elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen

-schap, -skop, -schap, in samenstellingen: waterskop ‘waterschap’, bosskop ‘boodschap’
aaien, aaien, werkwoord, aaien
aak, ääk, (Gunninks woordenlijst van 1908) aak
aal, aol, 1. aal, paling; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: haal (waaraan de ketel boven het vuur hangt)
aalfuik, aolfoeke, palingfuik
aalkaar, aolskere, vistuig om paling te vangen
aalnat, aolnat, jus van paling
aalt, aalte, gier, urine van beesten
aaltbak, aaltebak, kar waarmee de gier op het land wordt gebracht Ook: aaltekaore
aalten, aalten, (Kampereiland, Kamperveen) gier over het land brengen
aaltkar, aaltekaore, zie aaltebak
aaltkelder, aaltekelder, (Kampereiland, Kamperveen) gierput
aambeeld, ambeeld, aanbeeld, aambeeld
aamborstig, amböstig, aamborstig
aan, an, aan. Ik bin d’r an toe ‘ik ben bijna klaar’
aanbakken, anbakken, aanbakken, vastkleven. Gunninks woordenlijst van 1908: De snee bakt an ‘de sneeuw kleeft, hangt aan’
aanbelanden, anbelanden, betreffen. Wat mien zeune anbelandt... ‘wat mijn zoon betreft...’
aanbrengen, anbrengen, aanbrengen
aanbuiten, anbuten, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) aanleggen van een vuur
aandacht, andacht, aandacht
aandeel, andeel, aandeel
aandenken, andenken, zie gedachtenisse
aandijen, andi’jen, aangroeien
aandoenlijk, andoenlijk, andoonlijk, aandoenlijk. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: andoonlijk (Kamperveen)
aandraaien, andreien, andrèèien, aandraaien. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: andrèèien
aandrijten, andrieten, aansloffen. Döör kwam ie andrieten ‘daar kwam hij aansloffen’
aandrijven, andrîêven, aandrijven
aaneten, an-eten, opschieten met eten
aanfiedelen, anfiedelen, (Kampereiland, Kamperveen) opschieten
aanfietsen, anfietsen, doorzetten
aangaan, angaon, tekeergaan. Eur det ärme dier tòch ies angaon ‘hoor dat arme dier toch eens tekeergaan’
aangebrand, an-ebrand, an-ebraand, (Kampen) 1. aangebrand (lett.); 2. driftig, prikkelbaar. Ook: an-ebraand (Kampereiland, Kamperveen)
aangedaan, an-edaon, aangedaan. Ze is an-edaon ‘ze is ontroerd’, ook: ‘ze heeft verdriet’
aangemaakt, an-emäkt, (Gunninks woordenlijst van 1908) opgescheept
aangeschoten, an-eskeuten, een beetje dronken
aangeven, angeven, aangeven
aanhalen, an-alen, 1. aanhalen. Döör bi-j mee an-aald ‘daar zit je lelijk mee opgescheept’; 2. te betekenen hebben. Det aalt niks an ‘dat heeft niets te betekenen’
aanhogen, an-eugen, ophogen
aanhouden, an-òllen, (Gunninks woordenlijst van 1908) aanhouden. Van een voorwerp dat stuk is of een dood dier zegt men: Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is bedörven um an te òllen
aanketsen, ankätsen, 1. (iemand iets) wijs maken; 2. (iemand iets) aansmeren
aankijken, ankieken, aankijken
aanklungelen, anklungelen, op een domme of onhandige manier werken
aankomeling, ankomelink, opgeschoten knul
aankomen, ankomen, aankomen
aanleggen, anlègen, aanleggen
aanlengen, anlengen, verdunnen met water
aanloop, anloop, aanloop
aanlopen, anlopen, 1. aangaan bij; 2. vlugger lopen
aanmaken, anmaken, 1. aanmaken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: voortmaken; 3. opschepen, in: Gunninks woordenlijst van 1908: iemand iets anmäken ‘iemand met iets opschepen’
aanmatigen, anmaotigen, aanmatigen, toe-eigenen
aanmodderen, anmodderen, werken zonder plan
aannemelijk, annemelijk, 1. aannemelijk; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: aardig
aannemeling, annemelink, catechisant die belijdenis gaat doen
aannemen, annemen, 1. aannemen; 2. toelaten als lidmaat van kerkgenootschap na onderzoek naar kennis van bijbel en geloofsleer van belijdeniscatechisanten
aanneming, annemige, bijeenkomst waarin het annemen (2.) plaatsvindt
aanpakken, anpakken, 1. aanpakken; 2. beslag leggen door een deurwaarder
aanpijpen, anpiepen, (Gunninks woordenlijst van 1908) de pijp aansteken
aanplakbord, anplakbörd, aanplakbord
aanplakken, anplakken, aanplakken
aanpraten, anpraoten, 1. aanpraten; 2. vriendelijk toespreken van een dier (Kampereiland, Kamperveen)
aanpunten, anpunten, ergens een punt aan maken
aanranden, anrannen, anranen, (Kampen) aanranden. Ook: anranen (Kampereiland, Kamperveen)
aanschaffen, anskaffen, aanschaffen
aanschieten, anskieten, anskîêten, (Kampen, Kamperveen) aanschieten. Ook: anskîêten (Kampereiland)
aansgelijks, ansgelieks, zie insgelieks
aanslaan, anslaon, 1. aanslaan; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: opsnijden
aanslag, anslag, aanslag
aanspannen, anspannen, anspanen, anspännen, (Kampen) 1. aanspannen (van een proces); 2. inspannen van een paard voor de wagen. Ook: anspanen (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: anspännen
aanspraak, anspraok, in: anspraok ebben ‘aanspraak, gezelschap hebben, iemand met wie je kunt praten’
aanspreken, anspreken, 1. aanspreken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: bezoeken (van een zieke)
aanspreker, anspreker, zie anzegger
aanstaan, anstaon, aanstaan, bevallen
aanstaande, anstaonde, bijvoeglijk naamwoord, komende (zaterdag, bijv.)
aanstaande, anstaonde, zelfstandig naamwoord, toekomstige echtgeno(o)t(e)
aansteken, ansteken, aansteken
aantammig, antammig, (Kampereiland, Kamperveen) aanhalig
aantodden, antòdden, aanslepen
aantrekkelijk, antrekkelijk, 1. aantrekkelijk; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: teergevoelig
aantrekken, antrekken, 1. aantrekken; 2. aankleden. IJ ging netties an-etrökken de deure uut ‘hij ging netjes aangekleed de deur uit’
aanvaarden, anvaarden, aanvaarden
aanvaren, anvaren, 1. aanvaren; 2. vlugger rijden
aanvieten, anfieten, aanmanen om op te schieten
aanvochten, anvochten, aanvochten: het bevochtigen van de tabaksbladen. Dit werd gedaan om de tabak goed verwerkbaar te maken. De bladen moesten niet te nat, maar ook niet te droog zijn
aanwinnen, anwinnen, 1. toenemen, met name in gezondheid. Ik bin an oe ewunnen ‘je ziet er beter uit dan een tijdje geleden’; 2. ‘rijp’ worden van dieren, voor de geboorte van een jong
aanwonderen, anwonderen, behelpen
aanzeggen, anzègen, kennis geven van iemands overlijden
aanzegger, anzegger, begrafenisondernemer (vroeger een buurman of goede vriend die de dood van iemand in de buurt ging mededelen). Ook: anspreker
aanzien, anzîên, werkwoord, aanzien
aanzien, anzîên, zelfstandig naamwoord, uiterlijk
aanzoeten, anzûten, een (lichte) verslavende werking hebben. Det begint met ene börrel, maar det zûût zo an.
aap, aap, aap. D’r is em een aap uut de konte evleugen ‘hij is uit zijn slof geschoten’, Anders is ’t altied: “Aap wat e-j mooie jongen” ‘anders spreek je altijd vleiend’
aar, aore, Gunninks woordenlijst van 1908: aar
aard, öörd, aord, (Kampen) aard, karakter. Ook: aord (Kampereiland, Kamperveen)
aardappel, eerappel, eerpel, (Kampen) aardappel. Dan eet ie maar eerappels met blote konten ‘dan eet je maar alleen aardappels’ (gezegd wanneer iemand de groente die op tafel staat niet lust). Ook: eerpel (Kampereiland, Kamperveen)
aardappelbuik, eerappelboek, dikke buik
aardbei, eerbeze, aardbei
aarde, aarde, eerde, aarde. Ook: eerde
aarden, aoren, (Gunninks woordenlijst van 1908) aarden
aardig, öördig, aordig, aorig, (Kampen) 1. aardig; 2. eigenaardig. Ook: aordig (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: aorig. Een öördig (Kampen) / aordig (Kampereiland, Kamperveen) kuken, ‘een jong persoon met opvallend gedrag’, <
aars, maas, (Gunninks woordenlijst van 1908) achterste, in: Gunninks woordenlijst van 1908: Lik mien de maas ‘je kunt me wat!’
abrikoos, abrikoze, abrikoos
achroevendraaier, schrôêvendrèèier, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie skrôêvedreier
acht, ach, zelfstandig naamwoord, acht. Ie mun d’r ach op geven ‘je moet erop letten’
acht, achte, ach, telwoord, acht. Ook: ach, alleen in samenstellingen, bijv. achentachentig.
achtendeel, achendeel, (Gunninks woordenlijst van 1908) botervat met de inhoud van 20 kg boter
achter, achter, achter. Achter woont ook vòlk ‘bij het schoonmaken moet je ook de hoekjes en gaatjes meenemen’
achteraan, achteran, achteraan
achteraf, achteròf, achteraf
achterbaks, achterbaks, achterbaks
achterbuurt, achterbuurte, achterbuurt
achterdeur, achterdeure, achterdeur
achterdocht, achterdòcht, achterdocht
achtereind, achterende, achterèènde, (Kampen) achtereind. Ook: achterèènde (Kampereiland, Kamperveen)
achterhoofd, achtereufd, achterhoofd
achterkeer, achterkeer, (Gunninks woordenlijst van 1908) achterstel van een boerenwagen
achterlader, achterlader, (Gunninks woordenlijst van 1908) achterlaadgeweer
achterland, achterland, achterlaand, (Kampen) achterland. Ook: achterlaand (Kampereiland, Kamperveen)
achterna, achternao, achterna
achternaam, achtername, achternaam
achterom, achterumme, achterom
achterrek, achterrekke, (Gunninks woordenlijst van 1908) krat
achterruit, achterrute, achterruit
achterstevoren, achersteveuren, achtersteveuren, achterstevoren
achteruit, achteruut, achteruit
achteruitboeren, achteruutboeren, achteruitgaan in zaken
achthalf, achtalf, zeven en een half
achthonderd, achtonderd, achthonderd
achting, achtige, (Gunninks woordenlijst van 1908) achting
adel, adel, adel
adem, aosem, adem. Gunninks woordenlijst van 1908: Gien aosem geven ‘niets zeggen’
ader, öre, aore, (Kampen) ader. Ook: aore (Kampereiland, Kamperveen).
advocaat, affekaot, advocaat. Dan neem ik wel een affekötien ‘dan neem ik wel een advocaatje’
af, òf, bijwoord, af
afbasten, òfbästen, (Gunninks woordenlijst van 1908) afbasten (losmaken of loslaten van de bast)
afbekken, òfbekken, brutale mond geven
afbeulen, òfbeulen, afbeulen
afbraak, òfbraoke, 1. afbraak; 2. bouwvallig huis
afbranden, òfbrannen, òfbranen, (Kampen) afbranden. Ook: òfbranen (Kampereiland, Kamperveen)
afbrokkelen, òfbròkkelen, afbrokkelen
afdekken, òfdekken, 1. afdekken, ergens een dek(sel) overheen leggen; 2. rieten dak van een huis verwijderen; 3. pak slaag geven (Kampen). Ook: òfdöppen
afdoppen, òfdöppen, pak slaag geven. Ook: òfdekken
afdraaien, òfdreien, òfdrèèien, afdraaien. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òfdrèèien
afdraden, òfdraoden, òfdraon, (Kampen) afdraden van bonen. Ook: òfdraon (Kampereiland, Kamperveen)
afdrinken, òfdrinken, door samen te drinken een geschil bijleggen
afgaan, òfgaon, afgaan
afgang, òfgank, 1. afgang; 2. ontlasting
afgedraaid, òf-edreid, doodmoe
afgelasten, òflassen, afgelasten
afgelegd, òf-elegd, in: ’t òf-elegd ebben ‘verloren hebben bij een spel’
afgestompt, of-erstompt, (Gunninks woordenlijst van 1908) verbazend, zeer
afgieten, òfgîêten, afgieten. Gunninks woordenlijst van 1908: De knòllen òfgîêten ‘wateren’
afgietsel, òfgîêtsel, afgietsel
afgod, òfgòd, afgod
afgrond, òfgrond, (Gunninks woordenlijst van 1908) afgrond
afgunst, òfgunst, òfgeunst, (Kampen) afgunst. Ook: òfgeunst (Kampereiland, Kamperveen)
afhaken, òfaoken, afhaken
afhakken, òfakken, 1. afhakken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: afsnauwen (Kamperveen)
afhalen, òfalen, 1. afhalen; 2. bonen van draden ontdoen
afhandig, òfandig, òfändig, afhandig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òfändig
afhangen, òfangen, hellen, afhangen (timmermansuitdrukking)
afjacht, òfjacht geven, een pak ransel geven
afjatten, òfjatten, afstelen
afkampen, òfkampen, afkraken
afkoken, òfkoken, afkoken (tot kruim worden van aardappelen bij het koken)
afkoker, òfkokers, afkokende aardappelen
afleggen, òflègen, 1. afleggen van een dode; 2. afleggen; 3. et òflègen ‘het begeven’
afleiding, òfleidige, òfleiding, afleiding
afniefelen, òfniffelen, òfniefelen, (Kampereiland, Kamperveen) ontfutselen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òfniefelen
afrafelen, òfrefelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) afrafelen
afraffelen, òfraffelen, òfräffelen, in snel tempo een werk afmaken zonder te letten op de kwaliteit. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òfräffelen
aframmelen, òframmelen, (Kampen) afranselen. Ook: òfranselen (Kampereiland, Kamperveen)
aframmeling, òframmeling, pak slaag
afranselen, òfranselen, zie òframmelen
africhten, òfrichten, 1. africhten; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: berispen
afrollen, òfrollen, afrollen. Gunninks woordenlijst van 1908: Een deerne òfrollen ‘met een meisje in het hooi liggen vrijen’
afromen, òfromen, afromen
afscheid, òfskeid, afscheid
afscheren, òfskeren, afscheren
afschieten, òfskieten, òfskîêten, (Kampen) afschieten. Ook: òfskîêten (Kampereiland, Kamperveen)
afschotelen, òfsköttelen, òfschöddelen, 1. afschepen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: achterstellen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òfschöddelen
afschroeven, òfskrôêven, afschroeven
afslaan, òfslaon, afslaan. Gunninks woordenlijst van 1908: Niks òfslaon as vlîêgen ‘alles aannemen’
afslijpen, òfsliepen, afslijpen
afsnijden, òfsnieden, òfsnieën, òfsnîên, (Kampen) afsnijden. Ook: òfsnieën (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: òfsnîên
afsoppen, òfsòppen, afsoppen
afstand, òfstand, òfstaand, (Kampen) afstand. Ook: òfstaand (Kampereiland, Kamperveen)
afsteken, òfsteken, roest afkrabben van een schip
afstoffen, òfstòffen, afstoffen
afstrijden, òfstrieden, òfstrîên, (Kampen, Kamperveen) ontstrijden. Ook: ontstrieden (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: òfstrîên
afvellen, òfvellen, villen
afvoeren, òfvoeren, voor het naar bed gaan het vee verzorgen (controleren) (Kampereiland, Kamperveen)
afvoeren, òfvoeren, afvoeren
afweken, òfweken, òfwîêken, los weken. Ook: òfwîêken (Kampereiland)
afzetten, òfzetten, afzetten
afzetter, òfzetter, 1. afzetter; 2. dier dat te vroeg geboren wordt (Kampereiland, Kamperveen); 3. Gunninks woordenlijst van 1908: koe die te vroeg een kalf werpt
akelig, äkelijk, (Gunninks woordenlijst van 1908) akelig
akkefietje, akkefietien, akkefietje
akker, akker, akker
akkermannetje, akkermännegien, zwart-bonte kwikstaart
al, al, al
alarm, allärm, alläärm, alarm. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: alläärm
Albert, Appien, zo wordt iemand die Albert heet vaak genoemd, bijv. in de uitdrukking: Ik bin gekke Appien niet ‘zo gek krijg je me niet’, en in het straatdeuntje: Appien met läppien met leertien veur ’t gat. / As Appien mut piesen wödt ’t leertien zo nat.
algeheel niet, aggiesniet, agginniet, (Kampen) in het geheel niet. Dat dörf ie aggiesniet! ‘dat durf je niet eens!’. Ook: agginniet (Kampereiland, Kamperveen)
alleen, alleend, allenig, alleen
alleens, allies, alliens, om het even. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: alliens. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is mien alliens ‘het is mij hetzelfde’
allegaar, allegare, zie allemaole
allegaartje, allegaartien, samenraapsel
allemaal, allemaole, allemaal. Ook: allegare
allemachtig, allemachtig, allemachtig
allemogend, allemeugend, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) zeer, meest als uitroep gebruikt
allengs, alleisie, alleinsie, 1. langzamerhand; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zachtjes aan. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: alleinsie
allenig, allenig, zie alleend
allerbarstend, allebästend, alderbässend, zeer, erg. Ook: alderbässend
allerhande, allerande, diverse soorten koekjes door elkaar
alles, alles, alles. Alles went, zelfs angen ‘je kunt overal aan wennen’, Alles kan, be-alve een skeet op een plänkien spiekeren, alles kan be-alve zand knuppen ‘alles kan, behalve het onmogelijke’
allez, allä, (Gunninks woordenlijst van 1908) aansporing, vgl. fra. allez
almanak, almenak, almanak
als, as, voegwoord, als
als eraan toe, asterantoe, bar! geweldig! Gunninks woordenlijst van 1908: IJ lög asterantoe ‘hij liegt geweldig’
alsem, alsem, (Gunninks woordenlijst van 1908) alsem. Gunninks woordenlijst van 1908: Zo bitter as alsem
alstublieft, astoeblief, alstublieft
alt, alt, alt
altaar, altaar, altaar
altemet, allemits, (Kamperveen) soms
altemet, altemet, altemit, 1. soms; 2. misschien. Ook: altemit (Kampen)
altijd, altied, altijd. Ook: altoos
altoos, altoos, zie altied
aluin, alluun, aluin
amandel, amandel, amandel
amandel, mangel, mangels, keelamandel of neusamandel
ambacht, ambacht, ambacht
ambt, amt, ambt
ambtenaar, amtenaar, ambtenaar
Amerikaans opdragen, amerikaans opdragen, amerikaans opdragen: hierbij werd op de grondlaag een laagje dunne emailleverf gegoten, dat zich door lichte draaibewegingen zo over het oppervlak verdeelde dat afwisselend de grondkleur en de dekkleur te zien was. Na het branden ontstond een grijze tint,
ammenooitniet, ammenooitniet, onder geen beding, daar begin ik niet aan!
amper aan, amperan, anperan, nauwelijks. Ook: anperan
ander, ander, aander, (Kampen) ander. Ook: aander (Kampereiland, Kamperveen)
anderhalf, anderalf, aanderalf, (Kampen) anderhalf. Ook: aanderalf (Kampereiland, Kamperveen)
anders, anders, (Kampen) anders. Ook: aanders (Kampereiland, Kamperveen)
anderwegen, aanderweg, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: een aanderweg ‘elders’
andijvie, andîêvie, andijvie
angel, angel, angel
angst, angst, angst
anijs, annies, 1. anijs; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: anijslikeur
anijsblokje, anniesblukkien, anijsblokje
ansichtkaart, anzichtkaarte, ansichtkaart
antwoord, antwoord, antwoord
apart, ampät, apät, anpät, apart. Ook: apät, Gunninks woordenlijst van 1908: anpät
apartigheid, ampättigeid, apättigeid, anpättigeid, eigenaardigheid. Ook: apättigeid, Gunninks woordenlijst van 1908: anpättigeid
apekool, äpekool, (Gunninks woordenlijst van 1908) apenkool
apenhaar, ape-aor, (Kampereiland) spichtig gras
apennootje, apeneutien, pinda
aperij, äperi’je, (Gunninks woordenlijst van 1908) aperij
apotheek, apteek, apotheek
apotheker, apteker, apotheker
appel, appel, appel
appelpent, appelpint, (Gunninks woordenlijst van 1908) appelmoes
april, april, april
arbeid, ärbeiden, (Kampereiland, Kamperveen) weeën bij dieren
arm, ärm, närm, ärms, ärmpien, arm
arm, ärm, bijvoeglijk naamwoord, arm. Zo ärm as een luus
armenbank, ärmenbänkien, vroeger: een bank in de kerk, bestemd voor de armen
armenbus, ärmenbusse, collectebus waarvan de inhoud bestemd is voor de armen
armenzak, ärmenzäkkien, collectezak waarvan de inhoud bestemd is voor de armen
armetierig, ärmetierig, armetierig
armoede, ärmoe, ärmôêde, armoede. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ärmôêde
armoede, ärmoede, ruzie. Zi’j ef ärmoede met aar baos ‘zij heeft ruzie met haar man’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ärmôêde
armoedig, ärmoedig, ärmôêdig, armoedig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ärmôêdig
arren, nännen, werkwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) arren
arrenslee, nännenslee, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) arrenslee
as, asse, ässe, zelfstandig naamwoord, as (van een wagen). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ässe
as, asse, zelfstandig naamwoord, as (overblijfsel bij verbranding)
asje, ässien, (Kampereiland, Kamperveen) veulen
asla, assela, (Kampereiland, Kamperveen) asla
asschop, assenschuppe, (Gunninks woordenlijst van 1908) schop waarmee men de as opschept
astrant, astrant, brutaal
augurk, augörk, augörgien, augurk. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: augörgien
augustus, augustus, augustus
avanceren, affeseren, opschieten
averechts, averechs, avereks, averechts. Gunninks woordenlijst van 1908: Äverechs verkeerd ‘helemaal verkeerd’. Ook: avereks
avond, aovend, avond
avonturen, avventuren, werkwoord, proberen, wagen
avontuur, avventuur, avontuur. Gunninks woordenlijst van 1908: Op ’t avventuur ‘op goed geluk’
azijn, azien, azijn. Ook: eek (Kampereiland, Kamperveen)
baai, baoi, baai (wollen weefsel)
baaien, baoien, van baai gemaakt. Een baoien emp ‘een baaien hemd’
baan, bane, baan
baar, bäär, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) vlak, open
baar, baor, (Gunninks woordenlijst van 1908) baar
baard, böörd, baord, (Kampen) baard. Ook: baord (Kampereiland, Kamperveen)
baardhaan, böörd-ane, boord-ane, (Kamperveen) kemphaan. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: boord-ane
baardhen, boord-enne, (Gunninks woordenlijst van 1908) wijfje van de kemphaan
baars, böörs, baors, (Kampen) baars. Ook: baors (Kampereiland, Kamperveen)
baas, baos, 1. baas. IJ is de baos van ’t zakien ‘hij is de verantwoordelijke man’; 2. echtgenoot
baat, baot, baote, (Kampen) baat. Ook: baote (Kamperveen)
baat, bäte, (Gunninks woordenlijst van 1908) baat
babbelen, babbelen, babbelen
babbelguigjes, babbelegoesies, babbelegoegies, (Kampen) smoesjes. Ook: babbelegoegies (Kampereiland, Kamperveen)
baggeren, baggelen, baggen, baggeren, (Kampen) baggeren. Ook: baggen (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: baggeren (Kamperveen)
bak, bak, bak. Een bäkkien kòffie ‘een kopje koffie’
bakbeest, bakbîêst, (Kamperveen) iets dat groot is in zijn soort
baken, baken, baken
baker, baakster, baker
baker, bäker, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: beekster
baker, beekster, bäker, (Gunninks woordenlijst van 1908) baker. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bäker (Kamperveen)
bakeren, bekeren, bäkeren, (Gunninks woordenlijst van 1908) bakeren. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bäkeren (Kamperveen)
bakhuis, bak-uus, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. bakhuis; 2. gezicht
bakkebaard, bakkeböörd, bakkebaord, (Kampen) bakkebaard. Ook: bakkebaord (Kampereiland, Kamperveen)
bakkel, bakkel, grote knikker
bakkelen, bakkelen, spelen met grote knikkers. Er werd iets op een steen gelegd dat je eraf moest proberen te gooien met een grote knikker. Lukte het, dan mocht je het voorwerp op de steen hebben.
bakken, bakken, werkwoord, bakken
bakker, bakker, bakker
bakkersverdriet, bakkersverdriet, een gerecht met als voornaamste bestanddeel oud brood
baklamp, baklampe, (Gunninks woordenlijst van 1908) koperen lamp die kan staan en hangen en waarin men raapolie brandt
bal, bal, (het) bal. Gunninks woordenlijst van 1908: Groot bal mit klein’ eerappels (schertsend gezegd van iets dat niet meeviel)
bal, balle, 1. (de) bal; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: muis van de hand
baldadig, baldaodig, baldadig
balg, balg, 1. buik; 2. lijf, lichaam
balgsmart, balgsmätte, buikpijn, maagpijn
balie, balie, tobbe
balk, balk, balk
balken, balken, (Kampereiland, Kamperveen) zoldering boven de deel
balkenbrij, balkenbri’j, balkenbrij
ballen, ballen, 1. spelen met kleine ballen; 2. zolen en hakken van klompen beslaan met stukjes leer of rubber
ballon, belon, ballon
ballonkuit, belonkuten, dikke kuiten
banaan, benane, banaan
bananenschil, benaneskelle, bananenschil
band, band, baand, band. Ook: baand (Kampereiland, Kamperveen)
bandel, bandel, ijzeren of houten hoepel
bandgard, baandgädde, (Kampereiland, Kamperveen) dikke twijg die bij rietdekken dwars over het riet wordt gelegd en met een dunnere twijg aan het latwerk wordt gebonden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: leggädde (niet Kamperveen)
bandhond, baandond, (Gunninks woordenlijst van 1908) kettinghond
bang, bange, bang
bangschijter, bangeskijterd, iemand die bang is
bank, banke, bank. Gunninks woordenlijst van 1908: Deur de banke ‘gewoonlijk’
bar, bar, bar
barbier, bärrebier, barbier
barg, börg, (Kampereiland, Kamperveen) gesneden beer (varken). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: beerbörg
barmot, bärremotte, (Gunninks woordenlijst van 1908) marmot
baron, beron, baron
barst, bäste, zelfstandig naamwoord, barst
barsten, bäst, barst (verwensing)
barsten, bästen, bässen, bäst, bästen, bästen, ebästen (Kampen), bäst, bäss, barsten
barstend, bässende, bijwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) zeer, heel erg
bast, baste, bast
bastaard, bästerd, bastaard
bastaardvloek, bästerdvlûke, bastaardvloek
basterdsuiker, bästerdsuker, basterdsuiker
baten, baten, baten
bats, bats, (Gunninks woordenlijst van 1908) stuurs
bats, batse, platte schop
battol, battòlle, werptol
bazaarbak, bazarbak, kleine ronde teil
bed, bedde, bède, bedden, bèden, bettien, bèdegien, (Kampen) (verkleinwoord bettien, meervoud bedden), bed. Ook: bède (verkleinwoord bèdegien, meervoud bèden)(Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: In bède komen ‘bevallen’
bedaren, bedaren, bedaren
beddenlaag, beddelaoge, bèdelaoge, (Kampen) houten laag waarop de matras rust. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bèdelaoge
beddenpan, beddepanne, bèdepanne, (Kampen) beddenpan. Ook: bèdepanne (Kampereiland, Kamperveen)
beddenplank, beddeplanke, bèdeplanke, (Kampen) beddenplank. Ook: bèdeplanke (Kampereiland, Kamperveen)
bedelen, bedelen, zie skooien
bedelen, bedelen, bedelen
bedenkelijk, bedenkelijk, bedenkelijk
bederven, bedärven, bederven. Een bedörven mage ‘een overladen maag’
bedgaanstijd, beddegaonstied, bèdegaonstied, (Kampen) tijd om naar bed te gaan (bedtijd). Ook: bèdegaonstied (Kampereiland, Kamperveen)
bediening, bedienige, bediening, heilig avondmaal
bedkoets, beddekoetse, zie koetse
bedkruik, beddekruke, bèdekruke, (Kampen) bedkruik. Ook: bèdekruke (Kampereiland, Kamperveen)
bedriegen, bedrîêgen, bedrîêgt, bedreug, bedreugen, bedreugen, bedriegen
bedrijten, bedrieten, (Gunninks woordenlijst van 1908) zichzelf bevuilen, beschijten. Gunninks woordenlijst van 1908: Bedriet oew mä niet ‘maak maar niet zo’n drukte’
bedroefd, bedroefd, (Gunninks woordenlijst van 1908) bedroefd, zeer gering. Gunninks woordenlijst van 1908: Een bedroefd bietien ‘heel weinig’
bedstee, beddestee, bèdestee, (Kampen) bedstee. Ook: bèdestee (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: bèdekaste
bedstro, beddestro, bèdestro, (Kampen) bedstro. Ook: bèdestro (Kampereiland, Kamperveen)
beduiden, beduden, bedûûn, beduiden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bedûûn
beduusd, bedôêsd, (Kampereiland, Kamperveen) in de war, beteuterd, beduusd
beduvelen, beduvelen, bedriegen
bedwang, bedwang, (Gunninks woordenlijst van 1908) bedwang, dwang. Gunninks woordenlijst van 1908: Mutten is bedwang ‘ik laat me niet dwingen’
beek, beek, beek
been, been, bîên, (Kampen) been. IJ löp em de benen uut ’t lief ‘hij slooft zich vreselijk uit’, IJ is met zien been over de repe egaon ‘hij moest trouwen’ (zie ook: pote). Ook: bîên (Kampereiland, Kamperveen)
beer, beer, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. beer; 2. mannetjesvarken
beer, bere, beer, beer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: beer
beerbarg, beerbörg, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie börg
beest, bîêst, (Gunninks woordenlijst van 1908) beest
beet, beet, beet
beetje, bietien, beetje
beetwortel, bietewöttel, beetwortel
bef, bäffe, (Gunninks woordenlijst van 1908) bef
begeren, begeren, begeren
begerig, begerig, begerig, gulzig
begin, begin, begin
beginnen, beginnen, begint, begun, begunnen, begunnen, beginnen
begrafenis, begraffenisse, begrafenisse, begräffenisse, (Kampen) begrafenis. Ook: begrafenisse (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: begräffenisse
begraven, begraven, begraven
begrip, begrip, begrip, verstand
begrotelijk, begrotelijk, jammer, aan het hart gaand
begroten, begroten, spijten
behagen, be-agen, behagen
behalve, balve, balven, behalve. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: balven
beheer, be-eer, beheer
beide, beide, beide
beieren, beien, (Gunninks woordenlijst van 1908) beieren
beitel, beitel, beitel
beitsen, beitsen, beitsen: met behulp van zuren te emailleren artikelen ontdoen van vet en roest
beitser, beitser, arbeider in de beitsafdeling
bek, bek, 1. mond. Òlt oe bek ‘hou je mond’, een bek as een viswief, een bek as een skeermes ‘een brutale, scherpe mond’, een skärpe bek ‘id.’, Gunninks woordenlijst van 1908: Een bek opzetten ‘uitvaren’, Die stiet altied met d
bekaf, bek-òf, doodmoe, bekaf
beker, beker, beker
bekeren, bekeren, bekeren
bekeuren, bekeuren, bekeuren
bekijken, bekieken, bekijken, bezien
bekken, bekken, 1. schreeuwerig spreken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: ruziemaken
bekkerig, bekkerig, snauwerig
bekkerij, bekkeri’je, woordentwist
beklag, beklag, beklag, medelijden
beknibbelen, beknibbelen, zuinig aan doen. Ie mun niet beknibbelen op oe eten
beknopt, beknòpt, beknup, (Gunninks woordenlijst van 1908) ineengedrongen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: beknup (Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: Een beknòpt biesien ‘een koe die wat klein van stuk is’
bekomen, bekomen, 1. bekomen; 2. bedaren; 3. verkrijgen
bekommeren, bekommeren, bekommeren
bekoren, bekoren, bekoren
bekuipen, bekupen, in orde brengen. In negatieve zin: Det mu-j mien niet bekupen ‘dat moet je me niet flikken’
bekwaam, bekwaom, 1. bekwaam; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: bruikbaar. Niet bekwaom meer wezen ‘dronken zijn’
bel, belle, bel
belabben, belabben, (Gunninks woordenlijst van 1908) belabben (kwaadspreken van)
belang, belang, belang
belazerd, belazerd, beduveld
belazeren, belazeren, bedriegen
beledigen, beledigen, beledigen
belenen, belenen, belenen
beleren, beleren, (Kampereiland, Kamperveen) (een paard) leren trekken
beleven, beleven, beleven
belezen, belezen, (Gunninks woordenlijst van 1908) door het lezen van toverformules genezen
belhamel, bel-amel, bel-ämer, kwajongen, belhamel (voorste schaap van een kudde). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bel-ämer (Kamperveen)
belijdenis, beliedenisse, belijdenis
bellefleur, bèdefleur, (Gunninks woordenlijst van 1908) bellefleur
belofte, belofte, belofte
beloop, beloop, beloop
belopen, belopen, bedragen
beloven, beloven, beloven
belroos, belleroze, bèderoze, (Kampen, Kampereiland) belroos (huidaandoening). Ook: bèderoze (Kamperveen)
belt, belt, 1. terp; 2. vuilstortplaats
bemieterd, bemieterd, betoeterd
bemieteren, bemieteren, bedriegen
bemoeien, bemuuien, bemoeien
ben, benne, (Kampen) platte mand
benaderen, benaoderen, 1. benaderen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: in beslag nemen, wegens te lage aangifte
benauwd, benauwd, (Gunninks woordenlijst van 1908) bang
bende, bende, troep
bengel, bengel, deugniet
bengel, bongel, bongel. Dè’s een bongel an ’t been ‘dat valt niet mee, dat is een hele belasting’, Gunninks woordenlijst van 1908:IJ ef een bongel an ’t bien ‘hij is getrouwd’
bengelen, bongelen, bengelen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bomrammen
benieuwen, beni’jen, benieuwen
bent, bente, (Kampereiland, Kamperveen) stugge grassoort (bentgras)
benul, benul, (Gunninks woordenlijst van 1908) verstand. Gunninks woordenlijst van 1908: Ik kan der gin benul in krîêgen ‘ik kan hem/haar niet wakker krijgen’
beppe, bebbe, grootmoeder. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bessien (Kamperveen)
beredderen, beredden, (Gunninks woordenlijst van 1908) beredderen
berg, bärg, 1. berg; 2. hooiberg. ’t Is weer veur de bärg ‘slecht weer’ (de boeren gaan in de hooiberg slapen, ze kunnen toch niet hooien)
bergamot, bärremotte, (Gunninks woordenlijst van 1908) bergamot (bep. perensoort)
bergen, bärgen, 1. bergen; 2. ruimte hebben voor iets
berggat, bärggat, (Kampereiland, Kamperveen) opening van boven naar beneden in een hooiberg, waarlangs het hooi naar beneden wordt geworpen
berghout, bärgòlt, 1. berghout (Kampereiland, Kamperveen); 2. beschermende houtrand van een schip (soort stootbalk) (Kampen)
bergkap, bärgkappe, (Kampereiland, Kamperveen) kap van de hooiberg
bergnagel, bärgnagel, (Kampereiland, Kamperveen) bout waarop de kap van de hooiberg rust
bergroede, bärgrôê, (Kampereiland, Kamperveen) paal waarop de kap van de hooiberg rust
bergschaar, bärgschere, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: dakschere
bergspil, bärgspille, (Kampereiland, Kamperveen) spil waarmee de bärgwaoge rondgedraaid wordt
bergstoel, bärgstôêl, (Kampereiland, Kamperveen) ijzer waarop de bärgwaoge rust
bergwaag, bärgwaoge, (Kampereiland, Kamperveen) dwarsbalk met houten schroef waarmee de bergkap omhoog wordt gedraaid
bergwip, bärgwippe, (Kampereiland, Kamperveen) lange stok om de kap van de hooiberg te laten zakken
berig, berig, naar de beer (mannelijk varken) verlangend
berm, bärm, bärms, bärmpien, berm
beroerd, beroerd, beroerd
beroerte, broerte, breurte, (Kampen) beroerte. Ook: breurte (Kampereiland, Kamperveen)
bes, beze, besse, bîêze, bes. Ook: besse, Gunninks woordenlijst van 1908: bîêze (Kamperveen)
bescheten, bescheten, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: ’k Wol dä-k et in een bescheten buultien ad ‘(lett.:) ik wou dat ik het in een bescheten zakje had’ (gezegd van geld dat men kwijt is of allicht kwijt zal raken)
bescheten, besketen, bleek (van gezicht)
beschimmeld, beskimmeld, 1. beschimmeld; 2. verlegen
beschrijden, beschrîêns, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampereiland) schrijlings
beschrikt, beschrikt, (Gunninks woordenlijst van 1908) verschrikt
beschuit, beskuut, beschuit
besef, besef, besef. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ ef der niks gien besef van ‘hij begrijpt er niets van’
beseffen, beseffen, beseffen
besje, bessien, 1. oude vrouw; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zie bebbe
besjeshuis, bessiesuus, (Kampen) bejaardentehuis
besjoechelen, besjoegelen, beetnemen
beslaan, beslaon, 1. beslaan; 2. in: Gunninks woordenlijst van 1908: een stuk laand beslaon ‘er vee in brengen’
beslabberen, beslobben, beslabben, (Kampereiland, Kamperveen) bemorsen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: beslabben. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ zal em der niet an beslabben ‘hij zal er niet teveel van krijgen’
beslag, beslag, 1. beslag; 2. deeg
beslot, beslot, in: D’r zit gien beslot in ‘die persoon is incontinent’
besluiten, besluten, besluiten
besmettelijk, besmettelijk, snel vuil wordend
best, best, best
bestaan, bestaon, werkwoord, bestaan
bestaan, bestaon, zelfstandig naamwoord, 1. broodwinning; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: karakter
bestedelingshuis, bestedelingsuus, (Kampen) tehuis voor bejaarden (ook wel voor gehandicapte jongeren), uitgaande van de Nederlandse Hervormde Gemeente te Kampen
besteden, besteen, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. besteden; 2. em – ‘zich verhuren’
bestemmen, bestemmen, bestemmen
bestendig, bestendig, (Gunninks woordenlijst van 1908) kalm. Gunninks woordenlijst van 1908: Stil en bestendig, mä de knepen inwendig (wordt gezegd van iemand die ze achter de ellebogen heeft)
bestollen, bestelten, stollen
betamen, betamen, betamen
betijen, beti’jen, betîên, tot rust komen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: betîên (niet Kampen)
betoeterd, betoeterd, 1. bedremmeld, beteuterd; 2. belazerd. Bi-j betoeterd ‘ben je belazerd’
betuin, beteun, beteund, (Kampen, Kamperveen) schaars. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: beteund (Kampen)
beugel, beugel, (Kampereiland, Kamperveen) beugeltas
beuk, beuke, beuk
beukennoot, beukeneutien, beukennootje
beul, beul, beul
beur, beur, (Gunninks woordenlijst van 1908) til. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ ef der een beur an ‘hij kan het ternauwernood optillen’
beuren, beuren, 1. optillen, een gewicht dragen; 2. geld ontvangen
beurs, beurs, beurs
beurt, beurte, beurt
bevelen, bevelen, beveelt, beval, beveulen, beveulen, bevelen
beven, beven, werkwoord, beven
bever, bever, (Gunninks woordenlijst van 1908) bever (grof weefsel)
bevers, bevers, (Gunninks woordenlijst van 1908) van bever
bevertien, bevertien, (Gunninks woordenlijst van 1908) soort van bever, ook mòlsvel genaamd
bevoelen, bevulen, bevoelen
bevuilen, bevulen, bevuilen
bewaaldeloos, bewaoldeloos, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) bewusteloos, roerloos
bewaalschap, bewaolschop, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) bewustzijn, beweging
bewegen, bewegen, beweegt, beweug, beweugen, beweugen, bewegen
beweging, bewegingge, bewegige, (Kampereiland) beweging. Ook: bewegige (Kamperveen)
bewijs, bewies, bewijs
bewijsje, bewiesien, (Gunninks woordenlijst van 1908) een heel klein beetje
bewijzen, bewîêzen, bewijzen
bezeiken, bezeiken, 1. beetnemen; 2. bepissen. Ie zollen oe bezeiken ‘je zou het in je broek doen (van het lachen)’
bezem, bessem, bezem. ’t Veur de bessem ebben ‘het naar de zin hebben’
bezig, bezig, bezig
bezopen, bezeupen, dronken
bezorgen, bezörgen, bezorgen
bezuren, bezoeren, bezuren
bezwijken, bezwieken, bezwîêken, (Kampen) bezwijken. Ook: bezwîêken (Kampereiland, Kamperveen)
bezwijmen, bezwiemen, bezwijmen
bibberen, bibberen, bibberen
biddag, biddag, biddag
biddelig, biddelig, (Gunninks woordenlijst van 1908) driftig, gejaagd
bidden, bidden, bidt, bad, baden, ebeden / ebid (Kampen), bidden
biecht, biechte, biecht
biechthok, biechtökkien, biechtstoel
bieden, bieden, bîên, böd, beud, beuden, ebeuden, (Kampen, Kampereiland) bieden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bîên
bieden, bîên, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie bieden
biels, belze, (Gunninks woordenlijst van 1908) spoorrichel
biels, bielze, biels
bier, bier, bier
bies, bûze, bieze, bies (plant). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bieze (Kamperveen)
biest, biest, eerste melk van een koe na kalving
biestpannenkoek, biestepannekoeke, pannenkoek bereid met biest
biet, biete, biet
biezen, bizzen, (Kampereiland, Kamperveen) wild rondlopen van jong vee uit angst voor horzels
biezen trekken, biezentrekken, biezen trekken: het met een dun penseel aanbrengen van een gouden of zilveren lijn (bies) rondom een geëmailleerd voorwerp
biezentrekker, biezentrekker, arbeider in de afdeling waar de biezen getrokken worden (schilderskamer)
big, bigge, big
bij, bi’j, voorzetsel, bij
bij, bi’je, bije, zelfstandig naamwoord, bij. Ook: bije
bij toeren, bi’jtoeren, af en toe
bijbel, biebel, bijbel
bijdehand, bi’jdand, bi’jdaand, bi’jde-aand, (Kampen) bijdehand. Ook: bi’jdaand (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: bi’jde-aand
bijdehands, bi’jdans, bi’jaans, bijdehands, aan de linkerzijde lopend (van een paard). Een bi’jdans peerd ‘een jong, vurig paard, dat aan de linkerkant van de bok loopt, waar de koetsier zit’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bi’jaans (niet Kampen). Zie ook: vandans
bijenmees, biejmiesien, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kamperveen) winterkoninkje
bijkans, bekant, ongeveer, bijna
bijkans, bi’jkaans, (Gunninks woordenlijst van 1908) bijna
bijkook, bi’jkook, groente. Ook: bi’jspul
bijl, biele, bielen, bieltien, bijl
bijslijpen, bi’jsliepen, bijslijpen
bijspul, bi’jspul, zie bi’jkook
bijster, biester, zelfstandig naamwoord, in: in de biester wezen ‘in de war zijn, de kluts kwijt zijn’
bijster, biester, bijvoeglijk naamwoord, bijster, erg. Gunninks woordenlijst van 1908: Biester weer ‘ruw weer’
bijstoppertje, bi’jstöppertien, (Kampen) iets extra’s
bijten, bieten, bet, beet, beten, ebeten, bijten
bijterig, bieterig, bijterig (van een paard)
bijzon, bi’jzunne, bijzon (lichte vlek, waarneembaar aan weerszijden van de zon; betekent als regel dat een weersverandering op komst is)
bijzondag, bi’jzundag, christelijke feestdag die niet op zondag valt
bijzonder, bezunder, bijzonder
bikaars, bik-eerse, pik-eerse, (Gunninks woordenlijst van 1908) doorgereden aars. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pik-eerse
bikkel, bikkel, (Gunninks woordenlijst van 1908) bikkel
bikkelbot, bikkelbot, kootbeen uit een voorpoot van een schaap
bikkelen, bikkelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) bikkelen (een spel)
bikken, bikken, bikken
bikken, bikken, eten
bikkesement, bikkesement, eten en drinken
biksteen, biksteen, zandsteen
bikzand, bikzand, schuurzand
bil, bille, dij
billen, billen, zitvlak
billenkoek, billekoek, pak slaag
billenwagen, billewagen, benen. Met de billewagen gaon ‘gaan lopen’
billijk, billijk, billijk
binden, binnen, bienen, bint, bund, bunnen, ebunnen, ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bienen, 1. binden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: op een verjaardag een geschenk geven dat eigenlijk op de arm moet worden gebonden
binnen, bienen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie binnen
binnen, binnen, voorzetsel, binnen
binnengoed, binnegoed, binnengoed: de kern van de sigaar, bestaande uit een melange van diverse soorten tabak (Braziel, Havanna, Kedoe, Java)
biscuit, beskwie, biscuit
bisschop, bisschop, bisschop
bits, bits, bits
bitter, bitter, bijvoeglijk naamwoord, bitter. Gunninks woordenlijst van 1908: Zo bitter as alsem
bitter, bitter, zelfstandig naamwoord, jenever met bitter
blaak, blaok, blaoke, roet van een kaars of een petroleumlamp of petroleumstel
blaam, blame, blaam
blaar, blaore, Gunninks woordenlijst van 1908: zwarte koe met witte kop
blaar, blöre, blaore, (Kampen) blaar. Ook: blaore (Kampereiland, Kamperveen)
blaas, blaoze, blaas
blaasbalg, blaosbalg, blaosbalge, blaasbalg
blaaspijp, blaospiepe, blaozepiepe, blaaspijp. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: blaozepiepe
blad, blad, bladen, blatien, blagien, (verkleinwoord blatien / blagien (Kampereiland)), blad
bladstil, bladstille, blakstille, bladstil
blaffen, blaffen, blaffen
blak, blak, vlak, rimpelloos. De zee was elemaole blak
blaker, blaoker, blaker, blaker
blakstil, blakstille, zie bladstille
blazen, blaozen, blös, bleus, bleuzen, eblaozen, blazen
bleek, bleke, blîêke, (Kampen, Kamperveen) bleekveld. Ook: blîêke (Kampereiland)
bleek, blîêk, bijvoeglijk naamwoord, (Kampereiland, Kamperveen) bleek
blei, bleie, (Kampen) blei (vis)
bleken, bleken, blîêken, werkwoord, (Kampen, Kamperveen) bleken. Ook: blîêken (Kampereiland)
blekken, blekens, mazelen
blèren, bleren, blèren, huilen. Ook: blèren (Kampen)
bles, bles, witte streep voor de kop van een paard of koe
bleu, bleu, bleu
bliek, blîêk, zelfstandig naamwoord, (Kampereiland, Kamperveen) vaars aan het begin van de drachtigheid
blij, bli’j, blij. Zo bli’j as een veugeltien ‘zo blij als een vogeltje’
blijk, bliek, blijk
blijken, blieken, blijken
blijven, blîêven, blijven
blik, blik, (het) blik
bliksem, blaksem, bliksem, in uitroep van schrik of verbazing
bliksem, bliksem, bliksem
bliksempje, bliksempien, handig joch
blikskaters, blikskaters, bastaardvloek, verwensing
bliksteen, bliksteen, blikstîên, bliksteender, (Kampen) bastaardvloek, dondersteen. Ook: blikstîên (Kampereiland, Kamperveen), bliksteender (Kamperveen)
bliksteen, bliksteender, zie bliksteen
blind, bliend, (Gunninks woordenlijst van 1908) blind
blind, blinde, bliende, houten luik. Ook: veinster (Kamperveen), vèènster (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: bliende
blindaas, blindaze, bliendäze, paardenvlieg. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bliendäze
blinder, blender, bländer, blinder, bliksem (als verwensing). Ook: bländer, blinder (Kamperveen)
blindlap, blindlappe, bliendlappe, lap die vóór de kop van een koe gehangen wordt, teneinde te beletten dat ze over een sloot springt. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bliendlappe
blinken, blinken, blinken
bloed, bloed, blôêd, bloed. Ook: blôêd (Kampereiland, Kamperveen). Ik kome weer wat in mien blôêd ‘ik word weer wat warmer’, bloed spi’jen ‘bloed spuwen’
bloedader, bloedöre, bloedader
bloeden, bloeden, bloeden. Bloeden as een maalzak ‘erg bloeden’
bloedspuwing, bloedspi’jige, blôêdspi’jige, bloedspuwing. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: blôêdspi’jige
bloedvin, bloedvinne, 1. bloedzweer; 2. fistel
bloedzuiger, bloedzôêger, blôêdzôêger, bloedzuiger. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: blôêdzôêger
bloedzweer, bloedzwere, blôêdzweer, bloedzweer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: blôêdzweer
bloei, bluui, bloei
bloeien, bluuien, bloeien
bloem, bloeme, bloem
bloem, blom, (Kampen) bloem, fijn meel. Blom van zwevel ‘zwavelpoeder, gebruikt als middel tegen steenpuisten’
bloemzoete, blomzûte, (Gunninks woordenlijst van 1908) een vroege appel. Gunninks woordenlijst van 1908: Blomzûte kieken ‘onnozel kijken’
bloesem, blusem, (Gunninks woordenlijst van 1908) bloesem
blok, blok, blok
blond, blond, blond
bloot, bloot, bloot
blootsvoets, blootvoes, (Gunninks woordenlijst van 1908) blootvoets
bluffen, bluffen, 1. bluffen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: op een bepaalde manier domino spelen
blufkont, blufkonte, bluffer, zwetser
bluisterig, bluisterig, opgezet in het gezicht
blussen, blussen, blussen
bobbel, bobbel, bobbel
bobbelen, bobbelen, bellen vormen. Et water kookt zowat, et bobbelt al
bobbelkop, bobbelkòp, (Gunninks woordenlijst van 1908) iemand met een dik hoofd
bochel, bochel, bochel
bochelen, pochelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) zeulen
bocht, bocht, bocht
bocht, bocht, slecht spul
bod, bòd, bod
bode, bode, (Gunninks woordenlijst van 1908) postbode
bodem, bodem, beudem, bodem. Ook: beudem (Kampereiland)
boden, boden, boon, (Gunninks woordenlijst van 1908) bekendmaken dat er iemand gestorven of geboren is. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: boon (Kampereiland)
boefje, boefien, (Gunninks woordenlijst van 1908) broodje
boek, boek, boek
boekweit, boekweite, (Gunninks woordenlijst van 1908) boekweit
boel, boel, 1. veel. Een boel volk ‘veel mensen’; 2. rommel
boender, bôênder, (Gunninks woordenlijst van 1908) boender
boenen, boenen, bôênen, boenen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bôênen
boer, boer, boer
boerenjongens, boerenjonges, rozijnen op brandewijn
boerenmeisjes, boerenmeisies, abrikozen op brandewijn
boerenwagen, boerenwagen, boerenwagen
boete, boete, boete
boezelaar, boezelaar, schort met banden over de schouders
boezeroen, boezeroen, werkhemd voor mannen
bof, bof, bof (ziekte)
bofferd, bofferd, gebakken koek, dienend als middageten
bok, bok, 1. bok (dier); 2. platboomd vaartuig
bok pied, bok piejee, haasje over
bokking, bukkem, bukkink, bukkens, bukkempien, bokking
bokking, bukkink, 1. zie bukkem; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: standje
boks, bokse, broek
bolderen, bòlderen, opbollen
bolknak, bòlknak, sigaar met knakmodel: aan de voorkant dikker dan aan de achterkant
bolletje, böllegien, sigaar met knakmodel: aan de voorkant dikker dan aan de achterkant
bolletje, böllegien, kadetje
bolwerk, bolwärk, 1. bolwerk; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: plantsoen
bom, bom, (Gunninks woordenlijst van 1908) iets dat groot is in zijn soort. Gunninks woordenlijst van 1908: Ärgens de bom in gooien ‘iets in de war sturen’
bombarderen, bombederen, bombarderen
bombazijn, bombeziede, bommeziede, bombazijn: sterke stof, veelal gebruikt voor het maken van broeken. Ook: bommeziede
bomen, bomen, (Gunninks woordenlijst van 1908) een schuit met een boom voortbewegen
bommelezoeren, bommelezoeren, (Kampereiland, Kamperveen) erop los leven
bomrammen, bomrammen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie bongelen
bon af, bon-òf, in: bon-òf wezen ‘goed af zijn’
bonk, bonke, 1. groot stuk; 2. veel. Een bonke lewaai ‘veel lawaai’; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: oude knol
bonnet, benette, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) muts voor kleine meisjes
bont, bont, bont
boodschap, bo-skap, bosskop, boodschap
boog, boge, boog
boom, boom, 1. boom; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kloet
boomgaard, bongerd, boomgaard
boomkruiper, boomkroepertien, boomkrupertien, (Kampen) boomkruiper. Ook: boomkrupertien (Kampereiland, Kamperveen)
boomshoogte, boomseugte, in: d’r boomseugte tegenop zîên ‘er torenhoog tegenop zien’
boon, bone, 1. boon. In de bonen ‘in de war’; 2. in: te bone gaon ‘een stadsbestuur gaan kiezen’ (een oud gezegde)
boor, boor, boor
boord, boord, boord
boordevol, borendevol, boordevol
boos, beuze, (Kamperveen) ruw weer
boot, boot, boot
bootbig, bootbigge, (Gunninks woordenlijst van 1908) big van ± 50 kg
bord, böd, bord
bord, brettien, zie zinkien
borduren, beduren, (Gunninks woordenlijst van 1908) borduren
boren, boren, boren
borg, börge, borg
borgen, börgen, borgen
borgtocht, börgtòcht, borgtocht
borrel, borrel, borrel
borst, böst, borst
borstbeen, bösbeen, böstbeen, borstbeen
borstboom, bösboom, (Kampereiland, Kamperveen) borstboom in de paardenstal
borstel, bössel, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. zie böstel; 2. nekhaar van een varken
borstel, böstel, bössel, borstel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bössel
borstrok, böstròk, borstrok. ’t Op de böstròk ebben ‘verkouden zijn’
borstrokkenweer, böstròkkenweer, koud, guur weer
bos, bos, bos
bot, bot, zelfstandig naamwoord, bot, been. Zet de botten der maar op ‘doe je best maar’
bot, bot, bijvoeglijk naamwoord, stomp
boter, bòtter, boter
boterbriefje, bòtterbriefien, boterbriefje (trouwakte)
boteren, bòtteren, tot boter worden. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Bòttert wel ‘het zal wel gaan’
botermolen, bòttermeule, bòttermòlle, (Kamperveen) houten bak waarin de boter gekneed wordt. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bòttermòlle (niet Kampen)
boterspaan, bòtterspaone, (Kampereiland, Kamperveen) boterspaan
botertelder, bòttertelder, (Kamperveen) botervloot. Zie ook: telder
boterzijg, bòtterzi’je, (Kampereiland, Kamperveen) zeef waarmee de boter van de melk wordt geschept
botje, buttien, botje
botten, botten, uitbotten
bout, bòlte, bout
bouwen, bouwen, 1. bouwen; 2. ploegen
bouwmeester, bouwmeister, (Gunninks woordenlijst van 1908) eerste knecht
bouwmeestertje, bouwmeistertien, (Gunninks woordenlijst van 1908) akkermannetje, kwikstaartje
boven, boven, boven
bovenarm, bovenärm, bovenarm
bovenbeen, bovenbeen, bovenbeen
bovenhuis, bovenuus, bovenhuis
bovenkaak, bovenkake, bovenkaak
bovenkant, bovenkante, bovenkant
bovenlaag, bovenlaoge, bovenlaag
bovenlast, bovenlast, lading van een schip, opgetast op het dek
bovenlip, bovenlippe, bovenlip
bovenmeester, bovenmeester, bovenmeister, bovenmeester (hoofd van een school). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bovenmeister
braaf, brääf, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. braaf; 2. in: Gunninks woordenlijst van 1908: brääf wat ‘heel wat’
braak, brake, braoke, (Kampen) bouwvallig huis. Ook: braoke (Kampereiland, Kamperveen)
braam, braom, braome, braam aan bijv. het ijzer van een schaats
braam, brummel, 1. braam (vrucht); 2. knopje in de vorm van een braam
braamknoop, brummelknoop, gouden knoop in de vorm van een braam
brabbelen, brabbelen, zie bròbbelen
braden, braoden, braon, bröd, braoden, braoden, ebraoden, braden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: braon
brak, brak, brak, zoutachtig
braken, braken, braken
brand, brand, braand, (Kampen) 1. brand. 2. brandstof. Ook: braand (Kampereiland, Kamperveen)
branden, brannen, branen, (Kampen) branden. Ook: branen (Kampereiland, Kamperveen)
branden, brannen, branden: het bij een temperatuur van 9000 °C in een oven vasthechten van grondlaag en kleurlaag emaille op het ijzeren voorwerp
brander, brander, brander: arbeider in de branderij
branderig, braanderig, (Kampereiland, Kamperveen) 1. branderig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: driftig
brandewijn, brandewien, braandewien, (Kampen) brandewijn. Ook: braandewien (Kampereiland, Kamperveen)
brandhout, brandòlt, braandòlt, (Kampen) brandhout. Ook: braandòlt (Kampereiland, Kamperveen)
brandkast, brandkäste, braandkäste, (Kampen) 1. brandkast; 2. brandverzekering (Kampen). Ook: braandkäste (Kampereiland, Kamperveen)
brandnetel, brandnetel, braandnetel, (Kampen) brandnetel. Ook: braandnetel (Kampereiland, Kamperveen)
breed, breed, breed
breeuwen, breeuwen, bremen, breeuwen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bremen (Kamperveen)
breeuwen, bremen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie breeuwen
breien, bri’jen, breien, (Kampen) 1. breien. Ook: breien (Kampereiland, Kamperveen); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: brouwen
breifoeks, breifoekse, (Kampereiland, Kamperveen) iemand die niet goed kan breien
breifoks, bri’jfòkse, (Kampen) iemand die altijd aan het breien is
breihoutje, brei-öltien, (Gunninks woordenlijst van 1908) breihoutje
breinaald, bri’jnaolde, breinaolde, (Kampen) breinaald. Ook: breinaolde (Kampereiland, Kamperveen)
breken, breken, brek, brak, braken / brakken (Kamperveen), ebreuke, breken. Breek mien de bek niet lös ‘breek me de bek niet open, daar zou ik wel het een en ander over kunnen vertellen’
brem, brem, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: zo zòlt as brem ‘zeer zout’. Zie ook: bremzòlt
bremzout, bremzòlt, bremzòlte, (Kampen) heel zout. Ook: bremzòlte (Kampereiland, Kamperveen). Zie ook: Gunninks woordenlijst van 1908: brem
brengen, brengen, brengt, brach, brachen, ebracht, brengen
breuk, breuke, breuk
brief, brief, brief
briefkaart, briefkaarte, briefkaart
brij, bri’j, brij
brijpot, bri’jpòt, (Gunninks woordenlijst van 1908) brijpot
brik, brik, puin
bril, brille, bril
brillendoos, brilledeuze, brillendoos
brobbelen, bròbbelen, brabbelen, (Kampen, Kampereiland) broddelen (van breiwerk). Ook: brabbelen (Kamperveen)
broddelen, broddelen, broddelen
broddellap, bròddellappe, broddellap
broed, bröd, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: brödsel
broeden, bruun, werkwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. broeden van vogels; 2. peinzen
broeds, brös, bröds, (Kampen) broeds. Ook: bröds (Kampereiland, Kamperveen)
broedsel, brödsel, (Gunninks woordenlijst van 1908) broedsel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bröd (niet Kampen)
broei-ijzer, bruui-îêzer, (Kampereiland, Kamperveen) broei-ijzer (thermometer, aangebracht in een ijzeren staaf, gebruikt om de temperatuur van het hooi in de hooiberg te meten)
broeien, bruuien, broeien
broeierig, bruuierig, broeierig
broek, broek, broek. Ie kun beter oe broek an de wîêge skeuren as een òld wief in bedde beuren ‘je kunt beter een jonge dan een oude vrouw hebben’ (Kampereiland)
broek, broek, Gunninks woordenlijst van 1908: broekland
broekland, broeklaand, (Kampereiland, Kamperveen) laaggelegen drassig land
broer, breur, broer
brok, bròkke, 1. brok, stuk, ook fig.: een brokke van een meid; 2. speculaas
brokje, brukkien, (Gunninks woordenlijst van 1908) boterham
bromfiets, bromfietse, bromfiets
bromkloot, bromkloot, (Gunninks woordenlijst van 1908) soort tol
brommen, brommen, brommen
brommer, brommerd, 1. bromvlieg; 2. brompot; 3. bromfiets
bromtol, bromtòlle, bromtol
bromvlieg, bromvlîêge, bromvlieg
brons, brons, brons
brood, brood, brood
broodje, breutien, broodje
bros, bros, bros
brouwen, brouwen, brouwen
brug, brugge, brug. De brugge over gaon ‘begraven worden’ (voor de Tweede Wereldoorlog bezat Kampen alleen een begraafplaats in IJsselmuiden, aan de overzijde van de IJssel)
bruid, bruud, (Gunninks woordenlijst van 1908) bruid
bruiloft, brulfte, bruiloft
bruin, bruun, broen, bijvoeglijk naamwoord, bruin. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: broen
bruis, broes, schuim
bruisen, brôêzen, schuimen, bruisen
brullen, brullen, brullen
Brunnepe, Brunnepe, Brunnepe, vroeger dorp ten noorden van Kampen, nu een stadswijk. ’t Is net een Brunneper kärmesse, ier en döör een kröömpien ‘het stelt niet veel voor’ (wordt ook gezegd tegen iemand die niet veel haar meer op zijn hoofd heeft), Die kump nòg in
brutaal, bretaol, brutaal
buffel, buffel, lompe kerel
buffelen, buffelen, hard werken
bui, bujje, bui
buigen, bûgen, bög, beug, beugen, ebeugen, buigen
buiglopen, bûûglopen, bûgienlopen, lopen over het ijs, teneinde het te laten doorbuigen. Ook: bûgienlopen (Kamperveen)
buigtrappen, bûûgtrappen, stampend lopen over het ijs, teneinde het te laten doorbuigen
buiig, bujjig, buiig
buik, boek, buik. IJ ef een boek as een börgemeester ‘hij heeft een dikke (hang)buik’
buikpijn, boekpiene, buikpijn, maagpijn. Ook: boekzeerte
buikslaan, boekslaon, (Kamperveen) hijgen (vooral van een dier)
buikzeerte, boekzeerte, zie boekpiene
buikziek, boekziek, 1. beurs (van een appel of peer); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zwanger
buil, bule, buul, (Kampen) 1. papieren zak. IJ leest de bule van Zijlstra ‘hij weet er zogenaamd alles van’ (Zijlstra was een levensmiddelenbedrijf); 2. grote zwelling. Ook: buul (Kampereiland, Kamperveen)
buis, buis, buis
buis, buize, buis (pijp)
buiskool, boesekool, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) 1. buiskool; 2. klein dik ventje
buitel, buitel, (Kampereiland, Kamperveen) kleine dreumes
buitelen, buitelen, buitelen
buiten, buten, voorzetsel, buiten
buiten, buten, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) villa
buizen, buizen, 1. druk bezig zijn; 2. wild spelen van kinderen
bukken, bukken, bukken
bul, böl, (Kampereiland, Kamperveen) 1. jongste knecht (Gunninks woordenlijst van 1908: wiens speciaal werk het is, de varkens te verzorgen); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: varken met afgekorte staart. Ook: bölstät
bul, bolle, 1. stier. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: stier; 2. aak met ronde kop
bulderen, bulderen, bulderen
bulken, bölken, belken, 1. schreeuwen; 2. loeien van koeien; 3. boeren laten. Ook: kölken, Gunninks woordenlijst van 1908: belken
bulker, bölkerd, schreeuwer
bullen, bollen, bespringen van de koe door de dekstier
bullenmaandag, böllenmaondag, maandag in januari waarop de jongste meiden en knechten naar de stad gingen
bullenpees, bollepeze, bollepietse, bullepees, soort knuppel. Ook: bollepietse (Kamperveen)
bulletje, bullegien, (Kampereiland, Kamperveen) jong stierkalf
bullig, bollig, (Kampereiland, Kamperveen) tochtig (van koeien)
bulstaart, bölstät, (Kampereiland, Kamperveen) varken (Gunninks woordenlijst van 1908: met afgekorte staart). Ook: böl
bult, bult, 1. buil. ’t Oeft niet over de bulten ‘je hoeft het niet te gek te maken’; 2. veel. Een bult geld; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: gebochelde
bulterig, bulterig, vol builen zittend
bunder, bunder, bunder
bunzing, bunzink, bulzik, (Kampen) 1. bunzing; 2. kwajongen (Kampereiland, Kamperveen). Ook: bulzik (Kampereiland, Kamperveen)
bureau, bero, bureau
bureau, brao, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) soort kast in de vorm van een bureau
buren, buren, (Gunninks woordenlijst van 1908) buur zijn
burgemeester, börgemeester, börgemeister, burgemeester. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: börgemeister
burger, börger, burger
bus, busse, 1. bus; 2. soort verzekering tegen ziektekosten. ’t Kump in de busse ‘het komt voor elkaar’
busman, busseman, persoon die geld ophaalt voor de busse
buur, bure, (Gunninks woordenlijst van 1908) buur
buurman, buurman, buurman
buurt, buurte, buurt, omgeving. Die kump ook uut de buurte, die kump ook uut disse buurte ‘die komt ook uit deze omgeving’
buurten, buurten, praatje maken met de buurman
calville, kalviene, (Gunninks woordenlijst van 1908) kalvilleappel
caoutchouc, kesjoe, grondstof voor taan
capucijners, kapsienders, kapsieners, (Kampen) capucijners. Ook: kapsieners (Kampereiland, Kamperveen)
catechisant, körkezant, (Gunninks woordenlijst van 1908) catechisant
catechisatie, kärkezaosie, kattegezaosie, körkezaosie, cathechisatie. Gunninks woordenlijst van 1908: körkezaosie
ceel, sele, (Gunninks woordenlijst van 1908) lange reeks
cement, cement, cement
cent, cent, cent
chagrijnig, saggerijnig, (Gunninks woordenlijst van 1908) korzelig
cheerio, sjurriejo, sjeriejo, spel waarbij groepjes van twee kinderen elkaars handen vasthouden en andere kinderen proberen te tikken
chef, chef, chef
chocolade, sukela, chocolade
cholera, kelera, kolera, cholera. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kolera
christen, kristen, christen
cichorei, siecherei, cichorei
cichorei, sukerei, sukerein, cichorei. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sukerein
cigarillo, cigarillos, kleine, dunne sigaren
cijfer, siefer, cijfer
cinq et six, sinksôêze, oorveeg. Ook: abbedoedas
commies, kemies, tarwebrood
commies, kemies, commies
compliment, komplementen, 1. groeten; 2. pretenties. Te veule komplementen ebben ‘te veel noten op zijn zang hebben’
corona, corona, cilindervormige sigaar, aan de voorkant recht afgesneden
couvert, komföttien, komfättie, konfättien, konföt, envelop. Ook: komfättie (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: konfättien (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: konföttien
crime, kriem, (Kampen) moeilijke taak
crimineel, krimmeneel, krimmenele, uitroep van verbazing
crimineel, krimmeneel, zelfstandig naamwoord, crimineel
criminelig, krimmenelig, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. onaangenaam; 2. in hoge mate
daags, daas, daags
daai, daoie, 1. dromer, sufferd; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: slons
daaiig, daoiig, 1. klungelig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: slonzig
daal, dale, omlaag, neer. Smakt oe maar dale, of: zet oe mar dale ‘ga maar zitten’. Gunninks woordenlijst van 1908: Nao däle ‘naar beneden’. Zie ook: Gunninks woordenlijst van 1908: umdäle
daalder, daalder, daalder
daar, , där, (Gunninks woordenlijst van 1908) daar (alleen in de zin van: pak aan, anders: daor, döör)
daar, döör, daor, (Kampen) daar. Ook: daor (Kampereiland, Kamperveen)
daarginder, döörgunder, daorgänder, daorgender, (Kampen) daarginds. Ook: daorgänder (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: daorgender
daarom, döörumme, daorumme, (Kampen) daarom. Ook: daorumme (Kampereiland, Kamperveen)
dadelijk, dalijk, dadelijk, dadelijk. Ook: dadelijk
dag, dag, dagen, däggien, dag
daghuur, dag-ure, dagloon
daghuurder, dag-uurder, dagloner, iemand die voor een bepaalde tijd werkt
daisy, desien, (Kampen) biscuitje
dak, dak, daken, däkkien, dak. D’r is dak op ’t uus ‘er luisteren kinderen mee’, Gaon ie maar op ’t dak zitten kraaien melken ‘loop naar de pomp’
dakschaar, dakschere, (Gunninks woordenlijst van 1908) kleinigheid. Gunninks woordenlijst van 1908: Iemand um de dakschere sturen ‘iemand vergeefs laten lopen’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bärgschere (Kamperveen). Zie ook: Gunninks woordenlijst van 1908:
dal, dal, dal
dalen, dalen, werkwoord, dalen
dam, dam, dam
damast, temast, demast, (Kampen) damast
damp, damp, damp, mist
dampig, dempig, kortademig van paarden
dan, dan, dan
danig, daonig, danig. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ ef ’t dik en daonig te pakken ‘hij is ernstig ongesteld’
dank, dank, dank
dankdag, dankdag, dankdag
dansen, dansen, daansen, (Kampen) dansen. Ook: daansen (Kampereiland, Kamperveen)
dapper, dapper, 1. dapper; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: gezond
darm, därm, därms, därmpien, darm
dartel, dättel, dartel
das, dasse, das
dat, det, dette, dät, dat. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dät
datum, daotum, datum
dauw, douw, dauw
dauwelen, douwelen, dauwelen, (Kampen) stoeien. Ook: dauwelen (Kampereiland, Kamperveen)
dauwtrappen, douwtrappen, dauwtrappen
dauwworm, douwwörm, dauwworm
daveren, daveren, daveren
deeg, deeg, deeg
deeg, dege, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) groei, plezier
deek, daok, alles wat na hoog water aan de dijk blijft liggen
deel, deel, deel, gedeelte
deel, dele, deel (in boerderij, plaats voor de koeien in de winter)
deel, dele, Gunninks woordenlijst van 1908: plank
deerne, deerne, meisje. Gunninks woordenlijst van 1908: Een deerne òfrollen ‘met een meisje in het hooi liggen vrijen’
deernsgek, deernsgek, meisjesgek
degelijk, degelijk, degelijk
dek, dek, 1. dek; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: deksel
dekblad, dekblad, buitenste tabaksblad van de sigaar die om de wikkel werd gelegd. Het werd op maat gesneden al naar gelang de vorm van de sigaar die gemaakt moest worden. Voor de betere soort sigaren werd uitsluitend Sumatra-tabak (Deli) gebruikt. Deze tabak gaf een mooie
deken, deken, 1. deken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: dak
dekken, dekken, werkwoord, 1. dekken; 2. rieten dak op een pand aanbrengen
dekker, dekker, dekker
deksels, deksels, drommels
del, delle, zie deuke
delen, delen, werkwoord, delen
dempen, dempen, dempen
den, denne, den
Den Haag, Den Ääg, (Gunninks woordenlijst van 1908) Den Haag, in: Gunninks woordenlijst van 1908: Den Ääg zîên ‘het er slecht afbrengen’
denken, denken, dèènken, denkt, dacht, dachen, edacht, (Kampen) denken. Ook: dèènken (Kampereiland, Kamperveen)
derde, dädde, derde
derde half, däddalf, twee en een half. Det is een däddalve gauwdief ‘dat is iemand die snel iets wegneemt’
derrie, därg, 1. modderig vuil. Därg op zien lief ebben ‘vuil zijn’; 2. huidaandoening
dertien, dättiene, dertien
dertig, dättig, dertig
desnoods, desnoods, desnoods
deugd, deugd, 1. deugd; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: sterkte
deugdzaam, deugzaam, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. sterk; 2. eerlijk
deugen, deugen, deugen
deuk, deuke, deuk. Ook: delle
deuken kloppen, deukenkloppen, deukenkloppen: het met een lichte hamer wegtikken van kleine oneffenheden in te emailleren artikelen
deukenklopper, deukenklopper, arbeider die het deukenkloppen uitvoert
deuntje, deuntien, deuntje
deur, deure, deur. Dè’s ook niet bi’j de deure ‘dat is ver weg’
deurhengsel, deurengsel, scharnier
deuvekater, dûvekäter, (Gunninks woordenlijst van 1908) bastaardvloek. Gunninks woordenlijst van 1908: Te dûvekäter!
deuvekaters, duvekaters, bastaardvloek. Die duvekaterse jonge!
Deventer koek, deventer koeke, deventer koek
deze, disse, deze
deze, dissende, aanwijzend voornaamwoord, (zelfst. gebr. aanw. vnw.) deze
diaken, diaken, diaken
dicht, dichte, dicht
die, die, die
dief, dief, dîêven, dievien, dief
diefstal, diefstal, diefstal
dienen, dienen, dîênen, 1. dienen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: in betrekking zijn. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dîênen
dienst, dienst, dîênst, 1. dienst; 2. betrekking. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dîênst
diep, diepe, dîêpe, (Kampen) diep. Ook: dîêpe (Kampereiland, Kamperveen)
dier, dier, dier
dijbeen, di’jbeen, di’jbîên, (Kampen) dijbeen. Ook: di’jbîên (Kampereiland, Kamperveen)
dijen, deien, di’jen, (Kampen) groeien, gedijen. Ook: di’jen (Kampereiland, Kamperveen)
dijk, diek, dijk
dijzig, dîêzerig, dîêzig, deizig, deizerig, beverig. Ook: dîêzig, deizig (Kampereiland, Kamperveen), deizerig (Kampereiland, Kamperveen)
dik, dikke, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. dik. Zo dikke as stroop; 2. erg, zeer. Ik bin dikke tevreden, Gunninks woordenlijst van 1908: IJ ef ’t dik en daonig te pakken ‘hij is ernstig ongesteld’
dikkerd, dikkerd, dikkerd
dikkop, dikkòp, eenvijfde liter (2 dl)
dikpens, dikpänse, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie dikpense
dikpens, dikpense, dikpänse, iemand met een dikke buik. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dikpänse
ding, dink, dingen, dinggien, deenggien, (verkleinwoord dinggien / deenggien (Kampereiland)), 1. ding; 2. pittig klein kind
dingen, dingen, afdingen
dinges, dinges, gezegd ter aanduiding van iemand wiens naam men zich niet zo gauw kan herinneren
dinsdag, dinsedag, deensdag, dingsedag, diensedag, (Kampen) dinsdag. Ook: deensdag (Kampereiland), dingsedag (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: diensedag (Kamperveen)
dinsdagavond, dinsesaovens, dinsdagsavonds
dinsdagmiddag, dinsesmiddes, dinsdagsmiddags
dinsdagmorgen, dinsesmönnens, dinsdagsmorgens
dinsdags, dinses, dinsdags
dis, dis, (Kampen) tafel waaraan sigarenmakers werken
dissel, dissel, (Kampereiland, Kamperveen) platte bijl
dissel, dissel, (Kampereiland, Kamperveen) disselboom
distantie, distaansie, (Gunninks woordenlijst van 1908) afstand
distel, distel, diesel, (Kampen) distel. Ook: diesel (Kampereiland, Kamperveen)
dit, dit, ditte, (Kampen) dit
dit en dat, dittendät, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: loop veur den dittendät ‘loop naar de drommel’
dit en dat, dittendäts, (Gunninks woordenlijst van 1908) drommels.
dobbelen, dòbbelen, dobbelen
dobbelsteen, dòbbelstien, (Gunninks woordenlijst van 1908) dobbelsteen
dobber, dòbbel, dobber
dobberen, dòbbelen, Gunninks woordenlijst van 1908: dobberen
dobbevisser, dòbbevisser, beroepsvisser die met speciaal vistuig vist
dochter, dòchter, dochter
dodderig, dòdderig, (Kampereiland, Kamperveen) er niet florissant uitziend
dode, dooie, dode
dodenbus, dooiebusse, begrafenisverzekering
doedel, dudel, doedel, (Kampen) 1. rietsoort; 2. sufferd. Ook: doedel (Kampereiland, Kamperveen)
doedeldop, doedeldòppe, (Kampen, Kamperveen) sufferd. Ook: doedellappe (Kampereiland)
doedellap, doedellappe, zie doedeldòppe
doedelzak, doedelzak, doedelzak
doek, doek, doek. ’t Is maar een dukien veur ’t bloeden ‘het stelt niets voor’
doel, doel, doel
doen, doen, dôên, doon, dut, deed (Kampen) / deud (Kampereiland, Kampervee, doen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dôên, Gunninks woordenlijst van 1908: doon (Kamperveen)
doerak, doerakke, (Kampen, Kamperveen) loeder
doesterig, doesterig, 1. slaperig; 2. onwel (Kampereiland, Kamperveen)
doezelen, doesteren, sluimeren. IJ ef wat edoesterd ‘hij heeft een beetje gesluimerd’
doezen, doesen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) een dutje doen
dof, dof, 1. dof; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vochtig
doffer, dofferd, doffer (mannelijke duif)
dokter, dòkter, dokter
dokteren, dòkteren, dokteren, knutselen
dol, dol, dol
dol, dòlle, 1. dol van een roeiboot; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kruk aan een zeis (niet Kampen)
dolhuis, dòl-uus, soort kamrad boven in de molen
dollefooi, dollefooi, bonnefooi
dom, dom, dom. Zo dom as een koe, zo dom as een kuken, De domste boeren ebben de dikste eerappels ‘vergis je niet in iemand’
dominee, dominee, domeneer, dominee. Ook: domeneer
dominoën, domeneren, dominospelen
dommekracht, doemkracht, (Kampereiland, Kamperveen) dommekracht
dommel, dummel, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. dreumes; 2. sufferd
dommel, dummeltien, dreumes
dommelen, dommelen, sluimeren
dommelen, dummelen, werkwoord, 1. soezen, suffig zijn; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: rondlopen van een klein kind
dommelig, dummelig, vergeetachtig
dompelen, dumpelen, (Kampen, Kamperveen) (onder)dompelen
donder, donder, donder
donderdag, donderdag, donderdag
donderdagavond, dondesaovens, donderdagsavonds
donderdagmiddag, dondesmiddes, donderdagsmiddags
donderdagmorgen, dondesmönnens, donderdagsmorgens
donderdags, dondes, donderdags
donker, donker, donker. Wöör ’t kump is ’t ook donker (gezegd als iemand zijn neus ophaalt voor eten dat volgens hem/haar onsmakelijk is)
dons, dons, dons
dood, dood, dood. Dooie en levende ave (Kampereiland, Kamperveen) ‘totale inboedel, inclusief vee, van een boerderij’
doodgemoedereerd, doodgemoedereerd, doodkalm
doodgraver, doodgraver, doodgraver
doodkist, doodkiste, (Gunninks woordenlijst van 1908) doodkist
doof, doof, doof, verdoofd
doofkool, doofkole, (Gunninks woordenlijst van 1908) dovekool
doofpot, doofpot, doofpot
dooi, deui, dooi
dooien, deuien, dooien
dooier, dore, (Gunninks woordenlijst van 1908) dooier
dooievisjesvreter, dooie-vissies-vreter, saai persoon
doolhof, dool-of, dôêl-of, doolhof. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dôêl-of (Kamperveen)
doop, deup, doop
doopceel, deupsele, doopceel
doopdoek, deupdoek, doopdoek
doophok, deupökkien, zie deupusien
doophuisje, deupusien, ruimte achter het doophek in de kerk. Ook: deupökkien
doopjurk, deupjörk, doopjurk
doopmuts, deupmusse, doopmuts
door, deur, door
doordrammen, deurdrammen, doordrammen, doorzaniken
doordrammer, deurdrammerd, doordrammer, zanikerd
doorgaans, deurgaons, doorgaans
doorkijken, deurkieken, doorkijken
doorn, doorn, doorn
doorroken, deurroken, (Gunninks woordenlijst van 1908) doorroken
doorroker, deurroker, stenen pijp waarop bij verkleuring door de tabaksdamp een figuur tevoorschijn komt
doorschijnen, deurskienen, deurskîênen, (Kampen, Kamperveen) doorschijnen. Ook: deurskîênen (Kampereiland)
doorslaan, deurslaon, 1. doorslaan; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: gallopperen; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: opsnijden
doorslag, deurslag, 1. doorslag; 2. drevel; 3. vergiet (Kamperveen); 4. test (Kamperveen)
doos, deuze, doos. Det is d’r ene uut et deusien ‘dat is een gewone’
dop, dòppe, dop. Dòppen op de ogen ebben ‘nergens erg is hebben, niet goed uitkijken’
dopen, deupen, dopen
dopje, döppies, klappertjes
doppen, dòppen, döppen, werkwoord, doppen. Ook: döppen
dorp, dörp, dorp
dorsen, dössen, dorsen
dorst, döst, dorst
dorstig, döstig, dorstig
dot, dòdde, 1. dot. Een dòdde gas geven ‘flink gas geven’; 2. iemand die er haveloos uitziet. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dòddekuken
dot, dòtte, pluk (van bijv. watten, katoen)
dotkuiken, dòddekuken, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) 1. kuiken dat slecht in de veren zit; 2. iemand die er vuil en haveloos uitziet. Ook: dòdde
dovekool, dovekeulties, doorgebrande turf, die gebruikt werd in een stoof voor voetverwarming
doven, doven, werkwoord, doven
draad, draod, draoden, drötien, drögien, (verkleinwoord drötien (Kampen) / drögien (Kampereiland, Kamperveen)), draad
draadnagel, draodnägel, 1. draadnagel; 2. eigenaardig type
draai, drèèi(-), (Gunninks woordenlijst van 1908) zie drei(-)
draai, drei, drèèi, draai. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: drèèi
draaien, dreien, drèèien, draaien. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: drèèien
draaier, drèèier, (Gunninks woordenlijst van 1908) iemand die ‘draait’. Gunninks woordenlijst van 1908: Mit drèèiers ummegaon ‘niet te vertrouwen zijn’
draaier, drèèierd, (Gunninks woordenlijst van 1908) streek, draaierij
draaierig, dreierig, drèèierig, draaierig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: drèèierig
draaikolk, dreikolk, dreikolke, drèèikòlk, draaikolk. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: drèèikòlk
draaikont, dreikonte, opzichtig lopende vrouw
draaimolen, dreimeule, draaimolen
draaiorgel, dreiörgel, draaiorgel
draaitrap, dreitrappe, draaitrap
draak, draak, onaangenaam mens
dracht, dracht, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. vracht; 2. klederdracht. Gunninks woordenlijst van 1908: In dät goed zit dracht ‘dat goed is sterk’
drachtig, drächtig, drachtig
draden, draoden, draon, werkwoord, 1. draden van bonen; 2. uitrafelen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: draon
draf, draf, draf
dragen, dragen, draagt, droeg, droegen, edragen, dragen
drager, drager, drager bij een begrafenis
drammen, drammen, zaniken
drammerd, drammerd, zanikerd
drank, drank, sterke drank
draven, draven, draven
dreef, dreef, (Gunninks woordenlijst van 1908) gang (fig.)
dreef, dreve, zie drevel
dreet, dreet, scheet
dreg, dregge, dreg
dreigement, driegement, dreigement
dreigen, drîêgen, dreigen
drek, drek, drek
drekbak, drekbak, vuilnisvat
drem, drem, (Gunninks woordenlijst van 1908) gejaagdheid
drempel, drumpel, drempel
drentelen, drentelen, talmen
drenzen, drenzen, drèènzen, (Kampen) drenzen, zeuren. Òlt oe gedrens veur oe ‘zanik niet!’. Ook: drèènzen (Kampereiland, Kamperveen)
dreun, dreun, (Kampen) wijs. Ie brengen mien van de dreun òf ‘je brengt me van de wijs’
dreun, dreune, (Kampereiland, Kamperveen) 1. eentonige wijs; 2. gezeur
dreutel, dreutel, 1. stop voor een vat; 2. spotnaam
dreutelen, dreutelen, draotelen, dröttelen, drötelen, (Kampen) aarzelen. Ook: draotelen (Kampereiland, Kamperveen), dröttelen (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: drötelen (niet Kampen)
dreutelig, drötelig, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) talmend
dreutneutel, drötnöttel, kluns, sufferd
drevel, drevel, dreve, drevel. Ook: dreve (Kamperveen)
drie, drieje, drie
drieërlei, driejerlei, driederlei, drieërlei. Ook: driederlei (Kampereiland, Kamperveen)
driekaart, driekaart, in: een driekaart van troefaos, of: een driekaart van foele Endrik ‘een minder gunstig bekend staand drietal’
drieklezoor, drieklezoer, kluns. Ook: driekwät (Kampen)
driekwart, driekwät, zie drieklezoer
driepapt, driepäpt, (Kampereiland, Kamperveen) met drie spenen melk gevend
driest, drieste, driest
drift, drift, drift
driftig, driftig, driftig
drijfschaal, driefskale, drijfschaal
drijten, drieten, dret, dreet, dreten, edreten, schijten
drijterd, drieterd, bangerik
drijterig, dreterig, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. zie drieterig; 2. diarree hebbend
drijterig, drieterig, dreterig, bang. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dreterig (niet Kampen)
drijven, drîêven, dref, dreef, dreven, edreven, drijven
dril, dril, gestold vleesnat en alles wat daarop lijkt
drillen, drillen, drillen
dringen, dringen, dringen
drinken, drinken, drinken
droes, druus, (Kampereiland, Kamperveen) droes (paardenziekte)
drogen, dreugen, drogen
drol, drol, (Kampereiland) bangerd
dromedaris, drommedaris, 1. dromedaris; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: lomperd
dromen, dromen, dromen
dronken, dronkend, dronken
droog, dreuge, droog. Zo dreuge as een neute
droogkamer, dreugkamer, droogkamer (vertrek in sigarenfabriek waar sigaren worden gedroogd)
drooglijn, dreugliende, waslijn
droogpruim, dreugproeme, dreugpruimer, saaie vent. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dreugpruimer
droogpruimer, dreugpruimer, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie dreugproeme
droogtrommel, dreugtrommel, droogtrommel
droom, droom, droom
drop, drup, drop
drossen, dròssen, weglopen
druif, drôêve, drôêven, drufien, druif
druk, druk, druk. Druk in de weer wezen ‘druk bezig zijn’, Zo druk as een klein bösien ‘heel druk’
drukken, drukken, drukken
drukker, drukkerd, duw
drundel, drundel, sukkel
drupje, druppien, 1. vrolijke Frans; 2. dropje; 3. borreltje
drupoog, drupoge, druipoog
druppel, druppeltien, druppeltje
druppen, druppen, druppen
dubbel, dubbeld, dubbel
dubbeltje, dubbeltien, dubbeltje
dubbeltjesdief, dubbeltiesdief, 1. vrek; 2. fiscus
duffel, duffel, zware soort stof
duffels, duffels, van duffel gemaakt. Een duffelse jässe ‘een duffelse jas’
duidelijk, dudelijk, duidelijk
duif, dôêve, duif
duiken, duken, duiken
duiker, duker, duiker
duim, doeme, duim. De doeme op de knippe òllen ‘zuinig zijn’, doeme van Petrus ‘zwarte vlek bij de kieuw van de schelvis’ (zo kan de schelvis onderscheiden worden van de wijting en de kabeljauw)
duimdrop, doemdrup, duimdrop, zachte drop die op de nagel van de duim wordt gedrukt. Door de duim in de mond te steken kan de drop worden afgezogen.
duimdruk, doemdruk, kerkboek met van boven naar beneden op de pagina’s uitsparingen, zodanig dat de verschillende onderdelen - bijv. bijbelboeken - bij elke uitsparing door enkele letters kunnen worden aangeduid. De uitsparingen zijn halfrond. De duim kan bij het gewenste on
duimeling, doemelink, dumelink, (Kampen, Kampereiland) duimeling. Ook: dumelink (Kamperveen)
duimen, doemen, duimen draaien
duister, duuster, duister
duisternis, duusternisse, duisternis
duit, duit, duit
duivel, duvel, dûvel, duivel. ’t Liekt wel òf de duvel d’r ejonkt ef ‘het is er een rommel van jewelste’, ’t Liekt wel òf de duvel d’r mee speult ‘het wil niet lukken, het is een kwade zaak’, Zo ku-j met de duvel wel ûzen ‘je moet niet altijd toegeven’,
duivel in doosje, duvel-in-deusien, 1. bijdehand kind; 2. speelgoed
duivelstoejager, dûvelstoejäger, (Gunninks woordenlijst van 1908) handlanger bij allerlei werk
duiveltje, duveltien, potkacheltje
duivenhok, dôêvòk, duivenhok
duivenkont, dôêvekonte, duivenliefhebber
duizelen, doezelen, dôêzelen, (Kampen) duizelen. Ook: dôêzelen (Kampereiland, Kamperveen)
duizelig, doezelig, dôêzelig, (Kampen) duizelig. Ook: dôêzelig (Kampereiland, Kamperveen)
duizend, dûzend, duizend
duizendhalf, dûzendalf, (Kampereiland, Kamperveen) negenhonderdvijftig (koopmanstaal op de markt)
dulden, dulden, verdragen
dun, dunne, dun. ’t Giet em dunne deur de därms ‘hij krijgt niet wat hij dacht te krijgen’
dunken, dunken, dunken. Van dunken wezen ‘van mening zijn’
dunnege, dun-egge, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) slaap (deel van het hoofd)
duren, duren, duren
durven, dörven, ik dörve, ij dörft, verl. tijd: ij dörven / dörfde, durven
dus, dus, dus
duur, duur, zelfstandig naamwoord, duur
duur, duur, bijvoeglijk naamwoord, duur
dwaallicht, dwaallichien, iemand met verwarde ideeën
dwaalspreken, dwäälspraoken, (Gunninks woordenlijst van 1908) ijlen
dwaas, dwaas, dwaas
dwalen, dwalen, dwalen
dwarrelen, dwärrelen, dwäddelen, (Kampen, Kampereiland) dwarrelen. Ook: dwäddelen (Kamperveen)
dwarrelig, dwäddelig, (Gunninks woordenlijst van 1908) duizelig
dwars, dwäs, dwars
dwarsbengel, dwäsbongel, dwarsligger
dwarsdrijven, dwäsdrîêven, dwarsdrijven
dwarsdrijver, dwäsdrîêver, dwarsdrijver
dwarssloot, dwässloot, dwarssloot
dwingen, dwingen, dwingt, dwung, dwungen, edwungen, dwingen
eau de cologne, odeklonje, eau de cologne. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: orlerein (niet Kampen) (eau de la reine)
eau de la reine, orlerein, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie odeklonje
echt, echt, echt
edel, edel, edel
edik, eek, zie azien
eed, îêd, (Gunninks woordenlijst van 1908) eed
eekhoorn, eekeurntien, eekoorn, eenkeurntien, eekhoorn. Ook: eekoorn, Gunninks woordenlijst van 1908: eenkeurntien (Kamperveen)
één, ene, îêne, telwoord, één. Ook: îêne (Kampereiland, Kamperveen)
eend, änte, ände, eend. Siedietammänties. Astoendis, paktem! ‘Zie die tamme eend eens. Als het de jouwe is, pak hem dan!’ (grappig gezegde om aan te geven hoe men in het Kampers ‘alle woorden aan elkaar plakt’, zie ook: redden). Ook: Gunninks woordenlijst van
eendenei, änte-ei, ändenei, eendenei. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ändenei (Kampen, Kamperveen)
eendenkroos, ändekreuze, (Gunninks woordenlijst van 1908) eendenkroos
eendennest, ändenöst, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampen, Kamperveen) eendennest
eendracht, îêndracht, (Kampereiland, Kamperveen) eendracht
eenkennig, îênkennig, (Kampereiland, Kamperveen) eenkennig
eenparig, îênparig, (Kampereiland, Kamperveen) eenparig
eens, ies, îêns, bijwoord, eens. Ook: îêns (Kampereiland, Kamperveen)
eenspan, eenspan, îênspan, (Kampereiland, Kamperveen) dubbele boom aan bijv. een kar voor één paard. Ook: îênspan (Kampereiland, Kamperveen)
eenvoudig, îênvoudig, (Gunninks woordenlijst van 1908) eenvoudig
eenzaam, îênzäm, (Gunninks woordenlijst van 1908) eenzaam
eer, ere, zelfstandig naamwoord, eer
eerder, eerder, 1. eerder; 2. liever
eergisteren, eergisteren, eergisteren
eerlijk, eerlijk, eerlijk
eerlijk, eerlinks, (Gunninks woordenlijst van 1908) in ernst
eerst, eerst, eerst
eetbaar, eetber, eetbaar
eeuw, eeuw, eeuw
eeuwig, eeuwig, eeuwig
effen, effen, bijvoeglijk naamwoord, effen
eg, egge, 1. eg; 2. zie ege
egaal, îêngääl, (Gunninks woordenlijst van 1908) effen, gelijkmatig
ei, ei, eiers, eigien, ei
eierdooier, eiedoorn, eiedore, (Kampen) eierdooier. Ook: eiedore (Kampereiland, Kamperveen)
eigen, ègen, eigen, eigen
eigen, ègens, zelf
eigen, eigens, (Gunninks woordenlijst van 1908) zelf. Gunninks woordenlijst van 1908: Ik eigens ‘ik zelf’, Gunninks woordenlijst van 1908: van eigens ‘vanzelf’
eigenaardig, ègenöördig, (Kampen) eigenaardig
eigengereid, ègengereid, eigengereid, zie ègenwies
eigenlijk, eigelijk, eigenlijk
eigenwijs, ègenwies, eigenwijs. Ook: ègengereid, Gunninks woordenlijst van 1908: eigengereid
eikel, ekkel, (Kampen) eikel
eiken, eken, ieken, îêken, eiken, eikenhout. Ook: ekenòlt (Kampen), ieken (Kampen), îêken (Kampereiland, Kamperveen), îêkenòlt (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: eiken
eikenboom, îêkenboom, (Kampereiland, Kamperveen) eik
eikenhout, ekenòlt, îêkenòlt, zie eken
eiland, eiland, eiland
eiloversbloem, eileuversbloeme, (Kamperveen) koekoeksbloem
einde, ende, èènde, (Kampen) einde. Ook: èènde (Kampereiland, Kamperveen). Döör is ’t ende van weg ‘dat is ongehoord’
eindeste, eindeste, èneste, endelste, (Kampereiland, Kamperveen) uiterste. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ènenste, Gunninks woordenlijst van 1908: eindelste (Kamperveen)
eisen, eisen, eisen
ekster, äkster, ekster. Gunninks woordenlijst van 1908: A-j een äkster nao Päries sturen, krîê-j een bonte vogel weerumme ‘als men een ekster naar Parijs stuurt, krijgt men een bonte vogel terug’
eksteroog, eksteroge, eksteroog, likdoorn. Ook: liekdoorn (Kampen)
el, elle, el
elastiek, ellestiek, elestiek, elkstiek, elastiek. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: elestiek, Gunninks woordenlijst van 1908: elkstiek (Kampen)
elf, elf, elf
elfendertigst, elvendättigst, in: op zien elvendättigst ‘op z’n elfendertigst’
elk, elk, elk
ellebogen, ellebouwen, (Gunninks woordenlijst van 1908) ruziemaken
elleboog, elleboge, elleboog
ellende, ellende, ellende
els, nelsen, nelsem, (Gunninks woordenlijst van 1908) els. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: nelsem (Kamperveen)
elzenhout, elzenòlt, elsòlt, (Kampen, Kampereiland) elzenhout. Ook: elsòlt (Kamperveen)
email, emaille, emaille
emmer, nemmer, (Gunninks woordenlijst van 1908) emmer
en, en, en
endeldarm, enteldärm, (Gunninks woordenlijst van 1908) endeldarm
engel, engel, engel
enkel, enkel, enkel (deel van het been)
enkel, enkeld, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, telwoord, 1. soms; 2. enkel; 3. erg slank (van een persoon)
enter, enter, (Kampereiland, Kamperveen) eenjarig paard
er, er, er
eren, eren, werkwoord, eren
erf, ärf, ärve, erf. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ärve
erfgenaam, ärfgename, erfgenaam. Ook: ärve
erfhuis, ärfuus, boeldag: veiling van het vee en de inboedel na het overlijden of bij het vertrek van een boer
erfhuiskoek, ärfuuskoeke, koek die op de boeldag aan de bezoekers werd verkocht
erg, ärg, zelfstandig naamwoord, erg
erg, ärg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, erg
ergens, ärgens, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie äns
ergeren, ärgeren, ergeren
ernst, eerns, (Gunninks woordenlijst van 1908) ernst. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Wòdt eerns ‘het wordt ernst’
ernstig, änstig, ernstig
erom, d’rumme, zie d’rum-ene
eromheen, d’rum-ene, (Kampen, Kampereiland) eromheen. Ook: drumme (Kamperveen)
erve, ärve, 1. zie ärfgename; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zie ärf
erven, ärven, werkwoord, erven
erwt, ärfte, ärften, ärfien, erwt
erwtensoep, ärftensoep, snert
es, esse, zie essenboom
essenboom, essenboom, es. Ook: esse
estrik, estrink, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. estrik; 2. blauwe knikker
eten, eten, et, at, aten, egeten, eten
etgaarde, etgerd, etgroen
etgaardehooi, etgerd-eui, hooi van de tweede snede
etter, etter, etter
etteren, etteren, etteren
euvel, euvel, euvel
even, effen, bijwoord, even
even, even, even. Even òld ‘van dezelfde leeftijd’
evenaar, evender, nevenäär, nevender, (Kampereiland, Kamperveen) balk waaraan twee knuppels werden bevestigd om twee paarden een kar te laten trekken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: nevenäär , Gunninks woordenlijst van 1908: nevender (Kamperveen)
evenouder, evenòlder, (Kampereiland, Kamperveen) iemand van dezelfde leeftijd
evenredig, evenredig, evenredig
evenredigheid, evenredigeid, evenredigheid
eventjes, evenpies, eventies, effenties, (Kampen, Kampereiland) eventjes. Ook: eventies (Kampen, Kamperveen)
ewerink, ewerik, ewerink, fistel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ewerink
ezel, ezel, ezel
fabel, fäbel, faobel, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampen) fabel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: faobel (Kamperveen)
fabriek, febriek, fabriek, (’t, de -) fabriek. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: fabriek
fahrrad, farad, zie vielesepee
falie, falie, vel, huid. Op zien falie krîêgen ‘een pak ransel krijgen’
familie, femilie, familie
fatsoen, fesoen, 1. fatsoen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vorm
fatsoenlijk, fesoendelijk, fesoenlijk, fatsoenlijk
fazant, fezante, fazant
fazel, vazel, (Kampereiland, Kamperveen) uitwendige geslachtsdelen van vrouwelijke dieren
februari, febrewari, februari
feeks, feekse, fiekse, (Kampen) feeks. Ook: fiekse (Kampereiland, Kamperveen)
feest, feest, feest
feil, veile, dweil
feilen, veilen, dweilen
fel, fel, verzot
feliciteren, fieleseteren, fielseteren, feliciteren
ferm, färm, ferm, flink. Gunninks woordenlijst van 1908: Färm kòld ‘zeer koud’
fiducie, fedusie, fiducie, vertrouwen
fiedel, fiedel, viool
fiedeltje, fieteltien, fiedeltien, (Kampen) klein beetje. Ook: fiedeltien (Kampereiland, Kamperveen), futseltien (Kampen), flutsien (Kampereiland, Kamperveen)
fieselemie, fieselemie, gelaat. Met zo’n fieselemie ku-j beter in bedde kroepen! ‘met zo’n tronie kun je beter in bed kruipen!’
fiets, fietse, fiets
fietslantaarn, fietslanteern, fietslantaren
figuur, feguur, figuur
fijn, fien, fijn. ’t Wärk in ’t fiene ebben ‘met een karwei klaar zijn’
fijne, fiene, streng orthodoxe kerkganger
fijnproever, fienprûver, fijnproever
fijntjes, fienties, scherp. ’t Is buten fienties kòld ‘het voelt buiten scherp koud aan’
fijt, fiet, fijt
fiks, fiks, flink
finaal, finaol, finaal, geheel en al
finale, finaole, finale
fistel, fissel, (Kamperveen) fistel
fitsfatserig, fitsfatserig, (Kampereiland) erg secuur
flab, flabbe, wier in de sloot. Zie ook: slabbe
flabberen, flabberen, (Gunninks woordenlijst van 1908) fladderen
flambouw, flambouwe, lampion
flanel, flenel, fenel, flanel. Ook: fenel
flap, flappe, flap
flapdrol, flapdròl, flapdròlle, (Kampen) een vent van niks. Ook: flapdròlle (Kamperveen)
flapuit, flapuut, flapuit
flard, flädde, flard
flater, flater, zie fleer
flauw, flauw, flauw
fleer, fleer, flèèr, (Kampen) oorveeg. Ook: flèèr (Kampen), flater (Kampereiland, Kamperveen)
fles, flesse, fles
fleur, fleur, fleur
fleurig, fleurig, fleurig
flikflooien, flikflooien, vleien
flikflooier, flikflooier, flikflooier
flikken, flikken, flikken: het wegwerken van kleine plekjes op geëmailleerde artikelen, waar de kleuremaille zich niet goed gehecht had. Dit gebeurde na het branden
flikken, flikken, doen, wagen. Det flik ie mien niet ‘dat doe je niet’, Det mos ie ies flikken ‘dat moest je eens wagen’
flikker, flikker, flikker: de arbeider die het flikken uitvoerde (meestal een oudere werknemer die geen zwaar werk meer kon verrichten)
flikkeren, flikkeren, flikkeren
flikkerij, flikkeri’jgien, winstgevend zaakje. Die andel is een mooi flikkeri’jgien ‘dat is een lucratieve handel’
flink, flink, flink
flip, flippien, penis
flodderen, flodden, flodderen, knoeien, morsen. Ook: flodderen
floddermadam, floddermadam, vrouw die overdreven doet
floddermuts, floddermusse, floddermuts
floers, floers, floers
floeteren, floeteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie ploeteren
fluim, flume, (Kampen, Kamperveen) fluim, slijm (ook als scheldwoord gebruikt). Ook: plume (Kamperveen)
fluisteren, fluusteren, fluisteren
fluit, fluite, fluit
fluiten, fluiten, fluit, fleut / fluiten (Kampen), fleuten / fluiten, fluiten
fluts, flutsien, zie fieteltien
fluweel, fewiel, (Gunninks woordenlijst van 1908) fluweel
fluwelen, fewielen, (Gunninks woordenlijst van 1908) fluwelen
foei, foj, fuj, foei, in: ’t Is te uj of te fuj ‘het is alles of niks’
foekepot, foekepòt, rommelpot
foeksen, foksen, 1. voor elkaar krijgen. Det foks ik wel ‘dat maak ik wel voor elkaar’; 2. slorig naaien. Kiek ies oe ze die jässe in mekare efokst ef ‘kijk eens hoe slordig ze die jas genaaid heeft’. Ook: toeksen
foep, foep, (Gunninks woordenlijst van 1908) kracht, energie
foeteren, foeteren, mompelen, knorren
fok, fòkke, 1. fok; 2. bril
fokken, fòkken, werkwoord, fokken
fommel, foemel, (Kampereiland, Kamperveen) iemand die maar wat aanklungelt
fommelen, foemelen, iets maar half doen, klungelen. Doet oe beste, en niet foemelen ‘doe je best, en geen half werk’
fontein, fontein, fontein
fooi, fooi, fooi
foppen, fòppen, foppen
fopspeen, fòpspene, fopspeen
forceren, fòkseren, 1. forceren; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: lastigvallen
fornuis, fenuus, fornuis
fornuispot, fenuuspòt, fornuisoven
fors, fös, fòs, fors. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: fòs
fout, foute, fout
fraai, fraoi, (Gunninks woordenlijst van 1908) zeer, nogal. Gunninks woordenlijst van 1908: Fraoi wat ‘aardig wat’
framboos, flamboze, (Gunninks woordenlijst van 1908) framboos
franje, franje, fräjjen, franje. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: fräjjen
frats, fratse, frätse, gril, kuur. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: frätse
fris, fris, fris
frok, fròk, zie ròk
frommelen, froemelen, frommelen
fronsel, fronsel, (Kampereiland, Kamperveen) kreukel
fronselen, fronselen, (Gunninks woordenlijst van 1908) fronselen
frunniken, frunniken, pietepeuterig werk doen
fuik, foeke, fuik
futsel, futseltien, zie fieteltien
gaaf, gaaf, geve, gaaf. Ook: geve (Kamperveen)
gaai, gaaie, 1. slons; 2. vrouw die zich opvallend gedraagt. Gekke gaaie wordt bijv. van een uitgelaten kind gezegd (hoeft niet negatief te zijn)
gaan, gaon, giet, ging (Kampen) / gong (Kamperveen) / gung (Ka, gaan
gaandeweg, gaondeweg, gaandeweg
gaar, gaar, 1. gaar; 2. bij zijn verstand. Die is niet goed gaar ‘die is niet goed bij zijn verstand’, goed gaar wezen ‘een goed verstand hebben’
gaarne, geerne, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie graag
gaddamme, gaddamme, gaddammie, uitroep als iets vies bevonden wordt, bastaardvloek. Ook: gaddärrie, gatverdärrie, Gunninks woordenlijst van 1908: gaddammie
gaddarrie, gaddärrie, zie gaddamme
gadverdarrie, gatverdärrie, zie gaddamme
gaffel, gaffel, gavel, gaffel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gavel
gagel, gagel, gaogel, Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gaogel; zie vremelte
gal, galle, gal
galblaas, galblaoze, galblaas
galbult, gallebulte, galbult
galerij, galderi’je, galerij
galg, galge, galg
gallig, gellig, (Kampereiland, Kamperveen) gallig (van schapen)
gallisch, gallisch, erg kwaad
galp, galp, schreeuw
galpen, galpen, schreeuwen
gang, gank, beweging, het gaan. In gank zetten ‘in beweging brengen’, an de gank ‘bezig’, in bijv.: Dan kan-k wel an de gank blîêven ‘bezig blijven’, Oe gank is gien dòktersgank (werd gezegd als iemand klaagde dat hij weer voor iets moest
gangs, gangs, ganks, in: gangs wezen, 1. aan de gang, druk, bezig; 2. rumoerig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ganks
gans, ganze, gaanze, (Kampen) gans. Ook: gaanze (Kampereiland, Kamperveen)
ganzenbord, ganzeböd, gaanzeböd, (Kampen) ganzenbord. Ook: gaanzeböd (Kampereiland, Kamperveen)
ganzenwipper, gaanzewippertien, (Kamperveen) kleine schuit voor de ganzenjacht
gapen, gapen, gapen
garde, gädde, garde
gardebezem, gäddebessem, zie rîêzebessem
garen, gären, (Gunninks woordenlijst van 1908) oprapen
garen, gören, gaoren, (Kampen) garen. Ook: gaoren (Kampereiland, Kamperveen)
garf, gärve, (Kampereiland, Kamperveen) garf
garnaal, genele, garnaal. Een genele ef ook ’n kòp ‘een klein kind heeft ook een willetje’
garstig, gästerig, gasterig, (Kampen) vies, vuil. Ook: gasterig (Kampereiland, Kamperveen)
gas, gas, gäs, gas. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gäs
gasconnade, kaskenazie, kaskenade, drukte, pocherij. Ook: kaskenade
gasfornuis, gasfenuus, gasfornuis
gashuus, gästuus, gastuus, (Kampen) 1. gasthuis; 2. bejaardentehuis. Ook: gastuus (Kampereiland, Kamperveen)
gaslicht, gaslicht, gäslicht, gaslicht. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gäslicht
gasmunt, gasmunte, gasmunt
gasolie, gaseulie, gasolie
gasser, gästerd, gasterd, (Kampen) viespeuk. Ook: gasterd (Kampereiland, Kamperveen)
gast, gäst, gast
gast, gaste, (Kampereiland, Kamperveen) groep van zes of acht garven, rechtop tegen elkaar gezet
gat, gat, gaten, gatien, gagien, (verkleinwoord gatien / gagien (Kampereiland)), gat. ’t Is in en uut mien gat (ook: in of uut -) ‘het is dik aan tussen die twee, hij/zij is overdreven vriendelijk tegen de ander’
gauwdief, gouwdief, gauwdief, (Kampen, Kampereiland) dief. Ook: gauwdief (Kamperveen)
gauwdievenweer, gauwdievenweer, (Gunninks woordenlijst van 1908) mistig weer
gebed, gebed, gebed
gebeuren, gebeuren, gebeuren
gebint, gebint, gebint
gebit, gebit, gebit
geblèr, gebleer, gehuil
gebod, gebòd, gebod
geboorte, geboorte, geboorte
geboren, geboren, geboren
gebrek, gebrek, gebrek
gebrekkelijk, gebrekkelijk, (Kampereiland, Kamperveen) gebrekkig
gebruik, gebruuk, gebruik
gebruiken, gebruken, gebruiken
gedaante, gedaonte, gedaante
gedachte, gedachte, gedächte, gedachte. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gedächte
gedachtenis, gedachtenisse, gedächtenisse, souvenir, herinnering. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gedächtenisse, andenken
gedauwel, gedauwel, (Gunninks woordenlijst van 1908) gestoei
gedienstig, gedîênstig, (Gunninks woordenlijst van 1908) gedienstig
gedijen, gedi’jen, groeien
gedoe, gedôê, (Gunninks woordenlijst van 1908) herrie, drukte
gedoetje, gedoegien, gedôêgien, (boeren)bedrijfje. Een raar gedoegien ‘een raar zaakje’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gedôêgien
gedogen, gedogen, gedogen
gedrankje, gedränkien, (Kampereiland, Kamperveen) drankje
geduld, geduld, geduld
geduvel, geduvel, gedûvel, 1. gezanik, gezeur; 2. ruzie. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gedûvel
gee, gee, (Kampereiland, Kamperveen) streek gras die door de maaiers ineens gemaaid wordt
geel, geel, geel. Zo geel as een wöttel die gek wödt
geen, gien, gin, (Kampen) geen. Ook: gin (Kampereiland, Kamperveen)
geen een, gienene, gienîêne, ginîêne, (Kampen) niemand. Ook: gienîêne (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: ginîêne
geeneens, gienies, niet eens. Det kan ie gienies ‘dat kan hij niet eens’. Ook: nieties
geest, geest, geest
geeuwhonger, gee-onger, geeuwhonger
gehakt, gak, ge-ak, (Kampen) gehakt. Ook: ge-ak (Kampereiland, Kamperveen)
gehalte, galte, ge-alte, gehalte. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ge-alte
gehalte, ge-alte, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie galte
geheim, ge-eim, geheim
geheister, ge-eister, lawaai
gehemelte, gemelte, zie vremelte
geil, geil, (Gunninks woordenlijst van 1908) vruchtbaar, weelderig
geit, geite, geit. Gunninks woordenlijst van 1908: Een geite van een deerne ‘een slons’
geitenbok, geitebok, mannetjesgeit
gejoel, gejoel, gejoel
gek, gek, bijvoeglijk naamwoord, gek. Zo gek as een rad, zo gek as Bosmans ond, zo gek as een cent, zo gek as een dubbeltien, ’t Is te gek umme an ’t eui te binnen ‘het is te gek om los te lopen’, Ik bin gekke Appien niet ‘zo gek krijg je me niet’, gekke gaaie
gek, gek, zelfstandig naamwoord, 1. gek; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: draaiende kap van een schoorsteen
gekerm, gekärm, gekerm
gekheid, gek-eid, gekheid
gekken, gekken, gekheid maken
geknoei, geknooi, 1. geknoei; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: geknutsel
gekraak, gekraak, gekraak
gekscheren, gekskeren, gekscheren
gelach, gelach, gelach
gelag, gelag, gelag
geld, geld, geld
geldbuidel, geldbule, geldbuidel
gelden, gellen, werkwoord, 1. gelden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kosten
gelegenheid, gelegeneid, gelegendeid, gelegenheid
geleuf, gleuve, gleuf
gelijk, geliek, gelieke, lieked, 1. gelijk. Gunninks woordenlijst van 1908: Der is meer geliek as eigen (gezegd wanneer men twijfelt of iemand iets wel toebehoort); 2. zie tegelieke. Zie ook: lieked
gelijk, liek, lieke, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gelijk, vlak. Ik make et lieke ‘ik maak het vlak’, Ik ebbe ’t em liek in zien gezichte ezèègd ‘ik heb het hem recht in zijn gezicht gezegd’. Zie ook: lieked
gelijk, lieked, lieks, liek, lieke, geliek, gelieke, gelijk. We bin lieked eindigd ‘gelijk’, Now bi-w lieked ‘nu staan we quitte’
gelijkenis, geliekenisse, gelijkenis
geloof, geleuf, gelove, geloof. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gelove
geloop, geloop, geloop
geloven, geleuven, geloven
geltensnijder, gellensnîêder, geltensnîêder, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) iemand die dieren castreert. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: geltensnîêder (niet Kampen)
geluid, geluud, geluid
geluk, geluk, 1. geluk; 2. de koop is gesloten (gezegd op de veemarkt wanneer na onderhandelen met “handjeklap” tussen koper en verkoper overeenstemming is bereikt over de koop van een dier) (Kampereiland, Kamperveen)
gelukwensen, luksen, gelukwensen met nieuwjaar
gemacht, gemach, mannelijke schaamdelen
gemak, gemak, (Kampen) 1. gemak. Gunninks woordenlijst van 1908: Mit gemak ‘gemakkelijk; langzamerhand’; 2. oud woord voor W.C
gemeen, gemeen, gemeen, oneerlijk, slecht
gemeente, gemeente, gemeente
gemenigheid, gemenigeid, (Gunninks woordenlijst van 1908) oneerlijkheid, slechtheid
gemoedereerd, gemoedereerd, (Gunninks woordenlijst van 1908) kalm
gemoedereerdheid, gemoedereerdeid, kalmte
gemutst, gemust, (Gunninks woordenlijst van 1908) gemutst
genade, genaode, genade
genadig, genaodig, 1. genadig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: toegeeflijk
Genemuiden, Gällemuden, Genemuden, Gellemuden, Genemuiden. Ook: Genemuden (Kampen, Kamperveen), Gellemuden (Kampen)
generen, generen, generen
generen, sjeneren, seneren, schamen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: seneren
geneuk, geneuk, (Gunninks woordenlijst van 1908) gezanik
genezen, genezen, genes / genis (Kamperveen), genas, genazen, geneze, genezen
gengelen, gängelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) lusteloos rondslenteren
genie, sjenee, (Gunninks woordenlijst van 1908) lust, plezier
genieten, genieten, genieten
genoeg, genog, genogt, genoeg
genot, genòt, 1. genot; 2. gemak
gent, gänte, (Kamperveen) gent (mannetjesgans)
gerak, gerak, zie gerei
gerecht, gerecht, gerecht
gerecht, gericht, (Gunninks woordenlijst van 1908) gerecht, spijs
gereformeerd, griffemeerd, gereformeerd
gerei, gerei, gerei. Ook: gerak (Kampereiland, Kamperveen). Zien gerak ebben, of: zien gerak krîêgen ‘van het nodige voorzien zijn’
geren, geren, geren (schuinlopen)
gerief, gerief, gerief
gerieven, gerîêven, gerieven, gerieven. Ook: gerieven (Kampen)
geroep, geroep, geroep
gerst, gäste, gerst
geschiedenis, geskiedenisse, geschiedenis
geschikt, geskikt, geschikt
geschreeuw, geskriw, geschreeuw
gesel, giesel, (Gunninks woordenlijst van 1908) gesel
geslacht, geslächt, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) (het) geslachte
geslacht, geslachte, (Gunninks woordenlijst van 1908) geslacht, familie
geslons, gesluns, 1. geklungel; 2. voedsel dat zo genoemd wordt als men het niet kent of niet lust
gesp, gäspe, gesp. Ook: gäspel
gesp, gäspel, zie gäspe
gespelen, giespelen, heel hard lopen
gespikkeld, gespikkeld, gespikkeld
gespuis, gespuus, gespuis
gestaag, gestaodig, 1. kalm; 2. aanhoudend
gestel, gestel, gestel
gesticht, gesticht, gesticht
gestunder, gestunder, (Kamperveen) 1. getob; 2. drukte
gestuntel, gestuntel, (Kampen) geklungel
getal, getal, getal
getijgerd, getîêgerd, (Gunninks woordenlijst van 1908) getijgerd
getuige, getuge, getuige
getuigen, getugen, getuigen
gevaar, gevaar, (Kampereiland, Kamperveen) voertuig
gevaar, gevöör, gevaor, (Kampen) gevaar. Ook: gevaor (Kampereiland, Kamperveen)
gevaarlijk, gevöörlijk, gevaorlijk, (Kampen) gevaarlijk. Ook: gevaorlijk (Kampereiland, Kamperveen)
gevaarte, gevöörte, gevaorte, (Kampen) gevaarte. Ook: gevaorte (Kampereiland, Kamperveen)
geval, geval, geval
gevel, gevel, gevel
geven, geven, geven
gevloek, gevluuk, gevlûûk, (Kampen) gevloek. Ook: gevlûûk (Kampereiland, Kamperveen)
gevoel, gevuul, gevoel
gewaarworden, gewöörwödden, gewaarwödden, (Kampen) gewaar worden. Ook: gewaarwödden (Kampereiland, Kamperveen)
gewaarwording, gewöörwörding, gewaarwording
geweld, geweld, geweld
gewelf, gewulfte, gewelfte, (Kampen) gewelf. Ook: gewelfte (Kampereiland, Kamperveen)
geweten, geweten, geweten
gewicht, gewicht, gewicht
gewicht, wichien, 25 kg vis
gewichtig, wichtig, 1. zwaarder dan verwacht; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: het bepaalde gewicht hebbend, vol
gewillig, gewillig, gewillig
gewis, gewis, gewis, zeker
gewoon, gewoon, gewoon
geworden, gewödden, (Gunninks woordenlijst van 1908) geworden
gewricht, gevricht, gewricht
gezag, gezag, gezag
gezicht, gezichte, gezicht. Een gezichte as zeuven dagen slecht weer ‘een boos gezicht’, iemand op zien gezichte geven ‘iemand slaan, letterlijk of figuurlijk’, IJ is op zien gezichte evallen ‘hij is figuurlijk onderuit gegaan’
gezin, gezin, gezin
gezond, gezond, gezond
gezondheid, gezondeid, 1. gezondheid; 2. lap van wol of zeemleer, die om het middel werd gedragen ter voorkoming van rugklachten (Kampen)
gezwind, gezwind, (Gunninks woordenlijst van 1908) vlug, handig
gezwindheid, gezwindigeid, (Gunninks woordenlijst van 1908) vlugheid
gieren, gieren, werkwoord, gieren
gierig, gierig, gierig
gieteling, gietelink, gîêtelink, 1. gieteling (merel); 2. jongen of meisje die/dat erg lang is voor zijn/haar leeftijd. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gîêtelink
gieten, gîêten, geten, gieten, göt, geut, geuten, egeuten, (Kampen) gieten. Ook: geten (Kampereiland, Kamperveen), gieten (Kampen)
gieter, gîêter, (Kampereiland, Kamperveen) gieter
gift, gifte, 1. gift; 2. bord pap (Kamperveen); 3. Gunninks woordenlijst van 1908: bekervormig voorwerp waaruit men pap eet, vgl. teste. Een teste is vierkant, een gifte rond
ginder, gunder, gänder, gunter, genter, (Kampen) ginds. Ook: gänder (Kampereiland, Kamperveen), gunter, Gunninks woordenlijst van 1908: genter
gips, gips, gips
gissen, gissen, gissen
gist, gest, (Kampen, Kampereiland) gist
gisteren, gisten, gisteren, gisteren
glad, glad, 1. glad; 2. geheel. Glad en al ‘helemaal’, Bi-j glad en al gek!, glad verkeerd ‘helemaal verkeerd’
gladakker, gladdekker, sluwe vent
gladjes, glätties, gladjes. Det löp glätties
glans, glans, glaans, (Kampen) glans. Ook: glaans (Kampereiland, Kamperveen)
glanssteen, glaanzestien, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampereiland) steen waarmee men het strijkgoed glanst
glanzen, glanzen, glaanzen, (Kampen) glanzen. Ook: glaanzen (Kampereiland, Kamperveen)
glas, glas, glazen, glasien, glas
glazen, glazen, bijvoeglijk naamwoord, glazen
glazenmaker, glazemaker, libellensoort
glazenwipper, glazewipper, soort tol
glibberig, glibberig, glibberig
glijden, gliejen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie glieren
glijden, glieren, 1. glijden op sneeuw of ijs. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gliejen (Kamperveen), glinderen; 2. vallen
glimmen, glimmen, glimmen. Det glimt as een keersemakerskuntien in de maoneskien, det glimt as een ondekeutel in de maneschijn ‘dat ziet er heel mooi uit’, Det glimt as een zwät kalf in ’t duuster ‘daar zit geen glans meer op, (fig.): daar zit geen toekomst m
glimsmeer, glimsmeer, schoensmeer
glinderbaan, glinderbane, zie slierbane
glinderen, glinderen, zie glieren
glint, glinte, fuut
gloed, gloed, gloed
gloeien, gluuien, gloeien
gloeiendig, glûûndig, glûnig, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie gloepend
gloeikousje, gluuikousien, gloeikousje (van gaslamp)
glooien, gliwwen, gluren
gluipen, gloepen, gluipen
gluipend, gloepend, gloeiend, heel erg. Gloepend îête ‘kokend heet’. Ook: glupendig, glûnig, Gunninks woordenlijst van 1908: glûûndig. ’t Is glûnig kòld ‘het is zeer koud’
gluiperd, gloeperd, gluiper
gluiperig, gloeperig, gluperig, gluiperig. Ook: gluperig, Gunninks woordenlijst van 1908: gloeps
gluipertje, gloepertien, glupertien, kind dat een ander, een kind of een volwassene, te slim af is
gluips, gloeps, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie gloeperig
glunderen, glunderen, glunderen
goal, kool, 1. goal, doel; 2. doelpunt
goal gooien, koolgooien, doelgooien (balspel)
goal schieten, koolskieten, koolskîêten, zie koolskuppen
goal schoppen, koolskuppen, doeltrappen. Ook: koolskieten (Kampen, Kamperveen), koolskîêten (Kampereiland), kooltrappen
goal trappen, kooltrappen, zie koolskuppen
godspenning, goospenning, (Kampen) godspenning. Ook: meetpenning, Gunninks woordenlijst van 1908: meepennik (niet Kampen)
goed, goed, zelfstandig naamwoord, goed. Zien goeie goed an-ebben ‘zijn beste kleren aanhebben’, Gunninks woordenlijst van 1908: In dät goed zit dracht ‘dat goed is sterk’
goed, goed, bijvoeglijk naamwoord, goed. Niet goed in d’oed wezen ‘niet in orde zijn; spottend: ze niet allemaal op een rijtje hebben’ (zie ook: lekker), Det is een goeie om de dood op te alen ‘dat is een langzaam persoon’, goeie gelegeneid ‘gunstige wind (voor
goedkoop, goedkoop, goedkoop
goedschiks, goedskiks, goedschiks
gofferd, gofferd, grof gebouwd persoon
golf, gòlve, golf
gom, gom, gom
gomelastiek, gommelestiek, vlakgom
gommenikke, gommenikkies, gommenichies, bastaardvloek. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gommenichies
goochelen, goochelen, goochelen
gooien, gooien, gooien. Die gooit met mien botten de proemen van de bomen ‘die maakt misbruik van mij’
goor, goor, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kamperveen) vies, onzindelijk
goot, geute, 1. goot; 2. werkruimte vooraan in de stal (Kampereiland, Kamperveen)
gootgat, geutegat, (Kampereiland, Kamperveen) gat in de muur, waar doorheen het water uit de werkruimte naar buiten kan weglopen
gordel, göddel, gordel
gordelroos, göddelroze, gordelroos
gordijn, gedien, gordijn
gorgelen, görgelen, 1. gorgelen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: rochelen
gort, götte, gort
gort in de zak, götte-in-de-zak, zie jan-in-de-zak
gortbuik, götboek, dikke buik
gortbuil, göttebuul, zak waarin gort wordt gekookt
gortepap, göttepap, gortenpap
gortzak, göttezak, götzak, zak waarin gort werd gekookt voor götte-in-de-zak of jan-in-de-zak (zie daar). Ook: götzak
gortzak, götzak, 1. zie göttezak; 2. in: iemand op de götzak nemen ‘iemand spelenderwijs op de rug nemen’
goud, gòld, goud
gouden, gòlden, gòllen, gouden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gòllen
gouden, gòllen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie gòlden
goudlap, gòldläppien, bij het biezen trekken gebruikte de biezentrekker een lapje om bijv. een mislukte bies weg te vegen of het penseel van een los haartje te ontdoen. Deze lapjes werden op gezette tijden ter reiniging naar een daartoe ingericht bedrijf gezonden, waarna het b
graad, graod, graad
graaf, graaf, graaf
graag, graag, greeg, graag. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: geerne, Gunninks woordenlijst van 1908: greeg (Kamperveen)
graat, graot, graat
grabbel, grabbel, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: te grabbel gooien ‘te grabbel gooien’
grabbel, grabbels, zie griebels
grabbelen, grabbelen, grabbelen
gracht, grachte, grafte, grächte, gräfte, (Kampen, Kampereiland) gracht. Ook: grafte (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: grächte, Gunninks woordenlijst van 1908: gräfte (Kamperveen)
graf, graf, graf
Grafhorst, Graffes, Grafhorst. Det bin allemaol rampen an disse kant van Graffes (Grafhorst ligt vlakbij IJsselmuiden, waar vroeger het Kamper kerkhof lag; met an disse kant van Graffes is bedoeld: aan deze zijde van het kerkhof, in dit leven)
grammottig, grammieterig, (Kampereiland, Kamperveen) knorrig, boos
grap, grap, grap
graper, gröperd, hebzuchtig persoon
graperig, gröperig, hebzuchtig
gras, grös, gres, gras. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gres (Kamperveen)
grasnek, grösnekke, ongemanierd persoon
graterig, graoterig, graoderig, vol graten
grauw, grauw, (Kampereiland, Kamperveen) grauw
grauwen, grauwen, werkwoord, grauwen
graven, graven, werkwoord, graven
grazen, graozen, grözen, grezen, (Kampen) 1. grazen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: de koeien op stal gras voeren. Ook: grözen (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: grezen (Kamperveen)
greep, greep, greep
greep, grepe, mestvork met vier tanden
grendel, grundel, gruntel, (Kampen, Kampereiland) grendel. Ook: gruntel (Kamperveen)
grenen, grenen, grenen
grens, grens, grens
grep, gruppe, 1. greppel; 2. afvoergoot voor gier en mest in de stal achter de koeien
greppen, gruppen, maken, uitsteken of uitdiepen van greppels
gribbeltje, griwweltien, grieuweltien, (Kampereiland) heel klein beetje. Ook: grieuweltien (Kamperveen)
griebel, griebels, rillingen. De griebels lopen mien over de grabbels ‘de rillingen lopen me over de rug’
grienen, grienen, huilen
grienerig, grienderig, grienig, 1. nat, koud (gezegd van het weer); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: met een vervelend karakter. Gunninks woordenlijst van 1908: Een grienderig peerd ‘een paard dat bijt en slaat als men het aanraakt’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: grie
grienig, grienig, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie grienderig
griep, griep, griep
grieperig, grieperig, grieperig
griesmeel, griesmaal, griesmeel
griezel, griezels, grîêzels, (Kampen) rillingen. Ook: grîêzels (Kampereiland, Kamperveen)
griezelen, griezelen, grîêzelen, (Kampen) griezelen. Ook: grîêzelen (Kampereiland, Kamperveen)
griezelig, griezelig, grîêzelig, (Kampen) griezelig. Ook: grîêzelig (Kampereiland, Kamperveen)
grif, grif, (Gunninks woordenlijst van 1908) vlot, zeker
griffel, griffel, griffel
grijpen, griepen, grep, greep, grepen, egrepen, grijpen. Ze griepen oe nao d’oren, of: ze griepen oe bi’j d’oren ‘het is zo koud dat je oren tintelen’
grijs, gries, grijs
gril, grille, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) rilling
grillen, grillen, (Gunninks woordenlijst van 1908) rillen
grillerig, grilderig, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) 1. grillig; 2. rillerig
grind, grente, (Kampereiland, Kamperveen) grint
grindkist, grentekiste, (Kampereiland, Kamperveen) kist, geplaatst langs de kant van een weg, waarin grint ligt opgeslagen voor onderhoud van de grintweg
grindweg, grentweg, (Kampereiland, Kamperveen) grintweg
groeien, gruuien, groeien
groen, gruun, grûûn, bijvoeglijk naamwoord, (Kampen) groen. Ook: grûûn (Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: Iemaand grûûn op ’t lief wezen ‘iemand slecht gezind zijn’
groen, grûûn, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: knòlgrûûn
groenboer, grûûnboer, (Kamperveen) groen(te)boer
groenmoes, gruunmoes, grumoes, groemoes, grûûnmoes, (Kampen) kruidmoes, gerecht van karnemelk met gort, bessensap en kervel (en andere kruiden). Ook: grumoes (Kampereiland), groemoes (Kamperveen), kruudmoes, Gunninks woordenlijst van 1908: grûûnmoes
groenteboer, gruunteboer, groenteboer, groenteman. Ook: gruunteman
groenteman, gruunteman, zie gruunteboer
groetenis, groetenisse, groeten
groeve, grôêve, (Kampereiland, Kamperveen) 1. begrafenis; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: graf
groevebrood, grôêvenbrood, (Gunninks woordenlijst van 1908) brood dat op een begrafenis gegeten wordt
grof, gròf, grof
grofachtig, gròfachtig, (Kampereiland, Kamperveen) enigszins grof
grollen, grölen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie gruilen
grollen, gruilen, grölen, leedvermaak hebben. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: grölen
grond, grond, grond. Döör krie-k gien grond meer in ‘dat krijg ik niet meer schoon, het wordt niet meer zoals het oorspronkelijk was’
grond opdragen, grondopdragen, grondopdragen: de grondkleur opbrengen. Deze kleur droogde altijd zwart op
grondel, grundel, vis (grondel)
gronderig, gronderig, (Gunninks woordenlijst van 1908) grondig
groot, groot, groot. Grote passen gauw thuus ‘haastige spoed is zelden goed’
grootheid, grooteid, de betere stand
grootmoeder, gropmo, gropmoe, grootmoer, gropmoor, (Kampen) grootmoeder. Gunninks woordenlijst van 1908: grootmoer, Gunninks woordenlijst van 1908: gropmoor (Kamperveen)
groots, groos, groots, bijvoeglijk naamwoord, trots. Ook: groots (Kampen)
grootsig, grootsig, grosig, (Kampen) inbeelding hebbend. Ook: grosig (Kampereiland, Kamperveen)
grootsigheid, grootsigeid, grosigeid, (Kampen) inbeelding. Ook: grosigeid (Kampereiland, Kamperveen)
grootvader, grova, grovva, grootvaar, grootvader. Gunninks woordenlijst van 1908: grootvaar
gruis, gruus, groes, gruis, bijv. gestampte of gemalen kruidnagelen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: groes
grutto, grutte, gritte, grutto. Ook: gritte (Kampereiland, Kamperveen)
gruwelijk, gruwelijk, gruwelijk
gruzelementen, gruzelementen, groezementen, stukjes. In gruzelementen laoten vallen ‘in stukjes laten vallen’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: groezementen
guichelen, goechelen, (Kampereiland, Kamperveen) giechelen
guizen, gôêzen, 1. stortregenen; 2. naar beneden vallen van een grotere hoeveelheid fijn spul
gul, gul, gul, hartelijk
gulden, gulden, gulden
gulp, gulpe, gulp
gulzig, gulzig, gulzig
gunnen, gunnen, gunnen
gunst, geunst, (Kampereiland, Kamperveen) 1. gunst; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kracht
gust, gust, (Kampereiland, Kamperveen) niet drachtig. Gunninks woordenlijst van 1908: Guste kòffie ‘koffie zonder melk’
guts, gutse, scheut. Een gutse melk in de kòffie
gymnastiek, gimmestiek, gimmelestiek, gymnastiek. Ook: gimmelestiek
haag, ege, egge, ège, 1. heg, haag (Kamperveen); 2. lange en korte rij koeien in een stal (Kampereiland). Ook: egge (Kampen), Gunninks woordenlijst van 1908: ège. Gunninks woordenlijst van 1908: De kött’ ège en de lang’ ège (Kamperveen): zie kante
haagdoorn, agedoorn, hagedoorn
haai, aaie, haai. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ is veur d’aaien ‘hij is voor de haaien’
haaibaai, aaibaai, vrouw met haar op de tanden
haak, aoke, haak
haaks, aoks, haaks
haal, aal, zelfstandig naamwoord, haal. Gunninks woordenlijst van 1908: Op ’t ääl gaon ‘op de loop gaan’
haalboom, aolboom, (Gunninks woordenlijst van 1908) balk waaraan de haal hangt
haam, aam, am, (Kampereiland, Kamperveen) nageboorte van een merrie. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: am (Kamperveen)
haan, ane, haan. Die löp as een ane met stront an de poten ‘die is erg verwaand’
haar, öör, eur, aor, aar, bezittelijk voornaamwoord, (Kampen) haar. Ook: eur, aor (Kampereiland, Kamperveen), aar (Kampen)
haar, öör, aor, zelfstandig naamwoord, (Kampen) haar. Öör op de kôêzen ebben ‘haar op de tanden hebben’, Wöör öör zit, zit gien ässens (troostende of verontschuldigende opmerking voor of van een kaalhoofdige), gien öör minder in de pruik ‘het maakt me niets uit’. Ook: a
haar, örende, eurende, bezittelijk voornaamwoord, (zelfst. gebr. bez. vnw) van haar, de hare
haarborstel, öörböstel, haarborstel
haard, eerd, 1. haard; 2. mooie kamer
haargerei, äärgerei, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) haarspit en haarhamer
haarhamer, aaramer, haarhamer
haarneus, öörneuze, aorneuze, (Kampen) bemoeial. Ook: aorneuze (Kampereiland, Kamperveen)
haarspit, äärspit, (Gunninks woordenlijst van 1908) haarspit
haas, aze, haas
haast, aost, ööst, (Kampen) haast. Ook: ööst (Kampereiland, Kamperveen)
haasten, aosten, öösten, ösen, (Kampen) haasten. Ook: öösten (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: ösen
haastig, aostig, ööstig, (Kampen) haastig. Ook: ööstig (Kampereiland, Kamperveen)
haat, aat, haat
habbekrats, abbekras, 1. klein beetje; 2. klein ventje
haberdoedas, labbedoedas, abbedoedas, klap
hagedis, evedasse, evedässe, (Kampereiland, Kamperveen) hagedis. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: evedässe
hagel, agel, hagel
haggen, aggen, (Kampereiland, Kamperveen) hijgen bij aamborstigheid
hak, akke, 1. hak; 2. hiel. Gunninks woordenlijst van 1908: D’akken laoten zien ‘gaan lopen’, Gunninks woordenlijst van 1908: Iemand een ak zetten ‘iemand belasteren’; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: soort spade
haken, aoken, werkwoord, haken
hakken, akken, werkwoord, hakken
hakmes, akmes, akkemes, hakmes. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: akkemes
haksel, aksel, haksel
hakselmachine, akselmesiene, hakselmachine
halen, alen, werkwoord, halen
half, alf, half
halfbakken, alfbakken, niet afgewerkt
halfelfje, alfelfien, (Kampereiland, Kamperveen) halfelfje: kop koffie met een boterham
halfje, älfien, 1. halve cent; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vaatje boter van 10 kg
halfscheid, alfscheid, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) helft van een afstand
hallo, allo, (Kampen) in: now allo dan, of: now allo eur ‘tot ziens’
halm, alm, halm
hals, als, hals
halshout, alsòlt, hout met riemen, om de hals van het paard bevestigd, waarmee de dissel wordt gedragen
halsknook, alsknaoke, (Gunninks woordenlijst van 1908) halswervel
halte, alte, halte
hamer, amer, hamer
hamerslag, amerslag, (Gunninks woordenlijst van 1908) schapenwolkjes
hand, and, aand, annen, anen, äntien, aantien, (Kampen) (verkleinwoord äntien, meervoud annen), hand. Ook: aand (verkleinwoord aantien, meervoud anen) (Kampereiland, Kamperveen). Die ef d’annen verkeerd an ’t lief ‘die is onhandig’
handel, andel, handel
handelen, andelen, handelen
handelwijze, andelwîêze, handelwijze. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is gin menier van ändelwîêze ‘het is geen manier van doen’
handig, ändig, handig. Gunninks woordenlijst van 1908: Ändig as een zak mit äspels ‘zeer onhandig’
handkar, andköre, aandkaore, (Kampen) handkar. Ook: aandkaore (Kampereiland, Kamperveen)
handnaaimachine, andneimesiene, andneimesjiene, handnaaimachine. Ook: andneimesjiene
handschoen, anse, aanse, (Kampen) handschoen. Ook: aanse (Kampereiland, Kamperveen)
handvat, andvat, aandvat, aanvät, (Kampen) handvat. Ook: aandvat (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: aanvät
hanenbalk, anebalken, hanebalken
hanenpoot, anepoot, hanenpoot (slecht handschrift)
hanenwaken, anewaken, zie kranewaken
hangelen, ängelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampereiland) lusteloos rondlopen, sukkelend zijn
hangen, angen, hangen
hanger, anger, (Kampen) visrokerij
hangerig, angerig, lusteloos, hangerig
hangijzer, angîêzer, angîêsder, hangijzer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: angîêsder. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is een angîêsder ‘het is een last’
hangoor, ang-oren, in: eerst mensen, dan ang-oren ‘eerst grote mensen, dan kleine kinderen’
hanteren, anteren, hanteren
hantering, antering, anterige, natje en droogje. Ook: anterige (Kampereiland)
haperen, aperen, haperen
hapering, apering, hapering
happen, appen, werkwoord, happen
happig, appig, happig
hapsnuit, apsnoete, vinnige vrouw
hard, äd, hard. Zo äd as een keie, zo äd as een planke
hardbast, ädbaste, boon met een harde schil
harde, ädde, hardgerookte bokking
harden, ädden, uithouden, verdragen, harden
hardlijvig, ädlîêvig, 1. moeilijke stoelgang hebbend; 2. gierig
hardloperij, ädloperi’je, hardrijden op de schaats. Ook: ädriederi’je
hardrijderij, ädriederi’je, zie ädloperi’je
hardvochtig, ädvochtig, hardvochtig
haren, ären, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) haren, een zeis scherpen
haring, erik, erink, 1. haring. Ook: erink. Roep gien erink veurde-j em in de zak ebben ‘niet te vroeg juichen’; 2. in: Gunninks woordenlijst van 1908: òch erik! ‘och Here!’
hark, ärke, 1. hark; 2. houterig mens; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: oud huis
Harm, Ärm, jongensnaam Harm, bijv. in Ärm dikke därm (dikke leverwöst) (rijmpje op Harm)
harnas, ännäs, harnas
harp, ärpe, harp
harpoen, ärpoen, ärmpoen, harpoen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ärmpoen (Kamperveen)
harpuis, ärpuus, (Gunninks woordenlijst van 1908) harpuis (bep. stof om hout mee in te smeren tegen houtworm)
hars, äs, (Kampereiland, Kamperveen) 1. hars; 2. biest uit de tepel van een paard, waaraan je kunt zien dat de bevalling dichtbij is
hart, ätte, hart. Ie ebben ’t ätte te oge zitten ‘je bent hoogmoedig’, A-j ’t ätte in oe lief ebben! ‘heb het lef eens!’
hartelijk, ättelijk, hartelijk
hartig, ättig, (Gunninks woordenlijst van 1908) zout
hartklep, ätkleppe, ättekleppe, hartklep. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ättekleppe
hartklopping, ätklòppige, hartklopping
hartstikke, ätstikke, geweldig
hartstikke, ästig, ässelijke, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: ästig dood ‘hartstikke dood’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ässelijke (Kamperveen)
hartwater, ätwater, maagwater
hartzeer, ätzeer, spijt
haspel, äspel, 1. haspel; 2. onhandig mens. Gunninks woordenlijst van 1908: Ändig as een zak mit äspels ‘zeer onhandig’
haspelen, äspelen, haspelen
hassebassen, assebassen, kibbelen
hassebassie, assebässien, borreltje
hatelijk, atelijk, hatelijk
haten, aten, haten
haveloos, aveloos, haveloos
haven, aven, haven
haver, aver, haver
haverklap, averklap, haverklap, in: um d’averklap ‘om de haverklap, telkens’
havermout, avermout, ävermòlt, havermout. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ävermòlt
hawaar, awwaor, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) pak aan, voil
hazelnoot, azeneute, azelneute, (Kampen, Kamperveen) hazelnoot. Ook: azelneute (Kampereiland)
hazenpad, azepad, hazenpad
hazenslaapje, azeslöpien, lichte sluimering
hazensprong, azespronk, (Kampen, Kamperveen) beentje uit de achterpoot van een haas, dat gebruikt werd als sigarenpijpje
hebbelijk, ebbelijk, 1. geschikt; 2. wellevend; 3. er goed uitziend (meestal van dieren (Kampereiland, Kamperveen)). Gunninks woordenlijst van 1908: Een ebbelijk bîêsien ‘een mooie koe’
hebben, ebben, ik eb, ie ebben, ij ef, ij ad, adden, e-ad, hebben
hecht, echien, echting, hechting
hechten, echten, hechten
hechting, echting, zie echien
hechtpleister, echtpleister, hechtpleister. Ook: plakpleister
hechttang, echttange, hechttang
heden, eden, heden. In dialect weinig gebruikt; wel in: Och eden! ‘och heden’
heel, eel, heel. Det e-k d’ele tied al eweten ‘dat heb ik altijd wel geweten’, een ele bende, een ele sloot, ’n ele stoot ‘veel’
heel, ele, (Kampereiland, Kamperveen) nageboorte van een koe
heemraad, eemraod, heemraad
heen, ene, enne, bijwoord, heen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: enne (Kamperveen)
heen, enne, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie ene (bijwoord)
heer, eer, heer (in dialect weinig gebruikt). ’t Zal wat wezen as ’t veur d’eren kump ‘dat is de moeite niet waard’ (met d’eren worden bedoeld de toeziende instanties of rechters), Det mu-j veur d’eren ook volòllen ‘dat moet je in een rechtszaak
heerlijk, eerlijk, heerlijk
heerschap, eerskop, rare snuiter
hees, îês, (Gunninks woordenlijst van 1908) hees
heet, îête, heet. Iête bliksem ‘stamppot aardappelen met zoete appels’
heft, ech, (Gunninks woordenlijst van 1908) heft
heftig, eftig, heftig
heibezem, eidebessem, heidebezem
heiboender, eideboender, heideboender
heide, eide, heide
heiden, eiden, 1. heiden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: dom mens
heien, eien, heien
heil, eil, heil, in: Veul eil en zegen in ’t ni’je jaor (jöör) ‘veel heil en zegen in het nieuwe jaar’, Ik zie der gien eil in ‘ik zie er niets in’
heileuver, eileuver, zie ooievaar
heilig, eilig, heilig. Gunninks woordenlijst van 1908: Net zo eilig ‘wis en zeker’
heimpje, iempien, (Kampen, Kampereiland) 1. klein persoon; 2. schoorsteenkrekel (gryllus domesticus)
heisteren, eisteren, 1. tekeergaan. Eur em ies eisteren tegen zien kienders ‘hoor hem eens tekeergaan tegen zijn kinderen’; 2. wild stoeien; 3. hard werken. IJ zit alsmaar in de skure te eisteren ‘hij is alsmaar hard aan het werk in de schuur’
heisterig, uisterig, uusterig, (Kampen, Kampereiland) onstuimig (gezegd van het weer). ’t Is uisterig weer. Ook: uusterig (Kamperveen)
hek, ekke, hek
hekel, ekel, 1. hekel; 2. bevestiging van de zeis
hekelen, ekelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) krabben
hekkensluiter, ekkesluter, hekkensluiter
hekkenspringer, ekkespringer, (Kampereiland, Kamperveen) paard dat over het hek van een weiland springt
heks, ekse, heks
heksenketel, ekseketel, tumult, zeer rumoerig gezelschap
hel, elle, zelfstandig naamwoord, hel
helder, elder, helder
hele tijd, d’eeltied, d’eletied, voortdurend, altijd. Ook: d’eletied
helemaal, elemaole, helemaal
helft, elfte, helft
hellen, ellen, hellen
helleveeg, ellevege, helleveeg
hellig, ellig, hellig, boos
helling, ellige, elling, ellinge, scheepswerf (Kampen)
helling, elling, 1. helling; 2. zie ellige
helm, elm, helm
helpen, elpen, elpt, ielp, ielpen, e-ölpen, helpen. Ik zal oe evenpies elpen ‘ik zal je even helpen’
hem halen, em älen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zijn best doen
hemd, emp, emmen, empien, hemd
hemdrok, emdròk, (Kampereiland, Kamperveen) borstrok
hemel, emel, hemel
hen, enne, zelfstandig naamwoord, ennegien, hen (vrouwelijk hoen)
hengel, engel, engsel, 1. hengel; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: hengsel (Kampereiland)
hengsel, engsel, engel, 1. hengsel, haak. Ook: engel; 2. scharnier
hengselmand, engselmande, engelmaande, (Kampen) hengselmand. Ook: engelmaande (Kampereiland, Kamperveen)
hengst, engst, hengst
hengstenbier, engstebier, bier dat de houder van een hengst schenkt op de dag dat het dekgeld wordt betaald
hengstenboer, engsteboer, (Gunninks woordenlijst van 1908) boer die een dekhengst houdt
hennekleed, enekleed, ennekleed, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampereiland, Kampen) lijkkleed. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ennekleed
hennep, ennep, ännep, (Kampen) hennep. Ook: ännep (Kampereiland, Kamperveen)
hepenkrasje, iepekrässien, klein, nietig mens
herberg, ärrebärge, ärrebärg, (Kampen) herberg. Ook: ärrebärg (Kampereiland, Kamperveen)
herenhuis, erenuus, herenhuis
herfst, ärfst, ärst, herfst. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ärst
herfstsering, ärfsseringe, herfstsering (flox)
herinneren, ärinneren, herinneren
herkauwen, erkauwen, eerkauwen, herkauwen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: eerkauwen
hermelijn, ärmelinggien, armetierig kind
hermelijn, ärmelink, wezel
hersenen, ässens, hersenen. Wöör zitten oe ässens?, of: E-j oe ässens thuus elaoten? (bijv. gezegd wanneer iemand helemaal niet heeft opgelet)
hersenziekte, ässenziekte, (Kampereiland, Kamperveen) aandoening van de hersenen
hert, ät, ätte, hert. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ätte
hert, ätte, Gunninks woordenlijst van 1908: zie ät
hertog, ättog, hertog
hertogin, ättoginne, hertogin
heten, îêten, werkwoord, heten
heugen, eugen, werkwoord, heugen
heugen, eugen, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) heug, in: Gunninks woordenlijst van 1908: tegen eugen en meugen ‘tegen heug en meug’
heugenschap, eugenschop, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) herinnering
heup, eupe, heup
heuvel, euvel, heuvel
hiep, iepe, (Kampereiland, Kamperveen) hakmes met korte steel
hier, ier, hier
hierlander, ierlander, (Kampereiland, Kamperveen) iemand die in een bep. dorp of stad geboren en getogen is en aan deze plek gehecht is
hierlands, ierlaans, (Gunninks woordenlijst van 1908) inlands
hij, ij, hij
hild, ilde, (Kamperveen) zolder
hinder, inder, hinder
hinderen, inderen, hinderen
hinken, enken, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie inken
hinken, inken, enken, werkwoord, hinkelen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: enken
hinkpot, enkepòt, (Gunninks woordenlijst van 1908) hinkperk
hippen, ippen, hippen
hitsen, issen, (Gunninks woordenlijst van 1908) hitsen
hitsig, itsig, etsig, (Kampen, Kampereiland) 1. verhit; 2. hitsig. Ook: etsig (Kamperveen)
hitte, itte, ette, (Kampen, Kampereiland) hitte. Ook: ette (Kamperveen)
hoe, oe, bijwoord, hoe
hoed, oed, ôêd, (Kampen) hoed. Ook: ôêd (Kampereiland, Kamperveen)
hoede, oede, hoede
hoef, oeve, ôêve, hoef. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ôêve
hoefijzer, oefîêzer, hoefijzer
hoefsmid, oefsmid, hoefsmid
hoek, oek, ôêk, (Kampen) hoek. Ook: ôêk (Kampereiland, Kamperveen). Een ôêk laand ‘een stuk land’
hoek, ôêke, (Kampen) vishaak
hoeken, oeken, vissen met een hoekwant
hoekje, ukien, woonkeuken
hoekwant, oekwant, oekwante, (Kampen, Kampereiland) hoekwant. Ook: oekwante (Kamperveen)
hoelijkende, oekende?, wat voor soort?
hoepel, oepel, hoepel
hoer, oere, hoer
hoerenjong, oerejonk, hoerenkind
hoest, oest, ôêst, hoest. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ôêst
hoestbui, oestbujje, hoestbui
hoestdrank, oestdränkien, hoestdrankje
hoesten, ôêsten, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie oesten
hoeve, oeve, hoeve
hoeven, oeven, ôêven, werkwoord, (Kampen) hoeven. Ook: ôêven (Kampereiland, Kamperveen)
hof, òf, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) tuin
hogen, eugen, werkwoord, ophogen
hoi, wuj, (Kampereiland) groet
hok, òk, (Kampereiland) hok
hokken, òkken, werkwoord, hokken
hol, òl, zelfstandig naamwoord, hol
hol, òl, bijvoeglijk naamwoord, hol
holderdebolder, òlderdebòlder, (Gunninks woordenlijst van 1908) holderdebolder
holletje, öllegien, in: öllegien of böllegien? ‘de holle of de ronde kant van de bikkel?’, bij het bikkelspel
holpijp, òlpiepe, (Kampereiland, Kamperveen) een onkruid in de sloot
hommel, ommel, hommel
homp, ompe, homp
hompelen, ompelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) kreupel gaan, strompelen
hond, ond, hond. ’t Liekt wel òf een ond ’t in de kont ad ef ‘dat ziet er onsmakelijk, onooglijk uit’
hondenblad, ondeblad, pol van de paardebloem (als konijnenvoer gebruikt)
hondenbloem, ondebloeme, zie peerdebloeme
hondenbrok, ondebrökkies, hondenbrokken
hondenbrood, ondebrood, hondenbrood
hondengeloof, ondegeleuf, ondegelove, onnengelove, letterlijk: hondengeloof. IJ ef ’n ondegeleuf, lîêver ’t vleis dan de botten (spottend gezegd wanneer wordt gevraagd wat voor geloof iemand heeft; Gunninks woordenlijst van 1908: zegt men van iemand die inhalig is). Ook: Gunninks woordenlijst van 1
hondenhaar, onde-öör, onde-aor, (Kampen) hondenhaar. Ook: onde-aor (Kampereiland, Kamperveen)
hondenhok, onde-òk, onnenòk, hondenhok. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: onnenòk (Kamperveen)
hondenmand, ondemande, ondemaande, (Kampen) hondenmand. Ook: ondemaande (Kampereiland, Kamperveen)
hondenpoeier, ondepoeiers, klappertjes voor een speelgoedpistool
honderd, onderd, honderd
hondsdagenweer, ondsdägenweer, hondsdagenweer: vochtig, klam weer
honger, onger, honger
hongerloon, ongerleuntien, hongerloon
honing, eunig, eunik, euning, (Kampen, Kampereiland) honing. Ook: eunik (Kamperveen), euning
honk, onk, honk
hoofd, eufd, hoofd
hoofdonderwijzer, oofdonderwîêzer, hoofdonderwijzer
hoofdstel, eufdstel, eustel, hoofdstel. Ook: eustel (Kamperveen)
hoofdzaak, oofdzake, hoofdzaak
hoog, oge, bijvoeglijk naamwoord, hoog. IJ ef ’t oge in de musse ‘hij verbeeldt zich heel wat’
hoogheid, oogeid, betere stand
hoogte, eugte, hoogte. Gunninks woordenlijst van 1908: Ik kan der gin eugte van krîêgen ‘ik begrijp er niets van’
hooi, eui, hooi. Ze ef ’t eui op zòlder ‘ze heeft haar haar opgestoken’
hooi trappen, euitrappen, (Kampereiland, Kamperveen) hooi trappen
hooiben, euibende, (Kampereiland, Kamperveen) grote mand (± 100 liter)
hooiberg, euibärg, hooiberg
hooibouw, euibouw, 1. hooitijd; 2. heel drukke tijd
hooibult, euibult, (Kampereiland, Kamperveen) hoop hooi die dagelijks in huis werd gehaald
hooien, euien, hooien
hooikist, euikiste, hooikist
hooiluis, euiluus, (Kampereiland, Kamperveen) hooizaad. Ook: euizaod
hooiopper, eui-upper, eui-öpper, (Kampen) hoop hooi op het land. Ook: eui-öpper (Kampereiland, Kamperveen)
hooiopschoten, eui-òpskoten, euiskoten, (Kampereiland, Kamperveen) hooi laden. Ook: euiskoten (Kampereiland, Kamperveen)
hooipers, euipässe, (Kampereiland, Kamperveen) hooipers
hooischepen, euischepen, (Gunninks woordenlijst van 1908) hooi in een schip laden
hooischop, euiskuppe, (Kampereiland, Kamperveen) hooischop (dient om hooi in de hooiberg in stukken te verdelen)
hooischoten, euiskoten, zie eui-òpskoten
hooispier, euispiertien, hooispriet
hooivork, euivörke, hooivork
hooiweger, euiweger, hooiweger
hooizaad, euizaod, zie euiluus
hoop, oop, hoop
hoop, oop, veel
hoos, oze, (Gunninks woordenlijst van 1908) kous (weinig gebruikt)
hoosvat, eusvat, hoosvat
hopen, open, werkwoord, hopen
hor, öttien, (Gunninks woordenlijst van 1908) horretje
horen, euren, horen. Döör eur ik oe, zeeg dove Jaopik (gezegd als iemand een rake opmerking maakt). ’k Eb ’t euren zègen of euren lîêgen ‘of het waar is weet ik niet’
horloge, allozie, horloge
hottentot, òttentòt, (Kamperveen) pap, gemaakt van biest
houden, òllen, houden
hout, òlt, hout
houtbult, òltbult, (Kampereiland, Kamperveen) opslaglaats voor brandhout
houtduif, òltdôêve, houtduif
houten, ölten, houten
houthek, òltekke, (Kampen) opslagplaats voor hout
houtschoen, òlse, (Gunninks woordenlijst van 1908) muil met houten zool
houtskool, òltskool, òlsekole, houtskool. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òlsekole
houtworm, òltwörm, houtworm
houwen, ouwen, houwen
hozen, euzen, (Gunninks woordenlijst van 1908) hozen
hubben, ubben, (Gunninks woordenlijst van 1908) huiveren
hui, ui, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: wei
huichelen, uuchelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) huichelen
huid, oed, Gunninks woordenlijst van 1908: huid, lichaam. Gunninks woordenlijst van 1908: Et in d’oed ebben ‘ziek zijn’, Gunninks woordenlijst van 1908: et op d’oed ebben ‘van plan zijn’
huig, uig, huig
huilen, ulen, huilen van honden
huis, uus, ûzen, usien, huis
huisbaas, uusbaos, huisbaas
huisbakken, uusbakken, krentenbroodje
huisbelt, uusbelt, terp waarop een huis staat
huisdag, uusdag, (Kampereiland) dag waarop men om de een of andere reden verplicht thuis moet blijven
huishen, uus-enne, iemand die graag thuis is
huishouden, uus-òllen, werkwoord, huishouden
huishouding, uus-òllige, huishouding, gezin. IJ ef een eel (of: ele) uus-òllige ‘hij heeft een groot gezin’
huishoudster, uus-òlster, huishoudster
huisje, usien, w.c. opzij van de boerderij boven de gierkelder. ’t Usien bi’j de skure laoten ‘weten hoever je kunt gaan’
huislook, uuslook, huislook
huiverig, ubberig, hubberig, (Kamperveen) huiverig. Ook: hubberig (Kampereiland)
huiverig, uverig, huiverig
huizen, ûzen, werkwoord, 1. wonen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: omgaan
hulp, ulpe, hulp
hulpzeel, ulpzele, bretel
huls, ulze, huls
hummes, ummesien, hij/zij, gezegd als men niet op iemands naam kan komen
huppelen, uppelen, huppelen
huppelpaard, uppelpeerd, hobbelpaard
huren, uren, werkwoord, huren
hurken, ukies, ôêken, oeke, hurken. Ook: ôêken (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: oeke. Op d’ukies zitten (Kampen), op d’ôêken zitten (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: op ’t oeke zitten ‘op de hurk
husselen, usselen, hutselen
hut, ut, utte, hut
hutje, uttien, hutje, in: ’t ele uttien met (of: en) muttien ‘alles bij elkaar’, Gunninks woordenlijst van 1908: uttien bi’j ’t muttien en ’t mäntien mit de knòllen ‘id.’
huur, ure, huur. Die wol gien ure betalen ‘die laat een flinke wind’
huurhuis, uuruus, huurhuis
hypocriet, iepekriet, hypocriet
ieder, ieder, ieder
iederbot, iederbot, (Kampereiland, Kamperveen) telkens
iedereen, iederene, iederîêne, (Kampen) iedereen. Ook: iederîêne (Kampereiland, Kamperveen)
iemand, iemand, iemaand, (Kampen) iemand. Ook: iemaand (Kampereiland, Kamperveen)
iempig, iempig, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) lichtgeraakt
iepenboom, iepenboom, iep
ietsepietsje, ietsepietsien, zie ietsien
ietsje, ietsien, iets, klein beetje. Ook: ietsepietsien
iezegrim, îêzegrim, (Gunninks woordenlijst van 1908) iezegrim
ijdel, iedel, (Gunninks woordenlijst van 1908) ijdel
ijken, ieken, werkwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) ijken
ijs, ies, zelfstandig naamwoord, ijs
ijsbeer, iesbere, ijsbeer. Det is wöst van een makke iesbere ‘dat is kletspraat’
ijsco, iesko, ijsco. Ook: ieswaofel
ijskast, ieskäste, ijskast, koelkast
ijskelder, ieskelder, ijskelder
ijsnagel, iesnagel, (Kampereiland, Kamperveen) hoefspijker voor een paard bij gladheid
ijspegel, iespegel, (Kampen) ijspegel. Ook: iespiepe (Kampereiland), iestappe (Kamperveen)
ijspijp, iespiepe, zie iespegel
ijstap, iestappe, zie iespegel
ijswafel, ieswaofel, zie iesko
ijswafeltje, ieswöfeltien, frou frou
ijzel, gîêzel, îêzel, (Kampereiland, Kamperveen) ijzel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: îêzel (Kamperveen)
ijzelen, gîêzelen, (Kampereiland, Kamperveen) ijzelen
ijzelig, îêzelig, erg, in: îêzelig netties ‘erg netjes’
ijzen, îêzen, werkwoord, ijzen
ijzer, îêzer, îêsder, ijzer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: îêsder
ijzeren, îêzeren, îêzen, îêsderen, (Kampen) ijzeren. Ook: îêzen (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: îêsderen
ik, ikke, ik (met nadruk)
imker, iemker, iemeker, immeker, (Kampen, Kampereiland) imker. Ook: iemeker (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: immeker
immers, ummes, immers
in, in, in
inboedel, inboedel, inboel, (Kampen, Kampereiland) inboedel. Ook: inboel (Kamperveen)
inderdaad, inderdaod, inderdaad
ingewand, ingewannen, ingewanen, (Kampen) ingewanden. Ook: ingewanen (Kampereiland, Kamperveen)
inhalig, in-aalderig, in-alig, in-alerig, (Kampen) inhalig. Ook: in-alig (Kampen, Kampereiland), in-alerig (Kampereiland, Kamperveen)
inkt, inket, enk, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampen) inkt. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: enk
inkten, inken, enken, werkwoord, inkten. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: enken
inktpot, inkpòt, inktpot
inlakseren, inlakseren, (Kamperveen) verminderen van boter bij het kneden
innig, innig, innig
inschenken, inskinken, inschenken
inschrijven, inskrîêven, 1. inschrijven; 2. in ondertrouw gaan
inschrijving, inskrîêvige, (Kampereiland, Kamperveen) 1. verkoop bij inschrijving; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: ondertrouw
insgelijks, insgelieks, ansgelieks, umsgelieks, (Kampen, Kamperveen) hetzelfde. Ook: ansgelieks, umsgelieks (Kampereiland)
insteken, insteken, insteken
insteker, insteker, (Gunninks woordenlijst van 1908) iemand die het hooi van de wal op het schip werpt
interen, interen, interen
inwendig, inwendig, inwendig
ja, ja, ja. Ja net! ‘juist!’
jaap, jaap, 1. diepe snee; 2. alles wat groot is in zijn soort
jaap, japse, diepe snee
jaar, jöör, jaor, (Kampen) jaar. Ook: jaor (Kampereiland, Kamperveen)
jabroer, jabreur, jaobreur, iemand zonder eigen mening
jacht, jacht, (Gunninks woordenlijst van 1908) jacht. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is jacht ‘’t Is er overvloed’
jagen, jagen, jagen
jager, jager, jager
jajem, jajum, zie jannever
jak, jäk, (Gunninks woordenlijst van 1908) jak
jakkeren, jakkeren, sjakkeren, jäkkeren, 1. hard lopen; 2. snel werken; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: op een sukkeldrafje lopen, meestal gezegd van een stier die achter koeien aanloopt. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sjakkeren, Gunninks woordenlijst van 1908: jäkkeren
jammer, jämmer, (Gunninks woordenlijst van 1908) jammer
Jan, Jan, jongensnaam. Jan skraap mien de wöttel of ik vreet em zo ‘doe maar gewoon’, Jan Rap en zien maot ‘iedereen’, Jan Uien ‘sukkel’
jan-in-de-zak, jan-in-de-zak, bep. gerecht. Ook: götte-in-de-zak
jandoedel, jandoedel, 1. sloom iemand (Kampereiland); 2. zie jannever
janken, sjanken, tjanken, janken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: tjanken
janken, tjanken, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie sjanken
janker, sjankerd, jankerd
jankpit, sjankepitte, huilebalk
Jansen, Jansen, in: ’t Is Jansen over zien ele lief ‘er is geen twijfel mogelijk, het is hem, hij gedraagt zich zoals hij is’
januari, jannewari, januari
jarig, jörig, jaorig, (Kampen) jarig. Ook: jaorig (Kampereiland, Kamperveen)
jarige, jaorige, 1. éénjarig kalf; 2. zie jörige
jarige, jörige, jaorige, (Kampen) jarige. Ook: jaorige (Kampereiland, Kamperveen)
jas, jässe, jas
jasses, jasses, bastaardvloek
jawel, jaowel, jawel
jawel, jawel, 1. jawel; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: dat kun je denken!
jenever, jannever, (Kampen, Kamperveen) jenever. Ook: jajum, jandoedel (Kampen), klöre (Kampen), klaore (Kampereiland, Kamperveen)
jeugd, jeugd, jeugd
jeukbult, jukebulte, (Kampereiland, Kamperveen) jeukbult
jeuken, jeuken, juken, jûken, (Kampen) jeuken. Ook: juken (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: jûken. ’t Zal mien wat jeuken, of: ’t Zal mien de pette jeuken ‘dat zal mij een zorg zijn, dat interesseert me niet’
jeukte, jeukte, juuk, jûûkte, (Kampen) jeuk. Ook: juuk (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: jûûkte
jicht, jicht, jicht
jij, ieje, jij (met nadruk)
joelen, joelen, joelen
jokken, jökken, (Gunninks woordenlijst van 1908) verzachtende uitdrukking voor liegen
jong, jong, jonk, bijvoeglijk naamwoord, jong. ’t Is ’t jongste kiend van Lutte ‘het is het lievelingetje’. Gunninks woordenlijst van 1908: Jonk wödden ‘geboren worden’
jong, jonk, jong, zelfstandig naamwoord, jong, kind. ’t Is een öördig jonk ‘’t Is een aardig kind’
jonge, jonge, junkien, glaasje jonge jenever
jongelingsvereniging, jongelingsverenige, jongelinksverienige, vereniging met als leden uitsluitend jongemannen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: jongelinksverienige
jongen, jonge, junkien, jongen
jonkie, junkien, 1. jong persoon; 2. zie jonge
jood, jood, (Gunninks woordenlijst van 1908) jood
joodje, jeutien, (Kampen) kleine stenen pijp
jotteren, jutteren, jutten, (Kampen) wiegende beweging maken. Ook: jutten (Kampereiland, Kamperveen)
juffer, juffer, 1. paal; 2. zie juffrouw
jufferen, jufferen, werkwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) passen. Gunninks woordenlijst van 1908: Schief en schel dät juffert wel ‘het komt er niet zo precies op aan’
juffrouw, juffrouw, juffer, juffrouw. Ook: juffer
juist, juust, juustement, juist. Ook: juustement
juistement, juustement, zie juust
jujjen, jujjen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) een kind op de knie laten rijden
juk, juk, juk
jukbeen, jukbeen, jukbeen
juli, juli, juli
juni, juni, juni
jurk, jörk, jurk
juttemis, juttemus, jutmus, juttemis. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: jutmus
jutten, jutten, zie jutteren
juttepeer, juttepare, juttepeer
juweel, jeweel, juweel
kaak, kake, kaak
kaal, kaal, kaol, kaal. Kale kak ‘verbeelding’, kale nete ‘iemand die niets bezit’. Zo kaol as een kikker
kaan, kao, (Gunninks woordenlijst van 1908) uitgebraden stukje spek of vet. Zie ook: kögies
kaan, kaonen, zie kögies
kaars, keerse, kaars
kaarsvet, keersevet, kaarsvet
kaart, kaarte, kaart
kaas, keze, kaas
kaasboer, kezeboer, kaasboer
kaaskop, kezekòp, kaaskop
kaasrasp, kezeraspe, kaasrasp
kaatjes, kögies, kaantjes (overblijvende vaste bestanddelen van vet dat gesmolten is). Ook: kaonen. Enkelvoud Gunninks woordenlijst van 1908: kao (zie daar) wordt niet meer gebruikt
kaatsen, käsen, (Gunninks woordenlijst van 1908) kaatsen, in: Gunninks woordenlijst van 1908: Käse de bal, ik eb oe al (kinderdeuntje)
kabbelen, kabbelen, kabbelen
kabel, kabel, kabel
kabelkous, kabelkouse, kous met kabelmotief
kabinet, kammenet, kamminet, (Kampen) kabinet (bep. soort kast). Ook: kamminet (Kampereiland, Kamperveen)
kachel, kachel, kachel
kachelig, kachelig, aangeschoten. Alf kachelig kwam ie thuus ‘half dronken kwam hij thuis’
kadetje, kedettien, kadetje
kaf, kaf, kaf
kafmolen, kafmeule, kaffemeule, (Kampereiland, Kamperveen) wanmolen (soort van graanreiniger). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kaffemeule
kajuit, kejuit, kejuut, kajuit
kakdoos, kakdeuze, w.c.
kakelbont, kakelbont, kakelbont
kakelen, kakelen, kakelen
kakken, kakken, (plat) kakken
kakkerd, kakkerd, 1. bangerd; 2. opschepperig persoon
kakkestoelemeien, kakkestoelemeien, (Kampen) spelletje waarbij een kind wordt gedragen op de gekruiste armen van twee personen
kakmadam, kakmedam, vrouw met capsones, opschepperig type
kakstoel, kakstoel, kinderstoel. Ook: kienderstoel
kalender, kelender, kalender
kalf, kalf, kalvers, kälfien, 1. kalf; 2. goeie sul
kalfkoe, kalfkoe, (Kampereiland, Kamperveen) jonge koe die eigenlijk te vroeg een kalf werpt (nl. als ze ruim een jaar is)
kalk, kalk, kalk
kalkoen, kalkoen, kalkoen
kalm, kalm, kalm
kalven, kalven, (Kampereiland, Kamperveen) 1. kalf werpen; 2. afkalven van een oever
kam, kamme, kaome, 1. (haar)kam; 2. kam van een kip. Ook: kaome (Kampereiland, Kamperveen)
kam, kaome, kamme, (Kampereiland, Kamperveen) kam van een kip. Ook: kamme (Kampen)
kameel, kemeel, kemele, kameel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kemele
kamer, kamer, kamer
kameraad, kammeraod, kameraad
kamertje over de haard, kamertien-over-d’eerd, (Kampereiland, Kamperveen) kamertje dat via de mooie kamer te bereiken is
kamfer, kanfer, (Gunninks woordenlijst van 1908) kamfer
kamille, kemilde, (Gunninks woordenlijst van 1908) kamille
kammen, kemmen, werkwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) kammen
kammenbakje, kammebäkkien, kammenbakje
kamp, kamp, zelfstandig naamwoord, kleine akker
kamp, kamp, bijvoeglijk naamwoord, onbeslist, quitte
kamprit, kamprit, tweekamp (bijv. bij schaatsen) die onbeslist eindigt
kamrad, kamrad, kamrad
kan, kanne, 1. kan; 2. liter
kanaal, kenaal, kanaal
kanarie, kenarie, kanarie
kandelaar, kandelaar, kandelaar
kaneel, keneel, kaneel
kanis, kanis, 1. dik hoofd; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: iets wat dik in zijn soort is
kanker, kanker, kanker
kankerbloem, kankerblôême, (Gunninks woordenlijst van 1908) kikkerbloem (ranunculus sceleratus)
kans, kaans, (Kampereiland, Kamperveen) kans
kant, kaant, zelfstandig naamwoord, (Kampereiland, Kamperveen) kant (weefsel)
kant, kaant, bijvoeglijk naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: kaant en klaor ‘kant en klaar’
kant, kaante, (Kampereiland, Kamperveen) 1. kraag bij klederdracht; 2. zie kante
kant, kante, kaante, (Kampen) kant, zij. Ook: kaante (Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: De kötte kaante is die kant van het huis waar de paarden en kalveren staan. De koeien staan aan de lange kaante. Zie ook: ege
kantkoek, kantkoeke, kaantkoeke, (Kampen) kantkoek: de randen die van een koek zijn afgesneden. Ook: kaantkoeke (Kampereiland, Kamperveen)
kantoor, kantoor, kantoor
kap, kappe, 1. kap; 2. vrouwenmuts
kapelaan, kappelaon, kapelaan
kapitaal, kaptaol, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, kapitaal. Gunninks woordenlijst van 1908: Een kaptaol uus ‘een prachtig huis’
kapittel, kepitteltien, hoofdstuk uit de bijbel
kapittelen, kepittelen, de les lezen
kaplijven, kaplîêven, (Kampereiland, Kamperveen) het zichtbaar worden van de schede van de koe door de druk van het kalf bij een moeilijke geboorte
kapoeres, kepoedewiet, zie kepòt
kapoeres, kepoeres, zie kepòt
kapok, kepòk, kapok
kapot, kepòt, kapot. Ook: kepoedewiet, kepoeres
kappen, kappen, kappen, hakken
kappertjeskool, käppeltieskool, groene kool
kar, köre, kaore, kören, kaoren, köörtien, koartien, (Kampen) (verkleinwoord köörtien, meervoud kören), kar. Ook: kaore (verkleinwoord kaortien, meervoud kaoren)(Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: De kaore wippen ‘een miskraam krijgen’
karaf, kräfte, (Gunninks woordenlijst van 1908) karaf
karbies, karbies, grote tas
karekiet, kärrekiet, karekiet. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rîêtkatte
karig, karig, karig
karkas, kärkas, karkas
karn, kärne, karn
karnband, kärnebaand, (Kampereiland, Kamperveen) koperen band om de karn
karndop, kärnedòppen, (Kampereiland, Kamperveen) leren doppen die het karnpaard voor de ogen heeft
karndstoel, kärnestoel, kärnestôêl, (Kampereiland) schraag waarop de karnton werd geplaatst voor handmatig karnen. Ook: kärnestôêl (Kamperveen)
karnemelk, kärnemelk, kärremelk, karnemelk
karnen, kärnen, karnen
karnleer, kärneleer, (Kampereiland, Kamperveen) vet dat aan de karnstok blijft hangen
karnmolen, kärnemeule, (Kampereiland, Kamperveen) karnmolen
karnpaard, kärnepeerd, (Kampereiland, Kamperveen) karnpaard
karnpad, kärnepad, (Kampereiland, Kamperveen) pad waarover het karnpaard loopt
karnsel, kärnsel, (Kampereiland, Kamperveen) de hoeveelheid aangezuurde melk die redelijkerwijze nodig is om te gaan karnen
karnstaf, kärnestaf, (Kampereiland, Kamperveen) karnstok
karper, kärper, karper
karren, kören, kaoren, werkwoord, (Kampen) 1. rondrijden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: met een kar vervoeren. Ook: kaoren (Kampereiland, Kamperveen)
karrenluik, kaoreloek, (Kampereiland, Kamperveen) achterluik van een kar op drie wielen
karrenwip, körewip, kaorewip, (Kampen) wipkar met drie wielen. Ook: kaorewip (Kampereiland, Kamperveen), wipköre (Kampen), wipkaore (Kampereiland, Kamperveen), sleepköre (Kampen), slipkaore (Kampereiland, Kamperveen)
karwats, kärrewatse, karwats
karwats, kärwatse, (Gunninks woordenlijst van 1908) karwats
karwei, kärwei, (Gunninks woordenlijst van 1908) karwei
karwei, kerwei, karwei
kas, kas, kas
kast, käste, kaste, (Kampen) 1. kast; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: gevangenis. Ook: kaste (Kampereiland, Kamperveen)
kastanje, kestanje, koestanje, kestänje, kastanje. Gunninks woordenlijst van 1908: kestänje
kasteel, kesteel, kasteel
kastelein, kastelein, kastelein
kastentuig, kastentuug, zie kistentuug
kat, katte, 1. kat (huisdier). De katte zal met oe mage niet gaon lopen (gezegd als iemand nogal veel gegeten heeft); 2. kattig meisje of kattige vrouw
katoen, ketoen, katoen. Gunninks woordenlijst van 1908: Ketoen geven ‘zijn best doen’
katoenen, ketoenen, katoenen
katrol, ketrolle, katrol
kattenkop, kattekòp, 1. katrol; 2. kattig meisje of kattige vrouw; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: viooltje
kattenpis, kattepies, kattenpis. Dè-s gien kattepies ‘dat is niet niks’
kattenstaart, kattestät, kattenstaart
kattig, kattig, kattig
katuil, katoele, 1. katuil; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: soort voetzoeker
kauw, kauwe, kauw
kauwen, kauwen, werkwoord, kauwen
kazen, kezen, (Kampereiland, Kamperveen) 1. gestremde melk handmatig met een mes bewerken tot kaas; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kaas worden
kazerne, kezärne, kazerne
keel, keel, keel
keel, kele, keel. IJ sprek achter uut de kele ‘hij wordt/is boos’, Geef ’m maar achter uut de kele ‘zeg hem maar waar het op aan komt’
keep, keep, kerf, insnijding
keer, keer, 1. keer; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: (niet Kampen) veeg
keeshond, kees-ond, keeshond
keesje, kesien, (Kampen) 1. tabakspruim; 2. dophoed
keet, keet, keet
keffen, käffen, (Kampereiland) keffen
kegel, kegel, kegel
kei, keie, kei
kelderbeun, kelderbeun, kelderbun, (Kampereiland, Kamperveen) kamertje boven de kelder. Ook: kelderbun (Kampereiland, Kamperveen)
kelderluik, kelderluuk, kelderloek, (Kampen) kelderluik. Ook: kelderloek (Kampereiland, Kamperveen)
keldermot, keldermotte, keldermot
kelen, kelen, werkwoord, kelen
kemphaan, kempane, kimpäne, kemphaan. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kimpäne (Kampereiland)
kennen, kennen, kennen. Ik kenne ’t ele mense niet ‘ik ken die vrouw helemaal niet’
kennis, kennisse, kennis
keper, keper, in: op de keper beskouwd ‘als men de zaak nauwkeurig beziet’
kerel, kerel, kerel
keren, keren, keren
keren, keren, Gunninks woordenlijst van 1908: (niet Kampen) vegen
kerk, kärke, kerk
kerkuil, kärkoele, kerkuil
kerkvoer, kärkvoer, pepermunt
kerkzak, kärkezäkkien, kärkzäkkien, collectezak
kermen, kärmen, kermen. Kärmen is d’r niet bi’j ‘aanpakken, niet klagen’
kermis, kärmse, kärmesse, kermis
kers, kässe, kers
kersenpit, kässepitte, 1. kersenpit; 2. hoofd
kerspel, käspel, kerspel
kerstavond, käsövenpien, kerstavond
kerstboom, käsboom, kerstboom
kerstdag, käsdag, kerstdag
kerstmaal, käsmaol, kerstmaal
kerstmis, käsmis, kerstmis
kersttijd, kästied, kersttijd
kervel, kärvel, kervel
kerven, kärven, werkwoord, kerven
ket, kidde, klein paard
ketel, ketel, ketel
ketelsteen, ketelsteen, ketelstîên, (Kampen) ketelsteen. Ook: ketelstîên (Kampereiland, Kamperveen)
kets, kääts, (Gunninks woordenlijst van 1908) wordt geroepen wanneer men katten wil verjagen
ketsen, kitsen, 1. ketsen; 2. balloteren; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: afwijzen voor een examen
ketter, ketter, ketter. Gunninks woordenlijst van 1908: Vluken en lîêgen as een ketter ‘erg vloeken en liegen’
ketting, kettik, kettink, ketting. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kettink
keuken, keuken, keuken
keur, keur, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. zie keuze; 2. stempel op goud en zilver
keuren, keuren, werkwoord, keuren
keuring, keurige, keuring
keus, keuze, keuze. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: keur. Gunninks woordenlijst van 1908: Ander keur geven ‘laten kiezen’
keutel, keutel, keutel
keuterboer, keuterboer, keuterboer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: keutelboer (Kampen)
kieft, kiefte, kievit. Gunninks woordenlijst van 1908: Lopen as een kiefte ‘hard lopen’
kieken, kieken, foto maken
kiekje, kiekien, foto
kiel, kiele, kiel van een schip
kiel, kiele, wig
kiel, kiele, kiel (kledingstuk)
kielen, kielen, kietelen
kielerig, kielderig, kielerig, (Kampen) geneigd tot kietelen. Ook: kielerig (Kampereiland, Kamperveen)
kiem, kieme, kiem
kienspel, kienspul, (Gunninks woordenlijst van 1908) kienspel
kiepkar, kiepköre, kiepkaore, (Kampen) wipkar. Ook: kiepkaore (Kampereiland, Kamperveen)
kieps, kipse, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) muts voor kleine meisjes
kies, kôêze, kôêzen, koesien, kiesien, (verkleinwoord koesien of kiesien (Kampen)(weinig gebruikt)), kies. Een kôêze van een vent ‘een slome vent’, IJ kreg ’t lillijk achter de kôêzen ‘hij krijgt het zwaar te verduren’
kiespijn, koespiene, (Kampen, Kampereiland) kiespijn. Ook: kôêzezeerte (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: kôêzenzeerte
kieuw, kieuwe, kiwwe, (Gunninks woordenlijst van 1908) kieuw. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kiwwe (Kampereiland)
kiezen, kîêzen, kiezen
kiezenzeerte, kôêzenzeerte, kôêzezeerte, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie koespiene
kiften, kiften, kijven. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kîêven
kijk, kiek, kijk
kijkavond, kiekaovend, kijkavond (de avond vóór Sinterklaas, d.w.z. de avond van 5 december), tegenwoordig: spreekavond op school voor de ouders. Zie ook: òlderaovend
kijkdoos, kiekdeuze, kijkdoos
kijken, kieken, kijken. IJ kek de meisies al nao d’akken ‘hij gaat oog voor de meisjes krijgen’
kijker, kiekerd, kijker, in: in de kiekerd lopen ‘in de gaten lopen’
kijkgat, kiekgat, kijkgat
kijven, kîêven, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie kiften
kijverig, kîêverig, (Gunninks woordenlijst van 1908) genijgd tot kijven
kikker, kikkerd, (Kampen) kikker
kikkerdril, kikkerdrille, kikkerdril
kil, kil, kil
kim, kimme, horizon
kim, kimme, zoutuitslag op in pekel ingemaakte groente
kin, kinne, kin. Zie ook: lippe
kind, kiend, kienders, kientien, kind. Kienders krîêgen is een zegen des Heren, maar zie alen oe de noppen van de kleren (Kampereiland)
kinderachtig, kienderachtig, kinderachtig
kinderdoek, kienderdoek, luier
kinderspel, kinderspul, in: ’t Is gien kinderspul, wanneer een òld wief danst ‘uitkijken geblazen’
kinderstoel, kienderstoel, zie kakstoel
kinkhoest, kinkoest, kinkôêst, kinkhoest. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kinkôêst
kinkhoorn, kinkoorn, kinkhoorn
kinnebak, kinnebak, kinnebak
kinnebaksham, kinnebaks-am, kinnebaksham
kip, kippe, kip
kippendraf, kippendräffien, (Gunninks woordenlijst van 1908) sukkeldrafje
kippenei, kip-ei, kippenei
kippengrit, kippegrit, kippengrit
kippenhok, kip-òk, kippenhok
kippenkeutel, kippekeutel, klein kind
kippennest, kippennöst, (Gunninks woordenlijst van 1908) kippennest
kippig, kippig, kippig
kist, kiste, kisten, kissien, kist. M.b.t. sigaren: kissien segaren ‘kist met 100 stuks sigaren’, alf kissien ‘kist met 50 stuks’, kwät kissien ‘kist met 25 stuks’
kistbier, kistebier, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) sterke drank die geschonken werd als een meid of knecht in een nieuwe betrekking de kleerkist had laten halen
kistdam, kisdam, kistdam
kisten, kisten, 1. in een kist doen; 2. in de maling nemen; 3. in een hoek zetten
kistentuig, kistentuug, (Kampen, Kampereiland) nette kleren, zondagse kleren. Ook: kastentuug (Kampen)
kistenwagen, kistewägen, (Gunninks woordenlijst van 1908) wagen waarmee de kleerkist gehaald werd
klaar, klöör, klaor, (Kampen) 1. klaar; 2. helder. Ook: klaor (Kampereiland, Kamperveen)
klaarlouter, klöörloeder, klaorloeder, (Kampen) louter, alleen maar, puur. Ook: klaorloeder (Kampereiland, Kamperveen)
klacht, klachte, klacht
klad, kladde, 1. vlek; 2. veel. Een kladde geld ‘veel geld’, Gunninks woordenlijst van 1908: een ele kladde ‘nogal wat’
kladderig, kladderig, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. vol kladden; 2. regenachtig. Gunninks woordenlijst van 1908: Kladderig weer
kladpapier, kladpampier, (Gunninks woordenlijst van 1908) vloeipapier
klagen, klagen, klagen
klagerig, klagerig, geneigd tot klagen
klam, klam, vochtig
klamp, klampe, klamp
klampen, klampen, planken aan elkaar hechten door middel van een klamp
klandizie, klandîêzie, (Gunninks woordenlijst van 1908) klandizie
klank, klank, klank, toon
klant, klaante, (Gunninks woordenlijst van 1908) klant. Gunninks woordenlijst van 1908: De klaanten ‘de jongelui’
klap, klap, klap
klap, klappe, 1. beweegbaar deel van een brug dat opgehaald kan worden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: klep van een broek
klaphout, klapòlt, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: zo mäger as een klapòlt ‘broodmager’
klapmand, klapmande, klapmaande, boodschappenmand met twee kleppen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: klapmaande
klappen, klappen, werkwoord, klappen. Zie ook: knappen
klaproos, klaproze, (Gunninks woordenlijst van 1908) klaproos
klaptafel, klaptaofel, (Gunninks woordenlijst van 1908) klaptafel
klare, klöre, klaore, zie jannever
klaren, klören, klaoren, (Kampen) iets voor elkaar krijgen. Ook: klaoren (Kampereiland, Kamperveen)
klas, klasse, klas
klassineren, klasseneren, kletsen (praten)
klaterbaan, kläterbäne, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) in: Gunninks woordenlijst van 1908: iemaand op de kläterbäne brengen ‘iemand in opspraak brengen’
klateren, kläteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) 1. klateren; 2. kletsen
klauteren, klauteren, klauteren
klauw, klauwe, 1. klauw; 2. hand
klauwen, klauwen, 1. krabben; 2. stelen
klaver, klaover, 1. klaver; 2. haak waarmee een span paarden (met een losse evenaar) aan een kar vastzit (Kamperveen)
klaverjassen, klaoverjässen, klaverjassen
kleed, kleed, kleed
kleedwagen, kleedwägen, (Gunninks woordenlijst van 1908) huifwagen
kleefklis, klevekläste, klevekwäste, kleveklässe, kleveklasse, (Kampen, Kampereiland) klis. Ook: klevekwäste (Kampen), kleveklässe (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: kleveklasse
kleefkwast, klevekwäste, zie klevekläste
klei, klei, klei
kleien, klaien, kleven
klein, klein, klein. De kleinen vallen (of: bin) van ’t jöör niet groter (gezegd tegen een kind dat klaagt dat bijv. de appel of peer die het had gekregen, zo klein is), Kleine vögelties ebben kleine nessies ‘klein maar fijn’
kleinkraal, klienkralle, (Kampereiland, Kamperveen) zwarte kraal
kleinzerig, kleinzerig, 1. kleinzerig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: bekrompen
kleisteren, kleisteren, ploeteren. IJ liep te kleisteren deur de modder ‘hij liep te ploeteren door de modder’
klem, klem, klem
klemblaar, klemblöre, klemblaore, (Kampen) klemblaar. Ook: klemblaore (Kampereiland, Kamperveen)
klep, kleppe, klep
klepel, klepel, klepel
klepmolen, klepmeule, 1. kletskous; 2. iemand die kwaad spreekt over anderen
klepper, klepper, (Gunninks woordenlijst van 1908) klepper
klepperen, kleppen, (Gunninks woordenlijst van 1908) klepperen
klepzeiker, klepzeikerd, zeurpiet
klerage, kleräzie, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie kleren
kleren, kleren, kleren, kleding. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kleräzie
klerk, klärk, (Gunninks woordenlijst van 1908) klerk
kletsen, kletsen, 1. kletsen, praten. Ie kletsen uut de nekke ‘je praat onzin’. Zie ook: lullen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: klappen; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: werpen
kletserig, kletserig, (Gunninks woordenlijst van 1908) geneigd tot kletsen
kletskop, kletskòp, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. kaal hoofd; 2. soort gebak
kletteren, kletteren, kletteren
kleumen, kleumen, kleumen
kleumer, kleumer, kleumer
kleur, kleur, kleur, glans
kleur opdragen, kleuropdragen, kleuropdragen: het opbrengen van de kleurlaag. Dit geschiedde in feite voor verfraaiing. Het in de grond opgedragen artikel was op zich bruikbaar, maar oogde niet. De te gebruiken kleuren speelden in op de smaak van het publiek
kleven, kleven, kleven
kleverig, kleverig, kleverig
kliekje, klikkien, prakje eten
klier, kliere, 1. klier; 2. zeurpiet. Ook: klierzòkke; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: halsboordje
kliersok, klierzòkke, zie kliere
klik, klik, (Kampen) tik van de klok in de Nieuwe Toren van Kampen op elke 7½ minuut vóór en na de hele en halve uren, bijv. Gunninks woordenlijst van 1908: klik veur îêne ‘klik voor één’
klikken, klikken, werkwoord, klikken
klikspaan, klikspaone, (Gunninks woordenlijst van 1908) klikspaan
klim, klim, het klimmen. ’t Is een ele klim ‘het is vrij hoog’
klimmen, klimmen, klimt, klump, klummen, eklummen, 1. klimmen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: dekken van een hengst
klink, klinke, 1. deurgreep; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: uitwendige geslachtsdelen van een merrie. Gunninks woordenlijst van 1908: Over de klinke gaon ‘doodgaan’
klinken, klinken, klinken
klinker, klinker, klinker
klinknagel, klinknagel, klinknagel
klodder, klodders, frambozen op brandewijn
kloek, kloek, kloek
kloek, klokke, (Gunninks woordenlijst van 1908) klokhen
klok, klok, slok. IJ nam een flinke klok water
klok, klòkke, (Gunninks woordenlijst van 1908) klok
klokhuis, klòkuus, (Gunninks woordenlijst van 1908) klokhuis
klokken, kloeken, (Gunninks woordenlijst van 1908) klokken. Gunninks woordenlijst van 1908: Et ei dät kloekt ‘er zit een kuiken in het ei’, Gunninks woordenlijst van 1908: De kòp die kloekt mien ‘mijn hoofd bonst’
klomp, klompe, klomp
klomplaars, klompleerze, klomp met de schacht van een laars. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: leerzeklomp
klont, klonte, klont, kluit. Gunninks woordenlijst van 1908: Een kluntien ‘een kandijklontje’
klooien, klooien, (Kampen) knoeien, klungelen. Ook: klongelen
klooster, klooster, klooster
kloot, kloot, teelbal
kloot, kloten, (plat), teelballen
kloppen, klòppen, kloppen
kloris, klores, 1. goeie sul; 2. sukkel
klos, klosse, klos
klotendrikus, klotendriekes, sufferd
klotsen, klossen, klotsen, (Kampen) klotsen
kloven, kleuven, (Gunninks woordenlijst van 1908) kloven
kluft, klofte, (Gunninks woordenlijst van 1908) klomp, kluwen
kluit, kloete, 1. kluit; 2. heel veel
kluiterig, kloeterig, (Gunninks woordenlijst van 1908) vol kluiten
kluiven, klôêven, klöf / klôêft, klôêven / kleuf, kleuven, eklôêfd /, kluiven
klungel, klongel, klungel
klungel, klungel, (Gunninks woordenlijst van 1908) waardeloos ding
klungelen, klongelen, klungelen, 1. prutsen, onhandig te werk gaan; 2. beuzelen, onbelangrijke dingen doen; 3. verboden omgang hebben met een meisje. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: klungelen; zie ook: klooien, knooien
klungelen, klungelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie klongelen
klungelolie, klungelöle, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) brandewijn met stroop
kluts, klutse, in: de klutse kwiet wezen ‘de kluts kwijt zijn’
kluwen, kluwel, kloewel, kloewen, kluwen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kloewel, Gunninks woordenlijst van 1908: kloewen (Kamperveen)
knaap, knaap, knaap, dikkerd
knagen, knagen, knagen
knap, knap, zelfstandig naamwoord, knal
knap, knap, bijvoeglijk naamwoord, mooi
knappen, knappen, knappen. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ kent et knappen (ook: klappen) van de zwepe ‘hij weet hoe het hoort’
knapzak, knapzak, 1. oud paard; 2. oude man
knarsbot, knästebot, kraakbeen
knarsen, knässen, knarsen
knarsen, knästen, knarsetanden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: knästeren
knarsteren, knästeren, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie knästen
knaster, knäster, (Kampen) zware tabak. Gunninks woordenlijst van 1908: Een òlde knäster ‘een oude kerel’
knaster, knästerd, oude man
knauw, knauw, knauw
knauwelen, knauwelen, knabbelen
knauwen, knauwen, een knauw toebrengen
knecht, knecht, knecht. De knecht ef em besteed ‘de knecht heeft zich voor een bepaalde tijd verhuurd’
kneden, kneden, kneen, kneden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kneen
kneep, kneep, zelfstandig naamwoord, kneep. Gunninks woordenlijst van 1908: knepen ‘streken’
knel, knel, knel, klem
knellen, knellen, knellen
knerpen, knärpen, 1. knarpen; 2. jammeren
kneten, kneten, zie kneteren
kneteren, kneteren, kneten, (Kampen) ruzie maken. Ook: kneten (Kampereiland, Kamperveen)
kneukel, kneukel, 1. kreukel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kneuter; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kneukel
kneukel en bos, kneukelebos, kneukelenbos, kneutel en bos, moeilijk parket. Gunninks woordenlijst van 1908: Deur kneukelenbos gaon ‘veel ellende ondervinden’. Ook: kneutel en bos: deur kneutel en bos gaon ‘veel narigheid meemaken’
kneus, kneusien, kneusje
kneutel, kneutel, zie kneukele(n)bos
kneuten, kneuten, kneuteren, kreuken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kneuteren
kneuter, kneuter, (Gunninks woordenlijst van 1908) kreukel. Ook: kneukel
kneuteren, kneuteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie kneuten
kneuzen, kneuzen, kneuzen
knibbelen, knibbelen, 1. afdingen; 2. ruzie maken
knie, knie, knîê, knieën, kniegien, knie. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: knîê
knie, knîê, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie knie
kniewaag, kniewaoge, (Kamperveen) knieholte
kniezen, knîêzen, (Kampereiland, Kamperveen) kniezen
knijp, kniepe, (Gunninks woordenlijst van 1908) knijper. Gunninks woordenlijst van 1908: Iemaand de kniepe op de stät zetten ‘iemand in het nauw brengen’
knijpen, kniepen, knep, kneep, knepen, eknepen, knijpen. As ’t knep en weer knep ... ‘als puntje bij paaltje komt ...’
knijper, knieperd, gierig persoon
knijpertje, kniepertien, wafeltje
knijpkeutel, kniepkeutel, bangerd
knijpkul, kniepkulle, gierigaard
knijpmes, kniepmes, knipmes, zakmes
knijptang, knieptange, nijptang
knikbil, knikkebille, (Gunninks woordenlijst van 1908) iemand met lange dunne benen
knikken, knikken, knikken
knikken, nikken, (Gunninks woordenlijst van 1908) knikken
knikker, knikker, knikker
knip, knippe, 1. beurs; 2. knip
knip, knippien, knipje voor in het haar
knipgat, knipgat, gat in de weg
knipmuts, knipmusse, muts, gemaakt van kant
knipslag, knipslag, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) laagte in een wagenspoor
knob, knobbe, benaming van verschillende soorten eenden, vooral duikeendensoorten
knobbel, knobbel, knobbel
knoei, knooi, 1. verdrukking; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: knauw, duw
knoeien, knooien, 1. knoeien; 2. mishandelen; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: verboden omgang hebben met. Gunninks woordenlijst van 1908: Met de meid in uus knooien. Ook: klongelen
knoest, knoeste, 1. vuist; 2. knoest
knoflook, knoflook, knoflook
knokkel, knòkkel, knokel, vingergewricht. Ook: knokel (Kamperveen)
knol, knòlle, 1. oud paard; 2. groot gat in kous of sok; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: knol. Gunninks woordenlijst van 1908: De knòllen òfgîêten ‘wateren’
knolgroen, knòlgrûûn, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) knollen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: grûûn
knolraap, knòlrape, 1. veevoer; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: koolraap
knook, knoke, knaoke, been. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: knaoke
knoop, knoop, knoop
knoop, knup, knuppe, 1. knoop; 2. vloek
knop, knòppe, knop
knopen, knuppen, werkwoord, knopen
knorren, knörren, knorren
knot, knòtte, knot. Knöttien ‘haardracht, waarbij een vlecht tot een knot wordt gedraaid’
knuffelen, knoffelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) frommelen, door elkaar schudden
knuffelig, knoffelig, koud (van vingers)
knul, knul, (Gunninks woordenlijst van 1908) onnozel, onhandig mens
knuppel, knuppel, knuppel
knuppeldoek, knubbeldukien, knuppeldukien, (Kampen, Kamperveen) soort sjaal. Ook: knuppeldukien (Kampereiland)
knutselen, knusselen, knutselen
koe, koe, kôê, kôênen, koenen, kôêien, koegien, (meervoud kôênen (Kamperveen) / koenen (Kampen, Kampereiland) / kôêien (Ka)), koe. Gien kôêien, gien moeien ‘heb je geen zaken, dan heb je geen zorgen’, D’r bin meer koenen die Blaor îêten ‘je bent niet de enige (die iet
koe, kôê, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie koe
koeberg, koebärg, (Kampereiland, Kamperveen) hooiberg voor opslag van hooi dat voornamelijk voor de koeien wordt gebruikt
koehooi, koe-eui, hooi voor de koeien
koek, koeke, kôêke, koek. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kôêke
koek trekken, koeketrekken, kôêketrekken, (Kampereiland, Kamperveen) koektrekken (wie het kleinste stuk overhield betaalde). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kôêketrekken
koekdiefje, koekediefien, lieveheersbeestje
koekeloeren, koekeloeren, gluren
koeken slaan, koekeslaon, kôêkeslaon, (Kampereiland, Kamperveen) kapotslaan van een koek (oud gebruik bij een ärfuus, zied.). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kôêkeslaon
koekmolen, koekemeule, kôêkemeule, (Kampereiland, Kamperveen) molen om lijnkoeken te breken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kôêkemeule
koekoek, koekoek, koekoek
koekoeks, koekoeks, met de kleur van een koekoek, bijv. van een kip
koel, koel, bijvoeglijk naamwoord, koel
koelen, koelen, werkwoord, koelen, koel maken
koeltrog, koeltròg, (Gunninks woordenlijst van 1908) koelbak
koepel, koepel, koepel
koeren, koeren, koerken, 1. koeren. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: koerken (Kamperveen); 2. zeuren
koeren, koerken, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie koeren
koers, koers, koers
koest, koest, koest
koesteren, koesteren, koesteren
koet, kote, (Gunninks woordenlijst van 1908) koet (fulica atra)
koets, koetse, 1. koets; 2. bed(destee). Ook: beddekoetse. IJ kröp in de koetse, IJ kröp in de beddekoetse ‘hij gaat naar bed’.
koevink, koevinke, gele kwikstaart
koevoet, koevoet, koevoet
koeweide, koeweie, (Kampereiland, Kamperveen) koeweide
koffie, kòffie, koffie, koffie. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: koffie
koffiezaad, kòffiezaod, koffiedik. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: koffiezaod
kogel, kogel, kogel
kok, kòk, kok
koken, koken, koken
koker, koker, koker
kokhalzen, kokalzen, kòkalzen, kokhalzen
kokkerd, kòkkerd, 1. grote neus; 2. groot voorwerp
kol, kòlle, (Kampereiland, Kamperveen) ronde of driehoekige witte vlek op het voorhoofd van een koe of paard
kolder, kòlder, 1. paardenziekte (verlamming) (Kampereiland, Kamperveen); 2. onzin (Kampen); 3. waanzin. IJ ef de kòlder in de kòp
kolf, kòlf, kolf
kolk, kòlke, kòlk, (Kampen) kolk. Ook: kòlk (Kampereiland, Kamperveen)
kom, koeme, komme, (Kamperveen) duiker (buis onder een dam) van hout
kom, komme, koeme, 1. kom; 2. schouderkom; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: kopje; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: duiker (van hout). Ook: koeme
komaf, komòf, afkomst
komedie, kemedie, kemelie, komedie. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kemelie
komen, komen, komen
komendeweg, komendeweg, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: op komendeweg wezen ‘er aankomen’
komfoor, konfoor, (Gunninks woordenlijst van 1908) komfoor
konijn, knien, knienen, knienegien, knientien, konijn
konijnenhok, knienòk, konijnenhok
konijnenvoer, knienevoer, konijnenvoer
koning, konik, koning, koning. Ook: koning
koningin, koniginne, koningin
koningskop, keunikskòp, (Kampereiland, Kamperveen) koemaag
koninklijk, koniklijk, koninklijk
konkel, konkel, (Gunninks woordenlijst van 1908) koffiepot
konkelen, konkelen, zie konkelefôêzen
konkelfoezen, konkelefôêzen, samenzweren, in het geheim overleggen. Ook: konkelen
kont, konte, (plat) kont. ’t Zal oe in de konte niet roesten (Kampen) ‘het zal niet van lange duur zijn’, IJ sköf zien konte der òf, IJ sköf zien köntien der mooi òf ‘hij laat anderen ervoor opdraaien’, ’t an de konte krîêgen ‘verliezen’
kontlikker, kontelikker, kontlikker, vleier
kontroffel, kontroffel, pak slaag
kooi, kauwe, kooie, kooi
kooi, kooie, kooi. Ook: kauwe
kool, kole, kool
kool, kool, kool
koolteer, koolteer, koolteer
koolteren, koolteren, werkwoord, teren
koop, koop, koop
koord, koorde, (Kamperveen) koord
koorts, koorse, koorts. Gunninks woordenlijst van 1908: Iemaand de koorse òfschrîêven ‘iemand danig onder handen nemen’
kop, kòp, 1. kop, hoofd. Wat e-j an een kòp a-j d’r niet nao leven (spottend gezegd tegen een kind dat erg eigenwijs is, of tegen iemand die erg koppig is), Die ef de kòp oeranje, of: die ef de kòp oranje ‘die is erg kwaad’, Ze kreeg een kòp
kopen, kopen, kopen
koper, keuper, koper (metaal)
koper, koper, koper
koperen, keuperen, keupen, (Kampen) koperen. Ook: keupen (Kampereiland, Kamperveen)
kopjeduikelen, köppetien dukelen, kòppeltien dukelen, kopje duikelen. Ook: kòppeltien dukelen (Kampen), köppien toeselen (Kampereiland, Kamperveen)
kopjetoezelen, köppien toeselen, zie köppetien dukelen
koppel, kòppel, köppel, (Kampen) min of meer grote groep (van mensen of dieren). Der waren d’r een ele kòppel ‘een heleboel’. Ook: köppel (Kampereiland, Kamperveen). ’n Köppel kôênen/koenen ‘een groepje koeien’
koppelhout, kòppelòlt, stevige knuppel waaraan twee springerige koeien werden vastgemaakt, teneinde het springen over een sloot naar het naburige veld te verhinderen
koppelmaandag, kòppelmaondag, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie köppelmaondag
koppelmaandag, köppelmaondag, kòppelmaondag, (Kampereiland, Kamperveen) 1e en 3e maandag na nieuwjaar, bestemd voor ontmoetingen tussen boerenknechten en boerenmeiden; de 2e en 4e maandag waren bestemd voor boerenzoons en boerendochters. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kòppelmaondag
koppeluw, kòp-peluw, onderkussen
koppen, kòppen, 1. dwars zijn; 2. koppen maken, in: De lucht giet kòppen ‘er is onweer op komst’
koppig, kòppig, koppig
koppijn, kòppiene, (Kampen) hoofdpijn. Ook: kòpzeerte (Kampereiland, Kamperveen). IJ ef der nog gien kòpzeerte van ad ‘hij heeft er nog geen last van gehad’
kopstuk, kòpstuk, stijfkop
kopwilg, kòpwilge, knotwilg
kopzeerte, kòpzeerte, zie kòppiene
koraal, kralle, Gunninks woordenlijst van 1908: koraal. Gunninks woordenlijst van 1908: Zo rood as een kralle ‘zo rood als bloed’
korf, körf, (Gunninks woordenlijst van 1908) korf
korn, koren, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie körrel
kornuiten, kenuten, kornuiten
korporaal, kärperaol, körperaal, korporaal
korrel, körrel, korrel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: koren (niet Kamperveen)
korset, keset, kesjet, corset
korst, köste, korst
kort, köt, kort. De kötte kaante (Kampereiland, Kamperveen)(in een ouderwetse stal stonden de koeien in twee rijen tegenover elkaar. Van één rij werd een stuk afgenomen, de kötte kaante, waar paarden en jongvee werden gestald), köt dernao ‘kort
kort maken, kötmäken, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: geld kötmäken ‘wisselen’
kortaf, kötòf, kortaf
kortbij, kötbi’j, dichtbij
kortelings, köttelings, zie köttens
kortens, köttens, onlangs. Ook: köttelings
korterbij, kötterbi’j, dichterbij
kortgebonden, kötan-ebunnen, kortaangebonden
kost, kòst, zelfstandig naamwoord, kost, eten. Vandage e-j de kòst veur ’t eten (opmerking tegen een etensgast die slecht bij kas is en daarom niet hoeft te betalen), Ie ebben oe kössien eköcht ‘je hoeft je in materiële zin geen zorgen te maken’
kostbaar, kòsbaar, kosber, kostbaar. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kosber
kosten, kòssen, kòsten, werkwoord, kosten
koster, köster, koster. Kösters kämpien (Kampen) ‘kerkhof’: Die giet nao kösters kämpien ‘die wordt begraven’
kosteren, kösteren, 1. heen en weer lopen; 2. babbelen
kou, kòlde, kelte, zelfstandig naamwoord, (Kampen) koude. De kòlde op ’t water ebben (gezegd als iemand vaak naar de w.c. moet doordat hij/zij kou heeft gevat), Gunninks woordenlijst van 1908: een kòlde ‘een pruim tabak’. Ook: kelte (Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woorde
koud, kòld, koud. Zo kòld as een bot
kouderig, kòlderig, (Kampereiland, Kamperveen) kouwelijk
kous, kouse, kous
kousenvoet, kousevoeten, kousevôêten, kousevoeten. Op kousevoeten wezen, op kousevoeten lopen ‘geen schoenen aan hebben’. Ook figuurlijk: ’t Kump op kousevoeten ‘het komt stiekem’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kousevôêten
kouveester, kòldfiesterd, kòldfiester, koukleum. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kòldfiester
kozijn, kezien, kozijn
kraag, krage, kraag
kraai, kraaie, 1. kraai; 2. begrafenisondernemer; 3. agent van politie; 4. brutaal meisje
kraaien, kreien, werkwoord, kraaien
kraaiennest, kraaienöst, kraaiennest
kraaienpoot, kraaiepeutien, kraaienpootje
kraaienpootjes, kraaiepeuties, kraaienpootjes, rimpeltjes bij de ogen
kraailook, kreilook, kraailook (huislook met een scherpe lucht)
kraal, kralle, kraal
kraaloog, kraleugien, kraaloogje
kraam, kraome, 1. kraam; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kinderbed; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: rommel
kraamkind, kraomkiend, (Gunninks woordenlijst van 1908) kraamkind, pasgeboren kind
kraanwaken, kranewaken, licht slapen met vaak wakker worden. Ook: anewaken
krab, krabbe, krabe, (Kampen) 1. krab; 2. schram. Ook: krabe (Kampereiland, Kamperveen)
krabbelen, krabbelen, krabbelen
krabben, krabben, kraben, (Kampen) krabben. Ook: kraben (Kampereiland, Kamperveen)
kracht, kracht, kracht
krag, kragge, zode
krak, kräk, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) krak
krakeling, krakelink, (Kamperveen) krakeling
kraken, kraken, werkwoord, kraken
kralen, kralen, kralen: het rondleggen van de afgesneden, scherpe rand van een geperst artikel, zodat gevaar voor snijden aan die rand uitgesloten was. De ronde rand was bovendien fraaier
kralen, krallen, snoer van kralen
kram, kramme, kram
kramer, kremer, kramer
krammen, krammen, werkwoord, krammen
kramp, kramp, kramp
krang, krange, 1. scheef. Mu-j em d’ogen ies krange in de kòp zîên ebben! ‘Moet je hem eens rare ogen zien hebben!’; 2. binnenstebuiten, omgekeerd (Kampereiland, Kamperveen); 3. averechts (bij breiwerk); 4. kwaad, dwars. IJ is krange in de kòp ‘hij is kwaa
krangkop, krangkòp, (Kamperveen) lastig mens
kranig, kranig, kranig
krans, kraans, (Kampereiland, Kamperveen) krans
kranselen, kraanselen, (Gunninks woordenlijst van 1908) talmen
krant, krante, kraante, (Kampen) krant. Ook: kraante (Kampereiland, Kamperveen)
krantenwijk, krantewiek, een vast aantal adressen waar een bezorger regelmatig een krant brengt
krap, krap, bijvoeglijk naamwoord, krap
krap, krappe, kräppien, 1. eenvoudige houten vergrendeling; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: boekslot. Ook: kräppien
krap, kräppien, krappe, 1. boekslot van een bijbel; 2. kleine beurs; 3. houten grendeltje (Kampen). Ook: krappe
krap aan, krapan, krap, ternauwernood
kraplap, kraplappe, 1. omslagdoek; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vrouwenborstrok zonder mouwen
kras, kras, bijvoeglijk naamwoord, kras, flink
kras, krasse, zelfstandig naamwoord, kras
krasgat, krasgat, spleet in de rok waar doorheen men bij de onder de rok hangende zak kon komen; deze zak deed in het verleden dezelfde dienst als tegenwoordig de handtas. Ook: kraszak (Kamperveen)
krassen, krassen, werkwoord, krassen
kraszak, kraszak, zie krasgat
krediet, krediet, krediet, vertrouwen
kreeft, kreefte, 1. vinnig meisje of vinnige vrouw; 2. kreeft
kregel, kregel, bijvoeglijk naamwoord, 1. vitaal; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: geprikkeld. Ook: kregelig
kregel, kregel, zelfstandig naamwoord, (Kampereiland) vitaal mens
kregelig, kregelig, 1. geprikkeld. Zie ook: kregel; 2. prikkelbaar
krek, krek, 1. juist; 2. netjes
kreng, krenge, 1. lastig mens of dier; 2. dood dier
krent, krente, krinte, 1. krent; 2. koortsuitslag aan de mond. Ook: krinte (Kamperveen)
krentenkakker, krentekäkker, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie krentekakkerd
krentenkakker, krentekakkerd, krentekäkker, (Kampen) 1. zuinigerd (negatief bedoeld); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kleingeestig mens. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: krentekäkker
krentenmik, krentemikke, krentenbrood. Ook: krentewege (Kamperveen), krentewegge (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: krentewège (niet Kampen)
krentenplas, krenteplässien, (Kampereiland, Kamperveen) 1. sneetje krentenbrood; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: krentenbroodje
krentenwegge, krentewege, krentewegge, zie krentemikke
krentenwegge, krentewège, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie krentemikke
krenterig, krenterig, krenterig
kreunen, kreunen, kreunen
kreupel, kreupel, kreupel
kribbe, kribbe, krubbe, krib. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: krubbe (Kamperveen)
kribbebijter, kribbebieter, kribbenbieter, paard dat bij het eten de tanden in het hout van de voerbak zet en daarbij lucht naar binnen ‘slaat’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kribbenbieter
kribbenkont, kribbekonte, iemand die kortaf is
kriebelen, krieuwelen, 1. kietelen, kriebelen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: prikkelen
kriebelig, krieuwelig, 1. pietepeuterig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: prikkelend; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: prikkelbaar
kriemel, kriemel, (Kamperveen) betoeterd
krijgen, krîêgen, kreg, kreeg, kregen, ekregen, krijgen. Krîê-j ’t òf e-j ’t? ‘Wat mankeert je?’
krijgertje, kriegertien, krîêgertien, (Kampen, Kamperveen) krijgertje, in: kriegertien speulen ‘krijgertje spelen’. Ook: krîêgertien (Kampereiland)
krijt, kriet, krijt
krijten, krieten, huilen
krik, krikkien, 1. klein persoon; 2. taling (winterkrikkien of zomerkrikkien). Zie ook: krikänte
krikeend, krikänte, krikände, wintertaling. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: krikände, krikkien
krimp, krimp, 1. armoede; 2. krimp, in: gien krimp geven ‘niets laten merken (van pijn)’
krimpen, krimpen, krimt, krump, krumpen, ekrumpen, krimpen
kring, kring, zie kringe
kring, kringe, kring, kringen, kringgien, kreenggien, (Kampen, Kamperveen) kring. Ook: kring (Kampereiland). Gunninks woordenlijst van 1908: Een kring um de maone dan zal ’t wel gaon ‘een kring om de maan voorspelt mooi weer’
krioelen, krioelen, krioelen
krip, krip, (Kamperveen) zwarte stof, gebruikt bij een rouwplechtigheid
kriskras, krusenkras, (Gunninks woordenlijst van 1908) kriskras, in alle richtingen
krobzaag, krobbezage, zie skrobzage
kroeg, kroeg, café
kroep, kroep, kroep
kroes, kroes, bijvoeglijk naamwoord, kroes
krols, kròls, krols
krom, krom, krom. Zo krom as een pieleboge
krompoot, krompoot, (Gunninks woordenlijst van 1908) iemand met kromme benen
kronkel, kronkel, kronkel
kronkelen, kronkelen, kronkelen
kronkelig, kronkelig, kronkelig
kroon, krone, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. kroon; 2. kruin
kroontjespen, kreuntiespenne, kroontjespen
kroos, kreuze, kreze, 1. bep. wrang smakende bes. Gunninks woordenlijst van 1908: Zo zoer as kreuze; 2. kroos (Kamperveen). Ook: kreze (Kamperveen)
krooshek, kreusekke, (Kampereiland, Kamperveen) krooshek
krop, kròp, krop
krot, kròt, oud, vervallen huis
kruid, kruud, kruid
kruidendokter, krudendòkter, kruidendokter, kwakzalver. IJ löp bi’j de krudendòkter ‘hij bezoekt regelmatig een kwakzalver’
kruiderig, kruderig, 1. kruiderig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: netjes gekleed
kruidmoes, kruudmoes, zie gruunmoes
kruielen, krulen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie kruuien
kruien, kruuien, krûûn, kruien. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: krûûn, Gunninks woordenlijst van 1908: krulen
kruik, kruke, kruik
kruikenzak, krukezak, kruikenzak
kruimel, krummel, 1. kruimel; 2. klein kind; 3. iemand die niet vlot kan werken
kruimelen, krummelen, 1. kruimelen; 2. niet opschieten met zijn/haar werk
kruimelig, krummelig, 1. kruimelig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: beuzelachtig
kruimelkont, krummelkonte, knoeier
kruin, kreuntien, kruin
kruip, kroepe, (Gunninks woordenlijst van 1908) klein, ineengedrongen wezen
kruipen, kroepen, kröp, kreup, kreupen, ekreupen, kruipen
kruipertje, kroepertien, bloeiwijze van gras
kruis, kruus, krûzen, krusien, kruis
kruisbes, kruusbesse, kriezebeze, kriestebîêze, kriesebeze, (Kampen) kruisbes. Ook: kriezebeze, Gunninks woordenlijst van 1908: kriestebîêze (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: kriesebeze
kruishout, kruusòlt, houten kruis om een kerstboom op te bevestigen
kruisspin, kruusspinne, kruisspin
kruit, kruut, kruit
kruiwagen, kruwagen, kruiwagen
kruk, krukke, kruk
krul, krul, krulle, krul. De krul in de neuze ebben ‘het naar de zin hebben’
krullen, krullen, krullen
krullerig, krulderig, (Gunninks woordenlijst van 1908) krullig
kub, kubbe, soort fuik, gevlochten van wilgenhout
kubvisser, kubbevisser, visser die slechts met een kubbe viste
kuchen, kachen, (Kamperveen) hoesten van een paard
kuchen, kuchen, kuchen
kuier, kuiertien, korte wandeling
kuieratie, kuieraosie, (Gunninks woordenlijst van 1908) bezoek
kuierdeklaasje, kuierdeklösien, iemand die vaak langs de straat loopt
kuieren, kuieren, kuieren
kuierlatten, kuierlatten, benen
kuif, kuif, kuiven, kufien, kuifien, (verkleinwoord kufien / kuifien (Kampereiland, Kamperveen)), kuif
kuiken, kuken, 1. kuiken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zonderling
kuil, koele, kôêlen, kulegien, kuil
kuilaal, kuulaol, met de kuil gevangen paling
kuilen, koelen, werkwoord, inkuilen van bijv. aardappelen
kuilen, kulen, 1. rollen. De traonen kulen em over de wangen ‘de tranen rollen/rolden hem over de wangen’. Ook: rulen; 2. met de kuil vissen
kuim, koem, stil, lusteloos
kuip, kupe, kuup, (Kamperveen) kuip. Ook: kuup (Kampereiland)
kuipen, kupen, werkwoord, kuipen
kuiper, kuper, kuiper
kuit, kute, kuit van een been. IJ nemp de kuten ‘hij gaat ervandoor’
kuit, kuut, kuit van vis
kuitbroek, kuutbroek, kuitbroek
kuitbuik, kuutboek, (Kampen) zwaarlijvig man
kuitschieten, kuutskieten, kuutskîêten, (Kampen, Kamperveen) kuitschieten. Ook: kuutskîêten (Kampereiland)
kulken, kölken, boeren laten. Ook: bölken
kullen, kullen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) voor de gek houden
kunde, kunde, kennis
kundig, kundig, bekwaam (speciaal gezegd over artsen)
kunnen, kunnen, kan, kon, konnen, ekund, kunnen
kunst, keunst, (Kampereiland, Kamperveen) kunst
kunst, keunsten, (Gunninks woordenlijst van 1908) (alleen meervoud) kuren
kunstig, keunstig, (Kampereiland, Kamperveen) 1. kunstig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vernuftig
kurk, körke, kurk
kurkendraaier, körkedreier, kurkentrekker
kus, kus, kus
kussen, kussen, werkwoord, kussen
kussen, kussen, zelfstandig naamwoord, kussen
kussensloop, kussensloop, kussensloop. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: kussenstòcht (niet Kampen)
kussentocht, kussenstòcht, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) zie kussensloop
kutvuil, köttevoel, kötvoel, (Kampereiland) bloederig mengsel dat na het vrijkomen van de nageboorte bij een koe nog gedurende enkele dagen uit de schede kan vloeien. Ook: kötvoel (Kamperveen)
kuur, kure, kuur, gril
kwaad, kwaod, kwaad
kwaadzeer, kwaodzeer, (Kampen, Kamperveen) 1. hoofduitslag; 2. oude schuld; 3. wrok
kwaal, kwaole, kwaal
kwab, kwabbe, kwab, bijv. wal onder de ogen
kwabaal, kwab-aol, soort puitaal
kwadigheid, kwaoiigeid, 1. kwaadheid; 2. kwaadaardigheid
kwak, kwak, kwak, flinke hoeveelheid
kwaken, kwäken, (Gunninks woordenlijst van 1908) kwaken, babbelen
kwaker, kwakerd, kletskous
kwakerig, kwäkerig, (Gunninks woordenlijst van 1908) babbelachtig
kwakkelen, kwakkelen, kwakkelen
kwakkelwinter, kwakkelwinter, winter waarin het kwakkelt
kwakken, kwaksen, kwakken, neersmijten. Ook: kwakken
kwalie, kwalie, raar persoon. Gekke kwalie ‘buitengewoon raar persoon’
kwalijk, kwaolijk, kwalijk. Wie kwaolijk nemp is een dief (gezegd als iemand zegt: “Neem me niet kwalijk”)
kwalster, kwalster, fluim
kwalsteren, kwalsteren, spugen
kwanselen, kwaanselen, (Gunninks woordenlijst van 1908) kwanselen
kwansuis, kwansuus, (Kampen) kwansuis
kwart, kwät, kwart
kwartel, kwättel, kwartel
kwartier, kwättier, ketier, kwartier. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ketier
kwartje, kwättien, kwartje
kwast, kwaste, kwast
kweek, kweke, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) kweek (bep. onkruid)
kween, kwene, 1. zoogdier dat geen deel kan hebben aan de voortplanting; 2. grove spotnaam voor een ongetrouwde oudere vrouw
kweken, kweken, werkwoord, kweken
kwetsen, kwetsen, kwetsen
kwibus, kwibus, kwibus
kwiek, kwiek, kwiek
kwijl, kwiele, kwijl
kwijlboord, kwielböörd, kwijler
kwijlen, kwielen, kwijlen
kwijlerig, kwielderig, kwielerig, kwijlerig
kwijnen, kwienen, kwijnen
kwijnerig, kwienderig, (Gunninks woordenlijst van 1908) kwijnend
kwijt, kwiet, kwijt
kwijten, kwieten, kwijten
kwispedoor, kwispeldoor, kwispedoor
kwispelen, kwispelen, kwispelen
laag, laoge, zelfstandig naamwoord, 1. laag; 2. beddenplank
laag, lege, bijvoeglijk naamwoord, laag
laagte, leegte, laagte
laars, leerze, laars
laarsklomp, leerzeklomp, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie klompleerze
laat, late, laat
laatboom, laotboom, hefboom (balk om de bergkap neer te laten)
laatst, laast, leste, laatst. Wie ’t laast verteld ef, ef de mond nog wärm ‘dat zal wel uit de duim gezogen zijn’. Ook: leste (Kampereiland, Kamperveen)
laatst, lessend, onlangs. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lessies (Kamperveen)
laatstjes, lessies, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie lessend
laattouw, laottouw, touw om de bergkap te laten zakken, resp. te hijsen
labendig, lebendig, labbendig, zeer, erg. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: labbendig
lachen, lachen, lachen
ladder, ledder, ladder. Ledder over wagen spi’jen ‘overgeven, braken’. Ook: leer
lade, la, lade
laden, laden, lään, laden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lään
laf, laf, bijvoeglijk naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. laf; 2. zie lak
lak, lak, zelfstandig naamwoord, lak
lak, lak, bijvoeglijk naamwoord, niet zout genoeg. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: laf
laken, läken, laken
lakenvelder, lakenvelder, (Kampereiland, Kamperveen) lakenvelder, koe met zwarte kop en achterkant terwijl de rest van de koe wit is
laks, laks, traag
lam, lam, zelfstandig naamwoord, lam
lam, lam, bijvoeglijk naamwoord, lam
lamlendig, lamlendig, 1. te beroerd om iets te doen, onwillig; 2. ziek
lamlul, lamlul, lammeling
lammenadig, lammenadig, lammenärig, vervelend, onaangenaam. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lammenärig
lamp, lampe, lamp
lampenglas, lampeglas, lampenglas
lampenkap, lampekappe, lampenkap
lampenkatoen, lampeketoen, lampenkatoen
lampolie, lampeulie, petroleum
lamstraal, lamstraole, lamstraal, lamstraal. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lamstraal
lan, laan, lan, (Kampereiland, Kamperveen) 1. dwarsbalk waarop de kop van een hooiberg rust. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lan (niet Kampen); 2. in: lan eui ‘een bepaalde hoeveelheid hooi’
landerij, landeri’je, laanderi’je, (Kampen, Kamperveen) landerij. Ook: laanderi’je (Kampereiland)
landheer, laander, laanter, (Kamperveen) landheer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: laanter (niet Kampen)
landloper, laandloper, (Gunninks woordenlijst van 1908) landloper
landverovertje, landvereuvertien, landverovertje (kinderspel)
lang, lang, lang. Lange liere, of: lange lempe ‘lange meid’
lang, lank, lang
lang verrekt, lankverrekt, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie lankuut
langs, lanks, langes, langs, (Kampen) 1. langs; 2. languit, Gunninks woordenlijst van 1908: langs
languit, lankuut, languit, onderuit. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lankverrekt
langwagen, lankwagen, (Kamperveen) wagen die verlengd kon worden, zodat men er bomen mee kon vervoeren
langwerpig, lankwärpig, langwerpig
langzaam, lankzaam, langzaam
lanhooi, laneui, (Kampereiland, Kamperveen) een bepaalde hoogte in de hooiberg
lannen, lanen, lannen, (Kampereiland, Kamperveen) het op een bepaalde manier uit een hooiberg steken van een hooiblok. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lannen
lantaarn, lanteern, lantaarn
lantaarnopsteker, lanteernopsteker, lantaarnaansteker
lanteren, länteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) rondslenteren
lap, lappe, 1. lap. Gunninks woordenlijst van 1908: Een lap zetten ‘zijn best doen’; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: dronkaard
lapkaas, lapkeze, kaas van mindere kwaliteit
lapkop, lapkòp, (Gunninks woordenlijst van 1908) beest met halfwitte kop
lappen, lappen, werkwoord, 1. klaarspelen; 2. zemen; 3. geld bijeen brengen om iets te kopen; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: een lap ergens op zetten
lapwijf, lapwief, (Gunninks woordenlijst van 1908) vrouw die de kleren van boerenknechts in orde hield
lapzak, lapzak, (Kampereiland, Kamperveen) vervelend mens
lapzwans, lapzwanse, lapzwaanse, (Kampen) lapzwans. Ook: lapzwaanse (Kampereiland, Kamperveen)
larie, larie, larie
las, lasse, laste, las (tussenzetsel)
lassen, lasten, (Gunninks woordenlijst van 1908) lassen
last, last, 1. last, lading; 2. last, hinder. Last ebben van wärklûzen ‘min of meer onverwacht hard werken’
lasteren, lasteren, lasteren
lat, latte, (Gunninks woordenlijst van 1908) lat. Gunninks woordenlijst van 1908: An de latte ‘uitgeput’
laten, laoten, löt, liet (Kampen) / leut (Kamperveen-Kampereiland, 1. laten; 2. bloed afnemen van een dier; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: (de bergkap) neerlaten; 4. in: Gunninks woordenlijst van 1908: laot deur ‘laat door (kinderspel)’ (Kampereiland)
latigheid, latigeid, laat tijdstip. Gunninks woordenlijst van 1908: In de lätigeid ‘laat’
lauw, lauw, lauw
laveren, laveren, laveren
lawaai, lewaai, lawaai, lawaai
lawaaierig, lewaaierig, rumoerig
leb, lebbe, 1. lebmaag; 2. oud persoon die zich met het eten en drinken niet goed kan redden
lebbes, lebbes, in: Ie kunnen ’t lebbes krîêgen ‘je kunt me wat!’, Ik skrukke mien ’t lebbes ‘ik schrok me een ongeluk’
ledikant, ledekant, ledikant
leeg, leeg, leug, leeg. Ook: leug (Kampereiland, Kamperveen)
leegte, leegte, leegte
leem, leem, leem
leep, leep, leep
leer, leer, leder
leer, leer, zie ledder
leer, lere, leer (godsdienst)
leest, leeste, leest
leest, lîêste, lieste, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. leest; 2. lies. Ook: lieste
leeuwerik, leeuwrik, leeuwerink, leeuwerik
leg, lège, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. eierstok van kippen; 2. zie legge
leg, legge, lège, (Kamperveen) laag korenschoven op de dorsvloer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lège
leger, leger, (Gunninks woordenlijst van 1908) ligplaats
leggarde, leggädde, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie baandgädde
leggen, lègen, leggen, liggen, leg, lègen, lègen, elèègd, leggen. Ook: leggen (Kampen), liggen (Kampereiland, Kamperveen)
lei, leie, (Gunninks woordenlijst van 1908) lei
leiden, leien, leiden
leidsel, leisel, leidsel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: leizeel
leizeel, leizeel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie leisel
lek, lek, zelfstandig naamwoord, lek
lek, lek, bijvoeglijk naamwoord, lek. Zo lek as een skepelsmande ‘zo lek als een zeef’, (van iemand): ‘hij kan geen geheim bewaren’
lekken, lekken, werkwoord, lekken
lekker, lekker, lekker. Niet ärg lekker in d’oed wezen ‘niet in orde zijn; spottend: ze niet allemaal op een rijtje hebben’ (zie ook: goed, bijvoeglijk naamwoord)
lel, lelle, lel
lelie, lelie, lelie
lelijk, lillijk, lelijk
lelijkerd, lillijkerd, 1. lelijkerd; 2. kwaadaardig persoon
lellebel, lellebelle, minder gunstig bekend staande vrouw
lem, lem, (Gunninks woordenlijst van 1908) lemmer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lennep (niet Kampen)
lempe, lempe, onhandige meid
lende, lende, lende
lenen, lenen, (Kampen) lenen
lenen, lîênen, (Kampereiland, Kamperveen) lenen
leng, lenge, (Kampereiland, Kamperveen) soort bederf bij melk en graan
lengen, lengen, (Kampen) verlengen. Tegen kinderen: Bi-j weer an ’t lengen? ‘ben je weer aan het treuzelen om naar bed te gaan?’
lennep, lennep, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: lem
lep, lep, (Kampereiland, Kamperveen) roepnaam voor een schaap
lepel, lepel, lepel
lepelblad, lepelblad, lepelblad
lepeldief, lepeldiefien, herderstasje (plant)
lepeldoosje, lepeldeusien, lepeldoosje. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lepelkiste
lepelkist, lepelkiste, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie lepeldeusien
lepelkost, lepelkòst, (Gunninks woordenlijst van 1908) kost die met de lepel wordt gegeten
lepelrak, lepelrak, (Kampereiland, Kamperveen) lepelrek
lepelvaasje, lepelvasien, lepelvaasje
leperd, leperd, leperd
leplam, leplämmegien, lam dat door de moeder verstoten is en met de fles wordt gevoed
leppen, leppen, met kleine teugjes drinken
leren, leren, werkwoord, leren
leren, leren, bijvoeglijk naamwoord, lederen
lerenlap, lerenlappe, zeemlap
les, les, les
letten, letten, hinderen
letter, letter, letter
letterdoek, letterdoek, zie letterlappe
letteren, letteren, werkwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) letteren
letterlap, letterlappe, (Kampen) letterdoek. Ook: letterdoek (Kampereiland, Kamperveen)
leugen, leugen, leugen
leugenbank, leugenbanke, leugenbank (plaats waar men elkaar sterke verhalen vertelt)
leugenbast, leugenbäste, iemand die erg liegt
leunen, leunen, leunen
leuteren, leuteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. talmen; 2. zeuren
leven, leven, werkwoord, leven
leven, leven, zelfstandig naamwoord, drukte, lawaai
levendig, levendig, 1. zie leventig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: levend
levendig, leventig, levendig, levendig
lever, lever, lever
leveren, leveren, leveren
leverworst, leverwöst, leverwòst, (Kampen) leverworst. Ook: leverwòst (Kampereiland, Kamperveen), maalwöst (Kamperveen)
lezen, lezen, les / leest (Kampereiland, Kamperveen), las, lazen, lezen
lichaam, lichem, lichaam
licht, licht, zelfstandig naamwoord, licht
licht, licht, bijvoeglijk naamwoord, licht. Zo licht as een oele
licht, lichte, waarschijnlijk
licht, luchte, (Gunninks woordenlijst van 1908) lantaarn
lichten, lichten, lichten, weerlichten
lichten, lichten, licht maken (van gewicht)
lichten, luchten, Gunninks woordenlijst van 1908: bijlichten
lichtendag, lichtendag, volop dag
lichtmis, lichmis, lichmissen, 1. Lichtmis (2 febr.); 2. losbol. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lichmissen
lid, led, (Gunninks woordenlijst van 1908) deksel
lid, lid, lid
lidmaat, ledemaoten, 1. ledematen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: lidmaten
lidmaat, lidmaote, lidmaat
lieden, lu, lieden
liedje, lietien, liedje
lief, lief, bijvoeglijk naamwoord, lief
liegen, lîêgen, lög, leug, leugen, eleugen, liegen
lier, liere, 1. buikorgel; 2. zie lang
lies, lieste, lîêste, lies. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lîêste
liever, lîêver, liever, liever. Lîêvere breuties wödden niet ebakken (gezegd n.a.v. de opmerking: dat wil/doe ik liever niet). Ook: liever (Kampen)
lieverd, lieverd, lieverd
lieverlee, lieverlee, lieverlao, lieverlee. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lieverlao
liggen, lègen, leggen, liggen, leg, lègen, lègen, elèègd, liggen (Kampen). Ook: leggen (Kampen), liggen (Kampereiland, Kamperveen)
liggen, liggen, lègen, leggen, lig (leg: Kampen), lag, lagen, elegen, (Kampereiland, Kamperveen), liggen. Ook: lègen (Kampen), leggen (Kampen)
lij, li’j, luw
lijden, lieden, lîên, led, leed, leden, eleden, lijden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lîên
lijf, lief, zelfstandig naamwoord, 1. lijf, lichaam; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: buik. Gunninks woordenlijst van 1908: Et op ’t lief ebben ‘1. op het punt zijn een jong te werpen; 2. iets in de zin hebben’
lijfje, liefien, lijfje, vrouwenkledingstuk
lijfzeerte, liefzeerte, (Kampereiland, Kamperveen) buikpijn (voornamelijk bij dieren)
lijk, liek, zelfstandig naamwoord, lijk
lijk, liek, zelfstandig naamwoord, touw aan de rand van een zeil
lijken, lieken, gelijken
lijks, lieks, 1. zie lieked; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: uitroep bij het knikkeren
lijkstee, liekstee, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie litteken
lijkwagen, liekwagen, lijkwagen
lijm, liem, lijm
lijmen, liemen, lijmen
lijn, liende, 1. lijn; 2. touw; 3. waslijn
lijnkoek, lienkoeke, lijnkoek
lijnmeel, lienmaal, liemaal, lijnmeel. Ook: liemaal (Kamperveen)
lijnolie, lieneulie, lijnolie
lijnzaad, lienzaod, lijnzaad
lijpen, lippen, huilen
lijpschuit, lipskute, huilerig kind
lijst, lieste, lijst
lijster, liester, lijster
likdoorn, liekdoorn, zie eksteroge
likje, likkien, klein beetje
likken, likken, likken. Lik mien de sukerbule ‘je kunt me nog meer vertellen’, Lik mien de maas ‘je kunt me wat!’
lindeboom, liendeboom, (Gunninks woordenlijst van 1908) lindeboom
linker, linker, linker
linkse sigaar, linkse segaren, wikkels, gedekt met de linker helft van het dekblad
linnen, linnen, linnen
lint, lint, lint
lip, lippe, lip. De lippe (of: de kinne) op ’t dädde knoopsgat ebben angen ‘teleurgesteld zijn’, IJ trekt een lippien ‘het huilen staat hem nader dan het lachen’
lis, lûûs, (Gunninks woordenlijst van 1908) lis
lisjes, lusies, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kamperveen) uiterwaarden
list, list, list
litteken, litteken, litteken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: liekstee (niet Kampen)
lobbes, lòbbes, lobbes
lobbes, loebas, loeder. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: loederd
loeder, loederd, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie loebas
loer, loer, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kamperveen) het loeren. ’k Eb em in de loer ‘ik heb hem in de gaten’
loeren, loeren, loeren, gluren
loerlap, loerlappe, (Kamperveen) ooglap voor een paard
lof, lòf, lof
log, lògge, (Gunninks woordenlijst van 1908) log
logé, lozjee, logé. Lozjees en vis blîêven drie dagen fris ‘je moet niet te lang blijven’
logeren, lozeren, lozjeren, logeren
lok, lokke, zelfstandig naamwoord, lok
lokken, lokken, werkwoord, lokken
lol, lòl, lol
lommerd, lommerd, lommerd
lomp, lomp, bijvoeglijk naamwoord, lomp
lomp, lompe, vod
lompenjood, lompejood, koopman die in kleding handelt
lompenman, lompeman, lompenkoopman. Ook: lorreman (Kamperveen)
lomperd, lomperd, onhandig persoon
lonen, lonen, 1. loon geven; 2. de moeite waard zijn
long, longe, long. Döör löt ie de longe nao angen ‘dat doet hij graag’
lonken, lonken, 1. lonken; 2. scheel zien; 3. wenken
lood, lood, lood
loodje, leutien, 1. bepaalde maat voor koffie; 2. loodje (vroeger een half ons, later 10 g)
loods, loze, loods
loof, lòf, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: loof
loof, loof, lòf, (Gunninks woordenlijst van 1908) loof. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lòf
look, leukien, uitje (kleine ui)
look, look, ui
loom, loom, loom
loon, loon, loon
loonlijst, loonlieste, loonlijst. Op de loonlieste staon ‘bij iemand in dienst zijn’
loonwerker, loonwärker, loonwerker (losse knecht)
loop, loop, leup, loop. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: leup
loopje, leupien, 1. loopje; 2. korte wandeling. Zien leupien ebben ‘een vast adres hebben waar men even aanloopt, een vaste route hebben die men wandelt’
loops, leups, loops (van een teef)
loopschuit, loopskute, vrouw die vaak op pad is
loos, loos, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) slim
loot, lote, (Kamperveen) loot van een boom
lopen, lopen, löp, liep / leup (Kampereiland, Kamperveen), liepe, lopen. Gunninks woordenlijst van 1908: Lopen as een kiefte ‘hard lopen’, D’r löp een strepien deur ‘die persoon is niet geheel toerekeningsvatbaar’, Loop nao de skans! (verwensing), Loop nao de weerlicht! (id.)
lor, lòrre, (Gunninks woordenlijst van 1908) lor
lorrenman, lorreman, zie lompeman
los, lös, 1. los; 2. open
loslijvig, löslîêvig, een te gemakkelijke stoelgang hebbend
loslippig, löslippig, loslippig
lossen, lössen, 1. lossen. Gunninks woordenlijst van 1908: Een voer eui lössen ‘het hooi van de wagen in de hooiberg werpen’; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: lozen, in: Gunninks woordenlijst van 1908: wäter lössen
lot, lòt, loten, löttien, lot
loten, loten, loten
loterij, loteri’je, loterij
lubben, lubben, castreren
lucht, lucht, lucht
luchten, luchten, 1. ventileren; 2. verdragen. Gunninks woordenlijst van 1908: Iemaand niet luchten òf zien magen ‘iemand niet kunnen uitstaan’
luchtig, luchtig, 1. dun gekleed; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: fris
luchtpijp, luchpiepe, luchtpijp
lucifer, lusefäs, lusifäs, (Kampen, Kamperveen) lucifers. Ook: lusifäs (Kampereiland)
ludduvuddu, luddevede, liefdesverdriet
lui, lui, lui. Zo lui as een värken
luibuis, luibuis, luiaard
luiden, luden, lûûn, luiden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lûûn
luik, loek, luuk, luik. Ook: luuk (Kampen)
luis, luus, lûzen, lusien, luis
luisteren, luusteren, werkwoord, 1. luisteren. ’t Weer leg te luusteren ‘er is ander weer op komst’; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: influisteren
luisteren, luusteren, bijvoeglijk naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) van luuster
luizenbos, lûzebos, scheldwoord: kwajongen
lukken, lukken, lukken, gelukken
lul, lul, 1. (plat) penis; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: pijp aan een pomp
lulbroer, lulbreur, lullebreur, (Kampen) een man die te veel babbelt. Ook: lullebreur (Kampereiland, Kamperveen)
lulla, lulla, kletsmajoor. Lulla in ’t wagentien ‘zanikerd, kletskous’. Ook: lulmeier
lullen, lullen, kletsen. Ie lullen uut de nekke ‘je praat onzin’. Zie ook: kletsen
lullerig, lulderig, praterig (veelal bij dronkenschap)
lullerij, lulderi’je, kletspraat
lulletje, lullegien, in: lullegien lampeketoen (Kampen) ‘domme prater’, lullegien rozewater (Kampen) ‘sukkel, simpele ziel’
lulmeier, lulmeier, zie lulla
lummel, lummel, lummel
luns, leunze, (Gunninks woordenlijst van 1908) luns
lurken, lörken, lurken
lurven, lörven, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: iemaand in zien lörven pakken ‘iemand bij de kraag vatten’
lus, lusse, lisse, lus
lust, lust, 1. lust, plezier; 2. in: met lusten wezen ‘zwanger zijn’
lusten, lussen, lusten. IJ lust van ’t ele värken ‘hij is nergens vies van’, A-j ’t niet lussen, dan zet ie ’t maar zes voet van oe, dan springt ’t oe niet veur (of: tegen) de kòp ‘als je iets niet lust, geen bezwaar, dan zet je het maar een e
lustre, luuster, zelfstandig naamwoord, dunne glimmende stof
luwte, li’jte, luwte
maag, mage, maag
maagd, määgd, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie meid
maagd, magien, ongetrouwde jonge vrouw
maagklep, maagkleppe, maagklep
maagpijn, maagpiene, maagpijn
maagzuur, maagzoer, maagzuur
maagzweer, maagzwere, maagzweer
maaien, meien, mèèien, maaien. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: mèèien
maaier, mèèier, (Gunninks woordenlijst van 1908) maaier
maal, maol, 1. maal; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zie maoltied
maal, mööltien, kleine hoeveelheid, portie, éénpersoonsmaaltijd. Döör e-j een mööltien an (gezegd wanneer iemand bijv. een portie groente gaf aan iemand anders, die voldoende was voor één maaltijd)
maaltijd, maoltied, maaltijd. Zie ook: maol
maan, maone, maan
maand, maond, maand
maandag, maondag, maandag
maandagplas, maondagplässien, (Kamperveen) krentenbol die op de maandagmarkt werd gekocht
maandagziekte, maondagziekte, (Kampereiland, Kamperveen) paardenziekte
maankap, mänekappe, (Gunninks woordenlijst van 1908) maankap, dekkleed over de manen van een paard
maar, maar, maar
maart, meert, maart
maartig, meertig, meertsig, zie meerts
maarts, meerts, meertig, meertsig, krols
maat, maot, 1. makker; 2. collega
maat, maote, 1. maat, grootte; 2. stuk land
maatje, mötien, maatje
maatschap, maotskap, maatschap
machine, mesjiene, mesiene, 1. machine; 2. fornuis
machinegaren, mesjienegören, mesjienegaoren, (Kampen) naaimachinegaren. Ook: mesjienegaoren (Kampereiland, Kamperveen)
machinenaald, mesjienenaolde, naaimachinenaald
machinist, mässenist, (Gunninks woordenlijst van 1908) machinist
macht, macht, macht. Een macht ‘veel’, bijv. een macht volk ‘veel mensen’
mad, mad, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: over ’t mad komen ‘verrassen, betrappen’
made, maden, maden
mager, mager, mager. Mager as talòlt, mager as klapòlt ‘heel mager’, Gunninks woordenlijst van 1908: Zo mäger as een schram
mak, mak, 1. mak; 2. slap van gestel na ziekte
maken, maken, maken
makkelijk, makkelijk, gemakkelijk
mal, mal, gek. Malle fratsen ‘vreemde gedragingen’
mal, malle, model, mal
malen, malen, 1. malen; 2. om iets geven; 3. zijn verstand kwijt zijn; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: tobben, mijmeren
malheur, malleur, schade. Ik eb malleur an de fietse
malle, malle, iemand die gek doet
mallejan, mallejan, (Gunninks woordenlijst van 1908) mallejan
mallemoer, mallemoer, in: gien mallemoer ebben ‘niets bezitten’
mallemolen, mallemeule, draaimolen
man, man, mannen, manlu, mallie, männegien, (meervoud mannen / manlu / mallie (Kampereiland, Kamperveen)), man. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: mammes (niet Kampen)
mand, mande, maande, (Kampen) mand. Ook: maande (Kampereiland, Kamperveen)
manen, mane, nekhaar van een paard
manen, manen, aanmanen
maneschijn, maoneskien, maneschijn
mangelwortel, mangelwöttel, (Kampereiland, Kamperveen) soort voederbiet
manier, meniere, manier
maning, manige, 1. zie vermaning; 2. in: Gunninks woordenlijst van 1908: Mänige van kôêzenzeerte ‘een klein beetje kiespijn’
mank, mank, mank
mankeren, mekeren, mankeren
mankering, mekerige, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kamperveen) ongesteldheid
manmens, mammes, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie man
manoeuvre, meneuvels, 1. gebaren; 2. vreemde gedragingen; 3. manoeuvres
mans, maans, (Kampereiland, Kamperveen) mans
manshoogte, manseugte, manshoogte
mansig, maansig, bijvoeglijk naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) trots
mansigheid, maansigeid, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) trotsheid
mantel, maantel, (Gunninks woordenlijst van 1908) mantel
markt, märk, markt
marmot, marmotte, marmot
mars, mäs, 1. mars, het lopen. Een ele mäs ‘een heel eind lopen’; 2. het lopen in een bepaald ritme
mars, mäs, mässe, mand van een marskramer. In de mäs wezen ‘dronken zijn’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: mässe
mars, mässe, mäs, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. mars van een marskramer. Ook: mäs; 2. buik
marskerel, mässekerel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie mäskramer
marskramer, mäskramer, marskramer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: mässekerel
martelen, mättelen, 1. martelen; 2. tobben, moeizaam werken
mast, mast, mast
mat, matte, (Gunninks woordenlijst van 1908) mat
matras, metrasse, matras
matroos, metroze, metroos, matroos
mauwen, mauwen, mouwen, 1. zeuren. Ook: mouwen; 2. miauwen
mauwer, mauwerd, zeurpiet
mee, mee, mee
meel, maal, meel
meelmop, maalmöppien, koekje, biscuitje. Ie zien zo wit as een maalmöppien ‘je ziet zo wit als wat’
meelmopjesgezicht, maalmöppies-gezichte, bleek gezicht
meelworst, maalwöst, zie leverwöst
meelzak, maalzak, meelzak
meepenning, meepennik, meetpenning, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie goospenning
meer, meer, meer
meerderwegen, meerdewegges, meerdeweggies, meerdeweggens, op verschillende plaatsen. Ook: meerdeweggies, Gunninks woordenlijst van 1908: meerdeweggens
meerkoet, meerkote, meerkoet. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: meerkòlle
meerkol, meerkòlle, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie meerkote
meerpuit, meerpoete, puitaal
mees, meze, mees
meest, meeste, meeste
meester, meister, (Gunninks woordenlijst van 1908) meester
meet, meet, (Gunninks woordenlijst van 1908) meet
meetlat, meetlatte, meetlat, liniaal
meeuw, meeuwe, meeuw
mei, mei, mei
meibloem, meibluumpien, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie meizeuntien
meid, meid, määgd, meid. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: määgd (niet Kampen)
meimot, meimot, in: Meimot is op-estaon. / IJ mut maar weer nao bedde toe gaon. / (Het is niet meer bekend bij welke gelegenheid dit werd gezongen. Waarschijnlijk afkomstig van het luiemottefeest, maar het is de vraag of dit in Kampen werd gevierd; wel in Genemuid
meimulder, meimulder, zie mulder
meiregen, meiregen, meiregen, in: Speullietien: Meiregen, köppien bloot. / Dan wödden alle kinderties groot.
meisje, meisien, meisje
meizoentje, meizeuntien, meizuuntien, madeliefje. Gunninks woordenlijst van 1908: meibluumpien
mekaar, mekare, menare, menander, mekander, elkaar
melancholiek, mankeliek, 1. melancholiek; 2. gammel (Kamperveen)
melde, mele, (Gunninks woordenlijst van 1908) windhalm (aspera spica venti)
melk, melk, melk
melkaker, melkaker, melkaker
melkavond, melkaovend, (Kampereiland, Kamperveen) de tijd van melken ’s avonds
melkbus, melkbusse, melkbus
melkemmer, melkemmer, melknemmer, melkemmer
melken, melken, melken
melkfabriek, melkfebriek, zuivelfabriek
melkgoed, melkgoed, (Kampereiland, Kamperveen) alle materialen die bij het melken worden gebruikt
melknap, melknap, melknap
melkperk, melkpark, (Kampereiland, Kamperveen) omheinde ruimte waarin het vee gemolken wordt
melkrak, melkrak, (Kampereiland, Kamperveen) rek waarop men het melkgoed te drogen legt
melkstoel, melkstuultien, (Kampereiland, Kamperveen) melkkruk
melktijd, melktied, melkenstied, melktijd
meneer, meneer, meneer
menen, menen, menen
mengel, mengel, (Gunninks woordenlijst van 1908) naam van een maat, in: Gunninks woordenlijst van 1908: Die koe gef een mengel meer as ’n òsse ‘die koe geeft weinig melk’
mengen, mengen, mengen
menig, menig, männig, menig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: männig (Kamperveen)
menigeen, menigene, menigîêne, männigîêne, (Kampen, Kamperveen) menigeen. Ook: menigîêne (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: männigîêne (Kamperveen)
mening, menige, (Kampereiland, Kamperveen) mening
mennen, mennen, 1. mennen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zware vrachten voeren
mens, mense, mèènse, minse, (Kampen) 1. mens; 2. vrouw. Ook: mèènse (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: minse (Kamperveen)
mensenkind, mensekienders, mèènsekienders, (Kampen) uitroep van verbazing. Ook: mèènsekienders (Kampereiland, Kamperveen)
mensenleeftijd, menseleeftied, mèènseleeftied, (Kampen) mensenleeftijd. Ook: mèènseleeftied (Kampereiland, Kamperveen)
mep, mep, klap
merg, märg, mörf, mörg, mörk, merg. Ook: mörf (Kampen), mörg (Kampereiland), mörk (Kamperveen)
mergpijp, märgpiepe, mörfpiepe, mergpijp
merinos, männòs, (Gunninks woordenlijst van 1908) merinos (bep. wollen stof)
merk, märk, merk
merken, märken, 1. merken; 2. merkteken geven
merrie, mere, (Kampereiland, Kamperveen) merrie
merrieveulen, märrievöllen, märrievullen, (Kampereiland, Kamperveen) merrieveulen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: märrievullen
mes, mes, mes
mest, mes, mäs, mest. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: mäs (Kamperveen)
mestbelt, mesbelt, gemeentelijke vuilstortplaats
mesten, messen, mesten, (Kampereiland, Kamperveen) mesten. Ook: mesten (Kampen)
mesthaak, mestaoke, (Kampereiland, Kamperveen) vork die haaks op de steel staat en waarmee de mest vanaf de wagen op het land wordt getrokken
mesthok, mestòk, (Kampereiland) mesthok. Die mut neudig op ’t mestòk ‘die moet flink eten, die moet aansterken’
mestkalf, meskalf, mestkalf, mestkalf
mestrieksel, mestrieksel, (Kamperveen) rare vrouw
mestvaalt, mesvaalt, mestvaalt
met, met, mit, voorzetsel, met. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: mit
met, met, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) met
metaal, metaol, metaal
meten, meten, meet (Kampen, Kamperveen) / met (Kampen, Kampereil, meten
metselaar, messeläär, (Gunninks woordenlijst van 1908) metselaar
metselen, messelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) metselen
metworst, metwöst, metwòs, metwòst, (Kampen) metworst. Ook: metwòs (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: metwòst
meug, meugen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: eugen
middag, middag, middag. Gunninks woordenlijst van 1908: Smalle middag (schertsend voor een lang mens)
middel, middel, middel
middelaar, middelaar, (Kampereiland, Kamperveen) paal tussen twee delen van een grote deur
middeldeur, middeldeure, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie middendeure
middelknecht, middelknecht, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) tweede knecht
middelvinger, middelvinger, middelvinger
midden, midden, midden
middendeur, middendeure, middeldeure, (Kampereiland, Kamperveen) deur tussen voorhuis en achterhuis. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: middeldeure
middendoor, middendeur, doormidden
miegelen, miegelen, miggelen, (Kampereiland, Kamperveen) motregenen. Ook: miggelen (Kampereiland, Kamperveen)
miegen, mîêgen, plassen, urineren
mier, miere, mier
mierennest, mierenöst, mierennest
mierenzuur, mierezoer, mierenzuur
miers, miers, zie mierzûte
mierzoet, mierzûte, erg zoet. Ook: miers
mieter, mieter, mieter. Die ele kaste is naor de mieter ‘die hele kast is kapot’, Gunninks woordenlijst van 1908: Loop nao de mieter ‘loop naar de pomp’, Gunninks woordenlijst van 1908: iemaand op zien mieter geven ‘iemand afranselen’
mieteren, mieteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. vuil werk doen; 2. zaniken
mieterig, mieterig, (Gunninks woordenlijst van 1908) vuil
mieterkoppen, mieterkòppen, zaniken
mijn, mien, bezittelijk voornaamwoord, persoonlijk voornaamwoord, 1. (bezittelijk voornaamwoord) mijn; 2. (persoonlijk voornaamwoord) mij
mijn, miende, miente, bezittelijk voornaamwoord, (zelfst. gebr. bez. vnw) van mij. Det is de miende ‘dat is de mijne’
mijnen, mienen, werkwoord, mijnen
mijt, miete, hooimijt
mijten, mieten, (Kamperveen) een mijt zetten
mikken, mikken, mikken
mikmak, mikmak, (Gunninks woordenlijst van 1908) mengsel, allegaartje
mild, mild, mild
milt, milt, milde, milt. Ook: milde (Kampereiland, Kamperveen)
miltvuur, miltvuur, miltvuur
min, min, (Gunninks woordenlijst van 1908) gering, gemeen
min, minne, voedster
min, minne, vriendschap, in: in de minne schikken ‘vriendschappelijk regelen’
minder, minder, minder
miniseren, minneseren, minder worden, minder maken
minnelijk, minnelijk, zwak, teer
mirakel, merakel, mirakel
mirakels, merakels, 1. in sterke mate. Merakels veule ‘heel veel’; 2. uitroep van verbazing
mis, mist, bijwoord, mis. ’t Is mist ‘het is mis’
misdruk, misdruk, verkeerd. ’t Is misdruk ‘het zit niet goed’
miserabel, miserabel, miserabel
mishandelen, misandelen, mishandelen
mispel, mispel, mispel
mispunt, mispunt, onaangenaam mens
missen, missen, werkwoord, missen
mist, mist, zelfstandig naamwoord, mist
modden, modden, motten, zie rooien
modder, modder, modder
modderbeugel, modderbeugel, modderbeugel, baggerbeugel
modderen, modderen, 1. baggeren; 2. klungelen
modderkruiper, modderkroeper, modderkruiper, weeraal
moe, , bijvoeglijk naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) moe
moed, moed, moed
moeder, mo, zie moeder
moeder, moeder, mo, moder, moor, moer, moeder. Ook: mo (Kampen, Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: moder (Kampen), Gunninks woordenlijst van 1908: moor (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: moer
moei, meuie, tante
moeite, muite, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie muuite
moeite, muuite, muite, moeite. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: muite
moer, moer, moor, moder, 1. wijfjeskonijn; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zie moeder. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: moor (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: moder (Kampen)
moer, moere, moer
moeras, moeras, moeras
moerziek, moerziek, (Gunninks woordenlijst van 1908) moederziek
moet, mutte, noodzaak
moeten, mutten, mut, mos, mossen / mosten (Kampen), emut / emutten, moeten
moetje, muttien, gedwongen huwelijk
mof, moffe, (Gunninks woordenlijst van 1908) mof
mogelijk, meugelijk, mogelijk
mogen, magen, maggen, mag, moch, mochen, emagd, maggen (Kampen) mag, moc, (Kampereiland, Kamperveen: volt. deelw. weinig gebruikt), mogen. Ook: maggen (Kampen)
moggelen, moggelen, klungelen
moker, moker, moker
mol, mòlle, mol
molen, meule, meulens, meulentien, molen
molenaar, meulenaar, molenaar
mollen, mòllen, werkwoord, stuk maken
mollenbult, mòllebult, molshoop
mollenrit, mòllerit, mollengang
mollenvanger, mòllevanger, mollenvanger
mollenvel, mòllevel, mollenvel
mollenvel, mòlsvel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: bevertien
molm, mòllen, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) molm
mombakkes, mombak, (Kampereiland, Kamperveen) mombakkes
mompelen, mompelen, mompelen
mond, mond, mond
mondig, mundig, muntig, (Kampen) de volwassen leeftijd bereikt hebbend. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: muntig
monnik, monnik, monnik
monster, monster, monster, gedrocht
monster, monster, staal, proefstuk
mooi, mooi, mooi. Zo mooi as een plätien (= plaatje)
moord, moord, moord
moorden, moorden, werkwoord, moorden
moordenaar, moordenaar, moordenaar
mop, möppien, koekje
mops, mop, (Gunninks woordenlijst van 1908) mopshond
morel, merelle, (Gunninks woordenlijst van 1908) morel (soort kers)
morgen, mönnen, männen, märgen, (Kampen, Kampereiland) morgen. Ook: männen (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: märgen (Kamperveen)
morgenrood, mönnenrood, morgenrood
morgenvroeg, mönnenvrog, männenvrog, morgenvroeg. Ook: männenvrog (Kamperveen)
mors-, mòs-, zie mös-
morsbier, mösbier, bier dat gemorst wordt bij het tappen
morsdood, mösdood, mòsdood, (Kampen) morsdood. Ook: mòsdood (Kampereiland, Kamperveen)
morsen, mössen, mòssen, (Kampen) morsen, hier en daar wat laten vallen. Ook: mòssen (Kampereiland, Kamperveen)
morsig, mössig, mòssig, (Kampen) morsig. Ook: mòssig (Kampereiland, Kamperveen)
morskont, möskonte, mòskonte, (Kampen) iemand die morsig is. Ook: mòskonte (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: mòssepòt
mos, mòs, mos
mosterd, mòsterd, mosterd
mosterdpot, mòsterdpòt, mosterdpot
mot, mot, 1. verkruimelde aarde van aardappelen; 2. tabakszand; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: opgeveegd stof
mot, motte, 1. zeug; 2. dikke vrouw
mot, motte, mot (insect)
motblik, motblik, (Kampereiland, Kamperveen) stofblik
mothok, mot-òkke, mot-òk, (Kampereiland, Kamperveen) hok waar de zeug biggen krijgt. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: mot-òk
motregen, motregen, motregen
motten, motten, motregenen
mouw, mouwe, mouw
mud, mudde, 1. mud (70 kg aardappelen); 2. 100 liter
mudzak, mudzak, grote (jute)zak
muf, muf, muf
mug, mugge, mug. De mugge ef een rugge (spottend gezegd wanneer iemand overdreven over pijn of moeheid klaagt)
muil, mule, muil, slof
muilezel, moelezel, muilezel
muilkorf, moelkòrf, muilkorf
muis, moes, môêzen, musien, 1. muis. Döör liggen de môêzen dood veur de spinde ‘ze zijn daar zo arm dat zelfs de muizen geen kruimel krijgen’; 2. handpalm. Ook: palm (Kamperveen)
muizen, môêzen, met lange tanden eten
muizenis, môêzenisse, muizenis
muizenkeutel, môêzekeutel, muizenkeutel
muizennest, môêzenöst, muizennest
muizenval, môêzevalle, muizenval
mul, mul, mul
mulder, mulder, 1. molenaar; 2. meikever. Ook: meimulder
mulderen, mulderen, geld tellen. IJ is an ’t mulderen ‘hij is zijn geld aan het tellen’
mummelbek, mummelbekkien, zie mummelmuntien
mummelen, mummelen, tandeloos kauwen
mummelmond, mummelmuntien, mond zonder gebit. Ook: mummelbekkien
muntje, muntien, (Gunninks woordenlijst van 1908) muntbiljet van tien gulden
murmureren, murmereren, 1. zachtjes protesteren; 2. mopperen
mus, muske, musker, musse, muskes, mussien, (Kampen) mus. Ook: musker (Kampereiland, Kamperveen), musse
muts, musse, 1. muts. Met de musse d’r nao smieten ‘er met de pet naar gooien’; 2. zie muske
mutsbel, mussebelle, (Kampereiland, Kamperveen) mutsversiering bij klederdracht
mutsenwasser, mussewasser, mutsenwasser
mutsenwasserij, mussewasseri’je, mutsenwasserij
muur, mure, muur
muurbloem, muurbloeme, muurbloem
muurbloempje, muurbluumpien, muurbloempje (iemand die bij het dansen langs de kant blijft staan)
muurglas, muurglasien, (Kampereiland, Kamperveen) raampje tussen voorhuis en stal
muziek, meziek, muziek
muziekdoos, meziekdeuze, koffergrammofoon
muziekschool, meziekskole, muziekschool
na, nao, naor, voorzetsel, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1. (vz, bw) na; 2. (vz) naar. Ook: naor; 3. (bn) nabijzijnde. Nao familie ‘naaste familie’
na-aarden, nao-aoren, (Gunninks woordenlijst van 1908) besmettelijk zijn
na-aperij, nao-aperi’je, imitatie
naad, naod, naad
naadzak, naozak, (Kampereiland, Kamperveen) 1. zak, onder de rok gedragen (bij klederdracht); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zak in de naad
naaidoos, neideuze, naaidoos. Ook: neikissien
naaien, neien, nèèien, naaien. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: nèèien
naaifabriek, neifebriek, confectiefabriek
naaigaren, neigören, neigaoren, (Kampen) naaigaren. Ook: neigaoren (Kampereiland, Kamperveen)
naaikist, neikissien, zie neideuze
naaimachine, neimesiene, neimesjiene, naaimachine
naainaald, neinaolde, naainaald
naaischool, neiskole, naaischool
naaister, neister, (verstel)naaister
naald, naolde, naald
naaldenkoker, naoldekoker, naaldenkoker
naam, name, naam
naambord, naamböttien, naambord
naamkaart, naamkaartien, naamkaartje
naar, naar, naar, onpasselijk
naar, naor, zie nao
naarprecies, naarpesies, naarprecies, erg precies
naast, naost, naast
naaste, naoste, naaste
nabestaande, naobestaonde, bloedverwant, erfgenaam
nabuur, naober, (Kampereiland, Kamperveen) buurman
nabuursplicht, naoberplicht, naobersplicht, (Kampereiland, Kamperveen) burenplicht. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: naobersplicht (niet Kampen)
nacht, nacht, nacht. ’s Nachs, ’s nachens (Kampen) ‘’s nachts’
nacht samen, nachsaam!, welterusten! (tegen meerdere personen)
nachtbraken, nachbraken, nachtbraken
nachtegaal, nachtegale, nachtegaal
nachtmerrie, nachmärrie, 1. nachtmerrie; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: klit in de manen van een paard
nachtraven, nachräven, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) nachtbraken
nachtuil, nachtoele, nachtuil
nader, naoder, nader, dichterbij
naderen, naoderen, naderen
nag, nagge, bijdehante vrouw, bijdehand meisje
nagel, nagel, nagel. IJ ef nòg gien nagel um zien kont te krabben ‘hij bezit helemaal niets’
nagelhout, nagelòlt, rookvlees
nagelkaas, nagelkeze, kaas met kruidnagelen
nagelolie, nageleulie, (Kampen) kruidnagelolie
nagelriem, nagelriem, nagelriem
naheid, naogeid, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) nabijheid
najaar, naojöör, naojaor, (Kampen) najaar. Ook: naojaor (Kampereiland, Kamperveen)
nakend, nakend, naakt. Een nakende nete ‘iemand die zich teveel verbeeldt’
nalappen, naolappen, nadoen. Det lap ie em niet nao ‘dat doe je hem niet na’
nanacht, naonacht, laatste deel van de nacht
nap, nappe, nap
nat, nat, zelfstandig naamwoord, jus
nat, nat, bijvoeglijk naamwoord, nat. Ze bin nog nat achter d’oren ‘ze zijn nog te jong’
natuur, netuur, neture, nature, 1. natuur; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: aard. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: neture, Gunninks woordenlijst van 1908: nature
nauw, nauw, (Kampereiland, Kamperveen) nauw
navel, navel, näbel, navel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: näbel
navenant, naovenant, naovenaant, navenant
neb, nebbe, (Gunninks woordenlijst van 1908) neb
nee, nee, nee. Nee maar! ‘Nee maar!’, Gunninks woordenlijst van 1908: Nee mär zeker! ‘Nee maar zeker!’ (uitroep van bevestiging)
neef, neve, neef
neefje, nevien, nefien, mugje. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: nefien (niet Kampen)
neepjesmuts, nepiesmusse, muts met een korte, stijve, golvende plooi
neer, neer, neer
neet, nete, neet
negen, negen, negen
negende, negende, negende
negenennegentig, negenennegentig, negenennegentig
negenoog, negenoge, 1. negenoog, bloedzweer; 2. lamprei (= bep. riviervis)
negentien, negentien, negentiene, negentien
negentig, negentig, tnegentig, negentig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: tnegentig
neger, neger, neger
negotie, negosie, handel, negotie
nek, nekke, nek. Nekkien staon ‘bij ‘haasje over’ rechtop staan met gebogen hoofd’
nekken, nekken, werkwoord, nekken
nemen, nemen, nemp, nam, namen, eneumen, nemen. IJ nemp de kuten ‘hij gaat ervandoor’
nerf, närf, nerf
nergens, näns, närgens, nergens. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: närgens
nering, nerige, nering. Een drukke nerige ‘drukte’
nest, nöst, nest, nest. Ook: nest (Kamperveen)
nestei, nöstei, kalkei
nestel, nöstel, 1. vetergat; 2. verharde eind van een veter
nestelen, nesselen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie nösselen
nestelen, nösselen, nesselen, nestelen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: nesselen (Kamperveen)
nestkuiken, nöstekuken, jongste kind
net, net, juist, zopas
net, nette, zelfstandig naamwoord, net
netelig, netelig, 1. lichtgeraakt; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: lastig
netjes, netties, netjes, keurig
neuken, neuken, (plat) zaniken, klieren
neuren, nönnen, (Kampereiland, Kamperveen) maken van een kreunend geluid door een koe
neuren, nuren, (Kampereiland, Kamperveen) opzwellen van de uiers vóór het kalven
neursel, nuursel, (Kampereiland, Kamperveen) het opgezwollene in de uiers
neus, neuze, neus. De krul in de neuze ebben ‘het naar de zin hebben’, Det za-k oe niet an de neuze angen ‘daar heb je niks mee te maken’, Ie kieken met de neuze ‘je kijkt niet goed’
neusbotje, neusbuttien, neusbotje
neusklomp, neuzeklompe, van voren spits toelopende klomp
neusteren, nòsteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) zeuren van kinderen
neusterig, nösterig, nòsterig, geprikkeld. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: nòsterig (niet Kampen)
neuzen, neuzen, snuffelen
nevel, nevel, dauw, mist
nezerig, nèzerig, zeurderig, mopperig, vervelend
nicht, nichte, nicht
niemand, niemaand, (Gunninks woordenlijst van 1908) niemand
niemendal, niemedalle, (Gunninks woordenlijst van 1908) niemendal
nier, niere, nier
nierbekken, nierbekken, nierbekken
nierbroodje, nierbreutien, nierbroodje
niergruis, niergruus, niergruis
niet, niet, bijwoord, niet
niet, niete, zelfstandig naamwoord, niet
niet eens, nieties, zie gienies
niettemin, niettemin, niettemin
nieuw, ni’j, 1. nieuw; 2. verbaasd, vreemd. Daor kiek ik ni’j van op ‘daar kijk ik vreemd van op’
nieuw doen, ni’jdoen, ni’jedoen, benieuwen. Det zal mien ni’jdoen ‘dat zal mij benieuwen’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ni’jedoen
nieuwjaar, ni’jjöör, ni’jjaor, (Kampen) nieuwjaar. Ook: ni’jjaor (Kampereiland, Kamperveen)
nieuwjaar, ni’jjöörsdag, ni’jjaorsdag, (Kampen) nieuwjaarsdag. Ook: ni’jjaorsdag (Kampereiland, Kamperveen)
nieuwmelks, ni’jmelkt, niemelkt, van een koe: weer melkgevend na het kalven. Ook: niemelkt (Kampereiland, Kamperveen)
nieuwmodisch, ni’jmoods, ni’jmoeds, ni’jmôêds, (Kampen) modern. Ook: ni’jmoeds (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: ni’jmôêds
nieuws, ni’js, nieuws
nieuwsgierig, ni’jskierig, nieuwsgierig
nieuwtje, ni’jgien, nieuwtje
nijds, nieds, driftig, venijnig, kribbig. Det is een nieds kereltien
nijdskop, niedskòp, driftkop
nikkel, nikkel, nikkel
nikkoppen, nikkòppen, 1. jaknikken; 2. zittend in een dut raken, waarbij het hoofd naar voren valt
niks, niks, niets
nippertje, nippertien, in: Det was op ’t nippertien ‘dat was kantje boord’
noblesse, noblesse, (Gunninks woordenlijst van 1908) soort appel
nodig, neudig, neug, nodig. Ook: neug (Kampereiland, Kamperveen)
nodig, neug, neudig, (Kampereiland, Kamperveen) dringend, nodig. Ook: neudig
nodigen, neudigen, nodigen
nodigen, neugen, 1. nodigen; 2. aandringen (Kampereiland, Kamperveen). Laot oe niet neugen ‘tast toe!’
nodigkopje, neugköppien, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) kopje dat men drinkt omdat erop aangedrongen wordt
noemen, numen, nûmen, noemen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: nûmen
noest, noeste, kwast in hout, noest
nog, nog, nog
non, nonne, non
nood, nood, nood
noodweer, noodweer, noodweer
nooit, nooit, nooit
noord, noord, noord
noorden, noorden, noorden
noot, neute, note, noot (boomvrucht)
noot, neute, note, muzieknoot, in: IJ ef veule neuten op zien zang ‘hij heeft veel noten op zijn zang’
nootmuskaat, neutemuskaot, neutmuskaot, neutebeschòt, nootmuskaat. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: neutebeschòt
nop, noppe, nop
noppen, noppen, (Kampereiland, Kamperveen) bijten van paarden in elkaars manen
notenboom, neuteboom, notenboom
nou, now, noe, (Kampen) nou, nu. Ook: noe (Kampereiland, Kamperveen). Now en dan (Kampen), noe en dan (Kampereiland, Kamperveen) ‘nu en dan’, Now allo dan, of: Now allo eur ‘tot ziens’ (Kampen)
nuchter, nuchteren, nuchter
nuf, nuffien, 1. dametje; 2. klein beetje, plukje (hooi) (Kampereiland, Kamperveen)
nuk, nukke, nuk, gril
nul, nul, nul
nummer, nommer, (Kampereiland, Kamperveen) nummer
nut, nut, nut
nuttelen, nöttelen, geluidjes maken van een baby
nuver, neuver, op ’t nippertje, krap (bijv. van een naad die gestikt is)
och, och, och!, ach!
ochtendreden, ochtendreden, in: Ochtendreden en aovendreden komen zelden overeen ‘opinies kunnen snel veranderen’
oefenaar, oefenäär, (Gunninks woordenlijst van 1908) oefenaar
oefenen, oefenen, oefenen
oer, oere, (Kampereiland, Kamperveen) oer, ijzerhoudende zandgrond
oerbank, oerebanke, (Kamperveen) oude, ondoordringbare grondlaag
of, òf, voegwoord, of
offeren, òfferen, offeren
ogenblik, ogenblik, ogenblik
okshoofd, òkseufd, okshoofd
olie, eulie, olie
oliebol, euliebòlle, oliebol
oliejas, euliejässe, oliejas
oliekan, euliekanne, oliekan
olieknapper, eulieknäppertien, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie euliekoeke
oliekoek, euliekoeke, oliekoek. Ook: euliekräppien (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: eulieknäppertien
oliekrap, euliekräppien, zie euliekoeke
olifant, olifant, olifant
olijk, olijk, (Kampereiland, Kamperveen) zeer gering. Gunninks woordenlijst van 1908: Oe olijker ond oe meer vlooien ‘holle vaten klinken het hardst’
om, um, umme, om. Um tòch ‘(lett.) om toch’, wordt wel gezegd als men geen reden wil geven
om en aan, ummenan, ongeveer
omblad, umblad, omblad: een blad tabak waarin het binnengoed wordt gerold, waardoor de eerste vorm van de sigaar ontstaat (de wikkel)
omdaal, umdäle, (Gunninks woordenlijst van 1908) naar beneden. Zie ook: dale
omgekeerd, ummegekeerd, omgekeerd. Ummegekeerd deur een lampeglas kunnen ‘erg mager zijn’
omkijken, ummekieken, omkijken, omzien
ommezien, ummezîên, ommezien, ogenblik
omschikken, ummeskikken, omschikken
omsgelijks, umsgeliek, ongeveer
omsgelijks, umsgelieks, zie insgelieks
omstrekken, ummestrekken, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie ummetrekken
omtrekken, ummetrekken, 1. omtrekken; 2. omkeren van gemaaid gras om het te laten drogen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ummestrekken
omtrent, umtrent, omtrent
on, on, (Gunninks woordenlijst van 1908) oneven
onbenullig, onbenullig, onbenullig
onbeschoft, onbeskoft, onbeschoft
onbesproken, onbespreuken, onbesproken. Wie onbespreuken wil blîêven mut ongeboren blîêven ‘als je onbesproken wilt blijven had je niet geboren moeten worden’
onbesuisd, onbesoesd, onbezôêsd, (Kampen, Kamperveen) 1. onbesuisd; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zeer. Ook: onbezôêsd (Kampereiland)
onbetogen, onbeteugen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie onverteugen
onbeziens, onbezîêns, onbeziens, ongezien. Ook: onbeziens (Kampen)
ondeeg, ondege, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: t’ondege ‘in de war’
onder, onder, onder
onderarm, onderärm, onderarm
onderbroek, onderbroek, onderbroek
onderdaan, onderdaon, onderdaone, onderdaan. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: onderdaone 1. onderdaan; 2. been
onderdanig, onderdaonig, onderdanig
onderduims, onderdoems, stiekem
ondergeschoven, ondergeskeuven kiend, 1. onecht kind; 2. kind dat zich achtergesteld voelt: Ja, ie bin een ondergeskeuven kiend
ondergrond, ondergrond, ondergrond
onderhands, onderands, onderaans, (Kampen) onderhands. Ook: onderaans (Kampereiland, Kamperveen)
onderjurk, onderjörk, onderjurk
onderkruipen, onderkroepen, onderkruipen
onderkruiper, onderkroeper, 1. onderkruiper; 2. klein persoon
onderkruiper, onderkrupertien, klein kind
onderlaag, onderlaoge, onderlaag
onderlijf, onderlief, onderlijf
onderlip, onderlippe, onderlip
ondermelk, ondermelk, afgeroomde melk
onderpand, onderpand, onderpaand, onderpand. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: onderpaand
onderrekenen, onderreken, onderräken, (Gunninks woordenlijst van 1908) onderrekenen (brandende kolen bijeenschrapen zodat ze onder de as komen). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: onderräken (Kamperveen)
onderspit, onderspit, onderspit
onderste, onderste, onderste. ’t Onderste ef ook geld ekòst (gezegd tegen een kind dat een beker met bijv. melk niet helemaal leeg wil drinken)
ondertussen, ondertussen, intussen
onderweg, onderweg, onderweg
onderwerp, onderwärp, onderwerp
onderwijzer, onderwîêzer, onderwijzer
ondeugend, ondeugend, ondeugend
ondeugniet, ondeugeniet, (Gunninks woordenlijst van 1908) deugniet
ondier, ondier, ondier
onduidelijk, ondudelijk, onduidelijk
oneven, oneven, oneven
ongedaan, ongedaon, slecht, niet lekker, zich lichamelijk niet goed voelend. Gunninks woordenlijst van 1908: Ongedaon weer ‘slecht weer’
ongel, ongel, (Gunninks woordenlijst van 1908) gesmolten vet
ongelijk, ongeliek, ongelijk
ongemak, ongemak, (Kamperveen) 1. ongedierte; 2. uierziekte bij vee
ongemakkelijk, ongemakkelijk, ongemakkelijk
ongemerkt, ongemärkt, onopgemerkt
ongenadig, ongenaodig, 1. ongenadig; 2. erg
ongetogen, ongeteugen, zie onverteugen
ongeveer, ongeveer, ongeveer
ongezien, ongezien, onzuun, (Kamperveen) er slecht uitziend. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: onzuun
onhandig, onändig, onhandig
onhebbelijk, onebbelijk, ongemanierd, onfatsoenlijk
onkosten, onkòsten, onkosten
onkruid, onkruud, onkruid
onlustig, onlustig, (Gunninks woordenlijst van 1908) lusteloos
onnozel, onneuzel, onnozel
onooglijk, onooglijk, er niet goed uitziend
onraad, onraod, onraad
ontegenzeglijk, ontegenzeggelijk, ontegenzeglijk, ontegenzeggelijk
ontgroeien, ontgruuien, ontgroeien
ontkruipen, ontkroepen, ontkruipen
ontrieven, ontrieven, ontrîêven, (Kampen) ontrieven. Ook: ontrîêven (Kampereiland, Kamperveen)
ontstrijden, ontstrieden, zie òfstrieden
ontzitten, ontzitten, (Kamperveen) later opkomen van de maan
onverschillig, onverskillig, onverschillig, ruw
onvertogen, onverteugen, onvertogen, ongepast. Ook: ongeteugen, Gunninks woordenlijst van 1908: onbeteugen
onwaarschijnlijk, onwaarskienlijk, onwaarschijnlijk
onwat, onvat, onwat, (Kampen) onverschillig, lomp persoon, Gunninks woordenlijst van 1908: woesteling. Ook: onwat (Kampereiland, Kamperveen)
onweer, onweer, onweer
onwetend, onwetend, (Gunninks woordenlijst van 1908) ruw, barbaars
onwijs, onwies, onwijs
onzalig, onzelig, 1. onzindelijk, bezoedeld, smerig; 2. niet helder (van weer) (Kamperveen)
onzuiver, onzûver, onzuiver
oog, oge, zelfstandig naamwoord, oog. Kleine eugies ebben ‘slaperig zijn’, äns een eugien an waogen ‘iets eens goed bekijken’, ’t Oge is weer groter dan de mage ‘je wilt weer meer opeten dan je maag verdragen kan’, IJ ef ogen in de nekke ‘hij ziet niks’, IJ
oogbrauw, ogenbraon, (Gunninks woordenlijst van 1908) wenkbrauwen
ooghaar, oogören, oogaor, oogaoren, (Kampen) wimpers. Ook: oogaoren (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: oogaor
ooglijk, ogelijk, (Gunninks woordenlijst van 1908) er goed uitziend
ooglijk, ooglijk, er goed uitziend
oogstkuiken, ooskuken, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) 1. kuiken dat in de nazomer is uitgebroed; 2. rare snuiter
oogzeerte, oogzeerte, ogenzeerte, oogziekte
ooievaar, euver, zie ooievaar
ooievaar, ooievaar, eileuver, euver, ooievaar. D’ooievaar ef eur in ’t been eprikt ‘ze heeft een kind gekregen’. Ook: eileuver, euver
ooit, ooit, ooit
ook, ook, òk, (Kampen) ook. Ook: òk (Kampereiland, Kamperveen)
oom, oom, oom
oomzegger, oomzegger, oomzèger, oomzegger (neef). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: oomzèger
oomzegster, oomzegster, oomzegster (nicht)
oor, oor, ore, oren, orens, oor. D’oren in de nekke lègen ‘kwaad worden’, D’orens vriezen oe van de kòp ‘het vriest hard’, iemand d’orens van de kòp eten ‘heel veel eten’, IJ kreeg ’t achter d’oren ‘hij werd kwaad’, d’oren d’r nao laoten angen ‘iet
oordeel, oordeel, oordeel
oorkruiper, oorkroeper, oorwurm
oorlel, oorlelle, oorlel
oorlog, oorlog, oorlog
oorschelp, oorskelpe, oorschelp
oorveeg, oorvege, oorvijg
oorwurm, oorwörm, oorwörms, oorwörmpien, oorwurm
oorzaak, oorzake, oorzaak
oost, oost, oost
oosten, oosten, oosten
ootje, ote, oude vrouw
op, op, op. As ’t op is, is ’t kopen edaon ‘je moet tevreden zijn, er is niet meer’
op handen, op-annen, op-anen, (Kampen) op handen. Ook: op-anen (Kampereiland, Kamperveen)
opbaren, opbaren, opbaren: in de kist leggen van een lijk
opbeuren, opbeuren, 1. optillen; 2. opbeuren, opvrolijken
opbreken, opbreken, opbreken
opbrengen, opbrengen, opbrengen
opdekken, opdekken, dekken: het van een dekblad voorzien van de wikkel. Het eindproduct is de sigaar
opdraaien, opdreien, 1. opdraaien, opwinden; 2. ophitsen
opdragen, opdragen, opdragen: het te emailleren voorwerp werd geheel in een vat met emailleverf gedompeld. Daarna werd met de handen het artikel geschud, gestoten en gedraaid, zodat de overtollige verf terug kon lopen en de verf gelijkelijk over het gehele oppervlak, van bui
opduvelen, opduvelen, weggaan
openbaar, openbaar, openbaor, openbaar. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: openbaor
openbaren, openbaren, openbaren
opgaren, opgaren, oprapen
opgieten, opgîêten, opgieten
ophalen, op-alen, 1. ophalen; 2. afhalen (van goederen)
ophitsen, opitsen, ophitsen
ophoepelen, op-oepelen, weggaan. Now mu-j ies op-oepelen, ’t is al late ‘nu moet je eens weggaan, het is al laat’ Ook: optrommelen, opmieteren. Och vent, mieter tòch op!
opkamer, opkamertien, (Kampereiland, Kamperveen) kamertje boven de kelder
opknippen, opknippen, in een speciaal model knippen van haar
opkoken, opkoken, 1. voor de tweede maal koken om bederf te voorkomen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: een beetje koken
opkoken, opkopen, opkopen
opkomen, opkomen, opkomen
opkrimpen, opkrimpen, veranderen van windrichting tegen de wijzers van de klok in
oplawaai, oplewaai, klap
oplazer, oplazer, klap
oplazeren, oplazeren, zich uit de voeten maken
opleggen, oplègen, bij schaatsenrijden: achter elkaar rijden, elkaars hand vasthouden en om de beurt koppositie nemen
opleiden, opleien, (Kampereiland, Kamperveen) op de boeldag vee voorleiden ter verkoop
opleppen, oplempen, opleppen, (Kamperveen) met melk opfokken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: opleppen
oplichten, oplichten, 1. oplichten, lichter worden; 2. optillen
oplichter, oplichter, oplichter
oploop, oploop, oploop
oplopen, oplopen, opdoen (van een ziekte). Deur de kòlde ef ie oorpiene op-elopen ‘door de kou heeft hij oorpijn opgelopen’
opmieter, opmieter, opstopper
opmieteren, opmieteren, zie op-oepelen
opneuker, opneuker, slag, mep
opperman, upperman, opperman
opportuun, oppertuun, opportuun
oppotten, oppòtten, oppotten
opredderen, opredden, (Gunninks woordenlijst van 1908) opredderen
oprichten, oprichten, oprichten
oproer, oproer, oproer
opruien, opreien, 1. boos maken; 2. zich ergens druk over maken. Rei oe niet op ‘wind je niet op’; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: zich angstig maken
opruimen, oprumen, opruimen. Ook: rumen
opruiming, opruming, opruiming
opscharrelen, opschäddelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) opscharrelen
opscheppen, opskeppen, opscheppen
opschepper, opskepperd, opschepper
opsnijden, opsnieden, opsnijden
opsnijder, opsnieder, opsnijder
opspelen, opspeulen, opspelen, uitvaren
opstoken, opstoeken, 1. in het geheim tot iets aanzetten; 2. beginhandeling bij een bepaald knikkerspel
opstrijken, opstrieken, opstrijken. Gunninks woordenlijst van 1908: Et aor opstrieken ‘het haar omhoog strijken’
opstropen, opstreupen, opstropen
optrommelen, optrommelen, zie op-oepelen
opwatjekauw, opwatjekauw, optater
opwelteren, opwelteren, (Kampereiland, Kamperveen) opstapelen
opwinden, opwinnen, opwinden
opzaaien, opsaaien, ophitsen
opzeggen, opzeggen, opzègen, opzeggen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: opzègen
opzettertje, opzettertien, koekje in de vorm van een dierenfiguurtje, dat in een gat van een ander koekje kon worden gezet
opzien, opzien, opspraak
opzitten, opzitten, noodgedwongen blijven wachten met naar bed gaan
opzoeken, opzuken, opzûken, (Kampen) 1. opzoeken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: een bezoek brengen. Ook: opzûken (Kampereiland, Kamperveen)
oranje, oeranje, oranje, oeränje, (Kampen) oranje. Gunninks woordenlijst van 1908: oeränje
orde, òdde, ödde, ödder, òdder, orde. Gunninks woordenlijst van 1908: ödder, Gunninks woordenlijst van 1908: òdder (Kamperveen)
organist, örgelist, örgenist, organist
orgel, örgel, orgel
orgelbank, örgelbänkien, zie örgelkrukkien
orgelkruk, örgelkrukkien, örgelbänkien, orgelbank
orgelpijp, örgelpiepien, (Kampen) reeks kinderen uit één gezin die vlug na elkaar geboren zijn
orkaan, örkaan, (Gunninks woordenlijst van 1908) orkaan
ort, otte, (Gunninks woordenlijst van 1908) overblijfsel van eten, waarmee gemorst is
orthodox, òttodòks, òttedòks, orthodox. Gunninks woordenlijst van 1908: Iemaand òttedòks de waoreid zègen ‘iemand duchtig onderhanden nemen’
os, òkse, (Kamperveen) iemand die niet goed oppast
os, òsse, os
otter, òtter, otter
oud, òld, oud. Òld roest ‘verroest oud ijzer’, òld voel ‘afval’, òld zeer ‘conflictstof van oudere datum’ / Toen mien opoe zo midden tachtig was, zei ze, as wij vunnen det ze òld begon te wödden: “òld, òld! De duvel is òld en zien mo nog òld
oudbakken, òldbakken, oudbakken
oudejaar, òldejöör, òldejaor, (Kampen) oudjaar. Ook: òldejaor (Kampereiland, Kamperveen)
oudejaarsavond, òldejöörsaovend, òldejaorsaovend, (Kampen) oudejaarsavond. Ook: òldejaorsaovend (Kampereiland, Kamperveen)
oudejaarsdag, òldejöörsdag, òldejaorsdag, (Kampen) oudejaarsdag. Ook: òldejaorsdag (Kampereiland, Kamperveen)
ouder, òlder, (Gunninks woordenlijst van 1908) ouderdom
ouder, òlders, ouders
ouderavond, òlderaovend, spreekavond op school voor de ouders. Zie ook: kiekaovend
ouderlijk, òlderlijk, ouderlijk
ouderling, òlderling, òlderlink, ouderling. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òlderlink
ouderloos, òlderloos, (Gunninks woordenlijst van 1908) ouderloos
Oudestraat, Òldestraote, Oudestraat, de belangrijkste (winkel)straat in Kampen. Een Òldeströtien maken (Kampen) ‘een wandelingetje, speciaal over de Oudestraat, maken’. Zie ook: Zwättendiek
oudewijvenknoop, òldewîêvenknuppe, een slechte knoop in een touw
oudewijvenkoek, òldewîêvenkoeke, oudewijvenkoek
oudewijvenpraat, òldewîêvenpraot, kletserij
oudewijventeut, òldewîêveteut, vrouwenpraat
ouwel, ouwel, ouwel
oven, oven, oven
over, over, over
overblijfsel, overbliefsel, overblijfsel, restant
overbodig, overbodig, overbodig
overdaad, overdaod, overdaad. Overdaod is keze op brood ‘het is overdaad’
overeind, overende, overèènde, overeind. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: overèènde
overerfelijk, overärfelijk, besmettelijk (van ziektekiemen)
overerven, overärven, overerven, besmettelijk zijn
overgaand, overgaonde, (Kampereiland, Kamperveen) in: overgaonde veerze: een vaars van tenminste twee jaar oud die de melkperiode overslaat, Gunninks woordenlijst van 1908: overgaonde bolle: een stier van meer dan twee jaar oud
overhalen, overaolen, overhouden
overhand, overand, overaand, overhand. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: overaand
overhouden, overòllen, overhouden
overig, overig, overig
overkoten, overkoten, werkwoord, (Kampereiland, Kamperveen) een slechte stand van een poot hebben als gevolg van een gekwetste zenuw, opgelopen bij een baring (bij dieren). Die koe koot over ‘die koe loopt mank (doordat hij zijn poot niet goed neerzet)’
overleer, euverleer, (Gunninks woordenlijst van 1908) het leer van schoen of laars dat de wreef bedekt
overmorgen, overmönnen, overmärgen, overmorgen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: overmärgen (Kamperveen)
overtollig, overtollig, overtollig
paaien, paaien, vleien, flemen
paal, paole, paal
paap, päpe, (Gunninks woordenlijst van 1908) paap
paar, paar, paar. Gunninks woordenlijst van 1908: Twee is een päär ‘de een is net als de ander’
paard, peerd, paard. Ie denken zeker det ik peertien skietgeld ebbe, of: ’k Eb gien peertien skietgeld (Kampen) ‘je moet niet denken dat ik het geld voor het weggeven heb’
paard en wagen, peerdewagen, paard en wagen
paardenberg, peerdebärg, (Kampereiland, Kamperveen) hooiberg voor opslag van hooi dat voornamelijk voor de verkoop bestemd is (vroeger: voor de cavalerie)
paardenbloem, peerdebloeme, paardebloem. Ook: ondebloeme (Kampereiland, Kamperveen)
paardenboon, peerdebone, paardeboon (gebruikt als groente)
paardengerei, peerdegerei, paardentuig. Ook: peerdetuug
paardenhalster, peerde-alster, peerde-älster, (Kampen) paardenhalster. Ook: peerde-älster (Kampereiland, Kamperveen)
paardenhoofdstel, peerde-eufstel, paardenhoofdstel
paardenhooi, peerde-eui, hooi voor de verkoop (alleen ten behoeve van paarden (in het verleden))
paardenkeutel, peerdekeutel, paardenkeutel
paardenkont, peerdekonte, 1. paardenliefhebber; 2. dikbil (wordt gezegd van een kalf als dit een groot achterste heeft (Kampereiland, Kamperveen))
paardenkribbe, peerdekribbe, voederbak voor het paard
paardenmaal, peerdemaol, grote plas (urine) van een mens
paardenpad, peerdepad, jaagpad
paardentoom, peerdetoom, teugel voor het paard
paardentuig, peerdetuug, zie peerdegerei
paars, pöörs, paors, (Kampen) paars. Ook: paors (Kampereiland, Kamperveen)
paartje, paartien, tweeling (ook een tweeling die uit een jongen en een meisje bestaat)
paasfeest, paosfeest, paasfeest
paasmaandag, paosmaondag, paasmaandag
paasvuur, paosvuur, paasvuur
paasweide, paoswei, paosweie, (Kampen) paasweide. Ook: paosweie (Kampereiland, Kamperveen)
paaszondag, paoszundag, paaszondag
pacht, pacht, pacht
pachten, pachten, werkwoord, pachten
pachter, pachter, pachter
pad, pad, paden, patien, pagien, (verkleinwoord patien (Kampen) / pagien (Kampereiland, Kamperveen)), (loop)pad
pad, padde, pad (amfibie)
paddenpisser, paddepisser, paddepister, strontje in het oog. Ook: paddeskieter, paddepister (Kampereiland)
paddenschieter, paddeskieter, zie paddepisser
pais, peis, (Kampereiland) rustpauze tijdens een kinderspel
pak, pak, pak. Een pak op zien uid ‘een pak slaag’, Gunninks woordenlijst van 1908: een pak ‘veel’
pakhooi, pak-eui, 1. hooi dat als verpakkingsmateriaal wordt gebruikt; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: geperst hooi
pakkamer, pakkamer, ruimte waar artikelen worden ingepakt
pakken, pakken, pakken
pakkenkramer, pakkenkremer, (Gunninks woordenlijst van 1908) koopman die met een pak manufacturen rondreist; vroeger meestal Duitsers
pakwerk, pakwärk, (Gunninks woordenlijst van 1908) pakwerk
pal, pal, pal. Gunninks woordenlijst van 1908: De wiend is pal west ‘de wind komt precies uit het westen’
paleis, peleis, paleis
paletot, pòllento, paletot, dikke jas
palm, palm, 1. palm (plant); 2. handpalm (Kamperveen). Ook: moes
Palmpasen, palmpaosen, 1. Palmpasen; 2. stok waarop een versierde zwaan, van deeg gebakken, is gehecht
pan, panne, 1. pan; 2. dakpan
pand, paand, (Gunninks woordenlijst van 1908) pand
paneel, peneel, paneel
paneermeel, peneermeel, peneermaal, (Kampen) paneermeel. Ook: peneermaal (Kampereiland, Kamperveen)
panharing, pan-ering, pan-erik, (Kampen) verse haring. Ook: pan-erik (Kampereiland, Kamperveen)
pannenkoek, pannekoeke, pannenkoek
pannenkoekspan, pannekoekspanne, koekenpan
pantoffel, petoffel, pontoffel, pantoffel, pantoffel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pontoffel, Gunninks woordenlijst van 1908: pantoffel (Kamperveen)
pantoffel, pontoffel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie petoffel
panvogel, pennevogel, (Gunninks woordenlijst van 1908) vlinder. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: spännevogel (Kamperveen)
pap, pappe, päppe, speen, tepel
papegaai, pappegaaie, papegaai
papier, pampier, pepier, papier
pappen, pappen, insmeren met plakmiddel bij behangen. Pappen en nat-òllen ‘rustig aan doen’
paradijs, bedîêze, pedîêze, (Kampereiland, Kamperveen) paradijsappel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pedîêze (Kamperveen)
paraplu, pärreplu, pärreplû, paraplu. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pärreplû
pardoes, pärdous, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) pardoes
parelmoer, pällemoer, pällemoen, paarlemoer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pällemoen
parelsteen, pärelstien, (Gunninks woordenlijst van 1908) parel
parentage, pärmetaosie, familie, in: IJ/zi’j is in de pärmetaosie
parmantelijk, premanlijk, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie pemantig
parmantig, pemantig, parmantig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: premanlijk
part, pärt, part, deel
participant, asjepan, assepan, (Kampen) Zwarte Piet. Ook: assepan (Kampen)
partij, pärtie, sommige
partij, peti’je, petij, partij
Pasen, paosen, pasen
passen, passen, passen
pastoor, pestoor, pastoor
patjakker, patjakker, benaming voor een persoon die ongunstig bekend staat
patroon, petroon, patroon
patroon, pòtroene, (Gunninks woordenlijst van 1908) jongste meid
patroontje, petreuntien, baas van een kleine zaak
paus, paus, paus
pauw, pauwe, pauw
peeks, peeks, tabak die volgens de eis is ‘aangevocht’
peer, pare, pere, peer
pees, peze, pees
peeuwen, pliwwelen, met lange tanden eten
peil, peil, peil
pek, pik, pek
pekel, pekel, pekel
pekelharing, pekelering, pekelerik, zoute haring. Ook: pekelerik
pekelvlees, pekelvleis, pekelvlees
pekelzonde, pekelzunde, kleine zonde
pekstrik, pikstrik, (Kampereiland, Kamperveen) instrument om de zeis te scherpen (Gunninks woordenlijst van 1908:strekel, besmeerd met pik en zand)
pekzak, pikzak, (Kampereiland) kind dat geen kans ziet zijn/haar kleren schoon te houden
pelgerst, pellegäste, pällegäste, (Kampen, Kamperveen) gepelde gerst (gort). Ook: pällegäste (Kampereiland)
peluw, peuleve, peulige, (Kampen) peluw. Ook: peulige (Kampereiland, Kamperveen)
pen, penne, 1. pen; 2. pin
penaal, penaal, sigaar met een spitse top en halfbolvormig achtereind
pennevos, pennefokse, zuinig persoon
penning, pennik, penning
pens, pense, pänne, (Kampen) 1. pens; 2. lichaam. Ook: pänse (Kampereiland, Kamperveen)
penseel, peseel, penseel
peper, peper, peper
pepermunt, pepermunt, peepmunt, pepermunt. Ook: peepmunt (Kampereiland, Kamperveen)
pepermuntdoosje, pepermuntdeusien, pepermuntdoosje
perceel, peseel, perceel. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is een peseel ‘het is een lastige zaak’
perk, pärk, perk
perkament, pärkement, perkament
pers, pässe, pers
persbult, päsbult, (Kampereiland, Kamperveen) kuilbult
persen, pässen, persen
perzerik, pèèsderink, (Gunninks woordenlijst van 1908) perzerik (perzikenboom?)
perzik, pärzik, perzik
pest, pest, pest. Det stinkt as de pest ‘dat stinkt verschrikkelijk’
pesten, pesten, pessen, (Kampen, Kamperveen) pesten. Ook: pessen (Kampereiland)
pestkop, peskòp, pestkòp, treiteraar
pet, pette, pet. ’t Zal mien de pette jeuken ‘dat zal mij een zorg zijn, dat interesseert me niet’
petroleum, peetreulie, pietereulie, petroleum
petroleumboer, peetreulieboer, zie peetreuliekerel
petroleumkan, peetreuliekanne, petroleumkan
petroleumkar, peetreulieköre, peetreuliekaore, (Kampen) wagen van de verkoper van petroleum met daarop een vaatje of tankje met petroleum. Ook: peetreuliekaore (Kampereiland, Kamperveen)
petroleumkerel, peetreuliekerel, verkoper van petroleum. Ook: peetreulieboer, peetreulieman
petroleumlamp, peetreulielampe, petroleumlamp
petroleumlicht, peetreulielichien, kleine petroleumlamp
petroleumman, peetreulieman, zie peetreuliekerel
petroleumstel, peetreuliestel, petroleumstel
peuk, peukien, peukje van een sigaret
peul, peule, poele, peul. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: poele (Kamperveen)
peur, poere, peur
peuren, poeren, werkwoord, peuren
peuteren, peuteren, 1. peuteren; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: knutselen
piedelen, piedelen, (Kampereiland, Kamperveen) werken met de Franse slag
piek, piek, piek
piel, piele, 1. penis. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: piere; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: pijl
pielemop, pielemòppe, (Kampen) gevulde koek met bovenop een amandel
piep, piep, in: Döör e-k piep an ‘daar heb ik maling aan’
piepen, piepen, pîêpen, (Kampen) piepen. Ook: pîêpen (Kampereiland, Kamperveen)
pieperig, pîêperig, (Kampereiland, Kamperveen) klagerig
piepkuiken, piepkuken, jong kuiken. Ie bin nog maar een piepkuken ‘je komt nog maar pas kijken’
pier, piere, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. worm; 2. penis. Ook: piele
pierensoep, pierensoep, (Gunninks woordenlijst van 1908) vermicellisoep
pierig, pierig, zie pierstekig
pierstekig, pierstekig, wormstekig. Ook: pierig
Piet, Piet, jongensnaam, bijv. in het rijmpje: Piet sket drie elle wied / en Jan sket d’r een elle bi’j an.
pieteltje, pieteltien, zie pietsien
pieterig, pieterig, (Gunninks woordenlijst van 1908) klein, gering
pietetje, pietetien, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) iets dat klein in zijn soort is
pietluttig, pietluttig, pietluttig
piets, pietse, veel
pietsje, pietsien, klein beetje. Ook: pieteltien
pijbuis, pi’jbuis, (Gunninks woordenlijst van 1908) dik buis
pijl-en-boog, pieleboge, pijl en boog
pijler, pielder, (Gunninks woordenlijst van 1908) pijler
pijlstaart, pielstät, (Kamperveen) 1. uitgedunde staart van een paard; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: paard met een dunne staart; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: paard dat niet mak is
pijn, pien, piene, pijn. Pien in de lieste ‘pijn in de lies’, pien in de zied ‘pijn in de zij’, ’t Is de piene (niet) weerd ‘het is de moeite (niet) waard’
pijp, piepe, pupe, pijp. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pupe (Kamperveen)
pijpenkort, piepekört, stukjes tabak die niet meer geschikt zijn om er sigaren van te maken, maar wel bruikbaar zijn voor de pijproker
pijpenkrabber, piepekrabber, piepenkrabber, krabber om de kop van de pijp mee schoon te maken. Ook: piepe(n)pörker
pijpenkrul, piepekrulle, gebogen steel van een pijp
pijpenporker, piepenpörker, piepepörker, zie piepe(n)krabber
pijpenrager, pieperager, rager om het binnenste van de pijpensteel mee schoon te maken
pijpkaneel, piepkeneel, pijpkaneel
pijporgel, piepörgel, pijporgel
pijptabak, pieptebak, pijptabak
pik, pikkien, (Gunninks woordenlijst van 1908) wrok
pikaars, pik-eerse, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908:bik-eerse
pikhaak, pikaoke, pikhaak
pikka, pikka, viespeuk
pikken, pikken, 1. pikken; 2. kleven
pikkerig, pikkerig, kleverig
pikmaaier, pikmeier, (Kampereiland, Kamperveen) Duitse grasmaaier
pil, pille, pil
pillendoos, pilledeuze, pillendeuze, (Kampen) pillendoos. Ook: pillendeuze (Kampereiland, Kamperveen)
pilo, pilo, (Gunninks woordenlijst van 1908) pilo (bep. stof, vooral voor werkkleding)
pimpelen, pimpelen, pumpelen, veel drinken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pumpelen (Kamperveen)
pimpelpaars, pimpelpöörs, pimpelpaors, pinkelpaors, (Kampen) pimpelpaars. Ook: pinkelpaors (Kamperveen), pimpelpaors (Kampereiland)
pin, pinne, 1. pin; 2. gierige vrouw
pingelen, pengelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) afdingen
pink, pinke, pink (van de hand)
pink, pinke, tweejarige koe
pink, pinkien, (Gunninks woordenlijst van 1908) kleine vinger
pinkbul, pinkbolle, (Kampereiland, Kamperveen) pinkstier (tweejarige stier)
pinksterbloem, pinksterbloeme, pinksterbloem (Gunninks woordenlijst van 1908: gele lis: iris pseudacorus en akkerveldkers: cardamini pratensis)
pinksterboog, pinksterboge, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kamperveen) pinksterkroon
Pinksteren, Pinksteren, pinksten, (Kampen, Kampereiland) Pinksteren. Ook: pinksten (Kamperveen)
pinkvaars, pinkveerze, (Kampereiland, Kamperveen) tweejarige koe die voor de eerste maal gaat kalven
piot, pi’joter, (Gunninks woordenlijst van 1908) dikke luis
pip, pip, (Gunninks woordenlijst van 1908) een kippenziekte. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ ef de pip weg ‘hij heeft een knak gekregen’
pips, pips, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. er niet fris uitziend; 2. snibbig
pis, pisse, pis
pisbak, pisbak, pisbak
pisgriet, pisgrîête, pisgriete, Sint Margriet. Ook: pisgriete (Kampen)
pispot, pispòt, pispot
pissebed, pis-in-bedde, pissebède, iemand die in bed plast. ’t Is van pis-in-bède tòt poep-in-bède ‘het is een misse boel’, ’t Is pis-in-bède of poep-in-bède ‘het is altijd verkeerd’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pissebède
pissebed, pissebedde, keldermot
pissen, pissen, wateren, plassen
pit, pit, pit (innerlijke waarde, energie)
pit, pitte, pit (van een vrucht)
plaag, plaoge, plaag
plaaggeest, plaoggeest, plaaggeest
plaat, pläte, 1. plaat; 2. haardplaat. Die ef een pläte veur de kòp ‘dat is een stijfkop’, Gunninks woordenlijst van 1908: bi’j de pläte zitten ‘bij de haard zitten’
plaats, plase, plaatse, plaaste, 1. plaats; 2. boerenplaats (erf met landerijen); 3. verhard gedeelte achter het huis. Ook: plaatse, plaaste (Kampereiland, Kamperveen)
plaatstoof, plaatstove, (Kampereiland, Kamperveen) stoof met een brede koperen plaat
plaatwerker, plaatwärker, plaatwerker
plag, plagge, (Gunninks woordenlijst van 1908) plag
plagen, plaogen, plög, plaogen (Kampen) / pleug, plaogen (Kampen) /, plagen
plak, plakke, sneetje (brood). Gunninks woordenlijst van 1908: Een pläkkien ‘een sneetje witbrood’. Ook: plässien (Kampereiland, Kamperveen)
plakken, plakken, werkwoord, plakken
plakplaatje, plakplatien, 1. visite die lang blijft hangen; 2. sticker
plakpleister, plakpleister, zie echtpleister
plaktafel, plaktaofel, plaktafel
plakzegel, plakzegel, plakzegel
plan, plan, plan
plank, planke, 1. plank. IJ ef een planke veur de kòp ‘hij heeft een bord voor zijn kop’; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vonder
plant, plante, plaante, plant. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: plaante
plas, plasse, plas
plas, plässien, 1. zie plakke; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: broodje
plassen, plassen, plassen, urineren
plat, plat, plat. Twee platten en een dunne, dè’s driemaol niks ‘het lijkt heel wat maar het is niks’
platentod, plätentòdde, (Kamperveen) doek waarmee de haardplaat van een open haard wordt schoongemaakt
platlopen, platlopen, spijbelen
platzak, platzak, platzak
plechtig, plechtig, plechtig
plegen, plegen, plegen
pleidooi, pleitooi, (Kamperveen) pleidooi
plein, plein, plein
pleister, pleister, pleister
pleisteren, pleisteren, 1. pleisteren; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: aanleggen bij een herberg
pleisterplaats, pleisterplase, pleisterplaats
pleiten, pleiten, pleiten
plek, plekke, plek
plicht, plicht, plicht
plint, plinte, plint
ploeg, ploeg, ploeg
ploeteren, ploeteren, 1. ploeteren; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: in het water plassen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: floeteren (Kamperveen)
plof, plof, plof
ploffen, ploffen, ploffen
ploffiets, ploffietse, bromfiets
plomp, plump, plompe, 1. poel, plas water; 2. te dun voedsel (Kampereiland, Kamperveen)
plomp, plumse, flinke scheut. Een plumse melk in de kòffie
plompen, plumpen, plumpsen, ploemsen, iets in het water gooien of laten vallen
plompen, plumpsen, ploemsen, plumpen, in het water gooien
pluche, pluus, pluche
plug, plugge, plug
pluim, plume, pluum, 1. pluim. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pluum; 2. zie flume
pluis, pluus, plûze, pluis. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: plûze
pluizen, plûzen, werkwoord, pluizen
plukhaar, pluk-öör, pluk-aor, (Kampen) plukhaar. Ook: pluk-aor (Kampereiland, Kamperveen)
plukharen, pluk-ören, pluk-aoren, (Kampen) vechten waarbij aan het haar wordt getrokken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pluk-aoren
plukken, plukken, plukken
plukvet, plokvet, plukvet
plunderen, plunderen, plunderen
pochel, pokkel, in: IJ skelt oe de pokkel vol ‘hij scheldt je de huid vol’
pochen, pochen, pochen
podde, podde, vuil dat al langere tijd ergens op vast zit
podderig, podderig, poddig, (Kamperveen) er slecht uitziend (van varkens). Ook: poddig (Kamperveen)
poedel, poedel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie poedelkonte
poedelen, poedelen, 1. slordig werken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: knutselen
poedelig, poedelig, vies
poedelkont, poedelkonte, 1. iemand die niet secuur met zijn/haar werk is; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: iemand die niet voortkan met zijn werk. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: poedel
poeder, pojjer, poeier, (Gunninks woordenlijst van 1908) poeier. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: poeier (Kamperveen)
poele, poele, 1. roepnaam voor een eend; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: jonge eend
poeleend, poelänte, eend
poemel, poemel, poengel, 1. dikzak; 2. dik voorwerp. Wat is det veur poemel in oe jaszak?
poep, poepe, (Gunninks woordenlijst van 1908) Duitser
poepdoos, poepdeuze, W.C.
poepen, poepen, werkwoord, poepen
poer, poere, pijler
poes, poes, poes
poespas, poespas, (Gunninks woordenlijst van 1908) mengelmoes
poesten, poesen, werkwoord, kreunen
poester, poesterd, smeerlap
poetsdoos, poetsdeuze, poetsdoos
poetsen, poetsen, poetsen
poetskatoen, poesketoen, poetseketoen, (Kampen) poetskatoen. Ook: poetsketoen (Kampereiland, Kamperveen)
poffen, poffen, poffen
pofferig, pofferig, dik, opgeblazen
poffertje, puffertien, poffertje
pokdalig, pòkdellig, pokdalig
pokken, pòkkens, pòkken, pokken
pokkenbriefje, pòkkenbriefien, pokkenbriefje (bewijs van inenting tegen de pokken)
pol, pòlle, pol
polder, pòlder, polder
polderjongen, pòlderjonge, grondwerker
polka, pòlka, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) gekristalliseerde soda
pols, pols, polse, polzen, pols. Ook: polse (Kamperveen)
pols, polse, 1. zie pols; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: polsstok
polsdrager, polsendräger, (Gunninks woordenlijst van 1908) polsdrager
pomerans, pommeraans, (Gunninks woordenlijst van 1908) pomerans (bep. vrucht)
pomp, pompe, pomp
pompelbloem, pompenbloeme, (Gunninks woordenlijst van 1908) plomp, waterlelie
pompen, pompen, werkwoord, 1. pompen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zwaar hoesten
pond, pond, pond
pongel, poengel, zie poemel (2.)
ponsen, ponsen, ponsen: het met behulp van een ponsmachine snijden van ronde schijven uit de vlakke staalplaat
ponser, ponseur, ponser: arbeider die dit werk uitvoerde
pook, poke, pook, pook
pook, poken, werkwoord, poken met een pook of een stok (zie pooknette)
pooknet, pooknette, poeknette, (Kampen, Kamperveen) net waarin de vis gejaagd wordt door met een stok in het water te plonzen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: poeknette (Kamperveen)
poort, poorte, poort. An de Poorte kuieren ‘over de IJsselkade wandelen’ (de Poorte is de vroegere toegangspoort in de stadswal), IJ woont an de Poorte ‘hij woont aan de IJsselkade’
poos, poos, poos
poot, peutien, pootje. Peutien aoken (Kampereiland, Kamperveen), peutien tikkelen (Kampen) ‘iemand een been voorhouden, zodat de ander daarover struikelt’, peutien flodderen ‘pootje baden’
poot, pote, poot, 1. poot, been. IJ ef met de pote over de repe eslagen ‘hij ‘moet’ trouwen’ (Kampereiland) (zie ook: been); 2. stek van veelal wilgenhout (Kamperveen)
poot aan, poot-an, in: (We mutten) poot-an speulen (um op tied klöör te komen) ‘opschieten’
pootaardappel, pooteerappel, pooteerpel, (Kampen) pootaardappel. Ook: pooteerpel (Kampereiland, Kamperveen)
pop, poppe, pop
populier, peppel, päppel, (Kampen) populier. Ook: päppel (Kampereiland, Kamperveen)
populieren, päppelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) van populierenhout
porken, pörken, 1. peuteren; 2. krabben in een tabakspijp
porren, pörren, porren
porselein, pösselein, pòstelein, pòsselein, pastelein, porselein. Gunninks woordenlijst van 1908: pastelein
port, pöt, port (wijn). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: pòtwien
port, pöt, porto
portemonnee, pöttemenee, pòttemenee, (Kampen) portemonnee. Ook: pòttemenee (Kampereiland, Kamperveen)
portie, pössie, pòssie, (Kampen) portie. Ook: pòssie (Kampereiland, Kamperveen)
portwijn, pòtwien, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie pöt
post, pòst, post
post, pòste, paal
postkantoor, pòsketoor, pòskantoor, postkantoor
pot, pòt, pot. Gunninks woordenlijst van 1908: Een räär pòt eten ‘een rare snuiter’
poten, poten, werkwoord, poten
poter, poter, 1. iemand die poot; 2. aardappel om te poten
potlood, pòtlood, potlood
potsig, potsig, (Gunninks woordenlijst van 1908) grappig
potsmet, pòtsmit, (Gunninks woordenlijst van 1908) potsmet (zwart aan de pot dat afgeeft)
pottenkast, poddekäste, (Kampereiland, Kamperveen) kast voor het serviesgoed
pour le grap, poelegrap, poedelegrap, aardigheidje. Veur de poelegrap ‘voor de grap’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: poedelegrap
praam, prääm, (Gunninks woordenlijst van 1908) praam
praat, praot, 1. praat; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: taal; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: praatjes
praatjesmaker, prötiesmaker, praatjesmaker
praatvolk, praotvolk, zie praoters
praatziek, praotziek, praatziek
pracht, pracht, pracht
prak, präkkien, kliekje
prakkesatie, prakkezaosie, 1. gepeins; 2. zorg
prakkeseren, prakkezeren, 1. peinzen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: malen; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: bedenken
praten, praoten, praten
prater, praoters, bezoek, Gunninks woordenlijst van 1908: avondbezoek. Ook: praotvolk
prater, prötertien, kletsmajoor
praterij, praoteri’je, 1. gepraat; 2. laster
pratten, pratten, (Gunninks woordenlijst van 1908) pruilen
precies, pesies, precies. Dè’s pesies pas ‘dat klopt precies’
preek, preke, preek
preekstoel, preekstoel, preekstoel
preken, preken, werkwoord, preken
prent, prente, 1. prent; 2. persoon. Lastige prente ‘lastig persoon’
prentenboek, prenteboek, 1. platenboek; 2. lastig persoon
present, prezent, (Gunninks woordenlijst van 1908) cadeau
pressen, pressen, (Gunninks woordenlijst van 1908) dwingen
pressen, pressen, persen: het met behulp van een zware pers aanbrengen van de gewenste grondvorm van de diverse artikelen
presser, presseur, perser: arbeider die het persen verrichtte
priegelwerk, priegelwärk, minutieus werk
prijs, pries, prijs
prijskaartje, prieskaartien, prijskaartje
prijslijst, prieslieste, prijslijst
prijzen, prîêzen, werkwoord, prijzen
prijzig, prîêzig, duur
prik, prik, prik
prikhaak, prik-aoke, prik-ökien, ijshaak. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: prik-ökien
prikje, prikkien, 1. klein beetje; 2. in: Det geef ik oe op ’n prikkien ‘dat verzeker ik je’
prikkeldraad, prikkeldraod, prikkeldraad
prikken, prikken, 1. prikken; 2. kinderspel
prins, prins, prins
proberen, preberen, proberen
proefkonijn, proefkenien, proefkonijn
proesten, proesen, proesten
proeven, prûven, proeven
professor, prefesser, prefester, pefester, professor. Ook: prefester (Kampen), pefester (Kampen)
pronken, pronken, pronken
prop, pròppe, 1. prop; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zie pröppien
prop, pröppien, pròppe, klein persoon. Gunninks woordenlijst van 1908: Ook: pròppe
proproer, pròproer, (Gunninks woordenlijst van 1908) proppenschieter
pruik, pruike, pruik
pruil, proele, 1. zie proellippe; 2. zuur gezicht
pruilen, proelen, pruilen
pruillip, proellippe, 1. pruillip. Now giet ze een proellippe zetten ‘nu gaat ze een pruillip trekken’. Ook: proele; 2. iemand die pruilt
pruim, proeme, 1. pruim; 2. tabakspruim
pruimedant, proemedante, gedroogde pruim
pruimen, proemen, werkwoord, tabak pruimen
pruimensteen, proemestien, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) pruimenpit
pruimtabak, proemtebak, pruimtabak
pruisens, prusens, (Gunninks woordenlijst van 1908) kwaad, slecht gehumeurd
prul, prulle, 1. prul; 2. klein kind
pruts, prutse, preuze, (Kampereiland, Kamperveen) vuile boel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: preuze (Kamperveen)
prutsen, prutsen, 1. prutsen; 2. klein werk doen
prutser, prutserd, prutser
prutskarwei, prutskerwei, klein karwei
pruttelen, pruttelen, borrelend koken
pruttelkan, pruttelkanne, pruttelkan
psalm, pesalm, (Gunninks woordenlijst van 1908) psalm
pudding, puddik, poddik, pudding. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: poddik
puist, poeste, puist. IJ ef em een poeste in ’t lief egeten ‘hij heeft veel te veel gegeten’
puisterig, poesterig, 1. ruw; 2. puisterig; 3. er slecht uitziend; 4. smerig
pukkel, pökkel, (Kampereiland, Kamperveen) pukkel
pukkelig, pokkelig, pukkelig, pokdalig
pulken, pulken, (Kampen) in neus of oor peuteren
puls, pulse, (Gunninks woordenlijst van 1908) puls
punch, pons, (Gunninks woordenlijst van 1908) punch
punt, punte, punt
punter, punter, (Gunninks woordenlijst van 1908) punter
put, putte, put
putemmer, put-emmertien, putemmertje
puthaak, put-aoke, puthaak
putter, putter, (Gunninks woordenlijst van 1908) putter
raad, raod, raad
raadsel, raodsel, raosel, (Kampen) raadsel. Ook: raosel (Kampereiland, Kamperveen)
raak, raak, raak
raakkolk, rä-kòlk, (Gunninks woordenlijst van 1908) holte onder de haardplaat waar ’s nachts het vuur gelegd wordt
raam, raam, raam
raam, raom, rääm, (Kampereiland, Kamperveen) 1. vluchtpoging van een paard of een koe; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: greep; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: aanval. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rääm (Kamperveen)
raap, rape, raap
raapolie, raapeulie, raapolie
raar, raar, raar, eigenaardig
raat, reute, (Kampereiland, Kamperveen) honingraat
rabat, rabat, rabat: uitstulpsel of ril rondom het artikel. Bij een ril naar binnen, bijv. in een pan, kon deze ril dienen om het deksel op te leggen
rabat, rebat, rabbat, rabat. Old rebat ‘versleten spul’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rabbat oud, versleten voorwerp
rabbelen, rabbelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) vlug spreken
rachel, rachel, slaag. Een pak rachel
rachelen, rachelen, schelden
rad, rad, raden, ratien, ragien, (verkleinwoord ratien (Kampen) / ragien (Kampereiland, Kamperveen)), rad
rad, rad, bijvoeglijk naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) niet kreupel
raden, raoden, raonen, raon, (Kampen) 1. raden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: aanraden. Ook: raonen (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: raon
radijs, redies, radijs
raf, rof, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: iets in een rof doen ‘in een ogenblik afraffelen’
rafel, refel, (Gunninks woordenlijst van 1908) rafel
rafelen, refelen, 1. bonen draden; 2. rafelen
ragebol, ragebòlle, ragebol
ragen, ragen, ragen
raken, raken, raken
rakker, rakkerd, deugniet, rakker
ram, ram, ram
ramen, ramen, schatten, ramen
ramen, raomen, (Gunninks woordenlijst van 1908) een greep doen
raming, ramige, raming
rammel, rammel, zie rebbel
rammelen, rammelen, rammelen
ramp, ramp, ramp
rand, raand, (Gunninks woordenlijst van 1908) rand
rang, range, (Gunninks woordenlijst van 1908) rang
rank, rank, bijvoeglijk naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) rank
rank, ranke, zelfstandig naamwoord, rank
ransel, raansel, ränsel, (Kampereiland, Kamperveen) 1. ransel; 2. slaag; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: buik. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ränsel
ranselen, ränselen, (Gunninks woordenlijst van 1908) ranselen
rap, rap, vlug. Zo rap as een aze
rap, rap, gebarsten. Rappe klompe (Kampen) ‘klomp met een barst’
rappen, rappen, (Gunninks woordenlijst van 1908) een klapperend geluid maken, vooral van tanden en gebroken aardewerk
raptanden, rappetannen, (Gunninks woordenlijst van 1908) klappertanden
ras, ras, ras, soort
rat, ròtte, rat
ratelen, ratelen, ratelen
ratelschellig, ratelskellig, 1. opgewonden; 2. de kluts kwijt; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: oproerig
rattenkruid, ròttekruud, rattekruid
rattennest, ròttenöst, rattennest
rattenval, ròttevalle, rattenval
rauw, rauw, rauw
rauwleer, rauwleer, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) ruwe, onbeschofte kerel
ravotten, revòtten, ravotten
razen, raozen, razen
razend, raozend, razend
rebbel, rebbel, rammel, (Kampen) vlugge prater. Ook: rammel (Kampereiland, Kamperveen)
rebbelen, rebbelen, kwebbelen
recht, recht, zelfstandig naamwoord, recht
recht, recht, bijvoeglijk naamwoord, recht
rechtbank, rechbanke, rechbaanke, 1. rechtbank (Kampen, Kampereiland). Ook: rechbaanke (Kamperveen); 2. aanrecht (Kampen)
rechtdag, rechdag, in: rechdag òllen ‘schoon schip maken’
rechten, rechten, (Gunninks woordenlijst van 1908) proces voeren
rechter, rechter, zelfstandig naamwoord, rechter
rechter, rechter, bijvoeglijk naamwoord, rechter
rechtse sigaar, rechtse segaren, wikkels, gedekt met de rechter helft van het dekblad
rechttoe, rechtoe, in: rechtoe rechtan ‘recht voor z’n raap, zonder omwegen’
rechtvaardig, rechveerdig, 1. rechtvaardig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: stijf; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: houterig. Een rechveerdig regentien ‘een zacht buitje, een bui waarvan de druppels recht naar beneden vallen’
redden, redden, redden. Wie zich niet wet te redden is niet weerd det ie ärmoe led ‘wie zich niet weet te behelpen is niet waard armoede te lijden’ (uitdrukking uit de tijd dat de gewone bevolking in armoede leefde), Oe redden is nog niet zat eten ‘je redde
redelijk, redelijk, matig, gematigd
redelijkheid, redelijkeid, redelijkheid. Gunninks woordenlijst van 1908: In redelijkeid ‘fatsoenshalve, matig’
reden, reden, reden
reden, reien, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. kammen; 2. de spenen van een koe vochtig maken vóór het melken
redenatie, riddenaosie, redenatie
redeneren, riddeneren, renteneren, redeneren
redig, reech, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kamperveen) tochtig, van schapen
reef, reve, rift, reef in een zeil
reekam, reikamme, reikaome, (Kampereiland, Kamperveen) 1. haarkam voor een paard.; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: haarkam. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: reikaome
reep, repe, 1. reep; 2. trektouw van een paard. Over de repe springen ‘over de schreef gaan’
reerbek, reerbek, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) schreeuwer
reet, rete, rîête, (Gunninks woordenlijst van 1908) reet. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rîête
regel, regel, regel
regen, regen, zelfstandig naamwoord, regen
regenbui, regenbujje, regenbui
regenen, regenen, regenen
regenpijp, regenpiepe, regenpijp
regenput, regenputte, regenput
regenton, regentonne, regenton
reiger, reiger, reiger
reinette, renette, ringenette, reinet
reis, reize, reis. Det zal oe beste reize niet wezen ‘het zal je niet meevallen als ik je straffen moet’
reizak, reizak, vervelend persoon
reizen, reizen, reizen
rek, rak, (Kampereiland, Kamperveen) rek
rek, rikke, stok waar de kippen op slapen
rekel, rekel, 1. rekel; 2. rakker
rekenen, rekenen, rekenen
rekening, rekige, rekenge, (Kampen) rekening. Ook: rekenge (Kampereiland, Kamperveen)
rekensom, rekensomme, rekensom
rekken, rekken, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. rekken; 2. reiken
rekken, rikken, (Kampereiland, Kamperveen) omheining maken van palen
rekking, rikkige, rikkenge, omheining, gemaakt van palen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rikkenge
rekte, rekte, 1. afstand (Kamperveen); 2. lange tijdsduur (Kampen)
remblok, remblukkien, remblokje
rementen, rammenten, (Gunninks woordenlijst van 1908) geweld maken
remmen, remmen, 1. remmen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: een voer hooi dat scheef op de wagen staat, rechttrekken
remtouw, remtouw, (Gunninks woordenlijst van 1908) touw waarmee men remt
rente, rente, rente
repelen, repelen, 1. stoeien; 2. op elkaar springen van tochtige koeien (Kampereiland, Kamperveen); 3. Gunninks woordenlijst van 1908: klauteren
reppen, reppen, 1. haasten; 2. reppen. ’k Eb d’r nooit over erept ‘ik heb er nooit over gepraat’
reren, reren, 1. huilen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: schreeuwen
reserveren, risseveren, reserveren
resolveren, risseleveren, rizzeleveren, besluit nemen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rizzeleveren
rest, rest, zelfstandig naamwoord, veel. Een rest volk ‘veel mensen’
reuk, reuk, eau de cologne
reukflesje, reukflessien, flesje met eau de cologne
reus, reuze, (Gunninks woordenlijst van 1908) reus
reuzel, reuzel, (Gunninks woordenlijst van 1908) reuzel
rib, ribbe, rib
ribbenkast, ribbekäste, ribbenkast, romp
ribbenzakken, ribbezakken, zeuren. Lig mien now niet an de kòp te ribbezakken! ‘zeur me nu niet aan mijn hoofd!’
richten, richten, richten
richtig, richtig, (Gunninks woordenlijst van 1908) richtig, juist
richting, richtige, richting
riek, rieke, zelfstandig naamwoord, riek, landbouwwerktuig (Kamperveen)
riem, rieme, (Gunninks woordenlijst van 1908) riem
riem, rieme, (Gunninks woordenlijst van 1908) roeispaan
riet, riet, rîêt, riet. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rîêt
rietbult, rietbult, rietmiete, berg riet
rietkat, rîêtkatte, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie kärrekiet
rietland, rietlaand, rîêtlaand, (Kampereiland, Kamperveen) rietland. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rîêtlaand
rietmat, rietmatte, rietmat
rietmijt, rietmiete, zie rietbult
rietpluim, rietplume, rietpluim
rietpol, rietpòlle, rietpol
rietscherm, rietskärm, rîêtschärm, rietscherm. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rîêtschärm
rietsigaar, rietsegare, lisdodde
rietsnijder, rietsnieder, rietsnijder
rietspier, rîêtspier, (Gunninks woordenlijst van 1908) rietspier
rif, rift, zie reve
rij, ri’je, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. liniaal; 2. zie rije
rij, rije, rîêge, rieje, ri’j, (Kampen) rij. Ook: ri’j (Kampen), rîêge (Kampereiland, Kamperveen), rieje (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: ri’je
rijden, rieden, rîên, rijden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rîên
rijf, rîêve, 1. rasp; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: rijf
rijgdraad, ri’jdraod, rijgdraad
rijgen, ri’jen, rijgen
rijgen, rîêgen, (Gunninks woordenlijst van 1908) op een rij staan of op een rij zetten
rijgveter, ri’jveter, (Gunninks woordenlijst van 1908) rijgveter
rijk, riek, zelfstandig naamwoord, rijk
rijk, rieke, bijvoeglijk naamwoord, rijk. Zo rieke as een koning
rijkdom, riekdom, rijkdom
rijkelijk, riekelijk, rijkelijk. Gunninks woordenlijst van 1908: Riekelijk genogt ‘een beetje teveel’
rijmen, riemen, werkwoord, (Kampen) rijmen. Ook: rîêmen (Kampereiland, Kamperveen)
rijp, riep, zelfstandig naamwoord, rijp
rijp, riepe, bijvoeglijk naamwoord, 1. rijp; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: (van een koe:) geschikt om verkocht te worden
rijpen, riepen, rijpen, rijp worden
rijpen, riepen, Gunninks woordenlijst van 1908: een beetje vriezen
rijs, rîêze, (Gunninks woordenlijst van 1908) rijs
rijsbezem, rîêzebessem, (Kampereiland, Kamperveen) bezem van berkenrijs. Ook: gäddebessem
rijsmijt, rîêzemiete, (Gunninks woordenlijst van 1908) rozenmijt
rijst, riest, rijst
rijstebrij, riestebri’j, (Kampen) rijstebrij. Ook: riestenbrij (Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: Kinderen vragen elkaar: Wat e-j liever: riestenbrij en daor niet bij òf stòkvis zonder bòtter
rijtuig, rietuug, rietûûg, (Kampen) rijtuig. Ook: rietûûg (Kampereiland, Kamperveen)
rijven, rîêven, 1. raspen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: rijven
rijzen, rîêzen, res, rees / rîêzen, erezen, 1. rijzen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vallen
rijzig, rîêzig, groot en slank
ril, rille, 1. plooi; 2. rilling
rim, rim, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) plank in een kast
rimpel, rimpel, rumpel, rimpel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rumpel (Kamperveen)
rimpelig, rimpelig, rimpelig
ring, rink, ring
ringvinger, ringvinger, ringvinger
rit, rit, rit
ritselen, rieselen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) ritselen
rivier, revier, rivier
rochelen, rochelen, rochelen
rochelpot, rochepòt, rochelpòt, iemand die constant rochelt
roebol, roebòl, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. hermoes (equisetum arvense); 2. ruwe kerel
roebollig, roebollig, 1. opgewonden; 2. onstuimig
roede, rôê, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. roede (van een hooiberg); 2. molenwiek; 3. are
roef, roef, roef
roeien, ruuien, Gunninks woordenlijst van 1908: roeien
roekeloos, roekeloos, roekeloos
roem, roem, roem
roemen, roemen, prijzen, roemen
roepen, roepen, roepen. Roep gien erink veurde-j em in de zak ebben ‘niet te vroeg juichen’
roeper, roeperd, mond, in: Ie mutten de roeperd en de poeperd lös òllen ‘men moet goed eten, maar ook het lijf ‘schoon’ houden’
roer, roer, roer
roeren, reuren, roeren
roerig, reurig, roerig, roerig, onrustig. Ik bin öördig reurig in ’t lief ‘mijn darmen zijn aardig van streek’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: roerig
roerijzer, reurîêzer, lepeltje
roes, roes, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: Gunninks woordenlijst van 1908: in de roes kopen ‘in een opwelling kopen’. Zie ook: roezelen
roest, roest, roest
roesten, roesten, roesten
roesterig, roesterig, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. ruw (van het weer); 2. slecht gehumeurd
roet, rôêt, (Gunninks woordenlijst van 1908) roet
roezelen, roezelen, 1. ergens een slag naar slaan, schatten; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: in een opwelling kopen. Zie ook: Gunninks woordenlijst van 1908: roes
roffel, roffel, (Gunninks woordenlijst van 1908) berisping
rogge, rògge, rogge
roggebrood, ròggebrood, roggebrood
rok, ròk, fròk, bijvoeglijk naamwoord, teveel speling hebbend
rok, ròk, zelfstandig naamwoord, rok
roken, roken, roken
rokerij, rokeri’je, rokerij
rol, rolle, 1. rol; 2. rolpens (Kamperveen)
rollaag, rollaoge, 1. rollaag; 2. muurtje waar de koeien met de achterpoten op staan
rollen, rollen, werkwoord, rollen
rollen, rulen, voortrollen. Ook: kulen
rolpatroon, rollepetroon, (Gunninks woordenlijst van 1908) patroon waarnaar men de koemaag in stukken snijdt voor rolpens (iets dat niet bestaat, zie ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dakschere)
rommel, rommel, rommel
rommelen, rommelen, rommelen, donderen
rommelkont, rommelkonte, iemand die rommelig is
romp, romp, romp
rompslomp, rompslomp, rompslomp
rond, rond, rond
rondje, runtien, 1. rondje in een café; 2. korte wandeling
rondom, rondumme, voorzetsel, bijwoord, rondom
rondom, rondumme, zelfstandig naamwoord, (Kampen, Kamperveen) snee roggebrood
rondsel, ronsel, rondsel, spilwiel
rong, ronge, (Kampereiland, Kamperveen) houten of ijzeren steun van een wagenladder
ronniken, ronneken, (Kampereiland, Kamperveen) hinniken
ronselen, ronselen, 1. ronselen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kwanselen, sjacheren
rood, rood, rood. Zo rood as een biete, Gunninks woordenlijst van 1908: zo rood as een kralle
rood, rooie, rode
roodborst, roodbössien, roodborstje
roof, rove, 1. korst op een wond; 2. kap van een klomp
rooi, rooi, in: op de rooi ‘op goed geluk’, Gunninks woordenlijst van 1908: op rooi ‘id.’
rooien, rôên, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie rooien
rooien, roenen, (Kampereiland, Kamperveen) wieden
rook, rook, rook
rookpluim, rookplume, rookpluim
room, reumpien, in: ’t Reumpien is eròf (gezegd van een ouder wordende vrouw, lett.: de room is eraf)
room, room, room
rooms, rooms, rooms-katholiek
roos, roze, 1. roos; 2. koorts. De roze in d’oed ebben ‘grieperig zijn’
rooster, reuster, rooster
roosteren, reusteren, roosteren
roppen, ròppen, 1. trekken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: uittrekken
ropper, ròpperd, 1. paling; 2. iemand die veel werk verzet; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: dikkerd
ropperig, ròpperig, ruw omgaand met (kleding)
ros, ròs, bijvoeglijk naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) ros
roskam, röskamme, ròskame, ròskaome, (Kampen) roskam. Ook: ròskame (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: ròskaome
rossen, ròssen, (Gunninks woordenlijst van 1908) roskammen
rossen, ròssen, (Gunninks woordenlijst van 1908) slaan
rot, ròt, bijvoeglijk naamwoord, rot
rotgans, ròtganse, rotgaanze, (Kampen) aalscholver. Ook: rotgaanze (Kampereiland, Kamperveen)
rotten, ròtten, werkwoord, rotten
rouw, rouw, rouw
rouwen, rouwen, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. in de rouw zijn; 2. berouwen
roven, roven, werkwoord, roven
royaal, rejaal, riejaal, royaal
rozendomp, rozendomp, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) roerdomp
rozig, rozerig, rozig, kouwelijk, koortsig. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rozig
rozijn, reziene, rozijn
ruchtbaar, ruchbaar, ruchtbaar
rug, rugge, rug. Over mien rugge! ‘over mijn lijk!’, ’k Eb een brede rugge en een gladde konte ‘ik trek me er niets van aan’
rui, ruj, 1. ijlend in koorts; 2. druk, opgewonden
rui, ruui, rui
ruien, ruien, ruuien, rûûn, ruien. Ook: ruuien (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: rûûn
ruif, ruive, (Kamperveen) ruif
ruigijzel, roegiezel, roewiezel, (Gunninks woordenlijst van 1908) rijm (bevroren dauw). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: roewiezel (Kamperveen)
ruiken, roeken, ruiken
ruilen, ruilen, ruilen
ruim, ruum, ruim
ruimen, rumen, zie oprumen
ruims, ruums, uitroep bij knikkeren, zie stòls
ruimte, ruumte, ruimte
ruin, rune, roene, (Kampereiland, Kamperveen) ruin. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: roene
ruïneren, rinneweren, runneweren, ruïneren. Ook: runneweren (Kamperveen)
ruit, roet, onkruid
ruit, roete, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie rute
ruit, rute, roete, 1. ruit; 2. glasruit. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: roete
ruiter, ruter, 1. ruiter; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: snaak
ruitzalf, rutezalve, (Gunninks woordenlijst van 1908) zalf tegen ongedierte
ruk, ruk, ruk
rukken, rukken, rukken
rukwind, rukwiend, (Gunninks woordenlijst van 1908) rukwind
rups, rupse, roepe, (Kampen) rups. Ook: roepe (Kampereiland, Kamperveen)
rus, rössen, rösse, (Kampereiland, Kamperveen) biesachtige plant in moerassig land. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rösse
rust, ruste, 1. rust; 2. slaap. In de ruste wezen ‘slapen’
rusten, rusten, rusten
ruw, roew, roe, (Kampen) ruw. Ook: roe (Kampereiland, Kamperveen)
ruwmuts, roemusse, (Kampereiland, Kamperveen) gebreide muts
ruzie, ruzie, rûzie, ruzie. Ook: rûzie (Kampereiland, Kamperveen)
ruziezoeker, ruziezuker, rûziezûker, (Kampen) ruziezoeker. Ook: rûziezûker (Kampereiland, Kamperveen)
saai, saoi, saai
sabbelen, zabben, (Kampereiland, Kamperveen) sabbelen
sabel, sabel, sabel
saffraan, saffraon, saffraan
sajet, sjet, seert, sjeert, (Kampen) sajet. Ook: seert (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: sjeert
sajetbaard, sjetböörd, spotnaam voor iemand met een dunne baard
salon, selon, salon
salonwagen, selonwagen, salonwagen
salpeter, salpeter, salpeter
samen, samen, 1. samen; 2. groet aan een gezelschap
sammenappe, sammenappe, uitroep van verbazing
sap, sap, sap
sapperloot, sappeloot, sapperloot
satan, satan, satan
satijn, setien, satijn
sch-, sk-, (Kampen) sch- of sk- in Kampereiland, Kamperveen
schaaf, skave, schaaf
schaal, skale, schaal
schaal, skaole, weegschaal
schaap, skaop, schaap. Gunninks woordenlijst van 1908: Ergens schaop òfkomen ‘ergens bekaaid afkomen’
schaar, schäre, (Gunninks woordenlijst van 1908) schaar, menigte
schaar, skere, schaar
schaarde, sköre, skaore, zie skärve
schaardengerak, skaoregerak, (Kampereiland, Kamperveen) (mooi) serviesgoed
schaats, skase, schäsen, schaats. Ook: skeuvel (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: schäsen
schaatsen, skasen, werkwoord, schaatsen. Ook: skasenlopen, skeuvelen (Kampereiland, Kamperveen)
schaatsenijs, skasenies, betrouwbaar ijs om te schaatsen
schaatsenlopen, skasenlopen, zie skasen
schabberig, schabberig, (Gunninks woordenlijst van 1908) schabberig, armoedig
schabonkelen, skabonkelen, schebonkelen, rondsluipen. Gunninks woordenlijst van 1908: schebonkelen
schacht, skachte, schächte, schacht. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schächte
schade, ska, schade
schadelijk, skalijk, skaadlijk, schadelijk. Gunninks woordenlijst van 1908: schälijk lullen
schaden, skaden, schään, schaden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schään
schaduw, skaduw, schaduw
schaft, schòft, (Gunninks woordenlijst van 1908) poos
schaft, skòft, pauze
schaften, skòften, pauze houden
schaftje, skuffien, sköffien, (Kampen) poosje. Ook: sköffien (Kampereiland, Kamperveen)
schafttijd, schòfttied, (Gunninks woordenlijst van 1908) rusttijd
schakel, skakel, schakel
schalk, schalk, (Gunninks woordenlijst van 1908) grappenmaker
schalk, skälkien, guitige kwajongen
schalm, skalm, schalm, schakel
schamen, skamen, schamen
schampen, skampen, 1. schampen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: schimpen
schamper, skamper, schamper
schamper, skamperd, schamp
schampscheut, skampskeut, sneer
schampschot, skampskòt, schampschot
schandaal, skandaal, schandaal
schandalig, skandalig, schandalig
schande, schaande, (Gunninks woordenlijst van 1908) schande
schans, schaans, (Gunninks woordenlijst van 1908) schans
schapenmarkt, skaopemärk, skaopmärkt, schaopenmark, (Kampen) schapenmarkt. Ook: skaopmärkt (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: schaopenmark
scharensliep, skeresliep, scharenslijper
scharnier, scheniere, (Gunninks woordenlijst van 1908) scharnier
schat, skat, schat
schateren, skateren, schateren
schaven, skaven, werkwoord, schaven
schede, skeie, schee, (Kamperveen) 1. schede; 2. reep. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schee
schedel, skedel, schedel
scheef, skeef, skîêf, (Kampen) scheef. Skeef of skel det bochelt wel ‘let maar niet op de gebreken’. Ook: skîêf (Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: Schief en schel dät juffert wel ‘het komt er niet zo precies op aan’
scheel, skeel, scheel
scheel, skele, iemand die scheel ziet
scheen, schîên, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie skeenbeen
scheen, skenen, skîênen, (alleen meervoud) schenen. Ook: skîênen (Kampereiland, Kamperveen)
scheenbeen, skeenbeen, skîênbîên, schîên, scheen. Ook: skîênbîên (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: schîên
scheerbaas, skeerbaos, barbier
scheercenten, skeercenten, (Kampen) zakgeld (dit geld werd voornamelijk gebruikt voor het betalen van de skeerbaos)
scheerling, skierlink, (Kampereiland, Kamperveen) 1. dollekervel; 2. scheerling
scheermes, skeermes, scheermes
scheerstoel, skeerstoel, stoel bij de barbier waarin de klant zat
scheiboter, scheibòtter, (Gunninks woordenlijst van 1908) boter die men maakt als de koeien pas in het land of pas op stal zijn, dus geen zuivere grasboter of hooiboter
scheiden, skeiden, scheiden
scheiding, skeidige, (Kampen, Kampereiland) scheiding
scheisloot, scheisloot, (Gunninks woordenlijst van 1908) scheisloot
schel, skel, scheef
schel, skelle, bel
schelden, skellen, skelt, sköld, sköllen, esköllen, schelden. IJ skelt oe de pokkel vol ‘hij scheldt je de huid vol’
schelen, skelen, deren, schelen. Ook: verskelen
schellen, skellen, skelt, sköld, sköllen, esköllen, bellen
schelling, skelling, schillink, schelling. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schillink
schellinkje, skellinkien, schellinkje
schelm, skelm, schelm
schelp, skulpe, schelp
schelvis, skellevis, schelvis
schemer, skemer, schemer
schemeren, skemeren, skemen, (Kampen) schemeren. Ook: skemen (Kampereiland, Kamperveen)
schemerig, skemerig, schemerig
schenden, skennen, schenden, schenden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schenden
schenk, skinke, schouderham
schenken, skenken, 1. geven; 2. schenken (van een drank)
schenken, skinken, schenken van een drank
schepel, skepel, schepel
schepelsmand, skepelsmande, skepesmaande, (Kampen) mand van ± 10 liter. Ook: skepesmaande (Kampereiland, Kamperveen)
schepen, skepen, (Kampereiland, Kamperveen) laden van hooi in een schip
schepijs, skep-ies, schepijs
scheppen, skeppen, scheppen
scheprad, scheprad, (Gunninks woordenlijst van 1908) scheprad
schepsel, skepsel, schepsel
scheren, skeren, skeert, skeur / skeren (Kampen), skeuren / skeren , scheren
scherf, skärve, skaore, sköre, scherf. Ook: skaore (Kampereiland, Kamperveen), sköre (Kampen)
scherm, skärm, schirm, scherm. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schirm (Kamperveen)
scherp, skärp, scherp
schetter, sketter, zie sprao
scheuken, skeuken, schûken, schurken. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schûken (Kampereiland). Det peerd ef jeuk, et skeukt tegen een boom ‘dat paard heeft jeuk, het schurkt tegen een boom’, Gunninks woordenlijst van 1908: Die schörf ef die schûûkt ‘men kan
scheur, skeure, (Kampen) 1. scheur; 2. grote mond
scheuren, skeuren, 1. scheuren; 2. hard rijden
scheut, skeut, 1. scheut; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vaart. Op skeut komen ‘op gang komen’
scheutig, skeutig, scheutig, vrijgevig, toeschietelijk. Ook: skeuts
scheuts, skeuts, zie skeutig
scheuvel, skeuvel, zie skase
scheuvelen, skeuvelen, zie skasen
schichtig, schiftig, (Gunninks woordenlijst van 1908) schichtig
schielijk, skielijk, 1. gulzig. Ie drinken te skielijk ‘je drinkt te gulzig’; 2. plotseling
schiemannen, skiemannen, werkwoord, schiemannen
schier, skier, 1. slank, mooi, gaaf; 2. onbevrucht (van een ei)
schieten, skieten, skîêten, sköt, skeut, skeuten, eskeuten, (Kampen) schieten. Ook: skîêten (Kampereiland, Kamperveen)
schieuw, skiw, skieuw, (Kampereiland) wit bord of witte doek waarmee men werkvolk dat aan het werk is op het land, waarschuwt dat het tijd is om te eten. Ook: skieuw (Kamperveen)
schiften, skiften, schiften
schijf, skîêve, (Kampereiland, Kamperveen) schijf
schijnen, skienen, skîênen, (Kampen, Kamperveen) schijnen. Ook: skîênen (Kampereiland)
schijten, skieten, skijten, (plat) schijten. Die sket niet veur elven of ij mut ’t veur twaalf uur weer ebben ‘hij is gierig’
schijterd, skijterd, 1. zie skietliester; 2. koe met diarree (Kampereiland, Kamperveen)
schijterig, skijterig, 1. diarree hebbend; 2. bang
schijthak, schit-akke, (Gunninks woordenlijst van 1908) hiel van paard of rund
schijthuis, skijtuus, 1. (plat) w.c.; 2. zie skietliester
schijtlaars, skijtleerze, zie skietliester
schijtlijster, skietliester, bangerik. Ook: skijterd, skijtleerze, skijtuus
schijtvenijn, schietveniend, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) dreumes
schik, schik, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. zie skik; 2. deeg
schik, skik, schik, schik, lol. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schik
schikken, skikken, schikken
schiks, skiks, (Kampereiland, Kamperveen) diagonaal, scheef
schikshark, skiksärke, (Kampereiland, Kamperveen) hark die scheef op de steel staat
schil, skelle, schil
schil, skille, schil
schilderen, skilderen, 1. schilderen; 2. heen en weer lopen, Gunninks woordenlijst van 1908: op schildwacht staan
schilderhuis, skildersusien, schildwachtershuisje bij een kazerne
schilderij, skilderi’je, skilderi’j, schilderij. Ook: skilderi’j (Kampereiland)
schildersbaas, skildersbaos, schilder
schilderskiel, skilderskiele, schilderskiel
schilderskwast, skilderskwäste, skilderskwast, schilderskwast
schildpad, skildpadde, schildpad
schilfer, skilfer, schilfer
schilferen, skilferen, 1. schilferen; 2. platte steentjes over het water laten scheren (Kamperveen)
schilferig, skilferig, schilferig
schillen, skellen, skelt, sköld, sköllen, esköllen, schillen
schillenboer, skilleboer, skelleboer, schillenboer
schim, skim, 1. schim; 2. hoofdroos
schimmel, skimmel, 1. schimmel (witachtige uitslag); 2. grijswit paard; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: onderstel van een boerenwagen
schimmelen, skimmelen, schimmelen
schimmelig, skimmelig, schimmelig
schimpen, skimpen, skempen, schimpen
schip, skip, skepen, skepien, schip. D’r kump een skip met zoere appels an ‘er komt een dikke bui’
schipperscafé, skipperskefee, schipperscafé
schippersdeerne, skippersdeerntien, schippersmeisje
schipperspet, skipperspette, schipperspet
schob, schobbe, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) soort plank
schobbejak, skobbejak, schobbejak
schobben, skobben, werkwoord, schurken, krabben
schobber, skobberd, (Kampereiland, Kamperveen) 1. schavuit; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: haveloos persoon
schobberdebonk, skabegienbonk, in: veur skabegienbonk speulen ‘de minste zijn’
schoen, skoe, skoeën, skoegien, skugien, skuuntien, schoen
schoenendoos, skoedeuze, schoenendoos
schoenmaker, skoemaker, schoenmaker. Ook: skoesterd
schoensmeer, skoesmeer, schoensmeer
schoenveter, skoeveter, schoenveter
schoer, skoer, (Kampereiland, Kamperveen) onweersbui
schoeren, skoeren, het zich vormen van een onweersbui (Kampereiland, Kamperveen)
schoeren, skoeren, Gunninks woordenlijst van 1908: rondslenteren op straat om een vrijer
schoester, skoesterd, zie skoemaker
schoffel, skoffel, schoffel
schoffelen, skoffelen, 1. schoffelen; 2. een knikkerspel; 3. schudden van een kaartspel
schoft, skoft, schoft
schoft, skoft, 1. schouder van een dier; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kromme rug
schok, skok, schok
schokken, skokken, werkwoord, schokken
schokken, skòkken, 1. betalen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: schrokken
Schokker, Skòkker, Schokker, bewoner van Schokland. De Skòkkers trekken de zunne met de aoke onder (Kampereiland) (gezegd bij het hooien op het Kampereiland, als de zon boven Schokland daalde)
schokkersschuit, skòkkersskute, botter, schokkersschuit
Schokland, Skòkland, Schokland. IJ is vannacht naor Skòkland ewest (Kampereiland) ‘hij heeft in bed geplast’ (om op Schokland te komen, moest men over het water)
schol, schòlde, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie skòl
schol, skòl, schòlde, (Kampereiland, Kamperveen) ondiep. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schòlde
schol, skòlle, 1. schol (vissoort). Een skòlle in meert is ’t eten niet weerd ‘als de vis in het voorjaar kuit schiet, dan is hij niet op zijn best’; 2. ijsschots
schommel, skommel, schommel
schommelaar, skommelaar, snuffelaar
schommelen, skommelen, 1. schommelen; 2. snuffelen, zoeken
schommelstoel, skommelstoel, schommelstoel
schooien, schooien, schurken, in een bep. spotliedje, zie bij wärm
schooien, skooien, bedelen. Ook: bedelen
schooier, skooier, schooier, bedelaar
school, skole, skôêle, (Kampen) school. Ook: skôêle (Kampereiland, Kamperveen)
schoon, skone, schoon. Zo skone as een kluntien (= klontje suiker)
schoonmoeder, skoonmoeder, skoonmoe, skoonmo, schoonmoer, schoonmoor, schoonmoeder. Ook: skoonmoe (Kampereiland), skoonmo, Gunninks woordenlijst van 1908: schoonmoer, Gunninks woordenlijst van 1908: schoonmoor (Kamperveen)
schoonvader, skoonvader, skoonva, schoonväär, schoonvader. Ook: skoonva, Gunninks woordenlijst van 1908: schoonväär
schoonzoon, skoonzeune, schoonzoon
schoonzuster, skoonzuster, schoonzuster
schoorlijn, skoorliende, schoorlijn
schoorsteen, skoorsteen, sköstîên, (Kampen) schoorsteen. Ook: sköstîên (Kampereiland, Kamperveen)
schoorsteenkleed, skoorsteenkleed, sköstîênkleed, (Kampen) kleedje op de schoorsteenmantel. Ook: skoorsteenloper (Kampen), sköstîênkleed (Kampereiland, Kamperveen)
schoorsteenloper, skoorsteenloper, zie skoorsteenkleed
schoorsteenveger, skoorsteenveger, sköstîênveger, (Kampen) schoorsteenveger. Ook: sköstîênveger (Kampereiland, Kamperveen)
schoot, skoot, schoot
schootsvel, skootsvel, leren schort van een smid
schop, skup, schop, trap
schop, skuppe, schop, spade. Op de skuppe staon ‘grondwerk doen’, IJ ef de skuppe mee-eneumen ‘het wordt waarschijnlijk zijn laatste betrekking (voor zijn dood)’
schoppen, skuppen, werkwoord, schoppen
schor, skörre, skör, schòr, (Kampen) schor. Ook: skör (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: schòr
schoren, skoren, stutten, schoren
schormot, skòrmot, schòrremot, (Kamperveen) 1. rommel; 2. schorriemorrie. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schòrremot
schort, skölk, Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schòlk; zie sköt
schort, sköt, boezelaar, schort. Ook: skölk (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: schòlk, Gunninks woordenlijst van 1908: schöddeldoek (niet Kamperveen)
schorteldoek, schöddeldoek, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie sköt
schot, schòt, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. schot; 2. groei; 3. het opschieten
schotel, sköttel, schöddel, schotel, schotel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schöddel (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: schotel (Kampen)
schoteldoek, skötteldoek, (Kampereiland, Kamperveen) vaatdoek
schotelrak, sköttelrak, schöddelrak, (Kamperveen) bordenrek. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schöddelrak
schots, skòts, 1. scheef; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: geruit
schouder, skolder, schouder
schouderblad, skolderblad, skolderbladen, schouderblad
schout, scholte, (Gunninks woordenlijst van 1908) politieagent
schouw, skòlde, (Kampereiland, Kamperveen) pont
schouw, skouwe, 1. het schoonhouden van sloten op een bepaalde tijd. Gunninks woordenlijst van 1908: Schouwe mäken ‘een sloot schoonmaken’; 2. toezicht
schouwen, skouwen, 1. in ogenschouw nemen; 2. ei in het water houden om te zien of het bebroed is; 3. controleren of de sloten schoongemaakt zijn (Kampereiland, Kamperveen)
schraag, skrage, schraag
schraal, skraol, schrao, schraal. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schrao
schrab, skrabbe, skrap, schrap, streep, kras. Twee skräppies en een naovörkien nemen ‘niets voor een ander overlaten’
schrabben, skrabben, schrabben
schrabber, skrabber, schrabber
schram, skram, (Kampereiland, Kamperveen) 1. jong varken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: mager varken. Gunninks woordenlijst van 1908: Zo mäger as een schram ‘zeer mager’
schram, skramme, schram
schrander, skrander, schraander, schrander. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schraander
schrap, skrap, zie skrabbe
schrapen, skrapen, schrapen
schraper, skraperd, gierig persoon
schraperig, skraperig, hebberig, gierig
schrappen, skrappen, schrappen, doorstrepen
schreeuw, skriw, skreeuw, schreeuw
schreeuwen, skriwwen, skreeuwen, 1. schreeuwen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: huilen. Ook: skreeuwen
schreeuwer, skriwwerd, zie skriwlelijk
schreeuwerig, skriwwerig, skreeuwerig, 1. schreeuwerig; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vaak huilend
schreeuwlelijk, skriwlelijk, skriwwerd, skriwlillijk, skreeuwlelijk, zelfstandig naamwoord, schreeuwlelijk
schreukel, skreukel, verlegen
schrid, skrit, (Kampereiland) kruis van een broek
schrift, skrift, 1. handschrift; 2. schrift om in te schrijven
schrijden, schrîên, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) wijdbeens lopen
schrijnen, skrennen, (Kampereiland, Kamperveen) schrijnen
schrijnen, skrîênen, (Kampereiland, Kamperveen) schoren
schrijven, skrîêven, skref, skreef, skreven, eskreven, schrijven
schrik, skrik, schrik
schrikdraad, skrikdraod, schrikdraad
schrikhek, skrik-ekke, schrikhek
schrikkeljaar, skrikkeljöör, skrikkeljaor, (Kampen) schrikkeljaar. Ook: skrikkeljaor (Kampereiland, Kamperveen)
schrikken, skrikken, schrikken
schrobben, skrobben, schrobben
schrobber, skrobber, schrobber
schrobzaag, skrobzage, schrobbezäge, (Kampen) schrobzaag. Ook: krobbezage (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: schrobbezäge
schroef, skrôêve, schroef
schroeven, skrôêven, werkwoord, schroeven
schroevendraaier, skrôêvedreier, schrôêvendrèèier, schroevendraaier. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schrôêvendrèèier
schrokken, skròkken, schrokken
schroot, schrote, (Gunninks woordenlijst van 1908) smalle plank
schroot, skroot, schroot
schrootjesplafond, skreutiesplefon, schrootjesplafond
schuddekoppen, skuddekòppen, hoofdschudden
schudden, skudden, schudden
schudder, skudder, (Kampereiland, Kamperveen) werktuig om het hooi over het land te spreiden
schuif, skôêve, 1. schuif, grendel; 2. schuiver
schuifdeur, skoefdeure, schuifdeur
schuifelen, skoevelen, met de vinger over de grond schuiven bij het knikkeren
schuifkar, skoefkaore, (Kampereiland, Kamperveen) handkar
schuifraam, skoefraam, schuifraam
schuilen, skulen, schuilen
schuim, skuum, skoem, (Kampen) schuim. Ook: skoem (Kampereiland, Kamperveen)
schuimen, schûmen, (Gunninks woordenlijst van 1908) nasnuffelen
schuimen, skumen, skoemen, (Kampen) 1. schuimen; 2. snuffelen. Ook: skoemen (Kampereiland, Kamperveen)
schuimer, skumerd, iemand die alles nazoekt, snuffelaar
schuimlepel, schûûmlepel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie skuumspaone
schuimspaan, skuumspaone, schuimspaan. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schûûmlepel
schuins, skuins, schuin
schuinsmarcheerder, skuinsmesjeerder, schuinsmeseerder, schuinsmarcheerder, rare snuiter, hoerenloper. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schuinsmeseerder
schuit, skute, schuit. Grote skute ‘grote schoen of grote voet’
schuiteren, schuteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie skutienvaren
schuitjevaren, skutienvaren, werkwoord, met een schuitje varen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schuteren
schuiven, skôêven, sköf, skeuf, skeuven, eskeuven, schuiven
schuld, skuld, schuld
schuldig, skuldig, schuldig
schuren, skoeren, schuren
schurft, skörft, schörf, schurft. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: schörf
schurk, skörk, schurk
schut, skut, 1. afscheiding; 2. schutting
schutsluis, skutslûze, schutsluis
schutten, skutten, 1. schutten; 2. in bescherming nemen (het vee, dat buiten het eigen land geraakt is, wordt "opgebracht" door bijv. de politie)
schutterij, skutteri’je, schutterij
schutting, skutting, skuttige, (Kampen) schutting. Ook: skuttige (Kampereiland, Kamperveen)
schuur, skure, schuur
secretaire, sikketere, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) secretaire
secretaris, sikketäris, (Gunninks woordenlijst van 1908) secretaris
secuur, sekuur, secuur
selderie, selderie, selderij
sering, singeringe, sering. Ook: seringe (Kampen, Kamperveen), sieringe (Kampereiland)
Seveningen, Seuvelingen, Seveningen. IJ ef der ene op Seuvelingen ‘hij is niet goed snik’ (Seuvelingen is de meest zuidelijke punt van het Kamper Eiland, waar de IJssel zich splitst in IJssel en Ganzediep. Tot enkele jaren na de oorlog was het Kamper Eiland vanaf de
si tôt, sieto, (Kampen) terstond
siepoog, siepoge, traanoog, half gesloten ooglid, bijv. ten gevolge van een infectie
sieraad, sieraod, sieraad
sigaar, segare, 1. sigaar; 2. bloeiwijze van een lisdodde
sigarenaansteker, segarenansteker, sigarenaansteker
sigarenas, segaar-asse, sigarenas
sigarenbuil, segarenbuultien, zakje voor sigaren
sigarendoos, segarendeusien, sigarendoosje
sigarenkist, segarenkissien, sigarenkistje
sigarenkoker, segarekoker, sigarenkoker
sigarenmaker, segarenmaker, sigarenmaker. Da’s mien ook een segarenmaker! ‘hij brengt er niets van terecht’
sigarenpatroon, segarenpetreuntien, (Kampen) baas van een kleine sigarenfabriek met één of slechts enkele knechten
sigarenpijpje, segarenpiepien, sigarenpijpje
sigaret, segret, segrette, (Kampen) sigaret. Ook: segrette (Kampereiland, Kamperveen)
signet, singenette, (Gunninks woordenlijst van 1908) zilveren voorwerp aan een horlogeketting
sijpelen, siepelen, sijpelen
sik, sik, 1. roepnaam voor een geit; 2. roepnaam voor een kalf (Kampereiland, Kamperveen)
sik, sikke, 1. sik (baardje); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: geit
sik, sikkien, (Kamperveen) roepnaam voor een jonge geit of een jong kalf
sikkeneurig, sikkeneurig, (Gunninks woordenlijst van 1908) sikkeneurig
simpel, simpel, (Gunninks woordenlijst van 1908) onnozel
simtouw, zimtouw, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) bindtouw
singel, singel, 1. singel; 2. buikriem
sint, sunde, sonde, (Gunninks woordenlijst van 1908) sint. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sonde (Kamperveen)
sint-juttemis, Sint Juttemis, in: met Sint Juttemis, as de kalvers op ’t ies dansen ‘nooit’
Sint-Maarten, Sundemätten, Suntemätten, St. Maarten
Sint-Pieter, Sundepeter, Suntepeter, St. Peter
Sinterklaas, Sundeklaos, Sunteklaos, (Kampen) Sinterklaas
sinterklaas, sundeklaos, (Gunninks woordenlijst van 1908) sinterklaasgebak
sinterklaasje, sundeklösien, sunteklösien, speculaaskoekje
sits, sits, (Gunninks woordenlijst van 1908) sits (bep. stof)
sjaal, sjale, sjaal
sjakes, sjaaks, sjaks, (Kampen) in: òlt oe sjaaks ‘hou je rustig’. Ook: sjaks (Kampereiland, Kamperveen)
sjako, sjeko, sjakko, (vroeger) militair hoofddeksel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sjakko
sjees, sjeze, sjees
sjerp, sjärp, sjerp
sjezen, sjezen, 1. hard rijden; 2. zakken voor een examen
sjoechem, sjoegem, antwoord, reactie. IJ gef gien sjoegem ‘hij reageert niet’
sjoeks, sjoekse, dooiende sneeuw, natte boel
sjokken, sjòksen, slenteren, lui lopen, Gunninks woordenlijst van 1908: sjokken
sjongejonge, sjonge jonge, uitroep van verbazing
sjouw, sjouw, 1. vracht; 2. grote afstand naar een bepaald doel
sjouwen, sjouwen, sjouwen
sjouwerd, sjouwerd, iemand die sjouwerig is
sjouwerig, sjouwerig, geneigd tot het maken van uitstapjes, er graag op uitgaand
sjouwerman, sjouweman, sjouwesman, (Kampen) sjouwer. Ook: sjouwesman (Kamperveen)
sla, slao, sla
slaaf, släve, (Gunninks woordenlijst van 1908) slaaf
slaag, släge, (Gunninks woordenlijst van 1908) slaag
slaan, slaon, slöt, sloeg (Kampen) / sleug (Kampereiland, Kamper, slaan. Ik slao oe liek(e) op de snoete ‘ik zal je pal op je gezicht slaan’
slaap, slaop, slaap. ’t Slöpien uut ebben ‘wakker worden, weer bij de tijd zijn’
slaapmuts, slaopmusse, 1. slaapmuts; 2. langslaper
slaapmutsje, slaopmussien, borreltje voor het slapengaan
slaapoor, slaopöörties, rode oortjes
slab, slabbe, 1. slab. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slabbegien; 2. slib vermengd met (draad)wier (Kampereiland, Kamperveen). Zie ook: flabbe
slab, slabbegien, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. slabbetje, morsdoek. Ook: slabbe; 2. borst van een overhemd
slabakken, slabbakken, (Gunninks woordenlijst van 1908) slabakken
slabben, slabben, (Kampereiland, Kamperveen) morsen
slabek, slaobek, (Kampen) iemand met een grote mond
slacht, slacht, totale opbrengst (hoeveelheid) van een geslacht dier
slachten, slachen, (Kampereiland, Kamperveen) slachten
slachten, slächten, (Gunninks woordenlijst van 1908) slachten
slachten, slächten, gelijken, in: IJ slagt oe wat (Kampen) ‘hij lijkt wat op jou’
slachter, slachter, slächter, slager. Ook: slager, Gunninks woordenlijst van 1908: slächter
slachttijd, slachttied, slächttied, slachttijd. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slächttied
slag, slag, slagen, släggien, 1. slag; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: knip; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: stuk land; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: soort. Gunninks woordenlijst van 1908: Op slag ‘dadelijk’
slagader, slag-aore, (Gunninks woordenlijst van 1908) slagader
slagboom, slagboom, slagboom
slager, slager, zie slachter
slager, släger, (Gunninks woordenlijst van 1908) zwengel
slagersworst, slagerswöst, worst die de slager zelf maakt
slaghout, slag-òlt, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampereiland) slagboom
slagijzer, slag-îêzer, slag-îêsder, (Kamperveen) knip om ongedierte te vangen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slag-îêsder
slak, slakke, slak
slakkendop, slakkedòppe, zie slakkenuus
slakkenhuis, slakkenuus, slakkenhuis. Ook: slakkedòppe (Kampereiland, Kamperveen)
slang, slange, slang
slap, slop, zie slok (bijvoeglijk naamwoord)
slapen, slaopen, slöp, sliep, sliepen, eslaopen, slapen
slaper, slaoperd, slaoper, 1. slaper, slaperig persoon; 2. slaperdijk. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slaoper
slaperig, slaoperig, slaperig
slateren, sleuten, (Kampereiland, Kamperveen) 1. morsen, laten vallen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sluizen, Gunninks woordenlijst van 1908: slunzen (Kamperveen); 2. ongemanierd drinken
slaterkont, sleutekonte, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) iemand die morst
slaven, släven, (Gunninks woordenlijst van 1908) moeilijk werk doen
slecht, slecht, slecht. Zo slecht as ketoen van een cent d’elle ‘(lett.:) zo slecht als katoen van een cent per el’
slechten, slechten, egaliseren, met de grond gelijk maken
slee, slee, slee
sleedoorn, sleedoorn, (Gunninks woordenlijst van 1908) sleedoorn
sleef, slief, (Kampereiland, Kamperveen) pollepel
sleep, sleep, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. sleep; 2. het slepen
sleep, slepien, nikszeggend cadeautje, fopcadeautje
sleepkar, sleepköre, slipkaore, (Kampen) kar op drie wielen, wipkar. Ook: slipkaore (Kampereiland, Kamperveen). Zie ook: körewip.
sleets, sleets, sleets. Sleets wezen ‘snel zijn kleren verslijten’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slieterig (Kamperveen)
slemp, slempe, 1. slechte koffie; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: waterige massa
slenk, slink, ondiepe (dichtgegroeide) sloot (Kampereiland, Kamperveen), slenk
slepen, slepen, slepen
slet, slette, slätte, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. slons; 2. lichtekooi. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slätte (Kamperveen)
sleuf, sleuve, gleuf, sleuf
sleur, sleur, sleur
sleuren, sleuren, sleuren
sleurwerk, sleurwärk, sleurwerk
sleutel, sleutel, sleutel
sleutelbeen, sleutelbeen, sleutelbeen
slibberig, slibberig, glibberig
slier, sliere, zie slierte
slierbaan, slierbane, (Kampereiland, Kamperveen) glijbaan op sneeuw of ijs. Ook: glinderbane, slinderbane
slieren, slieren, glijden. Ook: slinderen
sliert, slierte, sliere, (Kampen) sliert. Ook: sliere (Kampereiland, Kamperveen)
sliet, slete, slîête, (Kampereiland, Kamperveen) dwars over de balken liggend boompje waarop men bijv. koren legt. Ook: slîête (Kampereiland, Kamperveen)
slijm, sliem, slijm
slijmbal, sliemballe, zie sliemerd
slijmerd, sliemerd, slijmerd. Ook: sliemvörk (Kampen), sliemballe
slijmerig, sliemerig, slijmerig
slijmvork, sliemvörk, zie sliemerd
slijpen, sliepen, slep, sleep, slepen, eslepen, slijpen
slijpmolen, sliepmeule, slijpmolen, puntenslijper
slijpsteen, sliepsteen, sliepstîên, sliepstien, (Kampen) slijpsteen. Ook: sliepstîên (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: sliepstien
slijpsteen, sliepstien, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie sliepsteen
slijten, slieten, slet, sleet, sleten, esleten, slijten. Gunninks woordenlijst van 1908: Iets willen slieten ‘iets graag kwijt zijn’
slijter, slieter, slijter
slijterig, slieterig, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie sleets
slijterswijze, slieterswîêze, (Gunninks woordenlijst van 1908) op de manier van een slijter: bij kleine beetjes
slim, slim, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. slim; 2. erg
slimmerd, slimmerd, slimmerd
slinderbaan, slinderbane, zie slierbane
slinderen, slinderen, zie slieren
slinger, slinger, slinger. IJ ef zien slinger ‘hij heeft het goed naar de zin’
slingeren, slingeren, slingeren
slingerpaal, slingerpaole, slingerdepaole, slingerpaaltje (kinderspel)
slinken, slinken, werkwoord, slinken
slip, slippe, 1. slip; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: gleuf, gestoken in een hooiberg
slippertje, slippertien, slippertje
slobberen, slobberen, (Gunninks woordenlijst van 1908) slobberen
slodderig, slödderig, Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slòdderig; zie slöddig
sloddervos, slöddervòs, slödderfokse, slòddervòs, sloddervos
sloeren, sloeren, (Gunninks woordenlijst van 1908) sluimeren van zieken
sloerig, sloerig, 1. niet lekker, vervelend; 2. duf. Nao et eten wödden ik sloerig
slof, slof, (Gunninks woordenlijst van 1908) vochtig
slof, sloffe, pantoffel
sloffen, sloffen, werkwoord, sloffen
slofhak, slof-akke, iemand die sloft, iemand die zich traag voortbeweegt
slok, sloeke, (Kamperveen) strot
slok, slok, zelfstandig naamwoord, slok
slok, slok, bijvoeglijk naamwoord, (Kampereiland, Kamperveen) slap. Ook: slop (Kampereiland, Kamperveen)
slok, slukkien, borrel
slokdarm, slokdärm, slokdarm
slokken, sloeken, 1. slikken (Kampereiland, Kamperveen); 2. gulzig eten
slokkerd, sloekerd, schrokkebrok
slomp, slompe, grote hoeveelheid
slonde, slonde, slonte, slont, 1. schort zonder bovenstuk (Kampen); 2. schort (Kampereiland, Kamperveen). Ook: slonte (Kampen), slont (Kampereiland, Kamperveen)
slonzen, slunzen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: sluizen
sloof, slove, afgetobde vrouw
sloop, sloop, sloop
sloot, sloot, sloot
slootgrond, slootgrond, (Gunninks woordenlijst van 1908) modder die uit een sloot gehaald is. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slootsel (Kamperveen)
sloothouw, slootouwe, (Kampereiland, Kamperveen) werktuig waarmee men sloot
slootkant, slootkante, slootkaante, zie slootswal
slootsel, slootsel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: slootgrond
slootwal, slootswal, (Kampereiland, Kamperveen) kant van de sloot. Ook: slootkante (Kampen), slootkaante (Kampereiland, Kamperveen)
slop, slob, (Kampereiland, Kamperveen) in: slob op de dele ‘ruimte om stro op te steken naar de zolder’
slordig, slöddig, slödderig, slòdderig, slordig. Ook: slödderig, Gunninks woordenlijst van 1908: slòdderig
slot, slòt, sloten, slöttien, slot
sloten, sloten, (Kampereiland, Kamperveen) modder uit de sloot baggeren
sloven, sloven, zich aftobben met werk
sluier, sluier, sluier
sluimer, slumer, sloemer, sluimer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sloemer
sluimeren, slumeren, sloemeren, sluimeren. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sloemeren
sluimerrol, slumerrolle, sluimerrol
sluipen, slupen, slöppen, sloepen, sluipen. Ook: slöppen (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: sloepen
sluis, slûze, sluis
sluiswachter, sluuswachter, sluiswachter
sluiten, sluten, 1. sluiten; 2. passen
sluitlaken, sluutlaken, sluitlaken (gebruikt na een bevalling)
sluizen, sluizen, (Gunninks woordenlijst van 1908) morsen (niet van vloeistof). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: slunzen (Kamperveen). Zie ook: sleuten
slungel, slungel, (Gunninks woordenlijst van 1908) slungel
slurf, slörf, slurf
slurpen, slörpen, slurpen
smaad, smaod, smaad
smaak, smaak, smaak
smachten, smachten, smachen, smachten. Ook: smachen (Kampereiland)
smak, smak, smak. Gunninks woordenlijst van 1908: Een smak ‘heel veel’
smaken, smaken, smaken
smakken, smakken, smakken (met de mond)
smakken, smaksen, 1. neersmijten; 2. neervallen
smal, smal, smal. Gunninks woordenlijst van 1908: Smalle middag (schertsend voor een lang mens)
smalen, smaolen, smelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kampen) smalen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: smelen
smalen, smelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: smaolen
smart, smätte, 1. hevig verlangen; 2. pijn
smeden, smeden, werkwoord, smeden
smeer, smeer, smeer
smeerdeken, smeerdeken, zie smeerpoetse
smeerdot, smeerdòdde, zie smeerpoetse
smeerkanis, smeerkanis, 1. gemeen persoon; 2. zie smeerpoetse
smeerkees, smeerkees, zie smeerpoetse
smeerlap, smeerlappe, 1. smeerlap; 2. niet te vertrouwen persoon of dier
smeerpoets, smeerpoetse, smeerpoets. Ook: smeerdeken, smeerdòdde, smeerkees, smeerkanis, Gunninks woordenlijst van 1908: smeerzak, smiesterd
smeerzak, smeerzak, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie smeerpoetse
smeken, smeken, smeken
smelten, smelten, smelten
smeren, smeren, smeren. Gunninks woordenlijst van 1908: Em smeren ‘op de loop gaan’; Gunninks woordenlijst van 1908: iemaand smeren ‘iemand een steek onder water geven’
smerig, smerig, vuil
smeu, smao, lenig
smeu, smeu, mals
smeulen, smeulen, smeulen
smid, smid, smid
smiesterd, smiesterd, 1. stiekemerd; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: zie smeerpoetse
smijten, smieten, smijten. D’r is gien smieten met de musse naor ‘er is geen sprake van’
smikkelen, smikkelen, smikkelen
smoel, smoel, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. mond; 2. gezicht
smoes, smoesien, smoesje
smoezelig, smoezelig, smerig
smok, smok, smokse, kus
smoken, smoken, (Gunninks woordenlijst van 1908) roken
smokkelen, smokkelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) een koe slachten zonder er belasting over te betalen
smokken, smokken, zoenen. Ook: smoksen
smoren, smoren, smoren
smousen, smousen, 1. bedriegen; 2. knoeien
smout, smòlt, dierlijk vet, smout
smullen, smullen, smullen
smulpaap, smulpape, smulpaap
snaai, snaai, snaai-snaai, 1. snoep; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: snaai. Gunninks woordenlijst van 1908: Een snaai in-ebben ‘dronken zijn’
snaaien, snaaien, 1. zie snoepen; 2. bijverdienen
snaak, snääk, (Gunninks woordenlijst van 1908) snaak
snaar, snaore, vervelend meisje
snaar, snöre, snaore, (Kampen) snaar. Ook: snaore (Kampereiland, Kamperveen)
snakken, snakken, snakken
snappen, snappen, 1. snappen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: betrappen
snater, snater, mond
snateren, snateren, snateren
snauwen, snauwen, snauwen
snavel, snavel, snavel. Ook: snebbe (Kampereiland, Kamperveen)
sneb, snebbe, zie snavel
snee, snee, snee
sneeuw, sneeuw, snee, (Kampen) sneeuw. Ook: snee (Kampereiland, Kamperveen)
sneeuwbal, sneeuwballe, sneeballe, (Kampen) sneeuwbal. Ook: sneeballe (Kampereiland, Kamperveen)
sneeuwen, sneeuwen, sni’jen, (Kampen) sneeuwen. Ook: sni’jen (Kampereiland, Kamperveen)
sneeuwschuif, sneeuwskôêve, sneeskôêve, (Kampen) sneeuwschuiver. Ook: sneeskôêve (Kampereiland, Kamperveen)
snert, snät, snert, erwtensoep. Gunninks woordenlijst van 1908: Gin snät ‘volstrekt niets’
sneu, sneu, sneu
snibbe, snibbe, snibbige vrouw
snijden, snieden, snieën, snîên, sned, sneed, sneden, esneden, snijden. Ook: snieën (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: snîên
snijdsel, sniesel, (Kampereiland, Kamperveen) haksel
snik, snik, snik
snik, snikke, (Kamperveen) scharnierend mes om koek kapot te slaan
snikheet, snikîête, zie stikîête
snikken, snikken, werkwoord, snikken
snip, snippe, snip
snipper, snipper, snipper
snipsnaarderij, snipsnörderi’je, snipsnaorderi’je, (Kampen) dingen van weinig waarde, rommel. Ook: snipsnaorderi’je (Kampereiland, Kamperveen)
snister, snisterd, sniesterd, (Kampen) 1. sisser; 2. korte hevige bui (Kampereiland, Kamperveen). Ook: sniesterd (Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: Mit een sniesterd òflopen ‘met een sisser aflopen’
snister, snistertien, stukje wildbraad. Een snistertien in de panne ebben
snisteren, snisteren, sniesten, snisten, sniesteren, (Kampen) sissen. Ook: sniesten (Kampereiland, Kamperveen), snisten (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: sniesteren
snoeien, snuuien, (Gunninks woordenlijst van 1908) snoeien
snoeimes, snuuimes, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) snoeimes
snoek, snoek, snoek
snoepdoos, snoepdeuze, snoeper. Ook: snoeperd
snoepen, snoepen, snoepen. Ook: snaaien
snoeper, snoeperd, zie snoepdeuze
snoepstuiver, snoepstuver, zakgeld
snoeven, snôêven, opscheppen
snor, snörre, snòrre, snor. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: snòrre
snorrebot, snörrebot, oud kinderspel waarbij een bot werd gebruikt
snorren, snörren, snorren
snorrenbalsem, snörrebalsem, snorrenvet (soort brillantine om de snor meer aanzien te geven)
snorrenkom, snörrekomme, snorrenkom (aparte kom om uit te drinken)
snot, snòt, (Gunninks woordenlijst van 1908) een kippenziekte
snot, snòtte, snot. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: snòtter
snotdoek, snòttedoek, (Gunninks woordenlijst van 1908) zakdoek
snotkuiken, snòttekuken, jong onervaren persoon
snotneus, snòtneuze, snòtteneuze, 1. snotneus; 2. klein kind; 3. soort lamp
snottebel, snòttebelle, 1. snottebel; 2. klein kind
snotter, snòtter, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie snòtte
snotteren, snòtteren, snotteren
snotterig, snòtterig, 1. onbeduidend; 2. vervelend; 3. verkouden. Zo snòtterig as een ni’jmelkte (niemelkte (Kampereiland, Kamperveen)) kippe ‘erg verkouden’
snotverdikkeme, snòtverdikke, snòtverdikkemien, bastaardvloek. Ook: snòtverdorie, Gunninks woordenlijst van 1908: snòtverdikkemien
snotverdorie, snòtverdorie, zie snòtverdikke
snuf, snuf, snörf, (Kampen, Kampereiland) snuif (tabak). Ook: snörf (Kamperveen)
snugger, snugge, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) snugger
snuifdoos, snoefdeusien, snuifdoosje
snuit, snoete, snuit. Lekkere snoete ‘lekker kind’, ègenöördige snoete ‘vreemd persoon’, Zeg ’t em maar lieke in zien snoete ‘zeg het men maar recht in zijn gezicht’
snuiven, snôêven, snuiven
snuiver, snôêverd, in: iemand een snôêverd geven ‘iemand op zijn nummer zetten’
snurken, snörken, snurken
sober, sober, sober
soep, soep, soep
soes, sôêze, suffig mens. Een sôêze van een deerne ‘een suffig meisje’
soezen, zôêzen, Gunninks woordenlijst van 1908: soezen
sok, zòkke, 1. sok; 2. dromerig persoon
sokkerig, zòkkerig, 1. nat; 2. zeurderig; 3. warm, broeierig (van weer)
sokophouder, zòkopòlder, sokophouder
soldaat, sòldaot, saldaot, soldaat
soldatenbank, saldaotenbanke, bank voor soldaten in Doopsgezinde Kerk
solderen, stòlderen, sòlderen, solderen
sollebollen, sòllebòllen, sollen
solliciteren, sòllesiteren, sòlleseteren, stòllesteren, solliciteren. Gunninks woordenlijst van 1908: stòllesteren
som, somme, som
sommige, sommigen, sommigen
soms, soms, (Gunninks woordenlijst van 1908) misschien (in vragen)
somtijds, somtieds, soms
soort, soort, soort
sop, sòppe, (Kampereiland, Kamperveen) 1. drassig land; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: sop
soppen, sòppen, soppen, prakken
sopperig, sòpperig, (Gunninks woordenlijst van 1908) vochtig, drassig
spaak, speke, spîêke, speek, späke, (Kampen, Kampereiland) spaak. Ook: spîêke (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: speek (Kampen), Gunninks woordenlijst van 1908: späke (Kampen)
spaan, spaone, spaan
Spaans, spääns, (Gunninks woordenlijst van 1908) raar
spaarbankboekje, spaarbankbukien, spaorbankbukien, (Kampen) spaarbankboekje. Ook: spaorbankbukien (Kampereiland, Kamperveen)
spalkerig, spòlkerig, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) kakelbont
span, span, (Gunninks woordenlijst van 1908) handbreed
spannen, spannen, spännen, 1. spannen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: een koe de achterpoten vastbinden tijdens het melken. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Zal der spännen ‘het zal er op aan komen’
spanvogel, spännevogel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: pennevogel
spar, spaore, (Kampereiland, Kamperveen) rondhout van boven naar beneden voor een rieten dak, dakspar
sparen, sparen, spaoren, (Kampen) sparen. Ook: spaoren (Kampereiland, Kamperveen)
spartelen, spättelen, spartelen
spat, spat, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie spatöre
spatader, spatöre, spataore, (Kampen) spatader. Ook: spataore (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: spat
spatbord, spatböd, spätböd, spatbord
spatie, spaosie, spasie, (Kampen) spatie, ruimte
spatlap, spatlappe, spätlappe, 1. spatlap; 2. jasbeschermer
speelgoed, speulgoed, speelgoed
speelkameraad, speulkammeraod, speelkameraad
speelkwartier, speulkwättier, speelkwartier
speelplaats, speulplase, speelplaats
speels, speuls, 1. speels; 2. tochtig (van dieren) (Kampereiland, Kamperveen)
speelwerk, speulwärk, carillon
speen, spene, tepel
spek, spek, spek. Dè’s spekkien nao zien bekkien ‘dat is net wat voor hem’
spektakel, spektakel, spetakel, spiktäkel, (Kampen, Kampereiland) spektakel. Ook: spetakel (Kamperveen). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: spiktäkel
spekzwoerd, spekzwöre, spekzwore, spekzwoere, (Kampen) spekzwoerd. Ook: spekzwore (Kampereiland, Kamperveen), spekzwoere (Kampereiland, Kamperveen)
spel, spul, spel. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is net òf ’t spul sprek ‘het is toevallig’, Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Is een spul ‘het is erg’
speld, spelde, speld
spelden, spellen, opspelden (Kampereiland, Kamperveen)
spelen, speulen, spelen
spellen, spellen, spellen
spenderen, spanderen, besteden
speuren, speuren, speuren
spiegel, spîêgel, (Gunninks woordenlijst van 1908) spiegel
spier, spier, spier
spiering, spierlink, spierling, spiering. Ook: spierling
spiernakend, spiernäkend, (Gunninks woordenlijst van 1908) spiernaakt
spierwit, spierwit, spierwit
spijker, spieker, spijker
spijs, spîêze, (Gunninks woordenlijst van 1908) spijs
spijt, spiet, spijt
spijt, spiet, Gunninks woordenlijst van 1908: afval van vlas (niet Kampen)
spijten, spieten, spijten
spijtig, spietig, spijtig
spikkel, spikkel, spikkel
spil, spille, spil
spin, spinne, spin. Ook: spinnekòp
spinazie, spinazie, spinazie
spinde, spinde, spiende, broodkast. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: spiende (niet Kampen)
spinhuis, spinuus, gevangenis
spinnen, spinnen, spint, spun, spunnen, espunnen, 1. spinnen; 2. met spinneweke gaon, logeren (Kampereiland, Kamperveen)
spinnenkop, spinnekòp, zie spinne
spinnenweb, spinnewebbe, spinneweb
spinrag, spinnerag, spinneragge, spinrag
spinster, spinster, (Kampereiland, Kamperveen) 1. vrouwelijke logé; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: logé, ook voor mannen gebruikt
spint, spient, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) spint (maat)
spinweek, spinneweke, (Kampereiland, Kamperveen) vakantieweek voor dienstboden en dochters van de boer, die dan op het logeeradres helpen bij het spinnen
spit, spit, 1. spit; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: stok waaraan men worst hangt
spits, spits, spits
spitten, spitten, werkwoord, spitten
spleet, splete, spleet
spleethoekwant, spleetoekwant, (Kampen) spleethoekwant met ± 200 hoeken
splinter, splinter, splinter
splinterig, splinterig, splinterig
split, split, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) splits in een touw
splitsen, splitsen, splitsen, touw splijten
splitten, splitten, splitten
splitveer, splitvere, (Gunninks woordenlijst van 1908) splitpen
spoed, spoed, spoed
spoelen, spulen, spoelen
spoken, spôêken, 1. spoken; 2. rondstruinen (Kampereiland, Kamperveen)
sponning, sponnige, sponning
spons, spons, spons
spook, spôêk, (Kampereiland, Kamperveen) spook
spoor, speur, (Kampereiland, Kamperveen) karrespoor
spoor, spoor, (Gunninks woordenlijst van 1908) spoortrein
spoormand, spoormaande, (Kampereiland, Kamperveen) mand met twee deksels
sport, spöt, sport, lichamelijke oefening
sport, spöt, spötte, sport van een ladder. Ook: spötte (Kampereiland, Kamperveen)
spot, spòt, spot. Ie gaon nog met oe spòt nao bedde ‘je trouwt nog eens met iemand waar je nu de spot mee drijft’
spotten, spòtten, 1. spotten; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vloeken
spotter, spòtter, 1. spotter; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vloeker
spraak, spraoke, 1. spraak; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: taal; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: uitspraak
spreeuw, sprao, spraos, spraogien, spreeuw. Ook: sketter
spreiden, spreien, sprèèien, (Kampereiland, Kamperveen) spreiden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sprèèien
spreken, spreken, sprek, sprak, spraken / sprakken (Kamperveen), esp, spreken
sprenkelen, sprenkelen, sprenkelen
spreu, spreu, (Kampereiland, Kamperveen) hard (van huid)
spreuk, spreuke, spreuk
sprik, sprikke, (Kampereiland, Kamperveen) 1. dun hout om vuur mee aan te leggen; 2. mager mens
springen, springen, springen
springer, springerd, (Kampereiland, Kamperveen) koe die over een sloot springt
sprinkhaan, sprinkane, 1. sprinkhaan; 2. tenger meisje
sproeiwagen, spruuiwagen, wagen met sproeiers die bij heet weer de straten besproeide
sproet, sproete, sproet. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: sproetel
sproetel, sproetel, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie sproete
sprokkelen, spròkkelen, sprokkelen
sprong, sprong, spronk, sprongen, sprunggien, sprungegien (Kampen), sprong. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: spronk
sprookje, spreukien, 1. sprookje; 2. smoesje
spruit, sprute, 1. spruit; 2. klein kind
spruit, spruten, zelfstandig naamwoord, uitlopers van bijv. aardappelen
spruiten, spruten, werkwoord, spruiten
spuit, spuit, spuite, 1. spuit. Spuit elf gef ook (Kampereiland, Kamperveen: òk) modder (spottend gezegd wanneer iemand zijn mening geeft over zaken waar hij weinig of geen verstand van heeft); 2. geweer
spuit, spuiten, werkwoord, spuiten
spulletje, spullegien, 1. boeltje; 2. boerenbedrijfje
spuug, spi’je, spuug
spuwen, spi’jen, 1. spuwen; 2. braken
staaf, stave, staaf
staak, stäke, stäke, stäkens, (Kampen) 1. staak; 2. staande balk in de stal waartussen de koeien staan. Ook: stäken (meervoud stäkens) (Kampereiland, Kamperveen) . Zo stief as een stäken ‘erg stijf’
staal, stäle, (Gunninks woordenlijst van 1908) staal, monster
staal, staol, staal
staaldraad, staoldraod, staaldraad
staan, staon, stiet, stond / stund (Kampereiland), stonnen / stu, staan. Ik stao em niet ‘ik vertrouw hem niet’, Ik stao em alf ‘ik trek partij voor hem’, Ik stao oe alf ‘ik betaal de helft van de kosten’
staart, stät, staart
staartbot, stätbuttien, zie stute
staartkar, stätkaore, (Kampereiland, Kamperveen) kar met twee bomen, die achterover kiepte wanneer het paard uitgespannen was
staartmolen, stätmeule, molen die vanzelf naar de wind draait
staartnap, stätnap, (Kampereiland, Kamperveen) nap met een handvat
staarttouw, stättouw, (Kampereiland, Kamperveen) touw waarmee de staarten van de koeien worden opgebonden
staat, staot, 1. staat; 2. rang, stand; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: vertoning
staatsie, staosie, staatsie (praal)
stad, stad, stad
staf, staf, staf
staken, stäken, werkwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) staken
stakker, stakkerd, stakkerd
stal, stal, stal
stalen, staolen, bijvoeglijk naamwoord, stalen
stalstaak, stalstäken, (Kampereiland, Kamperveen) staak tussen twee koeien waaraan zij vastgebonden zijn
stam, stamme, stam
stamboon, stambone, stamboon (boon die groeit zonder vastgemaakt te worden aan een stok)
stamelen, stämeren, (Gunninks woordenlijst van 1908) stotteren
stampen, stampen, staampen, stampen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: staampen
stamper, stamper, stamper
stand, stand, staand, stand. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: staand
stang, stange, stang
stank, stank, stank
stap, stap, stap
stapel, stapel, hoop
stappen, stappen, stappen
staren, staren, staren
stee, stee, 1. plaats. As ik in zien stee was ... ‘als ik hem was ...’; 2. steek. Een stee in de zied ‘een steek in de zij’
steeg, stege, steeg
steek, steek, 1. steek. Gunninks woordenlijst van 1908: Gin steek ‘volstrekt niets’; 2. soort snoepgoed; 3. pruim tabak; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: driekante hoed.
steekijzer, steekîêzer, roestkrabber
steeks, steeks, (Kampereiland, Kamperveen) (van een paard:) niet verder willen lopen
steel, steel, 1. stengel; 2. handvat
steen, stîên, (Kampereiland, Kamperveen) steen
steenklaver, stîênklaover, (Kampereiland, Kamperveen) steenklaver
steenkool, stîênkool, (Kampereiland, Kamperveen) steenkool
steenslag, stîênslag, (Kampereiland, Kamperveen) steenslag
steiger, steiger, steiger
steigeren, steigeren, steigeren
steigertouw, steigertouw, touw zonder ogen aan weerskanten
steil, steil, steil
stek, stek, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie weg
stek, stikke, 1. verbindingslat van een stoel; 2. paaltje waaraan een dier bevestigd is (Kampereiland, Kamperveen). Gunninks woordenlijst van 1908: Iemaand een stikke steken ‘iemand dwarsbomen’
stekel, stekel, stekel
stekelbaard, stekelböörd, stekelbaord, (Kampen) stoppelbaard. Ook: stekelbaord (Kampereiland, Kamperveen)
stekelbaars, stekelböörs, stekelbaors, stekelböörsien, (Kampen) stekelbaars. Ook: stekelbaors (Kampereiland, Kamperveen)
stekelvarken, stekelvärken, stekelvarken
steken, steken, stek, stak, staken / stakken (Kamperveen), esteuke, steken. IJ stek niet in een goed vel ‘hij is niet gezond’
steker, stekerd, (Gunninks woordenlijst van 1908) in: een lepe stekerd op een dood värken ‘slimmerd (ironisch)’
stekrij, stekkeri’je, stekri’je, (Kampereiland) liggende balk boven de koeien waaraan de stäkens vastzitten. Ook: stekri’je (Kamperveen)
stel, stel, 1. stel; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: lichaamsbouw
stelen, stelen, stelen
stellage, stellazie, stellage
stelletje, stellegien, 1. petroleumstelletje; 2. groep mensen of voorwerpen bijeen, paartje
stellig, stellig, stellig
stelt, stelte, stölte, stelt. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: stölte
stem, stemme, stem
stemhokje, stem-ökkien, stemhokje
stemmen, stemmen, werkwoord, stemmen
stemmig, stemmig, stemmig
stemming, stemmige, 1. stemming; 2. verkiezing
stempel, stempel, stempel
stemvork, stemvörke, stemvork
stengel, stengel, stengel
ster, steern, ster
sterfhuis, stärfuus, het huis waar iemand gestorven is
sterk, stärk, sterk
sterrenkijker, steernkieker, 1. sterrenkijker; 2. iemand die voortdurend naar boven kijkt
sterven, stärven, stärft, stierf (Kampen) / störf, stierven (Kampen), sterven
steun, steun, steun
steunen, stennen, kermen
steunen, steunen, 1. steunen; 2. leunen
steven, steven, steven
stevig, stewig, stevig
stichten, stichten, stichen, stichten. Ook: stichen (Kampereiland, Kamperveen)
stiefelen, stiefelen, kordaat, op hoge poten lopen. Döör stiefelt ie weer ene ‘hij gaat er weer op af’
stiekem, stiekem, stiekem
stiekemerd, stiekemerd, stiekemerd
stiems, stiems, koppig. Zo stiems as een ezel
stier, stier, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie bolle
stift, stifte, stift
stijf, stief, stijf. Zo stief as een stäken ‘erg stijf’, zich stief reien ‘zich hevig opwinden over iets’, een stief kwättiertien ‘bijna een kwartier’
stijfkop, stiefkòp, stijfkop
stijfkoppig, stiefkòppig, stijfkoppig
stijfsel, stiesel, (Gunninks woordenlijst van 1908) stijfsel. Ook in de sigarenmakerij: kleefstof om het dekblad aan de punt te hechten. De stijfsel werd gekookt en, onder toevoeging van koffiestroop, warm in een keulse pot gedaan. Vanuit deze pot werden dan de stijfselpott
stijfselpot, stieselpöttien, stijfselpotje dat elke sigarenmaker bij zich op de dis had staan. Hiervoor werd vaak gebruik gemaakt van een stenen scheerzeeppot, zoals die vroeger in zwang waren
stijgbeugel, stîêgbeugel, (Kampereiland, Kamperveen) stijgbeugel
stijgen, stîêgen, stijgen
stijl, stiel, stijl. Ie mun stiel òllen ‘je moet een bepaalde stijl, bepaalde gewoontes handhaven’
stijl, stiel, staand gebint (Kampereiland, Kamperveen)
stijven, stîêven, stijven
stikheet, stikîête, snikheet. Ook: snikîête
stikken, stikken, werkwoord, stikken
stikziend, stikziend, (Gunninks woordenlijst van 1908) bijziend
stil, stille, stil. Stille wezen, stille wezen (Kampereiland, Kamperveen) ‘bidden, stil zijn’. Oe stiller ò-j lègen oe minder piene ‘hoe minder je over iets praat, des te minder last heb je ervan’, Gunninks woordenlijst van 1908: Stil en bestendig, mä
stilletje, stillegien, zelfstandig naamwoord, stilletje (w.c.). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908 stellegien
stilletjes, stillegies, bijwoord, stilletjes
stinken, stinken, stinken. Det stinkt as de pest ‘dat stinkt verschrikkelijk’
stinkerd, stinkerd, stinkerd. Gunninks woordenlijst van 1908: In zien stinkerd zitten ‘bang zijn’
stip, stip, stip, punt
stip, stippe, (Gunninks woordenlijst van 1908) jus, vleesnat
stippel, stippel, punt
stippen, stippen, werkwoord, 1. stippen; 2. dopen (aardappel in de jus; brood of koekje in koffie of thee om het bijten te vergemakkelijken)
stobbe, stobbe, stuk van een boomstam, restant van een afgezaagde boom dat in de grond blijft zitten
stoel, stoel, stôêl, (Kampen, Kampereiland) stoel. Van de stoel òfpraoten en d’r zelf op gaon zitten ‘zich bevoordelen ten koste van een ander’. Ook: stôêl (Kamperveen)
stoelenmatter, stoelematter, stoelenmatter
stoelmat, stoelematte, stoelmatte, stoelmat
stoelstek, stoelstikke, dwarslat van een stoel
stoep, stoepe, stupe, stoep
stoet, stoete, groot brood
stoethaspel, stoetäspel, onhandig persoon
stof, stof, 1. (het) stof; 2. (de) stof
stoffen, stoffen, werkwoord, stoffen
stoffer, stoffer, stoffer
stofzuiger, stofzôêger, stofzuiger
stok, stok, stok
stokboon, stòkkebone, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie stokbone
stoken, stoken, stoken, branden
stoker, stoker, stoker
stollen, stelten, stollen
stolp, stòlpe, stolp
stols, stòls, uitroep bij het knikkeren: als de knikker tijdens het spel achter een verhoging in het veld blijft liggen, dan mag de aan de beurt zijnde speler ruums zeggen en de knikker vóór die verhoging neerleggen en vanuit die positie spelen; heeft de tegenpa
stom, stom, 1. dom. Zo stom as een änte; 2. zielig. Det stomme dier kan ’t ook niet elpen
stommelen, stommelen, stommelen
stommeling, stommelink, (Gunninks woordenlijst van 1908) domoor
stomp, stomp, bijvoeglijk naamwoord, 1. stomp; 2. helemaal. Det bin ’k now tòch stomp vergeten
stomp, stompe, stomp van een been of een arm
stoof, stove, stoof
stoom, stoom, stoom
stoot, steut, steute, 1. stoot; 2. riempje waarmee het leidsel aan het bit van een paard wordt bevestigd (Kampereiland, Kamperveen). Ook: steute (Kampereiland, Kamperveen), zie ook: stoot
stoot, stoot, steut, steute, stoot
stootje, steugien, (Kampen) poosje
stootkant, stootkante, stootkaante, (Kampen) zelfkant van stof. Ook: stootkaante (Kampereiland, Kamperveen)
stoots, steuts, (Kampereiland, Kamperveen) stoots (van een koe)
stop, stòppe, stop
stoplap, stòplappe, stoplap
stoppel, stöppel, stoppel
stoppelland, stöppellaand, (Kampereiland, Kamperveen) land na de oogst
stoppen, stòppen, stoppen
stopsajet, stòpsjeert, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie stòpsjet
stopsajet, stòpsjet, stòpseert, stòpsjeert, (Kampen) sajet om kousen te stoppen. Ook: stòpseert (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: stòpsjeert
stopverf, stòkvärve, stòpvärve, stopverf
stopverf, stòpvärve, zie stòkvärve
storen, steuren, storen
storm, störm, 1. storm; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: overstroming
stormlamp, störmlampe, stormlamp. Ook: störmlanteern
stormlantaarn, störmlanteern, zie störmlampe
storten, stötten, storten
stoten, stoten, stöt, steut, steuten, estoten (Kampen) / esteuten , stoten
stotteren, stötteren, stòtteren, (Kampen) stotteren
stoven, stoven, werkwoord, stoven
straal, straole, straal
straaljager, straoljager, (Kampereiland, Kamperveen) straaljager
straalpijp, straolpiepe, (Kampen) mondstuk van een brandweerspuit
straat, straote, straat
straatjongen, straotjonge, straatjongen
straatmadelief, straotmadelievien, (Kampen) 1. hoertje; 2. meisje dat vaak op straat zwerft
straatslijper, straotslieper, (Kampen) kind dat altijd op straat z’n vertier zoekt
strabant, strabant, brutaal
strabant, strebant, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) brutaal
straf, straffe, straf
strafbank, strafbanke, strafbank
straffen, straffen, werkwoord, straffen
strak, stragge, strak. Die boord zit mien stragge
strakjes, sträkkies, 1. zo pas; 2. strakjes
straks, sträks, straks. Ook: tammee / tammee
stram, stram, stram
stramp, strampe, (Kampereiland, Kamperveen) 1. afgebroken rak; 2. verlengstuk van een trektouw
straten, straoten, bestraten
stratenmaker, straotemaker, stratenmaker
streek, streek, streek
streek, strik, (Kampereiland, Kamperveen) strekel
streep, streep, streep
strekken, strekken, strekken, uitrekken
stremmen, stremmen, stremmen
stremsel, stremsel, stremsel
streng, strenge, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kamperveen) streng
streng, strink, (Kampereiland, Kamperveen) streng, touw aan het halster
strengbes, strengebeze, stringebeze, aalbes. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: stringebeze
striem, strieme, striem
strijd, stried, 1. strijd; 2. woordentwist
strijden, strieden, strieën, strîên, (Kampen) strijden. Ook: strieën (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: strîên
strijdgierig, striedgierig, (Gunninks woordenlijst van 1908) twistziek
strijkband, striekebaand, (Kampereiland, Kamperveen) band om het haar wanneer daarop de muts van de klederdracht werd gedragen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: strieklint (niet Kampen)
strijkbeugel, striekbeugel, (Kampen) schep voor vis
strijkbout, striekbòlte, strijkbout
strijken, strieken, strek, streek, streken, estreken, strijken. Striek em maar ies over de kinne ‘paai hem maar eens’
strijklint, strieklint, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie striekebaand
strijkplank, striekplanke, striekplaanke, (Kampen) strijkplank. Ook: striekplaanke (Kampereiland, Kamperveen)
strijkzijde, striekzied, in: op striekzied lègen (op striekzied liggen (Kampereiland, Kamperveen)) ‘uitgeput zijn’. Ook: op strikzied lègen (Kampen)
strik, strikke, 1. stropdas; 2. strik
strips, striepse, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) slaag
stro, stro, stro. Stro op de balken ebben (Kamperveen) ‘de oogst binnen hebben’
stroef, stroef, stroef
stromen, stromen, stromen
strompelen, strompelen, strompelen
stront, stront, 1. (plat) stront. Kiek, ströntien zeg ook wat ‘kijk, spuit elf geeft ook modder’; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: ruzie
strontding, strontdink, 1. voorwerp van generlei waarde; 2. minachtende aanduiding van een klein meisje
stronterig, stronterig, nietig
strontje, struntien, strontje (infectie aan het oog)
strontjong, strontjonk, zie strontjonge
strontjongen, strontjonge, strontjonk, vervelende jongen
strontpol, strontpòlle, pol gras op de plaats waar mest van een koe is gevallen
strooidag, streuidag, laatste dag van de zesdeklassers (nu groep 8 van de basisschool), waarop getracteerd wordt
strooien, streuien, strooien
strooigoed, streuigoed, strooigoed
strooisel, streuisel, strooisel
strook, strook, strook
stroom, stroom, stroom
stroop, stroop, stroop
stroopje, streupien, soort snoepgoed, waarschijnlijk een steek (van stroop)
strooplikker, strooplikker, vleier
strootje, streugien, in: streugien trekken ‘strootje trekken’
strop, stròppe, strop van een touw
stropdas, stròpdasse, stropdas
stropen, streupen, strippen: een tabaksblad ontdoen van de stengel (nerf)
stropen, streupen, 1. stropen; 2. strippen van tabak
stroper, streuperd, streuper, (Kampen) stroper. Ook: streuper (Kampereiland, Kamperveen)
strot, stròtte, strot
strottenhoofd, stròtteneufd, strottenhoofd
struik, struke, struik
struikelen, strukelen, (Gunninks woordenlijst van 1908) struikelen
stuiken, stoeken, 1. stuiken; 2. soort knikkerspel
stuip, stoepe, stupe, stuip
stuit, stuit, stuit. Gunninks woordenlijst van 1908: Op stuit of: Gunninks woordenlijst van 1908: op stuit en slag ‘plotseling’
stuit, stute, stuitbeen. Ook: stätbuttien
stuiten, stuiten, stuiten
stuiter, stuiter, grote knikker
stuiven, stôêven, stöf, steuf, steuven, esteuven, stuiven
stuiver, stôêverd, (Kampereiland, Kamperveen) regenbui die in de verte hevig lijkt, maar waaruit meestal niet veel water valt
stuiverig, stôêverig, stuiverig
stuk, stuk, stuk. Gunninks woordenlijst van 1908: Een stuk òf wat ‘enkele’, Gunninks woordenlijst van 1908: een stuk ene ‘bijna’, Gunninks woordenlijst van 1908: een stukkien ‘elk muziekstuk behalve een psalm’
stumper, stumperd, stumper
stuntelen, stunderen, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) tobben
sturen, sturen, werkwoord, sturen
stut, stutte, (Gunninks woordenlijst van 1908) stut
stutbalk, stutbalke, stutbalk
stutijzer, stutîêzer, stutijzer
stutten, stutten, werkwoord, stutten
stuur, stuur, stuur
stuurs, stoers, stuurs
stuw, stouwe, stuw
stuwen, stouwen, opstapelen
stuwen, stouwen, stuwen
subiet, sebiet, subiet
suf, suf, suf
sufferd, sufferd, sufferd
suiker, suker, suiker
suikerbiet, sukerbiete, suikerbiet
suikerding, sukerdinggien, sukerdeenggien, sukerdink, (Kampen) stukje suikergoed. Ook: sukerdeenggien (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: sukerdink
suikersinterklaas, sukersundeklaos, 1. sinterklaasgebak; 2. houterig persoon
suikerwortel, sukerwöttel, suikerwortel
suizen, zôêzen, suizen
sukade, sekade, sukade
sukadelap, sekadeläppien, sukadelapje
sukkel, sukkel, sukkel
sukkelen, sukkelen, sukkelen, ziekelijk zijn
sukkelig, sukkelig, sukkelend
sul, sul, sul
taai, taai, (Gunninks woordenlijst van 1908) sinterklaaskoek
taai, taoi, taai. Zo taoi as een leren lappe
taainagel, taoinagel, dwangnagel
taainat, taoinat, (Kampereiland, Kamperveen) taai vocht dat de koe vóór het eerste kalf in de uier heeft
taal, taal, taal
taan, taan, taan
taart, taarte, taart
tabak, tebak, tabak
tabaksnat, tebaksnat, zie tebaksspi’je
tabakspijp, tebakspiepe, tabakspijp
tabaksspij, tebaksspi’je, (Kampen) fluim van een tabakskauwer. Ook: tebaksnat (Kampereiland, Kamperveen)
tachtig, tachentig, tachtig
tafel, taofel, tafel
tafeltod, taofeltòdde, (Kamperveen) vaatdoek
tafereel, tafreel, tafereel
tak, takke, tak
takkenbos, takkebos, takkenbos
taks, takse, taak
taks, takse, hond
taks, takse, iemand met kromme benen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: taksepoot
taks, takse, portie, toekomend deel (Kampen)
takspoot, taksepoot, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie takse (2.)
tal, tal, (Gunninks woordenlijst van 1908) aantal
talhout, talòlt, geschild stuk eikenhout van ± 20-30 cm
talmen, talmen, talmen
tam, tam, tam
tamelijk, tamelijk, tamelijk
tamper, tamper, zurig
tand, tand, taand, tannen, tanen, täntien, tand. De tannen op ’t bössien ebben ‘koortsig, snotterig, hangerig zijn van een kind omdat het tanden krijgt’. Ook: taand (Kampereiland, Kamperveen) (verkleinwoord täntien, meervoud tanen)
tandtergerij, tanentärgeri’je, (Gunninks woordenlijst van 1908) tandentergerij, het opwekken van een verlangen zonder dat er bevrediging volgt
tandvlees, tandvleis, taandvleis, (Kampen) tandvlees. Ook: taandvleis (Kampereiland, Kamperveen)
tanen, tanen, tanen
tang, tange, tang. Et is een òlde tange (gezegd van iemand die niet vriendelijk is)
tap, tappe, (Gunninks woordenlijst van 1908) ijskegel
tapijt, tepiet, (Gunninks woordenlijst van 1908) tapijt, vloerkleed
tapkamer, tapkämer, (Gunninks woordenlijst van 1908) gelagkamer
tapkast, tapkäste, tapkast
tappen, tappen, werkwoord, tappen
taps, taps, kegelvorming
tarten, tätten, tarten
tarwe, tärve, (Gunninks woordenlijst van 1908) tarwebrood
tarwebrood, tärvenbrood, (Gunninks woordenlijst van 1908) tarwebrood dat men op begrafenissen eet
tarwemeel, tarwemaal, zie weitenmaal
te, te, te
teen, tie, tîêje, tîêjen, tîênen, tiegien, teen (meervoud tîêjen (Kampen) / tîênen (Kampereiland)). De grote tie, de kleine tie ‘de grote teen, de kleine teen’, Ie konnen ’t met de tîêjen wel anvulen ‘je kon het met je klompen wel aanvoelen’. Ook: tîêje (Kamperve
teer, teer, zelfstandig naamwoord, teer
teer, teer, bijvoeglijk naamwoord, teer
teerachtig, teerachtig, (Gunninks woordenlijst van 1908) teringachtig
teerkwast, teerkwaste, teerkwast
teerton, teertònne, teerton
teeuwsigheid, teeuwsigeid, (Kampen, Kamperveen) geeuwhonger
tegelijk, tegelieke, tegelijk. Ook: geliek(e)
tegen, tegen, tegen
tegenfoeteren, tegenfoeteren, zie tegensputteren
tegensputteren, tegensputteren, tegensputteren. Ook: tegenfoeteren
tegenstribbelen, tegenstribbelen, tegenstribbelen
tegenstrijden, tegenstrieden, tegenstrieën, tegenstrîên, (Kampen) tegenstrijden. Ook: tegenstrieën (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: tegenstrîên
tegenwoordig, tegensworig, tegenwoordig, tegenwoordig
teken, teken, teken, sein
tekenen, tekenen, teken, werkwoord, (Kampen) tekenen. Ook: teken (Kampereiland, Kamperveen)
tekst, tekste, tekse, tekst
tel, tel, tel. Gunninks woordenlijst van 1908: Niks in tel wezen ‘weinig geacht worden’
telder, telder, 1. maat van aardewerk met twee oren. Zie ook: bòttertelder (Kamperveen); 2. Gunninks woordenlijst van 1908: tafelbord
teleurstellen, teleurstellen, teleurstellen
teleurstelling, teleurstellige, teleurstelling
tellen, tellen, tellen. Ie tellen ook mooi ene ‘jij komt ook al aardig op leeftijd’
temen, temen, zeurderig praten
temet, tammee, tammee, temee, dadelijk, straks. Ook: sträks
temmen, temmen, temmen
tempel, tempel, tempel
tent, tente, tent
tentwagen, tentwagen, (Kampereiland, Kamperveen) luxe boerenwagen met een houten kap, bedoeld voor personenvervoer
tepel, tepel, tepel
terdege, tedege, terdege
teren, teren, werkwoord, teren
tergen, tärgen, tergen
tering, terige, 1. t.b.c.; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: vertering
termijn, termien, termijn
termijn, tremienen, (Kamperveen) stuipen
terug, terugge, terug
terug, troe, tru, bevel voor het achteruitgaan van een paard
test, teste, 1. test; 2. voorwerp van aardewerk voor de vuurkool in de stoof (Kamperveen); 3. Gunninks woordenlijst van 1908: zie gifte
testament, testement, testament. Iemand op zien testement geven ‘iemand een pak slaag geven’
teugel, teugel, teugel
teuta, teuta, 1. (klein) kind met wijze praat; 2. iemand die veel kletst
teuten, teuten, babbelen, kletsen
tevreden, tevreden, tevreen, (Kampen) tevreden. Ook: tevreen (Kampereiland, Kamperveen)
teweegbrengen, tewegebrengen, teweegbrengen
thee, thee, thee
tichel, tichel, tichel
tichelwerk, tichelwärk, tegelbakkerij of steenbakkerij
tiembult, teembult, (Kampereiland, Kamperveen) hooiopper, met een teemplaanke bijeengebracht. Ook: teemöpper (Kampereiland, Kamperveen)
tiemen, temen, hooi op hopen slepen met behulp van een paard en een teemplaanke (Kampereiland, Kamperveen)
tiemopper, teemöpper, zie teembult
tiemplank, teemplaanke, (Kampereiland, Kamperveen) plank waarop bij het temen hooi wordt geschoven
tien, tiene, tien
tierelantijn, tierlantijntien, (Gunninks woordenlijst van 1908) tierelantijntje
tieren, tieren, 1. tieren (tekeer gaan); 2. lawaai maken; 3. groeien
tiet, titte, 1. borst; 2. tepel. ’t Is een lekkere titte ‘ze is een haaibaai’
tij, ti’j, tij
tijd, tied, tijd. De tied zal ’t leren, zeg Tjemmes (Tjemmes had vroeger een meubelfabriek in Kampen die hij het opschrift had gegeven: “De tijd zal het leren”), Kump die tied kump die plaoge ‘dan zien we wel weer’
tijdig, tiedig, tijdig
tijding, tiedige, tiejige, (Kampen, Kampereiland) tijding. Ook: tiejige (Kamperveen)
tijger, tijger, tijger
tijk, tiek, tijk
tikken, tikken, werkwoord, tikken
tilbury, tilberie, tilbrie, tillebrie, (Kampen) tilbury (soort rijtuig). Ook: tilbrie (Kampereiland), tillebrie (Kamperveen)
timmeren, timmeren, timmeren
timmerman, timmerman, timmerman
timp, tumpe, uiterste punt
tin, tin, tin
tinnen, tinnen, bijvoeglijk naamwoord, tinnen
tip, tippe, tip
tjalk, tjalk, tjalk
tobbe, tobbe, tobbe
tobben, tòbben, tobben
toch, tòch, toch
tocht, tòcht, tocht
tochtgat, tòchgat, tochtgat
tochtsloot, tòchsloot, tochtsloot, treksloot (hoofdwaterleiding in het slotenstelsel)
tod, tòdde, vod, poetslap
todden, tòdden, slepen, verslepen
toe, toe, dicht
toe voortaan, toevedan, (Kampereiland, Kamperveen) langzamerhand
toebrengen, toebrengen, (Gunninks woordenlijst van 1908) op iemands gezondheid klinken
toedeur, toedeure, dichte deur. Veur een toedeure komen ‘voor een gesloten deur komen’
toef, toefte, toef, 1. kuif (o.a. van een vogel); 2. haarwrong. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: toef
toeke, toeke, (Kamperveen) teef
toekomst, toekomst, toekomst
toen, toen, toe, toen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: toe
toer, toer, moeilijke klus
toer, toertien, (Gunninks woordenlijst van 1908) pruik
toeslaan, toeslaon, toeslaan
toestand, toestand, toestand
toestel, toestel, toestel
toestellen, toestellen, (Gunninks woordenlijst van 1908) inkopen doen, vooral bij een huwelijk
toetasten, toetasten, beginnen met eten. Now jonges, tast toe!
toeten, toeten, toeten
toetmem, één-toet-mem, geheel hetzelfde
toeval, toeval, 1. toeval; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: meevaller
toevallig, toevallig, toevallig
toevlucht, toevlucht, toevlucht
toezebol, toestebòlte, toesebòlte, bloemstengel van een lisdodde
toezelen, toeselen, duikelen
tokken, toeksen, zie foksen
tol, tòl, tol (geld dat men moet betalen om ergens langs of heen te mogen)
tol, tòlle, tol (speelgoed)
tolbaas, tòlbaos, (Gunninks woordenlijst van 1908) tolbaas
tolgeld, tòlgeld, (Gunninks woordenlijst van 1908) tolgeld
tolhek, tòl-ekke, tolhek
tolk, tòlk, tolk
tomig, teumig, (Kamperveen) niets presterend
ton, tònne, ton
tondelpot, tontelpòt, (Gunninks woordenlijst van 1908) tondeldoos
tonen, teunen, 1. tonen; 2. babbelen
tong, tonge, tong. Zien tonge is ook niet van skaopeleer ‘hij weet ook wel wat lekker is’, IJ löt zich de tonge niet skrapen ‘hij weet wat zwijgen is’, Ie zollen de tonge der bi’j inslikken ‘het is heel erg lekker’
tongblaar, tongeblöre, tongeblaore, (Kampen) 1. tongblaar; 2. mond- en klauwzeer. Ook: tongeblaore (Kampereiland, Kamperveen)
tonniken, tònniken, punniken
tont, tonte, 1. smerige lap. Wat een tonte van een zaddoek eb ie döör ‘wat een smerige zakdoek heb je daar’; 2. onzindelijke vrouw
toom, toom, 1. toom; 2. broedsel; 3. nageboorte van een varken (Kampereiland, Kamperveen)
toonbank, teunebanke, toonbank
top, tòp, top. Ze eten (of: vreten) de töppies van de gärven ‘ze eten alleen wat ze graag lusten, ze pikken het beste in’
tor, törre, tòrre, tor. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: tòrre
toren, toren, toren
tornen, tönnen, tornen
tortelduif, tötteldôêve, tòtteldôêve, tortelduif. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: tòtteldôêve
tot, tut, tot
totebel, teutebelle, 1. vrouw die graag en veel babbelt; 2. visnet (Kampen)
touter, talter, (Kampereiland, Kamperveen) schommel
touteren, talteren, (Kampereiland, Kamperveen) schommelen
touw, touw, touw
touws, touws, (Kampereiland, Kamperveen) gedresseerd. Gunninks woordenlijst van 1908: Touws mäken ‘dresseren van paarden’
tovenaar, teuvenaar, tovenaar
toverbal, teuverballe, toverbal (snoepgoed)
toveren, teuveren, toveren
toverheks, teuverekse, zie teuverkolle
toverkol, teuverkolle, toverheks. Ook: teuverekse
toverlantaarn, teuverlanteern, toverlantaarn (diascoop)
traag, traog, traag. Zo traog as een draodnägel
traan, traon, traan (= levertraan)
traan, traone, traan van een oog
traanbuis, traonbuize, traanbuis
traantje, trööntien, (Kampen) borreltje
trachten, trachten, trachten
traktaat, traktätien, (Gunninks woordenlijst van 1908) traktaatje
traktatie, traktaosie, traktatie
traktement, traktement, (Gunninks woordenlijst van 1908) traktement
trakteren, trakteren, trakteren
tralie, tralie, tralie
trampen, trampen, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie trappen
trampvoeten, trampvôêten, (Gunninks woordenlijst van 1908) trappelen van kwaadheid of pijn
tranen, traonen, werkwoord, tranen
trap, trap, schop
trap, trappe, trap (klimtoestel)
trappen, trappen, trampen, werkwoord, trappen, schoppen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: trampen
trapperen, trapperen, betrappen
trechter, trächter, (Kampereiland, Kamperveen) trechter
trede, tree, treen (Kampen), trees (Kampereiland, Kamperveen), treegien, tree
treffen, treffen, treft, tröf, tröffen, etröffen, treffen
trein, trein, trein
treiter, treiter, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie treiterkòp
treiteren, treiteren, treiteren
treiterkop, treiterkòp, treiteraar. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: treiter
trek, trek, trek
trekhond, trekond, trekhond
trekken, trekken, trekken
trekpleister, trekpleister, trekpleister
trekpot, trekpòt, trekpot
trekschuit, trekskute, trekschuit
trekzaag, trekzage, trekzaag
trekzalf, trekzalve, trekzalf
trekzand, trekzand, trekzaand, (Kampen) 1. drijfzand; 2. gebaggerd zand. Ook: trekzaand (Kampereiland, Kamperveen)
treuren, treuren, treuren
treurwilg, treurwilge, treurwilg
trijp, triep, trijp, fluweelachtig weefsel
trillen, trillen, trillen
tripklomp, tripklompe, klomp met korte roef
troebel, troebel, troebel
troep, troep, 1. troep; 2. wanordelijke boel
troet, troet, meelkost, meelbal (vgl. de Duitse knudel)
troffel, troffel, troefel, troffel
trog, tròg, trog
trom, tromme, 1. trom; 2. trommel
trommelvlies, trommelvlies, trommelvlies
troost, treust, (Gunninks woordenlijst van 1908) troost
trooster, treuster, (Gunninks woordenlijst van 1908) trooster
tros, tròsse, tros
trots, tròts, trots
trouw, trouw, trouw
trouwen, trouwen, trouwen
trui, trui, trui
tucht, tucht, tucht
tuig, tuug, tûûg, (Kampen) tuig. Ook: tûûg (Kampereiland, Kamperveen)
tuigen, tûgen, (Gunninks woordenlijst van 1908) over zich verkrijgen
tuilmuts, tuulmusse, soort neepjesmuts
tuimelen, toemelen, tuimelen
tuin, tuun, 1. betuining, omheining; 2. gevlochten takken
tuinen, tunen, tuun maken
tuinhamer, tuunamer, grote houten hamer
tuinkamer, tuunkämer, (Gunninks woordenlijst van 1908) tuinkamer
tuit, tute, tuit
tuiten, toeten, tuiten
tuiterig, tuiterig, (Gunninks woordenlijst van 1908) topzwaar
tuk, tukke, speen. Die is nog niet van de tukke òf ‘die zuigt nog op een speen’
tukdoekje, tukkedukien, (Kampereiland) tukdoekje van een klein kind
tukje, tukkien, middagdutje
tukken, tukken, 1. tukken, een dutje doen; 2. duimzuigen; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: treuzelen
tuksen, tuksen, met beide benen tegelijk naar voren springen
tule, tule, tule
tulen, tulen, (Gunninks woordenlijst van 1908) van tule. Gunninks woordenlijst van 1908: Tulen musse ‘muts van tule’
tullen, tullen, veel drinken
turf, törf, turf
turfhok, törfòk, turfhok
turfmand, törfmande, törfmaande, (Kampen) turfmand. Ook: törfmaande (Kampereiland, Kamperveen)
turfschip, törfskip, turfschip
turfschipper, törfskipper, turfschipper
Turk, törken, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. Turken; 2. soort aardappelen
turven, törven, werkwoord, turven
tussen, tussen, tussen
tussenbeide, tussenbeiden, tussenbeien, (Kampen, Kamperveen) tussenbeide. Ook: tussenbeien (Kampereiland)
tussendoortje, tussendeurtien, hapje voor tussendoor
tussendsoort, tussensoort, soort tussen groot en klein
tutering, tuterink, (Kamperveen) tureluur
tuut, tûte, (Gunninks woordenlijst van 1908) (Kamperveen) wieg
twaalf, twaalf, twaalf
twee, tweje, twieje, twee. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: twieje
tweedonker, tweedonker, schemering. Ook: tweeduuster
tweedracht, tweedracht, tweedracht
tweeduister, tweeduuster, zie tweedonker
twijfel, twiefel, twijfel
twijfelaar, twiefelaar, 1. twijfelaar; 2. een koe waarvan men niet weet of zij draagt
twijfelen, twiefelen, twijfelen
twijfelnummer, twiefelnommer, (Gunninks woordenlijst van 1908) twijfelnummer
twijg, twieg, twijg
twijgwaard, twiegweerd, stuk grond beplant met wilgenstruiken
twintig, twintig, twintig
u, oe, persoonlijk voornaamwoord, u, jou
uier, gier, uier van een koe
uil, oele, 1. uil; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: soort nachtvlinder
uilenbal, oeleballe, uilenbal
uit, uut, uit. Uut en an wödt een span (gezegd wanneer een verkering uit en weer aan raakt, waarna uiteindelijk toch een huwelijk volgt)
uitbenen, uutbenen, uitbenen
uitblazen, uutblaozen, uitblazen
uitbroeden, uutbrûûien, uitbroeden
uitcijferen, uutsieferen, 1. berekenen; 2. bezien
uitdagen, uutdagen, uitdagen
uitdoven, uutdoven, doven
uitdragen, uutdragen, uitdragen
uitduiden, uutduden, uutdûûn, uitduiden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: uutdûûn
uitfineren, uutfeneren, uitdenken
uitflappen, uutflappen, uitflappen
uitfloepen, uutfloepen, plotseling uitgaan. Et licht floept uut
uitgaan, uutgaon, 1. uitgaan; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: op visite gaan
uithalen, uut-alen, 1. uithalen; 2. schoonmaken
uithaler, uutaalder, iemand die meer kan dan een ander, uitblinker
uithoren, uut-euren, uithoren
uitkomen, uutkomen, uitkomen
uitkomst, uutkomst, uitkomst
uitleven, uutleven, uitleven
uitlopen, uutlopen, uitlopen
uitloperspak, uutloperspak, (heren)pak, niet het zondagse, maar het pak dat men aantrok wanneer men naar de markt of naar de buren ging
uitlullen, uutlullen, uitkletsen
uitmaken, uutmaken, 1. uitmaken; 2. verbreken van een verkering of verloving
uitpersen, uutpässen, uitpersen
uitpeulen, uutpoelen, behandelen van het dekblad, waarbij met beide handen links en rechts van de nerf het blad tabak langzaam uiteengetrokken wordt totdat het glad is. Dan wordt de nerf eruitgehaald en krijgt men een linker en een rechter helft
uitprakkeseren, uutprakkezeren, bedenken
uitrekenen, uutrekenen, uitrekenen
uitschelden, uutskellen, uitschelden
uitschieten, uutskieten, uutskîêten, (Kampen, Kamperveen) uitschieten. Ook: uutskîêten (Kampereiland)
uitschot, uutskòt, uitschot, rommel
uitschreeuwen, uutskriwwen, uutskreeuwen, uitschreeuwen. Ook: uutskreeuwen (Kampereiland)
uitschuiven, uutskôêven, uitschuiven
uitslag, uutslag, uitslag
uitsliepen, uutsliepen, uitsliepen
uitsluiten, uutsluten, uitsluiten
uitsparen, uutsparen, uutspaoren, (Kampen) uitsparen. Ook: uutspaoren (Kampereiland, Kamperveen)
uitspijen, uutspi’jen, uitspugen
uitsporen, uutspeuren, (Kampereiland, Kamperveen) uitwijken, uit het rijspoor gaan
uitstukken, uutstukken, 1. lappen zetten in een kledingstuk. Ze ef die broek elemaole uutestukt; 2. doen. Wat eb ie in de skure uutestukt?
uitvegen, uutvegen, uitvegen
uitvinden, uutvinnen, uitvinden
uitvlakken, uutvlakken, 1. uitvegen, uitgummen; 2. onderschatten
uitvlucht, uutvlucht, uitvlucht
uitweg, uutweg, uitweg
uitwendig, uutwendig, uitwendig
uitwijken, uutwieken, uitwijken
uitwringen, uutvringen, uitwringen
uitzetijzer, uutzetîêzer, uitzetijzer van bijv. een raam
uitzetten, uutzetten, uitzetten
uitzoeken, uutzuken, uutzûken, (Kampen) uitzoeken. Ook: uutzûken (Kampereiland, Kamperveen)
utregel, utregel, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) toonladder
uur, uur, uur
uw, oe, bezittelijk voornaamwoord, uw, jouw
uwe, oende, oente, bezittelijk voornaamwoord, (zelfst. gebr. bez. vnw.) (de) uwe, (de) jouwe
vaak, väke, vaak
vaal, vaal, vaal
vaalt, vaalt, vaalt
vaars, veerze, 1. vaarskalf; 2. jonge koe na de eerste kalving
vaart, vöört, vaort, (Kampen) vaart. Ook: vaort (Kampereiland, Kamperveen)
vacant, vekaant, (Gunninks woordenlijst van 1908) vacant
vadem, vääm, (Gunninks woordenlijst van 1908) vadem
vader, va, väär, vader. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: väär
vagevuur, vägevuur, (Gunninks woordenlijst van 1908) vagevuur
vak, vak, vak
vakantie, vekaansie, (Gunninks woordenlijst van 1908) vakantie
val, val, val (het vallen)
val, valle, val, strik
val, valle, 1. reep stof; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: kant aan een muts
valhoed, val-oed, (Gunninks woordenlijst van 1908) hoed met slappe rand
valies, velies, valies
valk, valke, valk
vallen, vallen, valen, (Kampen) val, viel, vielen, evallen; völt (Kampere, vallen
vals, vals, vals
valsigheid, valsigeid, valsheid
van, van, voorzetsel, van
van, van, zelfstandig naamwoord, (Gunninks woordenlijst van 1908) familienaam
vandaan, vandaonde, vandaone, vandaan
vandehands, vandans, vanaans, vandehands, aan de rechterzijde lopend (van een paard). Een vandans peerd ‘een ouder paard dat samen met een jonger de koets trekt en rechts voor de koets loopt’. Ook: vanaans (Kamperveen). Zie ook: bi’jdans
vangen, vangen, werkwoord, vangen
vanggat, vang-gat, gat aan de kant van een hooiberg waarin het hooi van de wagen opgestoken wordt en vanwaar men het weer hogerop brengt
vangst, vangst, 1. vangst (het vangen); 2. rem van een molen; 3. vlezig deel tussen de buik en de achterpoten bij een rund
vanlaatst, vanlaast, vanlesten, laatst, pas geleden
vanwege, vanwegens, (Gunninks woordenlijst van 1908) vanwege
varen, varen, werkwoord, varen
varken, värken, varken. Een värken leert nog nao zien dood ‘men is nooit te oud om te leren’
varkenshok, värkensòkke, 1. varkenshok; 2. smeerboel
varkenskot, värkenskòt, 1. soort rooster waarop het varken ligt; 2. varkenskot
vast, vaste, 1. vast (en zeker). Zo vaste as een uus; 2. alvast. Begin maar vaste te lopen
vasten, vasten, werkwoord, vasten
vat, vat, vaten, vatien, (’t-), vat
vat, vät, (Kampereiland, Kamperveen) vat (het vatten), greep
vatenloop, vätenloop, (Gunninks woordenlijst van 1908) rek waarop men vaten zet
vatten, vatten, werkwoord, vatten, begrijpen
vechten, vechten, vechen, vechten. Ook: vechen (Kampereiland, Kamperveen)
vedelen, fiedelen, vioolspelen
vee, vee, vee
veel, veule, veel. Veule laad ie op een boerenwagen (gezegd wanneer iemand ten onrechte beweert dat iets ‘veel’ is)
veels, vuus, veel, in: vuus te veule ‘veel te veel’
veelte, vulte, overvloed. Gunninks woordenlijst van 1908: In de vulte ‘overvloedig’
veen, veen, veen
veendamp, venedamp, (Gunninks woordenlijst van 1908) zie venerook
veenrook, venerook, (Kamperveen) veenrook. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: venedamp
veer, veer, (het) veer
veer, vere, 1. veer van een vogel; 2. drukveer
veerbel, veerbelle, veerbel
veerhuis, veeruus, veerhuis
veerkop, veerköppien, kribbe, strekdam
veerman, veerman, veerman
veertien, veertiene, veertien
veertig, veertig, veertig
veesterig, fiesterig, kouwelijk
vegen, vegen, vegen. Ie kunnen vegen (met de spons van Blaanes) ‘je krijgt niets’ (Blaanes was vroeger een bekend kermisfiguur)
veilen, veilen, veilen
veilig, veilig, veilig
veinzen, veinzen, veinzen
vel, vel, 1. vel, huid. In zien vel as ie niet estreupt is (antwoord op de vraag: waar is hij?), IJ ef een vel as ’n bolle veur de kòp, IJ ef een vel veur ’t eufd ‘hij heeft een bord voor zijn kop’; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: krengerige vrouw.
veld, veld, veld
velen, velen, verdragen
velerlei, veulerlei, veulderlei, velerlei. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: veulderlei
velg, velge, velg
vélocipède, vielesepee, fiets. Ook: farad (Kampereiland, Kamperveen)
venijn, veniend, (Gunninks woordenlijst van 1908) (niet Kampen) vergift, venijn
venijnig, veniendig, (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. zie venienig; 2. vergiftig
venijnig, venienig, veniendig, venijnig. Kiek tòch niet zo venienig ‘kijk toch niet zo venijnig’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: veniendig
venkelwater, venkelwäter, (Gunninks woordenlijst van 1908) venkelwater
venster, vèènster, veinster, venster, veenster, (Kampereiland) 1. venster; 2. zie blinde. Ook: veinster (Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: venster, Gunninks woordenlijst van 1908: veenster (Kamperveen)
vent, vent, vent
ver, värre, vere, ver. Ook: vere (Kampereiland, Kamperveen)
ver, väste, (overtreffende trap van värre), verste. In de väste vätte niet ‘helemaal niet’
veraltereerd, veraldereerd, veraltereerd, verbouwereerd
verankerd, verankerd, voor anker
verarmen, verärmen, 1. verarmen; 2. minder vruchtbaar worden van de grond
verassureren, verassereren, verzekeren
verbannen, verbannen, verbannen
verbasteren, verbasteren, verbasteren
verbazend, verbazend, verbazend
verbeelding, verbelige, verbeelding
verbijsterd, verbiesterd, 1. verbijsterd; 2. in de war
verbijsteren, verbiesteren, (Gunninks woordenlijst van 1908) in de war raken
verbleken, verblikken, verbleken
verbouwereerd, verbouwereerd, verbouwereerd
verbranden, verbrannen, verbranen, (Kampen) verbranden. Ook: verbranen (Kampereiland, Kamperveen)
verdedigen, verdedigen, verdedigen
verdekseld, verdekseld, deksels (uitroep)
verdestrueren, vertesteweren, zie verrinneweren
verdienen, verdienen, verdienen
verdietsen, verduutsen, (Gunninks woordenlijst van 1908) aan het verstand brengen
verdikkeme, verdikkemien, bastaardvloek
verdoen, verdoen, 1. verkwisten; 2. zich om het leven brengen
verdoezelen, verdôêzelen, verdonkeremanen
verdommelen, verdummelen, (Kampereiland, Kamperveen) 1. zoek maken; 2. laten slingeren
verdommen, verdommen, verdommen
verdraaid, verdreid, 1. verdraaid; 2. bastaardvloek
verdraaien, verdreien, 1. verdraaien; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: niet willen doen
verdragen, verdragen, verdragen. Verdraag menare zo min mooglijk (werd gezegd als kinderen ruzie maakten bij het spelen)
verdriet, verdriet, 1. verdriet; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: lastig
verdrietig, verdrietig, 1. verdrietig; 2. lastig (van kinderen)
verdrogen, verdreugen, verdrogen
verduld, verduld, verdulle, verdullemien, bastaardvloek. Verduld en gien einde! ‘potverdorie!’
verduren, verduren, verduren
verdwijnen, verdwienen, verdwîênen, (Kampen) verdwijnen. Ook: verdwîênen (Kampereiland, Kamperveen)
vereniging, verenige, verîênige, vereniging. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: verîênige
verf, värve, verf
verfborstel, värfbössel, zie värfkwäste
verfbus, värfbusse, verfbus
verfdoos, värfdeuze, verfdoos
verfkwast, värfkwäste, (Kampen) verfkwast. Ook: värfbössel (Kampereiland, Kamperveen)
verflaag, värflaoge, verflaag
verflucht, värflucht, verflucht
verfmakerij, värfmakeri’je, verfmakerij: afdeling waar de grondstoffen werden gemalen tot de gewenste kleurmelanges
vergaan, vergaon, vergaan
vergadering, vergarige, vergadering
vergangen, vergangen, voorbij
vergeefs, vergeefs, vergees, vergeefs. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: vergees
vergen, värgen, vergen
vergeten, vergeten, verget, vergat, vergaten, vergeten, vergeten
vergif, vergif, vergif
verguppen, verguppen, 1. dood laten gaan; 2. vernielen; 3. bederven. Dat eui is mien vergupt ‘het is mij overkomen dat dat hooi is bedorven; ik heb dat hooi laten bederven’; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: zoek raken
verhaal, veraal, verhaal
verhapstukken, verapstukken, doen, in orde maken. Ik eb vandage nog eel wat te verapstukken
verharen, verören, veraoren, (Kampen) verharen. Ook: veraoren (Kampereiland, Kamperveen)
verhemelte, vremelte, gehemelte. Ook: gemelte, gagel (dit laatste met name in Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: gaogel
verheugen, vereugen, verheugen, verblijden
verhitst, veretst, door te grote warmte ziek geworden
verhogen, vereugen, verhogen
verhoren, vereuren, verhoren
verhuizen, verûzen, verhuizen. Verûzen kost beddestro ‘verhuizen is duur’
verkampen, verkampen, zie verslaon
verkeerd, verkeerd, 1. verkeerd; 2. boos. IJ ef de kòp glad verkeerd ‘hij is erg boos’
verkering, verkerige, verkering
verklaren, verklören, verklaoren, (Kampen) verklaren. Ook: verklaoren (Kampereiland, Kamperveen)
verklaring, verklöring, verklörige, verklaorige, (Kampen) verklaring. Ook: verklörige (Kampen), verklaorige (Kampereiland, Kamperveen)
verkleineren</