elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57

aak, aak?, aake joe?, is het niet zoo?
aanstee, aenste, aangezigt
aardbei, aerebezems, aardbeziën
ajuin, juun, ajuin
alikruik, aelekrukels, alikruiken
bagge, bagge, sluitmand
bakslee, bakslee, ysslede
bang, bang, misselijk
bekaaid, bekaaid, verkeerd
bijsmak, bijsmak, bij of toevoegsel, vooral van iets onverwachts en verblijdends; eene buitenkans
blaten, bleeten, schreijen
bocht, bogt, gesloten bank in de kerk
bonket, bonket, stuiter, een steenen bikkel
borre, borre, geldbeurs, kerkzakje
bout, bout, pit of steen van eene vrucht
brug, brugge, brug
bruiloften, bruloften, bruiloft houden
deeg, deege, vermaak
dicht, digte, dikwijls
dommelen, dammelen, met de voeten stommelen
doornappel, doornappels, kruisbezieën
drank, drank, paarden-wed
dreef, dreef, rijpad over het land
eeuwkant, eeuwkant, lang moerassig land, aan een’ waterkant
eg, eije, egge
elder, elder, uijer van eene koe
emt, eente, mier
enkel, enkel, ienklaauw, enkel, gedeelte van den voet
ergens, iwers, ergens
fijt, aviet, den aviet, de fijt
folen, foolen, sollen
fooien, fooijen, pot verteren
framboos, bramboezems, frambozen
gedoente, gedoente, gedoetje, bezitting
grep, grippe, greppel
gruis, gruus, zemelen
haar, haar, links, in gebruik bij paarden mennen
helder, helder, halster
helegans, heelegansch, geheel en al
hikkelen, hikkelen, hinken, op één been springen
hiltiken, hilteken, bikkelen
hiltkei, hiltekeitjes, keitjes in het zand
hittik, hittik, regts, in gebruik bij paarden mennen
janken, janken, schreijen
jij, joe, gij
kachel, kagchel, veulen van een paard
kalken, kalken, witten
katijvig, katievig, pijnlijk
keet, keete, kookhuis, afgezonderd van het woonhuis op eene boeren werf
kelf, kelf, net, ordelijk
kerstwegge, korssewegge, kersmis-koekjes, kersbrood
keurs, keurs, vrouwenrok
keuvel, keuvel, vrouwenmuts (eilandsche)
kibbels, kibbels, kaken van een’ visch
kikker, kikker, kikvorsch
kittig, kittig, knap, goed, aardig, vooral van een’ kranke als hij iets beter is
kleed, kleed, wollen voorschoot
klens, kleens, melkzeef
klepper, klipper, rijpaard
klus, klusje, een klein drafje, ook een klein vrachtje
kluts, klus, klos; hij is de klus kwijt, hij is de draad kwijt
knijpzak, niepzak, blaasbalg
knuppel, klippels, knuppels
koopdag, kaapdag, verkooping
kooszak, kooszak, dij of zijzak bij vrouwen
koppenspin, koppespin, spin
kriek, krieken, kersen
krooi, kroo, bijeen geschoolde menigte
kuis, kuus, geheel leeg
kuit, kiete, kuit
kuizenboter, kussebutter, reuzel
kwibbe, kwibbe, kin
langen, langen, aangeven, halen
lei, leijen, vloertegels
leut, leut, vermaak
lui, looi, laf, flaauw
lurp, lurp, beurs (peer of appel)
lusze, lusze, een achter of schuurhuis
lutje, lutje, weinigje
mangelen, mangelen, verruilen
marbel, mulpers, knikkers van marmer
markt, mart, kermis
meutje, meutje, moei, tante
miestig, miestig, voor den overtreffende trap, b.v. miestig mooi, zeer fraai
min, min, baker
minke, minke, eenige weinige
moerbei, moerbezems, moerbezieën
molenaar, meulenaers, meikevers
mutsaard, musterd, takkebos
naaier, naaijer, kleerenmaker
navel, naebel, navel
navelhuisje, naebelhuusje, het spinnetje in een hemd
nergens, nieuwers, nergens
neusdoek, neusdoek, zakdoek
ongans, ongans, ongesteld
onklaar, onklaer, ziekelijk
onnozel, onnoozel, ziekelijk, ongesteld, vooral van slepende ziekten
ont, ont, morsig, vuil
onterd, ontert, een vuil mensch
oom, naam, oom
oomzegger, naamzegger, neef
opril, oprel, oprid aan een’ dijk, oprijplaats
peen, peen, wortelen
pelerwt, pelerten, doperwten
piel, pielen, jonge eendvogels
pijpensluif, puupe slufje, pijpedopje
plimpen, plimpen, ziekelijk zijn
ploeggang, ploegsgank, grootte van een land zoo als het bezaaid wordt
plok, plokke, ruif
pluim, plumen, veeren van een bed of van een’ vogel
prakken, prakken, eten fijn maken
priegen, priegen, haasten
priem, priem, breinaald
pungelboom, pongelbaam, een boom waarmede men een voer hooi of koren vast sjort
pungelen, pongelen, een voer hooi of dergelijke met het touw vast aanhalen, dat om den pongelboom vast is
raagshoofd, raegshood, raagbol
reeks, reek, rij, reeks
rijf, rive, hark
roepaard, roepaerd, paard voor de hand, voor een rijtuig
rug, rik, rug
schaloos, schaeloos, beschadigd, van een schip dat binnen komt
schavelen, schaveelen, goed afloopen eener zaak
scheel, scheel, deksel van een’ ketel
schorteldoek, schutteldoek, vaatdoek
schouw, schouwe, schoorsteen
schuif, schuve, lade van eene tafel
schuren, schuren, schrobben
seffens, seffens, plotseling
sjabloon, schampeljoen, patroon van een kleed
slij, slië, gulzig
slijklap, sliklappen, slobkousen
slikloper, sliklaaper, kwikstaart
slim, slim, scheef, schuins
sluif, sluve, omslag van een boek
snaar, snaere, schoonzuster
snikkeren, snikkeren, aan kleine stukjes snijden
snuiver, snuver, stookplaats in eene achterkeuken
solfer, solfer, zwavelstok
somtemets, somtemet, somtijds
sop, sop, saus
spinde, spinne, etenskas
steeldief, steeldief, dief
steunen, steenen, hulp bieden bij eene bevalling
stikkerslee, stikkerslee, prikslede
stramien, tremien, vergiet-test
struikelen, strukelen, stollen
struil, struil, straal
stuit, stuitje, eene korte poos
stuk, stik, boterham
stuwen, stouwen, voortdrijven
tiel, tielen, kootjes, (schapen) om mede te bikkelen
tiet, tieten, kuikens
toot, tote, mond
top, toppe, tol
touter, touter, schommel
tras, tras, regenbak
tuig, tuug, van zekere goederen met verachting gesproken: wat is dat voor tuig.
tuin, tuun, het hekje om den preekstoel
twint, twint, terwijl, intusschen
uitlandig, uutlandig, buiten het eiland op reis
ver, vare, veraf
vette kaas, vettekaeze, zoetemelksche kaas
vleeskuip, vleisch kupe, vleeschkuip
voetselen, voetselen, met de voeten tegen elkander springen
wateren, wateren, het vee drenken
weet, weete, berigt, kennisgeving
wel, welle, waterput
werf, wurft, werf (boeren)
wijlieden, wile, wij
wijnsteker, wiinsteker, wijnkooper
winterneven, winterneven, vrienden bezoeken in den winter
wricht, wrigt, wreef
zaaiensveld, zaaijensveld, grootte van een land, zoo als het bezaaid wordt
zeug, zeuge, pissebed
zolen, zoolen, schroeijen
zult, zult, hoofdkaas
zulten, zilten, zouten
zwaluw, zwaemel, zwaluw
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal