elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer

aalt, aalte, aale, vrouwelijk, De pis van ’t vee [zie pag. 28 D.i. pag. 28 van handschrift = hier blz. 25.] Het eerste woord gebruikt men te Deventer, het andere in Twente. Zij betekenen wel de pis van ’t vee, dog niet zoo als die is wanneer ze gepist wordt, maar nadat ze enigen tijd in den stal gestaan heeft en met den drek der beesten vermengd is. Men schijnt oudtijds ook aalen gebruikt te hebben voor pissen; men zegt nog: de koe is aan ’t bloedaalen of bloed-aalen, zij bloedaalt, heeft gebloedaald (vergelijk zegepraalde, gezegepraald) om te kennen te geven dat ze bloed pist of mierig is, zie pag. 18 D.i. pag. 18 van het handschrift = hier blz. 16.
akkermaalshout, akkermaals hout, Eiken hakhout. Waarschijnlijk voert het dezen naam omdat het doorgaans rondsom de bouwkampen gepoot wordt, wanneer men het een akkermaals hegge noemt. Een akkermaals bosch is een stuk land, welk ’er geheel mede beslagen is. [Men zegt ook akkerhout en akkermaal, voor akkermaalshout.]
alruin, aalruune, Welke de gedaante zij van dit, nergens dan in de hersens van het godloze bijgeloof bestaande schepsel heb ik nooit gehoord, zijne geboorte wordt dus beschreven: Als een misdadiger gehangen, zijne blaas geborsten, zijn water op de aarde gelopen en in den grond getrokken is, laat men eenen hond onder de galg krabben. Die doet dat met een sterk gehuil (zo men dat hoort moet men aanstonds sterven) en daar komt een zeker schepsel voor den dag, dat kleedt men en bewaart het in zijn huis. Van die aalruune kan men telkens zooveel geld krijgen als men hebben wil. Daarom zegt men van iemand welke veel geld wint zonder dat anderen weten waarmede hij dat wint: hij heeft ene aalruune in huis. De oorsprong van dezen naam is mij onbekend. Mogelik komt hij van aale (pisse) en van runnen (loopen, lekken, stollen), want dat schepsel wordt, gelijk men beuzelt, uit uitgelekte en gestolde pis geboren. Mogelik geeft men het de gedaante van eenen ruin, welke uit aale voortgekomen is; run-stafas waren bij de A.S. tover-tekenen, run-craeftige man: tovenaars; voor vele ewen noemde men tooveressen in ’t Latijn van dien tijd alirumnas. Filcmer reperit ibi quasdam magas, quas Alirumnas dicunt, c. Martene Vet. Scr. et Mon. Tom. IV p. 916 B.
arend, arend, Het mannetje van de duiven.
arks, arkzel papier, Vel papier.
armenjager, armen-jager, In deze Provincie en ook op de Veluwe, noemen de boeren dus den Ambtsdienaar of den dievenleider van ’t Ambt. Op de bedelaars te passchen is ook zijn voornaamste bedrijf. [Op zommige plaatsen zijn eenigste.]
baai, bloemen van baai, Flores Verbasci. Bloemen van Wollekruid, van Toortskruid.
baar, barve, Zegt men te Zwolle voor een baar, feretrum; evenwel meent men er nooit een doodbaar mede.
balg, balg, Volg lijf of buik, vooral aan een dier, bij de boeren in gebruik. Van hier:
balgpad, balg-padde, Buikpijn van een paard.
balie, balie, Dit woord wordt niet gebruikt voor alle soort van kuipen, maar bijzonder van die grote vaten waar in men gewoon is het linnen te wassen; men zegt een wasch-balie. Maar voor het kleinder soort van vaatwerk of dat van naauwer omtrek, welke men tot wijn, bier of ander vocht gebruikt of waar in men vlees, boter, groentens voor de winter etc. inlegt, neemt men nooit het woord balie maar vat of kuip.
baliemand, balie-mande, Een Zwolsch woord, waar men een vierkante mand mede meent, welke gebruikt word om linnen in te leggen.
balsturig, balstuurig, baloorig, Van een kind, paard enz. welke kwalijk te bestieren zijn. Kiliaan heeft het laatste, maar in eenen andere zin.
bandel, bandel, Hoepel. Vergelijk Kiliaan op bandelen, welk woord wij egter in den zin dien hij opgeeft niet gebruiken. Bandelen is hier het met hoepels spelen der kinderen.
bats, basse, De dije. Vergelijk Kiliaan op base.
bededienst, bede dienst, Men zegt ook bee.
beer, beer, Mannetje van ’t verken. Zie Kiliaan.
begaving, begaavinge, begavinge, Een toeval van flaaute, zwijm of stuiptrekking. Men zegt: hij had of kreeg een begaavinge op ’t lijf. Een paroxismus van de vallende ziekte zou men eene begaavinge noemen. [Begavinge is geen gemeene flaawte maar vallende ziekte; ik meen ergens gelezen te hebben: met pest begaafd. Kiliaan heeft gaeve Gods: pestis etc.; zie Huydecoper Mel. St. I pag. 350.] Dit woord wordt in den omtrek van Zwolle, Campen en het verdere noorder gedeelte van Overijssel zeldzaam gebezigd, doch wanneer het gebruikt wordt, meene ik dat er een veel sterker toeval dan flaauwte of zelfs vallende ziekte door verstaan wordt en heel bepaaldelijk een aanval van beroerte.
begorstelen, begorsselen, Wanneer het water begind te bevriezen en als met een dun zeer buigzaam vlies overdekt wordt, zegt men dat het begint te begorsselen.
behoed, behot, behodt, bijwoord, Geheim, bedekt. Spreekwijs: hij is zeer behot met zijn zaaken. Ik denk dat het een verbastering is van behoed, behoedzaam.
bengel, bongel, bungel, Is een langwerpig stuk hout, het welk men een hond aan den hals bindt om hem het sterk lopen te beletten; het geen men noemt: een hond bongelen of bungelen. Bij het Overijsselsch jacht-reglement worden de ingezetenen ten platten lande gelast om geduurende den besloten jachttijd hunne honden te bongelen. Kiliaan heeft benghel, fustis, stypes etc.
bengelen, bengelen, Mij onbekend, en alhier ook niet in gebruik.
benk, benk, Ik kan althans niet anders lezen; het schrift is echter zo onduidelijk dat er heel wel iets anders bedoeld kan zijn. Mij onbekend, en alhier ook niet in gebruik.
benter, bentert, Mij onbekend, en alhier ook niet in gebruik.
benzen, benzen, Zie dremmen.
besmullen, besmullen, Ook wel bij verkorting smullen, bemorssen.
beteuteren, betoteren, beteuteren, Stelt Ten Kate 1. D. bl. 279 onder de verouwderde woorden. In passive zeggen wij nog dagelijks hij was zeer beteuterd. [In Tw. zegt men ook betutteld, bedonderd; iemand beteutelen is hem in ’t net krijgen.]
betuin, beteun, Schaars.
beusen, beusen, Ik kan althans niet anders lezen; het schrift is echter zo onduidelijk dat er heel wel iets anders bedoeld kan zijn. Mij onbekend, en alhier ook niet in gebruik.
bier, bier, Boeren spreekwijs: een bier geven, dat is een gezelschap van boeren op bier onthalen.
biezen, bissen, Het woord wordt in de opgegeven betekenis gebruikt, dan ik twijfele of het aangehaalde Spreekwoord wel hier van ontleend zij: men zegt toch: als de eene koe pist, beurt de andere de staart op. En dat dit dikwils plaats hebbe, voornamelijk wanneer de koeijen op stal zijn leert de ervarenheid.
biezen, biszen, De actie der runderen met een opgekromden staart door de weide huppelende. Van hier het spreekwoord als de eene koe bist beurt de andere de staart op om de navolging van eens anders doen uit te drukken. – Biszen wordt ook gebruikt van iemand, die gestadig heen en weder loopt en de vertooning van groote drokte maakt. In ’t steedje Ommen wordt een jaarmarkt gehouden, waar een groote toevloed is, doch waar de koophandel binnen weinig uuren verrigt is. Deze heet de Ommer bissinge, ongetwijffeld wegens de groote drokte en beweging.
bijslag, bijslag, Men zegt ook halfslag.
bissinge, bissingen, bisse, Ik weet niet, of men uit het enkel geval, dat de jaarmarkt te Ommen De Bizzinge of gemeenlijk de bisse genaamd wordt, zoude mogen besluiten dat bizzinge in Overijssel jaarmarkt betekene en van een algemeen gebruik zij.
blakerig, bleukerig, bijvoeglijk naamwoord, Spijs, die naar den rook smaakt, smaakt bleukerig; blaeken, flammare, bij ons bleuken.
blekken, bleekes, Mazelen. Men geve hier aan ee den klank der Grieksche êta. Men spreekt hier even eens uit bleekes, d.i. blaadjes, folia. [In Twente zijn blekken: mazelen, blēkken is baffen, blaffen; blaekes voor blaedekes: kleine bladen, exigua folia. In Twente verkort men de lange klinkers en verdubbelt den medeklinker; te Deventer verandert men ee in ae en oo in āā: kooken, Twente kokken, Dev. kāāken.]
blij, blij, Iemand blij hebben zegt men kortswijlende voor iemand lief hebben.
bloedschrijver, bloedschrijver, Auditeur Militair.
bluisterig, bluisterig weder, Onstuimig weder. Kiliaan heeft bluisteren, maar in een andere beteekenis. – To bluster, Eng.
boerenkool, boeren-kool, mannelijk, Bruine kool. In Holland eet men dezen kost onder den naam van spruitjes. [Deze zijn de uitspruitsels van kool of boerenkool; in Twente heeft men behalve dezen: buis-kool; savoojkool; roode kool; bremer-kool of wurtsing; knol-kool of Arabische kool; bloem-kool; zomer-kool, een olyzaad.]
bofferd, poffert, mannelijk, Een Poffert is een gebak, een gerezen koek in een taartpan of ten minsten een daar naar gelijkend keukengereedschap gebakken. De naamsoorsprong wijst zich van zelfs aan wanneer men Kiliaan [panne-koeken zijn zonder gest, gerezen pannekoeken met gest dog weinig gerezen, pofferts laat men eerst zoo veel ze willen rijzen eer ze in een pan gedaan worden; men bakt ze alle in dezelfde pan; eenen krentenpoffert, daar corenten in zijn] op pof inziet. Kiliaans poffen zijn te Deventer nog zeer bekend. Het is zeer fijn weiten brood.
boks, bokze, bokzen, Broèk. Ook bij Kiliaan.
bolkhouwer, bolkhouwer, Wordt te Deventer nog de man genaamd, die gesteld is om de kabbeljauw te snijden. Doch bolk voor den visch zelven is niet meer in gebruik.
bom, bonge, Trommel, ook wel blik geheten. Bij Kiliaan vind ik bonghe, tympanium; doch wij gebruijken het voor het huijsraad, en geenszins voor het muziek-instrument. Nog geeft men hier de naam van bonge aan een zeker vischnet op hoepels gespannen en met een naauwe opening voorzien, waar door de visch wel in maar niet uit kan komen. Ik meen dat men het in Holland een fuik noemt.
bot, bot, Been (os), plur. botten. Wij gebruiken been niet dan voor crus. Kiliaan heeft ook bot (os). [Bot-bijle, daar men botten mede hakt, ook van iemand die veel werk doet; zich afbottelen, afarbeiden.]
bouwen, bouwen, Het land ploegen. Dit woord wordt in dien zin meest in Overijssel gebruikt.
bouwmeestertje, bouwmeisterken, Volgens de uitspraak, of bouwmeestertje: wipstaartje, motacilla. In Friesland zegt men bouwmantje.
braam, brummels, Braambeziën. Brummelbosch, braambosch. [In Twente is braam een gewas ’t welk peultjes en daarin kleine boontjes draagt, genista; brummel-doornen, brummel-bosschen dragen brummel-baezen; een brummelbosch duidt ook iets aan dat zeer verward is, bij voorb. als twee kooplieden over en weer rekeningen hebben daar niet wel uittekomen is.]
bramen, bramen, Genista. Bremkappers.
braspenning, braspenning, Waar over Kiliaan kan nagezien worden, gebruikt men hier zeer gemeenzaam voor 10 duiten.
brink, brink, De groote Marktplaats te Deventer noemt men den Brink. Digt bij de boerenhuizen hieromstreeks ligt dikwijls een klein stukje groengrond zonder afgraving of omheining en dat draagt dan ook den naam van brink.
brugge, brugge, Voor boterham, zo als Kiliaan ’t ook heeft, wordt onder ’t gemeen veel onder de boeren hieromstreeks altoos gebruikt.
bruine-berend, bruinen-beerend, bruine-berend, [Broenen-Berend], Mentha aquatica. Watermunte. Waterkruizemunt.
buikziek, buikziek, [boekziek], Beurzig; van vrugten sprekende.
citroenkruid, citroen-kruid, Abrotanum. Herb. Averoen. Averuit.
collier, klier, kliertjen, Halsboord van een Hembd. Misschien van den zelfden oorsprong met het Fransche collier of ’t Eng. collar. De beteekenissen bij Kiliaan op klieren en op kliere: kropsweer zijn hier ook niet onbekend.
daal, dale, Iets dale zetten of leggen, dat is neder zetten etc.
daas, daze, Onvernuftig en traag vrouwspersoon. Vergelijk Kiliaan op daes enz.
dambes, dammeren, Struiken van Genever-boomen. Dammer-bezien: Genever-bezien, zie Kil. op dam-beere enz.
dauwelen, dauwelen, Stoejen. Dit laatste schijnt mij egter ruim zo veel beweging en gedruis in te sluiten. [Dawwelster, dawwelig, gedawwel; stoejen geschiedt van staande, gaande of lopende, dawwelen ook van zittende.]
deel, dele, Of op sommige plaatsen Delle is de dorschvloer, gemaakt van klei of leem, welke vast in een gestampt en droog geworden zijnde, een zeer goede dorschvloer is: aan wederzijden van de dele zijn de stallingen voor het vee; de plaats boven de stallingen wordt de Hilde geheten en dient voor berging van het uitgedorste stroo: de Sleten zijn lange houten, gemeenlijk sparren welke liggen op de capitale balken van de schuur (de gebinten of gebonten genoemd) dienende om het ongedorste koorn te leggen.
deel, dele, ’t Welk Kiliaan door ’t algemeene woord vloer verklaart, is in onze boerenhuizen bepaaldelijk de dorsch-vloer. [In Twente noemt men ze de delle.] Aan wederzijden van dezen vindt men de stallingen voor ’t vee. Boven die stallingen liggen sparren, welken den naam van slieten dragen, dienende om ’er stroo of hooi op te bergen: en de zoldering door deze slieten gevormd wordt collective de hilde genoemd, welk woord ook bij Kiliaan te vinden is. [Den balken is de zolder boven de deele, de hilde is de zolder boven de stallen, welke doorgaans in ’t afdak is, en zelfs wel onder den balken.]
dekker, dekker, Iemand die de boeren huizen met strooi of riet dekt.
distel, dissel, Stroef, onhandelbaar manspersoon. [Nen plompen dissel.]
dobber, dobbert, Het ampt van kerkbewaarder, of gelijk men elders zegt hondenslager is te Deventer met dat van doodgraver vereenigd; en die dezen waarneemt wordt dobbert genaamd. In Friesland gebruikt men dubbe nog voor een kuil. Kiliaan heeft dubben onder de aarde, subdere subsolum etc.
doddekuikentje, doddekuikentjen, Dus noemt men boertende het jongste kind, om aan te duiden, dat er de ouders mal mede zijn.
doedel, dudels, Waterplant, die als salade gegeten wordt. Zie ook Zwanenbrood.
doek, doek, Zeer gebruikelijk voor linnen, zo lang het niet tot kleeding vermaakt is.
doen, donne, Dronken. Twenthsch. Men zegt: de karel is donne, doch ik geloof niet, dan men zegt: een donne karel.
doodbidder, doodbidder, Aanspreker.
drammen, drammen, dremmen, benzen, werkwoord, Het verdrietig dwingen van een kind. Adject. drammig.Ik weet naauwlijks eenig onderscheid in ’t gebruik dezer twee verba. Wanneer verscheiden personen iets verrigten of zig te zamen ergens heen begeven zullen en een van allen de anderen sterker dan noodig is, of met eene zekere onrustigheid, aanzet om te beginnen of voort te maaken, zegt men van zulk eenen dat hij dremt of benst. Spreekwijs: wat ligt hij te dremmen! te benzen! Ook maakt men ’er substantiva van, bij voorb. wat een gedrem, wat een gebens heeft hij op zijn lijf!
drie-egge, drie-egge, Stijfhoofdig mensch. Of dit iets gemeen heeft met het geen ik in mijn eerste lijst op Dun-egge aangetekend heb, laat ik den Etijmologisten over.
dunnege, dun-egge, De slaap van ’t hoofd. Egge wordt hier en daar door ’t Gemeen gebruikt voor zijde of kant. Kiliaan verklaart het door angulus. Hij heeft ook dunne, dunninghe, tempora, doch niet het hier gebruiklijke zamengestelde dun-egge. Heeft het bekende diefegge (fur foem.) hier mede eenige verwantschap? [Zelf-egge, zelf-kante = lijst, egge van ’t mes, acies cultri; A.S. ecge, acies; dun-egge is de dunne egge van ’t hoofd; in ’t Psalt. AS van Spelman staat Ps. 131:5 dunwengum, temporibus.]
dutten, dutten, Is ons niet volkomen onbekend in den zin van delirare dien Kiliaan opgeeft; maar wij gebruiken ’t voornamelijk voor dommelen of onvast slapen. Dus zegt men ook een dutje houden, d.i. een slaapje. [Gedutten Schillink = geklopten schelling; op dien schelling is geen dut; een valschen dut; dutten, ergens eenen dut in slaan.]
edik, eek, Dus noemt het gemeene volk den azijn. Zekerlijk saamgetrokken van Edik.
eek, eek, Is boomschors. [Eek is de schors of bast van eiken of eekenbomen.]
eendenvlot, eendevlot, [endevlot], Eendekroos.
eikelworm, eikelworm, eekelworm, De gewoone mei-kever. Denkelijk ontstaat deze naam uit de gedaante en kleur van ’t beestje.
eiloof, eiloof, mannelijk, Klimop, Hedera. [Kleve, klever, klyf, kleverboom, klemmer-boom, vaele, veile, hieft, alle bij Kiliaan; eiloof om dat men de paasch-eieren in een afkooksel van klim-op verft.]
emt, emten, vrouwelijk, Mieren; ook bij Kiliaan. [Emten eijere, emten-nest; in Twente zegt men ook miig-emten; het zelfde als pis-mieren en mier-zeiken bij Kiliaan, want pissen, miigen en zeiken is ’t zelfde namelijk mejere, mingere, urinam reddere.]
emtig, emptig, empten, bijvoeglijk naamwoord, Het valt niet gemakkelijk het gebruik van dit woord naauwkeurig te beschrijven. Men gebruikt het van iemand die ongemaklijk, ligt geraakt, gemelijk of kleinzerig is. Men ziet dus dat het een physique en een morele hoedanigheid kan aanduiden. Hij is zo emptig zegt men omtrent met het zelfde oogmerk als wanneer men iemand kruidje-roer-me-niet noemt. [Als men een nest van Sprokemten of boschmieren, welke grote hoopen van sprokken bijeendragen, maar even aanraakt, zijn de emten aanstonds in rep en roer; zij zijn dus zeer ligtgeraakt; mogelijk komt hier van emtig; sprokken zijn dunne, zoore = dorre houtjes of takjes van bosschen en bomen.]
enerhandig, eenerhandig, Eigenzinnig. Dit woord sluit ook eenigermate het denkbeeld van droefgeestigheid in.
enk, enk, esch, mannelijk, Digt bij steden, dorpen of gehugten vindt men veelal een verzameling van bouwlanden, wel aan onderscheiden eigenaren toebehorende, doch door geene slooten of omheiningen van elkander afgezonderd. Dezen dragen hieromstreeks collective den naam van enk, in Twente en elders van esch of es, masc. gen., bij voorb.: in den enk, in den esch. Zoude Kiliaans enckel, enckle: juvenis arator, hier mede eenige gemeenschap hebben? [Een grote kamp, hoog bouwland waarin geene gravens of heggen zijn, is in Twente nen esch, al behoort hij éénen eigenaar toe en al wordt hij van éénen boer bebouwd.]
enter, enter, Een eenjarig paard, bepaaldelijk. Het wordt in Kiliaans algemeenen zin niet gebruikt. [Enter is in Twente niet bekend (een jaarig vul zegt men), maar wel een-winter, d.i. een schaap van één jaar oud; enter is verkort van één-winter; de Ouden telden de jaren bij de winters, zeven winters waren 7 jaren.] Voor jarig paard is alhier zeer bekend.
eren, airen, werkwoord, Een boer zou Ruth II vs. 3 dus vertalen “zo ging zij heenen, ende kwam, ende airde agter de maaiers”.
erfgenaam, erfgenamen, Zie holting.
es, esch, mannelijk, Digt bij steden, dorpen of gehugten vindt men veelal een verzameling van bouwlanden, wel aan onderscheiden eigenaren toebehorende, doch door geene slooten of omheiningen van elkander afgezonderd. Dezen dragen hieromstreeks collective den naam van enk, in Twente en elders van esch of es, masc. gen., bij voorb.: in den enk, in den esch. Zoude Kiliaans enckel, enckle: juvenis arator, hier mede eenige gemeenschap hebben? [Een grote kamp, hoog bouwland waarin geene gravens of heggen zijn, is in Twente nen esch, al behoort hij éénen eigenaar toe en al wordt hij van éénen boer bebouwd.]
etgroen, etgroen, Volgens de uitspraak; anders, gelijk bij Kiliaan, eetgroen. Na-gras. Gras welk eens gemaaid geweest is.
feil, feil, Dweil. Zo ook feilen, verb. act. dweilen [van vaegen, vaegelen, vaejelen, veilen, feilen, feile, gelijk van dwaegen, dwaegelen, dwaejelen, dweilen, dweile.]
foezel, foezel, Onder ’t lage gemeen voor genever. Van hier ’t algemeen gebruikelijke:
foezelbrander, foezel-brander, Voor genever-stoker.
foezeldrank, foezel-drank, Voor de spoeling van de genever stokers welke tot het voeden van verkens en andere einden dienstig is. Dikwijls wordt deze foezel-drank bij verkorting alleen drank genoemd. Nog van hier het mede algemeen gebruikelijke:
fommelen, fommelen, verfommelen, Als men eenig linnen, klederen of diergelijk goed zo onagtzaam zamenpakt, dat het kreuken moet, wordt men gezegt te fommelen en het goed te verfommelen.
gaard, gaarden, gaaren, Hof, tuin. Twenthsch. De aa wordt hier uitgesproken ten naasten bij als de ou in het Engelsch woord broad. – Eng. garden; vergelijk Kiliaan op gaerde.
gallig, gellig, Voor gallig wordt in de eerste beteekenis veelal gebruikt met betrekking tot een zekere ziekte onder de schapen, maar men bezigt het ook in ’t algemeen voor ongedaan, ziekelijk, bij voorb. hij ziet er gellig uit. [Galle is eene laag op den grond groejende, kleine, roodachtige, zelfs op den middag smerige en kleverige plant, waarvan de schapen, als ze die eeten, gellig worden; hij zal zich gellig eeten = door te veel appels etc. te eeten maaken dat hij mager worde, er bleek uit zie etc.]
gaps, gepse, Een gepse of een gepse vol is zo veel als beide handen nevens elkanderen gehouden vatten. [De gepse is de holligheid, welke gemaakt wordt, als de beide handen omgekeerd en de vingers om hoog gestoken worden; ne gepse vol is zoo veel als die holligheid bevat; H.D. göspe; Fris. gaps, gaspe, bij Kiliaan: handvol.]
garf, garve, Een bundel stroo met het koorn er in, in onderscheiding van een schoof, waar het uitgedorst is. Zie Kiliaan op gaerwe. [Land op de garven zajen of bouwen, de garve geven = in plaats van huur of pacht van drie garven ééne of van vijf twee aan den eigenaar geven; het eerste heet de ligte, het andere de zware garve geven; de garve uitsteken: op elken derden gast als den landheer toebehorende een rijs steken; garfzaad: koorn dat van die uitgestokene garven gedorscht wordt.]
gast, gast, vrouwelijk, Een gast eieren is een getal van vier.
gast, garst, gast, Vier, zes of agt garven koorn tegen elkander opgezet om te droogen; garsten of gasten: de garven dus aan garsten of gasten zetten. [In Twente is nen gast, niet garst, nooit meer dan van 4 garven. Vandaar ne gast peren, appels, eijeren, d.i. vier peren etc.; gast en garven is manlik, het andre vroulik.]
gelte, gilte, In dit gedeelte van Overijssel zegt men gelte of borgh voor een gesneden varken; iemand die de verkens snijt wordt geltesnijder geheten; het mannetje van een varken wordt beer genaamd.
geltensnijder, geltensnijder, Castrator suum. Vergelijk Kiliaan op Ghelten.
gemeente, gemeenten, Zie holting.
gent, gente, mannelijk, Een mannetjes gans; ook bij Kiliaan.
gerfkamer, garf-kamer, Zie Kiliaan op gaerw-kamer. De consistoriekamers dragen hier nog heden dien naam.
gespikkeld, gespikkeld huwelijk, Is een huwelijk aangegaan tusschen twee personen waar van de eene is van den hervormden en de andere van den Roomschen godsdienst.
giebeltjes, giebeltjes, gijbeltjes, Klugtjes, fratzen. Voornamelijk gebruikt men giebeltjes maken voor verdraaiingen van ’t aangezicht of figuuren met de handen gemaakt om een ander te bespotten: faire la moue. [Giebeltjes zijn hetzelfde of bij naa hetzelfde als babbelguichjes.]
gieren, gieren, Beiden in de beteekenis als bij Kiliaan op ghieren, avide petere, inhiare.
gieteling, gieteling, mannelijk, Merel, een vogel. Den naam van merel kent men hier zelfs niet. Kiliaan heeft onze woord ook. [Men leert de gietelingen fluiten.]
glazenmaker, glazemaker, mannelijk, Korenbout; Fr. Demoiselle.
gleuf, glieve, Reet. Voorb. hij keek door de glieve van de deur.
glint, glint, Afschutzel, gemaakt door palen of staken in den grond te zetten, en dan smalle planken, latten of takken horizontaal daar tegen vast te maken. Zie Kiliaan op glend.
gluip, gloepe, zelfstandig naamwoord, Juist als bij Kiliaan, zeker vogelnet, doch het verbum gloepen gebruiken wij niet zo zeer voor insidiari als om de phijsionomie uit te drukken van iemand, die op zijn luimen ligt. Even eens dient het adverb. gloeps. Dus zeggen wij, hij zit te gloepen, hij ziet er gloeps uit. Ook adjective een gloeps karel, dient men mede sustantive een gloepert heet.
goor, goor, Locus paludosus bij Kiliaan. Sommige hoeken in de Gemeenten waar van hier voor gesproken is, geeft men in deze Provincie nog den naam van het Goor; ondertusschen geloof ik niet dat men ’t woord ooit gebruikt zonder er zekere bepaalde plaats door aan te willen duiden. [Ik meen dat die plaatsen doorgaans wel laag dog met gras bewassen zijn. Mogelik heeft de stad Goor hiervan haren naam.]
gorstelen, gorsselen, Het roggen brood een korten tijd in den oven geweest zijnde, wordt er uitgenomen en gegorsseld, dat is, door middel van een kwast met water bestreken, waar na men ’t gaar bakt.
graaf, graven, mannelijk, Masc. gen. een sloot. Zie Kiliaan op graf en grave. [Nen tochtgraven, d.i. graven daar ’t water doorloopt, waterleiding; c. Alem. agetucht en gloss. Schelt. en bij Kilian.]
greep, grepe, Mestvork. Zie ook Kiliaan. [In Twente verschilt greepe en vorke: de eerste heeft drie en de andere twee tanden. Men heeft vier soorten: mestgrepen, turfgreepen, spaangreepen en held-greepen. De beide eersten hebben dunne rondachtige, de andere breede en platte tanden.]
grep, gruppe, Diepe voor, zo als dikwerf in wei- of bouwland gemaakt wordt tot afleiding van ’t water. Dus het groepe van Kiliaan die dit van grope en gruppe schijnt te onderscheiden. In ’t Stadregt van Deventer 3 D. tit. A art. 42 staat groepe voor de goot die langs de stoepen loopt; doch daar voor is het thans niet meêr in gebruik.
grienen, grijnen, Ik green, gegrenen. Schreien. Ook bij Kiliaan. [Te Deventer wordt grijnen alleen gebruikt om het wenen van menschen aan te duiden. In Twente huilen en grijnen beide, dog het eerste meest; van honden zegt men overal dat ze huilen.]
grind, grinte, Kleine keitjes. Eng. gravel. [In Twente is grinte het grofste van meel daar de bolsters uit zijn.]
groeve, groeve, Te groeve gaan zeggen de Boeren hier omstreeks voor ter begraafnis gaan; schoon zij ’t woord groeve alleen niet voor graf gebruiken hoe zeer het daar van de beteekenis heeft. Zie Kiliaan. Het groeve-maal is het onthaal, welk ter gelegenheid eener begraafnis gegeven wordt.
grollen, greulen, Meesmuilen.
gunzen, gunzen, Zie gieren.
guren, guuren, Langzamer hand uitvallen. Bij voorb. als men een bundel koren draagt, kan het zaad uit de airen guuren. [Rogge als ze zeer droog is, garst, haver, koolzaad guurt door enen zolder welke niet heel digt is. Als den gast of de garve omvalt, guurt de rogge uit de aaren en valt op den grond.]
gust, gust, Onbevrugt. Een guste koei. Zie ook Kiliaan. Van een paard wordt het niet gebruikt.
haal, haal, bijvoeglijk naamwoord, Bij Kiliaan exsuccus. Dus zeggen wij een haale wind voor een schrale, uitdroogende.
haal, haal, zelfstandig naamwoord, Werktuig, dienende in plaats van een keten, om den pot aan te hangen en uitgetakt om den pot te kunnen hooger of lager hangen. Kiliaan vertaalt het door climacter. Haalboom is het ijzer, waar aan ’t haal of de keten in den schoorsteen vastgemaakt wordt.
haard, heerd, Bij boeren niet alleen de plaats daar ’t vuur ligt, maar ook de geheele keuken, daar ’t vuur gestookt wordt. Nota ’t onderscheid in de spreekwijzen: Het hout ligt aan den heerd, maar het volk is op den heerd, dat is in de keuken; en daar zit men bij den heerd, dat is bij ’t vuur.
hagedis, everdas, vrouwelijk, Everdesse, everdisse. Haagdis. [Aeverdassche zegt men in Twente, aever-baeze is bosch-beze; everwortel, everzwijn bij Kiliaan; ever schijnt iets wilds te beduiden.]
hak, hakke, hak, De hiel, het agterste deel van een voet. [Iemand de hakken laten zien, d.i. voor hem vluchten, weglopen; ne hakke is ook een werktuig daar het land, en vooral het veen, dat gebrand en daarnaa bezaaid zal worden, mede omgehakt wordt.]
hanepoot, hanepoot, Imperatoria. Meesterwortel.
hard, hard, Gezond, sterk.
haren, haaren, Een zeis of zigt scherpen door middel van een daar toe geschikt ijzeren hamertje. [Met eenen haar-hamer op een haar-spit; men zegt ook de handen of lippen haren mij; de koe begint te haaren; haren en snaren; haeren is roepen, schreeuwen; bij Notkerus is haran: roepen, clamare.]
harrewitsen, harrewitzen, Een jongens spel op ’t land, waar in de een den anderen moet vangen.
heileuver, heillever, Een oojevaar. Ik vermoede deze benaming haren oorsprong te ontleenen van het bijgeloof der boeren, welken het als een waarborg van voorspoed aanmerken wanneer dit dier hunne huizen of boomen met zijn nest vereert. Kiliaan heeft Heilover. [In Twente noemt men den oojevaar stork.]
heilige, hilligen, Kinderprinten. Ongetwijffeld dus nog genoemd, om dat ze voormaals de beeltenissen der Heiligen vertoonden. De boeren zeggen nog wel hillig voor heilig.
heimpje, hemeltjen, Kreekel, cicada. [Die krekels welke zich in de huizen bij de schoorsteenen of in dezelve ophouden, een heemken, mogelik van heem, haam, heim ook huis, of van hemen, bedekken, verbergen: geheim, hemel.]
hellig, hellig, Boos, toornig in een hoogen graad. [Hier van daan: helligheid, hevige toorn; met iemand helligen: krakkeelen; zich verhelligen, zich met krakkeelen vermoejen, afmatten.]
henker, henker, Beteekent beul. Zie Kiliaan. Egter word het nooit eigentlijk daar voor gebruikt. Men bezigt dit woord alleen als exlamatie. Bij voorb. Het mogt der henker! De henker neen! Wat de henker is dat! – Men kan het altoos voor het even elegante drommel, duivel, donder etc. etc. in plaats stellen.
hennekleed, hennekleed, Doodkleed. Verhennekleden: afleggen. [Mogelik voor heen-kleed, dat men aan heeft als men heengaat en de lange vaard vaart; de klank der e evenwel is anders in hen, heen, dan in hennekleed; te Leiden, zegt men wade.]
hobbel, hobbel, Er is een spreekwijs: eene zaak in den hobbel gooijen, voor: eene zaak in de war brengen.
hoe langer, hoe liever, hoe langer hoe liever, Kwalsterhout.
holting, holting, De landerijen in onze Provincie zijn alle verdeeld in zekere districten die Marken genaamd worden. De eigenaren van de erven welke in eene van die Marken liggen noemt men met betrekking tot dezelve Geërfden of, en wel meestal Erfgenamen [of goedheeren]. Deze Erfgenamen hebben uitsluitend recht om de gemeene velden onder hunne Marke behoorende, die eigenlijk Gemeenten of, bij verkorting, onder de landlieden Meenten en Meenen geheeten worden, ten behoeve van hunne erven te gebruiken: en zijn daar tegen verplicht de wegen en weteringen die ’er door loopen, in goeden staat te houden, enz. De Vergaderingen, welke van tijd tot tijd door de Erfgenamen gehouwden worden, noemt ons Landrecht 2. D. tit. 27 Markengerichten: in den omgang zegt men Erfgenamen-vergaderinge, maar in Twenthe spreekt men van ’t houden van een’ Holting. De voorzitter in deze vergadering, of op een’ Holting, en te gelijk de geene welke het voorname bestier der markenzaken in handen heeft, draagt den naam van Markenrichter of Holt-richter; zie ’t Landr. Ibid. De Schutters zijn bedienden van de Marke, welke het aanbevolen is toe te zien dat geene onberechtigden gebruik van de gemeente maaken enz. [Zulke Schutters heeft men niet in alle markten; palen welke de ene markt onderscheiden van de andere heeten mark-paalen; hij is in alle markten beregtigd, eig. iem. die in alle marken een goedheer of eigenerfde is, oneig. die overal, daar wat te halen is, zich weet in te dringen.]
hondenbloem, hondebloemen, Dens leonis. Paarden kankerbloem.
hooispringer, hooispringer, Sprinkhaan. Bij Kiliaan hoi-sprenger.
hoos, hoze, Kous. Ook bij Kiliaan. Ik meen mij te kunnen herinneren dit woord ook wel door Hollanders te hebben hooren gebruiken, dan uit welken hoek dier Provincie weet ik niet.
horrel, horrel, bijvoeglijk naamwoord, Dit wordt gebruikt van houtwerk, welk, door droogte te sterk gekrompen, kwalijk in elkander sluit. Inzonderheid is ’t in gebruik van kuipers werk. Een horrel vat.
hot en haar, hot en haar, Dat is herwaards en derwaards. De boer agter den ploeg, zijne paarden zo wel met de stem als den toom bestierende, roept hot als dezelve regts, en haar als zij lings zullen wenden. In Twenthe gebruiken ze in plaats van hot sti. [Haar zal zoo veel zijn als hierheen, naar den voerman toe; wat stie en hot zij weet ik niet; hot zegt in Twente ook zoo veel als vord, gaat aan; de ene wil hot en de andere haar = zij zijn niet eensgezind.]
huttentut, utentut, hutentut, mannelijk, Kroode, een olie-zaad. [In Twente zegt men huttentut; het wordt uit Riga’s lijn gezift.]
imme, immen, ijmen, zelfstandig naamwoord, meervoud, Bijen. Een immeker of ijmker, iemand die bijen houdt. Kiliaan heeft ook in sing. imme, doch dit heb ik nooit hooren gebruiken. [In Twente zegt men nooit éne, twintig, honderd iimen voor 1, 20 of 100 bijen, maar hij heeft eenen iimen, 20 of 100 iimen = zoo veel korven met bijjen; ymen houden; ymker, ymshuve.]
immer toe, jummer toe, bijwoord, Bij aanhoudendheid.
jaag-de-duivel, jagtenduivel, Hyperricum, St. Jans kruid.
jent, jent, Zie Kiliaan op Ghent, want wij gebruiken ’t in dien zin.
kaan, kaên, Schijnt gecontraheerd van kanen. De overblijfzels van uitgebraden vet. Van deze kaên maken de kaarsmakers kaên-brood, ook wel kaars-koek genoemd, veel gebruikt om honden te voeden.
kadijk, kaa-dijk, Ook bij Kiliaan te vinden, beteekent hier een lager dijkje, zo als wel om de buijtendijksche landen gelegd wordt om dezelven voor ’t zomerwater der rivieren te beschutten. [Kaa is zekerlik voor kaade.]
kallen, kallen, Wordt ten plattelande voor praten gebruikt. Het woord is bekend genoeg. Bij Slichtenh. Geld. Gesch. bl. A 12 vindt men kallinge.
kamp, kamp, mannelijk, Een kamp of bouwkamp is een stuk bouwland, door een sloot of andere afscheiding van ’t naburig land afgezondert; ager, arvum volgens Kiliaan.
kanthaak, kanthaken, Alleen gebruikelijk, zo veel ik weet, in deze eene spreekwijs. Iets bij de kanthaken krijgen, voor iets bij de hand of in gereedheid krijgen of iets aanvatten. In een boertenden stijl.
kanthaak, kanthaken, Alleen gebruikelijk, zo veel ik weet, in deze eene spreekwijs. Iets bij de kanthaken krijgen, voor iets bij de hand of in gereedheid krijgen of iets aanvatten. In een boertenden stijl.
kauw, kaa, Een vogel. Kiliaan zegt kae, ka, j. kauwe: Monedula. Men zegt ook wel toren-kaa, om dat ze veel aan de kerktorens huisvesten.
keldermot, keldermotten, Millepedes. Pissebedden.
keren, keren, Met een bezem of schuier veegen. Ook bij Kiliaan. Men zegt een huis of kamer uitkeren [uitkaeren], een kleed afkeren [afkaeren]. [Keeren is weerom keren en ook weerom doen keeren, geld uit keeren; keeren wordt ook gebruikt van bier en water: het bier, het water keert: schift eer ’t gekookt wordt.]
keu, keu, keun, Een bigge, jong verken. [In Twente zegt men een keuken.]
keukelen, keukelen, Tuimelen, buitelen. Kiliaan heeft kokelen in een ruimer beteekenis voor histrionem agere. Men ziet dus de etijmologie voor al als men zijn aanwijzing op ’t woord guichelen hier mede vergelijkt. De jongens keukelen over den kop. Of het van gochelen komt, weet ik niet, maar voor begochelen zegt met hier bekeukelen. – Hoogd. Caukeler, Gaukler, Cauculator, Fascinator.
keuter, keuter, kater, kotter, Een boer van een minder soort. Hij heeft meestal geen paarden, doch somtijds één. Keuterstede is de plaats of hoeve die hij bewoont. Eng. cottager. [In Twente zegt men nen korten, ne korter of kotterstae (ae is bij mij altoos êta), doch men schrijft katerstede; mogelik is het het zelfde als curtis, cortis, bij de oude Alem. en Franckische schrijvers.]
keuzelen, keuzeken, Ook wel keuzelen. Mallen zegt men in Holland. Misschien een verbastering van liefkoozen.
kieps, kipze, Muts. In den boertenden stijl.
kiesbriefje, keezebriefken, Zie schijntjen.
kif, kif, onzijdig, Gemaalen eek, door de loojers gebruikt wordende. In Holland zegt men run. Kiliaan heeft rund, rind, enz.: cortex. Kif is foem. gen. [In Twente neutr. gen. Vermoedelijk moeten de laatste twee woorden aldus gelezen worden; zij zijn evenwel zeer onduidelijk.]. [Kif is eek dien de loojers al gebruikt hebben en daar de kracht uit is, althans in Twente.]
klakkeloos, klakkeloos, Alleen daarom, expres. Men hoort dit, hier althans, niet dikwijls.
klij, klijen, Boekweiten-klijen zijn de doppen van boekweit. Ik weet niet dat men het ten aanzien van ander koorn gebruikt. Ondertusschen heeft Kiliaan het in de algemeene beteekenis van zemelen.
klik, klik, Op ’t half kwartier hoort men te Zutphen een of twee kleine klokslagjes, en dit noemt men klik. Dus zegt men bij voorb. klik voor zeven. Vergelijk Kiliaan op klick.
klik, klikke, zelfstandig naamwoord, Dit woord gebruikt men, om een stijf onbeschaafd vrouwspersoon uit te drukken. Misschien komt het bij overdragt van klick bij Kiliaan clava. Veeltijds voegt men er het adjectivum heel bij, en zegt een heele klikke.
klikken, klikken, verklikken, Beklappen. Meest onder de kinderen in gebruik, die den scheldnaam van klink-spaan geven aan den genen, die klikt. – Verklikker noemt het gemeen den geauthoriseerden, die wegens de pagters aan de poort op het sluiken agt geeft.
klunderen, klunderen, Een boertig woord, welk ik niet dan in zijn gebruik weet te omschrijven. Hij liet het braaf klunderen, zegt men ten naasten bij in den zelfden zin als: hij smeet braaf drek aan den want, of diergelijk. Van iemand die zijn zaken laat in ’t war lopen, of dien men van gebrek aan omzigtigheid beschuldigen wil zegt men ook: hij laat het maar klunderen, enz. [In Twente wordt klunderen gebruikt voor water of ander vocht, ’t welk ergens uitloopt en dat doende enig geluid maakt; van eenen mensch die onbedachtzaam en veel spreekt en dus ook veel verhaalt dat hij behoorde te zwijgen, of dan zelfs vele onwaarheid vertelt zegt men ook: hoe laat hij ’t weer klunderen.]
koert, koert, Koer, koer-torn : specula, en koer-wachter: speculator bij Kiliaan. De toornwagters te Deventer, thans voor een trompetter verwisseld, droegen nog voor weinig Jaaren den naam van koerts en zij bliezen op een hoorn. Een herberg niet ver van de stad, weleer, gelijk nog te zien is, tot een Wagttoren gediend hebbende, heet nog heden ’t Koer-huis. Kerk. en Wereltl. Deventer bl. 25.
kokkel, kukkele, kukkeleboonen, kokkelbezen, Coculus Indus. Indiaansche bezien.
kom, koeme, Houten bak van de looiers, in de aarde gemaakt, om de huiden in te zetten.
kom, komme, Koker van hout of steen, onder den grond doorloopende, en tot een waterleiding dienende.
kou, kolde, Bij boeren zeer gemeen. Koorts. Kold is hier de uitspraak van koud.
kregel, kregel, Korzel. Het word ook wel in een goeden zin gebruikt van iemand die wel oppascht, naauwkeurig op zijn zaken let. [Een kregel paerd, dat niet lui is.]
krenselen, krensselen, werkwoord, Dit woord is, gelijk meêr anderen, die alleen in bijzondere omstandigheden gebruikt worden, moeilijk te omschrijven. Men gebruikt het van iemand, die zig verveelt of dien het geene hij hoort of ziet, onaangenaam is, en die het zelve door zijne uiterlijke houding doet bemerken.
kreunen, kreunen, Kermen, zugten. Kiliaan heeft kreunen, kronen, groonen: conqueri, kronen: gemere.
kreute, kreute, (een). Wordt een kribbig mensch genoemd. Men zegt: het is een kreute van een keerel voor: het is een kribbig karel.
krieuwelen, kriewelen, Zie Kiliaan op kreuelen.
krieuwelkruid, kriewelkruid, Zie Kiliaan op kreuel-kruid.
krik, krikke, Taling. Ook bij Kiliaan. Dit woord opslaande, vind ik toevallig kricke-micke, q.d. kercke-micke: panis candidus in templo sacerdotibus distribui solitus etc. en herinner mij dikwijls te hebben hooren gebruiken de spreekwijs: hij zei geen kik of mik, van iemand die, zo als men zegt, bot stil zwijgt. Of deze dingen in eenig verband staan, weet ik niet; maar geef het ter speculatie aan de Letterkundigen.
krimp, krimpe, De maag van een vogel.
kruip-door-de-tuin, kruip door den tuin, Hedera terrestris. Hondsdraf, aardvijl.
kruisbes, krisselbezen, Kruisbezien. Zie Kiliaan op Kroesbesie. [Men heeft witten en rooden.]
kruk, grove krukke, Dus noemen de boeren het groote Abee in ’t Abee-boek. Zij hebben ook een Spreekwoord, de grove krukke van agteren lezen, dat is vloeken.
kruk, kruk, krok, Kerf in een hout.
kuieren, kuieren, Beteekent hier niet alleen wandelen, maar ook praten. Kiliaan heeft ook confabulari. [Van de enden zegt men ook dat ze aan den waek (woerd) kujjeren als zij door zeker geluid te maken en rondom denzelven te zwemmen te kennen geven dat zij het met hem houden.]
kuis, koeze, Knods. Zie Kiliaan op Kudse. [Koote koeze slaan: met ene koeze eene koote wegslaan als een ander die in den pot, eenen kuil wil drijven, jongensspel.]
kuizeling, keusselingen, kuizen, Zijn twee namen welken onze jongens aan hunne knikkers geven. Kiliaan heeft keusel en kuisel. [De jongens in Twente kennen geene köslingen, maar knikkers daar zij mede knikkeren of bossen.]
kween, kwenne, Een koe die nooit gedragen heeft. Ten Kate 1 D. bladz. 22 A. telt dit woord onder de verouderden, doch ’t wordt hier omstreeks nog standvastig gebruikt. Hij spelt het quene. [En zoo spreekt men nog te Leiden; boertende noemt men eene onvruchtbare vrouw ook wel: ne kwenne.]
laakpaal, laak-paal, Grens-paal. Een paal, om de afscheiding van twee landen uit te perken. Ook gebruiken wij het verbum laken, om de rigting van de grenzen uit te drukken. Bij voorb. De paal A laakt op den paal B, dat is, een lijn, tusschen de paalen A en B getrokken, wijst de grenzen aan. Lae, lag, lags, lax, Leges, quasi qua legem dat de confinibus. Gloss. Teut. Schilteri.
laar, laar, Flaauwhartig. Kiliaan heeft laere, inanis, vacuus, en de flaauwhartigheid is wel een uitwerkzel van een ledige maag.
langen, langen, Geven, aanreiken. Kiliaan heeft het ook in deze beteekenis. [Hand-langer.]
lezen, lezen, Gebruiken de boeren voor bidden.
licht, lugte, Lantaarn, die gedragen wordt of hangt; van de lantaarnen op straat wordt het niet gebruikt.
lief, lieven, bijvoeglijk naamwoord, Dit woord wordt bij de landlieden hier omtrent gebruikt en ik kan deszelfs beteekenis niet korter aanduiden dan met te zeggen dat het veel overeenkomst heeft met het Engelsche chearful. Ik heb het niet alleen van menschen maar ook van dieren, b.v. van een hond die jegens zijn’ meester kwispelstaartte, horen zeggen. Men voegt het nooit [adjective] bij een zelfstandig naamwoord. Dus zegt men wel: Wat was hij, of: wat was de man of vrouw of het beest lieven! Maar niet [te weten niet in die betekenis]: het is een lieven man of lieven hond. [Lieven betekent blij, vrolik, in zijn schik, dog schijnt zulk eene blijdschap aan te duiden welke een bewijs is van liefde en genegenheid voor dien of dat, welks tegenwoordigheid of verkrijging die blijdschap veroorzaakt; c. Mel. Stoke VIII vs. 1120, IX vs. 120.]
liero, liero, Een jongens spel op ’t ijs, bestaande in tegen elkander in te loopen, zo dat die van den eenen kant komen, de anderen in’t voorbij lopen moeten vangen.
lievevrouwebedstro, onze lieve vrouws bedstroo, Serpillum vulgare. Wilde thijm. Kwendel.
loens, loensch, Ik weet niets beter, om den zin van dit adjectivum uit te drukken, dan ’t barbaarsche woord traiteragtig. Men gebruikt het dikwijls van honden, ook wel van menschen. Kiliaan heeft: loen, homo stupidus etc., doch in die beteekenis ken ik ons woord niet.
los, los, Open. De deur los doen, d.i. openen.
lubbestok, libbestok, lubbestok, Levisticum Lavas.
luiszaad, luiszaad, Zie staverzaad.
lumieren, lumieren, Spreekwijs: met het lumieren van den dag, dat is: met het aanbreken.
lutje, luk, Een luk of lukjen heb ik meêrmalen hooren gebruiken voor een poosje, dat is een korten tijd: maar nooit in Kiliaans algemeener beteekenis van klein.
maaksmaal, maaksmaal, Even als ’t groevenmaal alleen bij de boeren gebruikelijk voor ’t huwlijksluiten.
maat, maatjen, Een achtste van een spint.
made, mate, vrouwelijk, maatjen, Bij ieder boerderij hieromstreeks vindt men bijkans een stuk hooijland dat den naam van de mate of ’t maatjen draagt, zonder dat men evenwel zeggen kan dat dezen generique woorden zijn om een hooiland te betekenen. In ’t Engelsch meads, in ’t Friesch maden, laag hooiland. [Ne maat of hoof-maat is een stuk laag en van ander land afgezonderd hooi-land.]
malle schelling, malle schelling, Een zestehalf.
manks, manges, Ondertusschen.
mark, marken, Zie holting.
meitijd, meijtijd, Wordt ook die tijd geheten, wanneer het eiken akkermaals hout gehouwen en afgeschild wordt.
meiworm, meiworm, De gewoone mei-kever.
miegen, miegen, Pissen. Een laag woord. Kiliaan heeft het subst. mieghe, mijghe [miigen, meeg; te Deventer gebruikt men ook zeiken, zeike voor pissen en pisse].
mierig, miere, Bloedpissing in beesten. Het beest is mierig. [In Twente: het bloedaalt, het is aan ’t bloedaalen.] Te Vollenhove zegt men weerweide: het beest is aan de weerweide. In Drenthe zegt men: het beest is aan de roo-meest.
min, minne, Het wijfje onder de duiven.
mismas, mismas, gemismas, Verwarring.
molferen, molferen, Een molenaar hier ten platten lande neemt geen geld voor het malen van der landlieden koorn, maar hij molfert, dat is hij schept een zeker gedeelte uit het ter male gebragte zaad en behoudt dat als zijne belooning voor zich. Eigenlijk moest het molsteren zijn, want ik vind bij Kiliaan: molster, molter, pretium molarium etc. [Molsteren is ook gebruikelik; molfer-kiste, dus kiste daar de muller zijn koorn in doet; molfer-vat, vat daar hij dat koorn mede uit den romp schept; molfer-zaad is dat koorn zelf; molfer-vrij is iemand wiens koorn niet mag gemolferd worden.] Op sommige plaatsen zegt men hogten.
mort, mort, Zeer, valde, bij voorb. mort ziek, mort lekker. Veel bij de boeren in gebruik; in de stad hoort men ’t weinig, en niet dan onder ’t lage gemeen.
mot, motte, Zeug, zoogend verken. Ook bij Kiliaan.
mots, motze, De Twentsche schippers geven dezen naam aan eenen zeer wijden overbroek die zij, varende, over hun anderen broek heen trekken.
mouder, molder, Kleêrbak; bij Kil. Mensurae aridae genus, en zo in een groot gedeelte van Gelderland. Beide beteekenissen hebben iets van ’t zelfde denkbeeld.
mulder, mulder, Houtje waar mede de strik aan het hijstouw gemaakt wordt.
naaszak, naaszak, Of eigenlijk denk ik naatzak. Wordt hier veel gebruikt voor ’t eenvoudige zak, te weeten wanneer die tot de kleeding van een man of vrouw behoord.
nagel, naagel, [neegel, ee als de Grieksche êta], Spijker. Naagelen, verb. act. spijkeren, ’t welk Kiliaan ook heeft. Naagelvast, mede bij hem te vinden, is een rechtsgeleerde term. Wanneer een huys verkogt is, word al wat [grond- en] nagelvast en niet uytbedongen is, voor mede verkogt gehouden. [Een spiiker is in Twente een soort van gebouw, zie Kil.; spiikermate heeft 104 schepels op ’t last. Dat gat zal ik hem wel vernaegelen: ik zal hem dat wel verhinderen. Een paard vernaegelen, het canon vernaegelen, hoef-naegel, zolder-naegel, staaknaegel, latte naegel, schoe-naegel.]
nagelhout, nagelhout, [neegel-holt, ee als de Grieksche êta], Dus noemt men de spieren uit de bil van een rund, welke in den rook gehangen worden.
nerf, nerf, mannelijk, Erve, erf, nerf, nerve, bij Kiliaan superspicies cutis etc. Wij gebruiken dit woord voor de oppervlakte van sommige dingen als van leder en van den grond, wanneer het de bovenste vrugtbare korst beteekent. Men zegt ook de nerf van ’t hout, bij voorb. dat hout is van een fijne nerf. [Den narf of liever den arf van eene weide of hooiland is de bovenste korst, zoo ver gras en wortelen van ’t gras zich uitstrekken; narf of arf van leer, die zijde daar ’t haar op gezeten heeft; de nerf van ’t hout is mij onbekend; de uitstekende vezelen van gezaagde en nog niet glad geschaafde planken noemt men in Twente den arf De woorden de uitstekende tot en met den arf zijn door dezelfde hand later aan de commentaar toegevoegd.; in Twente zegt men: fijn van draad.]
nergens, nievers, Zeer gemeen voor nergens. Bij Kiliaan leest men niewers.
neuren, nuuren, De koe nuurt of staat vol nuurens zeggen onze landlieden, om uit te drukken, dat ze ten eersten kalven zal. [Zoo veel te groter het geer en het vazel is, zoo veel te verder is ze met het nuuren; ze begint te nuren, ze staat vol nuurens en moet binnen 2 of 3 dagen melk worden = kalven; maannuuren: als het gier der sterken, voor het eigenlike nuren bij ’t wassen der mane groter wordt, zegt men: de sterke maannuurt, ’t is maar maan-nuuren.]
nijds, nijdsch, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Ik twijffel niet of dit komt, zo wel als nijdig, van nijd af, doch de betekenis is zeer verschillend. Men gebruikt het vooral van iemand, die een ander buiten reden pijn aandoet. De kinderen, met elkander stoeiende, beschuldigd de een den ander niet zelden van nijdsch te zijn of nijdsch te speelen. Evenwel is de modificatie van buiten reden niet altoos in het denkbeeld aan dit woord gehegt; men zegt ook, hij sloeg er nijdsch op in ’t gemeen.
ogenklaar, oogenklaar, Chelidonium majus. Stinkende gouwe, schellekruid.
ogenslag, oogenslag, Oogenblik; bij Kiliaan oogh-opslag.
ogensteen, oogensteen, Vitriolum album. Witte vitriool.
olijk, oolijk, Wordt gebruikt niet alleen voor vafer, astutus gelijk Kiliaan heeft op oodelick, maar bij de boeren beteekent het ook ziek.
oord, oord, Een kan deelt zig in 2 mengelens, een mengelen in 2 oorden. Dan het gebruik van dit laatste woord bepaalt zig niet tot natte waaren. Men zegt ook een oord guldens, voor vijf stuiver, en een oord rijksdaler voor een dertiendehalf, zie ook Kiliaan.
oordeeldrager, oirdeldrager, ordeldrager, Dusdanig een is in Overijssel ook niet geheel onbekend. Zie landr. Part. j Tit. 20 art. 8.
oordeelwijzer, oirdelwijzer, Dusdanig een is in Overijssel ook niet geheel onbekend. Zie landr. Part. j Tit. 20 art. 8.
opstulpen, opstulpen, Stulp is een potdekzel; opstulpen is een ding boven een ander dekken.
overluiden, overluiden, Ten plattelande van Overijssel overluidt men de dooden, dat is, men trekt één of meêr dagen een bepaalden tijd de dorpsklok aan geduurende dat een lijk boven aarde staat.
ozewoud, ozewold, Domoor, lompert.
paardendood, peerdedood, Het Gemeen te Deventer geeft dezen naam aan een dienaar of suppoost van den onderschout. Waarom weet ik niet. Te Zutphen meen ik, gebruikt men dit woord van de hondenslagers in de kerken. (Te Nijmegen noemt het gemeen den dienaar des onderschouts molenkijker, ook wel bijnagel, indien ik wel onderrigt ben. Deze toevoeging stamt, blijkens het geheel ander schrift, niet van Herman Scholten.)
paas, paas, Is een ijser keten, welke aan de ploeg gedaan wordt, wanneer men met vier paarden ploegt, door welk middel de twee voorste paarden de ploeg helpen trekken.
palmdoorn, palm-dorentjen, Een kapelletje, papillon.
pappenzuiger, pappezoeger, Volgens de uitspraak, eigenlijk pappezuiger. Een netel, die niet brandt.
pier, pier, vrouwelijk, Voor aardworm, ook bij Kiliaan. Wij gebruiken ’t woord ook voor de wormen die in ’s menschen ligchaam gevonden worden. Van hier mede pier-kruid voor worm-kruid. [Pieren-kruid in Twente; pier-rotte appel, is wormstekig.]
pieren, pieren, Foppen, misleiden. Kiliaan heeft piere voor een strik, waar mede men wild vangt, welk daar door zeker ook misleid wordt.
pink, pinke, vrouwelijk, Een- of tweejaarig rund, os of koe; ook bij Kiliaan. [Pinke is ook een langwerpig rond houtjen, aan beide enden gescherpt, daar de kinderen mede speelen of pinken; de pinke uitslaan, naaslaan, opbrengen, vangen.]
pladeren, pleeren, (De uitspraak van ee als de Grieksche êta.) Plengen. Waarschijnlijk alleen een verbastering.
plaggen, plaggen, Zijnde eene soort van zooden, die egter meest van veldgrond gemaaid worden, en welker gebruik is dezelven met mist te vermengen en nadat ze dus een tijd gebroeid of gerot hebben op de akkers te brengen. [Plaggenmest is onderscheiden van stal-mest.]
pletteren, pletteren, Sax. pladderen: met een schel geluid onophoudelik praten.
ploeteren, ploeteren, Grauwen, uitvaren. Misschien van ’t Hoogd. plaudern. [Ploeter-dier: iemand die zeer winderig en bulderig is in ’t spreeken.]
ploot, bluete, Is een schaaps-vel daar de wol afgeschoren is.
pluren, ploeren, pluuren, afpluuren, Bij voorb. een bot pluuren, d.i. een been kluiven. Vergelijk Kiliaan op pluisen.
podde, podde, In de podde raken, komen, zijn. Van menschen, die verslorderen of dingen die slorzig behandeld zijn of worden. Hier van ook podderig voor slorzig, morssig, ongedaan, en ’t verbum verpodderen.
poesten, poesten, Blazen. Het vuur aanpoesten; poester of vuurpoester, blaaspijn. Ook bij Kiliaan. Dan wij gebruiken ’t woord poesten ook voor hijgen, de actie van iemand die buiten adem is.
poffen, poffen, Borgen. Men zegt: iets op de pof haalen of koopen; dat is op crediet. De verkooper word gezegt zijn waar aan den kooper te poffen, of ’t hem op de pof te geeven. De soldaten gebruiken ook de term van op de pof iets te doen, wanneer ze iets zonder verlof hunner officieren verrigten, waar toe dat verlof nodig was, bij voorb. op de pof trouwen, uit de stad gaan enz.
polven, polven, Hard slaan, kloppen. Kiliaan heeft polveren, in pulverem redigere. Van hier polveiën, hielen van de schoenen.
pratten, pratten, Weinig gebruikelijk dan ten aanzien van kinderen, is: pruilen. Vergelijk Kiliaan, die ’t onder anderen voor superbire geeft. In der daad heeft het pratten der kinderen zijn oorsprong uit hunne beledigde hoogmoedigheid.
priesten, priesten, Op de felicitatie-dagen ter gelegenheid van een huwlijk, was het in vroeger dagen de gewoonte, dat de bruid in het voorhuis zat en daar de gelukwenschingen van alle de inkomenden ontving, welken daarop in de kamer doortraden doch haar zitten lieten; en hier moest de bruid blijven zitten, tot dat elk die verwagt wierd binnen was. Om dit bedrijf der bruid uit te drukken, zeide men, dat zij zat te priesten. Dit is mij door een zeer oude vrouw, die het nog geheugde, verhaald. – Iemand, die in gezelschap zeer stil zit en niet tot het gesprek toebrengt, wordt nog heden gezegd te zitten priesten. – Pristenter Gloss. germ. dilatatus, sich brusten, pralen, grosz sprechen, stoltz werden. Kan het een verbastering zijn van prijken bij Kiliaan dare se spectandum, of kan het komen van prootsch bij Kiliaan superbus? Dit laatste heet in goed Deventersch pruts.
proesten, proesten, Het eenig gangbaar woord voor sternutare. Kiliaan zegt rondelijk dat het Hollandsch is. [Men gebruikt het ook van iemand, welke iets horende, waar door hij zich beledigd acht, begint op te stuiven, in toorn te ontsteken, en dien met woorden driftig aan te duiden.]
rachen, rachen, ragchen, Twentsch. Op iemand iets te zeggen hebben, kwaadspreken. De phrasis is op iemand rachen. Rachen, Hoogd. is wreeken. De liefhebbers van ’t etijmologiseren mogen ’t om mijnent wil wel van Kiliaans rach, raghe of ragh, aranea, afleiden.
rad, rad, Wiel.
rademaker, ramaker, Wielemaker.
ral, ral, bijvoeglijk naamwoord, snapachtig.
rallen, rellen, snappen. Zie Kiliaan.
ranselen, ranselen, Slaan, afkloppen, rossen.
redelijk, rellik, Zindelijk. Dan dit is veelligt een verbastering van reinelijk.
reden, reiden, ’t Hakhout (akkermaals hout, zie onze eerste Lijst) opsnoejen.
reden, reiden, uitreiden, Kammen met een wijden kam.
reep, reepe, Streng of zeel waar aan het paard trekt. Kiliaan heeft reep in de algemeene beteekenis van touw.
reiden, reiden, Voor reeden. Linnen reiden. Bij Kiliaan parare.
rekking, rikking, Zie glint.
reppelen, reppelen, De daad van den beer of ’t mannetjes verken in ’t paaren. De beer reppelt, de hengst klimt, de bul springt, de hond speelt.
reppelen, reppelen, Klauteren zonder in de hoogte te komen. Dit is, hoe gebrekkig, de beste omschrijving die mij invalt. De kinderen reppelen dikwijls op de stempels van de stoelen.
reu, reu, Bij Kiliaan reud etc.: canis mas.
reupen, reupen, Ongetwijffeld van de zelfde afkomst met roppen, welk in onze eerste Lijst voorkomt, en ook van de zelfde beteekenis: doch deze beide woorden worden in verschillende gelegenheden gebruikt. Men zegt van een stoeiend, onbezuisd kind, bij voorb. dat het zig de kleêren van ’t lijf reupt, doch men zou niet kunnen zeggen, dat het een ander de kleêren van ’t lijf reupte: om dit laatste uit te drukken zou roppen beter te pas komen.
rijs, rijze, Nomen collectivum voor takkebosschen. Een rijzebosch is een takkebosch, zie Kiliaan op Rijs. [Een rijs, een rijsken, in ’t meervoud rijze of rijzere; een bosch rijze.]
roebol, roebol, Is een zeker soort van onkruid dat in sommige lage hooij en weidelanden gevonden wordt, en het geen in Holland onder den naam van Hermoes bekend is.
roedendragers, roedendragers, Stads boden, die bij plegtige gelegenheden voor de Magistraat met roeden uitgaan.
roer, roer, Ook wel vuur-roer, snaphaan. Zie Kiliaan.
roes, roeze, Iets in de roeze kopen, per aversionem emere. Hij roest er mede, d.i. hij verkoopt het niet bij de maat of ’t gewigt, maar bij den hoop.
roezemoezen, roezemoezen, Ravotten, stoejen, wild spelen, of iets diergelijks. ’t Valt moeilijk dergelijke woorden te bepalen. Men gebruikt ook het subst. roezemoes, bij voorb. ’t is een regte roezemoes van een jonge.
roezen, ruissen, Stoeien, geraas maken als de kinderen doen. Zie Kiliaan op ruischen.
roppen, roppen, Vellere, caspere, vellicare, zo als Kiliaan ’t ook uitlegt. Een gans roppen is de konst-term der boeren voor een gans de veêren uitplukken. [Plukken is alle veeren schoon uitplukken; roppen: de grootsten uitplukken, de kleinen laten zitten.]
roten, reuten, Het vlas reuten, of in de reute zetten; zie Kil. op rotte.
ruif, reepe, (de). Dus wordt de ruif, waar de paarden het hooij uit eeten genaamd.
ruif, reupe, Ruif, waar uit de paarden hooi eten [of liever waaruit de paarden ’t hooi reupen, afreupen: uittrekken om het te vreten; reupen wordt gebruikt voor gras met gehele handen vol aftrekken, afplukken].
ruigijzel, rouw-ijzel, ruige-ijzel, rijm, pruina, zie Kil. op ijsel enz.
ruilen, ruilen, Buiten de beteekenis van permutare, die Kiliaan alleen heeft, wordt dit verbum gebruikt voor een spel der kinderen, wanneer ze, in een met de twee einden in de hoogte vastgemaakt touw zittende, agterwaards en voorwaards slingeren. Elders zegt men schongelen of schommelen enz., zie Kiliaan op schongelen. De ruile is het aldus vastgemaakte touw.
ruit, ruit, [roet, doch veel korter dan wanneer men roet uit den schoorsteen meent], Onkruid. Zie Kil. op ruiten. De Landlieden zeggen ook wel roeën voor wieden.
runneken, runneken, Brieschen, hinnire.
runnen, runnen, Wordt bij de Boeren hier omtrent nog wel gebruikt voor lopen, zo van mensch als beest. Rennen.
sadde, sadde, sedde, Een ander scheldwoord. Ook wel sadaas. Men zegt het van iemand die korzel, tergziek, grillig is. In Holland kat-aas (’t welk hier ook wel gebruikt wordt Deze toevoeging is, blijkens het schrift, niet van de Twentse commentator.). [Een seddeken is een klein mensch, koe, verken etc., een sadaas een klein dog kwaadaardig mensch; een kat-aas, die gedurig krakkeelt en nog erger is dan een sad-aas. Tw.]
schadde, schadden, Eene andere soort van zooden, die niet gemaaid, maar gestoken worden [niet op ’t veld, maar op ’t veen of veenigen grond]. Zij dienen den boeren in plaats van turf. Kiliaan vertaalt schadde dus ook door cespes, gleba.
schaften, schoften, Het poozen der handwerklieden van hun werk. Schofttijd, de tijd geduurende welke geschoft word. Een schoft, een vierde gedeelte van een dag werkens. Vergelijk Kiliaan.
schande, schande, Kruis-zeel voor kruiers. Galg voor jongens.
schaper, scheper, schueper, Schaapherder. Kiliaan heeft schaeper: opilis, pastor ovium.
scheurwortel, scheurwortel, Consolida Major. Smeerwortel.
schijntje, schijntjen, Rekeningje van schoolgeld. Eigenlijk kiesbriefje, omdat op sommige schoolen een kind, welk het rekentje betaalt, verlof krijgt, en nog een ander kind kiezen mag om in dat verlof te deelen.
schindmerrie, schind-meere, Volgens de uitspraak, anders schind-merrie. Een knol, slegt paard, welk niet te goed voor den vilder is; schinder is in ’t Hoogd. vilder, en wordt hieromstreeks, zo ik meen, ook wel enkeld gebruikt. [In Twente zegt men viller, dog verstaat doorgaans ook het woord schinder; te Zwol heet de viller: rood-scheller, om dat als de huid van eene krenge afgescheld is het vleesch rood laat; in ’t Sticht is krengenslachter ook zoo veel als viller. Voor schind-meere zegt men ook wel een oud hond-aas: een paerd dat niet te goed is om gevild te worden en dus den honden tot aas of spijze te strekken.]
schoer, schoer, Regenbui. Eng. shower. [Een zwaar schoer, donder-schoer, een hagel-schoer; schoer is veel meer dan regenbui; Kil, heeft scheur-regen: plas-regen; den zwaarsten regen die er valt noemt men een schoer; men zegt: Daar komt een schoer op, het trekt verbij, in ’t zuiden hangt een zwaar schoer, als de wind onder dat schoer komt wil ’t sterk regenen, etc.; A.S. scur, scuras, Ps. 77:49, hagal-scure Ps. 104:30.]
schoft, schoft, Ruw onbeschaafd manspersoon.
schol, scholde, Schol, schoolde, bijwoord, Ondiep. Een adverbium. Ik weet niet of ’t wel adjectieve gebruikt word. Men zegt althans: de beek is hier of daar heel scholde; ik denk wegens de platheid en ondiepte van dat vaartuig.
schorremorrie, schorrij-morrij, Een woord welk minagting en mengeling uitdrukt. Voorbeelden: schorrijmorrij van volk, slegt volk. Een korf met onderscheidene soorten van appelen ziende, zoude men zeggen: dat is allerlei schorrijmorrij door malkander.
schorteldoek, scheurreldoek, voorschoot of schort.
schotkruid, schotkruid, Zie citroen-kruid.
schouw, scholde, (een). Wordt in Overijssel een pont geheten, waarmede de rijtuigen en paarden over een rivier gevoerd worden.
schutter, schutters, Zie holting.
schuw, schiw, Molik. Kan dit van schuwen komen? Immers zeggen wij nooit dat het paard schiw maar wel dat het schuw is. [Ook menschen-schuw en iemand schuwwen, ’t gebruik wil dit; zoo zegt men kolde, kelte, kille waterstromen; molik is voor monlik, monliik, eenen man gelijk, A.S. manlic, monlic, statua, imago, effigies humana, M.G. manaleik, manleik, een beeld, zie Jun. Gloss. Goth.]
slag, slaage, slage, Betekent in Twente niet een wagenspoor, dat noemt men een spoor of spaar en wagenspaar, maar het wordt gebruikt van eenen voerweg (rijweg) die veel gebruikt is en een open spoor heeft. Als de voerlieden zien dat twee wegen, waar eene naar een of ander huis loopt en weinig bevaren (bereden) is en de andere naar eene stad loopt, althans sterk bevaren is en open spoor heeft, zich scheiden, zeggen ze van den laatsten: hier gaat de slaage heen, deze is de weg die hetmeest gebruikt en ingeslagen wordt; helleslaage, helleweg, heirbaan betekenen de grote wegen, vias regias. Ook “wagenspoor” in Twente
slim, slim, bijvoeglijk naamwoord, Wij gebruiken ’t niet alleen voor loos, vafer, subdolus zo als Kiliaan heeft, maar ook voor een hoogen graad van ziekte. Bij voorb. hij is zeer slim, d.i. zeer ziek. Men zegt ook in ’t gemeen, dat is slim, slimmer, of het slimste, voor: dat is erg, enz.
sluchterop, slogterop, Dulcamara.
smodde, smodde, ’t Substant. smodde of deszelfs diminutivum smoddeken beteekend hier een gemeen soort van tafelservietten, zoals men aan kinderen of dienstbooden geeft. Ik heb de vrouwen hooren aanmerken dat deze of geene groente smodderig smaakte en dat dit veroorzaakt werd door den aarden pot die te veel met vettigheid doortrokken was.
smodden, smodden, besmodden, Vuil maken. Kiliaan heeft besmockelen in die beteekenis.
smokkelen, smokkelen, smokken, besmikkelen, Ik vinde bij Kiliaan wel smeeckelen, blandiri, palpare en besmackelen, maculare; doch smokkelen en besmikkelen zoek ik ’er vergeefsch. Smokkelen is bij ons sluik-handel drijven, waar van smokkelaar en smokkelarij. Smokken of smokkelen is in den gemeenzamen of boertigen spreektrant ook ’t zelfde als of men zeide kussen en likken. De uitspraak van de o is dof. Besmikkelen gebruiken we voor eerst in de beteekenis van Kiliaans besmackelen en ten tweeden zeggen we iemand besmikkelen voor iemand een roes aanzetten. [In Twente is smokkelen etc. sluiken etc., smokken, kussen dat het klapt; de andere woorden zijn mij onbekend.]
smuisterig, smuisterig, Het zelfde als smullig. Zie Kiliaan op smuisteren. Dit wordt ook wel van ’t weder gebruikt, als de lugt vogtig en regenagtig is.
smullig, smullig, besmuld, bijvoeglijk naamwoord, Bemorst.
snaar, snaar, Wakker, ter deeg. Voorb. een snaar karel; dat gaat ’er snaar op aan. Dus adject. en adverb.
snaar, snaarse, Dit woordt wordt op sommige plaatsen alhier en voornamelijk in Drenthe gebruikt voor schoonzuster. Kiliaan heeft snarre: Sax. Fris. Sicamb. holl. nurus.
snibbe, snibbe, Spijtig, neuswijs vrouwspersoon. Van daar besnibben, dat is op een spijtige wijze berispen, bedillen. Neuswijs. men zegt een snibbe van een vrouw voor een neuswijze of eigenwijze vrouw.
snig, snigge, Een slak. Twenthsch. Ook bij Kiliaan.
soebes, soebes, Nagenoeg het zelfde als lobbes. Maar lobbes schijnd wel zo veel het denkbeeld van goedaartigheid in te sluiten, soebes dat van lompheid of étourderie.
spijker, spijker, Heeren-huis op een buiten plaats. In 1674 eischten de Munsterschen van de burgers der Overijsselsche steden een belasting onder den naam van Spijkerstuijr. Silvius Saken van Staat X B. bl. 52. Vergelijk Kiliaan op Spijcker.
spijt, spijt, Werk uit vlas of hennip.
spinde, spinde, Kas, waar in boter, brood en andere eetwaren bewaard worden. Ook onder anderen in dien zin bij Kiliaan. [Brood-spinde, kaste daar ’t brood in bewaard wordt; spenden, spinden bij Kil., ausspenden H.D. is uitdelen.]
spint, spint, Neutr. gen. Een vierde deel van een schepel: ’t heeft geen pluralis. Zie ook Kiliaan. [Vier spind is één schepel, vier schepel één mudde, 22, 25 of 26 mudde één last; een spind-vat, daar een spind in gaat.]
spocht, spogten, Kerk-duiven. Wilde duiven.
spon, spont, Stop op het bom-gat van een ton. Zo ook spont-gat. Zie Kiliaan op spongie.
spreu, spreu, Uitgedroogd en daar door bros geworden. De landlieden klaagen ook wel dat het koorn in den oogst te spreu is en daardoor bij ’t inzamelen te veel wegvalt. Hoogd. sprö, mager, zwak.
sprokkel, sprokkels, sprikkels, Dunne, afgevallen takjes van boomen. Van hier sprokkelen erb. voor de sprokkels oprapen. Men zegt evenwel niet sprikkelen.
spuug, spije, Speeksel. Ook bij Kiliaan. [Spijjen: spuwen; de slange spyt fenijn, daarvan: spy-feniin: zeer kwaadaardig vrouwspersoon.]
staverzaad, staverzaad, Semen Staphis Agriae. Monnikenpoeder. Lubkruid.
steenmot, steenmotten, Pissebedden. Te Groningen zegt men motsteenen. Kiliaan heeft motte. [In Twente heet men pissebedden motten.]
sterke, starke, sterke, Een jonge koe die nog niet gekalfd heeft. Een sterken-kalf wordt met er tijd een sterke. [Als een kalf jong wordt, vraagt men of het een starken-kalf is of een bollen.]
stieperig, stijperig, Halstarrig, prattende. Van een kind gesproken. Van hier ’t verbum stijperen.
stobbe, stobbe, De wortel van den boom, welke in den grond gebleven is na dat de boom gekapt is.
stoet, stoete, Beteekent hier thans zeer fijn roggen brood. Vergelijk Kiliaan. Het wordt door de landlieden gebakken. [De dorpelingen heten de boeren uit minachting wel boeren stoeten.]
stoet, stoete, Onbeschoft vrouwspersoon.
stolp, stulpe, Pot-deksel. Ook bij Kiliaan.
stop, stob, stop, Op een stop. Dat is, aanstonds.
stork, stork, Ojevaar. Twenthsch. Ook bij Kiliaan.
stortebollen, stortebollen, Over ’t hoofd tuimelen, een kinderspel. Twentsch.
stromp, strumpen, Over-koussen zonder voeten. Zie Kiliaan op strompe.
teil, teile, Platte, ronde, houten bak, de gedaante van een schotel hebbende.
telder, telder, Tafel-bord. Bij ’t gemeen in de steden veeltijds, bij de Boeren bestendig in gebruik.
tijgen, tijen, Kiliaan verklaart dit onder anderen door tendere, ergens heen gaan, en in dien zin wordt het in Twente nog veel gebruikt. [Hij tijde gauw naa huis; laat hem betijen, dat is geworden, begaan; c. Melis Stoke, betijen, betijde is ook beschuldigen.]
toffel, toffelen, toffels, Aardappels. Twenthsch; Hoogd. Kartoffel.
tomig, tuemig, teumig, Ik schrijf dit woord volgens de uitspraak die men het geeft ten platten lande in deze Provincie, waar het nog gebruikt wordt in de zelfde beteekenis die bij Kiliaan gevonden wordt op tomigh, otiosus, vacans. Van hier ook ’t verb. act. tuemen of teumen, bij voorb. tuem ij daar nog wat? d.i. blijft gij nog wat op die plaats? [Men zegt in Twente: ik kan het niet betuemigen = ik heb er genen tijd, gene onleede toe, het paard staat tuemig, doet niets; de H.D. hebben zäumigh. --Tuemen heb ik nooit hooren gebruiken, maar wel tueven (toeven, vertoeven): tueve ij daar nog wat, d.i. blijft gij nog wat op die plaats? houdt gij u daar nog wat op? Mogelik is beide tuemen en tueven in gebruik evenals staven en stamen, boekstaven, stamelen.]
trip, trippen, Vrouwen klompen, van boven geen hout, maar een lederen overtrekzel hebbende; deze worden hier holtsen geheten. Ook te vinden bij Kiliaan.
tuierhout, tuur-hout, Stijl, waar aan de runderen op de stallen gebonden worden. Zie Kiliaan op tuier.
tuig, tuig, Nomen collectivum voor allerhande kleeding.
tuigen, tuigen, Heeft tweederlei beteekenis. De koopman zegt: ik kan ’t niet tuigen daar voor te geven, wanneer hem te weinig voor zijn waar geboden wordt. Ik kan niet tuigen koets en paarden te houden, zegt iemand wiens inkomsten daartoe niet toereikend zijn. Dit laatste is het Engelsche I can not afford it. [Dit woord heeft in Impf. tuigde, etuigd of etuugd; van tuuën voor tuugen zegt men toog, etoogen = trok, getrokken.]
tuin, tuin, Beteekent hier nooit den hof, maar wel een van teen of ander hout gevlogten heining, die den hof of iets anders afsluit. Vergelijk Kiliaan.
tuisen, toessen, Volgens de uitspraak, of tuischen: ruilen, permutare. Zo ook bij Kiliaan. Wij gebruiken ook vertoessen voor verruilen.
tuk, tuk, Zak in eenig gedeelte van een mans kleeding. Een boersch woord. Algemeener van gebruik in ’t boertige. In Drente zegt men busse, waarvan Kiliaan een andere doch gelijkformige beteekenis geeft.
tukker, tukkertjen, Kneutje. [Nen grijzen tukker, nen gellen (geelen) tukker.]
tuntelen, tuntelen, Hoetelen, talmen, iets zeer langzaam verrigten. Dit woord heeft dikwijls ook iets van ’t denkbeeld van futzelen in zig. [Tuntelen, iets doen dog niet beschikken; tuntel-werk, werk daar men niet aan schikken (vorderen) kan; tunteler, die gewoon is te tuntelen.]
tweedonker, tweedonkeren, Kiliaan heeft tweelicht, crepusculum. Wij zeggen in twee-lichten en ook in twee-donkeren voor schemer-avond. [In den tweelichten, in den twee-donkeren, entre chien et loup.]
tweelicht, tweelichten, Kiliaan heeft tweelicht, crepusculum. Wij zeggen in twee-lichten en ook in twee-donkeren voor schemer-avond. [In den tweelichten, in den twee-donkeren, entre chien et loup.]
tweernen, tweernen, Twijnen. Zie Kil. op twein.
twijg, twijg, Teen tot het manden maaken. Het verschilt van rijs alleen zo, dat het eerste éénjaarig en het laatste tweejaarig hout is. Kil. heeft beide de woorden in een algemeene betekenis, waar in wij dezelve nooit gebruiken, wanneer ze een collective beteekenis zullen hebben. Wel zeggen we rijsjen voor een dun takjen.
uier, gier, Het uier van de koe. Neutr. gen. [In Twente zegt men het geer, dog het geer van eene geslagte koe heet men de spunne; sponne, spunne, vetus: borste, mamma, uber, Kil.]
ulk, ulk, Bonzem. Putois van Buffon. Dit wordt ook overdragtig gebruikt. Al boertende noemt de moeder haar kind een ulk om desselfs snedigheid of loosheid uit te drukken. [Men noemt iemand ulke-doof, die zich zich doof houdt; c. den hazenslaap slapen; het woord bunzing heeft men in Twente niet dan in: hij stinkt als een bunzing.]
vaalt, vaalt, vrouwelijk, Mest-vaalt. Een uitgeholde ruimte in de aarde, welke ieder boer bij zijn stal heeft en waar in hij zijn mest bergt. [Vaald is fem. gen.]
vaanappel, vaanappel, Colocynthis. Coloquint-appel.
vademen, veemen, Een naald veemen, een draad door het oog der naald steken.
varen, varen, Men vaart in Overijssel in een vaartuig, het zij schip of wagen, maar men rijdt te paard. [Gevaar, rijtuig; daar is veel gevaar, daar komen veel rij-tuigen voor bij. Bij de A.S. betekende faran niet alleen varen op eenen wagen, maar zelfs ook: gaan. Vervaerd wezen, worden, maken: verschrikt; bier een weinig vervaerd maken: een beetjen warm maken De plaatsing van vervaerd wezen, worden enz. wekt de indruk dat die woorden later zijn toegevoegd, door dezelfde hand.]
vat, vat, Op sommige plaatzen gebruiken de boeren dit woord voor een doodkist.
veken, veken, veeken, Ook bij Kiliaan. Eene zoort van horde van takken gevlogten, die men hier veel in plaats van een hek gebruikt, als ook om voor korten tijd tot een brug over een sloot te dienen. Men zegt hier een vleken of een vlaken.
vergangen, vergangen, bijvoeglijk naamwoord, Voor voorleden. Vergangen jaar, vergangen week voor voorleden jaar, voorleden week.
verknuffelen, knoffelen, Verknoffelen: kreuken, in wanorde brengen. Het linnen is geknoffeld of verknoeffeld. [In wanorde brengen komt hier niet te pas; het wordt gebruikt van papier, linnen, klederen etc.; knötteren is omtrend het zelfde.] Het valt eenigszins in ’t boertige wanneer men iemand dreigende zegt: ik zal u eens knoffelen [of knuffelen: niet hard slaan, maar als ’t ware in malkander drukken].
verplegen, verpleegen, Van alle noodwendigheden verzorgen. Weeskinderen worden in het weeshuis verpleegd. – Hoogd. Pflege, cura.
verspochten, verspogten, Verstikken. Van onbezielde dingen namelijk, als van hout etc.
verweelderen, verweelderen, Verwelken. [Dit woord ken ik niet. In Twente zegt men verwelken en ook wel verzaluwen.]
vim, vimme, Honderd garven [of 120 op andere plaatsen. In Twente viime].
vinder, vinner, Dit woord is niet meêr in gebruik, doch het in onze Stads Resolutien van 1675 gevonden hebbende in de beteekenis van keurmeester van beesten, oordeelde ik het hier een plaats te verdienen.
violet, filetten, Angelieren.
voetspoor, vosper, Dat is voetspoor, teeken welk een dier gaande in de aarde nalaat; want, volgens ’t onderrigt van een’ boer uit Colmeschate, is het geen gewoonte dit woord van een mensch sprekende te bezigen. ’t Is der moeite waard ook een boeren Spreekwijs, waarin dit woord meest en voornamelijk gebruikt wordt, te ontvouwen. Hij heeft in een verkeerden vosper getreden zeggen zij, wanneer ze een mensch, schaap, of ander dier ziek zien, zonder de kwaal te kennen of eene andere dan bovennatuurlijke oorzaak daar van te kunnen gissen; en hunne meening is deze. De plaats waarop een mensch vermoord is, ik zeg bepaaldelijk vermoord, want als iemand wettig, het zij in oorlog, het zij van gerichts wegen, gedood is geldt het niet; zulk eene plaats heeft die eigenschap, dat, wanneer in ’t vervolg eenig mensch of beest op dien zelfden dag van eenig volgend jaar, hoe lang ook daar na, en op ’t zelfde uur en oogenblik waar op de moord geschied is, op die nootlottige plaats treedt, dezelve daar door op eene zekere wijze word aangedaan, waarvan zij, zeker zo min als van andere herssenschimmen, geen verder berigt kunnen geeven. Doch zij kennen de kwaal en kennen ook het geneesmiddel; ’t welk hierin bestaat, dat een der bijwezenden in zijn slinker schoen zijn water maakt en zulks aan den Lijder te drinken geve. De boer, van wien ik dit heb, verzekerde mij, en ik heb geene reden om zijn zeggen in twijfel te trekken, dat hij dit middel zelf aan een’ anderen, dien hij noemde, behalven ook wel aan beesten, ’t welk gemeen was, had zien toedienen; en dat, hetzelve geen goede uitwerking gedaan hebbende, men getragt had tot een ander van den zelfden aart toevlugt te nemen: men haalde namelijk in allen ijl een mes ’t welk niet ver vandaar (in Epse) bewaard wordt en waar mede wezenlijk een moord geschied is, met dit mes sneed men een stuk brood en dit moest de lijder eeten, om van den invloed van den kwaden Vosper verlost te worden: doch dit kwam te laat, de man was te ziek om het te kunnen slikken, en het was niet voor toen dat men in ’t begrip kwam van een’ heelmeester te haalen, die den lijder genas. [In Twente zegt men vöspel (de klank der ö verschilt van o en o in hol en vol), het eerste dee1 van ’t woord is mogelik ene verkorting van voet; dat het nooit voor de voetstappen van een mensch gebruikt worde, durve ik niet verzekeren; hij heeft in etc. is mij onbekend De woorden dat het nooit enz. tot en met de woorden mij onbekend zijn (door dezelfde hand) in het handschrift doorgehaald. Deze kanttekening is door de commentator bij het begin van het artikel Vosper onder aan de pagina gezet; de volgende, blijkbaar de vrucht van nadere informatie in Twente, staat enige regels lager in margine.; vosper zou zoo veel kunnen wezen als voetspoor; de H.D. heten de vospelen van een hert ferte.] [In Twente gebruikt men ’t ook voor de voetstappen van een mensch en de spreekwijs hij heeft in ne kwaa vospel etraeën wordt daar ook gebruikt van iemand wien schielik eenige ziekte overvalt en van wien men denkt dat hij behekst is, dog van de overige omstandigheden heeft men mij niets kunnen zeggen.]
volmolen, folmolen, Men zegt ook vullemeule.
voormee, voormee, voormede, Wordt genoemd zeker bedongen geld, dat de huurder van een boereplaats bij het ingaan der huurjaren aan den eigenaar in het gerede betaalt.
vrouwmens, vrommes, Voor een vrouwspersoon. Gemeenlijk wordt het in eenen kwaden zin gebruikt. Het is een slegt vrommes.
vruchten, vruchten, Vrezen. Ik vruchte = vreze. Hiervan godvrucht, godvruchtig; H.D. forchten, A.S. forhtun, Alem. forahtan, Dan. frycte, bij Kil. vorchten, vruchten, c. Datheen Ps. 33:9.
vruchten, vruchten, vrugten, (het land). Alhier zegt men vreën, afvreën; een vree: een heining; het land in een vree brengen: het land afschutten.In ’t gemeen, een land of akker op de eene of andere wijze afschutten; meer bepaaldelijk doorgaans voor omtuinen of ’t leggen van doornen rondsom den akker. De vrugt is de tuin of de doornen die om den akker gelegd zijn. [Dat land is goed in de vrucht.]
vruchtveulen, vorgtvul, Merrie-veulen; vul is altoos gebruikelijk voor veulen. [In Twente zegt men een maerenvul, een hengste-vul. Wat vorgt zij is mij geheel onbekend. In Twente noemt men een maerenvul tot dat het vier jaar is: ne völke.]
wachtel, wagchel, Kwartel, kwakkel.
wachten, wagten, Tijd hebben. Bij voorb. ik kan ’t niet wagten: ik heb geen tijd. [Wachten en waaren, een term gebruikelik in opdrachtsbrieven.]
wade, waê, Contracte van wade. Waê van ’t been, poples. Ons gebruik verschilt dus van Kiliaan die het door sura vertaalt.
walraat, walraad, Sperma ceti. Walschot.
wandluis, wandluis, Zeer eigenaardig voor weegluis, ook bij Kiliaan.
wanken, wanken, Wordt op sommige plaatzen ten platten lande voor gaan gebruikt.
watervlier, watervlier, Ebulus sambucus. Wilde vlier.
wede, wiê, Volgens de uitspraak, bij contractie voor wiede, teen met een oog, waar mede men takkenbosschen enz. zamenbind. Dewijl de takken van den wilgeboom hier toe veel gebruikt worden is de Etijmologie ligt op te maken. Zie Kiliaan op widde. In Munsterland zegt men nog wiede voor wilge. Wiede is bij Kiliaan vimen en funis. De zin waar in wij wiê gebruiken voegt beide beteekenissen te zamen, want wij nemen ’t voor een teen, welk en in plaats van een touw gebruikt, om hout enz. zamen te binden.
weder, weerts, Een hamel. Zie Kiliaan op weder.
week, weeke, Het mannetje van de eend, ook bij Kiliaan. [Nen waek, den waek zegt men in Twente.]
weem, weeme, Predikants huis ten platten lande, zie ook Kiliaan, en A. de Rooij Mengelstukjes.
weep, weepe, Teen of ander diergelijk hout te zamen gebonden, om de onderste vastigheid van een wal langs een gragt enz. te maken. Fr. saucisson.
weerzaam, weerzaam, Wordt gebruikt van spijs, die schielijk tegenstaat. Ook heeft men ’t verbum weeren. Bij voorb. die kost weert mij, dat is ik kan er weinig of niet van eten zonder dat hij mij tegenstaat.
wees, weesjen, Prieeltje, zomerhuisje. Dit woord heb ik omstreeks Elburg hooren gebruiken.
weesboom, weezeboom, mannelijk, Een lang hout, in ’t lange over een wagen met hooi of koorn gelegd en vast gebonden wordende om ’t afvallen voor te komen.
wegge, weggen, Tarwen brood. Zie ook Kiliaan op Wegghe. [Weggene-melk: gekookte zoete melk daar witte brood in gebrokt is; het is nog in de weggen-wecke: ’t zal nog wel erger worden, van kinderen die eerst onlangs op school, bij een ambacht of in dienst gekomen zijn en juist niet altijd zoo zacht en vriendelik zullen behandeld worden, maar ook eens in de broodweke komen.]
weit, weite, Tarwe. Ook bij Kiliaan. [In Twente is weite: boekweite, witte weite: tarwe. A.S. hwete Chron. Saxon. pag. 156, 157.]
welle, welle, De algemeene beteekenis hier van heeft Kiliaan op Welle, Walle, doch ’t is aanmerkelijk, dat te Deventer zo wel als te Zutphen de weg of straat, die tusschen de stadsmuur en de rivier loopt, de Welle genaamd wordt. Men zegt: hij ging op de Welle. Wel-zand beteekent hier het arena instabilis van Kiliaan.
wieg, wiege, De ter waterloozing dienende opening tusschen twee naast elkander staande huizen [Kiliaan heeft krimpe: pletse], welker wanden zich niet raken. [In Twente zegt men gruppe en daarvan heet ook te Deventer grupaas: een popjen of tonnetjen dat zich in de gruppen ophoudt en waaruit de drek-bijen voort komen.]
wieme, wimme, wieme, Juist als bij Kiliaan, de plaats, daar ’t gerookte vleesch opgehangen wordt.
wierig, wierig, Levendig, lustig. [In Twente werrig; een werrig kind, kuiken etc.; hij ziet zoo werrig uit de oogen. Ik weet niet dat het van volwassene menschen gebruikt wordt; c. wieren, videre, bewieren, bekijken bij Kiliaan.]
wijer, wijjer, Visch-wijjer, voor vijver. Twenthsch.
wilmoeds, willemoeds, Met opzet. Zie Kiliaan op willemoedigh.
wormkruid, wormkruid, Semen tanacetum. Boeren Wormkruid. Rijnvaren.
worstelen, froesselen, Een jongensuitdrukking voor uit kortswijl worstelen. [In Twente zegt men vroeschelen; van worstelen, worschelen, komt door de gewone verzetting van r: wroschelen, wroeschelen, en op zijn Twentsch, daar men wr niet gebruikt: vroeschelen; c. wrastelen, wratselen bij Kil.; wrisil: worstelaar, Oudd. achter Sewels Spraakkunst.]
wrangwortel, vrangwortel, Helleborus niger. Zwarte nieswortel.
zeeg, zeege, Geit, wijfje van den bok.
zende, zende, Zeijsen, zeis.
zicht, zigt, Een zoort van zeis geschikt om koorn te maajen. [Dezen heet ook bouw-zicht.] Een plaggen-zigt, die van eene geheel andere gedaante is, dient tot het maajen van zooden uit de heide. [In noordholland gebruikt men, zoo ik meen, zegel en zegelen voor zicht en met eenen zicht majen.]
zijg, zije, Teems. Zie Kiliaan op Sijghe.
zijl, ziel, zijl, Dus wordt in dat gedeelte van Overijssel aan Friesland grensende en doorgaans ook in Friesland een sluis genaamd. Kiliaan heeft sijle, sille: holl. fris. incile, aquagium, cataracta.
zog, zogjen, Voor Zweesrik. [Het zoch.]
zomp, zomp, Wordt ook een lange smalle schuit geheten, met welk soort van vaartuigen de Overijsselsche Vegt en de Regge bevaren worden.
zuip, te zoep en te bijt liggen, Een spreekwijs die in ’t Kwartier van Vollenhove bekend is en van een land of weg gebruikt wordt, die
zulle, zul, Twenthsch; dat is dorpel; waar voor men anders in Overijssel drumpel zegt. Zie Kiliaan op suile.
zwanenbrood, zwanenbrood, Zie dudels.
zwil, zwil, Eelt; bij Kiliaan ook swil.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal