiewinkel, [werkplaats van de spoorwegen], Constructiewinkel, (zelfstandig naamwoord), vroegere bijnaam voor de centrale werkplaats van de spoorwegen.
corset, keset, (zelfstandig naamwoord), corset.
coupon, couponne, (zelfstandig naamwoord), coupunnegien, coupon.
courage, koerazie, (zelfstandig naamwoord), moed, lef (uit Frans courage).
creperen, kramperen, (werkwoord), kramperen, ekrampeerd, creperen.
daad, daod, (zelfstandig naamwoord), daad.
daadwerkelijk, daodwärkelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), daadwerkelijk.
daar, döör, (bijwoord), daar (ook in samenstellingen).
daaraan, dööran, (bijwoord), daaraan.
daarachter, [achter die zaak], döörachter, (bijwoord), daarachter.
daarbij, döörbi’j, (bijwoord), daarbi’j.
daarbinnen, [in het genoemde], döörbinnen, (bijwoord), daarbinnen.
daarboven, döörbaoven, (bijwoord), daarboven.
daarbuiten, döörbuten, (bijwoord), daarbuiten.
daardoor, döördeur, (bijwoord), daardoor.
daarginder, döörgunter, döörgunder, (bijwoord), daarginds.
daarheen, döör-en, (bijwoord), daarheen.
daarin, döörin, (bijwoord), daarin.
daarlangs, döörlanges, (bijwoord), daarlangs.
daarmee, döörmet, döörmee, (bijwoord), daarmee.
daarna, döörnao, (bijwoord), daarna.
daarnaast, [naast die zaak], döörnaost, (bijwoord), daarnaast.
daarnet, [zojuist], döörnet, (bijwoord), daarnet, zojuist.
daarom, döörumme, (bijwoord), daarom.
daaronder, dööronder, (bijwoord), daaronder.
daaronderdoor, [onder het genoemde door], dööronderdeur, (bijwoord), daaronderdoor.
daarop, döörop, (bijwoord), daarop.
daarover, dööraover, (bijwoord), daarover.
daaroverheen, [over het genoemde heen], dööraover-en, (bijwoord), daaroverheen.
daartegenover, [tegenover het genoemde], döörtegenaover, (bijwoord), daartegenover.
daartussen, [tussen het genoemde], döörtussen, (bijwoord), daartussen.
daartussendoor, [tussen het genoemde door], döörtussendeur, (bijwoord), daartussendoor.
daaruit, [uit het genoemde], dööruut, (bijwoord), daaruit.
daarvan, [van het genoemde], döörvan, (bijwoord), daarvan.
daarvoor, döörveur, (bijwoord), daarvoor.
daarzo, [op die plaats], döörzoot, döörzo, (bijwoord), daarzo.
daas, daze, (zelfstandig naamwoord), daas, steekvlieg.
daas, daze, (zelfstandig naamwoord), sukkel.
Daatje, [eigennaam], daegien, (zelfstandig naamwoord), in: gekke daegien ‘(letterlijk) gekke Daatje’ (scheldwoord).
dadelijk, dalijk, dadelijk, (bijwoord), dadelijk, meteen.
dader, daoder, (zelfstandig naamwoord), dader.
dag, dag, (zelfstandig naamwoord), däggien, dag. Wi’j gaon een däggien uut.
dagverblijf, [plaats waar men overdag verblijven kan], dagverblief, (zelfstandig naamwoord), dagverblijf.
dagwerk, dagwärk, (zelfstandig naamwoord), dagwerk. Döör ku-j dagwärk an ebben.
dak, dak, (zelfstandig naamwoord), däkkien, dak.
dakgoot, [goot voor het afvoeren van regenwater], dakgötte, (zelfstandig naamwoord), dakgoot.
daklijst, [rand langs een dak of dakgoot], daklieste, (zelfstandig naamwoord), daklijst.
dakpan, dakpanne, (zelfstandig naamwoord), dakpan.
damp, damp, (zelfstandig naamwoord), mist.
dampig, dämstig, dempig, zie: körtaosemig.
danig, daonig, (bijwoord), danig.
dansmeestertje, dansmeestertien, (zelfstandig naamwoord), zaadje van de linde. Oud spelletje: de zaadjes met hun steeltjes in een pijpensteel zetten, waarna ze gaan dansen als men voorzichtig in de pijpensteel blaast.
darm, därm, (zelfstandig naamwoord), darm. Uitdr.: ‘t Löp em dunne deur de därms ‘hij heeft het niet zo best, lijdt armoede’.
das, dasse, (zelfstandig naamwoord), dässien, (strop)das, sjaal. Zie ook: strikke, sjale.
das, dasse, (zelfstandig naamwoord), dässien, das (roofdier).
dat, dät, (aanwijzend voornaamwoord), aanw. vnw., dat. Dät is now wat ik zuke.
datum, daotum, (zelfstandig naamwoord), datum.
dauwelen, douwelen, (werkwoord), douwelen, edouweld, stoeien, dollen, duvelen (niet kwaad bedoeld). Zie ook: eisteren.
deel, dèle, (zelfstandig naamwoord), deel, plaats voor het vee in de boerderij.
deelnemen, deelnemmen, (werkwoord), deelnemen.
deerne, deerne, zie: meisien.
deken, dèken, (zelfstandig naamwoord), deken. Onder een wärme wollen dèken.
del, delle, (zelfstandig naamwoord), del, vrouw van lichte zeden.
del, delle, (zelfstandig naamwoord), deuk.
den, denne, (zelfstandig naamwoord), den.
denkelijk, [waarschijnlijk], denkelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), waarschijnlijk.
denken, denken, (werkwoord), denkt, dach(t), edach(, denken.
dennennaald, dennenaolde, (zelfstandig naamwoord), dennennaald.
derde, därde, (rangtelwoord), derde.
derde, därdes, (zelfstandig naamwoord), de derde. IJ is därdes ewörren.
derdegraadsverbranding, [verbranding in de ernstigste graad], därdegraodsverbranding, (zelfstandig naamwoord), derdegraadsverbranding.
dertien, därtiene, (telwoord), dertien.
dertig, därtig, (telwoord), dertig.
deuk, dökke, (zelfstandig naamwoord), deuk.
deuntje, deuntien, (zelfstandig naamwoord), deuntje.
deur, deure, (zelfstandig naamwoord), deur. Ik gao deur de deure.
deurbel, [bel in de post van een huisdeur], deurbelle, (zelfstandig naamwoord), deurbel.
deurklink, [handvat om een deur te openen], deurklinke, zie: deurknoppe.
deurknop, [handvat om een deur te openen], deurknoppe, (zelfstandig naamwoord), deurknop. Zie ook: deurklinke, deurkrukke.
deurkozijn, [raamwerk rondom een deur], deurkezien, (zelfstandig naamwoord), deurkozijn.
deurkruk, [handvat om een deur te openen], deurkrukke, (zelfstandig naamwoord), deurkruk, deurknop. Zie ook: deurknoppe, deurklinke.
deurmat, [mat voor een deur], deurmatte, (zelfstandig naamwoord), deurmat.
deuvekater, duvelskaters, (tussenwerpsel), allemensen, allemachtig!
deze, disse, (aanwijzend voornaamwoord), deze.
deze, dissende, dissend, (zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord), deze.
dezelfde, [identiek, gelijk], dezelde, (aanwijzend voornaamwoord), dezelfde.
dicht, dichte, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), dicht.
dichtbij, dichtbi’j, (bijwoord), dichtbij. IJ woont dichtbi’j.
dichtknijpen, [door knijpen sluiten], dichtekniepen, (werkwoord), dichtknijpen.
dichtknopen, [met een knoop of knopen sluiten], dichteknuppen, (werkwoord), dichtknopen. Zie ook: toeknuppen.
dichtspijkeren, [met spijkers dichtmaken], dichtespiekeren, (werkwoord), spiekeren dichte, dichte-espieker, dichtspijkeren.
diendertje, [borrel], diendertien, (zelfstandig naamwoord), borrel. Zie ook: börrel.
dienstjaar, diensjöör, (zelfstandig naamwoord), dienstjaar.
diep, diepe, 1. bn., diep. Dät zwembad is diepe. Een diepe putte; 2. zn., waar het diep is. Ik gao int diepe.
diertje, [klein kind], diertien, (zelfstandig naamwoord), klein kind. Ach, wat een klein diertien.
Diezerstraat, [straatnaam], Diesstraote, (met lange ie), (zelfstandig naamwoord), (verouderd), Diezerstraat.
dij, di’je, (zelfstandig naamwoord), dij, deel van het bovenbeen. IJ slöt zich op zien di’jen van plezier.
dijk, diek, (zelfstandig naamwoord), dijk.
dik, dikke, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. dik. Die vrouwe is best dikke. Die baby is dikke in-epakt. Dikke melk ‘koemelk waarvan het eiwitachtig bestanddeel dik is geworden door het melkzuur dat zich door bacteriën in de melk heeft gevormd’; 2. vol. Ik binne der dikke van; 3. ruim, volop. Die kerel ef dikke geld, In de kärke waerenn dikke 100 mensen; 4. in: dikke lucht: scheldwoord. Gao toch deur, dikke lucht!
ding, dink, (zelfstandig naamwoord), ding, voorwerp.
dinsdag, dinses, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), dinsdags, op dinsdag.
dinsdag, dinsdag, (zelfstandig naamwoord), dinsdag.
dispensatie, dispenzaosie, (zelfstandig naamwoord), dispensatie, ontheffing.
dit, ditte, (zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord), dit.
dobbelsteen, dobbelstien, (zelfstandig naamwoord), dobbelsteen.
dobber, dobber, (zelfstandig naamwoord), döbbertien, dobber.
dode, dooie, (zelfstandig naamwoord), dode.
dodenlijst, [lijst van overledenen], dooienlieste, (zelfstandig naamwoord), dodenlijst.
doedeldop, doedeldoppe, (zelfstandig naamwoord), goedzak, sufferd.
doek, doek, (met lange uu), (zelfstandig naamwoord), dukien, doek.
doen, doen, (werkwoord), dut, dee(d), edaon, doen.
doesteren, [dommelen], doesteren, (werkwoord), doesteren, edoesterd, dommelen, sluimeren. Zie ook: dummelen.
doesterig, [slaperig], doesterig, (bijvoeglijk naamwoord), slaperig, suffig, dommelig. Ik binne een bettien doesterig int eufd. Zie ook: dummelig.
doezelig, doezelig, (bijvoeglijk naamwoord), slaperig, sloom.
dokken, dökken, (werkwoord), dökken, edökt, dokken, betalen.
dominee, domeneer, domenee, (zelfstandig naamwoord), 1. dominee. Een blikken domenee ‘een dominee die geen gemeente achter zich heeft’; 2. ‘iemand met een uitgestreken gezicht’.
dommelen, dummelen, (werkwoord), dummelen, edummeld, dommelen. IJ dummelt een bettien weg in zien stoel. Zie ook: doesteren.
dommelig, dummelig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. dommelig, soezerig. Ik vule mi’j een bettien dummelig. Zie ook: doesterig; 2. vergeetachtig. IJ wört wat dummelig. Zie ook: vergèètachtig; 3. weinig levendig.
donderbus, [kanon], donderbusse, (zelfstandig naamwoord), 1. donderbus, oud middeleeuws geschut; 2. bus of busje (een melkbus of een koffiestroopbusje) waarin carbid en wat vocht (spuug) door gasontwikkeling tot ontploffing wordt gebracht zodat de deksel er met een knal afvliegt (volksgebruik bij oud en nieuw).
donderdag, donderdag, (zelfstandig naamwoord), donderdag.
donderdags, dondes, donderdes, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), donderdags. Dondes gao ik altied bosskoppen doen.
donderkop, donderkop, (zelfstandig naamwoord), donderköppien, 1. onweerswolk; 2. (vkw.) ondeugend kind; 3. (vkw.) kikkervisje. Zie ook: donderpadde, donderstien.
donderpad, donderpadde, (zelfstandig naamwoord), 1. kikkervisje; 2. ondeugend kind. Zie ook: donderkop, donderstien.
donderpreek, [felle toespraak], donderprèke, (zelfstandig naamwoord), donderpreek.
dondersteen, donderstien, (zelfstandig naamwoord), dondersteen, ondeugend kind. Zie ook: donderkop, donderpadde.
dood, dood, (bijvoeglijk naamwoord), (verbogen vorm: dooie), dood. Die takke is dood. Een dooie takke, een dooie boel.
dood, daoi, (bijvoeglijk naamwoord), sloom. Een daoie diender.
doodbedaard, [erg stil], doodbedaerd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), doodstil, muisstil. Zie ook: moesstille.
doodweg, [domweg, doodleuk], doodweg, (bijwoord), domweg, doodleuk.
dooi, deui, (zelfstandig naamwoord), dooi. Mörgen kriegen wi’j deui.
dooie, daoie, (zelfstandig naamwoord), iemand die sloom is. ‘t Is mien een daoie!
dooien, deuien, (werkwoord), deuien, edeuid, dooien. ‘t Ef vandaege goed edeuid.
dooier, deuier, döre, (zelfstandig naamwoord), eierdooier. Zie ook: eidooier, eigèèl, gèèl.
doolhof, doolof, (zelfstandig naamwoord), doolhof.
doop, deup, (zelfstandig naamwoord), doop.
doopjurk, [kledingstuk waarin men wordt gedoopt], deupjörk, (zelfstandig naamwoord), doopjurk.
doopnaam, [voornaam], deupname, (zelfstandig naamwoord), doopnaam.
doopsgezind, [behorend tot de Doopsgezinde Gemeente], deupsgezind, (bijvoeglijk naamwoord), doopsgezind.
doopvont, deupvont, (zelfstandig naamwoord), doopvont.
doopwater, [voor de doop bestemd water], deupwater, (zelfstandig naamwoord), doopwater.
door, deur, (voorzetsel), door.
doorademen, [aanhoudend ademen], deuraosemen, (werkwoord), doorademen.
doorbakken, [goed gaar gebakken], deurbakken, (bijvoeglijk naamwoord), doorbakken.
doorbijten, [doorgaan met bijten; volhouden], deurbieten, (werkwoord), doorbijten. Ie mut nog effen deurbieten. Dät snupien is te ärd um deur te bieten.
doorbijter, [doorzetter], deurbieter, (zelfstandig naamwoord), doorbijter, volhouder. IJ is een deurbieter.
doorbloeien, [verder bloeien], deurbluuien, (werkwoord), doorbloeien.
doorbreken, [scheiden of gescheiden worden; door een weerstand breken], deurbrèken, (werkwoord), doorbreken.
doorbuigen, [door druk buigen of doen buigen], deurbugen, (werkwoord), doorbuigen.
doordat, deurdät, (voegwoord), doordat.
doordenkertje, [iets waarvan de juiste betekenis niet meteen duidelijk is], deurdenkertien, (zelfstandig naamwoord), doordenkertje.
doordeweeks, [behorend bij de gewone weekdagen], deurdewèèks, (bijvoeglijk naamwoord), doordeweeks.
doordoen, [doorzetten], deurdoen, (werkwoord), doordoen, doorgaan. Ie mut dom deurdoen.
doordoen, [schrappen; in tweeën breken], deurdoen, (werkwoord), 1. doorhalen, schrappen. Ik komme niet. Ie kunt mi’j wel deurdoen; 2. in tweeën breken, doorsnijden.
doordraaien, deurdreien, (werkwoord), doordraaien.
doordrammen, deurdrammen, (werkwoord), drammen deur, deuredramd, doordrammen.
doordrijven, [doorzetten], deurdrieven, (werkwoord), doordrijven.
doordrijver, deurdriever, (zelfstandig naamwoord), doordrijver.
dooreten, [verder eten; voortmaken met eten], deurèten, (werkwoord), dooreten.
doorgaan, deurgaon, (werkwoord), doorgaan.
doorgaans, deurgaons, (bijwoord), doorgaans.
doorgang, [opening], deurgang, deurgank, (zelfstandig naamwoord), doorgang.
doorgeven, [verder geven; doorbuigen], deurgèven, (werkwoord), doorgeven.
doorgroeien, [verder groeien], deurgruuien, (werkwoord), doorgroeien.
doorhakken, deurakken, (werkwoord), doorhakken.
doorhalen, [door een opening halen; schrappen], deuralen, (werkwoord), doorhalen.
doorheen, deur-en, (bijwoord), doorheen.
doorkachelen, [opschieten, doorgaan], deurkachelen, (werkwoord), kachelen deur, deurekacheld, 1. opschieten, vlugger doorlopen; 2. doorgaan.
doorkijk, deurkiek, (zelfstandig naamwoord), doorkijk.
doorkomen, [passeren; doorstaan], deurkommen, (werkwoord), doorkomen. Der was gien deurkommen an.
doorkruisen, [doorhalen, schrappen], deurkrusen, deurkruzen, (werkwoord), krusen deur, deurekruust, doorkruisen, doorhalen.
doorkruisen, [bereizen], deurkrusen, deurkruzen, (werkwoord), deurkrusen, deurkruust, doorkruisen, doorreizen.
doorlaten, deurlaoten, (werkwoord), doorlaten.
doorloop, deurloop, (zelfstandig naamwoord), doorloop, gangpad.
doorlopen, deurlopen, (werkwoord), doorlopen. A-j uut skoele kommen, mu-j goed deurlopen.
doorlopend, [steeds voortgaand], deurlopend, (bijvoeglijk naamwoord), doorlopend.
doorlopers, [schaatsen], deurlopers, deurloper, (zelfstandig naamwoord), 1. doorlopers (schaatsen); 2. doorlooppuzzel(s).
doormeten, [met behulp van elektrische stroom meten], deurmèten, (werkwoord), doormeten.
doorn, doorne, (zelfstandig naamwoord), doorns, doorn, stekel. Zie ook: stèkel.
doornemen, [bestuderen, bespreken], deurnemmen, (werkwoord), doornemen.
doorpraten, [doorgaan met praten; geheel bespreken], deurpraoten, (werkwoord), doorpraten.
doorrijden, [doorgaan met rijden; met spoed rijden], deurriejen, deurri’jen, deurrieden, (werkwoord), doorrijden.
doorroeren, [roerende vermengen], deurreuren, (werkwoord), doorroeren.
doorschemeren, deurskemeren, (werkwoord), doorschemeren. IJ liet deurskemeren dät e der meer van of wist.
doorschijnen, [blijven schijnen; door iets heen schijnen], deurskienen, (werkwoord), doorschijnen.
doorschuiven, [verder schuiven], deurskoeven, (werkwoord), doorschuiven.
doorslaan, [blijven slaan; overdrijven], deurslaon, (werkwoord), 1. doorslaan; 2. een geheim verraden; 3. overdrijven; door het lint gaan.
doorslapen, [blijven slapen], deurslaopen, (werkwoord), doorslapen.
doorsnede, [vlak waarlangs een lichaam is doorgesneden; gemiddelde], deursnee, (zelfstandig naamwoord), doorsnee.
doorsnijden, deursniejen, deursnieden, (werkwoord), doorsnijden.
doorspoelen, deurspulen, (werkwoord), doorspoelen.
doorstaan, deurstaon, (werkwoord), (deurstiet, deurston, deurstaonIJ ef eel wat mutten deurstaon.
doorverbinding, [een verdergaande verbinding tot stand brengen], deurverbinnen, (werkwoord), doorverbinden.
doorverwijzen, [verder verwijzen], deurverwiezen, (werkwoord), doorverwijzen.
doorvragen, [blijven vragen], deurvraogen, (werkwoord), doorvragen.
doorwaaien, [blijven waaien], deurweien, (werkwoord), doorwaaien.
doorwerken, deurwärken, (werkwoord), doorwerken.
doorzakken, [doorbuigen; te veel alcohol drinken], deurzakken, (werkwoord), zakken deur, deurezakt, doorzakken. Effen läkker deurzakken.
doorzoeken, [verder zoeken], deurzuken, (werkwoord), verder gaan met zoeken.
doorzoeken, deurzuken, (werkwoord), deurzöch, deurzoch, deurzöch(, doorzoeken, zoekend doorwerken.
doorzonkamer, [kamer over de volle diepte van een huis], deurzunkamer, (zelfstandig naamwoord), doorzonkamer.
doos, deuze, (zelfstandig naamwoord), deusien, 1. doos. Een verael uut de olde deuze; 2. toilet, wc. Uitdr.: Ik mut effen op de deuze ‘ik moet even naar de wc’. Zie ook: kakdeuze, usien.
dop, doppe, (zelfstandig naamwoord), döppien, dop (van een fles bijv.).
dopeling, deupeling, (zelfstandig naamwoord), dopeling.
dopen, deupen, (werkwoord), deupen, edeupt, dopen.
doperwt, [erwt die gedopt moet worden], döpärfte, döpärte, (zelfstandig naamwoord), doperwt. Zie ook: ärfte, döpper.
doperwt, döpper, (zelfstandig naamwoord), döppertien, zie: döpärfte.
doppen, döppen, (werkwoord), döppen, edöpt, doppen. Assies döppen ‘pinda’s doppen’.
dorp, dörp, (zelfstandig naamwoord), dorp.
dorpel, dörpel, zie: drumpel.
dorsen, dörsen, (werkwoord), dörsen, edörst, dorsen. De boer ef zien akker edörst.
dorst, dörst, (zelfstandig naamwoord), dorst.
dorstig, dörstig, (bijvoeglijk naamwoord), dorstig.
dot, dodde, (zelfstandig naamwoord), 1. pluk, dot, toef. Een dodde watten. Een dodde slagroom. Zie ook: toefte; 2. speen.
dot, [spreeuw], dodde, (zelfstandig naamwoord), jonge spreeuw. Uitdr.: Eb ie wel iens een dodde op een liekelatte zien tuksen: sjibbolet, zinnetje met specifiek Zwolse woorden.
dozijn, dezien, deuzien, (zelfstandig naamwoord), dozijn, aantal van twaalf.
draad, draod, (zelfstandig naamwoord), drögien, draad, garen. Zie ook: gören, görendraod. Uitdr.: D’r mee veur de draod kommen ‘ermee te voorschijn komen’; Ondert draod deur vrèten ´iets nemen waar je geen recht op hebt’, ‘ongewenst zwanger worden’.
draadje, drögien, (zelfstandig naamwoord), 1. draadje; 2. slome. Zie ook: görendrögien.
draadjesvlees, [stooflappen], drögiesvleis, (zelfstandig naamwoord), draadjesvlees, rundvlees.
draadnagel, draodnagel, (zelfstandig naamwoord), 1. draadnagel, spijker. Zie ook: spieker; 2. laks persoon; 3. dwarskop.
draai, drei, (zelfstandig naamwoord), draai. Uitdr.: IJ kan zien drei niet vinnen ‘hij voelt zich nog niet op zijn gemak, hij voelt zich nog niet thuis’.
draaibank, [werkbank], dreibanke, (zelfstandig naamwoord), draaibank.
draaideur, [deur die om een as draait], dreideure, (zelfstandig naamwoord), draaideur.
draaien, dreien, (werkwoord), dreien, edreid, draaien.
draaikont, dreikonte, (zelfstandig naamwoord), draaikont, leugenaar.
draaimolen, [kermisattractie], dreimölle, (zelfstandig naamwoord), draaimolen. Zie ook: skuties-en-peerties.
draaiorgel, dreiörgel, (zelfstandig naamwoord), 1. draaiorgel; 2. iemand die niet stil kan zitten. Zie ook: dreitolle.
draaitafel, [draaibare tafel], dreitaofel, (zelfstandig naamwoord), draaitafel.
draaitol, dreitolle, (zelfstandig naamwoord), 1. draaitol; 2. iemand die niet stil kan zitten. Zie ook: dreiörgel.
draf, draf, (zelfstandig naamwoord), dräffien, draf, bep. gang van een paard. Opn dräffien lopen ‘op een drafje lopen’.
drank, drank, (zelfstandig naamwoord), dränkien, drank.
drekbak, [vuilnisbak], drekbak, (zelfstandig naamwoord), zinken vuilnisemmer, asemmer. Voordat de zinken vuilnisemmer oftewel asemmer kwam, had men de groen geschilderde, taps toelopende bak met een deksel erop van hout, een houten container als het ware. Zie ook: vullesbak, vullesemmer.
drempel, drumpel, (zelfstandig naamwoord), drempel. Uitdr.: IJ löp zo’n bettien tussen deure en drumpel ‘hij kwakkelt’. Zie ook: dörpel.
drie, drieje, (telwoord), drie.
drieklezoor, drieklezoer, (zelfstandig naamwoord), 1. raar persoon; 2. een ¾ steen (bouwterm).
Drietrommeltjessteeg, [straatnaam], Drietrummegiesstège, (zelfstandig naamwoord), Drietrommeltjessteeg, ooit Doornstraat geheten, straatje in de binnenstad tussen Eiland en Pletterstraat waar vroeger ambachtslieden en neringdoenden leefden en werkten. Je had hier de logementen De Vriendschap, De Posthoorn en Chinezenlogement Tiën. De naam Drietrommeltjessteeg is ontleend aan het huis ‘Drie Trommeltjes’ dat er ooit heeft gestaan. Heel bekend is een revueliedje waarin deze steeg voorkomt.
drijfnat, driefnat, (bijvoeglijk naamwoord), drijfnat.
drijftol, drieftolle, (zelfstandig naamwoord), drijftol, zweeptol. Zie ook: nakeneersien, zweptolle.
drijten, drieten, (werkwoord), drit, dreet, edreten, poepen. Zie ook: skieten.
drijterd, [bangerik], drieterd, (zelfstandig naamwoord), bangerik, schijterd.
drijven, drieven, (werkwoord), drif, dreef, edreven, 1. drijven. ‘De oostie die drif’ werd vroeger gezegd bij sterke oostenwind. Men bedoelde de stank van de turfvelden in Drente, die hier naar toedreef door de oostenwind; 2. drijven, aansporen, aanzetten tot.
drijver, driever, (zelfstandig naamwoord), 1. drijver, iemand die bijvoorbeeld vee drijft; 2. vlotter; 3. een pitje van een olielamp, dat op olie drijft; 4. iemand die een zaak wil doorzetten, agitator.
drogen, dreugen, (werkwoord), dreugen, edreugd, drogen.
droger, dreuger, (zelfstandig naamwoord), droger.
drogerij, dreugeri’je, (zelfstandig naamwoord), drogerij.
drogisterij, [winkel van een drogist], dreugisteri’je, (zelfstandig naamwoord), drogisterij.
dromen, dreumen, (werkwoord), dreumen, edreumd, dromen.
dromer, dreumerd, (zelfstandig naamwoord), dromer.
dronken, dronkend, (bijvoeglijk naamwoord), dronken. Zie ook: kachel.
droog, dreuge, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), droog. Een dreuge beskute. De wasse is dreuge. IJ stiet al een posien dreuge.
droogbloem, [plant], dreugbloeme, (zelfstandig naamwoord), droogbloem.
drooghek, [hek om de was op te drogen], dreugekke, (zelfstandig naamwoord), drooghek. Vroeger had men houten droogrekken die om de kachel of buiten werden gezet zodat de was erop kon drogen. Zie ook: dreugrek.
droogje, [vast voedsel], dreugien, (zelfstandig naamwoord), droogje, in Uitdr.: Op een dreugien zitten ‘ergens zitten zonder dat je iets te drinken wordt aangeboden’.
droogkap, [verwarmde kap], dreugkappe, (zelfstandig naamwoord), droogkap.
drooglijn, [waslijn], dreugliende, (zelfstandig naamwoord), drooglijn, waslijn. Zie ook: liende, wasliende.
droogmolen, [draaibaar drooghek], dreugmölle, (zelfstandig naamwoord), droogmolen.
droogpruim, dreugproeme, (zelfstandig naamwoord), droogpruim, droogstoppel, een saai iemand. Zie ook: dreugstöppel.
droogrek, [rek waarop iets te drogen wordt gehangen], dreugrek, (zelfstandig naamwoord), droogrek. Zie ook: dreugekke.
droogstoppel, dreugstöppel, zie: dreugproeme.
droogzolder, [plaats waar iets gedroogd wordt], dreugzolder, (zelfstandig naamwoord), droogzolder.
droom, dreum, (zelfstandig naamwoord), droom.
drop, drup, (zelfstandig naamwoord), druppien, drop.
dropje, druppien, (zelfstandig naamwoord), 1. dropje; 2. sufferd; 3. slokje (sterke drank). Zie ook: slukkien.
druif, droeve, (zelfstandig naamwoord), drufien, druif.
druivensap, [sap van druiven], droevensap, (zelfstandig naamwoord), druivensap.
druivensuiker, [soort suiker], droevensuker, (zelfstandig naamwoord), druivensuiker.
drukkerij, drukkeri’je, (zelfstandig naamwoord), drukkerij.
dubbel, dubbeld, (bijvoeglijk naamwoord), dubbel. Uitdr.: IJ skrif met dubbeld kriet ‘hij berekent te veel, hij is niet eerlijk’; dubbelde leden ‘Engelse ziekte’ (verouderd).
dubbeltje, dubbeltien, (zelfstandig naamwoord), vroegere munt: dubbeltje. Uitdr.: Een dubbeltien andel is bèter as een kwärtien wärk ‘in de handel kun je meer verdienen dan bij vast werk’.
duidelijk, dudelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), duidelijk.
duiden, duden, (werkwoord), duden, eduud, duiden.
duif, doeve, (zelfstandig naamwoord), dufien, duif.
duikelen, dukelen, (werkwoord), dukelen, edukeld, duikelen. Zie ook: toeselen.
duiken, duken, (werkwoord), dök/duukt, dook/duken,, duiken.
duiker, duker, (zelfstandig naamwoord), 1. duiker, iemand die duikt; 2. wateronderdoorgang.
duim, doeme, (zelfstandig naamwoord), duumpien, duim. Duumpien achter ‘gemeen’.
duimdrop, [soort snoep], doemdrup, (zelfstandig naamwoord), duimdrop, drop in de vorm van een duim. Kinderen deden zo’n dropje op hun duim en zogen er dan op.
duimelot, doemelot, (zelfstandig naamwoord), duimelot.
duimen, doemen, (werkwoord), doemen, edoemd, 1. duimen draaien; 2. duimzuigen.
duimendik, [zo dik als een duim breed is], doemdikke, (bijwoord), duimdik.
duimstok, duumstok, doemstok, (zelfstandig naamwoord), duimstok.
duimzuigen, [op de duim zuigen; fantaseren], doemezoegen, doemzoegen, (werkwoord), duimzuigen.
duister, duuster, 1. bn., bw., duister, donker. ‘t Is ärg duuster; 2. zn., (het) duister. Ik zagge niks int duuster.
duisternis, duusternisse, (zelfstandig naamwoord), duisternis.
duivel, duvel, (zelfstandig naamwoord), duivel. ‘t Lik wel of de duvel der met spölt.
duivelin, duvelinne, (zelfstandig naamwoord), duivelin, feeks.
duivelsnaaigaren, duvelsneigören, (zelfstandig naamwoord), duivelsnaaigaren (aanduiding van verschillende planten).
duivelswerk, [zware arbeid], duvelswärk, (zelfstandig naamwoord), zwaar, moeilijk werk.
duivenvereniging, [vereniging voor liefhebbers van duiven], doevevereniging, (zelfstandig naamwoord), duivenvereniging. Bint ter meer doevevereniginks?
duizelen, duzelen, (werkwoord), duzelen, eduzeld, 1. duizelen, draaierig in het hoofd worden. ‘t Duzelt mi’j; 2. verward draaien. Alles duzelen umme mi’j en.
duizelig, duzelig, (bijvoeglijk naamwoord), duizelig, draaierig.
duizeligheid, [toestand van duizelig zijn], duzeligeid, (zelfstandig naamwoord), duizeligheid.
duizeling, [draaiing in het hoofd], duzeling, (zelfstandig naamwoord), een gevoel van duizeligheid, draaiing in het hoofd. Een duzeling kriegen.
duizend, duzend, (telwoord), duizend.
duizendmaal, [duizend keren], duzendmaol, (bijwoord), duizendmaal.
duizendschoon, duzendskone, (zelfstandig naamwoord), duizendschoon (dianthus barbatus) (plant).
dun, dunne, (bijvoeglijk naamwoord), dun, mager.
dunk, dunken, (zelfstandig naamwoord), mening, in: van dunken wèèn ‘van mening zijn’.
dunne, dunne, (zelfstandig naamwoord), diarree, in bijv.: IJ is an de dunne.
durven, dörven, (werkwoord), dörven/dosse, edörfd, durven. Ik dörven/dosse niks te zeggen.
duvelstoejager, [handlanger bij allerlei werk], duvelstoejaeger, (zelfstandig naamwoord), 1. handlanger bij allerlei werk; 2. iemand die je achter de broek zit.
duveltje, duveltien, (zelfstandig naamwoord), 1. kleine duivel; 2. klein ondeugend kind; 3. kleine potkachel.
duwen, douwen, (werkwoord), douwen, edouwd, duwen.
dwaallicht, dwaellichien, (zelfstandig naamwoord), 1. dwaallichtje. Dwaellichies ‘St. Elmusvuur’ (verouderd); 2. iemand die in een gesprek van de een naar de ander loopt.
dwarrelen, dwärrelen, (werkwoord), dwärrelen, edwärreld, dwarrelen.
dwars, dwärs, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. dwars. Die tègel is dwärs deurmidden ebröken; 2. eigenwijs, tegendraads.
dwarshout, [dwars aangebrachte lat], dwärsolt, (zelfstandig naamwoord), dwarshout.
dwarsligger, [dwars liggende balk; iemand die dwarsligt], dwärsligger, (zelfstandig naamwoord), 1. dwars liggende balk; 2. iemand die dwarsligt.
dwarspoten, [naar buiten staande voeten], dwärspoten, (zelfstandig naamwoord), (all. mv.), dwarsvoeten, naar buiten staande voeten.
dwarsstraat, [zijstraat], dwärsstraote, (zelfstandig naamwoord), dwarsstraat. Uitdr.: Nuum maer een dwärsstraote op ‘zeg maar wat’.
dweil, dweile, (zelfstandig naamwoord), dweil.
dwerg, dwärg, (zelfstandig naamwoord), dwerg.
eau de cologne, odeklonje, (zelfstandig naamwoord), eau de cologne.
eekhoorn, iekoorn, (zelfstandig naamwoord), iekeurntien, eekhoorn.
een, iene, (telwoord), een.
eend, ente, (zelfstandig naamwoord), eend. Uitdr.: Sidi tamentis Astoe Entis pactum (namaak-Latijn) ‘zie die tamme eend eens, als het jouw eend is, pak hem’. Ooit stond deze tekst op een Citroën van het type ‘lelijke eend’ die eigendom was van Bé Reit.
eender, iender, (bijvoeglijk naamwoord), eender, gelijk.
eengezinswoning, [huis voor één gezin], eensgezinswonink, (zelfstandig naamwoord), eengezinswoning.
eenjarig, [één jaar oud, durend; in één jaar ontkiemend], ienjörig, (bijvoeglijk naamwoord), eenjarig.
eenkennig, ienkennig, (bijvoeglijk naamwoord), eenkennig.
eenmaal, ienmaol, (bijwoord), eenmaal.
eenmalig, ienmaolig, (bijvoeglijk naamwoord), eenmalig.
eens, iens, es, is, (bijwoord), eens. Meer dan iens; Ik dörvet niet iens te zeggen; Mu-j döör es kieken; Der was es een prinsessien.
eens, iens, (bijvoeglijk naamwoord), eens. Döör bin-kt niet met iens.
eentonig, [monotoon], ientonig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), eentonig.
eenvoud, ienvold, ienvoud, (zelfstandig naamwoord), eenvoud.
eenvoudig, ienvoldig, ienvoudig, (bijvoeglijk naamwoord), eenvoudig.
eenzaam, ienzaam, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), eenzaam.
eergisteren, eergister, (bijwoord), eergisteren.
eerlijk, eerlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), eerlijk.
eerste, eerstes, (zelfstandig naamwoord), het eerst. IJ is eerstes.
eerstens, eerstens, (bijwoord), ten eerste.
eertijds, eertieds, (bijwoord), eertijds.
eetlepel, [lepel waarmee men voedsel nuttigt], èètlèpel, (zelfstandig naamwoord), eetlepel.
eettafel, [tafel om aan te eten], èèttaofel, (zelfstandig naamwoord), eettafel.
eeuwig, iewig, 1. bn., eeuwig. IJ met zien iewige segrette; 2. bw., heel erg. Dät is iewig zunde.
effectief, ekfetief, (bijwoord), (verouderd), effectief, echt.
eg, egge, ège, (zelfstandig naamwoord), eg.
ei, ei, (zelfstandig naamwoord), eier, eiers, ei. Uitdr.: Döör dörf ik gien eier onder te leggen ‘ die is niet te vertrouwen’.
eierdooier, eidooier, (zelfstandig naamwoord), eierdooier. Zie ook: deuier, eigèèl, gèèl.
eierkolen, [kolen in de vorm van een ei], eierkaolen, (zelfstandig naamwoord), eierkolen.
eierkorf, eierkörf, (zelfstandig naamwoord), 1. eierkorf; 2. eigen hachje, lichaam.
eiermarkt, [markt voor eieren], eiermärkt, eiermärk, (zelfstandig naamwoord), eiermarkt.
eierpruim, [soort pruim], eierproeme, (zelfstandig naamwoord), eierpruim (groot soort donkerblauwe zure pruim).
eiertikken, [paasgebruik], eiertikken, (werkwoord), tikken eier, eieretikt, eiertikken als paasgebruik. Zie ook: boezen.
eigeel, [eierdooier], eigèèl, zie: eidooier.
eigenaar, eigenaer, (zelfstandig naamwoord), eigenaar.
eigenaardig, eigenöördig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), eigenaardig, raar. Zie ook: raer.
eigengereid, eigengedreid, zie: eigenwies.
eigenwijs, eigenwies, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), eigenwijs. Zie ook: eigengedreid.
eik, eike, (zelfstandig naamwoord), eik. Men zegt wel iekenolt maar nooit iekenboom.
eikenhout, [hout van de eik], iekenolt, (zelfstandig naamwoord), eikenhout.
eikenhouten, [van eikenhout], iekenölten, (bijvoeglijk naamwoord), van eikenhout. Een iekenölten planke.
Eileuvers, [carnavalsvereniging], Eileuvers, (zelfstandig naamwoord), Zwolse carnavalsvereniging, ontstaan in 1957, hoewel de datum en naam pas in de eerste statuten zijn vastgelegd en officieel zijn geworden in 1962.
eiloof, eiloof, (zelfstandig naamwoord), klimop.
einde, ende, (zelfstandig naamwoord), 1. eind; 2. stuk. Slager, doe mi’j maer een ende wörst.
ekster, äkster, (zelfstandig naamwoord), ekster.
el, elle, (zelfstandig naamwoord), el, oude lengtemaat.
elastiek, elestiek, stiek, (zelfstandig naamwoord), elestiekien, stiekien, elastiek.
elektriciteit, elektriek, (zelfstandig naamwoord), electriciteit.
elf, ellef, (telwoord), elf.
elk, elks, (onbepaald voornaamwoord), ieder. Elks iene.
elleboog, ellebaoge, (zelfstandig naamwoord), elleboog.
ellepijp, ellepiepe, (zelfstandig naamwoord), ellepijp.
emt, empe, (zelfstandig naamwoord), mier. Zie ook: miegempe, miere.
ene, iene, (onbepaald voornaamwoord), een zekere.
enigst, [waarvan er maar één is], ienigste, ienigst, (bijvoeglijk naamwoord), enig, waarvan er maar een is. Zi’j is ienigst kind. Dät was de ienigste vraoge die-k wisse.
enkel, enkeld, 1. bn., enkel, niet dubbel; 2. telw., enkel, (in het meervoud:) enkele.
er, der, ter, (bijwoord, voornaamwoord), er. Der lig een katte in de stoel.
eraan, deran, (bijwoord), eraan.
erbij, derbi’j, (bijwoord), erbij.
erdoor, derdeur, (bijwoord), erdoor.
ereboog, [als eerbewijs opgerichte boog], erebaoge, (zelfstandig naamwoord), ereboog.
erekruis, [ridderkruis], erekruus, (zelfstandig naamwoord), erekruis.
erf, ärve, (zelfstandig naamwoord), erf.
erg, ärg, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), erg.
ergens, ärgens, ärns, (bijwoord), ergens.
ergernis, ärgenisse, (zelfstandig naamwoord), ergernis.
erin, derin, (bijwoord), erin.
erna, dernao, (bijwoord), erna.
ernstig, [serieus], ärnstig, (bijvoeglijk naamwoord), ernstig.
erover, deraover, (bijwoord), erover.
eroverheen, [over het genoemde heen], deraover-en, (bijwoord), eroverheen.
ertussen, [tussen het genoemde], dertussen, (bijwoord), ertussen.
ertussendoor, [door een doorgang tussen aangrenzende zaken heen], dertussendeur, (bijwoord), ertussendoor.
ertussenin, [tussen de genoemde zaken in], dertussenin, (bijwoord), ertussenin.
ertussenuit, [tevoorschijn; uit het bedoelde vrij], dertussenuut, (bijwoord), ertussenuit.
eruit, deruut, (bijwoord), eruit.
ervandoor, dervandeur, (bijwoord), ervandoor.
erwt, ärfte, (zelfstandig naamwoord), ärfien, (dop)erwt. Zie ook: döpper, döpärfte.
erwtensoep, ärftensoep, ärtensoep, (zelfstandig naamwoord), erwtensoep, snert. Zie ook: snärt.
estrik, esterik, (zelfstandig naamwoord), 1. zuiver ronde knikker; 2. plavuis.
etalage, etelazie, (zelfstandig naamwoord), etalage.
eten, èten, 1. ww. (et/èèt, at, egèten), eten; 2. zn., voedsel.
etensbord, [bord om van te eten], ètensbörd, (zelfstandig naamwoord), bord.
etenstijd, [tijd om te gaan eten], ètenstied, (zelfstandig naamwoord), etenstijd.
eter, èterd, (zelfstandig naamwoord), eter. Dät is een goeie èterd.
eutegeu, [slome duikelaar], ötegö, (zelfstandig naamwoord), slome duikelaar. Zie ook: gögien.
even, èven, effen, (èèm(pies)), (bijwoord), èvenpies, even.
evengoed, [in dezelfde mate], èvengoed, (bijwoord), evengoed, evenzeer.
evenmin, èvenmin, (bijwoord), evenmin, ook niet.
evenveel, [in gelijk aantal], èvenvölle, effenvölle, (telwoord), evenveel.
evenwicht, èvenwich, (zelfstandig naamwoord), evenwicht.
evenwijdig, èvenwiedig, (bijvoeglijk naamwoord), evenwijdig.
evenzo, [op dezelfde wijze], èvenzo, (bijwoord), evenzo, net zo.
expres, espres, (bijwoord), expres, opzettelijk.
fabriek, febriek, (zelfstandig naamwoord), fabriek.
faggelen, foggelen, (werkwoord), foggelen, efoggeld, prutsen, bezig zijn maar eigenlijk niets doen.
failliet, fejiet, feliet, (bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord), failliet. Een fejiete boedel; IJ is fejiet; ‘t Fejiet.
falderappes, falderappe, (zelfstandig naamwoord), raar figuur. Dät is mi’j een falderappe!
familie, femilie, (zelfstandig naamwoord), familie. Zie ook: pärremetaosie.
fatsoen, fesoen, (zelfstandig naamwoord), fatsoen, model. Ie mut oew öör een bettien in fesoen brengen; Ol oew fesoen.
fatsoenlijk, [zich houdend aan het fatsoen], fesoenlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), fatsoenlijk.
fazant, fezante, (zelfstandig naamwoord), fazant.
feeks, feekse, (zelfstandig naamwoord), feeks, helleveeg.
feestavond, [avond waarop feest gevierd wordt], feestaovend, (zelfstandig naamwoord), feestavond.
feestmaal, [feestelijke maaltijd], feestmaol, (zelfstandig naamwoord), feestmaal.
feestvarken, [persoon te wiens ere een feest gevierd wordt], feestvärken, (zelfstandig naamwoord), feestvarken.
feliciteren, fieliciteren, fliciteren, (werkwoord), fieliciteren, efieliciteerd, feliciteren.
fidderen, fidderen, (werkwoord), fidderen, efidderd, trillen, rillen.
fiducie, fedusie, (zelfstandig naamwoord), fiducie, vertrouwen. Döör e-k gien fedusie in.
fiedeltje, [klein beetje], fiedeltien, (zelfstandig naamwoord), klein beetje.
fieselemie, fieselemie, (zelfstandig naamwoord), 1. gelaat; 2. geslachtsdelen.
fiets, fietse, (zelfstandig naamwoord), fiets.
figuur, feguur, (zelfstandig naamwoord), figuur.
fijn, fien, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. fijn, niet grof. Die wolle is fien, maert breit wè fijn; 2. spits, dun. Der zit een fiene punte ant potlood; 3. streng gelovig. Die mensen bint ärg fien.
fijne, fiene, (zelfstandig naamwoord), streng gelovige.
fijnknijpen, [door knijpen fijnmaken], fienkniepen, (werkwoord), fijnknijpen.
fijnsnijden, [door snijden fijnmaken], fiensniejen, fiensni’jen, fiensnieden, (werkwoord), fijnsnijden.
fijt, fiet, (zelfstandig naamwoord), fijt, soort ontsteking aan de vingertop.
filippine, [lupine], fielepiene, (zelfstandig naamwoord), lupine.
finaal, fienaol, fenaol, (bijwoord), finaal, totaal, geheel. Die auto is fienaol naor de knoppen ejaegd; Dät is fienaol verkeerd wa-j doet.
fladderak, fladderakkien, (zelfstandig naamwoord), bep. drank: boerenmeisjes oftewel abrikozen op brandewijn.
flanel, flenel, (zelfstandig naamwoord), flanel.
flap, flappe, (zelfstandig naamwoord), fläppien, flap.
flard, fladde, (zelfstandig naamwoord), 1. flard; 2. rafel; 3. klodder.
fles, flesse, (zelfstandig naamwoord), fles. Uitdr.: IJ is op de flesse ‘hij is failliet’.
flikkerij, flikkeri’je, (zelfstandig naamwoord), 1. bedrog; 2. voordelig zaakje. Een mooie flikkeri’je.
fluisteren, fluusteren, (werkwoord), fluusteren, efluusterd, fluisteren.
fluit, fluite, (zelfstandig naamwoord), fluit. Uitdr.: Dät is nog een jonge fluite ‘dat is nog een jonge meid’.
fluitketel, [waterketel], fluitkètel, (zelfstandig naamwoord), fluitketel.
fluweel, fleweel, (zelfstandig naamwoord), fluweel.
foekepot, foekepot, (zelfstandig naamwoord), 1. spotnaam voor oude auto; 2. foekepot, rommelpot.
foeksandijvie, [soort stamppot], foeksandievie, foeksdievie, (zelfstandig naamwoord), stamppot van rauwe andijvie met spek (streekgerecht).
foeksen, [slordig aannaaien], foeksen, (werkwoord), foeksen, efoekst, slordig aannaaien.
foezel, foezel, (zelfstandig naamwoord), eigengestookte jenever, goedkope jenever.
foezelen, foezelen, (werkwoord), foezelen, efoezeld, 1. uitrafelen; 2. prutsen, haastig of slecht werken; 3. klein schrijven.
foezelig, [slordig], foezelig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), slordig, onverzorgd (bij kleding).
foezerd, [scheet], foezerd, foesterd, (zelfstandig naamwoord), zachte lichaamswind, niet te horen, wel te ruiken!
fok, fokke, (zelfstandig naamwoord), fok, bril. Zie ook: brille.
forceren, fokseren, (werkwoord), fokseren, efokseerd, forceren, dwingen.
fornuis, fenuus, (zelfstandig naamwoord), fornuis.
fotorol, [op een spoeltje gewikkelde film], fotorolle, (zelfstandig naamwoord), fotorullegien, (meestal vkw. fotorullegien), fotorol.
fots, fosse, fotse, (zelfstandig naamwoord), fössien, pluk, bosje. Een fosse öör; Een fosse touw.
fots, vodse, (zelfstandig naamwoord), pluk (haar, bijv.), prop (papier). Zie ook: plukke.
framboos, framboze, (zelfstandig naamwoord), frambeusien, framboos.
frommelen, froemelen, (werkwoord), froemelen, efroemeld, frommelen, iets wegstoppen.
frommelig, [gekreukeld], froemelig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kreukelig, frommelig. Zie ook: foekerig.
fuik, foeke, (zelfstandig naamwoord), 1. fuik; 2. valse vouw, kreukel, rimpel.
fuiken, [met de fuik vangen], foeken, (werkwoord), foeken, efoekt, 1. paling vangen. IJ is vergangen wèke ant foeken ewest, maer IJ ef niks evangen; 2. kreukelen, rimpelen. Ie begint in oew gezichte te foeken.
fuikerig, [kreukelig], foekerig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kreukelig, rimpelig, ruim zittend. Zie ook: froemelig.
fuiks, [kreukel], foekse, (zelfstandig naamwoord), kreukel.
gaan, gaon, (werkwoord), giet, gong/gonk, egaon, gaan.
gaande, [in beweging], gaonde, (bijvoeglijk naamwoord), gaande.
gaandeweg, gaondeweg, (bijwoord), gaandeweg, langzamerhand.
gaar, gaer, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), gaar, klaar. De koffie is gaer; De rapen bint gaer ‘dit is niet best!’.
gaffel, gaffel, (zelfstandig naamwoord), hooivork. Uitdr.: Van de gaffel in de grepe lopen ‘van kwaad tot erger geraken (want een hooivork heeft twee tanden en een greep heeft er vier)’. Zie ook: euivörke.
gal, galle, (zelfstandig naamwoord), gal.
galblaas, [blaas waarin niet benodigde gal verzameld wordt], galblaoze, (zelfstandig naamwoord), galblaas.
galerij, galleri’je, (zelfstandig naamwoord), galerij.
galerij, [politiebureau], galderieje, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), politiebureau.
galg, gälgien, (zelfstandig naamwoord), 1. schouderbandje (van dames- en kinderkleding). Zie ook: skolderbäntien; 2. lusje. Zie ook: lusse.
galg, galge, (zelfstandig naamwoord), 1. galg; 2. bretel. Zie ook: ulpzele.
galnoot, galnötte, (zelfstandig naamwoord), galnoot, nootvormige uitwas aan bladeren van eikenbomen die is ontstaan door een steek van een galwesp.
galp, [schreeuw, gil], galpe, galp, (zelfstandig naamwoord), schreeuw, gil.
galpen, galpen, (werkwoord), galpen, egalpt, hard schreeuwen, gillen. Galp toch niet zo.
galper, [schreeuwlelijk], galperd, (zelfstandig naamwoord), schreeuwlelijk.
gang, gank, (zelfstandig naamwoord), gang, vaart. Die kerel ad een beste gank.
gangloper, [tapijtwerk in een gang], gangleuper, (zelfstandig naamwoord), gangloper. Zie ook: leuper.
gangs, [bezig, aan de gang], gangs, (bijwoord), bezig, aan de gang.
gans, ganze, (zelfstandig naamwoord), gans.
ganzenbord, ganzebörd, (zelfstandig naamwoord), ganzenbord, spel.
ganzenveer, [veer van een gans], ganzevere, (zelfstandig naamwoord), ganzenveer.
garage, gerazie, (zelfstandig naamwoord), garage.
garde, gärde, (zelfstandig naamwoord), garde.
gareel, gereel, (zelfstandig naamwoord), gareel. Int gereel lopen ‘volgzaam zijn’.
garen, gaeren, (werkwoord), gaeren, egaerd, rapen, verzamelen. Alles bi’j mekaere gaeren.
garen, gören, (zelfstandig naamwoord), garen. Uitdr.: IJ eft zwärte gören uutevunnen, terwielt witte der al was ‘hij is niet zo goochem’.
garenarend, [raar persoon], görenörend, (zelfstandig naamwoord), raar persoon.
garendraad, görendraod, (zelfstandig naamwoord), garendraad, draad
garendraadje, görendrögien, (zelfstandig naamwoord), garendraadje.
garenklopper, [persoon die garen klopt; dom persoon], görenklopper, (zelfstandig naamwoord), (scheldwoord), dom figuur. Zie ook: görenklössien.
garenklosje, [klos waarop garen gewonden wordt], görenklössien, (zelfstandig naamwoord), 1. garenklosje; 2. zie: görenklopper.
garf, gärve, (zelfstandig naamwoord), garf, schoof. Uitdr.: IJ nemt de töppies van de gärven ‘hij neemt het beste deel’.
garnaal, genele, genale, (zelfstandig naamwoord), garnaal.
garstig, gasterig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. vies, smerig; 2. onbehaaglijk, niet lekker. Ik vule mi’j gasterig. Zie ook: lammenadig, sloerig, sloerderig.
gasfornuis, [fornuis met gaspitten], gasfenuus, (zelfstandig naamwoord), gasfornuis.
gaslantaarn, [lantaarn die op gas brandt], gaslanteern, (zelfstandig naamwoord), gaslantaarn.
gaspit, [brander van een gasstel], gaspitte, (zelfstandig naamwoord), gaspit. Zie ook: pitte.
gasser, gasterd, (zelfstandig naamwoord), 1. viezerik, smeerpoets; 2. smeerlap, gemeen iemand. Zie ook: fiesterd.
gastvrij, gastvri’j, (bijvoeglijk naamwoord), gastvrij.
gat, gat, (zelfstandig naamwoord), gägien, gat.
gauwigheid, [vlugheid; slimheid], gauwigeid, (zelfstandig naamwoord), gauwigheid.
gebruik, [het zich bedienen van iets; wijze van behandeling; gewoonte], gebruuk, (zelfstandig naamwoord), gebruik, gewoonte.
gebruikelijk, [gewoon; in gebruik zijnde], gebrukelijk, (bijvoeglijk naamwoord), gebruikelijk.
gebruiken, gebruken, (werkwoord), gebruken, gebruukt, gebruiken.
gebruiksaanwijzing, gebruuksanwiezing, (zelfstandig naamwoord), gebruiksaanwijzing.
gedaan, gedaon, (bijvoeglijk naamwoord), in: gedaon kriegen ‘ontslag krijgen’; iets gedaon kriegen ‘iets voor elkaar krijgen’.
gedaante, gedaonte, (zelfstandig naamwoord), gedaante.
gedachte, gedachte, gedache, (zelfstandig naamwoord), gedachte. Wa-j mi’j ezegd ebt za-k in gedachen ollen.
gedachtenis, gedachtenisse, (zelfstandig naamwoord), 1. gedachtenis, herinnering; 2. aandenken.
gedag, gedag, (tussenwerpsel), (verouderd), goeiedag.
gedenknaald, [obelisk], gedenknaolde, (zelfstandig naamwoord), gedenknaald.
gedenksteen, [steen ter nagedachtenis aan iets of iem.], gedenkstien, (zelfstandig naamwoord), gedenksteen.
gedicht, gedicht, (zelfstandig naamwoord), gedichien, gedicht.
gedijen, gedi’jen, (werkwoord), gedi’jen, gedi’jd, gedijen.
gedraai, [het aanhoudend draaien], gedrei, (zelfstandig naamwoord), gedraai.
geel, gèèl, 1. bn., geel; 2. zn., eigeel, eierdooier. Zie ook: eidooier.
geelgors, gèle gure, (zelfstandig naamwoord), geelgors.
geelzucht, gèèlzucht, (zelfstandig naamwoord), geelzucht. Zie ook: gèle zucht, zie: zucht.
geen, gien, (telwoord, onbepaald voornaamwoord, lidwoord), geen. Gien van allen. Gien iene. Ik vule gien piene.
geen een, [niemand], gieniene, (onbepaald voornaamwoord), niemand.
geeneens, gieniens, (bijwoord), geeneens, helemaal niet. Dät is gieniens goed. Zie ook: agees niet.
gefluister, [het fluisteren], gefluuster, (zelfstandig naamwoord), gefluister.
gefoeks, [het slordig in elkaar naaien], gefoeks, (zelfstandig naamwoord), het slordig in elkaar naaien. Zie ook: getoeks.
gehaast, [het aanhoudend zich haasten], ge-aost, (bijvoeglijk naamwoord), gehaast.
gehakt, ge-akt, ge-ak, (gakt), (zelfstandig naamwoord), gehakt.
gehaktbal, ge-akballe, (gakballe), (zelfstandig naamwoord), gehaktbal.
gehaktmolen, [molen om vlees tot gehakt fijn te malen], ge-akmölle, gakmölle, (zelfstandig naamwoord), gehaktmolen.
gehalte, ge-alte, (zelfstandig naamwoord), gehalte.
geheim, ge-eim, (zelfstandig naamwoord), geheim.
geheister, [drukte, gedoe], ge-eister, (zelfstandig naamwoord), drukte, gedoe, gedonderjaag.
gehemelte, ge-emelte, (zelfstandig naamwoord), gehemelte.
geheugen, ge-eugen, (zelfstandig naamwoord), geheugen.
gehoor, ge-eur, (zelfstandig naamwoord), gehoor.
gehorig, ge-eurig, (bijvoeglijk naamwoord), gehorig.
geit, geite, (zelfstandig naamwoord), 1. geit; 2. meisje (spottend gezegd). Zie ook: sikke.
geitenhaar, [haar van de geit], geite-öör, (zelfstandig naamwoord), geitenhaar.
gekerm, [het aanhoudend weeklagen], gekärm, (zelfstandig naamwoord), gekerm.
geknars, [het aanhoudend knarsen], geknärs, (zelfstandig naamwoord), geknars.
geknoei, geknooi, (zelfstandig naamwoord), 1. geknoei; 2. geknutsel.
gekruid, [met specerijen bereid], gekruud, (bijvoeglijk naamwoord), gekruid.
gelaten, gelaoten, (bijvoeglijk naamwoord), gelaten, mat, wezenloos.
geldbuidel, [buidel om geld in te bewaren], geldbule, (zelfstandig naamwoord), geldbuidel.
geleden, elejen, voltooid deelwoord van liejen, in de verouderde betekenis ‘voorbijgaan’. Dät is al lange elejen.
gelegen, gelègen, (bijvoeglijk naamwoord), gelegen. Kumpt oe gelègen dä-k mörgen bi’j oe komme?
gelegenheid, gelègeneid, (zelfstandig naamwoord), gelegenheid.
gelig, gèlig, (bijvoeglijk naamwoord), gelig. ‘t Witgoed is gèlig ewörren vant liggen.
gelijk, gelieke, geliek, 1. bn., gelijk@ hetzelfde. Die bloempotten bint niet gelieke; 2. bw., tegelijk. Zie kwammen gelieke binnen; 3. bw. meteen. Dan mu-j dät gelieke doen; 4. zn., gelijk. IJ ef geliek ‘hij heeft gelijk’.
gelijk, lieke, (bijvoeglijk naamwoord), l. in evenwicht. Now bint wi’j weer lieke; 2. aan kant, netjes. De boel lieke leggen. 3. recht, vlak. De stienen liggen niet lieke.
gelijkenis, geliekenisse, geliekenis, (zelfstandig naamwoord), gelijkenis.
gelijkmatig, [overal gelijk], geliekmaotig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), gelijkmatig.
geloof, geleuf, (zelfstandig naamwoord), geloof.
geloofsbelijdenis, [verklaring van godsdienstige overtuiging], geleufsbeliedenisse, (zelfstandig naamwoord), geloofsbelijdenis.
geloven, geleuven, (werkwoord), geleuven, geleufd, geloven.
gelovig, geleuvig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), gelovig. IJ is ärg geleuvig.
gelui, geluui, (zelfstandig naamwoord), gelui. ‘t Geluui van de kärkklokke.
geluid, geluud, (zelfstandig naamwoord), gelutien, geluid.
gemartel, [het voortdurend martelen], gemärtel, (zelfstandig naamwoord), 1. getob, iets dat moeilijk tot stand komt. Wat een gemärtel is dät; 2. het voortdurend martelen, pijnigen.
gemeenteraad, gemeenteraod, (zelfstandig naamwoord), gemeenteraad.
genade, genaode, (zelfstandig naamwoord), genade.
genadig, [genade betonend], genaodig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), genadig.
generaal, ginneraol, (zelfstandig naamwoord), generaal.
generatie, generasie, (zelfstandig naamwoord), generatie, geslacht.
generen, sjeneren, (werkwoord), (sjeneren, esjeneerd),, zich sjeneren, zich schamen. Zie ook: skamen.
geneul, [gezeur], genööl, (zelfstandig naamwoord), gezanik, gezeur. Ol op met dät genööl!
genezen, genèzen, (werkwoord), genes/genèèst, genas, genè, genezen, beter worden.
gengelen, [slenteren], gängelen, (werkwoord), gängelen, egängeld, doelloos rondslenteren.
genoeg, genog, (telwoord, bijwoord), genoeg.
gepelde gerst, pällegäste, (zelfstandig naamwoord), gepelde gerst, gort.
gepeperd, [pikant], gepèperd, (bijvoeglijk naamwoord), gepeperd.
gepier, [iets dat moeilijk gaat], gepier, (zelfstandig naamwoord), iets dat moeilijk gaat. Zie ook: gewörm.
gepraat, [het voortdurend praten], gepraot, (zelfstandig naamwoord), gepraat.
geraas, [het aanhoudend razen], geraos, (zelfstandig naamwoord), geraas.
geraden, geraojen, (bijvoeglijk naamwoord), geraden. ‘t Is oe geraojen! ‘dat is je geraden!’
gerak, gerak, (zelfstandig naamwoord), gerief, gemak, gerei, gereedschap.
gerechtshof, [rechtbank van hogere rang], gerechsof, (zelfstandig naamwoord), gerechtshof.
geruis, [het aanhoudend ruisen], geruus, (zelfstandig naamwoord), geruis.
geruisloos, [geen geruis makend], geruusloos, (bijwoord), geruisloos.
geruit, [met ruiten bedekt], geruut, (bijvoeglijk naamwoord), geruit. Een gerute jörk, een geruut aoveremd.
geschiedenis, geskiedenisse, (zelfstandig naamwoord), geschiedenis.
geschikt, geskikt, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), geschikt.
geschrijf, [het aanhoudend schrijven], geskrief, (zelfstandig naamwoord), geschrijf.
geslons, gesluns, (zelfstandig naamwoord), 1. iets wat er niet lekker uitziet; 2. ingewanden en organen van een geslacht dier, slachtafval.
geslurp, [het aanhoudend slurpen], geslörp, (zelfstandig naamwoord), geslurp.
gesp, gespe, gepse, (zelfstandig naamwoord), gesp.
gespelen, giespelen, (werkwoord), giespelen, egiespeld, vlug, gehaast lopen.
gespin, gespin, (zelfstandig naamwoord), avondbijeenkomst van boerenmeisjes.
gestaag, gestaog, gestaodig, staodig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), gestadig, gestaag.
gesuis, [het aanhoudend suizen], gesoes, (zelfstandig naamwoord), gesuis. Wat eur ik toch veur een gesoes.
Gethsemane, [hof op de helling van de Olijfberg; scheldnaam voor een protestant], getsimaone, (zelfstandig naamwoord), scheldnaam voor een protestant.
getoeks, [het slordig en snel naaien], getoeks, (zelfstandig naamwoord), het slordig en snel naaien. Zie ook: gefoeks.
getuige, getuge, (zelfstandig naamwoord), getuige.
getuigen, getugen, (werkwoord), getugen, getuugd, getuigen.
getuigenis, getugenisse, (zelfstandig naamwoord), getuigenis.
getuigschrift, [attest], getuugskrift, (zelfstandig naamwoord), getuigschrift.
geu, [sufferd], , zie: gögien.
geulip, [sufferd], gölippe, zie: gögien.
geutje, [sufferd], gögien, (zelfstandig naamwoord), slome, sufferd, iemand die niet 100% is. Zie ook: , gölippe, ötegö.
gevaar, gevöör, (zelfstandig naamwoord), gevaar.
gevaarlijk, gevöörlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), gevaarlijk.
gevaarte, gevöörte, (zelfstandig naamwoord), gevaarte.
gevel, gèvel, (zelfstandig naamwoord), gevel.
geven, gèven, (werkwoord), gef, gaf, egöven/egèven
geverig, [gul], gèverig, (bijvoeglijk naamwoord), gul, goedgeefs.
gevloek, [het aanhoudend vloeken], gevluuk, (zelfstandig naamwoord), gevloek.
gevoel, gevuul, (zelfstandig naamwoord), gevoel. Mien gevuul zegt dätt niet wöör is.
gevoelens, [wat men voelt], gevulens, (zelfstandig naamwoord), (all. mv.), gevoelens.
gevoelsmatig, [instinctief], gevuulsmaotig, (bijvoeglijk naamwoord), gevoelsmatig.
gevraag, [het aanhoudend vragen], gevraog, (zelfstandig naamwoord), gevraag.
gevreet, gevrèèt, (zelfstandig naamwoord), 1. het aanvreten door ongedierte. Der zit gevrèèt in die taofelpoot; 2. eetfestijn.
gewaagd, [gevaarlijk], gewaogd, (bijvoeglijk naamwoord), gewaagd.
gewaarworden, gewaerwörren, (werkwoord), te weten komen.
gewaarwording, [indruk], gewaerwörding, (zelfstandig naamwoord), gewaarwording.
geweer, geweer, (zelfstandig naamwoord), geweer.
gewurm, [iets wat moeilijk gaat], gewörm, zie: gepier.
gezelligheid, [genoeglijk samenzijn], gezelligeid, (zelfstandig naamwoord), gezelligheid.
gezelschap, gezelskop, (zelfstandig naamwoord), gezelschap.
gezever, gezever, (zelfstandig naamwoord), gezever.
gezicht, gezichte, (zelfstandig naamwoord), 1. het zien. Dät stiet oe niet, dät is gien gezichte; 2. gezicht, gelaat. Wat trek ie een naer gezichte. Zie ook: toete.
giesem, [flauw], giesem, (bijvoeglijk naamwoord), flauw, niet lekker (gevoel). Ik binne een bettien giesem op de mage.
gieteling, gietelink, (zelfstandig naamwoord), gieteling, merel.
gietijzer, gietiezer, (zelfstandig naamwoord), gietijzer.
ginder, gunter, ginder, gunder, (bijwoord), ginds.
gisteravond, [op de avond van gisteren], gisteraovend, (bijwoord), gisteravond.
gisteren, gister, (bijwoord), gisteren.
gistermorgen, [op de ochtend van gisteren], gistermörgen, gistermörn, (bijwoord), gistermorgen.
glad, glad, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. glad; 2. aan de kant, netjes. Ik ebbe alles glad in uus; 3. helemaal, totaal. Die man eft glad mis met zien antwoord.
gleuf, gleuve, glieve, (zelfstandig naamwoord), gleuf. Zie ook: splete, sleuve.
Gleuvenschuivers, [carnavalsvereniging], Gleuvenskoevers, (zelfstandig naamwoord), de Gleuvenskoevers, carnavalsvereniging van de PTT in Zwolle. De postboden gooien de post in de brievenbus oftewel skoeven de post in de gleuven.
glijbaan, [gladde baan], gli’jbane, (zelfstandig naamwoord), glijbaan in de speeltuin. Ie kunt glieren op de gli’jbane.
glijbaan, [gladde baan], glierbane, (zelfstandig naamwoord), glijbaan op het ijs of in de sneeuw. Zie ook: roetsbane.
glijden, gli’jen, (werkwoord), glid, glee, eglejen, glijden. Zie ook: glieren.
glijden, glieren, (werkwoord), glieren, eglierd, glijden van een glijbaan of op het ijs. Zie ook: gli’jen, roetsen.
glijderen, [steppen], glijeren, (werkwoord), glijeren, eglijerd, steppen. IJ glijeren met zien glijer op de stoepe.
glijer, [step], glijer, (zelfstandig naamwoord), step, autoped.
glimworm, glimwörm, (zelfstandig naamwoord), glimworm. Zie ook: gluuiwörm.
glint, [vogel], glinte, (zelfstandig naamwoord), fuut (vogelsoort).
gloeien, gluuien, (werkwoord), gluuien, egluuid, gloeien.
gloeiendig, glunig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. gloeiend. Ik adde glunige koffie aover de broek ekrègen; 2. verschrikkelijk, heel erg. Die kachel is glunig iete. Zie ook: gloepens; Ie bint ter glunig bi’j ‘je bent er gloeiend bij’.
gloeikousje, [deel van een gaslamp], gluuikousien, (zelfstandig naamwoord), gloeikousje (bij campinggaslamp en vroeger in gaslampen).
gloeilamp, [soort lamp], gluuilampe, (zelfstandig naamwoord), gloeilamp.
gloeiworm, [insect], gluuiwörm, zie: glimwörm.
glop, gluppe, (zelfstandig naamwoord), snee. IJ ef een beste gluppe in zien vinger.
gluipen, gloepen, (werkwoord), gloepen, egloept, gluren, loeren.
gluipend, [bijwoord van graad], gloepens, (bijwoord), verschrikkelijk, heel erg. Die soep is gloepens iete. Een gloepense smeerlap. Zie ook: glunig.
gluiperd, gloeperd, (zelfstandig naamwoord), gluiper, gluurder, stiekemerd.
gluiperig, gloeperig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), gluiperig.
gluips, gloeps, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), vals, verraderlijk. Denk an de ond, die is ärg gloeps.
gluurderij, [het stiekem kijken], gluurderi’je, (zelfstandig naamwoord), gegluur, geloer.
goed, goed, (zelfstandig naamwoord), 1. spul, materiaal. Dät is mooi goed!; 2. kleding. Ik trekke mien goeie goed an.
goed wijs, [verstand], goedwies, (zelfstandig naamwoord), verstand. Uitdr.: IJ ef de goedwies kepot ‘hij is gek’.
goedemiddag, goeiemiddag, (tussenwerpsel), goedemiddag.
goedemorgen, goeiemörgen, goeiemörn, mörn, (tussenwerpsel), goedemorgen.
goedenavond, genaovend, (tussenwerpsel), (verouderd), goeienavond.
goedenavond, goeienaovend, (tussenwerpsel), goedenavond, begroeting in de avond.
goedendagzeggertje, [rijtuig], goeiedagzeggertien, (zelfstandig naamwoord), rijtuig op twee wielen, dat op en neer buigt.
goedhartig, [vriendelijk], goedärtig, (bijvoeglijk naamwoord), goedhartig.
goedigheid, goeiigeid, (zelfstandig naamwoord), goedheid. Dät dut e uut goeiigeid.
goedje, [stof], goedje, (zelfstandig naamwoord), spul.
golf, golve, (zelfstandig naamwoord), golf.
goochelaar, goochelaer, (zelfstandig naamwoord), goochelaar. Zie ook: teuvenaer.
goot, götte, göte, (zelfstandig naamwoord), goot.
gootsteen, götstien, (met lange ie), (zelfstandig naamwoord), gootsteen.
gordijn, gedien, (zelfstandig naamwoord), gordijn, vitrage.
gordijnrail, [gordijnroede], gedienreel, (zelfstandig naamwoord), gordijnrail.
gorgel, görgel, (zelfstandig naamwoord), 1. strottenhoofd; 2. keel, hals. Zie ook: als, kèle, kèlewinkel, strotte.
gorgelen, görgelen, (werkwoord), görgelen, egörgeld, gorgelen.
gort, görte, gört, (zelfstandig naamwoord), gort.
gortepap, [dunne gortebrij], görtepap, (zelfstandig naamwoord), gortepap.
gortig, görtig, (bijvoeglijk naamwoord), gortig. -s mi’j te görtig ‘dat is mij te erg’.
goud, gold, (zelfstandig naamwoord), goud.
goudfazant, [vogel], goldfezante, (zelfstandig naamwoord), goudfazant.
goudhaan, [vogel], goldane, (zelfstandig naamwoord), goudhaan.
goudrenet, goldrenette, (zelfstandig naamwoord), goudrenet (appelsoort).
Goudsteeg, [straatnaam], Goldstège, (zelfstandig naamwoord), Goudsteeg, een oud straatje in de binnenstad dat ooit Hovesche steeg werd genoemd, daarna Goudsmedensteeg doordat zich daar omstreeks 1500 goudsmeden hadden gevestigd. Nu heet het Goudsteeg.
goudvink, goldvinke, (zelfstandig naamwoord), goudvink.
graad, graod, (zelfstandig naamwoord), grötien, graad.
graaien, greien, (werkwoord), greien, egreid, graaien.
graat, graot, (zelfstandig naamwoord), grötien, graat.
gracht, grachte, grafte, (zelfstandig naamwoord), gracht.
graf, graf, (zelfstandig naamwoord), gräffien, graf. ‘t Gräffien van mien ond lig achter in de tuin.
grammottig, [boos], grammieterig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), chagrijnig.
grap, grap, (zelfstandig naamwoord), gräppien, grap.
gras, grös, (zelfstandig naamwoord), gras. Uitdr.: IJ ligtt grös van onder te bekieken ‘hij is dood en begraven’.
grasboter, [soort boter], grösbotter, (zelfstandig naamwoord), grasboter.
graskaas, [soort kaas], gröskeze, (zelfstandig naamwoord), graskaas.
grasklokje, grösklökkien, (zelfstandig naamwoord), grasklokje (campanula rotundifolia) (plant).
graslinnen, [weefsel], gröslinnen, (zelfstandig naamwoord), graslinnen.
grasmaaier, [iem. die gras maait, machine om gras te maaien], grösmeier, (zelfstandig naamwoord), grasmaaier.
grasmaand, grösmaond, (zelfstandig naamwoord), grasmaand, april.
grasnek, grösnekke, (zelfstandig naamwoord), onbeschaafd, lomp persoon.
graspol, [gras met wortels en aardkluit], gröspolle, (zelfstandig naamwoord), graspol.
graswal, [met gras begroeide walkant], gröswalle, (zelfstandig naamwoord), graswal, taluud.
graszaad, [zaad van grasplanten], gröszaod, (zelfstandig naamwoord), graszaad
graterig, [vol graten], graoterig, (bijvoeglijk naamwoord), vol met graat. Die vis is wat graoterig.
gratie, grasie, (zelfstandig naamwoord), gratie.
greep, grepe, (zelfstandig naamwoord), greep, mestvork. Uitdr.: Van de gaffel in de grepe lopen ‘van kwaad tot erger worden’.
grep, gruppe, (zelfstandig naamwoord), 1. grup, mestgoot voor mestafvoer in de stal; 2. greppel voor afwatering; 3. aanduiding voor de rivier de IJssel.
greulen, [leedvermaak hebben], grölen, (werkwoord), grölen, egrööld, leedvermaak hebben, zich verlustigen in (in onaangename zin).
griebels, [rillingen], griebels, (zelfstandig naamwoord), rillingen, griezels. Uitdr.: De griebels lopen mi’j aover de grabbels ‘ik krijg er rillingen van’.
griener, [iem. die snel huilt], grienderd, (zelfstandig naamwoord), iemand die gauw huilt.
grienerig, [huilerig], grienderig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. onbehagelijk waterkoud; 2. grienerig, huilerig.
griesmeel, griesmaal, (zelfstandig naamwoord), griesmeel.
griet, gritte, (zelfstandig naamwoord), grutto (vogel). Zie ook: grutte.
grijpen, griepen, (werkwoord), grip, greep, egrepen/egrep, grijpen.
grijper, graoperd, (zelfstandig naamwoord), inhalig iemand. Wat is die vent een graoperd.
grijperig, [inhalig], graoperig, (bijvoeglijk naamwoord), inhalig.
grijpstuiver, griepstuver, (zelfstandig naamwoord), 1. grijpstuiver, extra bijverdienste; 2. grijpgraag persoon; 3. strijkgeld.
grijs, gries, (bijvoeglijk naamwoord), grijs.
groei, gruui, (zelfstandig naamwoord), groei.
groeien, gruuien, (werkwoord), gruuien, egruuid, groeien.
groeizaam, gruuizaam, (bijvoeglijk naamwoord), groeizaam.
groen, gruun, 1. bn., groen. Die värve is ärg gruun. ‘t Grune blad van de boom wört kats gèèl. 2. bn., onervaren. Dät meisien is nog zo gruun; 3. zn., het groen, groen blad, groene takken.
groente, gruunte, (zelfstandig naamwoord), groente.
groenteboer, gruunteboer, (zelfstandig naamwoord), groenteboer, groenteman. Zie ook: gruunteman.
groentekar, [kar met groente], gruunteköre, (zelfstandig naamwoord), groentekar.
groentelepel, [soort lepel], gruuntelèpel, (zelfstandig naamwoord), groentelepel.
groenteman, [koopman in groenten], gruunteman, zie: gruunteboer.
groentemarkt, [verkoopplaats van groenten], gruuntemärkt, gruuntemärk, (zelfstandig naamwoord), groentemarkt.
groentevrouw, [koopvrouw in groenten], gruuntevrouwe, (zelfstandig naamwoord), groentevrouw.
groep, groep, (zelfstandig naamwoord), grupien, groep. Wi’j bint met een klein grupien bi’j mekaere.
grof, grof, (bijvoeglijk naamwoord), grof. Zi’j breit met grovve/grove steken.
grootmama, [grootmoeder], gropma, zie: gropmoeder.
grootmoeder, gropmoeder, gropmoe, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), grootmoeder, oma. Zie ook: opoe, gropma (verouderd) en tegenwoordig: oma.
groots, greuts, (bijvoeglijk naamwoord), groots, verwaand.
grootscheeps, grootskeeps, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), grootscheeps, groot opgezet; zeer royaal.
grootsigheid, greutsigeid, (zelfstandig naamwoord), trotsheid.
grootvader, gropvader, gropva, grova, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), grootvader, opa. Zie ook: tegenwoordig: opa.
groteluiskind, [kind van aanzienlijke ouders], grotelu’skind, (zelfstandig naamwoord), kind van aanzienlijke ouders.
gruis, gruus, (zelfstandig naamwoord), gruis.
gruttenmeel, [soort meel], gruttenmaal, (zelfstandig naamwoord), gruttenmeel (mengsel van boekweit en haver).
grutterij, [werkplaats van de grutter], grutteri’je, (zelfstandig naamwoord), grutterij.
grutto, grutte, zie: gritte.
gulp, gulpe, (zelfstandig naamwoord), gulp.
gulp, gulpe, (zelfstandig naamwoord), hoeveelheid, straal vloeistof.
guren, [tochten], guren, (werkwoord), guren, eguurd, doorlaten van kaf, stof of koren door kieren en reten in de zoldering.
guts, gutse, (zelfstandig naamwoord), guts, scheut, hoeveelheid vloeistof.
guts, gutse, (zelfstandig naamwoord), steekbeiteltje voor houtbewerking.
gymnastiek, gimmestiek, (zelfstandig naamwoord), gymnastiek.
haai, aaie, (zelfstandig naamwoord), haai.
haaibaai, aaibaaie, (zelfstandig naamwoord), bijdehante vrouw. Zie ook: anepinne, anevelle.
haak, aoke, (zelfstandig naamwoord), ökien, haak.
haaknaald, [pen om mee te haken], aoknaolde, (zelfstandig naamwoord), haaknaald. Zie ook: aokpenne.
haakpen, [pen om mee te haken], aokpenne, zie: aoknaolde.
haal, aele, (zelfstandig naamwoord), haal, lus. Der zit een aele an oew trui.
haan, ane, (zelfstandig naamwoord), aantien, haan. Uitdr.: IJ löp as een ane met stront an de poten ‘hij loopt naast zijn schoenen’. Zi’j löp as een stoterse ane ‘zij loopt erg verwaand’.
haar, aer, (persoonlijk voornaamwoord, bezittelijk voornaamwoord), haar.
haar, öör, (zelfstandig naamwoord), haar.
haarbal, öörballe, (zelfstandig naamwoord), haarbal.
haarborstel, [instrument om het haar mee te borstelen], öörbörstel, öörbörsel, (zelfstandig naamwoord), haarborstel.
haard, eerd, (zelfstandig naamwoord), haard. Vanouds als open vuur in de keuken. Op ten eerd ‘in het woonvertrek’.
haardroger, öördreuger, (zelfstandig naamwoord), haardroger.
haargroei, [het groeien van het haar], öörgruui, (zelfstandig naamwoord), haargroei.
haarkam, [kam voor het haar], öörkamme, (zelfstandig naamwoord), haarkam.
haarknip, [knip voor het haar], öörknippe, (zelfstandig naamwoord), haarknip. Zie ook: knippe.
haarlint, [haarband], öörlint, (zelfstandig naamwoord), haarlint.
haarlip, [snor], öörlippe, (zelfstandig naamwoord), snor. Werd in Dieze gezegd. Zie ook: snörre.
haarnetje, [netje om het kapsel], öörnettien, (zelfstandig naamwoord), haarnetje.
haarneus, [scheldnaam], öörnöze, (zelfstandig naamwoord), scheldnaam voor bemoeial of dom iemand.
haarscherp, öörskärp, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), haarscherp.
haarspeld, [in het haar gestoken speld], öörspelde, (zelfstandig naamwoord), haarspeld.
haarstrik, [strik in het haar], öörstrikke, (zelfstandig naamwoord), haarstrik.
haaruitval, [het uitvallen van het hoofdhaar], ööruutval, (zelfstandig naamwoord), haaruitval.
haarvlecht, [bundels ineengevlochten hoofdhaar], öörvlechte, (zelfstandig naamwoord), haarvlecht.
haas, aze, (zelfstandig naamwoord), haas.
haasten, aosten, aosen, (werkwoord), aosen, e-aost, haasten.
haastig, aostig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), haastig.
hachelen, aggielen, (werkwoord), aggielen, e-aggield, flink eten.
hagedis, èverdasse, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), hagedis.
hagelbui, [bui met hagel], agelbujje, (zelfstandig naamwoord), hagelbui.
hak, akke, (zelfstandig naamwoord), hak. Uitdr.: Iemand een akke zetten ‘iemand dwarszitten’.
hakbijl, [soort bijl], akbiele, (zelfstandig naamwoord), hakbijl. Uitdr.: IJ slöt ter met de akbiele op lös ‘hij pakt het groots aan’. Zie ook: akse, biele.
haken, [een weefsel vervaardigen], aoken, (werkwoord), aoken, e-aokt, haken.
hakken, akken, (werkwoord), akken, e-akt, hakken.
hal, alle, (zelfstandig naamwoord), hal.
halen, alen, (werkwoord), alen, e-aald, halen.
half, alf, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), half. Die eerpels bint nog niet alf gaer; Doe maer alf deur midden; Uitdr.: IJ ef em alf umme ‘hij is lichtelijk aangeschoten van de drank’.
halfje, älfien, (zelfstandig naamwoord), 1. half brood. Bakker, doe mi’j vandaege maer een älfien; 2. oude halve cent.
hals, als, (zelfstandig naamwoord), hals. Uitdr.: Zich iets op de als alen ‘zichzelf last berokkenen’. Zie ook: görgel, kèle, kèlewinkel, strotte.
halswerk, [moeilijk werk], alswärk, (zelfstandig naamwoord), moeilijk werk.
hand, and, (zelfstandig naamwoord), annen, äntien, hand. Uitdr.: IJ ef ter een äntien van ‘hij heeft er een handje van’; Iets um annen ebben ‘iets te doen hebben’. Zie ook: kladden.
handenbinder, [iem. die een ander vrijheid ontneemt], annenbindertien, (zelfstandig naamwoord), handenbindertje, klein kind dat veel zorg nodig heeft.
handgeld, [betaling bij een overeenkomst], andgeld, (zelfstandig naamwoord), 1. handgeld; 2. aanbetaling.
handig, ändig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), handig. Uitdr.: IJ is zo ändig as een bos wottels ‘hij is erg onhandig’.
handkar, [met de hand voortgeduwde kar], andköre, (zelfstandig naamwoord), handkar.
handschoen, anse, anskoen, (zelfstandig naamwoord), ansen, handschoen.
handtam, andtam, (bijvoeglijk naamwoord), handtam.
handtam, antammig, (bijvoeglijk naamwoord), (verouderd), 1. aanhalig, knuffelig; 2. handtastelijk.
handvat, andvätsel, (zelfstandig naamwoord), handvat.
handwerk, [werk dat met de handen wordt verricht], andwärk, (zelfstandig naamwoord), 1. handwerk, werk dat met de handen wordt verricht; 2. brei-, haak-, knoop- of borduurwerk.
handwerken, [bezig zijn met een handwerk], andwärken, (werkwoord), andwärken, e-andwärkt, handwerken.
Hanekamp, [toponiem], Anekamp, (zelfstandig naamwoord), Hanekamp, een in 1951 aangelegde straat in de Wipstrik, die is genoemd naar de zeventiende eeuwse herberg De Hanekamp. De herberg, die ongeveer heeft gestaan waar nu de rotonde is, is in 1953 afgebroken en weer opgebouwd in het Openluchtmuseum van Arnhem.
hanenpen, [veer van een haan; ruziemaker], anepinne, (zelfstandig naamwoord), bijdehante vrouw, kreng, haaibaai. Zie ook: aaibaaie, anevelle.
hanentred, anetrèè, (zelfstandig naamwoord), hanentree, rood plekje in een ei.
hanenvel, [kreng], anevelle, zie: anepinne.
hangbuik, [neerhangende buik], angboek, (zelfstandig naamwoord), hangbuik.
hangen, angen, (werkwoord), angt, ing, e-angen, hangen.
hangoor, angoor, (zelfstandig naamwoord), 1. hangoor, beest met hangende oren; 2. opgeschoten jongen of meisje. Uitdr.: Eerst mensen dan angoren.
hangplek, angplekke, (zelfstandig naamwoord), hangplek, aangegeven plek waar een groep jongeren bij elkaar komt, met name in de openlucht.
hannesen, annesen, (werkwoord), annessen, e-annest, hannesen, knoeien, onhandig zijn.
Hanzemarkt, [jaarlijkse markt in Zwolle], Anzemärkt, (zelfstandig naamwoord), Hanzemarkt, opgericht in 2002 door de stichting Middeleeuwse Hanzemarkt Zwolle. Wordt jaarlijks in Zwolle gehouden en is uitgegroeid tot een internationaal historisch gebeuren.
Hanzestad, [stad die tot de Hanze behoorde], Anzestad, (zelfstandig naamwoord), Hanzestad. Zwolle was een van de Nederlandse Hanzesteden die van de veertiende tot begin zeventiende eeuw tot het Hanzeverbond behoorde.
hard, ärd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), hard. Dät gaf een ärde klap; Die deure klappen ärd dichte.
Hardenberger, [iem. uit Hardenberg], ärdenbärger, (zelfstandig naamwoord), 1. iemand uit Hardenberg; 2. iemand die niks kan missen. Zie ook: ärdnekke.
hardhorig, ärdeurig, (bijvoeglijk naamwoord), hardhorig.
hardleers, [moeilijk lerend], ärdleers, (bijvoeglijk naamwoord), hardleers.
hardlijvigheid, [moeilijke stoelgang], ärdlievigeid, (zelfstandig naamwoord), verstopping, moeilijke stoelgang.
hardnek, [iem. die niets kan missen], ärdnekke, (zelfstandig naamwoord), iemand die niks kan missen. Zie ook: ärdenbärger.
harig, [met haren bezet], örig, (bijvoeglijk naamwoord), harig.
haring, erink, ering, (zelfstandig naamwoord), haring. Uitdr.: A-j een slechte erink bint, ku-j altied nog een goeie bukkem wörren.
hark, ärke, (zelfstandig naamwoord), hark.
harken, ärken, (werkwoord), ärken, e-ärkt, harken.
Harmonie, Ärmonie, (zelfstandig naamwoord), De Ärmonie, De Harmonie, een horecagelegenheid op de Grote Markt. In de zeventiende eeuw was daar herberg De Goudsbloem, in 1828 werd het de sociëteit De Harmonie, die in 1934 opgeheven is. Nu is in het pand een Grand Café gevestigd.
harp, ärpe, (zelfstandig naamwoord), harp.
hart, ärte, (zelfstandig naamwoord), hart.
hartelijk, ärtelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), hartelijk, warm. Een ärtelijke vrouwe.
hartig, ärtelijk, ärtig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), hartig, pittig.
hartigheid, [iets wat hartig is], ärtigeid, (zelfstandig naamwoord), hartigheid.
hartje, [geliefde], ärtien, (zelfstandig naamwoord), liefje.
hartstikke, ärtstikke, (bijwoord), hartstikke, heel erg. IJ viel en was ärtstikke dood; IJ is ärtstikke tegendraods; Ie wört ärtstikke bedankt veur oew ulpe.
haspelarij, [gekibbel], äspeleri’je, (zelfstandig naamwoord), heen en weer gepraat. Nao eel wat äspeleri’je bint wi’j der uutekommen.
hassebassie, assebässien, (zelfstandig naamwoord), borrel, jenever. Zie ook: börrel.
haverklap, aeverklap, averklap, (zelfstandig naamwoord), haverklap.
havezate, avezate, (zelfstandig naamwoord), havezate, kasteel. Zie ook: kesteel.
hazelnoot, azelnötte, (zelfstandig naamwoord), hazelnoot.
hebben, ebben, (em-m), (werkwoord), ef, ad, e-ad, itgesproken als em-m), hebben. Mag ik dät ebben? IJ ef niks.
heden, eden, (tussenwerpsel), heden!
heel, eel, 1. bn., heel, gezond; gaaf; 2. bw., heel, erg, zeer.
heen, en, (bijwoord), heen.
heen-en-weer, en-en-weer, (zelfstandig naamwoord), heen-en-weer. ‘t En-en-weer kriegen.
heer, eer, (zelfstandig naamwoord), heer.
heerlijk, eerlijk, (bijvoeglijk naamwoord), 1. heerlijk, prachtig; 2. zeer smakelijk.
heerschap, eerskop, (zelfstandig naamwoord), heerschap, rare snuiter. Wat een raer eerskop ‘wat een rare snuiter’.
heerschout, [inspecteur van politie], eerskolte, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), inspecteur van politie.
hees, ies, (met lange ie), (bijvoeglijk naamwoord), hees. Ik binne zo ies as wat.
heet, iete, (met lange ie), (bijvoeglijk naamwoord), heet.
heg, egge, ège, (zelfstandig naamwoord), heg, haag.
heide, eide, (zelfstandig naamwoord), heide.
heil, eil, (zelfstandig naamwoord), heil.
heimpje, iempe, (zelfstandig naamwoord), huiskrekel.
heisteren, eisteren, (werkwoord), eisteren, e-eisterd, stoeien, dollen, duvelen (niet kwaad bedoeld). Zie ook: douwelen.
hek, ekke, (zelfstandig naamwoord), ekkien, hek.
heks, ekse, (zelfstandig naamwoord), heks.
hel, elle, (zelfstandig naamwoord), hel.
held, eld, (zelfstandig naamwoord), held. Uitdr.: Een eld op sökken ‘iemand die bang uitgevallen is’.
heldendaad, [zeer dappere daad], eldendaod, (zelfstandig naamwoord), heldendaad.
helder, elder, (bijvoeglijk naamwoord), helder.
helemaal, elemaole, (bijwoord), helemaal.
helft, elfte, (zelfstandig naamwoord), helft.
helleveeg, ellevège, (zelfstandig naamwoord), helleveeg.
hellig, ellig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), boos, nijdig, kwaad. Die is goed ellig. Zie ook: kwaod, lillijk, mieterig, niedig, nieds.
helm, elm, (zelfstandig naamwoord), helm. Uitdr.: IJ is met de elm op geboren ‘hij is helderziende’.
hem, em, 1. (pers.vnw.), hem; 2. (wederk.vnw.), zich. Zie ook: zich.
hem, um, (persoonlijk voornaamwoord), (met nadruk), hem.
hemd, emd, (zelfstandig naamwoord), empien, hemd. IJ ef een te kört empien an. Spreekw.: Wiet eerste vernemt eft zelf in ’t emd: wordt gezegd tegen iemand die een wind heeft gelaten maar een ander de schuld geeft. Het antwoord daarop kan luiden: En wie döörop antwoordt zet de stank voort.
hen, enne, (zelfstandig naamwoord), hen.
hengel, engel, (zelfstandig naamwoord), hengel. Zie ook: angärde.
hengelgarde, angärde, (zelfstandig naamwoord), hengel. Zie ook: engel.
hengselpan, [soort pan], engselpanne, (zelfstandig naamwoord), pan met een hengsel.
hengst, engst, (zelfstandig naamwoord), 1. hengst; 2. klap. Za-k oe is een engst gèven?
herberg, ärbärg, (zelfstandig naamwoord), herberg.
herder, ärder, (zelfstandig naamwoord), herder. Zie ook: skaopärder.
herdershond, ärdersond, (zelfstandig naamwoord), herdershond.
herfst, ärfst, (zelfstandig naamwoord), herfst.
herfsttijloos, ärfsttieloze, (zelfstandig naamwoord), herfstnarcis.
Herfte, [toponiem], Ärfte, (zelfstandig naamwoord), Herfte, buurtschap bij Zwolle.
Herfterweg, [straatnaam], Ärfteweg, (zelfstandig naamwoord), Herfterweg. Vroeger was dat de Selhorstweg. In de bocht van deze weg stond een stationnetje waar de trein van Emmen langs kwam.
herkauwen, erkauwen, (werkwoord), erkauwen, erkauwd, herkauwen.
herrie, errie, (zelfstandig naamwoord), herrie.
hersenen, ässens, ärsens, (zelfstandig naamwoord), hersenen.
heten, ieten, (met lange ie), (werkwoord), iet, ieten, e-ieten, heten.
heup, eupe, (zelfstandig naamwoord), heup.
hiep, iepe, (zelfstandig naamwoord), hakbijltje.
hier, ier, (bijwoord), hier.
hierzo, ierzoot, ierzo, (bijwoord), hierzo.
hij, e, (persoonlijk voornaamwoord), (onbeklemtoond), hij. Mut e niet wärken? Zie ook: ij.
hij, ij, (persoonlijk voornaamwoord meervoud), hij. IJ mut nog ant wärk. IJ weet ter niks van. Zie ook: e.
hijgen, ijgen, (werkwoord), ijgen, e-ijgd, hijgen.
hijmen, iemen, (werkwoord), iemen, e-iemd, 1. zwaar hijgen; 2. piepend ademhalen.
hijmig, [kortademig], iemig, (bijvoeglijk naamwoord), aamborstig.
hijsen, ijsen, (werkwoord), ijsen, e-ijst, hijsen.
hinder, inder, (zelfstandig naamwoord), hinder.
hinderen, inderen, (werkwoord), inderen, e-inderd, hinderen.
hindernis, indernisse, (zelfstandig naamwoord), hindernis.
hitte, itte, (zelfstandig naamwoord), hitte.
hobbel, obbel, (zelfstandig naamwoord), hobbel.
hobbelen, obbelen, (werkwoord), obbelen, e-obbeld, hobbelen.
hobbelig, obbelig, (bijvoeglijk naamwoord), hobbelig.
hobbelpaard, obbelpeerd, uppelpeerd, (zelfstandig naamwoord), hobbelpaard. Zie ook: uppelpeerd.
hoe, oe, (bijwoord), hoe. Oe giett ter met?
hoed, oed, (zelfstandig naamwoord), utien, hoed.
hoedendoos, [bergplaats voor een hoed], oedendeuze, (zelfstandig naamwoord), hoedendoos.
hoef, oeve, (zelfstandig naamwoord), zool van een paard.
hoefijzer, [gebogen ijzeren reep], oefiezer, (zelfstandig naamwoord), hoefijzer. Zie ook: iezer.
hoefsmid, [smid die hoefijzers smeedt], oefsmid, (zelfstandig naamwoord), hoefsmid.
hoek, oek, (zelfstandig naamwoord), ukien, hoek. Uitdr.: ‘t Ukien ummegaon ‘doodgaan’.
hoen, oen, (zelfstandig naamwoord), hoen, kip. Zie ook: kippe.
hoep, [toeter], oepe, (zelfstandig naamwoord), toeter.
hoepel, oepel, (zelfstandig naamwoord), hoepel.
hoer, oere, (zelfstandig naamwoord), hoer.
hoerenjong, oerejonk, (zelfstandig naamwoord), hoerenkind.
hoest, oest, (zelfstandig naamwoord), oesien, hoest.
hoestbui, [aanval van hoest], oestbujje, (zelfstandig naamwoord), hoestbui.
hoestdrankje, [drankje tegen de hoest], oestdränkien, (zelfstandig naamwoord), hoestdrankje.
hoesten, oesten, oesen, (werkwoord), oes(t)en, e-oest
hoeve, oeve, (zelfstandig naamwoord), hoeve.
hoeveel, oevölle, (telwoord), hoeveel.
hoeveelheid, oevöl-eid, (zelfstandig naamwoord), hoeveelheid.
hoeveelste, [welke in rangorde], oevölste, (rangtelwoord), hoeveelste.
hoeven, oeven, (werkwoord), oeven, e-oefd, hoeven. Dät ad niet e-oefd.
hoever, [tot op welke hoogte], oevärre, (bijwoord), hoever.
hof, of, (zelfstandig naamwoord), öffien, hof, tuin.
hok, ok, (zelfstandig naamwoord), ökkien, hok.
hokken, okken, (werkwoord), okken, e-okt, hokken, samenwonen.
hollen, ollen, (werkwoord), ollen, e-old, hollen. IJ ollen de straote aover.
hommel, ommel, (zelfstandig naamwoord), hommel.
homp, ompe, (zelfstandig naamwoord), homp.
hond, ond, (zelfstandig naamwoord), onnen, untien, hond. IJ ef ien ond en wi’j ebben twie onnen.
hondenhaar, [haar van een hond], ondenöör, (zelfstandig naamwoord), hondenhaar.
hondenhok, [verblijf van een hond], ondenok, (zelfstandig naamwoord), hondenhok.
hondenkar, ondeköre, (zelfstandig naamwoord), hondenkar.
hondenmand, [rustplaats voor een hond], ondemande, (zelfstandig naamwoord), hondenmand.
hondenpol, [soort plant], ondepolle, (zelfstandig naamwoord), klein soort paardebloem met vier of vijf pennetjes.
honderd, onderd, (telwoord), honderd.
honderdmaal, [honderd keer], onderdmaol, (bijwoord), honderdmaal.
Hondje, [pand in Zwolle], Untien, (zelfstandig naamwoord), ‘t Untien, ‘t Hondje. Het verhaal gaat dat in 1669 een hondje is omgekomen bij de torenbrand van de St. Michaelskerk op de Grote Markt. Als herinnering is er een gevelsteen aangebracht in het hoekpand Grote Markt en Luttekestraat. De werkelijkheid ligt echter anders. De gevelsteen zat al voor de brand in de muur van het hoekhuis.
honger, onger, (zelfstandig naamwoord), honger, trek in eten.
hongerig, [honger hebbend], ongerig, (bijvoeglijk naamwoord), hongerig. Een ongerige wolf.
hongerloontje, [zeer karig loon], ongerleuntien, (zelfstandig naamwoord), hongerloontje.
honing, önnig, önning, (zelfstandig naamwoord), honing.
hoofd, eufd, (zelfstandig naamwoord), eufien, hoofd.
hoofdingang, [voornaamste ingang], eufdingank, (zelfstandig naamwoord), hoofdingang.
hoofdkaas, eufkeze, (zelfstandig naamwoord), hoofdkaas. Zie ook: kopkeze.
hoofdkraan, [kraan die de hoofdleiding afsluit], eufdkrane, (zelfstandig naamwoord), hoofdkraan.
hoofdonderwijzer, oofdonderwiezer, (zelfstandig naamwoord), hoofdonderwijzer.
hoofdpijn, eufpiene, (zelfstandig naamwoord), hoofdpijn. Zie ook: koppiene, kopzeerte.
Hoofdwacht, [gebouw in Zwolle], Eufdwacht, (zelfstandig naamwoord), Hoofdwacht, voormalige politiepost tegen de Grote Kerk op de Grote Markt, thans VVV-kantoor.
hoofdzaak, [belangrijkste zaak], eufzake, (zelfstandig naamwoord), hoofdzaak.
hoofdzaak, [belangrijkste zaak], oofdzake, (zelfstandig naamwoord), hoofdzaak.
hoog, oge, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), hoog. ‘t Zit em ärg oge.
hoogdravend, oogdraevend, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), hoogdravend.
hoogheid, [hoge staat], oogeid, (zelfstandig naamwoord), hoogheid.
hoogst, [het meest omhoog], oogste, (bijvoeglijk naamwoord), hoogst. Die boom ist oogste.
hoogstens, oogstens, (bijwoord), hoogstens.
Hoogstraat, Oogstraote, (zelfstandig naamwoord), Hoogstraat. De tegenwoordige Hoogstraat heette vroeger Voerstersteenstrate maar omdat die straat gaandeweg opgehoogd is, kreeg die de naam Hoogstraat (Oogstraote). Tot 1939 was het de hoofdverkeersweg naar Kampen.
hoogte, eugte, (zelfstandig naamwoord), hoogte. Wat een eugte!; Met de ärms in de eugte; Ie kriegt ter gien eugte van.
hooi, eui, (zelfstandig naamwoord), hooi.
hooiberg, euibärg, (zelfstandig naamwoord), hooiberg.
hooibergschilder, [onbekwaam kunstenaar], euibärgskilder, (zelfstandig naamwoord), kladschilder.
hooien, euien, (werkwoord), euien, e-euid, hooien. Uitdr.: Mu-j en euien? ‘heb je haast?’
hooikist, [kist voor het warm houden van voedsel], euikiste, (zelfstandig naamwoord), hooikist, kist voor het warm houden en nagaren van voedsel.
hooimaand, euimaond, (zelfstandig naamwoord), hooimaand (juli).
hooischuur, [schuur waarin hooi wordt geborgen], euiskure, (zelfstandig naamwoord), 1. hooischuur; 2. kijfster, iemand met een grote mond.
hooivork, [tweetandige vork], euivörke, (zelfstandig naamwoord), hooivork. Zie ook: gaffel.
hooiwagen, euiwaegen, (zelfstandig naamwoord), 1. hooiwagen; 2. bep. soort spin.
hoop, aope, ope, (zelfstandig naamwoord), hoop, verwachting. Ik eb döör gien aope meer op.
hoop, oop, (zelfstandig naamwoord), eupien, hoop, stapel. Uitdr.: Der giet een oop aover de klinke ‘er blijft veel over wat je weg moet gooien.’.
hoorn, oorn, (zelfstandig naamwoord), hoorn.
hoornblazer, oornblaozer, (zelfstandig naamwoord), hoornblazer, trompettist, muzikant.
hopen, aopen, (werkwoord), aopen, e-aopt, hopen.
hor, orre, (zelfstandig naamwoord), hor.
hordeur, [deur met gaas], orredeure, (zelfstandig naamwoord), hordeur.
horen, euren, (werkwoord), euren, e-eurd, horen.
horloge, allozie, (zelfstandig naamwoord), horloge.
hotelhouder, [eigenaar van een hotel], otel-older, (zelfstandig naamwoord), hotelhouder, hoteleigenaar.
houden, ollen, (werkwoord), ölt/olt, iel(d), e<, houden. Ik olle van oe. Dät ölt niet op.
hout, olt, (zelfstandig naamwoord), öltien, hout. De deure is van olt. Van ölten olt. Uitdr.: IJ is vant öltien ‘hij is rooms-katholiek’.
houtduif, oltdoeve, (zelfstandig naamwoord), houtduif.
houten, ölten, (bijvoeglijk naamwoord), houten, van hout gemaakt. Een ölten deure. Een ölten Klaos! ‘een houten Klaas, een stijve hark’.
houterig, [stijf], ölterig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), houterig, stijf.
houtloods, [pakhuis voor hout], oltloze, oltloodse, (zelfstandig naamwoord), houtloods.
houtskool, oltskaol, (zelfstandig naamwoord), houtskool.
houtworm, [larve van de houtkever], oltwörm, (zelfstandig naamwoord), houtworm.
houtzagerij, [bedrijf van een houtzager], oltzageri’je, (zelfstandig naamwoord), houtzagerij.
houwen, ouwen, (werkwoord), ouwen, e-ouwd, houwen, slaan.
hufter, ufter, (zelfstandig naamwoord), hufter, schoft.
huichelen, uichelen, (werkwoord), uichelen, e-uicheld, huichelen.
huig, uige, (zelfstandig naamwoord), huig.
huilen, ulen, (werkwoord), huilen. Zie ook: liepen.
huis, uus, (zelfstandig naamwoord), usien, huis.
Huis met de hoofden, [gebouw in Zwolle], Uus met de eufden, (zelfstandig naamwoord), Huis met de hoofden, aan de Goudsteeg in de oude binnenstad, heeft zijn naam te danken aan de vijf gehurkte tekstdragende mannetjes die in de houten balkconsoles van de voorkamer verwerkt zijn. Men zegt dat het profeten uit het Oude Testament voorstellen. In dit huis woonden adellijke families, maar ook de patriottenleider en democraat Joan Derk van der Capellen heeft er ooit gewoond. Later nam in dit vijftiende-eeuwse huis de Stedelijke Muziekschool haar intrek.
huisbaas, [huiseigenaar], uusbaas, uusbaos, (zelfstandig naamwoord), huisbaas.
huisdeur, [voordeur], uusdeure, (zelfstandig naamwoord), huisdeur, voordeur. Zie ook: veurdeure.
huishen, [iem. die altijd thuis is], uusenne, (zelfstandig naamwoord), iemand die het liefst thuis zit, huismus. Zie ook: uusmusse.
huishouden, uusollen, (zelfstandig naamwoord), huishouden.
huishouding, uusolding, uusoldige, (zelfstandig naamwoord), huishouding.
huishoudschool, [school voor het huishoudelijk bedrijf], uusoldskoele, (zelfstandig naamwoord), huishoudschool.
huishoudster, uusolster, (zelfstandig naamwoord), huishoudster, werkster.
huisje, usien, (zelfstandig naamwoord), 1. huisje. Uitdr.: ‘t Usien bi’j de skure laoten ‘niet afdwalen van het onderwerp’; 2. wc. Ook: (kak)deuze.
huisjesput, [put voor menselijke uitwerpselen], usiesputte, (zelfstandig naamwoord), beerput. Zie ook: beerputte.
huislook, uuslook, (zelfstandig naamwoord), huislook, vetplant.
huismus, uusmusse, zie: uusenne.
huiverig, [rillerig; afkerig], uverig, (bijvoeglijk naamwoord), huiverig.
huizen, uzen, (werkwoord), uzen, e-uusd, wonen.
hulp, ulpe, (zelfstandig naamwoord), hulp.
hulpzeel, [draagband], ulpzele, (zelfstandig naamwoord), bretel, galg. Zie ook: galge.
hun, unnie, un, (persoonlijk voornaamwoord, bezittelijk voornaamwoord), hun. Dät is un(nie) uus.
huren, uren, (werkwoord), uren, e-uurd, huren.
hurken, örken, 1. zn. (all. mv.), hurken. Op de örken zitten; 2. ww. (örken, e-örkt), hurken. IJ mos örken.
hut, utte, (zelfstandig naamwoord), hut.
hutspot, utspot, (zelfstandig naamwoord), hutspot. Zie ook: wörtels-en-look.
huurhuis, [gehuurde woning], uuruus, (zelfstandig naamwoord), huurhuis.
iedereen, iederiene, (onbepaald voornaamwoord), iedereen.
iekertje, [kabouter], iekertien, (zelfstandig naamwoord), kabouter, klein mensje. ‘t Règent iekerties ’t stortregent’.
iep, iepe, (zelfstandig naamwoord), iep, boom.
ietsepietsje, ietsepietsien, zie: ietsien.
ietsje, ietsien, (zelfstandig naamwoord), klein beetje, iets. Zie ook: ietsepietsien.
ijs, ies, (zelfstandig naamwoord), ijs. Der zit ies op de roeten.
ijsbaan, [ijs om op te schaatsen], iesbane, (zelfstandig naamwoord), ijsbaan.
ijsbeer, iesbere, (zelfstandig naamwoord), ijsbeer.
ijsberg, iesbärg, (zelfstandig naamwoord), ijsberg.
ijsco, iesco, (zelfstandig naamwoord), ijsco, ijsje. Zie ook: iesien.
ijscoboer, [verkoper van ijs], iescoboer, (zelfstandig naamwoord), ijscoman. Zie ook: iescokerel.
ijscokar, [wagen van een ijscoman], iescoköre, (zelfstandig naamwoord), ijscokar. Zie ook: iesköre.
ijscokerel, [verkoper van ijs], iescokerel, zie: iescoboer.
ijsfabriek, [fabriek van ijs], iesfebriek, (zelfstandig naamwoord), ijsfabriek.
ijsje, [consumptie-ijs], iesien, zie: iesco.
ijskar, [wagen van een ijscoman], iesköre, zie: iescoköre.
ijskast, ieskaste, (zelfstandig naamwoord), ijskast, koelkast.
ijskoud, [zo koud als ijs], ieskold, (bijvoeglijk naamwoord), ijskoud.
ijslaag, [laag van ijs], ieslaoge, (zelfstandig naamwoord), ijslaag.
ijsmuts, [soort muts], iesmusse, (zelfstandig naamwoord), ijsmuts.
ijspegel, [kegelvormig ijs], iespègel, (zelfstandig naamwoord), ijspegel.
IJssel, Iessel, (zelfstandig naamwoord), IJssel (rivier).
ijsvrij, [waarin zich geen blijvend ijs vormt], iesvri’j, (bijvoeglijk naamwoord), ijsvrij.
ijswafel, [lekkernij], ieswaofel, (zelfstandig naamwoord), ijswafel.
ijver, iever, (zelfstandig naamwoord), ijver. Zie ook: ieverigeid.
ijverig, ieverig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ijverig.
ijverigheid, ieverigeid, zie: iever.
ijzel, iezel, (zelfstandig naamwoord), ijzel.
ijzelen, [het zich-vormen van ijzel], iezelen, (werkwoord), iezelen, e-iezeld, ijzelen.
ijzer, iezer, (zelfstandig naamwoord), 1. ijzer (het materiaal); 2. hoefijzer. Zie ook: oefiezer; 3. strijkijzer. Zie ook: striekiezer, striekbolte, bolte; 4. schaats. Zie ook: skaatse, skeuvel.
ijzerdraad, [tot draad getrokken ijzer], iezerdraod, (zelfstandig naamwoord), ijzerdraad.
ijzeren, iezeren, (bijvoeglijk naamwoord), ijzeren, van ijzer. Een iezeren bak.
ijzergaren, [sterk naaigaren], iezergören, (zelfstandig naamwoord), ijzergaren, sterk naaigaren.
ijzergieterij, [plaats waar ijzeren voorwerpen worden gegoten], iezergieteri’je, (zelfstandig naamwoord), ijzergieterij.
ijzersterk, [zeer sterk], iezerstärk, (bijvoeglijk naamwoord), ijzersterk.
ijzerzaag, [zaag om ijzer te zagen], iezerzage, (zelfstandig naamwoord), ijzerzaag.
ijzig, iezig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ijzig, door merg en been gaand.
immers, ummes, (voegwoord), bw., immers.
importantie, [belang], petansie, (zelfstandig naamwoord), belang, gewicht, belangrijkheid.
inbreken, inbrèken, (werkwoord), inbreken.
inbreker, [iem. die ergens inbreekt], inbrèker, (zelfstandig naamwoord), inbreker.
inderdaad, inderdaod, (bijwoord), inderdaad.
indraaien, [door draaien in iets brengen], indreien, (werkwoord), indraaien. IJ ef der zien konte mooi in-edreid ‘hij heeft een mooi baantje gekregen’.
indrogen, [droog wordend intrekken], indreugen, (werkwoord), indrogen.
ineens, iniens, (bijwoord), ineens, plotseling.
influisteren, [fluisterend in het oor zeggen], influusteren, (werkwoord), influisteren.
ingaan, [binnengaan], ingaon, (werkwoord), ingaan, binnengaan.
ingang, [opening], ingank, (zelfstandig naamwoord), ingang, intree.
ingewand, ingewannen, (zelfstandig naamwoord), ingewanden.
ingrijpen, ingriepen, (werkwoord), ingrijpen.
inhaken, [in het ervoor bestemde oog slaan], in-aoken, (werkwoord), inhaken.
inhalerig, in-alerig, zie: in-alig.
inhalig, in-alig, (bijvoeglijk naamwoord), inhalig. Zie ook: in-alerig.
inhoud, in-old, (zelfstandig naamwoord), inhoud.
inhouden, [in zich hebben], in-ollen, (werkwoord), inhouden.
inhuren, [in dienst nemen], in-uren, (werkwoord), inhuren. IJ uurt mankracht in.
inkijk, [gelegenheid om naar binnen te kijken], inkiek, (zelfstandig naamwoord), inkijk.
inkijken, [naar binnen kijken], inkieken, (werkwoord), inkijken.
inkoken, [onder het koken verminderen], inkaoken, (werkwoord), inkoken.
inkomen, inkommen, 1. ww., inkomen.Döör kan-k inkommen; 2. zn., inkomen. Mien inkommen is niet ärg oge.
inkorten, [korter maken], inkörten, (werkwoord), inkorten, korter maken. Zie ook: verkörten.
inkorven, [in korven doen], inkörven, (werkwoord), körven, in-ekörfd, inkorven (van bijen of duiven).
inkt, ink, (zelfstandig naamwoord), inkt.
inktfles, [fles voor inkt], inkflesse, (zelfstandig naamwoord), inktfles.
inktkoker, [soort inktpot], inkkökker, (zelfstandig naamwoord), inktkoker, inktpot in een lessenaar aangebracht of bij een inktstel horend.
inktlap, [lap om een pen aan af te vegen], inklappe, (zelfstandig naamwoord), inktlap.
inktpot, [potje voor inkt], inkpot, (zelfstandig naamwoord), inktpot.
inktvlek, [vlek van inkt], inkvlekke, (zelfstandig naamwoord), inktvlek.
inkuilen, inkulen, (werkwoord), kulen in, in-ekuuld, 1. inrollen (van knikkers in knikkerpot); 2. zie: inkoelen.
inkuilen, inkoelen, (werkwoord), koelen in, in-ekoeld, inkuilen (van aardappelen, gras, vaste planten). Zie ook: inkulen.
inlaten, inlaoten, (werkwoord), inlaten.
inlegzool, [binnenzool], inlegzaole, (zelfstandig naamwoord), inlegzool.
inleven, [inleven], inlèven, (werkwoord), inleven. IJ ef zich in-elèèfd.
inleveren, [overhandigen], inlèveren, (werkwoord), lèveren in, in-elèverd, inleveren.
inlossen, [vrijkopen], inlössen, (werkwoord), inlossen, aflossen, vrijkopen. Zie ook: oflössen.
inluiden, [aankondigen], inluden, (werkwoord), inluiden.
innemen, [binnenbrengen], innemmen, (werkwoord), innemen.
inpekelen, inpèkelen, (werkwoord), pèkelen in, in-epèkeld, inpekelen.
inpeperen, inpèperen, (werkwoord), 1. inpeperen, het bestrooien met peper; 2. met sneeuw inwrijven; 3. (fig.), betaald zetten.
inregenen, [inregenen], inrègenen, (werkwoord), inregenen.
inrekenen, inrèkenen, (werkwoord), inrekenen.
inrijden, [binnenrijden], inriejen, inri’jen, inrieden, (werkwoord), inrijden.
inschenken, inskenken, inskinken, (werkwoord), inschenken.
inschrijfgeld, [inschrijfgeld], inskriefgeld, (zelfstandig naamwoord), inschrijfgeld.
inschrijven, [aanmelden], inskrieven, (werkwoord), inschrijven.
inschuiven, [binnenschuiven], inskoeven, (werkwoord), inschuiven.
insgelijks, insgelieks, (bijwoord), ingelijks.
inslaan, inslaon, (werkwoord), inslaan.
inslapen, inslaopen, (werkwoord), 1. inslapen; 2. sterven. Zie ook: stärven, aoverlieden.
insluipen, [binnensluipen], inslupen, (werkwoord), insluipen.
insluiper, [dief], insluper, (zelfstandig naamwoord), insluiper.
insluiten, [omhullen], insluten, (werkwoord), insluiten.
insnijden, [ergens in snijden], insniejen, insnieden, (werkwoord), insnijden.
insnuiven, [door de neus inademen], insnoeven, (werkwoord), insnuiven.
inspelen, [zich op het spel voorbereiden; reageren], inspöllen, (werkwoord), inspelen.
inspreken, [inboezemen; een spraakopname maken], insprèken, (werkwoord), inspreken.
instaan, instaon, (werkwoord), instaan, borg staan. Ik stao der niet veur in.
insteken, instèken, (werkwoord), insteken.
instuiven, [naar binnen stuiven], instoeven, (werkwoord), instuiven.
intijds, intieds, (bijwoord), bijtijds, tijdig. Zie ook: bi’jtieds.
intreden, intrèden, intrejen, (werkwoord), tred in, trad in, in-etrèd, intreden.
invaren, [naar binnen varen], invaeren, (werkwoord), invaren.
invoelen, [zich inleven], invulen, (werkwoord), invoelen, aanvoelen.
invreten, invrèten, (werkwoord), invreten.
inwerken, [zich op het werk voorbereiden; effect hebben], inwärken, (werkwoord), inwerken.
inwerktijd, [tijd om aan werk te wennen], inwärktied, (zelfstandig naamwoord), inwerktijd.
inwijden, inwi’jen, (werkwoord), wi’jen in, in-ewi’jd, inwijden.
inwrijven, invrieven, (werkwoord), inwrijven.
inzaaien, inzeien, (werkwoord), inzaaien.
inzouten, [pekelen], inzolten, (werkwoord), inzouten, in de pekel leggen (van bijv. vlees, bonen).
ja, jao, (bijwoord), ja.
jaap, jape, (zelfstandig naamwoord), diepe snijwond, jaap.
jaar, jöör, (zelfstandig naamwoord), jaar.
jaargang, jöörgank, (zelfstandig naamwoord), jaargang.
jaargetijde, jöörgetiede, (zelfstandig naamwoord), jaargetijde.
jaarlijks, jöörlijks, (bijvoeglijk naamwoord), jaarlijks.
jaarmarkt, jöörmärkt, jöörmärk, (zelfstandig naamwoord), jaarmarkt.
jaartal, jöörtal, (zelfstandig naamwoord), jaartal.
jachten, jachteren, (werkwoord), jachteren, ejachterd, opjagen, aandrijven.
jachtpartij, [jacht], jachtpeti’je, (zelfstandig naamwoord), jachtpartij.
jagen, jaegen, (werkwoord), jaegt, joeg/jaegen, ejaegd, 1. hard rijden. Ik jaege met mien brommer deur de straote; 2. jagen op wild.
jaloers, jeloers, (bijvoeglijk naamwoord), jaloers.
jaloersheid, jeloersigeid, (zelfstandig naamwoord), jaloezie.
janken, sjanken, (werkwoord), huilen. Zie ook: liepen.
jankepit, [zeurpiet], jankepitte, sjankepitte, zie: jankerd.
janker, jankerd, sjankerd, (zelfstandig naamwoord), jankerd, huilebalk. Zie ook: jankepitte.
janklaassen, Jan-te-Klaosen, (zelfstandig naamwoord), sufferd. Wat vin ik dät een Jan-te-Klaosen!
Jantje-knoei, [knoeier], Jäntien-knooi, (zelfstandig naamwoord), iemand die knoeit met het werk. Zie ook: klooi-jan. Zie ook: knooien.
januari, jannewaeri, (zelfstandig naamwoord), januari.
jarenlang, jörenlank, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), jarenlang.
jarig, jörig, (bijvoeglijk naamwoord), jarig.
jas, jässe, (zelfstandig naamwoord), jas, mantel.
jawel, jaowè, (bijwoord), jawel, versterking van ja.
jellis, [uitbrander], jellis, (zelfstandig naamwoord), uitbrander.
jenever, jenèver, (zelfstandig naamwoord), 1. jenever; 2. glaasje jenever, borrel. Zie ook: börrel.
jeuk, jökte, (zelfstandig naamwoord), jeuk.
jeuken, jökken, (werkwoord), jökken, ejökt, jeuken. Uitdr.: IJ krabt em wöört em niet jökt ‘hij zit in verlegenheid’.
jeukpoeder, [jeuk veroorzakend poeder], jökpoeier, (zelfstandig naamwoord), jeukpoeder.
jij, ieje, ie, (persoonlijk voornaamwoord meervoud), jij, je, u.
Jodendijkje, [straatnaam], Jeudendiekien, (zelfstandig naamwoord), Jodendijkje, oftewel de Luurderschans, was eens de weg die naar de voormalige joodse begraafplaats leidde. Nu is daar het parkeerterrein van het Ecodrome. De huidige joodse begraafplaats ligt in Berkum aan de Kuyerhuislaan.
jodenkerk, jeudenkärke, (zelfstandig naamwoord), synagoge (sjoel), die van 1746 tot 1758 in de Oude Munt aan de Bitterstraat stond en daarna in de Librije aan het Broerenkerkplein kwam. Omdat de joodse gemeente groeide werd een nieuwe synagoge gebouwd in de Schoutensteeg (vanaf 1989 Samuel Hirschstraat, vernoemd naar opperrabbijn S.J. Hirsch). Op 21. juli 1899 werd de nieuwe synagoge ingewijd.
jodenspek, jeudenspek, (zelfstandig naamwoord), sukade.
jodenster, [davidster], jeudensterre, (zelfstandig naamwoord), jodenster.
jodin, jeudinne, (zelfstandig naamwoord), jodin.
jong, jonk, 1. bn., jong, niet oud. Mien buurvrouwe ef pas nog wat jonks ekrögen ‘(…) een baby gekregen’; 2. zn. (mv. jongen), kind. Dät is oew jonk en dät bint mien jongen.
jongelui, [jonge mensen], jongelu, (zelfstandig naamwoord), jongelui.
jongen, jonge, (zelfstandig naamwoord), jonges, jonggien, jongen.
jongensdroom, [wens], jongesdreum, (zelfstandig naamwoord), jongensdroom.
jongensnaam, [naam voor een jongen], jongesname, (zelfstandig naamwoord), jongensnaam.
jongetje, jonkien, (zelfstandig naamwoord), jong dier.
jonkie, [borrel], junkien, (zelfstandig naamwoord), glaasje jenever, borrel. Zie ook: börrel.
jood, jeude, (zelfstandig naamwoord), jeutien, jood.
joods, jeuds, (bijvoeglijk naamwoord), joods.
juchteren, joechteren, (werkwoord), joechteren, ejoechterd, stoeien, draven, tieren. De wind joechtert deur de skörstien.
juist, juust, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), juist, precies. Et juuste antwoord. Zie ook: krek.
jurk, jörk, (zelfstandig naamwoord), jurk.
jutezak, [zak van jute], juttezak, (zelfstandig naamwoord), jutezak.
juweel, jeweel, (zelfstandig naamwoord), juweel.
kaak, kake, (zelfstandig naamwoord), kaak.
kaan, kögies, (zelfstandig naamwoord), (all. mv.), kaantjes, de kleine bruine stukjes die overblijven van uitgebraden reuzel, kalfs- of rundvet.
kaars, keerse, (zelfstandig naamwoord), kaars.
kaarsrecht, keersrecht, keersrech, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kaarsrecht.
kaarsvet, [smelt van een kaars], keersevet, (zelfstandig naamwoord), kaarsvet.
kaart, kaerte, (zelfstandig naamwoord), kaart.
kaas, keze, (zelfstandig naamwoord), kesien, kaas.
kabinet, kammenet, (zelfstandig naamwoord), kabinet, bepaald soort kast.
kachel, kachel, (bijvoeglijk naamwoord), dronken. Zie ook: dronkend.
kachel, kachel, (zelfstandig naamwoord), kachel.
kachelpijp, kachelpiepe, (zelfstandig naamwoord), 1. kachelpijp; 2. hoge hoed.
kachelpook, [staaf om het vuur op te porren], kachelpoke, (zelfstandig naamwoord), kachelpook, ijzeren staaf met handvat, werd vroeger gebruikt om het vuur op te porren.
kachelpotlood, [poetsmiddel], kachelpotlood, (zelfstandig naamwoord), kachelpoets, vroeger gebruikt poetsmiddel voor de kachel in poedervorm.
kadetje, kedettien, (zelfstandig naamwoord), kadetje, broodje.
kajuit, kejuit, (zelfstandig naamwoord), kajuit.
kakdoos, kakdeuze, (zelfstandig naamwoord), poepdoos. Zie ook: deuze, usien.
kalebas, kallebasterd, kallebaster, (zelfstandig naamwoord), kalebas.
kalender, kelender, (zelfstandig naamwoord), kalender.
Kalken Neus, [bijnaam], Kalken Nöze, (zelfstandig naamwoord), bekend stadstype.
kalkoen, kalkoene, (zelfstandig naamwoord), kalkoen.
kalot, [mutsje], kalöttien, (zelfstandig naamwoord), een klein mutsje of kapje dat vroeger door de priesters, bisschoppen en door oude of kaalhoofdige mensen (binnenshuis) werd gedragen.
kam, kamme, (zelfstandig naamwoord), kammegien, kam.
kameel, kemeel, (zelfstandig naamwoord), kameel.
kameraad, kammeraod, (zelfstandig naamwoord), kammerötien, kameraad, vriend. Zie ook: maot.
kamgaren, kamgören, 1. zn., kamgaren (de stof); 2. bn., gemaakt van kamgaren.
kamille, kemille, (zelfstandig naamwoord), kamille.
kamillethee, kemillethee, (zelfstandig naamwoord), kamillethee.
kan, kanne, (zelfstandig naamwoord), 1. kan; 2. inhoudsmaat. Vroeger kocht je bij de melkboer losse melk, een kanne melk was twee liter melk. Bij de petroleumboer was een kanne petroleum één liter petroleum.
kanaal, kenaal, (zelfstandig naamwoord), kanaal.
kanarie, kenaerie, (zelfstandig naamwoord), kanarie.
kandelaar, kandelaer, (zelfstandig naamwoord), kandelaar.
kaneel, keneel, (zelfstandig naamwoord), kaneel.
kant, kant, in: an kant, klaar, gedaan. Zi’j ef aer wärk an kant.
kant, kante, (zelfstandig naamwoord), käntien, kant. Gao is an de kante ‘ga eens opzij’. Zie ook: opzied. Uitdr.: Dät deugt van gien kante ‘er klopt niets van’.
kantoor, ketoor, (zelfstandig naamwoord), kantoor.
kap, kappe, (zelfstandig naamwoord), käppien, 1. kap; 2. vrouwenmuts.
kapel, kepelle, (zelfstandig naamwoord), kapel.
kapelaan, kappelaon, (zelfstandig naamwoord), kappelööntien, kapelaan.
kapitaal, kaptaal, kaptaol, (zelfstandig naamwoord), kapitaal.
kapok, kepok, (zelfstandig naamwoord), kapok.
kapot, kepot, (bijvoeglijk naamwoord), kapot, stuk.
kapotje, kepökkien, (zelfstandig naamwoord), condoom. Zie ook: règenjässien.
kappertjeskool, käppertieskool, (zelfstandig naamwoord), kappertjeskool, groene kool.
kapucijner, kapsiender, (zelfstandig naamwoord), kapucijner. Zie ook: raosdonder.
kar, köre, (zelfstandig naamwoord), köregien/köörtien, kar.
karnemelk, kärnemelk, (zelfstandig naamwoord), karnemelk.
karnemelksbrij, [karnemelksepap], kärnemelksebri’j, (zelfstandig naamwoord), karnemelksebrij. Zie ook: kärnemelksepap.
karnemelkspap, kärnemelksepap, zie: kärnemelksebri’j.
karnen, kärnen, (werkwoord), kärnen, ekärnd, karnen.
karrenman, [vuilnisman], köreman, (zelfstandig naamwoord), vuilnisman.
karrenspoor, körespoor, (zelfstandig naamwoord), karrespoor.
karton, keton, (zelfstandig naamwoord), ketunnegien, karton.
karwats, kärrewats, (zelfstandig naamwoord), karwats.
karwei, kärwei, (zelfstandig naamwoord), kärweigien, karwei.
kast, kaste, (zelfstandig naamwoord), kässien, kast.
kastanje, kestanje, (zelfstandig naamwoord), (wilde), kastanje.
kastanjeboom, kestanjeboom, (zelfstandig naamwoord), kastanjeboom.
kasteel, kesteel, (zelfstandig naamwoord), kasteel.
kat, katte, (zelfstandig naamwoord), kättien, kat, poes. Uitdr.: Döör is wat bi’j wat de katte niet lust ‘hete drank of soep’.
katholiek, katteliek, (bijvoeglijk naamwoord), katholiek.
katoen, ketoen, (zelfstandig naamwoord), katoen. Mien moe breit met ketoen in plase met wolle.
katoentje, ketuuntien, (zelfstandig naamwoord), 1. katoenen pit voor petroleumlamp of gaslamp; 2. lap katoen.
katrol, ketrolle, (zelfstandig naamwoord), ketröllegien, katrol.
kats, [geheel], kats, (bijwoord), totaal, geheel, finaal. IJ was kats kepot.
kattenkop, [kwaad mens], kattekop, (zelfstandig naamwoord), kattig kind.
kattenkruid, [Nepeta cataria], kattekruud, (zelfstandig naamwoord), kattenkruid (plant).
kattenkwaad, kattekwaod, (zelfstandig naamwoord), kattenkwaad.
kattenluik, [deurtje voor een kat], kattenloek, (zelfstandig naamwoord), kattenluik.
kattenstaart, kattestaert, kattesteert, (zelfstandig naamwoord), 1. kattenstaart; 2. wilgenroosje.
katuil, katoele, (zelfstandig naamwoord), katuil, ransuil.
kauw, kauwe, (zelfstandig naamwoord), kauwgien, kauw (vogelsoort).
kazen, kezen, (werkwoord), kezen, ekeesd, kazen, kaas maken.
kazerne, kezärne, (zelfstandig naamwoord), kazerne.
keel, kèle, (zelfstandig naamwoord), keel. Zie ook: als, strotte, kèlewinkel, görgel.
keelpijn, [zere strot], kèèlpiene, (zelfstandig naamwoord), keelpijn.
keelwinkel, [keel], kèlewinkel, (zelfstandig naamwoord), keel. Wordt speciaal zo genoemd bij iemand die graag drinkt. Dät giet deur de kèlewinkel. Zie ook: als, kèle, strotte, görgel.
kees, kesien, (zelfstandig naamwoord), keeshondje.
keesje, kesien, (zelfstandig naamwoord), een pruim tabak.
kei, keie, (zelfstandig naamwoord), kei.
keilbout, [soort bout], keilbolte, (zelfstandig naamwoord), keilbout.
keisteen, [kei; straatsteen], keistien, (zelfstandig naamwoord), kei, straatsteen, kinderkopje. Uitdr.: Die kan zels keistienen ofkaoken zodätt nat nog läkker is ‘die kan koken! die kan van (bijna) niks nog iets lekkers maken’.
kelderluik, kelderloek, (zelfstandig naamwoord), kelderluik.
keldermot, [pissebed], keldermotte, (zelfstandig naamwoord), keldermot, pissebed.
kelen, kèlen, (werkwoord), kèlen, ekèèld, kelen, slachten.
kelk, kelke, (zelfstandig naamwoord), kelk.
kemphaan, kempane, (zelfstandig naamwoord), kemphaan.
kennis, kennisse, (zelfstandig naamwoord), kennis.
kerfstok, kärfstok, (zelfstandig naamwoord), kerfstok.
kerk, kärke, (zelfstandig naamwoord), kerk. Uitdr.: IJ is in de kärke geboren ‘hij laat de deur openstaan’.
kerkbank, [bank in een kerk], kärkbanke, (zelfstandig naamwoord), kerkbank.
kerkbijbel, [bijbel voor in de kerk], kärkbiebel, (zelfstandig naamwoord), kerkbijbel.
kerkbrood, [pepermunt], kärkebrood, (zelfstandig naamwoord), pepermunt. Zie ook: pèpermunt.
kerkbuil, [collectezak], kärkebule, kärkbule, (zelfstandig naamwoord), collectezak.
kerkdeur, [deur van een kerk], kärkdeure, (zelfstandig naamwoord), kerkdeur.
kerkelijk, kärkelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kerkelijk.
kerken, [naar de kerk gaan], kärken, (werkwoord), kärken, ekärkt, kerken.
kerkenraad, [bestuur van een kerkgemeente], kärkeraod, (zelfstandig naamwoord), kerkenraad.
kerkganger, kärkganger, (zelfstandig naamwoord), kerkganger.
kerkhof, kärkof, (zelfstandig naamwoord), kerkhof, begraafplaats. Zie ook: begraafplase.
kerkklok, kärkklokke, (zelfstandig naamwoord), kerkklok.
kerkorgel, [orgel van een kerk], kärkörgel, (zelfstandig naamwoord), kerkorgel.
kerkpad, kärkepad, (zelfstandig naamwoord), kerkpad.
kerkrat, [rat in een kerk], kärkrotte, (zelfstandig naamwoord), kerkrat. Uitdr.: IJ is zo ärm as een kärkrotte ‘hij is erg arm’.
kerks, kärks, (bijvoeglijk naamwoord), kerks. IJ is kärks.
kerktijd, [tijd voor een kerkdienst], kärktied, (zelfstandig naamwoord), kerktijd.
kerktoren, kärketoren, (zelfstandig naamwoord), kerktoren.
kerkuil, kärkoele, (zelfstandig naamwoord), kerkuil.
kermejanken, [jammeren], kärmejakken, (werkwoord), kärmejakken, ekärmejakt, jammeren.
kermen, kärmen, (werkwoord), kärmen, ekärmd, kermen.
kermis, kärmse, (zelfstandig naamwoord), kermis.
kern, kärn, (zelfstandig naamwoord), kern.
kers, kärse, (zelfstandig naamwoord), kers.
kersenboom, kärseboom, (zelfstandig naamwoord), kersenboom.
kersenpit, kärsepitte, (zelfstandig naamwoord), kersenpit.
kerstdag, kärsdag, (zelfstandig naamwoord), kerstdag.
kerstfeest, [feest van Christus' geboorte], kärsfeest, kärsfees, (zelfstandig naamwoord), kerstfeest.
kerstmis, kärsmis, (zelfstandig naamwoord), kerstmis.
kerstversje, [kerstliedje], kärsvärsien, (zelfstandig naamwoord), kerstliedje.
kersvers, kärsvärs, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kersvers.
kervel, kärvel, (zelfstandig naamwoord), kervel. Zie ook: kruudmoesgruunte.
kerven, kärven, (werkwoord), kärven, ekärfd, kerven.
ketel, kètel, (zelfstandig naamwoord), ketel.
Ketelarij, [straatnaam], Kettelerieje, (zelfstandig naamwoord), ooit een zijstraat van de Smeden; daar waren de ketelmakerijen.
ketelhok, [stookhok], kètel-ok, (zelfstandig naamwoord), stookhok.
ketelhuis, [gebouw waar de ketel staat], kèteluus, (zelfstandig naamwoord), ketelhuis.
ketelmaker, [iemand die ketels herstelt], kètelmaker, (zelfstandig naamwoord), ketelmaker.
ketelsteen, kètelstien, (zelfstandig naamwoord), ketelsteen.
ketsen, kitsen, (werkwoord), kitsen, ekitst, ketsen.
ketting, kettink, (zelfstandig naamwoord), ketting.
Keuls, Köls, (bijvoeglijk naamwoord), Keuls, van Keulen. Vrogger wieren in Kölse potten sniebonen int zolt emaakt.
keumes, [hoofd], keumes, (zelfstandig naamwoord), gezicht, hoofd. IJ stiet weer met zien keumes veuran.
keutel, köttel, (zelfstandig naamwoord), 1. keutel; 2. klein kind.
keutelen, köttelen, (werkwoord), köttelen, ekötteld, keutelen, drentelen.
keutelpeer, [soort peer], köttelpere, (zelfstandig naamwoord), kleine wilde peer.
keuterboer, köttelboer, (zelfstandig naamwoord), keuterboer, kleine boer.
kezen, kezen, seks hebben.
kiel, kiele, (zelfstandig naamwoord), 1. kiel, kledingstuk; 2. wig.
kiel, kiele, (zelfstandig naamwoord), kiel van een schip
kiem, kien, (zelfstandig naamwoord), kiem, uitloper. Zie ook: uutloper, uutloopsel.
kiemen, kienen, (werkwoord), kienen, ekiend, kiemen. Zie ook: uutlopen.
kienhout, kienolt, (zelfstandig naamwoord), kienhout, een stuk hout of stronk opgegraven uit het veen met een heel lange brandduur.
kiepkar, kiepköre, (zelfstandig naamwoord), kar die over rails rijdt en kan kiepen.
kier, kiere, (zelfstandig naamwoord), kier, reet.
kies, koeze, kieze, (zelfstandig naamwoord), kiesien, kies.
kiespijn, kiespiene, koezepiene, (zelfstandig naamwoord), kiespijn.
kietelen, kiedelen, kielen, (werkwoord), kiedelen, ekiedeld; kielen, <, kietelen. Zie ook: kielen.
kietelig, [gevoelig], kiddelig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. kittelig, gevoelig voor kietelen; 2. kribbig.
kieuw, kieuwe, (zelfstandig naamwoord), kieuw.
kievit, kiefte, (zelfstandig naamwoord), kievit.
kievitsei, [ei van een kievit], kieftenei, (zelfstandig naamwoord), kievitsei.
kiezen, kiezen, (werkwoord), kös, koos, eközen, kiezen.
kiften, kiften, zie: kieven.
kijkdoos, kiekdeuze, (zelfstandig naamwoord), 1. kijkdoos; 2. televisie. Zie ook: tillevizie.
kijken, kieken, (werkwoord), kik/kiekt, keek, ekekken
kijker, kieker, (zelfstandig naamwoord), 1. kijker (mens); 2. verrekijker. Zie ook: värrekieker.
kijker, kiekerd, (zelfstandig naamwoord), 1. kijker, vizier. Uitdr.: In de kiekerd ebben ‘in het vizier hebben’; 2. gluurder.
kijkgat, [opening om door te kijken], kiekgat, (zelfstandig naamwoord), kijkgat.
kijkkast, kiekkaste, (zelfstandig naamwoord), kijkkast, televisie.
kijven, kieven, (werkwoord), kif(t), kif(t)enkiften.
kikvors, kikvörs, (zelfstandig naamwoord), kikvors.
kim, kimme, (zelfstandig naamwoord), kim, horizon.
kin, kinne, (zelfstandig naamwoord), kin.
kind, kind, (zelfstandig naamwoord), kinders, kintien, kind.
kinderjaren, kinderjören, (zelfstandig naamwoord), kinderjaren.
kip, kippe, (zelfstandig naamwoord), kip, hoen. Uitdr.: Van een kale kippe ku-j gien veren plukken ‘er valt daar niets te halen’. Zie ook: oen.
kippenkontje, [achterste van een kip; haarmodel], kippekuntien, (zelfstandig naamwoord), 1. kippenkontje; 2. hoog opgeknipt haar.
kist, kiste, (zelfstandig naamwoord), kist.
klaar, klöör, (bijvoeglijk naamwoord), 1. klaar, gereed. Dät eb ik klöör; 2. helder, duidelijk. Uitdr.: Dät is zo klöör as een kluntien ‘dat is duidelijk genoeg’.
klaarblijkelijk, klöörbliekelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), klaarblijkelijk.
klaarkomen, klöörkommen, (werkwoord), klaarkomen.
klaarkrijgen, [voltooien], klöörkriegen, (werkwoord), klaarkrijgen.
klaarspelen, klöörspöllen, (werkwoord), klaarspelen.
klaarstaan, klöörstaon, (werkwoord), klaarstaan.
klaas, [onhandige man], klaos, (zelfstandig naamwoord), klösien, klaas, sufferd.
klabats, [uitroep], klabats, 1. tw., patsboem!; 2. zn., krediet. Op de klabats kopen.
klad, kladde, (zelfstandig naamwoord), veel, grote hoeveelheid. Zie ook: bonke, bulte.
kladden, kladden, (zelfstandig naamwoord), (all. mv.), 1. handen. Iets in de kladden kriegen. Zie ook: annen, zie: and. 2. in: Iene bi’j de kladden griepen ‘iemand vastgrijpen’. Zie Ook:lörven.
klamp, klampe, (zelfstandig naamwoord), 1. keg; 2. blikken beugel ter versteviging over de klomp.
klampen, [binden, bevestigen], klampen, (werkwoord), klampen, eklampt, 1. klompen voorzien van een klampe; 2. bossen maken van stro.
klant, klante, (zelfstandig naamwoord), kläntien, klant.
klapbes, klapbesse, zie: kruzebèze.
klaphout, klap-olt, (zelfstandig naamwoord), dun hout, hout van mindere kwaliteit. Uitdr.: IJ is zo mager as klap-olt ‘hij is erg mager’.
klapmuts, klapmusse, (zelfstandig naamwoord), boerenmuts.
klaproos, klaproze, (zelfstandig naamwoord), klaproos.
klaptafel, klaptaofel, (zelfstandig naamwoord), klaptafel.
klare, klöre, (zelfstandig naamwoord), jenever, borrel. Zie ook: börrel.
klas, klasse, (zelfstandig naamwoord), klässien, klas.
klasgenoot, [medeleerling], klasgenoot, (zelfstandig naamwoord), klasgeneutien, klasgenoot.
klaterbaan, [roddelcircuit], klaterbane, (zelfstandig naamwoord), roddelcircuit.
klauw, klauwe, (zelfstandig naamwoord), 1. klauw; 2. hand.
klaver, klaover, (zelfstandig naamwoord), klövertien, klaver.
klaverblad, [blad van een klaver; iets met die vorm], klaoverblad, (zelfstandig naamwoord), klaverblad.
klaverjassen, klaoverjassen, klaoverjässen, (werkwoord), klaoverjassen, eklaoverjast, klaverjassen.
kleden, klejen, (werkwoord), klejen, ekleed, kleden.
kleerborstel, kleerbörstel, (zelfstandig naamwoord), kleerborstel. Zie ook: skuier.
kleerkast, kleerkaste, (zelfstandig naamwoord), kleerkast.
klein, klein, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), (vergr. trap: kleinerder), klein. Oew gebäkkien is völle kleinerder.
kleinigheid, kleinigeid, (zelfstandig naamwoord), kleinigeitien, kleinigheid. Een kleinigeid gèven.
kleinjantje, [zangvogel], kleinjäntien, (zelfstandig naamwoord), 1. winterkoninkje; 2. in Uitdr.: Die za-k kleinjäntien maken ‘die zal ik leegdrinken’. Zie ook: winterkeunekien.
kleizeep, [zeep van klei gemaakt], kleizepe, (zelfstandig naamwoord), zeep die vroeger in de gevangenis en in de Tweede Wereldoorlog werd gebruikt en niet schuimde.
klem, klemme, (zelfstandig naamwoord), klem.
klemblaar, [door klemmen veroorzaakte blaar], klemblöre, (zelfstandig naamwoord), klemblaar.
klemboon, [snijboon], klembone, (zelfstandig naamwoord), gladde snijboon. Zie ook: sniejbone.
klep, kleppe, (zelfstandig naamwoord), 1. klep; 2. mond, waffel. Ol oew kleppe es dichte.
klepel, klèpel, (zelfstandig naamwoord), klepel.
kleppen, kleppen, (werkwoord), kleppen, eklept, vaak bij iemand op visite komen. Die klept vake naor zien moe.
klepperen, kläpperen, (werkwoord), kläpperen, ekläpperd, klepperen. De kläpperman giet al kläpperend deur de straote.
klepperman, [nachtwacht], kläpperman, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), nachtwacht.
kleppermanshuisje, [huisje van de nachtwacht], kläppermans-usien, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), huisje voor de nachtwacht.
klepschuit, [iemand die veel loopt], klepskute, (zelfstandig naamwoord), vrouw die veel op pad is.
klerage, kleraozie, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), kleding, garderobe.
kletsen, klätsen, (werkwoord), klätsen, eklätst, slaag geven. A-j niet op-olt met treiteren za-k oe der iene veur de konte klätsen.
kleuterschool, [school voor kleuters], kleuterskoele, (zelfstandig naamwoord), kleuterschool, groep 1 en 2 van de basisschool. Zie ook: bewaerskoele.
kliek, klieke, (zelfstandig naamwoord), grote hoeveelheid.
kliek, klikke, (zelfstandig naamwoord), klikkien, etensrest, kliekje. Zie ook: präkkien.
klikspaan, klikspaone, (zelfstandig naamwoord), klikspaan.
kling, klinke, (zelfstandig naamwoord), kling, sabel.
klink, klinke, (zelfstandig naamwoord), deurklinke.
klinkklaar, klinkklöör, (bijvoeglijk naamwoord), klinkklaar.
kloek, kloeke, (zelfstandig naamwoord), kloek, broedse kip.
kloffie, kluffien, (zelfstandig naamwoord), kleren, klofje. IJ eft zelde kluffien weer an.
klok, klokke, (zelfstandig naamwoord), klökkien, klok.
klokhuis, klok-uus, (zelfstandig naamwoord), klokhuis.
klokje, klökkien, (zelfstandig naamwoord), akelei.
klokken, kloeken, (werkwoord), kloeken, ekloekt, klokken, snel, gulzig drinken. IJ kloekt in ien keer een eel glas achteraover. Zie ook: sloeken.
klomp, klompe, (zelfstandig naamwoord), klumpien, klomp. Uitdr.: Now brek mi’j de klompe ‘ik ben erg verbaasd’.
klompenhok, [hok voor klompen], klompen-ok, (zelfstandig naamwoord), klompenhok, hok achter de deur.
Klompjesschool, [toponiem], Klumpiesskoele, (zelfstandig naamwoord), was vroeger de school bij Bergklooster, waar de buitenkinderen die op klompjes liepen naar toe gingen.
klont, klonte, (zelfstandig naamwoord), kluntien, klont.
kloof, klove, (zelfstandig naamwoord), kloof, barst.
klooi-jan, [knoeier], klooi-jan, (zelfstandig naamwoord), iemand die aan het knoeien, klungelen is. Zie ook: Jäntien-knooi.
klooien, klooien, (werkwoord), klooien, eklooid, knoeien, klungelen.
klos, klosse, (zelfstandig naamwoord), klössien, klos.
klucht, klufte, (zelfstandig naamwoord), troep, groep.
kluit, kloete, (zelfstandig naamwoord), 1. kluit. Uitdr.: IJ is ärg uut de kloeten ewassen ‘hij is erg gegroeid’; 2. heel veel.
kluiterig, [vol kluiten], kloeterig, (bijvoeglijk naamwoord), kluiterig.
kluiven, kloeven, (werkwoord), kloeven, ekloefd, kluiven.
kluizenaar, kluzenaer, (zelfstandig naamwoord), kluizenaar.
klungel, klungel, (zelfstandig naamwoord), 1. klungelig persoon. Een klungel van een jonk; 2. waardeloos ding. Een klungel van een spiekerbroek.
klungelen, klungelen, (werkwoord), klungelen, eklungeld, klungelen, prutsen.
kluts, klutse, (zelfstandig naamwoord), kluts.
kluwen, kluwel, (zelfstandig naamwoord), kluwen. Zie ook: knotte.
knaak, knake, (zelfstandig naamwoord), knaak, oude Ned. munt van ƒ 2,50. Zie ook: rieksdaelder.
knappertje, [klein voorwerp dat kan knappen], knäppertien, (zelfstandig naamwoord), 1. klappertje, donderpoeder. Zie ook: mösseltien; 2. sneeuwbes.
knappertje, [beschuit], knäppertien, (zelfstandig naamwoord), droge en harde biscuit.
knar, knarre, (zelfstandig naamwoord), 1. oud mens. Zie ook: knärsterd; 2. boomstronk.
knarsbot, [kraakbeen], knärsebot, knärstebot, (zelfstandig naamwoord), kraakbeen.
knarsen, knärsen, (werkwoord), knärsen, eknärst, knarsen.
knarster, knärsterd, zie: knarre.
knasteren, [kraken], knästeren, (werkwoord), knästeren, eknästerd, kraken.
knecht, knech, (zelfstandig naamwoord), knechien, knecht.
knerpen, knärpen, (werkwoord), knärpen, eknärpt, knerpen, piepen.
kneukel, knökkel, (zelfstandig naamwoord), knokkel, kneukel.
kneuter, [kreukel], knötter, kneuter, (zelfstandig naamwoord), kreukel. Zie ook: krökkel.
kneuterbos, [gekreukeld voorwerp], knötterbos, (zelfstandig naamwoord), iets dat erg gekreukt is (bijv. een jurk). Die jörk is een knötterbos.
kneuteren, knösteren, (werkwoord), knösteren, eknösterd, mopperen. Zie ook: nösteren.
kneuteren, knötteren, kneuteren, (werkwoord), knötteren, eknötterd, 1. zachte geluiden maken, bijv. van een baby; 2. kreukelen. Zie ook: krökkelen.
kneuterig, kneuterig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. bekrompen; 2. zie: knötterig.
kneuterig, [kreukelig], knötterig, (bijvoeglijk naamwoord), kreukelig. Zie ook: kneuterig.
knevel, knèvel, (zelfstandig naamwoord), knevel, snor. Zie ook: snörre, öörlippe.
knie, knieje, (zelfstandig naamwoord), kniegien, knie.
kniehoogte, [hoogte van de knie], knie-eugte, (zelfstandig naamwoord), kniehoogte.
knijp-af, [cichoreikoffie], kniep-of, (zelfstandig naamwoord), 1. cichoreikoffie. In de Tweede Wereldoorlog kon je een päkkien kniep-of kopen in plaats van echte koffie. Zie ook: sjiegerei, siegerei; 2. pruimtabak. Zie ook: proemtebak.
knijpen, kniepen, (werkwoord), knip/kniept, kneep, eknepe, knijpen.
knijper, knieper, (zelfstandig naamwoord), knijper. Zie ook: wasknieper, wasknippe.
knijper, knieperd, (zelfstandig naamwoord), gierigaard, zuinig iemand. Zie ook: kniepkonte, kniepköttel, krente, pennefokse, pieneköttel, pintond, zunigerd.
knijperig, knieperig, (bijvoeglijk naamwoord), gierig, krenterig.
knijperigheid, [gierigheid], knieperigeid, (zelfstandig naamwoord), gierigheid.
knijpertje, [soort wafel], kniepertien, (zelfstandig naamwoord), knijpertje, een traditioneel wafeltje, dat veel gegeten wordt rond oud en nieuw. Zie ook: kniepkukien.
knijpkat, kniepkatte, (zelfstandig naamwoord), knijpkat, handdynamo.
knijpkeutel, kniepköttel, zie: knieperd.
knijpkoekje, [soort wafel], kniepkukien, zie: kniepertien.
knijpkont, kniepkonte, zie: knieperd.
knijplat, [soort gereedschap], knieplatte, (zelfstandig naamwoord), rietdekkersgereedschap.
knijptang, [gereedschap], knieptange, (zelfstandig naamwoord), nijptang.
knikkerbuil, [knikkerzak], knikkerbule, (zelfstandig naamwoord), knikkerzak.
knip, knippe, (zelfstandig naamwoord), knippien, 1. slot; 2. portemonnee; 3. knip voor in het haar. Zie ook: öörknippe.
knipgat, knipgat, (zelfstandig naamwoord), gat in de weg.
knipmuts, knippiesmusse, (zelfstandig naamwoord), knipmuts, Overijsselse klederdrachtmuts.
knipschaar, knipskere, (zelfstandig naamwoord), vervelend mens.
knisteren, kniesteren, (werkwoord), kniesteren, ekniesterd, knetteren, van vuur en bijv. ook van droog haar.
knoeien, knooien, (werkwoord), knooien, eknooid, 1. knoeien. Iemand die “knooit” wordt vaak Jäntien-knooi genoemd.; 2. knutselen. Een ändige knooierd; 3. rommelen.
knoeier, knooierd, (zelfstandig naamwoord), knoeier.
knoeper, knoeperd, (zelfstandig naamwoord), een groot exemplaar, een knoert.
knoerthard, knoerärd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), knoerhard, keihard. Die kerel jaegt knoerärd met zien auto deur de bochte.
knoester, [stronk], knoesterd, (zelfstandig naamwoord), dikke boom.
knol, knolle, (zelfstandig naamwoord), 1. knol; 2. paard. Zie ook: peerd.
knolgroen, knolgruun, (zelfstandig naamwoord), knolgroen.
knolpeer, [soort peer], knolpere, (zelfstandig naamwoord), kleine ronde peer.
knolraap, knolrape, (zelfstandig naamwoord), koolraap.
knoop, knope, (zelfstandig naamwoord), kneupien, knoop.
knoop, knuppe, (zelfstandig naamwoord), 1. knoop. Der zit een knuppe int touw; 2. vloek. IJ löt mi’j döör een knuppe vallen!
knop, knoppe, (zelfstandig naamwoord), knöppien, knop.
knopen, knuppen, (werkwoord), knuppen, eknupt, knopen.
knorpel, [pees], knörpeltien, (zelfstandig naamwoord), harde pees in het vlees.
knorren, knörren, (werkwoord), knörren, eknörd, knorren.
knot, knotte, (zelfstandig naamwoord), knöttien, knot. Die vrouwe ef een knöttien op aer eufd. Een knotte wolle. Zie ook: kluwel.
knuist, knoeste, (zelfstandig naamwoord), knusien, knuist, vuist.
Knuppeltjeskerk, [toponiem], Knuppeltieskärke, (zelfstandig naamwoord), Jeruzalemkerk in Assendorp. Doordat de toren in plaats van een torenhaan een soort knuppel draagt, wordt de kerk ook wel Knuppeltieskärke genoemd. Deze hervormde kerk werd op 4 maart 1933 ingewijd.
koeienstaart, [staart van een koe], koeiestaert, koeiesteert, (zelfstandig naamwoord), koe(ien)staart.
koeienstront, [uitwerpselen van een koe], koestront, (zelfstandig naamwoord), koeienstront.
koek, koeke, (zelfstandig naamwoord), kukien, koek.
koekje, kukien, (zelfstandig naamwoord), koekje.
koekjestrommel, [blik voor koekjes], kukiestrommel, (zelfstandig naamwoord), koekjestrommel.
koets, koetse, (zelfstandig naamwoord), koets, rijtuig. Zie ook: riejtuug.
koetsiertje, koetsiertien, (zelfstandig naamwoord), borrel. Zie ook: börrel.
koffer, koffer, (zelfstandig naamwoord), köffertien, koffer.
koffieboon, koffiebone, (zelfstandig naamwoord), koffieboon.
koffiemolen, koffiemölle, (zelfstandig naamwoord), koffiemolen.
koken, kaoken, (werkwoord), kaoken, ekaokt, koken.
kokend, kaokend, (bijvoeglijk naamwoord), kokend. Kaokend iete ‘heel erg heet’.
koker, kökker, kaoker, (zelfstandig naamwoord), koker, etui.
kokhaantje, [iemand die voorgetrokken wordt], kokaantien, (zelfstandig naamwoord), iemand die in de familie voorgetrokken wordt.
kokhalzen, kok-alzen, (werkwoord), kok-alzen, ekok-alsd, kokhalzen.
kokkerd, kökkerd, kokkerd, (zelfstandig naamwoord), grote neus.
kokosmat, kaokesmatte, (zelfstandig naamwoord), cocosmat.
kokosmat, kökkesmatte, (zelfstandig naamwoord), cocosmat.
kokosnoot, kökkesnötte, (zelfstandig naamwoord), cocosnoot.
kol, kolle, (zelfstandig naamwoord), kol, heks.
kol, kolle, (zelfstandig naamwoord), witte vlek op de kop van paard of koe.
kolenboer, kaolenboer, kaoleboer, (zelfstandig naamwoord), kolenboer.
kolendamp, [koolmonoxide], kaolendamp, kaoledamp, (zelfstandig naamwoord), kolendamp.
kolengruis, kaolengruus, kaolegruus, (zelfstandig naamwoord), kolengruis.
kolenkachel, [soort kachel], kaolenkachel, kaolekachel, (zelfstandig naamwoord), kolenkachel.
kolenkit, kaolenkitte, kaolekitte, (zelfstandig naamwoord), kolenkit.
kolenschep, [schep voor kolen], kaolenskuppe, kaoleskuppe, (zelfstandig naamwoord), kolenschep. Uitdr.: IJ ef annen as kaolenskuppen ‘hij heeft grote handen’.
kolenschuur, [opslagplaats voor kolen], kaolenskure, kaoleskure, (zelfstandig naamwoord), kolenschuur.
kolenzak, [zak voor kolen], kaolenzak, kaolezak, (zelfstandig naamwoord), kolenzak.
kolk, kolke, (zelfstandig naamwoord), kolk. Bijvoorbeeld de kolk van Kiezebrink en de kolk van Westerveld.
kom, komme, (zelfstandig naamwoord), kummegien, kom.
komaf, komof, (zelfstandig naamwoord), afkomst. Uitdr.: IJ is van goeie komof ‘hij is van gegoede familie’.Zie ook: ofkomst.
komedie, kemedie, (zelfstandig naamwoord), comedie, blijspel.
komen, kommen, (werkwoord), kump, kwam(p), ekommen, komen.
komend, kommend, (bijvoeglijk naamwoord), aankomend. Kommende wèke bin-k ter niet.
konijn, kniene, knien, (zelfstandig naamwoord), knientien, konijn.
konijnenkeutel, [uitwerpselen van een konijn], knieneköttel, (zelfstandig naamwoord), konijnenkeutel.
konijnenvel, knienevel, (zelfstandig naamwoord), konijnenvel.
koning, konink, (zelfstandig naamwoord), koning.
koningin, koneginne, (zelfstandig naamwoord), koningin.
Koninginnedag, koneginnedag, (zelfstandig naamwoord), koninginnedag.
Koninginnefeest, [feest voor de vorstin], koneginnefeest, (zelfstandig naamwoord), koninginnefeest.
konkelfoezen, konkelefoezen, (werkwoord), konkelefoezen, ekonkelefoesd, bekonkelen, bekokstoven, smoezen.
kont, konte, (zelfstandig naamwoord), kuntien, kont, zitvlak. Uitdr.: Ie mut oppassen anders krie-jt veur de konte ‘Je moet kalmer aan doen, anders gebeurt er nog iets.’ Zie ook: achterende, achterwärk.
kontkruiper, kontekroeper, (zelfstandig naamwoord), hielenlikker, slijmerd.
kooi, kauwe, (zelfstandig naamwoord), kauwgien, kooi. Meestal gebruikt in het vkw.: een vaogelkauwgien. Daarnaast: een leeuwekooi. Zie ook: kooi.
kooi, kooi, (zelfstandig naamwoord), kooi. Zie ook: kauwe.
kook, [in de uitdrukking van de kook (overstuur)], kaok, (zelfstandig naamwoord), het koken. Van de kaok ‘van de kook, overstuur’. Zie ook: aoverstuur, veraldereerd.
kookboek, [handboek met recepten], kaokboek, (zelfstandig naamwoord), kookboek.
kookplaat, kaokplate, (zelfstandig naamwoord), kookplaat.
kool, kaol, (zelfstandig naamwoord), 1. steenkool; 2. vkw. kööltien, stukje steenkool. Köölties opt vuur gooien. Zie ook: stienkaol.
kool, kool, (zelfstandig naamwoord), keultien, kool (groente).
koolzaad, koolzaod, (zelfstandig naamwoord), koolzaad.
koopje, [voordeeltje], keupien, (zelfstandig naamwoord), koopje.
koord, koord, (zelfstandig naamwoord), keurtien, koord.
koorts, koorse, (zelfstandig naamwoord), koorts.
kop, kop, (zelfstandig naamwoord), köppien, 1. kop (voorwerp). Een doof köppien ‘kopje zonder oor’; 2. hoofd.
kopen, kopen, (werkwoord), köch, koch, eköch(t, kopen.
koper, köpper, köper, köper-, (zelfstandig naamwoord), het metaal koper. Uitdr.: Döör zit gien köppersmaak an ‘de consumptie is gratis’ (köppersmaak staat voor kopergeld).
koperdraad, köpperdraod, köperdraod, (zelfstandig naamwoord), koperdraad.
koperen, köpperen, (bijvoeglijk naamwoord), koperen, gemaakt van koper. Köpperen brulfte.
kopergroen, köppergruun, köpergruun, (zelfstandig naamwoord), kopergroen.
koperpoets, [poetsmiddel voor koper], köpperpoets, köperpoets, (zelfstandig naamwoord), koperpoets.
koperslager, köpperslager, köperslager, (zelfstandig naamwoord), koperslager.
koperwerk, köpperwark, köpperwerk, (zelfstandig naamwoord), koperwerk.
kopkaas, kopkeze, zie: eufkeze.
koppeltjeduikelen, [kopje duikelen], köppeltiendukelen, (werkwoord), kopje duikelen. Zie ook: köppeltientoeselen.
koppeltjeduizelen, [kopje duikelen], köppeltientoeselen, zie: köppeltiendukelen.
koppijn, koppiene, (zelfstandig naamwoord), hoofdpijn. Zie ook: kopzeerte, eufpiene.
kopzeer, kopzeerte, zie: koppiene.
kopzorg, kopzörge, kopzörg, (zelfstandig naamwoord), kopzorg. ‘t Zal mi’j een kopzörg wèzen. Dät brengt kopzörge met.
korf, körve, körf, (zelfstandig naamwoord), korf. Een körve vol.
korporaal, körperaal, (zelfstandig naamwoord), korporaal.
korrel, körrel, (zelfstandig naamwoord), korrel.
korrelig, körrelig, (bijvoeglijk naamwoord), korrelig.
korst, körste, (zelfstandig naamwoord), körsien, korst.
kort, kört, 1. bn., kort (van afmeting). Die broek is te kört. In Uitdr.: IJ is kört veur de konte ‘hij is driftig’. Zie ook: körtan-ebunnen; 2. bw., kort (van tijd). Ik wazze maer kört bi’j mien moe. ‘t Is kört dag ´er is weinig tijd meer’. Ie mutt wè kört maken ‘geen lang verhaal houden’.
kort aan, [dichtbij], körtan, (bijwoord), dichtbij. Zie ook: körtbi’j.
kortaangebonden, körtan-ebunnen, (bijvoeglijk naamwoord), kortaangebonden, snel kwaad. Zie ook: kört veur de konte, zie: kört.
kortademig, körtaosemig, (bijvoeglijk naamwoord), kortademig, benauwd. Zie ook: ambörstig, dempig, dämstig.
kortaf, [onvriendelijk], körtof, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kortaf. Die vrouwe was wat körtof.
kortbij, körtbi’j, (bijwoord), kortbij, dichtbij. Zie ook: körtan.
Korte Ademhalingssteeg, [straatnaam], Körte Aodemalingsstège, (zelfstandig naamwoord), oud straatje in de binnenstad tussen Grote Markt en Grote Kerkplein.
korten, körten, (werkwoord), körten, ekört, korten.
kortens, köttens, körtens, (bijwoord), laatst, onlangs, kortgeleden. Zie ook: laast.
korting, [aftrek], körtink, (zelfstandig naamwoord), korting.
kortom, körtumme, (bijwoord), kortom.
kortsluiting, [breuk in een (elektrische) verbinding], körtsluting, körtslutink, (zelfstandig naamwoord), kortsluiting.
kost, kost, (zelfstandig naamwoord), kössien, kost, levensonderhoud. IJ ef döör zien kost met verdiend.
koster, köster, (zelfstandig naamwoord), koster.
kostganger, kosganger, (zelfstandig naamwoord), kostganger.
kosthuis, kostuus, (zelfstandig naamwoord), kosthuis.
kostprijs, [te betalen som], kospries, (zelfstandig naamwoord), kostprijs.
kostschool, kosskoele, (zelfstandig naamwoord), kostschool.
kou, kelte, kolde, (zelfstandig naamwoord), koude..
koud, kold, (bijvoeglijk naamwoord), koud.
Koude Sigaar, [bijnaam], Kolde Segaere, (zelfstandig naamwoord), bekend stadstype. Zijn werkelijke naam was Hendrikus Burgman (1918-1987). Hij dankt zijn naam aan het feit dat hij altijd een sigaar in zijn mond had, die hij volgens zeggen nooit aan had.
kouderig, kolderig, (bijvoeglijk naamwoord), kouwelijk.
koudveester, [koukleum], koldfiesterd, koldfiester, (zelfstandig naamwoord), koukleum.
koudvuur, koldvuur, (zelfstandig naamwoord), koudvuur, gangreen.
koudweg, [onaangedaan], koldweg, (bijwoord), 1. onaangedaan; 2. zonder verbindingsstuk.
kous, kouse, (zelfstandig naamwoord), kous.
kozijn, kezien, (zelfstandig naamwoord), kozijn.
kraag, krage, (zelfstandig naamwoord), kraag.
kraai, kraaie, (zelfstandig naamwoord), kraai.
kraaien, kreien, (werkwoord), kreien, ekreid, kraaien. Dät kleine jonk kon kreien!
kraal, kralle, (zelfstandig naamwoord), 1. kraal. Uitdr.: Zo rood as een kralle; 2. pienter kind.
kraaloog, kral-oge, (zelfstandig naamwoord), guitig, schitterend oog. Die kleine ef kral-ogen.
kraam, kraome, (zelfstandig naamwoord), kröömpien, kraam. Die kraome stiet niet meer op de märkt. Dät kump goed in zien kraome te passe.
kraambed, kraombedde, (zelfstandig naamwoord), kraambed.
kraambrood, [soort brood], kraombrood, (zelfstandig naamwoord), groot krentenbrood, door de visite gegeven.
kraamvisite, kraomveziete, (zelfstandig naamwoord), kraamvisite.
kraamvrouw, [vrouw die pas een kind heeft gekregen], kraomvrouwe, (zelfstandig naamwoord), kraamvrouw.
kraan, krane, (zelfstandig naamwoord), kraan.
kraanwaken, kranewaken, (werkwoord), kranewaken, ekranewaakt, onrustig slapen, vaak wakker worden.
krab, krabbe, (zelfstandig naamwoord), krab, schaaldier.
krab, krabbe, (zelfstandig naamwoord), krab, schram. Zie ook: skramme.
krang, krange, krang, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), binnenstebuiten, averechts, achterstevoren. IJ ef zien shirt krang an.
kranig, kraenig, (bijvoeglijk naamwoord), kranig.
krant, krante, (zelfstandig naamwoord), kräntien, krant.
krantenwijk, [buurt waar een bezorger de kranten brengt], krantewiek, (zelfstandig naamwoord), krantenwijk.
krap, krap, (bijvoeglijk naamwoord), krap. Dät was krap an! ‘dat lukte nog maar net!’
kraplap, kraplappe, (zelfstandig naamwoord), kraplap, deel van vrouwenklederdracht.
kras, krässe, (zelfstandig naamwoord), kras. Der zit een ele grote krässe op mien ieken taofel.
krassen, krässen, (werkwoord), krässen, ekräst, krassen. IJ krässent ele skrift vol.
kreeft, kreefte, (zelfstandig naamwoord), krefien, kreeft.
krek, krek, (bijwoord), precies, juist. Krek wa-k zeie. Zie ook: juust.
krent, krente, (zelfstandig naamwoord), 1. krent. Ik zie maer een enkele krente in mien ölliekrappe; 2. achterwerk, zitvlak. Uitdr.: Op de krente zitten ‘niets uitvoeren’; 3. gierig iemand. IJ is een echte krente. Zie ook: knieperd.
krentenbaard, krenteböörd, (zelfstandig naamwoord), gezicht met huiduitslag rondom mond en kin.
krentenstoet, [soort brood], krentestoete, (zelfstandig naamwoord), krentenbrood.
kreukel, [plooi], krökkel, (zelfstandig naamwoord), kreukel. Zie ook: knötter.
kreukelen, krökkelen, (werkwoord), krökkelen, ekrökkeld, kreukelen. Zie ook: knötteren.
kreuker, [anus], krökerd, (zelfstandig naamwoord), anus.
kreupel, kröppel, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kreupel. Die man is kröppel. Zie ook: kröppelig.
kreupelig, [mank], kröppelig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), IJ löp zo kröppelig. Zie ook: kröppel.
kreute, [klein kind], kröte, (zelfstandig naamwoord), klein kind.
kriek, krikke, (zelfstandig naamwoord), soort kers.
krijgen, kriegen, (werkwoord), krig, kreeg, ekrögen/ekrèg, krijgen.
krijgertje, kriegertien, (zelfstandig naamwoord), krijgertje, tikkertje (kinderspel).
krijgertje, [gekregen kledingstuk], kriegertien, (zelfstandig naamwoord), tweedehands kleding.
krijt, kriet, (zelfstandig naamwoord), krietien, krijt. Uitdr.: IJ skrif met dubbel kriet ‘hij berekent teveel’.
krijten, krieten, (werkwoord), huilen. Zie ook: liepen.
krijtzuur, krietzoer, (bijvoeglijk naamwoord), erg zuur, zodat er krijt bij moet.
krik, krikke, (zelfstandig naamwoord), 1. krik van de auto; 2. klein bijdehand kind.
kring, kringe, (zelfstandig naamwoord), kringgien, kring.
kringetjesspuwer, kringgiesspi’jers, (zelfstandig naamwoord), 1. mannen die vroeger op de Kamperpoortenbrug stonden en de, door pruimtabak, opgewekte spuug in het water spuugden zodat er kringen ontstonden; 2. spotnaam voor leeglopers.
kroeg, kroeg, (zelfstandig naamwoord), café.
krokus, krokus, (zelfstandig naamwoord), kreukesien, krokus (bloem).
krols, kröls, (bijvoeglijk naamwoord), krols.
kroon, krone, (zelfstandig naamwoord), 1. kroon; 2. kruin. Zie ook: kroene.
krop, kroppe, (zelfstandig naamwoord), kröppien, krop.
kruid, kruud, (zelfstandig naamwoord), kruid, tuinkruid.
kruiden, kruden, (werkwoord), (kruden, ekruud), kruiden.
kruiderig, kruderig, (bijvoeglijk naamwoord), kruidig, sterk gekruid.
kruiderij, kruderi’je, (zelfstandig naamwoord), kruiderij, specerijen.
kruidkoek, kruudkoeke, (zelfstandig naamwoord), kruidkoek.
kruidmoes, kruudmoes, (zelfstandig naamwoord), kruudmoes, streekgerecht.
kruidmoesgroente, [soort kruid], kruudmoesgruunte, (zelfstandig naamwoord), kervel. Zie ook: kärvel.
kruidnagel, kruudnagel, (zelfstandig naamwoord), kruidnagel.
kruien, kruuien, (werkwoord), kruuien, ekruuid, kruien met de kruiwagen.
kruik, kruke, (zelfstandig naamwoord), kruik.
kruikenzak, [zak voor een kruik], krukezak, (zelfstandig naamwoord), kruikenzak.
kruimel, krummel, (zelfstandig naamwoord), 1. kruimel; 2. klein kind.
kruimelig, [kruimels vormend], krummelig, (bijvoeglijk naamwoord), kruimelig.
kruimelkont, [knoeier], krummelkonte, (zelfstandig naamwoord), knoeier.
kruin, kroene, (met lange oe), (zelfstandig naamwoord), kruin. Zie ook: krone.
kruipen, kroepen, (werkwoord), kröp, kroop, ekröpen, kruipen.
kruipgat, kroepgat, (zelfstandig naamwoord), kruipgat, kruipruimte. Zie ook: kroepruumte.
kruipluik, [luik van een kruipgat], kroeploek, (zelfstandig naamwoord), kruipluik.
kruipolie, [smeermiddel], kroepöllie, (zelfstandig naamwoord), smeerolie voor bijv. scharnieren, fiets, naaimachine of grasmachine.
kruippakje, [kledingstuk], kroeppäkkien, (zelfstandig naamwoord), kruippakje.
kruipruimte, [kruipgat], kroepruumte, (zelfstandig naamwoord), kruipruimte, kruipgat. Zie ook: kroepgat.
kruis, kruus, (zelfstandig naamwoord), kruis.
kruisbes, kruzebèze, kriezebeze, kruusbèze, (zelfstandig naamwoord), kruisbes, klapbes. Zie ook: klapbesse, stèkelbèze.
kruisboog, kruusbaoge, (zelfstandig naamwoord), kruisboog.
kruisdol, [stapelgek], kruusdol, (bijvoeglijk naamwoord), stapelgek.
kruiselings, kruuslings, kruuslinks, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kruislings, gekruist.
kruising, krusing, krusink, (zelfstandig naamwoord), kruising.
kruispunt, kruuspunt, (zelfstandig naamwoord), kruispunt.
kruisspin, [soort spin], kruusspinne, (zelfstandig naamwoord), kruisspin.
kruisteken, kruustèken, (zelfstandig naamwoord), kruisteken.
kruistocht, [heilige oorlog], kruustocht, (zelfstandig naamwoord), kruistocht.
kruisverhoor, [ondervraging], kruusvereur, (zelfstandig naamwoord), kruisverhoor.
kruit, kruut, (zelfstandig naamwoord), kruit. Uitdr.: IJ ef zien kruut versköten ‘hij is uitgeput’.
kruiwagen, kruwaegen, kruuiwaegen, (zelfstandig naamwoord), kruiwagen.
kruk, krukke, (zelfstandig naamwoord), 1. kruk om op te zitten; 2. deurkruk; 3. stok voor slechtlopende mensen.
krul, krulle, (zelfstandig naamwoord), krul.
kuchmolen, [mond], kuchmölle, (zelfstandig naamwoord), grote mond. Ol oew kuchmölle is dichte!
kui, [meisje], kuie, kujje, zie: meisien.
kuier, [wandeling], kuiertien, (zelfstandig naamwoord), korte wandeling.
kuieren, kuieren, (werkwoord), wandelen. Een klein entien kuieren.
kuif, kuuf, (zelfstandig naamwoord), kuif.
kuifkast, [soort kast], kuufkaste, (zelfstandig naamwoord), kuifkast.
kuiken, kuken, (zelfstandig naamwoord), 1. kuiken; 2. dom, onnozel kind. Wat bi-j toch een kuken!
kuil, koele, (zelfstandig naamwoord), kulegien, kuil, gat in de grond.
kuilen, [rollen], koelen, (werkwoord), koelen, ekoeld, rollen, of laten rollen van een voorwerp.
kuilen, [rollen], kulen, (werkwoord), kulen, ekuuld, buitelen, over de grond rollen.
kuip, kupe, (zelfstandig naamwoord), kuip, ton. Zie ook: tonne.
kuit, kute, (zelfstandig naamwoord), kuit, deel van het been.
kuit, kuut, (zelfstandig naamwoord), kuit van vis.
kuitbroek, kuutbroek, (zelfstandig naamwoord), kuitbroek, drollenvanger.
kulle, [soort worst], kulle, (zelfstandig naamwoord), leverworst. Zie ook: lèverwörst.
kurk, körke, (zelfstandig naamwoord), kurk.
kurkentrekker, körketrekker, (zelfstandig naamwoord), kurkentrekker.
kustelen, [slenteren], köstelen, (werkwoord), köstelen, ekösteld, slenteren.
kwaad, kwaod, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kwaad. Zie ook: ellig, lillijk, mieterig, niedig, nieds.
kwaadspreken, kwaodsprèken, (werkwoord), kwaadspreken.
kwaadsprekerij, [roddel], kwaodsprèkeri’je, (zelfstandig naamwoord), kwaadsprekerij.
kwaal, kwaole, (zelfstandig naamwoord), kwööltien, kwaal.
kwab, kwabbe, (zelfstandig naamwoord), kwab.
kwabaal, [soort aal], kwabaole, (zelfstandig naamwoord), soort puitaal, paling met een dikke kop.
kwade, kwaoie, (zelfstandig naamwoord), kwaaie. Dät is mie een kwaoien!
kwajongen, kwaojonge, (zelfstandig naamwoord), kwajongen.
kwajongensstreek, kwaojongesstreke, (zelfstandig naamwoord), kwajongensstreek.
kwaker, kwakerd, (zelfstandig naamwoord), 1. kwebbelaar. Zie ook: kwekkonte; 2. mond. Ol oew kwakerd is effen dichte!; 3. kleinzerig persoon.
kwalijk, kwaolijk, (bijvoeglijk naamwoord), 1. kwalijk. Ik nem oe dät niet kwaolijk; 2. duister, niet in orde. ‘n Kwaolijke zaak.
kwart, kwärt, (zelfstandig naamwoord), kwart, het vierde deel.
kwartel, kwärtel, (zelfstandig naamwoord), kwartel.
kwartier, ketier, (zelfstandig naamwoord), ketiertien, kwartier. Uitdr.: Een Zwols ketiertien: wordt vaak gezegd als iemand iets te laat komt.
kwartje, kwärtien, (zelfstandig naamwoord), kwartje (vroegere Nederlandse munt).
kwast, kwaste, (zelfstandig naamwoord), kwässien, kwast.
kweedoorn, [soort boom], kweedoorn, (zelfstandig naamwoord), zuurbes.
kween, kwenne, (zelfstandig naamwoord), een vrouw die eigenschappen van een man heeft, tweeslachtig is.
kweepeer, kweepere, (zelfstandig naamwoord), kweepeer, perensoort.
kweken, kwèken, (werkwoord), kwèken, ekwèèkt, kweken.
kwekerij, kwèkeri’je, (zelfstandig naamwoord), kwekerij.
kwekkont, [kletskous], kwekkonte, (zelfstandig naamwoord), kwebbelaar. Zie ook: kwakerd.
kwetterstaartje, [zwaluw], kwetterstaertien, (zelfstandig naamwoord), zwaluw.
kwijl, kwiel, (zelfstandig naamwoord), kwijl. Zie ook: kwiel, kwielsel, slieber, sleifer.
kwijlen, kwielen, (werkwoord), kwielen, ekwield, kwijlen.
kwijlsel, [slijm], kwielsel, zie: kwiel.
kwijt, kwiet, (bijvoeglijk naamwoord), kwijt, weg, zoek.
kwikstaart, kwikstaert, (zelfstandig naamwoord), kwikstaart. Zie ook: akkermännegien, bouwmeestertien.
laag, laoge, (zelfstandig naamwoord), lögien, laag. IJ krig de volle laoge.
laag, lege, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), laag. Uitdr.: De lucht angt lege ‘het kruis van de broek hangt op de knieën’.
laagte, leegte, (zelfstandig naamwoord), laagte. Dät lig in de leegte.
laars, leerze, (zelfstandig naamwoord), laars. Zie ook: stiefel.
laat, late, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), laat.
laatbloeier, [plant die laat boeit; persoon die laat talent toont], laotbluuier, (zelfstandig naamwoord), laatbloeier.
laatst, laast, (bijwoord), laatst, onlangs, pasgeleden. Zie ook: köttens.
laatste, leste, (zelfstandig naamwoord), laatste. IJ is altied de leste; Uitdr.: Die löp opt leste ‘die moet binnenkort bevallen’.
lachbui, [hevig gelach], lachbujje, (zelfstandig naamwoord), lachbui.
ladder, lädder, (zelfstandig naamwoord), 1. ladder, hulpmiddel om te klimmen. Die lädder is wel ärg oge; 2. gevallen of gesprongen steek in een nylonkous of panty. Ik ebbe een lädder in de kouse.
laden, lajen, (werkwoord), laajt, lajen, elajen, laden.
laklaag, [laag van lak], laklaoge, (zelfstandig naamwoord), laklaag.
lam, lam, (zelfstandig naamwoord), lämmegien, (meestal vkw. lämmegien), lam.
lammenadig, lammenadig, (bijvoeglijk naamwoord), lammenadig, onaangenaam, beroerd. Ik vule mi’j een bettien lammenadig. Zie ook: gasterig, sloerig, sloerderig.
lammetjespap, lämmegiespap, (zelfstandig naamwoord), lammetjespap.
lamp, lampe, (zelfstandig naamwoord), lämpien, lamp. Uitdr.: De lampe is em uutegaon ‘hij is overleden’.
lampenkap, lampekappe, (zelfstandig naamwoord), lampenkap.
lampenpoetser, lampepoetser, (zelfstandig naamwoord), rietpluim van de lisdodde.
landerij, landeri’jen, (zelfstandig naamwoord), (all. mv.), landerijen.
landkaart, [aardrijkskundige kaart], landkaerte, (zelfstandig naamwoord), landkaart.
landpikkertje, [soort kinderspel], landpikkertien, zie: landveraovertien.
landschap, landskap, landskop, (zelfstandig naamwoord), landschap.
landverovertje, [soort kinderspel], landveraovertien, (zelfstandig naamwoord), kinderspel waarbij op een afgebakend stuk grond met een mes wordt gegooid. Zie ook: landpikkertien.
lang, lange, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), (vergrotende trap: langerder), lang. Dät touw is te lange; Wat duren dät lange! Zie ook: lank.
lang, lank, (bijvoeglijk naamwoord), lang. Wat bin ie lank ewörren. Zie ook: lange.
langdradig, langdraoderig, (bijvoeglijk naamwoord), langdradig, met lange draden.
langdradig, langdraodig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), langdradig (ook figuurlijk).
langen leste, [ten langen leste], langeleste, (bijwoord), op het laatst. Ten langeleste za-k oe vertellen wa-k wille.
langs, langes, langes-, lanks, lanks-, (voorzetsel), langs.
langskomen, langeskommen, lankskommen, (werkwoord), langskomen, aankomen. Zie ook: ankommen.
languit, lankuut, (bijwoord), languit.
langwerpig, lankwärpig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), langwerpig.
langzaam, lankzaam, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), langzaam.
lantaarn, lanteern, (zelfstandig naamwoord), lantaarn. Zie ook: luchtekeerse (verouderd).
lantaarnpaal, lanteernpaole, (zelfstandig naamwoord), lantaarnpaal.
lap, lappe, (zelfstandig naamwoord), läppien, lap.
lapjeskat, lappieskatte, (zelfstandig naamwoord), lapjeskat, een driekleurige kat (is altijd een vrouwtje).
lapjeskerel, lappieskerel, (zelfstandig naamwoord), lapjeskoopman op de markt.
lapkaas, [slechte kaas], lapkeze, (zelfstandig naamwoord), jonge kaas die slecht te snijden is.
lappenmand, lappemande, (zelfstandig naamwoord), ziekbed. Uitdr.: IJ lig in de lappemande ‘hij is ziek’.
last, last, las, (zelfstandig naamwoord), last, ongemak. IJ ef las van de zunne.
lat, latte, (zelfstandig naamwoord), lättien, lat, dun en smal stuk hout. Uitdr.: IJ is skone an de latte ‘hij is doodop.
laten, laoten, (werkwoord), löt, liet, elaoten, laten.
Latijn, Letijns, (zelfstandig naamwoord), het Latijn.
lawaai, lewaai, (zelfstandig naamwoord), lawaai.
ledikant, ledekant, (zelfstandig naamwoord), ledikant.
leefkuil, lèèfkoele, (zelfstandig naamwoord), leefkuil.
leefruimte, [ruimte om te leven], lèèfruumte, (zelfstandig naamwoord), leefruimte.
leeftijd, lèèftied, (zelfstandig naamwoord), leeftijd.
leeg, löög, (bijvoeglijk naamwoord), leeg.
leegruimen, [leegmaken], löögrumen, (werkwoord), leegruimen.
leegstaan, [onbezet zijn], löögstaon, (werkwoord), leegstaan.
leegte, löögte, (zelfstandig naamwoord), leegte. Der is een löögte in uus now de kinders weg bint.
leegzuigen, [zuigend leegmaken], löögzoegen, (werkwoord), leegzuigen. ‘t Kind ef de beker ranja met een rietien löögezögen.
leer, lèèr, (zelfstandig naamwoord), (het) leer.
leerschool, leerskoele, (zelfstandig naamwoord), leerschool.
leertje, [stukje leer], leertien, lèèrtien, (zelfstandig naamwoord), stukje leer (op een lage klomp; in een kraan). Zie ook: trippien.
leesbeurt, lèèsbeurte, (zelfstandig naamwoord), leesbeurt, spreekbeurt.
leesboek, lèèsboek, (zelfstandig naamwoord), leesboek.
leesbril, [bril om mee te lezen], lèèsbrille, (zelfstandig naamwoord), leesbril.
lefdoekje, [zakdoek], lefdukien, (zelfstandig naamwoord), lefdoekje, pochet.
Lège, [straatnaam], Lège, (zelfstandig naamwoord), ‘t Lège, Diezerkade. De Diezerkade werd in de volksmond, omstreeks 1405 tot eind 19e eeuw, ‘t Lège genoemd doordat er vroeger een dijk lag waardoor de weg lager lag.
legen, lögen, (werkwoord), lögen, elöögd, leeg maken. Die flesse mu-k eerst lögen veurdä-k em in de glasbak gooie.
leggen, leggen, (werkwoord), leg(t), lei, elegd, leggen.
leghen, leg-enne, zie: legkippe.
legkip, [eierleggende kip], legkippe, (zelfstandig naamwoord), legkip. Zie ook: leg-enne.
lei, leie, (zelfstandig naamwoord), 1. lei(steen), dakbedekking; 2. schrijfplankje.
leiding, leiding, leidige, (zelfstandig naamwoord), leiding.
lekkage, lekkazie, (zelfstandig naamwoord), lekkage.
lekker, läkker, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), lekker.
lel, lelle, (zelfstandig naamwoord), 1. oorlel; 2. klap.
lelijk, lillijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. lelijk, niet mooi; 2. kwaad, boos. Lillijke kunsten uutalen. Mien va was lillijk op mi’j umdä-k niet luusteren. Zie ook: ellig, kwaod, mieterig, niedig, nieds.
lelijkerd, lillijkerd, (zelfstandig naamwoord), lelijkerd.
lellebel, lellebelle, (zelfstandig naamwoord), ordinair, slonzig en lui vrouwspersoon.
lempe, lempe, (zelfstandig naamwoord), lang meisje. Zie ook: lökke.
lenen, lienen, (met lange ie), (werkwoord), lienen, eliend, lenen.
lepel, lèpel, lèpel-, leppel, leppel-, (zelfstandig naamwoord), lepel.
lepeldief, [herderstasje (plant)], lèpeldief, leppeldief, (zelfstandig naamwoord), herderstasje (capsella) (plant).
lepeldoosje, [doosje voor lepeltjes], lèpeldeusien, leppeldeusien, (zelfstandig naamwoord), lepeldoosje.
lepelvaasje, [vaasje voor theelepeltjes], lèpelvasien, leppelvasien, (zelfstandig naamwoord), lepelvaasje.
lerenlap, [zeemlap], lèrenlappe, (zelfstandig naamwoord), zeem. Zie ook: zeemlèrenlappe, zeme.
les, lesse, (zelfstandig naamwoord), les.
leugen, lögen, (zelfstandig naamwoord), leugen. Uitdr.: Een lögentien umme bestwil.
Leugenbank, Lögenbanke, (zelfstandig naamwoord), leugenbank, op de Grote Markt voor de Grote Kerk, waar veel (ware?) verhalen worden verteld.
leven, lèven, 1. ww. (lèven, elèèfd), leven. Uitdr.: Val dood lèèf ie nog!; 2. zn., lawaai, drukte.
levendig, lèvendig, lèventig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. levend. IJ is ter niet lèvendig of ekommen; 2. levendig, druk. De zake een bettien lèvendig ollen. Die ef lèvendige ogen.
levensbeschrijving, [biografie], lèvensbeskrieving, (zelfstandig naamwoord), levensbeschrijving.
levensgevaar, [dodelijk gevaar], lèvensgevöör, (zelfstandig naamwoord), levensgevaar.
levensgevaarlijk, lèvensgevöörlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), levensgevaarlijk.
levensgezel, [echtgenoot/echtgenote], lèvensgezelle, (zelfstandig naamwoord), levensgezel.
levensjaar, [jaar van een leven], lèvensjöör, (zelfstandig naamwoord), levensjaar.
levenslang, [zo lang als het leven duurt], lèvenslang, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), levenslang.
levensmoe, [het leven moe zijnd], lèvensmu, (bijvoeglijk naamwoord), levensmoe.
levensonderhoud, [(het voorzien in) benodigdheden om te leven], lèvensonderold, (zelfstandig naamwoord), levensonderhoud.
levensovertuiging, [levensbeschouwing], lèvensaovertuging, (zelfstandig naamwoord), levensovertuiging.
levenswerk, [belangrijkste werk van iemands leven], lèvenswärk, (zelfstandig naamwoord), levenswerk.
levenswijsheid, [wijsheid over het leven], lèvenswieseid, (zelfstandig naamwoord), levenswijsheid.
lever, lèver, (zelfstandig naamwoord), lever.
leverkaas, [bepaalde vleeswaar], lèverkeze, (zelfstandig naamwoord), leverkaas.
leverlip, [bepaald scheldwoord], lèverlippe, (zelfstandig naamwoord), scheldwoord.
levertijd, [voor het le­ve­ren be­no­dig­de tijd], lèvertied, (zelfstandig naamwoord), levertijd.
levertraan, lèvertraon, (zelfstandig naamwoord), levertraan.
leverworst, lèverwörst, (zelfstandig naamwoord), leverworst. Zie ook: kulle.
lezen, lèzen, (werkwoord), les/lèèst, las/lèzen, , lezen. Uitdr.: Andermans boeken bint duuster te lèzen ‘men moet niet te snel oordelen’.
lezer, lèzer, (zelfstandig naamwoord), lezer.
lezing, [het lezen; voordracht], lèzing, (zelfstandig naamwoord), lezing.
lichaam, lichem, zie: lief.
licht, licht, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), licht, niet donker.
licht, licht, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), licht, niet zwaar.
licht, licht, (zelfstandig naamwoord), lichien, licht. Doe’t licht es an.
lichten, lichten, (werkwoord), lichten, elicht, lichten (door onweer). ‘t Licht buten.
lichten, lichten, (werkwoord), lichten, elicht, tillen.
lichtgelovig, [naief], lichtgeleuvig, (bijvoeglijk naamwoord), lichtgelovig.
lichtsterkte, [intensiteit van licht], lichtstärkte, (zelfstandig naamwoord), lichtsterkte.
lichtstraal, [bundel van licht], lichtstraole, (zelfstandig naamwoord), lichtstraal.
lidmaat, ledemaoten, (zelfstandig naamwoord), ledematen.
lidmaat, lidmaot, (zelfstandig naamwoord), lidmaat.
lieden, lu, (zelfstandig naamwoord), lui, mensen.
liedje, lietien, (zelfstandig naamwoord), liedje, versje. Zie ook: värsien.
liefhebberij, liefebberi’je, (zelfstandig naamwoord), liefhebberij.
liefje, liefien, (zelfstandig naamwoord), liefje. E-j oew liefien niet met-enömmen?
liegen, liegen, (met lange ie), (werkwoord), lög, loog, elögen, liegen.
lieveheersbeestje, lieve-eersbiesien, (zelfstandig naamwoord), lieveheersbeestje.
liflafje, [flauw gerecht], lifläffien, (zelfstandig naamwoord), liflafje, kleine lekkernij.
lijden, liejen, li’jen, lien, (werkwoord), lid, leej/liejen, elejenDe planten ebben deur de nachtvörst elejen; 3. uithouden, dulden. IJ kant wel liejen; 4. ondervinden. Ärmoede liejen; 5. aardig vinden, in bijv. Ik magge oe wel liejen; 6. hopen, in: Ik magge liejen dät e bèter wört.
lijf, lief, (zelfstandig naamwoord), lijf. Zie ook: lichem.
lijfje, liefien, (zelfstandig naamwoord), lijfje, soort onderhemd met knoopjes om de jarretels aan vast te maken.
lijk, liek, (zelfstandig naamwoord), lijk. Der is een liek evunnen.
lijken, lieken, (werkwoord), lik/liekt, leek, elekenDät lik mi’j niks. Dät liekt närgens nao.
lijklat, liekelatte, (zelfstandig naamwoord), liniaal. Zwols sjibbolet (zinnetje met specifiek Zwolse woorden): Eb ie wel iens een dodde aover een liekelatte zien tuksen? Zie ook: mèètlatte.
lijkwagen, liekwaegen, (zelfstandig naamwoord), lijkwagen.
lijm, liem, (zelfstandig naamwoord), lijm.
lijmen, liemen, (werkwoord), liemen, eliemd, lijmen.
lijmtang, liemtange, (zelfstandig naamwoord), lijmtang.
lijn, liende, (zelfstandig naamwoord), 1. lijn; 2. waslijn, drooglijn. Zie ook: dreugliende, wasliende; 3. leidsel.
lijnkoek, lienkoeke, (zelfstandig naamwoord), lijnkoek.
lijnmeel, [meel van vlaszaad], lienmaal, (zelfstandig naamwoord), lijnmeel.
lijnolie, lienöllie, (zelfstandig naamwoord), lijnolie.
lijnpaal, [paal om een waslijn aan te spannen], liendepaole, (zelfstandig naamwoord), waslijnpaal.
lijnzaad, lienzaod, (zelfstandig naamwoord), lijnzaad.
lijpebol, [huilebalk], liepebolle, (zelfstandig naamwoord), kind dat veel huilt, huilebalk. Kinderversje: Liepebolle spring int water, kan gien vissies vangen.
lijpen, liepen, lippen, (werkwoord), liepen, eliept, huilen, schreien. Zie ook: krieten, ulen, sjanken, skreien.
lijs, lijse, (zelfstandig naamwoord), 1. lang meisje; 2. lange buigzame meisjespop.
lijst, lieste, (zelfstandig naamwoord), lijst.
lijster, liester, (zelfstandig naamwoord), (zang)lijster. Zie ook: zangliester.
lijsterkraal, [lijsterbes], liesterkralle, (zelfstandig naamwoord), lijsterbes.
likdoorn, liekdoorn, (zelfstandig naamwoord), likdoorn, eksteroog.
likkebaard, [fijnproever], slikkerböörd, (zelfstandig naamwoord), lekkerbek, iemand die van lekker eten houdt.
limonade, limmenade, (zelfstandig naamwoord), limonade.
linkeroog, [oog aan de lin­ker­zij­de van de neus], linkeroge, (zelfstandig naamwoord), linkeroog. Uitdr.: IJ kik met zien linkeroge in’t rechter vestzäkkien ‘hij is scheel’.
linksom, [naar de lin­ker­zij­de ke­rend], linksumme, (bijwoord), linksom.
lip, lippe, (zelfstandig naamwoord), lip. Uitdr.: De lippe laoten angen ‘huilen, beteuterd kijken’.
locomotief, lokemetief, (zelfstandig naamwoord), locomotief.
loden, looien, (bijvoeglijk naamwoord), loden, gemaakt van lood. Uitdr.: IJ is zo link as een looien deure ‘hij is erg gewiekst’.
loerklep, [brievenbus], loerkleppe, (zelfstandig naamwoord), brievenbus. Zie ook: brievenbusse, busse.
logement, logement, lozement, (zelfstandig naamwoord), logement, hotel.
logeren, lozeren, (werkwoord), lozeren, elozeerd, logeren.
lolletje, [pleziertje, grapje], löllegien, (zelfstandig naamwoord), lolletje, geintje.
lompenjood, [handelaar in vodden], lompenjeude, (zelfstandig naamwoord), lompenkoopman, handelaar in vodden.
lomperik, lomperik, (zelfstandig naamwoord), onbehouwen persoon.
long, longe, (zelfstandig naamwoord), long.
loodje, leutien, (zelfstandig naamwoord), bepaalde maat voor koffie.
loodje, leutien, (zelfstandig naamwoord), loodje.
loods, loze, loodse, (zelfstandig naamwoord), leusien, loods.
look, leukien, (zelfstandig naamwoord), klein uitje. Zie ook: look.
look, look, (zelfstandig naamwoord), leukien, ui.
loopje, [kleine loop, reeks muzieknoten, truc], leupien, (zelfstandig naamwoord), 1. loopje. Een leupien met oe nemmen; 2. vast bezoekadres. Dät is zien leupien.
loops, leups, (bijvoeglijk naamwoord), loops. Die ond is leups.
loopschuit, loopskute, (zelfstandig naamwoord), 1. vrouw die vaak op pad is; 2. loopschoen, grote schoen.
lopen, lopen, (werkwoord), löp, liep, elopen, lopen.
loper, leuper, (zelfstandig naamwoord), lange mat voor in de gang of op de trap. Zie ook: gangleuper, trapleuper.
lork, lärk, (zelfstandig naamwoord), lork, larix.
los, lös, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. los. De zeume angt lös. E-j nog lös geld veur mi’j? Die crimeneel kump nooit meer lös. Dät stiet lös vant andere. Die snupies liggen lös in de tasse; 2. open. Die deure is lös; 3. in bijv. IJ slöt ter op lös ‘hij slaat erop los’.
losbarsten, [plotseling hevig tevoorschijn komen], lösbärsten, (werkwoord), losbarsten.
losbreken, [brekend losmaken of loskomen], lösbrèken, (werkwoord), losbreken, uitbreken.
losdoen, [losmaken; openen], lösdoen, (werkwoord), opendoen. Za-k de deure effen veur oe lösdoen?
losdraaien, [draaiend openen], lösdreien, (werkwoord), opendraaien.
losgaan, [losraken; beginnen], lösgaon, (werkwoord), 1. opengaan. De ritssluting gonk lös; De winkel giet um acht uur lös; 2. beginnen. ‘t Feest gonk lös.
losgeld, [geld om iemand vrij te kopen; heffing voor het lossen], lösgeld, (zelfstandig naamwoord), losgeld.
losjes, [los, luchtig], lössies, (bijwoord), losjes. Dät zit wel eel ärg lössies. Die angt lössies int vel.
loskomen, [losraken], löskommen, (werkwoord), loskomen.
loslaten, [niet vasthouden; losraken], löslaoten, (werkwoord), loslaten.
loslijvig, [een gemakkelijke stoelgang hebbend], löslievig, (bijvoeglijk naamwoord), een goede stoelgang hebbend.
loslippig, löslippig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), loslippig.
losmaken, lösmaken, (werkwoord), losmaken, openmaken.
losplaats, [plaats om te lossen], lösplase, (zelfstandig naamwoord), losplaats.
losroppen, [lostrekken], lösroppen, (werkwoord), 1. losrukken. IJ roppen zich lös; 2. opentrekken. IJ roppent kedeugien lös.
losschuiven, [schuivend openen], lösskoeven, (werkwoord), openschuiven.
lossen, lössen, (werkwoord), lössen, elöst, lossen.
losstaan, [openstaan], lösstaon, (werkwoord), openstaan. ‘t Raam stiet lös.
loterij, lotteri’je, (zelfstandig naamwoord), loterij, verloting.
lucht, lucht, (zelfstandig naamwoord), 1. lucht. De lucht angt lege ‘hij heeft het kruis van zijn broek lager dan normaal hangen’; 2. geur, reuk.
luchtbed, [opblaasbare matras], luchtbedde, (zelfstandig naamwoord), luchtbed.
luchtbel, [met lucht gevuld blaasje], luchtbelle, (zelfstandig naamwoord), luchtbel.Zie ook: luchtblösien.
luchtblaas, [met lucht gevuld blaasje], luchtblösien, zie: luchtbelle.
luchtkaars, [lantaarn], luchtekeerse, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), lantaarn waarin een kaars zit. Zie ook: lanteern.
luchtpijp, [kanaal naar de longen], luchtpiepe, (zelfstandig naamwoord), luchtpijp, luchtwegen.
luchtruim, [dampkring], luchtruum, (zelfstandig naamwoord), luchtruim.
lucifer, lucifer, (zelfstandig naamwoord), lucifer. Zie ook: lucifersstökkien, striekertien, strieköltien.
lucifersdoos, lucifersdeusien, (zelfstandig naamwoord), lucifersdoosje.
lucifersstokje, [vlamhoutje], lucifersstökkien, zie: lucifer.
luid, luud, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), luid.
luiden, lujen, luden, (werkwoord), lujen, eluujd, luiden.
luidspreker, luudsprèker, (zelfstandig naamwoord), luidspreker.
luiewijvendraad, [lange draad], luiewievendraod, (zelfstandig naamwoord), lange draad.
luiewijvenknoop, luiewievenknope, (zelfstandig naamwoord), speciaal soort drukknoop, vrijgezellenknoop. Zie ook: vri’jgezellenknope.
luik, loek, (zelfstandig naamwoord), lukien, 1. luik; 2. (mv.), ogen, oogleden. De loeken vielen em bi’jnao dichte van de slaop.
luis, luus, (zelfstandig naamwoord), luis, hoofdluis, pietjes. Zie ook: pieties, piotters.
luisteraar, [toehoorder], luusteraer, (zelfstandig naamwoord), luisteraar.
luisteren, luusteren, (werkwoord), luusteren, eluusterd, luisteren.
luisterig, [zoals stilte voor een storm], luusterig, (bijvoeglijk naamwoord), in: ‘t is luusterig weer ‘het is onheilspellend stil’ (bijvoorbeeld vlak voor onweer).
luistervink, luustervinke, (zelfstandig naamwoord), luistervink.
luizenbos, luzebos, (zelfstandig naamwoord), 1. luizenbos; 2. gemeen iemand.
luizenkam, luzekamme, (zelfstandig naamwoord), luizenkam, stofkam. Zie ook: stofkamme.
luizenleven, luzelèven, (zelfstandig naamwoord), luizenleven.
luizenmelde, luzemilde, (zelfstandig naamwoord), melde of ganzenvoet (plant).
lukke, lökke, (zelfstandig naamwoord), slungelig meisje. Wat een grote lökke! Zie ook: lempe.
lulapparaat, [telefoon], lulapperaat, (zelfstandig naamwoord), telefoon. Zie ook: luliezer, tillefoon.
lulijzer, [telefoon], luliezer, zie: lulapperaat.
lulla, [kletsmeier], lulla, (zelfstandig naamwoord), kletsmeier, kletskous. Zie ook: lullemeier. Uitdr.: Een lulla in een waegentien ‘een kletskous’.
lullificatie, lullefekasie, (zelfstandig naamwoord), kletspraat, onzin.
lulmeier, lullemeier, lulmeier, zie: lulla.
lurken, lörken, (werkwoord), lörken, elörkt, lurken, zuigen.
lurven, lörven, (zelfstandig naamwoord), lurven, in: Iene in de lörven griepen ‘iemand vastgrijpen’. Zie ook: kladden.
lus, lusse, (zelfstandig naamwoord), lussien, lus, strik. Zie ook: strikke, gälgien.
lust, lust, (zelfstandig naamwoord), lusten, lust, trek. Uitdr.: Zi’j is met lusten ‘zij is zwanger’.
lusten, lussen, (werkwoord), lussen, elust, lusten. Dät lus ie toch ook wel.
luwte, li’jte, (zelfstandig naamwoord), luwte.
maag, mage, (zelfstandig naamwoord), maag. Spreekw.: Zand skoert de mage.
maagd, magien, zie: meisien.
maagpijn, maagpiene, (zelfstandig naamwoord), maagpijn.
maagzuur, maagzoer, (zelfstandig naamwoord), maagzuur. Zie ook: zoer.
maagzweer, maagzwere, (zelfstandig naamwoord), maagzweer.
maaien, meien, (werkwoord), meien, emeid, maaien.
maaier, meier, (zelfstandig naamwoord), maaier.
maal, maol, (zelfstandig naamwoord), 1. keer. Ie ebt verskillende maolen bi’j ons elogeerd; 2. maaltijd. Ie ebt een goed maol ekaokt. Zie ook: maoltied; 3. bep. hoeveelheid, maal (vkw.mööltien). Doe mi’j maer een maol bonen zo vant land.
maaltijd, maoltied, (zelfstandig naamwoord), maaltijd. Zie ook: maol.
maan, maone, (zelfstandig naamwoord), mööntien, 1. maan; 2. slaapbol/papaver (somniferum) (plant).
maand, maond, (zelfstandig naamwoord), mööntien, maand.
maandag, maondag, (zelfstandig naamwoord), maandag.
maandags, maondes, 1. bn., maandags; 2. (‘s ...) bw., ‘s maandags.
maandelijks, maondelijks, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), maandelijks.
maandkaart, maondkaerte, (zelfstandig naamwoord), maandkaart.
maansverduistering, maonsverduustering, (zelfstandig naamwoord), maansverduistering.
maanzaad, maonzaod, (zelfstandig naamwoord), maanzaad.
maanzaadbroodje, maonzaodbreutien, (zelfstandig naamwoord), maanzaadbroodje.
maar, maer, (bijwoord), maar.
maart, meert, (zelfstandig naamwoord), maart.
maat, maot, (zelfstandig naamwoord), mötien, maat, kameraad. Zie ook: kammeraod.
maat, maote, (zelfstandig naamwoord), mötien, 1. maat, grootte. Dät pak is an de maote; 2. stuk land.
maatbeker, maotbèker, (zelfstandig naamwoord), maatbeker.
maatje, mötien, (zelfstandig naamwoord), maatje, bep. inhoudsmaat. Een mötien koffie.
maatjesharing, mötieserink, (zelfstandig naamwoord), maatjesharing.
maatschap, maotskap, (zelfstandig naamwoord), maatschap.
maatstok, mèètstok, (zelfstandig naamwoord), meetstok, ellestok.
machine, mesjiene, (zelfstandig naamwoord), machine.
machinegaren, mesjienegören, (zelfstandig naamwoord), naaimachinegaren.
machinenaald, mesjienenaolde, (zelfstandig naamwoord), naaimachinenaald.
machochel, mechoggel, (zelfstandig naamwoord), lelijke, grote neus, kokkerd.
made, maje, (zelfstandig naamwoord), made.
maken, maken, (werkwoord), maken, emaakt, maken.
makreel, mekrele, (zelfstandig naamwoord), makreel.
mal, malle, (zelfstandig naamwoord), mal, model.
malheur, meleur, (zelfstandig naamwoord), pech, ongelukje, gebrek.
mama, mama, (zelfstandig naamwoord), mama. Zie ook: moe, moeder.
man, man, (zelfstandig naamwoord), männegien, man.
manchester, mesjester, mesjister, (zelfstandig naamwoord), manchester. IJ ef van veuren mesjester.
manchet, mesjette, (zelfstandig naamwoord), manchet.
manchetknoop, mesjetteknoop, (zelfstandig naamwoord), manchetknoop.
mand, mande, (zelfstandig naamwoord), mäntien, mand.
maneschijn, maoneskien, (zelfstandig naamwoord), maneschijn.
manier, meniere, (zelfstandig naamwoord), manier. Zie ook: wieze.
mankeren, mekeren, (werkwoord), mekeren, mekeerd, mankeren. IJ mekeren niks naot ongeluk.
manoeuvre, meneuvels, (zelfstandig naamwoord), manoeuvres, fratsen. Wat veur een meneuvels e-j now weer uute-aald!
markt, märkt, märk, (zelfstandig naamwoord), märkien, markt.
marktdag, märktdag, märkdag, (zelfstandig naamwoord), marktdag.
marktkraam, märktkraome, märkkraome, (zelfstandig naamwoord), marktkraam.
marktprijs, märktpries, märkpries, (zelfstandig naamwoord), marktprijs.
marmer, märmer, (zelfstandig naamwoord), marmer.
marmot, märmotte, (zelfstandig naamwoord), marmot.
mars, märse, (zelfstandig naamwoord), mars. Iets in zien märse ebben.
marskramer, märskraomer, (zelfstandig naamwoord), marskramer.
martelaar, märtelaer, (zelfstandig naamwoord), martelaar.
martelaarschap, märtelaerskap, (zelfstandig naamwoord), martelaarschap.
martelen, märtelen, (werkwoord), märtelen, emärteld, 1. martelen, pijnigen; 2. moeizaam werken.
mat, matte, (zelfstandig naamwoord), mättien, mat.
matchen, metsen, (werkwoord), metsen, emetst, een wedstrijdje (Eng. match) voetballen. Vrogger gongen wi’j metsen op de Törfmärkt. Zie ook: voeballen, nötten.
materiaal, matteriaol, (zelfstandig naamwoord), materiaal.
matigen, maotigen, (werkwoord), maotigen, emaotigd, matigen. Ie mut een bettien maotigen.
matigheid, maotigeid, (zelfstandig naamwoord), matigheid.
matras, metrasse, (zelfstandig naamwoord), matras.
matroos, metroze, (zelfstandig naamwoord), matroos.
mauwer, mauwerd, (zelfstandig naamwoord), zeurpiet, klagerig persoon.
medaille, medallie, (zelfstandig naamwoord), medaille.
medelijden, medeliejen, medeli’jen, medelieden, (zelfstandig naamwoord), medelijden.
medicijn, medecien, (zelfstandig naamwoord), medicijn.
mee, met, met-, mee, mee-, (bijwoord), mee. Gao-j met? IJ giet ook met.
meebrengen, metbrengen, meebrengen, (werkwoord), meebrengen. Wi-j wat veur mi’j metbrengen?
meedraaien, metdreien, meedreien, (werkwoord), meedraaien.
meegaan, metgaon, meegaan, (werkwoord), meegaan.
meegaand, metgaond, meegaond, (bijvoeglijk naamwoord), meegaand, bereidwillig.
meekomen, metkommen, meekommen, (werkwoord), meekomen. Ku-j metkommen?
meekrijgen, metkriegen, meekriegen, (werkwoord), meekrijgen. Die krie-j niet met.
meel, maal, (zelfstandig naamwoord), meel. Märsman zien mölle maalt mooi maal.
meeleven, metlèven, meelèven, (werkwoord), meeleven.
meelmopje, maalmöppien, (zelfstandig naamwoord), koekje, biscuitje. Zie ook: beskwie.
meeluisteren, metluusteren, meeluusteren, (werkwoord), meeluisteren.
meelworm, maalwörm, (zelfstandig naamwoord), meelworm.
meelzak, maalzak, (zelfstandig naamwoord), meelzak.
meenemen, metnemmen, meenemmen, (werkwoord), meenemen. Uitdr.: Alles wa-j stiekem metnemt, blif later an oew vingers klèven.
meepraten, metpraoten, meepraoten, (werkwoord), meepraten.
mees, meze, (zelfstandig naamwoord), mees.
meespelen, metspöllen, meespöllen, (werkwoord), meespelen. IJ wil ook metspöllen.
meestentijds, meestentieds, (bijwoord), meestal, het grootste deel van de tijd.
meetband, mèètband, (zelfstandig naamwoord), oprolbare bandcentimeter.
meetlat, mèètlatte, (zelfstandig naamwoord), meetlat. Zie ook: liekelatte.
meeuw, meeuwe, (zelfstandig naamwoord), meeuw.
meimaand, meimaond, (zelfstandig naamwoord), meimaand.
meiregen, meirègen, (zelfstandig naamwoord), meiregen.
meisje, meisien, (zelfstandig naamwoord), meisje. Zie ook: deerne, magien, kuie / kujje (verouderd), wicht.
meisjesnaam, meisiesname, (zelfstandig naamwoord), meisjesnaam.
meisjesogen, meisiesoge, (zelfstandig naamwoord), voorjaarszonnebloem (plant).
meisjesschool, meisiesskoele, (zelfstandig naamwoord), meisjesschool.
meizoentje, meizeuntien, (zelfstandig naamwoord), madeliefje (plant).
mekaar, mekaere, mekander, menaere, (wederkerig voornaamwoord), elkaar.
melancholiek, melankeliek, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), melancholiek.
melde, mèle, (zelfstandig naamwoord), melde (plant).
melig, malig, (bijvoeglijk naamwoord), melig. Dät bint malige eerpels.
melkboerenhondenhaar, melkboeren-ondenöör, (zelfstandig naamwoord), melkboerenhondenhaar, kleurloos haar zonder slag of krul.
melkbus, melkbusse, (zelfstandig naamwoord), melkbus.
melkfabriek, melkfebriek, (zelfstandig naamwoord), melkfabriek.
melkfles, melkflesse, (zelfstandig naamwoord), melkfles.
melkkoker, melkkaoker, (zelfstandig naamwoord), melkkoker, hoge pan om melk in te koken.
melkkruk, melkkrukke, (zelfstandig naamwoord), melkkruk. Zie ook: melkstuultien.
melkstoeltje, melkstuultien, zie: melkkrukke.
melktijd, melkenstied, (zelfstandig naamwoord), tijd om te melken, melktijd.
melodie, melodiegien, (zelfstandig naamwoord), melodietje, wijsje. Zie ook: wiesien.
mem, memme, (zelfstandig naamwoord), vrouwenborst, speen, tepel.
menigeen, menigiene, menigeen.
mens, mense, (zelfstandig naamwoord), 1. mens; 2. vrouw. Zie ook: vrommes, vrouwe, wief.
merg, märg, (zelfstandig naamwoord), merg. Dät giet mi’j deur märg en bien.
mergpijp, märgpiepe, (zelfstandig naamwoord), mergpijp.
merk, märke, märk, (zelfstandig naamwoord), merk. Dät is een goed märk. Ie ebt een märke in de trui zitten ‘je hebt een merkje in je trui zitten’.
merken, märken, (werkwoord), märken, emärkt, merken.
mestkar, mestköre, (zelfstandig naamwoord), mestkar.
mestvork, mestvörke, (zelfstandig naamwoord), mestvork.
met, met, (voorzetsel), met.
metaal, metaal, (zelfstandig naamwoord), metaal.
meteen, mediene, medene, metiene, (bijwoord), meteen.
meten, mèten, (werkwoord), mèèt, mèten, emèten, 1. meten; 2. in: Za-k oe der iene veur mèten! ‘zal ik je een klap verkopen?’
meter, mèter, (zelfstandig naamwoord), meter.
metworst, metwörst, (zelfstandig naamwoord), metworst.
meun, mönne, (zelfstandig naamwoord), meun (vissoort).
middag, middes, (bijwoord), ‘s middes, ‘s middags.
middageten, middagèten, (zelfstandig naamwoord), middageten, lunch. Warm eten werd vroeger middageten genoemd omdat het toen de gewoonte was thuis warm te (gaan) eten tussen de middag.
middagslaapje, middagslöpien, (zelfstandig naamwoord), middagslaapje.
middelmaat, middelmaote, (zelfstandig naamwoord), middelmaat.
middendoor, middendeur, (bijwoord), doormidden.
midvoor, middenveur, 1. bw., middenvoor; 2. zn., midvoor, centrumspits.
miegemt, miegempe, (zelfstandig naamwoord), mier. Zie ook: empe, miere.
miegen, miegen, (werkwoord), miegen, emiegd, urineren, plassen (van vrouwen).
miemeltje, miemeltien, (zelfstandig naamwoord), maskerbloem (plant).
Mien Bel, Miene Belle, (zelfstandig naamwoord), stadstype. Miene Belle woonde vroeger op het Eiland boven Klokken Manusien. Als ongehuwde moeder maakte zij op de vismarkt de vis schoon, en na afloop van de markt ook nog de kramen. Vaak kocht zij de vis die overbleef en ging ermee langs de deuren. Of het kwam doordat Miene Belle bij haar klanten aanbelde als zij met haar vis ventte of omdat zij soms oorbellen droeg, het is moeilijk te zeggen waar zij haar bijnaam aan te danken had.
mier, miere, (zelfstandig naamwoord), mier. Zie ook: empe, miegempe.
mierennest, mierennöst, (zelfstandig naamwoord), mierennest.
mietje, mietien, (zelfstandig naamwoord), mietje, watje, sullige figuur.
mij, mi’j, (persoonlijk voornaamwoord meervoud), mij. Die slöttel is van mi’j.
mijn, mien, (bezittelijk voornaamwoord), mijn. Dät is mien jässe.
mijn, miende, (zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord), de, het mijne. Dät is de miende.
mijt, miete, (zelfstandig naamwoord), mijt.
mijter, mieter, (zelfstandig naamwoord), persoon, vent. Een taoie mieter ‘iemand die oud wordt, het lang volhoudt’.
mijterig, mieterig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), kwaad. Die deerne is niet weinig mieterig op mi’j. Zie ook: ellig, kwaod, lillijk, niedig, nieds.
mijzelf, mi’jzelf, (persoonlijk voornaamwoord meervoud), mijzelf.
min, min, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), min, slecht. Dät is een minne kerel. Een minne poesterd.
minister, menister, (zelfstandig naamwoord), minister.
minstens, minsens, (bijwoord), minstens.
minuut, menuut, (zelfstandig naamwoord), minuut.
mirakel, merakel, (zelfstandig naamwoord), mirakel, wonder.
mirakels, merakels, 1. bn., mirakels, vervloekt. Dät merakelse jonk wil niet luusteren; 2. bw., heel erg, buitengewoon. Dät was merakels läkker; 3. tw., vervloekt! Merakels!
mis, misse, zie: miskraome.
mis, misse, (zelfstandig naamwoord), mis, eucharistieviering.
misdrijf, misdrief, (zelfstandig naamwoord), misdrijf.
mishandelen, mis-andelen, (werkwoord), mis-andelen, mis-andeld
miskraam, miskraome, (zelfstandig naamwoord), miskraam. Zie ook: misse.
misschien, meskien, miskien, (bijwoord), misschien.
misslaan, misslaon, (werkwoord), misslaan, verkeerd slaan.
moddelen, moddelen, (werkwoord), moddelen, emoddeld, rooien, bijv. van aardappels: eerappels moddelen.
modderpoot, modderpoot, (zelfstandig naamwoord), kleinkruiskruid (senecio vulgaris) (plant).
modderschuit, modderskute, (zelfstandig naamwoord), 1. modderschuit; 2. grote, dikke vrouw.
modern, medärn, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), modern. Ie bint medärnerder dan ik dache. Zie ook: ni’jmoeds.
moe, mu, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), (vergrotende trap: muuierder), moe. Ik bin zo mu as een ond en wörre alsmaer muuierder.
moeder, moe, moeder, (zelfstandig naamwoord), moeder. Zie ook: moeder, mama.
moei, meuie, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), moeitante. Dienemeuie ‘tante Diene/Dini’. Tegenwoordig: tante
moeilijk, muuilijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), moeilijk. Een muuilijk geval. Muuilijk lopen.
moeilijkheid, muuilijkeid, (zelfstandig naamwoord), moeilijkheid.
moeite, muuite, (zelfstandig naamwoord), moeite.
moeizaam, muuizaam, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), moeizaam. Een muuizaam gebeuren. Dät gonk muuizaam.
moekerig, moekerig, (bijvoeglijk naamwoord), burgerlijk, ouderwets. Die vrouwe zut ter wat moekerig uut.
moer, meure, (zelfstandig naamwoord), vrouwtjeskonijn.
moer, moere, (zelfstandig naamwoord), 1. moer (van metaal, met schroefdraad); 2. bijenkoningin; 3. vrouwtjeskonijn.
moeten, mutten, (werkwoord), mut, mos, emut, moeten. Ik mosse de ele wèke aoverwärken.
moetje, muttien, (zelfstandig naamwoord), moetje, gedwongen huwelijk.
mogelijk, meugelijk, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), mogelijk.
mogelijkheid, meugelijkeid, (zelfstandig naamwoord), mogelijkheid.
mogen, maggen, (werkwoord), mag, moch, emocht, mogen. Ik magge niks. Zie ook: meugen.
mogen, meugen, (werkwoord), mag, moch, emocht, mogen. Wi’j meugen niks. Zie ook: maggen.
mol, molle, (zelfstandig naamwoord), mol.
molen, mölle, (zelfstandig naamwoord), molen. Spreekw.: Een stille mölle maalt gien maal.
molenbloem, möllenbloeme, (zelfstandig naamwoord), grijskruid (plant).
molenpaard, möllenpeerd, (zelfstandig naamwoord), grote grove vrouw.
mollenkruid, mollenkruud, (zelfstandig naamwoord), doornappel.
mond, mond, (zelfstandig naamwoord), muntien, mond. Zi’j is niet op aer muntien evallen. Een muntien koffie ‘een slokje koffie’.
mondjesmaat, muntiesmaote, (bijwoord), mondjesmaat.
mondzeerte, mondzeerte, (zelfstandig naamwoord), 1. tand- of kiespijn; 2. scheurbuik (verouderd).
monument, monement, (zelfstandig naamwoord), monument.
mop, möppien, (zelfstandig naamwoord), 1. koekje; 2. schattig kindje; 3. grapje; 4. hoopje poep.
morel, merelle, (zelfstandig naamwoord), morel, soort kers.
morgen, mörgen, -mörgen-, -mörn-, märn, mörn, (zelfstandig naamwoord, bijwoord, tussenwerpsel), morgen. Zie ook: goeiemörgen. Mörn! ‘goedemorgen’.
morgen, mörgens, ’s mörns, (bijwoord), ‘s mörgens, ‘s morgens.
morgenavond, mörgenaovend, mörnaovend, (bijwoord), morgenavond.
morgenmiddag, mörgenmiddag, mörnmiddag, (bijwoord), morgenmiddag.
morgenochtend, mörgenochtend, mörnochtend, (bijwoord), morgenochtend.
morgenrood, mörgenrood, mörnrood, (bijwoord), morgenrood.
morgenster, mörgensterre, mörnsterre, (zelfstandig naamwoord), bloem, morgenster.
morgenvroeg, mörgenvrog, mörnvrog, (bijwoord), morgenvroeg.
morgenzon, mörgenzunne, mörnzunne, (zelfstandig naamwoord), morgenzon, ochtendzon. Ook: ochtendzunne.
mormel, mörmel, (zelfstandig naamwoord), mormel.
morsdood, mörsdood, (bijvoeglijk naamwoord), morsdood.
morsen, mörsen, (werkwoord), mörsen, emörst, morsen.
morskont, mörskonte, (zelfstandig naamwoord), iemand die met eten of drinken morst.
morslap, mörslappe, (zelfstandig naamwoord), slab.
mosgroen, mosgruun, (bijvoeglijk naamwoord), mosgroen.
mosseltje, mösseltien, (zelfstandig naamwoord), klappertje voor een klappertjespistool. Zie ook: knäppertien.
mot, mot, (zelfstandig naamwoord), 1. restje tabak; 2. fijn houtafval of zaagsel; 3. ruzie.
mot, motte, (zelfstandig naamwoord), 1. mot, nachtvlinder; 2. zeug; 3. dikke vrouw.
motblik, motblik, (zelfstandig naamwoord), stofblik.
motorkap, motorkappe, (zelfstandig naamwoord), motorkap.
motregen, motrègen, (zelfstandig naamwoord), motregen.
motregenen, motrègenen, zie: motten.
motten, motten, (werkwoord), motten, emot, 1. motregenen. Zie ook: motrègenen; 2. rommel maken, bijv. knoeien met tabak.
mottig, mottig, (bijvoeglijk naamwoord), (verouderd), pokdalig.
mouw, mouwe, (zelfstandig naamwoord), mouw.
mud, mudde, (zelfstandig naamwoord), mud, inhoudsmaat. Voor aardappelen is dat 70 kilo, voor tarwe 80 kilo en voor steenkool 50 kilo.
mug, mugge, (zelfstandig naamwoord), mug.
muggenscheet, muggeskeet, (zelfstandig naamwoord), 1. muggenscheet; 2. kleinigheid.
muggenzwerm, muggezwärm, (zelfstandig naamwoord), muggenzwerm.
muilband, moelband, (zelfstandig naamwoord), zie: moelkörf.
muilkorf, moelkörf, (zelfstandig naamwoord), muilkorf. Zie ook: moelband.
muis, moes, (zelfstandig naamwoord), musien, 1. muis. Uitdr.: De moezen liggen der dood veur de kaste ‘het is er zeer armoedig’; 2. handpalm.
muisjes, musies, (zelfstandig naamwoord), 1. muisjes; 2. hagelslag.
muisstil, moesstille, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), muisstil, doodstil. Zie ook: doodbedaerd.
muizenis, moezenisse, (zelfstandig naamwoord), muizenis.
muizenkeutel, moezeköttel, (zelfstandig naamwoord), muizenkeutel.
muizennest, moezenöst, (zelfstandig naamwoord), muizennest.
muizenval, moezevalle, (zelfstandig naamwoord), muizenval.
mus, musse, (zelfstandig naamwoord), mus.
muts, musse, (zelfstandig naamwoord), muts.
mutsenbel, mussebellen, (zelfstandig naamwoord), mutsversiering bij kledingkracht.
mutsennaaister, musseneister, (zelfstandig naamwoord), mutsennaaister.
mutsenwasser, mussewasser, (zelfstandig naamwoord), mutsenwasser.
muur, mure, (zelfstandig naamwoord), muur.
muur, mure, (zelfstandig naamwoord), muur, onkruid (stellaria media) (plant).
muurbloem, muurbloeme, (zelfstandig naamwoord), 1. muurbloem (plant); 2. iemand die niet gevraagd wordt en aan de kant blijft zitten bij het dansen.
muurverf, muurvärve, (zelfstandig naamwoord), muurverf.
muziek, meziek, (zelfstandig naamwoord), muziek.
muziekdoos, meziekdeuze, (zelfstandig naamwoord), muziekdoos.
muziekkorps, meziekkörps, (zelfstandig naamwoord), muziekkorps.
muziekles, mezieklesse, (zelfstandig naamwoord), muziekles.
muziekschool, meziekskoele, (zelfstandig naamwoord), muziekschool.
muziekuitvoering, meziekuutvoerink, (zelfstandig naamwoord), muziekuitvoering.
muzikant, muzekant, (zelfstandig naamwoord), muzikant.
na, nao, (voorzetsel, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, voegwoord), na. IJ is ter nao an toe ‘hij is op sterven na dood’.
na-apen, nao-apen, (werkwoord), apen nao, nao-e-aapt, na-apen.
na-aperij, nao-aperi’je, (zelfstandig naamwoord), na-aperij, imitatie.
naad, naod, (zelfstandig naamwoord), nötien, naad.
naadzak, naodzak, (zelfstandig naamwoord), 1. zak in de naad; 2. zak onder een rok gedragen (bij klederdracht).
naaf, nave, (zelfstandig naamwoord), naaf.
naaidoos, neideuze, (zelfstandig naamwoord), naaidoos.
naaien, neien, (werkwoord), neien, eneid, naaien.
naaifabriek, neifebriek, (zelfstandig naamwoord), confectiefabriek.
naaigaren, neigören, (zelfstandig naamwoord), naaigaren.
naaikistje, neikissien, (zelfstandig naamwoord), naaikistje.
naaimachine, neimesjiene, (zelfstandig naamwoord), naaimachine.
naainaald, neinaolde, (zelfstandig naamwoord), naainaald.
naaischool, neiskoele, (zelfstandig naamwoord), naaischool.
naaister, neister, (zelfstandig naamwoord), naaister.
naaiwerk, neiwärk, (zelfstandig naamwoord), naaiwerk.
naald, naolde, (zelfstandig naamwoord), nööltien, naald.
naaldenkoker, naoldekökker, naoldekaoker, (zelfstandig naamwoord), naaldenkoker.
naam, name, (zelfstandig naamwoord), naam.
naambord, naambörd, (zelfstandig naamwoord), naambörtien, naambord. Zie ook: naamplate.
naamkaartje, naamkaertien, (zelfstandig naamwoord), naamkaartje.
naamlijst, namenlieste, (zelfstandig naamwoord), namenlijst.
naamplaat, naamplate, zie: naambörd.
naar, naer, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), naar, akelig, beroerd, vervelend.
naar, naor, nöör, (voorzetsel, voegwoord), naar.
naast, naost, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voorzetsel), naast.
nabestaande, naobestaonde, (zelfstandig naamwoord), nabestaande, erfgenaam.
nabij, naobi’j, (bijvoeglijk naamwoord, voorzetsel, bijwoord), 1. nabij, dichtbij gelegen, niet ver verwijderd; 2. dichtbij.
nablijven, naoblieven, (werkwoord), nablijven.
nabuur, naober, (zelfstandig naamwoord), 1. naber, buurman; 2. naburig land.
nabuurplicht, naoberplicht, naoberplich, (zelfstandig naamwoord), nabuurplicht, burenplicht.
nabuurschap, naoberskop, (zelfstandig naamwoord), nabuurschap.
nacht, nachens, (bijwoord), ‘s nachens, ‘s nachts.
nacht, nacht, (zelfstandig naamwoord), nacht.
nachtkastje, nachkässien, (zelfstandig naamwoord), nachtkastje.
nachtmerrie, nachmärrie, (zelfstandig naamwoord), nachtmerrie.
nachtmis, nachmisse, (zelfstandig naamwoord), nachtmis.
nachtpon, nachponne, (zelfstandig naamwoord), nachtpon. Ook: ponne.
nachtuil, nachtoele, (zelfstandig naamwoord), 1. uil die ‘s nachts vliegt; 2. nachtvlinder; 3. nachtbraker.
nachtvolk, nachtvolk, (zelfstandig naamwoord), langblijvers, mensen die het laat maken.
nachtwerk, nachtwärk, (zelfstandig naamwoord), nachtwerk.
nadat, naodät, (voegwoord), nadat.
nadeel, naodeel, (zelfstandig naamwoord), nadeel.
nadelig, naodelig, (bijvoeglijk naamwoord), nadelig.
nadenken, naodenken, (werkwoord), nadenken.
nader, naoder, (bijwoord), nader.
naderbij, naoderbi’j, (bijwoord), naderbij.
naderen, naoderen, (werkwoord), naoderen, enaoderd, naderen.
naderhand, naoderand, (bijwoord), naderhand.
nagaan, naogaon, (werkwoord), nagaan, controleren.
nageboorte, naogeboorte, (zelfstandig naamwoord), nageboorte.
nagelhout, nagelolt, (zelfstandig naamwoord), 1. rookvlees. Zie ook: rookvleis; 2. hout van de kruidnagelboom.
nagelkaas, nagelkeze, (zelfstandig naamwoord), kruidnagelkaas.
nageslacht, naogeslacht, (zelfstandig naamwoord), nageslacht.
najaar, naojöör, (zelfstandig naamwoord), najaar.
Nak nak, Nak nak, (zelfstandig naamwoord), Een straatmuzikant van vroeger die speelde op een accordeon die hij cadeau had gekregen van koningin Wilhelmina. Op de accordeon zat een bordje van hout of karton waarop dit vermeld stond.
nakend, nakend, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), naakt.
nakend aarsje, nakend eersien, (zelfstandig naamwoord), sneeuwklokje. Letterlijk betekent het: naakt gatje. Zie ook: sneejklökkien.
nakend aarsje, nakeneersien, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), 1. scheldwoord; 2. drijftol die glad is gemaakt door er de buik af te snijden. Zie ook: drieftolle, zweptolle.
nakend mannetje, nakend männegien, (zelfstandig naamwoord), vogelmelk (ornithogalum umbellatum) (plant).
nakijken, naokieken, (werkwoord), nakijken.
nakomen, naokommen, (werkwoord), nakomen.
nakomer, naokommer, (zelfstandig naamwoord), naokommertien, nakomer, nakomeling.
nalaten, naolaoten, (werkwoord), nalaten.
nalatenschap, naolaotenskap, (zelfstandig naamwoord), nalatenschap.
nameten, naomèten, (werkwoord), nameten.
namiddag, naomiddag, (zelfstandig naamwoord), namiddag.
namiddag, naomiddes, (bijwoord), ‘s naomiddes, na de middag. Dät wass naomiddes.
nanacht, naonacht, naonach, (zelfstandig naamwoord), nanacht, laatste deel van de nacht.
nap, nappe, (zelfstandig naamwoord), näppien, nap, kroes van email.
napraten, naopraoten, (werkwoord), napraten.
napraterij, naopraoteri’je, (zelfstandig naamwoord), napraterij.
nar, närre, (zelfstandig naamwoord), nar.
narcis, närcisse, (zelfstandig naamwoord), narcis. Zie ook: tieloze.
narekenen, naorèkenen, (werkwoord), narekenen.
narigheid, naerigeid, (zelfstandig naamwoord), narigheid.
narrig, närries, zie: närrig.
narrig, närrig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), nors. Zie ook: närries (verouderd).
narrigjes, närregies, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), op zijn dooie gemak, zonder inspanning.
naslaan, naoslaon, (werkwoord), naslaan.
naspelen, naospöllen, (werkwoord), naspelen.
natje, nättien, (zelfstandig naamwoord), natje. Mien nättien en mien dreugien.
natuur, netuur, (zelfstandig naamwoord), natuur.
natuurlijk, netuurlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), natuurlijk.
navenant, naovenant, (bijwoord), navenant, naar verhouding, in evenredigheid.
nawee, naoweeën, (zelfstandig naamwoord), naweeën.
nazeggen, naozeggen, (werkwoord), nazeggen.
nazomer, naozommer, naozomer, (zelfstandig naamwoord), nazomer.
nazorg, naozörg, (zelfstandig naamwoord), nazorg.
neef, nève, (zelfstandig naamwoord), nèfien, neef.
neefje, nèfien, (zelfstandig naamwoord), mugje.
neerbuigend, neerbugend, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), neerbuigend.
neerd, neerd, (zelfstandig naamwoord), voorkamer, pronkkamer.
neerkijken, neerkieken, (werkwoord), neerkijken.
negen, negen, (telwoord), negen.
negende, negendes, (zelfstandig naamwoord), de negende.
negentien, negentiene, (telwoord), negentien.
negentig, negentig, (telwoord), negentig.
negotie, agosie, (zelfstandig naamwoord), negotie, kleine handelswaar van een venter. Zie ook: negosie.
negotie, negosie, (zelfstandig naamwoord), 1. negotie, handel; 2. (verouderd) geringe koopwaar waarmee men vent. Zie ook: agosie.
nek, nekke, (zelfstandig naamwoord), nek. Uitdr.: IJ pröt uut de nekke ‘hij kletst maar wat’.
nemen, nemmen, (werkwoord), nemp, nam(p), enömmen, nemen.
nerf, närve, (zelfstandig naamwoord), nerf.
nergens, närgens, närns, (bijwoord), nergens.
nerig, nerig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), nijver, druk, ijverig.
nest, nöst, (zelfstandig naamwoord), nest. De merel zit op aer nöst. Zich in de nösten wärken.
nesthaar, nöstöör, (zelfstandig naamwoord), nesthaar.
neulen, nölen, (werkwoord), nölen, enööld, zeuren, drammen, zaniken.
neuler, nölerd, (zelfstandig naamwoord), zeurder, drammer.
neus, nöze, (zelfstandig naamwoord), nösien, neus. Uitdr.: De smid zien nöze zit ter op ‘de deur zit op slot’.
neusbotje, nözebuttien, (zelfstandig naamwoord), neusbotje.
neusteren, nösteren, (werkwoord), mopperen. Zie ook: knösteren.
neusterig, nösterig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), een slecht humeur hebbend, knorrig, vervelend.
neuver, neuver, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), krap aan, niet solide. ‘t Is mi’j net een bettien te neuver.
neuzelen, nözelen, (werkwoord), nözeld, enözeld, 1. neuzelen, dralen, talmen; 2. onzin uitkramen. Wat zit ie toch te nözelen.
neuzen, nözen, (werkwoord), nözen, enöösd, 1. neuzen, snuffelen; 2. neuzen met de neus.
nicht, nichte, (zelfstandig naamwoord), nichien, nicht.
nier, niere, (zelfstandig naamwoord), nier.
nierbroodje, nierbreutien, (zelfstandig naamwoord), nierbroodje.
niergruis, niergruus, (zelfstandig naamwoord), niergruis.
nieuw, ni’j, (bijvoeglijk naamwoord), nieuw.
Nieuwe Markt, Ni’je Märkt, Ni’je Märk, (zelfstandig naamwoord), Nieuwe Markt, vroeger Bottermärk genoemd, lopend van de Sassenstraat naar de Oude Vismarkt. Voorheen lag daar de Bethlehemshof. De Nieuwe Markt is in 1649 speciaal aangelegd voor de groenteverkoop. In 1884 werd er een boterhal gebouwd zodat de botermarkt van de Voorstraat naar de Nieuwe Markt kon verhuizen. Deze hal heeft in de Eerste en Tweede Wereldoorlog ook nog dienst gedaan als gaarkeuken. Nu vindt men hier een parkeerplaats.
nieuwjaar, ni’jjöör, (zelfstandig naamwoord), nieuwjaar.
nieuwjaarschieten, ni’jjöörskieten, (werkwoord), elkaar gelukkig nieuwjaar wensen. Zi’j kommen bi’j ons ni’jjöörskieten.
nieuwjaarsdag, ni’jjöörsdag, (zelfstandig naamwoord), nieuwjaarsdag.
nieuwmelks, ni’jmelks, (bijvoeglijk naamwoord), (van een koe) pas gekalfd hebbend.
nieuwmodisch, ni’jmoeds, (bijvoeglijk naamwoord), modern. Zie ook: medärn.
nieuws, ni’js, (zelfstandig naamwoord), nieuws.
nieuwsgierig, ni’jskierig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), nieuwsgierig.
nieuwsgierigheid, ni’jskierigeid, (zelfstandig naamwoord), nieuwsgierigheid.
nieuwtje, ni’jgien, (zelfstandig naamwoord), nieuwtje.
nijdig, niedig, nieds, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), nijdig, kwaad. Zie ook: ellig, kwaod, lillijk, mieterig, nieds.
nijdigheid, niedigeid, (zelfstandig naamwoord), het nijdig zijn.
nijdkop, niedskop, (zelfstandig naamwoord), driftkop.
nijpje, niepien, (zelfstandig naamwoord), hakbijltje.
nis, nisse, (zelfstandig naamwoord), nis.
nodig, neudig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), nodig, noodzakelijk.
nodigen, neudigen, neugen, (werkwoord), neudigen, eneudigd, nodigen. Zie ook: verzuken. Laot oe niet neugen ‘tast toe’.
noemen, numen, (werkwoord), numen, enuumd, noemen.
noemenswaard, numensweerd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), noemenswaard.
noest, noeste, (zelfstandig naamwoord), noesien, noest, knoest.
noesterig, noesterig, (bijvoeglijk naamwoord), vol noesten.
non, nonne, (zelfstandig naamwoord), nunnegien, non.
noot, nötte, (zelfstandig naamwoord), 1. noot (boomvrucht); 2. een mens met droge humor. Wat een raere nötte is dät mense; 3. harde trap en klap.
nootmuskaat, nöttemeskaot, (zelfstandig naamwoord), nootmuskaat.
nop, noppe, (zelfstandig naamwoord), nöppien, nop.
nors, nörs, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), nors.
noten, nötten, (werkwoord), nötten, enöt, hard tegen de bal trappen. Een pöttien nötten op de Törfmärkt. Zie ook: voeballen, metsen.
notenboom, nöttenboom, nötteboom, (zelfstandig naamwoord), notenboom.
notitie, notisie, (zelfstandig naamwoord), notitie.
nou, now, (bijwoord, tussenwerpsel), 1. nu; 2. nou.
nuk, nukke, (zelfstandig naamwoord), nuk, gril.
nummer, nommer, (zelfstandig naamwoord), nummer.
nummerplaat, nummerplate, (zelfstandig naamwoord), nummerplaat.
nunzelig, nunzelig, (bijvoeglijk naamwoord), nietig.
nunzeltje, nunzeltien, (zelfstandig naamwoord), klein, nietig ding.
obstinaat, obsternaot, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), obstinaat, koppig, eigenzinnig.
oelewapper, oelewapper, (zelfstandig naamwoord), 1. sufferd. Zie ook: oele, öle; 2. klap, stomp; 3. lid van Zwolse carnavalsvereniging De Oelewappers, opgericht in 1964.
oen, oen, (zelfstandig naamwoord), sukkel, dom iemand.
ogenklaar, ogenklöör, (zelfstandig naamwoord), ogentroost, stinkende gouwe (chelidonium) (plant).
ogenschijnlijk, ogenskienlijk, (bijwoord), ogenschijnlijk.
olie, öllie, (zelfstandig naamwoord), olie.
oliebol, ölliebolle, zie: ölliekrappe.
oliekrap, ölliekrappe, (zelfstandig naamwoord), oliebol. Zie ook: ölliebolle.
oliekruik, ölliekruke, (zelfstandig naamwoord), oliekruik.
olieslager, öllieslager, (zelfstandig naamwoord), olieslager.
om, umme, um, um-, (voorzetsel, bijwoord), om. Wöörumme doe-j dät? Um toch! ‘daarom’.
ombladeren, ummebladeren, umbladeren, (werkwoord), bladeren umme, umme-ebladerd, ombladeren.
ombouwen, ummebouwen, umbouwen, (werkwoord), bouwen umme, umme-ebouwd, ombouwen.
ombuigen, ummebugen, umbugen, (werkwoord), ombuigen.
omdat, umdät, (voegwoord), omdat.
omdoen, ummedoen, umdoen, (werkwoord), omdoen.
omdraaien, ummedreien, umdreien, (werkwoord), omdraaien.
omgaan, ummegaon, umgaon, (werkwoord), omgaan.
omgang, ummegank, umgank, (zelfstandig naamwoord), 1. omgang, het met iemand omgaan; 2. rondgang.
omgekeerd, ummegekeerd, (bijvoeglijk naamwoord), 1. omgekeerd; 2. bekeerd. Uitdr.: Ummegekeerde zakken stinkent meeste ‘bekeerlingen zijn het vroomst’.
omgeving, umgèving, umgèvink, (zelfstandig naamwoord), omgeving.
omheen, um-en, (bijwoord), omheen.
omhoog, um-oge, (bijwoord), omhoog. IJ wier öördig um-oge eskröven ‘men schreef heel positief over hem’
omkeilen, ummekeilen, (werkwoord), keilen umme, umme-ekeild, omgooien.
omkieperen, ummekieperen, ummekiepelen, (werkwoord), kieperen umme, umme-ekieperd, 1. omgooien. IJ kiepert alle blokken umme. Zie ook: ummekeilen; 2. omvallen.
omkijken, ummekieken, umkieken, (werkwoord), 1. naar achteren omkijken; 2. naar iemand omkijken, aandacht besteden aan iemand. Zie ook: ummezien.
omkleden, ummeklejen, umklejen, (werkwoord), omkleden. Zie ook: ummetrekken, verklejen.
omkomen, ummekommen, umkommen, (werkwoord), omkomen. IJ kump omme in zien rotzooi.
omkukelen, ummekukelen, umkukelen, (werkwoord), kukelen umme, umme-ekukeld, omvallen. Zie ook: ummetumelen.
ommaken, ummemaken, ummaken, zie: ummespitten.
omnibus, omnibusse, (zelfstandig naamwoord), omnibus.
ompraten, ummepraoten, umpraoten, (werkwoord), ompraten.
omroeren, ummereuren, umreuren, (werkwoord), omroeren.
omschrijven, umskrieven, (werkwoord), umskrif, umskreef, umskreven, omschrijven.
omsgelijks, umsgelieks, umslieks, (bijwoord), ongeveer.
omslaan, ummeslaon, umslaon, (werkwoord), omslaan.
omslag, umslag, (zelfstandig naamwoord), 1. omslag, kaft; 2. toestand, drukte.
omspitten, ummespitten, umspitten, (werkwoord), spitten umme, um-/umme-esp, omspitten. Zie ook: ummemaken.
omstander, umstander, (zelfstandig naamwoord), omstander.
omstandigheid, umstandigeid, (zelfstandig naamwoord), omstandigheid.
omstebeurt, omstebeurten, (bijwoord), om de beurt.
omstebeurt, ummestebeurten, umstebeurten, (bijwoord), om de beurt.
omstreeks, umstreeks, (bijwoord, vooorzetsel), omstreeks.
omtrek, umtrek, (zelfstandig naamwoord), omtrek.
omtrekken, ummetrekken, umtrekken, (werkwoord), 1. omtrekken; 2. omkleden, verkleden. Zie ook: ummeklejen, verklejen.
omtrent, umtrent, (bijwoord), omtrent, bijna, nagenoeg.
omtuimelen, ummetumelen, umtumelen, (werkwoord), omvallen. Zie ook: ummekukelen.
omtuitelen, ummetutelen, umtutelen, (werkwoord), een buiteling maken.
omvallen, ummevallen, umvallen, (werkwoord), omvallen.
omwaaien, ummeweien, umweien, (werkwoord), omwaaien.
omweg, umweg, (zelfstandig naamwoord), omweg.
omzien, ummezien, umzien, (werkwoord), omzien (naar iemand). Zie ook: ummekieken.
omzomen, ummezeumen, umzeumen, (werkwoord), omzomen.
onaardig, onöördig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onaardig. Ik vin oe niet onöördig.
onbegrijpelijk, onbegriepelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbegrijpelijk.
onbehoorlijk, onbe-eurlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbehoorlijk.
onbekwaam, onbekwaom, (bijvoeglijk naamwoord), 1. onbekwaam, ongeschikt; 2. beschonken, dronken.
onbelangrijk, onbelangriek, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbelangrijk.
onbeleefd, onbelèèfd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbeleefd.
onbenullig, onbe-ollen, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbenullig.
onberekenbaar, onberèkenbaer, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onberekenbaar.
onbeschrijfelijk, onbeskrievelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbeschrijfelijk.
onbesuisd, onbesoesd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbesuisd.
onbeweeglijk, onbewèèglijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbeweeglijk.
onbezonnen, onbezunnen, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onbezonnen.
onbezwaard, onbezwöörd, (bijvoeglijk naamwoord), onbezwaard, niet schuldig.
onbreekbaar, onbrèèkbaer, (bijvoeglijk naamwoord), onbreekbaar.
onderarm, onderärm, (zelfstandig naamwoord), onderarm.
onderboks, onderbokse, (zelfstandig naamwoord), onderbroek.
onderdaan, onderdaon, (zelfstandig naamwoord), onderdaan.
onderdanig, onderdaonig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onderdanig.
onderdeurtje, onderdeurtien, (zelfstandig naamwoord), 1. klein kereltje; 2. onderdeurtje (onderste deel van deur).
onderdoor, onderdeur, (bijwoord), onderdoor. Der onderdeur gaon.
onderduiken, onderduken, (werkwoord), onderduiken.
onderduiker, onderduker, (zelfstandig naamwoord), onderduiker.
ondergaan, ondergaon, (werkwoord), ondergaan.
ondergeschoven kind, onderesköven kind, (zelfstandig naamwoord), 1. kind dat zich achtergesteld voelt; 2. onecht kind.
onderhands, onder-ands, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), onderhands.
onderheen, onder-en, (bijwoord), onder vandaan, onderuit. Kom ie der es even onder-en!
onderhoud, onderold, (zelfstandig naamwoord), onderhoud.
onderhouden, onderollen, (werkwoord), onderhouden.
onderhoudsbeurt, onderoldsbeurte, (zelfstandig naamwoord), onderhoudsbeurt.
onderjurk, onderjörk, (zelfstandig naamwoord), onderjurk.
onderkin, onderkinne, (zelfstandig naamwoord), onderkin.
onderkomen, onderkommen, (zelfstandig naamwoord), onderkomen, onderdak.
onderkruiper, onderkroeper, (zelfstandig naamwoord), onderkruiper.
onderlijfje, onderliefien, (zelfstandig naamwoord), onderlijfje, hemdje.
onderlip, onderlippe, (zelfstandig naamwoord), onderlip.
ondermuts, ondermusse, (zelfstandig naamwoord), zwarte muts onder de knip- of plooimuts (klederdracht).
ondersteboven, onderstebaoven, (bijwoord), ondersteboven.
ondersteek, onderstèke, (zelfstandig naamwoord), ondersteek, pispot, po. Zie ook: ondertussen.
ondertussen, ondertussen, zie: onderstèke.
onderuit, onderuut, (bijwoord), onderuit, omheen.
ondervinden, ondervinnen, (werkwoord), ondervint, ondervun, ondervunnen<, ondervinden.
ondervragen, ondervraogen, (werkwoord), ondervrög, ondervroeg, ondervraog, ondervragen.
onderweg, onderweggens, (bijwoord), onderweg, op pad.
onderwerp, onderwärp, (zelfstandig naamwoord), onderwerp.
onderwijl, onderwiel, (bijwoord, voegwoord), onderwijl, ondertussen, intussen. IJ gonk onderwiel bosskoppen doen. Onderwiel IJ ant skrieven was, gonk zie koffiezetten.
onderwijs, onderwies, (zelfstandig naamwoord), onderwijs.
onderwijzen, onderwiezen, (werkwoord), onderwis, onderwees, onderwezen
onderwijzer, onderwiezer, (zelfstandig naamwoord), onderwijzer, leraar.
onderzoek, onderzuuk, (zelfstandig naamwoord), onderzoek.
onderzoeken, onderzuken, (werkwoord), onderzöch, onderzoch, onderzöch
onderzoektafel, onderzuuktaofel, (zelfstandig naamwoord), onderzoektafel.
onduidelijk, ondudelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onduidelijk.
oneffen, oneffen, (bijvoeglijk naamwoord), niet vlak.
onfatsoenlijk, onfesoenlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onfatsoenlijk.
ongedaan, ongedaon, (bijvoeglijk naamwoord), ongedaan. Ongedaon maken ‘doorkrassen’.
ongehoord, onge-eurd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ongehoord.
ongelegen, ongelègen, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ongelegen.
ongelijk, ongeliek, (zelfstandig naamwoord), 1. ongelijk. IJ ef ongeliek; 2. onrecht. Iemand ongeliek andoen.
ongelijk, ongelieke, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ongelijk. Dät is ongelieke verdeeld. Die twie skilderi’jen angen ongelieke.
ongelijkmatig, ongeliekmaotig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ongelijkmatig.
ongeloof, ongeleuf, (zelfstandig naamwoord), ongeloof.
ongelooflijk, ongeleufelijk, ongeleuflijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ongelooflijk.
ongelovig, ongeleuvig, (bijvoeglijk naamwoord), ongelovig.
ongemak, ongemak, (zelfstandig naamwoord), ongedierte, luizen.
ongemerkt, ongemärkt, (bijwoord), ongemerkt.
ongenadig, ongenaodig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ongenadig.
ongerijmd, ongeriemd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ongerijmd.
ongestadig, ongestaodig, (bijvoeglijk naamwoord), ongestadig.
ongetwijfeld, ongetwiefeld, (bijwoord), ongetwijfeld.
ongevaarlijk, ongevöörlijk, (bijvoeglijk naamwoord), ongevaarlijk.
ongevoelig, ongevulig, (bijvoeglijk naamwoord), ongevoelig.
onhandig, on-ändig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onhandig.
onhebbelijk, onebbelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onaangenaam, onbehoorlijk.
onklaar, onklöör, (bijvoeglijk naamwoord), onklaar, stuk.
onkruid, onkruud, (zelfstandig naamwoord), onkruid. Zie ook: roet.
onlangs, onlanks, (bijwoord), onlangs.
onleesbaar, onlèèsbaer, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onleesbaar.
onmogelijk, onmeugelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onmogelijk.
onmogelijkheid, onmeugelijkeid, (zelfstandig naamwoord), onmogelijkheid.
onnodig, onneudig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onnodig.
onnoemelijk, onnumelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onnoemelijk.
onnozel, onnözel, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onnozel.
onraad, onraod, (zelfstandig naamwoord), onraad.
onrijp, onriepe, (bijvoeglijk naamwoord), onrijp.
ons, ons, (zelfstandig naamwoord), unsien, ons, 100 gram. ‘n Unsien ärmoe, een onsje leverworst.
ons, onzende, (zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord), onze, die van ons. Dät is de onzende.
ontdaan, ontdaon, (bijvoeglijk naamwoord), ontdaan, van streek.
ontevreden, ontevrèden, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ontevreden. Een ontevrèden persoon.
ontgaan, ontgaon, (werkwoord), ontgiet, ontgong/ontgonk, , ontgaan.
ontgroeien, ontgruuien, (werkwoord), ontgruuien, ontgruuid, ontgroeien.
ontruimen, ontrumen, (werkwoord), ontrumen, ontruumd, ontruimen.
ontslaan, ontslaon, (werkwoord), ontslöt/ontslaot, ontsloeg, <, ontslaan.
ontstaan, ontstaon, (werkwoord), ontstiet, ontston, ontstaon, ontstaan.
ontsteken, ontstèken, (werkwoord), ontstek, ontstak, ontstöken, ontsteken.
ontsteking, ontstèking, (zelfstandig naamwoord), ontsteking.
ontstoken, ontstöken, (bijvoeglijk naamwoord), ontstoken. Een ontstöken wonde.
ontwerp, ontwärp, (zelfstandig naamwoord), ontwerp.
ontwerpen, ontwärpen, (werkwoord), ontwärpt, ontwärpen/ontwierp,, ontwerpen.
ontwijken, ontwieken, (werkwoord), ontwik, ontweek, ontweken, ontwijken.
onuitspreekbaar, onuutsprèèkbaer, (bijvoeglijk naamwoord), onuitspreekbaar.
onverschillig, onverskillig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onverschillig.
onvertogen, onverteugen, (bijvoeglijk naamwoord), onvertogen, ongepast. Een onverteugen woord.
onverwachts, onverwachs, (bijwoord), onverwachts. Zie ook: onverziens.
onvoldaan, onvoldaon, (bijvoeglijk naamwoord), onvoldaan.
onvoordelig, onveurdelig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onvoordelig.
onvoorspelbaar, onveurspelbaer, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onvoorspelbaar.
onvoorstelbaar, onveurstelbaer, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onvoorstelbaar.
onvoorzichtig, onveurzichtig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onvoorzichtig.
onvoorzien, onveurzien, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onvoorzien.
onvoorziens, onverziens, zie: onverwachs.
onvrede, onvrèè, (zelfstandig naamwoord), onvree.
onwaarschijnlijk, onwöörskienlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onwaarschijnlijk.
onweersbui, donderbujje, (zelfstandig naamwoord), onweersbui.
onweersbui, onweersbujje, (zelfstandig naamwoord), onweersbui.
onwijs, onwies, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. onwijs, onverstandig. Ie mut niet zo onwies doen!; 2. heel erg. Dät is onwies völle.
onzalig, onzelig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), smerig, onzindelijk. Zie ook: poesterig, smoesterig, voel, podderig, poedelig.
onzelaar, onzelaer, (zelfstandig naamwoord), iemand die nog vuiler is dan een smeerpoets.
onzuiver, onzuver, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onzuiver.
oog, oge, (zelfstandig naamwoord), eugien, oog. IJ ef ter gien oge veur.
ooghaar, oogöör, (zelfstandig naamwoord), oogören, (meestal mv.), wimper.
ooievaar, eiber, zie: ooievaer.
ooievaar, eileuver, zie: ooievaer.
ooievaar, ooievaer, (zelfstandig naamwoord), ooievaar. Zie ook: eileuver, eiber.
ook, ok, (bijwoord), ook.
oom, ome, oom, (zelfstandig naamwoord), oom. Ook: oom, in bijv. (verouderd): Jaopik-oom, Albert-oom ‘oom Jacob/Albert’.
oor, oor, (zelfstandig naamwoord), oor.
oorbel, oorbelle, (zelfstandig naamwoord), oorbel.
oord, oort, (zelfstandig naamwoord), halve liter.
oordopje, oordöppien, (zelfstandig naamwoord), oordopje.
oorijzer, ooriezer, (zelfstandig naamwoord), oorijzer (wordt gedragen bij klederdracht).
oorlogsruit, oorlogsroet, (zelfstandig naamwoord), knopkruid (plant).
oorpijn, oorpiene, (zelfstandig naamwoord), oorpijn.
oorschelp, oorskelpe, (zelfstandig naamwoord), oorschelp.
oorsprong, oorspronk, (zelfstandig naamwoord), oorsprong.
oorvijg, oorvège, (zelfstandig naamwoord), oorvijg, slag om de oren.
oorwarmer, oorwärmer, (zelfstandig naamwoord), oorwarmer.
oorwurm, oorwörm, (zelfstandig naamwoord), oorworm.
oorzaak, oorzake, (zelfstandig naamwoord), oorzaak.
ootje, ote, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), opoe, oud vrouwtje.
opbergen, opbärgen, (werkwoord), bärgt op, börg op, op-ebör, opbergen.
opblazen, opblaozen, (werkwoord), opblazen.
opbreken, opbrèken, (werkwoord), opbreken.
opbrengen, opbrengen, (werkwoord), opbrengen.
opdraaien, opdreien, (werkwoord), opdraaien.
opduikelen, opdukelen, (werkwoord), opduikelen. Wöör e-j dät op-edukeld?
opduiken, opduken, (werkwoord), opduiken.
opeens, opiens, (bijwoord), opeens, plotseling.
openbaar, openbaer, (bijvoeglijk naamwoord), openbaar.
opeten, opèten, (werkwoord), opeten.
opgaren, opgaeren, (werkwoord), 1. oprapen; 2. verzamelen.
opgroeien, opgruuien, (werkwoord), opgroeien.
ophaalbrug, opaalbrugge, (zelfstandig naamwoord), ophaalbrug.
ophalen, op-alen, (werkwoord), 1. ophalen; 2. afhalen. Ik mut mien meisien op-alen van uus.
ophouden, op-ollen, (werkwoord), ophouden.
opkijken, opkieken, (werkwoord), opkijken.
opklapbed, opklapbedde, (zelfstandig naamwoord), opklapbed.
opkoken, opkaoken, (werkwoord), opkoken, aan de kook brengen.
opkomen, opkommen, (werkwoord), opkomen.
oplossen, oplössen, (werkwoord), lössen op, op-elöst, oplossen.
oplossing, oplössing, (zelfstandig naamwoord), oplossing.
opnemen, opnemmen, (werkwoord), opnemen.
opnieuw, opni’j, (bijwoord), opnieuw. Zie ook: aoverni’j.
opnoemen, opnumen, (werkwoord), opnoemen.
opoe, opoe, (zelfstandig naamwoord), oma. Vroeger: gropmoe(der), gropma, tegenwoordig vooral: oma.
oponthoud, opontold, (zelfstandig naamwoord), 1. oponthoud, vertraging; 2. verblijfplaats; 3. duur van iemands verblijf.
opperman, öpperman, upperman, (zelfstandig naamwoord), opperman. Zie ook: upperman.
opperste, opperste, (zelfstandig naamwoord), het hoofd, de baas.
opporren, oppörren, (werkwoord), pörren op, op-epört, opporren, oppoken, oprakelen. De kaolenkachel oppörren.
opruien, opruuien, (werkwoord), ruuien op, op-eruuid, opruien.
opruien, opri’jen, (werkwoord), op stang jagen.
opruier, opruuier, (zelfstandig naamwoord), opruier.
opruimen, oprumen, (werkwoord), opruimen.
opruiming, opruming, (zelfstandig naamwoord), opruiming.
opscheppen, opskeppen, (werkwoord), skeppen op, op-eskept, 1. opscheppen (van eten bijv.); 2. opscheppen, snoeven. Zie ook: opsnieden, opsniejen.
opschrift, opskrift, opskrif, (zelfstandig naamwoord), opschrift.
opschrijven, opskrieven, (werkwoord), opschrijven.
opschuimen, opskumen, (werkwoord), opjutten.
opschuimen, opskoemen, (werkwoord), skoemen op, op-eskoemd, opschuimen (van melk).
opschuiven, opskoeven, (werkwoord), opschuiven.
opslaan, opslaon, (werkwoord), opslaan.
opsluiten, opsluten, (werkwoord), opsluiten.
opsnijden, opsnieden, opsniejen, zie: opskeppen.
opsnuiven, opsnoeven, (werkwoord), opsnuiven.
opspelen, opspöllen, (werkwoord), opspelen.
opspoelen, opspulen, (werkwoord), opspoelen. De wasse opspulen. Zie ook: spulen.
opstaan, opstaon, (werkwoord), opstaan.
opsteken, opstèken, (werkwoord), opsteken.
opstoken, opstaoken, (werkwoord), opstoken.
opstrijken, opstrieken, (werkwoord), opstrijken.
opstropen, opstreupen, (werkwoord), opstropen. De mouwen opstreupen
opstuiven, opstoeven, (werkwoord), opstuiven.
opsuikeren, opsukeren, (werkwoord), sukeren op, op-esukerd, in het hoofd prenten. Suker dät maer op ‘sla dat maar op’.
optuigen, optugen, (werkwoord), optuigen.
opvegen, opvègen, (werkwoord), opvegen.
opvoeding, opvoedige, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), opvoeding.
opvouwen, opvaolen, (werkwoord), opvouwen.
opvragen, opvraogen, (werkwoord), opvragen.
opvreten, opvrèten, (werkwoord), opvreten.
opvrijen, opvri’jen, (werkwoord), vri’jen op, op-evri’jd, opvrijen, iemand proberen gunstig te stemmen.
opwaaien, opweien, (werkwoord), opwaaien.
opwachten, opwachen, (werkwoord), opwachten. Die vent za-k wel is effen opwachen.
opwarmen, opwärmen, (werkwoord), opwarmen.
opwerken, opwärken, (werkwoord), opwerken. IJ ef zich öördig op-ewärkt.
opwrijven, opvrieven, (werkwoord), opwrijven.
opzij, opzied, (bijwoord), opzij, aan de kant. Zie ook: kante.
opzoeken, opzuken, (werkwoord), opzoeken.
opzouten, opzolten, (werkwoord), 1. inzouten; 2. opkroppen.
opzuigen, opzoegen, (werkwoord), opzuigen.
oranjestaafjes, oranjestavies, (zelfstandig naamwoord), in staafjes gesneden knolraap.
orde, örde, odder, (zelfstandig naamwoord), orde. Dät is in örde ‘dat is in orde, voor elkaar’.
ordinarishouder, ordinaris-older, (zelfstandig naamwoord), houder van een eethuis.
organist, örgenist, (zelfstandig naamwoord), organist.
orgel, örgel, (zelfstandig naamwoord), orgel.
orgeldraaier, örgeldreier, (zelfstandig naamwoord), orgeldraaier, orgelman. Zie ook: örgelspöller.
orgelpijp, örgelpiepe, (zelfstandig naamwoord), orgelpijp.
orgelspeler, örgelspöller, zie: örgeldreier.
orkaan, örkaan, (zelfstandig naamwoord), orkaan.
orthodox, ottedoks, (bijvoeglijk naamwoord), orthodox.
os, osse, (zelfstandig naamwoord), os.
oubat, oubat, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), priktol.
oud, old, (bijvoeglijk naamwoord), oud.
oudejaar, oldejöör, (zelfstandig naamwoord), oudjaar.
oudejaarsavond, oldejöörsaovend, (zelfstandig naamwoord), oudjaarsavond.
oudejaarsdag, oldejöörsdag, (zelfstandig naamwoord), oudejaarsdag.
oudelui, oldelu, ouwelu, (zelfstandig naamwoord), oudelui, ouders. Zie ook: olders.
oudemannenkwaal, oldemännegieskwaole, (zelfstandig naamwoord), oudemannenkwaal.
oudemannetjesbaard, oldemännegiesböörd, (zelfstandig naamwoord), bosrank (clematis).
ouder, olders, (zelfstandig naamwoord), (meestal mv.; enk. older), ouders. Zie ook: oldelu.
ouderavond, olderaovend, (zelfstandig naamwoord), ouderavond.
oudere, oldere, (zelfstandig naamwoord), oudere.
ouderhuis, oldersuus, (zelfstandig naamwoord), ouderlijk huis.
ouderlijk, olderlijk, (bijvoeglijk naamwoord), ouderlijk.
ouderling, olderling, (zelfstandig naamwoord), ouderling.
ouderloos, olderloos, (bijvoeglijk naamwoord), ouderloos.
ouderwets, olderwets, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ouderwets.
oudewijvenknoop, oldewievenknuppe, (zelfstandig naamwoord), oudewijvenknoop.
oudewijvenkoek, oldewievenkoeke, (zelfstandig naamwoord), oudewijvenkoek.
oudewijvenpraat, oldewievenpraot, (zelfstandig naamwoord), oudewijvenpraat, kletspraat.
oven, aoven, aovend, (aom(d)), (zelfstandig naamwoord), aovens, öventien/övemtien, oven.
over, aover, (voorzetsel, bijwoord), over. De trui aovert eufd trekken; De piene is aover.
overal, aoveral, (bijwoord), overal. Der is aoveral feest int land; Ie mut aoveral veur oppassen.
overall, aoveralle, (zelfstandig naamwoord), overall, werkpak aan één stuk. Ik trekke mien aoveralle wel effen an.
overblijfsel, aoverbliefsel, (zelfstandig naamwoord), overblijfsel.
overblijven, aoverblieven, (werkwoord), overblijven.
overbuur, aoverbuur, (zelfstandig naamwoord), overbuur, buurman of -vrouw van de overkant.
overdaad, aoverdaod, (zelfstandig naamwoord), overdaad.
overdadig, aoverdaodig, (bijvoeglijk naamwoord), overdadig.
overdag, aoverdag, (bijwoord), overdag. IJ wärkt aoverdag.
overdenken, aoverdenken, (werkwoord), overdenken.
overdrijven, aoverdrieven, (werkwoord), aoverdrif, aoverdreef, aoverdreve, overdrijven. IJ aoverdreef wel een bettien.
overdrijven, aoverdrieven, (werkwoord), overdrijven. De règenbujje is aoveredreven.
overdwars, aoverdwärs, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), overdwars. Die planke lig aoverdwärs. Een aoverdwärse planke.
overeen, aoveriene, (bijwoord), overeen.
overeenkomst, aoverienkomst, (zelfstandig naamwoord), overeenkomst.
overeenkomstig, aoverienkomstig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), overeenkomstig. Een aoverienkomstig besluut; Aoverienkomstig met de wööreid.
overeind, aoverende, (bijwoord), overeind.
overgaan, aovergaon, (werkwoord), overgaan.
overgeefsel, aovergèèfsel, (zelfstandig naamwoord), overgeefsel, braaksel.
overgeven, aovergèven, (werkwoord), overgeven. Zie ook: spi’jen.
overgevoelig, aovergevulig, (bijvoeglijk naamwoord), overgevoelig.
overgoed, aovergoed, (zelfstandig naamwoord), bovenkleren.
overgooier, aovergooier, (zelfstandig naamwoord), overgooier.
overgordijn, aovergedien, (zelfstandig naamwoord), overgordijn.
overgroeien, aovergruuien, (werkwoord), aovergruuien, aovergruuid, overgroeien. Zien astma aovergruuien.
overhaast, aoveraost, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), overhaast.
overhaasten, aoveraosten, overaosen, (werkwoord), aoveraos(t)en, aoveraost
overhalen, aoveralen, (werkwoord), overhalen.
overheen, aover-en, (bijwoord), overheen.
overhemd, aoveremd, aoveremp, (zelfstandig naamwoord), overhemd. Zie ook: spörtemd.
overhoop, aoveroop, (bijwoord), overhoop.
overhoren, aovereuren, (werkwoord), aovereuren, aovereurd, overhoren.
overhouden, aoverollen, (werkwoord), overhouden.
Overijssel, Aoveriessel, (zelfstandig naamwoord), provincie Overijssel waarvan Zwolle de hoofdstad is.
Overijssels, Aoveriessels, (bijvoeglijk naamwoord), van, uit Overijssel.
overjaars, aoverjöörs, (bijvoeglijk naamwoord), overjaars.
overjarig, aoverrig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. overjarig, meer dan één jaar oud; 2. ouderwets.
overjas, aoverjässe, (zelfstandig naamwoord), overjas.
overkant, aoverkante, (zelfstandig naamwoord), overkant. Zie ook: aoverziede.
overkoken, aoverkaoken, (werkwoord), overkoken. De melk kaokt aover.
overkomen, aoverkommen, (werkwoord), aoverkump, aoverkwam(p), a, overkomen, gebeuren. Ik wisse niet wat mi’j aoverkwam.
overkomen, aoverkommen, (werkwoord), overkomen. Die brief is niet goed aoverekommen; Mien breur is van Canada aoverekommen.
overleven, aoverven, (werkwoord), aoverlèèft, aoverlèven, aoverlèèf, overleven.
overleveren, aoverlèveren, (werkwoord), lèveren aover, aoverelèverd, overleveren.
overlijden, aoverlieden, (werkwoord), aoverlid, aoverleed, aoverlèdenstärven, inslaopen.
overlijdensadvertentie, aoverliedensaffetensie, (zelfstandig naamwoord), overlijdensadvertentie.
overlijdensbericht, aoverliedensbericht, (zelfstandig naamwoord), overlijdensbericht.
overloop, aoverloop, (zelfstandig naamwoord), overloop.
overmatig, aovermaotig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), overmatig.
overmorgen, aovermörgen, aovermörn, (bijwoord), overmorgen.
overnachten, aovernachten, (werkwoord), aovernach(t)en, aovernacht, overnachten.
overnemen, aovernemmen, (werkwoord), overnemen.
overnieuw, aoverni’j, (bijwoord), overnieuw, opnieuw. Zie ook: opni’j.
overreden, aoverreden, (werkwoord), overtuigen.
overrijden, aoverriejen, aoverri’jen, aoverrieden, (werkwoord), overrijden van iets of iemand. Ik ebbe een katte aoverreden.
overrompelen, aoverrompelen, (werkwoord), aoverrompelen, aoverrompeld, overrompelen.
overschakelen, aoverskakelen, (werkwoord), skakelen aover, aovereskakeld, overschakelen.
overschatten, aoverskatten, (werkwoord), aoverskatten, aoverskat, overschatten. Ik ebbe oe aoverskat.
overschoen, aoverskoe, (zelfstandig naamwoord), overschoen, schoen die over een andere aangetrokken wordt.
overschrijven, aoverskrieven, (werkwoord), 1. overschrijven van tekst; 2. overschrijven van een bedrag, op een andere rekening.
overschrijving, aoverskrieving, (zelfstandig naamwoord), 1. overschrijving, overboeking naar een andere bank; 2. het overschrijven.
overslaan, aoverslaon, (werkwoord), overslaan.
overspeler, aoverspöller, (zelfstandig naamwoord), overspeler, iemand die overspel pleegt.
overspoelen, aoverspulen, (werkwoord), aoverspulen, aoverspuuld, overspoelen. Grote golven aoverspulent strand.
oversteken, aoverstèken, (werkwoord), 1. oversteken, naar de overzijde gaan. De straote aoverstèken; 2. aangeven. Gelieke aoverstèken; 3. over iets uitsteken. Dät ofdäkkien stek een entien aover.
overstijgen, aoverstiegen, (werkwoord), aoversteg/-stig, aoversteeg, , overstijgen.
overstort, aoverstört, (zelfstandig naamwoord), overstort.
overstortklep, aoverstörtkleppe, (zelfstandig naamwoord), overstortklep.
overstuur, aoverstuur, (bijwoord), overstuur. Zie ook: veraldereerd, van de kaok, zie kaok.
overtijd, aovertied, (zelfstandig naamwoord), tijd waarin men overwerkt. Mien wärk in aovertied wört goed betaald.
overtijd, aovertied, (bijwoord), 1. enige tijd geleden; 2. meer dan tijd. Zi’j is aovertied ‘zij is waarschijnlijk in verwachting’.
overtrek, aovertrek, (zelfstandig naamwoord), overtrek, dekbedhoes.
overtrekken, aovertrekken, (werkwoord), aovertrekt, aovertrök, aovertrökk, 1. overdrijven, opblazen. ‘t Ele gebeuren is stärk aovertrökken; 2. bekleden. Een stoel aovertrekken.
overtrekken, aovertrekken, (werkwoord), 1. overtrekken, voorbijvliegen, voorbijdrijven. De vaogels trokken aover; 2. naar de overkant trekken; 3. met potlood of pen vertrekken. Een tekening aovertrekken.
overtuigd, aovertuugd, (bijvoeglijk naamwoord), overtuigd.
overtuigen, aovertugen, (werkwoord), aovertugen, aovertuugd, overtuigen.
overtuigend, aovertugend, (bijvoeglijk naamwoord), overtuigend.
overtuiging, aovertuging, (zelfstandig naamwoord), overtuiging.
overvaren, aovervaeren, (werkwoord), aovervaert, aovervoer/aovervaeren, overvaren, ondersteboven varen. Dät vrachtskip aovervoer bi’jkans mien roeiboot.
overvaren, aovervaeren, (werkwoord), overvaren, naar de overkant varen.
oververmoeid, aoververmuuid, (bijvoeglijk naamwoord), oververmoeid.
overvragen, aovervraogen, (werkwoord), aovervrög, aovervroeg/aovervraoge, overvragen, te veel vragen.
overwaaien, aoverweien, (werkwoord), overwaaien. De onweersbujje zal wel aoverweien; Der bint ni’jgies van Amerika aovereweid; Die ruzie zal wel aoverweien.
overwaarde, aoverweerde, (zelfstandig naamwoord), overwaarde. Dät uus ef een aoverweerde.
overwaarderen, aoverwaerderen, (werkwoord), overwaarderen, te hoog waarderen.
overweg, aoverweg, (zelfstandig naamwoord), overweg, spoorwegovergang.
overwegen, aovergen, (werkwoord), aoverwoog, aoverwögen, overwegen, nadenken over. Ik ebbe oew plan nog es goed aoverwögen.
overweging, aoverging, (zelfstandig naamwoord), 1. overweging, het nadenken over iets. Iets in aoverwèging nemmen; 2. beweegreden, motief.
overwerk, aoverwärk, (zelfstandig naamwoord), overwerk.
overwerken, aoverwärken, (werkwoord), overwerken, langer werken. Ik ebbe de ele wèke aoverewärkt.
overwerken, aoverrken, (werkwoord), (aoverwärken zich, ef zich aoverwärktzich aoverwärken, zich overwerken, te veel werken, waardoor men ziek wordt.
overwinnaar, aoverwinnaer, (zelfstandig naamwoord), overwinnaar.
overwinnen, aoverwinnen, (werkwoord), aoverwint, aoverwun, aoverwunnen<, overwinnen.
overzijde, aoverziede, (zelfstandig naamwoord), overzijde, de tegenovergestelde zijde. Zie ook: aoverkante.
paal, paole, (zelfstandig naamwoord), pööltien, paal.
paap, pape, (zelfstandig naamwoord), paap, scheldnaam voor een rooms-katholiek. Roomse pape.
paar, paer, (zelfstandig naamwoord), paar, tweetal. Een verliefd paer. Een paer sökken.
paard, peerd, (zelfstandig naamwoord), peertien, paard. Zie ook: knolle.
paard-en-wagen, peerdewaegen, (zelfstandig naamwoord), paard en wagen.
paardenbloem, peerdebloeme, (zelfstandig naamwoord), paardenbloem.
paardenboon, peerdebone, (zelfstandig naamwoord), paardenboon, een klein soort tuinboon.
paardengerei, peerdegerei, (zelfstandig naamwoord), paardentuig. Zie ook: peerdetuug.
paardenhaar, peerde-öör, (zelfstandig naamwoord), paardenhaar.
paardenhoofdstel, peerde-eufstel, (zelfstandig naamwoord), paardenhoofdstel.
paardenkeutel, peerdeköttel, zie: peerdeviege.
paardenkont, peerdekonte, (zelfstandig naamwoord), paardenkont.
paardenkracht, peerdekracht, (zelfstandig naamwoord), paardenkracht.
paardenmarkt, peerdemärkt, peerdemärk, (zelfstandig naamwoord), paardenmarkt. De paardenmarkt, die al wordt vermeld in 1040, werd vroeger een keer per maand voor de Diezerpoort op de Brink, Vechtstraat en Thomas a Kempisstraat gehouden. In 1931 verhuisde deze markt naar de Veemarkt. In 2001 is men gestopt met het verhandelen van vee, dus ook met de paardenmarkt.
paardenmiddel, peerdemiddel, (zelfstandig naamwoord), paardenmiddel.
paardenspel, peerdespul, (zelfstandig naamwoord), circus.
paardenstaart, peerdestaert, peerdesteert, (zelfstandig naamwoord), paardenstaart.
paardentuig, peerdetuug, zie: peerdegerei.
paardenvel, peerdevel, (zelfstandig naamwoord), paardenhuid.
paardenvijg, peerdeviege, (zelfstandig naamwoord), paardenvijg, platrond uitwerpsel van paarden. Zie ook: peerdeköttel.
paardenvlees, peerdevleis, (zelfstandig naamwoord), paardenvlees.
paardenvolk, peerdevolk, (zelfstandig naamwoord), cavalerie en bereden artillerie.
paardenzeik, peerdezeike, (zelfstandig naamwoord), urine van een paard.
paars, pöörs, (bijvoeglijk naamwoord), paars.
paasbult, paosbult, (zelfstandig naamwoord), paasbult.
paasei, paosei, (zelfstandig naamwoord), paasei.
paasfeest, paosfeest, paosfees, (zelfstandig naamwoord), paasfeest.
paashaantje, paosaantien, (zelfstandig naamwoord), paashaantje.
paasmaal, paosmaol, (zelfstandig naamwoord), paasmaal.
paasmaandag, paosmaondag, (zelfstandig naamwoord), paasmaandag.
paasvuur, paosvuur, (zelfstandig naamwoord), paasvuur.
paasweide, paosweide, (zelfstandig naamwoord), paasweide.
pad, padde, (zelfstandig naamwoord), 1. pad, kikker; 2. dik, klein persoon. Wat een dikke padde is dät mense.
paddenschieter, paddeskieter, (zelfstandig naamwoord), zweertje aan het oog, strontje. Zie ook: struntien.
pakkage, pakkazie, (zelfstandig naamwoord), bagage.
paleis, peleis, (zelfstandig naamwoord), paleis.
palissade, pallesaod, (zelfstandig naamwoord), palissade.
palmpaasstruik, palmpaosstruke, (zelfstandig naamwoord), buxus (heester).
Palmpasen, Palmpaosen, (zelfstandig naamwoord), Palmpasen.
Palmzondag, Palmzundag, (zelfstandig naamwoord), Palmzondag, zondag voor Pasen.
pan, panne, (zelfstandig naamwoord), pännegien, pan.
paneel, peneel, (zelfstandig naamwoord), paneel.
paneermeel, peneermaal, (zelfstandig naamwoord), paneermeel.
panharing, pan-ering, pan-erink, (zelfstandig naamwoord), panharing.
panne, panne, (zelfstandig naamwoord), (geen vkw.), pech.
pannenkoek, pannekoeke, (zelfstandig naamwoord), pannekukien, pannenkoek
pannenkoekenpan, pannekoekspanne, (zelfstandig naamwoord), koekenpan.
pantoffel, petoffel, (zelfstandig naamwoord), pantoffel.
pap, päppe, (zelfstandig naamwoord), speen, tepel van dieren.
papa, papa, (zelfstandig naamwoord), papa. Zie ook: va, vader.
papegaai, pappegaaie, (zelfstandig naamwoord), papegaai.
papier, pepier, (zelfstandig naamwoord), papier.
papierfabriek, pepierfebriek, (zelfstandig naamwoord), papierfabriek.
papiermolen, pepiermölle, (zelfstandig naamwoord), papiermolen.
paplepel, paplèpel, papleppel, (zelfstandig naamwoord), paplepel.
paraplu, pärreplu, (zelfstandig naamwoord), paraplu.
pardoes, pärdoes, (bijwoord), pardoes, plotseling, onverwacht.
parelmoer, pärlemoer, (zelfstandig naamwoord), parelmoer.
parentage, pärremetaosie, (zelfstandig naamwoord), 1. familie, verwantschap. Zie ook: femilie; 2. Zwolse carnavalsvereniging.
parfum, pärfum, pefum, (zelfstandig naamwoord), parfum.
park, pärk, (zelfstandig naamwoord), park.
parmantig, pemantig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), parmantig.
part, pärt, (zelfstandig naamwoord), part, deel.
particulier, pärtekeliere, (zelfstandig naamwoord), particulier.
partij, peti’je, (zelfstandig naamwoord), partij.
Pasen, Paosen, (zelfstandig naamwoord), Pasen.
Passiebloem, Passiebloeme, (zelfstandig naamwoord), de Passiebloeme, oliemolen de Passiebloem. Gebouwd in 1775, staat nog steeds bij de Nieuwe Vecht aan de Vondelkade, is de laatste molen van de stad en fungeert als museum waar demonstraties worden gegeven door molenaars.
pastoor, pestoor, (zelfstandig naamwoord), pastoor.
patat, petätter, (zelfstandig naamwoord), oplawaai, oorvijg. A-j niet op-olt met oew geklier dan krie-j een petätter. Zie ook: poelepetate.
patoot, petoete, (zelfstandig naamwoord), 1. patoot, lelijk uitziende vrouw; 2. Zwolse carnavalsgroep.
patrijs, petrieze, (zelfstandig naamwoord), patrijs, veldhoen.
patroon, petrone, (zelfstandig naamwoord), petreuntien, patroon.
pauw, pauwe, (zelfstandig naamwoord), pauw.
peer, pere, (zelfstandig naamwoord), peer.
pees, peze, (zelfstandig naamwoord), pees.
pekel, pèkel, (zelfstandig naamwoord), pekel.
pekelvlees, pèkelvleis, (zelfstandig naamwoord), pekelvlees.
pen, penne, (zelfstandig naamwoord), pen.
pennenfoks, pennefokse, (zelfstandig naamwoord), gierigaard, vrek. Zie ook: knieperd.
pens, pense, (zelfstandig naamwoord), pens, buik.
penseel, peseel, (zelfstandig naamwoord), penseel.
peper, pèper, (zelfstandig naamwoord), peper.
peperboompje, pèperbeumpien, (zelfstandig naamwoord), peperboompje.
Peperbus, Pèperbusse, (zelfstandig naamwoord), toren van de Onze Lieve Vrouwenkerk op de Ossenmarkt, en de trots van elke Zwollenaar.
peperbus, pèperbussien, (zelfstandig naamwoord), peperbusje.
Peperbuskoek, Pèperbuskoeke, (zelfstandig naamwoord), koek, genoemd naar de Peperbustoren.
peperen, pèperen, (werkwoord), pèperen, epèperd, peperen.
peperkaas, pèperkeze, (zelfstandig naamwoord), peperkaas.
peperkorrel, pèperkörrel, (zelfstandig naamwoord), peperkorrel.
pepermunt, pèpermunt, (zelfstandig naamwoord), pepermunt. Zie ook: kärkebrood.
pepernoot, pèpernötte, peppernötte, (zelfstandig naamwoord), pepernoot.
perceel, peseel, (zelfstandig naamwoord), perceel.
perkament, pärkement, (zelfstandig naamwoord), perkament.
pers, pärse, (zelfstandig naamwoord), pers, mangel.
persbult, pärsbult, (zelfstandig naamwoord), hoop samengeperst gras, kuilbult. Zie ook: pärsope.
persen, pärsen, (werkwoord), pärsen, epärst, persen.
pershoop, pärsope, zie: pärsbult.
perskuil, pärskoele, (zelfstandig naamwoord), perskuil.
personeel, perseneel, (zelfstandig naamwoord), personeel.
persvoer, pärsvoer, (zelfstandig naamwoord), persvoer, kuilvoer.
perzik, pärzik, (zelfstandig naamwoord), perzik.
pet, pette, (zelfstandig naamwoord), pet. Uitdr.: Dät zal mi’j de pette jökken ‘dat maakt mij niets uit’.
petoet, petoete, (zelfstandig naamwoord), petoet, gevangenis.
petroleum, petrölie, petrolie, petrolie-, petrölie-, petröllie, petröll, (zelfstandig naamwoord), petroleum.
Petroleum Hendrik, Petrolie Endrik, (zelfstandig naamwoord), bekend stadstype en de laatste zelfstandige petroleumboer van Zwolle. Hendrik Gerrit Johannes Anton Brinkhuis (1902-1975) was zijn werkelijke naam.
petroleumboer, petrölieboer, (zelfstandig naamwoord), petroleumboer. Vroeger ging hij met een kar langs de deuren en verkocht losse petroleum.Zie ook: petröliekerel.
petroleumkan, petröliekanne, (zelfstandig naamwoord), petroleumkan.
petroleumkar, petrölieköre, (zelfstandig naamwoord), petroleumwagen.
petroleumkerel, petröliekerel, zie: petrölieboer.
petroleumlamp, petrölielampe, (zelfstandig naamwoord), petroleumlamp.
peul, peule, (zelfstandig naamwoord), peulties, peultien, peul, vaak in het mv. van verkleinwoord gebruikt: peulties. Zie ook: pölle (vkw. pöllegien, mv. pöllegies).
peul, pölle, pöllegies, pöllegien, zie: peule.
peur, poere, (zelfstandig naamwoord), poer, peur (vistuig).
peuren, poeren, (werkwoord), poeren, epoerd, 1. peuren, paling vangen; 2. roeren, wroeten.
pezer, pezerd, (zelfstandig naamwoord), harde werker.
piek, pieke, (zelfstandig naamwoord), piek.
pieleend, pielente, (zelfstandig naamwoord), 1. tamme eend; 2. scheldwoord. Zie ook: poelente.
pieleend, poelente, zie: pielente.
piemelen, piemelen, (werkwoord), 1. zaniken, zeuren. Zit toch niet zo te piemelen; 2. urineren.
pier, piere, (zelfstandig naamwoord), worm, pier. Zie ook: wörm.
pierig, pierig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. wormstekig. Zie ook: verpierd; 2. bleek, witjes. Zie ook: pierrotterig.
pierrotterig, pierrotterig, (bijvoeglijk naamwoord), bleek, witjes. Zie ook: pierig.
piersteek, pierstèèk, (zelfstandig naamwoord), wormgat in appel of peer.
pietje, pieties, (zelfstandig naamwoord), (meestal mv., enk. pietien), luis, hoofdluis, pietjes. Zie ook: luus, piotters.
pietsje, pietsien, (zelfstandig naamwoord), kleine hoeveelheid.
pijjekker, piejakker, (zelfstandig naamwoord), lange zwarte jas.
pijl-en-boog, pielebaoge, (zelfstandig naamwoord), pijl en boog.
pijn, piene, (zelfstandig naamwoord), pijn. Zie ook: zeerte.
pijnkeutel, pieneköttel, (zelfstandig naamwoord), 1. kleinzerig iemand; 2. gierigaard. Zie ook: knieperd; 3. (vroeger) een blauw zakje voor de koffie, vergelijkbaar met de koffiesiroop van Buisman. Door er in te knijpen kon je iets van de inhoud in de koffie doen.
pijnlijk, pienlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), pijnlijk. Een pienlijke andoening. Dät is ärg pienlijk.
pijp, piepe, (zelfstandig naamwoord), pijp.
pijpdrop, piepiesdrup, (zelfstandig naamwoord), pijpdrop.
pijpenkrul, piepekrulle, (zelfstandig naamwoord), pijpenkrul.
pijpensteel, piepestelle, (zelfstandig naamwoord), 1. steel van een tabakspijp; 2. harde regenstraal. ‘t Règent piepestellen.
pijpkaneel, piepkeneel, (zelfstandig naamwoord), pijpkaneel.
pijporgel, piepörgel, (zelfstandig naamwoord), pijporgel.
pijptabak, pieptebak, (zelfstandig naamwoord), pijptabak.
pikdonker, pikkedonker, (bijvoeglijk naamwoord), pikdonker. Zie ook: stikkeduuster.
pikhaak, pikaoke, (zelfstandig naamwoord), pikhaak.
pikken, pikken, (werkwoord), pikken, epikt, 1. knikkerspel: eigen knikker tegen een andere knikker kaatsen; een glazen knikker was meer waard dan een knikker van klei. Opt skoelplein gongen wi’j altied pikken op knikkers; 2. kleven; 3. stelen.
pikmaaier, pikmeier, (zelfstandig naamwoord), Duitse grasmaaier, ook wel Hannekemaaier (niet: meier), genoemd.
piksteel, pikstelle, (zelfstandig naamwoord), zuurstok. Zie ook: zoerstok.
pil, pille, (zelfstandig naamwoord), 1. pil, medicijn; 2. iets dat dik is. Een pille brood. Een pille van een boek.
pillendoos, pilledeusien, (zelfstandig naamwoord), pillendoosje.
pimpelpaars, pimpelpöörs, (bijvoeglijk naamwoord), pimpelpaars.
pin, pinne, (zelfstandig naamwoord), 1. pin; 2. bijdehante vrouw.
pinhout, pin-olt, (zelfstandig naamwoord), elzenhout.
pink, pinke, (zelfstandig naamwoord), pink, kleinste vinger.
pink, pinke, (zelfstandig naamwoord), eenjarig kalf.
pinkbuiltje, pinkbuultien, (zelfstandig naamwoord), puntzakje. Zie ook: tute.
pinksterbloem, pinksterbloeme, (zelfstandig naamwoord), pinksterbloem.
pinton, pintond, (zelfstandig naamwoord), zuinig iemand, vrek. Zie ook: knieperd.
piotter, piotters, zie: pieties.
pis, pisse, (zelfstandig naamwoord), pis, urine.
piskijker, piskieker, (zelfstandig naamwoord), piskijker, uroloog.
pispaal, pispööltien, (zelfstandig naamwoord), pispaaltje.
pispot, pispöttien, (zelfstandig naamwoord), 1. pispotje; 2. haagwinde.
pit, pitte, (zelfstandig naamwoord), 1. pit van een vrucht; 2. gaspit. Zie ook: gaspitte.
pitjeskaas, pittieskeze, (zelfstandig naamwoord), komijnekaas.
plaag, plaoge, (zelfstandig naamwoord), plaag.
plaaggeest, plaoggeest, (zelfstandig naamwoord), plaaggeest.
plaat, plate, (zelfstandig naamwoord), plaat.
plaats, plase, plaatse, (zelfstandig naamwoord), plaats.
plafond, plefon, (zelfstandig naamwoord), plafond.
plag, plagge, (zelfstandig naamwoord), plag.
plagen, plaogen, (werkwoord), plög, plaogen, eplaogd, plagen.
plak, plakke, (zelfstandig naamwoord), plak.
plakplaatje, plakplatien, (zelfstandig naamwoord), plakplaatje.
plakpleister, plakpleister, (zelfstandig naamwoord), hechtpleister.
plaktafel, plaktaofel, (zelfstandig naamwoord), plaktafel.
plank, planke, (zelfstandig naamwoord), plänkien, plank. Uitdr.: De planke int gat doen ‘de deur dicht doen’.
Plankenloodsje, Plankenleusien, (zelfstandig naamwoord), ‘t Plankenleusien, School met de Bijbel, opgericht in 1932, Het Plankenloodsje genoemd. Opgeheven 1997.
plant, plante, (zelfstandig naamwoord), plant.
plas, plasse, (zelfstandig naamwoord), plässien, plas.
plasje, plässien, (zelfstandig naamwoord), 1. krentenbol; 2. kleine plas.
plastiek, plestiek, (zelfstandig naamwoord), plastic.
plek, plekke, (zelfstandig naamwoord), plek.
pleurijzer, pleuriezer, (zelfstandig naamwoord), 1. troffel; 2. bromfiets, brommer. Zie ook: skeuriezer, snörkiezer.
ploeg, ploege, (zelfstandig naamwoord), ploeg.
plug, plugge, (zelfstandig naamwoord), plug.
pluim, plume, pluum, (zelfstandig naamwoord), pluim.
pluimage, plumage, (zelfstandig naamwoord), pluimage.
pluis, pluus, (zelfstandig naamwoord), plusien, pluis.
pluisterig, bluusterig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. stormachtig; 2. niet lekker, dik, opgeblazen. Zie ook: poesterig.
pluizen, pluzen, (werkwoord), plös/pluust, pluzen, eplöz, pluizen.
pluizig, pluzig, (bijvoeglijk naamwoord), pluizig.
pluk, plukke, (zelfstandig naamwoord), pluk (van haar of watten). Zie ook: vodse.
plukhaar, pluk-öör, (zelfstandig naamwoord), plukhaar.
pochel, pokkel, 1. huid. IJ skelt mi’j de pokkel vol; 2. vracht. IJ ef mi’j toch een pokkel op de rugge.
podderig, podderig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. vuil, smerig. Zie ook: poedelig, poesterig, smoesterig, onzelig, voel; 2. nat (van het weer).
poedelig, poedelig, (bijvoeglijk naamwoord), smoezelig. Zie ook: poesterig, smoesterig, onzelig, voel, podderig.
poehaan, poe-ane, (zelfstandig naamwoord), verwaand iemand, opschepper.
poelepetaat, poelepetate, (zelfstandig naamwoord), 1. parelhoen; 2. flinke mep, oplawaai. Za-k oe een poelepetate gèven. Zie ook: petätter.
poemappel, poemappel, (zelfstandig naamwoord), wind, scheet. Uitdr.: IJ löt een poemappel en die ku-j met de nöze skillen ‘hij laat een wind’.
poemel, poemel, (zelfstandig naamwoord), 1. dikzak. Dät is mi’j toch een poemel van een jonk; 2. dik voorwerp. Wat een poemel.
poeperij, poeperi’je, (zelfstandig naamwoord), diarree.
poer, poere, (zelfstandig naamwoord), pijler.
poest, poeste, (zelfstandig naamwoord), een boel, veel (van wind). Der stiet een poeste wind.
poester, poesterd, (zelfstandig naamwoord), 1. vuil, ongewassen persoon; 2. gemene vent. Die kerel is een minne poesterd.
poesterig, poesterig, (bijvoeglijk naamwoord), 1. smoezelig; 2. puisterig; 3. opgeblazen gevoel na veel te hebben gegeten. Zie ook: bluusterig, onzelig, smoesterig, voel, podderig, poedelig.
poet, poeterd, (zelfstandig naamwoord), iets groots, joekel. Dät is mi’j een poeterd van een stien.
poetekei, poetekeie, (zelfstandig naamwoord), onbenullige kei, onhandige kei.
poetemekwak, poetemekwak, (zelfstandig naamwoord), schertsend: 1. een geneesmiddel; 2. brillantine.
poetsdoos, poetsdeuze, (zelfstandig naamwoord), 1. doos waar poetsspullen in gaan; 2. een vrouw die veel poetst.
poffertje, puffertien, (zelfstandig naamwoord), pufferties, (meestal in het meervoud: pufferties), poffertje.
pofkoek, pofkoeke, (zelfstandig naamwoord), koek gebakken van het laatste oliebollendeeg.
pol, polle, (zelfstandig naamwoord), pöllegien, pol (gras bijv.).
politie, pliesie, polisie, (zelfstandig naamwoord), politie. Zie ook: polisie, tute.
politiebureau, pliesieburo, polisieburo, (zelfstandig naamwoord), politiebureau. Zie ook: polisieburo.
pollenpees, pollepeze, pallempeze, (zelfstandig naamwoord), lisdodde (plant). Zie ook: toesebolle, pallempeze.
pollepel, pollèpel, polleppel, (zelfstandig naamwoord), pollepel.
pols, polse, (zelfstandig naamwoord), pols.
pomp, pompe, (zelfstandig naamwoord), pumpien, pomp.
pon, ponne, (zelfstandig naamwoord), punnegien, nachtpon. Zie ook: nachponne.
ponderen, punderen, (werkwoord), punderen, epunderd, 1. ponderen, wegen met een unster; 2. op de hand schatten van het gewicht.
pook, poke, (zelfstandig naamwoord), pook.
poolshoogte, poolseugte, (zelfstandig naamwoord), poolshoogte. Ik mosse is effen poolseugte nemmen.
poort, poorte, (zelfstandig naamwoord), peurtien, poort.
poos, posien, (zelfstandig naamwoord), poosje. Zie ook: sköffien, steugien.
poot, poot, (zelfstandig naamwoord), peutien, poot.
pootaardappel, paoteerpel, paoteerappel, (zelfstandig naamwoord), pootaardappel.
pop, poppe, (zelfstandig naamwoord), puppien, pop.
populier, päppel, (zelfstandig naamwoord), peppel, populier.
porken, pörken, (werkwoord), pörken, epörkt, porken, porren, peuteren, pulken. Zit niet in oew nöze te pörken.
porselein, pörselein, posselein, (zelfstandig naamwoord), porselein.
port, pört, (zelfstandig naamwoord), port, vrachtgeld voor met de post verzonden brieven, drukwerk of pakketten. De pört is al betaald.
port, pört, (zelfstandig naamwoord), bepaalde soort van vrij sterke wijn. Doe mi’j maer een glasien pört.
portaal, petaol, (zelfstandig naamwoord), petööltien, portaal.
portefeuille, pottefullie, (zelfstandig naamwoord), portefeuille.
portemonnee, pottemenee, pörtemenee, (zelfstandig naamwoord), portemonnee.
portie, pörsien, (zelfstandig naamwoord), portie.
portiek, petiek, (zelfstandig naamwoord), portiek.
positie, peziesie, (zelfstandig naamwoord), positie.
postkantoor, posketoor, (zelfstandig naamwoord), postkantoor.
postspaarbank, postspöörbanke, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), postspaarbank.
postuur, pestuur, (zelfstandig naamwoord), postuur.
pot, pot, (zelfstandig naamwoord), pöttien, pot.
potjeskermis, pöttieskärmse, (zelfstandig naamwoord), potjeskermis.
pottenkijker, pottekieker, (zelfstandig naamwoord), 1. pottenkijker, electrische lamp boven het kookgedeelte; 2. ongewenste toeschouwer.
praat, praot, (zelfstandig naamwoord), prötien, praat, taal. IJ ef altied van die raere praot. Zie ook: prötien.
praatje, prötien, (zelfstandig naamwoord), 1. praatje. Uitdr.: Oew prötien is wel goed maer oew smoesien deugt niet; 2. (mv. pröties) geklets.
praatjesmaker, prötiesmaker, (zelfstandig naamwoord), praatjesmaker.
praats, praots, (bijvoeglijk naamwoord), spraakzaam.
praatstoel, praotstoel, (zelfstandig naamwoord), praatstoel. IJ zit op de praotstoel.
praattafel, praottaofel, (zelfstandig naamwoord), stamtafel.
prakje, präkkien, (zelfstandig naamwoord), etensrest, kliekje. Zie ook: klikke.
prakkezatie, prakkezaosie, (zelfstandig naamwoord), 1. gepeins; 2. zorg; 3. bedenksel.
praten, praoten, (werkwoord), pröt, praoten, epraot, praten. Uitdr.: IJ kan praoten as Brugman ‘hij kan goed praten.’
prater, praoter, (zelfstandig naamwoord), prötertien, prater.
praterij, praoteri’je, (zelfstandig naamwoord), gepraat. Döör kump praoteri’je van.
Praubstraat, Prauwenstraote, (zelfstandig naamwoord), straatje in de oude binnenstad, officieel Praubstraat, tussen het Grote Kerkplein en de Koestraat. Het straatje dankt zijn naam aan de rond 1405 gebouwde ambtswoning die door een proost (praub) werd bewoond, de beheerder van de kerkelijke gelden en bezittingen.
precies, pesies, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), precies. Dät is pesies wa-k bedoele.
predikbeurt, prèèkbeurte, (zelfstandig naamwoord), preekbeurt.
preek, prèke, (zelfstandig naamwoord), preek.
preken, prèken, (werkwoord), prèken, eprèèkt, preken.
presenteren, prizzenteren, (werkwoord), prizzenteren, eprizzenteerd, presenteren.
president, prizzedent, (zelfstandig naamwoord), president.
prijs, pries, (zelfstandig naamwoord), prijs.
prijsvraag, priesvraoge, (zelfstandig naamwoord), prijsvraag.
prijzen, priezen, (werkwoord), pris, prees, eprezen, prijzen, lof geven. Ik prees em, maer eb ie em ook eprezen?.
prijzen, priezen, (werkwoord), priezen, epriesd, van een prijsje voorzien. Die ärtikelen mos ie nog priezen. Die e-k al epriesd.
prikkeldraad, prikkeldraod, (zelfstandig naamwoord), prikkeldraad. Zie ook: puntdraod.
priklimonade, prikkellimonade, (zelfstandig naamwoord), priklimonade.
probeersel, prebeersel, (zelfstandig naamwoord), probeersel, poging.
proberen, preberen, (werkwoord), preberen, eprebeerd, proberen.
proces-verbaal, preces-verbaal, (zelfstandig naamwoord), proces-verbaal.
proesten, proesen, (werkwoord), proesen, eproest, proesten, niezen. IJ proesent uut.
proeven, pruven, (werkwoord), pruven, epruufd, proeven.
proever, pruverd, (zelfstandig naamwoord), 1. iemand die graag wat lust. IJ is een läkkere pruverd; 2. dronkaard (verouderd).
professor, prefesser, (zelfstandig naamwoord), professor.
profiteren, profeteren, (werkwoord), profeteren, eprofeteerd, profiteren.
pronkerwt, pronkärfte, (zelfstandig naamwoord), pronkerwt, siererwt.
prop, proppe, (zelfstandig naamwoord), pröppien, prop.
pruikenmakersdrafje, pruikemakersdraffien, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), sukkeldrafje.
pruillip, proellippe, (zelfstandig naamwoord), pruillip.
pruim, proeme, (zelfstandig naamwoord), pruumpien, 1. pruim (vrucht); 2. tabakspruim; 3. vrouwelijk schaamdeel.
pruimedant, proemedante, (zelfstandig naamwoord), grote, gedroogde blauwe pruim.
pruimen, proemen, (werkwoord), proemen, eproemd, 1. pruimen, kauwen van tabak. Die olde man proemt; 2. eten, in: Dät is niet te proemen.
Pruimershuisjes, Proemersusies, (zelfstandig naamwoord), Pruimershuisjes. De Pruimershuisjes stonden in de Westerlaan. Het waren 24 huisjes waarin bejaarden in mei 1870 hun intrek mochten nemen en die daarbij een wekelijkse toelage ontvingen. De huisjes waren van de Daniellestichting, genoemd naar M. Danielle Pruimers.
pruimtabak, proemtebak, (zelfstandig naamwoord), pruimtabak. Zie ook: kniep-of.
pruttel, pruttel, (zelfstandig naamwoord), rommel, troep.
pruttelen, pröttelen, (werkwoord), pruttelen, eprutteld, pruttelen. Wat stiet ter opt vuur te pröttelen?
psalm, psalm, (zelfstandig naamwoord), psalms, psalm.
puist, poeste, (zelfstandig naamwoord), pusien, puist. Die man ef een poeste op de wange zitten.
pul, pulle, (zelfstandig naamwoord), pul. Doe mi’j maer een pulle bier.
punch, pons, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), punch.
puntdraad, puntdraod, zie: prikkeldraod.
put, putte, (zelfstandig naamwoord), put.
puthaak, put-aoke, (zelfstandig naamwoord), puthaak. Uitdr.: Aover de put-aoke trouwen ‘ongehuwd samenwonen’.
raad, raod, (zelfstandig naamwoord), raad.
raadsbesluit, raodsbesluut, (zelfstandig naamwoord), raadsbesluit, beschikking.
raadsel, raodsel, (zelfstandig naamwoord), röödseltien, raadsel.
raaf, rave, (zelfstandig naamwoord), raaf.
raamkozijn, raamkezien, (zelfstandig naamwoord), raamkozijn.
raap, rape, (zelfstandig naamwoord), 1. raap (veldvrucht). De rapen bint gaer; 2. hoofd. Mu-k oe veur de rape slaon?
raar, raer, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), raar, eigenaardig. Zie ook: eigenöördig.
raasdonder, raosdonder, (zelfstandig naamwoord), kapucijner. Zie ook: kapsiender.
raat, raot, (zelfstandig naamwoord), raat (honing).
rabat, rebat, (zelfstandig naamwoord), oud haveloos voorwerp. Wat een old rebat van een köre ef IJ döör toch staon? ‘wat voor oude versleten kar heeft hij daar toch staan?’
rabels, rabels, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), hard ziek, pijnlijk.
rachelen, rachelen, (werkwoord), rachelen, eracheld, schelden.
raden, raoden, raojen, (werkwoord), röd/raodt, raoden, eraoden, raden.
radijs, redies, (zelfstandig naamwoord), rediesien, radijs.
rafel, refel, (zelfstandig naamwoord), rafel.
rafelen, refelen, (werkwoord), refelen, erefeld, 1. rafelen; 2. van draden ontdoen.
ragebol, ragebolle, (zelfstandig naamwoord), ragebol.
raggen, raggen, (werkwoord), spinnewebben weghalen.
rail, raile, (zelfstandig naamwoord), rail.
raket, rekette, (zelfstandig naamwoord), raket.
ranglijst, ranglieste, (zelfstandig naamwoord), ranglijst.
rannies, rännies, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), guit, schalk, snaak.
rapport, repört, (zelfstandig naamwoord), rapport.
rarekiek, raerekiek, (zelfstandig naamwoord), kermisattractie van vroeger, een tent waar je door vergrootglazen kon kijken; achter elk glas was weer iets anders te zien.
rasp, raspe, (zelfstandig naamwoord), rasp.
raspaard, raspeerd, (zelfstandig naamwoord), raspaard.
raspen, raspelen, (werkwoord), raspelen, eraspeld, raspen.
rat, rotte, ratte, ratte-, rotte-, (zelfstandig naamwoord), röttien, rat.
rattenklem, rotteklemme, ratteklemme, (zelfstandig naamwoord), rattenklem.
rattenkruit, rottekruut, rattekruut, (zelfstandig naamwoord), rattenkruit.
razen, raozen, (werkwoord), raozen, eraosd, razen.
razend, raozend, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. kwaad. IJ is raozend op zien buurman; 2. razend, erg. IJ is raozend snel.
rebbelkont, rebbelkonte, (zelfstandig naamwoord), kletsmajoor.
recht, recht, rech, (zelfstandig naamwoord), 1. rechtvaardigheid. Zi’j ebben em gien rech(t) edaon; 2. gelijk. ‘t Rech(t) an zien zied ebben; 3. wat iemand toekomt. Zien rech(t) laoten gelden.
recht, recht, rech, 1. bn., bw., recht, niet krom of scheef. Die stave is niet rech(t). Die lieste angt niet rech(t); 2. bw., recht, juist, pal. Dät boek ligt rech(t) veur oe.
rechtaan, rechtan, (bijwoord), rechtaan, rechtdoor.
rechtbank, rechtbanke, rechbanke, (zelfstandig naamwoord), rechtbank.
rechtbuigen, rechtbugen, rechbugen, (werkwoord), rechtbuigen.
rechtdoor, rechtdeur, rechdeur, (bijwoord), rechtdoor.
rechterhand, rechterand, (zelfstandig naamwoord), 1. rechterhand; 2. trouwe medewerker.
rechteroog, rechteroge, (zelfstandig naamwoord), rechteroog.
rechts, rechts, rechs, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), rechts.
rechtsaf, rechtsof, rechsof, (bijwoord), rechtsaf.
rechtsom, rechtsumme, rechsumme, (bijwoord), rechtsom.
rechttoe, rechttoe, rechtoe, (bijwoord), 1. rechttoe, voortdurend rechtuit. Dät is rechtoe, rechtan; 2. naar behoren. Meer dan rechtoe; 3. zonder overbodige poespas, franje. Wi’j doen rechtoe rechtan en niet anders.
rechtuit, rechtuut, (bijwoord), rechtuit.
rechtvaardig, rechtvaerdig, rechvaerdig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), rechtvaardig.
redenatie, riddenaosie, (zelfstandig naamwoord), redenatie.
redeneren, riddeneren, (werkwoord), riddeneren, eriddeneerd, redeneren.
reeks, reekse, risse, (zelfstandig naamwoord), reeks, serie. Zie ook: risse.
reep, repe, (zelfstandig naamwoord), 1. reep; 2. touw; 3. leren streng (paardentuig); 4. langwerpig stuk chocolade; 5. bep. visgerei, 30 cm lang draad met een haakje.
regelmaat, regelmaot, (zelfstandig naamwoord), regelmaat.
regelmatig, regelmaotig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), regelmatig.
regen, règen, (zelfstandig naamwoord), regen. Uitdr.: Ast pap règent krie-j’t börd op de kop ‘dan heb je pech en krijg je niets’.
regenboog, règenbaoge, (zelfstandig naamwoord), règenbögien, regenboog.
regenbui, règenbujje, (zelfstandig naamwoord), regenbui.
regenen, règenen, (werkwoord), règenen, erègend, regenen.
regenjas, règenjässe, (zelfstandig naamwoord), regenjas.
regenjasje, règenjässien, (zelfstandig naamwoord), 1. vkw. van règenjasse; 2. condoom. Zie ook: kepökkien.
regenpijp, règenpiepe, (zelfstandig naamwoord), regenpijp.
regenput, règenputte, (zelfstandig naamwoord), regenput.
regenton, règentonne, (zelfstandig naamwoord), regenton.
regenworm, règenwörm, (zelfstandig naamwoord), regenworm.
registratie, registraosie, (zelfstandig naamwoord), registratie.
reis, reize, (zelfstandig naamwoord), reis. Zie ook: toch.
rek, rikke, (zelfstandig naamwoord), 1. omheining; 2. kippenstok.
rekdraad, rikkedraod, (zelfstandig naamwoord), rasterdraad.
rekenen, rèkenen, (werkwoord), rèkenen, erèkend, rekenen. Zie ook: cieferen.
rekening, rèkening, (zelfstandig naamwoord), rekening.
rekenmeester, rèkenmeester, (zelfstandig naamwoord), meester die les geeft in rekenen.
rekenschap, rèkenskop, (zelfstandig naamwoord), rekenschap.
rekensom, rèkensomme, (zelfstandig naamwoord), rekensom.
rekken, rikken, (werkwoord), omheining maken.
rekpaal, rikkepaole, (zelfstandig naamwoord), paal van een omheining.
remise, remieze, (zelfstandig naamwoord), grote stal.
renpaard, renpeerd, (zelfstandig naamwoord), renpaard.
repareren, rippereren, (werkwoord), rippereren, erippereerd, repareren.
reppelen, reppelen, (werkwoord), reppelen, ereppeld, 1. elkaar bespringen van dieren (bijv. konijnen, tochtige koeien); 2. wild stoeien, wild spelen.
rest, rest, (zelfstandig naamwoord), ressien, rest. Die trui is ebreid van ressies wolle.
reticule, rittekule, (zelfstandig naamwoord), reticule, rond tasje, meestal gehaakt of geborduurd.
reukflesje, reukflessien, (zelfstandig naamwoord), reukflesje met eau de cologne.
reukwerk, reukwärk, (zelfstandig naamwoord), reukwaren (bijv. parfum).
reumatiek, rimmetiek, (zelfstandig naamwoord), reumatiek.
reus, reuze, (zelfstandig naamwoord), reus.
rib, ribbe, (zelfstandig naamwoord), rib.
ribbenkast, ribbekaste, (zelfstandig naamwoord), ribbenkast.
ribbensmeer, ribbesmeer, (zelfstandig naamwoord), pak slaag.
ridderschap, ridderskop, (zelfstandig naamwoord), ridderschap.
riem, rieme, (zelfstandig naamwoord), riem.
riem, rieme, (zelfstandig naamwoord), roeispaan. Zie ook: roeispaone.
rietmat, rietmatte, (zelfstandig naamwoord), rietmat.
rietpol, rietpolle, (zelfstandig naamwoord), pol van riet.
rietscherm, rietskärm, (zelfstandig naamwoord), rietscherm.
rietsnijder, rietsnieder, (zelfstandig naamwoord), rietsnijder.
rij, ri’je, (zelfstandig naamwoord), ri’jgien, rij.
rijbewijs, riejbewies, ri’jbewies, riebewies, (zelfstandig naamwoord), rijbewijs.
rijden, riejen, ri’jen, rieden, (werkwoord), rid/riejt, reej, erejenEm riejen ‘zich druk maken, zich opwinden’. IJ rid em as een dief ‘hij knijpt hem als een dief’.
rijgdraad, riegdraod, (zelfstandig naamwoord), rijgdraad.
rijgen, riegen, (werkwoord), rig/riegt, reeg, erègen, rijgen.
rijk, rieke, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), rijk.
rijkdom, riekdom, (zelfstandig naamwoord), rijkdom.
rijkelijk, riekelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), rijkelijk.
rijkelui, riekelu, (zelfstandig naamwoord), rijkelui.
rijkeluiswens, riekeluuswens, (zelfstandig naamwoord), rijkeluiswens, met name twee kinderen, een jongen en een meisje.
rijksdaalder, rieksdaelder, (zelfstandig naamwoord), rijksdaalder, oude Ned. munt van ƒ 2,50. Zie ook: knake.
rijmelarij, riemeleri’je, (zelfstandig naamwoord), rijmelarij, eenvoudig dichtsel. Zie ook: riemsel.
rijmen, riemen, (werkwoord), riemen, eriemd, rijmen.
rijmpje, riempien, (zelfstandig naamwoord), rijmpje, versje.
rijmsel, riemsel, zie: riemeleri’je.
rijp, riep, (zelfstandig naamwoord), rijp aan de bomen of struiken.
rijp, riepe, (bijvoeglijk naamwoord), rijp. De appels bint riepe.
rijpen, riepen, (werkwoord), riepen, eriept, rijp worden. De peren mutten nog riepen.
rijpen, riepen, (werkwoord), riepen, eriept, rijp vormen. ‘t Riept een bettien op de straote.
rijs, rieze, (met lange ie), zie: ries-olt.
rijsbes, riesebèze, (zelfstandig naamwoord), aalbes, rode bes. Zie ook: strenggiesbèze.
rijsbezem, riezebessem, riezebèzem, (zelfstandig naamwoord), rijsbezem, bezem van berkentwijgen, stalbezem.
rijsbos, riezebos, (zelfstandig naamwoord), takkenbos.
rijshout, ries-olt, (zelfstandig naamwoord), rijshout. Zie ook: rieze.
rijst, riest, (zelfstandig naamwoord), rijst.
rijstebrij, riestebri’j, (zelfstandig naamwoord), rijstebrij.
rijstenat, riestenat, (zelfstandig naamwoord), rijstenat, water waarin rijst is gekookt. Wordt gebruikt als middel tegen diarree.
rijstkorrel, riestekörrel, (zelfstandig naamwoord), rijstkorrel.
rijtuig, riejtuug, ri’jtuug, rietuug, (zelfstandig naamwoord), rijtuig. Zie ook: koetse.
rijzen, riezen, (werkwoord), ris, rees/riezen, erèzent Beslag giet al riezen.
rijzig, riezig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), rijzig, groot.
ril, rille, (zelfstandig naamwoord), ril, plooi.
ril, rille, (zelfstandig naamwoord), rilling.
ring, ringe, rink, (zelfstandig naamwoord), ring.
ringels, ringels, (zelfstandig naamwoord), ouderwets speelgoed. Ringels waren stukjes blik, waarin een gaatje met opstaand randje, die als fiches dienden bij het dobbelen.
riolering, riejelering, (zelfstandig naamwoord), riolering.
riool, riejoel, (zelfstandig naamwoord), riool.
rits, ritse, zie: ritssluting.
ritssluiting, ritssluting, (zelfstandig naamwoord), ritssluiting, rits. Zie ook: ritse.
rivier, revier, (zelfstandig naamwoord), rivier.
Rode Toren, Rontoren, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), Rode Toren.
roebel, roebel, (zelfstandig naamwoord), deugniet.
roede, roeje, (zelfstandig naamwoord), roede (bijvoorbeeld van een trap).
roef, roef, (zelfstandig naamwoord), 1. kap van de klomp; 2. woongedeelte van een tjalk.
roeispaan, roeispaone, (zelfstandig naamwoord), roeispööntien, roeispaan. Zie ook: rieme.
roek, roeke, (zelfstandig naamwoord), roek (vogel).
roeren, reuren, (werkwoord), reuren, ereurd, roeren.
roerijzer, reuriezer, (zelfstandig naamwoord), theelepel.
roestig, roesterig, (bijvoeglijk naamwoord), roestig. Roesterig iezer.
roet, roet, (zelfstandig naamwoord), kachelgruis, schoorsteenvuil.
roetsjbaan, roetsbane, (zelfstandig naamwoord), glijbaan op het ijs. Zie ook: glierbane.
roetsjen, roetsen, (werkwoord), roetsen, eroetst, glijden. Zie ook: glieren.
roffiool, roffioele, (zelfstandig naamwoord), soort oliebol.
roggestoet, roggestoete, (zelfstandig naamwoord), brood van gebuild roggemeel.
roken, roken, (werkwoord), roken, erookt, roken.
rokerij, rokeri’je, (zelfstandig naamwoord), 1. plaats waar vis, vlees gerookt wordt; 2. iets om te roken, bijv. sigaretten.
rol, rolle, (zelfstandig naamwoord), rullegien, rol.
rommelkruid, rommelkruden, (zelfstandig naamwoord), groenten voor kruudmoes.
rondje, runtien, (zelfstandig naamwoord), rondje. Runtien Zwolle ‘fietsroute rond Zwolle’.
rondom, rondumme, (bijwoord), rondom.
rondschuimen, rondskumen, (werkwoord), rondsnuffelen. IJ skuumt een bettien rond.
rondvraag, rondvraoge, (zelfstandig naamwoord), rondvraag.
roodborst, roodbörsien, (zelfstandig naamwoord), roodborstje.
rookpluim, rookplume, (zelfstandig naamwoord), rookpluim.
rookvlees, rookvleis, (zelfstandig naamwoord), rookvlees. Zie ook: nagelolt.
rookworst, rookwörst, rookwörs, (zelfstandig naamwoord), rookworst.
roos, roze, (zelfstandig naamwoord), reusien, roos.
rooster, reuster, (zelfstandig naamwoord), rooster.
roosteren, reusteren, (werkwoord), reusteren, ereusterd, roosteren.
roppen, roppen, (werkwoord), roppen, eropt, scheuren, rukken.
ropperig, ropperig, (bijvoeglijk naamwoord), slordig door slijtage of afscheuren. Die spiekerbroek zut ter wat ropperig uut.
rotje, röttien, (zelfstandig naamwoord), rotje, vuurwerk.
rouwkaart, rouwkaerte, (zelfstandig naamwoord), rouwkaart.
royaal, rejaal, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), royaal. Dät is een rejaal mense. Die kamer is rejaal op-emèten.
rozenstruik, rozenstruke, (zelfstandig naamwoord), rozenstruik.
rozijn, reziene, (zelfstandig naamwoord), rozijn.
rubberlaars, rubberleerze, (zelfstandig naamwoord), rubberlaars.
rubberzool, rubberzaole, (zelfstandig naamwoord), rubberzool.
rug, rugge, (zelfstandig naamwoord), rug. Uitdr.: IJ ef een breje rugge ‘hij kan veel hebben’.
ruggengraat, ruggegraot, (zelfstandig naamwoord), ruggengraat. Uitdr.: IJ ef gien ruggegraot ‘hij is een slappeling’.
rugpijn, rugpiene, (zelfstandig naamwoord), rugpijn. Meestal zegt men pien in de rugge in plaats van rugpiene.
rui, ruj, rui, (zelfstandig naamwoord), rui.
ruien, ruuien, (werkwoord), ruuien, eruuid, in de rui zijn.
ruiken, roeken, (werkwoord), rök, rook, eröken, ruiken.
ruim, ruum, 1. bn., bw., ruim, wijd. Ie ebt een völste rume broek an. Ruum kunnen aosem-alen. Een ruum ärte ebben; 2. zn., ruim. ’t Ruum vant vrachskip is löög.
ruimen, rumen, (werkwoord), rumen, eruumd, 1. ruimen, verwijderen; 2. schoonmaken.
ruimte, ruumte, (zelfstandig naamwoord), ruimte.
ruimtebesparing, ruumtebespöring, (zelfstandig naamwoord), ruimtebesparing.
ruimtegebrek, ruumtegebrek, (zelfstandig naamwoord), ruimtegebrek.
ruimtepak, ruumtepak, (zelfstandig naamwoord), ruimtepak voor de ruimtevaart.
ruimteschip, ruumteskip, (zelfstandig naamwoord), ruimteschip.
ruimtevaarder, ruumtevaerder, (zelfstandig naamwoord), ruimtevaarder, astronaut, kosmonaut.
ruimtevaart, ruumtevaert, (zelfstandig naamwoord), ruimtevaart, het reizen in de ruimte.
ruimteverdeling, ruumteverdeling, (zelfstandig naamwoord), ruimteverdeling.
ruïneren, verrenneweren, (werkwoord), verrenneweren, verrenneweerd, stukmaken, vernielen. Zie ook: verroppen.
ruit, roet, (zelfstandig naamwoord), onkruid. Zie ook: onkruud.
ruit, roete, (zelfstandig naamwoord), rutien, ruit, raam.
ruit, ruut, (zelfstandig naamwoord), ruit (figuur).
ruitenwisser, roetewisser, (zelfstandig naamwoord), ruitenwisser.
ruiter, ruter, (zelfstandig naamwoord), ruiter.
ruitpol, roetpolle, (zelfstandig naamwoord), pol onkruid.
rumgrog, rumgrök, (zelfstandig naamwoord), rumgrog.
rups, rupse, (zelfstandig naamwoord), rups.
rust, ruste, rus, (zelfstandig naamwoord), rust.
rustplaats, rustplase, rusplase, (zelfstandig naamwoord), rustplaats.
ruw, roew, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ruw. Een roewe mure. Die kerel is ärg roew.
ruwvoer, roewvoer, (zelfstandig naamwoord), ruwvoer (voor dieren).
ruziezoeker, ruziezuker, (zelfstandig naamwoord), ruziezoeker, ruziemaker.
saamhorig, saameurig, (bijvoeglijk naamwoord), saamhorig.
saamhorigheid, saameurigeid, (zelfstandig naamwoord), saamhorigheid, het bij elkaar horen, solidariteit.
saamhorigheidsgevoel, saameurigeidsgevuul, (zelfstandig naamwoord), saamhorigheidsgevoel.
saffraan, saffraon, (zelfstandig naamwoord), saffraan.
sajet, sjet, (zelfstandig naamwoord), sajet, tot garen gesponnen wol.
salamander, sallemander, (zelfstandig naamwoord), salamander.
salie, zelve, (zelfstandig naamwoord), salie.
salon, selon, (zelfstandig naamwoord), salon.
salonwagen, selonwaegen, (zelfstandig naamwoord), salonwagen, stacaravan.
satijn, setien, (zelfstandig naamwoord), satijn.
saus, sause, (zelfstandig naamwoord), saus.
schaaf, skave, (zelfstandig naamwoord), 1. schaaf; 2. wond.
schaal, skale, (zelfstandig naamwoord), skaaltien, schaal, kom.
schaal, skaole, (zelfstandig naamwoord), skööltien, weegschaal.
schaamte, skaamte, (zelfstandig naamwoord), schaamte.
schaamtegevoel, skaamtegevuul, (zelfstandig naamwoord), schaamtegevoel.
schaap, skaop, (zelfstandig naamwoord), sköpien, 1. schaap; 2. klein kind.
schaapherder, skaopärder, (zelfstandig naamwoord), schaapherder. Zie ook: ärder.
schaapshond, skaopsond, (zelfstandig naamwoord), herdershond.
schaapskooi, skaopskooi, (zelfstandig naamwoord), schaapskooi. Zie ook: skaopeskot (verouderd).
schaapskot, skaopeskot, zie: skaopskooi.
schaar, skaere, (zelfstandig naamwoord), schare, menigte.
schaar, skere, (zelfstandig naamwoord), schaar.
schaats, skaatse, (zelfstandig naamwoord), schaats. Zie ook: iezer, skeuvel.
schaatsenrijden, skasenriejen, skasenri’jen, skasenrieden, (werkwoord), schaatsenrijden. Zie ook: skeuvelen, skoevelen.
schacht, skachte, (zelfstandig naamwoord), schacht.
schade, ska, (zelfstandig naamwoord), schade. IJ ef ska op-elopen. Zien ska in-alen.
schadelijk, skadelijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), schadelijk.
schaden, skaden, (werkwoord), skaden, eskaad, schaden.
schaduw, skaduw, (zelfstandig naamwoord), schaduw.
schaft, skoft, (zelfstandig naamwoord), pauze, schafttijd. Ook: skofttied.
schaften, skoften, (werkwoord), skoften, eskoft, schaften.
schakel, skakel, (zelfstandig naamwoord), schakel.
schaken, skaken, (werkwoord), skaken, eskaakt, schaken.
schalk, skalk, (zelfstandig naamwoord), schalk, grappenmaker.
schallen, skalteren, (werkwoord), skalteren, eskalterd, schallen, helder klinken.
schamel, skamel, (bijvoeglijk naamwoord), schamel, armoedig.
schamel, skamel, (zelfstandig naamwoord), schamel, draaiwerk onder een wagen.
schamen, skamen, (werkwoord), (skamen, eskaamd),, zich skamen, zich schamen. Zie ook: sjeneren.
schampen, skampen, (werkwoord), skampen, eskampt, schampen.
schamper, skamperd, (zelfstandig naamwoord), 1. misslag bij het houthakken; 2. schampschot. Zie ook: skampskot.
schampschot, skampskot, zie: skamperd.
schandaal, skandaal, (zelfstandig naamwoord), schandaal.
schandalig, skandalig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), schandalig.
schande, skande, (zelfstandig naamwoord), schande. ‘t Is een skande dä-kt zegge. Uitdr.: Zunde is lèverwörst, skande is metwörst.
schap, skap, (zelfstandig naamwoord), skäppien, schap, kastplank.
schapendrift, skaopsdrift, (zelfstandig naamwoord), doorgang voor schapen.
schapenkop, skaopekop, (zelfstandig naamwoord), schapenkop, scheldnaam voor een sufferd.
schapenkop, skaopskop, (zelfstandig naamwoord), 1. schaapskop; 2. soort hortensia (langwerpige bloem lijkend op een schapenkop).
schapenmarkt, skaopemärkt, skaopemärk, (zelfstandig naamwoord), schapenmarkt.
schapenscheerder, skaopskeerder, skaopeskeerder, (zelfstandig naamwoord), schapenscheerder.
schapenscheren, skaopskeren, (zelfstandig naamwoord), schaapscheren. Uitdr.: Now kumpt skaopskeren an ‘nu komt het er op aan’.
schapenvacht, skaopevacht, (zelfstandig naamwoord), schapenvacht.
schapenvlees, skaopevleis, (zelfstandig naamwoord), schapenvlees.
schapenwolk, skaopewolke, (zelfstandig naamwoord), schapenwolk.
schar, skärregien, (zelfstandig naamwoord), scharretje, kleine platvis.
scharenslijpen, skeresliepen, (werkwoord), scharenslijpen.
scharenslijper, skereslieper, (zelfstandig naamwoord), scharenslijper. Die skerenslieper kump al lange niet meer bi’j ons deur de straote.
scharnier, skeniere, (zelfstandig naamwoord), scharnier.
scharrelaar, skärrelaer, (zelfstandig naamwoord), scharrelaar, verkoper in losse handel.
scharrelarij, skärreleri’je, (zelfstandig naamwoord), verkering.
scharrelen, skärrelen, (werkwoord), skärrelen, eskärreld, scharrelen.
schat, skat, (zelfstandig naamwoord), schat.
schateren, skateren, (werkwoord), skateren, eskaterd, schateren.
schatrijk, skatrieke, (bijvoeglijk naamwoord), schatrijk. IJ ef een skatrieke vrouwe etrouwd.
schaven, skaven, (werkwoord), skaven, eskaafd, schaven.
schavot, skavot, (zelfstandig naamwoord), schavot.
schedel, skedel, (zelfstandig naamwoord), schedel.
scheef, skief, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. scheef, uit het lood. Dät stiet skief; 2. lelijk. Een skief gezichte trekken.
scheel, skeel, (bijvoeglijk naamwoord), scheel. Wat bin ie skeel, zeg!
scheel, skel, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), scheef.
scheen, skenne, (zelfstandig naamwoord), skennen, scheen, voorzijde van het onderbeen. IJ ef mi’j tegen de skennen eskupt. Zie ook: skienbien.
scheenbeen, skienbien, (zelfstandig naamwoord), scheenbeen. Zie ook: skenne.
scheerbaas, skeerbaas, (zelfstandig naamwoord), barbier, herenkapper.
scheerdoos, skeerdeuze, (zelfstandig naamwoord), scheerdoos.
scheergerei, skeergerei, (zelfstandig naamwoord), scheergerei.
scheerkwast, skeerkwaste, (zelfstandig naamwoord), scheerkwast.
scheerlijn, skeerliende, skoorliende, (zelfstandig naamwoord), scheerlijn, schoorlijn..
scheermes, skeermes, (zelfstandig naamwoord), 1. scheermes; 2. harde snijboon.
scheerschuim, skeerskuum, (zelfstandig naamwoord), scheerschuim.
scheerstoel, skeerstoel, (zelfstandig naamwoord), stoel bij de barbier waarin de klant zat.
scheet, skeet, (zelfstandig naamwoord), 1. scheet; 2. (klein) kind. Wat een läkkere skeet is dät jonk van oe!
scheiden, skeiden, (werkwoord), skeidt, skeiden, eskeiden, scheiden.
schel, skel, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), schel. Die vrouwe ef een skelle stemme.
schel, skelle, (zelfstandig naamwoord), bel. Zie ook: belle.
schelden, skellen, (werkwoord), skellen, esköllen, schelden.
scheldnaam, skeldname, (zelfstandig naamwoord), scheldnaam.
scheldwoord, skeldwoord, (zelfstandig naamwoord), scheldwoord.
schele, skele, (zelfstandig naamwoord), iemand die scheel ziet. Die kerel is wè zo’n skele. Uitdr.: Skelen bint de mooiste niet.
schelen, skèlen, verskèlen, (werkwoord), skèlen, eskèèld, verskèlen, <, schelen, deren. Dät skèèlt mi’j niks ‘Dat maakt mij niets uit.’
schellen, skellen, (werkwoord), skellen, eskeld, bellen.
schelm, skelm, (zelfstandig naamwoord), schelm.
schelms, skelms, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. schelms, guitig; 2. niet helemaal eerlijk.
schelp, skelpe, (zelfstandig naamwoord), schelp.
schelp, skulpe, (zelfstandig naamwoord), schulp.
schelvis, skellevis, (zelfstandig naamwoord), 1. schelvis; 2. scheldnaam voor een vrouw met een te luide stem.
schemer, skemer, (zelfstandig naamwoord), schemering. Zie ook: twieduuster.
schemeren, skemeren, (werkwoord), skemeren, eskemerd, schemeren.
schemerig, skemerig, (bijvoeglijk naamwoord), schemerig.
schemerlamp, skemerlampe, (zelfstandig naamwoord), schemerlamp.
schenk, skinke, (zelfstandig naamwoord), schenkel, ham.Zie ook: skenkel.
schenkel, skenkel, (zelfstandig naamwoord), 1. schenkel, ham; 2. gedeelte van de achterpoten bij viervoetige dieren. Zie ook: skinke.
schenken, skenken, (werkwoord), skenkt, skunk, eskunken, 1. geven, schenken; 2. (in)schenken van drank. Zie ook: skinken.
schenken, skinken, (werkwoord), (in)schenken van drank. Zie ook: skenken.
schep, skep, (zelfstandig naamwoord), skeppien, skeppertien, schep. Zie ook: batse, skuppe.
schepel, skèpel, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), schepel, 1/3 mud. Een skèpel eerpels.
schepijs, skep-ies, (zelfstandig naamwoord), schepijs.
scheppen, skeppen, (werkwoord), skeppen, eskept, scheppen.
schepsel, skepsel, (zelfstandig naamwoord), schepsel.
scheren, skeren, (werkwoord), skeert, skoor/skeren, eskö, scheren.
scherf, skärve, (zelfstandig naamwoord), scherf.
scherm, skärm, (zelfstandig naamwoord), scherm.
schermen, skärmen, (werkwoord), skärmen, eskärmd, schermen.
scherp, skärp, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), scherp.
scheuken, skeuken, (werkwoord), skeuken, eskeukt, scheuken, zich schurken (wegens jeuk). Zie ook: skoeren.
scheuker, skeukerd, (zelfstandig naamwoord), gierig mens.
scheur, skeure, (zelfstandig naamwoord), 1. scheur; 2. grote mond. IJ trök mi’j döör zien skeure een ende lös!
scheuren, skeuren, (werkwoord), skeuren, eskeurd, 1. scheuren. Skeur die brief niet kepot!; 2. hard rijden. Die kerel skeuren mi’j toch deur de bochte!
scheurijzer, skeuriezer, (zelfstandig naamwoord), bromfiets, brommer. Zie ook: pleuriezer, snörkiezer.
scheut, skeut, (zelfstandig naamwoord), 1. scheut (van bijvoorbeeld melk); 2. uitloper; 3. pijnsteek.
scheutig, skeuts, (bijvoeglijk naamwoord), scheutig, goedgeefs.
scheuvel, skeuvel, zie: skaatse.
scheuvelen, skeuvelen, skoevelen, zie: skasenriejen.
schielijk, skielijk, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), vlug. Dät kolde spul mu-j niet zo skielijk drinken.
schier, skier, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), netjes, goed. Dät e-j skier edaon.
schierder, skierder, (zelfstandig naamwoord), gluurder.
schieren, skieren, (werkwoord), skieren, eskierd, gluren, loeren.
schieten, skieten, (werkwoord), sköt, skoot, esköten, schieten.
schiften, skiften, (werkwoord), skiften/skiffen, eskift, schiften.
schijf, skieve, (zelfstandig naamwoord), schijf, plak. Gef mi’j ook maer een skieve van die ananas. Zie ook: plakke.
schijn, skien, (zelfstandig naamwoord), schijn. De skien op-ollen.
schijndood, skiendood, (zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord), schijndood.
schijnen, skienen, (werkwoord), skient, skeen, eskenen, 1. schijnen (van de zon). De zunne skient; 2. schijnen, lijken. ‘t Skient dät ie geliek ebt.
schijnsel, skiensel, (zelfstandig naamwoord), schijnsel.
schijntje, skientien, (zelfstandig naamwoord), schijntje. Dät is maer een skientien wa-j an geld ebt ebeurd.
schijnwerper, skienwärper, (zelfstandig naamwoord), schijnwerper.
schijten, skieten, skijten, (werkwoord), skit/skiet, skeet/skieten<, schijten. Zie ook: drieten.
schijthuis, skijtuus, (zelfstandig naamwoord), 1. (plat) wc. Zie ook: deuze, kakdeuze, usien; 2. zie: skijtliester.
schijtlaars, skijtleerze, zie: skijtliester.
schijtlijster, skijtliester, (zelfstandig naamwoord), bangerd. Zie ook: skijtleerze, skijtuus.
schik, skik, (zelfstandig naamwoord), schik, plezier.
schikken, skikken, (werkwoord), skikken, eskikt, schikken.
schil, skelle, skille, (zelfstandig naamwoord), schil. Die skelle van de appel is völste dikke eskeld.
schilderen, skilderen, (werkwoord), skilderen, eskilderd, schilderen.
schilderij, skilderi’je, (zelfstandig naamwoord), schilderij.
schilderskwast, skilderskwaste, (zelfstandig naamwoord), schilderskwast.
schildpad, skildpadde, (zelfstandig naamwoord), schildpad.
schilfer, skilfer, (zelfstandig naamwoord), schilfer.
schilferen, skilferen, (werkwoord), skilferen, eskilferd, schilferen.
schilferig, skilferig, (bijvoeglijk naamwoord), schilferig.
schillen, skellen, (werkwoord), skellen, eskeld, schillen.
schillenboer, skelleboer, skilleboer, (zelfstandig naamwoord), man die vroeger langs de huizen ging met zijn handkar of bakfiets om de schillen op te halen.
schillenmand, skelmäntien, (zelfstandig naamwoord), aardappelmandje. Zie ook: eerpelskelmäntien.
schilmesje, skelmessien, (zelfstandig naamwoord), schilmesje. Zie ook: eerpelskelmessien.
schim, skimme, (zelfstandig naamwoord), schim, schaduw.
schimmel, skimmel, (zelfstandig naamwoord), 1. schimmel; 2. wit paard. De skimmel van Sunteklaos is al best old.
schimmelen, skimmelen, (werkwoord), skimmelen, eskimmeld, schimmelen.
schimpen, skempen, (werkwoord), skempen, eskempt, schimpen.
schimpen, skimpen, (werkwoord), skimpen, eskimpt, schimpen.
schimpnaam, skimpname, (zelfstandig naamwoord), schimpnaam, scheldnaam. De Zwollenaar kreeg de schimpnaam Zwolse Blauwvinger.
schimpscheut, skampskeut, (zelfstandig naamwoord), sneer.
schip, skip, (zelfstandig naamwoord), skepien, schip.
schipperspet, skipperspette, (zelfstandig naamwoord), schipperspet.
schoen, skoe, (zelfstandig naamwoord), skugien, schoen.
schoenendoos, skoedeuze, skoenendeuze, (zelfstandig naamwoord), schoenendoos.
schoenenzaak, skoenenzake, (zelfstandig naamwoord), schoenenzaak.
schoenlapper, skoelapper, (zelfstandig naamwoord), 1. schoenlapper; 2. bep. vlinder.
schoenlepel, skoelèpel, (zelfstandig naamwoord), schoenlepel.
schoenmaker, skoemaker, (zelfstandig naamwoord), schoenmaker.
schoensmeer, skoesmeer, (zelfstandig naamwoord), schoensmeer.
schoenveter, skoeveter, (zelfstandig naamwoord), schoenveter.
schoenzool, skoezaole, (zelfstandig naamwoord), schoenzool.
schof, skof, (zelfstandig naamwoord), skuffien, bult op de rug. IJ ef een skuffien op de rugge.
schoffel, skoffel, (zelfstandig naamwoord), schoffel.
schofje, sköffien, (zelfstandig naamwoord), poosje. Zie ook: posien, steugien.
schok, skok, (zelfstandig naamwoord), skökkien, schok.
schokken, skokken, (werkwoord), skokken, eskokt, schokken.
schol, skolle, (zelfstandig naamwoord), schol (vissoort).
schol, skolle, (zelfstandig naamwoord), drijvend, plat stuk ijs.
scholekster, skoläkster, (zelfstandig naamwoord), scholekster. Zie ook: zeekiefte.
schommel, skommel, (zelfstandig naamwoord), skummeltien, schommel. Zie ook: talter.
schommelen, skommelen, (werkwoord), skommelen, eskommeld, 1. schommelen. Zie ook: talteren; 2. waggelen. Die skommelt öördig.
schompes, skompes, de skompes, in bijv.: zich de skompes èten ‘heel erg veel eten’, zich de skompes lachen ‘heel hard lachen’.
schooien, skooien, (werkwoord), skooien, eskooid, schooien. IJ skooien alles bIJ mekaere.
schooier, skooier, (zelfstandig naamwoord), schooier.
school, skoele, (met lange oe, vkw. skuultien, met korte uu), (zelfstandig naamwoord), skuultien, school. Grote skoele ‘basisschool’. Dät jonk giet al naor de grote skoele.
schoolbank, skoelbanke, (zelfstandig naamwoord), schoolbank.
schoolbewaarder, skoelbewaerder, (zelfstandig naamwoord), conciërge.
schoolboek, skoelboek, (zelfstandig naamwoord), schoolboek.
schoolfeest, skoelfeest, (zelfstandig naamwoord), schoolfeest.
schoolgeld, skoelgeld, (zelfstandig naamwoord), schoolgeld.
schooljaar, skoeljöör, (zelfstandig naamwoord), schooljaar.
schooljong, skoeljonk, (zelfstandig naamwoord), schoolkind.
schooljongen, skoeljonge, (zelfstandig naamwoord), schooljongen.
schooljuffrouw, skoeljuffrouwe, skoeljuf, (zelfstandig naamwoord), schooljuf(frouw).
schoolkameraad, skoelkammeraod, (zelfstandig naamwoord), schoolkameraad.
schoolkinderen, skoelkinder, (zelfstandig naamwoord), schoolkinderen, schooljeugd.
schoollokaal, skoellokaal, (zelfstandig naamwoord), schoollokaal.
schoolmeester, skoelmeester, (zelfstandig naamwoord), onderwijzer, schoolhoofd. De skoelmeester uutangen ‘alles willen regelen’.
schoolopziener, skoelopziender, (zelfstandig naamwoord), schoolopzichter, conciërge.
schoolplein, skoelplein, (zelfstandig naamwoord), schoolplein.
schoolreis, skoelreize, (zelfstandig naamwoord), schoolreis.
schoolschrift, skoelskrift, (zelfstandig naamwoord), schoolschrift.
schooltas, skoeltasse, (zelfstandig naamwoord), schooltas.
schooltijd, skoeltied, (zelfstandig naamwoord), schooltijd.
schoolziek, skoelziek, (zelfstandig naamwoord), schoolziek.
schoolzwemmen, skoelzwemmen, (zelfstandig naamwoord), schoolzwemmen.
schoon, skone, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), schoon. ‘t Uus mut skone wèèn.
schoonmoeder, skoonmoeder, skoonmoe, (zelfstandig naamwoord), schoonmoeder.
schoonouder, skoonolders, (zelfstandig naamwoord), schoonouders.
schoonvader, skoonvader, skoonva, (zelfstandig naamwoord), schoonvader.
schoonzoon, skoonzönne, (zelfstandig naamwoord), schoonzoon.
schoonzuster, skoonzuster, (zelfstandig naamwoord), schoonzuster.
schoorsteen, skörstien, (zelfstandig naamwoord), schoorsteen. Uitdr.: De skörstien mut blieven roken ‘er moet geld in het laatje blijven komen’.
schoorsteenkleed, skörstienkleed, (zelfstandig naamwoord), loper op de schoorsteen. Werd in de eerste helft van de 20ste eeuw veel gebruikt. Zie ook: skörstienleuper.
schoorsteenlijst, skörstienlieste, (zelfstandig naamwoord), schoorsteenlijst.
schoorsteenloper, skörstienleuper, skörstienloper, zie: skörstienkleed.
schoorsteenmantel, skörstienmantel, (zelfstandig naamwoord), schoorsteenmantel, schouw. Zie ook: skouwe.
schoorsteenpijp, skörstienpiepe, (zelfstandig naamwoord), schoorsteenpijp.
schoorsteenstuk, skörstienstuk, (zelfstandig naamwoord), schoorsteenstuk, voorwerp dat op de schoorsteenmantel staat.
schoorsteenvegen, skörstienvègen, (werkwoord), schoorsteenvegen.
schoorsteenveger, skörstienvèger, (zelfstandig naamwoord), schoorsteenveger.
schoot, skoot, (zelfstandig naamwoord), schoot.
schop, skup, (zelfstandig naamwoord), trap met de voet.
schop, skuppe, (zelfstandig naamwoord), schop. Zie ook: batse, skep.
schoppen, skuppen, (werkwoord), skuppen, eskupt, schoppen, trappen.
schoppenaas, skuppenaos, (zelfstandig naamwoord), schoppenaas.
schopstoel, skupstoel, (zelfstandig naamwoord), schopstoel. Uitdr.: IJ zit op de skupstoel ‘hij kan ieder ogenblik worden ontslagen of weggestuurd’.
schor, skör, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), schor. Ik bin een bettien skör in de kèle.
schort, skölk, (zelfstandig naamwoord), schort. Zie ook: boezelaer, skört, slonde.
schort, skört, (zelfstandig naamwoord), schort. Zie ook: boezelaer, skölk, slonde.
schot, skot, (zelfstandig naamwoord), 1. schot, knal; 2. schot, groei, beweging.
schot, skot, (zelfstandig naamwoord), een houten afscheiding.
schotel, sköttel, (zelfstandig naamwoord), schotel.
schoteldoek, skötteldoek, (zelfstandig naamwoord), vaatdoek.
schouder, skolder, (zelfstandig naamwoord), schouder.
schouderband, skolderbäntien, (zelfstandig naamwoord), schouderbandje. Zie ook: gälgien.
schouderblad, skolderblad, (zelfstandig naamwoord), schouderblad.
schouderhoogte, skoldereugte, (zelfstandig naamwoord), schouderhoogte.
schouderklopje, skolderklöppien, (zelfstandig naamwoord), schouderklopje.
schout, skolte, (zelfstandig naamwoord), (verouderd) politieagent.
schouw, skouwe, (zelfstandig naamwoord), schouw. Zie ook: skörstienmantel.
schraag, skrage, (zelfstandig naamwoord), schraag.
schraal, skraol, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. schraal, ruw, van de huid. Ik ebbe skraole annen. Zie ook: spreu; 2. schraal, niet vet, van eten; 3. weinig. De straoten waeren vrogger skraol verlicht deur lanteerns met vetkeersen.
schram, skramme, (zelfstandig naamwoord), schram. Zie ook: krabbe.
schrap, skrap, (bijwoord), schrap, onwankelbaar. Zich skrap zetten.
schrap, skrappe, (zelfstandig naamwoord), schrap, streep, kras.
schrapen, skrapen, skraopen, (werkwoord), skrapen, eskraapt; skraopen, , schrapen. Spreekw.: Jan skraap mi’j de wottel en anders vrèèt ik em zo! (een gezegde n.a.v. iets wat gezegd wordt, zonder veel betekenis). Zie ook: skraopen.
schraper, skraperd, skraoperd, (zelfstandig naamwoord), gierig persoon. Zie ook: skraoperd.
schraperig, skraoperig, (bijvoeglijk naamwoord), hebberig, gierig.
schrappen, skrappen, (werkwoord), skrappen, eskrapt, 1. schrappen (van aardappelen of wortels); 2. doorstrepen.
schreeuw, skreeuw, skreeuw-, skriw, skriw-, (zelfstandig naamwoord), schreeuw.
schreeuwen, skreeuwen, skriwwen, (werkwoord), skreeuwen, eskreeuwd, schreeuwen.
schreeuwer, skreeuwerd, zie: skreeuwlillijk.
schreeuwlelijk, skreeuwlillijk, skriwlillijk, (zelfstandig naamwoord), schreeuwlelijk. Zie ook: skreeuwerd.
schreien, skreien, (werkwoord), huilen. Zie ook: liepen.
schrift, skrift, (zelfstandig naamwoord), schrift.
schrijfles, skrieflesse, (zelfstandig naamwoord), schrijfles.
schrijven, skrieven, (werkwoord), skrif/skref, skreef, eskrö, schrijven.
schrik, skrik, (zelfstandig naamwoord), schrik.
schrikdraad, skrikdraod, (zelfstandig naamwoord), schrikdraad.
schrikkeljaar, skrikkeljöör, (zelfstandig naamwoord), schrikkeljaar.
schrikken, skrikken, (werkwoord), skrikt, skruk, eskrukken, schrikken.
schrobben, skrobben, (werkwoord), skrobben, eskrobd, schrobben, boenen. Vrogger wier de stoepe nog eskrobd.
schrobber, skrobber, (zelfstandig naamwoord), schrobber.
schrobzaag, skrobbezage, (zelfstandig naamwoord), schrobzaag.
schroef, skroeve, (zelfstandig naamwoord), skruvien, schroef.
schroeien, skroeien, (werkwoord), skroeien, eskroeid, schroeien.
schroeven, skroeven, (werkwoord), skroeven, eskroefd, schroeven.
schroevendraaier, skroevedreier, (zelfstandig naamwoord), schroevendraaier.
schroot, skroot, (zelfstandig naamwoord), schroot, smalle plank.
schrootjesplafond, skreutiesplefon, (zelfstandig naamwoord), schrootjesplafond.
schub, skubbe, (zelfstandig naamwoord), schub.
schuddekoppen, skuddekoppen, (werkwoord), skuddekoppen, eskuddekopt, hoofdschudden.
schudden, skudden, (werkwoord), skudden, eskud, schudden.
schuier, skuier, (zelfstandig naamwoord), kleerborstel. Zie ook: kleerbörstel.
schuieren, skuieren, (werkwoord), skuieren, eskuierd, schuieren, afborstelen.
schuif, skoeve, (zelfstandig naamwoord), schuif, grendel.
schuifdeur, skoefdeure, (zelfstandig naamwoord), schuifdeur.
schuifelen, skoefelen, (werkwoord), skoefelen, eskoefeld, 1. schuifelen, moeilijk lopen; 2. dicht tegen elkaar dansen.
schuifkar, skoefköre, (zelfstandig naamwoord), kar die je vooruit drukt.
schuifluik, skoefloek, (zelfstandig naamwoord), schuifluik.
schuifraam, skoefraam, (zelfstandig naamwoord), schuifraam.
schuilen, skulen, (werkwoord), skulen, eskuuld, schuilen.
schuilnaam, skuulname, (zelfstandig naamwoord), schuilnaam.
schuilplaats, skuulplase, (zelfstandig naamwoord), schuilplaats.
schuim, skoem, skuum, (zelfstandig naamwoord), schuim. Zie ook: broes.
schuimbekken, skuumbekken, (werkwoord), skuumbekken, eskuumbekt, schuimbekken.
schuimen, skumen, (werkwoord), skumen, eskuumd, schuimen. ‘t Bier skuumt. Zie ook: broezen.
schuimpje, skuumpien, (zelfstandig naamwoord), schuimpje, zacht soort snoepje voor kleine kinderen.
schuimspaan, skoemspaone, skuumspaone, (zelfstandig naamwoord), schuimspaan.
schuin, skuun, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), schuin. Die lieste angt skuun.
schuins, skuuns, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), schuins. Ier skuuns tegenaover.
schuinsmarcheerder, skuunsmesjeerder, skuinsmesjeerder, (zelfstandig naamwoord), schuinsmarcheerder, iemand van onzedelijke levenswandel.
schuit, skute, (zelfstandig naamwoord), schuit.
schuitjes-en-paardjes, skuties-en-peerties, (zelfstandig naamwoord), draaimolen. Zie ook: dreimölle.
schuiven, skoeven, (werkwoord), sköf, skoof/skoeven, esköv, schuiven. IJ sköf alles opzied.
schuiver, skoeverd, (zelfstandig naamwoord), 1. schuiver, val; 2. duw; 3. dikke vrouw.
schuld, skuld, (zelfstandig naamwoord), schuld.
schuldgevoel, skuldgevuul, (zelfstandig naamwoord), schuldgevoel.
schuldig, skuldig, (bijvoeglijk naamwoord), schuldig.
schunnig, skunnig, (bijvoeglijk naamwoord), schunnig.
schuren, skoeren, (werkwoord), skoeren, eskoerd, 1. schuren. Die deure mu-j nog skoeren; 2. scheuken. Die koe skoert met zien konte langes een boom. Zie ook: skeuken.
schurft, skörft, (zelfstandig naamwoord), schurft.
schurftig, skörfterig, (bijvoeglijk naamwoord), schurftig.
schurk, skörk, (zelfstandig naamwoord), schurk.
schutsluis, skutsluze, (zelfstandig naamwoord), schutsluis.
schutter, skutter, (zelfstandig naamwoord), schutter.
schutterij, skutteri’je, (zelfstandig naamwoord), schutterij.
schutting, skutting, skuttink, (zelfstandig naamwoord), schutting.
schuur, skure, (zelfstandig naamwoord), schuur.
schuurdeur, skuurdeure, (zelfstandig naamwoord), schuurdeur.
schuurmachine, skuurmesjiene, (zelfstandig naamwoord), schuurmachine.
schuurpapier, skuurpepier, (zelfstandig naamwoord), schuurpapier.
schuw, skuw, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), schuw.
secreet, sekreet, 1. (plat) w.c. Ik mut naort sekreet; 2. vervelend iemand. Dät is een vreselijk sekreet! Een sekreet van een jong.
secretaris, sikretaeris, (zelfstandig naamwoord), secretaris.
secuur, sekuur, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), secuur.
seibel, zeibel, (zelfstandig naamwoord), zeurpiet.
selderij, selderie, (zelfstandig naamwoord), selderij.
sering, seringe, (zelfstandig naamwoord), 1. seringenboom; 2. bloem van de sering.
shag, sjek, (zelfstandig naamwoord), shag, tabak. Zie ook: tebak.
shagbuil, sjekbule, (zelfstandig naamwoord), pakje shag.
siepel, siepel, (zelfstandig naamwoord), ui.
siepoog, siepoge, (zelfstandig naamwoord), ontstoken oog, lodderoog.
sieraad, sieraod, (zelfstandig naamwoord), sieraad.
sigaar, segaere, (zelfstandig naamwoord), sigaar.
sigarenas, segaerenasse, (zelfstandig naamwoord), sigarenas.
sigarenbandje, segaerenbäntien, (zelfstandig naamwoord), sigarenbandje.
sigarendoos, segaerendeusien, (zelfstandig naamwoord), sigarendoosje.
sigarenkistje, segaerenkissien, (zelfstandig naamwoord), sigarenkistje.
sigarenkoker, segaerenkökker, segaerenkaoker, (zelfstandig naamwoord), sigarenkoker.
sigarenmaker, segaerenmaker, (zelfstandig naamwoord), sigarenmaker.
sigarenzaak, segaerenzake, (zelfstandig naamwoord), sigarenzaak.
sigaret, segrette, serette, (zelfstandig naamwoord), sigaret.
sigarettenboer, segrettenboer, segretteboer, seretteboer, serettenboer, (zelfstandig naamwoord), sigarettenwinkel. Zie ook: tebaksboer.
sijpelen, siepelen, (werkwoord), siepelen, esiepeld, sijpelen.
sijs, sieze, (zelfstandig naamwoord), sijs.
sik, sikke, (zelfstandig naamwoord), 1. geit; 2. sik, klein baardje; 3. (minachtend) kind, vrouw. Wat bin ie een verwende sikke! Zie ook: geite.
sinaasappel, sinesappel, sienappel, sientiesappel, (zelfstandig naamwoord), sinaasappel.
Sint-Maarten, Sinte Märten, (zelfstandig naamwoord), Sint Maarten (11 november). Op Sinte Märten gingen de kinderen vroeger langs de deur met de foekepot. Tegenwoordig met een lampion en daarbij worden liedjes gezongen.
sinterklaas, sunteklaos, sunderklaos, (zelfstandig naamwoord), 1. sinterklaas, ofwel Sint Nicolaas; 2. sufferd, joris goedbloed.
sinterklaasje, sunteklösien, (zelfstandig naamwoord), speculaasje.
sjaal, sjale, (zelfstandig naamwoord), sjaal, das. Zie ook: dässe.
sjalot, sjelöttien, salöttien, (zelfstandig naamwoord), sjalotje, soort van kleine ui.
sjampie, sjampie, (zelfstandig naamwoord), champagne.
sjats, sjatse, sjats, (zelfstandig naamwoord), gang, vaart. De sjatse derin ebben.
sjees, sjeze, (zelfstandig naamwoord), sjees.
sjerp, sjärp, (zelfstandig naamwoord), sjerp.
sjokken, sjoeksen, (werkwoord), sjoeksen, esjoekst, sjokken, lummelig lopen. Die twie sjoeksen der wat of op de märkt.
sjokker, sjoekse, (zelfstandig naamwoord), iemand die sjokt.
sla, slao, (zelfstandig naamwoord), sla.
slaan, slaon, (werkwoord), slöt, sloeg, eslagen, slaan.
slaap, slaop, (zelfstandig naamwoord), slöpien, 1. slaap. Eb ie slaop? Ik ebbe mien slöpien uut; 2. opdrogende afscheiding aan oogleden. Ik eb nog slaop in de ogen.
slaapje, slöpien, (zelfstandig naamwoord), 1. slaapje, dutje; 2. kamergenoot in militaire dienst.
slaapkamer, slaopkamer, (zelfstandig naamwoord), slaapkamer.
slaapkamerdeur, slaopkamerdeure, (zelfstandig naamwoord), slaapkamerdeur.
slaapliedje, slaoplietien, (zelfstandig naamwoord), slaapliedje.
slaapluis, slaopluzen, (zelfstandig naamwoord), slaapluizen, in bijv.: A-j last van de slaopluzen ebt, mu-j naor bedde ‘als je slaap hebt, moet je naar bed’.
slaapmuts, slaopmusse, (zelfstandig naamwoord), slaapmuts.
slaapmutsje, slaopmussien, (zelfstandig naamwoord), slaapmutsje, borrel voor het slapengaan.
slaapplaats, slaopplase, (zelfstandig naamwoord), slaapplaats.
slaapschuit, slaopskute, (zelfstandig naamwoord), woonboot.
slaapzak, slaopzak, (zelfstandig naamwoord), slaapzak.
slab, slabbe, (zelfstandig naamwoord), slab.
slabek, slaobek, (zelfstandig naamwoord), iemand met een grote mond.
slaboon, slaobone, (zelfstandig naamwoord), sperzie- of prinsesseboon.
slachten, slachen, (werkwoord), slach(t)en, eslach(, slachten.
slachterij, slachteri’je, (zelfstandig naamwoord), slachterij.
slachthuis, slachtuus, (zelfstandig naamwoord), slachthuis.
slachttijd, slachttied, (zelfstandig naamwoord), slachttijd.
sladood, slaodood, (zelfstandig naamwoord), lang, mager persoon. Wat een slaodood!
slagerij, slageri’je, (zelfstandig naamwoord), slagerij.
slagersworst, slagerswörst, (zelfstandig naamwoord), worst die de slager zelf heeft gemaakt.
slaghout, slag-olt, (zelfstandig naamwoord), 1. slaghout; 2. hakhout.
slagijzer, slagiezer, (zelfstandig naamwoord), 1. slagijzer, steenhouwersbeitel; 2. knip om ongedierte mee te vangen.
slak, slakke, (zelfstandig naamwoord), slak.
slakkengang, slakkegänggien, (zelfstandig naamwoord), slakkengangetje.
slakkenhuis, slakkenuus, (zelfstandig naamwoord), slakkenhuis.
slalip, slaolippe, (zelfstandig naamwoord), scheldwoord voor iemand die niet erg goochem is.
slang, slange, (zelfstandig naamwoord), slang.
slaolie, slao-öllie, (zelfstandig naamwoord), slaolie.
slapen, slaopen, (werkwoord), slöp, sliep, eslaopen, slapen.
slaper, slaoper, (zelfstandig naamwoord), slaper, logé. Ik kriege van de wèke een slaoper.
slaper, slaoperd, (zelfstandig naamwoord), sufferd.
slaperig, slaoperig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), slaperig.
slateren, slateren, (werkwoord), slateren, eslaterd, 1. knoeien; 2. langzaam aan doen, treuzelen.
slaterig, slaterig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), slordig. IJ is een bettien slaterig met zien wärk. Zie ook: slödderig, slördig.
slaterkont, slaterkonte, (zelfstandig naamwoord), slordig of vergeetachtig persoon.
slavink, slaovinke, (zelfstandig naamwoord), slavink.
slebballetje, slebbällegien, (zelfstandig naamwoord), blanke ulevel van witte suiker.
sleef, slieve, slief, (met lange ie), (zelfstandig naamwoord), sliefien, sleef, opscheplepel, soeplepel. Een sliefien gebruuk ie veur de jus.
sleepkar, slepköre, (zelfstandig naamwoord), kar met twee grote wielen en een klein wiel die niet over rails rijdt.
sleifer, sleifer, (zelfstandig naamwoord), kwijl. Zie ook: kwiel.
slemp, slempe, (zelfstandig naamwoord), slap aftreksel van iets, bijvoorbeeld van koffie.
slepen, sleppen, (werkwoord), sleppen, eslept, slepen. Zie ook: todden.
sleper, slepper, (zelfstandig naamwoord), sleper.
sleperij, slepperi’je, (zelfstandig naamwoord), gesleep.
slet, slette, (zelfstandig naamwoord), slet.
sleuf, sleuve, (zelfstandig naamwoord), sleuf, gleuf. Zie ook: gleuve.
sleutel, slöttel, slötel, slötel-, slöttel-, (zelfstandig naamwoord), sleutel.
sleutelbeen, slöttelbien, (zelfstandig naamwoord), sleutelbeen.
sleutelbos, slöttelbos, (zelfstandig naamwoord), sleutelbos.
sleutelen, slöttelen, (werkwoord), slöttelen, eslötteld, sleutelen.
sleutelgat, slöttelgat, (zelfstandig naamwoord), sleutelgat.
sleutelhanger, slöttelanger, (zelfstandig naamwoord), sleutelhanger.
slieber, slieber, (zelfstandig naamwoord), kwijl uit de bek van een hond. Zie ook: kwiel.
slier, sliere, (zelfstandig naamwoord), 1. lange rij. Zie ook: slierte; 2. lange vrouw.
slierak, slierakke, (zelfstandig naamwoord), slenteraar, iemand die veel op pad is. Zie ook: straotsliere.
sliert, slierte, (zelfstandig naamwoord), 1. sliert, lange reep; 2. lange rij. Zie ook: sliere.
slijk, sliek, (zelfstandig naamwoord), slijk. Iene deurt sliek en-alen ‘iemand iets schandelijks ten laste leggen’.
slijm, sliem, (zelfstandig naamwoord), slijm.
slijmbal, sliemballe, (zelfstandig naamwoord), slijmbal (persoon). Zie ook: sliemjörk, sliemerd.
slijmerd, sliemerd, zie: sliemballe.
slijmerig, sliemerig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), slijmerig.
slijmjurk, sliemjörk, zie: sliemballe.
slijpen, sliepen, (werkwoord), slip, sliepen, eslèpen, slijpen.
slijpmolen, sliepmölle, (zelfstandig naamwoord), slijpmolen, puntenslijper.
slijpsteen, sliepstien, (zelfstandig naamwoord), slijpsteen.
slijptol, slieptolle, (zelfstandig naamwoord), slijptol.
slijtage, slietazie, (zelfstandig naamwoord), slijtage.
slijten, slieten, (werkwoord), slit/sliet, sleet/slieten<, slijten.
slijter, slieter, (zelfstandig naamwoord), slijter.
slijterij, slieteri’je, (zelfstandig naamwoord), slijterij.
slikkeren, slikkeren, (werkwoord), slikkeren, eslikkerd, iets lekkers opsmikkelen, snoepen. Zie ook: snupen.
slikkerij, slikkeri’je, (zelfstandig naamwoord), lekkernij.
slim, slim, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. intelligent; 2. erg, hevig. IJ is slim ziek; 3. moeilijk. Zi’j eft best slim.
slimme, slimme, (zelfstandig naamwoord), iemand die niet deugt. Dät is een slimme!
slip, slippe, (zelfstandig naamwoord), slip.
slipjas, slippiesjässe, (zelfstandig naamwoord), jacquet.
slippertje, slippertien, (zelfstandig naamwoord), slippertje.
slochterhout, slochterolt, (zelfstandig naamwoord), (verouderd) soort zoetigheid die je vroeger in een bepaalde tijd van het jaar kon eten.
slodderig, slödderig, zie: slördig.
sloddervos, slödderfokse, slöddervosse, (zelfstandig naamwoord), sloddervos, slons, slordig gekleed iemand.
sloerig, sloerig, sloerderig, (bijvoeglijk naamwoord), vervelend, onaangenaam. Ik bin wat sloerig in de botten; sloerig in de rakkerd. Zie ook: gasterig, lammenadig.
slof, slof, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), niet vers, zacht geworden (van koekjes).
slof, sloffe, (zelfstandig naamwoord), sluffies, sluffien, slof, pantoffel, , meestal mv. van het verkleinwoord: sluffies.
slofhak, slof-akke, (zelfstandig naamwoord), 1. iemand die sloft; 2. laks persoon, treuzelaar; 3. slofhak (plant).
slok, slok, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), slap, niet strak. Dät elestiek zit slok in de broek.
slok, slukkien, (zelfstandig naamwoord), 1. slokje; 2. borrel. Mu-j nog een slukkien ebben? Zie ook: druppien.
slokdarm, slokdärm, (zelfstandig naamwoord), slokdarm.
slokjesbaas, slukkiesbaos, (zelfstandig naamwoord), kroegbaas.
slokken, sloeken, (werkwoord), sloeken, esloekt, gulzig drinken. Zie ook: kloeken.
slonde, slonde, (zelfstandig naamwoord), schort zonder bovenstuk. Zie ook: boezelaer, skölk, skört.
slons, slonze, (zelfstandig naamwoord), slons, onverzorgde vrouw.
slons, sluns, (zelfstandig naamwoord), slons, vies persoon.
sloof, slove, (zelfstandig naamwoord), sleufien, sloof, afgetobde vrouw. Die vrouwe is een sleufien.
sloot, sloot, (zelfstandig naamwoord), sleutien, sloot.
slootkant, slootkante, (zelfstandig naamwoord), slootkant.
slordig, slördig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), slordig. Zie ook: slaterig, slödderig.
slot, slot, (zelfstandig naamwoord), slöttien, slot.
sluik, sluuk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), sluik. Dät öör van oe angt wel ärg sluuk.
sluimer, slumer, (zelfstandig naamwoord), sluimer.
sluimeren, slumeren, (werkwoord), slumeren, eslumerd, sluimeren.
sluipen, slupen, (werkwoord), slöp, sloop, eslöpen, sluipen.
sluis, sluus, (zelfstandig naamwoord), sluis.
sluisdeur, sluusdeure, (zelfstandig naamwoord), sluisdeur.
sluiswachter, sluuswachter, (zelfstandig naamwoord), sluiswachter.
sluiten, sluten, (werkwoord), slöt, sloot, eslöten, sluiten.
sluiting, slutink, (zelfstandig naamwoord), sluiting.
sluitingstijd, slutingstied, (zelfstandig naamwoord), sluitingstijd.
sluitlaken, sluutlaken, (zelfstandig naamwoord), sluitlaken. Dat werd vroeger na een bevalling omgedaan zodat de buik weer stevig werd.
sluitspeld, sluutspelde, (zelfstandig naamwoord), veiligheidsspeld. Zie ook: veiligeidsspelde.
sluitspier, sluutspiere, (zelfstandig naamwoord), sluitspier.
slurf, slörfe, slörf, (zelfstandig naamwoord), slurf.
slurpen, slörpen, (werkwoord), slörpen, eslörpt, slurpen.
smakken, smaksen, (werkwoord), smaksen, esmakst, 1. smakken, luidruchtig eten; 2. vallen.
smakkers, smakkers, (zelfstandig naamwoord), grote voeten. Zie ook: smakpoten, smakvoeten, tjoemetjakpoten.
smakpoten, smakpoten, zie: smakkers.
smakvoeten, smakvoeten, zie: smakkers.
smederij, smederi’je, (zelfstandig naamwoord), smederij.
smeerdeken, smeerdèken, (zelfstandig naamwoord), smeerpoets. Zie ook: smeerdeuze, smeerkeze, smeerpiepe, smeerpoetse, smeertodde.
smeerdoos, smeerdeuze, zie: smeerdèken.
smeerkaas, smeerkeze, (zelfstandig naamwoord), smeerkaas.
smeerkees, smeerkeze, zie: smeerdèken.
smeerlap, smeerlappe, (zelfstandig naamwoord), smeerlap, gemeen persoon.
smeerlapperij, smeerlapperi’je, (zelfstandig naamwoord), smeerlapperij, vuile streken.
smeerolie, smeeröllie, (zelfstandig naamwoord), smeerolie.
smeerpijp, smeerpiepe, zie: smeerdèken.
smeerpoets, smeerpoetse, zie: smeerdèken.
smeertod, smeertodde, zie: smeerdèken.
smeerzalf, smeerzalve, (zelfstandig naamwoord), smeerzalf.
smeichelen, smeigelen, (werkwoord), smeigelen, esmeigeld, iemand naar de mond praten, vleien.
smelten, smelten, (werkwoord), smelt, smolt, esmölten, smelten.
smerig, smerig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), smerig.
smeugel, smeugel, (zelfstandig naamwoord), bedrieger.
smeugeltje, smeugeltien, (zelfstandig naamwoord), kleine rakker.
smiesterd, smiesterd, (zelfstandig naamwoord), onbetrouwbaar, gemeen iemand.
smiesterig, smiesterig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), smerig, gemeen.
smijten, smieten, (werkwoord), smit/smiet, smeet, esme
smikkelarij, smikkeleri’je, (zelfstandig naamwoord), iets om te smikkelen, snoep.
smoekse, smoekse, (zelfstandig naamwoord), slordig iemand.
smoeksen, smoeksen, smoksen, (werkwoord), smoeksen, esmoekst, onbeholpen lopen.
smoelenkluiver, smoelekloever, (zelfstandig naamwoord), iemand die de hele tijd iemand op de mond aan het zoenen is.
smoesterig, smoesterig, (bijvoeglijk naamwoord), smoezelig, onverzorgd. Zie ook: onzelig, voel, poesterig, podderig, poedelig.
smout, smolt, (zelfstandig naamwoord), reuzel.
snaaier, snaaierd, (zelfstandig naamwoord), snoeper. Zie ook: snuperd, snoepdeuze.
snaaierij, snaaieri’je, (zelfstandig naamwoord), snoeperij.
snaar, snaere, (zelfstandig naamwoord), snaar.
snauw, snauw, (zelfstandig naamwoord), bitse terechtwijzing.
sneb, sneppe, (zelfstandig naamwoord), snavel.
snee, sneej, snee, (zelfstandig naamwoord), snede.
sneeuw, sneej, snee, (zelfstandig naamwoord), sneeuw.
sneeuwbal, sneejballe, sneeballe, (zelfstandig naamwoord), sneeuwbal.
sneeuwbui, sneejbujje, sneebujje, (zelfstandig naamwoord), sneeuwbui.
sneeuwen, snejen, (werkwoord), snejen, esneejd, sneeuwen.
sneeuwklokje, sneejklökkien, sneeklökkien, (zelfstandig naamwoord), sneeuwklokje. Zie ook: nakend eersien.
sneeuwlaag, sneejlaoge, sneelaoge, (zelfstandig naamwoord), sneeuwlaag.
sneeuwpop, sneejpoppe, sneepoppe, (zelfstandig naamwoord), sneeuwpop.
sneeuwschuiver, sneejskoever, sneeskoever, (zelfstandig naamwoord), sneeuwschuiver.
sneeuwvlok, sneejvlokke, sneevlokke, (zelfstandig naamwoord), sneeuwvlok. Zie ook: witte bi’je, zie bi’je.
snert, snärt, (zelfstandig naamwoord), snert, erwtensoep. Zie ook: ärftensoep.
snibbe, snippe, kattekop, onvriendelijk meisje;
sniester, sniesterd, sniester, (zelfstandig naamwoord), 1. uitbrander; 2. sisser; 3. vuurwerksterretje.
sniesteren, sniesteren, snisteren, (werkwoord), sniesteren, esniesterd, sissen, het spatten in de pan.
snijbloem, sniejbloeme, sniebloeme, (zelfstandig naamwoord), snijbloem.
snijbonenmolen, sniejbonenmölle, sniebonenmölle, (zelfstandig naamwoord), snijbonenmolen.
snijboon, sniejbone, sniebone, (zelfstandig naamwoord), 1. snijboon (groente). Zie ook: klembone; 2. raar iemand.
snijden, sniejen, (werkwoord), snid, sneej, esnejen/esned, snijden.
snijder, sniejer, sni’jer, snieder, (zelfstandig naamwoord), kleermaker. Sniejer maak mi’j de broek wat wiejer, maer niet zo wied dät e mi’j van de konte of gliedt.
snijmachine, sniejmesjiene, sni’jmesjiene, sniemesjiene, (zelfstandig naamwoord), snijmachine.
snijsel, sniejsel, sniesel, (zelfstandig naamwoord), haksel, gehakt stro of gras.
snikheet, snik-iete, (bijvoeglijk naamwoord), snikheet.
snip, snippe, (zelfstandig naamwoord), snip, vogel.
snoeien, snuuien, (werkwoord), snuuien, esnuuid, snoeien.
snoeier, snuuier, (zelfstandig naamwoord), snoeier.
snoeimes, snuuimes, (zelfstandig naamwoord), snoeimes.
snoeischaar, snuuiskere, (zelfstandig naamwoord), snoeischaar.
snoepdoos, snoepdeuze, zie: snaaierd.
snoepen, snupen, (werkwoord), snupen, esnuupt, snoepen. Zie ook: slikkeren.
snoeper, snuperd, zie: snaaierd.
snoeperij, snuperi’je, (zelfstandig naamwoord), snoepgoed. Ook: snupies; zie ook: snuupgoed.
snoepgoed, snuupgoed, zie: snuperi’je.
snoepje, snupien, (zelfstandig naamwoord), snupies, (all. vkw.), snoepje.
snoepkraam, snuupkraome, (zelfstandig naamwoord), snoepkraam.
snor, snörre, (zelfstandig naamwoord), snörregien, snor. Zie ook: knèvel, öörlippe.
snotaap, snot-ape, (zelfstandig naamwoord), snotneus, snotjongen. Zie ook: snotternöze, snotterd, snotterkuken, snotterkop, snotjonk.
snotjongen, snotjonk, zie: snot-ape.
snotlap, snotterlappe, (zelfstandig naamwoord), zakdoek. Zie ook: zaddoek.
snottebel, snotterbelle, (zelfstandig naamwoord), 1. snottebel; 2. katjes van els, berk of hazelaar; 3. scheldnaam.
snotter, snotterd, zie: snot-ape.
snotterkop, snotterkop, zie: snot-ape.
snotterkuiken, snotterkuken, snotkuken, zie: snot-ape.
snotterneus, snotternöze, snotnöze, (zelfstandig naamwoord), 1. snotneus; 2. zie: snot-ape.
snufje, snuffien, (zelfstandig naamwoord), snufje, snuifje.
snuifdoos, snoefdeusien, (zelfstandig naamwoord), snuifdoosje.
snuisterij, snuusteri’je, (zelfstandig naamwoord), snuisterij.
snuit, snoete, (zelfstandig naamwoord), snutien, snoet, snuit, gezicht.
snuiven, snoeven, (werkwoord), snöf/snoeft, snoof/snoeven, 1. snuiven; 2. snuiten.
snuiver, snoeverd, (zelfstandig naamwoord), 1. uitbrander. Ik zal em een snoeverd gèven; 2. opschepper.
snurken, snörken, (werkwoord), snörken, esnörkt, snurken.
snurkijzer, snörkiezer, (zelfstandig naamwoord), bromfiets. Zie ook: pleuriezer, skeuriezer.
soepgroente, soepgruunte, (zelfstandig naamwoord), soepgroente.
soeps, soeps, (zelfstandig naamwoord), in: Dät is niet völle soeps ‘dat stelt niks voor’.
soes, soeze, (met lange oe), (zelfstandig naamwoord), 1. sufferd, raar iemand; 2. soes, gebak.
soezebol, soezebolle, (zelfstandig naamwoord), gemakzuchtig iemand.
soezen, soezen, (werkwoord), soezen, esoesd, het zitten suffen.
sok, sökke, (zelfstandig naamwoord), sok.
soldaat, soldaot, saldaot, (zelfstandig naamwoord), soldötien, soldaat.
solutie, selusie, seluutsie, (zelfstandig naamwoord), solutie, plakmiddel voor fietsbanden.
som, somme, (zelfstandig naamwoord), summegien, som.
sop, söppien, (zelfstandig naamwoord), sopje.
spaak, speke, speek, (zelfstandig naamwoord), spaak.
spaan, spaone, zie: spaonder.
spaander, spaonder, (zelfstandig naamwoord), spaander. Zie ook: spaone. Der bleef gien spaonder eel.
spaarbank, spöörbanke, (zelfstandig naamwoord), spaarbank.
spaarbankboekje, spöörbankbukien, (zelfstandig naamwoord), spaarbankboekje.
spaarpot, spöörpot, (zelfstandig naamwoord), spaarpot.
spaden, spaen, (werkwoord), spaen, espaed, spitten.
spanvogel, spannevaogel, (zelfstandig naamwoord), vlinder.
spanzaag, spanzage, (zelfstandig naamwoord), spanzaag.
spar, sparre, (zelfstandig naamwoord), spar, dennenboom.
sparen, spören, (werkwoord), spören, espöörd, 1. het sparen of achteruitleggen van geld. Zie ook: achteruutleggen; 2. verzamelen.
spartelen, spärtelen, (werkwoord), spärtelen, espärteld, spartelen.
spatbord, spatbörd, (zelfstandig naamwoord), spatbord.
spatlap, spatlappe, (zelfstandig naamwoord), spatlap.
speciemolen, speciemölle, (zelfstandig naamwoord), cement-, speciemolen.
speculeren, spikkeleren, (werkwoord), spikkeleren, espikkeleerd, speculeren.
speelgoed, spöllegoed, spölgoed, (zelfstandig naamwoord), speelgoed.
speelkwartier, spölketier, (zelfstandig naamwoord), speelkwartier.
speelplaats, spölplase, (zelfstandig naamwoord), speelplaats.
speelruimte, spölruumte, (zelfstandig naamwoord), speelruimte.
speels, spöls, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), speels.
speelschool, spölskoele, (zelfstandig naamwoord), kleuterschool.
speelsheid, spölsigeid, (zelfstandig naamwoord), speelsheid.
speeltuin, spöltuin, (zelfstandig naamwoord), speeltuin.
spekhaak, spekaoke, (zelfstandig naamwoord), grote haak waar halve varkens aan hangen.
spekje, spekkien, (zelfstandig naamwoord), spekje, soort snoep. Uitdr.: Dät is spekkien veur oew bekkien ‘dat is echt wat voor jou’, Dät is gien spekkien veur oew bekkien ‘dat krijg je niet!’
speklap, speklappe, (zelfstandig naamwoord), speklap.
speklappenbuurt, speklappenbuurte, (zelfstandig naamwoord), benaming voor een wat minder rijke buurt.
spel, spöllegien, spellegien, (zelfstandig naamwoord), spelletje.
speld, spelde, (zelfstandig naamwoord), 1. speld; 2. broche.
speldenknop, speldenknoppe, speldeknoppe, (zelfstandig naamwoord), speldenknop.
spelen, spöllen, (werkwoord), spöllen, espöld, spelen.
spelenderweg, spöllenderweg, (bijwoord), spelenderweg, al spelend.
spelenderwijs, spöllenderwieze, (bijwoord), spelenderwijs, gemakkelijk.
speling, spölling, (zelfstandig naamwoord), speling, speelruimte, mate van vrijheid.
spenderen, spanderen, (werkwoord), spanderen, espandeerd, spenderen, besteden. Döör mu-j niet völle geld an spanderen.
speurneus, speurnöze, (zelfstandig naamwoord), speurneus.
spier, spiere, (zelfstandig naamwoord), 1. (lichaams)spier; 2. halm, spriet. IJ ef nog gien spiere uutevoerd ‘hij heeft nog niets uitgevoerd’.
spiering, spierlink, (zelfstandig naamwoord), 1. spiering; 2. mager iemand.
spiernaakt, spiernakend, (bijvoeglijk naamwoord), spiernaakt.
spierpijn, spierpiene, (zelfstandig naamwoord), spierpijn.
spijker, spieker, (zelfstandig naamwoord), 1. spijker, draadnagel. Zie ook: draodnagel; 2. mager persoon.
spijkerbroek, spiekerbroek, (zelfstandig naamwoord), spijkerbroek.
Spijkerbrug, Spiekerbrugge, (zelfstandig naamwoord), Keersluisbrug aan de Willemsvaart. In 1878 werd een nieuwe keersluis gelegd om overstromingen tegen te gaan. Over de Willemvaart kwam een brug die vanwege de vastgespijkerde houten blokjes op het brugdek ook wel Spiekerbrugge werd genoemd. Sinds de demping in 1965-1966 is deze brug met de naastgelegen rolbrug voor voetgangers verdwenen.
spijkervet, spiekervet, (bijvoeglijk naamwoord), mager.
spijl, spiele, (zelfstandig naamwoord), spijl. De spielen van de trappe staon te wied uut mekaere.
spijs, spieze, (zelfstandig naamwoord), spijs.
spijt, spiet, (zelfstandig naamwoord), spijt.
spijten, spieten, (werkwoord), spit/spiet, speet, espeten, spijten.
spil, spille, (zelfstandig naamwoord), spil, as. Zie ook: asse.
spin, spinne, (zelfstandig naamwoord), spin. Zie ook: spinnekop.
spinde, spiende, (zelfstandig naamwoord), spinde, provisiekast, broodkast.
spinhuis, spinuus, (zelfstandig naamwoord), tuchthuis, gevangenis. Zo’n gebouw staat nog steeds aan de Menno van Coehoornsingel, voorheen Spinhuiswal, maar wordt niet meer in die hoedanigheid gebruikt. Vroeger werden de gevangenen aan het spinnen gezet.
spinnenkop, spinnekop, (zelfstandig naamwoord), 1. spin. Zie ook: spinne; 2. akelig meisje.
spinnerij, spinneri’je, (zelfstandig naamwoord), spinnerij.
spinrag, spinneraggel, (zelfstandig naamwoord), spinnenweb.
spinragen, spinneraggen, (werkwoord), ragen.
spleet, splete, (zelfstandig naamwoord), spleet, gleuf. Zie ook: gleuve.
splijten, splieten, (werkwoord), split, spleet, espleten, splijten, splitsen.
spocht, spocht, spoch, (zelfstandig naamwoord), klamme nattigheid.
spochterig, spochterig, (bijvoeglijk naamwoord), klammig nat.
spoelbak, spuulbak, (zelfstandig naamwoord), spoelbak.
spoelen, spulen, (werkwoord), spulen, espuuld, spoelen. De wasse spulen en de mond spulen. Zie ook: opspulen.
spoken, spoeken, (werkwoord), spoeken, espoekt, 1. spoken; 2. rondstruinen.
spons, sponze, (zelfstandig naamwoord), spunsien, spons.
spook, spoek, (zelfstandig naamwoord), speukien, 1. spook; 2. lelijk iemand.
Spoolderberg, Spoelderbärg, (zelfstandig naamwoord), Spoolderberg, de nu nog kleine heuvel bij de Willemsvaart. De Spoolderberg was groter, totdat in de zestiende en zeventiende eeuw het zand werd gebruikt voor de aanleg van een verdedigingslinie. Later verdween er nog een gedeelte door de aanleg van de Willemsvaart. Eeuwen geleden werden er vergaderingen gehouden door de bisschop van Utrecht als landsheer met vertegenwoordigers van Salland. Door de eeuwen heen werd de heuvel als recreatiegebied gebruikt.
spoorbaan, spoorbane, (zelfstandig naamwoord), spoorlijn.
spoorbrug, spoorbrugge, (zelfstandig naamwoord), spoorbrug.
spoorhaas, spooraze, (zelfstandig naamwoord), iemand die bij de NS werkt.
spoorwegen, spoorwègen, (zelfstandig naamwoord), spoorwegen, NS.
spoorweghuis, spoorwegusien, spoorusien, (zelfstandig naamwoord), spoorweghuisje, wachthuisje. Zie ook: spoorusien.
spoorzoeken, spoorzuken, (werkwoord), (all. hele werkwoord), spoorzoeken.
sport, spört, (zelfstandig naamwoord), sport.
sport, spört, (zelfstandig naamwoord), sport van een stoel of ladder.
sportaangelegenheid, spörtangelègeneid, (zelfstandig naamwoord), sportaangelegenheid.
sportaccommodatie, spörtakkemmedasie, (zelfstandig naamwoord), sportaccommodatie.
sportartikel, spörtärtikel, (zelfstandig naamwoord), sportartikel.
sportauto, spörtauto, zie: spörtwaegen.
sportbril, spörtbrille, (zelfstandig naamwoord), sportbril.
sportbroek, spörtbroek, (zelfstandig naamwoord), sportbroek.
sportcentrum, spörtcentrum, (zelfstandig naamwoord), sportcentrum.
sportclub, spörtclub, (zelfstandig naamwoord), sportclub, vereniging ter beoefening van sport.
sportdag, spörtdag, (zelfstandig naamwoord), sportdag.
sportdrank, spörtdrank, (zelfstandig naamwoord), sportdrank.
sporten, spörten, (werkwoord), spörten, espört, sporten.
sporter, spörter, (zelfstandig naamwoord), iemand die aan sport doet, sportbeoefenaar.
sportfiets, spörtfietse, (zelfstandig naamwoord), sportfiets, sportrijwiel.
sporthal, spörtalle, (zelfstandig naamwoord), sporthal.
sporthemd, spörtemd, spörtemp, (zelfstandig naamwoord), overhemd. Zie ook: aoveremd.
sportief, spörtief, (bijvoeglijk naamwoord), sportief.
sportkleding, spörtkleding, (zelfstandig naamwoord), sportkleding.
sportschoen, spörtskoe, (zelfstandig naamwoord), sportschoen.
sportschool, spörtskoele, (zelfstandig naamwoord), sportschool.
sporttas, spörttasse, (zelfstandig naamwoord), sporttas.
sportwagen, spörtwaegen, (zelfstandig naamwoord), sportwagen. Zie ook: spörtauto.
sportwedstrijd, spörtwedstried, (zelfstandig naamwoord), sportwedstrijd.
spraak, spraoke, sprake, (zelfstandig naamwoord), spraak, taal.
spreekbeurt, sprèèkbeurte, (zelfstandig naamwoord), spreekbeurt.
spreeuw, spreeuwe, sprao, (zelfstandig naamwoord), spreeuw. Een jonge spreeuw heet: dodde.
sprei, spreie, (zelfstandig naamwoord), sprei.
spreiden, spreien, (werkwoord), spreien, espreid, spreiden.
spreken, sprèken, (werkwoord), sprek/sprèèkt, sprak, espr, spreken.
spreker, sprèkerd, sprèker, (zelfstandig naamwoord), spreker.
spreu, spreu, (bijvoeglijk naamwoord), schraal, droog, ruw (van de huid of lippen). Zie ook: skraol.
sprinkhaan, sprinkane, (zelfstandig naamwoord), sprinkhaan.
sprits, spritsien, (zelfstandig naamwoord), soort koekje.
sproeien, spruuien, (werkwoord), spruuien, espruuid, sproeien.
sproeier, spruuier, (zelfstandig naamwoord), sproeier.
sproet, sproete, (zelfstandig naamwoord), sproet.
sprookje, spreukien, (zelfstandig naamwoord), sprookje.
spruit, sprute, (zelfstandig naamwoord), 1. spruit (groente); 2. klein kind.
spuit, spute, (zelfstandig naamwoord), spuit.
spuitbus, spuutbusse, (zelfstandig naamwoord), spuitbus.
spuiten, sputen, spuiten, (werkwoord), spöt, spoot, espöten, spuiten.
spuug, spi’je, (zelfstandig naamwoord), spuug.
spuwbak, spi’jbak, (zelfstandig naamwoord), spuugbak, kwispedoor.
spuwen, spi’jen, (werkwoord), spi’jt, spi’jen, espujjen/, 1. spugen; 2. overgeven. Zie ook: aovergèven.
staaf, stave, (zelfstandig naamwoord), staaf.
staal, stale, (zelfstandig naamwoord), monster. Een stale met stof veur bekleding.
staal, staol, (zelfstandig naamwoord), staal (metaal).
staalborstel, staolbörstel, (zelfstandig naamwoord), staalborstel.
staan, staon, (werkwoord), stiet, ston, estaon, staan. ‘t Ston mi’j niet an. IJ ston te klappertannen.
staangeld, staogeld, (zelfstandig naamwoord), staangeld.
staanplaats, staonplase, (zelfstandig naamwoord), staanplaats.
staart, staert, steert, (zelfstandig naamwoord), staart.
staartbot, staertbuttien, (zelfstandig naamwoord), staartbeentje, stuitbeen. Zie ook: stute.
staarterig, staerterig, (bijvoeglijk naamwoord), piekerig, met pieken.
staat, staot, (zelfstandig naamwoord), staat, toestand. In wat veur staot is dät uus? Dät kind is al best in staot umme allenig naor skoele te lopen.
staatsie, stasie, (zelfstandig naamwoord), staatsie (praal), vertoning.
staatsiewagen, stasiewaegen, (zelfstandig naamwoord), staatsiewagen, praalwagen.
stadhuis, staduus, (zelfstandig naamwoord), stadhuis, gemeentehuis.
stadig, staodig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), gestadig. Zie ook: gestaog, gestaodig.
staldeur, staldeure, (zelfstandig naamwoord), staldeur.
stalen, staolen, (bijvoeglijk naamwoord), stalen, gemaakt van staal. (fig.) Een staolen gezichte.
stallantaarn, stallanteern, (zelfstandig naamwoord), stallantaarn.
stam, stamme, (zelfstandig naamwoord), stam.
stamboom, stambome, (zelfstandig naamwoord), stamboom.
stammig, stammig, (bijvoeglijk naamwoord), stevig, gedrongen, kort van stuk.
stand-in-de-mand, stand-in-de-mand, (zelfstandig naamwoord), straatspel met een bal.
standje, stänkien, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), standje, uitbrander.
stang, stange, (zelfstandig naamwoord), stang.
stapelbed, stapelbedde, (zelfstandig naamwoord), stapelbed.
staren, staeren, (werkwoord), staeren, estaerd, staren.
start, stärt, (zelfstandig naamwoord), start. Een kolde stärt.
starten, stärten, (werkwoord), stärten, estärt, starten.
stee, stèè, (zelfstandig naamwoord), stee, plaats.
steeg, stège, (zelfstandig naamwoord), steeg.
steek, steek, stèke, (zelfstandig naamwoord), suikerballetje als snoepje, gemaakt van bruine suiker (zwarte steek), of van witte (blanke steek of slebbällegien).
steek, stèèk, (zelfstandig naamwoord), 1. steek. Ik krege een stèèk in mien zied; 2. insectensteek.
steekbeitel, stèèkbeitel, (zelfstandig naamwoord), steekbeitel.
steekhoed, stèèkutien, (zelfstandig naamwoord), steekhoedje, lontje.
steeknaald, stèèknaolde, (zelfstandig naamwoord), steeknaald, naald met scherpe punt.
steekneus, stèèknöze, (zelfstandig naamwoord), betweter.
steeksleutel, stekslöttel, (zelfstandig naamwoord), steeksleutel.
steektrap, stèèktrappe, (zelfstandig naamwoord), grote ladder met platte treden in plaats van sporten.
steekvlam, stèèkvlamme, (zelfstandig naamwoord), steekvlam.
steel, stelle, (zelfstandig naamwoord), steel. De stelle van een bessem.
steen, stien, (met lange ie), (zelfstandig naamwoord), steen.
steenkool, stienkaol, (zelfstandig naamwoord), steenkool. Zie ook: kaol.
steenpuist, stienpoeste, (zelfstandig naamwoord), steenpuist.
steenslag, stienslag, (zelfstandig naamwoord), steenslag.
Steenstraat, Stienstraote, (zelfstandig naamwoord), Steenstraat, aangelegd na 1324, was een van de eerste straten in de binnenstad die met stenen was belegd en daardoor zijn naam Steenstraat kreeg. De straat is gelegen tussen de Melkmarkt en de Buitenkant.
stek, stekke, (zelfstandig naamwoord), stekkien, 1. (meestal vkw. stekkien) stek van een plant; 2. stek, plaats.
stek, stikke, (zelfstandig naamwoord), stek, ijzeren paal. D’r stun een geite an de stikke.
stekel, stèkel, stèkel-, stekkel, stekkel-, (zelfstandig naamwoord), stekel, doorn. Zie ook: doorne.
stekelbaard, stèkelböörd, stekkelböörd, (zelfstandig naamwoord), stoppelbaard.
stekelbaars, stèkelböörs, stekkelböors, (zelfstandig naamwoord), stekelbaars.
stekelbes, stèkelbèze, stekkelbèze, zie: kruzebèze.
stekelvarken, stèkelvärken, stekkelvärken, (zelfstandig naamwoord), stekelvarken, egel.
steken, stèken, (werkwoord), stek, stak, estöken, 1. steken. Die bi’jen stèken slim. 2. uitspitten, uitgraven. ‘t Stèken van eerpels.
stelen, stèlen, (werkwoord), stèèlt, stal/stèlen, estöl, stelen.
stellage, stellazie, (zelfstandig naamwoord), stellage.
stelten, stölten, (zelfstandig naamwoord), stelten. Op oge stölten lopen.
stelwagen, stellewaegen, (zelfstandig naamwoord), boerenwagen, hooiwagen.
stem, stemme, (zelfstandig naamwoord), stem.
stemhokje, stem-ökkien, (zelfstandig naamwoord), stemhokje.
stemvork, stemvörke, (zelfstandig naamwoord), stemvork.
Stenen Pijp, Stienen Piepe, (zelfstandig naamwoord), Stenen Pijp, brug bij de Diezerkade sinds 1966, genoemd naar de dam die een gemetselde doorlaat had en vroeger dienst heeft gedaan als vloedmuur om het water tegen te houden.
stenig, stienderig, (bijvoeglijk naamwoord), stenig, vol stenen.
ster, sterre, (zelfstandig naamwoord), ster.
sterfhuis, stärfuus, (zelfstandig naamwoord), sterfhuis.
sterk, stärk, (bijvoeglijk naamwoord), sterk.
sterken, stärken, (werkwoord), stärken, estärkt, sterken.
sterkte, stärkte, (zelfstandig naamwoord), sterkte.
sterveling, stärveling, (zelfstandig naamwoord), sterveling.
sterven, stärven, (werkwoord), stärft, stierf/stärven, es, sterven, inslapen. Zie ook: aoverlieden, inslaopen.
steunen, stennen, (werkwoord), stennen, estend, kreunen, steunen. Die zit mi’j döör te stennen!
steunvreter, steunvrèter, (zelfstandig naamwoord), scheldwoord voor steunzoeker.
steunzool, steunzaole, (zelfstandig naamwoord), steunzool.
stevel, stiefel, (zelfstandig naamwoord), laars. Zie ook: leerze.
stevig, stèvig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), stevig. Die kaste zit stèvig in mekaere.
stiefzoon, stiefzönne, (zelfstandig naamwoord), stiefzoon.
stieken, stieken, (zelfstandig naamwoord), elastische kousenbanden.
stiems, stiems, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), koppig, onwillig.
stift, stifte, (zelfstandig naamwoord), stift.
stijf, stief, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. stijf, niet buigbaar; 2. ruim. Een stief ketiertien ‘ruim een kwartier’.
stijfkop, stiefkop, (zelfstandig naamwoord), stijfkop.
stijfsel, stiefsel, stiesel, (zelfstandig naamwoord), stijfsel. E-j nog stiefsel in mien witte skört edaon?
stijgen, stiegen, (met lange ie), (werkwoord), steg/stig, steeg, estegen<, stijgen.
stijl, stiel, (zelfstandig naamwoord), 1. stijl. IJ ef een bepaolde stiel; 2. staand gebint.
stijven, stieven, (werkwoord), stif, steef, esteven, stijven. Ik ebbe de wasse esteven.
stikduister, stikkeduuster, (bijvoeglijk naamwoord), stikdonker, pikdonker. Zie ook: pikkedonker.
stikheet, stik-iete, (bijvoeglijk naamwoord), stikheet.
stikziend, stikziende, (bijvoeglijk naamwoord), bijziend.
stil, stille, (bijvoeglijk naamwoord), stil. Uitdr.: Een vrouwenand en een peerdetand staon nooit stille ‘zijn altijd bezig’. De stille getuge was een koord dat vroeger in de bedstee hing (touw met knoop erin), om je daaraan op te trekken, de beddekwaste (zie daar).
stille, stille, (zelfstandig naamwoord), detective.
stinkveter, stinkveter, (zelfstandig naamwoord), smeulende veter. Deze werd door zonnestralen, versterkt door een vergrootglas, aan het smeulen gekregen.
stip, stippe, (zelfstandig naamwoord), stip.
stobbe, stobbe, (zelfstandig naamwoord), stobbe, boomstronk. Zie ook: boomstronke, stompe.
stoel, stoel, (zelfstandig naamwoord), stuultien, stoel.
stoelmat, stoelematte, stoelmatte, (zelfstandig naamwoord), stoelmat.
stoeltjeslift, stuultieslift, (zelfstandig naamwoord), stoeltjeslift.
stoep, stoepe, (zelfstandig naamwoord), stupien, stoep, trottoir.
stoet, stoete, (zelfstandig naamwoord), groot brood.
stoetenpap, stoetenpap, (zelfstandig naamwoord), broodpap.
stoethaspel, stoetäspel, (zelfstandig naamwoord), onhandig persoon.
stofjas, stofjässe, (zelfstandig naamwoord), stofjas.
stofkam, stofkamme, (zelfstandig naamwoord), stofkam, luizenkam. Zie ook: luzekamme.
stofzuiger, stofzoeger, (zelfstandig naamwoord), stofzuiger.
stokboon, stokbone, (zelfstandig naamwoord), stokboon.
stoken, staoken, (werkwoord), staoken, estaokt, stoken.
stoker, staoker, (zelfstandig naamwoord), stoker.
stokerij, staokeri’je, (zelfstandig naamwoord), stokerij.
Stokkenbijter, Stokkebieterd, (zelfstandig naamwoord), de Stokkebieterd, bijnaam voor een oude Zwolse dokter (waarschijnlijk wordt hiermee dokter Klinkert bedoeld). Hij werd zo genoemd omdat hij bij het nadenken altijd de dikke, ronde ivoren knop van zijn wandelstok tegen zijn mond hield.
stokpaard, stokpeertien, (zelfstandig naamwoord), stokpaardje.
stomp, stompe, (zelfstandig naamwoord), 1. stomp, kort overblijfsel, bijv. boomstronk. Die stompe zit nog in de grond. Zie ook: stobbe, boomstronke; 2. stoot of por. Ik krege mi’j toch een stompe in de zied.
stoof, staove, (zelfstandig naamwoord), stoof.
stoofpeer, staofpere, (zelfstandig naamwoord), stoofpeer.
stootje, steugien, (zelfstandig naamwoord), poosje, ogenblik. Zie ook: posien, sköffien.
stootkant, stootkante, (zelfstandig naamwoord), stootkant, zelfkant van stof.
stop, stoppe, (zelfstandig naamwoord), stöppien, 1. stop, dop, kurk. De stoppe zit nog op de flesse; 2. zekering. De stoppe is mi’j deureslagen.
stopgaren, stopgören, (zelfstandig naamwoord), stopgaren.
stoplap, stoplappe, (zelfstandig naamwoord), stoplap.
stopnaald, stopnaolde, (zelfstandig naamwoord), stopnaald.
stoppel, stöppel, (zelfstandig naamwoord), stoppel.
stoppelig, stöppelig, (bijvoeglijk naamwoord), stoppelig.
stopverf, stokvärve, zie: stopvärve.
stopverf, stopvärve, (zelfstandig naamwoord), stopverf. Zie ook: stokvärve (verouderd).
stopwerk, stopwärk, (zelfstandig naamwoord), stopwerk.
stopwol, stopwolle, (zelfstandig naamwoord), stopwol.
storen, steuren, (werkwoord), steuren,esteurd, storen.
storm, störm, (zelfstandig naamwoord), storm.
stormen, störmen, (werkwoord), störmen, estörmd, stormen.
stormlamp, störmlampe, (zelfstandig naamwoord), stormlamp.
stortbui, störtbujje, (zelfstandig naamwoord), stortbui.
storten, störten, (werkwoord), störten, estört, storten.
stortregen, störtrègen, (zelfstandig naamwoord), stortregen.
stotteren, stötteren, (werkwoord), stötteren, estötterd, stotteren.
stoven, staoven, (werkwoord), staoven, estaofd, stoven.
straal, straole, (zelfstandig naamwoord), strööltien, straal.
straaljager, straoljaeger, (zelfstandig naamwoord), straaljager.
straat, straote, (zelfstandig naamwoord), strötien, straat.
straatjongen, straotjonk, (zelfstandig naamwoord), straatjongen.
straatlantaarn, straotlanteern, (zelfstandig naamwoord), straatlantaarn.
straatliedje, straotlietien, (zelfstandig naamwoord), straatiedje.
straatnaam, straotname, (zelfstandig naamwoord), straatnaam.
straatslier, straotsliere, (zelfstandig naamwoord), slenteraar, iemand die door de straat slentert. Zie ook: slierakke.
straatsteen, straotstien, (zelfstandig naamwoord), straatsteen.
straatveger, straotvèger, (zelfstandig naamwoord), straatveger.
straatventer, straotventer, (zelfstandig naamwoord), straatventer.
straatverlichting, straotverlichtege, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), straatverlichting.
straatweg, straotweg, (zelfstandig naamwoord), straatweg.
strabant, strabantig, strabant, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), brutaal, streng.
straf, straf, (bijvoeglijk naamwoord), sterk. Een straf bäkkien koffie.
straf, straffe, (zelfstandig naamwoord), straf.
strak, strak, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), 1. strak; 2. streng. De juffrouw keek mi’j wat strak an umdä-k niet opletten.
stralen, straolen, (werkwoord), straolen, estraold, stralen.
stratendrek, straotendrek, (zelfstandig naamwoord), compost.
stratenmaker, straotemaker, (zelfstandig naamwoord), stratenmaker.
Streekje, Streekien ’t, (zelfstandig naamwoord), ‘t Streekien was vroeger een doodlopend straatje aan het Diezerplein met 5 à 6 huisjes met de wc’s achterin. Nu wordt de parkeerplaats aan de Schoolstraat zo genoemd omdat het pal achter het vroegere Streekien ligt.
streep, strepe, (zelfstandig naamwoord), streep.
streng, strenge, (zelfstandig naamwoord), streng. Wat een mooie strenge krallen e-j umme de als.
strengetjesbes, strenggiesbèze, (zelfstandig naamwoord), aalbes, rode bes. Zie ook: riesebèze.
strepel, streppel, (zelfstandig naamwoord), smalle strook.
streutenaar, strötenaer, (zelfstandig naamwoord), venter met eigen producten, van groente tot eieren.
striem, strieme, (zelfstandig naamwoord), striem.
strijd, stried, (zelfstandig naamwoord), strijd.
strijden, strieden, (werkwoord), strid, streed, estreden, strijden.
strijkbout, striekbolte, zie: striekiezer.
strijken, strieken, (werkwoord), strik/striekt, streek, est, strijken.
strijker, striekerd, strieker, (zelfstandig naamwoord), 1. strijker; 2. magnetiseur.
strijkertje, striekertien, (zelfstandig naamwoord), lucifer. Zie ook: lucifer, lucifersstökkien, strieköltien.
strijkgoed, striekgoed, (zelfstandig naamwoord), strijkgoed.
strijkhoutje, strieköltien, zie: striekertien.
strijkijzer, striekiezer, (zelfstandig naamwoord), strijkijzer, strijkbout. Zie ook: iezer, bolte, striekbolte.
strijkmand, striekmande, (zelfstandig naamwoord), strijkgoedmand.
strijkplank, striekplanke, (zelfstandig naamwoord), strijkplank.
strik, strikke, (zelfstandig naamwoord), 1. strik. Zie ook: lusse; 2. stropdas. Ook: (strop)dässe; 3. strik, val (voor wild).
strikvraag, strikvraoge, (zelfstandig naamwoord), strikvraag.
strippenkaart, strippenkaerte, (zelfstandig naamwoord), strippenkaart.
strompelen, strumpelen, (werkwoord), strumpelen, estrumpeld, strompelen.
stronk, stronke, (zelfstandig naamwoord), stronk.
strontbalg, strontbalg, (zelfstandig naamwoord), scheldnaam.
stronthaan, strontane, (zelfstandig naamwoord), hop, trekvogel met een grote kuif op de kop en een lange, recht snavel.
strontje, struntien, (zelfstandig naamwoord), zweertje aan het oog, strontje. Zie ook: paddeskieter.
strontjongen, strontjonk, (zelfstandig naamwoord), vervelend kind.
strooien, streuien, (werkwoord), streuien, estreuid, strooien.
strooigoed, streuigoed, (zelfstandig naamwoord), strooigoed.
strooisel, streuisel, (zelfstandig naamwoord), strooisel.
strooizout, streuizolt, (zelfstandig naamwoord), strooizout.
stroopsoldaatje, streupsoldötien, (zelfstandig naamwoord), stroopsoldaatje, ouderwets snoep.
strooptocht, streuptocht, (zelfstandig naamwoord), strooptocht.
strootje, streugien, (zelfstandig naamwoord), strootje.
strop, stroppe, (zelfstandig naamwoord), 1. strop, galg; 2. in: ‘n stroppe ebben ‘pech hebben’.
stropdas, stropdässe, (zelfstandig naamwoord), stropdas. Zie ook: dässe, strikke.
stropen, streupen, (werkwoord), streupen, estreupt, stropen.
stroper, streuper, (zelfstandig naamwoord), stroper.
stroperig, streuperig, (bijvoeglijk naamwoord), stroperig, dik vloeibaar, zoet, vleiend, lijmerig.
strot, strotte, (zelfstandig naamwoord), ströttien, strot, keel, hals. Zie ook: kèle, als, görgel, kèlewinkel.
strottenhoofd, strotteneufd, (zelfstandig naamwoord), strottenhoofd.
struik, struke, (zelfstandig naamwoord), strukien, struik.
struikachtig, strukerig, (bijvoeglijk naamwoord), struikachtig, vol struiken.
struikelblok, strukelblok, (zelfstandig naamwoord), struikelblok.
struikelen, strukelen, (werkwoord), strukelen, estrukeld, struikelen.
struinen, strunen, (werkwoord), strunen, estruund, 1. struinen; 2. gappen.
struisvogel, struusvaogel, (zelfstandig naamwoord), struisvogel.
stuifmeel, stoefmaal, (zelfstandig naamwoord), stuifmeel.
stuifzand, stoefzand, (zelfstandig naamwoord), stuifzand.
stuiken, stoeken, (werkwoord), stoeken, estoekt, blijven steken, niet verder kunnen.
stuip, stoepe, (zelfstandig naamwoord), stupien, stuip. Ik ète mi’j een stoepe in die stamppot boerenkool. ‘ik eet er veel te veel van’.
stuit, stute, (zelfstandig naamwoord), staartbeen, stuitbeen. Zie ook: staertbuttien.
stuiven, stoeven, (werkwoord), stöf, stoof, estöven, stuiven. Dät bultien zand veurt uus ef best estöven met die ärde wind.
stuiver, stuver, (zelfstandig naamwoord), stuiver, een vroeger muntstuk van vijf cent. Uitdr.: Zeuven stuver en een skone zaddoek ‘weinig zakgeld’.
stut, stutte, (zelfstandig naamwoord), stut, steun, stempel (in de bouw).
stuurs, stoers, (bijvoeglijk naamwoord), stuurs.
subiet, sebiet, (bijwoord), onmiddellijk, direct. Ik komme sebiet naor oe toe.
suiker, suker, (zelfstandig naamwoord), suiker.
suikerbeestje, sukerbiesien, (zelfstandig naamwoord), suikerbeestje, ouderwets snoepgoed dat je met sinterklaas in je schoen kreeg.
Suikerberg, Sukerbult, (zelfstandig naamwoord), het bij de Sassenpoort gelegen vroegere bastion Suikerberg, dat omstreeks 1595 tot stand is gekomen. Een vestingwerk, op de plek van het voormalige vrouwenklooster.
suikerbiet, sukerbiete, (zelfstandig naamwoord), suikerbiet.
suikerklontje, sukerkluntien, (zelfstandig naamwoord), suikerklontje.
suikeroom, sukereumpien, (zelfstandig naamwoord), suikeroompje, rijke erfoom.
suikerpeer, sukerpere, (zelfstandig naamwoord), suikerpeer (klein soort).
suikerpot, sukerpot, (zelfstandig naamwoord), suikerpot.
suikersinterklaasje, sukersunteklösien, (zelfstandig naamwoord), speculaasje.
suikersnoep, sukersnuup, (zelfstandig naamwoord), suikersnoep.
suikerspin, sukerspinne, (zelfstandig naamwoord), suikerspin, kermislekkernij bestaande uit gesponnen suiker om een stokje, lijkend op uitgeplozen watten.
suikerstrooier, sukerstreuier, (zelfstandig naamwoord), lepel of flacon met gaatjes.
suikertante, sukertante, (zelfstandig naamwoord), suikertante, rijke erftante.
suikertiet, sukertitte, (zelfstandig naamwoord), zoetekauw. Zie ook: zutekauw, zuutals.
suikervrij, sukervri’j, (bijvoeglijk naamwoord), suikervrij.
suikerzakje, sukerzäkkien, (zelfstandig naamwoord), suikerzakje.
suizen, soezen, (werkwoord), soezen, esoesd, 1. suizen, een geluid maken ten gevolge van een snelle beweging; 2. zacht ruisen van de wind of het ruisen in de oren.
sukade, sekade, (zelfstandig naamwoord), sukade.
sukadelap, sekadeläppien, (zelfstandig naamwoord), sukadelapje.
sukelukes, sukelukes, (zelfstandig naamwoord), sufferd, slome.
taai, taoi, (bijvoeglijk naamwoord), taai. Wat een taoi stuk vleis. Die noga is maer wat taoi.
taaie, taoie, (zelfstandig naamwoord), taaie. Die kerel is een ärge taoie want IJ kan eel wat ebben.
taaiemieter, taoiemieter, (zelfstandig naamwoord), toffee of steek.
taalboek, taalbukien, (zelfstandig naamwoord), taalboekje.
taalgevoel, taalgevuul, (zelfstandig naamwoord), taalgevoel.
taalles, taallesse, (zelfstandig naamwoord), taalles.
taalonderzoek, taalonderzuuk, (zelfstandig naamwoord), taalonderzoek.
taart, taerte, (zelfstandig naamwoord), taart.
tabak, tebak, (zelfstandig naamwoord), tabak, shag. Zie ook: sjek.
tabaksboer, tebaksboer, (zelfstandig naamwoord), tabakswinkel. Zie ook: segrettenboer.
tabaksbuil, tebaksbule, (zelfstandig naamwoord), tabakszak.
tabaksdoos, tebaksdeuze, (zelfstandig naamwoord), tabaksdoos.
tabakspijp, tebakspiepe, (zelfstandig naamwoord), tabakspijp.
tabakspot, tebakspot, (zelfstandig naamwoord), tabakspot.
tabakspruim, tebaksproeme, (zelfstandig naamwoord), tabakspruim
tablet, tablette, (zelfstandig naamwoord), tablet. Zie ook: teblettien.
tabletje, teblettien, (zelfstandig naamwoord), tabletje (geneesmiddel).
tachtig, tachentig, tachtig, (telwoord), tachtig.
tafel, taofel, (zelfstandig naamwoord), töfeltien, tafel.
tafelkleed, taofelkleed, (zelfstandig naamwoord), tafelkleed.
tafelloper, taofelloper, (zelfstandig naamwoord), tafelloper.
tak, takke, (zelfstandig naamwoord), täkkien, tak.
takkenbos, takkebos, (zelfstandig naamwoord), takkenbos.
takkewijf, takkewief, (zelfstandig naamwoord), takkewijf, akelige vrouw.
talhout, talolt, (zelfstandig naamwoord), smalle plank, panlat, aanmaakhout. IJ is zo mager as een talolt ‘hij is erg mager’.
tamper, tamper, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), rins, zurig (bijv. van appels).
tand, tand, (zelfstandig naamwoord), tannen, täntien, tand.
tandarts, tandärts, (zelfstandig naamwoord), tandarts.
tandenborstel, tannenbörstel, (zelfstandig naamwoord), tandenborstel.
tandenstoker, tannenstaoker, (zelfstandig naamwoord), tandenstoker.
tandpijn, tandpiene, tampiene, (zelfstandig naamwoord), tandpijn. Zie ook: tandzeerte.
tandvlees, tandvleis, (zelfstandig naamwoord), tandvlees.
tandzeer, tandzeerte, zie: tandpiene.
tang, tange, (zelfstandig naamwoord), tänggien, tang.
tante, tante, (zelfstandig naamwoord), tante. Vroeger: meuie.
tarten, tärten, (werkwoord), tärten, etärt, tarten.
tarwe, tärwe, (zelfstandig naamwoord), tarwe. Zie ook: weite (verouderd).
tas, tasse, (zelfstandig naamwoord), tässien, tas.
te, te, 1. bw., te. IJ is döör te ziek veur; 2. vz., per. As wi’j eerlijk delen dan doen wi’j te man de elfte.
teef, teve, (zelfstandig naamwoord), teef.
teek, teke, (zelfstandig naamwoord), teek (insect).
teen, tie, (verkleinwoord en meervoud met een lange ie), (zelfstandig naamwoord), tienen, tientien, tiegien, teen. Zie ook: tien.
teen, tien, (met lange ie), tienen, tientien, zie: tie.
teerkwast, teerkwaste, (zelfstandig naamwoord), teerkwast.
teerton, teertonne, (zelfstandig naamwoord), teerton.
tegel, tègel, (zelfstandig naamwoord), tegel.
tegelijk, tegelieke, (bijwoord), tegelijk.
tegelijkertijd, tegeliekertied, (bijwoord), tegelijkertijd.
tegenaan, tegenan, (bijwoord), tegenaan. Dät lig ter tegenan.
tegendraads, tegendraods, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), tegendraads.
tegenhouden, tegenollen, (werkwoord), tegenhouden.
tegenkomen, tegenkommen, (werkwoord), tegenkomen.
tegenover, tegenaover, (voorzetsel, bijwoord), tegenover.
tegenpartij, tegenpeti’je, (zelfstandig naamwoord), tegenpartij.
tegenpraten, tegenpraoten, (werkwoord), tegenspreken.
tegensputteren, tegensputteren, (werkwoord), sputteren tegen, tegen-esputterd<, tegensputteren.
tegenstribbelen, tegenstribbelen, (werkwoord), stribbelen tegen, tegen-estribbel, tegenstribbelen.
tegenstrijden, tegenstrieden, (werkwoord), tegenstrijden.
tegenstrijdig, tegenstriedig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), tegenstrijdig.
tehuis, te-uus, (zelfstandig naamwoord), tehuis.
tekentafel, tekentaofel, (zelfstandig naamwoord), tekentafel.
tekenvoorbeeld, tekenveurbeeld, (zelfstandig naamwoord), tekenvoorbeeld.
tekort, tekört, (zelfstandig naamwoord), tekort.
telder, telder, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), (etens)bord. Zie ook: börd.
telefoon, tillefoon, (zelfstandig naamwoord), telefoon. Zie ook: lulapperaat, luliezer.
telefoonbotje, telefoonbuttien, (zelfstandig naamwoord), telefoonbotje.
telegram, tillegram, (zelfstandig naamwoord), telegram.
televisie, tillevizie, (zelfstandig naamwoord), televisie. Zie ook: kiekdeuze.
temet, temee, (bijwoord), straks.
temperatuur, temperetuur, (zelfstandig naamwoord), temperatuur.
tenminste, teminsten, teminsen, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), tenminste.
tent, tente, (zelfstandig naamwoord), 1. tent; 2. wijd kledingstuk.
tentoonstelling, tenteunstelling, (zelfstandig naamwoord), tentoonstelling.
tepel, tèpel, (zelfstandig naamwoord), tepel. Zie ook: päppe, titte.
terecht, terechte, (bijwoord), terecht, in orde, gereed. Die is goed terechte ekommen.
terecht, terech, (bijwoord), terecht, terug. Dät kump wel terech.
tergen, tärgen, (werkwoord), tärgen, etärgd, tergen.
terp, terpe, (zelfstandig naamwoord), terp.
terug, terugge, (bijwoord), terug. Zie ook: weerumme.
test, teste, (zelfstandig naamwoord), test (in de stoof).
testament, testement, (zelfstandig naamwoord), testament.
tevoren, teveuren, (bijwoord), tevoren.
tevreden, tevrèden, tevrèèn, tevrejen, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), tevreden.
tevredenheid, tevrèdeneid, (zelfstandig naamwoord), tevredenheid.
teweegbrengen, tewègebrengen, (werkwoord), teweegbrengen.
theelichtje, theelichien, (zelfstandig naamwoord), theelichtje, theestoof. Zie ook: theestövien.
theemuts, theemusse, (zelfstandig naamwoord), theemuts.
theestoof, theestövien, zie: theelichien.
theezakje, theezäkkien, (zelfstandig naamwoord), theezakje.
theezeef, theezefien, (zelfstandig naamwoord), theezeefje.
thuis, thuus, (bijwoord), thuis.
thuiskomen, thuuskommen, (werkwoord), thuiskomen.
thuiskomst, thuuskomst, (zelfstandig naamwoord), thuiskomst.
tien, tiene, (telwoord), tien.
tientje, tientien, (met korte ie), (zelfstandig naamwoord), tientje, bankbiljet van tien euro.
tiet, titte, (zelfstandig naamwoord), 1. vrouwenborst; 2. tepel. Zie ook: päppe, tèpel.
tijd, tied, (zelfstandig naamwoord), tietien, tijd. Uut de tied raken ‘overlijden’.
tijdens, tiedens, (voorzetsel), tijdens, gedurende.
tijdig, tiedig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), tijdig.
tijdklok, tiedklokke, (zelfstandig naamwoord), tijdklok
tijdschrift, tiedskrift, (zelfstandig naamwoord), tijdschrift.
tijdverdrijf, tiedverdrief, (zelfstandig naamwoord), tijdverdrijf.
tijk, tiek, (zelfstandig naamwoord), tijk, beddengoed, dekbedovertrek. Zie ook: beddegoed.
tijloos, tieloze, (zelfstandig naamwoord), narcis. Zie ook: närcisse.
tijmstruik, tiemstruke, (zelfstandig naamwoord), tijmstruik. N.B. het keukenkruid wordt tijm genoemd.
timp, timpe, (zelfstandig naamwoord), klein broodje.
tip, tippe, (zelfstandig naamwoord), tip, punt.
tjoemetjakpoten, tjoemetjakpoten, (zelfstandig naamwoord), grote voeten. Zie ook: smakkers, smakpoten, smakvoeten.
tocht, toch, (zelfstandig naamwoord), töchien, 1. tocht, wind. IJ ef een bettien toch opt oge ekrègen; 2. reis. Zie ook: reize.
tochten, tochen, (werkwoord), tochen, etoch, tochten. ‘t Tochen bi’j oe in uus.
tochtgat, tochgat, (zelfstandig naamwoord), tochtgat, trekgat.
tochtsloot, tochsloot, (zelfstandig naamwoord), tochtsloot.
tod, todde, (zelfstandig naamwoord), 1. tod, vod, lor; 2. lapje katoen met suiker gedoopt in brandewijn; 3. smerige vrouw, slons; 4. kind. Wat een läkkere todde.
todden, todden, (werkwoord), todden, etod, slepen, dragen. Döör gao ik niet met todden. Zie ook: sleppen.
toef, toefte, (zelfstandig naamwoord), tufien, 1. pluk, dot; 2. kuif; 3. haarwrong. Zie ook: dodde.
toeknopen, toeknuppen, (werkwoord), dichtknopen. Zie ook: dichteknuppen.
toekomen, toekommen, (werkwoord), toekomen.
toekomend, toekommend, (bijvoeglijk naamwoord), aanstaand. zie ook: ankommend.
toelaten, toelaoten, (werkwoord), toelaten.
toentertijd, toendertied, (bijwoord), toen(tertijd).
toer, toer, (zelfstandig naamwoord), 1. toer (bij het breien); 2. zwaar, moeilijk werk. Dät isn ele toer!
toeslaan, toeslaon, (werkwoord), toeslaan.
toet, toete, (zelfstandig naamwoord), mond, gezicht. Zie ook: gezichte.
toetewaal, toetewale, (zelfstandig naamwoord), raar iemand. Wat een raere toetewale.
toezebol, toesebolle, (zelfstandig naamwoord), lisdodde. Zie ook: pollepeze, pallempeze.
toezelen, toeselen, (werkwoord), toeselen, etoeseld, duikelen. Zie ook: dukelen.
toffelemoon, toffelemaone, (zelfstandig naamwoord), scheldnaam voor rooms katholieken. Dät is der iene van de toffelemaone.
tok, toekse, (zelfstandig naamwoord), 1. slordige naaister; 2. oude vrouw. Wat een olde toekse!
tokken, toeksen, (werkwoord), toeksen, etoekst, slordig naaien.
tol, tolle, (zelfstandig naamwoord), töllegien, tol.
tomaat, temate, (zelfstandig naamwoord), temötien, tomaat.
ton, tonne, (zelfstandig naamwoord), tunnegien, ton, kuip. Zie ook: kupe.
tondeldoos, tondeldeuze, (zelfstandig naamwoord), tondeldoos.
toneel, teneel, (zelfstandig naamwoord), toneel.
toneelspelen, teneelspöllen, (werkwoord), toneelspelen.
toneelspeler, teneelspöller, (zelfstandig naamwoord), toneelspeler.
toneeluitvoering, teneeluutvoerink, (zelfstandig naamwoord), toneeluitvoering.
tonen, teunen, (werkwoord), teunen, eteund, tonen.
tong, tonge, (zelfstandig naamwoord), tungegien, tong.
tongblaar, tongblöre, (zelfstandig naamwoord), tongblaar, mond- en klauwzeer (m.k.z.).
tonnenbanden, tonnebannen, (werkwoord), tonnebannen, etonneband, (verouderd), hoepelen.
tonnetjeskerel, tunnegieskerel, (zelfstandig naamwoord), (verouderd), tonnetjesman, man van de gemeentereiniging die de tonnetjes met faeces ophaalde. Zie ook: butkieper.
tonprater, tonnepraoter, (zelfstandig naamwoord), feestredenaar tijdens het carnaval.
tont, tonte, (zelfstandig naamwoord), oude doek.
toom, teum, (zelfstandig naamwoord), toom, span.
toon, tone, (zelfstandig naamwoord), teuntien, toon.
toonbank, teunebanke, (zelfstandig naamwoord), toonbank.
toonhoogte, tooneugte, (zelfstandig naamwoord), toonhoogte.
toonkamer, teunkamer, (zelfstandig naamwoord), toonkamer, toonzaal, showroom.
top, toppe, (zelfstandig naamwoord), töppien, top.
tor, törre, (zelfstandig naamwoord), tor.
toren, toren, (zelfstandig naamwoord), teurentien, toren.
tornen, törnen, (werkwoord), törnen, etörnd, tornen.
tornmes, törnmessien, (zelfstandig naamwoord), tornmesje.
tortelduif, törteldoeve, (zelfstandig naamwoord), tortelduif.
tot, töt, (voorzetsel, voegwoord), tot.
totdat, tötdät, (voegwoord), totdat.
totebel, teutebelle, (zelfstandig naamwoord), 1. treuzelaar, talmer; 2. kletskous; 3. visnet (vierkante korf).
touter, talter, (zelfstandig naamwoord), schommel. Zie ook: skommel.
touteren, talteren, (werkwoord), talteren, etalderd, schommelen. Zie ook: skommelen.
touw, touw, (zelfstandig naamwoord), touw.
tovenaar, teuvenaer, (zelfstandig naamwoord), tovenaar. Zie ook: goochelaer.
toverbal, teuverballe, (zelfstandig naamwoord), toverbal (snoepgoed).
toveren, teuveren, (werkwoord), teuveren, eteuverd, toveren, goochelen.
toverheks, teuver-ekse, (zelfstandig naamwoord), toverheks. Zie ook: teuverkolle.
toverkol, teuverkolle, zie: teuver-ekse.
toverlantaarn, teuverlanteern, (zelfstandig naamwoord), toverlantaarn.
traag, traog, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), traag.
traan, traon, (zelfstandig naamwoord), traan (olie).
traan, traone, (zelfstandig naamwoord), trööntien, traan, oogvocht.
traanbuis, traonbuize, (zelfstandig naamwoord), traanbuis.
traktatie, traktaosie, trakketaosie, (zelfstandig naamwoord), traktatie.
transport, transpört, (zelfstandig naamwoord), transport.
trap, trappe, (zelfstandig naamwoord), trap (met treden).
trap, trappe, (zelfstandig naamwoord), val (voor dieren).
traploper, trapleuper, (zelfstandig naamwoord), traploper. Zie ook: leuper.
trapperen, trapperen, (werkwoord), trapperen, etrappeerd, betrappen.
tred, tred, trèè, (zelfstandig naamwoord), sliertje in een ei.
trede, trèè, (zelfstandig naamwoord), 1. tree, trede; 2. stap, schrede.
treden, trejen, (werkwoord), treejt/tred, trad, etrejen, treden.
treeft, trefien, (zelfstandig naamwoord), onderzetter, treefje.
treffen, treffen, (werkwoord), treft, trof, etröffen, treffen.
trekdoos, trekdeuze, (zelfstandig naamwoord), trekharmonica, accordeon. Zie ook: trekkaste.
trekhaak, trekaoke, (zelfstandig naamwoord), trekhaak.
trekhark, trekärke, (zelfstandig naamwoord), trekhark, grote brede hark met kromme tanden om het laatste hooi weg te harken.
trekkar, trekköre, (zelfstandig naamwoord), trekkar, handwagen.
trekkast, trekkaste, zie: trekdeuze.
trekken, trekken, (werkwoord), trekt, trök, etrökken, trekken.
trekpaard, trekpeerd, (zelfstandig naamwoord), trekpaard.
trekschuit, trekskute, (zelfstandig naamwoord), trekschuit.
treuter, tröter, (zelfstandig naamwoord), 1. trompet, toeter, claxon; 2. trompetter.
triestig, triestig, (zelfstandig naamwoord), triest, troosteloos.
trillerig, trilderig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), trillerig.
trioele, trioele, (zelfstandig naamwoord), puttentikkertje. Als je op de put staat, ben je vrij; trioele betekent letterlijk ‘het riool’.
trip, trippien, (zelfstandig naamwoord), leertje op lage klomp. Zie ook: leertien.
tripjesklomp, trippiesklompe, (zelfstandig naamwoord), klomp met korte roef.
troel, troele, (zelfstandig naamwoord), rare vrouw.
troost, treust, (zelfstandig naamwoord), troost. ‘t Was een treust veur mi’j dä-j bi’j de begraffenisse anwezig wazzen.
troosten, treusten, (werkwoord), treus(t)en, etreust, troosten.
tros, trosse, (zelfstandig naamwoord), trössien, tros.
trouwboekje, trouwbukien, (zelfstandig naamwoord), trouwboekje.
trouwerij, trouweri’je, (zelfstandig naamwoord), trouwerij.
tuig, tuug, (zelfstandig naamwoord), 1. tuig, gemene lui; 2. tuig van trekdier.
tuimelen, tumelen, (werkwoord), tumelen, etumeld, tuimelen, vallen.
tuimelig, tumelig, (bijvoeglijk naamwoord), wankel, onvast. Zie ook: tutelig.
tuinen, tunen, (werkwoord), tunen, etuund, vlechten, omheinen.
tuinhamer, tuunamer, (zelfstandig naamwoord), grote hamer met lange steel om palen mee in de grond te slaan.
tuinhek, tuinekke, (zelfstandig naamwoord), tuinhek.
tuit, tute, (zelfstandig naamwoord), 1. puntzak; 2. tuit van thee- of koffiepot.
tuitelig, tutelig, zie: tumelig.
tuiter, tuter, (zelfstandig naamwoord), grutto.
tuitering, tuterink, (zelfstandig naamwoord), tureluur.
tuksen, tuksen, (werkwoord), tuksen, etukst, springen, huppelen. Zie ook bij: dodde, liekelatte.
turf, törf, (zelfstandig naamwoord), 1. turf; 2. kleine jongen.
turfmand, törfmande, (zelfstandig naamwoord), turfmand.
Turfmarkt, Törfmärkt, Törfmärk, (zelfstandig naamwoord), een plein aan het Almelose Kanaal, waar gemetst (gevoetbald) werd. Vroeger stonden er houten huisjes. Nu is het een parkeerplaats, waar eens per jaar de voorjaarskermis wordt gehouden.
turfmolm, törfmolm, (zelfstandig naamwoord), turfmolm. Zie ook: törfmot.
turfmot, törfmot, zie: törfmolm.
turfschip, törfskip, (zelfstandig naamwoord), turfschip, turfschuit. Zie ook: törfskute.
turfschop, törfskuppe, (zelfstandig naamwoord), turfschop.
turfschuit, törfskute, zie: törfskip.
turfstrooisel, törfstreuisel, (zelfstandig naamwoord), turfstrooisel.
turven, törven, (werkwoord), törven, etörfd, 1. turven, het stapelen van bijvoorbeeld hout of turf; 2. tellen.
tussendeur, tussendeure, (zelfstandig naamwoord), tussendeur.
tussendoor, tussendeur, (bijwoord), tussendoor.
tussendoortje, tussendeurtien, (zelfstandig naamwoord), tussendoortje, versnapering.
tussenhandel, tussenandel, (zelfstandig naamwoord), tussenhandel.
tussenhandelaar, tussenandelaer, (zelfstandig naamwoord), tussenhandelaar.
tussenmuur, tussenmure, (zelfstandig naamwoord), tussenmuur.
tussenpoos, tussenpoze, (zelfstandig naamwoord), tussenpoos.
tussenruimte, tussenruumte, (zelfstandig naamwoord), tussenruimte.
tussentijds, tussentieds, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), tussentijds.
tussenuit, tussenuut, (bijwoord), tussenuit.
tuut, tute, (zelfstandig naamwoord), politieagent. Zie ook: pliesie.
twaalf, twalef, (telwoord), twaalf.
twee, twie, (telwoord), twee. Ik eb twie breurs. ‘t Bint er twie.
tweebak, twiebak, (zelfstandig naamwoord), beschuit. Zie ook: beskute.
tweede, twiede, (telwoord), tweede.
tweedehands, twiede-ands, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), tweedehands.
tweedejaars, twiedejöörs, (bijvoeglijk naamwoord), tweedejaars.
tweedelig, twiedelig, (bijvoeglijk naamwoord), tweedelig.
tweedens, twiedes, (zelfstandig naamwoord), de tweede. IJ is twiedes ewörren ‘hij is op de tweede plaats geëindigd’.
tweederangs, twiederanks, (bijvoeglijk naamwoord), tweederangs.
tweedonker, twiedonker, (met lange ie), zie: twieduuster.
tweedracht, twiedracht, (zelfstandig naamwoord), tweedracht.
tweeduister, twieduuster, (zelfstandig naamwoord), schemering, schemerdonker. Zie ook: skemer, twiedonker (verouderd).
tweegezinswoning, twiegezinswonink, (zelfstandig naamwoord), duplexwoning.
tweeling, twieling, (zelfstandig naamwoord), tweeling.
tweelingbroer, twielingbreur, (zelfstandig naamwoord), tweelingbroer.
tweelingzuster, twielingzuster, (zelfstandig naamwoord), tweelingzuster.
tweemaal, twiemaol, (bijwoord), tweemaal.
tweepitter, twiepitter, (zelfstandig naamwoord), 1. lamp of kookstel met twee pitten; 2. tweecilindermotor.
tweetal, twietal, (zelfstandig naamwoord), tweetal.
tweetalig, twietalig, (bijvoeglijk naamwoord), tweetalig.
twijfel, twiefel, (zelfstandig naamwoord), twijfel.
twijfelaar, twiefelaer, (zelfstandig naamwoord), 1. twijfelaar, iemand die twijfelt; 2. ledikant dat het midden houdt tussen een één- en tweepersoons.
twijfelachtig, twiefelachtig, (bijvoeglijk naamwoord), twijfelachtig.
twijfelen, twiefelen, (werkwoord), twiefelen, etwiefeld, twijfelen.
twijg, twiege, (zelfstandig naamwoord), twijg.
twijndraad, twiendraod, (zelfstandig naamwoord), getwijnd garen, dubbel draad.
twintig, twintig, (telwoord), twintig.
u, oe, (persoonlijk voornaamwoord meervoud), jou. Dät is van oe.
uil, oele, (zelfstandig naamwoord), uultien, 1. uil; 2. domoor. Zie ook: öle, oelewapper; 3. (nacht)vlinder.
uil, öle, (zelfstandig naamwoord), slome duikelaar. Zie ook: oele, oelewapper.
uilenbal, oeleballe, (zelfstandig naamwoord), uilenbal.
uilskuiken, uulskuken, (zelfstandig naamwoord), uilskuiken.
uit, uut, (voorzetsel, bijwoord), uit.
uit-de-kijk, uut-de-kiek, (bijwoord), uit de kunst, uitstekend, zeer goed.
uitademen, uutaosemen, (werkwoord), uitademen.
uitbarsting, uutbärsting, (zelfstandig naamwoord), uitbarsting.
uitbenen, uutbienen, (werkwoord), bienen uut, uutebiend, uitbenen.
uitbesteden, uutbesteden, (werkwoord), besteden uut, uutbesteed, uitbesteden.
uitbijten, uutbieten, (werkwoord), uitbijten.
uitblazen, uutblaozen, (werkwoord), uitblazen.
uitblijven, uutblieven, (werkwoord), uitblijven.
uitbloeien, uutbluuien, (werkwoord), uitbloeien.
uitborstelen, uutbörstelen, (werkwoord), börstelen uut, uutebörsteld, uitborstelen.
uitbreken, uutbrèken, (werkwoord), uitbreken.
uitbroeien, uutbruuien, (werkwoord), uitbroeien.
uitbuiten, uutbuten, (werkwoord), buten uut, uutebuut, uitbuiten.
uitdelen, uutdelen, (werkwoord), delen uut, uutedeeld, uitdelen.
uitdeuken, uutdökken, (werkwoord), dökken uut, uutedökt, uitdeuken.
uitdijen, uutdi’jen, (werkwoord), di’jen uut, uutedi’jd, uitdijen.
uitdoen, uutdoen, (werkwoord), uitdoen.
uitdraaien, uutdreien, (werkwoord), uitdraaien.
uitdrijven, uutdrieven, (werkwoord), uitdrijven. De onreine geesten uutdrieven.
uitdrogen, uutdreugen, (werkwoord), uitdrogen.
uitdrukking, uutdrukking, (zelfstandig naamwoord), uitdrukking.
uitduiden, uutbeduden, zie: uutduden.
uitduiden, uutduden, uutdujen, (werkwoord), uitduiden. Zie ook: uutbeduden.
uitdunnen, uutdunnen, (werkwoord), dunnen uut, uutedund, uitdunnen.
uiteinde, uutende, (zelfstandig naamwoord), uiteinde.
uiten, uten, uten, e-uut, zie: uteren.
uiten, uteren, (werkwoord), uteren, e-uterd, uiten. Zie ook: uten.
uiterlijk, uterlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord), uiterlijk.
uiterst, uterst, (zelfstandig naamwoord), uiterst.
uiterwaarden, uterweerden, (zelfstandig naamwoord), (all. mv.), uiterwaarden.
uitfineren, uutfineren, (werkwoord), fineren uut, uutefineerd, uitdenken, uitvinden. Zie ook: uutvinnen, uutvigelieren, uutprakkezeren.
uitflappen, uutflappen, (werkwoord), flappen uut, uuteflapt, uitflappen, onnadenkend uiten.
uitfoeteren, uutfoeteren, (werkwoord), foeteren uut, uutefoeterd, uitfoeteren. Zie ook: uutveteren.
uitgaan, uutgaon, (werkwoord), uitgaan.
uitgaander, uutgaonder, (zelfstandig naamwoord), iemand die graag en vaak uitgaat.
uitgaansavond, uutgaonsaovend, (zelfstandig naamwoord), uitgaansavond.
uitgang, uutgank, (zelfstandig naamwoord), uitgang.
uitgekookt, uutgekaokt, (bijvoeglijk naamwoord), uitgekookt. Een uutgekaokte vrouwe.
uitgelaten, uutgelaoten, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), uitgelaten. Een uutgelaoten kind.
uitgestorven, uutgestörven, (bijvoeglijk naamwoord), uitgestorven. Een uutgestörven dörp.
uitglijden, uutglieren, uutgli’jen, (werkwoord), uitglijden.
uitgroeien, uutgruuien, (werkwoord), uitgroeien.
uithalen, uutalen, (werkwoord), uithalen. IJ giet de nösten van de merels uutalen.
uithollen, uutollen, (werkwoord), ollen uut, uute-old, uithollen. Een kallebaster uutollen.
uithoren, uuteuren, (werkwoord), uithoren.
uithouden, uutollen, (werkwoord), ölt/olt uut, iel(d)
uithuizig, uutuzig, (bijvoeglijk naamwoord), uithuizig.
uitje, utien, (zelfstandig naamwoord), uitje, uitstapje
uitkeren, uutkeren, (werkwoord), keren uut, uutekeerd, uitkeren.
uitkiezen, uutkiezen, (werkwoord), uitkiezen.
uitkijken, uutkieken, (werkwoord), uitkijken.
uitkijkpost, uutkiekpost, (zelfstandig naamwoord), uitkijkpost.
uitkijktoren, uutkiektoren, (zelfstandig naamwoord), uitkijktoren.
uitkleden, uutklejen, (werkwoord), uitkleden. Zie ook: (em/zich) uuttrekken.
uitknijpen, uutkniepen, (werkwoord), uitknijpen.
uitkoken, uutkaoken, (werkwoord), uitkoken.
uitkomen, uutkommen, (werkwoord), uitkomen.
uitkomst, uutkomst, (zelfstandig naamwoord), uitkomst.
uitkramen, uutkraomen, (werkwoord), kraomen uut, uutekraomd, uitkramen.
uitlaat, uutlaot, (zelfstandig naamwoord), uitlaat.
uitlaatgas, uutlaotgassen, (zelfstandig naamwoord), uitlaatgassen.
uitlaatklep, uutlaotkleppe, (zelfstandig naamwoord), uitlaatklep.
uitlaatpijp, uutlaotpiepe, (zelfstandig naamwoord), uitlaatpijp.
uitladen, uutlajen, (werkwoord), uitladen.
uitlaten, uutlaoten, (werkwoord), uitlaten.
uitleggen, uutleggen, (werkwoord), uitleggen.
uitlenen, uutlienen, (werkwoord), uitlenen.
uitleven, uutlèven, (werkwoord), uitleven.
uitlokken, uutlokken, (werkwoord), lokken uut, uutelokt, uitlokken.
uitloop, uutloop, (zelfstandig naamwoord), uitloop.
uitlopen, uutlopen, (werkwoord), uitlopen. Zie ook: kienen.
uitloper, uutloper, uutloopsel, (zelfstandig naamwoord), uitloper, kiem. Zie ook: uutloopsel, kien.
uitluchten, uutluchten, uutluchen, (werkwoord), luch(t)en uut, uuteluch
uitmeten, uutmèten, (werkwoord), uitmeten.
uitnodigen, uutneudigen, (werkwoord), neudigen uut, uuteneudigd, uitnodigen.
uitnodiging, uutneudiging, (zelfstandig naamwoord), uitnodiging.
uitpluizen, uutpluzen, (werkwoord), uitpluizen.
uitprakkeseren, uutprakkezeren, (werkwoord), prakkezeren uut, uuteprakkezeerd, bedenken, uitdenken. Zie ook: uutfineren, uutvinnen, uutvigelieren.
uitpraten, uutpraoten, (werkwoord), uitpraten.
uitpuilen, uutpulen, (werkwoord), pulen uut, uutepuuld, uitpuilen.
uitrafelen, uutrafelen, (werkwoord), rafelen uut, uuterafeld, uitrafelen.
uitrazen, uutraozen, (werkwoord), uitrazen.
uitrekenen, uutrèkenen, (werkwoord), uitrekenen.
uitrit, uutrit, (zelfstandig naamwoord), uitrit.
uitroeien, uutruuien, (werkwoord), ruuien uut, uuteruuid, uitroeien.
uitrusten, uutrussen, uutrusten, (werkwoord), russen/rusten uut, uuterus(
uitscheiden, uutskeien, (werkwoord), skeit uut, skee uut, uuteskejen
uitschelden, uutskellen, (werkwoord), uitschelden.
uitschieten, uutskieten, (werkwoord), uitschieten.
uitschrijven, uutskrieven, (werkwoord), uitschrijven.
uitschuiftafel, uutskoeftaofel, (zelfstandig naamwoord), uitschuiftafel.
uitschuiven, uutskoeven, (werkwoord), uitschuiven.
uitslaan, uutslaon, (werkwoord), uitslaan.
uitslag, uutslag, (zelfstandig naamwoord), uitslag.
uitslapen, uutslaopen, (werkwoord), uitslapen.
uitslikkeren, uutslikkeren, (werkwoord), uitlikken.
uitsloverij, uutsloveri’je, (zelfstandig naamwoord), uitsloverij.
uitsluiten, uutsluten, (werkwoord), uitsluiten.
uitsluitsel, uutsluutsel, (zelfstandig naamwoord), uitsluitsel, definitief bericht.
uitsmijten, uutsmieten, (werkwoord), uitsmijten.
uitsmijter, uutsmieter, (zelfstandig naamwoord), uitsmijter.
uitsnijden, uutsniejen, uutsni’jen, uutsnieden, (werkwoord), uitsnijden.
uitsnuiven, uutsnoeven, (werkwoord), uitsnuiten.
uitspannen, uutspannen, (werkwoord), spannen uut, uutespand, uitspannen.
uitsparen, uutspören, (werkwoord), uitsparen.
uitspelen, uutspöllen, (werkwoord), uitspelen.
uitspoelen, uutspulen, (werkwoord), uitspoelen.
uitspreken, uutsprèken, (werkwoord), uitspreken.
uitspugen, uutspi’jen, (werkwoord), uitspugen.
uitstaan, uutstaon, (werkwoord), uitstaan.
uitstapje, uutstäppien, (zelfstandig naamwoord), uitstapje.
uitsteeksel, uutstèèksel, (zelfstandig naamwoord), uitsteeksel.
uitstek, uutstek, (bijwoord), in: bi’j uutstek, bij uitstek, in het bijzonder.
uitsteken, uutstèken, (werkwoord), uitsteken.
uitstellen, uutstellen, (werkwoord), stellen uut, uutesteld, uitstellen.
uitsterven, uutstärven, (werkwoord), uitsterven.
uitstralen, uutstraolen, (werkwoord), uitstralen.
uitstrijken, uutstrieken, (werkwoord), uitstrijken.
uitstrooien, uutstreuien, (werkwoord), uitstrooien.
uitstukken, uutstukken, (werkwoord), stukken uut, uutestukt, 1. verstellen, een stuk in de kleding zetten; 2. dikker worden. Die tante is best uutestukt; 3. iets uitvreten. Wat eb ie now weer uutestukt?
uittekenen, uuttekenen, (werkwoord), tekenen uut, uutetekend, uitekenen.
uittrekken, uuttrekken, (werkwoord), 1. uittrekken; 2. zie: uutklejen.
uitvaart, uutvaert, (zelfstandig naamwoord), uitvaart, begrafenisplechtigheid.
uitvallen, uutvallen, (werkwoord), 1. uitvallen, plotseling heftig of driftig spreken; 2. uitvallen, het opgeven (bijv. bij een voetbalwedstrijd).
uitvaren, uutvaeren, (werkwoord), 1. uitvaren, van een schip. ‘t Skip is uutevaeren; 2. uitvaren, tieren, schelden. Die man is tegen mi’j uutevaeren.
uitvegen, uutvègen, (werkwoord), uitvegen.
uitvensteren, uutvensteren, (werkwoord), (verouderd), berispen.
uitverkoop, uutverkoop, (zelfstandig naamwoord), uitverkoop.
uitverkopen, uutverkopen, (werkwoord), uitverkopen.
uitveteren, uutveteren, zie: uutfoeteren.
uitvigileren, uutvigelieren, (werkwoord), uitdenken, uitvinden. Wat ef e now weer uutvigelierd! Zie ook: uutfineren, uutprakkezeren, uutvinnen.
uitvinden, uutvinnen, (werkwoord), uitvinden. Zie ook: uutfineren, uutprakkezeren, uutvigelieren, vigelieren.
uitvlakken, uutvlakken, (werkwoord), vlakken uut, uutevlakt, uitgommen, uitvegen.
uitvreten, uutvrèten, (werkwoord), uitvreten, uitspoken.
uitvreter, uutvrèter, (zelfstandig naamwoord), profiteur, iemand die op kosten van een ander leeft.
uitwaaien, uutweien, (werkwoord), uitwaaien.
uitweg, uutweg, (zelfstandig naamwoord), uitweg.
uitwendig, uutwendig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), uitwendig.
uitwerken, uutwärken, (werkwoord), uitwerken.
uitwerking, uutwärkink, (zelfstandig naamwoord), uitwerking.
uitwijken, uutwieken, (werkwoord), uitwijken.
uitwijzen, uutwiezen, (werkwoord), uitwijzen.
uitwrijven, uutvrieven, (werkwoord), uitwrijven.
uitzaaien, uutzeien, (werkwoord), uitzaaien.
uitzet, uutzet, (zelfstandig naamwoord), uitzet.
uitzicht, uutzicht, uutzich, (zelfstandig naamwoord), uitzicht.
uitzien, uutzien, (werkwoord), 1. uitzien, in de verte zien; 2. tegemoet zien, verlangend wachten op iets of iemand. Ik zie der naor uut; 3. uitzicht bieden. Dät raam zöt uut op de straote.
uitzoeken, uutzuken, (werkwoord), uitzoeken.
uitzonderen, uutzunderen, (werkwoord), zunderen uut, uutezunderd, uitzonderen.
uitzondering, uutzundering, (zelfstandig naamwoord), uitzondering.
uitzonderlijk, uutzunderlijk, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), uitzonderlijk.
uitzuigen, uutzoegen, (werkwoord), uitzuigen.
uitzuiger, uutzoeger, (zelfstandig naamwoord), uitzuiger.
uw, oew, (bezittelijk voornaamwoord), jouw, uw.
uwe, oende, (zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord), de jouwe. Dät is de oende. De oende en de miende.
vaak, vaeke, vake, (bijwoord), vaak.
vaars, veerze, (zelfstandig naamwoord), vaars (jonge koe die één keer of nog niet gekalfd heeft).
vaarskalf, veerskalf, (zelfstandig naamwoord), vaarskalf.
vaart, vaert, zie: vöört.
vaart, vöört, (zelfstandig naamwoord), 1. vaart, gang. IJ ef de vöört ter goed in; 2. kanaal. Zie ook: vaert.
vaartuig, vaertuug, (zelfstandig naamwoord), vaartuig.
vaas, vaze, (zelfstandig naamwoord), vaas.
vaatdoek, vadoek, (zelfstandig naamwoord), vaatdoek.
vader, va, vader, (zelfstandig naamwoord), vader. Zie ook: vader, papa.
vakantie, vekansie, (zelfstandig naamwoord), vakantie.
vakschool, vakskoele, (zelfstandig naamwoord), vakschool, lager technisch onderwijs.
val, valle, (zelfstandig naamwoord), val (om dieren te vangen).
valk, valke, (zelfstandig naamwoord), valk.
vallen, vallen, (werkwoord), valt, viel, evallen, vallen.
valluik, valloek, (zelfstandig naamwoord), valluik.
valpartij, valpeti’je, (zelfstandig naamwoord), valpartij.
vanavond, vanaovend, (bijwoord), vanavond.
vandaag, vandaege, (bijwoord), vandaag.
vandaan, vandan, (bijwoord), vandaan. Wöör kwam IJ vandan? ‘waar kwam hij vandaan?’
vandaar, vandöör, (bijwoord), vandaar.
vandoor, vandeur, (bijwoord), vandoor.
vaneigens, vaneigens, (bijwoord), vanzelf. Zie ook: vanzels.
vanille, venilie, (zelfstandig naamwoord), vanille.
vanille-ijs, venilie-ies, (zelfstandig naamwoord), vanille-ijs.
vanillepudding, veniliepudding, (zelfstandig naamwoord), vanillepudding.
vanillesuiker, veniliesuker, (zelfstandig naamwoord), vanillesuiker.
vanouds, vanolds, (bijwoord), vanouds.
vanuit, vanuut, (voorzetsel), vanuit.
vanzelf, vanzels, zie: vaneigens.
varen, vaeren, (werkwoord), vaert, voer/vaeren, evaere, 1. varen; 2. rijden (met paard en wagen).
varken, värken, (zelfstandig naamwoord), varken.
varkensblaas, värkensblaoze, (zelfstandig naamwoord), varkensblaas.
varkensboer, värkensboer, (zelfstandig naamwoord), varkensboer.
varkenshaar, värkensöör, (zelfstandig naamwoord), varkenshaar.
varkenshandel, värkensandel, (zelfstandig naamwoord), varkenshandel.
varkenshok, värkensok, (zelfstandig naamwoord), varkenshok.
varkensmarkt, värkensmärkt, värkensmärk, (zelfstandig naamwoord), varkensmarkt.
varkensmesterij, värkensmesteri’je, (zelfstandig naamwoord), varkensmesterij.
varkenspest, värkenspest, (zelfstandig naamwoord), varkenspest.
varkenspoot, värkenspoot, (zelfstandig naamwoord), varkenspoot.
varkensstaart, värkensstaert, värkenssteert, (zelfstandig naamwoord), varkensstaart.
varkensstal, värkensstalle, (zelfstandig naamwoord), varkensstal.
varkensvlees, värkensvleis, (zelfstandig naamwoord), varkensvlees.
varkensvoer, värkensvoer, (zelfstandig naamwoord), varkensvoer.
vast, vaste, (bijwoord, bijvoeglijk naamwoord), 1. vast, stevig. Dät zit goed vaste; 2. zeker. IJ weett vaste; 3. alvast. Ik gao vaste veuruut. Zie ook: alvaste, vöste.
vast, vöste, (bijwoord), vast, alvast. Die is vöste ziek. Ik gao vöste naor uus. Zie ook: vaste, alvaste.
Vastenavond, vastenaovend, (zelfstandig naamwoord), vastenavond.
vasthouden, vaste-ollen, (werkwoord), vasthouden.
vastigheid, vastigeid, (zelfstandig naamwoord), vastigheid, zekerheid.
vastknopen, vasteknuppen, (werkwoord), vastknopen.
vat, vat, (zelfstandig naamwoord), vaegien, vat.
veeg, vège, (zelfstandig naamwoord), veeg. Een vège uut de panne kriegen.
veel, völle, 1. telw., veel, groot aantal. Die ef völle kinders. Die ef niet weinig völle betaald. Zi’j ef te völle an aer eufd;. 2. bw., erg, in hoge mate. Zie lieken völle op mekaere; 3. bw., vaak, dikwijls. Dät kump völle veur. IJ is völle ziek.
veels, völs, vös, (bijwoord), veel, in: völs te. Dät is völs te völle.
veer, vere, veer, (zelfstandig naamwoord), 1. veer van een vogel; 2. draad van veerkrachtig metaal.
veerhuis, veeruus, (zelfstandig naamwoord), veerhuis.
veertien, veertiene, (telwoord), veertien.
veertig, veertig, (telwoord), veertig.
veester, [smeerlap; koukleum], fiesterd, (zelfstandig naamwoord), 1. smeerlap. Zie ook: gasterd; 2. koukleum.
vegen, vègen, (werkwoord), veg/vèègt, vègen, evèègd
veiligheidsspeld, veiligeidsspelde, (zelfstandig naamwoord), veiligheidsspeld. Zie ook: sluutspelde.
veldbed, veldbedde, (zelfstandig naamwoord), veldbed.
veldfles, veldflesse, (zelfstandig naamwoord), veldfles.
veldmuis, veldmoes, (zelfstandig naamwoord), veldmuis.
ven, venne, (zelfstandig naamwoord), ven, poel.
venijn, venien, (zelfstandig naamwoord), venijn.
venijnig, venienig, venendig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), giftig, venijnig. venendig: verouderd
ventiel, vetiele, (zelfstandig naamwoord), ventiel.
ver, värre, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ver. Zie ook: wied.
veralteratie, veralteraosie, (zelfstandig naamwoord), opschudding, verwarring. Zie ook: alteraosie.
veraltereerd, veraldereerd, veraltereerd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), verbouwereerd, overstuur. Zie ook: aoverstuur, van de kaok, zie: kaok.
verarmen, verärmen, (werkwoord), verärmen, verärmd, verarmen.
verbergen, verbärgen, (werkwoord), verbärgt, verbörg, verbörgen, verbergen.
verbeteren, verbèteren, (werkwoord), verbèteren, verbèterd, verbeteren.
verbijsterd, verbiesterd, (bijvoeglijk naamwoord), verbijsterd.
verbinden, verbinnen, (werkwoord), verbint, verbun, verbunnen, verbinden.
verbleken, verblieken, (werkwoord), verblieken, verbliekt, verbleken, verkleuren (bijvoorbeeld van gezicht).
verbranden, verbrannen, (werkwoord), verbrannen, verbrand, verbranden.
verbreden, verbrejen, (werkwoord), verbrejen, verbreed, verbreden.
verbreken, verbrèken, (werkwoord), verbrek/verbrèèkt, verbrak, <, verbreken.
verbruiken, verbruken, (werkwoord), verbruken, verbruukt, verbruiken.
verbuigen, verbugen, (werkwoord), verbög, verboog, verbaogen/
verdekseld, verdekseld, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tussenwerpsel), verduiveld. Zie ook: verdreid, verduld.
verder, värder, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), verder. Zie ook: värders.
verder, värders, (bijwoord), verder. Zie ook: värder.
verderf, verdärf, (zelfstandig naamwoord), verderf, ondergang.
verdikkeme, verdikkemien, (tussenwerpsel), bastaardvloek. Zie ook: verdullemien, verduld, verdekseld, verdreid.
verdorven, verdörven, (bijvoeglijk naamwoord), verdorven, door en door slecht.
verdraaid, verdreid, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tussenwerpsel), 1. verdraaid; 2. lastig, vervloekt. Zie ook: verdekseld, verduld.
verdraaien, verdreien, (werkwoord), verdreien, verdreid, verdraaien.
verdrijven, verdrieven, (werkwoord), verdrif, verdreef, verdreven, verdrijven.
verdrogen, verd