elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht

-achtig, -achtig, achtervoegsel, frequent en produktief achtervoegsel waarmee allerlei bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden (op basis van een verbale stam of een adjectief) kunnen worden gemaakt (LPW: Bens, Lop, Cab): werkachtig (flink doorwerkend) (LPW: Lop), zoenachtig (dol op zoenen) (LPW: Lop), stugachtig (stug) (LPW: Lop), heelachtig (LPW: Lop) (verlegen, zie *heel ), kleinachtig (klein) (LPW: Bens)
aanbelangen, [betreffen], aanbelange, werkwoord, betreffen (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout; LPW: Lop, Pols); ‘Wat mij aanbelangt, ga je gang maar’. (Hout) In Langbroek en Lopik niet gebruikelijk in de omgangstaal; eerder moeten we denken aan (verouderde) ambtelijke taal. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 30). Gouda heeft belange (Lafeber 1967, p. 67).
aangehaald, [lijdend], angehaald (zijn met), aangehaald (zijn met), bijvoeglijk naamwoord, lijdende zijn aan, last hebben van (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) ‘Daar ben je aardig mee aangehaald.’ (Bunn) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 30).
aanhalen, anhale, aanhale, werkwoord, 1. afhalen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Ik kom je vanavond voor de vergadering aanhale.’ (Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 30). 2. (ww) betrekken (van de lucht) (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘De lucht begint aan te hale.’ (Bens); ‘De lucht haalt donker aan.’ (Werk); ‘De lucht haalt onweer aan.’ (Werk). Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 30). Zie ook *vera(a)rremoeie. 3. (ww) opdrijven van vee (koeien) (KRS: Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Synoniem: *omhale . Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken. In de Vechtstreek heeft dit woord verder de betekenis ‘beginnen met iets’ (Van Veen 1989, p. 30).
aankomende maan, [wassende maan], ankomende maan, aankomende maan, zelfstandig naamwoord, wassende maan (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Hout, Bens, Scha; LPW: IJss, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 30). Het tegenovergestelde is *afgaande maan .
aardappel, erpel, èrepel, eerpel, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk), eerpel (KRS: Lang), èrepel (LPW: Lop) 1. aardappel (KRS: Wijk, Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen . 2. (zn) klein kind (KRS: Wijk).
aarden deel, aarden deel, zelfstandig naamwoord, *deel waarvan de bodem niet verhard is (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
achterbint, achterbijn, zelfstandig naamwoord, achterbint, achterste touw aan de *weesboom of *polderboom over de lading hooi op een hooiwagen (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 28). Bijn komt waarschijnlijk van bijnen = binden (Van Veen 1989, p. 28).
achterdeel, [achterste gedeelte], achterdeel, zelfstandig naamwoord, zie *deel .
achterdeur, achterdeur, zelfstandig naamwoord, grote deur achterin een boerderij, komt uit op de *achterstraat (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Zie ook *achteruitje en *achterhuis .
achterhuis, [achterste deel van huis], achterhuis, zelfstandig naamwoord, bedrijfsgedeelte van een boerderij (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Zie ook *achterdeur en *achterstraat .
achterkamer, [kamer achterin], achterkamer, in de uitdrukking in zijn achterkamer zijn : geestelijk niet aanwezig zijn, niet te benaderen zijn (KRS: Coth, Bunn, Hout); ‘Je mot ’m nou geen vragen stellen, hij is in z’n achterkamer.’ (Hout) Met een wat andere betekenis (terneergeslagen, angstig, bedrukt zijn) ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 28).
achterkontig, achterkontig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, achterdochtig (LPW: Lop) Zie ook *opgelicht . In Gouda heeft dit woord de betekenis ‘achterhoudend, achterbaks’ (Lafeber 1967, p. 56) Van Dale (1992, p. 57) vermeldt achterkousig , met als betekenis onder andere ‘achterdochtig, wantrouwend’. Deze vorm is afkomstig van het Middelnederlandse koytsen (babbelen), een intensiefvorm van kouten . In sommige dialecten heeft -koytsig zich dus ontwikkeld tot -kousig , in de Utrechtse en Zuidhollandse dialecten tot -kontig .
achterom, [plaatsje achter huis], achterom, zelfstandig naamwoord, plaatsje of tuintje achter het huis (KRS: Werk, Hout) De Vechtstreek heeft *achteruitje (Van Veen 1989, p. 29).
achterstraat, [straat ergens achter], achterstraat, zelfstandig naamwoord, ruimte (straat) op het erf dwars achter de boerderij (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 1: boerderij . Zie ook *achterdeur en *achterhuis .
achteruitje, [achteruitgang], achteruitje, zelfstandig naamwoord, een achteruitgang in een burgerwoning (KRS: Hout); dit in tegenstelling tot de *achterdeur in een boerderij In de Vechtstreek is dit meer specifiek het plaatsje of het tuintje achter het huis, kennelijk ook een burgerwoning (Van Veen 1989, p. 29), in de Kromme-Rijnstreek *achterom geheten, in de Lopikerwaard *plao(t)sie .
achtervoet, [achterste deel van slachtdier], achtervoet, zelfstandig naamwoord, kwart van een geslachte koe, uit het achterlijf afkomstig (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 8: slacht .
afgaande maan, [afnemende maan], afgaande maan, afgoonde maan, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols), afgoonde maan (Wijk) krimpende maan Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 30). Het tegenovergestelde is *aankomende maan .
afsikkelen, [maaien met een sikkel], afsikkele, werkwoord, (met een sikkel) maaien (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen .
afslieten, [afzetten met takken], afsliete, werkwoord, het plaatsen van *sliet rond het *melkhok (LPW: Lop)
afzoedelen, afzoedele, werkwoord, minder worden, slijten (figuurlijk gebruikt, bijvoorbeeld bij contacten) (LPW: IJss); ‘Op een gegeven moment zoedelt het af.’ (IJss)
ajuin, juin, zelfstandig naamwoord, ui (LPW: Lop)
akkermannetje, akkermannetje, zelfstandig naamwoord, kwikstaart (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 29). De naam akkerman(netje) komt ook voor in Oost-Friesland (Noord-Duitsland) en in Noord-Groningen. In Zuid-Groningen, Friesland, Drente, Overijssel en de Achterhoek (pers. mededeling Drs. G.D. Wansink) komt bouwmannetje voor en in de overige delen van Gelderland spreekt men van landman . Al deze namen karakteriseren de kwikstaart als het vogeltje dat de boer begeleidt bij het werk op de akker en dat op die manier aan zijn voedsel komt.
allegaar, ager, onbepaald telwoord, allemaal (LPW: Lop) Via allegaar uit altegader .
allejezus, allejezus, tussenwerpsel, zie *herejezus .
allemans oordeel, allemans ordeel, zelfstandig naamwoord, communis opinio; mening die zo algemeen is, dat er verder niet over gediscussieerd hoeft te worden (KRS: Hout)
allemenselijk, allemenselijk, alleminselijks, alleminselijk, bijwoord van graad, (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) alleminselijk (KRS: Lang; LPW: Lop), alleminselijks (LPW: Bens) zeer, buitengewoon; ‘’t Is allemenselijk mooi weer.’ (Bunn) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 29). Zie ook *herejezus .
als-er-aantoe, as-ter-antoe, bijwoord van graad, in erge mate (KRS: Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 32).
alteratie, alterasie, alteraosie, altenasie, alteraatsie, atterasie, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) altenasie (LPW: Bens), alteraatsie (LPW: IJss), atterasie (LPW: Pols) (zn) ontsteltenis, drukte, verwarring Ook (in de vorm alterasie ) in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 29) en Gouda (Lafeber 1967, p. 57). Afkomstig van het Franse altération , dat onder andere ‘onsteltenis’ betekent.
altoos, altoos, bijwoord, 1. altijd (KRS: Wijk, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 2. (bw) althans (KRS: Coth) In deze betekenis ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 29).
armoede, armoei, armoeie, aarmoei, aarmoeie, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Bunn, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha), ermoei(e) (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols 1. armoede (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 32) en Gouda (Lafeber 1967, p. 60). 2. (zn) ruzie (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) ‘Die kunne niet goed met mekaar overweg, ze maoke niks as aarmoeie.’ (Hout) Ook in de Vechtstreek ((Van Veen 1989, p. 32). 3. (zn) leed, ellende, tegenslag (KRS: Wijk, Coth; LPW: Bens) 4. (ww) klagen (KRS: Wijk) De uitdrukking aarmoeie mit twee gezonde pote (bene) betekent: klagen zonder dat daartoe reden is (KRS: Wijk) Lafeber (1967, p. 91) noemt voor Gouda de vormen erreme, eeremezeere, erremiejeere, jerremiejeere ( deze laatste twee vormen zijn waarschijnlijk contaminaties van erreme en jeremiëren ) en urreme , met als betekenis ‘zeurig klagen’, en daaraan toegevoegd: ‘vooral van kinderen gezegd, maar vrijwel verouderd’. 5. (ww) slecht eten (LPW: IJss)
astrant, onstrant, onstraant, onstrants, astraant, astrant, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Cab, Pols), onstrants (KRS: Werk, Bunn, Hout), onstraant (KRS: Coth), astraant (KRS: Hout), astrant (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) brutaal ‘Die kerel is zo onstrant, die lult je de gaten in je sokken.’ (Werk) De Vechtstreek heeft de variant astraant (Van Veen 1989, p. 32), de Krimpenerwaard onstrant (Van der Ent 1988, p. 83). Het Goudse woordenboek geeft de vormen estrant , astrant en strant (Lafeber 1967, p. 61, 91 en 169). Van Dale (1992, p. 223) geeft alleen de vorm astrant , als volkstaal. Ontstaan uit assurant , dat weer van het Franse assurance ‘zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid’ komt; avec assurance betekent ‘zelfbewust’. Het invoegen van een t in de sr -combinatie komen we vaker in dialecten tegen, vergelijk perfester ‘professor’ (Van Loey 1970, p. 99). De eerste lettergreep in onstra(a)nt(s) kan zich ontwikkeld hebben vanuit de algemene functie van het voorvoegsel on -, dat doorgaans het daarop volgende woord een negatieve betekenis geeft, en wellicht daardoor zelf een negatieve gevoelswaarde heeft gekregen.
asvarken, asvarke, asverke, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), asverke (LPW: Mont, Bens, Lop, Pols) stoffer In de vorm asvarke ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 31 en 108). Gouda heeft asfarreke (Lafeber 1967, p. 61). Zie Daan (1952) kaart 1: (as)varke komt voor in vrijwel geheel Utrecht, het oosten van Zuid-Holland en het gebied tussen de grote rivieren. De verklaring van het WNT, dat (as)varken zijn naam te danken heeft aan het materiaal waarvan het gemaakt is (namelijk varkenshaar) wordt door Daan (1952, p. 24) niet geloofwaardig geacht. Zij denkt eerder aan de gelijkenis tussen het voorwerp en het vernoemde dier.
avanceren, affesere, werkwoord, opschieten (LPW: Pols) Ook in Gouda (Lafeber) 1967, p. 62). Van Dale (1992, p. 233) heeft avanceren , met als betekenis o.a. ‘vooruitkomen, opschieten’, van het Franse avancer (met dezelfde betekenis) afkomstig.
aveluinig, avluinig, aveluining, aveloining, avloining, bijvoeglijk naam en bijwoord, (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens, Cab, Pols), aveloinig (LPW: Lop), aveluinig (LPW: Bens, Lop, Pols), avloinig (LPW: IJss) 1. gemelijk, knorrig, chagrijnig (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 2. (bn en bw) lastig, niet te vertrouwen, ‘een av(e)luinig paard’ (KRS: Bunn) 3. (bn en bw) armoedig, haveloos (LPW: Mont) In iets andere vorm (abeluinig) in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 27). Stapelkamp (1949) heeft de vorm abeluinig alleen aangetroffen in een deel van de Utrechtse Vechtstreek: Loenen en het Loenerveense en Loosdrechtse polder- en plassengebied. Het eerste deel van het woord interpreteert Stapelkamp als het bijwoord ave ‘af’. Luin in -luinig is hetzelfde als het Nederlandse luim , en betekent eigenlijk ‘maan’ (van Latijn luna ). ‘De maan had in haar wisselende schijngestalten of phasen, naar het volksgeloof, zeer veel invloed op de gemoedsstemming van de mens, vandaar dat ook haar naam voor die licht wisselende, veranderlijke stemming gebruikt kon worden.’ (Stapelkamp 1949, p. 316).
averechts verkeerd, averechs verkeerd, bijwoord, geheel verkeerd (vaste combinatie) (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) ‘Dat doe je averechs verkeerd.’ (Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 32).
avond, avond, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking aan de avond zijn : blut zijn (KRS: Bunn) Hetzelfde als *rut zijn .
avonturen, aventure, werkwoord, wagen; afwachten, zien wat er van komt (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘We moesten ’t maar aventure.’ (Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 32) en Gouda (Lafeber 1967, p. 63). Van het Franse aventurer (‘wagen, op het spel zetten’) afkomstig.
balk, balk, zelfstandig naamwoord, zolder (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn; LPW: IJss, Bens, Cab); ‘Het hooi ligt op de balk.’ (Coth) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
balkenbrij, balkenbrij, zelfstandig naamwoord, meel in vleesnat gekookt, aan plakken gesneden en gebakken (KRS: Hout; LPW: Lop, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 34). Zie hoofdstuk 4, punt 8: slacht . Volksetymologische verbastering van het Middelnederlandse gebalchte (‘darmen, pens’) en balch (‘buik’).
ballastschop, ballastschup, zelfstandig naamwoord, grote schop, gebruikt voor (onder andere) mest scheppen (KRS: Hout; LPW: Lop) Vergelijk in de Vechtstreek ballaster ‘grote schop met enigszins opstaande zij- en achterrand’ (Van Veen 1989, p. 34). Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
banderen, bandere, werkwoord, 1. onverschillig, ruw te werk gaan (LPW: IJss) 2. (ww) onrustig heen en weer lopen (LPW: Pols) Hetzelfde als *bere bet. 1 en *bunsumme bet. 1. Het valt niet uit te sluiten, dat we hier met een hypercorrecte vorm van banjere te maken hebben; de ontwikkeling van d tot j (voornamelijk intervocalisch) is in het Utrechtse dialect heel gewoon; zie hoofdstuk 2, punt B.6.
banjer, banjer, zelfstandig naamwoord, grote meneer, opschepper (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Lop, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 34) en Gouda (Lafeber 1967, p. 64). Van der Ent (1988, p. 32) trof bij haar onderzoek naar het Krimpenerwaards de vorm banjo meneer aan bij een informante uit Krimpen aan den IJssel. De vorm banjer is oorspronkelijk afkomstig van het Maleise banjak , wat ‘groot, veel’ betekent. Eigenlijk betekende banjer ‘groot heer’ (zonder sarcastische bijbedoelingen); die betekenis is mogelijk ontstaan uit associatie met het woord baanderheer (‘middeleeuws heer die onder eigen banier optrok’). Pas later is de huidige betekenis in zwang gekomen, die als zodanig ook in de Van Dale vermeld staat.
Bart, Bart, in de uitdrukking da’s uit de goeie ouwe tijd toen de koeie Bart hiete (in Langbroek hitte ), toen alle koeie Bart hiete (Bunn): uit de goede oude tijd (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 35). Variant: da’s uit de goeie ouwe tijd toen de koeien Bart hiete en de melk over de onderdeur vloog (KRS: Lang), ...over de onderdeur liep (KRS: Werk; LPW: Bens), ....over de onderdeur flodderde (LPW: Lop), ....over de onderdeur keek (LPW: Cab)
bast, bas, bast, in de betekenis op de (je) bast krijge slaag krijgen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *laai . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 35).
bats, bats, zelfstandig naamwoord, zandschop, zoals gebruikt in de bouw (KRS: Bunn; LPW: Lop) Hetzelfde als een *panschup . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
beddenplank, beddeplank, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking ’t is op de beddeplank af : 1. gezegd wanneer op de dag af negen maanden na de huwelijksvoltrekking het eerste kind geboren wordt (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols) In iets andere vorm (da’s ook van de beddeplank ) ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 35); Gouda heeft dat kind is van de beddeplank (Lafeber 1967, p. 198) 2. gezegd wanneer er precies om de negen maanden een kind geboren wordt (KRS: Coth)
bedoen, bedoen, werkwoord, zich bevuilen van schrik (KRS: Bunn) In een andere betekenis (namelijk in de uitdrukking je zou je bedoen : ‘’t Is toch wel verwonderlijk, wel erg!’) ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 35).
been, been, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking hij slaat er met één been naar : hij is gemakzuchtig (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk; LPW: Bens, Lop) Zie ook *poot .
beer, beer, zelfstandig naamwoord, 1. mannelijk, niet-gecastreerd varken (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 35). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . 2. in de uitdrukking ze hebben ’m bij de beer gedaan : ze hebben hem iets wijs gemaakt (KRS: Wijk) Synoniemen: zich late *beseibele, hij het z’n eige bij de *bok lotte doen .
beide kanten, beiskante, zelfstandig naamwoord, weerskanten, beide kanten (KRS: Hout)
bekken, bekkem, zelfstandig naamwoord, stadsomroeper (LPW: Mont) (de tweede e is een e -schwa, als in de ) De bekkem maakte bijvoorbeeld noodslachtingen bekend: ‘Vlees in de centrale slachtplaats (voor de letters A tot en met I)’. De tussen haakjes geplaatste toevoeging dateert uit de oorlogsjaren, toen de noodslachtingen centraal geregeld waren, en verwijst naar de bonkaarten. Ook voor en na de oorlog maakte de bekkem wel noodslachtingen bekend, maar hij kon er ook op uitgestuurd worden om een verloren voorwerp om te roepen. De bekkem maakte gebruik van een bekken; vandaar deze naam. De ontwikkeling van n tot m zou op een klankwet kunnen berusten; zie hoofdstuk 2, punt C.3.
bekkensnijder, bekkesnaijer, zelfstandig naamwoord, bekkesnijder, iemand die in een vechtpartij zijn mes gebruikt (­LPW: Lop)
ben, ben, bin, zelfstandig naamwoord, KRS: Wijk, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Pols), bin (KRS: Scha; LPW: Bens, Lop, Cab) mand (bijvoorbeeld bij het appels plukken) Uit het Franse benne afkomstig. Een ben met aardappelen bevat precies één *schepel (= ¼ mud). Vroeger werden de aardappelen bij het verkopen niet gewogen: vier bennen vol was precies een mud (70 kilo) (Coth); enigszins afwijkend: een half mud is drie bennetjes (Wijk). ‘Een ben kerse’ (Bunn) Het dekseltje van een ben werd gebruikt voor de zogenaamde ‘queue de Paris’, de grote strik die eertijds achter op de lange rok gedragen werd, en die met dat dekseltje mooi rechtop gehouden werd (Werk) Dimunitief: bennegie (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Pols), bennetje (KRS: Wijk), binnegie (LPW: Bens, Lop, Cab). In de Vechtstreek komt dit woord alleen voor in de uitdrukking: hij zeit geen pruim voor ’n ben vol hij is zeer zwijgzaam, en in de samenstelling karseben , ronde kersenmand (Van Veen 1989, p. 36). Zie ook *kanis .
Benedenstads, Benedenstads, bijvoeglijk naamwoord, het westen van de provincie Utrecht (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha) Zie ook *Bovenstads . Een enkele keer is de betekenis ook omgedraaid: dan is Benedenstads juist het Kromme-Rijngebied en Bovenstads de Vechtstreek (onder andere in Werkhoven) Meestal weet men wel dat het een bepaald deel van de provincie Utrecht betreft, maar over wèlk deel lopen de meningen uiteen. Uitgaande van de rivierloop van de Kromme Rijn respectievelijk de Vecht (en de Hollandse IJssel) ligt het toch het meest voor de hand om te veronderstellen dat het bovenstadse gebied aan de bovenloop (de Kromme Rijn) en het benedenstadse gebied aan de andere rivier(en) ligt.
beramen, berame, werkwoord, bereiken (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab, Pols); ‘We zulle wel zien hoe we dat berame.’ (IJss) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 36).
beredderen, bereddere, werkwoord, de zaak op orde brengen (KRS: Hout)
beren, bere, werkwoord, 1. heen en weer lopen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Hij beert maar heen en weer.’ (Coth); Soms in combinatie met uit en terug (= heen en weer): ‘Hij liep maar uit en terug te bere.’ (Mont) Hetzelfde als *bunsumme betekenis 1 en *bandere betekenis 2. *Onderbere is vuile voeten op de vloer(bedekking) maken; ‘de boel onderbere’. Ook hier bestaat het synoniem met bunsumme , namelijk *onderbunsumme ; zie ook *boestere , betekenis 4 en *onderbizze . Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 150 en 152-153) Berns schrijft t.a.p.: ‘Dit werkwoord is afgeleid van het zelfstandig naamwoord beer , ‘beer’, ‘mannetjesvarken’ of ‘mensendrek’. Gelet op het synoniem bunsummen zou het wel eens de derde betekenis geweest kunnen zijn die ten grondslag ligt aan beren met deze speciale betekenis die ook in onder zit bij de vormen onderberen, onderbunsummen . Een bunsem is een bunzing, een dier dat meteen de negatieve bijgedachte oproept van onaangenaam ruiken. Maar ook de onrustige manier van lopen speelt hier een belangrijke rol bij de betekenisontwikkeling. Daar kan aan toegevoegd worden dat er een miniem betekenisverschil is tussen bere en bunsumme , dat inderdaad teruggaat op het verschil in heen-en-weer lopen tussen beide dieren waar de werkwoorden van zijn afgeleid: bunsumme is iets gejaagder, nerveuzer. In de betekenis ‘druk, met veel lawaai heen en weer lopen’ ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 65). 2. (ww) hard werken (LPW: Bens) Hetzelfde als *boestere betekenis 2.
bergkant, bergkant, zelfstandig naamwoord, de hoge zandgronden ten noorden van Langbroek (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 13: grondsoorten . In de Betuwe zijn de baarregkaanters de bewoners van de Veluwe en Oost-Utrecht (Hol 1965, p. 105).
bergkap, bergkap, zelfstandig naamwoord, kap van de hooiberg (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
bergnaaf, bergaaf, zelfstandig naamwoord, houten apparaat om de kap van een hooiberg mee omhoog te draaien (KRS: Lang) Zie hoofstuk 4, punt 11: hooi . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 36).
bergroede, bergroeie, zelfstandig naamwoord, de palen waar de kap van een hooiberg aan hangt (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
berig, berig, werig, bijvoeglijk naam en bijwoord, KRS: Lang, Bunn; LPW: IJss, Bens, Lop), werig (LPW: Mont) 1. onrustig (KRS: Lang, Bunn; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols) Zie ook *bere . 2. (bn en bw) chagrijnig (LPW: Bens, Cab, Lop, Mont, IJss)
berrie, burrie, zelfstandig naamwoord, 1. draagbaar (KRS: Hout) Synoniem: *burriehouten . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 45) en Gouda (Lafeber 1967, p. 77), alwaar ook berrie . 2. (zn) Soort kruiwagen, bestaande uit lange houten palen en twee wielen aan de voorzijde (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4 punt 5: gereedschap.
berriehout, burriehoute, zelfstandig naamwoord, draagbaar (KRS: Hout) Synoniem: *burrie. Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap.
beseibelen, beseibele, besabbele, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Pols) besabbele (LPW: Lop) in de uitdrukking zich laten beseibele : zich iets wijs laten maken Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 37). Synoniemen: ze hebbe ’m bij de *beer gedaan, hij het z’n eige bij de *bok lotte doen .
beslachten, beslachte, slachte, werkwoord, (KRS: Lang, Werk, Scha; LPW: Bens), slachte (LPW: Mont, Lop) lijken op; ‘Hij beslacht zijn grootvader wat.’ (Werk) Zie ook *slaan . Als beslachte ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 37), als slachte in Gouda (Lafeber 1967, p. 161).
bestendig, bestendig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, rustig, evenwichtig (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); niet alleen van weer gezegd: ‘’t Is een bestendig iemand.’ (Scha) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 37).
bestendigen, bestendige, werkwoord, tot rust laten komen; ‘Je moet die zaak wat late bestendige.’ (KRS: Hout)
bestollen, bestalte, bestalle, bestolte, bestolle, werkwoord, (KRS: Lang, Bunn, Scha), bestalle (KRS: Wijk, Lang, Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), bestolte (KRS: Coth), bestolle (LPW: IJss) stollen De variant bestalte komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 37); Gouda heeft stalle (Lafeber 1967, p.167).
beuren, beure, werkwoord, gebeuren (LPW: Cab); ‘Dat beurt wel eens.’ (Cab)
bezijden, bezije, bezije z’n broek lope (‘naast z’n broek lopen’) gezegd wanneer iemand het te goed heeft gekregen, en zich daardoor verwaand, eigenwijs etcetera gaat gedragen (KRS: Wijk) Zie ook de *broodkruimels steke hem .
biest, biest, zelfstandig naamwoord, de eerste melk van een koe die pas gekalfd heeft (de eerste drie tot vier malen) (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 38). Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
biezen, bizze, werkwoord, bij paarden en koeien die een *daas ontdekken: er op wilde wijze vandoor gaan (LPW: Lop) Met de betekenissen ‘onrustig rondlopen, banjeren; vuil lopen; hard werken’ ook bekend in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 35). Volgens de Van Dale is bizzen ook het ‘onrustige rondlopen van tochtige koeien’, naast de insekten dus als oorzaak van dat onrustige gedrag. Het WNT ziet bizzen als gewestelijke vorm van bijzen (met dezelfde betekenis), maar beperkt het verspreidingsgebied van deze vorm ten onrechte tot Gelderland en Overijssel.
bijkans, bekant, bekanst, bijwoord, (de klemtoon ligt op de a ) bijna (KRS: Scha, LPW: Lop) Ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1998, p. 33) en Gouda (Lafeber 1967, p. 66); in de laatstgenoemde plaats komt ook bekanst voor. Dialectische nevenvorm van bijkans (Van Dale 1992, p. 298)
bijl, bijl, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking er met de breeje bijl inhakke (KRS: Wijk, Hout), met de grove bijl inhakke (KRS: Wijk, Coth, Bunn, Scha), met de botte bijl inhakke (Bens, Bunn, Cab, Coth, Lang, Lop, Mont, Pols, Werk, IJss): grof te werk gaan. Zie ook met de *klompe er door gaan . Met een heel andere betekenis (namelijk zeer royaal zijn, verkwistend zijn) komt de uitdrukking in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 45).
bik, bik, in de uitdrukking bik op iets zijn : tuk op iets zijn (KRS: Bunn, Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 38).
bikkels, biggels, zelfstandig naamwoord, grind om het huis (LPW: Bens, Lop, Cab, Pols) Vaak iets grover dan het ‘gewone’ grind. Zie ook *kegels Ook in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 150 en 152). Berns schrijft t.a.p.: ‘Dit zijn kiezels uit de rivieren. De naam is bekend in het land van Maas en Waal weet het Woordenboek van de Nederlandse taal te melden. Het kan een bijvorm van bikkels zijn.’ Ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 35) en in Gouda (Lafeber 1967, p.71).
bil, bil, zelfstandig naamwoord, dij (KRS: Hout)
bit, bit, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking door het bit heen lope : gezegd van een paard dat zo wild is, dat het in het geheel niet meer naar commando’s luistert (die via het bit worden gegeven) (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
blaarkoe, blaarkoei, zelfstandig naamwoord, zie *blaarkop
blaarkop, blaarkop, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout; LPW: Lop), blaarkoei (KRS: Hout) koe met een witte kop en een zwarte ring om de ogen Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . De Vechtstreek heeft blaar (Van Veen 1989, p. 38).
blad, bled, zelfstandig naamwoord, blad van een schop (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 39). Zie verder Van Veen 1964, p. 28-30 en kaart 1 (hand ) en Van Veen 1989, p. 165 en kaart 1. Blijkens deze kaart kent de Kromme-Rijnstreek overwegend rekking van a tot aa , en is de ontwikkeling tot e hier uitzonderlijk. Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
blaffen, blaffe, werkwoord, in de uitdrukking blaffe van de honger : hevige honger hebben (KRS: Lang, Coth, Bunn, Scha; LPW: Mont, Lop, Pols) Zie ook *geblèr , *bulleke betekenis 4 en *koere . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 38).
blauwe klei, blauwe klei, zelfstandig naamwoord, leemachtige klei in de buurt van Langbroek (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 13: grondsoorten .
blauwe koe, blauwe koei, zelfstandig naamwoord, 1. runderras met een enigszins naar het blauw neigende kleur (KRS: Hout) 2. in de uitdrukking melk van de blauwe koei (= pompwater) (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
bles, bles, zelfstandig naamwoord, 1. wittestreep op het hoofd van een paard of de kop van een koe (KRS: Hout; LPW: Lop) 2. een dier met een tekening als bij betekenis 1 vermeld (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de Vechtstreek is, net als in de Lopikerwaard, het woord zowel in gebruik voor de vlek als ook voor een dier met zo’n vlek (Van Veen 1989, p. 39).
blokwagen, blokwage, zelfstandig naamwoord, wagen met brede banden, gebruikt onder andere voor het mestrijden (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
bloten, blote, werkwoord, maaien, waarbij het gemaaide geen verdere functie (bijvoorbeeld veevoer) heeft, maar waarbij het maaien louter geschiedt om het land van het gemaaide gewas te ontdoen (KRS: Coth) Vergelijk *dissels blote : door maaien verwijderen van distels. Ook kan men het land blote : grazende koeien laten het gras waarop hun uitwerpselen liggen, staan. Als de koeien dan uit het weiland gaan, bevinden zich in het weiland nog graspollen. Het verwijderen van die graspollen met een maaimachine heet het uitblote van het land; het (fijngeslagen) gras dat daarvan overblijft wordt overigens door de koeien wel weer gegeten. (Coth)
bocht, boch, bocht, zelfstandig naamwoord, 1. onkruid (KRS: Bunn); ‘Er staat veul boch in de biete.’ (Bunn) Zie Taalatlas kaart 119: onkruid . Zie hoofdstuk 4, punt 12: onkruid . 2. In de bocht opgaan/afgaan de dijk opgaan/afgaan (LPW: Lop)
bode, booi, zie *brievebooi.
boerenbrood, boerebrood, zelfstandig naamwoord, tarwebrood (LPW: Cab) Synoniem: *weitebrood .
boerentenen, boereteeën, zelfstandig naamwoord, (‘boerentenen’) tuinbonen (KRS: Wijk, Coth; LPW: IJss, Lop) Volgens het volksgeloof zouden wratten hiermee effectief bestreden kunnen worden; zie het artikel Bijgelovigheden en religieuze praktijken in het Kromme-Rijngebied in hoofdstuk 5.
boes, boes, zelfstandig naamwoord, plaats in de stal waar de koeien staan (LPW: Lop, Pols)
boesteren, boestere, werkwoord, 1. schrobben, bij voorbeeld het ’s winters schoonmaken van de koestal (KRS: Wijk, Lang, Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Afgeleid van *boes , de standplaats van de koeien. Het schrobben van de stal betekende in een tijd dat er geen warm water en hogedrukspuiten voorhanden waren hard werken. Daarvan is dan ook betekenis 2 (hieronder) afgeleid. 2. (ww) gedurende korte tijd zeer hard werken; hard te keer gaan. Ook door een bos heen boestere (dwars door takken, struiken etcetera). Algemeen: harder dan normaal bezig zijn (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols). Hetzelfde als *bere betekenis 2. 3. (ww) ravotten (KRS: Coth, Bunn, Scha). In deze betekenis ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 40). 4. (ww) vuile voeten maken op de vloer(bedekking) (LPW: Bens). Hetzelfde als de boel *onderbere, *onderbunsumme.
bok, bok, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking hij het z’n eige bij de bok lotte doen : hij heeft zich iets wijs laten maken (KRS: Wijk; LPW: Lop). Synoniem: zich late *beseibele, ze hebbe ’m bij de *beer gedaan.
bokking, bukkem, bokkem, bukking, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols). bokkem (LPW: IJss, Pols), bukking (KRS: Wijk, Coth, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab) bokking Voor de u in plaats van de o zie hoofdstuk 2, punt A.9; voor de -em in plaats van -ing zie hoofdstuk 2, punt C.3.
bonenstaak, bonestake, zelfstandig naamwoord, bos griendhout met een lengte van 125 cm; er gingen 104 stokken in een bos (LPW: IJss). Zie artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofstuk 5.
boom, boompie, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking ’t boompie bij ’t kerkie late : de zaken bij elkaar houden, in verband zien (KRS: Werk). Synoniem; ’t huisje bij ’t *schuurtje late.
bork, bork, zelfstandig naamwoord, gecastreerd mannelijk varken (KRS: Hout). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee.
bosduivel, bosduvel, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), bosneger (LPW: Mont, pols) in de uitdrukking hij ziet eruit as ’n bosduvel (bosneger) : er smerig uitzien. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 42) en Gouda (Lafeber 1967, p. 75). Zie ook *griendduvel.
bosneger, bosneger, zelfstandig naamwoord, zie *bosduvel.
bostel, borstel, zelfstandig naamwoord, bijproduct van bier, dat als veevoer dient (LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij.
boterhammetje, bogie, zelfstandig naamwoord, boterham (LPW: IJss). Zie ook *stuk
bouw, bouw, zelfstandig naamwoord, het totaal van de gewassen voor de oogst (KRS: Coth) ‘We hebbe dit jaar een goeie bouw.’ (Coth)
bouwen, bouwe, werkwoord, het bekijken van de boerderij, het vee en de landerijen tijdens een visite (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 42). Zie hoofdstuk 4, punt 16: bouwen.
bouwmeester, bouwmeester, zelfstandig naamwoord, eerste knecht op de boerderij (KRS: Hout) Zie hoofstuk 4, punt 2: knechten .
Bovenstads, Bovenstads, (KRS: Coth, Bunn, Hout), boven (LPW: Pols de Utrechtse Heuvelrug; soms ook het Kromme-Rijngebied Zie ook *Benedenstads . In Polsbroek heeft dit de connotatie ‘het hoog in de bol hebben’; dat is dan gebaseerd op de welgesteldheid van de inwoners van plaatsen als Zeist, Driebergen etcetera: ‘Ze doet een beetje duur, maar ze komt dan ook boven vandaan.’ (Pols)
braam, brummel, zelfstandig naamwoord, grote braam (KRS: Lang). Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 44).
brak, brakkie, zelfstandig naamwoord, 1. kleine jongen (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Bens, Scha, LPW: IJss, Mont, Lop, Cab, Pols). In Gouda is een brak een ‘ondeugende jongen’ (Lafeber 1967, p. 75). 2. (zn) klein meisje in het algemeen (dus ook wel een meisje) (LPW: Mont, Lop, Cab, Pols). Synoniem: *örrekie. 3. (zn) jonge hond (KRS: Wijk, Werk, Hout; LPW: Mont, Bens, Lop, Cab) Met deze betekenis ook in Gouda (lafeber 1967, p. 75).
brievenbode, brievebooi, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Werk, Bunn, Scha), booi (KRS: Coth; LPW: Bens), posbooi (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols), posboie (LPW: Cab) (zn) postbode.
brik, brik, zelfstandig naamwoord, boerenwagen, geschikt voor diverse ladingen (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (VanVeen1989, p. 43). Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens.
broeinetels, broeinetels, zelfstandig naamwoord, brandnetels (LPW: Lop) In de vorm broenetels ook bekend in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 158). Berns schrijft t.a.p.: ‘Dit is samengesteld uit broei- van broeien ‘schroeien, branden’, gezegd van brandnetels en -netel .
broek, broek, zelfstandig naamwoord, 1. in de uitdrukking die het ’m ut z’n broek lotte hange : gezegd wanneer iemand iets duurs heeft aangeschaft (KRS: Wijk) 2. in de uitdrukking die is zo mak, die ken je rije zonder broek : gezegd van iemand (met name een vrouw), die zeer gewillig, volgzaam is (KRS: Werk). De broek is het achterste deel van het paardetuig, en heeft als functie te voorkomen dat bij het remmen het tuig naar voren schuift, over het paard heen. Bij een zeer mak paard kon je bij het remmen van de wagen je voet tegen de billen van het zetten, om aldus te verhinderen dat de wagen (het tuig) onzacht tegen de achterkant van het paard zouden aankomen. Daar had je de broek dus niet nodig.
brood, brood, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking het eet geen brood (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), het vret geen brood (KRS: Wijk): bewaren kost niets; ook al zijn de betreffende spullen nu niet nodig, dan hoeven ze nog niet weggedaan te worden; het bewaren kost immers niets. ‘Als je iets bewaren wilt, als je bijvoorbeeld een stel planken hebt, en je hebt ze later misschien nog eens nodig, dan zeg je: leg maar op de *balk neer, ze eten geen brood.’(Hout) In een heel andere betekenis (namelijk: het heeft geen haast) komt de uitdrukking in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 44).
broodkruimel, broodkruimel, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking de broodkruimels steken hem : 1. gezegd van iemand, die ’t te weelderig heeft en daardoor dartel wordt; ook gezegd van iemand in jeugdige leeftijd die zich dartel gedraagt (KRS: Wijk, Lang, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop) Zie ook *reep . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 44 en in Gouda (lafeber1967, p. 77). Synoniem: *bezije z’n broek lope. 2. gezegd van iemand die gouw op z’n teentjes getrapt is (KRS: Bunn). Zie ook *kritserig.
bruntsig, bruntsig, brunts, buntsig, broedsig, brodsig, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Coth, Werk, Bunn, Scha), buntsig (KRS: Wijk), brunts (KRS: Werk, Bunn), broedsig (KRS: Lang), brodsig (LPW: Lop) broeierig, vochtig, benauwd weer. Zie ook *mokkerig.
buffelen, buffele, werkwoord, veel eten (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha, LPW: IJss, Mont, Lop, Cab, Pols). Zie ook *bunsumme. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 44).
bul, bul, zelfstandig naamwoord, stier (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook overdrachtelijk: een bul van een jongen (LPW: IJss, Mont) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 45). Het westelijke bul staat tegenover het oostelijke bol(le) , zie Taalatlas , afl. 1, nr. 15; de isoglosse loopt over de Midden-Veluwe. Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee.
bulken, bulleke, werkwoord, 1. schreeuwen (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 2. (ww) boeren (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: Mont) 3. (ww) het loeien van een stier die in het belendende weiland een *tuchtige koe ontwaart (KRS: Wijk, Werk, Bens; LPW: Mont, Cab, Lop, Pols); ook wel het hevige loeien van een koe (LPW: Mont, Bens) 4. (ww) hevige trek hebben: bulleke van de honger (LPW: Mont) Zie ook *blaffe , *geblèr en *koere .
bunder, bunder, zelfstandig naamwoord, hectare (10.000 vierkante meter) (KRS: Bunn, LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4, punt 14: oppervlaktematen.
bunzig, bunzig, bijwoord, 1. angstig (KRS: Lang, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Voor die blauwe envelop in z’n brievenbus, daar is-ie bunzig voor.’ (Werk). Met deze betekenis ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 38) en Gouda (Lafeber 1967, p. 77). Ook elders in Zuid-Holland wel in gebruik, blijkens het voorkomen in de roman De jacobsladder van Maarten ’t Hart (Amsterdam 1986, p. 107). Van Veen (1988) schrijft dat bunzig in Zuid-Holland nog sprinlevend is, maar ook elders (Noord-Holland, Groningen, Zeeland) wel voorkomt. 2. (bw) (van weer gezegd) slecht: koud, nat, regenachtig (LPW: Bens). Opvallend betekenisverschil met het (vrijwel) identieke *b(r)unstig.
bunzing, bunsem, zelfstandig naamwoord, bunzing (KRS: Hout LPW: Mont, Bens, Lop, Pols) Voor de -em in plaats van -ing zie hoofdstuk 2, punt C.3. Ook in de uitdrukking hij stink as een bunsem : stinkt zeer hevig (LPW: Mont). Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 45). Gouda heeft bonsem en bonseng (Lafeber 1967, p. 74).
bunzingen, bunsumme, werkwoord, 1. heen-en-weer lopen (KRS: Lang, Coth; LPW: Bens, Lop) Hetzelfde als *bere betekenis 1 en *bandere betekenis 2. De boel onderbunsumme is smerige voeten achterlaten op de vloer(bedekking); hetzelfde als onderbere (KRS: Lang, Coth; LPW: Bens, Lop) en *boestere , betekenis 4. Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 150). Afgeleid van bunsem , ‘bunzing’. Voor de betekenisontwikkeling zie onder het synoniem *bere. 2. (ww) stinken (KRS: Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cap, Pols) 3. (ww) kroeglopen, ‘stappen’, boemelen (KRS: Wijk) 4. (ww) schransen (KRS: Werk, Scha; LPW: Mont) 5. (ww) kijken, onderzoeken (LPW: Bens); soms met een negatieve connatatie; ‘roofzoeken’ (LPW: Lop).
bussel, bussel, zelfstandig naamwoord, rond mandje van gevlochten teen, voor het vervoer van kersen (KRS: Bunn; LPW: IJss) Zie de artikelen Uit de historie der Bunnikse boomgaarden, Kersen in IJsselstein en De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
daas, daas, zelfstandig naamwoord, (stekende) paardevlieg (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cap,Pols); het dier komt ook wel bij mensen voor, maar bij paarden was (en is) het een grote last. Wanneer een paard door een daas gestoken werd, sloeg het nogal eens op hol (zie *bizze ). Ook koeien hadden wel eens last van een daas. De insecten verschenen maar gedurende een paar uren per dag; als dit net onder melkenstijd viel, waren de koeien niet te genieten. Met paarden die last hadden van een daas, viel niet te ploegen. Het verschijnen van dazen duidt op de komst van onweer. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 46).
daggelder, daggelder, zelfstandig naamwoord, dagloner, boerenarbeider (KRS: Werk, Bunn; LPW: Mont, Bens, Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 46).
dampig, dampig, bijvoeglijk naamwoord, bij paarden: kortademig (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 46) en Gouda (Lafeber 1967, p. 78).
deel, deel, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, LPW: Lop), achterdeel (KRS: Lang) het aan het woonhuis gebouwde bedrijfsgedeelte van de boerderij Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 39).
deelknecht, deelknecht, zelfstandig naamwoord, tweede knecht op de boerderij (KRS: Hout). Zie hoofdstuk 4, punt 2: knechten .
deemsterig, dimsterig, deemsterig, bijvoeglijk naamwoord, (van weer gezegd) licht mistig, heiig(LPW: Lop) In de vorm deemsterig ook in de Krimpenerwaaard (Van der Ent 1988, p. 39). Van Dale kent deemster als gewestelijke vorm voor ‘donker, duister, duisternis, schemerig’. De i in de Utrechtse variant is een geval van Utrechtse klinkerverkorting, zie hoofdstuk 2, punt B.5).
deerne, deern, deere, dirn, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wiijk, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols), deere (KRS: Lang, Coth, Werk, Scha), dirn (KRS: Wijk) jong meisje; ‘Dat is een leuke deere, daar zou ik wel eens mee naar de kermis wille.’ (Werk) Meervoud: derens (KRS: Werk; LPW: IJss, Bens, Lop, Pols); ‘de derens van Oskam’.
Den Oord, Noord, Den Oord, buurtschap ten oosten van Wijk bij Duurstede.
diepen, diepe, werkwoord, door uitbaggeren op diepte brengen van een watergang (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
dik, duk, dikkels, dukker, dukwuls, dukkels, dikkels, druk, bijwoord, (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Scha), dukker (KRS: Wijk, Lang, Werk, Bunn, Scha; LPW: Mont, Bens), dukwuls (KRS: Wijk; LPW: IJss), dukkels (KRS: Hout; LPW: Bens, Lop, Pols), druk (LPW: Bens, Lop, Cab, Pols), dikkels (LPW: Mont) (bw) dikwijls, vaak. Gouda heeft dikkels (Lafeber 1967, p. 81).
dissel, dissel, zelfstandig naamwoord, (zn) kleine hakbijl, in de hoepelmakerij gebruikt voor het kloven van hout (LPW: IJss).
dissel, dissel, zelfstandig naamwoord, 1. kromme boog aan de voorzijde van de wagen, waarmee de wagen bestuurd werd (KRS: Hout; LPW: Lop). Synoniem: kromme dissel (KRS: Hout; LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens . 2. (zn) brandnetel (KRS: Wijk) 3. (zn) distel (KRS: Wijk); zie *dessel. Zie artikel De grienden rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
disselboom, disselboom, zelfstandig naamwoord, lange rechte boom aan de voorzijde van een boerenwagen (KRS: Hout; LPW: Lop) Synoniem *lange boom . Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
distel, dessel, dijssel, dissel, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Bunn, Scha), dijssel (KRS: Coth, Werk, Hout; LPW: Bens), dissel (KRS: Wijk; LPW: Bens) distel. In de vorm dijssel ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 52). Zie ook *stekel. Dissels blote , distels maaien (KRS: Coth) Bij nat weer werden de distels gemaaid; met een zeis werden de distels omgehakt. Het regenwater liep dan in de holle steel, waardoor de plant dood ging. Begrijpelijkerwijs was dit werk in de regen niet erg populair, en het leed werd nog vergroot doordat de zeug juist voor de regen werd binnengehaald; ‘Doet de zog maor naar binnen en pak maar een zeis’ zei de boer dan tegen zijn knecht (Coth). Zie ook *blote . Hetzelfde als *stekels trekke .
dit, dut, aanwijzend voornaamwoord, dit (LPW: Lop, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 51) en Gouda (Lafeber 1967, p. 86).
dok, dok, nok, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Cab), nok (KRS: Wijk, Coth; LPW: IJss, Bens, Cab) flesvormig gedraaid bosje (rogge)stro onder de dakpannen, tegen de tocht of doorregenen De isolerende werking van het dok was overigens maar gering. Bij de jaarlijkse schoonmaak werd ook het dok gereinigd. In de vorm dok ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 49).
dokken, dokke, werkwoord, het aanbrengen van *dok (KRS: Hout) Van tijd tot tijd (om het jaar) werd het dok opnieuw aangebracht.
dokter, dokter, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking aan de dokter zijn : ziek zijn (LPW: Lop)
dominoën, dominieke, werkwoord, domino spelen (LPW: Lop). Gouda heeft domieneeje (Lafeber 1967, p. 83).
doop, doop, zelfstandig naamwoord, vet, jus, saus (KRS: Wijk, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 49). De naam werd ook wel gebruikt als de aardappelen niet in de jus gedoopt werden, maar de jus over de aardappelen geschonken werd. De naam doop of boterdoop wordt soms gebruikt ter onderscheiding van jus die van vlees getrokken is. Deze (boter)doop kwam in rooms-katholieke gezinnen ’s vrijdags op tafel. Soms wordt doop ook gebruikt om (in wat negatieve zin) ‘minderwaardige’ jus mee aan te duiden, bijvoorbeeld groentenat (IJss). Soms aangelengd met wei (Cab). Daarnaast, in samenstellingen, ter aanduiding van een specifiek soort jus: peredoop (het sap van stoofpeertjes) (IJss) of kaasdoop (gesmolten kaas) (Mont). In Lopik kent men bruine doop (vleesjus) en gele doop (boterjus). Zie ook *stip en *saus . Ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 41). Volgens Van Veen (1978) komt doop voor in Zuid-Holland, Noord-Holland en het westen van Utrecht; dit in tegenstelling tot *stip , dat in Oost-Utrecht en op de westelijke Veluwe voorkomt. De grens tussen westelijk doop en oostelijk stip loopt door de provincie Utrecht. In ons onderzoek wordt het westelijke doop zelfs nog in Wijk bij Duurstede gebruikt.
door de kordons, dirrekedons, dirriekedons, kedons, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking hij moet de dirrekedons (KRS: Wijk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont), …dirrekiedons (KRS: Werk; LPW: IJss), …kedons (KRS: Bunn; LPW: Bens, Lop): hij krijgt het moeilijk, hij moet door een zure appel heen bijten.’Iemand wordt voorzitter van een vereniging, en hij moet voor de eerste keer optreden, dan moet hij deur de dirrekedons.’ (Hout). Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 48).
doornbes, doornbes, dorenbes, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols), dorenbes (LPW: IJss, Lop) kruisbes. Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen . Hetzelfde als *stekbes , *kruibes en *klapbes . Evenals ste (e )kbes laat dit woord zich verklaren uit de doornen die aan een kruisbessestruik zitten. Ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 83).
doorsnijden, doorsnijde, snijde, werkwoord, (KRS: Lang), snijde (KRS: Lang) het verwijderen van planten uit watergangen. Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
doorsnijdingsschouw, doorsnijdingsschouw, snijschouw, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang), snijschouw (LPW: Lop) *schouw waarbij slechts gecontroleerd wordt of de planten uit de watergangen verwijderd zijn Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
dot, dot, in een dot veel (LPW: Lop) Ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 41-42).
dragen, drage, werkwoord, etteren, vooral gezegd bij een wond van koeien (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 50).
dragonder, dragonder, zelfstandig naamwoord, dikke vrouw (KRS: Scha)
driepaardsevenaar, driepeerdsevenaar, zelfstandig naamwoord, type *evenaar dat bij het ploegen met drie paarden wordr gebruikt (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4: wagens.
drinkerskruik, drinkerskruik, zelfstandig naamwoord, blauwe geëmailleerde kruik waar het drinken (melk of iets dergelijks) voor tussen de middag in gaat (KRS: Lang). Hoorde bij de *stukkezak .
duien, duie, deue, doien, werkwoord, in dat duit niet (KRS: Lang, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Pols), dat deut niet (LPW: Bens), dat doit niet (LPW: Mont) dat geldt niet Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 51).
duig, doigie, duig, zelfstandig naamwoord, (LPW: Lop), duig (LPW: Cab) hoeveelheid hooi op een hooivork (doigie is eigenlijk diminutief bij doig ) ‘Geef de koeien nog eens een doigie na (= een hapje toe). ’(Lop) Vrijwel synoniem: * lok . Een lok hooi is precies één vork hooi. Wie alle koeien een doig wil geven, moet echter een paar keer met de vork scheppen; de hoeveelheid is dus wat groter.
dunsel, dunsel, zelfstandig naamwoord, sla (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) In feite de sla die uit een dichtbeplant rijtje gehaald wordt (dus bij het uitdunnen van een bed sla) en die dan geconsumeerd wordt; dit is geen vaste krop, maar snijsla. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 51) en Gouda (Lafeber 1967, p. 86). Hetzelfde als *snaisel .
dweil, dweil, zelfstandig naamwoord, slechte vrouw of meisje (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *vel en *kaai . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 52) en Gouda (Lafeber 1967, p. 86).
echte blaarkop, echte blaarkop, zelfstandig naamwoord, *blaarkop waarbij de zwarte ring om de ogen niet verbonden is met het zwarte elders op het lichaam (KRS: Hout). Zie hoofdstuk 4, punt 6 het vee.
eeuwig, eeuwig en erfelijk, bijwoord, altijd maar weer (KRS: Wijk, Werk, Bunn; LPW: IJss, Mont, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 53).
eigenste, eigenste, bijvoeglijk naamwoord, in de eigenste dag dezelfde dag (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 54) en Gouda (Lafeber 1967, p. 89).
emmer, immer, zelfstandig naamwoord, emmer (LPW: Bens) Een geval van e/i -wissel voor nasaal; zie hoofdstuk 2, punt A.4.
emmerrek, immerrek, zelfstandig naamwoord, rek achter de boerderij, bij de sloot, waarop emmers en dergelijke stonden te drogen (LPW: Lop) Synoniem: *pottenrek . Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
erf, aarf, örf, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Coth, Werk), örf (KRS: Coth; LPW: Cab) erf om de boerderij. Zie ook *wer(re)f .
erg, erg, aarg, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), aarg (KRS: Lang, Coth) zuinig, gierig Ook, in de vorm erg , in de Vechtstreek, maar dan vooral ten westen van de Vecht: Portengen, Kockengen (Van Veen 1989, p. 54). Verder, eveneens als erg , in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 44) en Gouda (Lafeber 1967, p. 91).
ergens, ievers, bijwoord, ergens (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols); ‘Hij gaot ievers naor toe.’(Coth) Ontstaan uit het Middelnederlands ie (= ieder) + waar (+s ), Vergelijk Engels anywhere (Van Dale 1992, p. 1233). Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 35). Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en p. 158). In de Krimpenerwaard is het woord nog wel bekend, maar het word niet meer gebruikt (Van der Ent 1988, p. 59).
erwtenrijst, èterijs, zelfstandig naamwoord, erwten met rijst (LPW: Lop).
erwtrijs, etrais, zelfstandig naamwoord, (‘erwtrijs’) takken (rijshout) waar de erwten tegen op gezet worden (LPW: Lop)
eten door de war, ète deur de war, (‘eten in de war’) (zn) stamppot (zuurkool, boerenkool, hutspot en dergelijke) (KRS: Wijk)
etgroen, etgroen, zelfstandig naamwoord, gras dat na het maaien van de eerste snee opgroeit (Hout) Et betekent ‘weer, terug’ (Van Dale 1992, p. 806). Zie hoofdstuk 4: de boederij . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 54).
evenaar, evenaar, zelfstandig naamwoord, bij een wagen of ploeg die door meer dan één paard wordt voortgetrokken: de dwarsbalk waaraan de *ooshoute vanstzitten (KRS: Hout; LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
evenwel, evel, bijwoord, toch, evenwel (KRS: Lang. Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 54), Gouda (Lafeber 1967, p. 88) en in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 44).
fazel, venazel, zelfstandig naamwoord, (accent op a ; de beide e ’s als in de ) rafel (KRS: Lang)
fuugje, fugie, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking daar mankeert geen fugie aan : dat in volmaakt in orde (LPW: IJss, Bens) Als fuugje ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 47).
gaffel, gavel, gaovel, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bun, Hout, Scha) hooivork; ‘Ik stik je an de gaovel.’(Coth) Synoniem: *hooivurk . Vergelijk het in de standaardtaal voorkomende woord gaffel , met onder andere deze betekenis (Van Dale 1992, p. 882). Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . De uitdrukking hij lop van de gavel in de griep (Scha) betekent als ‘van het kastje naar de muur lopen’.
galg, galge, gaalge, galgers, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), galgers (LPW: Cab; LPW: Lop) bretels Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p.58) en Gouda (Lafeber 1967, p. 95). Het laatstgenoemde werk maakt ons opmerkzaam op het betekenisverschil tussen het verouderde galgen en bretels : ‘Galgen werden kruislings over de schouders gedragen en dienden om de broek op te houden. Ze deden wel dezelfde dienst als bretels, maar galgen waren twee afzonderlijke banden, terwijl bretels één voorwerp vormen.’ In de Van Dale (1992, p. 884) zijn galg en bretel synoniem.
gang, gang, zelfstandig naamwoord, twee emmers, dus wat onder één juk hangt (met andere woorden wat in één keer gaan (één gang) gehaald kan worden); een gang water hale (KRS: Lang, Coth, Bunn, Hout, Scha; LPW : IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 58).
garf, garf, zelfstandig naamwoord, bos gemaaid en samengebonden koren (KRS: Bunn) Zie hoofdstuk 4, punt 5; gereedschap .
garstig, garstig, gerstig, gorstig, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), gerstig (KRS: Bunn), gorstig (KRS: Wijk) ranzig, sterke smaak (bij spek); enigszins bedorven (geel van kleur), maar niet zo, dat het weggegooid werd (Daar moet wel bij gezegd worden, dat men vroeger minder gemakkelijk dan thans ertoe overging eten weg te gooien.) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 58). Synoniem: *traanderig.
geblèr van de honger, geblèr van de honger, zelfstandig naamwoord, hevige honger (KRS: Wijk) ‘Moeder wij hebben ’t geblèr van de honger, geef ons gauw een bord *piepersoep .’ (Wijk) Vergelijk *blaffe , *bulleke betekenis 4 en *koere van de honger.
geforceerd, gefokseerd, bijvoeglijk naamwoord, (van ‘geforceerd’) overspannen, gestressed (KRS: Wijk) In Gouda komt het werkwoord fokseere voor, met als betekenis ‘forceren’ (Lafeber 1967, p. 94).
geile lucht, geile lucht, zelfstandig naamwoord, onweerslucht (LPW: IJss) Geil heeft hier de oude betekenis van ‘vet’, dat wil zeggen veel water bevattend.
geit, geit, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking de geit *verpale (KRS: Bunn), de geit verzette (LPW: Pols): naar het toilet gaan; meer specifiek : gaan urineren (door mannen gezegd; destijds urineerde de mannelijke bevolking van de boerderij buitenshuis, in de open lucht).
geld bij de vis, geld bij de vis, zelfstandig naamwoord, boter bij de vis (LPW: Lop)
geldig, geldig, bijvoeglijk naamwoord, prijzig, vrij duur (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 60). In de Nederlandse standaardtaal is het, althans in deze betekenis, verouderd (Van Dale 1992, p. 935).
geltzeug, geltzeug, gelt, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout), geltzeug (KRS: Hout) jonge zeug die nog niet gebigd heeft. Zie hoofdstuk 4, punt 6 het vee . In de Vechtstreek is een geltzeug een ‘onvruchtbaar, gesneden, vrouwelijk varken (van Veen 1989, p. 60).
gemak, gemak, zelfstandig naamwoord, mannelijk geslacht, balzak (KRS: Hout); ‘Hij het z’n gemakkie bezeerd.’ (Hout). In licht-afwijkende vorm (gemag, gemacht ) ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 60). De Nederlandse standaardtaal heeft ook gemacht (Van Dale 1992, p. 947).
gemunteneerd, gemunteneerd, bijvoeglijk naamwoord, (met ontkenning) niet in tel zijnd (LPW: IJss); ‘Die is niet erg gemunteneerd’ die wordt niet bijzonder gewaardeerd (IJss) Gouda kent het werkwoord muntenere , met als oorspronkelijke betekenis ‘een maintenee onderhouden’ en de daarvan afgeleide betekenis ‘bekostigen’ (Lafeber 1967, p. 133). Volksetymologisch zou muntenere ‘bekostigen’, met daarin het element munt ‘geldstuk’ zich uit maintenee ontwikkeld kunnen hebben; de ontwikkeling tot de betekenis ‘(niet) erg in tel zijnd’, die het woord te IJsselstein heeft is echter duister.
genade, genaai, in de uitdrukking ergens genaai bij hebbe : ergens baat bij hebben (bijv. medicijnen, een therapie, een warm bad) (LPW: IJss) Genaai betekent letterlijk ‘genade’. Voor de intervocalische j uit d zie hoofdstuk 2, punt B.6.
geren, gere, werkwoord, het schuin toelopen van grond (KRS: Hout; LPW Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 60. Zie hoofdstuk 4, punt 14: oppervlaktematen .
geresolveerd, gerizzeleveerd, bijvoeglijk naam en bijwoord, 1. resoluut, vastberaden (KRS: Wijk, Werk, Hout; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 60), Gouda (lafeber 1967, p. 98) en de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 49). Van Dale noemt geresolveerd (1992, p. 963) verouderd, en geeft de betekenis ‘doortastend, vastberaden, flink’. Vergelijk ook het franse résolu , ‘vastberaden’. 2. (bn en bw) terughoudend (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Lop, Cab) Deze tweede betekenis is merkwaardig vanwege de tegenstelling met de eerste. Waarschijnlijk moeten we denken aan beïnvloeding door de betekenis van het standaardtalige woord gereserveerd , dat er qua klank enigszins op lijkt. 3. (bn en bw) behulpzaam (LPW: Mont)
geslachtje, geslachtje, zelfstandig naamwoord, stuk vlees of worst dat men meekrijgt dan wel ‘stiekem’ meeneemt wanneer men bij de buren is wezen *vet prijze (Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 8: slacht .
gewend, gewonne, voltooid deelwoord, ‘gewend’, voltooid deelwoord van wennen (KRS: Scha)
gier, gier, schier, schiere, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), schier (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk; LPW: Mont) bedorven (gezegd van eieren). Vaak wordt gier niet verbogen: gier eieren. Misschien is gier een volksetymologische verbastering (op basis van gier , mest) van schier . Een aanwijzing in die richting vormt het gegeven, dat schier meer bij oudere, en gier bij (relatief) jongere sprekers voorkomt. De vorm schier komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 114). Van Dale (1992, p. 2670) noemt schiere eieren met als betekenis: ‘bebroed maar onbevrucht, (ook) bedorven’. Synoniem: *strui . Volgens het volksgeloof zou een ei dat op Witte Donderdag gelegd was, niet gier worden. Aan zo’n ei werd een heilzame werking bij allerlei kwalen toegedicht; zie het artikel Bijgelovigheden en religiueze praktijken in het Kromme-Rijngebied in hoofdstuk 5.
gierbrik, gierbrik, zelfstandig naamwoord, mestkar (KRS: Wijk).
gierpuls, gierpuls, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols), gierschepper (LPW: Cap, Pols), gierschep LPW: Pols) emmertje bevestigd aan een lange stok, om mest uit de gierbak (put) te scheppen. Soms ook gebruikt om staande op de *gierbrik de mest mee over het land te verspreiden (KRS: Wijk); een dergelijke manier van mest verspreiden was overigens meer gebruikelijk in de groentetuin, waar het er wel op aankomt hoeveel mest op een bepaalde plaats belandt; het geval werd ook wel gebruikt om water uit een sloot te scheppen, dan werd er ook kortweg van puls gesproken (KRS: Coth)
gierschep, gierschep, zelfstandig naamwoord, zie *gierpuls .
gierschepper, gierschepper, zelfstandig naamwoord, zie *gierpuls .
ginder wijd, gunter wijd, bijwoord, ver weg (KRS: Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Zie ook *wijd . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 63), Gouda (Lafeber 1967, p. 103) en de Krimpenenrwaard (Van der Ent 1988, p. 52).
ginds, gund, in de uitdrukking die lui leve maar een end gund op : die tillen er niet zo zwaar aan (LPW: IJss, Bens)
glazenwasser, glazewasser, glaozewasser, zelfstandig naamwoord, libel (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cap) In de Vechtstreek wordt voor hetzelfde dier de naam glazemaker gebruikt (Van Veen 1989, p. 61). De Van Dale (1992, p. 1005) kent eveneens glazemaker als volksbenaming voor de grote libel, en verder glazewipper als gewestelijke naam voor libel. Synoniem: *juffertje .
goed, goed, zelfstandig naamwoord, medicijnen (LPW: Lop; ‘Als je nou toch naar ’t dörp gaat, breng dan een flesje goed veur me mee.’(Lop).
gofferd, gofferd, zelfstandig naamwoord, zwaar iemand (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bun, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pels); ‘een gofferd van een vent’ (Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 61)
goor, goor, gorig, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), gorig (KRS: Bunn) zuur, bedorven (van melk gezegd) Feitelijk is goor de fase die aan de zuurte vooraf gaat; de melk is eerst goor en daarna zuur (LPW: Bens). In de Vechtstreek goor (Van Veen 1989, p. 61).
goot, geut, zelfstandig naamwoord, de goot in de stal die voor de koeien langs loopt en waarin het voer en het water gedaan wordt (LPW: Lop, Cab, Pols) Synoniem; *zul(t) . Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
gootgat, geutgat, gutgat, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), gutgat (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Scha 1. gat onderin de muur waar na het schoonmaken het water uit kon weglopen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 61). De uitdrukking kijken als een uil voor’t gutgat betekent: onbestemd voor zich uit staren (KRS: Coth). De uitdrukking door het geutgat gooie betekent hetzelfde als ‘een gat in de hand hebben’(LPW: Pols). 2. (zn) gootsteen (LPW: Mont) 3. (zn) gat aan het einde van de *geut waardoor het overtollig water wegloopt (LPW: Lop, Cab, Pols).
graaf, graaf, zelfstandig naamwoord, een scherp toelopende schop, bedoeld om mest (met stro) af te steken, of hooi (dan ook wel specifiek *hooigraaf ) (KRS: Hout; LPW: Lop) De Vechtstreek kent dit woord ook, met de volgende omschrijving: ‘grote, van voren ovaalvormige, scherp geslepen ‘schop’, waarvan de steel in hetzelfde vlak ligt als de eigenlijke schop en die dient om het in de berg samengeperste hooi af te steken bij het voeren van koeien’ (Van Veen 1989, p. 61). Volgens Lafeber (1967, p. 101) is het woord in Gouda verouderd; ‘hiemee werd alleen de puntige spa bedoeld, de vierkante heette schop’. Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap.
grazen, graze, werkwoord, het voeren van vee dat in de zomer op stal staat (KRS: Hout, LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4 punt 1: de boerderij . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 61). Stapelkamp schrijft t.a.p.: ‘Dit geschiedde bijvoorbeeld door verveners, die wel voldoende groen voeder voor enige koeien tot hun beschikking hadden op hun veenakkers in de polder (veenplas) maar geen eigenlijk weiland’. Zie ook Van Veen 1989, p. 175, punt 27.
greep, griep, zelfstandig naamwoord, greep, mestvork (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Een griep heeft vier of vijf tanden; een *gavel heeft twee, en een enkele keer drie tanden. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 62).
griendduivel, griendduvel, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking hij ziet er uit als een griendduvel : hij ziet er smerig uit (LPW: IJss) Zie ook *bosduvel .
griffelen, griffele, werkwoord, enten (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab)
grijzelen, grijzele, werkwoord, met kalk grijs kleuren (van bijvoorbeeld een muur) (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
grobbelen, grobbele, werkwoord, wroeten (KRS: Werk) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 62).
groen, greun, zelfstandig naamwoord, groente (KRS: Wijk)
groep, groep, zelfstandig naamwoord, brede goot achter de koeien, waarin de uitwerpselen vallen (KRS: Hout; LPW: Bens, Lop) Zie hoofdstuk 4 punt 1: de boerderij . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 62). Vroeger was men niet gauw vies van iets. Als de boerin het *melkstuk naar de *deel bracht, en de boer of de knecht was nog bezig met melken, dan zei deze: ‘Leg het maar even neer op de groep’. (LPW: Bens)
groeploper, groeploper, zelfstandig naamwoord, persooon die er haveloos en smerig uitziet (KRS: Werk) Een groeploper is eigelijk een koe die te ver naar achteren gaat staan en dan met haar achterpoten in de *groep terechtkomt; de uier wordt daardoor smerig. Alvorens te melken moest de boer, boerin of knecht de uier schoonmaken. Dat leverde extra werk op. Groeplopers waren dan ook niet geliefd.
grond, grond, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking het wark is bij de grond : het is gemakkelijk als je klein bent, het heeft voordelen om klein te zijn (LPW: Lop)
grondgat, grondgat, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking het grondgat van iets wille wete : het naadje van de kous willen weten (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 62).
groot, groot, bijvoeglijk naamwoord, in zeer vriendschappelijke verhouding (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Ze zijn nogal groot met elkaar’. (IJss). Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 63). De Krimpenerwaard heeft groot staan op iemand met als betekenis ‘iemand graag mogen’ (Van der Ent 1988, p. 51).
grootje, groffie, zelfstandig naamwoord, grootvader (KRS Werk; LPW: Lop)
groots, groots, groos, grots, gros, gruts, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens), grots (KRS: Lang, Werk, Hout), gruts (KRS: Lang), groos (LPW: Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), gros LPW: IJss) trots In de vorm groos ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 62).
grootst, grutst, bijvoeglijk naamwoord, grootst, overtreffende trap van groot (KRS: Lang).
groter, grutter, bijvoeglijk naamwoord, groter, vergrotende trap van groot (KRS: Lang); de stellende trap is groot.
grunneken, grunneke, grinneke, runneke, werkwoord, (KRS: Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont), runneke (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Bens, Lop, Cab), grinneke (LPW: Lop) hinneken. De vorm grunneke komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 63). In Gouda kent men grunneke alleen in de betekenis ‘grinneken’ (Lafeber 1967, p. 102).
gust, guist, zelfstandig naamwoord, koe of paard dat niet drachtig is. (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . De vorm guist komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 63).
haaibaai, haaibaai, zelfstandig naamwoord, ruwe, luidruchtige vrouw (KRS: Hout) Spellingsvariant: heibei. In die vorm ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 66); in Gouda aajbaaj (Lafeber 1967, p. 54). De aanduiding heft een tamelijk negatieve gevoelswaarde, wat niet altijd terecht is. Het gewiekste gedrag van bijvoorbeeld handelaren op het platteland kon een weduwe met nog jonge kinderen wel eens dwingen tot een wat minder ‘ladylike’ gedrag. Deze vrouwen werden door de handel uitgeprobeerd. ook wel door eerlijke kooplui. Een vrouw die daar tegenop kon, werd gezien als een kenau of een haaibaai. Het kwam ook wel eens voor dat een boer zelf wat zwak tegenover de samenleving stond, en dat dan zijn vrouw het noodzakelijke kordate gedrag vertoonde, en zo’n vrouw kon dan ook wel met het predikaat haaibaai gesierd worden. De scheldnaam haaibaai trof in de vroegere boerensamenleving vaak mensen die het toch al verre van gemakkelijk hadden.
haakgat, haakgat, haaggat, hokgat, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout), hokgat (KRS: Hout), haaggat (LPW: Lop) 1. uitgespaard vierkant gat in het hooi aan de buitenzijde van een hooiberg (op halve hoogte), waarheen het hooi van de wagen opgestoken wordt om het vandaar weer hogerop te steken (KRS: Hout; LPW: Lop) 2. (zn) het gat of de gang in de hooiberg waar de *hooiburrie ingereden wordt om deze vervolgens vol te laden (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . In de Vechtstreek komt, evenals in de Lopikerwaard, de vorm haaggat voor (Van Veen 1989, p. 64). De suggestie ‘Misschien geassimileerd uit haakgat ’ t.a.p. vindt ondersteuning in de in de Kromme-Rijnstreek aangetroffen vorm.
haal, hiele, zelfstandig naamwoord, 1. nageboorte van een varken (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . 2. in de uitdrukking hij laat het op z’n hiele afzakke : hij geeft de moed (te) gauw op (LPW: IJss, Bens)
haam, haam, zelfstandig naamwoord, 1. nageboorte van een paard (KRS: Hout, Scha; LPW: Lop) Zie ook *licht (de nageboorte van een koe). Vroeger werd de haam in een boom, meestal een knotwilg, opgehangen. Volgens het volksgeloof zou een veulen dan niet krom worden, of met zijn hoofd naar beneden gaan lopen; zie het artikel Bijgelovigheden en religieuze praktijken in het Kromme-Rijngebied in hoofdstuk 5. 2. (zn) in het tuig van het paard het deel dat voor de borst hangt (KRS: Bunn) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
haanderik, hunderik, haanderik, zelfstandig naamwoord, (KRS: Coth), haanderik (KRS: Bunn; LPW: IJss) mand gebruikt bij het kersenplukken Zie de artikelen Uit de historie der Bunnikse boomgaarden en Kersen in IJsselstein in hoofstuk 5.
haargerei, haargerei, zelfstandig naamwoord, geheel van gereedschappen (bestaande uit een *haarspit en een *haarhamer ) om een zeis mee te *haren (scherpen) (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
haarhamer, haarhamer, zelfstandig naamwoord, aan beide zijden gepunte hamer, voor het *haren (scherpen) van een zeis (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
haarspit, haarspit, zelfstandig naamwoord, een ronde ijzeren plaat op een paal (punaise-vormig), waarop de zeis gelegd werd, die dan met de *haarhamer geslagen werd (KRS: Lang; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (‘Op het haarspit wordt de zeis met de haarhamer (één- of tweebekte haarhamer) scherp geslagen’) (Van Veen 1989, p. 64) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
haast, hos, host, bijwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab. Pols) haast, bijna Uit hoast (‘haast’); een geval van Utrechtse klinkerverkorting. Synoniem: *bekant .
hakoord, hakoord, zelfstandig naamwoord, 1. *oord kortgesteeld zeisvormig snijwerktuig, specifiek om slootkanten mee te snijden, dat wil zeggen van onkruid te reinigen en te egaliseren (LPW: Lop) Synoniem: *kantoord . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap . 2. (zn) (in de griendcultuur) bijl waarmee het hout van de *stommel gekapt wordt (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
halffaas, halffaas, zelfstandig naamwoord, bos griendhout met een lengte van 185 cm; er gingen 39 stokken in een bos. Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
halster, halster, helster, zelfstandig naamwoord, KRS: Hout; LPW: Lop, helster (KRS: Lang) (zn); gestel van banden of riemen over het hoofd van een paard, waaraan het weggeleid of aan de krib vastgemaakt wordt, door middel van een ketting of een touw. De Vechtstreek kent ook de vorm met e (naast halster ) (Van Veen1989, p. 64). Zie hoofdstuk 4, punt 5: wagens .
hanenschree, hanegeschrei, haneschrei, hanenschreeuw, zelfstandig naamwoord, (KRS: Werk) haneschreeuw (KRS: Scha), haneschrei (KRS: Werk; LPW: Bens) zeer kort ogenblik; eigenlijk de tijd die een haan nodig heeft om éénmaal te kraaien; ‘Da’s maar voor een hanenschreeuw.’ (Scha), ’Na 21 december wordt elke dag een haneschrei langer.’(Werk) Met dezelfde betekenis: hanetree (LPW: Mont); ‘Met Driekoningen is de tijd een hanetree vooruit.’ (Mont). Het zou goed kunnen dat de vorm hanetree , gezien de betekenis ‘zeer kort (ogenblik)’ oorspronkelijk is. Het opvallende aan de loop van de haan zijn namelijk de zeer korte stappen. Ook het kraaien van een haan duurt weliswaar niet heel lang, maar is niet direct opvallend vanwege zijn kortheid. Het feit dat hanegeschrei , hanetree etcetera steeds in verbinding wordt gebracht met het lengen van de dagen, en dan vooral vlak na 21 december, min of meer in een vaste uitdrukking, werpt enig licht op de vraag hoe hanetree kon overgaan in hanegeschrei : het kraaien van de haan markeert het aanbreken van de dag, waarvan het tijdstip in de winter elke dag een klein beetje vroeger komt te liggen. Van dag tot dag kraait de haan steeds een beetje vroeger. Op den duur heeft haneschrei (mogelijk via een tussenvorm haneschree , die in de Van Dale (1992, p. 1102) voorkomt) zelf de betekenis ‘zeer kort’ overgenomen; natuurlijk vooral in ‘zeer kort ogenblik, maar ook wel in andere opzichten ‘zeer kort’. In het centrum van de stad Utrecht bevindt zich een straatje met de naam ‘Haneschrei’, en daar geeft het inderdaad aan dat het een heel kort straatje betreft. De overgang naar haneschrei is mogelijk begunstigd door associatie met schrijden , een werkwoord dat precies de loop van een haan karakteriseert. De vorm hanegeschrei komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 65).
hanentred, hanetree, zelfstandig naamwoord, zie *hanegeschrei .
hanenwaken, hanewake, haonewake, werkwoord, 1. wakker liggen, slapeloos zijn (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont. Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Als er bijvoorbeeld een koe moet kalven dan lig je maar te hanewaken, om er uit te springen als het nodig is.’ (Lop) In de Vechtstreek wordt dit met kranewake aangeduid (Van Veen 1989, p. 80). De Krimpenerwaard heeft hanewaken (Van der Ent 1988, p. 53). Van Dale (1992, p. 1103) kent alleen hanewaker , ‘iemand die met de haan, dus zeer vroeg, wakker is’. Voor Gouda vermeldt Lafeber (1967, p. 116) het woord koewake , met dezelfde betekenis, en als verklaring van de oorsprong: ‘Waarschijnlijk komt dit woord uit het boerenbedrijf, waar een boer maar half slaapt, doordat hij steeds luistert of hij de koe niet hoort, wanneer deze ’s nachts zal kalven.’ 2. (zn) in de R.K. - Kerk: avondgebed in de Paastijd (KRS: Bunn) Tot een uur of elf ’s avonds was de kerk open; men kon dan binnenlopen en een half uur (of langer, zoals men zelf verkoos) bidden.
hardijzers, hardijzers, zelfstandig naamwoord, ridderzuring (LPW: Cab) In de Krimpenerwaard is een hardijzer een ‘gevoelloos persoon; iemand die niet kleinzerig is’ (Van der Ent 1998, p. 53).
haren, hare, werkwoord, scherp maken van een zeis (KRS: Lang; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 65). Zie hoofdstuk 4, punt 5:gereedschap .
heen, henne, bijwoord, vandaan; ‘Waar kom je henne?’ (KRS: Bunn).
hei, hei, handhei, zelfstandig naamwoord, (LPW: Lop), handhei (LPW: Lop) zwaar stuk hout met handvaten om palen mee in de grond te slaan. Zie hoofstuk 4, punt 5: gereedschap .
heinen, heininge, hèène, heine, afheininge, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout; LPW: IJss), afheininge (KRS: Lang, Werk), heine (LPW: Bens, Lop, Pols), hèène (LPW: Bens, Lop, Cab) een weiland van een omheining voorzien De Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden hebben hèènen (Berns 1991, p. 151).
hek, hek, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking bij ’t hek zijn : bij de hand zijn (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 66).
helegaar, helegaar, bijwoord, helemaal (LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 66).
helig, heel, heelachtig, helig, bijwoord, (KRS: Hout, Scha; LPW: Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), heelachtig (LPW: Lop), helig (LPW: Lop) stijf, verlegen. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 66).
hengstig, hengstig, bijvoeglijk naamwoord, geslachtsdriftig (bij paarden) (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 67).
herejezus, herejezus, bijwoord van graad, (KRS: Wijk), allejezus (KRS: Scha) zeer, buitengewoon; ‘herejezus mooi weer’ (Wijk) Vergelijk *allemenselijk .
herfst, serres, bijwwoord van tijd, in de herfst (KRS: Hout, Scha)
herkauwen, eerkauwe, heerkauwe, neerkauwe, werkwoord, (KRS: Lang, Bunn; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols), heerkauwe (LPW: Bens), neerkauwe (LPW: Pols) herkauwen De Vechtstreek heeft neerkauwe , met daaraan toegevoegd: ‘zeldzaam, nu geheel verouderd; vroeger alleen gehoord in Breukelerveen en Tienhoven.’ (Van Veen 1989, p. 94). Ook de Krimpenerwaard heeft neerkauwe (Van der Ent 1988, p. 81). Zie verder Van Veen 1964, p. 80 vlgg. en Taalatlas, afl. 2. nr. 2: herkauwen . Eerkauwe is ontstaan uit het Middelnederlandse edercauwen.
herschouw, herschouw, zelfstandig naamwoord, tweede schouw, die veertien dagen na de eigenlijke schouw volgt, om te zien of het eerder geconstateerde falen in het onderhoud inmiddels is rechtgezet (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
hijsen, hijse, werkwoord, een moeilijk, zwaar karwei volbrengen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘We moeten ’t zien te hijsen.’ (Werk) Ook in het westen van de eigenlijke Vechtstreek (Portengen, Kockengen, Spengen; zie Van Veen 1989, p. 70).
hilt, hilt, zelfstandig naamwoord, het dwarshoutje aan de bovenkant van de steel van een schop, waarmee de schop vastgehouden wordt (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 68) en de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 55). Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
himphamp, himphamp, zelfstandig naamwoord, gereedschap om afgesneden waterplanten mee uit de sloot te halen (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 150). Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
hoeden, heue, opheue, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), opheue (KRS: Lang, Coth, Werk; LPW: Bens) 1. opjagen, voortdrijven van vee (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *omhale . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 68). In haar studie van de Krimpenerwaard is Van der Ent heuen tegengekomen in Stolwijk en Ammerstol. 2. (ww) opjagen van spreeuwen in een (kersen) boomgaard (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In de Vechtstreek komt het woord vinkenheuer voor, ter aanduiding van de jongen die de vogels verdrijft uit het rijpende koren (Van Veen1989, p. 68). In de Kromme-Rijnstreek en de Lopikerwaard wordt de combinatie juist gevormd met het gewas dat beschermd moet worden: kerse heue. Meer in het algemeen het beschermen van een gewas tegen gevogelte, bijvoorbeeld erwte heue (KRS: Lang) Bij het verjagen werd ‘heu heu’ geroepen; mogelijk is het woord hiervan afkomstig. Zie artikelen Uit de historie der Bunnikse boomgaarden en kersen in IJsselstein in hoofdstuk 5. Zie ook *kere . 3. (ww) bewaken van vee (bij voorbeeld paarden) op een niet-omheind land (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout) Vroeger werd onder het koren klaver gezaaid, en in de herfst, als het koren gemaaid was, weiden daar (na het ploegen) de paarden. Dit bouwland was niet van een omheining voorzien, en daarom moesten de paarden geheud worden. Niet altijd hoefden deze paarden bewaakt te worden; ook kon het weglopen voorkomen, of het terugvangen vergemakkelijkt worden, door ze te *kniebande (*kniehelstere ), het vastbinden van het voorbeen aan het *halster . Nadat de paarden een uur de tijd gehad hadden om zich vol te eten, waren ze verzadigd en lieten ze zich gemakkelijk vangen. Het los weiden was in een tijd zonder verkeer minder problematisch dan het nu zou zijn. Hier valt te denken aan een gewestelijke variant van hoeden , zoals ook het WNT suggereert. Het verspreidingsgebied van deze betekenis (alleen de Kromme-Rijnstreek) sluit deze (Oostnederlandse) umlaut van oe tot eu niet bij voorbaat uit. Anderzijds dienen we er rekening mee te houden dat het woord, in deze betekenis, typerend is voor streken met bouwland; de Kromme-Rijnstreek is (was) zo’n gebied, de Lopikerwaard niet.
hoeken, hoeke, werkwoord, verwijderen van spinnewebben uit hoeken met behulp van een *luiwage (KRS: Lang)
hof, hof, zelfstandig naamwoord, tuin (KRS: Lang)
hofstede, hofstee, zelfstandig naamwoord, grote, voorname boerderij (KRS: Hout) Vergelijk de geassimileerde vorm hostee in de Vechtstreek, dat hier overigens ‘erf van een boerderij’ betekent (Van Veen 1989, p. 69).
hoge wind, hoge wind, zelfstandig naamwoord, wind die uit het oosten komt (LPW: Bens) Volgens de Van Dale (1992, p. 1189) is hoge wind juist wind die uit het noorden komt; men verklaart dit uit ‘de geografische ligging van een plaats, naar de voorstelling uit landkaarten enz., waar het noorden boven ligt.’ Daar kan tegenin gebracht worden, dat in Nederland en zeker in de provincie Utrecht, de hoge gronden in het oosten liggen; op deze wijze kan de betekenis die hoge wind hier heeft, verklaard worden.
hokkeling, hokkeling, zelfstandig naamwoord, koe die zich wat betreft de groei tussen kalf en vaars in bevindt (KRS: Lang; LPW: Lop) Synoniem: *pink . Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
holsteiner, holsteiner, zelfstandig naamwoord, grofgebouwde vrouw, lomp in omgang en manieren (LPW: IJss) Zo genoemd vanwege het gelijknamige, eveneens zwaargebouwde paarderas. Vaak ook met de connotatie ‘geestelijk niet helemaal volwaardig’. Het soort vrouw dat sinds de film van Dick Maas algemeen ‘Ma Flodder’ aangeduid wordt.
honderd, hond, zelfstandig naamwoord, honderd *roei ; 1/7 hectare (KRS: Bunn; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 14: oppervlaktematen .
hoogte, hug, hugt, hog, hogt, huggie, hoggie, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Bunn, Hout, Scha), hog(t) (KRS: Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) verhoging; ‘Er zit een hugt in de weg.’ (Bunn, Coth). Verkleinwoord: huggie. (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha), hoggie (KRS: Scha; LPW: IJss Mont, Bens, Lop, Cab, Pols). Van der Ent trof bij haar studie van het Krimpenerwaards (1988, p. 56) hoogt , met als betekenis ‘hoger gelegen deel in een weiland of een dijk’ aan in Stolwijk.
hooiberrie, hooiburrie, zelfstandig naamwoord, *burrie (draagbaar) specifiek voor het vervoer van hooi (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
hooibouw, hooibouw, zelfstandig naamwoord, het oogsten en binnenhalen van hooi (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4 punt 11: hooi .
hooigraaf, hooigraaf, zelfstandig naamwoord, graaf (soort schop) specifiek voor het afsteken van hooi (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
hooirijf, hooirijf, zelfstandig naamwoord, hooihark (LPW: Lop, Cab, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
hooivork, hooivurk, zelfstandig naamwoord, hooivork (LPW: Lop, Pols) Synoniem *ga(o)vel . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
horde, hord, zelfstandig naamwoord, mat van gevlochten *sliete (wilgetenen). Hiervan werd een bruggetje gemaakt (voor over een sloot of een drassige plek), waarover dan de koeien konden lopen (LPW: Bens)
hork, hark, hork, hurk, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), hurk (KRS: Coth, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols), hork (LPW: Mont, Lop, Cab) vervelende kerel; ‘een hurk van een vent’(Bunn), ‘Dat is wel zo’n hark van een kerel, daar is geen goed recht mee te breie.’(Werk) Van Dale (1992, p. 1200) heeft hork en hurk in de betekenis ‘stug, lomp, onbeleefd mens’. Zie ook *hurke . Vergelijk paardehurk (KRS: Lang) = *kromkont . Zie ook *vrips . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 70). 2. (zn) vervelende kerel
horken, hurke, werkwoord, zeuren, doordrammen (LPW: IJss). Zie ook *hurk (onder het lemma *hark ). De Krimpenerwaard kent horken in de betekenis ‘chagrijnen’ (Van der Ent 1988, p. 56).
houtmijt, houtmet, zelfstandig naamwoord, houtmijt: op een hoop gestapelde takkenbossen (KRS: Lang) Mogelijk een voorbeeld van Utrechtse klinkerverkorting (via monoftongering); zie hoofdstuk 2, punt B.5.
huisje, hussie, zelfstandig naamwoord, (‘huisje’) toilet (KRS: Lang) Een geval van Utrechtse klinkerverkorting; zie hoofdstuk 2, punt B.5.
huiskees, huiskees, zelfstandig naamwoord, (KRS: Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Bens), huizepoeper (KRS: Scha), huizemus (KRS: Lang) huismus Zie ook *popmos .
huismus, huizemus, zelfstandig naamwoord, zie *huiskees .
huispoeper, huizepoeper, zelfstandig naamwoord, zie *huiskees .
hullie, hullie, gullie, persoonlijk voornaamwoord, zij, hen, hun (meervoud) (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *zullie .
ijzig, ijzig, aizig, iezig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, (Krs: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) iezig (KRS: Lang, Bunn), aizig (LPW: Lop) gevaarlijk
inbouten, inboute, werkwoord, het verstellen van de positie van het rechter paard bij het ploegen met een *driepeerdsevenaar , door het *ooshout meer naar binnen te zetten (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
inlopen, inlope, werkwoord, geluk hebben, het treffen (LPW: Pols); ‘Dat loop je effe in.’ (dat tref je) (Pols).
janteunisje, jantunnissie, janteunissie, zelfstandig naamwoord, (LPW: IJss, Bens, Lop, Cab) janteunissie (LPW: IJss, Mont) winterkoninkje (LPW: Lop) Zie ook *klein Jantjie .
juffertje, juffertjie, zelfstandig naamwoord, libel (LPW: Pols) Synoniem: *gla(o)zewasser .
ka, kaai, zelfstandig naamwoord, kwaad, boosaardig wijf (KRS: Scha). Ontstaan uit Ka (verkorting van de vrouwennaam Kaat (Van Dale 1992, p. 1337). Voor de i aan het eind van het woord zie hoofdstuk 2, punt C. l. Zie ook *vel, *persvel en *dweil .
kaan, kaaie, zelfstandig naamwoord, kaantjes (KRS: Hout; LPW: Cab)
kaar, kaar, zelfstandig naamwoord, mand waarin gevangen vis bewaard wordt (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek; de betekenis luidt daar: ‘een aan alle zijden gesloten, kubusvormige, houten of metalen bak met opklapbaar deksel in ’t bovenvlak, die in ’t water ligt en die dient om de vis levend te bewaren. Is de kaar van hout, dan stroomt het water er in tussen de planken door, waaruit ze bestaat en die niet aaneengesloten zijn; is ze van metaal, dan is ze aan alle zijden van gaatjes voorzien.’ (Van Veen 1989, p. 73).
kaarband, karreband, zelfstandig naamwoord, bos griendhout met een lengte van 162 cm; er gingen 52 stokken in een bos (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
kaart, kaarten, zelfstandig naamwoord, krabbescheer (LPW: Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 73).
kaasbrik, kaasbrik, zelfstandig naamwoord, *brik (bepaald type boerenwagen) die specifiek voor het vervoer van kaas naar de markt ingezet wordt (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
kamp, kamp, zelfstandig naamwoord, stuk land (KRS: Werk, Bunn)
kanis, kanis, zelfstandig naamwoord, mandje (bijvoorbeeld eierkanis ) (LPW: Lop) In de Vechtstreek is een kanes een ‘gesloten mand, die de hengelaars meenemen, om er de gevangen vis in te bewaren’ (Van Veen 1989, p. 74). Zie ook *ben .
kantoord, kantoord, zelfstandig naamwoord, kortgesteeld, zeisvormig snijwerktuig, om de slootkanten mee te snijden (KRS: Lang) Synoniem: *hakoord . Zie ook *oord en *wieoord . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
keen, keen, zelfstandig naamwoord, kloof in vinger of teen (KRS: Coth) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 74).
keep houden, keep houwe, werkwoord, vol houden (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 74).
kees, kees, zelfstandig naamwoord, 1. populaire benaming voor een stier (KRS: Werk, Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . 2. (zn) tabakspruim, zie *keesie .
keesje, keesie, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), kees (LPW: IJss, Bens) tabakspruim Meer specifiek: een reeds gekauwd pruimpje, waar je wat verse tabak bij neemt (LPW: Lop). Afkomstig van het Middelnederlandse ke(e)sen ‘kauwen’ (Van Dale 1992, p. 1395). Hetzelfde als *prumpie en *snoepie . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 75).
kegel, kegels, zelfstandig naamwoord, kiezels, grind om het huis (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Hetzelfde als *kaeie en *biggels . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
kegelen, kegele, werkwoord, het aanharken ( *rijve) van het grind om het huis (de *kegels ); dit gebeurde altijd op zaterdag (KRS: Hout)
keien, kaeie, zelfstandig naamwoord, (keien) grind om het huis (KRS: Bunn). Meer gebruikelijk is *kegels .
keren, kere, werkwoord, opjagen van spreeuwen in een boomgaard (KRS: Wijk, Coth, Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Hetzelfde als *heue, betekenis 2. De vaste verbinding bij kere wordt gevormd met spreeuwe : spreeuwe kere ; dit in tegenstelling tot kerse heue.
Kerstmis, Korsmis, Korsemis, Karsmis, Kursmis, Kersmis, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: Bens, Cab), Karsmis (KRS: Werk), Kersmis (KRS: Scha), Kursmis (KRS: Lang) (de i is een e-schwa, als in de ) (zn) Kerstmis. Zie hoofdstuk 2, punt A.3. De Vechtstreek heeft Korsemes (Van Veen 1989, p. 80).
kervel, kelver, zelfstandig naamwoord, kervel (LPW: Lop) Volgens een vast patroon verlopende wisseling van l en r (zogenaamde metathesis); zie hoofdstuk 2, punt C.2.
ketel, ketel, zelfstandig naamwoord, grote cilindervormige melkemmer, voorloper van de melkbus (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 75). Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
keu, keu, kuggie, zelfstandig naamwoord, 1. big, jong varken (KRS: Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Verkleinwoord: kuggie (KRS: Scha), keugie (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 75), Gouda (Lafeber 1967, p. 111) en de Krimpenerwaard (van der Ent 1988, p. 61). 2. (zn) varken in ’t algemeen (KRS: Lang; LPW: Mont, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Zie ook Taalatlas afl. 2, nr. 1: jong(e) varken(s) . 3. (zn) plomp, waterboterbloem (LPW: Bens, Lop, Cab, Pols) In Gouda komt het woord kreukeblaaje voor als aanduiding van de bladeren van de waterlelie en van de dotterbloem (Lafeber 1967, p. 119).
keuen, keue, werkwoord, biggen (LPW: Cab)
keuenhok, keuehokke, zelfstandig naamwoord, varkenshokken (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
keuensnijder, keuesnijer, zelfstandig naamwoord, castreerder van biggen (= keuen ) (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 75). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
keutje, keugie, zelfstandig naamwoord, zie *keu.
keutjesboter, keugiesbutter, zelfstandig naamwoord, (LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols), keugiesbotter (LPW: IJss) vet met stroop, als broodbeleg gebruikt Keugiesbutter werd direct na de slacht gemaakt. Hiervoor werd niet al te best vet gebruikt, dat werd uitgebakken, er werd stroop door geroerd en dat werd dan in een potje gedaan. De oordelen over de smaak van keugiesbutter lopen sterk uiteen.
kikkerbloem, kikkerblomme, zelfstandig naamwoord, fluitekruid (LPW: IJss)
kind, kijnd, zelfstandig naamwoord, kind (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) meervoud kijnders (KRS: Werk, Hout, Scha; LPW: Cab, Mont), kijndere (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk,Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In Schalkwijk kan met kijnd alleen een meisje bedoeld worden: ‘Wij hebben drie zoons en een kijnd’ (Scha).
kinds, kijnds, bijvoeglijk naamwoord, kinds (KRS: Coth; LPW: Bens)
kinkel, kinkel, zelfstandig naamwoord, boer (scheldwoord) (KRS: Wijk)
kit, kit, zelfstandig naamwoord, bos griendhout met een lengte van 125 cm; er gingen 104 stokken in een bos (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
klam, klam, zelfstandig naamwoord, olie-achtige substantie, die een *klamvers of drachtige koe uit de spenen afscheidt (LPW: Lop, Cab) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
klamp, klamp, zelfstandig naamwoord, plankje onder een klomp, zie *klompe klampe (KRS: Bunn)
klamvaars, klamvers, zelfstandig naamwoord, vaars van anderhalf jaar oud, die voor het eerst drachtig is en al zes maanden draagt (LPW: Lop, Cab) Uit de spenen van een klamvers kun je *klam trekken, vandaar de naam. Met klam in de betekenis van ‘vochtig’ heeft het dus niets te maken, in tegenstelling tot wat Van Dale (1992, p. 1438) suggereert.
klapbes, klapbes, zelfstandig naamwoord, doornbes (KRS: Wijk, Lang, Werk; LPW: Lop, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 76). Synoniemen: *doornbes , *steekbes en *kroibes .
klauw, klauw, zelfstandig naamwoord, grote, zware hark (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 76). Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
klaver, kliever, klever, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Bens, Lop, Pols), klever (KRS: Lang, Werk) klaver
kleerpin, kleerpen, kleerpin, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Lop, Cab, Pols), kleerpin (KRS: Lang, Werk; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) wasknijper Voor de e-i -verwisseling; zie hoofdstuk 2, punt A.4.
kleinjantje, kleinjantjie, zelfstandig naamwoord, winterkoninkje (KRS: Hout; LPW: Pols) Zie ook *jantunnissie .
klieken, klieke, werkwoord, eten laten staan (LPW: Cab); ‘Je mag niet klieke.’ (Cab) Houdt verband met kliekje .
klipklap, klipklap, zelfstandig naamwoord, in iedere klipklap ieder ogenblik (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Iedere klipklap is-t-ie hier.’ (Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 77) en Gouda (Lafeber 1967, p. 114 en 220).
kloken, kloeke, kloreke, klokere, werkwoord, (KRS: Werk), kloreke (LPW: Lop), klokere (LPW: IJss) 1. na het plukken een boomgaard doorlopen om appels etcetera die zijn blijven hangen omdat ze moeilijk bereikbaar waren, alsnog van de boom te halen. Dat gebeurde doorgaans door er met een lange stok tegen aan te slaan. In de vorm klokeren ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 63). Van Dale (1992, p. 1464) geeft de vorm kloken en noemt deze gewestelijk. 2. zie *kulleke .
klomp, klomp, zelfstandig naamwoord, 1. in de uitdrukking met de klompen erdoor gaan : grof te werk gaan (KRS: Hout). Zie ook er met de breeje *bijl inhakke . 2. in de uitdrukking als een boer in z’n klompe pist, hebben er veertig natte pote . Deze uitdrukking duidt op het clan-karakter van de vroegere boerensamenleving: wie één boer kwaad bejegende, joeg doorgaans de hele agrarische stand tegen zich in het harnas. (KRS: Werk) De uitdrukking heeft overigens bepaald niet altijd op situaties in historische tijden betrekking. Klompe klampe , het aanbrengen van plankjes (of leer c.q. rubber) onder klompen, als het ware het ‘verzolen’ van klompen (KRS: Coth, Bunn) Een provisorische maatregel om de levensduur van klompen te rekken, in tijden van schaarste (bijvoorbeeld de oorlog) wel toegepast (Bunn). Het plankje onder de klomp heet *klamp .
kluitenrijf, kluiterijf, kloiterijf, kluiteruif, zelfstandig naamwoord, (LPW: Bens, Lop, Cab, Pols), kloiterijf (LPW: Lop), kluiteruif (LPW: Pols) hark waarmee men het erf *kluitert De tweede ui in de Polsbroekse vorm kluiteruif (bij meer dan één informant aangetroffen) heeft zich waarschijnlijk ontwikkeld onder invloed van de eerste, aangezien dit dialect wel de vormen *rijf en *hooirijf kent. Zie ook *rijf en *hooirijf . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap . Ook in de Alblasserwaard en de Vijheerenlanden (Berns 1991, p. 150 en 152). Berns schrijft hier naar aanleiding van kluiterijf : ‘Een hark om kluiten stuk te maken en gelijk te harken. Rijf is een van de woorden voor ‘hark’. Het werkwoord kluiteren , ‘harken’ is weer van kluiterijf afgeleid toen men het element kluite ging interpreteren als kluiter , omdat het woord ondoorzichtig was geworden’. Ook in de Krimpernerwaard (Van der Endt 1988, p. 64).
kluiteren, kluitere, kloitere, werkwoord, (LPW: Bens, Lop, Cab, Pols), kloitere (LPW: Lop) aanharken van de *biggels op het erf. Hetzelfde als *rijve . Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 150) en de Krimpenerwaard (Van der Endt 1988, p. 64).
knieband, kniebande, werkwoord, (KRS: Bunn), kniehelstere (LPW: Lop) vastbinden van het voorbeen van een paard aan de halster (om de nek) Dit gebeurde om het weglopen (op onomheind land) tegen te gaan, of het terugvangen te vergemakkelijken. Zie ook *heue , betekenis 3.
kniehalster, kniehelstere, zelfstandig naamwoord, zie *kniebande .
knoerst, knoestoof, knoerst, knostoof, knorstoof, knòstoof, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols), knoerst (LPW: Mont), knòstoof (de ò is gerekt) (LPW: Bens), knorstoof (LPW: Cab) knotwilg. Ook (in de vorm knoestoof ) in de Alblasserwaard en Vijheerenlanden (Berns 1991, p. 151). De Vechtsreek heeft (hout)stoof in de betekenis ‘struikgewas’ (Van Veen 1989, p. 69 en 124). Voor Gouda vermeldt Lafeber (1967, p. 115) de vormen knorstoove , met daarbij de vermelding dat het enkelvoud knorstoof maar zelden gebruikt wordt, en dat er ook een variant knolstoove is. De betekenisomschrijving bij Lafeber luidt als volgt: ‘knotwilgen die zo laag zijn afgehakt, dat de stronken maar een paar decimeters boven de grond uitsteken. Gewoonlijk worden ze gebruikt om er takken en tenen op te kweken’.
knoert, knoerst, zelfstandig naamwoord, grote, ruige kerel (LPW: Mont).
knors, knors, knars, kalverknors, kalverknots, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), knars (KRS: Hout) 1. iemand die (nuchtere) kalveren koopt; soms alleen dode kalveren (zie betekenis 2), maar ook wel algemeen gebruikt voor een kalverenkoper; deze had, vanwege het feit dat kalveren zo duur waren, minder status dan de *koeikoper . Beide soorten vee hadden dus hun eigen handelaren. (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Pols) De kalverknors van vandaag handelt overigens ook in varkens (KRS: Werk; LPW: Mont). Varianten: kalverknors (KRS: Werk, Hout, Scha; LPW: Bens), kalverknots (KRS: Coth, Werk, Scha) 2. (zn) iemand die vee slacht, dat een natuurlijke dood gestorven is, of dat een natuurlijke dood dreigt te sterven (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In deze betekenis komt het woord in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 78). Meer algemeen: een slager die bij de boeren thuis slacht (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), ook wel: ‘tweederangs’, goedkope slager, een beunhaas die het niet zo nauwkeurig neemt (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols). Vaak iemand die maar wat erbij scharrelt; de term ‘scharrelslager’ zou een perfecte omschrijving zijn, ware het niet dat dit woord (niet geheel logisch) reeds gereserveerd is voor een slager die ‘scharrelvee’ slacht. Waarschijnlijk is het woord afkomstig van knors ‘kraakbeen’, en daarmee samenhangend knorvlees ‘vlees met veel kraakbeen’, minderwaardig vlees dus. Zie hoofdstuk 4, punt 8: slacht .
knuppel, knuppel, zelfstandig naamwoord, 1. dorsvlegel (KRS: Bunn) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . 2. in de uitdrukking op de knuppel zetten : de kap van de hooiberg in de hoogst mogelijke stand zetten, hoger dan met de *bergaaf bereikt kon worden (KRS: Lang; LPW: Lop) 3. in de uitdrukking de berg op de knuppel hebben : een zeer goed oogst hebben, meer algemeen: zeer goed geboerd hebben (KRS: Werk) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
koe, koei, zelfstandig naamwoord, koe (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha;LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Voor de i aan het eind van het woord: zie hoofdstuk 2, punt C.1. In de uitdrukking hij mag een hele koei stelen en ik mag nog niet over het hek kijken : wat de ene mag, hoeft de ander nog niet toegestaan te zijn (quod licet Iovi non licet bovi) (KRS: Werk)
koeienhok, koeihok, zelfstandig naamwoord, de ruimt waarin de koeien’s zomers in gedreven werden om gemolken te worden (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie ook: *melkhok . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 78). Zie Taalatlas, afl. 9, nr. 7: melkbocht (Zuid-Hollands melkbocht tegenover oostelijk koehok ). Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
koeienreeëer, koeierejer, zelfstandig naamwoord, veeverloskundige, specifiek voor koeien (LPW: Lop, Cab) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
koeienstaak, koeiestake, zelfstandig naamwoord, palen in de koestal, waartussen de koeien staan en waaraan zij zijn vastgebonden (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 78). Stapelkamp schrijft t.a.p.: ‘de koeiestaken zijn palen in de koestal, de deel van de boerderij, waartussen de koeien staan; ze zijn in de grond bevestigd en reiken aan de bovenzijde tot de til; de koeien zijn er met touwen aan vastgebonden.’
koeienweer, koeieweer, zelfstandig naamwoord, koude noordenwind (LPW: Lop) Als de koeien in het voorjaar voor het eerst in het land gingen, trad er nogal eens ziekte (met name kopziekte) onder de dieren op. De kans hierop was kleiner als het koud weer was, bijvoorbeeld als de wind uit het noorden kwam.
koekoper, koeikoper, zelfstandig naamwoord, handelaar in koeien (KRS: Hout)
koelbak, koelbak, zelfstandig naamwoord, bak op de deel van de boerderij waarin de melk gekoeld werd (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij. Ook, maar met een heel andere functie, in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 78). Stapelkamp schrijft t.a.p.: ‘grote, gemetselde, rechthoekige bak, meestal midden op de achterdeel van de boerderij, die volgepompt wordt en waaruit drinkwater na ’t ofvoeren (voederen) van ’t vee in een brede goot geleid wordt, die voor de koeien langs loopt.’
koelicht, koeilich(t), zelfstandig naamwoord, zie *lich(t) .
koeren, koere, werkwoord, in de uitdrukking koere van de honger : hevige honger hebben (KRS: Werk) Zie ook *blaffe , *bulleke betekenis 4 en *geblèr .
koestrontschop, koestrontschup, zelfstandig naamwoord, grote schop, bedoeld voor het scheppen van mest (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
kol, kol, zelfstandig naamwoord, kleine witte streep op het hoofd van een paard of de kop van een koe (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie ook *bles . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 39). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
kolken, kulleke, kloereken, koeleke, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Lop), koeleke (KRS: Lang), kloeke (KRS: Scha, Coth; LPW: Lop), kloereke (KRS: Wijk 1. schielijk, hoorbaar drinken; Zie ook *slorke , *lèrze en *leppe betekenis 4. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 81). 2. (ww) knorren van de maag (KRS: Wijk) 3. (ww) overgeven (KRS: Wijk) 4. (ww) kokhalzen (KRS: Lang) 5. (ww) punniken (LPW: IJss, Bens) Het paardetoom werd vroeger wel gekulkt (dat wil zeggen gemaakt met een houten klosje waarop vier spijkers staan; aan elke spijker hangt een draadje, en deze draadjes worden met een bepaalde techniek dooreen geweven).
koof, koof, bijvoeglijk naamwoord, fijn (KRS: Bunn, Scha; LPW: Mont); ‘een kove goser’ (Bunn)
kop-en-schoteltje, kop-en schutteltie, zelfstandig naamwoord, kop-en-schoteltje (LPW: Lop) In de hooitijd, als er weinig tijd was om koffie te drinken, was het wel gebruikelijk om de koffie uit het kopje op het schoteltje te gieten, en vervolgens de wat sneller afkoelende koffie vanaf het schoteltje naar binnen te slurpen.
korf, körf, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking hij et ut de körf zonder zörg : hij heeft geen zorgen (KRS: Wijk)
kort, kort, bijwoord, 1. ongeduldig, gauw aangebrand (KRS: Wijk. Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 2. in het voorzetselvoorwerp in het kort onlangs (LPW: Bens) zie ook *korts en *kortelings .
kortavonden, kortavonde, werkwoord, op visite gaan (lett.: de avond korten) (LPW: Lop) Ook in de Alblasserwaard en de Vijheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 155). Berns schrijft t.a.p.: ‘Dit lijkt zo’n echt Zuid-hollands woord. Letterlijk betekent het ‘de avond korten’ en dat wordt wel gedaan door bij elkaar op bezoek te gaan. Het is een zelfde soort samenstelling als kortwieken , ‘de wieken (vleugels) korter maken’. In tegenstelling tot wat Berns schrijft, is het niet ‘echt Zuidhollands’ maar komt het ook in Utrecht voor, maar dan wel het gedeelte dat aan Zuid-Holland grenst, en er taalkundig sterk mee verwant is. Van Dale (1992, p. 1530) noemt het woord niet eens gewestelijk, maar wel verouderd.
kortelings, kortelings, bijwoord, onlangs (LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 42). Zie ook *kort , betekenis 2 en *korts .
kortie berriehouten, korte berriehout, zelfstandig naamwoord, zie *burriehoute .
korts, korts, bijwoord, onlangs (KRS; Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab); ‘Hij was korts nog hier.’ (KRS: Coth). Soms met een voorzetsel: ‘In het kor(t)s heb ik hem nog gezien.’ (LPW: IJss); een contaminatie van korts en in het *kort ? Zie ook *kort betekenis 2.
kram, kram, zelfstandig naamwoord, ijzeren ring in de neus van een varken, om het wroeten tegen te gaan (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
krammen, kramme, werkwoord, een kram in de neus van een varken bevestigen (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 80). Van Dale (1992, p. 1546) kent wel het werkwoord krammen , maar merkwaardigerwijs niet het zelfstandig naamwoord waar dit van afgeleid is, althans niet in deze betekenis.
kreen, kreen, klien, kree, krèèn, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Coth, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), kree (LPW: Lop), krèèn (LPW: Pols), klien (LPW: Cab) zeer helder, zindelijk; bijvoorbeeld gezegd van een boerin die kaas maakte: een krene boerin De vorm kreen komt ook voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 80), de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 68), Boskoop (Van Veen 1988, p. 40) en Gouda (Lafeber 1967, p. 119). In de laatstgenoemde plaats wordt het woord verouderd genoemd, en zijn er twee betekenissen: 1. kieskeurig; 2. zindelijk. Volgens Van Dale (1992, p. 1550) een nevenvorm van rein . Buma (1960, p. 61-70) bestrijdt echter de opvatting dat kreen met rein zou samenhangen. Hij ziet eerder een etymologische verwantschap met het Nederlandse kreunen . De oudste betekenis van kreen zou dan zijn: ‘gauw kreunend, klagend, kleinzerig, gevoelig’. Van hieruit is de ontwikkeling naar de hedendaagse betekenis wel te begrijpen. Kreen komt in Nederland vooral voor in Zuid-Holland en Utrecht. Verwante vormen vindt men in oudere fasen van het Engels, Fries en Nederduits, waar Buma uit concludeert dat het een Kustgermaans woord (een zogenaamd ‘ingvaeonisme’) is. Klien is een merkwaardige vorm: authentiek dialect of ontstaan onder invloed van het Engelse clean ? (vergelijk ook de nevenvorm nevvers bij *nievers ). De informanten (meerdere dus!) zijn zeer zeker van hun zaak. Bij overname uit het Engels kan een rol gespeeld hebben dat er op de Nederlandse markt een schoonmaakmiddel is met de naam Clean .
kreeuwen, kreeuwe, werkwoord, ruziën, bekvechten (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘De kijndere lope zo te kreeuwe’(Lop) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p.151 en 154) en de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 68).
krekeenderhand, krekneteenderhand, krekeenderhand, bijwoord, (LPW: IJSS), krekeenderhand (LPW: Bens) precies hetzelfde De Krimpenerwaard heeft eenderhand in de betekenis ‘onverstoorbaar; hetzelfde’ (Van der Ent 1988, p. 43). In het Goudse woordenboek vinden we eenderhand(e) , met als betekenis ‘enerlei’. Van Dale en het WNT hebben de vorm enerhande (volgens het WNT verouderd), met als betekenis ‘vandezelfde soort, dezelfde, hetzelfde’.
kriek, kriek, zelfstandig naamwoord, soort kleine kers, voor de inmaak (KRS: Wijk. Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) De kriek is ook de zaaikers waarmee alle onderstammen van kersenbomen worden gemaakt. Op die stam wordt dan het gewenste ras geënt (*griffele ). Vanwege het feit dat de onderstam van een kriek is, gebeurt het nog wel eens dat een enkele tak aan een boom die met een ander ras geënt is, toch krieken voortbrengt. Fruitkwekers zijn hier niet dol op: de kriek is zo sterk, dat hij andere, voor de verkoop bedoelde kersen aan dezelfde boom stuk maakt. Kriekebomen komen tegenwoordig alleen nog voor bij de telers van fruitbomen, niet in de boomgaarden zelf. De vraag naar krieken door de fruitkwekers is echter zo groot, dat de handelaren aan het eind van de pluk, als alleen nog de krieken aan de boom zitten, de fruitkwekers opbellen met de vraag of zij nog krieken aan de een of andere boom hebben zitten. Vanwege de bittere smaak is de kriek voor consumptie minder geschikt. Ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 119).
kriel, kriel, zelfstandig naamwoord, krielaardappelen (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen .
kritserig, kritserig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, gauw op de teentjes getrapt (Bunn)
krittezerig, klittezérig, bijvoeglijk naamwoord, overgevoelig, op het hypochondrische af (LPW: Lop) Contaminatie van *kritserig en kleinzerig ? In Gouda komt een woord krittezerig voor, met als betekenis ‘licht geneigd tot kritiek’ (Lafeber 1967, p. 120).
kromkont, kromkont, zelfstandig naamwoord, 1. horzel (KRS: Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: Lop, Cab) Het dier trok vooral op (de benen van) paarden aan, en kan venijnig steken. De paarden konden wild met de benen slaan om ze maar kwijt te raken. Ook koeien kunnen er flink last van hebben; wanneer tijdens het melken een kromkont het *koeihok binnenvloog, waren alle koeien in een oogwenk het hok uit. Na het steken verschijnt op de koeierug een bult, waar dan de larf van de kromkont in groeit. Het steken werd tegengegaan door de rug van de koe in te strijken met een bestrijdingsmiddel. Heel zelden staken ze ook mensen; de gevolgen hiervan konden tamelijk ernstig zijn. Kromkonten waren vooral te vinden in de uiterwaarden langs de Lek. Tegenwoordig komen ze, althans in dit deel van Nederland, niet meer voor. Zie ook *paardehurk 2. (zn) stekelig persoon (LPW: Lop) Zie ook *hurk , betekenis 1.
kruigroep, kruigroep, zelfstandig naamwoord, ruimte achter de *groep waarover men de kruiwagen rijdt (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
kruisbes, kroibes, zelfstandig naamwoord, kruisbes (LPW: Mont) Zie ook *doornbes , *klapbes en *stekbes .
kruizeel, kruizeel, zelfstandig naamwoord, touw om de handvaten van een kruiwagen, over de schouders van de kruier gehangen, om het kruien van zware lasten te vergemakkelijken (KRS: Lang) Het kruizeel hing gekruist voor de borst, om te voorkomen dat het van de schouders af zou glijden. Vandaar wellicht de homonieme vorm kruiszeel in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 81), met als betekenis: ‘een op de rug van de drager gekruist zeel, dat met de uiteinden om de bomen van de kruiwagen of berrie geslagen, dient om die op te lichten’.
kuis, koes, koissie, kuus, tussenwerpsel, lokroep voor een kalf (KRS: Werk) Zie ook *kuus , betekenis 2.
kuiskalf, kuus, kuis, kuiskalf, kuissie, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), kuuskalf (KRS: Werk), kuiskalf (KRS: Coth; LPW: Bens), kuissie (KRS: Lang), kuis (LPW: IJss, Bens, Cab, Pols), koissie (LPW: Mont), koessie (LPW: Pols) 1. vaarskalf (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Pols) 2. (zn) lokroep voor een kalf (KRS: Werk; LPW: Cab) Zie ook *koes . In de Vechtstreek is kuus de lokroep voor een big of varken (Van Veen 1989, p. 81) en kies de lokroep voor een kalf (Van Veen 1989, p. 76). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
kullen, kulle, werkwoord, foppen, bedriegen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Hij kult de zaak.’ (Scha) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 81) en Gouda (Lafeber 1967, p. 121).
kwaad schouwen, kwaad schouwe, werkwoord, het constateren van tekortkomingen in het onderhoud van de watergangen tijdens de *schouw (KRS: Lang) Synoniem: *opschouwe . Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
kwade melk, kwaaie melk, zelfstandig naamwoord, melk met een te hoog bacteriegehalte (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
kwade uier, kwaad uier, zelfstandig naamwoord, ontstoken uier (LPW: Bens) Zie ook *kwaad kwartier .
kwalster, kwalster, zelfstandig naamwoord, akelige vent (LPW: Lop)
kwalsteren, kwalstere, werkwoord, 1. kwijlen (van bijvoorbeeld kalveren) (KRS: Bunn, Hout; LPW: Bens, Lop) 2. (ww) spuwen (KRS: Bunn) In deze betekenis ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 82). In Gouda heeft het woord de betekenis ‘rochelen’ (Lafeber 1967, p. 121). Zie ook *tuffe .
kwarren, kwarre, werkwoord, het optreden van stilstand in de groei van het gewas (LPW: Cab) Zie ook *pratte betekenis 2 en *steke .
kwartier, kwartier, zelfstandig naamwoord, deel van de uier waar één speen aan hangt (KRS: Werk) ‘Die koe het een kwaad kwartier’: een ontstoken speen (Werk). Zie ook *kwaad uier .
kweek, kweek, kweekgras, zelfstandig naamwoord, onkruid (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Synoniem: *puin(gras) . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 82). Zie Heukels 1907, p. 259 en Taalatlas, kaart 119: onkruid . Zie hoofdstuk 4, punt 12: onkruid .
kween, kwee, kween, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout), kween (KRS: Werk, Bunn, Hout, Sha; LPW: Lop) onvruchtbare koe of paard Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de Vechtstreek is kween ‘onvruchtbaar dier en vrouw’ (Van Veen 1989, p. 82), in Gouda een ‘onvruchtbare vrouw’ (Lafeber 1967, p. 122). Van oost naar west verschuift dus de betekenis: in Gouda kan een kwee alleen een vrouw zijn, in de Vechtstreek een vrouw èn een dier, en in de Kromme-Rijnstreek (en Lopik) alleen een dier.
laag, leeg, bijvoeglijk naamwoord, laag (KRS: Scha); hij loopt leeg hij loopt langs de lage zijde van de Wetering.
laag, leg, zelfstandig naamwoord, laag hooi op een hooiwagen (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
lakenvelder, lakenvelder, zelfstandig naamwoord, runderras met een grote witte vlek op de romp (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 83).
lamlendig, lammenadig, bijvoeglijk naamwoord, lamlendig, geen fut hebbend (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Vergelijk het franse lamentable , ‘droevig, jammerlijk, erbarmelijk’. Van Dale (1992, p. 1614) ziet er echter een samenstelling in, van lam en een onzeker tweede deel, dat ‘niet onmogelijk van genade in de Middelnederlandse betekenis ‘ootmoed’ komt. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 83) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 123).
lamoen, lemoen, zelfstandig naamwoord, lamoen, constructie van twee bomen aan de voorzijde van een wagen, waartussen één paard liep (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 85). Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
lange berriehouten, lange burriehoute, zelfstandig naamwoord, zie *burriehoute .
lange boom, lange boom, zelfstandig naamwoord, rechte boom aan de voorzijde van een wagen (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie ook *disselboom . Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
latafel, laaitafel, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking iemand op zijn laaitafel geve : iemand een pak slaag geven (LPW: Bens) Hetzelfde als iemand op zijn *wammes geve . Laaitafel komt van ladetafel (‘latafel’); de vorm la(ai)tafel kan een meer aan de beschaving aangepaste vervorming van lazarus zijn; oorspronkelijk was de uitdrukking dan iemand op zijn lazarus geve . Zie ook *laai .
lazarus, laai, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking op je laai krijgen : een pak slaag krijgen (KRS: Lang) Zie ook *bast en *laaitafel .
leb, lub, zelfstandig naamwoord, melkstremsel (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 87). Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken . De oorsprong van het woord lub ligt waarschijnlijk in leb(maag) , met ronding van e tot u .
lebberig, lebberig, bijvoeglijk naamwoord, iets graag willen hebben, zeurderig (KRS: Wijk, Lang, Coth, Bunn, Werk, Scha; LPW: Lop); ‘Hij is gewoon lebberig.’ (Lang) Zie ook *leppe betekenis 3.
leed, lee, leed, lee-achtig, bijvoeglijk naam en bijwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), lee-achtig (LPW: Lop) 1. wreed, gemeen; ook: laf, stiekem Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 84). Het bijvoeglijk naamwoord leed komt in het Middelnederlands voor in de betekenis ‘onaangenaam, hatelijk, afschuwelijk’. Het modern-Nederlandse lelijk is hiervan afgeleid (Stapelkamp 1945, p. 51). Het door elkaar gebruiken van lee en leed (de Vechtstreek heeft alleen lee ) duidt er ook op dat het bij beide vormen om een en hetzelfde adjectief gaat. 2. (bn) gierig (KRS: Lang)
leed geld, lee geld, leed geld, bijvoeglijk naamwoord, 1. zonde van het geld (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) ‘Een bekeuring is lee geld.’ (IJss) 2. (zn) geld dat wel rechtmatig verdiend is, maar waarover toch enige schuldgevoelens zijn blijven bestaan (KRS: Bunn); ‘Als je het aan een arm gezin hebt onttrokken, met wat voor handel dan ook, dan zeg je: ja, dat heb ik wel verdiend, maar ’t is toch leed geld.’ (Bunn) Van Dale (1992, p. 1637) kent leed onder andere in de betekenis ‘een onaangenaam gevoel hebbend’, vergelijk ‘iets met lede ogen aanzien’. In de in Bunnik voorkomende tweede betekenis van leed geld heeft het geld natuurlijk niet een onaangenaam gevoel, maar levert het een onaangenaam gevoel op.
leedas, lee-as, leedas, zelfstandig naamwoord, (KRS: Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), leed-as (LPW: Lop) iemand die *lee(d) is, dus: wreedaard, iemand die graag een ander of een dier pijn doet Ook in de Vechtstreek, maar dan uitsluitend in de vorm lee-as (Stapelkamp 1945, p. 51 en Van Veen 1989, p. 84). Ten onrechte meent Stapelkamp (1945, p. 52) dat lee-as tot de Vechtstreek beperkt is. Waarschijnlijk heeft de vorm zich ontwikkeld naar analogie van nijdas , ‘nijdigaard, valsaard’, dat op zijn beurt weer een volksetymologische vorm is op basis van eidas ‘hagedis’ (vergelijk Duits Eidechse ). De hagedis werd als giftig beschouwd. Stapelkamp (1945, p. 51) sluit verder niet uit dat de naam Judas er toe bijgedragen heeft dat –as als een afzonderlijk, produktief suffix, dat substantieven vormt op basis van adjectieven (met een negatieve gevoelswaarde), beschouwd werd.
leer, leer, zelfstandig naamwoord, ladder (LPW: Lop) Ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 124). De uitdrukking een varken leert na zijn dood betekent niet, dat dit dier pas in het hiernamaals wijsheid verwerft, maar slaat op het feit dat een geslacht varken op een ladder gebonden wordt en aldus rechtop gezet wordt.
legger, laoier, zelfstandig naamwoord, zie *voerlegger .
leier, leier, zelfstandig naamwoord, zie onder *vet .
lepkalf, lepkalf, zelfstandig naamwoord, kalf dat met de fles grootgebracht wordt (KRS: Werk; LPW: IJss, Mont, Lop, Cab, Pols) Zie ook *leppe en *opleppe .
lepkeu, lepkeu, zelfstandig naamwoord, biggetje dat met de fles grootgebracht wordt (LPW: Mont) Zie ook *keu , *leppe en *opleppe .
leplammetje, leplammetje, zelfstandig naamwoord, lammetje dat met de fles grootgebracht wordt (KRS: Coth, Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *leppe en *opleppe . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 85).
leppen, leppe, lebbere, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), lebbere (KRS: Wijk, Werk, Bunn; LPW: IJss, Mont, Lop) 1. zuigen (van een kalf of lam etcetera) (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Algemeen wordt met leppe bedoeld: het zuigen van een dier aan een fles. Het betreft hier dan een jong dat door de moeder verstoten is, en dat dan door de boer of boerin *opgelept wordt. Doorgaans betreft dit lammetjes: deze dieren kun je (in tegenstelling tot kalveren of geiten) niet leren uit een emmer te drinken. Het woord leppe is etymologisch verwant met lip, en heeft als oorspronkelijke betekenis ‘met de lippen aantippen’. De vorm leppe komt ook, met dezelfde betekenis, in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 85). Zie ook *opleppe . 2. (ww) duimzuigen, op een doekje sabbelen van een klein kind (KRS: Wijk) ‘Hij lep op een *leptutje .’ (Wijk) 3. (ww) aanhoudend zeuren (KRS: Wijk, Lang, Coth, Bunn, Scha: LPW: Mont) Zie ook *lebberig . 4. (ww) schielijk drinken (LPW: Lop) Zie ook *kulleke , lèrze en *slorke . In Gouda betekent leppen ‘overdadig drinken’.
leppig, leppig, bijvoeglijk naamwoord, chagrijnig (LPW: Cab)
leptutje, leptutje, zelfstandig naamwoord, doekje om op te sabbelen (KRS: Wijk) Zie ook *leppe (betekenis 2) en *tutje .
lerzen, lèrze, werkwoord, schielijk drinken (LPW: IJss, Bens) Zie ook *kulleke , *slorke en leppe betekenis 4.
leuntje, leuntjie, zelfstandig naamwoord, hoog bruggetje over de wetering (LPW: Lop)
licht, lich, licht, zelfstandig naamwoord, nageboorte van een koe (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop); meer specifiek *koeilich(t) (KRS: Scha) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de Vechtstreek kan licht ook de nageboorte van een paard zijn (Van Veen 1989, p. 85). Volgens Van Dale (1992, p. 1669) is licht in het Nederlands specifiek de nageboorte van een koe. Zie *haam voor de nageboorte van een paard in de Kromme-Rijnstreek. Zie verder Taalatlas , kaart 120 (nageboorte van de koe): licht komt algemeen voor in de provincie Utrecht (alleen het oosten heeft haal ) en het aangrenzende deel van Zuid-Holland.
liegen, liege, werkwoord, in de uitdrukking wa’k zeggen wil en liege nie ; betrekkelijk betekenisloos, geeft aan dat er een mededeling volgt (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 87). Mijn moeder, geboren in Heukelum (Vijfheerenlanden), gebruikt deze uitdrukking nog vrijwel dagelijks.
lier, lier, liereboom, zelfstandig naamwoord, (KRS: Coth, Scha; LPW: IJss, Lop, Cab), liereboom (LPW: IJss, Lop) in de woordgroep een lange lier, een lange liereboom een lange man Zie ook *lijs . De Vechtstreek heeft voor een ‘lang manspersoon’ het woord liereboom (Van Veen 1989, p. 87). In de Krimpenerwaard wordt een ‘lang en dun persoon’ met lange liereboom aangeduid (Van der Ent 1988, p. 74). Van Dale (1992, p. 1677) heeft in deze betekenis lier , met de toevoeging gewestelijk, en het WNT meldt dat lange lier of liereboom in Amsterdam en aan de Zaan voorkomt. Volgens het MNW is een lier mogelijk een soort denneboom.
lijf, lijf, zelfstandig naamwoord, 1. baarmoeder van een koe (KRS: Hout; LPW; Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 88). 2. in de uitdrukking het lijf eraf gooie : het naar buiten komen van de baarmoeder bij een beval-ling (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
lijs, lijs, zelfstandig naamwoord, lange man (KRS: Wijk; LPW: Mont) Zie ook *lier .
lok, lok, zelfstandig naamwoord, de hoeveelheid hooi die in één keer op de hooivork genomen kan worden. Ook in een meer algemene betekenis, bijvoorbeeld een lok kuilgras (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 86). Synoniem: *doigie .
loof, lof, zelfstandig naamwoord, loof, bladeren (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen .
los, los, zelfstandig naamwoord, in los weer onbestendig weer (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 87).
losvallig, lossevallig, zelfstandig naamwoord, in lossevallig weer onbestendig weer (LPW: Mont) Een contaminatie van *los weer en wisselvallig weer .
lover, lovertje, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking dat is zo dun als een lovertje : zeer dun (bijvoorbeeld gezegd van pannekoeken) (LPW: IJss) Een lovertje is hetzelfde als een (boom)blad.
luie handel, luie handel, zelfstandig naamwoord, markt met weinig animo om te handelen (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 9: markt .
luisnek, luisnek, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha), netenek (KRS: Wijk; LPW: Cab), luizebos (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), loizebos (LPW: IJss, Bens, Lop) 1. onbetrouwbaar persoon (KRS: Lang, Coth, Hout) 2. (zn) vervelende vent (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop, Cab, Pols) Met deze betekenis (‘uitermate vervelende, lastige kerel, dwarsdrijver’) ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 87).
luisteren, luistere, in het weer luistert of de lucht leg te luistere zeer stil weer (vooral in de winter) als aankondiging van een weersverandering (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 87).
luiwagen, luiwage, zelfstandig naamwoord, borstel op een lange steel om de spinnewebben mee te *hoeke (= uit hoeken verwijderen) (KRS: Lang) In de Vechtstreek een ‘borstel, zachte schuier aan een lange steel, voor ’t schoonhouden van marmeren vloeren, enz.’ (Van Veen 1989, p. 87).
luizenbos, luizebos, loizebos, zelfstandig naamwoord, zie *luisnek .
maal, maal, zelfstandig naamwoord, melkbeurt (KRS: Hout; LPW: Lop) In de Vechtstreek ‘hoeveelheid melk, die een koe of geit op één melktijd geeft’ (Van Veen 1989, p. 88) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
makken, makke, werkwoord, spijbelen: school makke, kerk makke (LPW: IJss, Bens) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 153-154). Berns schrijft t.a.p.: ‘Makke is alleen te verklaren als ook andere woorden voor ‘spijbelen’ erbij betrokken worden, zoals schuilemakken en in samenhang daarmee schuimmaken . Al in 1847 heeft A. de Jager in zijn Taalkundig Magazijn de aandacht gevestigd op woorden voor ‘spijbelen’ zoals die in verschillende streken van het land in gebruik waren. Hij ziet in de vorm schooltje makke een niet meer begrepen schuiltje maken met de betekenis ‘zich ergens verschuilen’. Hij verwijst naar de Friese uitdrukking schoeltje maken . In het Fries komt inderdaad skûltsje meitsje voor dat letterlijk schuiltje maken is. Het woord voor ‘school’ is in het Fries skoalle . De woordgroep kerkie makke laat heel duidelijk zien dat men makke , dat niets anders is als maken met een verkorte a , is gaan opvatten als een apart woord met de betekenis ‘spijbelen’.’ Ook de Krimpenerwaard kent schooltje makken (Van der Ent 1988, p. 98).
malheur, malleur, zelfstandig naamwoord, pech (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Uit het Franse malheur , met dezelfde betekenis.
mandje, mandje, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking die gaat niet in een mandje melke : hij neemt het zekere voor het onzekere (LPW: IJss, Bens) Volgens Van Dale (1992, p. 1757) betekent niet in zijn mandje melken ‘slim, bijdehand zijn’.
manlui, mallie, zelfstandig naamwoord, ‘manlieden’: mannen (LPW: Lop) Zie ook *vrullie .
markten, marte, werkwoord, 1. op de markt iets verkopen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Hij gaot marte met de koeie’. (Bunn); vaste verbinding: koei marte (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), appels marte (LPW: Bens) Zie hoofdstuk 4, punt 9: markt . 2. naar de markt gaan (met de bedoeling iets te kopen) (LPW: Mont); ‘Op dinsdag ga je effe marte.’ (Mont)
meelopen, meelope, werkwoord, in het weer loopt mee mooi, standvastig weer (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols)
meerkol, meerkol, mertkolf, metkolf, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout), me(r)tkolf (KRS: Lang) Vlaamse gaai (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 91). Zie Taalatlas, afl.6, nr.5: gaai . Zeer waarschijnlijk gaat deze naam terug op Marcolf , een bekende spotter uit de Middeleeuwse sage. De Vlaamse gaai spot immers met andere vogels door hun geluid te imiteren. De dialecten van geheel Oost-Nederland en het aangrenzende deel van Duitsland hebben voor de Vlaamse gaai namen die van dit Marcolf zijn afgeleid, maar steevast met een a in de eerste lettergreep.
meisje, messie, zelfstandig naamwoord, meisje (LPW: Lop) Een geval van Utrechtse klinkerverkorting; zie hoofdstuk 2, punt B.5. Synoniem: *deern .
melk, melk, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking z’n melk optrekke : zich terugtrekken, zijn toezeggingen niet nakomen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 90). Zie ook door z’n *ribbe schijte . Letterlijk: een koe die schrikt, trekt haar melk ‘omhoog’; dan kan je wel trekken, maar er komt niets, of weinig. Een koe die *tuchtig wordt, trekt ook haar melk op. Hetzelfde geldt volgens Stoett (1943, dl II, p. 19) voor een koe die over enige tijd gaat kalven, of die door een onbedrevene gemolken wordt.
melkblok, melkblok, zelfstandig naamwoord, melkkrukje (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 90). Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
melkbocht, melkbocht, zelfstandig naamwoord, zie *melkhok .
melkhok, melkhok, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang), melkbocht (LPW: Lop) (zn) ruimte waarin de koeien ’s zomers gedreven worden om gemolken te worden Zie ook *koeihok . In de variant mellekhok ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 91). Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
melkspoor, melkspoor, zelfstandig naamwoord, zie *spoor .
melkstuk, melkstuk, zelfstandig naamwoord, kleine maaltijd van melk (of koffie) en brood die ’s ochtends na het melken genuttigd werd (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop) Bij het melkstuk werd soms *stukkekoffie gedronken. Zie hoofdstuk 4, punt 3: de arbeidsdag .
mennen, menne, minne, werkwoord, zie *winne .
meuk, meuk, zelfstandig naamwoord, rommel (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Ruim je meuk es op.’ (Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 91). In Gouda meut (Lafeber 1967, p. 130). Synoniem: *reut .
meuken, meuke, werkwoord, rommel maken (KRS: Wijk)
meukje, meukie, zelfstandig naamwoord, hoopje, bijvoorbeeld een klein bergje peren (LPW: Lop) Ook een hoopje halfrijpe peren die in het hooi worden gelegd om daar verder te rijpen (voorloper van de hooikist).
meuzie, meuzel, muizel, meurs, meuzik, mezel, zelfstandig naamwoord, (LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols), muizel (LPW: Mont), meurs (KRS: Scha), meuzik (LPW: Lop), mezel (LPW: Cab) knut (kleine, stekende vlieg) Een meuzel stak vaak de melker tijdens het melken door zijn kousen (Lop, Pols). Ook in de nek kunnen ze gemeen steken (IJss). Meuzels verschijnen op warme, vochtige dagen (met name in juni), vooral in de buurt van moerassen, maar ook wel in de Lopikerwaard. De Vechtstreek heeft ook meurs (Van Veen 1989, p. 91). In de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden heet een mug meuzik of meuzel (Berns 1991, p. 151). In de Krimpenerwaard is de vorm mezik (Van der Ent 1988, p. 76). Het WNT noemt de vormen meuze , meuzie en mezie , en stelt deze diertjes ten onrechte gelijk aan de mug; een knut is echter kleiner dan een mug en kan daarom ook door de kous van de melker steken.
middeldeur, middeldeur, zelfstandig naamwoord, deur tussen voorhuis en achterhuis in een boerderij (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
mieterig, mieterig, bijvoeglijk naamwoord, 1. vervelend (LPW: IJss) 2. (bn) van weer gezegd: slecht weer (LPW: IJss) Misschien gevormd onder invloed van het standaardtalige miezerig .
mietje, miekie, mietjie, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang), mietjie (LPW: Bens, Cab) klein beetje. Misschien is miekie hetzelfde woord als *meukie. Wellicht is mietjie ontstaan uit een vermenging van miekie en het algemeen-gebruikelijke bietjie .
millimeteren, millimetere, werkwoord, muggeziften (Lop)
miniseren, minisére, minisere, minesere, menisere, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens, Lop, Cab), menisere (LPW: Pols), minesere (LPW: Pols) 1. verminderen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens, Pols) Als minisere ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 92). In Gouda betekent minnezeere ‘verminderen, besparen’ (Lafeber 1967, p. 131). 2.(ww) iets geringer doen voorkomen dan het in werkelijkheid is, de waarheid afzwakken (KRS: Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab); ‘Hij miniseert de zaak.’ (Werk) Waarschijnlijk afkomstig van het franse minimiser , dat zowel ‘tot een minimum terugbrengend’ als ‘als onbelangrijk voorstellen’ betekent. Van Dale (1992, p. 1836) noemt miniseren minder juist voor minimaliseren , met de betekenissen ‘zo klein mogelijk maken, tot het uiterste terugbrengen’ en ‘als onbeduidend voorstellen’. De Krimpenerwaard kent miniseren in de betekenis van ‘verminderen (van eten, uitgaven)’ (Van der Ent 1988, p. 77).
moei, meue, zelfstandig naamwoord, tante (LPW: Lop) Als meu ook in de Krimpenerwaard, met naast de betekenis ‘tante’ ook die van ‘oude vrouw’ (Van der Ent 1988, p. 76). Gouda heeft meue voor zowel tante als oudtante (Lafeber 1967, p. 130).
moer, moeier, moer, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout), moer (KRS: Hout) vrouwelijk konijn In het westen (de Vechtstreek, Zuid-Holland) komt voor het vrouwelijke (moeder-)konijn de term voe(d)ster voor. De rest van Utrecht sluit aan bij het oostelijke gebruik van moer (Van Veen 1989, p. 138; zie ook Taalatlas, afl. 2, nr. 6).
mokken, mokke, werkwoord, (van weer gezegd) misten (LPW: Lop) Zie ook *mokkerig .
mokkerig, mokkerig, moekerig, mokerig, motterig, mouterig, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), mouterig (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: Bens, Lop, Cab), moekerig (KRS: Coth; LPW: Mont), mokerig (KRS: Bunn), motterig (LPW: Bens) broeierig (weer) Zie ook *bruntsig . In Lopik, Polsbroek, Cabauw en Benschop werd een betekenisverschil geconstateerd: mouterig is ‘broeierig’, mokkerig is ‘mistig’. Misschien is dat betekenisverschil wel oorspronkelijk, en heeft het elders ook bestaan, maar heeft er een samenval van beide (qua vorm op elkaar lijkende) woorden plaatsgevonden toen ze – door de vervanging door standaardtalige equivalenten – geleidelijk aan steeds minder gebruikt werden. Ook (in de vorm mokkerig ) in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 92). De Krimpenerwaard heeft mokkig in de betekenis ‘dampig, heiig’ (Van der Ent 1988, p. 79). Volgens Van Dale (1992, p. 1856) is mokkerig ‘vochtig-warm. loom’; het woord wordt gewestelijk genoemd. Zie ook *mokke .
molenaar, meulenaar, mullenaar, molenaartie, molenaar, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop), mullenaar (KRS: Lang), molenaartie (KRS: Scha), molenaar (LPW: IJss, Mont) meikever (mannelijk exemplaar) Zo genoemd vanwege zijn witte bovenkant, net alsof hij door het meel gelopen had. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 91). Zie verder Taalatlas , afl. 9, kaart 8: meikever . Meikevers zijn gevoelig voor warmte: pas bij een bepaalde temperatuur worden ze actief. Van dat gegeven werd door de jeugd bij hun spelletjes dankbaar gebruik gemaakt. Een populair kinderspelletje was zo’n meikever met een touwtje aan een stokje te binden en vervolgens te laten ‘vliegen’. Daar werd het volgende versje bij gezongen: ‘Molenaar, ga vliege, anders ga’k je bedriege anders ga’k je kop afhakke en je tegen de muur aanplakke’ (KRS: Coth, Wijk) De laatste regel ook als: ‘en jou in de ove bakke’ (LPW: IJss) of: ‘meulenaar ga vliege.’ (LPW: IJss) Mevrouw Van Rijn-van Oostrom uit Cothen zong mij de melodie onder de groene linde voor; achter de vleugel van Muziekwetenschap maakte ik daarvan de notatie die aan de onderzijde van deze bladzijde is afgebeeld.
moord, moord, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking ’t is toch ’n moord : ’t is toch erg, of ’t is geen moord : er is geen man overboord (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Variant: ’t is geen moord in een mandje (LPW: Mont) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 92).
morel, morelle, zelfstandig naamwoord, 1. zure kersen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Gebruikt voor de inmaak. 2. (ww) zweren (van een ontsteking) (LPW: Bens)
morgen, morge, zelfstandig naamwoord, zes *hond; 6/7 hectare: de hoeveelheid land die je op één morgen kunt bewerken (KRS: Bunn; LPW: Lop) In de Vechtstreek is een morgen 4/5 hectare. Werd daar minder hard gewerkt? Zie hoofdstuk 4, punt 14: oppervlaktematen .
motbui, motbui, zelfstandig naamwoord, zie *motdonder .
motdonder, motdonder, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Scha, Coth; LPW: Lop), motbui (LPW: IJss) een zware bui, waar ontzaglijk veel water uit komt. Soms ook de wazige lucht die het zware weer aankondigt (KRS: Coth). Het kenmerkende verschil tussen een motbui en onweer is, dat de wolken bij een motbui zo laag komen, dat je er als het ware in zit (LPW: IJss). Het woord betekent dus heel iets anders dan het uit de standaardtaal bekende woord motregen (fijne regen).
muffen, muffe, werkwoord, stinken (KRS: Coth, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 93).
muil, moel, zelfstandig naamwoord, muil (KRS: Coth); ‘Hou je moel dicht!’ (Coth)
mullen, mulle, werkwoord, 1. rommelen, zonder bepaald doel bezig zijn (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Pols); ‘Wat lig je nou weer te mulle, je moet es aan je werk gaan.’(Bunn) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 93). 2. (ww) dementeren (KRS: Werk)
murw, murg, bijvoeglijk naamwoord, zacht (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 93).
muur, muurt, zelfstandig naamwoord, sterremuur (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 93) en de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 80). De t aan het eind is hypercorrect; zie hoofdstuk 2, punt B.4.
nat eten, nat ète, zelfstandig naamwoord, maaltijdsoep, bijvoorbeeld *piepersoep (KRS: Wijk)
natte zeug, natte zeug, zelfstandig naamwoord, zeug die uitgebigd is (LPW: Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
negotie, goossie, zelfstandig naamwoord, (‘negotie’) (zn) handel die langs de deur uitgevent wordt (LPW: IJss); goossie lope , met goossie (‘negotie’) langs de deur gaan (LPW: Lop)
negotieman, goossiesman, zelfstandig naamwoord, venter die met *goossie langs de deur gaat (LPW: IJss)
nergens, nievers, nevvers, niever, nievers, niewer, niewers, bijwoord, (KRS: Wijk, Lang, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), niever (KRS: Wijk, Lang, Scha), niewers (LPW: IJss), niewer (LPW: Mont), nivver (KRS: Hout; LPW: Bens), nevvers (KRS: Coth) nergens Ontstaan uit nie + waar + s (Berns 1991, p. 158). De vorm nievers komt ook voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 95), in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en p. 158) en in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 81).
netennek, netenek, zelfstandig naamwoord, zie *luisnek .
netmand, netmand, zelfstandig naamwoord, mand van gevlochten teen voor het vervoer van appels of peren (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
nieuw, nuw, nuut, nuwt, nuf, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), nuut (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab), nuwt (KRS: Coth, Werk; LPW: Pols), nuf (LPW: Cab) nieuw Nuut en nuwt zijn onverbogen vormen van nuw , en kunnen alleen gebruikt worden bij onzijdige woorden voorafgegaan door het onbepaald lidwoord: een nuut huis . Ook: dat is nuut. De vorm nuw komt ook voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 95) en Gouda (Lafeber 1967, p. 135). Van der Ent kwam in haar studie van het Krimpenerwaards (1988, p. 82) de vorm nuut tegen in Stolwijk en Ammerstol. Zie Van Veen 1989, p. 161: nuw is westelijk, nije is oostelijk. Zie verder Heeroma 1935, kaart 3 en 29, nuw : derde hollandisme (p. 10, 12, 13 en 102). De vormen met uu zijn zeer dialectisch en tegelijkertijd zeer internationaal. In het Zuidafrikaans (dat een Utrechts/-Hollands/-Zeeuwse basis heeft) komt nuw nog steeds voor. Het Zweeds heeft ny , uitgesproken als nuu . Bij onzijdige zelfstandige naamwoorden volgt, net als in het Utrechts, een t : ett nytt hus ‘een nieuw huis’.
nieuwkoop, nieuwkoop, zelfstandig naamwoord, dier dat pas gekocht is; tegenwoordig ook in een meer algemene betekenis van een voorwerp dat pas aangeschaft is, bijvoorbeeld een auto (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Kom m’n nieuwkoop es zien joh’ (Werk); ‘Effe naar die boer toe, die het een nieuwkoop.’ (Pols)
nijdas, nijndas, zelfstandig naamwoord, nijdas, nijdig en wreed persoon (LPW: Cab, Pols) Genasaliseerde vorm van nijdas , het dialectwoord voor ‘hagedis’. Dit dier werd als giftig beschouwd. Door herinterpretatie als nijd met het substantief-vormend achtervoegsel –as kon het toegepast worden op mensen die ‘nijdig’ waren. (Stapelkamp 1945, p. 52). Vergelijk ook *lee-as . De Krimpenerwaard kent de vormen idas en ijdas in de betekenissen ‘hagedis’ en ‘venijnig iemand’. De n is hier weggevallen omdat deze werd geïnterprteerd als behorende tot het onbepaald lidwoord: een ijdas (Van der Ent 1988, p. 59).
nok, nok, zelfstandig naamwoord, zie *dok .
omhalen, omhale, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha), a(a)nhale (KRS: Bunn, Hout, Scha), ophale (KRS: Bunn; LPW: Pols) opdrijven van vee, met name koeien Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken . Zie ook *heue betekenis 1.
omtrent, omtrent, bijwoord, zowat, bijna (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Wij waren er omtrent, en toen begon het te regenen.’ (Bunn) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 97).
onbekwaam, onbekwaam, bijvoeglijk naamwoord, dronken; ‘Hij kwam onbekwaam naar buiten.’ (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 97).
onder, onder, voorzetsel, met plaatsbepaling: in de omtrek van; onder Houten (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In de gemeente, maar buiten de bebouwde kom; dit in tegenstelling tot *op . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 97).
onderberen, onderbere, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), onderbizze (LPW: Pols), onderbunsumme (KRS: Lang, Coth) vuile voeten op de vloer(bedekking) maken Zie ook *bere betekenis 1, *bunsumme betekenis 1 en *bizze . De Krimpenerwaard heeft als betekenis van *bizze onder andere ‘vuil lopen’ (Van der Ent 1988, p. 35).
onderbijzen, onderbizze, werkwoord, zie *onderbere .
onderbunzingen, onderbunsumme, werkwoord, zie *onderbere .
onderlaatst, onderles, onderlest, onderlaast, bijwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), onderlaa(t)s(t) (KRS: Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: Bens, Cab), onlangs Ook, in de vormen onderlaast en onderlest , in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 97); beide vormen komen ook in Gouda voor (Lafeber 1967, p. 138). In de vorm onderlaatst in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 82).
ongans, ongans, zelfstandig naamwoord, leverziekte bij koeien en schapen (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Van Dale (1992, p. 2043) spreekt specifiek van een schapeziekte. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 13).
ongebat, ongebat, bijvoeglijk naamwoord, ruw, onbehouwen (KRS: Coth) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en p. 157). Berns schrijft t.a.p.: ‘Als ongebat ‘ruig, onbehouwen’ betekent, zou er of een woord gebat moeten bestaan met de tegenovergestelde betekenis, of zou men uit moeten gaan van de opvatting ‘niet van een bat voorzien’. Het woord bat bestaat, het stamt uit de vaktaal van de Waterstaat, en betekent ‘spoordijk’ en ‘kade’. Het werkwoord batten betekent ‘aanleggen van rivierwerken’, ongebat betekent dan letterlijk ‘niet van een dijk of kade voorzien’ en die betekenis is wel te rijmen met ‘ruig, onbehouwen’.’
onheus, onneus, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, oneerlijk (LPW: Bens, Pols) Van onheus afkomstig? (Zie ook onneuze ).
onheusen, onneuze, werkwoord, 1. op een oneerlijke manier achter de waarheid komen (LPW: Lop) 2. oneerlijk spelen (LPW: Pols) Met deze betekenis ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 83), Gouda (Lafeber 1967, p. 138) en in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 154). Berns vraagt zich t.a.p. af: ‘Zou dit werkwoord uiteindelijk een afleiding kunnen zijn van het bijvoeglijk naamwoord onheus ?’. Van der Ent wijst op onhovesch in het MNW, dat onder andere als betekenis geeft ‘schandelijk, schandalig van daden en ondeugden’ waarbij het MNW een verbinding legt met ‘het in de Zeeuwse tongvallen bekende onnes , dat is, oneerlijk’. Verder wijst Van der Ent t.a.p. op de vorm nosen in het MNW, met als betekenis ‘1. schaden, kwaad doen, benadelen; 2. deren, schorten, hinderen’.
ont, ont, bijvoeglijk naamwoord, vies (LPW: Bens, Lop) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 157). Ontstaan uit ‘onnut’ (Berns 1991, p. 157).
onterik, onterik, zelfstandig naamwoord, viezerik, smeerpoets (KRS: Werk; LPW: Bens, Lop) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 157). Gevormd op basis van *ont (Berns 1991, p. 157).
oom, om, zelfstandig naamwoord, oom (LPW: Lop) Altijd op deze manier: Hannes-om (= ook Hannes), dus met de naam na het woord om .
oord, oord, zelfstandig naamwoord, kortgesteeld, zeisvormig snijwerktuig (KRS: Lang) Ook in de Vechtstreek, met daarnaast een vorm noord (Van Veen 1989, p. 98, p. 172 punt 13). Zie ook *hakoord , *kantoord en *wieoord . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Oords, Noors, zelfstandig naamwoord, het dialect van *Noord In Noord heeft men een dialect dat afwijkt van het Wijks (en meer aansluit bij de rest van de Kromme-Rijnstreek (bijvoorbeeld ‘kers’: in Noord kors , in Wijk kars ). Het dialect van Noord heet Noors (Utrechtse dialecten laten de t (ook indien geschreven als d ) doorgaans weg). ‘Dat zegge we niet, dat is Noors.” (Wijk)
ooshout, ooshout, zelfstandig naamwoord, houten balk (dwarshout) aan de voorzijde van een wagen, waaraan het paard trok (KRS: Hout; LPW: Lop) Het woord komt ook in de Vechtstreek voor, met de volgende defenitie: ‘rond of afgeplat hout met inkeping aan beide einden, bevestigd aan de kromme dissel of het lemoen, om er de strengen van het trekpaardentuig aan vast te maken.’ (Van Veen 1989, p. 98). Ooshout komt volgens Stapelkamp (1951, p. 74-75) voor in Holland ten noorden van de Lek, Utrecht en de westelijke Veluwe. Oos is hetzelfde als oor ; het heeft de oorspronkelijke germaanse s (z ) nog bewaard (vergelijk Gotisch auso ‘oor’). In het Nederduits en het Hoogduits heeft öse een betekenis ‘lus, strik, strop’ gekregen, op basis van de overeenkomst in vorm tussen een lus en het menselijk oor. Ook in ooshout betekent oos hoogstwaarschijnlijk ‘lus’: de *repen van het paardetuig worden namelijk met lussen of stroppen aan het ooshout vastgemaakt. Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
op, op, voorzetsel, met plaatsbepaling: te; op Bunnik (KRS: Lang, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Op drukt uit: ‘in de bebouwde kom’; dit in tegenstelling tot *onder , dat wel binnen de gemeente, maar buiten de bebouwde kom aangeeft. Dit gebruik is vaak beperkt tot de bebouwde kom van een dorp: op Gouda , op IJsselstein klinkt velen vreemd in de oren. In die gevallen is het in . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 98). Te Montfoort maakt men een onderscheid tussen op de Hoogstraat (die dan ook wat hoger ligt, eigenlijk een dijk) en in de Keizerstraat .
opbossen, opbosse, werkwoord, 1. iemand opjuinen, uitdagen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha); ‘Hij bost de zaak op.’ (Scha) 2. (ww) opruimen, verwijderen (KRS: Scha) 3. (ww) wegjagen, wegzenden, opjagen (LPW: Mont, Cab, Pols) Met betekenis 2 en 3 komt dit woord in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 98). Voor Gouda vermeldt Lafeber (1967, p. 75) onder het lemma bos de vorm obbosse ‘wegsturen’ en ook de uitdrukking het bos insture , met dezelfde betekenis, waar opbosse mogelijk mee samen hangt. 4. (ww) takkehout bijeenbinden tot bossen (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols)
opbreken, opbreke, werkwoord, het onbevrucht blijven van een koe (de dekkking leidt niet tot het gewenste resultaat) (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken . Ook in de Vechtstreek (van Veen 1989, p. 98).
opbreker, opbreker, zelfstandig naamwoord, koe die *opbreekt (onbevrucht blijft) (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
opgelicht, opgelich, opgelicht, bijvoeglijk naamwoord, achterdochtig, wantrouwend (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 99). Zie ook *achterkontig .
opgespeld hemd, opgespeld hemd, in de uitdrukking ik zit met opgespeld hemd : ik zit er helemaal klaar voor (LPW: Mont) In Gouda betekent de uitdrukking ‘netjes aangekleed’ (Lafeber 1967, p. 140 en 211).
ophalen, ophale, werkwoord, zie *omhale .
opkeren, opkere, werkwoord, bij koeien die *verkampt worden verhinderen dat ze te vroeg afslaan (LPW: Cab) Dit gebeurde door op de oprit naar het weiland waar de koeien niet in mochten, te gaan staan.
opkorten, opkorte, werkwoord, opschiete (LPW: Cab)
opleppen, opleppe, werkwoord, een *leplammetje , *lepkeu of *lepkalf met de fles grootbrengen (KRS: Coth, Werk; LPW: Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *leppe .
opoe, opoe, zelfstandig naamwoord, grootmoeder (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Onder andere ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 99) en Gouda (Lafeber 1967, p. 139). De uitdrukking opoe op visite hebbe betekent: ongesteld zijn (KRS: Wijk). In een voorzetselvoorwerp komt er in Lopik een s achter: bij opoes , naar opoes ; ‘Ga jij eens gauw bij opoes vragen, wat komt die vent doen daar met die wagen.’ (LPW: Lop)
opper, opper, zelfstandig naamwoord, kleine berg bijeengebracht hooi, dat op het veld staat te drogen alvorens het op de hooiwagen geladen zal worden (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . Op kaart 129 van de Taalatlas vinden we dialectvarianten voor kleine hooiopper . Opper komt volgens deze kaart in het hele Nederlandse taalgebied wel voor, maar is juist in de provincie Utrecht vrijwel afwezig; hier vindt men westelijk hoop en oostelijk keu naast elkaar. Op de kaart grote hooiopper (Taalatlas nr. 130) blijkt opper een typisch niet-westelijke vorm; de isoglosse loopt in de provincie Utrecht langs Vecht en Kromme Rijn. Ten westen en zuiden hiervan zegt men hoop , de westelijke vorm.
opreden, opreeë, werkwoord, opruimen (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Je moet dat es effe opreeë.’ (Scha) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en p. 155). Berns schrijft t.a.p.: ‘De volle vorm is opreden , ‘geheel gereed, in orde maken’. Het is een verouderd woord, dat in het dialect bewaard is gebleven.’ Ook in de Krimpenerwaard heeft opreeën , met naast de betekenis ‘opruimen’ ook die van ‘spelen, ravotten’ (Van der Ent 1988, p. 85). In Gouda kan het zowel ‘opruimen’ als ‘opspelen’ betekenen (Lafeber 1967, p. 141).
opschouwen, opschouwe, werkwoord, het constateren van tekortkomingen in het onderhoud van de watergangen tijdens de *schouw (LPW: Lop) Doorgaans wordt dit werkwoord in de passieve vorm, met een min of meer adjectivische betekenis gebruikt: opgeschouwd zijn (van een boer, die zijn watergangen niet goed schoon heeft). Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding . Synoniem: *kwaad schouwe .
opstrijden, opstrije, opstraije, straije, strije, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), opstraije (LPW: Bens), straije (KRS: Wijk; LPW: Lop), strije (LPW: IJss) met nadruk ontkennen, er hard tegenin gaan Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 99). In Gouda wordt on(t)strije gezegd (Lafeber 1967, p. 139).
opstuiken, opstuike, werkwoord, hout op een *stuik zetten (LPW: IJss, Pols)
opzetten, opzette, werkwoord, het met palen omhoogbrengen van de *bergkap bij een hooiberg, voordat er hooi in gebracht wordt (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
over de berg, over de berg, voorzetsel, aan gene zijde van de Utrechtse heuvelrug (KRS: Wijk)
paal, paal, zelfstandig naamwoord, in de grienden een grote, in de grond geslagen paal, waarop de diverse maten van het hout aangegeven staan, gebruikt voor het snoeien en het sorteren van het hout (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
paalhamer, paalhamer, zelfstandig naamwoord, zeer grote hamer om palen mee in de grond te slaan (KRS: Hout) Zie ook *staakhamer en *slei . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
paardenhork, paardehurk, zelfstandig naamwoord, horzel (KRS: Lang) Zie ook onder het synoniem *kromkont .
paardenvel, persvel, zelfstandig naamwoord, zie *vel .
paasketting, paasketting, zelfstandig naamwoord, ketting tussen de *evenaar van de eerste twee paarden en die van het tweede paar paarden bij het ploegen met vier paarden (KRS: Bunn) Zie ook hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
pakkendrager, pakkedrager, zelfstandig naamwoord, kleerhanger (KRS: Wijk) Van Dale (1992, p. 2212) kent pakkedrager onder andere in de betekenis ‘iemand die met het pak de boer opgaat of gesmokkelde waren over de grenzen brengt’.
palm, palm, zelfstandig naamwoord, afstand van tien centimeter (KRS: Lang, Werk, Bunn; LPW: IJss, Lop) Afgeleid van ‘handpalm’, die dezelfde lengte heeft. In de mandenmakerij was de palm een heel gebruikelijke lengtemaat, en het meten gebeurde met gesloten vuisten op elkaar te plaatsen (zoals kleine kinderen doen bij het rijmpje ‘olleke-bolleke’) (IJss) Mijn gesloten vuist (man, 32 jaar) meet inderdaad precies tien centimeter.
panschop, panschup, zelfstandig naamwoord, zandschop, zoals gebruikt in de bouw (KRS: Bunn; LPW: Lop) Zie ook *bats . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
papenstoel, papestoel, zelfstandig naamwoord, paardebloem (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout)
parlevinken, parlevinke, werkwoord, rondlopen, rondsnuffelen zonder bepaald doel (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 101). Van Dale (1992, p. 2239) geeft voor parlevinken onder andere de betekenis ‘van de ene plaats naar de andere trekken om kleinhandel te drijven’, afgeleid van parlevink : ‘iemand die geen vast beroep of verblijft heeft’, op zijn beurt ontleend aan de naam voor ‘vinken die zelden op de baan komen en die men dus bij toeval te pakken krijgt’ (parle komt misschien van par l’ occasion ).
parlevinker, parlevinker, zelfstandig naamwoord, 1. iemand die aan het *parlevinke (rondlopen, rondsnuffelen) is (KRS: Lang, Werk, Scha; LPW: Cab) 2. (zn) iemand die met galanterieën langs de deur komt (KRS: Werk) Daarnaast komt de gebruikelijke betekenis ‘kruidenier te water’ algemeen voor.
pastoor, pasteur, zelfstandig naamwoord, pastoor (KRS: Scha) Vergelijk het Franse pasteur , dat overigens niet ‘pastoor’, maar ‘predikant, dominee’ betekent.
, , in de uitdrukking iemand de pé op de neus zette (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), iemand de pin op de neus zette (KRS: Wijk, Coth; LPW: Lop) 1. iemand de waarheid zeggen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Deze betekenis is ook te vinden in het spreekwoordenboek van Stoett (1943, dl. II, p. 149). 2. iemand van tevoren een krachtige waarschuwing geven (KRS: Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In deze betekenis komt de uitdrukking voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 101). Van Dale (1992, p. 2297) geeft pin met als betekenis ‘knijper’. De uitdrukking iemand de pin op de neus zetten betekent dan ‘iemand in bedwang houden’. is volgens Stoett (1943, dl. II, p. 149) een verzamelnaam voor een aantal woorden dat met p begint: peen , pen , praam , prank of prik ; ‘Al de hier genoemde dwangmiddelen kunnen dienen om springende of onwillige paarden te bedwingen.’ (zie ook *praam ).
peer, peer, in de uitdrukking ’t is nie veul pere weerd (wèèrd , waard ): ’t is niet veel waard (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Bens, Lop, Cab, Pols), dat is geen père wèèrd dat is niets waard (KRS: Wijk, Lang; LPW: Lop), hij is niet veel pere waard : ’t is niet zo best met hem (LPW: Pols) De uitdrukking ’t is nie veul pere waard komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 102).
piepersoep, piepersoep, zelfstandig naamwoord, aardappelsoep, traditioneel Wijks gerecht (KRS: Wijk)
pierenpadje, pierepadje, zelfstandig naamwoord, klein kereltje (KRS: Hout; LPW: Bens) Zie ook *piersteek , betekenis 1. In de Vechtstreek is een pierepot een ‘kind dat er *pierig uitziet’ (Van Veen 1989, p. 103).
pierenwaai, pierewaai, zelfstandig naamwoord, iemand die er mager en bleekjes uitziet (LPW: Lop) Zie ook *piersteek , betekenis 1.
pierig, pierig, bijvoeglijk naamwoord, 1. dun, mager, smal (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens, Lop, Pols); ‘Hij ziet er een beetje pierig uit.’ (Hout) Zie ook, met dezelfde betekenis, *schrielderig . ‘Pierig’ wordt vooral gezegd van een kind, ‘schrielderig’ meer van volwassenen. Met een iets andere betekenis (namelijk ‘kwijnend’) ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 103). 2. (bn) chagrijnig (LPW: Pols)
piersteek, piersteek, pieresteek, pierestek, pierestik, pierstek, pierst, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Bens, Lop, Cab), pierestek (KRS: Scha; LPW: Mont), pierstik (KRS: Lang; LPW: Bens), pierstek (KRS: Lang), pierestik ((LPW: IJss, Mont, Lop), pieresteek (LPW: Mont, Lop, Cab, Pols) 1. iemand die er mager en bleekjes (dus *pierig ) uitziet; ook: iemand die in de groei achterblijft bij de voor de betreffende leeftijd normale ontwikkeling (KRS: Werk; LPW: Cab); ‘Dat jochie is een pierstekie.’ (Werk) Zie ook *pierewaai . De Vechtstreek kent hiervoor het woord pierepot (Van Veen 1989, p. 103). In Gouda is een pierewiet een ‘mager persoon’ (Lafeber 1967, p. 145). 2. (zn) wormsteek (op een appel of een peer) (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In haar studie van het Krimpenerwaards trof Van der Ent (1988, p. 88) pieresteek met deze betekenis aan in Ammerstol en Gouderak. Van Dale (1992, p. 2288) kent het woord alleen als bijvoeglijk naamwoord: ‘wormstekig’.
pikantig, pikantig, pikanterig, bijvoeglijk naam en bijwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Pols), pikanterig (LPW: Lop) 1. lastig (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop, Pols); ‘Dat is toch een pikant wijf, je kan niks zegge of ze heb er commentaar op.’ (Werk) 2. (bn en bw) driftig (KRS: Bunn) 3. (bn en bw) afgunstig (KRS: Bunn) In deze betekenis komt dit woord ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 103). 4. (bn en bw) secuur, netjes (in positieve zin) (LPW: Bens, Pols) Mogelijk samenhangend met het woord pikeur .
pin, pin, zelfstandig naamwoord, 1. wortelstronk van het teenhout, waarop de twijgjes groeien (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5. 2. zie * .
pink, pink, zelfstandig naamwoord, eenjarige koe (KRS: Hout; LPW: Lop) Synoniem: *hokkeling . Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . De Vechtstreek kent een iets algemenere betekenis: eenjarig rund (Van Veen 1989, p. 103).
pinteen, pinteen, zelfstandig naamwoord, teen van één jaar oud (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
pispotjes, pispotjes, zelfstandig naamwoord, haagwinde (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 103).
plaats, plots, plaassie, plaats, plaatsie, plaosie, plaotsie, plu, zelfstandig naamwoord, KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha), plaats (KRS: Coth, Hout), pluts (KRS: Lang), plos (LPW: IJss) 1. het erf van een boerderij Synoniem aan het meer gebruikte *wer(re)f en erf . 2. (zn) plaatsje achter het huis (in deze betekenis ook wel plossie (KRS: Wijk; LPW: IJss), pla(o)sie (LPW: Mont, Bens, Cab, Pols), pla(o)tsie (LPW: Mont, Lop) In de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden komt plossie voor met de betekenis ‘straatje naast of achter het huis’ (Berns 1991, p. 150).
pleien, plaiere, werkwoord, keilen van platte (kiezel)steentjes (*kegels ) over het water (LPW: IJss)
ploegdrijver, ploegdrijver, zelfstandig naamwoord, jongste knecht op de boerderij (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
pochel, pokkel, zelfstandig naamwoord, lichaam van vee (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de algemene betekenis van ‘lichaam’ (maar ook ‘rug’), dus ook van mensen, komt dit woord in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 104).
poepogen, poepoge, zelfstandig naamwoord, pijnlijke, etterende ogen (KRS: Wijk) Synoniem: *trietoge en *siepoge .
pols, puls, zelfstandig naamwoord, zie *gierpuls .
pompgoot, pompgeut, zelfstandig naamwoord, goot op de deel, tegen de muur met het voorhuis, met daarop de waterpomp (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
ponderboom, polderboom, zelfstandig naamwoord, lange houten paal boven op een hooiwagen, waaraan de *voorbijn en *achterbijn vastzitten (LPW: Lop, Pols) De Vechtstreek heeft, net als de Kromme-Rijnstreek, *weesboom (Van Veen 1989, p. 142). In de Taalatlas, afl. 9, nr. 3, is een tegenstelling tussen Hollands ponderboom en Utrechts weesboom te zien. De Lopikerwaard heeft dus een Hollandse vorm. De eigenlijke vorm is overigens ponder(boom) , afkomstig van het Franse pondérer , ‘wegen’. Polderboom heeft zich denkelijk ontwikkeld onder invloed van polder . Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
poot, poot, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking er met een poot naar slaan (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), er met z’n linkse poot naar slaan (KRS: Bunn), er maar een bietje met z’n poot naar slaan (KRS: Scha): gemakzuchtig zijn Zie ook *been .
pootketting, pootketting, zelfstandig naamwoord, ijzeren ketting, met op elke 50 cm staven waaraan een oog vast zit, gebruikt om teen te poten (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
popmus, popmos, zelfstandig naamwoord, huismus (LPW: Mont) Zie ook *huiskees . De Krimpenerwaard heeft potmos (Van der Ent 1988, p. 90). Van Dale (1992, p. 2365) geeft bij potmus ‘mus die in een opgehangen bloempot nestelt’. Vroeger in het Nederlands, en nu nog in enkele (westelijke) dialecten (onder andere Gouda, Lafeber 1967, p. 143) is potmos of een daarvan afgeleide vorm ook de figuurlijke aanduiding voor een ‘raar, eigenaardig persoon’.
populierboom, peppeleboom, zelfstandig naamwoord, populier (KRS: Werk)
pork, örrekie, zelfstandig naamwoord, klein kind (LPW: Lop) Synoniem: *brakkie . In Gouda is een purrekie een ‘klein mensje, klein kind’ (Lafeber 1967, p. 149).
postbode, posboie, posbooi, zelfstandig naamwoord, zie *brievebooi .
poters, poters, zelfstandig naamwoord, pootaardappelen (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen . Ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 147).
pottenkast, pottekast, zelfstandig naamwoord, voorraadkast (LPW: Lop)
pottenrek, pottenrek, zelfstandig naamwoord, droogrek voor emmers en dergelijke op het erf van de boerderij (KRS: Lang) Synoniem: *immerrek . Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
praam, praam, zelfstandig naamwoord, 1. riem van touw, bevestigd aan een houten latje, die om de onderlip van een paard kon worden gedraaid (KRS: Werk) Wanneer een paard op anderhalfjarige leeftijd voor het eerst beslagen werd, kon het daar hard tegen protesteren. Om het schoppen tegen te gaan, kreeg het een praam om de onderlip gebonden. Elke keer dat het schopte, werd die praam een slag aangedraaid, zodat de onderlip sterk werd afgebonden. Dat was zeer pijnlijk, en vaak liet een paard het dan wel uit zijn hoofd om nog langer tegen te stribbelen. In meer overdrachtelijke zin kan de uitdrukking ook op mensen toegepast worden: die kerel heeft zo’n grote smoel, die moeste we maar eens een praam op z’n bek zette . (KRS: Werk) 2. (zn) schuit gebruikt voor het *uitvare van griendhout (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
pratten, pratte, werkwoord, 1. stil nijdig zijn, mokken (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens); ‘Zit niet zo te pratte!’ (KRS: Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 105). 2. (ww) ook prakke : optreden van stilstand in de groei van het gewas, bijvoorbeeld bij koud weer (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens) ‘Het gewas staot mar te pratte.’ (Scha); een enkele keer ook wel van een dier gezegd, bijvoorbeeld een schaap (LPW: IJss, Mont, Bens) In deze betekenis ook prakke (Bens, Pols) Zie ook *steke en *kwarre . 3. (ww) (van eten gezegd) sudderen, verpieteren (LPW: Mont, Bens); (als man of kinderen laat thuis komen:) ‘Het eten staat op de kachel maar te pratte.’ (Bens) (het wordt er dan niet beter op) 4. (ww) treuzelen (LPW: Mont)
pruim, pruim, zelfstandig naamwoord, 1. in de uitdrukking ’t is een pruim van een vent : ’t is een droge; een zure vent (KRS: Coth, Bunn, Hout; LPW: Bens, Cab) 2. in de uitdrukking hij zeg geen pruim voor een mand vol gezegd van iemand die heel stil is (KRS: Wijk), hij zegt geen pruim voor een bin (= mand, zie *ben ) vol , idem (LPW: Bens, Pols). Vergelijk hiermee de uitdrukking hij zeit geen pruim voor een ben vol met als betekenis ‘hij zegt niets, is zeer zwijgzaam’, die voorkomt in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 105). Van Dale (1992, p. 2407) noteert de (gewestelijke) uitdrukking ze zegt geen pruim voor een mand vol : ‘gezegd van een vrouw die trots, uit de hoogte is’. 3. in de uitdrukking hij is geen pruim wèèrd niets waard (LPW: Lop)
pruimpje, prumpie, zelfstandig naamwoord, zelfstandig naamwoord, tabakspruimpje (KRS: Lang) Zie ook *keesie en *snoepie . Een geval van Utrechtse klinkerverkorting; zie hoofdstuk 2, punt B.5.
puin, puin, puingras, zelfstandig naamwoord, onkruid (KRS: Lang, Bunn, Werk, Scha; LPW: Cab, Pols) Synoniem: *kweek(gras) . Zie hoofdstuk 4, punt 12: onkruid .
raam, raam, zelfstandig naamwoord, (onverwachte) grote sprong (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Vaak bij koeien en paarden gezegd, maar ook mensen kunnen een raam nemen. Een raam van een paard had dikwijls tot gevolg dat het tuig brak. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 107). In Gouda is een raam een ‘snelle aanloop’ (Lafeber 1967, p. 149).
raar, raar, bijvoegelijk naamwoord, in de uitdrukking daar is niet veul raar aan : daar is niet veel (aardigheid) aan (LPW: IJss, Bens) In Gouda wordt, met dezelfde betekenis gezegd: ‘daar is niet veel rarigheid aan’ (Lafeber 1967, p. 150).
raggen, ragge, werkwoord, 1. ravotten (KRS: Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 107). In Gouda heeft dit woord de betekenis ‘ruw bewegen’ (Lafeber 1967, p. 150). 2. (ww) Het bespringen van de koe door de stier (LPW: Lop) Zie ook *repe , betekenis 2 en 4. 3. (ww) het op elkaar springen van tochtige koeien (LPW: Pols) Zie ook *repe , betekenis 4.
rechtevoort, rechtevorts, rechtevoort, rechtevort, bijwoord, (KRS: Lang, Werk; LPW: Lop), rechtevort (KRS: Lang), rechtevoort (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 1. gewoonlijk, voortdurend (KRS: Lang, Werk) 2. (bw) tegenwoordig (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Veelal kent men het woord rechtevoort in de een of andere vorm wel, maar de betekenis is doorgaans volkomen verloren gegaan. Misschien had het woord ook vroeger al geen duidelijke betekenis, en werd het meer terloops gebruikt. Van Dale (1992, p. 2475) die onder andere de betekenis ‘tegenwoordig’ noemt, geeft tevens aan dat het woord wel als stopwoord (‘zogezegd, eigenlijk’) wordt gebruikt. In de vorm rechtevoort komt dit woord in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 107). De Krimpenerwaard heeft rechtwoordig (Van der Ent 1988, p. 91), een contaminatie van rechtevoort en tegenwoordig . Ook Gouda heeft rechtewoordig , dat overigens verouderd genoemd wordt (Lafeber 1967, p. 151). Van Dale (1992, p. 2475) noemt het woord gewestelijk, maar het moet dan wel een enorme verbreiding hebben, want uit de oostelijke dialecten ken ik het ook wel.
reden, reeë, werkwoord, reden: in orde brengen; klaar krijgen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) ‘Nou moeten we nog zien te reeën dat we voor vier uur in Wijk bij Duurstede zijn.’ (Werk) Voor de intervocalische d > j ; zie hoofdstuk 2, punt B.6. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 107), Gouda (Lafeber 1967, p. 151) en de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 92). In de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden komt opreeën voor, met als betekenis ‘geheel gereed, in orde maken’ (Berns 1991, p. 151 en p. 155).
ree, rie, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, lenig, beweeglijk, vlug (LPW: IJss, Bens)
reep, reep, zelfstandig naamwoord, het touw aan het paardetuig waarmee het paard de vracht trekt (KRS: Wijk, Werk, Hout; LPW: Bens, Lop) Zie ook *streng . In de uitdrukking over de reep slaan met dezelfde betekenis als de broodkruimels steken hem (zie onder *broodkruimel ): als een paard uitbundig is, kan het letterlijk ‘over de reep slaan’. De uitdrukking kan in figuurlijke zin ook op mensen toegepast worden. (KRS: Hout, Scha; LPW: Lop). Van Dale (1992, p. 2490) geeft het zinnetje het paard staat met één poot over de reep als voorbeeldzin om de betekenis van reep te illustreren, zonder verdere connotatie. Men kan zich overigens afvragen of poot in dit zinnetje niet been moet zijn. Het woord reep komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 108) Zie hoofstuk 4, punt 4: wagens .
rek, rek, zelfstandig naamwoord, afstand, tijd (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Pols); ‘’t Is nog een hele rek, late we maar opschiete.’ (Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 108).
relteren, reltere, werkwoord, uitgaan, en dan vooral in de zin van jongens die achter de meisjes aan gaan, of meisjes die eveneens met het oog op verkering de jongens opzoeken. Dit speelde zich op straat af (LPW: IJss)
repen, repe, repele, verrepe, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Lop, Cab, Pols), repele (LPW: Bens), verrepe (LPW: Bens) 1. vernielen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In de Vechtstreek komt met deze betekenis het woord ofrepe voor (Van Veen 1989, p. 97). 2. (ww) geslachtsgemeenschap hebben (KRS: Wijk, Werk; LPW: IJss, Mont) ‘Een vrouw heeft 24 kindere gehad, en dan zegge ze, nou die vent, die heb z’n eige kapot gereep.’ (Wijk) Zie ook *winne , betekenis 2. 3. (ww) ravotten (KRS: Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); bijvoorbeeld kinderen die op een bank zitten te repen. Zit dicht tegen betekenis 1 aan. In deze betekenis ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 92) en Gouda (Lafeber 1967, p. 151). 4. (ww) het op elkaar springen van tochtige koeien (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *ragge , betekenis 3. 5. (ww) hard werken (LPW: Lop, Pols) In deze betekenis ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 92). 6. (ww) het op elkaar springen van jonge, nog niet geslachtsrijpe rammen (LPW: IJss). De beesten beginnen hier al mee als ze een maand oud zijn ‘en dat kost vlees’. (IJss)
resolveren, rezelevere, werkwoord, 1. alles klaar maken, aan kant maken (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ook zich netjes maken voor de deur uitgegaan wordt of voorbereidingen treffen om te gaan slapen: ‘Kom, we gaan rezelevere om naar bed te gaan.’ (Werk) Afgeleid van resolveren , dat vroeger in de standaardtaal voorkwam. In Gouda betekent rizzeleveere ‘besluiten te beginnen’ (Lafeber 1967, p. 153). 2. (ww) recupereren, bijkomen (na een zware inspanning), op adem komen (LPW: Mont) Met een geheel andere betekenis (namelijk beslissen) komt het woord rizzelevere voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 109).
reut, reut, zelfstandig naamwoord, rommel (LPW: Pols) Synoniem: *meuk . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 108), in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 93) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 152).
rib, rib, in de uitdrukking door z’n ribbe schijte : zich terugtrekken, zijn toezeggingen niet nakomen (KRS: Scha) Zie ook z’n *melk optrekke .
richter, richter, zelfstandig naamwoord, lange plank die over een sloot ligt; soort bruggetje (LPW: IJss)
richtig, richtig, bijvoeglijk naamwoord, 1. vlug; een richtige vent, iemand die opschiet (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha) 2. (bw) zuiver, in orde (KRS: Werk, Bunn, Scha; LPW: Lop) In deze betekenis komt dit woord in de Vechtstreek voor (Van Veen, 1989, p. 108).
rijf, rijf, zelfstandig naamwoord, hark (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Het woord komt westelijk van de eigenlijke Vechtstreek voor (Kockengen, Spengen, Portengen; Van Veen 1989, p. 111) en in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 150 en p. 152). Ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 151). Zie ook *kluiterijf en *hooirijf . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Rijn, Rijn, zelfstandig naamwoord, 1. de Kromme Rijn 2. de Langbroeker Wetering (KRS: Lang); deze mondt bij Odijk in de Kromme Rijn uit. Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
rijnsnij, rijnsnij, zelfstandig naamwoord, kortgesteeld, zeisvormig snijwerktuig, om de slootkanten mee te snijden, specifiek die van de Langbroeker Wetering (‘de *Rijn ’) (KRS: Lang) Zie ook *snij . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
rijnvorst, rijnvorst, zelfstandig naamwoord, grote kikker (LPW: Mont)
rijtuig, rijtuig, zelfstandig naamwoord, zwart vierkant koetsje waarmee de koetsiers in de stad Utrecht reden (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
rijven, rijve, werkwoord, het met de *rijf aanharken van de *kegels (grind om het huis) (KRS: Lang, Coth, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens) Hetzelfde als *kluitere . Het werkwoord als zodanig is aan het verdwijnen, maar in meer adjectivische zin leeft het participium nog voort. Zo wordt in Werkhoven gezegd ‘Ik hark de plots’ naast ‘Ik heb de plots gereve ’, waarbij we in het laatste geval meer aan een adjectief dan aan een perfectum moeten denken. Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 111) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 151).
ritsig, ritsig, bijvoeglijk naamwoord, ongedurig (KRS: Scha)
roede, roei, zelfstandig naamwoord, roede: 13,8 vierkante meter. (KRS: Bunn; LPW: Lop) In de Vechtstreek is een roei een landmaat van 12 voet = 3,6 m (Van Veen 1989, p. 109). Een vierkante roei heeft dan ongeveer de grootte van de in de Kromme-Rijnstreek aangetroffen oppervlaktemaat. Zie hoofdstuk 4, punt 14: oppervlaktematen .
ruggenmeter, ruggemeter, zelfstandig naamwoord, lisdodde (KRS: Scha)
ruigte, ruig, ruigt, rug, rugt, ruigte, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), rug(t) (KRS: Lang, Coth, Scha; LPW: Bens, Lop, Cab, Pols 1. onkruid (KRS: Lang, Coth, Bunn, Hout, Lop, Scha, Werk) Ook in de Vechtstreek (ruigt ; Van Veen 1989, p. 110) en de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en p. 156). Zie Taalatlas, kaart 119: onkruid ; in het zuiden van de provincie Utrecht komen ruig en *vuil naast elkaar voor. Ruig is vooral de Midden-nederlandse vorm, terwijl vuil meer in het westen (Noord- en Zuid-Holland) verschijnt. 2. (bn) met veel onkruid (ruig land ) (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 12: onkruid .
ruigten, rugte, werkwoord, (LPW: IJss, Lop, Cab, Pols), ruigte (Mont, Bens, Lop, Pols) onkruid wieden In de vorm rugten ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151) en in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 94).
ruizebuizerig, ruizebuizerig, bijvoeglijk naamwoord, van weer gezegd: slecht, regenachtig (LPW: Bens)
runs, runs, bijvoeglijk naamwoord, geslachtsdriftig bij schaap en geit (KRS: Hout) of bij hond (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
rut, rut, lut, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), lut (LPW: IJss) niets meer op zak hebbend ‘’k Heb ’m rut gespeeld.’ (Scha) ‘Lazarus en Ruth, die gingen samen naar de kermis. Toen ze terugkwamen was Lazarus rut en Ruth lazerus.’ (Werk) Synoniem: aan de *avond zijn . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 111) en Gouda (Lafeber 1967, p. 154). Zie Stoett 1923, II, p. 206.
ruw weer, rauw weer, zelfstandig naamwoord, ruw, slecht weer (LPW: Bens)
salamander, sallemander, zelfstandig naamwoord, 1. boosaardig, vals mens (KRS: Werk, Hout, Scha; LPW: Bens, Lop); ‘’t Is een sallemander’. (Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 111). 2. in de uitroep ‘sallemandes nog an toe!’ (KRS: Werk, Hout) Waarschijnlijk een meer aan de beschaving aangepaste vorm van de vloek ‘allemachtig nog an toe!’. 3. in de uitroep ‘sallemander op!’: maak dat je weg komt (LPW: Pols) Misschien een nettere vorm van ‘sodemieter op!’. Ten opzichte van de onder 2. genoemde aanpassing is hier nog minder van de oorspronkelijke vorm overgebleven. In beide gevallen is sallemander kennelijk een geschikt woord om de wat al te ruwe kanten van onparlementair taalgebruik af te slijpen. Daarbij zal wellicht meegespeeld hebben, dat de salamander toch al een ongunstig imago heeft: ‘een gif en vlammen spuwend ondier’ (Van Dale 1992, p. 2623). Het woord salamander komt ook als scheldnaam voor (idem, p. 2623).
saus, saus, zelfstandig naamwoord, jus (KRS: Wijk, Werk) Zie ook *doop en *stip .
schaft, schof, schoft, schoffie, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), schoffie (KRS: Wijk) 1. schaft, etenstijd (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 2. (zn) tijdsduur tussen twee schoften, zo ongeveer drie uur – een ochtend of een middag; soms ook de tijdsduur tussen bijvoorbeeld een maaltijd en het koffie drinken – dan duurt de schoft maar anderhalf uur. (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘’t Is nog een hele schoft voordat we er zijn.’ (Coth) Ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 158). Synoniem: *zeling . In deze betekenis ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 115). Zie hoofdstuk 4, punt 3: de arbeidsdag .
schaften, schofte, werkwoord, schaften, het middagmaal gebruiken (KRS: Lang, Werk, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 115) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 158). Bekend is de anekdote van het bordje op de winkeldeur: ‘Wij zijn schoften’ (Lang).
scharrebijter, schalebijter, zelfstandig naamwoord, loopkever (LPW: Lop)
schavot, schavot, schevot, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout), schevot (KRS: Bunn) constructie van planken op twee uit de hooiberg stekende palen, waarop gestaan kon worden om het hooi hoger in de berg te steken De vorm schevot komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 114). Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
schelen, schal, verleden-tijdsvorm van schelen (LPW: Lop); ‘Dat kind schal niks.’ (Lop)
schepel, schepel, zelfstandig naamwoord, 1/4 mud (aardappelen) (KRS: Coth, Bunn) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 113).
scheut, scheut, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking op scheut zijn (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), op schot zijn (KRS: Bunn; LPW: IJss): al ver gevorderd zijn De uitdrukking op scheut zijn komt ook voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 113) en in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 97).
schevallig, schevalig, bijvoeglijk naamwoord, haveloos, kaal, armoedig (LPW: Cab)
scheviel, scheviel, zelfstandig naamwoord, iemand die *schevielig is (Werk)
schevielig, schevielig, schemielig, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: Lop), schemielig (KRS: Bunn; onder invloed van schlemielig ?) niet helemaal zuiver op de graat, gezegd van iemand die je in de gaten moet houden Zie ook *schevieligheid .
schevieligheid, schevieligheid, zelfstandig naamwoord, activiteit die het daglicht niet kan verdragen (KRS: Werk, Bunn, Hout). Het woord heeft hier een iets negatievere betekenis dan in de Vechtstreek, waar het ‘kattekwaad’ betekent (Van Veen 1989, p. 114).
schieten, schiete, schote, scheute, werkwoord, (KRS: Bunn; LPW: Mont, IJss), schote (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk; LPW: Bens, Lop, Cab), scheute (KRS: Hout) opsteken (van bv. hooi) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
schieter, schieter, zelfstandig naamwoord, iemand die hooi *schiet (KRS: Bunn) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
schietvak, schietvak, zelfstandig naamwoord, plaats in de hooiberg vanwaar het hooi ‘omhooggeschoten’ werd (KRS: Bunn) Zie ook *hokgat en *haakgat . Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
schilijzer, schilijzer, zelfstandig naamwoord, rond mes, dat om het teenhout past, met een lange steel, gebruikt om de teen mee te schillen (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
schoef, schoef, zelfstandig naamwoord, slootzeis; halve zeis met een lange steel (KRS: Wijk, Lang, Bunn, Bens; LPW: Lop, Cab, Pols) Hiermee werd niet alleen het gras gesneden, maar ook de grond: dan had je weer een mooie kant. De slootkant, die bij het drinken door de koeien was vertrapt, werd op deze wijze geëgaliseerd. Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 150 en p. 152). Berns schrijft t.a.p.: ‘Dit kan de basisvorm van het meer bekende woord schoefel , schoffel zijn, want -el is een achtervoegsel. Het zou ook een heel oude vorm kunnen zijn, die eigenlijk schuif had moeten luiden. We hebben dan te maken met een oe -relict, zoals dat het geval is met knoest naast knuist , doezelig naast duizelig .’ Van Dale (1992, p. 2682) ziet schoef (en de nevenvorm schoefel ) inderdaad als afgeleid van schuiven . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
schootkonten, schoolkonte, werkwoord, naast elkaar leggen (van lepeltjes) (LPW: Lop) Misschien ontstaan uit schootkonte ? Dat zou een plastische omschrijving kunnen zijn van de romantische wijze waarop innig-geliefden in bed tegen elkaar aanliggen, ook wel bekend als de ‘lepeltjeshouding’. Van Dale kent noch schoolkonten noch lepeltjeshouding , maar wel lepeltje lepeltje : ‘om aan te geven dat twee mensen heel goed bij elkaar passen, dat ze als twee lepeltjes tegen elkaar aan in bed liggen e.d.’ (1992, p. 1654). Hier is sprake van een metafoor (beeldspraak) die twee kanten uitwerkt: bij lepeltjeshouding , lepeltje lepeltje wordt het beeld van lepeltjes gebruikt om aan te duiden hoe twee mensen tegen elkaar aanliggen; bij schoolkonten wordt het beeld van twee tegen elkaar aan liggende mensen gebruikt om aan te geven hoe de lepeltjes tegen elkaar aan liggen, of gelegd moeten worden.
schootvork, schootvork, zelfstandig naamwoord, vork met een lange steel om het hooi op de wagen te steken (LPW: Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 115). In Polsbroek is het werkwoord *schiete (of een variant daarvan) voor ‘het opsteken van hooi’ verdwenen, maar de verbale stam leeft nog voort in schootvork . Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . Zie ook *schiete .
schoren, schore, werkwoord, (in bed) tegen elkaar aan schuiven (LPW: Lop)
schort, schulk, zelfstandig naamwoord, 1. schort (KRS: Wijk, Lang) 2. (zn) bij het kersen plukken: zak die om het lichaam hing, waar de kersen in gedaan werden
schot, schot, zelfstandig naamwoord, 1. in de uitdrukking op schot zijn : zie *op scheut zijn . 2. (zn) groei van een vruchtboom: hij het mooi schot gemaakt hij is snel gegroeid (KRS: Bunn) 3. (zn) koe die voor de tweede maal drachtig is (LPW: Lop, Cab) In deze betekenis ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 115). Van Dale (1992, p. 2695) geeft als betekenis ‘driejarige koe die haar eerste kalf moet krijgen; – (ook wel) koe die eenmaal gekalfd en daarna een jaar overgelopen heeft’. De oorsprong van het woord wordt gezien in een (houten) schot, ‘omdat de koeien zich in een afgeschoten deel van de stal bevonden’. Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
schouder, schoer, zelfstandig naamwoord, schouder (LPW: Lop, Cab) In de uitdrukking ze kijkt al over de schoer gezegd van een meisje dat de leeftijd krijgt om verkering te hebben.
schouw, schouw, zelfstandig naamwoord, controle op het schoonhouden van de watergangen (KRS: Lang; LPW: Lop) De uitdrukking in de schouw gebleven zijn betekent dat er bij deze controle gebrekkig onderhoud is geconstateerd (LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
schram, schram, zelfstandig naamwoord, groeifase van een varken tussen big en mestvarken (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de Vechtstreek: gesneden jong varken (Van Veen 1989, p. 115). In deze betekenis ook in Van Dale (1992, p. 2700).
schretten, schrète, werkwoord, schreien, huilen (LPW: Lop) In de vorm schretten ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 98).
schrieken, schrèke, werkwoord, schreeuwen (KRS: Wijk)
schriel, schrielderig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, schriel (LPW: Lop) Zie ook *pierig .
schroef met pen, schroef met pen, zelfstandig naamwoord, houten apparaat om de kap van een hooiberg mee omhoog te draaien (KRS: Lang) Zie ook *bergaaf . Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
schuimen, schuime, scheume, schume, schoime, werkwoord, (KRS: Bunn; LPW: Bens, Lop, Cab, Pols), scheume (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk), schume (KRS: Wijk, Coth, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop), schoime (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop) zoeken, met een negatieve bijklank: op het stelen af; ‘Wat loop je nou weer te scheume?’ (Coth). De Vechtstreek kent het zelfstandig naamwoord schumerd ‘iemand die op verdachte wijze ergens rondsnuffelt’ (Van Veen 1989, p. 116).
schuurberg, schuurberg, zelfstandig naamwoord, hooiberg met onderin hokken voor varkens en kippen (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
schuurtje, schuurtje, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking het huisje bij het schuurtje late (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols) het *boompie bij het schuurtje late (KRS: Werk), het kerkie bij het schuurtje late (LPW: Mont) 1. je moet de dingen bij elkaar, in verband zien; ook: de zaak bij elkaar houden, niet gaan splitsen (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols) Synoniem: het *boompie bij het kerkie late (KRS: Werk). 2. matigheid betrachten (KRS: Wijk, Bunn) Met een vergelijkbare betekenis (namelijk de tering naar de nering zetten) komt deze uitdrukking voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 117). Stoett (1943, dl. I, p. 444) vermeldt het kerkje bij het schuurtje laten staan met als betekenis: ‘de feiten meedelen zoals ze zijn’ en het huisje bij het schuurtje laten met als betekenis: ‘het niet te dol aanleggen’. In dl. II (p. 475) vinden we het walletje moet bij ’t schuurtje blijven waaraan beide betekenissen gegeven worden: ‘men moet op zijn zaken passen en niet meer uitgeven dan men kan; niet overdrijven; de boel bij elkaar houden.’ Als variant wordt genoemd: men moet maken dat het huisje bij het schuurtje blijft .
schuw, schuw, bijwoord van graad, heel, erg, zeer (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘’t Is schuw slecht weer.’ (Werk) (vergelijk afschuwelijk ) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 117).
siepoog, siepoge, zelfstandig naamwoord, pijnlijke, etterende ogen (LPW: Mont) Synoniem: *trietoge . Waarschijnlijk komt het eerste deel van siepen , een nevenvorm van sijpelen (Van Dale 1992, p. 2737); te denken valt aan ettervocht dat uit de ogen ‘siept’. De Vechtstreek kent siepere in de betekenis ‘sijpelen’ (Van Veen 1989, p. 117).
Sint-Catharina, Sinte-Katrijn, zelfstandig naamwoord, Sint-Catharina oftewel 25 november; andermans koeien die op die datum nog buiten liepen, mochten straffeloos gemolken worden. In de Lopikerwaard de dag waarop de boerenknechten en -meiden zich opnieuw voor een jaar verhuurden. (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 2: knechten . In Gouda heette de dag waarop de knechten en meiden zich opnieuw verhuurden, en waarbij het jaarloon werd uitbetaald, boeremalloot (Lafeber 1967, p. 73). ‘Er was onderscheid tussen protestantse malloot, de eerste dag na Kerstmis, en roomse malloot, de eerste dag na Sinte Katrijn (25 november). Het was een gebruik, dat de koeien die op malloot nog in de weide liepen (Lafeber zal hier wel de roomse malloot bedoelen – Sch.) door de knechten mochten worden gemolken. Die mochten de melk dan voor zichzelf houden.’ (Lafeber 1967, p. 73).
sla, slaoi, slaai, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Werk, Bunn, Hout, Scha), slaai (KRS: Werk, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) sla Voor de i aan het eind van het woord zie hoofdstuk 2, punt C.1. In de vorm slaai ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 117).
slaan, slaan, werkwoord, in de uitdrukking op iemand slaan (KRS: Hout), na iemand slaan (KRS: Bunn): op iemand lijken; ‘Hij slaat op zijn grootvader.’ (Hout) ‘Hij slaat zijn grootvader na.’ (Bunn) Zie ook *beslachte .
slaapstal, slopstal, zelfstandig naamwoord, (‘slaapstal’) slaapplaats voor de knecht of de oudere zoon in de stal, boven de koeien, op de *til (KRS: Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
slabek, slaaibek, zelfstandig naamwoord, persoon met een zeer wijde mond (LPW: Bens) Volgens Van Dale (1992, p. 2754) ‘grote, tot schelden en tekeergaan geneigde mond’.
slag, slag, zelfstandig naamwoord, gedeelte van de *wetering dat door een bepaalde ingeland schoon gehouden moet worden (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding .
slak, slek, zelfstandig naamwoord, slak (KRS: Lang, Coth, Werk) In Langbroek is een buurtschap met de naam Slekkenakker . Voorts in de uitdrukking zo vet als een slek : zeer vet. (KRS: Lang, Werk).
slateef, slaaiteef, zelfstandig naamwoord, brutale vrouw (LPW: Mont)
sleg, slei, sleg, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout), sleg (LPW: Lop) zeer grote hamer om palen mee in de grond te slaan De vorm slei komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 117). Slei kan zich op klankwettige wijze uit sleg ontwikkeld hebben (zie Schönfeld’s (19708), par. 64, p. 77; vergelijk de paren zegde-zei , legde-lei , (Duits) Segel-zeil ). Op p. 273 noemt Schönfeld’s de ontwikkeling van slei met als betekenis ‘slijmig vocht’ uit een vorm met eg(i) ‘zeer onzeker’. Zie ook *staakhamer en *paalhamer . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
sliet, sliet, zelfstandig naamwoord, tak die qua dikte tussen een twijg en een ‘echte’ boomtak inzit; taai en buigzaam (KRS: Wijk, Lang, Coth, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Doorgaans wordt met sliet de tak van een knotwilg bedoeld, maar de jonge takken van een *peppeleboom (populier) zijn ook sliet. Sliet hoort bij het boerengeriefhout; het wordt bij voorbeeld gebruikt om de *melkhokke mee af te zetten (*afsliete ), of voor het vlechten van *horde . Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en p. 155), met als betekenis: ‘twijg, dunne en taaie loot (vooral van wilgen)’, synoniem aan teen . De Vechtstreek heeft als betekenis van sliet : ‘lange, dunne, brede lat’ (Van Veen 1989, p. 118).
slieten, sliete, werkwoord, het kappen van *sliet (KRS: Wijk)
slijter, slijter, zelfstandig naamwoord, 1. een dier (rund, paard, varken) dat niet meer groeit, of zelfs sterk vermagert (KRS: Hout) 2. (zn) koe die aan tuberculose lijdt, en daardoor sterk vermagert (LPW: Lop) In deze betekenis ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 118). Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
slik, slik, zelfstandig naamwoord, snoep (KRS: Wijk)
slikken, slikke, werkwoord, snoepen (KRS: Wijk)
slinger-om-de-muil, slunger om de moel, zelfstandig naamwoord, (‘sliertjes om de mond’) stamppot rauwe andijvie met stukjes spek (KRS: Wijk)
slobber, slobber, slubber, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), slubber (KRS: Hout) 1. een grote hoeveelheid (KRS: Bunn); ‘Die vent het ook ’n slobber geld.’ (Bunn) 2. (zn) lijnzaadmeel (kalvervoer) (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Zie ook *slubberig . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 118).
slobberig, slubberig, bijvoeglijk naamwoord, drassig (land) (LPW: Pols)
slokken, slorke, slokke, werkwoord, (KRS: Bunn), slokke (LPW: Mont) schielijk en hoorbaar drinken Zie ook *kloeke , *kulleke , *lèrze en *leppe betekenis 4.
slot, slot, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking slot noch val hebbe : er is geen touw aan vast te knopen (KRS: Hout; LPW: Lop, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 118). Slot betekende vroeger: ‘aaneensluiting, hechte samenhang’. Van Dale (1992, p. 2778) geeft als voorbeeldzin: een klein kind moet slot aan het lijf hebben ‘stevig gekleed zijn’ en verder de uitdrukking slot noch val zit er in die jurk ‘die jurk past niet en zit heel lelijk’. Daarnaast is er een uitdrukking het heeft slot noch zin ‘er is niet uit wijs te worden, geen touw aan vast te knopen’, waarin slot betekent: ‘samenhang van een redenering’. Het is duidelijk dat in de Zuidutrechtse dialecten de ene uitdrukking met slot (slot noch val ) de betekenis van de andere (slot noch zin ) heeft gekregen.
smacht, smacht, zelfstandig naamwoord, matten van roggestro, die aan een hooibergkap hangen tegen het inregenen (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
smart, smart, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking ieder mens z’n eigen smart : geen mens is zonder verdriet (KRS: Lang)
smiekerig kijken, smiekerig kijke, werkwoord, moeilijk kijken (met dichtgeknepen oogleden) ten gevolge van pijnlijke ogen (*trietoge ) (KRS: Coth)
smuigerd, smuigerd, smieger, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), smieger (LPW: IJss) geniepig iemand De vorm smuigerd komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 120). Bij smiegerd speelt wellicht invloed van het synonieme woord smiecht een rol.
snee, snee, zelfstandig naamwoord, 1. in de uitdrukking een snee in z’n neus hebbe : dronken zijn (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 120). 2. in de uitdrukking iemand een snee in het oor geve : gezegd om een kind dat zich misdraagt, tot de orde te roepen (LPW: Cab) ‘Als je vroeger gek deed, dan zei m’n moeder: jongen, hou op, anders geef ik je een snee in je oor!’ (Cab) De uitdrukking vindt zijn oorsprong in het gebruik om een kalf dat wild geworden is, een snee in een van de oren te geven (zo diep dat het bloedde). Het kalf werd hier rustig van.
snij, snij, zelfstandig naamwoord, apparaat om de sloot mee schoon te maken; specifiek om de waterplanten mee af te snijden (KRS: Lang). Zie ook *rijnsnij . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
snijding, snaijing, zelfstandig naamwoord, (‘snijding’) 1. smalle ruimte tussen twee huizen (LPW: IJss, Bens) 2. (zn) tocht, harde wind (LPW: Bens) Van betekenis 1 afgeleid, want in de snijding kon het meestal behoorlijk tochten. Voor intervocalische d > j ; zie hoofdstuk 2, punt B.6.
snijsel, snaisel, zelfstandig naamwoord, (snijsel) snijsla (LPW: Lop) Zie ook * .
snoeien, sneue, werkwoord, snoeien (van wilgetakken, in de griendcultuur) (LPW: IJss, Lop) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
snoeimes, sneumes, zelfstandig naamwoord, mes om mee te *sneue (LPW: Lop)
snoepje, snoepie, zelfstandig naamwoord, tabakspruim (LPW: Mont) Zie ook *keesie en *prumpie .
snuit, snuit, zelfstandig naamwoord, witte vlek op de kop van een koe of het hoofd van een paard; ook wel als aanduiding voor een dier met een snuit (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de Vechtstreek alleen gebruikt voor koeien (Van Veen 1989, p. 120).
spaanse ekster, spaanse ekster, zelfstandig naamwoord, Vlaamse gaai (KRS: Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop) Zie ook *me(r)tkolf .
spaden, spaaie, werkwoord, spitten (KRS: Lang) Ontwikkeld uit spaden . Voor de intervocalische d > j ; zie hoofdstuk 2, punt B.6.
spannen, spanne, werkwoord, het binden van een touw om de achterpoten van een koe voor het melken (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 121) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
spantouw, spantouw, zelfstandig naamwoord, touw om de achterpoten van de koe vast te binden (te *spannen ) gedurende het melken (LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 121) Zie hoofdstuk 4, punt 7: het melken .
speels, speuls, bijvoeglijk naamwoord, geslachtsdriftig; niet geheel zeker op welk dier de term betrekking heeft (varken?) (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de Vechtstreek wordt het woord gebruikt bij geiten en konijnen (Van Veen 1989, p. 122). Van Dale (1992, p. 2830) geeft als voorbeeld: een speels hert . @spoegers
speelwagen, speelwagen, zelfstandig naamwoord, vierwielige wagen, met hoge, smalle wielen, die dient ter vermaak (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
spek, spek, in de uitdrukking zo zat as gespoge spek : er buitengewoon genoeg van hebben (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Gespoge is de voltooide tijd van spuge . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 121) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 230).
spoor, spoor, zelfstandig naamwoord, 1. weg naar de boerderij (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha) Een melkspoor is het pad dat naar het weiland loopt, waar langsgegaan wordt als gemolken moet worden (Coth) 2. (zn) wagensporen op een onverharde weg (bijvoorbeeld een dijk) (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Te onderscheiden zijn een pèèrdespoor en een wielespoor . Een pèèrdespoor is enkelvoudig, een wielespoor dubbel. Op een dijk had je dan ook altijd drie sporen. Een spoor is in de Lopikerwaard dus iets anders dan in de Kromme-Rijnstreek. Waar de Kromme-Rijnstreek spreekt van spoor , heeft de Lopikerwaard het over *sticht .
spugen, spuige, werkwoord, overgeven, braken (KRS: Lang) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 122) en Gouda (Lafeber 1967, p. 166). Ten opzichte van de vorm spugen in de standaardtaal, met een andere betekenis, heeft spuige een extra ontwikkeling doorgemaakt, namelijk diftongering (uu > ui ). Dat heeft te maken met de waarschijnlijk wat minder beladen betekenis die het woord in de Kromme-Rijnstreek heeft: alleen typische taboewoorden, zoals ook duvel , onttrekken zich in het standaard-Nederlands en in de dialecten van West- en Midden-Nederland aan het proces van diftongering. Het aardige is, dat in min of meer hetzelfde gebied ook de oorspronkelijke vorm, van vóór de palatalisatie oe > uu bewaard is gebleven, namelijk in *spoeger .
spuger, spoeger, in de uitdrukking spoegers zijn blijvers : zuigelingen die veel overgeven (‘spoege’) gaan niet gauw dood (LPW: Lop). In haar boek over de Betuwe merkt mevr. Hol op: ‘Het spuwen van kleine kinderen werd graag gezien, het werd als een bewijs van gezondheid aangemerkt.’ (Hol 1965, p. 92). Ook taalkundig is dit een interessant woord: we vinden hier een afleiding van spuge in de betekenis ‘overgeven’, waarin de oorspronkelijke vocaal (oe ) nog is bewaard. Zie ook *spuige .
staak, staak, zelfstandig naamwoord, paal (KRS: Hout) Zie ook *koeiestaak en *staakhamer . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
staakhamer, staakhamer, zelfstandig naamwoord, zeer grote hamer om palen mee in de grond te slaan (KRS: Hout) Zie ook *paalhamer en *slei . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
staan, sting, verleden tijd van (hij) staat (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 123).
staart, staart, in de uitdrukking hij schijt door zijn staart : hij houdt zich niet aan de gemaakte afspraak, laat het afweten (LPW: IJss)
stal, stal, zelfstandig naamwoord, plankier boven de koeien en paarden, waar het hooi op ligt (KRS: Werk) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Stal betekent in de Kromme-Rijnstreek dus iets anders dan in het Algemeen Nederlands.
stee, stee, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking hij heeft een (verkeerd) stee in z’n kop : hij is niet best te spreken (LPW: IJss, Bens)
steekbes, stekbes, steekbes, stekelbes, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang), steekbes (KRS: Lang, Werk), stekelbes (KRS: Werk; LPW: Bens) kruisbes Zie ook *doornbes en *kroibes . Evenals doornbes is dit woord te verklaren uit de stekels die aan de takken van de kruisbessestruik zitten. Stek is een geval van Utrechtse klinkerverkorting.
steenmand, steenmand, zelfstandig naamwoord, tenen mand (LPW: IJss, Lop) In de Vechtstreek is een stee(n)mand een ‘mand met loodrecht staande oren, meestal van ca. 1/4 hectoliter vooral in gebruik bij de tuinbouwers. [Een turfmand had schuin naar beneden gerichte oren met ’t oog op het gemakkelijk op de schouder dragen].’ (Van Veen 1989, p. 123). Van Dale (1992, p. 2903) geeft bij steenmand de betekenis ‘mand waarin stenen worden gedragen of vervoerd’.
stek, stik, zelfstandig naamwoord, (‘stek’) (door vogels) aangevreten kersen, vaak beschimmeld (LPW: IJss, Mont, Pols) Deze kersen waren natuurlijk veel goedkoper dan de gave kersen; bij veel mensen was stik de enige vorm van kersen die op tafel kwam. Zie ook *wrak .
stek, stekkie, stichie, steetje, steechie, stikkie, stikje, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), stichie (KRS: Coth, Scha), stikje (KRS: Bunn), steetje (KRS: Werk, Hout), steechie (LPW: IJss, Pols), stikkie (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols) rot plekje op een appel De vorm steetje komt ook voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 123). In Gouda is een steej een ‘wond’ of een ‘litteken’ (Lafeber 1967, p. 167).
stekel, stekel, zelfstandig naamwoord, distel (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *dessel . Stekels trekke , distels uit het land verwijderen (LPW: Mont, Bens) Zie ook *distels blote .
steken, steke, werkwoord, in de uitdrukking hij wil niet steke of snaije (snijden) gezegd van een dier dat niet wil groeien (LPW: Bens) Z|ie ook *pratten betekenis 2 en *kwarre .
sticht, stich, sticht, zelfstandig naamwoord, oprit naar een boerderij (KRS: Bunn; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook *spoor . In Lopik, waar de huizen en boerderijen door de wetering van de (vaak hoger gelegen) dijk worden gescheiden, is de sticht de weg over het bruggetje en de oprit naar de dijk. Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en p. 160), met als betekenis ‘lange toevoerweg naar de boerderij’. Zie Taal en Tongval 9 (1957, p. 202): volgens het daar afgedrukte kaartje komt sticht zuidelijker dan de provincie Utrecht voor (bezuiden de Lek).
stikken, stikke, werkwoord, uitdunnen van eenjarig gewas in de hakgrienden (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
stip, stip, zelfstandig naamwoord, jus waarin de aardappelen ‘gestipt’ (gedoopt) werden (KRS: Bunn) Zie ook *doop en *saus . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 124). Volgens Van Veen (1978) komt stip in Oost-Utrecht en op de West-Veluwe voor. Dit in tegenstelling tot het synoniem *doop , dat in de westelijke provincies en het westen van de provincie Utrecht voorkomt.
stofvarken, stofvarke, zelfstandig naamwoord, bezem voor gebruik in huis (KRS: Lang) Vergelijk *asvarke .
stommel, stommel, zelfstandig naamwoord, wortelstronk (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Gebruikt als brandstof voor kachels. Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5. Ook in Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 124) en in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 157).
strekel, strekel, streksel, streeksel, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang; LPW: Lop), streksel (KRS: Lang), streeksel (KRS: Werk) strijksel; houten latje met teer en zand om een zeis te wetten (scherp te maken) De vorm strekel komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 125). Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
streng, streng, zelfstandig naamwoord, het touw aan het paardetuig waarmee het paard de vracht trekt (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 125). Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
strijderig, straijerige lucht, zelfstandig naamwoord, onrustige lucht, die slecht weer aankondigt (LPW: Lop)
stront, stront, in de uitdrukking het regent stront van de dijk : het regent zeer hard (LPW: IJss, Bens) Door de waterstroom werden de paarde-uitwerpselen, die vroeger altijd wel op de dijk lagen, meegespoeld.
strooien, strooie, werkwoord, het aanbrengen van een strolaag in varkenshokken (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 13: grondsoorten .
strui, strui, bijvoeglijk naamwoord, bedorven (gezegd van eieren) Synoniemen: *gier , *schier .
stuik, stuik, stoik, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), stoik (LPW: IJss) stapel (hout); ‘op stuik zette’ (Coth) Zie ook *opstuike . Zie het artikel De griendcultuur rond IJssel-stein in hoofdstuk 5. Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (berns 1991, p. 151 en p. 157).
stuikhout, stuikhout, zelfstandig naamwoord, één- of tweejarig hakhout (elzen en essen) (KRS: Lang)
stuk, stuk, zelfstandig naamwoord, dubbele boterham (die nu met een geïmporteerd woord wel ‘sandwich’ wordt genoemd) ( KRS: Lnag, Coth, Werk, Bunn, Hout Scha: LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) De stukken kunnen nader omschreven worden: kaasstuk , suikerstuk . Zie hoofdstuk 3, punt 3: de arbeidsdag . Zie ook: *suikerstuk , *melkstuk , *stukkezak en *bogie . Ook (in de uitdrukking op stukke wer(re)ke , dat is om 12 uur niet thuis eten) in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 126). De Krimpenerwaard heeft stik (Van der Ent 1998, p. 101).
stukkenkoffie, stukkekoffie, zelfstandig naamwoord, koffie van inferieure kwaliteit (LPW: Bens). Bijvoorbeeld koffie van de vorige avond, of koffie aangelengd met wtaer. Deze koffie werd wel bij het *melkstuk aan de *daggelders geserveerd; goede boerinnen kwamen overigens nooit met stukkekoffie, die schonken echte koffie (Bens).
stukkenzak, stukkezak, stukbuil, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Lop, Cab, Pols), stukkebuil (KRS: Lang, Coth) boterhammenzakje, van linnen gemaakt; hing met een touwtje on de nek. Stukkezak komt ook voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 126); Gouda heeft stikkezakkie (Lafeber 1967, p. 168).
suikerboontjes, suikerboontjes, zelfstandig naamwoord, sperzieboontjes (KRS: Werk)
suikerstuk, suikerstuk, zelfstandig naamwoord, 1. wittebrood met suiker (KRS: Hout) In de Vechtstreek is dit beschuit met (boter en) suiker (Van Veen 1989, p. 126) 2. In de uitdrukkking op (te) suikerstukke gaan : op kraamvisite gaan, waarbij overigens geen suikerstuk, maar beschuit met muisjes wordt gegeten (KRS: Bunn, Hout, Scha; LPW: Bens, Cab). Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 126)
tas, tas, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking iemand in de tas hebbe : iemand door hebben (KRS: Werk, Scha)
teems, teems, zelfstandig naamwoord, melkzeef (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 127) en de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 104). Zie Taalatlas, afl. 7, nr. 2: melkzeef . Teems komt voor in Holland, Utrecht en op de Veluwe. Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
teen, toon, tee, zelfstandig naamwoord, (KRS: Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss), tee (KRS: Lang, Werk; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) teen Het meervoud van tee is teeë . In IJsselstein is toon specifiek de grote teen. De vorm toon komt ook voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 130).
teksten, tekse, tekste, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), tekste (LPW: Pols) praten, kletsen; vooral gezegd van vrouwen ‘Die tekst heel wat af, die kan goed teksen.’ (Coth) De vorm tekse komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 127).
temet, temee, demee, demeegies, toemee, bijwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), demee (KRS: Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Pols), demeegies (LPW: Mont), toemee (KRS: Wijk) straks, zo dadelijk: ‘Hij komt temee.’ (Bunn), ‘Tot temee’ (tot straks) (Coth) Zowel demee als temee komen ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 46). De Krimpenerwaard heeft temee (Van der Ent 1988, p. 104). In Gouda demee (Lafeber 1967, p. 173).
temet, temet, bijwoord, bijna (KRS: Wijk, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘We waren er temet, en toen begon ’t te regenen.’ (Bunn) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 127) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 173).
tentwagen, tentwagen, zelfstandig naamwoord, personenwagentje in gebruik bij de boeren (KRS: Hout; LPW: Lop) Synoniem: *Utrechts wagentje . Ook in de Vechtstreek (Van VBeen 1989, p. 127). Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
test, tes, test, zelfstandig naamwoord, 1. hoofd, kop (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); alleen in de platte bekenis: ‘Ik zal je op je tes geve.’ (KRS: Bunn; LPW: IJss), ‘Ik zal op je tes kome.’ (ik zal je een pak slaag geven) ( KRS: Lang, Coth, Werk; LPW: Lop). (Betekenisloze) uitdrukking: ‘Pet op je tes, kom je er ook bes (= best).’ (KRS: Scha) Zonder verdere connotatie in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 127). 2. (zn) blikken vat (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
thuisgehaald kind, thuisgehaald kind, zelfstandig naamwoord, kind van een ongehuwde moeder, dat aan de ouderlijke macht onttrokken wordt en in een ander (volledig) gezin geplaatst wordt (LPW: Mont) Van Dale (1992, p. 3085) kent thuishaalder in de betekenis ‘aangenomen kind’.
tienvoet, tienvoet, zelfstandig naamwoord, bos griendhout met een lengte van 300 cm; er gingen 20 stokken in een bos (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
tijl, tijl, zelfstandig naamwoord, rij bomen in een boomgaard (LPW: IJss) Zie het artikel Kersen in IJsselstein in hoofdstuk 5.
til, til, zelfstandig naamwoord, in de boerderij de zoldering boven de koeien, met daarop de slaapplaats voor de knecht maar ook wel voor de (oudere) boerenzoon, de zogenaamde *slopstal (KRS: Lang, Werk, Bunn. Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 128). Zie Daan (1952): til komt voor in het westen van Utrecht, het oosten van Zuid-Holland en het gebied tussen de grote rivieren.
tilbury, tilbury, zelfstandig naamwoord, tweepersoons boerenwagentje (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
tochtig, tuchtig, bijvoeglijk naamwoord, geslachtsdriftig (bij runderen) (KRS: Hout; LPW: Lop) Vergelijk het Nederlandse tochtig . De Vechtstreek heeft ook tuchtig (Van Veen 1989, p. 131) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
tonnenband, tonneband, zelfstandig naamwoord, bos griendhout met een lengte van 230 cm; er gingen 26 stokken in een bos (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
tranig, traanderig, bijvoeglijk naamwoord, (bij spek) ranzig, enigszins bedorven (LPW: Cab) Synoniem: *garstig . Mogelijk verwant met traanachtig ‘naar traan (olie uit walvissespek en dergelijke) smakend’.
trek, trek, zelfstandig naamwoord, tocht (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie ook het werkwoord: *trekke. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 130) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 175).
trekken, trekke, werkwoord, tochten (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) ‘’t Trek as een zee.’ (KRS: Bunn, Scha). Meer algemeen: ‘’t Trekt as de ziekte.’ Ook in Gouda (Lafeber 1967, p. 175).
trietogen, trietoge, zelfstandig naamwoord, pijnlijke, etterende ogen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab) Vooral bij dieren (met name lammeren), maar ook bij mensen; iemand met trietogen zit vaak *smiekerig te kijken (Coth) Synoniem: *siepoge . Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . In de Vechstreek ‘iemand met lopende ogen en (of) rode oogranden’ (Van Veen 1989, p. 130).
troel, truul, zelfstandig naamwoord, in een dikke truul : een dikke vrouw (LPW: Lop)
trullen, trule, omtrule, werkwoord, 1. omvallen (KRS: Coth; LPW: Lop, Pols) In de betekenis ‘rollen (voor trulen ), omvallen (voor omtrulen )’ ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns p. 151 en p. 155). Berns schrijft t.a.p.: ‘Deze woorden komen in de dialectliteratuur van Zuid-Holland niet voor. Gelukkig brengt het WNT uitkomst. Daar vinden we onder trullen ook de vorm trulen en vervolgens truilen , met de betekenis ‘tuimelen, vallen’ en speciaal voor de betekenis ‘rollen’ als bron de Sliedrechtse woordenlijst van 1874. De herkomst van het woord is onduidelijk.’ 2. (ww) omdraaien (KRS: Coth; LPW: Bens, Lop, Cab); ‘Truult ’m es om.’ (Coth), ‘het omtrulen van pakken hooi’ (Bens) 3. (ww) rollen (LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘een tapijt omtrule’ (IJss) Als trulen , ‘laten rollen’, bekend in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 105). Van Dale (1992, p. 3177) kent trullen met ondere andere als betekenis ‘rollende verplaatsen’, en als synoniem ‘rollen’.
trulletje, trulegie, zelfstandig naamwoord, in trulegie wol : restje wol (LPW: Lop) In de Krimpenerwaard is een truletje of trulegie een ‘balwieltje (bijvoorbeeld onder een fauteuil)’ (Van der Ent 1988, p. 105). Die betekenis geeft het WNT ook, met daarnaaast ‘ronde schijf’.
tuf, tuf, zelfstandig naamwoord, speeksel (KRS: Lang) Zie ook *tuffe .
tuffen, tuffe, werkwoord, spuwen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) ‘Ik tuf je je moel (muil) dicht!’ (Coth), ‘Ik tuf je ogen dicht!’ (Coth) Het woord komt in grote delen van Nederland voor. In het Zonnehuis Stenia te Zeist, een heilpedagogische instelling, wordt het woord gebruikt ter vervanging van het kennelijk als te ruw ervaren spuwen of spugen (eigen waarneming). De RND geeft bij Wijk bij Duurstede voor tuffe de betekenis ‘speeksel verwijderen’ (R.N.D. 10, 1966) Tuffe is waarschijnlijk een onomatopee (klanknabootsend woord)
tutje, tutje, zelfstandig naamwoord, doekje waarop een klein kind sabbelt (KRS: Wijk) Zie ook *leptutje . Tut heeft oorspronkelijk de betekenis ‘tepel’ (vergelijk de nevenvorm ‘tiet’).
tuttelen, tuttele, werkwoord, middagdutje doen (KRS: Wijk) Van werkelijk slapen komt niet altijd even veel: telkens komt er wel weer iemand binnenvallen. Dat onderbroken karakter is het verschil tussen tuttele en slape .
tweediepen, tweediepe, werkwoord, omspitten van de grond (60 cm diep) in de grienden, voorafgaande aan het poten van de teen (LPW: IJss) Synoniem: *zinke . Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
tweepaardsevenaar, tweepeerdsevenaar, zelfstandig naamwoord, bij een wagen die door twee paarden voortgetrokken wordt de dwarsbalk waaraan de beide *ooshoute vastzitten (KRS: Hout) Zie *evenaar . Zie ook hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
tweernen, tweerne, werkwoord, iets doen zonder dat het veel resultaat oplevert, voortmodderen (KRS: Lang)
uit, uit (zijn), oit, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Coth), oit (zijn) (LPW: Lop) het uitgemolken zijn van koeien Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
uit en terug, uit en terug, voorzetsel, heen en weer (LPW: Mont) Zie ook *bere , betekenis 1.
uitfoeteren, uitvetere, werkwoord, zie *uitmeste .
uithaal, uithaal, oithaal, zelfstandig naamwoord, (KRS: Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), oithaal (LPW: Mont, Bens, Lop) najaarsschoonmaak. Iets minder grondig dan de voorjaarsschoonmaak. De uithaal bestond uit het naar buiten brengen (uithalen) van de meubelen, en het schoonmaken van het interieur. De voorjaarsschoonmaak omvatte ook karweien als schilderen en dergelijke. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 132) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 176). Zie verder Daan 1952 en Van Veen (1988, p. 40). In Bunnik, waar de najaarsschoonmaak amper voorkomt, is uithaal het woord voor de voorjaaarsschoonmaak.
uithalen, uithale, oithale, werkwoord, (KRS: Coth, Werk; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols), oithale (LPW: Mont, Bens, Lop) de najaarsschoonmaak doen Zie *uithaal . Ook in dw Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 132).
uitmesten, uitmeste, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop), uitvetere (LPW: Pols) (iemand) op grove wijze de waarheid zeggen, de huid volschelden. De vorm uitmeste komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 132).
uitvaren, uitvare, werkwoord, het per schip (*praam ) vervoeren van griendhout (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
uitwijkstee, uitwijkstee, zelfstandig naamwoord, uitwijkplaats: op een smal weggetje of een smalle dijk een wat bredere plaats waar twee wagens elkaar kunnen passeren (LPW: Mont) In de Krimpenerwaard heet dit een uithaalstee (Van der Ent 1988, p. 107).
Utrecht, Uitert, Utrecht, Utrecht (KRS: Lang, Bunn, Scha) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 132).
Utrechts wagentje, Utrechts wagentje, zelfstandig naamwoord, boerenwagentje voor personenvervoer (KRS: Hout; LPW: Lop) Synoniem: *tentwage . Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
vaag, vaag, vaagt, zelfstandig naamwoord, 1. vruchtbaarheid van grond (rijkdom aan voedingsstoffen) (KRS: Wijk, Lang, Werk, Hout; LPW: IJss, Bens, Lop); ‘Die hoge bome neme alle vaagt weg.’ (Hout) ‘Der zit veel vaag in de grond, hier moet ik spinazie zaaie.’ (Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 133). Van Dale (1992, p. 3250) geeft, met min of meer deze betekenis, de vorm vaag ; de t in het Utrechts is een hypercorrectie; zie hoofdstuk 2, punt B.4. 2. (zn) zavelachtige grond )KRS: Bunn)
vaagtrekker, vaagtrekker, vaagttrekker, zelfstandig naamwoord, plant die veel voedingsstoffen uit de grond haalt (KRS: Coth) Zie ook *vaagt .
vaarkoe, vaarkoei, zelfstandig naamwoord, *guiste koe, koe die niet drachtig is (LPW: Cab)
vaars, veers, vèèrs, zelfstandig naamwoord, (KRS: Hout) vèèrs (LPW: Lop) vaars, jonge koe beneden de twee jaar oud, die nog niet, of éénmaal gekalfd heeft Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee en hoofdstuk 2, punt B.9. Zie verder Van Veen (1964, p. 87-89 en kaart 11): oostelijk veers tegenover Zuidhollands vèrs .
val, val, zelfstandig naamwoord, kersen die van de bomen gevallen zijn (LPW: Mont) Minder duur dan de geplukte kersen, maar vaak ook van mindere kwaliteit (bijvoorbeeld *stik ).
vale koe, vale koei, zelfstandig naamwoord, runderras met een grijsachtige kleur (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
vat, vatte, werkwoord, 1. drinken (van alcoholische dranken) (Coth) ‘We zullen er effe een vatte.’ (KRS: Coth) 2. (ww) beetpakken (LPW: Bens) De verleden-tijdsvorm luidt viet .
vel, vel, zelfstandig naamwoord, (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Bens, Lop, Pols), persvel (KRS: Lang) kwaad, boosaardig wijf Zie ook *dweil en *kaai . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 134).
veld, veld, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking te veld gaan : op weg gaan (en dan niet noodzakelijk naar het veld!) (KRS: Werk, Scha); ‘Ze gingen om half elf al te veld om te dope.’ (in dit geval dus: naar de kerk) (Scha)
verarmoeden, verarremoeie, veraarremoeie, vererremoeie, werkwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hour, Scha; LPW: Pols) vererremoeie (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) 1. betrekken (van de lucht) (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop) ‘Ik dink dat we rege krijge, de lucht veraaremoeit zo.’ (Coth). Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151). Van Dale (1992, p. 3303) kent in deze betekenis het woord verarmen . Synoniem: *aanhale . 2. (ww) (van mensen en dergelijke) verpieteren (KRS: Coth, Scha)
verbruggen, verbrugge, werkwoord, het verweiden van vee, speciaal in waterrijke gebieden, waar je telkens een brug over een slootje moest leggen om het vee van het ene weiland in het andere te krijgen (LPW: Lop) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151). Zie ook *verkampe .
verdestrueren, verdistelewere, werkwoord, vernielen, ondersteboven halen (KRS: Wijk, Lang, Werk, Hout, Scha, LPW, Lop) Synoniem: *verrinnewere . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 134) en in Gouda (Lafeber 1967, p 179). Het tweede deel van het woord is een verbastering van het oude woord destrueren (uit het franse détruire ), dat ‘vernielen’ betekent. Het eerste deel ver- komen we opvallend vaak tegen bij woorden die als betekenis ‘vernielen’ hebben, en is wellicht onder invloed van ditzelfde vernielen voor die woorden gaan staan: verdistelewere, *verrampenere, *verrinnewere .
verenwagen, verewage, zelfstandig naamwoord, overdekt vierwielig rijtuig met vering boven de wielen, bestemd voor het vervoer van personen (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
verkampen, verkampe, werkwoord, verweiden, vee naar een ander weiland (*kamp ) brengen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151). Zie ook *verbrugge .
verlaten, verlate, werkwoord, ruimen, leegmaken (KRS: Wijk, Werk, Scha) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 135).
verluizen, verluize, werkwoord, niet willen doen, vertikken (KRS: Lang, Werk, Bunn) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 136).
vermalen, vermale, werkwoord, periode tussen het (normale) twee maal daags melken en het droogzetten, waarin één keer per dag wordt gemolken (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
verpalen, verpale, verplekken, werkwoord, (KRS: Bunn), verplekke (KRS: Lang, Scha) Verplaatsen (van de geit) ‘Doe jij de geit effe verplekke?’ (Lang) De uitdrukking de geit verplekke kan ook een eufemisme zijn voor ‘urineren’ (KRS: Bunn).
verrampeneren, verrampenere, werkwoord, vernielen, stukmaken (KRS: Werk, Hout; LPW: Mont, Lop, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 136). De Krimpenerwaard kent de voltooiddeelwoordsvorm als adjectief: ‘sterk beschadigd’ (Van der Ent 1988, p. 109). In Gouda komt zowel trampenere als vertrampenere voor, beide met de betekenissen ‘vernielen’ en ‘verwaarlozen’ (Lafeber 1967, p. 174 en 181). Van Dale (1992, p. 3355) geeft de vorm verramponeren , dat etymologisch teruggaat op het Oudfranse ramponner ‘verwijten, beledigen’). Voor een verklaring van ver- zie *verdistelewere .
verruïneren, verrinnewere, werkwoord, ruïneren, vernielen (KRS: Coth; LPW: Bens, Lop, Cab, Pols) Synoniem: *verdistelewere , *verrampenere . Het tweede deel, rinnewere , is een verbastering van ruïneren . Voor een verklaring van ver- zie *verdistelewere . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 136) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 181). De Krimpenerwaard heeft verhinnewere (Van der Ent 1988, p. 108). Gouda kent ook rinnewere (Lafeber 1967, p. 153).
vers, vors, bijvoeglijk naamwoord, (‘vers’) nieuwe energie hebbend; bijvoorbeeld bij het werken, als je dan een poosje gerust hebt, kun je zeggen: ‘’k Ben weer vors.’ (LPW: Lop)
vers, vers, bijvoeglijk naamwoord, pas gekalfd hebbende (KRS: hout; LPW: Lop); verse *veers (Hout), verse *schot (Lop), verse *koei (Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
versterf, versterf, besterf, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols), besterf (LPW: Mont, Cab, Pols) het deel dat iemand van een erfenis ontvangt; ‘vaders versterf’ (Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 137).
vervatten, vervatte, werkwoord, (een bezoek) herhalen (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 137) en in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 109). Als verouderd opgegeven bij Van Dale (1992, p. 3375).
verzinken, verzinke, werkwoord, in de uitdrukking je ken voor mijn part verzinke : je kan wat mij betreft verdwijnen (KRS: Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop) Vergelijk het tussenwerpsel verzinke ‘verdraaid’, dat in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 137) voorkomt.
vet, vet, bijvoeglijk naamwoord, dronken (LPW: Bens, Lop, Cab, Pols) De vaste uitdrukking luidt: vet als een leier (van ‘Maleier’) (Cab) In de betekenis ‘erg nat’ door Van der Ent (1988, p. 109) in haar studie van het Krimpenerwaards aangetroffen in Ouderkerk aan den IJssel en Gouderak. In Van Dale (1992, p. 3391) in deze betekenis als Bargoens beschouwd. Volgens Stoett (1943, dl. II, p. 149) betekent vet zijn eigenlijk: glimmen door de drank. In Oostnederlandse en Duitse dialecten hoort men ook wel dik zijn , of verbindingen daarmee (denk aan het liedje van Normaal: De hoofdman was knuppeldik ).
vetprijzen, vet prijze, werkwoord, het bekijken van het geslachte varken of de geslachte koe bij de buren (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 8: slacht . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 106).
veulen, vulle, zelfstandig naamwoord, veulen (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 140). Zie verdere Taalatlas, afl. 1, nr. 5: veulen en Van Veen 1964, p. 68 en p. 78-80, die vulle als een voorbeeld van Utrechtse klinkerverkorting beschouwt. Zie ook hoofdstuk 2, punt B.5. Verkleinwoord: vullegie (Pols).
Viaanse brug, Viaanse brug, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking die mos ome zegge tegen de Viaanse brug gezegd wanneer iemand van Jan en Alleman nog familie blijkt te wezen (dat kwam natuurlijk op een dorp veel voor). Als hij zelfs de verst-verwijderde relaties heeft opgesomd (‘dat is nog een oom van m’n achterneef z’n tante-zegger’), volgt meestal ‘ja, en die mos nog ome zeggen tegen de Viaanse brug’. Schertsend bedoeld dus. (LPW: Lop)
vigilant, vigelant, zelfstandig naamwoord, onbetrouwbaar persoon, intrigant (LPW: Mont)
vigileren, vigelére, vigeliere, werkwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Cab, Pols), vigeliere (KRS: Werk) 1. schipperen, behendig manoeuvreren om iets rond te krijgen (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop) 2. (ww) aarzelen, twijfelen (KRS: Bunn; LPW: Pols) 3. (ww) bedenken, ovewegen, plannen, organiseren (KRS: Werk; LPW: Bens, Pols) 4. (ww) gluren (LPW: IJss) 5. (ww) ergens op azen, loeren (LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Met deze betekenis ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 55). Gouda heeft als betekenis: ‘uitkijken naar, trachten te ontdekken’ (Lafeber 1967, p. 93). In de Van Dale (1992, p. 3400) vinden we bij vigileren onder andere de betekenis ‘loeren op’ met daarbij de toevoeging: ‘gewestelijk, volkstaal’. 6. (ww) je anders voordoen dan wat je werkelijk bent (LPW: IJss) 7. (ww) iets doen wat het daglicht niet kan verdragen, stiekem doen (LPW: Mont) 8. (ww) beslissen (LPW: Pols)
vim, vim, zelfstandig naamwoord, in bij de vim hoeveelheid (van 104 bossen) waarin de teen uit de snijgrienden verkocht wordt (LPW: IJss) Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
vlugge handel, vlugge handel, zelfstandig naamwoord, markt met veel animo om te handelen (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 9: markt .
vod, vodje, zelfstandig naamwoord, vaatdoek (KRS: Wijk)
voer, voer, zelfstandig naamwoord, wagenlading (hooi, tarwe etcetera) (KRS: Bunn; LPW: IJss, Bens, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
voerleggen, voerlegge, voerlaoie, voerlaoier, werkwoord, (KRS: Bunn; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols,), voerlaoie (KRS: Bunn) het zo efficiënt mogelijk. volgens een vast systeem, neerleggen van de lading hooi op een wagen Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
voerlegger, voerlegger, laoier, zelfstandig naamwoord, (KRS: Werk, Bunn), voerlaoier (KRS: Bunn), laoier (KRS: Bunn) persoon die op een hooiwagen staat om het (door anderen) daar opgebrachte hooi te *voerlegge . Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
voet vlees, voet vlees, zelfstandig naamwoord, kwart van een geslachte koe (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 138). Zie hoofdstuk 4, punt 8: slacht .
voorbind, voorbijn, zelfstandig naamwoord, voorste touw aan een *weesboom of *polderboom over de lading hooi op een hooiwagen (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . Bijn komt waarschijnlijk van bijnen = binden (Van Veen 1989, p. 28).
voorhuis, voorhuis, zelfstandig naamwoord, woongedeelte van de boerderij (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
voort, vort, voort, voorts, bijwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab), voort (KRS: Bunn), voorts (KRS: Werk; LPW: Mont, Bens) dadelijk, straks In de vorm voort ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 139).
voortmaken, vut maoke, werkwoord, (KRS: Bunn), vu(r)t komme (LPW: Lop) opschieten, voortmaken.
voortvoet, voorvoet, zelfstandig naamwoord, kwart van een geslachte koe, uit het voorlijf afkomstig (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 8: slacht .
vrouwenhaar, vrouwenhaar, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking ’t scheelt maar een vrouwenhaar op z’n kant : het scheelt maaar heel weinig (KRS: Wijk) Vergelijk de Goudse uitdrukking ’t Scheelt een haar van een oud wijf ‘ het scheelt bijna niets’ (Lafeber 1967, p. 217).
vrouwlui, vrullie, zelfstandig naamwoord, ‘vrouwlieden’: vrouwen (KRS: Lang; LPW: Lop) Zie ook *mallie .
vrouwmens, vrommes, zelfstandig naamwoord, ‘vrouwmens’: vrouw (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) In tegensyelling tot de Vechtstreek, waar het woord ook voorkomt (Van Veen 1989, p. 139), heeft het woord hier bepaald geen minachtende bijklank; het kan zelfs waardering uitdrukken: ‘een flink vrommes’ (KRS: Hout; LPW: Pols). ‘Mijn opa zei altijd, als hij op het land was: kom we gaan naar vrommes toe, dan bedoelde hij *opoe .’ (Mont). Die waardering kan ook als volgt uitgedrukt worden: ‘Dat is een knap vrommes, daar zou ik wel eens mee naar bed willen.’ (Werk) Ook in de Krimpenerwaard kan vrommes waarderend gebruikt worden (Van der Ent 1988, p. 46). In Gouda kan het woord zowel waardering als minachting uitdrukken (Lafeber 1967, p. 94). Van Dale (1992, p. 3499) merkt expliciet op dat vrouwmens meestal een geringschattende benaming is, maar gewestelijk ‘echter niet ongunstig’ is.
vuil, vuil, voil, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), voil (LPW: Bens, Lop) 1. vals (van een hond gezegd) (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151). 2. (zn) onkruid (vaak onkruid dat in de sloot groeit) (KRS: Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie Taalatlas kaart 119 (onkruid): vuil komt op een aantal plaatsen in de Lopikerwaard voor. Ook in het noordwesten van de provincie Utrecht; het is in vergelijking met de andere Utrechtse vorm, *ruig , vooral een westelijke aangelegenheid, met ook een ruime verspreiding in de beide Hollanden. Zie hoofdstuk 4, punt 12: onkruid . 3. (bn) boos (KRS: Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols)
vuren, vure, werkwoord, weerlichten, bliksemen (KRS: Wijk, Werk, Hout Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Het vuurt in de verte’ (IJss) Zie ook *vuur . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 140)
vuur, vuur, zelfstandig naamwoord, weerlicht, bliksem (LPW: Mont); ‘Het vuur was niet van de lucht.’ (Mont) Zie ook *vure .
waai, waai, waaier, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab, Pols), waaier (KRS: Coth) knieholte Zie Taalatlas. afl. 4, nr. 4: knieholte . In de Vechtstreek betekent waai ‘kuit’ (Van Veen 1989, p. 140). Waai is ontstaan uit wade ; voor de intervocalische ontwikkeling van d tot j ; zie hoofdstuk 2, punt B.6.
wagenleren, wagenlere, zelfstandig naamwoord, de zijkanten van een hooiwagen, waaraan *voorbijn en *achterbijn vastzitten (KRS: Hout; LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
wambuis, wammes, in de uitdrukking iemand op z’n wammes geve (KRS: Wijk, Lang, Coth, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), iemand op z’n wammes komme (KRS: Bunn): iemand een pak slaag geven Hetzelfde als iemand op z’n laaitafel geve . Wammes is ontstaan uit wambuis . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 141).
wanmolen, wanmeule, zelfstandig naamwoord, wanmolen; molen om gedorst graan mee te zeven (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
wateren, watere, wetere, werkwoord, de koeien op stal van drinkwater voorzien (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 141). In het oosten van de Kromme-Rijnstreek komt wetere voor als specifieke aanduiding voor het water geven met behulp van emmers; dit ter onderscheiding van de watervoorziening via de *zul . Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
waterkalf, waterkalf, zelfstandig naamwoord, (ongeboren) kalf waarbij de vrucht door een abnormale hoeveelheid vruchtwater omgeven is (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
wauwelen, wouwele, werkwoord, stoeien (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Met een heel andere beginklank (douwele ) komt dit woord ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 49).
weder, weder, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking het water kookt als het weder der zee : kookt hevig (LPW: Mont) Vergelijk de Goudse uitdrukking ’t kookt als een zee (Lafeber 1967, p. 229).
weegscheet, wegescheet, zelfstandig naamwoord, zweertje op het ooglid (LPW: Mont, Bens, Lop) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151).
weerga, weerga, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), weergaai (Mont) in de uitdrukking loop naar de weerga(ai) : loop naar de pomp Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 142).
weesboom, weesboom, zelfstandig naamwoord, lange houten paal boven op een hooiwagen, waaraan de *voorbijn en *achterbijn vastzitten (KRS: Hout) Wees komt van het Middelnederlandse wese ‘weiland’. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 142). In de Taalatlas, afl. 9, nr. 3, zien we een tegenstelling tussen Hollands ponderboom en Utrechts weesboom . Synoniem: *polderboom . Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
wegfleren, wegflèrre, werkwoord, weggooien (LPW: IJss, Bens)
weit, weit, wait, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens), wait (KRS: Lang, Coth, Hout; LPW: Lop), wet (KRS: Lang, Werk) tarwe; zie ook *weitebrood . Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen . Zie verder Taalatlas, afl. 2, nr. 3 en 4: tarwe ; en Van Veen (1964, p. 72-74, kaart 7 en p. 116-117). 2. (als verkorte vorm van *weitebrood ): tarwebrood (KRS: Coth, Scha) Vroeger waren er twee broodsoorten: wit en weit . Het gebruikelijke compromis tussen lekker en betaalbaar was een dubbele boterham (*stuk ) die aan de ene kant uit ‘wit’ en aan de andere kant uit ‘weit’ bestond (Scha).
weitebrood, weitebrood, waitebrood, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens), waitebrood (KRS: Lang, Coth, Werk, Hout; LPW: Lop) tarwebrood Onder meer ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 143). Weit komt daar alleen in deze samenstelling en in rooieweit en Turkse weit (mais) voor. Synoniem: *boerebrood .
wemelen, wiemele, werkwoord, heen en weer bewegen (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Zit niet te wiemele!’ (Werk) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 143).
wender, wunder, zelfstandig naamwoord, woerd, mannetjeseend (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha) Hetzelfde als *wèèrd . Ook in de Vechtstreek, met als nevenvorm winder . Zie Van Veen 1964, p. 89-92, kaart 12 (woerd ): winder en wunder zijn typisch Utrechtse vormen.
werf, werf, waarf, wurf, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), waarf (KRS: Werk), wurf (KRS: Werk, Hout; LPW: Mont, Bens, Pols) erf (bijvoorbeeld rond een boerderij; ‘Ik moet de werf nog even *rijve .’ (Hout). Synoniem: *plats . Het meest gebruikelijk in de Kromme-Rijnstreek en de Lopikerwaard is overigens het woord erf . Ook, als werf , in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 143). Gouda heeft wurf(t) (Lafeber 1967, p. 188). Zie Van Veen 1964, p. 96 e.v. Zie ook Taalatlas , afl. 8, nr. 4: erf .
wervel, wulver, zelfstandig naamwoord, 1. wervel (LPW: Lop) 2. (zn) grendel (op de deur) (LPW: Lop) Opvallend is de typische l -r -wisseling in het woord (zogenaamde metathesis). Eenzelfde wisseling doet zich voor in *kelver ‘kervel’, waaruit blijkt dat we hier met een regelmatig (maar zeldzaam) verschijnsel te maken hebben.
wesp, vrips, zelfstandig naamwoord, wesp (KRS: Lang) Synoniem: *hurk .
wetering, wetering, wittering, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang), wittering (LPW: Lop, Cab) gegraven watergang, vooral bedoeld voor de uitwatering; bijvoorbeeld de Langbroeker Wetering. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 143) en Gouda (Lafeber 1967, p. 187). Zie ook Van Veen 1989, p. 178, II, punt 1. Zie hoofdstuk 4, punt 15: waterhuishouding . De vorm wittering is een geval van Utrechtse klinkerverkorting; zie hoofdstuk 2, punt B.5.
wieden, wieë, werkwoord, (‘wieden’) schoonmaken (van grienden) (LPW: Bens, Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 143). Zie verder hoofdstuk 2, punt B.6, voor intervocalische j uit d .
wiedoord, wieoord, zelfstandig naamwoord, kortgesteeld, zeisvormig snijwerktuig, specifiek gebruikt bij het wieden (LPW: Lop) Zie ook *hakoord , *kantoord en *oord . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
wiers, wiers, zelfstandig naamwoord, lange rij samengeharkt hooi (KRS: Bunn; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 143). Zie ook Taalatlas, kaart 128 (wiers): het midden en het westen van de provincie Utrecht hebben wiers , net als de beide Hollanden, Friesland en Groningen. In het oosten van Utrecht komt de Oostnederlandse variant zweel voor. Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi .
wijd, wijd, waid, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), waid (LPW: Bens) ver; ‘Hij woont wijd weg.’ (Pols). Zie ook *gunter wijd .
wil, wil, zelfstandig naamwoord, in de uitdrukking wil van iets hebbe : plezier, genot (KRS: Lang, Werk, Scha; LPW: Mont, Bens, Lop, Pols); ‘’k Het er wil van.’ (Lang) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 144).
winde, wind, zelfstandig naamwoord, winde; instrument om de kap van een hooiberg mee omhoog te draaien (LPW: Lop) Zie hoofdstuk 4, punt 11: het hooi .
winnen, winne, werkwoord, (KRS: Wijk, Lamg, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), minne (KRS: Lang, Scha; LPW: Bens, Pols), menne (KRS: Werk, Bens, Pols) 1. verzamelen, oogsten: ‘We gaan koren winne.’ (Scha) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 144) In Lopik zijn winne en minne niet geheel synoniem: winne omvat het hele proces, ‘van veld tot schuur’, minne (mennen ) is specifiek het hooi met de wagen naar de boerderij brengen. In menne zit een heel duidelijk betekenisaspect van ‘rijden’ (volgens Van Dale (1992, p. 1805) ‘met paard en wagen vervoeren’). De in de Utrechtse dialecten zeer gebruikelijke ontwikkeling van e tot i voor nasaal (immer , dinke ; zie hoofdstuk 2, punt A.4) leidde tot een vorm minne , en vandaar is het nog maar een kleine stap geweest tot menne/minne de betekenis kreeg van het vrijwel gelijkluidende winne , dat bo-vendien in dezelfde sfeer wordt gebruikt. Zie hoofdstuk 4, punt 11: hooi . 2. (ww) (alleen de variant winne ) geslachtsgemeenschap hebben (KRS: Werk) Zie ook *repe .
winterjan, winterjanne, zelfstandig naamwoord, winter(stoof)perenras (KRS: Lang, LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 144). Zie hoofdstuk 4, punt 10: gewassen .
witteweit, witteweit, zelfstandig naamwoord, licht tarwebrood (LPW: Bens, Pols) Zie ook *weit .
woerd, wèèrd, zelfstandig naamwoord, woerd, mannetjeseend (LPW: Bens, Cab, Pols) Hetzelfde als *wunder .
work, woerk, woerker, woerkert, zelfstandig naamwoord, (LPW: Bens, Lop, Cab), woerker (LPW: Pols), woerkert (LPW: Cab, Pols), groene kikker Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 191, p. 151, 158 en 159). Berns spelt woerik , maar op het bij dit artikel afgedrukte kaartje staat woerk (dat overigens volgens dit kaartje vooral in het westen van Zuid-Holland zou voorkomen). De in de Lopikerwaard aangetroffen vorm laat zich ook het best als woerk weergeven. Wie daarbij de r flink hoort rollen, bijna als een lettergreep op zichzelf (‘syllabisch’), heeft gelijk door waar het om gaat: woerk is een klanknabootsend woord, een zogenaamde ‘onomatopee’, vergelijkbaar met koekoek en tjiftjaf . Lopik heeft naast het enkelvoud woerk het meervoud woerkers , een bewijs dat de vorm woerker(t) hier vroeger ook voorkwam. In de Krimpenerwaard komen de vormen woerker , work en woeleker voor (Van der Ent 1988, p. 111). In de vorm work verschijnt het woord bij Van Dale (1992, p. 3626).
wrakken, wrakke, werkwoord, uitsorteren van *wrak (KRS: Bunn; LPW: IJss) Zie de artikelen Uit de historie der Bunnikse boomgaarden en Kersen in IJsselstein in hoofdstuk 5.
wral, wrak, zelfstandig naamwoord, verzamelnaam voor kersen die verrot, misvormd of aangevreten door vogels zijn, of die geen steel hebben (KRS: Bunn; LPW: IJss) Deze kersen worden afgekeurd en komen dus niet ter veiling. Zie ook *stik . Zie de artikelen Uit de historie der Bunnikse boomgaarden en Kersen in IJsselstein in hoofdstuk 5.
wriel, vriel, zelfstandig naamwoord, 1. nest (LPW: Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Verkleinwoord: vrielegie (LPW: Bens) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 154). Berns schrijft t.a.p. ‘Van Dale kent wrielen , met een heel speciale betekenis: ‘het zachte geschreeuw van jonge vogels om voedsel’. De w voor een r aan het begin van een woord wordt uiitgesproken als een v . De vorm is geen probleem. Uit het citaat dat van Dale geeft is niet zonder meer op te maken of de betekenis per se ‘het zachte geschreeuw van jonge vogels om voedsel’ moet zijn. Dat citaat luidt: ‘De jongen piepen en vrielen den gansen dag in hun gesnak naar voer’. Waarom zou vrielen niet kunnen betekenen ‘zich tegen elkaar aan nestelen onder dat piepen’? Vriel met de betekenis ‘nestje, lekker holletje’, is er dan van afgeleid’. 2. (zn) bed (LPW: Lop, Pols) In deze betekenis ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 110). 3. (zn) behaaglijk plekje (bijvoorbeeld in bed) (LPW: Bens) 4. (zn) verzameling met kleine leden (LPW: Mont, Pols): ‘een vriel kindere’ (LPW: Mont, Pols)
wrielen, vriele, werkwoord, 1. nestje, kuiltje maken (bijvoorbeeld door kippen voor zij gaan leggen) (LPW: Lop, Pols) Ook in de Krimpenerwaard (Van der Ent 1988, p. 110). 3. (ww) bij elkaar kruipen (LPW: Cab) 4. (ww) de bewegingen van jonge diertjes in een nest: over elkaar heenkruipen, draaien etcetera (LPW: Lop) Zie ook *vriel . Van der Ent (1988, p. 110) veronderstelt dat vrielen is afgeleid van het franse vriller , dat onder andere betekent: ‘in spiraalvlucht vliegen; opkrullen (van draad)’. Al deze betekenissen hebben een element ‘draaien, wentelen’ gemeen.
wroeten, wreute, werkwoord, wroeten (van varkens) (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk) Zie ook *grobbele . Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee .
zat, zat, in de uitdrukking zat is niet gedaan : het feit dat je genoeg hebt van een bepaald karwei, is geen reden er mee op te houden (LPW: Cab)
zeikvouw, zèèkvouwe, zelfstandig naamwoord, kreukels (LPW: Lop) In het dialect van Gouda komt een woord pisvouwe voor, met als betekenis ‘vouwen in vochtig geworden kleren’ (Lafeber 1967, p. 146). Volgens het Goudse woordenboek waren pisvouwe oorspronkelijk ‘vouwen in kleren die nat geworden waren, doordat men erin geplast had.’
zeis, zeist, zais, zèès, zèèse zèèst, zeisem, zelfstandig naamwoord, (KRS: Werk, Bunn; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab) zeisem (KRS: Lang, Hout), zèès (LPW: Lop, Cab), zèèse (LPW: Lop), zèèst (LPW: Bens), zais (LPW: Lop) zeis. De -t in zeist is een hypercorrectie; zie hoofdstuk 2, punt B.4. Zeisem kan zich ontwikkeld hebben uit zeising ; zie hoofdstuk 2, punt C.3. De vorm zeist komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 146 en153, punt 18) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 159). Zie ook Van Veen 1964, p. 69-72, kaart 6: zeis ; Taalatlas, afl. 1, kaart 13: zeis . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
zelling, zeling, zelfstandig naamwoord, tijdseenheid van drie uur (KRS: Scha) Zie ook *schoft .
zemel, zemel, zie *zemeleknoper .
zemelknoper, zemeleknoper, zemel, zemelap, zemelknoper, zemelknoop, zelfstandig naamwoord, KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha), zemelknoper (LPW: IJss, Bens, Cab), zemelknoop (LPW: Mont, Bens, Cab), zemel (KRS: Coth, Werk, Bens; LPW: Mont, Lop, Pols), zemelap (LPW: Lop) (zn) zeurkous, vervelend mens De vorm zemeleknoper komt ook voor in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 146). Gouda kent het werkwoord zemelknopen in de betekenis ‘muggeziften, zeuren’ (Lafeber 1967, p. 189).
zemellap, zemelap, zelfstandig naamwoord, zie *zemeleknoper .
zeug, zog, zelfstandig naamwoord, 1. zeug (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 75) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 190). Zie ook Taalatlas , afl. 1, nr. 8: het moedervarken, Hollands zeug tegenover Utrechts zog . Zie verder Van Veen (1964, p. 76-78). 2. (zn) moedermelk (IJss); ‘Ze heb goed zog.’ (IJss); ‘Drink nog een glaassie, is ’t niet goed voor de dorst, dan is ’t wel goed voor ’t zog.’ (IJss)
zeugdistel, zoggedissel, zoggedijsel, zoggedeksel, zelfstandig naamwoord, (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop), zoggedijsel (KRS: Hout), zoggedeksel (LPW: Lop) 1. (grote) melkdistel (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Lop, Cab, Pols) Een zoggedissel heeft minder grote stekels, en is daardoor als (konijne)voer meer geschikt dan de gewone distel. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden (zog = zeug), wordt het gewas uitsluitend aan konijnen gevoerd. De plant is erg moeilijk uit het land te verwijderen: als je het er op de ene plaats uit trekt, komt het op de andere plaats weer op. 2. (zn) blad van de paardebloem (LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Van zoggedijsel is doorgaans sprake als de paardebloem uitgebloeid is. Blijkens de opgave bij Van Veen (1989, p. 147), is zoggedijsel in de Vechtstreek de naam voor paardebloem. Dat is het in het zuiden van Utrecht dus niet. De Kromme-Rijnstreek heeft voor paardebloem het woord *papestoel , in de Lopikerwaard is pèèrdeblom gebruikelijk.
zeunis, zeuning, zelfstandig naamwoord, trog, voederbak (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Voornamelijk gebruikt voor varkens, maar ook wel voor andere dieren. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 146) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 190). Zie Taalatlas, afl. 1, nr. 11: de voederbak van het varken , en Van Veen (1964, p. 74-76 en p. 117): zeuning is in Utrecht algemeen. Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerderij .
zever, zever, zelfstandig naamwoord, kwijl (KRS: Wijk)
zeveren, zevere, werkwoord, 1. kwijlen (KRS: Wijk, Scha; LPW: Mont) 2. (ww) zeuren (KRS: Scha)
zicht, zich, zicht, zelfstandig naamwoord, zeis met een korte steel van plusminus 60 cm, gebruikt bij het maaien van koren (KRS: Bunn; LPW: Cab) Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap
ziften, zufte, werkwoord, zeven (zuiveren) van koren (KRS: Lang) Zie hoofdstuk 4, punt 1: de boerdeerij . Van der Ent (1988, p. 112) trof in haar studie van het Krimpenerwaards het zelfstandig naamwoord zuft aan in Stolwijk.
zijdensokken, zijesokke, werkwoord, in de uitdrukking gao deur jij met je zije sokke gezegd wanneer iemand iets vertelt dat niet geloofd wordt (KRS: Wijk) De Krimpenerwaard kent de uitdrukking je kunt wel gaan met je zijden sokken , en die betekent: ‘je hoeft niet langer je best te doen iets van me gedaan te krijgen, want ik geef toch niet toe.’ (Van der Ent 1988, p. 112)
zinken, zinke, werkwoord, omspitten van de grond (60 cm diep) in de grienden, voorafgaande aan het poten van de teen (LPW: IJss) Hetzelfde als *tweediepe . Zie het artikel De griendcultuur in IJsselstein in hoofdstuk 5.
zodderig, zotterig, bijvoeglijk naamwoord, drassig (LPW: Bens): ‘Het land is zotterig.’ (Bens). Zie ook *zod .
zode, zod, zodde, zods, zooi, zelfstandig naamwoord, (KRS: Bunn, Hout; LPW: Lop, Cab) zodde (KRS: Bunn), zods (KRS: Lang, Coth, Werk, Hout; LPW: Bens, Lop, Cab, Pols), zooi (KRS: Wijk, Coth, Werk, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) 1. moerassig stuk land, ook wel moerassige plekken in het land (KRS: Bunn, Hout; LPW: Cab, Pols); ‘’t is geen best land als er zod zitte.’ (Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 147). 2. (zn) vel (zode) aan elkaar gegroeid gras van zeer slechte kwaliteit, bijvoorbeeld aan de slootkant, dat zich gemakkelijk los laat trekken (KRS: Lang, Coth, Bunn, Hout; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) De vorm zots komt ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden voor (Berns 1991, p. 151 en157).
zodenland, zoddeland, zoddelaand, zelfstandig naamwoord, drassig laagland van zeer lage kwaliteit (Bunn). Zie ook *zod , betekenis 1. Typisch gewassen voor zoddeland zijn zegge en buntgras (bentgras).
zomervaag, zomervage, werkwoord, het gedurende een jaar onbebouwd laten van het land, ter verhoging van de vruchtbaarheid (*vaagt ) (KRS: Coth, Hout; LPW: Lop) Het land werd in lente, zomer en herfst omgeploegd; soms werden er groene gewassen in gezaaid, die dan ook omgeploegd werden, en die als groenbemesting dienden. Na een jaar zomervagen had je een goede *bouw ; vaak werd op dat land in het najaar al winterkoren ingezaaid, zodat je er dat jaar toch nog opbrengst van had.
zuinig, zuinig, zunig, bijvoeglijk naamwoord, (KRS: Lang, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Lop), zunig (KRS: Hout) een ernstige ziekte hebbend; ‘Hij is er zuinig aan toe.’ (Bunn), ‘’t Is zuinig met hem hoor.’ (Lang) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 148).
zulle, zul, zult, zelfstandig naamwoord, (KRS: Lang, Hout) goot die in de stal voor de koeien langs loopt, met daarin water om te drinken Zie hoofdstuk 4, p. 1: de boerderij . Synoniem: *geut . Van Dale (1992, p. 3723) noemt het woord zulle , dat ‘drempel’ betekent. Ook bij zul in de Utrechtse betekenis kan men zich een soort drempel voorstellen. Het wegvallen van de slot-e uit zulle gebeurde waarschijnlijk analoog aan de ontwikkeling bij andere (vrouwelijke) zelfstandige naamwoorden; zie hoofdstuk 2, punt A.17; de toegevoegde t betreft een hypercorrectie; zie hoofdstuk 2, punt B.4.
zullie, zullie, persoonlijk voornaamwoord, zij, hen, hun (ook wel *hullie en *gullie ) (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 148).
zuur weer, zuur weer, zelfstandig naamwoord, mistig, regenachtig weer (LPW: Bens) Ook in de Vechtstreek (Van Veem 1989, p. 148). Van Dale (1992, p. 3724) ziet een afleiding uit de gebruikelijke betekenis van zuur , en geeft bij zuur weer dan ook de betekenis ‘scherp voor het gevoel’.
zwad, zwad, zelfstandig naamwoord, het gemaaide gras, dat in lange rijen ligt (KRS: Hout; LPW: Lop) In de Vechtstreek: hoeveelheid gras die met één zwaai van de zeis afgemaaid kan worden (Van Veen 1989, p. 148). Die betekenis had het vroeger in de Kromme-Rijnstreek en de Lopikerwaard ook, toen er nog met de zeis gemaaid werd. Zie verder de Taalatlas , kaart 127 (zwad): Utrecht heeft, net als vrijwel geheel Nederland, zwad (alleen Overijssel en zuidwest-Drente hebben iets anders, namelijk geen ). Zie ook hoofdstuk 4, punt 1: hooi .
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal