elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman

aalbes, aalbeerns, aalbessen
aamt, oam, opzwellen van het uier en omgeving na het afkalven
aanboeten, aanbuiten, (ouderwets), de kachel aanmaken
aandoeken, aandoeken, (tegen iemand aan), aankruipen
aangelopen, aanlopen, (teeve is aanlopen), gedekt
aanhemelen, aanhemmeln, iets netjes maken, schoon schip maken
aanhoren, aanheuren, (ouderwets), in de tijd dat nog bijna niemand een courant las, ging men o. a. naar de kerk om aan te heuren. Bedoeld wordt: de afkondigingen die werden gedaan als b.v. koe vermist, schouw over sloten, enz.
aanjuk, aanjuk, zie twijknuppel
aanlangen, aanlangen, toereiken
aanmakers, aanmokkers, (ouderwets), aanmaakturven
aannemen, aannemen, afleggen van geloofsbelijdenis
aanpaarden, aanpittjen, iemand ergens toe aanzetten
aanrijden, hai rit aan, hij komt op de koffie
aanschopperij maken, aanschopperij moaken, pogingen doen om verkering te krijgen
aanstonds, stonties, (ouderwets), aanstonds
aantekenen, aantaiken, in ondertrouw gaan
aanvoren, aanvurgen, een rug ploegen
aanwennen, n aanwennen, een gewoonte
aardappel, eerappels, eerbels, aardappelen
aardappels prikken, eerappels prikken, (ouderwets), het denatureren van eetaardappelen (crisismaatregel ± 1930)
aardappelsjouwer, eerappelsjaawer, (ouderwets), zeef met modderrooster
aardappelzomer, eerappelzummer, mooie nazomer
aardbei, ittje baaien, aardbeien
aardpopel, eerpopel, aardveil, hondsdraf
aars, moars, moaze, achterste
aars, neers, achterste
aarzelmaand, oarzelmoand, (ouderwets), oktober
aasdomsrecht, aasdomsrecht, (ouderwets), oud stelsel van recht bij versterf
abc, oa, bij, cij, (ouderwets), zegswijze van het a, b, c
abuis, buuls, abuis, in de war
accorderen, akkedaaiern, 1. een accoord maken. 2. goed met elkaar overweg kunnen
achtentwintig, n acht en twintig, (ouderwets), geldstuk
achtentwintigstuiversrooster, acht en twintig stuvers reuster, (ouderwets), benaming die de onderlinge afstand der spijlen van een aardappelrooster aangeeft
achterbind, achterbint, touwen om een voer hooi of koren vast te sjorren
achtergoding, achtergoding, (ouderwets), nevenvorm van goding
achterhut, achter hutte, zie stookhok
achterplank, achterplaank, achterplaanke, (ouderwets), brede plank om de wipkarbak af te sluiten
achtkant, t achtkaant, de romp van een molen
Adam-en-Eva, oadoam en evoa, monnikskap (plant)
adder, edder, adder
adderruit, adderroet, varens
adieu, tjeu, adieu (afscheidsgroet)
Aduard, Auwerd, Aduard
affaire, affeer, beroep (ambacht)
afgescheiden, ofgeschaaiden, (ouderwets), afgescheidenen. Ruim honderd jaar de benaming van hen die zich in 1834 van de hervormde kerk afzonderden
afgescheiden kermis, ofgeschaaiden kermis, (ouderwets), zendingsdag
afgescheiden regen, ofgeschaaiden regentje, motregen
afhemelen, ofhemmeln, schoonmaken
aflegger, oflegger, (ouderwets), graanmaaier met vier wieken die de garven ongebonden aflegt
afnasjen, ofnasken, ofnasjen, stiekem iets weg nemen
afniefelen, ofnieveln, stiekem iets wegnemen van een ander
africhelen, ofriggeln, afrasteren
afslaan, ofsloagen, 1. afslaan. 2. doet een merrie (soms) bij de hengst
aftegelen, oftiggeln, 1. een pak slaag geven 2. klei wegvoeren van het land naar het tiggelwaark
aftokken, oftokken, aftroggelen
aftroffelen, oftroeveln, afranselen
afverrelen, ofvurreln, 1. doorzagen van een dier, dat voor de geboorte blijft steken. 2. met voeten iets afmeten
afvoeren, ofvouern, kort voor bedtijd laatste voer aan het vee voorleggen
afwaller, ofwaalder, groot glooimes (om slootwal schuin te maken)
afwennen, ofwênnen, jonge dieren geleidelijk van de moeder afwennen
afwinnen, t nijjoar ofwinnen, elkaar gelukkig nieuwjaar wensen
akkefietje, akkefietje, onaangenaam karweitje
akkerstudent, akkerstudent, schertsende benaming voor leerling van een landbouwschool
akkoorden, akkottjen, een accoord maken
al, aal, wel (bv. in: aal woar)
algedurig, aalgedureg, nu en dan
allerdeegs, allerdeegs, zelfs
Allerheiligen, Aldriln, Allerheiligen
allerheiligenmarkt, Aldrilnmaark, jaarmarkt in Winschoten (een week later: lutje Aldrilnmaark)
allernaarst, aldernoarst, heel erg
allerwegen, aal wegens, overal
almangs, antmangs, soms
als, as, 1. als, indien. 2. groter as = groter dan; ast, astoe, als jij.
alsem, aalze, alsem
altemet, assmis, soms
alterkwalter, alterkwalter, rommel, wildernis
altijd, ait, altijd
amandelklier, mantelklieren, amandelen (in de keel)
Amerikaan, amerikoanen, (ouderwets), aardappelras
Amiens, oamias, ommejas, ommias, geribde zware stof voor werkbroeken
ander, n ander, 1. elkaar. 2. ik zelf
anders, aans, anders
andertje, t andertje, de tweede zwerm uit een bijenkorf
angel, angel, 1. hengelstok. 2. wrok. 3. karakter
apotheek, aptaik, apotheek
appelbuis, appelbuus, (ouderwets), grote zak die vrouwen onder de bovenrok droegen
april, Pril, april
arbeiderskoe, aarbaiderskou, (ouderwets), geit
arend, oarend, 1. ring aan zeisboom 2. arend
argueren, aggewaaiern, lawaai maken, koude drukte
arkeneel, akkenail, arkenail, dakkapel
arks, aarst, vel schrijfpapier
arm, aarms, 1. armen (ledematen). 2. uitsteeksels aan een veurbred
armmeester, aarmmeester, (ouderwets), armenverzorger
as, aaske, as (verbrand iets)
asschop, asschop, (ouderwets), schop bij turfgraven gebruikt
ausweis, ausweis, (in bezettingstijd), legitimatie die bewees dat men van bepaalde diensten was vrijgesteld. Ze werden door de illegaliteit veelvuldig vervalst. Sommigen presteerden: ausbewijs
aveel, awailen, oliehoudend zaad, verwant met koolzaad
aveelzaad, awailzoad, oliehoudend zaad, verwant met koolzaad
baan, boane, baan (in strokartonfabriek)
baander, bander, (uit het engels), grote schuurdeur
baanderdeur, banderdeure, (uit het engels), grote schuurdeur
baanje, boanje, hemdrok
baar, baarf, baarve, draagbaar zonder poten
babbelguigjes, babbeleguchies, grapjes
Baflo, Bavveld, Baflo
bagger, bagel, bagger (harde vierkante turfjes)
bak, bak, 1. bak. 2. mop. 3. kwart hectoliter
baker, boaker, (ouderwets), baker (kraamverzorgster)
bakkelen, bakkeln, wapperen
bakstaf, bakstaf, ergens beu van zijn
bakzeilen, bakzailen, terugkrabbelen
balie, boalie, balie (lage kuip)
balk, baalk, bergplaats boven de stallen
balkduister, baalke duuster, erg donker
ballast, ballast, 1. kwajongen. 2. rommel
ballaster, ballaster, soort schop
bandeloos, bandeloos, bandeloos is een koe waarvan de banden na het afkalven hun stevigheid niet terugkrijgen. Het dier wordt dan in mindere of meerdere mate dol.
bandijzen, bandiezen, razen en tieren, uitvaren
banjeren, t baantjet d’r om, ongeveer, het loopt er om
banket, banket, 1. banket. 2. onderwal
barg, baarg, baarge, gecastreerde beer
bark, bark, (ouderwets), vaartuig
barries, barries, 1. grote hond. 2. stevige jongen
bassie, bassie, deel van een slachtdier
bat, badde, brug
batjer, batjer, kogel voor noten schieten
bats, batse, soort schop
batterij, batterij, 1. batterij. 2. achterwerk. 3. aargns mit op batterij kommen = ergens mee op de proppen komen
bed, bèrre, bed
bedapperen, bedappern, zich bedwingen
bedegen, bedegen, degelijk handelen
bedlichter, bèrlichter, (ouderwets), bedlichter
bedorven, bedôrm, bedorven
beefesp, beefespe, (ouderwets), esp
beendermeel, baindermeel, beendermeel, werd als meststof gebruikt
beer snijden, beere snieden, de beerput ledigen
beest, baist, 1. koe, doch meestal in het meervoud gebezigd. 2. jongbeest, pink.
begleren, begleren, met de vingers iets vuil maken
begrotelijk, begrootluk, jammer, spijtig
bejaagd, bejacht, er is niks aan bejacht: er is niets mee overhoop
bekeukelen, bekeukeln, begoochelen, beheksen
bekolm, bekolm, 1. bepaalde noot bij het noten schieten. 2. de eerste of voornaamste uit een gezelschap
bekwaam, bekweem, bekweemkes, bekweempjes, 1. rustig, stil. 2. mager, ziekelijk. 3. bescheiden. 4. schijnheilig
belappen, belappen, aine belappen; iemands kleren in orde houden
beleren, beleren, een paard leren trekken
belslee, belslee, (ouderwets), arreslee
bengel, bingels, belletjes aan ooriesder
bengel, bongel, ruw stuk hout
bengelen, bongeln, zie bommeln
benig, baineg, ter been, overeind staan
bent, bunt, buntgras
benzen, benzeln, zenuwachtig heen en weer lopen, vooral van koeien
berappen, berappen, voor de kosten opdraaien
beren, beren, 1. beren. 2. schreeuwen, luidruchtig praten
berg, baarg, baarge, 1. berg. 2. veel.
beseffeloos, sevveloos, wezenloos
besodemieteren, besodemietern, bedriegen
bestellen, bestellen, 1. bestellen. 2. zaaien
bestoot, bestöt, 1. in orde. 2. vermagerd
betrekken, aine betrekken, iemand op slinkse wijze benadelen
betrouwen, betraauwen, 1. door huwelijk bezit verkrijgen. 2. vertrouwen
betuin, betuun, schaars
beudel, beudeltje, dreumes
beugel, beugel, beugeltas
beun, beune, 1. zolder. 2. gehemelte
beun, bunens, los- en laadsteiger
beuzelen, bozzeln, hard lopen
bezem, bessem, bezem
biest, baist, biestmelk
biezen, birzen, wilde manier van lopen
big, big, (bijvoegelijk naamwoord) groot, erg
bij name, benoam, vooral, voornamelijk
bij voren, beveuren, te voren
bij zetten, bie zetten, nu en dan
bijsporen, biesporen, bijsporen = voor een wagen gespannen paard of paarden zodanig mennen dat er geen slenken in de laan komen of zelfs reeds bestaande slenken effenen
bijvoorbeeld, bievubbeld, bijvoorbeeld
bijzetten, bie zetten, bij zetten
bik, bikke, zie welhoak, welhoake
bikselen, bikseln, met smaak eten
bilderen, bildern, zeer druk lopen
binderen, bindern, (ouderwets), met de zelfbinder graan maaien
bink, binkie, bovendeel van de poot van een geslacht varken
binnenbrief, binnenbraif, (ouderwets), brief van een zeeman waaruit bleek dat hij een bepaalde haven is binnengekomen
binnenland, binnenlaand, 1. binnenland. 2. kamp land zonder de wendakkers
bint, binten, 1. zware opstaande stukken rondhout in de schuur. 2. zie achterbint
bit, bit, 1. bijt in het ijs. 2. mondstuk van paardetoom of pijp
bladderen, bladdern, loslaten van verf
blauwstern, blaauwsteerntje, stern, moerasvogel
blauwvalk, blaauwvaalk, blaauwvaalke, 1. sperwer. 2. Vlaamse gaai of meerkol
bleek, blaike, bleekveld
blèren, bleren, 1. blaten van schapen 2. klaaglijk huilen. 3. onwelluidend zingen
bliekvaars, bliekveerze, jonge koe met taaie vloeistof (bliek) in de uier
blikken, aal om blikken, tamelijk vaak
blikken, blikken, (ouderwets), biggen een blikje in het oor bevestigen (crisismaatregel)
blindalarm, blindelaarm, kinderhorloge zonder uurwerk
blindlabbe, blindlabbe, kinderhorloge zonder uurwerk
bloedmaand, bloudmoand, (ouderwets), november
bloedmest, bloudmizze, (ouderwets), bloedmest. Veel paarden sloegen op hol als deze meststof van de wipkar af werd gestrooid.
bloeihak, bluihakken, bloei (beengebrek bij het paard)
blok, blokken, 1. blokken. 2. overblijvende gedeelten in het veen die afzonderlijk worden vergraven
blokje, blokkie, (ouderwets), stuk hout waarin katrolletje aan de veurbint (zie achterbint)
bloot, bloots, enkel, alleen
bluisterig, bluisterg, rood opgezet, driftig, warm
boekboor, boekboorre, zie tisternait
boekoe, boekou, (kindertoal), koe
boekweiten Jantje, boukwaaiten Jaantje, 1. boekweitengort 2. vrouw zonder pit
boekweitmaan, boukwaaitmoane, (ouderwets), maanstand die gunstig heette te zijn voor het zichten van boekweit
boekweitmolenaar, boukwaaitenmulder, (ouderwets), eertijds een beroep van enig aanzien, vaak in archieven vermeld
boekweitzomer, boukwaaitzummertje, (ouderwets), een zomer die pas laat mooi weer geeft en waarvan vooral de boekweit profiteerde (laat gewas)
boerenkaffer, boerenkavver, spotnaam voor boer
boerenket, boerenkidde, (ouderwets), dikke boerenmeid of boerendochter
boerkist, boerkist, (ouderwets), bewaarplaats van de notities der boerrichter
boermeester, buirmeester, (ouderwets), het hoofd van een marke; zie ook rigter
boerrechter, boerrichter, buirrichter, bourrichter, (ouderwets), het hoofd van een marke; zie ook rigter
boeshapper, boesapperd, 1. boeman. 2. schrik
boesjood, boesjeude, (ouderwets), bangmakertje voor de kinderen
boezem, bozzem, schoorsteenmantel
boezen, boazen, ijlen
bok, bok, 1. bok. 2. gewestelijk wordt de geit ook bok genoemd, voorts mannelijke dieren die elders ram worden genoemd
bok, bokken, (ouderwets), vaartuigen
bokkenlaan, bokkeloantje, bekend laantje in het Ter Apeler bos
bokkenpoot, bokkepoot, bepaald model kwast
bokking, bukkens, bokkingen
boks, boksem, broek
bokselen, bokseln, zich ergens zwaar voor inspannen
bolschup, bolschop, (ouderwets), spade om sloten en greppels te graven
bolster, bolster, soort veen
bommelen, bommeln, slingeren van een hangend voorwerp
bonk, bonke, bot, been
bonkaarde, bonkeerde, bovenlaag van het veen
bonkenzoeker, bonkezuiker, (ouderwets), voddenraper
bonkijzer, bonkiesder, (ouderwets), spade om greppels in het veen te graven
bonte lieuw, bonde laiw, bonde lieuw, scholekster
boodschap, bosschop, (ouderwets), boodschap
boom, boom, 1. boom. 2. bouwvoor. 3. deel van wipkar of zeis
Boon, Boon J.A., een Amsterdammer die in 1840 met de fabricage van aardappelmeel begon (2 jaar voor Scholten). Het bedrijf ging spoedig te gronde.
boor, boor, boore, 1. boor. 2. smalle schop 3. (ouderwets), gereedschap om aardappelen te poten
bord, bred, houten schot
borstig, brosteg, rechtop staand
bosklopper, bosklopper, 1. wildeman. 2. eekschiller
bot, bot, erg
bot, bot, vliegertouw
boter, botter, boter
boterheks, botterheks, avondvlinder (rood weeskind)
botter, botter, soort schip
bout, bolde, bout (van metaal)
bouwmannetje, baauwmantje, witte kwikstaart
bouwte, baauwte, het omgeploegde land
boveneinde, t bovenende, woongedeelte van boerderij
bovenlander, bovenlander, licht gebouwd landbouwpaard
bozebelder, beuzebelder, spokende geest die mensen in de slaap betovert, boeman
braak, broake, bakkersgereedschap om het deeg zacht te maken
braam, brommels, brummels, bramen
braamknop, brommelknopies, (ouderwets), gouden knopen aan hemdskraag
brabel, bribbel, dunne modder
brabel, bragel, modder
braken, breken, braken
brandcultuur, brandcultuur, (ouderwets), het afbranden van de zode op het hoogveen, voor ze in cultuur werd gebracht
brandnetel, branekkel, brandnetel
braskorf, braskorf, (ouderwets), grote sluitmand
breed, braid, breed
breedte, bredte, breedte
breken, breken, breken
brekvallig, brekvalleg, vervallen, versleten
brems, bremster, horzel, paardevlieg
brik, brik, brikke, 1. damschijf. 2. open vierwielig rijtuig. 3. vaartuig
brit, braiten, stukken, brokken
brits, britse, modder
broek, broek, (ouderwets), paardetuig dat de dijen der paarden omsluit
broeken, brouken, broeklanden (drassige landerijen)
bron, bron, keelziekte
brugge, brug, brugge, brog, brokkie, snee roggebrood
bruiloft, brulof, bruiloft
bruintje, broentjes, bruin gebrande schijfjes aardappel
bruis, broes, schuim
Brunswijker, brunswieker, (ouderwets), bepaald model leverworst
bubbeltje blazen, bobbeltje bloazen, brobbeltje bloazen, bellen blazen
buffel, buvvel, 1. buffel. 2. lomp gevoelloos iemand
buik, boek, buikdenning in een schip
buikdenning, boukdailn, buikdenning in een schip
buil, buultje, kerkezakje
buis, boisie, (ouderwets), buis, jak
buis, buus, buutse, broekzak
buisdoek, buusdouk, zakdoek
buiten, buten, ruilen
buiten, in boeten, op boeten, buiten
buiten dat, boetendes, buitendien
buiten praten, boeten proaten, ijlen
buiterij, buiterij, (ouderwets), stookplaats
bukken, boeken, bokken, zich bukken
bul, bolle, 1. stier. 2. soort schip
bullenpees, bollepies, 1. gedroogd geslachtsdeel van stier, zeer geschikt om er rake klappen mee uit te delen. 2. doedhoamel
buls, bols, tochtigheid bij koeien
bult, n bult, veel
bultzak, bultzak, (ouderwets), de bultzak werd verstrekt aan arbeiders die overnachtten en bestond uit stromatras, peluw, wollen deken, laken en twee bossen stro
bultzaksgilde, bultzaksgilden, (ouderwets), onderlinge verzekeringen door stuurlieden gesloten
bultzetter, bultzetter, (ouderwets), een korenmijt “bouwen”
bunzing, bunsel, 1. bunzing. 2. kleinkind
burgerschool, börgerschool, (ouderwets), H. B. S.
butje, butje, (ouderwets), groene houten doos op schepen in gebruik
buur, buur, beddezak
capabel, kepoabel, bekwaam
carnalliet, carnalliet, (ouderwets), een weinig gebruikte kalimeststof
carsten, carsten, (ouderwets), tarweras
cassatie, kesoatie, (ouderwets), de kerktijd
champion, champion, (ouderwets), aardappelras
chercher, sarrie, (ouderwets), (uit het Frans), 1. degene die de waterschapsgelden moest innen. 2. lomperd, kreng
cherchershut, sarrieshut, (ouderwets), woning van de sarrie, waterschapshuis
chili, sielie, chilisalpeter NaNO3. Zeer bekende kunstmeststof met veel sporenelementen
chloorkali, chloorkali, (ouderwets), een weinig gebruikte kalimeststof
chocolade, sokkeloa, sukkeloa, chocolade
cichorei, sokkeraai, sokkeraaie, cichorei
circa om, sikkom, (ouderwets), bijna
clown, kloun, kloune, hansworst, clown
combertoestel, combertoustel, (ouderwets), apparaat vroeger bij veel landbouwers in gebruik om de pH van de grond te bepalen
comme ci comme ça, komsie, kom sa, ga je weg of ik neem je weg
compliment, kompleminten doun, orders of groten overbrengen
conductie, konduksies, onder de konduksies, onder de plak
constitutiekoord, stuutsiekoor, constitutiekoord = stof voor kleding
contreien, kontraainen, contreien (landstreken)
convenant, convenant, overeenkomst. Bekende in de Veenkoloniën zijn het convenant van 29-11-1804 en van 17-5-1817
conventikel, conventiekelen, geheime samenkomsten, vooral op religieus gebied
corpus, krôsse, (minachtend), lichaam
corset, kèset, corset
couvert, kèfot, komfot, couvert
daarmee, dammee, dammeet, dommee, domt, straks
dag en door, dag en deur, dagelijks, gewoonlijk
dagmaat, daaimt, deimat, halve hectare
dagwerk, dagwaark, (ouderwets), bepaalde hoeveelheid turf
dakschaar, dakscheere, zie tisternait
dampig, dempeg, dempig, ziekte der ademhalingsorganen bij het paard
damsteeg, damsteeg, 1. koppig. 2. schichtig
dank je, daanje, (kindertaal), dank je wel
dar, dôrm, 1. dar. 2. zeurkous
decht, dechte, kous in petroleumlamp
decipi, dizzepie, dizzepu, veel gebruikte term van de dialectschrijver Geert Teis Pzn. (Mundus vult decipi, decipiatur ergo = de wereld wil bedrogen worden…nou tou den mor)
deeg, deege, (nog deege zo goud): nog wel zo goed
deeg, nich recht deege, (ouderwets), niet helemaal goed bij ’t verstand
degenman, degensman, iemand die voor een ander optreedt
deinen, dienen, opzwellen
derde half, daardehaalf, 2½
derdetje, t dattje, de derde zwerm uit een bijenkorf
dertien, dattien, dertien
diakenrijf, djoakenraive, slecht gereedschap (afgeleid van diaconie, wat men daarvan kreeg was bepaald niet veel waard)
dibbelen, dibbeln, (ouderwets), manier van zaaien of poten
dicht, dicht, 1. dicht. 2. geheel bedekt zijn van de grond door het gewas
dichtegaatjespan, dichtgoatjespanne, een pan met dichte gaatjes, ofwel: een onmogelijk iets
die, dij, die
die daar, dijder, (b.v. dijder lengte), de lengte zoals men met een gebaar aanduidt
diedeldomdeeën, diedelomdaantjen, zijn tijd verknoeien
dienst, densten, (ouderwets), dienstboden
diep, daip, 1. diep. 2. kanaal
diggel, diggels, scherven
diggelschip, diggelschip, (ouderwets), schip met aardewerk
dijn, dien, jouw
dik, dikke, soms: grote. De Groninger noemt grote appels: dikke appels. Voorbeeld van onjuist woordgebruik in dialect
dik schieten, dik schaiten, dik en dun schaiten, uitdrukkingen bij het noten schieten
dikharses, dikhazzens, dikkop, mispunt
dikkop vijf, dikkop vijf, (ouderwets), tarweras
dikschijterlier, dikschieterliere, tapuit en geelgors (vogels)
diksteelzoete, dikstoalzuide, 1. zoete appelsoort met dikke steel. 2. sufferd
dinges, dingerais, dinges, wordt gezegd als men niet op de naam kan komen
dingspel, dingspel, (ouderwets), rechtsgebied
dissel, dizzel, duzzel, trekboom tussen twee paarden
distel, dizzels, paardebloemen
divertatie, dividoatsie, vertier
dobbe, dôbbe, hoop, bv. eerappeldôbbe
dobbe, dobben, (ouderwets), open haard
dobbelier, dobbelaaiers, (ouderwets), kommetjes voor de saus
doch, doch, vrijwel onvertaalbaar Westerwolds woord. Zoiets als: ja hè
dodder, dodderd, sufferd
dodenbier, dodebier, (ouderwets), bier dat in een sterfhuis werd geschonken
doedel, doedel, doedeltje, 1. ouderwetse muts 2. gezet meisje met domme praat
doedhamel, doedhoamel, lisdodde
doekerman, doekerman, (ouderwets), rigter
doen, noar ’t doun weg, naar omstandigheden
doen, doen, dronken
doet, doetje, zoentje
doffer, dovvel, vuistslag
dok, dokken, strowissen onder de panpen
dol, dol, handvat van zeis
dollen, dolen, (ouderwets), met hauw of hak gaten in de grond slaan, waarin aardappelen werden gepoot
dollies, dollies, tarwe- of roggebrij
dominee, domie, domnij, doomnee, dominee
dommelen, doameln, slenteren
dompen, dompen, kantelen, omslaan
dondel, dondel, dundel, vormloze schoof van kort stro
donderjagen, donderjoagen, lawaai schoppen
dong, dong, dongmest, minderwaardige compost
donggat, donggat, zie sjompgat
donzen, donzen, neersmakken, stampen
dooi, deu, dooi
dooier, deudel, door, dole, dooier
dook, dook, mist
doorgang, deurgang, diarree
doorslag, deurslag, 1. doorslag. 2. vergiet 3. bepaald timmergereedschap
dop, dobbe, eierdop, dop
dop, dop, blut, op zwart zaad
dopje, doppies, 1. slaghoedjes. 2. (ouderwets), puntige vingerhoeden bij aardappelrooien gebruikt
doppen, doppen, (kiek uut dien doppen), ogen
dorms, dôrms, niet goed bij het verstand
dot, dont, verwarde hoop, kluwen
dovenetel, dieneddel, dauwnetel
draad, droat, 1. draad. 2. onkosten
draai, draai, 1. soms: bocht 2. brug; draaigie, kleine brug
draaier, draaier, beweegbare schoorsteenkap
drager, droager, grote blauwe vlieg
draker, droaker, vlieger
dral, drêls, verward in elkaar zitten
drammen, drammen, erg dwingen of zeuren
drankvat, draankvat, vat waarin droge en natte kliekjes worden gedeponeerd om ze aan de varkens te voederen
dreeg, draig, 1. breed. 2. voedzaam
drekgeld, dreckgeld, (ouderwets), reinigingsrechten
drenkdobbe, drenkeldobben, kuilen waarin drinkwater voor vee
Drentse nachtegaal, drêntse nachtegoalen, kleikikkers, ook: poage (zeer grote kikkers die vooral ’s nachts en ’s avonds hinderlijke concerten geven)
drep, drep, dravik = onkruidgras
drieknuppel, drijknuppel, (ouderwets), grote knuppel waaraan één tweeknuppel en drie éénknuppels
drietiet, drijtidde, driespeen = koe, die slechts met drie spenen melk geeft
drift, drift, (ouderwets), plaats waar dieren werden samengedreven
drijver, drievertje, (ouderwets), oliepitje voor verlichting (in bezettingstijd)
drillen, drêllen, om elkaar heen slaan van touw of dergelijke
drol, drol, 1. dom persoon. 2. hoopje poep
drost, drost, (ouderwets), gemachtigde van de landsheer met vele functies, o.a. administratie en rechtspraak
drouwen, drouden, 1. dreigen. 2. van plan zijn
du, doe, dou, jij
dubbeltjeskar, dubbeltjeskare, (ouderwets), wagen met kleine artikelen, alle 10 cent kostend
duif, doeve, 1. duif. 2. duivin (alleen in: dovver en doeve)
duifje, doefie, 1. kleine duif. 2. vrouwtjesduif, duivin
duiker, duker, 1. duiker. 2. korte spijker met grote kop
duist, dost, verouderd, vuil op het lichaam; ’t dust, afval in pelmolen
duistig, donsteg, mistig
duivel Anna, duvel Annoa, (Anna Brouwer, overleden 1875) vinnige ongehuwde vrouw, wonende in een hut te Jipsingboermussel. Droeg steeds een geladen jachtgeweer bij zich. Procedeerde om landerijen, maar werd in het ongelijk gesteld
duivelsterke, duvelstaarken, (ouderwets), bepaalde stof waarvan o.a. onderbroeken werden gemaakt
duizelig, doesleg, doezeg, duizelig
dukatengoud, gesp van dukoatengold, (ouderwets), versiering aan herenhoed
dun schieten, dun schaiten, uitdrukkingen bij het noten schieten
dunken, t ducht mie, het dunkt mij
dunnege, duneggen, slaapbeen
durven, deuren, duren, durven
dwalen, dwelen, dwoalen, dwalen
dwalm, dwelm, stommerik
dwarsbengelen, dwaarsbongeln, tegenwerken
eek, aik, 1. vuile plek. 2. bijsmaak
eels, eelsk, aanstellerig
eelt, iele, eelt
een, aine, 1. één. 2. iemand
eendenkroos, eendekreuze, eendekroos = waterlinze of moeraslinze
eendernood, ainernood, in één stuk door
eendoorn, aindoorn, eenzelvig iemand
eenmaal zo veel, ainmoal zo veul, vrij algemene zegswijze voor: twee keer zo veel
eenmoed, ainmoud, iets echt van plan zijn
eenspanner, ainspander, ainspanjer, 1. noemt men iets waar slechts één exemplaar van voorhanden is, terwijl er twee behoren te zijn, bv. één klomp. 2. éénzelvig iemand
eerlijk, eerlieks, werkelijk
eeuw, aiw, eeuw
efje, effies, efkes, kleine blauwe pruimen
eg, aaide, eg
egaal, aingoal, 1. onophoudelijk. 2. effen, egaal
egel, iegel, balsturig meisje
egge, negge, egge, (ouderwets) 1. zelfkant van stoffen of zeildoek. 2. scherpe kant van mes of ander voorwerp
eigenherig, aigenhereg, (ouderwets), eigenmachtig
eigenkloek, aigenklouk, eigenwijs
eigenlijk, ainliek, anliek, eigenlijk
eigenste, aigenste, dezelfde
eikel, ekkel, eikel
eikelteek, ekkeltiek, meikever
eiloof, aailoof, eiloof (klimop)
elektrisch bonkje, t electrisch bonkie, punt van elleboog, een stoot er tegen geeft hevige pijn in de vingers
elf, elf, elm, elf. D’r binnen elf kinder. Maar: d’r binnen elm. Evenzo twaalf en twaalm
ellerboom, eldernboom, elzeboom
emelt, oamel, emelt (larve van langpootmug)
en, n?, 1. vragen om een bevestiging 2. wat zeg je?
enen, op aine zetten, ainen, bieten op één zetten
enkel, enkeld, zelden
entegen, integen, (iemand) tegen komen
Enumatil, Aimentil, Enumatil
erg, aarg, erg, vrijwel alleen in: d’r gain aarg in hebben
ergens, aargns, aarms, ergens
ergeren, aargern, ergeren
erk, erk, woerd
ernst, eerns, (bij handgemeen) ernst
erom, aromme, in om, in ’t rond
erven, aarven, erven
erwt, aarde, (meerv.: aarten) erwt
estrik, ester, estriken, (ouderwets), tegels met tekeningen
etvink, etvink, etvinke, netfing, lang oog van touw aan de halsboog
euvel, euvel, (ergens euvel mee aan zijn), in de knoei zitten
euvels, aibals, aibels, verbazend
evel, aivel, teelaarde
evenaar, evender, (ouderwets), 1. balans. 2. naald van balans. 3. tweeknuppel met één haak in ’t midden
facie, foatsie, aangezicht, gezicht
fatsoen, fesoun, fatsoenlijk
feil, vaaile, dweil
ferry, farrie, open korenschuit
fiducie, feduutsie, vertrouwen
fieselemie, fiezelemie, iemands uiterlijk
fietsplaatje, fietsploatje, (ouderwets), koperen plaatje die bewees dat men zijn rijwielbelasting had betaald
fing, fing, fel, scherp
fits, fits, alleen in: gain fits of foazel = geen stukje
flaar, flaar, flare, slet
flapdrol, flapdrol, sukkel
fleemstrijken, vliemstrieken, vlijend praten
fleer, fleere, slag in ’t gezicht
flerecijn, flerecijn, (ouderwets), jicht
flikflooien, flikflooien, mooi praten, vleien
flikken, fikken, 1. slaan. 2. iets klaar spelen. 3. schoenen repareren 4. een poets bakken
flinter, flistertje, flittertje, dunne snee roggebrood
flinter, vlinder, flinter, flenter, stuk
flinterknippen, vlinderknippen, zijn tijd verbeuzelen
flinthok, vlinthok, (ouderwets), lokaal waar de werklozen moesten “stempelen”
flintkloppen, vlintkloppen, (ouderwets), veldkeien die met handkracht klein werden gemaakt. Soort voorloper van de werkverschaffing
flitsboog, flitseboge, niet goed recht
flitsboog, flitseboge, boog om pijl weg te schieten.
flitter, flitter, 1. meisje dat overal heen vliegt 2. vuuraansteker
flodde, flodde, 1. een niet afgewogen hoeveelheid bv. ’n flodde zolt 2. ’n dikke flodde = zwaar vrouwspersoon
fluisteren, flustern, fluisteren
fluiten, floiten, fluiten
flut, flotje, 1. een klein beetje 2. een mislukking
fok, fok, fokke, 1. zeil. 2. bril 3. der gain fokke van vertrekken = geen teken van aandoening geven
fokselen, fokseln, zich ergens voor inspannen
fots, n fossie, handvol, plukje
franje, froanie, franje
gaaf, geef, geve, gaaf, onbedorven
gaai, gaje, leperd
gaaps, gaps, een kamer waar men van buitenaf vrij kan inblikken, is gaps 2. dubbele handvol
gagel, goagel, tandvlees
galg, gaalge, galg
galgenberg, gaalgebarg, zie giezelbaarg
gallig, galleg, leverbotziekte (bij schapen)
galpen, gaalpen, naargeestig schreeuwen
galster, gaalstert, kwelgeest, naarling
gammel, gammel, bouwvallig, wrak
gampel, gampel, mispunt
gang, gankie, kleine gang in huis
ganzenkuikens, ganzekukens, spotnaam voor inwoners van Vriescheloo
gapen, gapen, 1. geeuwen 2. iemand hinderlijk aankijken
gappen, gappen, stelen
gare, goddel, gorrel, halve gare
gebelschop, gebelschop, masker
gebruiken, broeken, bruken, gebruiken
gedoente, gedounte, gedoe
geduiknekt, doeknekt, met gebogen rug
geel bloempje, geel bloumpie, knopkruid (galinsago parviflora) ingevoerd uit Amerika
geen, gainent, geen één, niemand
geep, geebe, bleek ziekelijk uitziend iemand
geest, gaarst, gaarste, zandrug
gehaaid, gehaaid, berekenend, slim
geil, gaail, geil (weelderigheid)
gekocht, kocht, koft, gekocht
gelijk, liek, 1. recht, in betekenis van: rechte lijn. 2. vereffend
gelijk om gelijk, liek om liek, ruilen zonder toegift
gelijkbandig, liekbendeg, 1. rechtuit, de waarheid zeggen. 2. vlak
gelijkdeler, liekdailer, groot jeneverglas zonder voet
gelt, gel’n, de eieren die na enkele dagen broeden onbevrucht blijken
gemaak, t gemoak, 1. opbrengst van de akker 2. de winst van de handel
gemacht, t gemacht, de schaamdelen Leviticus 21: 20 oudere Staten Vertaling schaamdelen, Nieuwe Vertaling, geslachtsdelen
gemoedelijk, gemoudlek, gemoedelijk
gene, gounent, goenent, enkele, een stuk of wat
geneugte, nocht, 1. bekomst. 2. ambitie
geresolveerd, rezelvaaierd, kloek, flink
gerst, gaarst, gaarste, gerst
geschapen, geschoapen grond, maagdelijke grond, waaraan de mens nog niets heeft veranderd
geselberg, giezelbaarg, (ouderwets) hoogte bij Wessinghuizen waar zware lijfstraffen werden toegediend en doodvonnissen werden voltrokken
geselen, giezeln, geselen
gesjochten, gesjochn’t, berooid, zeer arm
gesodeflikker, gesodeflikker, 1. zeer onhandig werken. 2. als alles tegenloopt spreekt men ook van gesodeflikker
gesodemieter, gesodemieter, 1. zeer onhandig werken. 2. als alles tegenloopt spreekt men ook van gesodemieter
getoddel, getudel, pietepeuterig werk
geubel, geubel, stellage in de grond, door middel van paardekracht werd er een dorsmachine mee aangedreven
geval, aalsgeval, in elk geval
gevroren, gevrozen, (ouderwets), bevroren
gewassen, was’n, volwassen
geweide, t gewaaide, ingewanden van een slachtdier
gezond, sond, zond, gezond
gichtig, jechteg, echt waar, onmiskenbaar
giebelen, giebeln, aanstellerig lachen
gier, jirre, 1. gier. 2. smerig water
gijzelen, giezeln, gijzelen
gildebier, gildebier, (ouderwets), bier dat in een sterfhuis werd geschonken
ginder, gunders, doar gunne, ginds
gist, gêste, gist
gisteren, guster, gisteren
glei, glaai, doorschijnend, glimmend
gleuf, glieve, kier, spleet
gloeiend, glênde, 1. gloeiend (b.v. van kolen) 2. erg boos. 3. ’n glênde maid = jongensgek
gloeiende riep, glenne riepe, de Noordzijde van de Vismarkt, omdat de zon er glênde op schijnt
glop, glup, gapende wonde
gluip, gloebe, gloep, (op de gloebe staan), een weinig open staan van de deur
gluip, gloep, klein zijriviertje of afwateringssloot
gluipen, gloepen, achterdochtig kijken
gluipend, gloepend, erg (b.v. gloepend kwaad)
gniffelen, gnivveln, ingehouden lachen
gobbe, gobbe, grote hoeveelheid, b.v. ’n gobbe regen
gobbelen, gobbeln, het heen en weer gaan van een vloeistof in een vat, enz.
gobei, gobaaier, zie gel’n
goding, goding, (ouderwets), rechtdag. In Exodus 21:6 worden met goden rechters bedoeld
goederbest, oet gouder best, uut gouder best, uit goedheid
golf, t golf, goul, plaats in de schuur waar ongedorsen graan of hooi wordt opgetast
gomme, gommes, uitroep van medelijden of verbazing
goot, geude, goot
gootgat, geutgat, opening in de muur voor afvoer van vuil water
gord, gorre, buikriem van het paard
gorgelen, gorreln, gorgelen
gors, gorre, gors (vogel)
gort, gôrde, gort
Gouden Heemmark, t Golden Hammerk, Niewolde
gouden ketting, golden kette, gouden regen
gozer, goosdert, slimmerik
gozzel, gozzel, verstandig (vrijwel alleen in het negatieve: nait goud gozzel)
gracht, graaft, graafte, gracht
gralen, groalen, zichtbaar schik hebben
gram, gram, boos zijn, ergens genoeg van hebben
grammottig, gramieterg, gramstorig
graperig, groaperg, gierig, inhalig
gras, gras, (ouderwets), landmaat (halve hectare)
gravers, gravers, (ouderwets), koppelbazen in de vervening
greep, greep, (ouderwets), handwerktuig gebruikt bij zeer zwaar bonkveen
Gregorius, Gories, (ouderwets), 12 maart, vroegere scheiding tussen winter en zomer
greid, graide, gescheurd grasland, voor het eerste jaar als bouwland in gebruik
grein, grênzel, heel klein beetje
greppel, over de gruppel, over de grens
grepvijl, groupvaaile, zie tisternait
grienmankturf, grienmancktörven, (ouderwets), losse slechte turf
grietman, grietman, (ouderwets), bestuurder en rechter in een bepaald rechtsdistrict, de grietenij
grijmen, graimen, morsen
grijpeg, griepaaide, grijpeg, zie ook kromtandaaide
gril, grel, nijdig
gril kijken, grel kieken, gril kieken, met grote ogen kijken
groenen krabben, gruinen kraabn, (ouderwets) aardappels met groen loof rooien
groente, gruinte, 1. groente. 2. peterselie
groep, groube, group, grup (in de veestal)
groeve, grouve, (ouderwets), begrafenis
Grootegast, Grootegast, Grootegast kreeg in 1929 een droeve (inter?)nationale vermaardheid, toen Heije Wijkstra aldaar vier politieagenten met een vuur-wapen velde en daarna de lijken keelde. Hij werd tot levenslang veroordeeld en stierf in 1941 zonder gratie te hebben gekregen, althans niet van de aardse rechter. Hoewel de eerste regel van een toentertijd zeer bekend liedje luidde: “Heije Wijkstra van Lutjegast” moet hij toch gewoond hebben te Grootegast
grootte, grôtte, grootte
grote ster, de grode steern, (ouderwets), Venus in het eerste kwartier
gruffel, gruvvels, vetkanen
gudderen, goddern, ritselen, gutsen
guichel, gugel, ergens de gugel mee hebben = gekscheren met een anders verdriet of problemen
guit, guutken, 1. grapjesmaker 2. kleine guit
guldensrooster, guldensreuster, (ouderwets), benaming die de onderlinge afstand der spijlen van een aardappelrooster aangeeft
gunteren, guntern, verlangend hinniken
haaibaai, n haibai, wildebras
haal, hoal, (ouderwets), ketting waaraan ketel of pot boven het vuur hing
haar, heurent, van haar
haard, heerd, 1. haard. 2. plaats land achter boerderij. 3. boerderij
haardhemeltje, heerdaimerke, huiskrekel
haardketting, heerdkedde, heerdket, (ouderwets), ketting waaraan ketel of pot boven het vuur hing
haberdoedas, labbernoekas, zeer misvormd iets, rare sinjeur enz.
haffelen, avveln, zeer druk en geagiteerd praten
hagedis, evertaske, hagedis
hagel, hoagel, 1. hagel. 2. nijdig
hakhoorn, hakhoorn, schoenlepel
hakkenkruk, hakkenkruk, onhandig iemand, stuntel
hakselbijl, haksenbiele, grote bijl
hakselhok, hakselhok, plaats in strokartonfabriek
hakzeen, hakzeene, Achillespees
halbreker, halbreker, (ouderwets), houten staaf met ijzeren punt (veenwerktuig)
half oord, haalf oort, (ouderwets), bepaalde hoeveelheid brandewijn
Halfambt, t Haalfamt, Warffum, Baflo en Eenrum
halfbooms, haalfbooms plougen, ploegen op halve diepte van de bouwvoor
halfje, haalfie, (ouderwets), halve cent
halfscheid, haalfschaaid, de helft
halsboog, haalsbooge, paardezeel
halsknook, haalsknoak, 1. halsstuk van een slachtdier. 2. sufferd
halster, helster, halster
hamrijk, hamrik, (ouderwets), buurt
hamtam, hamtam, lastig kind
hand- en spandiensten, hand- en spandainsten, betekenis: hand = met mankracht span = met paarden
handschoen, hanske, handschoen
hanenbijter, hoanebieter, kiekendief (soort valk)
hanenpoot, hoanepoot, hanepoot (soort onkruid)
hanenpoten, hoanepoten, broodje met enkele krenten
hangijzer, hangiesder, (ouderwets), ijzeren arm, waarop men de koekepan boven het vuur kon plaatsen
hannekemaaier, hannekemaaiers, (ouderwets), seizoenwerkers die des nachts in de schuur sliepen
hannig, hanneg, hennig, middelgroot in zijn soort
haren, hoaren, haren = een zeis scherpen op ’t hoarspit met de hoarhoamer
harig, heureg, ergens bevreesd voor zijn
harregat, arregat, bah
hazenhak, hoazehak, hozehakke, hazehak (beengebrek bij het paard)
, dè!, (korte niet toonloze e), uitroep van verbazing
hebben, kebm, ik heb hem. Uiterst voorbeeld van woordsamentrekking
hede, hede, vlasafval
heem, haim, heem
heerhouden, d’r heerholden, heerhoalen, het onderspit delven
heet, hait, loops (van een teef)
hef, t hecht, t hef, de zee, ’t wad
heft, t hecht, t hef, meshandvat
heibel, hijbel, drukte, ruzie
heiderobijntje, haaide robientje, soort zangvogel
heideschaap, haaideschoapen, scheldnaam voor Bourtangers
heister, haister, wildebras
heisteren, haistern, met lawaai en drukte zijn werk doen
heksenmelk, heksenmelk, in zeer zeldzame gevallen geeft een veulen melk, wat heksenmelk wordt genoemd
hel, hel van Jipsinghuizen, uitdrukking van bij de ontginning aldaar tewerkgestelde werklozen
helft meer, de helfte meer, twee keer zo veel
hem, hom, hem. Soms: zich, b.v. hai het hom in de vingers sneden
hemel, emmel, hemmel, netjes
heng, hengen, scharnieren
hennekleed, heenklaid, (ouderwets), doodskleed, lijkwade
herbergpotten, haarbargen potten, Keulse potten
herder, haider, herder (met name op de kwelder)
herfst, haarst, herfst
hersenen, hazzens, hersenen
heserig, heisterg, hees
het is er niet, tisternait, onbestaanbaar ding waarvoor men iemand vraagt om het van een buurman te halen en hem dus foppen
heun, heun, 1. mager, bleek. 2. bedroefd
hibbel, hibbel, ongedurig meisje
hierom toe, hier om tou, in deze omtrek
hij, e, (uitspraak korte u), hij
hij, er, (gewestelijk, op het eind van een zin), hij
hij, hai, hij. Zeer ouderwets is het een vrouw met hai aan te duiden
hijmen, hiemen, hijgen
hijs, hies, paardevlees
hild, hille, zolder boven de stallen
hilt, hilde, handvat van schop, vork, enz.
himphamp, himphamp, 1. slungel 2. houten hamer
Hitler, iddelder, (ouderwets), zo spraken veel Groningers de naam Hitler uit
hitte, hette, hitte
hoe een, hounent?, hoe een?
hoe zulk, houks’n?, hoe zulke
hoeker, hoeker, (ouderwets), vaartuig
hoenderbelasting, hoenderbelasting, (ouderwets), verplichting dat van elk huis waaruit rook opsteeg één hoen per jaar op St. Michiel (29 september) aan het rechthuis moest worden bezorgd
hoendergeld, houdergêld, (ouderwets), verplichting dat van elk huis waaruit rook opsteeg één hoen per jaar op St. Michiel (29 september) aan het rechthuis moest worden bezorgd
hoendervalk, houndervaalke, kiekendief
hoer, houer, hoer
hoeven, huifst, je behoeft
hok, hok, (ouderwets), aantal korenschoven tegen elkaar geplaatst
hokkeling, heukel, pink (halfwassen koe), afgeleid van hokkeling
hokken, hokken, 1. hokken. 2. in concubinaat leven
hokstrepen, hokstrepen, (ouderwets), gedeelten van het stoppelland waar de hokken hebben, gestaan, kenbaar aan de achtergebleven halmen
hol, t hoal, het hol, de bewaarplaats
holferen, holvern, luid schreien
Hollander, hollander, 1. hollander. 2. maal- of roerkuip in strokartonfabriek
holster, holster, plomp vrouwspersoon
hompel, hampel, 1. een kreupele. 2. sul
hompstok, hompstok, hele snee roggebrood
hond, hond, 1. hond. 2. reu
hondenbloem, hondebloume, honnebloume, paardebloem
hondenmolen, hondemeulen, (ouderwets) groot wiel waarin een hond probeerde omhoog te klauteren. Bracht een machine in beweging
hondenslager, hondsloager, (ouderwets), iemand die honden uit de kerk joeg en slapende kerkgangers wakker porde
hondsdraf, hondjedraf, hondsdraf (soort onkruid)
honing, hunneg, honing
hoog houtje, hoog holtje, brug met op- en afloop
hoogtijd, hochtied, (ouderwets), bruiloft
hoor, heur, gehorig
hoorn, hôrn, hoekje
hoorndroog, hoorn dreuge, erg droog
hoos, hoos, hooze, (ouderwets), kous
hoosvat, heusvat, (ouderwets), houten graanschop
hop, hop, ploegbaas bij koolzaad dorsen
hopman, hopman, ploegbaas bij koolzaad dorsen
hork, ork, onaangenaam iemand
horloge, ollozie, allozie, horloge
houwen, haauwgen, slaan
hozenveling, hoozeveeling, (ouderwets), marskramer
hozenverrel, hoozevurrels, 1. gebreide sokken met leren zool, die men over de kousen in de klompen droeg 2. op hoozevurrels lopen = op kousevoeten
hugen, hugen op, hunkeren naar
hui, hui, ui, vrolijk, licht aangeschoten
huif, huufken, (ouderwets) mand (2 soorten : zei- en voederhuufken, zei = zaai)
huig, hoeke, huig
huigamandel, hoekmantels, zie mantelklieren
huik, hoyke, (ouderwets), regendoek (soort paraplu)
huil, hoele, fabriekssirene
huishoudster, hoesholderske, huusholderske, huishoudster
huisje, huussie, (ouderwets), W.C.
huisraadsbier, huusgroadsbier, (ouderwets), bier dat bij pasgehuwden werd gedronken
hulpmest, hulpmizze, (ouderwets), aanvankelijke benaming voor kunstmest, die al spoedig onjuist werd
hulpzeel, hupseelen, bretels
hurken, hoeken, ophoeken, op boekies zitten, gehurkt zitten
hurken, op hoekies, op boekies, gehurkt
hypochonderig, hiepkonterg, 1. overdreven neerslachtig 2. niet ziek en niet gezond
hypocriet, iepenkriet, tenger iemand
hypotheek, hieptaik, hypotheek
iederbot, ieder bod, elke keer
iepertje, ieperken, iepke, tenger iemand
ijdeljips, iedeljipsk, giebelend ijdel meisje
ijzer, iesder, ijzer
ijzeren akker, iesdern akker, (ouderwets), akker waarop de predikant bepaalde rechten had
ijzeren Hendrik, iesdern hinderk, koe die zeer zwaar melkt
ijzeren klap, iesdern klabbe, bekende brug te Musselkanaal
ijzeren koe, iesdern kou, (ouderwets), bedrag dat predikant bij zijn komst ontving. Bij vertrek of versterf terug te betalen
ijzeren paard, iesdern peerd, (ouderwets), locomotief
imme, ieme, bij
immenpikker, iempikkertje, koolmees
immenspijlen, iemspielen, latjes in bijenkorf
inbinders, inbinders, zij, die in glasfabriek stro om de flessen maken
indragen, indroagen, beginneling in glasfabriek, soms daarvoor vormsmeerder
ingangsklok, ingangsklok, (ouderwets), grote hoeveelheid jenever die bij het aansnijden van een veenplaats of het ingraven van een nieuwe wijk werd geschonken
inktdrukker, inkendrokker, galappel
inpannig, inpenneg, zie kommeg
inschuinen, inschunen, iemand iets minderwaardigs in het oor blazen
inspinner, inspinder, (ouderwets), degene die de bossen stro in de dorsmachine stopt
intast, t intast, eetbare ingewanden van slachtdier
ja, , (korte a), 1. immers, zelfs in een ontkenning : dat kin j
ja, jo, (lange o), ik heb het begrepen, ’t komt in orde
ja, , (korte o), ja
jaar, joar, jaar; in ain joar, goed met elkaar overweg kunnen
Jaarfke, Jaarfke, een visser die wonderlijke voorspellingen deed over het Oldambt en Westerwolde. Leefde ± 500 jaar geleden, doch in sommige geschriften wordt zijn bestaan naar het rijk der fabelen verwezen
jachts, jaks, jask, loops
jachtweide, jachtwaaide, gelagkamer
jacobsladder, joacob, joacobsledder, jacobsladder Genesis 28: 12
jandomme, jandom, jandorie, jandozie, bastaardvloeken
janen, joanen, zeuren, dwingen
janhagel, jan hoagel, 1. soort koekjes. 2. de landwacht (bezettingstijd)
jassenbrug, over de jazzenbrug, (ouderwets), noart waarkhuus tou
jauwsteren, jaauwstern, jammeren
jawel, jewol, jawel
jegener, n jeegnder, een bloedverwant
jegenode, jegend, landstreek
jentig, jenteg, rank, beweeglijk
joechel, joegel, slechte koffie
joedelen, tjoedeln, drukke muziek maken
jokken, jokken, grapjes maken Genesis 19: 14 Staten vertaling: jokkende, Nieuwe vertaling schertsende
jong geweest, jonk west, geboren
jongerman, jongerman, (ouderwets), tweede voorzitter van een klucht
jongwijvig, jonkwieveg, in verwachting
jouker, jouker, 1. verstandig. 2. duur
juchteren, juchtern, luidruchtig spelen
juffer, n fiene juvver, nauwkeurig werkje
jufferroos, t juvverrooske, kaasjeskruid, malva
jufferzwerm, juvverzwaarm, de zwerm van een zwerm bijen in dezelfde zomer
juk, n juk laand, een halve hectare 1 Samuël 14: 14. Staten vertaling: de helft eens bunders, zijnde een juk ossen lands. In de Nieuwe vertaling. het onbegrijpelijke: over een lengte van ongeveer een halve vore van een juk land
kaak, koak, (ouderwets), kaak = schandpaal
kaakheem, koakhaim, (ouderwets), kaakheem = plaats waar de straf werd voltrokken
kaan, koane, lachwekkend dom iemand
kaan, koanen, kanen (uitgesmolten stukjes vet)
kaansmeer, koanesmeer, (ouderwets), uitgesmolten vet, deed tegelijk dienst als boter en broodbeleg
kaarzettersvork, kaarzettersvork, (ouderwets), zeer grote vork bij vervening in gebruik
kaasrijf, keezerieve, 1. kaasrasp 2. mager paard
kabinet, kamnet, kammenet, kabinet
kachel, kaggel, 1. kachel 2. licht aangeschoten
kainiet, kainiet, kalimestof, vroeger tevens onkruidverdelger
kakstoel, kakstoul, kakstoele, (ouderwets), bepaalde kinderstoel
kalimeel, kalimeel, (ouderwets), een in de praktijk waardeloos gebleken meststof ±1907
kalisalpeter, kalisalpeter, (ouderwets), meststof
kamizool, kamzool, jas
kammelen, kammeln, kauwen
kamp, kaambe, akker, kamp
kanarie, knarrie, kanarie
kanariekoorts, knarriekoorse, de knarriekoorse hebben = zich ziek aanstellen
kaneel, knail, kaneel
kant, kaant, netjes, proper
kant afsteken, kaanten ofsteken, (ouderwets), de laatste voor aan de sloot met de schop omkeren
kantschop, kantschop, (ouderwets), spade om het veen af te bonken
kapmesje, koapmeske, schilmesje
kappershaan, kappershoan, kemphaan (vogel)
kaps, kaps, zie dop
kapstok, kapstok, 1. kapstok. 2. zeer mager paard
kapzaag, kapzoag, kapzoage, zaag met verdikte rug, vaak gebruikt om beenderen door te zagen
karaf, kraft, kravve, karaf
kardonsel, kedonzel, grote aardappel
karn, kaarn, (ouderwets), karn (ton voor boterbereiding)
karnhuis, kaarnhuus, (ouderwets), deel van boerderij waar boter werd bereid
karnpaard, kaarnpeerd, (ouderwets), paard dat een grote karn aandreef
karnschroot, kaarnschroate, (ouderwets), schraag voor de ledige karn
karnwortel, kaarnworrel, kaarnwoddel, kaddeworrel, kalmoes
kastanje, kastanje, 1. kastanje. 2. zwilwat = uitwas aan paardebeen
kat, kadde, 1. kat. 2. vrouwtjeskat
kateker, ketijkertien, (ouderwets), eekhoorn
katjeslijm, katjeliem, hars
kattenpels, kattenpels, (ouderwets), bontwerkje om de hals gedragen, behoorde tot de uitzet van de bruid
keik, kiek, herik (onkruid)
keitjebakken, kaaigiebakken, spel op het ijs om centen
kekelen, kekeln, druk praten
kelen, kelen, iets zuur worden van melk
kemokzakken, kemokzakken, (ouderwets), voddenraper
kerspel, kerspel, (ouderwets), kerkelijke gemeente; ook: kerkdorp
kesjoen, t kesjoen, soort touw
ket, kidde, kirre, hit
ketel, t kedel, (ouderwets), de stoomketel van de dorsmachine
ketting, kedde, ket, ketting
keutelstoter, keudelsteuter, 1. iemand die voor spek en bonen mee doet 2. kleine jongen
kiemsel, kimsel, schimmel
kienbungel, kainbongels, fossiele boomresten
kienhout, kainholt, fossiele boomresten
kienspel, kienspul, lotto (gezelschapsspel)
kiepkerel, kiepkerels, (ouderwets), reizende Westfaalse kooplieden
kies, kiesie, zeer jong kalf
kies, koeze, kies
kies, kies-kies, lokroep voor kalveren
kieseman, kieman, kalf
kieskillen, koeskiln, kiespijn
kieuwen, kaiven, kaken
kievit, kieviten, (ouderwets), Hollandse reizigers die in een logement overnachtten
kijk, oet der kiek, uut der kiek, uitmuntend
kijlen, kielen, kijlen (schuin toelopen)
kil, kel, huiverig van aandoening
kiljacht, kilnjacht, troep, wilde koppelavond
killen, killen, tintelen van kou
kinderbier, kinderbier, bier op kraamvisite geschonken
kinderkar, kinderkoare, (ouderwets), kruiwagen met huif, waarin de baby mee naar het land of veen ging
kip-kap-kogel, kip-kap-keugel, Sint Maartenlichtje
kits, kits?, alles kits?, (alles) wel?
kitsen, kitsen, (ouderwets), blazen bij damspel
klamaai, klemaai, oogwater
klap, klabbe, 1. klap of ophaalbrug. 2. ouderwetse broek (klapbroek
klapbus, klapbuzze, knapbuzze, proppenschieter
klauw, klaauw, aandeel in het jachtrecht
kledder, kledder, (ouderwets), schilder
kleedbaas, klaidboas, ploegbaas bij koolzaad dorsen
kleems, klaimsk, kleverig
kleien, klaaien, morsend en kliederend ergens mee bezig zijn
klein, klain, klein
kleios, klaaiozze, erge lomperd, uit de klei getrokken
klem, klemme, 1. klem 2. valk
klemsloot, klemsloot, (ouderwets), plaats waar het klemzand van de uitgegraven wijk had gelegen
klenne houden, klênne holden, lawaai in huis maken
klens, klênze, melkzeef
kleren, klaaiern, kleren
klijn, klain, veen voor turf en bagger
klijn, klijn, eerste soort veen
klikschuld, klikschulden, kleine schulden
klit, klidde, klitter, wilde meid
klitter, klitter, aan de klitter, op hol
klobbe, klobben, grote hoeveelheden
kloek, klôkke, kloekhen
kloek, klouk, 1. eigenwijs. 2. verstandig
klokje, klokje, borreltje
Klooster, t Klooster, Ter Apel
klooster, klooster, 1. klooster. 2. grote rattenval
klop, klop, (ouderwets), deel van de vlegel dat het koren los slaat
klopgeest, klopgeesten, (ouderwets), werkgeesten (kabouters) die ’s nachts het werk opknappen, maar ’s morgens is er niets meer van te zien
klophengst, klaphengst, klaphengste, klophengst, klophengste, hengst waarbij de teelballen in de buikholte zijn gebleven
klucht, klucht, (ouderwets), deel van een dorp
kluft, kluft, (ouderwets), deel van een kerspel
kluin, kluin, (ouderwets), bier getapt uit een vat, werd bij sterfgeval aan de buren geschonken voor de gedane moeite
kluin, kluun, 1. tureluur. 2. belletje
klunderbeun, klunderbeune, galerij in de kerk
klunderen, klontern, met onnodig lawaai door het huis lopen
klungel, klongel, 1. bijzit. 2. lomperd
kluwen, kloun, kloune, kluwen
knag, knag, (ouderwets), merk in het oor van een schaap
knap, knap, (ouderwets), bepaalde hoeveelheid garen (zoveel als er bij het knappen van de draad was)
knar, knaar, knaare, ouwe vrijgezel
knars, gnos, zacht krakende eetbare delen van een slachtdier
knaster, knaster, kraakbeen
kneep, kneep, 1. middel, taille 2. (ouderwets), kledingstuk
kneuteren, knuutern, knutselen
knevelteend, nieveltoons, nivvelteund, lopen met naar binnenstaande tenen
kniedop, knijdop, knieschijf
kniehalsteren, knijhaalsteren, kniehalsteren, een dier zeer dicht de kop aan voorpoot vastbinden
kniezebijter, kniezebieter, gierigaard, vooral door afdingen op de prijs
kniezen, kniezen, 1. grijnzen. 2. zich erg vervelen
knijpkat, kniepkadde, zaklantaarn die een moment licht geeft door duimdruk
knijpstuiver, kniepstuver, gierigaard
knijptang, knieptange, 1. nijptang. 2. bepaalde teek (elders oortieke)
knip, knipken, knippie, 1. kleine portemonnaie 2. kleine deursluiting
knipnagels, knipnoagels, op knipnoagels, op hete kolen
knolschil, knolschille, (ouderwets), geplooid jabot
knoop, knubbe, knup, knoop (in touw)
knop, knobbe, 1. knop (van bloem) 2. klein handvat
knop, knoppen, 1. knoppen. 2. noar de knoppen = naar de maan, kapot, naar zijn grootje
knopenbak, knopenbak, kuip in strocartonfabriek waar door trillingen de knopen uit de halmen worden verwijderd
knopje, knoppie, lichtschakelaar
knuffel, knovvel, ruwe slag, opstopper
knuffelig, knovvelge handen, van kou verstijfde handen
kobbe, kobbe, kokmeeuw
koedief, koudaif, scheldnaam voor Termunter
koehakkig, kouhakkeg, koehakkig (beengebrek bij het paard)
koeherder, kouheer, (ouderwets), koeiehoeder of koeiehoedster
koeierd, koundert, stommerd
koelpot, koulpot, koelpot. In glasfabriek voor het koelen der flessen
koenavel, kounavvel, grote sul
koepaard, koupeerd, (kindertaal), bont paard
koeveren, keuvern, oppotten, sparen
koevreter, kouvreters, scheldnaam voor Muntendammers
kof, kof, (ouderwets), vaartuig
kogel, koegel, kogel
kokkerellen, kokkerellen, kokkeraaiern, eten bereiden
koksiaan, koksioanen, scheldnaam voor afgescheidenen (naar ds. De Cock)
kolver, kolverd, lomperd
kombof, kebof, (ouderwets), stookhok
kommig, kommeg laand, land met een holle ligging
komsa, komsa, van komsa, van komsja, komsja, van belang
kondigen, kundegen, kunnegen, (ouderwets), zie aanheuren
konijn, knien, kniene, konijn
koning, keunenk, koning
konkel, konkel, (ouderwets), vierkante ketel met handvat die men in het vuur kon steken, tegelijk kacheldeurtje
konterfeit, konterfaait, afbeelden, afbeelding
kooi, kaauwchie, kaauwe, kooitje, kooi
kooi, kooge, koove, kooi
kooi, kooi, (ouderwets), bedstede grenzend aan de koestal
koolvuur, koolvuur, brandend koolzaadstro
koor, kouer, waterhoentje
koor, kouer, koor = bepaald deel van de kerk
koosjer, kouster, in orde, zuiver, meestal in negatieve zin gebezigd
kopjebuitelen, koppeltje boiten, kopje duikelen
koppak, koppak en scheerpak, uitdrukking bij het laden van pakken stro
kopstubber, kopstubber, ragebol
kopzeer, kopzeere, hoofdpijn
koren stelen, koren stelen, (ouderwets), het koren tussen de buien door inhalen
korenbijters, koornbieters, (ouderwets), graanhandelaren
korfstal, korffstal, (ouderwets), fuik van tenen gevlochten
kornalijnkraal, klienkralen, karnolijn (glinsterende siersteentjes)
korrel, korrel, klein wiel
korrel, kôrrel, korrel
korrelslee, korrelslee, (ouderwets), driewielig laag en plat voertuig
korrie, korre, vierwielige landbouwwagen
korries, korries, 1. aardappelvezels (afvalproduct der aardappelmeelfabrieken) 2. (ouderwets), geringschattend woord voor jenever
kort goed, t kôrte goud, de kleine kinderen
korts, kôrs, kort geleden
kortsdaags, kôrsdoags, kort geleden
korvendrager, kôrvendroager, (ouderwets), venter met korven
koster, kôster, (ouderwets), schoolmeester. Oudtijds vervulde één persoon vaak beide beroepen
kosteraal, kôsteroal, deftig
koteren, koatern, keutern, 1. zie aanschopperij mokken 2. het vuur opporren
koudbloed, koldbloud, koudbloed = zwaar gebouwd paard met weinig temperament
kous, kous, 1. kous. 2. ovaal stukje metaal waaromheen touw wordt gesplit
kraagbonk, kroagbonk, sleutelbeen
kraaienzomer, kraaiezummer, late zomer
kraaitje wippen, kraaigie wuppen, kinderspel
kraamwaarster, kroamwoarster, (ouderwets), zie boaker
krabbel, Frielink’s krabbel, leuke rijmsels in ’t Gronings, eertijds elke week in “’t Eerelmantje”.
krabben, kraabm, aardappelrooien met de hand
krabber, krabertje, apparaat, waarin het veiligheidsscheermesje
krabbersverlof, krabersverlof, (ouderwets), verlof aan schoolkinderen tijdelijk de school te verzuimen teneinde iets te verdienen met aardappelrooien
krant, kraande, kraante, courant
krap, krapke, krappie, houten deursluiting
krasavond, krasavond, (ouderwets), ongeveer dezelfde gebruiken als op het spinmaal
krassen, krassen, (ouderwets), het schoonmaken van scheerwol
krebas, krebas, kregel ventje
krediet, kediet, afwezigheid van de ouders, de dochters zijn thuis
krek, krek, krekt, juist, precies
kribben, kribben, kinderruzie
kriel, kriel, kriele, kleine aardappelen
krieuwelen, kreiveln, 1. oneerlijk spelen 2. krioelen. 3. twisten
krijg, krieg, kracht, levenslust
krijtekster, krietoakster, vlaamse gaai
krik, krikkie, 1. krielkip. 2. krikkie of krikhoantje = klein persoon dat er best durft wezen
krikeend, krikeendje, klein waterhoentje
krimbe, krimbe, inspringende hoek
krimp, krimp, (gain krimp geven), erg vasthoudend
krodde, krôdde, 1. perzikkruid. 2. herik ofwel kiek
kroes, kroes, oneffen, gekruld
kromradjagen, kromme rad joagen, kopje duikelen
kromstaart, kromsteert, (ouderwets), kromstaart = munt, zo genoemd naar de daarop afgebeelde leeuw met binnenwaarts gebogen staart. Holland sloeg z.g. cromsterten vanaf 12 december 1429.
kromstok, kromstok, gebogen balkje waaraan het slachtdier aan de ladder hangt
kromtandeg, kromtand aaide, eg met voorwaarts gebogen tanden, vooral geschikt voor het losscheuren van kweek
kroonrogge, Kroonrogge, (ouderwets), een ras dat zich niet heeft kunnen handhaven
krop, krop, krobbe, 1. krop van vogel 2. wreef van de voet 3. ploegschaar
kruiersplank, kroderplaanke, kruiplank in het veen
kruipad, kropad, (ouderwets), spoor van kruiwagen door aardappel- of bietenland
kruipje voort, kroepie vot, kroepie weg, verstoppertje spelen
kruisdoorn, kruudoorn, kruisbes
kruislijn, kruusliene, kruislijn, heeft niet het bezwaar van de tussenteugel
kruizemunt, kruzemunt, akkermunt
krullen, krollen, krullen
kub, kub, deel van fuik; kubben, ruimten tussen dorsvloer en zijmuur
kuier, koier, koiert, bal voor noten schieten of knikkers raken
kuieren, koiern, kuieren
kuiltje stuiten, koeltjestoiten, kuiltje stuiten (knikkerspel)
kuitjebuiten, kuutjebuten, kuutjebuuten, ruilen, kwanselen
kukeleku, kukeleku, opschepperij, zottepraat
kullen, kullen, mislukken
kulpen, kulpen, gluren, kijken
kulpje, kulpie, (ouderwets), halve cent
kundig, kundeg, bekend (b.v. in: ie kommen mie kundeg veur)
kunstweg, kunstweg, (ouderwets), verharde weg
kurendrijver, kurendriever, grapjas, vooral door handelingen
kwakken, kwakjen, zeer vieze manier van spuwen
kwakken, kwakken, iets neersmijten
kwakken, kwakken, zinloos praten
kwalm, kwaalm, walm, damp
kwalster, kwaalster, opgegeven fluim
kwartier, ketaaier, kwartier
kweek, kweek, kweek = grassoort (triticum repens) verwant aan tarwe. Zeer lastig onkruid met wortelstokken. Het woord kweek komt veel voor in samenstellingen, waarvan sommigen de spot drijven met degene wiens land sterk met kweek is bezet: kweekaaide, kweekboer, kweker, kwekersbedrief, kwekerij, kweken schovveln, kweekveters, kwekeg laand, veterkweek
kween, kween, kweene, kween. Tweeslachtig dier of interseks met mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen. Onjuist (ook in sommige woordenboeken) is het om kween te omschrijven als: onvruchtbaar dier of onvruchtbare koe
kweer, kweers, smakeloos voedsel
kwengelen, kwengeln, morsend heen en weer schenken
kwetelen, kwedeln, kweteln, inhoudloos praten
kwetsbes, kwitsebaaien, lijsterbessen
kwetskraal, kwitsekralen, lijsterbessen
kwijl, kwiel, kwiele, (zeer plat), speeksel
kwint, kwinde, vervallen huis
la bête, lebait, 1. ziekelijk. 2. defect
laatje, t loaike, t looike, (ouderwets), arreslee
laatst, lêst, laatst
laatstjes, lesties, de laatste tijd
ladde, ladden, larren, bepaalde waterplanten
laddemes, laddemês, larremês, zie snit
ladder, laaiter, klappen, slaag
ladder, ledder, ladder
lade, laude, (ouderwets), gereedschap om voor uit de bakkersoven te halen
lakris, lekkeris, staafdrop
lammenadig, lammenoadeg, hangerig, loom
landje veroveren, laandje verovern, jongensspel
landjesbloem, laandjebloum, laandjebloume, madeliefje
langeren, longern, verlangend wachten, vooral op eten en drinken
langgeaarsd, laankneersd, traag
laning, loanens, (ouderwets), laningen (planken onder bedstede)
lappen, lappen, 1. lappen (verstellen). 2. zie flikken 4
lapper, lappert, bandiet, deugniet
lapzwans, lapswans, vod van een kerel
larre, larre, zie vilt
lauw, laauw, 1. lauw. 2. weinig of niets
lavei, levai, (ouderwets), staak in het veen, waaraan men een lap hees ten teken van oldert, stakingen enz.
lawaai, t lewaai, teken van oldert
leedbier, leedbier, (ouderwets), bier dat in een sterfhuis werd geschonken
leekmodder, laikmodder, (onderwets), baggermodder
leem, laim, leem
leeuw, laive, laiw, leeuw
leeuwerik, laiwerk, laaiwerke, laiwerik, leeuwerik
leg, lêgge, (ouderwets), een leg graan, erwten enz. om te vlegeldorsen
lelijk, lelk, 1. boos. 2. lelijk
lellebel, lelle, lellebel, slet
lembke, lembke, koolzaadras
lemperd, lemperd, lange vent
lens, lêns, lens = geen water gevend (van de pomp)
lep, lep, 1. klep. 2. schopje
lepelbret, lepelbred, (ouderwets), kastje met glazen voorzijde, waarin de lepels
lepelziekte, lepelzaikte, honger lijden
leren, t leern, (ouderwets), de lering, catechisatie
letterdoek, letterdouk, (ouderwets), doek waarin namen geborduurd
leug, luug, leugenaar
leugenpuit, laigenpuude, leugenpuude, leugenaar
leunasalpeter, leunasalpeter, (ouderwets), stikstofmeststof
licht, t licht, nageboorte van paard of koe
licht, locht, licht
lichtbeeld, lichtbeelden, (ouderwets), lantaarplaatjes. Een film noemde men “levende beelden”
lichterslag, lochterslag, weerlichtslag
lidrus, lidruske, paardestaart = onkruid
liegen, lokst, lugst, je liegt
lierenman, liereman, schertsend voor dronken
lij, lij, luw en zacht weer
lijfbieden, t lief baiden, het lijf bieden (uitstulping der ingewanden bij een koe)
lijfzeer, liefzeere, buikpijn
lijnijzer, lieniesder, (ouderwets), spade om greppels in het veen te graven
lijpen, liepen, schreien
lijsterkraal, liesterkralen, lijsterbessen
loddereindoosje, t lutterêndeuske, (ouderwets), snuifdoosje (gebruikt in de kerk)
loeder, loeterd, gluiperd
loederig, loeterg, kwaad, korzelig
loefer, lovverd, lomperik
loeg, t loug, kom van het dorp
loek, loek, verstandig
loggem, loggem, 1. stank. 2. walm
lok, t lok, wollegras (zie moorke)
lommeren, lommerken, (ouderwets), eierspel met Pasen
Londens zwijn, Londense zwientjes, varkens van een bepaald gewicht die veel naar Londen werden geëxporteerd
loops, loops, paartijd van sommige huisdieren
loos, loos, schrander, slim
loos bakje, lôs bakkie, bij de “D.U.W.”: het drinken van een kop koffie buiten de schafttijd
löss, los, bepaalde kleigrond
lot, lotten, bepaalde oppervlakte veen
loten, lötten, (ouderwets), loten = een lot trekken voor men in dienst moest, dan wel door het lot werd vrijgesteld
lovelbier, lovelbier, (ouderwets) bier gedronken bij verloving
loze Wubbe, loze Wubbe, (Wubbe Wilts 1890-1966). Man met een enorm geheugen te Onstwedde. Wist o. a. de verjaar-, trouw- of sterfdatum van vele honderden mensen. Voorts van jaren her de weersgesteldheid met de juiste datum. Was zeer kundig in de geschiedenis
lucht, locht, lucht
luiewijvenknoop, loiewievenknobe, vrijgezellenknoop
luiewijvenkost, loiewievenkost, snel te bereiden voedsel van meel en water
luik, loek, luik
luimen, loemen, luimen, zich schikken
luisteren, lustern, 1. luisteren. 2. fluisteren
luns, lunze, luns (spie in as van wiel)
lustjammer, lustjammer, lusteloos
luthers, lutters, 1. Luthers. 2. zonder geld. 3. verbeurd verklaard
lutje, lutje, ludek, luk, klein
luur, luur, luier
maaksman, moaksman, gevolmachtigde, tussenpersoon bij huwelijk, iemand die voor een ander optreedt
maal, s moals, des maals = elke keer
maar, man, mor, maar
maar, moar, dorpskanaal
maat, t mat, 1. duiventil. 2. halve hectare
machine, mèsien, machine
machochel, megoggel, lompe vrouw
made, mede, mee, (ouderwets), lage weilanden die uitsluitend gemaaid werden
Made, Mij, Uithuizermeeden
made, moren, maden
madeheer, mijheer, (ouderwets), jongen die in het voorjaar de lammeren hoedde
madeliefje, melijfjes, madeliefjes
maggelen, maggeln, stuntelig schrijven
magnum bonum, magnum bonum, (ouderwets), aardappelras
makke sik, makke sikke, marechaussee (schertsend)
mal dier, t maal daaier, de alvleesklier
malkopter, maalkopterd, nijdigerd
malle Tjerk, maal ’t jaarke, mallerd, grapjas
mallemolen, maalmeulen, mallemolen, draaimolen
malloot, maalodde, maalotte, hansworst
malloot, odde, otte, hansworst
mande, in de manne, mandelig
mandenmaker, mandjemokkers, mandemakers of mandemaaksters in glasfabriek
mandjeshok, mandjehok, plaats in glasfabriek waar de flessen worden bemand
manen, moanen, manen (om de schuld te betalen)
mank, maank, tussen (eenling tussen veel andersoortigen)
mannetje, maanje, mannetje, ventje
mannetje minst, maanjeminst, de verstandigste, hij die zich schikt
manoeuvre, meneuvels, gebaren
mans, mans, voor iets bekwaam zijn
marechausse, massiesee, marechaussee
mark, marke, (ouderwets), gemeenschappelijk grondbezit, verdeeld in waardelen
markmeester, markmeester, (ouderwets), het hoofd van een marke; zie ook rigter
markt, maark, markt
Marne, Marne, de Marne, de gemeenten Ulrum, Kloosterburen en Leens
marne, marne, (ouderwets), veel verbouwd haverras
marter, meert, bunzing
mazelen, mezzels, mazelen
meent, meente, (ouderwets), 1. grond in gemeenschappelijk bezit. 2. bezitters van die grond tezamen. Meente is het grondwoord van het huidige “gemeente”
meestentijds, mainstieds, meestal
meet, meede, over de grond getrokken streep
meetjelappen, meetjelappen, spel met centen
meetlat, meetladde, hier en daar gebruikelijk voor zeer grote rekenliniaal
meeuw, maif, maiwe, meeuw
meeuwtje, maifie, meeuwtje (duivenras)
meevrijen, mitvrijen, mitvrijen doen ouders als ze de huwelijkscandidaat overdreven laten merken dat het in goede aarde valt
meistaking, Maaistoaken, Meistaking (1943). Nadat er in de pers was gepubliceerd dat de bezetter alle voormalige militairen weer krijgsgevangen wilde nemen, braken er in het Noorden des lands heftige en emotionele stakingen uit, waartegen de bezetter zeer fel optrad. Het zwaarst werd Marum getroffen, waar een kleine twintig doden vielen. O.a. vier lieden uit één gezin, waarvan het jongste slachtoffer 13 jaar was.
meitijd, s Mètieds, in de Meitijd
melde, mêlle, melde (soort onkruid)
melkfabriek, mêlkfebriek, zuivelfabriek
Melle Dina, Meldine, Melle Dinoa, Dinoa de vrouw van Melle Waalkes Balk, geboren 1813 te Zoutkamp, overleden 1890. Deed veel voorspellingen, waarvan een groot deel is bewaarheid
meneer, meneer, (ouderwets), vroeger aanspreektitel voor dominee
menig, menneg, veel, verscheidene
menigste, mennigsten, (ouderwets), datum
mennen, mênnen, 1. mennen. 2. het geheel van werkzaamheden ergens aan verbonden, bv. mizze mênnen
menning, menning, laan bij het land
Meppeler big, Meppeler biggen, (ouderwets), geen bepaald ras, maar zo genoemd omdat biggen van de markt aldaar een goede naam hadden
merg, maarg, maark, merg
merk, maark, merk
merrie, meer, meere, merrie
mes, mêst, (nog weinig gebezigd), mes
mesdaghaver, Mesdaghoaver, (ouderwets), zwarte haver, slechts enkele jaren verbouwd
mesjogge, mesjokke, niet goed wijs
mest, mis, mizze, mest
mestbult, misbulde, mesthoop
mestdobbe, misdôbbe, mesthoop
metselen, mezzeln, metselen
mette, medde, aanstellerig meisje
meuten, muiten, opwachten
middellijkerwijs, middelkerwies, naar menselijke berekening
middelmannetje, middelmantjes, latjes die een vensterruit doordelen
midwinter, midwinter, eerste Kerstdag
miegelen, miggeln, motregen
miegen, miegen, (plat), plassen
mieghommel, mieghummel, mier
mies, mies, akelig, naar
miesgasser, misgaster, ellendeling, mistpunt
mieter, mieter, mieterd, slecht iemand
mieteren, mietern, smijten
mieterig, mieterg, (er mieterg uitzien), er slecht uitzien
mijdzaam, miedsoam, bang om een ander te kwetsen
mijnen, mienen, iets mijnen op een veiling
mijning, miening, boeldag
mik, mik, roggebroodje
milt, milde, milt
minne, minne, vader
mishotten, mishotjen, mislukken
missie, missie, afvaardiging van enkele personen
moei, meu, (ouderwets), tante (oud-Nederlands: moei, in vroegere Staten Vertaling: Leviticus 18:14)
moerveulen, mouervooltje, merrieveulen
moes, mous, boerenkool
moetje, n moutje, een gedwongen huwelijk
mogen, meugen, lusten (voedsel lusten)
mok, mokje, (ouderwets), drinkgerei
molboon, mollebonen, paardebonen, geweekt en daarna in de mollepan geroosterd
molferd, molverd, lompe vent
möllen, möllen, (ouderwets), lengtemaat van 7 voet
möllenwaren, möllenwaren, (ouderwets), aandelen in het grondbezit
moork, moorke, wollegras (eriophorum) een veenvormende plant
morgen, moj, mojje, veel gebezigde groet, waarschijnlijk vervorming van: (goede) morgen
mossel, mossels, (ouderwets), vroeger als mest gebruikt
mosterdstip, mosterdstip, jus waarin mosterd is verwerkt
mot, modde, mot, zeug
mot met biggen, modde mit biggen, salomonszegel (plant)
motdistel, motdiezel, melkdistel
motschop, motschupken, (ouderwets), kolenschep gebruikt voor turfmolm
motten, motjen, 1. onhandig werken 2. tegenstribbelen
motzeef, motzeeve, (ouderwets), zeef voor turfmolm
mud, mud, mudde, 1. hectoliter. 2. landmaat
muffig, movveg, muf
muggig, muggeg, last van vliegen hebbend
mui, moe, geul in de Dollard
mui, mude, buitengeul van een vaart
muien, muien, spijten
mulder, mulder, molenaar
mulobig, mulobig, mulobigge, (ouderwets), scheldnaam voor muloleerling
muren boenen, muren bounen, (ouderwets), muren boenen. Het muren bounen werd vroeger eens per jaar gedaan, althans bij boerderijen
murw, meur, bedorven, zwak
muur, mier, miere, witte muur (onkruid)
nabouw, noabaauw, nabouw = het gewas dat men krijgt van origineel zaad
nabuur, noaber, buurman
nachtmaalsdag, nachtmoalsdag, dag waarop het heilig avondmaal wordt gevierd
namiddag, s nommedoags, snommedoags, des namiddags
narren, naren, brommig praten
narrig, nareg, korzelig
nasjen, nasken, nasjen, stiekem iets weg nemen
nat, nat, (ouderwets), jus
nattigheid voelen, natteghaid vuilen, onraad vermoeden
navrucht, noavrucht, tweede gewas op hetzelfde land in één jaar
neb, neb, snavel
neefje, neefie, kleine steekmug
neerkauwen, neerkaauwen, herkauwen
negendoder, negendoder, grauwe klauwier
nek, nakke, nek
nekken, nekjen, de nek omdraaien
nergens, naarms, nergens
nest, nussie, nestje
nestelen, nuzzeln, nestelen. Fig.: de huwelijksuitzet bij elkaar brengen
netel, niddel, prikkelbaar
netelkoninkje, neddelkeunenkje, winterkoninkje
neulen, neulen, zacht loeien of brommen
neuster, nösters, neusgaten
neusterig, nusterg, slecht geluimd
neutelig, neudelg, neutelg, verdrietig
neuzen, neusken, rondneuzen
nibbelen, nibbeln, 1. knibbelen. 2. knabbelen
niet, nich, niet
niet alleen, nait allain, 1. zwanger 2. met ongedierte behept
niet eens, ins nait, niet eens
nieuwlaatje, nijloatje, nieuwtje
nieuwmelks, nijmêlk, nieuwmelkt (een pasgekalfde koe is nijmêlk)
nieuwmodisch, nijmoods, modern, nieuw-modisch
nieuwplichtig, nijplichteg, graag nieuws willen weten en vertellen, voor nieuwigheden zijn
nieuws, nijs, nieuws
nijten, nietjen, nittjen, nirten, treiteren
nijts, nietsk, vinnig
nikkoppen, nikkoppen, ja knikken
nip, nip, 1. kledingstof. 2. tik. 3. rare hoed
nipt, nip, nauwkeurig
nodigen, nuigen, uitnodigen
noest, oust, ouste, kwast of knoest in hout
nokkeren, nokkern, zacht blaten
noodstal, noodstaal, kleine ruimte in hoefsmidse, waarin een onhandelbaar paard wordt gehesen en vastgebonden om beslagen te worden
norgesalpeter, norgesalpeter, (ouderwets), stikstofmeststof
nosk, nosk, stil in de natuur
numig, numeg, 1. goed geluimd 2. schrander
nuunder, nuunder, schelpje
nuunkalk, nuunkaalke, schelpkalk
nuunten, nuuntjen, (ouderwets), lawaai maken aan vensters en luiken van het huis waar krasavond werd gehouden
nuver, nuver, 1. knap van uiterlijk 2. netjes gedaan
o, ong, oo
obstinaat, obsternoat, obstinaat = koppig, tegensprekend
oer, orre, rooie orre = ijzeroer
oeteren, ttern, schreeuwen, tieren
ogenklaar, t ogenkloar, stinkende gouwe (plant)
ogenstond, op ’t ogenstond, ogenblikkelijk
olderman, olderman, (ouderwets), 1. voorzitter van een klucht 2. raadsman van de abt 3. voorzitter van een ambachtsgilde in de stad
oldert, oldert, einde van de dagtaak
om gelijk willen, omliek willen, gezeggelijk zijn
om reden, omreden, aangezien, omdat
omballing, ombaalgen, omballeng, rommel, ballast
omballing, ombaalgen, omballeng, ziek
omboden, omboien, verkleden
ombollen, ombulen, van voornemen veranderen (of van werkmethode)
omkringen, omkringen, omkeren, teruggaan
ompelen, ompailen, ompélen, met veel geduld een anders iets leren
omsmijter, umsmieter, wendploeg
omvademen, omvoamen, omvatten
omzonst, om suns, om sunst, om sunt, 1. gratis 2. zonder moeite 3. moeite zonder resultaat
omzwinden, omswinnen, omzwerven
onderste, underste, wit katoenen borstlapje onder de jurk
ondertuig, undertuug, onderkleren
onegaal, ongoal, oneffen
ongedaan, ongedoan, vuil, wanorde
ongel, ongel, ongel = harde dierlijke vetsoort
onguur, onnuur, onzindelijk, smerig
onkant, onkant, onkant is een uier, waarvan het ene kwartier eerder (of later) is uitgemolken dan de anderen
onnastig, onnasteg, erg, verschrikkelijk
onnozelekinderdag, onneuzele kinderdag, (ouderwets), herdenking van de kindermoord te Bethlehem, Mattheus 2:16-18, gedenkdag 28 december.
onraden, onroadjen, verstoppertje spelen
ontlaten, ontloaten, dooi
ontront, ontront, lomperd, lummel
onzien, onzuun, onzindelijk, smerig
ooggroot, gain ooggroot, bijna niets
oogweiding, oogwaai, wat in het oog valt
ooi, eu, ooi
ooienschaper, ooijescheper, (ouderwets), tijdelijke tweede herder bij één kudde. Had tot taak om de ooien waarvan de lammeren in de kooi bleven op een bepaald uur daarheen te drijven om de lammeren te zogen
ooievaar, aaiber, ooievaar
ooitje, euchie, 1. kleine ooi. 2. damesfiets
oord, t oord, kwartje
oorgeld, oorgeld, (ouderwets), belasting op paarden
oorijzer, ooriesder, (ouderwets), hoofddeksel van edel metaal door vrouwen gedragen
oorlogsschip, oorlogsschepen, (schertsend), zeer grote klompen
oortje, t ôrke, 1. deugniet. 2. varkentje
oostganger, oostganger, (ouderwets), iemand die als militair in Ned. Oostindië had gediend
oot, oat, oot, wilde haver
ootje, ode, ootje, (ouderwets), grootmoeder
opdeinen, opdienen, zwellen
opdrijver, opdriever, in glasfabriek degene die het mondstuk op de flessen maakt
open lijf, open lief, goede stoelgang
ophanden, op ’t haand, optand, aanstonds, langzamerhand
opkalanderen, opklandern, opsieren
oplarren, wieke oplarren, (ouderwets), de wijk ontdoen van waterplanten
oplegger, oplegger, (ouderwets), smalle lange schop voor turfgraven
opmits, opmis, soms
opmoeten, opmuiten, opwachten, tegen houden
opodeldoc, t opedeldôk, middel tegen kiespijn en reumatiek
oppotten, oppotjen, geld sparen
opschot, opschot, (ouderwets), de natte turven zoals ze uit het veen werden gestoken
opvoeren, opvuiern, naar het graf voeren
opzeel, opzeelen, bretels
orde, odder, 1. orde. 2. order
orre, orre, laagstaand iemand
ort, t ôrt, overgebleven voedsel of voeder
orthodox, otterdoks, orthodox (streng in de leer)
orzig, orzeg, korzelig
os, okse, domkop
ossig, ozzeg, 1. dom. 2. onvriendelijk
otje, otken, soort pijp
oude, ollen, ouders
oude mei, ol Maai, 12-05-16
ouder, older, 1. ouder. 2. ’n haile older = een hele ouderdom
oudewijven, olwieven, oude wijvenkoek
oudje, olske, oudje; ollegies, oude lui, oudjes
ouwehoer, ol houer, zaniker, zeurdert
ouwehoeren, ahoeren, treiterend tegenpraten of tegenwerken
overeind komen, in ’t en kommen, in actie komen, overeind komen
overleer, euvelleer, bovenleer
overnaburen, overnoabern, van de buren overkomen
overval, overvaal, toeval (ziekte), plotselinge machteloosheid bij het varken
paardenham, peerhomme, paardeham
paardenkop, peerdekop, (ouderwets), deel van de stropers van een dorsmachine
paardenpacht, paardenpacht, (ouderwets), belasting op vee
paardje, pittje, paardje
pad, porre, pad (dier)
pad, porre, droge neusklad
pakdarm, pakdaarm, pakkedaarm, endeldarm
pakdoek, pakdouk, luier
pakdraad, pakdroad, pakkedroad, (ouderwets), dun ijzerdraad om stropakken, ook wel boerentouw genoemd
pakkenkar, pakkiekoare, kruiwagen, speciaal ingericht om stropakken te kruien
palen, poalen, (ouderwets), palen 1. grenzen aan 2. in het antieke oosten en later in het Europa een doodstraf die werd voltrokken door de veroordeelde een gepunte paal in de anus te drijven, zodanig dat de paal tussen de schouderbladen weer te voorschijn kwam. Een nog wredere methode was om de veroordeelde met de buik in een stevig in de grond geplante paal te spietsen. Het kon dan zeer lang duren eer de dood intrad.
paljas, paljas, snaak
pallet, peller, pallet (houten raam om goederen op te stapelen)
palm, palm, (ouderwets), lengtemaat, zo lang als de handpalm breed is
palternatie, palderaksie, palternaksie, zeer nat en drassig land
pand, paand, (ouderwets), de breedte die een ploeg aardappelrooiers gezamenlijk “voor” had
pandkevetten, paandkevetten, 1. een goed leventje leiden 2. de baas spelen
pandrooier, pandrooiers, (ouderwets), aardappelrooiers die bij een bestaande ploeg in het pand gingen
pangelen, pangeln, handelen op minderwaardige wijze, zonder bepaald bedrog te plegen
papiersnijder, papiersnieder, zie vissie
papillot, papiljotten, papillotten, papierreepjes om het haar te krullen
partij, paardij, sommigen
passen, poazen, 1. met grote stappen lopen 2. vast trappen 3. met de voeten treden 4. op en neer gaan
patjakker, patjakker, oplichter
patrouille, petroelie, (ouderwets), ruwe troep, gepeupel
Paul Kruger, paul krugertjes, (ouderwets), aardappelras
peiger, peigel, (zeer plat), dood
peluw, peul, peule, peluw
pens, pênze, (platvloers), lichaam
perchloraatschade, perchloroatschoade, (ouderwets), rogge met chilisalpeter bemest, leed soms schade door perchloraten
persoonsbewijs, persoonsbewies, (ouderwets), legitimatie in bezettingstijd
persturf, paarstôrf, persturf
peruguano, peruguano, (ouderwets), guano = zeevogelmest afkomstig uit Peru
pet, pet, knudde
petkuser, petkuser, veel verbouwd roggeras
petroleum, paitereulie, peitrom, petrolie, petrolium, pietereulie, petroleum
peuk, peuk, peukel, klein ventje
peul, peul, peule, poul, peul
peulen, pulen, 1. iets van de doppen ontdoen. 2. peutern. 3. langzaam doorwerken
peuteren, peutern, 1. vinnig zijn werk doen 2. peutern
pH, pH, zuurgraad, veel gebruikte term in chemische fabrieken en in de landbouw
pias, pias, snaak
piek, n piek zetten, een hak zetten
pieren, pieren, aan de zwier zijn
pierewaai, pierewaaien, purificatoren, (apparaten in een aardappelmeelfabriek)
pierewaaien, pierewaaien, aan de zwier zijn
piesappel, piesappeltjes, zaadbessen aan de aardappelstruik
pijjekker, piejekker, (ouderwets), lakense jas
pijpkan, piepkaan, 1. zuigfles. 2. Hij is aan de piepkaan = aan de drank
pijplelie, pieplelies, Oost-Indische kers
pik, pigge, gepunte stok
pikenine, pikenine, (ouderwets), piano
pilaartje, pieldertjes, (ouderwets), pilaartjes aan een kast
pink, pinkie, 1. pinkvinger 2. kleine metworst
pinksterboog, Pinksterboog, Pinksterbooge, (ouderwets), halve koepel met groen en biezen versierd
pinksterbruid, Pinksterbroed, (ouderwets), Pinksterbruid. Figuur bij volksvermaken. Het meisje dat ’s morgens het langste sliep was het mikpunt van jolige spot
piont, piont, steel van wollegras, gebruikt om pijpestelen te reinigen
piot, pioot, luis
pisgrietendag, pisgraitendag, Sint Margriet (20 juli) regendag
pispotjes, pispotjes, de bloemen der akkerwinde
pizakken, pizakken, langdurig zwaar werken
plaag, ploage, plotselinge machteloosheid bij het varken
plaas, plaze, kletsmajoor, wauwelaar
plaats, ploats, ploatse, opstrekkend land, meestal achter boerderij gelegen
plak aan, plakkie aan, kinderspel
planeet, planeet, (ouderwets), merknaam voor handgeduwde landbouwwerktuigen. Planeet werd vaak als zelfstandig naamwoord gebruikt: de planeet, ’t planeet
planteit, plantaait, in overvloed
plecht, plecht, deel van schip
plee, plee, (ouderwets), W.C.
plenter, plenter, plinter, ponderboom
pleverkoek, pleverkouk, pleverkouke, eierkoek
plicht, plecht, oud gebruik
ploegen, t oobe plougen, (ouderwets), te hoop ploegen = aanvurgen
plotsig, plotseg, opgezet gezicht
plug, plogelze, plug
pluimpje, pluumpie, 1. soort visdeeg 2. pluimpje
pluisteren, pluustern, 1. iets uit elkaar halen 2. nasnuffelen
pluisterig, pluusterg, 1. pluizig 2. regenachtig
pluizen, pluzen, stormen
plunden, plunnen, kleren
pochel, pokkel, lichaam
poeha, poea, poehe, opschepperij, koude drukte
poemel, poemel, lomp zwaar vrouwmens
poep, poebe, 1. scheldnaam voor een Rooms-Katholiek of Westfaliër 2. vod van een kerel
poepappel, poepappel, 1. netelige kwestie 2. mislukking
poepster, poepsteern, barst in het ijs
poest, achter de poest, buiten adem
poesten, poesten, blazen (ook bij damspel)
poet, poedie, meisje, meer in het bijzonder het meisje waarmee men verkering heeft
pogge, pog, gebrek aan groeikracht
pogge, poage, zie Drentse nachtegoalen
pokkelen, pokkeln, zwaar werken
pol, pol, dik, pafferig
pol, pol, graspol
polka, polka, bepaalde haardracht
pols, polsk, onbevrucht (van eieren)
polt, polde, polt, slonzig kledingstuk, vod
polteren, poltern, plassen
pompwijf, pompwief, (ouderwets), spookwijf bij Ter Borg
ponderboom, ponter, ponterboom, paal om voer hooi of koren vast te sjorren
pondschift, pondschift, (ouderwets), houten botervloot inhoudende één pond
pong, pong, ponge, niet geheel gevulde zak
ponnens, ponnens, ponnenk, hetzelfde als achterbint en veurbint.
pony, ponnie, 1. ponny. 2. bepaalde haardracht
pooks, pooks, iets dat klein in zijn soort is
pool, pool, poole, (ouderwets), wintermuts
popje, poppie, 1. baby 2. kleine pop
poppenschoentje, poppenschountjes, monnikskap (plant)
por, porre, por (lompe stoot)
pork, pork, 1. klein kind 2. kleine volwassen man
porreviller, porrevilder, zeer stomp mes
porster, porster, (ouderwets), vrouw die tegen betaling ’s morgens de mensen wekte
portie, possie, portie
portretteren, pottertaaiern, (ouderwets), fotograferen
post, poste, zware brede plank (b.v. loopplank naar schip, misposte)
potekster, potoakster, bemoeial
poter, poter, pootaardappel
poter, poter, verdwenen, voortvluchtig
poterschoot, poterschoet, (ouderwets), jutezak aan zelen gedragen waarin zich de te poten aardappelen bevinden
poteten, poteten, stamppot
potje, potje, zuigeling
potje, potje, potje
potstal, potstaal, (ouderwets), stal waarin het vee los rondliep
potten, potjen, geld sparen
pottenkroder, pottenkroder, man die in glasfabriek de flessen naar het uutzuikershok brengt
poudrette, poudrette, (ouderwets), tot stof geworden mensendrek, voor bemesting gebruikt
praam, proam, 1. klein vaartuig. 2. neusknijper voor een lastig paard
praan, praan, 1. opgewarmd eten, maaltijd. 2. massa
prakkeseren, prakkezaaiern, nadenken, peinzen
praten, proten, praten
preek, preek, preekje, 1. kinderstoel. 2. preek
preukel, preukel, 1. pijpuithaler. 2. kereltje
preuzen, preuzen, voedsel fijn maken met de vork
priegel, prugel, prugeltje, klein persoon
priel, priel, geul op ’t Wad of in de Dollard
priem, praimen, breipennen
proberen, pebaaiern, proberen
professor, pefester, professor
profijtelijk, pefietelijk, profijtelijk
prommelen, prommeln, 1. mopperen. 2. prevelen
proosdij, proosdij, (ouderwets), woning en ambt van de proost = beheerder
prut, prut, prudde, 1. modder. 2. in de prut joagen = in het honderd laten lopen
puil, puil, poil, papieren winkelzak
puit, puude, puut, papieren winkelzak; puutje, 1. beurs. 2. kleine puut
puitjesgoed, puutjegoud, (ouderwets), kunstmest
puitjesmest, puutjemizze, (ouderwets), kunstmest
pulpitum, pulpitrum, pultrum, puntrom, (ouderwets) bepaald model kast
put, put, 1. put. 2. pomp
puthok, puthok, (ouderwets), achterhuis
putstaart, putsteert, pompzwengel
puttee, poedies, puttee (beenwindsel)
putter, putter, putter of distelvink
putter, putter, putbaas bij werkverschaffing (later duw)
quatsch, kwats, narrepraat
quitte, kiet, gelijk
raai, raai, (ouderwets), 1. grote greppel waar kleine in uitmonden 2. uitgezette lijn
raam, roam, 1. raam 2. noodsprong, ergens in vertwijfeling een greep naar doen
raap, ruif, knol, raap
rabbelen, rabbeln, rammelen, ratelen
rachen, ragen, schelden, kijven
rachvat, raagvat, scheldend wijf
rad, achter rad, (twij keer achter rad) twee opeenvolgende keren
rad, rad, wiel
rad, rad, vlug
radijsje, rediesies, radijsjes
rakeldiefs, roakeldaais, op roakeldaais, op goed geluk
rakeldobbe, roakeldobbe, (ouderwets), asputje onder de open haard
rakelen, reukeln, 1. porren. 2. zie steukeln
rakken, rakken, schoonhouden, schoonmaken
rakkersreeuw, rakkersraif, bijna versleten voorwerpen die nog dienst doen
rap en ruit, rap en roet, schorriemorrie
rapaille, repallie, volk van min allooi
rappelen, rappeln, rammelen, ratelen
rasploert, rasploert, erge ploert
rat, rôdde, rat
rattenklooster, rôddeklooster, oude bouwval
rebellie, rebulie, drukte maken, lawaai schoppen
reden, raiden, in orde maken of in orde houden
reden, redden, rijen, (het haar) kammen
rediger, redger, (ouderwets), rechter in een ommelander gericht
ree, ree, ree
ree, ree, laan
reebeen, reebain, reebeen (beengebrek bij het paard)
reep, raipen, binten. Zie achterbint en veurbint
regensprei, t regenspraaid, (ouderwets), zwarte doek gedragen bij begrafenissen
rei, rij, mild gevend, verkwistend
rek, rek, elastiek
rek, rik, 1. linnenrek. 2. slaaplat of “roest” in kippenhok. 3. plank ter verbreding van de wipkar (voor hooi of graan opladen)
rekenen, reken, rekenen
rekening, reken, rekening
rekenschap, rekenschop, 1. rekenschap geven. 2. ergens rekening mee houden
rekken, op rekken goan, het hazepad kiezen
rementen, reminten, ravotten, stoeien
Ren, Renne, Ronne, (ouderwets), naam van enkele beekjes
rentenieren, rintnaaiern, rentenieren
repel, repel, hekel (gereedschap)
repelen, repeln, 1. hekelen van vlas. 2. ravotten. 3. lesbische handelingen van koeien
reren, reren, 1. schreien. 2. onsamenhangend schreeuwen
resolveren, rezelvaaiern, 1. een besluit nemen 2. aanstalten maken om iets te doen
reufolie, ruifeulie, raapolie
reupen, reupen, 1. met geweld losscheuren 2. stoeien
reutelen, reudeln, ruddeln, vlug inhoudloos praten
reuzel, ruzzel, reuzel
revelen, reveln, druk praten
ribbel, ribbels, regelmatige oneffenheden
richten, richten, 1. de spanten op een huis maken. 2. de binten omhoog richten
richter, rigter, richter, (ouderwets), iemand die recht moest spreken
richter imperator, richter imperator, richters, (ouderwets), fabrieksaardappel van ± 1890
richtersbier, rigterbier, (ouderwets), bier dat bij het richten van een woning werd geschonken
ridderblad, riddelbloaden, ridderzuring
riebel, riebel, alles in de riebel?, alles wel?
riedel, riddel, aan de riddel, uithuizig zijn
Rieks en Stiene, Rieks en Stiene, rond 1930 een in een bepaald gebied van Groningen bij iedereen bekend echtpaar dat met muziek langs de huizen trok. Waren soms in maart nog aan het “nijjoar ofwinnen”. Rieks met de liere en Stiene mit de trom
riet, reiten, (ouderwets), zie bollepies 1
riet, raait, riet
rietdomp, raidomp, raitdomp, roerdomp
rietteugel, raaitteugel, rietwortelstok
rij, rieg, riege, rij
rij, rije, lange liniaal van wagenmaker of timmerman
rijeg, riegaaide, rijeneg
rijf, raif, raive, reeuw, rel, riw, gereedschap
rijf, rief, rieve, rijf (hooiharkje)
rijfelen, riefkern, (ouderwets), notenspel met Pasen, ook wel “op de gorre” genaamd
rijkelijk, riekelk, rijkelijk
rijkeman, riekeman, varkensnier
rijsleef, rijslaif, verkwister
rijst, ries, rijst
rijt, riet, 1. afwateringssloot 2. klein zijriviertje
rijzen, riezen, rijzen
rijzen, riezen, riezen bessem = rijzen bezem
rijzen, rizzen, tillen
rim, rimke, plankje om iets op te zetten
rim, rimme, (ouderwets), brede lijst aan schot (ouderwets)
rimsel, rimsel, de onderste laag van een ring turven
ring, ring, de te drogen turven zet men wel in een ring
ringsloot, ringsloot, afwateringssloot
risteren, riestern, notenspel met Pasen
rits, rits, 1. zelfs 2. helemaal
ritsen, ritsen, iets klaar kunnen krijgen, presteren
robbelig, robbeg, robbeleg, niet effen
robijntje, robientje, soort zangvogel
rochelen, roggeln, rochelen
rode Zeeuwse, roode Zijsen, (ouderwets), Roode Zeeuwen (aardappelras)
roede, roe, (ouderwets), lengtemaat. Een veenroe is ruim 4 meter
roef, rouf, 1. deksel op doodskist 2. dubbele rij kramen op de Vismarkt 3. roef (in schip)
roemer, reimertje, ruimertje, rummer, rummerke, roemer, klein drinkglas
roeps, roeps, mager, niet gezond
roer, rouer, roer
roer, ruier, roerig zijn, vooral op het gebied van de vrijerij
roerdottel, reurdottel, roerdomp
roerom, ruirom, snel te bereiden voedsel van meel en water
roes, roeze, in de roeze kopen, kopen zonder wegen of tellen
roest, rost, 1. roest. 2. kwoad rost = venijnige vrouw of meisje
roet, rout, roet
roeterd, routerd, slimmerd
roeterig, routerg, berekenend
roffel, rovvel, 1. dracht slagen 2. zwaar werk. 3. zware ziekte. 4. tijdsduur
rogge kleuren, rogge kleuren, (ouderwets), denatureren van rogge
rok, rokkies, eerappels mit rokkies, in de schil gekookt
rol, rol, rolpens
romp, rompke, (ouderwets), onderlijfje (kledingstuk)
rompelen, rompeln, onverwacht stoten
rondom, rondom, hele snee roggebrood
rondte, in ’t ronne, om ’t ronne, in de rondte
rong, rong, ronge, een grote spijker of houten pen
roodbiet, rebaiten, robaiten, rode bieten (kroten)
roodefje, rodefkes, kleine rode pruimen
roodolm, rodôlm, rodoorn, ijzerhoudende aarde
roodroede, rooroeden, (ouderwets), gerechtsdienaar, een rode staf dragende
roof, roof, knot garen of touw
rooien, reuden, rudern, rooien
rooien, ruden, 1. rooien. 2. ruien (van vogels) 3. sloten schoonmaken. 4. woelen
rooimachine, rudermesien, rooimachine
roppen, roppen, 1. iets los scheuren 2. plukken van een kip
ropvogel, ropvogel, 1. vogel die geplukt wordt. 2. mikpunt van plagerij
rotterd, rôttert, ellendeling, rotvent
rotzak, rôtzak, ellendeling, rotvent
rozig, rozeg, koortsig
Rud Sack, rud sack, bekend merk ploeg en eg
ruggelen, roggeln, ruggelings gaan
ruggelings, vôrrels of roggels, voor- of achteruit
ruif, reebe, reep, ruif
ruig en rauw, roeg en raauw, ruig en slordig
ruigbener, Pekelder roegbainders, schimpnaam voor inwoners van Pekela
ruige ransel, roege ransel, roege ronsel, slordig iemand
ruigewitte, roegewitten, widde roegen, (ouderwets), eetaardappelras
ruigvriezen, roegvraizen, rijmen, rijpen
ruinen, roentjen, castreren
ruit, roet, ruit
ruit, roet, onkruid
ruizig, roezeg, tochtigheid van de zeug
runner, runner, (ouderwets), (uit het Engels), ronselaar
rups, roebe, roep, rups
sabelbenig, soabelbaineg, sabelbenig (beengebrek bij het paard)
Salomo’s hennekleed, Soalomo’s heênklaid, sierplant
sangen, sangen, paars
santenboetiek, santepetiek, wanordelijke hoop goederenhoeveelheden
santenkraam, santekroam, wanordelijke hoop goederenhoeveelheden
schaalrechten, schaalrechten, (ouderwets), invoerrechten op granen
schaapjong, schoapjong, jongste knechtje op boerderij
schaduw, schaar, schaare, schaduw
schamel, schoamel, 1. driepoot voor schoenmaker. 2. stuurinrichting van wagen
schans, schênzen, gebundelde takken
schap, schabbe, berghok
schaper, scheiper, scheper, herder
scharrel, scharrel, ratelaar, wilde leeuwebek
scharrelen, scharreln, 1. losse verkering (hebben) 2. niet vlot iets verrichten
scharrelen, schorreln, gebrekkig lopen
schathuis, schathoes, (ouderwets), schuur bij een borg
schaveren, schoavern, zie strunen
scheel, schêl, schilleg, scheef
scheel hebben, scheel hebben, een weinig ziek zijn
scheerlijn, scheerliene, 1. gespannen touw om iets recht te krijgen. 2. touw of staaldraad waaraan een grazend dier is verbonden zodat het niet in de rondte kan lopen
scheerpak, koppak en scheerpak, uitdrukking bij het laden van pakken stro
scheerturf, scheerturven, de turven die de stapel doen ankeren
schelven, schilven, ondiep ploegen
schenk, schenk, schenke, ham
schepel, schepel, (ouderwets), landmaat (2½ are)
schepen, schepen, goederen in een schip laden (wordt nog veel gebezigd, ook al wordt per as vervoerd).
schependomsrecht, schependomsrecht, (ouderwets), een woord waarvan mij de juiste betekenis niet bekend geworden is
scheren, scheren, 1. scheren. 2. zich laten schrappen bij het spel
scherp, schaarp, 1. scherp. 2. begaafd. 3. kippegrit
schier, schier, 1. knap, netjes. 2. hetzelfde als glad 2
schier, schiere, ’n schiere, buitenkansje
schierschonen, schierschonen, het reinigen der ingewanden van een slachtdier
schieter, schaiters, schieters (bieten die in het jaar van uitzaaien zaad voortbrengen)
schijnvat, schienvat, (ouderwets), stormlantaarn
schijten, loop hên schieten, hoepel op
schijterd, schietert, bangerik
schijterig, schieterg, schietding, nietig, klein
schijterig, schitterg, 1. diarree. 2. morsig, vuil
schijterij, schieterij, diarree
schijtkar, schietkoare, mestkruiwagen
schiller, schildertje, schilmesje
schimmelig, schimmelge proot, dwaze praat
schin, schin, huidschilfers, roos
schip, schepen, 1. schepen. 3. roerkuipen in zetmeelderivatenfabriek
schlemiel, slamiel, slungel
schob, t schopke, schuurtje
schobber, schobberd, schelm, schobbejak
schobberig, schobberg, haveloos
schoen, schou, schoune, schoen
schoener, schooners, (ouderwets), vaartuigen
schoenerbrik, schoonerbrikken, (ouderwets), vaartuigen
schoenklomp, schouklompen, schoeisel met houten zool en ruwleren bovenwerk
schoenlapper, schoulapper, bonte vlinder
schoer, schoer, bui
schoffelen, op blok schovveln, (ouderwets), met schoffel de bieten op polletjes laten staan
schoffeltuig, schovveltuug, schoffeltuig. Een vrijwel verdwenen veelzijdig werktuig in het aardappelgewas. Voor granen andere modellen. Verdrongen door het wiedgarnituur
schokker, schokker, aardappelsorteermachine met schoksysteem
schol, schôl, 1. slechte plank. 2. ijsschots. 3. vaartuig
schol, schôl, ondiep
schollenkop, schollekop, plaaggeest
scholletje lopen, schoaltje lopen, over ijsschotsen lopen
Scholten, Scholten W. A., een Geldermans die in 1842 een aardappelmeelfabriek stichtte te Foxhol. Grondlegger der aardappelmeelindustrie
schont, schonten, schontkers, (ouderwets), bedelaars, schooiers
schontbeis, schontbais, W. C.
schonten, schontjen, op een sukkeldrafje lopen
school, schoul, school
schoolmeester, schoelmester, (ouderwets), onderwijzer
schoolmeester, schoolmeesters, (ouderwets), aardappelras
schoolmeestersgeld, schoolmeestersgeld, (ouderwets), bepaald bedrag dat door de meier aan de stad werd betaald om de school te onderhouden, soms ook kerk en pastorie
schoorsteen, schôsstein, schoorsteen
schoorsteenroet, schôssteinrout, (ouderwets), vroeger voor bemesting gebruikt
schoot, schoet, schort
schop, schup, (ouderwets), herdersstaf
schorremorrie, schorriemoriie, straatvolk, gepeupel
schot, schot, 1. houten wand; (ouderwets) houten wand in kamer, waarachter de bedsteden. 2. goede voortgang 3. ontkieming der graankorrels bij in hokken of zelfs op wortel staand koren
schotbret, schotbred, (ouderwets) latwerk bij vervening in gebruik
schotel, schurrel, schotel
schotelwater, schurrelwotter, afwaswater
schotten, schottjen, 1. lopen zonder de voeten goed op te tillen. 2. opschuiven
schouder, scholder, schouder
schouwen, schaauwen, 1. controleren of bv. een sloot in orde is 2. een merrie schouwen, eieren schouwen
schoven schieten, schoven schaiten, (ouderwets), met de vork de garven doorgeven.
schraat, schroat, schuin
schrabij, schroabie, bijna
schrappen, schrippen, zwoegen
schreeuwekster, schraiwoakster, vlaamse gaai
schrijfbord, schriefbred, (ouderwets), houten kastje waarin schoolkinderen hun boeken, lei, veren pen of griffel enz. bewaarden
schrol, schrol, bevlieging
schroot, schrode, schroot, 1. lat van bepaalde afmetingen. 2. slechte plank uit de buitenkant van een boom
schrot, schrôdde, schrôt, klein goed
schub, schobben, 1. schubben. 2. lurven
schud, schudden, de kwantitatieve opbrengst der gewassen
schudden, schudden, schudden
schuifelen, schoegeln, 1. schuifelen. 2. schontjen
schuil, schoel, 1. rimpel in 't voorhoofd 2. luwte. 3. schuinstaand geval om achter te schuilen (voorheen bij het aardappelrooien)
schuilorgel, schoelörgel, (ouderwets), een ingebouwd orgel, in tijden van geloofsvervolging, speciaal onder de Mennonieten.
schuimen, schoemen, 1. schuimen. 2. een anders doen en laten bespieden. 3. uit de weide breken van vee
schurft, schôrf, schurft
schurftig, schurfteg, 1. schurftig. 2. het zich niet durven laten zien vanwege een schuldig geweten
schut, schut, zie schoel 3
schutstal, schutstaal, stal voor weggelopen vee, waarvan de eigenaar (nog) niet bekend is
schutteren, schuttern, zie aanschopperij moaken
schutterig, schuttereg, zie schurfteg 2.
schuwen, schaauwen, schuwen, vrezen
sib, sib, sip, na verwant
sibbeschap, sipschaft, bloedverwantschap
siek, siek, 1. ademtocht 2. vleugje wind
siepel, siepel, ui
sik, sikke, geit
sikkeneurig, sikkeneureg, slecht gehumeurd
sikkenlaan, sikkeloantje, bekend laantje in het Ter Apeler bos
simuleren, simelaaiern, peinzen
sint-juttemis, sunt jutten, Sint Juttemis (iets wat nooit komt of eindeloos ver is)
sirrelen, siddeln, sirreln, sjirreln, tollen
sirrelkop, tiddelkop, driftkop
sirrelpak, siddelpak, (ouderwets), bedelende vrouwen droegen hun kind in het siddelpak op de rug
sirreltop, siddeltop, sirreltop, sjirreltop, siddeltobbe, sirreltobbe, s, tol
sisteren, sistern, 1. sissen. 2. branden van kwaadheid
sjabloon, schampeljoun, voorbeeld, patroon
sjalot, silôdde, silon, silôt, sjalot
sjamberloek, sjammeloch, nachtpon
sjappie, sjappie, zeer slordig gekleed iemand, landloper
sjerp, sjaarbe, sjerp
sjoege, sjoegel, (ergens sjoegel van hebben), verstand
sjoegelen, sjoegeln, iemand bedotten
sjoeken, sjoeken, sjoekseln, lopen met natte kleren aan
sjomp, sjomp, 1. soort binnenschip 2. haveloze kerel
sjouw, sjouw, (ouderwets), vlag met een knoop er in ten teken dat een schip hulp nodig had
sla, sloat, sla (groente)
slaatje, sloatje, tabakspruim
slagkar, slagkaar, (ouderwets), kruiwagen bij vervening in gebruik
slak, slakken, slakken
slak, slakken, Thomas-slakkenmeel Ca3 (PO4)2.CaO ofwel Ca4 P2O9, een veel gebruikte fosfaatmeststof in 1879 voor het eerst gefabriceerd volgens het procédé van de Engelse ingenieur Sidney Chilchrist Thomas
slapdarm, slappendaarm, slap en futloos iemand
slapgat, slappengat, slap en futloos iemand
slaphak, slappenhak, slap en futloos iemand
slappetaai, slappentoai, slap en futloos iemand
slapscheet, slappenscheet, slap en futloos iemand
slatten, slatten, (ouderwets), het met de voeten treden en zo nodig stukhakken van veen
slecht, slicht, 1. effen. 2. eenvoudig. 3. gemeenzaam
sleef, slaif, 1. soeplepel. 2. lomperik
sleeuw, slij, slee, (ouderwets), stomp
slenk, slenken, kuilen of slagen in een laan of zandweg
slepen, slepen, 1. slepen. 2. het verplaatsen van goederen met oudejaar
slidderen, sliestern, slistern, glijden (bv. over het ijs)
sliet, slaiten, slieten, rondhout van bepaalde afmetingen en houtsoort
slij, slei, sleie, zeelt
slijk, slik, natte aangeslibde grond
slijters, slieters, prijs die de grossier berekend aan de wederverkoper
slijtersprijs, slieterspries, prijs die de grossier berekend aan de wederverkoper
slik, slik, snoepgoed
slikken, slikken, 1. likken. 2. snoepen
slim, slim, erg
slinger, slinger, 1. slinger. 2. ergens zijn slinger aan hebben = lol
slochtermarktbloem, Slochtermaartbloumkes, kleine herfstasters
sloddervos, sloddervos, slordige vrouw
sloerig, sloereg, lusteloos, moedeloos
slof, slof, iets vochtig
slof, slof, soort pantoffel
sloffen, slovven, schoorvoetend lopen
slofje, slofken, (ouderwets), gezelschapsspel met een muiltje
slok, slok, slok
slok, slok, buigzaam. Ook figuurlijk: een slok karakter
slokbotter, slokkebotter, achteloos iemand
slokken, sloeken, slikken
slomp, slomp, massa
slomp, slomp, slomperd, gelukkig toeval
slons, slont, liederlijke kerel
slonzen, slonzen, niet accuraat werken, ergens mee omslonzen
sloop, sleupie, tuitvormig lapje om vingerverband
sloot, sloden, meervoud van sloot
slootaarde, sloodeer, slootaarde
slop, slop, (ouderwets), vanggat
sloppen, sloppen, loszitten, vooral van te ruim schoeisel
slor, slorre, iemand die onvast loopt
slorren, slorren, schoorvoetend lopen
sloten, sloden, sloten schoonmaken
sluiken, sloeken, (ouderwets), het korte stro uit de schoof schudden
sluipstaarten, sloepsteerten, met hangende staart afdruipen
slurm, slörm, slungel
sluw, slaauw, sluw
smaaien, smaaien, 1. scheef op de voeten lopen. 2. zwaaien met de armen
smacht, smacht, honger
smachtig, smachteg, mager
smachtlap, smachtlap, hongerlijder
smak, smak, (ouderwets), vaartuig
smant, t smantje, lekker hapje
smart, smaarten, pijn door ontvellingen
Smeerling, Smeerlke, Smeerling, gehucht onder Onstwedde
smeerpotje, smeerpotjes, vruchtjes van de Meidoorn
smeu, smui, lenig
smeugel, smeugel, tabakspijp
smiegel, smaigel, gemene vent
smiegelen, smaigeln, vleien
smiezen, smiezen, (in de smiezen hebben), gaten
smik, smikje, vuiltje, druppeltje
smikkelen, smiggeln, smikkeln, met bijgeluiden lekker eten
smodden, smodden, vuil maken of worden
smodderen, smoddern, smullen
smoezen, smoezen, geheimzinnig overleg plegen
smoezig, smoezeg, bepaalde weersgesteldheid met weinig wind en dreigende regen
smok, smok, kus
smots, smors, smots, (appel)moes
smuigen, smoegen, 1. branden zonder vlam (dit ook: smoezen en smoezeg) 2. peinzend staren
smuigerig, smoegerg, 1. walmend. 2. nors
snaar, snoarske, (ouderwets), schoonzuster
snaarboksem, snaarboksem, pocher, snoefhans
snakken, snakken, 1. snakken. 2. opscheppen, pochen
snaren, snaren, 1. pochen, bluffen. 2. bijterig praten
sneb, snab, (ouderwets), vaartuig
snel, snel, gulp
snibbelen, snibbeln, iets fijn snijden
sniezen, snaizen, opscheppen, pochen
snijden, snieden, 1. snijden. 2. castreren
snik, snik, snikke, ouderwets binnenschip
snik, snik, (ouderwets), afgeschoten slaapplaats tegen de stal
snik, snok, 1. hik. 2. ’t is hom mor een snok = een handomdraai
snirre, snirre, 1. slet. 2. bitse vrouw
snit, snit, sikkelvormige slotenreiniger
snit, snittje, kleine hoeveelheid
snitbus, snittjebus, spuitbus
snitten, snitjen, hout snijden, knutselen
snitten, snittjen, spuwen of spuiten met dunne stralen
snitteren, snittern, 1. er heel vlug voorbij gaan. 2. sissen
snoeien, snuien, 1. snoeien. 2. snoepen
snoek, snouk, 1. snoek. 2. zeer rank paard
snoekenblad, snoukebloaden, de drijvende bladeren van gele of witte plomp
snood, snood, schrander, slim
snorren, snorren, 1. snorren. 2. iemand betrappen
snot, snödde, neusvocht
snotdoek, snôtdouk, (plat), zakdoek
snotter, snôttert, snotneus (kwajongen)
snottertje, snôttertje, pos (een baarsachtige vis)
snuffelen, snovveln, 1. snuffelen. 2. snuiven 3. door de neus praten
snuisteren, snuustern, 1. snuffelen. 2. alles doorzoeken, overhoop halen
snuitband, snoetbaand, snauwend antwoord
snuithouw, snoethaauw, snauwend antwoord
Sodom, Sodom, schimpnaam voor Winschoten (zie o. a. Genesis 18:20)
soepel, seupel, onvast op de benen
soppig, sobbeg, troebel, drabbig
specie, specie, 1. specie. 2. veen in bepaald stadium der turfbereiding
spekdik, spekkedikken, zelfgebakken oudejaarskoeken
spekkist, spekkist, spekkiste, (ouderwets), grote kist waarin gezouten zijden spek en hammen werden bewaard
speren, speren, gebaren maken
spertijd, spertied, (ouderwets), avondklok, in bezettingstijd de uren waarop men zich niet buitenshuis mocht bevinden
spiergelijk, spier geliek, precies gelijk
spijker, spiker, (ouderwets), schuur waarin het graan werd opgeslagen dat als belasting moest worden betaald. De daar wonende boer was de spikerboer. Een plaatsnaam als Spijkerboor herinnert er aan.
spijskamer, spieskoamer, (ouderwets), grote kast waarin de eetwaar
spinde, spinnechie, (ouderwets), kastje
spinhakken, spanhakken, spinhakken, spartelen
spinhuis, spinhoes, (ouderwets), tuchthuis voor vrouwen
spinmaal, spinmoal, (ouderwets), maal dat ’s avonds werd aangeboden door degene waar die dag buurmeisjes hadden geholpen met spinnen. Een koppelavond, want ook jongens mochten komen
spint, spint, spintvat, vijfliter maat
spinwijf, spinwief, (ouderwets), volgens oud volksgeloof zat het spinwief in de spinbaarg ten N.W. van Jipsinghuizen. ’s Nachts spande ze buiten draden om er jonge mannen in te vangen
sponsdoos, sponsdeuze, (ouderwets), in gebruik bij het schoonmaken van de lei
spreeuw, sproa, sproaie, sprotter, sprutter, spreeuw
spriet, spriet, 1. veer op een dameshoed 2. lang en dun meisje 3. balk aan molenkap 4. slechte sterke drank (denk aan spiritus)
sprik, sprik, sprikke, dun en schraal takje. Fig. ook in gebruik voor mager persoon
spuug, spij, spije, speeksel
stadig, stoareg, gestadig, langzaam maar zeker
stalhengst, stoalhengsten, (ouderwets), Hollandse reizigers die in een logement overnachtten
stamkaart, stamkoarde, (ouderwets), stamkaart. In oorlogstijd de kaart waarop men de distributiebescheiden kon krijgen
stap, stabbe, stap, ratteval
stapelrecht, stapelrecht, (ouderwets), recht van de Stad dat bepaalde dat de producten van het omliggende land in de Stad ter markt moesten worden gebracht
steenbil, stainbil, koe met te breed kruis
steenmeel, Hensens steenmeel, (ouderwets), een in de praktijk waardeloos gebleken meststof ±1907
steenmot, stainmodde, stainmot, keldermot, pissebed
steenschaaf, stainschoave, zie tisternait
Stefanus, stevven, Tweede Kerstdag, stevven is een omvorming van: Stephanus, een martelaar. Hand. 7: 58
stek, stikke, ijzeren pin in de grond om een dier aan vast te zetten
stekel, stiekel, distel
stekel, stiekel, stiggel, boosaardig kind
stekeldraad, stiekeldroad, prikkeldraad
stekelpos, stiekelpotze, pos (een baarsachtige vis)
stelmaker, stelmoaker, wagenmaker
stempel, stempel, 1. puin. 2. deel van een klapbuzze
stempel, stempel, (ouderwets), stempelen (door werklozen bij hun meldingsplicht)
ster, steern, ster
sterk, staark, sterk
sterrenschot, steernschot, op een kwal gelijkend uitbraaksel van dieren. Oudtijds meende men dat het afkomstig was van sterren
steunen, stênnen, zwaar hijgen, kreunen
stevel, stevels, laarzen
stevelknecht, stevelknecht, (ouderwets), stuk gereedschap om het uittrekken der laarzen te vergemakkelijken
stezzel, stezzels, siervazen
sticht, sticht, (ouderwets), hek waar men overheen kan stappen
stiems, stiemsk, 1. eigenzinnig. 2. achterbaks doen
stiep, stiebe, stiep, 1. fundering, vooral van zuil of bint. 2. stijgbeugel
stieren, stieren, stollen
stift, stiften, (ouderwets), versieringen aan het ooriesder
stijf, stief, 1. stijf. 2. stief zo groot = nog wel zo groot
stijf, stoef, 1. vlakbij. 2. direkt
stijfsel, stiefsel, stiezel, stijfsel
stijg, stiege, stijg (20 stuks)
stikker, stikker, (ouderwets), schoffelvormig ijzer bij turfgraven
stikkersplank, stikkersplaank, stikkersplaanke, (ouderwets), plank bij turfgraven gebruikt
stinkblad, stinkblad, klein hoefblad
stip, stip, (ouderwets), jus
stipkom, stipkomkes, (ouderwets), kommetjes voor de saus
stobbe, stôbbe, 1. fossiele boomwortel 2. bepaalde hoeveelheid bagger
stoelwinder, stoulwinder, (ouderwets), stoelenmatter
stoer, stoer, moeilijk
stoet, stoet, stoede, wit-, tarwe- of krentebrood
stoetbrugge, stoetbrugge, snee roggebrood met plak stoet
stoffel, stovvel, grote sul
stokelen, steukeln, kwaad spreken, de één tegen de ander opzetten
stokloper, stokloper, opzichter bij werkverschaffing of D. U. W. Doet tevens metingen met de meetstok van een halve roe lang
stokmannetje, stokmantje, (ouderwets), geldstuk
stomgraag, stomme geern, heel graag
stommel, stommel, stronk
stommelen, stommeln, 1. lawaaierig bezig zijn in huis. 2. stuntelig lopen
stomp bij, stomp bie, vlak bij
stond, op ’t stond, thans
stoof, stoven, (ouderwets), het ondereind der boomstammen
stookhok, stookhok, los klein woongedeelte bij boerderij
stookhut, stookhut, los klein woongedeelte bij boerderij
stoomfiets, stoomfiets, stoomfietse, (ouderwets), motorrijwiel
stoot, stôdde goarn, stôt goarn, knot garen. Afgeleid van een “stoot” garen. Vijf knap was een stoot
stop, stobbe, stop, zekering in elektriciteitskastje
stoppelgang, stoppelgang, (ouderwets), recht om de schapen op elkaars grond te mogen weiden
stoppelkat, stoppelkadde, laat in de zomer geboren poes
stork, stôrk, ooievaar
stotteren, stuttern, stotteren
straag, straag, streep land tussen veenplassen
strampel, strampel, zware tak
strang, streng, zie riet 1. en riet 2
streekje door, streekie deur, spel van schooljongens
streepkoord, striepkoord, constitutiekoord = stof voor kleding
streng, streng, streng
strijdwijds, striedewieds, wijdbeens staan
strint, strinde, strint, 1. mager dier. 2. mager meisje
stroet, strouten, (ouderwets), brede, laag gelegen stroken grasland
stroop, stroup, stroop
stropen, strupen, streupen, stropen van een huid
struikel, stroekel, nors, stuurs
struinen, strunen, 1. alles doorzoeken 2. uit de weide breken van vee
stubben, stubben, stof afkloppen
stubber, stubber, veger
studdelen, studdeln, onvast lopen
studdy, studdie, doorlopend, gestadig
stuiken, stoeken, haperen, stokken
stuins, stoemsk, stoensk, korzelig, stug
stuk, n stek, onzinnig gezegde of voorstel
stuk, oet ’t stok, uut ’t stok, uitstekend
stuk, stokkend, stukkend, kapot, stuk
stutten, stutjen, 1. stotteren. 2. strompelen
subtiel, septiel, ziekelijk, tenger
sudderen, suttern, zacht braden
suiker, sokker, suker, sukker, suiker
sulhout, sulholt, (ouderwets), dwarsbalk op veestal
sunt, sunt, ophef, drukte
sylvaniet, sylviniet, (ouderwets), een weinig gebruikte kalimeststof
taai, taai-taai, lokroep voor schapen
taanteren, toantjern, over ijsschotsen lopen
tachtig, tangn’teg, (ouderwets), tachtig
tafeltje dansen, toaveltje dansen, (ouderwets), magische kunst waarbij de tafel op en neer ging
tak, takken, takkens, aambeien
taks, taks, normale hoeveelheid of tijdsduur
taks, taks, afwijkende beenstand
takt, takt, gemutst, gestemd
taling, teelnk, taling (wilde eendesoort)
tamp, taamp, tros touw
tamper, tamper, iets zuur
tand, tanne, tand
tand, tind, tand (van een eg)
tante, taande, tanne, tante. Dat is mien taande. Maar: tanne Grietje
tap, tabbe, tap, een kegelvormig (taps toelopend) voorwerp
taps, tips, schuin toelopend
tasje, taske, (ouderwets), klein vaartuig
tateren, toatern, tateren, geluiden van het kind voor het kan praten
teef, teef, (ouderwets), brede houten schop bij vervening gebruikt
teek, tiek, tieke, kever, tor
teems, teems, teemse, melkzeef
teen, teunen, tonen, tenen
tegelijk, tougelieks, tegelijk
tegemoet, in de muide, elkaar tegemoet komen
tegenwoordig, teegn’sworeg, tegenwoordig
teil, tal, haverpluim
telder, teller, etensbord
telen, tielen, aanlopen
telg, telg, jong boompje
temen, taimen, zeurig praten
tempel, tempeltje, stijltje bij de eindvorst van het dak
tempteren, tamtaaiern, iemand toetakelen
tep, tebbe, (ouderwets), stok met ijzeren weerhaak om hooi te “teppen
tephaak, tephaak, (ouderwets), stok met ijzeren weerhaak om hooi te “teppen
teppen, teppen, 1. blijven haken 2. met een weerhaak uitdrukken. 3. plukken
ter zet, ter sette, (ouderwets), in onderpand geven
tering, teer’n, (ouderwets), t. b. c. (tering)
termijn, termienen, termijnen
termijn, termienen, stuipen
terpentijn, tapn’tien, terpentijn
test, têste, test = aarden bakje in de stoof waarin kooltje vuur
teter, toater, straalschimmelziekte (trichophytie). Huidziekte bij vee die ook op de mens kan overgaan
tets, tets, paardeleidsels
tevenjacht, teevejacht, zie kilnjacht
textielpunt, textielpunten, (ouderwets), in bezettingstijd bonnen waarop men textiel kon kopen
Thesinge, Taischen, Thesinge
Thorbecke, tèbekken, (ouderwets), aardappel ras genoemd naar de staatsman Thorbecke. Vele jaren een bijna magische klank in de streken met fabrieksaardappelen
tichelwerk, t tiggelwaark, steenbakkerij
tiemen, taimen, hooi in oppers maken met een door een paard getrokken paal
tiepelen, tiepeln, 1. kinderspel 2. knutselen
tiepelzinnig, tiepelzinneg, wispelturig
ties, ties, tezzel, kieskeurig
tiet, tidde, tit, tepel
tietkan, titkan, titkanne, zuigfles
tijd, tieden, tijden
tijdels, tiedels, 1. gewoonlijk 2. soms
tijding, tieden, tijding
tijdstijden, tiedstieden, zeer lange tijd
tijn, tien, tiene, (z. n. w.), kuip
tikkel, tikkel, kleinigheid
til, til, (ouderwets), vaste houten brug of in boogvorm gemetselde brug
tilt, tilt, vlij of vlies op melk of andere vloeistof
tjalk, tjaalk, vaartuig
tjasker, tjaske, watermolentje
tobbelen, tobbeln, met loophengel vissen
tobhengel, tobangel, loophengel
tocht, tjucht, bende, troep
todden, todden, torren, torsen, dragen
toe, tou, soms: van (Dat is ’n zuster tou hom)
toeboeien, touboien, toetakelen
toedijen, toudijen, aangroeien
toef, toef, toefie, kuif
toejas, toejas, (ouderwets), Russische tabaksdoos
toen, dou, toun, toen
toen destijds, doudestieds, toentertijd
toeproosten, touproostjen, toedrinken
toer, toer, toere, bouwland dat twee jaar geleden grasland was
toest, doesk, een dicht bos haar
toestel, toestellen, toestellen
toestellen, toestellen, aanschaffen
toesterd, toesterd, nors iemand
toesterig, toesterg, 1. verward 2. slecht geluimd
toesterstrampel, toesterstrampel, wanstaltige boomstronk
toethoorn, toethoorn, (ouderwets), hoorn van een koeheer
toeze, toeze, in toeze, het verward zitten van touw enz. Ook: ie kommen der mit in toeze = in de war
tofzaag, tofzoag, tofzoage, zaag met verdikte rug, vaak gebruikt om beenderen door te zagen
tokken, toeken, 1. blijven haken. 2. slordig naaien
tokken, tokken, lokken
tolhek, tolhek, (ouderwets), hek in verkeersweg, bij doorgaan tol te betalen
tomig, tuimeg, tumeg, het iets minder druk hebben dan voorheen
tommy, Tommies, in bezettingstijd veel gebruikt woord voor “Engelsen”
tongel, tongel, kleefkruid
tongelen, tongeln, 1. bengelen 2. meeslepen
toog, toog, tooge, (ouderwets), 1. brede houten hark om de achtergebleven halmen te verzamelen 2. kledingstuk
toom, toom, 1. een worp of broedsel 2. touwtje aan een vlieger
top, top, top
top, top, tol (zie siddeltop)
topgras, t topgras, de eerste snede
touter, taalter, schommel
touwen mat, n touwen mat, n touwen madde, (ouderwets), jute boodschappentas
trampelen, trampeln, trappen
tranquil, trankiel, vrijpostig
trapperen, trappaaiern, trapperen, betrappen
treden, treden, 1. het “werk” van een haan. 2. met gestrekte passen de lengte (ten naasten bij) van iets bepalen
treedsel, tredsel, treedsel, treesel, hanetree. Men veronderstelt ten onrechte dat tredsel zijn oorzaak vindt in het treden van de haan. De juiste benaming is: hagelsnoeren
treemke, treemke, triemke, schakelnet, kortweg schakel
trens, trênsie, trens (licht paardehoofdstel)
trifolium, trifolium, (ouderwets), veel verbouwde wintertarwe. Letterlijk betekent trifolium: drieblad of klaver
trip, trippen, 1. plankjes onder de voeten. 2. soort schoen van het paard. 3. licht soort klompen
trits, trits, troep, menigte
troel, troel, troele, 1. eigenwijs nest van een meisje. 2. ouderwetse vrouwenmuts
troffel, troevel, 1. slag, stoot. Aine oftroeveln = een pak slaag geven. 2. troffel
troffelen, trovveln, trappen
troffelschop, troeffelschop, (ouderwets), schop bij turfgraven gebruikt
troffelzaag, trovvelzoag, trovvelzoage, zaag met verdikte rug, vaak gebruikt om beenderen door te zagen
tros, troest, 1. tros. 2. troep
tu-tu, tu-tu, lokroep voor koeien
tudeltaantje, tudelletoantjes, Afrikaantjes (bloemen)
tuiber, taaiber, topzwaar, wankel
tuig, tuug, 1. tuig, gereedschap 2. schorrie-morrie 3. wasgoed
tuighek, tuughekke, linnenrek
tuigknipper, tuugknippers, wasknijpers
tuik, toek, aardig, bevallig
Tuikwerd, Toekert, Tuikwerd, buurt bij Delfzijl
tuinegel, toeniegel, lastig meisje
tuinen, toentjen, tuinieren in eigen tuin
tuinkruipertje, toenkroepertje, winterkoninkje
tuintjegras, toentjegras, straatgras
tuit, tude, (vooral kindertaal), kip
tuitje nieuwaars, tuutje-nijneers, nieuwsgierig Aagje
tuitjefluiten, tuutjefloeiten, om het werk heendraaien, zijn tijd verpraten
tuntelen, tudeln, peuteren
Turk, Turken, (ouderwets), aardappelras
tussenteugel, tussenteugel, touwtje aan hoofdstel dat twee paarden verbindt. Geeft moeilijkheden als één der paarden er met het voorbeen overheen stapt en dan het hoofd niet weer kan opheffen
tuut, tuut-tuut, lokroep voor kippen
tweebak, twijbak, (ouderwets), beschuit
tweebrede, tweelange, twij braiden, twij langen, twij körten, twij langen, een zeer langdurig iets
tweedonker, twijdonkern, schemering, misschien ontleend aan Numeri 9: 11, St. Vert, mogelijk afgeleid van twijfel (verwant aan twee)
tweeknuppel, twijknuppel, brede knuppel voor twee paarden
tweetandeggen, twijtande aaien, twijtande aaiden, bepaalde manier van eggen
tweevoren, twijvurgen, tweevoren, met twee verschillende ploegen door dezelfde voor gaan (vaak bij grasland scheuren)
twijfelaar, twievelder, twijfelaar = kuiken waarvan men lange tijd niet weet of het een haan of een hen is
twijg, toeg, toek, touge, bebladerde tak
u, joe, 1. U. 2. jullie
uder, t uder, geheime bergplaats
uier, joar, uier
uier, gidder, uier
uier, jitters, borsten
uieren, uur’n, opzwellen van het uier in het laatst van de draagtijd
uitboedelen, oetboudeln, uutboudeln, uitzet meegeven
uitbuilen, uutbulen, ervan doorgaan, vluchten
uitduitsen, uutduutsen, iets met woord en gebaar duidelijk maken
uitegst, t utegst, begrafenisplechtigheid
uiteren, utern, netjes herstellen
uitgevroren, uutverroren, werkloos door vorst
uitings, uytings, zie leedbier
uitjager, oetjoager, uutjoager, kind dat buiten het ouderlijk huis werkt en slaapt
uitjebuiten, uutjebuten, ruilen
uitlopersgoed, oetlopersgoud, uutlopersgoud, nette kleren voor ’s avonds
uitluiden, uutluden, het luiden bij een begrafenis
uitnaaien, uutnaaien, zie uutbulen
uitreden, oetrijen, uutrijen, (uit) kammen
uitslag, oetslag, uutslag, (ouderwets), voor de vacantie begon liet de meester de kinderen door een hoepel springen, waarbij ze een slag op zeker lichaamsdeel incasseerden. Als de school weer begon was er inslag
uitspieren, oetspieren, uutspieren, ontkiemen
uitstubben, oetstubben, uutstubben, uitslaan van stof en vuil
uitstukken, oetstokken, uutstokken, 1. verstellen. 2. Met woord en gebaar iets duidelijk maken
uitstukken, uutstukken, passen en meten bij kleren verstellen of timmerwerk
uitstukken, uutstukken, zie uutduutsen
uitvoren, uutvurgen, de laatste voor ploegen (doch niet de laatste voor aan sloot of laan, dan: ofplougen)
uitvreten, oetvreten, uutvreten, iets verkeerds uithalen
uitzoekershok, uutzuikershok, plaats in glasfabriek waar de flessen worden gesorteerd
ukkeren, ukkern, (ergens over ukkern), reppen, gewagen
ulk, ulk, (ouderwets), bunzing
uw, joen, 1. Uw. 2. jullie
uw, joenent, 1. van U. 2. van jullie
vaak, voaken, vaak
vaaltdeur, voldeure, schuurdeur
vaardig, veerdeg, 1. recht van lijf en leden 2. direct tot aanpakken bereid
vaardig, vereg, goed ter been
vaarmelk, voalmêlk, een jaar overslaande met kalven
vadem, voam, vadem (lengtemaat)
vademen, voamen, met grote passen lopen
vadempje, voampie, tellen door streepjes te trekken IIII
vader, vottje, vadertje
vak, vak, 1. vak (beroep). 2. ruimte in schuur voor het optassen van graan of hooi
valbrug, vaalbrog, iets wat wankel staat
valgen, vaalgen, ondiep ploegen
vals, faals, 1. vals. 2. boos, nijdig
vanggat, vanggat, (ouderwets), uitgespaarde ruimte in vak of golf
vannieuws, vannais, véneis, opnieuw
vaste band, 'n vaste baand, (ouderwets), bovenste band om korenschoof, verbonden blijvend met het ondereind
vee, vai, vij, vee
veenbijl, veenbiele, (ouderwets), veenbijl, gebruikt om de bolster klein te maken
Veenhuizen, Veenhuizen, Geert 1857-1930, Geniale kweker van nieuwe aardappelrassen te Hoogezand
veenmol, veenmollen, 1. veenmollen (insecten) 2. Tijdens een staking onder de landarbeiders (omstreeks 1929) op de klei schoten vele veenkoloniale boeren te hulp bij de korenoogst. Deze boeren werden door de kleiboeren veenmollen genoemd
veeno, veeno, (ouderwets), een haverras dat spoedig weer is verdwenen. Kweker W. H. de Vries
veenroede, veenroede, (ouderwets), lengtematen
veenroedestok, veenroedestok, (ouderwets), lengtematen
veenroedevoet, veenroedevoet, (ouderwets), lengtematen
veertien, vattien, veertien
veertig, fatteg, veertig
veling, veelnk, (ouderwets), hoozeveeling uit Westfalen (marskramer)
venneweegs, venneweegs, vinwies, (ouderwets), de lengte van een stuk grasland
veraarden, veroarden, ontaarden, degenereren
veraltereerd, veraltereerd, van de wijs door plotselinge gebeurtenis
verbilderd, verbilderd, ontsteld
verblaaid, verblaaid, onthutst
verdek, t verdek, (ouderwets), wagenhuif
verder, vedder, verder
verdiedeldomdeeën, verdiedeldaantjen, verkwisten
verduld, verdold, wel verbaasd
verf, vaarve, verf
vergeefs, vergees, 1. gratis, om niet 2. tevergeefs
vergoord, vergoord, vervuild
vergrijmen, vergraimen, vermorsen
vergrild, vergreld, kwaad, hellig
vergruiten, vergroetjen, omkomen in het vuil
verheerd, verheerd, van zijn stuk
verhelligen, verhellegen, kwaad worden
verhieperd, verhieperd, verkleumd
verhipt, verhipt, ondeugend, verwenst
verkiezing, verkaizens, verkiezingen
verknollen, verknollen, veurknollen, een ander iets ve(u)rknollen = leugens vertellen
verkogelen, verkugelen, heel secuur werkje waarbij men de ogen plaagt (verkugelt)
verkonten, verkontjen, verknoeien
verkouden, verkollen, verkouden. Fig. : hai is verkollen = hij zit er boeroerd voor
verkwenen, verkwenen, verschrompeld
verlaat, vloat, verlaat of sluis
verlet, verlet, 1. verzuim, tijdverlies 2. ergens behoefte aan hebben
verlies, verluus, verlies, in zinnen als: d’r komt bie ’t verwaarken verluus op. In andere gevallen: verlais
verluid, verlud, verloren, uitgeput
verluiden, verlud, noar verlud = naar men zegt
vernikkelen, vernikkeln, 1. vernikkelen 2. erg verkleumen
vernuveren, vernuveren, aangenaam bezig zijn of gezelschap aan elkaar hebben
verponding, verponding, (ouderwets), grondbelasting
verrel, vôddel, vôrrel, vierendeel
verscheurd, tescheurd, verscheurd (Er zijn meer woorden met te i.p.v. ver.)
verslagen, versloagen, 1. verslagen 2. mislukt
vervaren, vervoaren, (ouderwets), verhuizen (vroeger vaak per schip)
vervast, vervast, vast en zeker
ververen, ververen, 1. ergens van schrikken 2. ruien (andere veren krijgen)
verzetten, versetten, (ouderwets), in onderpand geven
veteren, fetern, zeer vlug lopen
vetlok, vetlok, plukje haar vlak boven paardehoef
veulen, vool, 1. veulen. 2. meer is vool, meere is vool = merrie is drachtig
veulen zonder kop, vool zunder kop, spookgestalte van het volksgeloof
veulenmerrie, voolmeer, voolmeere, merrie die een veulen zoogt
vier, vaare, vaier, vêr, vier
vierde half, vairde haalf, 3½
Vierverlaten, Vierverlaten, hier werd in 1896 de eerste Noordelijke suikerfabriek gebouwd
vijfschacht, viefschaft, (ouderwets), vijfschacht = zware wollen stof
vijfverrel, viefvurrel, kamp land van 1¼ deimt
vijvenvelen, vievenveulen, met veel vijven en zessen
vilein, filain, zeer gemeen
vilt, vilt, vilde, laagje ruigte of iets dergelijks
vim, viem, turfdijkje op het land
viool, fiool, (ouderwets), zaaigereedschap
virtuut, t fertuut, 1. figuur, krul 2. knutselwerk
visje, vissie, 1. kleine vis 2. zilvervisje of suikergast = vleugelloos suikerkleurig insect, vaak in boeken voorkomend
vissernij, viskernij, visvijver
vleermuis, fleddermoes, vleermuis
vleesmest, vleesmizze, (ouderwets), meststof
vlei, vlij, vlije, vlies (op melk bv.)
vlier, fledder, vlierstruiken
vlies, vluus, vlies (vacht)
vloer, vlouer, vloer
vlok, flok, wollegras; zie ook moorke
vloot, vloot, vloot
vloot, vloot, ondiep
vlucht, vlocht, vlucht (bv. ’n vlocht petriezen)
vluchtig, vlochteg, vluchtig. Vlochtig is een jonge vogel die pas kan vliegen
vlug, vlogge, vlugge, goed geluimd
vod, vodden, vorren, lompen
vodden, vodden, vorren, iets doorlopend oprapen en weer neerzetten, ergens mee omvodden
voer, vouer, 1. voeder 2. voer (bv. hooi op wagen) 3. voering
voerman, vouerman, voerman
voetenkrabber, voutenkraber, (ouderwets), voorwerp bij buitendeur waarop men de schoenen kon afvegen
voldegen, voldegen, volgroeid
volk, volk, 1. volk. 2. dienstvolk 3. ouders
voor, vurg, vurge, voor (ploegvoor)
vooraf, veurof, vooraf, kamp land direct achter de boerderij gelegen
voorbind, veurbint, touwen om een voer hooi of koren vast te sjorren
voorbret, veurbred, (ouderwets), los verlengstuk van wipkarbak, gebruikt bij koren of hooi inhalen
voorlijk, vôrluk, voorlijk
voorlings, vôrrels of roggels, voor- of achteruit
voorloop, veurloop, wat men ziet of hoort, voor iets werkelijk gebeurt
voorloop, veurloop, (ouderwets), slechte jenever, foezel
voormiddags, vummedoags, voormiddags
vooronder, t vronder, vooronder (in schip)
voort, vot, 1. direct (dan ook: votdoadelijk) 2. overleden 3. bevel aan een paard 4. weg, weggaan 5. zoek
voorvrijer, veurvrijer, tussenpersoon bij huwelijk
vorig jaar, veureg joar, Groninger zegswijze voor: twee jaar geleden
vormsmeerder, vórmsmeerder, beginneling in glasfabriek
Vos, Vos, D. Veendam, de eerste veenkoloniaal die suikerbieten verbouwde (1888)
vouw, vôl, vôlle, vouw
vreets, vretsk, snoepgraag
vreterij, vreterij, vraatsporen aan vruchten of gewassen, ook vaak aan de wortels
vroeg, vro, vroeg
vuil, voel, 1. vuil. 2. bedorven, vooral gezegd van eieren
vuilbandig, voelbandeg, 1. druk. 2. met geweld
vuren, vuren, vuren
vuur, vuren, grote hopen turf die moeten nadrogen
vuurmand, vuurmand, (ouderwets), een metalen bak van waaruit brandende kluiten turf werden gestrooid zie brandcultuur
waag, waggels, golven
waai, waai, waaichie, ring tussen moerschroef en het vast te zetten voorwerp
waaier, waaier, wanmolen
Waalse boon, waalsebonen, tuinbonen
waan, woan, spint (slecht hout)
waardeel, WAAR, waardeel, (ouderwets), recht om in een bepaald gebied vee te mogen weiden en te hooien
waardschap, wasschop, (ouderwets), (van waarschap = gastmaal) bruiloft
waarman, woarman, sluiswachter
waffel, wavvel, (plat), mond
waffelen, wavveln, druk zinloos praten
wagen zonder paard, woagen zunder peerd, (ouderwets), automobiel
wagenwijd, woagenwied, wagenwijd
waldijken, waldijken, (ouderwets), turfgraven op de ondergrond
wallen, woalen, 1. kringen onder de ogen 2. striemen
wambuis, wams, jas
wan, wan, wanne, (ouderwets), stuk gereedschap om met behulp van de wind kaf en koren te scheiden
wandelmade, wandelmeeën, (ouderwets), meeën die elk jaar van gebruiker wisselden, zie mede
wanwaar, wanwoar, slechte waar
wapendief, woapendaiven, (ouderwets), scheldnaam voor Veendammers, omdat zij zich het wapen van Wildervank toeeigenden
waren, woaren, zich ergens voor wachten
warm krijgen, wôrms kriegen, zich bang of bezorgd maken
warmbloed, waarmbloud, warmbloed, licht gebouwd landbouwpaard met veel temperament
warrelen, widdeln, wirreln, dwarrelen
wat, wat, in enkele gevallen: sommige, bv. wat kinder vonnen ’t mooi, aandern nait
watereendje, wottereendje, schrijverke of blauwe draaikever (Cyrinus natans)
wateren, woatern, 1. urineren 2. het vee drenken
watergeil, wottergaail, wilde spurrie
waterkont, wotterkont, kip met buikwaterzucht
waterlaag, wotterloage, (ouderwets), de schoven in een korenmijt die over het voetstuk heensteken
waterrijder, wotterrieder, paard dat nooit zijn urine loost tijdens het werk
watertrap, wottertrabbe, (ouderwets), trap in diepswal
waterzen, wotterzen, tochtsloot. I.p.v. “wotter” zegt en schrijft men ook wel “woater
wede, ween, weene, 1. wilg 2. buigzaam takje
wedman, wedman, werman, (ouderwets), de rechterhand van de drost
weduwman, wedeman, weduwnaar
weduwvrouw, wedevrouw, weduwe
wee, wee, (ouderwets), likzucht = veeziekte veroorzaakt door kopergebrek
weegblad, weege bloaden, weegbree
week, wake, koppeltrekker = de gans of zwaan, die vooraan vliegt in de V formatie
weem, weem, (ouderwets), pastorie (een naam als Weemhof herinnert er aan)
ween, wilde wenen, veenwortels (zeer taai onkruid)
weep, weebe, weepe, weep, 1. wesp 2. levensgevaarlijk paard
weer, weer, weere, hamel (gecastreerde ram)
weergeld, weergeld, (ouderwets), boete die werd opgelegd aan een slavenhouder. Soms een waanzinnige manier van straffen: een der slaven werd opgehangen in de deuropening van het huis van zijn heer en moest zolang blijven hangen tot het lijk vanzelf viel. Het verlies van één van zijn “eigendommen” deed alzo dienst als straf voor de heer
weit, waait, waaite, tarwe
wel, wol, wel
welhaak, welhoak, welhoake, (ouderwets), haak in gebruik bij het koren zichten, men vormde er de garf mee
welk, wêl, 1. wie 2. iemand, in zinnen als: is der wêl west?
welterblok, welterblok, landrol
welteren, weltern, het zich van de ene op de andere zijde bewegen van het paard
wendakker, winakker, wendakker = dwarsakkertje aan begin en eind van een kamp waar de ploeg enz. moet worden gewend
wenst, wênst, wênsteg, ergens naar terug verlangen
wentelblok, wentelblok, landrol
wentelen, wenteln, het zich van de ene op de andere zijde bewegen van het paard
wepeldoorn, wepeldoorn, tak van egelantier (wilde roos), o.a. in gebruik als wandelstok
wereld, de wereld, in bepaalde uitdrukkingen, veel, een hoop
weren, weuren, onrustig bewegen
werk, waark, 1. werk 2. honingraten
werkdag, waddeldag, warreldag, wörkeldag, werkdag
werkgeest, waarkgeesten, (ouderwets), werkgeesten (kabouters) die ’s nachts het werk opknappen, maar ’s morgens is er niets meer van te zien
werkhuis, waarkhuus, (ouderwets), tehuizen waar vroeger landlopers en bedelaars werden opgenomen. Ze moesten werken voor de verzorging. Kenden ze geen vak dan werd hen een vak geleerd. Later werd een waarkhuus een meer algemeen armenhuis
wieg, waige, wieg
wiekel, wiekel, torenvalk
wieme, wiem, wieme, plaats aan de zolder waar men de slacht aanhangt
wier, wier, fijn gewas in sloot of wijk
wierde, wier, terp
wierdraad, wierdroad, ijzerdraad
wiersen, wirsen, hooi op rillen maken, ook: die rillen zelf
wietel, wietel, (ouderwets), grove linnen laken
wijderweiderig, wiederwaaierg, (ouderwets), 1. uitgestrekt, verspreid 2. wijdlopig
wijdwagen, wiedwoagen, wagenwijd
wijk, wiek, wieke, wijk = smalle vaart door landerijen
wijnkoop, winkop, (ouderwets), bruiloft
wikken, wikken, waarzeggen
wikkerse, wikkerske, (ouderwets), waarzegster. Een bekend wikwief was wik’n Triene of Triene wik van Exloërmond ± 1860 en het wikwief van Kolham ± 1630
wikwijf, wikwief, (ouderwets), waarzegster. Een bekend wikwief was wik’n Triene of Triene wik van Exloërmond ± 1860 en het wikwief van Kolham ± 1630
wilder, wildjer, vogelvanger
wilderheks, wilderheks, levenslustig meisje
Wildervanck, Wildervanck, Adriaan Geerts, stichtte ± 1647 Wildervank
willekeur, willekeur, wilkoer, (ouderwets), schriftelijke overeenkomst tussen de eigenaren van een marke
wilster, wilster, pluvier
wind, t recht van de wind, (ouderwets), het recht om in een bepaalde molen zijn graan kosteloos te laten malen
winde, wienen, windsels
winterlaag, winterloage, winterlaag = dikke laag grond waaronder stro, dienende om de zich daaronder bevindende aardappelen o. i. d. tegen vorst te beschermen
wis, wizze, gewis
witte wijven, widde wieven, (ouderwets), spoken
woepsterd, woepsterd, iets dat groot in zijn soort is
wol, wol, wol
Wolgen, wolgen, bewoners van Westerwolde
woordkarig, woordkaarg, zwijgzaam
worstelen, vrôzzeln, worstelen
wrang, vrang, wrang = uierontsteking
wrangen, vrangen, worstelen
wranterig, vranterg, prikkelbaar, verdrietig
wrat, woat, woarte, wrat
wrattenbijter, woatenbieter, vrattenbieter, libelle
wreed, vraid, 1. wreed. 2. hooghartig
wreef, vrij, vrije, wreef (van de voet)
wrekel, vriekel, valk
wrensen, vrensken, zacht hinneken
wring, vring, vringe, (ouderwets), wring (draaibaar weidehek)
wroeter, vruitertje, kleine woeler achter ploegschaar
wuft, wif, levendig, wispelturig
zaadker, zoadkers, zie schaiters
zaadmaas, zoadmaske, bewaarplaats voor zaderijen op rommelzolder
zaadvuur, zoadvuur, brandend koolzaadstro
zaadzaam, zoadsoam, voedzaam
zaaieren, saaiern, een lam opkweken zonder moedermelk
zaaihoorn, zaaihoorn, (ouderwets), gereedschap waarmee achter de ploeg werd gezaaid
zamelgoed, zammelgoud, (ouderwets), de gezamenlijke afval van woningen
zandstek, zandstek, (ouderwets), werktuig in het veen
zauwelen, tjaauweln, kletsen, zeuren
zecchino, sechienen, geld
zee, zij, (ouderwets), zee (in Westerwolde nog geen vergeten woord)
zeeg, seege, geit; onhebbelijke meid
zeegbok, seegebok, onhebbelijke meid
zeel, zeel, 1. hengsel 2. touw 3. paardetuig; zailen, (ouderwets) banden om de garf
zeen, zenen, 1. pezen 2. zenuwen
zeenkoorts, zeenkoorse, typhus
zeer, zeer, zeere, roofje, pijnlijke korst
zegge, sek, rietgras, zegge
zegswoord, zegswoorden, los gezegde
zeis, saais, saaize, zeis
zelf ree, zulf red, (ouderwets), zelf bereid product uit zelf gewonnen grondstof
zemelen, zemeln, zwammend praten
zes, zêeze, zes
Zes-en-een-kwart, zes in ’n kwat, Seisz Inquart, de rijkscommissaris voor bezet Nederland
zes-zes-zes, zes, zes, zes, insectenbestrijdingsmiddel, het gamma-isomeer van hexachloorcyclohexaan Cl6H6C6
zet, n zet, een lange poos
zet, set, het niet-draaibare deel van een brug
zetveld, zetveld, de plaats waar de turven drogen
zevenverrel, zeuvenvurrel, kamp land van 1¾ deimt
zich, zoch, zich
ziekenvader, zaikenvoader, (ouderwets), dokter
zien, t zuun, gezichtsvermogen
ziepenzorg, zaipenzôrg, zeer bedaard iemand in zijn werk
zijbret, ziedbreden, (ouderwets), platliggende planken terzijde van wipkar, in gebruik bij het inhalen van graan of hooi. Zie ook rik 3.
zijde, aan zied, het is gebeurd, klaar
zijgen, zijen, melk zeven of klenzen
zijlvest, t zielvest, waterschap
zijnent, zienent, 1. van hem 2. eigenaardige Groninger zegswijze: wie goan noar “de Vries zienent” = het hele gezin de Vries
zijp, t siep, waterloop
zijplank, ziedplaanken, (ouderwets), opstaande planken aan wipkar voor het laden van aardappelen en dergelijke
zinking, zinkens, hevige pijnscheuten in kiezen of oren
zo, zo, soms: nadrukkelijk (ik har die 't nog zó zegd)
zo nieuws, zo nijs, zo pas
zobranden, zeubrannen, last van maagzuur hebbend
zode, zorre, graszode
zodenbult, zorrebult, sul, slappeling
zoedelig, soeterg, besmeurd, vuil
zoekers, zuikers, de aardappelen die tijdens het rooien op het land achter blijven en later worden opgezocht
zoete, n zuide, zoetsappige prater
zoggelen, soggeln, geluid van de zeug tijdens het zogen
zomervalgen, zummervaalgen, ploegen tot juni om vervolgens nog te zaaien of te poten
zompen, sjompen, het geluid dat men hoort als men met zeer natte kleren loopt
zompgat, sjompgat, plaats voor afvalwater, vuilnis, enz.
zondag, n zundag, (ouderwets), open plekje in aardappelveld waar een plant ontbreekt
zoopje, zeupie, borreltje
zouter, zolter, zouter (baconvarken)
zo’n, zonent, zo één
zo’n, zoon, (b.v. in: ’t is zoon waark), veel
zuchtig, zuchteg, sukkelachtig
zuchtje, zoggie, (in: gain zoggie wind), zuchtje
zuibui, zoeieboei, schommel
zuil, zoel, (ouderwets), gebogen dikke twijg aan zeisboom, om het naar alle zijden vallen van de graanhalmen te voorkomen
zuipen, zoepen, zuipen
zuipen, zoepen, karnemelk
zuipenbrij, zoepenbrij, karnemelkse pap
zulk, zok, zuk, zulk, voorts ook zokn’t, zuks’n enz.
zuuraars, zoereneers, pruilerig iemand
zwaaien, swoien, zwaaien, draaien
zwaan-in-het-nest, swoan ien ’t nust, wittebroodje voor kinderen
zwaarddrager, sweerddroager, (ouderwets), figuur bij een trouwpartij. Aan het hoofd van de bruiloftsstoet en een sabel dragende, vervoegde hij zich aan het huis van de bruid en eiste haar op voor de bruidegom
zwaluw, zwaalfie, swaalfke, zwaluw
zwaluwstaart, zwaalfiesteert, zwaluwstaart (bepaalde houtverbinding)
zwarte president, zwaarde president, (ouderwets), bekend haverras
zwellende vinger, zwêllende vinger, zwerende vinger
zwerm, zwaarm, 1. zwerm bijen 2. op ’t zwaarm pazen = het in huis blijven van de man als zijn vrouw “er aan toe” is
zwet, zwet, scheiding, meestal door een zwetsloot
zwieps, zwiepsk, zeer buigzaam
zwijd, swiet, 1. vertoon 2. geweldig
zwijds, swiets, met zwier
zwijnegel, zwieniegel, egel
zwijnhond, zwienhond, smeerpoets
zwik, zwikkie, rommel, mikmak
zwil, zwillen, aan hopen gezette turf van de beste soort
zwinden, swinnen, zwerven
zwirrelen, swiddeln, vlug draaien
zwoerd, zwoor, zwoore, spekzwoerd
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal