elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.

aanberen, anbieëre, het varken dekken, doen bevruchten.
aangelag, angelòch, aan het erf grenzende akkergrond.
aangeschoten, èngesjoote, dronken.
aanprijzen, ènpreezje, iemand of iets aanprijzen; loven en bieden, de waren aanprijzen.
aanstieren, anstie:re, jonge koe voor het eerst laten paren.
aantodderen, èntóddele, slordig aankleden.
aantuimelen, èntoemmele, aansukkelen.
aardappel, érpel, aardappel; érpel in de paan, in schijfjes gebakken aardappelen; érpele poote, aardappels poten.
aardappelkuil, érpelekuul, érpelekul, kuil of afgedekte hoop waarin men de aardappelen bewaart.
aardappelloof, érpelelòf, loof van de aardappelplant.
aardappelmand, érpelemèèntje, mandje waarin men aardappelen schilt.
aardappelmes, érpeleméske, mes waarmee aardappelen worden geschild.
aardappelmolen, érpelemeule, machine waarmee de aardappelen naar grootte worden gesorteerd.
aardappelriek, érpelerie:k, riek met bolletjes onder aan de tanden.
aardbei, érbeesj, fris smakende rode vrucht van de aardbeienplant.
aardbeienvlaai, érbeezjeflaaj, vla met vulling van aardbeien.
aarde, éért, aarde, grond; greesj éért, loodgrijze zandlaag onder de heizode.
aarden, aare, zich op een andere plaats waar men zich gevestigd heeft, thuis gaan voelen; héj koos dór nie goe aare “hij kon daar niet goed aarden”.
aardig, aarich, (eigen)aardig; ’tis’n aarech iemmes “het is een eigenaardig iemand”.
aardkar, értkaarske, opkipbare, tweewielige kar met kleine bak; de bak valt tussen beide berries.
achter, taaftere, tijd waarop men koffie drinkt.
achterblijver, aachterblie:ver, afgedwaald schaap.
achterboks, aachterbóks, deel van het tuig dat het paard op het achterdeel draagt.
achterste, aachterste, achterwerk.
achtste, aachste, achtste (rangtelwoord).
ademen, òjjeme, ademen.
ader, aor, ader.
afbijtmiddel, afbitjmiddel, middel in het algemeen om verf los te weken.
afgaan, afgao, ontlasting hebben.
afkammen, afkémme, afkammen, afbrekend beoordelen.
afknijpen, afknieppe, ’t afknieppe, sterven.
afleren, aflieëre, iemand iets afleren.
afloop, afloeëp, afloop, einde van iets.
afpikken, afpikke, ’t afpikke, sterven.
afrijten, afritje, der énne afritje, een wind laten.
afrikaan, afriekaan, afrikaan.
afrukken, afrukke, der énne afrukke, een wind laten.
afsterven, afstèèreve, sterven (van een plant).
aftrekken, aftrékke, zich laote aftrékke, zich laten fotograferen.
ajuin, jujnj, ui.
ajuinkoek, jujnjkoe:k, pannekoek met in schijven gesneden uien.
akker, ékker, bouwland algemeen.
aks, aks, hak om turf los te hakken, in de Peel gebruikt om hout kapot te hakken.
al zijn leven, alzenlééve, altijd.
alkoof, alkoeëf, vaste, ingetimmerde slaapplaats.
allee hop, alee-hóp, opstaan.
alleen, allieën, alleen, enkel en alleen.
allemaal, allemòl, allen te zamen.
allijk, allek, heel; ik moet ’n allekke mik koeëpe “ik moet een heel witbrood kopen”.
alpino, alpien, alpino(muts).
altijd, aaltitj, immer, altijd.
amer, aomerte, meervoud, stukjes houtskool.
angelsbult, angelsbulter, meervoud, gezwel in de huid.
appelmoes, appelemuu:ske, appelmoes.
appelprots, appelepróts, appelmoes.
appelschijf, appelsjie:fkes, meervoud, in de zon gedroogde appelschijfjes.
appelsien, appelsien, sinaasappel.
aren rapen, òrre raape, aren lezen, oprapen nadat het graan is binnengehaald.
armoede, èèërmoej, armoede.
askruisje, askreusjke, askruisje.
Asten, aaste, gemeente Asten.
astrant, strant, vrijpostig.
Aswoensdag, aswoenzich, Aswoensdag, de eerste dag van de grote vasten.
avond, saoves, in de avond.
avondkost, aoveskoost, laatste maaltijd van de dag.
Baarlo, bòlder, Baarlo.
baas, bas, vrouw met wie men getrouwd is.
babbeltje, babbelke, stukje snoepgoed.
baggerhak, baggerhak, hak om baggerslijk kort en klein te maken.
bakhuis, bakhusj, vrijstaand gebouwtje waar men brood bakt.
bakken, bakke, vriezen.
bakker, bèkker, brood- en banketbakker.
bakkerij, bèkkerééj, bakkerij.
bakkersboks, bèkkersbóks, bakkersbroek.
baliën, ballieje, zonder doel rondlopen (over straat).
balkenbrij, balkenbrééj, balkenbrij.
bam, bam, bèmmeke, boterham (kindertaal).
bamis, baamis, H. Bavo, 1 oktober.
bangschijter, bangesjitjtert, bangerik; dè dörske is ’n bangesjitjtert “dat meisje is een bangeschijterd”.
barg, bèrch, mannelijke niet meer zuigende big.
bascule, baskuul, bascule.
bastaard, baastert, bastaard.
bats, bats, achterwerk, bil; meervoud batse, achterwerk van de koe.
batterij, batterééj, achterwerk.
beddenkoets, béddekoets, vaste, ingetimmerde slaapplaats.
bedevaart, béévert, bedevaart, pelgrimstocht; de béévert nòr ómmel, “de bedevaart naar Ommel”; te béévert gao, op béévert gao, bedevaart doen, op bedevaart gaan.
bediend worden, bedient wéére, bediend worden, de laatste sacramenten ontvangen.
bedrijf, bedrief, inrichting voor de uitoefening van een bepaalde tak van industrie en handel.
bedroefd, bedruu:ft, verdriet hebbend, treurig.
beer, bieër, volwassen mannelijk varken, ongesneden; nò den bieër gao, het varken dekken, doen bevruchten.
beest, béste, meervoud, rundvee algemeen.
beestje, bésje, hoofdluis; vruugger han ze dikker bésjes óp de kóp “vroeger hadden ze vaker luizen op de kop”; sjajlekke bésjes, schadelijk ongedierte.
begaaien, begaaje, zwaar in de fout gaan bij een handeling door hem niet of slecht uit te voeren.
begrafenis, begraffenis, gezamenlijke handelingen en plechtigheden waarmee een dode ter aarde wordt besteld; óp de begraffenis nuuëje, ter begrafenis noden
begrafenismis, begraffenismis, uitvaart, lijkdienst, begrafenismis.
begrijpen, begrieppe, begrijpen, met het verstand (be)vatten.
behoren, behuuëre, behoren, het eigendom zijn van.
bejaardenhuis, bejaardenhusj, instelling waar oude mensen kunnen wonen en/of verzorgd worden.
beleg, beléch, lederen bekleding van kussens.
belhamel, bèlhammel, schaap dat voorop loopt of in de buurt van de herder blijft.
benieuwen, benééje, nieuwsgierigheid wekken.
benoemen, benuumme, iemand benoemen.
bergmolen, bèrchmeule, Hollandse molen (waarvan de roeden tot aan de begane grond komen), die op een heuveltje is gebouwd.
berm, bèèrem, buitenstaande korenmijt, rond van vorm; bèèrem zitte, korenmijt zetten.
bermen, bèèrme, garven in de schuur opstapelen.
bermhol, bèrmhool, ruimte tussen de muur en de stijlen.
berrie, börries, meervoud, berries waartussen het paard gespannen wordt.
beschimmeld, besjimmelt, met schimmel bedekt, gezegd van brood.
beschuit, besjutj, beschuit; besjutj mi meusjkes, beschuit met muisjes; op kraamvisite (gaan).
beschuitenpap, besjutjepap, melk met beschuiten.
beslaan, beslao, met het paard naar de hoefsmid gaan.
beslag, beslach, beroerte, verlamming veroorzaakt door uitstorting van bloed in de hersenen.
besluiten, beslutje, iets waarover verschil van gevoel is voorgoed tot een einde brengen.
beter, bétter, genezen, hersteld, beter (bijwoord).
beterkoop, bétterkoeëp, goedkoper.
betonijzer, betónizjer, staven of vlechtwerk van ijzer, in beton verwerkt.
betonmolen, betónmeule, machine om beton te bereiden.
beugelbaan, beugelbaan, een door planken aan drie zijden omheinde vloer met een ring en een goot.
beugelen, beugele, spel met houten slagers en ballen op de beugelbaan.
beuken, bèùke, verdriet of pijn kenbaar maken door tranen te storten; loeien van de koe in het algemeen.
bevriezen, bevreezje, bevriezen.
bewijs, bewisj, bewijs.
bewijzen, beweezje, bewijzen dat iets zo is.
bezem hebben, bissem hébbe, feest dat door de kinderen gegeven wordt als de ouders uit huis zijn.
bezemheide, bissemhééj, struikhei.
bezoek, bezuu:k, personen die op bezoek komen.
bidprentje, bitprèntje, bidprentje, doodsprentje, gedachtenisprentje, tijdens de uitvaartdienst uitgereikt.
biecht horen, biecht huu:re, biecht horen door de priester.
bies, beezje, meervoud, dun hoogopgroeiend oevergewas waarvan de stelen dienen als materiaal voor stoelzittingen en matten.
bies, beesj, zware plensbui.
biesbouw, bisbòwwel, daas, grote vlieg; de wijfjes zuigen bloed, grote soorten steken pijnlijk en achtervolgen mens en dier.
biest, biest, ‘gele melk’ die een koe soms geeft
biezen, beezje, met opgeheven staart rondlopen.
big, bach, big, jong varken.
biggen, bagge, jongen, biggen ter wereld brengen.
bij, bééj, bij in het algemeen.
bijenhal, béjjehal, plaats waar de bijenkorven of bijenkasten staan.
bijenkloot, béjjekloeët, bijenhouder, scheldbenaming.
bijenpijp, béjjepie:p, pijp die de imker aan heeft als hij in de korf of kast werkt.
bijstal, bééjstal, zomerverblijf van de schapen.
bijten, bitje, bijten.
bikhamer, bikhammer, ijzeren hamer om stenen te bekappen.
bil, bil, achterwerk van de koe.
bil, bille, meervoud, hamers waarmee de molenstenen gescherpt worden.
bilhamer, bilhammer, hamer waarmee men de groeven in de beide molenstenen maakt.
binden, binge, binden, vastbinden.
binder, binger, persoon die achter de maaier werkt om de garven te vormen en te binden.
binnenspouw, binnespaow, binnenste of achterste muur van de spouwmuur.
blaas, blaos, blaas van het varken.
blad, bla, blad, bijv. van een boom; elk van de beide zijden van een blad in een boek, tijdschrift enzovoorts; meervoud blaar.
bladgroen, blatgruu:n, groep van groentesoorten waarvan de opbrengst bestaat in de bladeren.
bladzijde, bladzééj, elk van de beide zijden van een blad in een boek, tijdschrift enzovoorts.
bleek, bléjk, grasveld waarop men wasgoed te bleken legt; verkleinvorm bléjkske, wei of grasveld dat vlak bij huis ligt en vaak als bleek wordt gebruikt.
blekken, blèkke, zeer oppervlakkig ploegen.
bles, blis, 1) koe met witte streep op het voorhoofd; 2) langwerpige streep van voorhoofd tot neus.
bleu, bluuë, 1) verlegen; 2) bang om de aandacht te trekken of zich te vertonen; bluuë zin, niet flink of zelfbewust zijn, zich niet goed durven uiten in het bijzijn van anderen.
blikken, bliekke, nieuwsgierig kijken.
blind, blinjtj, blind, niet kunnende zien.
blindemannetje, blinjemènneke speule, spel waarbij één van de spelers die de anderen moet vangen geblinddoekt is.
blinkerd, blingkert, achterwerk.
bloed, bloe, bloed.
bloed kloppen, bloe klóppe, bloed kloppen om stollen tegen te gaan [bij de slacht].
bloedkoek, bloekoe:k, vaste bloedmassa die zich tijdens het kloppen om de vingers vormt [bij de slacht].
bloedworst, bloewoorst, soort worst.
bloedzuiker, bloezuukker, bloedzuiger.
bloem, bloem, gemalen, wél gezuiverd graan.
bloemist, bloemmist, vakman die naast zijn kwekerij ook een winkel heeft waaruit hij de zelfgekweekte produkten en bijgekocht materiaal verkoopt.
bloemkool, bloemkòl, bloemkool.
bobbel, broebbel, kleine, ronde, meestal holle verhevenheid op een oppervlak.
bode, booj, politie-agent
boekweit, boekkent, boekweit.
boekweitekoek, boekkeskoe:k, boekweitepannekoek.
boekweitepap, boeggesepap, boekkespap, pap van boekweitmeel.
boekweitwinde, boeggeswinj, zwaluwtong, vroeger een veel voorkomend onkruid op zandgrond
boekweitzaaier, boekkentzèèjer, iemand die boekweit zaait voor een veenmaatschappij.
boer, boe:r, boer die een eigen bedrijf heeft.
boerderij, boerderééj, erf en omliggende landerijen.
boerenmoes, boerremoes, boerenkool.
boerenschuur, boerresjuu:r, schuur van een boerderij.
boes, boes, 1) schoof of bundel uitgedorst stro; 2) roggeschoof.
boezen, boe:ze, hard waaien; de winjtj boe:st “de wind doet lelijk”.
bok, bók, volwassen mannelijk schaap van meer dan 1 jaar.
bokheide, bókhééj, struikhei.
boks, bóks, broek in het algemeen; kórte bóks, korte (jongens)broek die de knieën onbedekt laat.
bokspijp, bókspie:ëp, pijp van een broek; meervoud bóksepie:pe.
bokspringen, bókspringe, spel waarbij elke speler over de anderen, die voorovergebogen met de handen op de knie op een rij staan, heenspringt.
bokstas, bóksetès, broekzak opzij.
bolker, bòlker, grote knikker.
bolkeren, bòlkere, soort knikkerspel, waarbij de dikke knikker met kromme wijsvinger in een in de aarde uitgehold putje wordt gemikt.
bon, bón, proces-verbaal.
bonenstaak, bònnestéék, meervoud, schuingeplaatste vrijstaande stokken of 2 à 4 stokken die naar elkaar toe gebogen staan, waartegen rankbonen omhooggroeien.
bonk, bóngk, zwaar paard.
bonkschop, bóngksjup, schop om de zoden af te steken.
boodschappen doen, bótsjappe doe:, winkelen.
boodschappenmand, bótsjappemèèntje, boodschappenmandje.
boomgaard, bóngert, boomgaard, wei met vruchtbomen.
boomkweker, bòmkweeker, vakman of ondernemer die winterharde houtige gewassen kweekt met de bedoeling deze in rusttoestand af te leveren.
boon, bòn, boon in het algemeen.
boontjes, bönkes, meervoud, lupinen, geelbloemig gewas dat als groenbemesting wordt gebruikt.
borrelen, bórtele, door opstijgende damp- of gasbellen in beweging zijn, gezegd van vloeistoffen.
borstel, boorstel, kwast in het algemeen.
borstgetuig, boorstgetuuch, borsttuig.
bos, buske, bosje hooi, kleine hoeveelheid hooi.
boterham, bótteram, boterham.
boterkar, bótterkaar, gewone kar waarmee geregeld boter werd vervoerd.
botermelk, bóttermöllek, karnemelk.
botermelksepap, bóttermölksepap, kamemelksepap.
boterpater, bótterpaater, bedelmonnik.
boterschotel, bóttersjuttelke, botervlootje.
boterstaf, bótterstaf, stok waarmee men kamt.
boterstand, bótterstaant, vaatwerk van hout waarin melk tot boter gekamd wordt.
boterteil, bóttertéjl, houten kom waarin de boter gekneed wordt.
botervlaai, bótterflaaj, vla bedekt met een droog mengsel van boter, basterdsuiker en meel.
botsen, boetse, het hoofd stoten (kinderwoord).
boutschieten, bòwtsjie:te, buiteling maken.
bouwlaag, bòwlaoch, regelmatig geploegde, vruchtbare bovenlaag van de akker.
bovenlicht, booveleecht, raam boven deur of raam.
braadketel, braojkittel, metalen pan met twee oren.
braadpan, braojpaan, metalen pan met twee oren.
braak, braok laote ligge, een akker een seizoen braak laten liggen.
braambes, brémbizzeme, braambessen.
braamstruik, braomelestruuk, doornige struik die vooral op de heide en in de duinen en langs bosranden voorkomt; vruchten zijn eerst groen, dan rood en als ze rijp zijn zwart.
brabantse ploeg, braobantse ploech, model omganger, bestemd voor één paard.
braden, braoje, spijzen met boter of vet bereiden
branden, bórre, branden.
brandhoek, branthoe:k, plek bij de haard waar het brandhout of de turf stond.
brandkuil, brantkuulle, meervoud, soort vijvers met een heg eromheen om bluswater in op te slaan.
brandpan, brantpaan, ouderwetse dakpan zonder sponningen en kragen.
breeddorser, brédórser, dorsmachine met een molen met latten; men legt er de schoven dwars in.
brembezem, brémbissem, bezem gemaakt van heitakjes.
brensen, brienze, hinniken.
brillenschede, brillesjééj, brilledoos.
broeden, bruu:je, broeden, op eieren zitten.
broeien, bruu:je, varken begieten met heet water om de opperhuid los te maken.
broer, bruu:r, broer.
brok, broek, broedende kip die men op eieren heeft gezet.
brood, broeët, (zwart) roggebrood.
broodmes, broeëtmés, mes waarmee brood wordt gesneden.
broodrek, broeëtrék, houten stellage waarop het brood wordt weggezet.
brouwerij, braowerééj, bedrijf waar bier gebrouwen wordt.
bruid, brutj, bruid; verkleinvorm brutje, in het wit gekleed meisje in de processiestoet.
bruidspaar, brutsjpaar, bruidspaar.
bruine pater, brunje paater, Franciscaan, Minderbroeder.
bruistig, brustich, tochtdrift, geslachtsdrift vertonend, gezegd van het vrouwelijk varken.
Budel, buu:l, Budel, plaats in Noord-Brabant.
bui, bèùj, zware plensbui.
buik, buuk, buik; ik hép pinj in minne buuk “ik heb pijn in mijn buik”.
buikpijn, buukpinj, pijn in de buik.
buiksingel, buuksingel, 1) riem (of ketting) als verbinding tussen de beide strengen of hachten; 2) riem die aan het zadel vastzit en die onder de buik van het paard door wordt vastgemaakt.
buil, buu:l, van onderen en opzij gesloten papieren voorwerp om iets in op te bergen en te vervoeren.
buitengevel, butjegéével, buitenmuur, gevelmuur.
buitenplaats, butjeplats, open plaats achter een huis.
buitenspouw, butjespaow, buitenste of voorste muur van de spouwmuur.
bunder, boender, hectare.
burgemeester, burgeméster, wettelijk hoofd/vertegenwoordiger van een gemeente.
cachot, kesjót, gevangenis.
capucijn, kappesinj, Capucijn.
cementspijs, semèntspeesj, specie voor waterdicht metselwerk.
communie, kemuunnie, H. Communie; plèchtege kemuunnie, plechtige H. Communie; uurste kemuunnie, eerste H. Communie; de uurste kemuunnie doe:, de eerste Communie doen.
communiecant, kemuunniekèntje, communiecantje.
communiepak, kemuunniepèkske, communiepakje voor jongens.
compagnie, kómpenééj, persoon of personen met wie men samen is.
compassie, kompassie, gevoel van smart over het leed van andere mensen.
content, kóntènt, zich goe kóntènt doe:, zich braaf gedragen, gezegd van een kind.
cultivator, kultievaater, cultivator op wielen.
dadelijk, daalek, zo meteen.
dak, daak, dak.
dakkapel, daakkepèèl, uitbouw in een schuin dakvlak.
darm, dèèrem, darm in het algemeen; dèèrem (meervoud), ingewanden; dèèrem sjònmaake, darmen reinigen voordat men ze gebruikt bij het maken van worst.
daverwaat, daaverwaat, snijzijde van zeis die te dun is geworden en haar spanning verloren heeft.
deel, dél, een aantal; ’n dél appels “een aantal appels”.
deem, deem, tepel van de merrie.
deerntjesschool, dörskessjool, meisjesschool.
dekken, dékke, vrouwelijk dier bevruchten.
delen, délle, 1) delen, samen delen; 2) kaarten ronddelen.
den, dén, 1) ruimte tussen de stijlen; 2) (lemen) vloer in de schuur waarop de oogst gedorst wordt.
denhout, dénhòwt, losse balk die onder voor de schuurdeur ligt en die bij het binnenrijden wordt weggenomen.
dennenhout, dènnehòwt, hout waarmee men de oven stookt.
derde, dréjde, derde (rangtelwoord).
derf, dèrf, te nat, gezegd van deeg dat niet wil rijzen.
dertig, dartich, dertig.
deukhoed, deukhoet, slappe, vilten hoed met deuk.
Deurne, deurze, gemeente Deurne.
dinsdag, dinzich, dinsdag.
directoire, dirrektwaar, directoire, damesbroek met elastiek in de pijpezoom.
dobbelsteen, dòbbelstieën, kleine kubus waarvan de zes vlakken met 1 tot 6 ‘ogen’ voorzien zijn.
dode, doeëje, dode lichaam van een mens.
doek, doe:k, 1) stuk stof, doek; 2) luier.
doen, doe:, doen (infinitief); dór doerrege niks èn “daar doe je niets aan”.
doffer, dòffer, mannelijke duif.
donder, dónder, onweer.
donderdag, dónderdich, donderdag.
donderkop, dónderkup, meervoud, zware wolken die onweer brengen.
donderschoer, dóndersjoe:r, onweersbui met veel regen en wind.
Donk, dóngk, Donk, toponiem in Meijel.
donker, dóngker, niet of weinig verlicht.
dood, , toestand die intreedt bij het eindigen van het leven; héj is dò “hij is dood”.
doodgaan, dògao, sterven, doodgaan, hemelen gaan.
doodkist, dòtskeest, doodskist.
doodmaken, dòmaake, doden.
doodshemd, dòtshémt, bekleding van de dode, wanneer hij in de doodskist wordt gelegd.
doodskleed, dòtsklé, bekleding van de dode, wanneer hij in de doodskist wordt gelegd.
doodsprentje, dòtsprèntje, bidprentje, doodsprentje, gedachtenisprentje, tijdens de uitvaartdienst uitgereikt.
doodzonde, dòseunt, erg jammer.
doofpot, doeëfpót, metalen of stenen pot waarin gloeiende houtskolen worden gedoofd.
doop, duuëp, doop.
doopdoek, doeëpdoe:k, dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen.
doopkapel, duuëpkepèèl, kapel achter in de kerk, waarin de doopvont zich bevindt en waar de doop voltrokken wordt.
doopkleed, doeëpklétje, doopjurkje
doopmuts, doeëpmutske, doopmutsje.
doorslag, dórslach, vergiet.
dopen, doeëpe, duuëpe, dopen.
dopheide, dóphééj, dophei.
dorp, dèùrep, dorp; ’t dèùrep méél “het dorp Meijel”.
dorsen, dórse, dorsen in het algemeen.
dorskast, dórskaast, dorsmachine.
dorsvlegel, dórsvleegel, dorsvlegel.
dozijn, dózinj, dozijn.
draad, drò, ineengedraaide vezels (van katoen, zijde of andere stof) tot een aanmerkelijke lengte dun uitgesponnen; drò in de nòlt doe:, draad garen steken door het oog van de naald.
draaien, drèèje, draaien en werken van de molen in het algemeen; vur de prins drèèje, draaien van de molen zonder dat de stenen werken.
drabbik, drabbek, mengsel van aarde, vuil, allerlei organische stoffen en water.
dreeg ploegen, dreech ploegge, zeer oppervlakkig ploegen.
drieherenmis, dréjhérremis, plechtige H. Mis waarin een celebrant, diaken en subdiaken voorgaan.
dries, dries, wei of grasveld dat vlak bij huis ligt en vaak als bleek wordt gebruikt.
drijven, drie:ve, bevel aan de hond om de schapen vooruit te jagen, terwijl de hond achter de schapen moet aan lopen.
drinkbak, dringkesbak, drinkplaats voor het vee in de wei.
drinkput, dringkesput, drinkplaats voor het vee in de wei.
drinktuit, dringkestötje, drinkkruikje geschikt om mee te nemen naar het veld (in de Peel had het een inhoud van 5 à 6 liter).
dromen, droeëme, dromen.
droog staan, druuëch stao, geen melk meer geven wegens drachtigheid.
droogappel, druuëchèppelkes, meervoud, in de zon gedroogde appelschijfjes.
droogte, dröcht, droogte.
droogworst, druuëchwoorst, soort worst: metworst.
druivenwingerd, droe:vewingert, klimplant met handvormige bladeren en groenwitte bloempjes die de wijndruif levert.
dubbellijn, döbbelleejnj, dubbele band die aan weerszijden van het gebit is vastgemaakt en tot aan de hand van de voerman dubbel is.
dubbelloops, döbbelluuëps, hagelgeweer met twee lopen.
dubbeltje, döbbeltje, muntstuk van 10 cent.
duif, doe:f, duif in het algemeen.
duiken, doekke, bukken, zich bukken.
duiker, duukker, duiker, waterdoorlaat onder de weg door.
duim, duum, duim.
duinen, dunje, meervoud, langwerpige heuveltjes of stroken gras, ontstaan door het uitgespreide gras bijeen te werken; óp dunje trékke, uitgespreid gras bijeen werken tot langwerpige heuveltjes of stroken.
duister, dusjter, donker, niet of weinig verlicht.
duisteravond, dusjteraovent, het donker zijn.
duivel, duuvvel, duivel; meervoud duu:vels, gevallen engelen.
duivin, doevvin, vrouwelijke duif.
duizend, duzjent, duizend.
duizendpoot, duzjentpoeët, duizendpoot.
dun, deun, dun, niet dik.
dunne, dunne, diarree, buikloop.
dutsen, dótsele, sluimeren.
duwen, dòwwe, mi de kont in ’t watter dòwwe, kip van broedsheid genezen door ze in een emmer water te stoppen met haar achterste.
edik, eek, zure vloeistof bestaande uit azijnzuur en water
eegestok, eegestók, stok, met twee touwen aan de eg gebonden, die dient om de eg op te lichten
eekhoorn, ékurke, eekhoorntje
eerste, uurste, eerste (rangtelwoord).
eg, éch, eech, eg; meervoud eech; hòwten eech, eg met houten tanden.
eggen, égge, eggen, het land met de eg bewerken.
ei, ééjer, meervoud, eieren; ééjer kippe, spelletje waarbij men probeert met een hardgekookt ei het ei van de tegenstander kapot te tikken.
ekstersoog, ékstersoeëch, eksteroog.
ereboog, ieërebooch, versiering door buurt bij bijv. een priesterfeest.
eten, ééte, al wat tot voeding kan dienen, al wat men eet.
eventjes, éfkes, nauwelijks.
evenwel, évvel, echter.
falie, fallie, zwarte sluierdoek die over hoofd en schouders gedragen wordt, gewoonlijk in de rouwtijd.
familie, femiellie, geheel van bloedverwanten van dezelfde naam.
fanfare, fómfaar, muziekkorps dat bestaat uit koperen blaasinstrumenten en slagwerk.
fazel, vaazel, geslachtsdeel van de merrie, uitwendig zichtbaar.
feest, fést, bijeenkomst en samenzijn ter viering van een heuglijk feit of een gedenkdag.
fiep, fie:p, speen, gummidop op een zuigfles.
fijne, finje, énne finje, huichelachtig persoon, iemand die zich mooier voordoet dan hij is.
fijt, fitj, fijt, aantasting van het beenvlees van een vingerkootje door etterige ontsteking van het nagelbed van een vinger.
filippine, fillepienne, meervoud, lupinen, geelbloemig gewas dat als groenbemesting wordt gebruikt.
fis, fis, bunzing.
flatser, flatsers, meervoud, veel te grote schoenen.
flimp, flimpe, meervoud, houten spaantjes waarmee men vuur neemt uit kachel of haard, bijv. om een pijp op te steken.
flokker, flókker, gezond, fris, opgewekt.
fluit, flötje, fluitje gemaakt uit onder andere de holle stengel van een korenstengel.
foekepot, foekkespót, pot die met een (varkens)blaas is overspannen door het midden waarvan een rietje is gestoken.
foetelen, foe:tele, vals, oneerlijk spelen.
foetelzak, foe:telzak, iemand die altijd vals speelt.
fornuis, fernusj, (vierkante) kookkachel met een of meer ovens waarop men verschillende dingen tegelijk kan koken, braden of stoven.
franciscanes, fransiskenès, zuster van de Orde der Franciscanessen.
fundament, fundemènt, fundering, fundament.
gaaf, gieëf, gaaf, helemaal in orde.
gaan, gao, gaan (infinitief).
gaarne willen, géér wille, sterk wensen, verlangen koesteren naar.
gaden, gaaje, bevallen, behagen; dè zal öllie wal gaaje “dat zal jullie wel bevallen”.
gading, gaajing, lust, genoegen, zin: op de mért waar niks van zin gaajing “op de markt was niets naar zijn zin”.
galop, galóp, in galóp loeëpe, galopperen.
gamasche, kemasse, meervoud, lederen beenkappen.
gang, gangk, doorloop in een huis die de huisdeur met de vertrekken verbindt.
garde-chasse, garresjas, politie-agent.
garen, garre, garen in het algemeen.
garenpaap, garrepaap, 1) libel; 2) scheldbenaming van buitendorpsen voor Meijelse mensen; meervoud garrepaape.
gat, gaat, gat in een kledingstuk; verkleinvorm gatje.
gat, gaat, achterwerk.
gatsnoer, gatsnuu:re, meervoud, korte linten waarmee de schortslippen van achteren met elkaar worden verbonden.
gazet, gezit, krant, dagblad.
gebint, gebónt, geboonde, balkenstel in zijn geheel; houten geraamte van verticale en horizontale balken dat wordt opgevuld met metselwerk of gepleisterd vlechtwerk.
gebintstijl, gebóntstielle, meervoud, verticale balken.
gebit, gebit, ijzeren stang die door de mond van het paard gaat.
gebruik, gebruuk, wijze van doen die in meer of minder ruime kring in zwang is.
gebruiken, gebruukke, gebruiken.
gebuild meel, gebuu:lt méél, gezeefd meel.
gedeelte, gedélte, gedeelte.
geerde, géért, vistuig bestaande uit een lange houten of rieten stok aan het uiteinde waarvan een snoer met dobber en haakje.
geheng, gehéng, huls met deurbeslag.
gehoor, gehuuër, toehoorders, gehoor.
geit, géétj, geit in het algemeen.
geitenlam, géétjelèèmke, jonge vrouwelijke geit, 12 tot 30 weken oud.
gek, gèk, trekregelaar op de buis die op de schoorsteen wordt gemetseld.
geld, gèlt, geld in het algemeen.
gelden, gille, gelden (werkwoord); dè geelt nie “dat geldt niet”.
geleg, geléch, aan het erf grenzende akkergrond.
geloof, geluuëf, geloof.
geloven, geluuëve, geloven.
geluw, gillew, gilft, bladluis.
gemeenschapshuis, geménjsjapshusj, gemeenschapshuis ’t Kloster.
gemeentehuis, geménjtjehusj, gemeentehuis, raadhuis.
gemeentepersoneel, geménjtjepersenieël, mensen die bij de gemeente werken.
gemeenteraad, geménjtjerò, gemeenteraad.
geplaar, geplaar, gesukkel.
geraamte, geramte, geraamte.
gereedschap, geritjsjap, voorwerpen die voor het verrichten van werkzaamheid nodig zijn, vooral de werktuigen van een handwerksman.
gereedschapskist, geritsjapskeest, gereedschapskist.
gerei, geréj, voorwerpen die voor het verrichten van werkzaamheid nodig zijn, vgl. gereedschap.
geren, gie:re, steeds kortere voren ploegen tijdens het ploegen van een taps toelopende akker.
gerst, garst, gerst, het gewas.
geschier, gesjie:r, gerief, gereedschap.
gesp, gasp, sluitgesp of haak aan de tailleband van een broek.
gesticht, gesteecht, instelling waar oude mensen kunnen wonen en/of verzorgd worden.
getijgerde, getie:gerde, koe met veel grillig gevormde rode vlekken en vlekjes.
getuig, getuuch, 1) gerief, gereedschap; 2) paardetuig in het algemeen; 3) geslachtsdelen (algemeen); getuuch èntrékke, paard optuigen; getuuch afdoe:, paard aftuigen.
getuige, getuu:ge, iemand die voor de rechter een verklaring aflegt over te bewijzen feiten.
gevelhuis, géévelhusj, langwerpig huis met de grote deeldeuren in de korte (achter)gevel.
geven, gééve, 1) geven, schenken; 2) kaarten ronddelen.
gevormd worden, gevèùremt wéére, gevormd worden, het Vormsel ontvangen.
gevreet, gevrét, gezicht, gelaat (spotnaam).
gevroor, gevreur, vorst, het vriezen; ’t gevreur zit nòch in de grónt “de vorst zit nog in de grond”.
geworden, gewérre, toestaan een handeling te verrichten; lòt ’m mèr gewérre “laat hem maar zijn gang gaan”; laote gewérre, met rust laten.
gewormte, gewörmt, gewörremt, klein gedierte (verzamelnaam), ongedierte.
gezwaai, gezwèèj, 1) reep gemaaid gras die ontstaat als men één slag met de zeis doet; 2) lange rij neerliggende halmen die men met de zeis heeft gemaaid.
gezwak, gezwangk, zwak in de zin van lenig, buigzaam.
giebelen, giebbele, giechelen.
giebelton, giebbeltoon, metalen giervat.
gierpomp, gie:rpómp, pomp waarmee men gier of aalt uit de gierput pompt.
gij, géj, gij (persoonlijk voornaamwoord 2e persoon enkelvoud, zowel de vertrouwelijke als de beleefde aanspreekvorm); òw, u (persoonlijk voornaamwoord, objectsvorm, zowel de vertrouwelijke als de beleefde aanspreekvorm); ik gééf òw di boe:k “ik geef
gist, geest, rijsmiddel dat aan het deeg in de trog wordt toegevoegd.
gisteren, geestere, gisteren.
goede kamer, goejkaamer, pronkkamer.
goede kost, goej koost, stevig voedsel.
goevrouw, goejvraow, vroedvrouw.
Gooden zijn gat, goode zin gaat, camping ’t Startebos in Meijel.
gooien, gòjje, gooien.
goot, geut, goot, bijv. van een dak.
gootsteen, gótstieën, aanrecht in de afwasruimte van een boerenhuis.
gordijn, gerdeenj, gordijn.
grafsteen, grafstieën, grafsteen, grafzerk, grafmonument.
grafzerk, grafzèèrek, grafsteen, grafzerk, grafmonument.
grep, grip, uitgestoken giergreppel of -kuil(en) achter de koeien.
grijns, greensj, grijns.
grijnzen, greenzje, een lelijk gezicht trekken, spottend lachen.
groei, grèùj, groei, wasdom, levenskracht in planten.
groeizaam, gruujzaam, groeizaam, gezegd van het weer in de zomer.
groen, gruu:n, blad van de stoppel- of herfstknollen; gruu:n plukke, herfstknollen uit de grond trekken.
groen, gruu:n, 1) groen; 2) niet rijp, gezegd van een vrucht.
groene hart, ’t gruu:n hart, centrumplein van Meijel, Alexanderplein.
groenmade, groemment, tweede hooioogst van een wei.
groente, gruunte, gewassen die door mensen als voedsel worden gebruikt in het algemeen.
groentenmarkt, gruuntemèèret, markt waar groenten verhandeld worden.
groenzaad, gruu:nzò, zaad van de stoppelknol.
groeze, groe:s, 1) niet omheinde weide; 2) grasveld waarop men wasgoed te bleken legt.
grof, gróf, zwaar van lichaamsbouw.
grond, grónt, bouwland algemeen.
grondverf, gróntvèèref, eerste verf waarmee hout- of metaalwerk wordt bestreken.
grondwater, gróntwatter, water dat zich in de grond bevindt, o.a. doordat regenwater door de losse bovengrond tot op een harde laag zakt.
grondwerker, gróntwééreker, man die het voorbereidende graafwerk doet.
grondzeiler, gróntzéjler, Hollandse molen waarvan de roeden tot aan de begane grond komen.
groot, groeët, groot; grötter “groter”, grötst “grootst”.
grootmoeder, gròtmooder, oma.
groots, gröts, vervuld en blijk gevend van een gevoel van meerderheid boven anderen.
grootvader, gròtvaader, opa.
gust, gust, guste ooj, niet bevrucht vrouwelijk schaap; gust rinjtj, jong rund dat maar niet voor de eerste keer drachtig te krijgen is; guste koe:, koe die meermalen gekalfd heeft maar daarna niet meer drachtig wordt.
haak, haok, haak waarmee men de nagels van de poten verwijdert.
haal, haol, zaagvormige ketelhanger.
haam, haam, juk van het paardetuig.
haantje, hantje, mannelijk kuiken.
haar, haar, naar links wijken, linksom draaien.
haar, ur, voornaamwoord, 1) haar (persoonlijk voornaamwoord vrouwelijk enkelvoud); ik héb ur wa gegévve “ik heb haar wat gegeven”; van ur gekrigge “van haar gekregen”; 2) haar (bezittelijk voornaamwoord vrouwelijk enkelvoud); ur klétje “haar kleedje”; 3) hun
haar vlechten, haor vlèèchte, lokken haar op regelmatige wijze kruiselings door elkaar strengelen.
haarblok, haarblòk, blok gebruikt bij het haren.
haarbol, haarból, bol gebruikt bij het haren.
haard, hért, 1) gedeelte van het boerenhuis waar zich de woonruimten bevinden, centrale woonvertrek in het boerenhuis; 2) vloer in het centrale woonvertrek.
haarenkelen, haoringkele, pijnlijk tegen elkaar stoten van de enkels.
haargetuig, haargetuuch, gereedschap dat men bij het haare “haren” nodig heeft, alles bij elkaar.
haarhamer, haarhammer, hamer gebruikt bij het haren.
haarsnijder, haorsnéjjer, man die het hoofdhaar van mannen en vrouwen knipt en opmaakt en die mannen scheert.
haffelen, haffele, aanhoudend in de handen nemen.
hagedis, hééjtis, hagedis.
hagelkruis, haagelkrusj, in het veld geplaatst kruis ter bescherming van de oogst tegen hagelschade.
hak, hak, hak om baggerslijk kort en klein te maken.
haken, hèùke, manier van handwerken waarbij met een metalen pen met een weerhaak een lussenweefsel wordt vervaardigd.
hakselkist, hékselkeest, bak of kist met haver voor de paarden.
hakselmachine, hékselmesjien, bak of kist om stro in te snijden.
halfter, halfter, boer die een bedrijf in pacht heeft.
halsterstreng, hèlfterstrang, enkele band of touw die aan het hoofdstel is vastgemaakt.
hamel, hammel, gesneden mannelijk schaap.
hamerslag, hammerslach, schapewolkjes.
handcultivator, hantkallevaater, cultivator
handschoen, hanse, meervoud, handschoenen met vier vingers en één duim.
handvol, haffel, hampel, hoeveelheid die men in een hand kan nemen.
haren, haare, zeis of zicht met een hamer scherpen.
haring, hérring, haring.
hark, hèrk, hark.
harst, harst, stuk gebraden spek.
harten, harte, harten, kleur bij het kaartspel.
havermoutpap, haavermòwtepap, pap van havermout.
haverton, haavertoon, bak of kist met haver voor de paarden.
hazekot, haazekoe:t, vaste ligplaats van een haas.
hazenoor, haazeoeër, schop met opstaande randen om vlinken te steken.
hazepad, haazepa, vaste wildweg.
hebben, harrege mèr, had je maar!
hebben, hérrege, hebt gij? (vragende beleefdheidsvorm).
heden, höjje, vandaag.
heep, hieëp, hakmes waarmee men oude stenen schoon kapt
hees, hés, hés zin, schor zijn.
heet, hieët, geil, wellustig.
heffen, höffe, 1) (op)heffen, tillen, in de hoogte heffen; 2) aantal kaarten van de stapel afnemen voordat ze gedeeld worden, zodat de nieuwe bovenste kaart onbekend is.
heggenmolenaar, héggemölder, slechte molenaar.
heggennaaister, héggenèjster, naaister die met te lange draad naait (spottende benaming)
heggenschaar, héggesjieër, héchsjie:ër, grote knipschaar om heggen te scheren.
heibezem, hééjbissem, bezem gemaakt van heitakjes
heibult, hééjbult, hoger gelegen, droge plekken in een moerasgebied.
heide, hééj, heide, stuk woeste grond, nog niet ontgonnen hei, veen of moeras; hééj spaaje, ontginnen, het in cultuur brengen van woeste grond.
heiderus, héjrus, heideplag.
heidezeis, hééjzéjse, zeis om de hei te maaien voor het verkrijgen van strooisel.
heidezicht, hétjzeecht, zeis om de hei te maaien in de Peel.
hek, hékkes, hékke, meervoud, turfhekken, houten hekken, vóór en achter op de kar geplaatst bij het vervoer van turf.
hel, héél, hel.
Helden, hèlde, gemeente Helden.
hemdrok, hémsròk, borstrok, onderkledingstuk dat over het hemd wordt gedragen.
hemdsknoop, hémsknöpke, moederkruid.
hemel, himmel, hemel.
hemelen, himmele, sterven, doodgaan.
hen, héén, kip in het algemeen.
hengst, hingst, roepnaam voor de hengst.
hengstveulen, hingstveule, mannelijk jong van een paard.
hennenkooi, hénnekòj, kippenhok.
hennenladder, hénnelérke, laddertje waarlangs de kippen hun zitplaats kunnen bereiken.
hennenren, hénnerèèn, omheind buitenverblijf van de kippen.
hennetje, hénneke, vrouwelijk kuiken.
hete bliksem, hieëten bliksem, stamppot van appelen en aardappelen.
heten, héétje, heten, genoemd worden.
hevel, heevel, zuurdeeg, gebruikt in plaats van gist.
Heythuysen, héétsje, gemeente Heythuysen.
hilten, hilte, bikkelen, (meisjes)behendigheidsspel; gespeeld wordt met vier beentjes uit de hiel van een schaap, geit of rund en een balletje of knikker.
hitte, héts, hitte, warmte die van een vurige massa uitstraalt.
ho, hów, stilstaan, stoppen, langzamer.
hoe een, hoente, wat voor een?
hoeden, huu:je, koeien hoeden.
hoefstal, hoefstal, uit balken bestaand bouwsel waarbinnen het paard wordt vastgebonden als het beslagen moet worden.
hoek, hoe:k, ’n hoe:k utjzitte, een hoek uitzetten; ’n hoe:k ópzitte, een hoek metselen.
hoewijd, hoewitj, hoever?
hof, hòf, groentetuin, stuk grond waarop groenten worden gekweekt.
hoge zijden, hoeëge zéjje, hoge hoed, gedragen bij rouwgelegenheden.
hogen, huuëge, hoogjassen, een kaartspel.
hol, hool, in de aarde aanwezige holle ruimte, vaak gebruikt als verblijf of schuilplaats door dieren.
hol, hól, óp hól slao, op hol gaan.
hondenweer, hoondeweer, slecht weer.
honderd, hóndert, honderd.
hondsgezeik, alle hoonsgezéjke, telkens, iedere keer.
honing, hónning, honing in het algemeen.
hoofd, hötje, kool, de bol of krop van een volgroeide witte, rode of savooie koolplant.
hoog, hòch, hoog.
hoogkar, hoeëchkaar, grote tweewielige kar, die niet opgekipt kan worden, bestemd voor het vervoer van hooi, graan en takkenbossen.
hoogmis, hòmmis, hoogmis.
hoogte, höchte, vlak stuk land dat hoger gelegen is dan het omliggende land, kleine hoogte.
hooidraaier, hòjdrèèjer, werktuig waarmee het drogende hooi uiteengespreid en gekeerd wordt.
hooien, hòjje, hooien in het algemeen.
hooigras, hòjgras, gras dat bestemd is om gehooid te worden.
hooihoop, hòjhoeëp, hòjhoeëp zitte, een hooimijt zetten.
hooiriek, hòjréék, hooiriek.
hooivenster, hòjvénster, luik of venster in de korte gevel.
hooiwagen, hòjwaage, spin met lange poten.
hoop, hoeëp, buitenstaande hooimijt.
hoorn, heur, hoorn van de koe; hórres, horens van de geit.
hoos, hoos, kous, de lange beenbekleding; meervoud hooze.
hoosbendel, hoosbéngel, kouseband.
horde, hoort, 1) stok in het hok waarop de kippen slapen; 2) geheel van zitstokken en mestplank; 3) metalen vlechtwerkje om pannekoek of vlaai op te leggen; verkleinvorm hurtje.
Horn, heur, Horn.
horst, hoorst, hoger gelegen, droge plekken in een moerasgebied.
Horst, hoorst, Horst.
hort, hórtje, korte tijdsruimte.
hospes, hóspes, cafébaas.
hot, hót, naar rechts wijken, rechtsom draaien.
hotselkar, hótselkaar, kar die veel lawaai maakt of erg schokt.
houtbok, hòwtbók, bok om hout op te zagen.
houtmallejan, hòwtmèrjan, tweewielig vervoermiddel waarmee grote bomen worden vervoerd.
houtoven, hòwtoove, oven waarbij men in dezelfde ruimte stookt en bakt.
houwmouw, haowmaow, wervelwind; kiek dòr ’n haowmaow “kijk daar een wervelwind”
hoven, heuve, groenten verbouwen, in de moestuin werken, met name tuinbedden maken en inzaaien in het voorjaar.
hucht, hoest, grote hoop hooi.
huifkar, huu:fkaar, grote tweewielige kar voorzien van een huif.
huis, husj, gedeelte van het boerenhuis waar zich de woonruimten bevinden.
huishouden, husjhaawe, gezin: man, vrouw en kinderen bij elkaar.
huisje, heusjke, toilet.
huiskelder, husjkèlder, kelder waar de levensmiddelen worden bewaard.
hurken, huukske, óp zen huukske gòn zitte, op zijn hurken gaan zitten.
iedereen, iedderieën, iedereen.
iemand, iemmes, iemand.
ijsheiligen, isjhéjligge, IJsheiligen, 12-14 mei.
ijskoud, isjkaaw, heel erg koud.
ijsmuts, isjmuts, ijsmuts.
ijzel, izjel, ijzel, onderkoelde regen waarvan de straten spiegelglad worden.
ijzelen, izjele, ijzelen.
imker, imker, bijenhouder in het algemeen.
ingat, ingaat, ingang van een akker, waarlangs men er met de kar op kan rijden.
inkomende, inkómmende, zelfstandig naamwoord, inkomsten, ontvangsten, het inkomen.
inkorven, inkèùreve, in de reismand stoppen van de duif in het duivelokaal.
inkuilen, inkulle, aardappelen in een kuil brengen waarin ze bewaard worden.
inleggen, inlégge, aardappels poten met de hand, in de voor of in kuiltjes leggen.
inscharen, insjaare, een wei vol vee jagen.
inschieten, insjie:te, brood in de oven plaatsen.
jaagsneeuw, jaachsnöw, fijne stuifsneeuw, poolsneeuw.
jaarmarkt, jaormèrt, markt die elk jaar op een vaste tijd wordt gehouden.
jarige, jèùrigge, énne jèùrigge, iemand die jarig is.
jasje, jèske, (korte) jas van een kostuum, het colbertjasje.
jatten, jatte, stelen.
jeuk, jèùk, jöks, jeuk.
jeuken, jèùke, jeuken; ’t jökt óp minne kóp “het jeukt op mijn kop”.
jong, jóng, jóngk, jong van een dier.
jongensschool, jóngessjool, jongensschool.
jonker, jungkerke, duizendschoon.
ju, ju, vooruit, aantrekken.
ju, juu:, stilstaan, stoppen.
jullie, géllie, gij (persoonlijk voornaamwoord 2e persoon meervoud); géllie béént de uurste “jullie zijn de eersten”; òllie, 1) jullie (persoonlijk voornaamwoord meervoud); we gon nor òllie hin “we gaan naar jullie heen”; 2) jullie (bezittelijk voorn
kaan, kaoje, meervoud, vetklonters die overblijven als rund- of varkensvet wordt gesmolten; verkleinvorm kòjkes.
kaar, kaar, korf; bak of trechter waar het graan in wordt gestort.
kaars, kars, kaars.
kaarsenluchter, karseleuchters, meervoud, kandelaars, kaarseluchters op het altaar.
kaart, kart, kaart, zowel speel- als landkaart.
kaas, kééës, kieës, kaas.
kabuis, kappes, witte kool als plant of gewas.
kachelpijp, kachelpie:pe, meervoud, benen (spotnaam) (dik en recht).
kaf, kaaf, kaf.
kafgat, kaafgaat, hok waarin het kaf bewaard wordt.
kafzolder, kaafzulder, hok waarin het kaf bewaard wordt.
kaken, kaake, 1) luid en doordringend roepen, schreeuwen; 2) loeien van koe van de honger; 3) schreeuwend geluid maken bij het slachten.
kalebas, kallebèske, sierlijke tas met beugel die men ’s zondags op de overrok draagt.
kalfsziekte, kalfsziekte, melkkoorts bij slecht verlopende melkgift.
kalkkruiwagen, kalkkruige, (kleine) kruiwagen met een rondom gesloten bak, gebruikt om zand, cement, kalk, metselspecie en beton te vervoeren.
kalkmaker, kalkmééker, man die de specie bereidt en naar de metselaar(s) brengt.
kalot, klòtje, 1) alpino(muts); 2) kalot, het kruinmutsje voor priesters.
kalven, kaalve, kalf ter wereld brengen.
kammen, kémme, de haren kammen.
kamrad, kampra, cirkelvormig onderdeel dat voorzien is van tanden en dat zich in een machine, een klok of een horloge bevindt.
kanaal, kenaal, kunstmatige, gegraven, tamelijke brede waterweg.
kanonnenzat, knónnezat, dronken.
kantoor, kantoeër, kantoor; ik wéérek óp ’ t poostkantoeër “ik werk op het postkantoor”.
kapel, kepèlleke, bedehuisje langs de weg of in het veld, gebouwd uit devotie voor een heilige of uit dankbaarheid voor verkregen gunsten.
kapelaan, keplaon, kapelaan.
kapeson, kappesoe:n, tuig aan de kop van een stier.
kapoen, kapoe:n, gesneden haan.
kapotgaan, kepótgao, sterven (van een dier).
kapothoed, kepóthoetje, soort muts.
kapstok, kapstók, magere koe.
kar, kaars, kar.
karbonade, kèrmenaaj, 1) karbonade; 2) stuk vlees dat de pastoor of de zusters krijgen.
karnaaf, karnaaf, zwaar middenblok van een wiel, het deel waarin de spaken steken.
karrenschop, karsjóp, gebouw of afdak voor karren, wagens en/of werktuigen.
karweier, kerwééjer, iemand die geen vast werk heeft, maar alles aanpakt.
kas, kas, wèèrme kas, verwarmde kas; kaaw kas, onverwarmde kas.
kastanje, kestanjel, kastanje.
katoen, ketoe:n, katoen.
kattekwaad, kattekò, kattekwaad; die joong halde kattekò utj “die jongens haalden kattekwaad uit”.
kattengat, kattegaat, al dan niet afgeschermde opening onder in de schuurdeur waarlangs katten in en uit kunnen.
kattenstaart, kattestarte, meervoud, grote lisdodde.
keelgat, kélsgaat, keelgat.
keet, kieët, houten loods, slechte woning.
keischeut, kéjsjeut, balletje van gebakken aarde, steen, marmer of glas; glaaze kéjsjeut, kleine glazen knikker.
keischeuten, kéjsjeute, werkwoord, knikkeren in het algemeen; de wichter zin èn ’t kéjsjeute “de kinderen zijn aan het knikkeren”.
kerel, kél, kerel.
keren, kéére, reinigen van stof door strijken met een bezem of borstel
kerk, kéérek, kerk, kerkgebouw.
kerkhof, kéérekhòf, begraafplaats rondom of bij de kerk.
kerktoren, kéérektórre, toren van de kerk waarin zich de klokken bevinden.
kers, kórs, rode steenvrucht die alleen of met trosjes van twee of drie aan een takje zitten.
kersenkoek, kórsekoe:k, pannekoek met kersen.
kerstboom, kórsbòm, kerstboom; hérrege de kórsbòm al gezit “heb je de kerstboom al gezet?”.
kerstkribbe, kórskripke, kerstkribbe.
kerstlied, kórslietje, lied dat in de kersttijd veel gezongen wordt; kórslietjes zinge, kerstliederen zingen.
kerstmis, kórsmis, Kerstmis.
ketelhuis, kittelheusjke, hoek of ruimte op de stal waar de stookketel staat.
ketellapper, kittellapper, dringke as énne kittellapper, veel drinken.
ketsen, kètse, gebruik om met hardgekookte eieren tegen elkaar te tikken.
keus, kuus, varken in het algemeen.
keus, kuus kuus kuus, roepwoord om varkens of biggen te lokken.
keutel, kuttel, hard stuk drek van mens of dier.
kiepkar, kiepkaar, opkipbare, tweewielige kar met kleine bak; de bak valt tussen de beide berries; verkleinvorm kiepkaarske.
kievel, kievvel, grote houten of ijzeren ring die met een stokje of een ijzeren haak wordt voortgedreven, zodat hij voortrolt.
kievelen, kievvele, met de hoepel spelen; kievveloeëte zierrege hòst nie mèr “hoepelen zie je haast niet meer”.
kievelloot, kievveloeët, grote houten of ijzeren ring die met een stokje of een ijzeren haak wordt voortgedreven, zodat hij voortrolt.
kievelloten, kievveloeëte, met de hoepel spelen.
kijven, kie:ve, kijven, uitvaren tegen iemand.
kind, gemaktgekaocht kientje, bastaard.
klaar weer, klaor weer, bestendig weer.
klamp, klamp, gesp.
klauw, klaow, hoef van de koe in zijn geheel.
klaveren, klieëvere, klaveren, kleur bij het kaartspel.
kleed, klé, jurk, japon, kleed in het algemeen.
kleerhanger, klérhanger, gebogen hout met een haak om kleren aan op te hangen.
klepboks, klèpbóks, broek met een sluitklep aan de voorkant.
klepper, klippel, langbenig paard.
klerage, klérazjie, kleding, kledij (verzamelnaam).
kleren, klieër, meervoud, kleren, kledingstukken.
kletshandje staan, klètshèèntje stao, met de handen ineengevouwen staan, zodat iemand er zijn voet in kan zetten om over iets heen te kunnen springen.
klink, kling, geslachtsdeel van de merrie, uitwendig zichtbaar.
klocht, kloocht, troep biggen.
kloek, kloek, klokhen, broedende kip.
kloeken, kloekke, geluid voortbrengen, gezegd van de broedse kip.
klokketoren, klòkketórre, toren van de kerk waarin zich de klokken bevinden.
klomp, klómp, schoeisel bestaande uit een uitgehold stuk hout, houten schoen.
klontjesmik, kluntjesmik, brood waarin suiker gebakken wordt.
kloostersteen, klòsterstieën, oude gebakken metselsteen, groter dan de normale baksteen.
kloot, kloeëte, meervoud, teelballen, testes; um de kloeëte nie, zeker niet.
klootzak, kloeëtzak, lummel.
klosje, kluske, spil waar het garen op zit.
kloter, klooters, bellen e.d. aan de haam.
kloterkar, klooterkaar, kar die veel lawaai maakt of erg schokt.
kloven, kluuëve, doorhakken van hout in de lengte.
kluis, kleusj, kluis, bankkluis.
knab, knap, muntstuk van vijf cent.
knaptuit, knaptoe:t, klakkebus, speelgoed gemaakt van vlierehout om proppen mee weg te schieten.
knapzak, knapsak, etenszak of etenstrommel.
knecht, knèècht, knecht voor allerlei karweien, het manusje van alles.
kneden, knééje, deeg kneden met de hand.
knie, knééj, knie.
knippen, knippe, stier onvruchtbaar maken zonder te snijden.
knipper, knipperke, drukknoop.
knoeien, knòjje, morsen, met veiligheid knoeien.
knoerst, knoers, kraakbeen.
knol, knól, zwaar paard.
knook, kneuk, meervoud, beenderen.
knoop, knuuëp, knoop.
knoopschoen, knuuëpsjoe:n, meervoud, halfhoge damesschoenen met knopen opzij.
knoopsgat, knöpschaat, knoopsgat.
knorren, knoorze, knorrend geluid maken.
knot, knót, haarwrong van een vrouw; verkleinvorm knutje; dè vròmmes hi ’n sjòn knutje “die vrouw heeft een mooi knotje”.
koe, koe:, koe; gesloote koe:, koe die harmonisch van bouw is, guste koe:, koe die meermalen gekalfd heeft maar daarna niet meer drachtig wordt; vètte koe:, koe die niet meer geschikt is voor de melkproduktie en daarom voor de slacht gemest word
koeherder, koe:hirt, koeherder.
koeren, koerre, geluid maken, gezegd van duiven.
koestal, koestal, grote stalruimte waarin het rundvee is ondergebracht
koffiedrinken, kòffiedringke, maaltijd met brood rond vier uur ’s middags.
koffiepot, kòffieputje, pot waarin koffie wordt gezet.
koffietafel, kòffietòffel, begrafenismaal.
koffietijd, kòffietitj, maaltijd met brood rond vier uur ’s middags.
koken, kèùke, een boer laten.
kolenstof, koolestòf, kolenstof.
kom, koom, centrum van het dorp.
kommetje, keumke, aarden of stenen drinkbeker.
konijn, kneenj, konijn.
konijnenhol, kneenjshool, in de grond uitgegraven verblijf van een konijn.
konijnenpad, keneenjsjpa, vaste wildweg.
koning, kunning, 1) koning; 2) vertikale paal die de nokbalk draagt.
koningskop, kunningskóp, de kunningskóp laote kie:ke, afwijking waarbij een vlezige ronde verdikking zichtbaar wordt in de schede van de koe, vooral als ze ligt.
koningstijl, kunningstie:l, vertikale paal die de nokbalk draagt
kontkruiper, kóntekruupper, iemand die graag vleit.
kool, kòl, kool in het algemeen.
koolraap, kólraap, knolrapen, dikke gele rapen die evenals voederbieten in een kuil worden bewaard.
koolraapzaad, kólraapzò, zaad van de knolraap.
koopdag, koeëpdach, openbare verkoping van goederen, vooral huisraad.
koor, koeër, achter de communiebanken gelegen, verhoogde voorste deel van de kerk waar hoofdaltaar en koorbanken zich bevinden.
koord, kurtje, touw met een of meer haken om vis te vangen; kurtje springe, touwtje springen, kinder- en vooral meisjesspel.
koorzanger, koeërzènger, koorzanger, lid van het zangkoor.
kopdoek, kópduukske, hoofddoek, dichtgeknoopt onder de kin.
kopergeld, kuppergèlt, kopergeld.
koperpoets, kupperpoets, zacht schuurmiddel voor bijv. zilver of koper.
kopnet, kópnit, vliegennet dat over het hoofd van het paard hangt.
koppijn, kóppinj, hoofdpijn.
kopse laag, kópse laoch, laag in hun breedterichting liggende stenen.
kopzak, kópzak, haverzak die men een ingespannen paard omhangt om het te laten eten.
kopzeel, kópzeel, touw aan de hoorns van een koe.
koren, kórre, graansoorten, verzamelnaam.
korenbloem, kórrebloem, korenbloem, plant die vooral tussen koren bloeit.
korenhoop, kórrehöpkes, hoopjes koren na het maaien tegen elkaar aan gezet.
korenoogst, kórrenòst, graanoogst.
korenzicht, kórrezeecht, zeis om koren te maaien.
korf, körref, korf in het algemeen.
korfjeszondag, körrefkeszóndich, feest van Sinter-Greef (Half-vasten).
kornet, kernètje, witte kanten muts zonder kroon, als door-de-weekse hoofdtooi; door oudere en minder gegoede vrouwen ook ’s zondags gedragen.
korsetlijfje, kersjètlie:fke, steunlijfje voor de boezem, de bustehouder.
korst, koorst, korst, de harde buitenkant van kaas of brood; verkleinvorm keursje, kapje, verse korst van een brood.
kortzaag, kórtzaach, trekzaag.
kost, koost, al wat tot voeding kan dienen, al wat men eet.
koster, keuster, koster.
kot, kót, gevangenis.
kot, koe:t, vaste ligplaats van een haas.
koten, koe:te, zandbad nemen in de zonneschijn, gezegd van kippen.
kotsen, kótse, overgeven (algemeen).
koud, kaaw, koud.
kouter, kòwter, lang smal mes dat vóór het snijdende blad zit.
kraai, krèèj, kraai, een vogel.
kraaien, krèèje, kraaien van de haan.
kraal, krölkes, meervoud, kralen van de rozenkrans.
kraam, kraom, tent, stalletje op de markt waarin de goederen tentoongesteld zijn.
krabber, krèbber, 1) omgebogen ijzer waarmee de oven wordt leeggehaald; 2) metalen bus met scherpe onderrand, gebruikt om de losgeweekte varkenshuid te verwijderen.
kramer, krémmer, 1) koopman die met zijn waren langs de deuren gaat; 2) mand die een kramer op zijn rug heeft.
krameren, krémmere, op koopmanschap gaan, erop uittrekken om zijn waren te verkopen.
krant, krèntje, Weekbericht voor Meijel.
kree, krieë, dicht bijeen, gezegd van het poten van aardappelen, planten e.d.
krek goed, krèk goe, juist goed.
krensel, krinjsel, overblijvend zeer kort stroafval dat men niet meer tot normale bundels kan binden.
krentenmik, krintemik, brood waarin krenten gebakken worden, krentenbrood.
krentenwegge, krintewééch, krentenbrood.
kribbe, krip, plaats waar de paarden gevoerd worden.
kribbebijter, kribbebitjer, paard dat de tanden aan de krib schuift.
kriel, krielleke, zeer klein soort kip.
krijgen, krie:ge, ontvangen.
krijt, kritj, tekenkrijt.
krijten, kritje, verdriet of pijn kenbaar maken door tranen te storten.
kroet, krutj, appelstroop.
krom, kroom, sikkel of mes om het fijne gras te snijden.
kromhout, krómphòwt, stuk hout waaraan het varken wordt opgehangen.
kroonkranenzomer, kroennekraanezómmer, enkele zomerse dagen in de herfst.
kroot, krótte, voederbieten, mangelwortelen.
krotenkuil, króttekul, opslaggroeve of -kuil voor voederbieten.
krotenloof, króttelòf, bladerkronen van de bieten.
krotenmolen, króttemeule, bak om rapen en bieten mee te snijden.
kruidwis, krutjwis, bos kruiden die op 15 augustus werd gewijd, de kruidwis.
kruik, kruuk, opwarmkruik voor in het bed.
kruimel, kruummel, kruimel (brood).
kruimelvlaai, grummelflaaj, vla bedekt met een droog mengsel van boter, basterdsuiker en meel.
kruin, krunj, kruin van het hoofd.
kruipuit, kerboe:t, balkenbrij.
kruis, krusj, 1) kruisbeeld; 2) kruis van de broek; 3) beenderenstel aan het achtereinde van de rug; 4) binnenste gedeelte van de hoop dat men het eerst opzet.
kruisbeeld, krusjbilt, kruisbeeld, geheel van kruis en de eraan gehechte Christusfiguur.
kruisen, krusje, kruisjassen, een kaartspel.
kruising, krusjing, nieuwe plantevorm, door kruising van ongelijksoortige planten verkregen.
kruisspin, krusjspeen, kruisspin met een wit kruis op de rug die een radvormig web maakt.
kruisteken, krusjtieëke, kruisteken.
kruisweg, krusjwéch, gebedsoefening langs de veertien staties van Jezus’ gang van Pilatus naar Golgotha; de krusjwéch bidde, de kruisweg bidden.
kruiszak, krusjzak, deken die men op het paard legt, als het regent of als het dier zweet.
kruiwagen, kruige, kruiwagen.
kruiwagenplank, kruigerplèngk, meervoud, losse zijschotten van de langwerpige, platte kruiwagen.
kruk, kruk, handvat van de zeis.
krulhaar, królhaor, gekruld haar.
kuif, koef, haren tussen de hoorns.
kuiken, kuukske, pas uit het ei gekomen kipje.
kuil, kul, kuul, kuil; verkleinvorm kuulke, holletje in de grond bij het knikkeren.
kuilenkop schieten, koelleskóp sjie:te, buiteling maken.
kuilpiet, koelpiet, mijnwerker in het algemeen.
kuilpungel, koelpungel, klerenbundels.
kuimelijk, kuummelek, lastig, moeilijk karakter hebbend; lastig met eten, gezegd van iemand die altijd weinig eet.
kuimen, kuumme, droefheid en pijn door woorden te kennen geven, zich uiten over iets verdrietigs.
kuitschieten, kutj sjie:te, eieren leggen, kuit schieten, gezegd van vissen.
kussens, kusses, vilten binnenbekleding van de haam, de kussens.
kussentijk, kustie:k, kussensloop.
kwaad, , boos, kwaad ten gevolge van een belediging; kò maake, iemand kwaad maken; kò weer, slecht weer.
kwak, kwak, pas uitgebroed vogeltje.
kwakkel, kwaggel, pas uitgebroed vogeltje; der li énne kwaggel óp de pa “er ligt een jong vogeltje op het pad”.
kwakvors, kwakfórs, kikvors; huu:re géllie ók de kwakfórse kwaake “horen jullie ook de kikkers kwaken?”.
kwakvorsenbibber, kwakfórsembibber, kikkerdril.
kwalijk, kwèèlek, niet juist.
kwartier, ketie:r, kwartier, een vierde gedeelte van een uur.
kween, kween, rund dat halfslachtig (half stier en half koe) ter wereld is gekomen.
kwekerij, kweekerééj, bedrijf waar winterharde houtige gewassen worden gekweekt met de bedoeling deze in rusttoestand af te leveren.
kwekken, kwééke, kwie:ke, luid en doordringend roepen, schreeuwen; schreeuwend geluid maken bij het slachten.
kwezelshaar, kwizzelshaor, vlokken wollegras in de turf.
kwikken, kwikke, gewicht van iets schatten, optillen om te wegen.
kwikriem, kwikrie:m, riem of band die onder de buik van het paard door aan de berries van de wagen vastgemaakt is en dient om te voorkomen dat de kar opslaat.
laatste, leeste, laatste (rangtelwoord).
ladderkar, lérrekaar, hoogkar met een ladderwerk aan beide zijkanten.
lam, lèèmke, 1) jong van de geit; 2) jong schaap van 0,5 tot 1 jaar in het algemeen.
lammen, laame, 1) geitjes ter wereld brengen; 2) lammeren ter wereld brengen.
lampenkatoen, lampeketoe:n, katoenen lampepit in een petroleumlamp.
lange muts, laang muts, soort muts.
langhuis, langkhusj, langwerpig huis met voor-, stal- en schuurdeur in de lange gevel.
langkar, laangkaar, grote tweewielige kar, die niet opgekipt kan worden, bestemd voor het vervoer van hooi, graan en takkenbossen.
lap, lap, halve stuiver, een 2,5 centstuk.
leem, lém, taaie, kneedbare grondsoort die verwerkt wordt in de steen-, pannen- of pottenfabriek.
leer, lie:r, ’t lie:r, lederen bekleding van kussens.
leer, lieër, 1) ladder in het algemeen; 2) lange steigerladder.
leeuwerik, léwwerik, leeuwerik, een vogel; énne kuufléwwerik, “een kuifleeuwerik”.
leewieken, leewiekke, kortwieken.
leg, léch, èn de léch zin, aan de leg zijn, geregeld eieren leggen.
legnest, léchneest, nest waarin de kippen eieren leggen.
leidsel, léjtsel, enkele band of touw die aan het hoofdstel is vastgemaakt.
lekken, léjke, lekken.
lekkers, lékkers, snoep.
lemmet, limmet, katoenen lampepit in een petroleumlamp.
lepel, lippel, 1) lepel in het algemeen; 2) holle gedeelte van een lepel waarin eten wordt opgeschept.
leren woep, lérre woep, eilandjes in drassig veen die ogenschijnlijk hard zijn maar broos van binnen.
leverworst, lééverwoorst, soort worst.
lezen, lééze, lezen; de gezit lééze “de krant lezen”.
lichter, lééchter, nageboorte van het varken.
lies, leesj, velletje op de ongekookte melk.
Liessel, lisjel, Liessel, gemeente Deurne.
Lieve-Heer, lievvenhieër, kruisbeeld.
lievelammetje, lievvelèèmke, lieveheersbeestje, torretje, rood of oranje van kleur met zwarte stipjes.
lijden, lééje, dragen, gezegd van ijs waarop men kan lopen; ’t kenaal léjt “het kanaal draagt”.
lijf, lief, lichaam; geslachtsdeel van de merrie, uitwendig zichtbaar.
lijfje, lie:fke, 1) lijfje, bovenstuk van een jurk; 2) borstrok voor vrouwen.
lijk, liek, dode lichaam van een mens.
lijken, liekke, aan het genoemde doen denken, lijken, schijnen, in vele opzichten overeenkomen.
lijkenhuis, liekkeheusjke, gebouwtje op of bij het kerkhof waar de lijkbaar staat en waar men vroeger zo nodig een lijk tijdelijk onderbracht.
lijkwagen, liekwaage, lijkwagen.
lijndrijver, linjdrie:ver, man die met paard het turfschip trekt.
lijnijzer, linjizjer, halve-cirkelvormige ijzeren schijf aan een steel met dubbele handgreep; in de Peel gebruikt.
lijster, lisjter, lijster, een vogel.
linnen, linje, linnen.
locht, laocht, lucht, bewolking, zwerk, wolkendek.
loerachtig, loe:rèèchtich, triest, stil, gezegd van het weer.
lonken, lóngke, bij de St. Maartenshoop zwaaien met een blik met gaatjes en een stuk gloeiende turf erin.
lood, loeët, lood, soort metaal; te loeët zitte, verticale stand van een muur controleren met het schietlood.
loof, lòf, nog groeiend blad van een plant.
loop, luuëp, gang achter de koeien langs.
loop, löpke, goot of greppel waardoor het water van de keuken en ander vuil water afvloeit naar de zinkput.
loper, luuëper, big die al van de zeug af is.
luchten, leuchte, nie kanne leuchte, sterk gevoel van afkeer tegen iemand hebben, haatgevoelens voor iemand hebben; ik kan ’m nie leuchte òf zie: “ik kan hem niet luchten of zien”.
luiden, lèùje, luiden; mèèrege lèùje, angelus luiden in de ochtend; ’t löjt angeles, middich lèùje, angelus luiden rond het middaguur; zóndech lèùje, luiden van de klokken op zaterdagavond na het angelus.
luie knecht, löje knèècht, driepoot die men onder kar plaatst als men de as gaat smeren.
luiklok, lèùjklòk, klok, luiklok.
luis, leusj, luis.
luisteren, lusjtere, bevel opvolgen, luisteren.
maaien, mèèje, hoeven naar buiten bewegen onder het stappen; kórre mèèje mi den binger, koren maaien met de binder.
maal, maol, vaars; vórse maol, koe of vaars die pas gekalfd heeft en aan een nieuwe melkperiode begint; twédde maol, jong rund dat eenmaal gekalfd heeft en voor de tweede keer drachtig is.
maalkalf, maolkalf, vrouwelijk kalf.
maalzolder, maalzulder, zolder waar de molenaar staat te werken en het meel wordt opgevangen.
maandag, mòndich, maandag.
maanoog, maonoeëch, naar boven loensend oog.
maart, mért, maart.
maatje schieten, mötje sjie:te, spel waarbij men centen werpt in een bepaald vak.
made, maaj, made, het vleeswormpje.
maïsschuur, majssjuurke, buitenstaand drooghok voor de maïsoogst.
mals, mals, groeizaam, gezegd van het weer in de zomer.
manchet, mesjèt, mouwboord van een overhemd, de manchet.
mand, maant, mand in het algemeen.
mandenmaker, mandemééker, persoon die manden maakt, mand.
manenstrang, maanestrangk, gewelfde bovenkant van de nek die met manen begroeid is.
mannending, maansdinge, meervoud, mannenkleren.
mantig vrouwmens, mèntich vròmmes, fors gebouwde vrouw.
Maria zijp, mariea zie:p, Maria Visitatie, 2 juli.
markt, mèrt, nò de mèrt gao, inkopen gaan doen op de markt.
marmiet, marmiet, koperen (water)ketel.
matrozenpak, matroeëzepèkske, matrozenpakje, een jongenskostuum.
meel, méél, 1) meel in het algemeen; 2) gemalen, niet gezuiverd graan.
meelpijp, méélpie:p, houten koker waardoor het meel naar beneden komt.
meelworm, méélwèùrem, meeltor-larve, een wormpje dat in (oude) meelvoorraden voorkomt.
meerderjarig, mirderjörrech, meerderjarig.
meerkol, matkèùref, Vlaamse gaai.
mekkeren, mééke, geluid maken, gezegd van de lammeren.
melkhaar, mèlkhaor, eerste baardharen.
melkkoe, mèlkkoe:, koe die door bouw en eigenschappen geschikt is voor de melkproduktie.
melkstoel, mèlkstuulke, stoeltje om op te zitten tijdens het melken.
mem, mèmme, meervoud, borsten van een vrouw.
menen, méénje, van mening zijn; veul méénje, zich heel wat inbeelden, een te hoge mening van zichzelf hebben.
mens, mèns, 1) mens in het algemeen; 2) man met wie men getrouwd is.
merel, mélder, merel.
merrie, méér, roepnaam voor de merrie.
merrieveulen, mèrrieveule, vrouwelijk jong van een paard.
mest, meest, mest in het algemeen; meest brééke, verspreiden van de mest over de akker; meest vaare, vaste mest naar de akker brengen met de kar.
mesthaak, meesthaok, haak om de mest van de kar te trekken.
mestkalf, meestkalf, kalf dat in een hokje of kist of achter een plank vet wordt gemaakt.
mestkruiwagen, meestkruige, korte vierkante kruiwagen met vaste voor-, achter- en zijwanden
mestplank, meestplangk, geheel van zitstokken en mestplank.
metselaar, mètselder, metselaar.
metselen, mètsele, metselen.
metselspijs, mètselspeesj, specie voor het metselen van gevels en muren.
metselwerk met speklagen, mètselwèèrek, mètselwèèrek mi spèklaoge, laag natuursteen (bijv. mergel) tussen baksteenlagen.
meuk, muuk, (geheime) bergplaats voor onrijp fruit.
middag, smiddes, in de middag.
miemertje, mie:merke, vrucht van een aalbessenstruik
mierenhoop, mierrenoeëp, mierennest.
mijn, meen, meent, ’t meen(t), het mijne.
mijnwerker, minjwééreker, mijnwerker in het algemeen.
mijt, mitj, buitenstaande hooimijt.
mik, mik, langwerpig wittebrood.
minuut, menutj, minuut.
mis, de uurste mis, de eerste H. Mis van de neomist in de parochie van herkomst.
misdienaar, misdiender, koorknaap, misdienaar, misdiener.
miskleren, misklieër, meervoud, paramenten, liturgische gewaden.
missiefancy-fair, missiefansieféér, missie-fancy-fair
missionaris, missieónarris, missionaris, katholiek zendeling.
modder, módder, mengsel van aarde, vuil, allerlei organische stoffen en water.
modderschop, móddersjup, schop gebruikt bij het maken van baggerturf.
moer, moe:r, veen, veengrond.
moerbalk, moe:rbalk, zware balk in het woongedeelte die de zoldering draagt.
moesplant, moesplante, meervoud, jonge gezaaide koolplanten.
mof, móf, mof, koker van bont waarin men beide handen steekt.
mof, móf, scheldbenaming voor een Duitser.
mok, moek, mist.
mok, mökske, vrouwelijk kalf.
mokkig, moekkich, mistig, heiig.
molen, meule, molen in het algemeen.
molenaarse, mölderse, molenaarsvrouw.
molenbil, meulebil, hamer waarmee men de groeven in de beide molenstenen maakt.
molenhuis, meulehusj, woning van de molenaar.
molenkar, meulekaar, kar waarmee zakken graan of meel worden opgehaald en thuisgebracht; meulekaar vaare, zakken graan of meel ophalen en thuis brengen.
molenpaard, meulepért, paard voor de kar waarmee zakken graan of meel worden opgehaald en thuisgebracht.
molshoop, mòlshuuëp, meervoud, molshopen.
mombakkes, mómbakkes, naar de vorm van het gezicht gemaakte bedekking teneinde dit onherkenbaar te maken of er een bepaalde gedaante aan te geven.
mond- en klauwzeer, mónt èn klaowzie:r, mond- en klauwzeer.
mondig, mundich, meerderjarig.
moor, moeër, wortel; meervoud mòrre, mörre, gele voederwortelen die op de akker worden verbouwd; mörkes, worteltjes, de kleine soort penen die men in de moestuin teelt.
moor, moeër, koperen of ijzeren waterketel met hengsel en tuit.
mop, mupke, koekje.
mopperen, móppere, ontevredenheid kenbaar maken.
morenvlaai, mòrreflaaj, vla met vulling van wortelen.
morgen, mèèrege, tijdsduur van het aanbreken van de dag tot 12 uur ’s middags; wies mèèrege, tot morgen.
morgen, smèèrges, in de morgen.
morgen, mèèrege, maat die een oppervlakte aangeeft van ongeveer 8000 vierkante meter.
morgenvroeg, mèèrgevruuch, morgenochtend.
mouwscholk, mòwsjòllek, schort met mouwen; verkleinvorm mòwsjöllekske, kinderschort met mouwen.
muil, moe:l, bek van een dier.
muilkorf, moelkörref, muilkorf voor kalveren die geen hooi mogen vreten.
muis, meusj, knaagdier muis.
muizenkeutel, meuzjekuttelkes, anijszaad in suikergoed.
mulder, mölder, molenaar.
mulder, mölder, meikever; mölders utj de héch sjudde, “meikevers uit de heg schudden”
mutsenmaakster, mutsemaakster, vrouw die vroeger de ouderwetse vrouwenmutsen maakte.
muur, muu:r, muu:r óptrékke, muur al metselend opbouwen; muu:r stutte, muur onderschragen met een stut of schoor.
naaien, nèèje, naaien, het met naald en draad bewerken, vervaardigen, herstellen of vasthechten.
naaimachine, nèèjmesjien, naaimachine.
naairing, nèèjring, naaigereedschap: naairing, ook gebruikt in de betekenis van vingerhoed.
naaister, nèjster, naaister, vrouw die als beroep heeft het verrichten van naaiwerk en het vervaardigen van klêdingstukken.
naakt, naks, zonder kleren, onbedekt.
naald, nòlt, naaigereedschap, naald.
naaldenkussen, nòldekuske, kussentje waarop de naalden bewaard worden.
Naamse steen, naamse stieën, hardsteen.
naburen, nòbbere, buurman zijn van iemand.
nabuur, nòbber, buurman of buurvrouw.
nacht, snaachs, in de nacht.
nachtkleren, naachklieër, meervoud, nachtkleding, nachtkleren in het algemeen.
nachtpon, naachpón, nachtjapon.
nageboorte, naogebórt, 1) nageboorte; 2) afscheiding uit de schede van de ooi, tot ongeveer 1 week na de bevalling.
najaar, naojaor, derde van de vierjaargetijden, de tijd tussen zomer en winter.
navenant, nòmmenant, nòvvenant, navenant, naar gelang.
Nederweert, nillewért, gemeente Nederweert.
Nederweerterdijk, nillewérterdiek, straatnaam in Meijel.
Neerkant, nirkant, Neerkant, gemeente Deurne.
negende, niggende, negende (rangtelwoord).
negentig, niggentich, negentig.
nering, nirring, inrichting voor de uitoefening van een bepaalde tak van industrie en handel.
net, nit, net, geboorteomhulsel van het veulen, vlies waarin het kalf zit als het geboren wordt.
netel, nittel, dovenetel (lipbloemige, overigens op een brandnetel lijkende, maar niet prikkende plant).
neteldoek, nitteldoe:k, los weefsel, oorspronkelijk uit netelgaren, later van lijnwaadachtige katoen of mousseline vervaardigd.
netring, nitringk, baggerbeugel, instrument waarmee sloten worden uitgediept.
neusdoek, nuzzik, wollen schouder- of omslagdoek, soms ook wel over het hoofd gedragen.
neusgat, neusgatter, neusgat, neusgaten.
nevens, nééve, 1) naast (plaatsbepaling); nééve de kéérek woone “naast de kerk wonen”; 2) langs(richting aanduidend); héj fietste nééve de kéérek “hij fietste langs de kerk”.
niemand, niemmes, niemand.
niet, nie, niet (ontkenning).
nieuwjaar, néjaor, eerste dag van het nieuwe jaar, 1 januari.
nieuws, néjs, bericht over iets dat nog onbekend was.
nieuwsgierige, néjsjierrege, iemand die alles nieuwsgierig bekijkt.
niezen, neezje, niezen.
nijpen, nieppe, drukken en daardoor pijn veroorzaken, gezegd van schoenen die te klein zijn.
nijptang, nieptaang, knijptang, tang om stukken van pannen af te knijpen.
njarige plant, énjèùrigge plant, plant, door zaaien vermeerderd, met een levensduur van 6 à 8 maanden.
noden, nuuëje, iemand verzoeken bij iemand op bezoek te komen of een feest bij te wonen.
noodstal, nòtstal, uit balken bestaand bouwsel waarbinnen het paard wordt vastgebonden als het beslagen moet worden.
noot, neut, noot, vrucht van een noteboom; neut afhòwwe, noten afslaan.
nostertje, nusterke, rozenkrans, bidsnoer; nusterke bidde, rozenhoedje bidden; wij moette ’t nusterke nòch bidde “wij moeten het rozenhoedje nog bidden”.
oel, oelles, aarden of stenen pot.
oksaal, óksaal, oksaal, galerij boven het kerkportaal waar het orgel staat en het zangkoor zingt.
olifantspoot, ólliefantspuuët, meervoud, benen, recht en vormloos.
om, eum, ’m eum hébbe, dronken zijn
omdat, umdè, omdat (voegwoord).
omjagen, eumjaage, geregeld verplaatsen van vee, telkens als er een stuk weiland is afgegraasd.
omtrent, entrint, bijna.
omtuimelen, eumtoemmele, omvallen.
onderboks, ónderbóks, lange onderbroek; kórte ónderbóks, korte onderbroek.
onderding, ónderdinge, meervoud, ondergoed, de onderkleren.
ondermuts, óndermutske, soort muts.
onderwijzer, ónderweezjer, mannelijke leerkracht aan een lagere school.
onderwijzeres, ónderweezjerès, vrouwelijke leerkracht aan een lagere school.
ongedierte, óngediert, klein gedierte (verzamelnaam).
ongerakse dorst, óngerakkesen doorst, ontzettende dorst.
ongesiefer, óngesieffer, klein gedierte (verzamelnaam)
onnozel, ónnuuëzel, zonder kennis van de wereld, gemakkelijk te bedriegen.
Onze-Lieve-Heer, ónzelievvenhieër, Onze-Lieve-Heer, God.
ooft, ófte, meervoud, appelen of peren, in schijven gedroogd (in de oven).
ooftvlaai, ófteflaaj, vla van gestoofde en gedroogde peren.
ooglappen, oeëchlappe, ooglappen.
oogst, òst, alle oogstwerkzaamheden tezamen.
oogstkar, òstkaar, hoogkar met een ladderwerk aan beide zijkanten.
ooi, ooj, volwassen vrouwelijk schaap van meer dan 1 jaar; behaawe ooj, bevrucht vrouwelijk schaap; guste ooj, niet bevrucht vrouwelijk schaap.
oordelen, òrdélle, door redeneren tot een gevolgtrekking komen, oordelen.
oorlog, òrlòch, strijd tussen twee of meer volken, vorsten of staten; de leeste òrlòch “de laatste oorlog”.
oorworm, òrwèùrem, oeërwèùrem, oorworm.
opbinden, ópbinge, een schoof binden.
opengat, oopegaat, iemand die steeds de deur achter zich open laat staan.
ophouden, mèlk óphaawe, tijdens het melken plotseling geen melk meer geven.
opkamer, ópkaamer, iets hoger gelegen vertrek boven de kelder.
opperen, óppere, meervoud, langwerpige heuveltjes of stroken gras opwerken tot kleine hoopjes.
opperen, óppere, zelfstandig naamwoord, werk van de (enige) helper van de metselaar in het algemeen.
opperman, ópperman, helper van de metselaar, die de specie maakt, stenen aandraagt enz.
oprakelen, ópraokele, vuur oppoken in de oven.
opschuiven, ópsjuu:ve, opschuiven, in een zijwaartse richting schuiven om plaats te maken.
opschurken, ópsjuukke, opschuiven, in een zijwaartse richting schuiven om plaats te maken.
opsteken, ópstééke, hooi met de gaffel opsteken bij het laden.
opstoten, ópstoeëte, zuurachtig oprispen.
optassen, óptasse, een hooimijt zetten.
optocht, óptòch, 1) optocht; 2) carnavalsoptocht.
opvaarploeg, ópvaarploech, ploeg waarmee men de aardappelen aanaardt.
opverven, ópvèèreve, ’t husj ópvèèreve, het huis schilderen.
os, ós, onvruchtbaar gemaakte stier.
ossenjuk, óssejuk, juk voor het inspannen van twee ossen.
Oud Kanaal, ’t aaw kenaal, Helenavaart.
oud wijf, aaw wie:fke, oude vrouw.
oude man, aaw mènneke, oude man; héj is ’n aaw mènneke gewórre “hij is een oud mannetje geworden”.
Oude Peel, den aawen pieël, Helenaveen.
oudejaar, awtjaor, oudejaarsavond, Sint Silvesteravónd, avond van 31 december.
oudejaarsavond, awjaorsaovent, oudejaarsavond.
ouderwets, aawerwits, op de wijze van de ouden.
oven, oove, broodoven in het algemeen.
ovenbezem, oovebissem, bezem waarmee de ovenvloer wordt schoongeveegd.
ovendeurtje, oovedurke, deurtje waarmee de opening wordt afgesloten waardoor brandstof en brood naar binnen worden geschoven.
ovenschaalde, oovesjòlt, lange houten spaan om de broden in en uit de oven te doen.
over, òvver, övver, over (tijdsbepaling); kwart òvver/övver vie:r, “kwart over vier”.
overal, òvveral, overall, werkpak uit één stuk.
overjas, òvverjas, lange overjas, dik en warm.
overmorgen, övvermèèrege, overmorgen.
ozel, oozel, ellende, armoede, koude.
ozendrop, neuzendrup, neerdruppelend dakwater.
ozing, euze, onderste laag dakbedekking wanneer een dak geheel met stro of riet wordt bedekt.
paadje, péétje, 1) weggetje gemaakt door de voetstappen van mensen of dieren; pastpéétje “Pastpaadje”; 2) scheiding in het haar.
paard, pért, roepnaam voor het paard.
paardendeken, pérsdeeke, deken die men op het paard legt, als het regent of als het dier zweet.
paardenhaam, pérshaam, juk van het paardetuig.
paardenhemel, pérshimmel, plaats waar vuilnis gestort mag worden.
paardenknecht, pérsknèècht, knecht die met de paarden omgaat en derhalve met het ploegen, eggen e.d. belast is.
paardensmid, pérssmit, hoefsmid.
paardenstalkamer, pérsstalkémmerke, slaapplaats van de knecht bij de paarden.
paardentand, pérstaant, meervoud, blijvend gebit.
paards, pérs, tochtig, geneigd tot paren, gezegd van de merrie.
paasbloem, pòsbloemme, meervoud, gele narcis
pacht, paacht, pachtsom.
pachten, paachte, werkwoord, pachten.
pad, pa, voetpad.
paling, pòlling, paling; óp pòlling visse “op paling vissen”.
pan, paan, dakpan; panne óp ’t daak légge, dak met pannen beleggen.
pannenpop, pannepóppe, meervoud, bosjes stro die soms onder de ouderwetse dakpannen zonder sponningen en kragen werden gestopt om de kieren te dichten.
Parijs, perisj, Parijs.
partij, pertéjke, spelen van een spel door twee of meer personen.
Pasen, pòsse, Pasen; de pòsse haawe, de Paascommunie doen.
pastoor, pestoeër, pastoor, geestelijk hoofd van een parochie.
pastorie, pasterééj, pastorie, woonhuis van de pastoor.
pateren, paatere, langzaam door de tuin of het veld lopen.
patrijs, petreesj, patrijs, zonder onderscheid van geslacht.
patroon, petroeën, patroon; petroeën tieëkene, opzetten van het patroon.
peel, pieël, niet afgegraven hoogveen.
peelboerderij, pieëlboerderééj, boerderij gelegen aan de Peelrand.
peelboertje, pélboerke, boer die een bedrijf heeft van ten hoogste 4 hectare.
peelbrand, pieëlbrant, veenbrand in de Peel.
peelhak, pieëlhak, hak.
peelhek, pélhékke, meervoud, peelhekken, gebruikt voor turfvervoer.
peelkuil, pélkulle, meervoud, veengrond waar de turf reeds uit is.
peelpuist, pélpoest, boomstronk, de stomp-met-wortels van een afgehakte boom.
peelveld, pélvèlt, stuk woeste grond, nog niet ontgonnen hei, veen of moeras.
peelwerker, pieëlwéérker, veenarbeider, turfsteker.
peettante, pééttante, meter, peettante.
pelerine, pèlderienneke, kort schoudermanteltje.
peluw, pulf, eikehouten plavuis waarop de stijl rust.
pens, pèns, 1) koeiemaag in haar geheel; 2) buik (spotnaam); pèns oopesnéjje, buik doorsnijden om de ingewanden eruit te kunnen halen.
peperkoek, pépperkoe:k, peperkoek.
petekind, péétekientje, petekind.
peter, pééter, peter, peetoom.
peteroom, péétruuëm, peter, peetoom.
pezerik, pizzerik, 1) zaadstreng van het mannelijk varken; 2) iemand die zich heel wat inbeeldt, een te hoge mening van zichzelf heeft.
pieper, pie:per, jonge duif, nog te jong om mee te spelen.
pierik, pierrik, regenworm of aardworm, de bekende paarskleurige worm die bij spitten en ploegen of bij regen voor de dag komt.
pijl, piel, dunne lichte staaf van hout met een scherpe punt die met een boog naar een doel wordt afgeschoten.
pijl-en-boog, piellebooch, pijl-en-boog; mi de piellebooch sjie:te “met pijl-en-boog schieten”.
pijlenworst, pielleweursje, leverworst van eigen slacht, overschot verwerkt tot een klein worstje.
pijn, pinj, pinj in de kutje, pijn in de kuiten; wa hép ik ’n pinj in de kutje “wat heb ik een pijn in de kuiten”; pinj in de zééj, pijn in de zij.
pijp, pie:ëp, pie:p, buis die op de schoorsteen wordt gemetseld; piepke, pijpje; de pie:p an marten gééve, sterven; de pie:p utjgao, sterven, doodgaan, hemelen gaan.
pijpenkrul, pie:pekrul, spiraalvormige haarkrul
pijpenveger, pie:pevééger, smelestengel gebruikt om de pijp door te steken.
pijperd, pie:pert, lichte turf.
pijphak, pie:phakke, meervoud, dikke hakken, vochtgezwel aan het spronggewricht.
pinnetje, pinneke, penis (onschuldig).
pintenneuker, pintenèùker, iemand die gierig is.
pis, pis, urine.
pismargriet, pismargriet, H. Margaretha, 20 juli.
pissen, pisse, urineren, gezegd van een persoon
pisserd, pissert, penis (onschuldig)
plaats, plats, 1) erf, vrije ruimte naast of tussen de gebouwen; 2) open plaats achter een huis.
pladeren, plaare, sukkelen met de gezondheid.
plag, plach, heideplag.
plakken, plakke, opschieten, goed vooruitkomen
plakken, plèkke, lang in een café blijven zitten of lang bij iemand op bezoek blijven.
plantgoed, plantgoe, jonge, meestal pas gewortelde plantjes, die verder opgekweekt moeten worden.
plas, plats, plat, rond wittebrood.
plavuis, pleveusj, eikehouten plavuis waarop de stijl rust.
plek, plak, plaats, plek, stuk grond; plak grónt, stuk land, lap grond in het algemeen.
pleuris, flurris, pleuris, ontsteking van het borstvlies dat om de longen zit en de binnenkant van de borstkas bekleedt.
ploeg, ploech, ploeg.
ploeglijn, ploechleejnj, dubbele band die aan weerszijden van het gebit is vastgemaakt en tot aan de hand van de voerman dubbel is.
plompenblad, plómpeblaar, meervoud, gele plomp.
plooi, plòj, plooi.
plukken, plukke, wieden, onkruid uittrekken met de hand.
poeha, behèj, drukte om niets, kouwe drukte.
poepboks, poe:pbóks, plusfour.
poes, poe:s, kleine hoeveelheid haren of draden bij elkaar, niet samengerold.
poet, poetje, roepnaam voor het veulen.
pof, póf, fijn droog stof op landwegen.
pofboks, pófbóks, plusfour, broek met lange pijpen die van onder in een pof hangen.
poffen, póffe, stuiven van droog en fijn zand bij winderig weer.
poffer, póffer, 1) kroon of krans van kunstbloemetjes, kralen, geplooide tule enz. die op de witte kanten muts wordt bevestigd; 2) grote witte muts waarop een dikke hoefïjzervormige krans met afhangende linten wordt gedragen.
politie, pliessie, agent van politie.
polsmof, pólsmufke, polsmof, een kort, gebreid kledingstuk ter verwarming van pols en hand.
pompen, pómpe, een van de poten bewegen om zo het bloed beter te laten uitstromen.
pongel, póngel, versleten stuk doek of stof; verkleinvorm pungelke, klein sieraad, aardig prulletje van geringe waarde.
poort, pórt, poort; meervoud purtje.
poot, poeët, poot, bijv. van een tafel.
pootgoed, pootgoe, jonge, meestal pas gewortelde plantjes, die verder opgekweekt moeten worden.
poppenkast, póppekaast, voorstelling waarin de rollen niet gespeeld worden door mensen maar door marionetten.
post, poost, postbode; poost bèrt “postbode Bert”.
postzegel, poostzeegel, rechthoekig gekleurd stukje papier dat men op brieven plakt om daarmee de port te betalen.
pot, pót, pot waarin koffie wordt gezet.
potage, petazzie, stamppot in het algemeen, puree.
poter, peuters, meevoud, pootaardappelen.
pothinken, póthingke, hinkelspel, vooral door meisjes beoefend.
potje, putje, spelen van een spel door twee of meer personen.
potloden, pótloeëte, met kachelpoets behandelen.
potlood, pótloeët, potlood (schrijfstift).
potstal, pótstal, ouderwetse stal zonder vloer waarin het vee op de mest stond.
potworst, pótwoorst, soort worst: braadworst.
praatje, prötje, waarschijnlijk onwaar bericht.
preekstoel, prikstoe:l, preekstoel.
preisoep, poorsoep, preisoep.
preut, preut, vrouwelijk geslachtsdeel (schertsend).
priesterkleren, priesterklieër, meervoud, paramenten, liturgische gewaden.
priesterkoor, priesterkoeër, achter de communiebanken gelegen, verhoogde voorste deel van de kerk waar hoofdaltaar en koorbanken zich bevinden.
priesterwijding, priesterwééjing, priesterwijding.
prijs, prisj, prijs, bijv. van een produkt.
prijzen, preezje, ’t vèèrke preezje, het roemen door de buren van het varken vooraleer het geslacht wordt.
proces, persès, proces-verbaal.
processie, presèssie, kerkelijke ommegang.
proef, proe:f, stuk vlees dat de pastoor of de zusters krijgen.
proeven, pruu:ve, proeven.
profeet, prefieët, profeet.
profiel, prófielle, vierkante palen, gebruikt om loodrecht en waterpas te kunnen werken; prófielle stélle, vierkante palen plaatsen op de hoeken van een te metselen muur om loodrecht en waterpas te kunnen werken.
pront deerntje, prónt dörske, knap, mooi uitziend meisje.
proost, prós, leunstoel met een hoge brede rug, waaraan soms zijstukken zijn aangebracht.
prots, próts, stevige vrouw; ze is ’n hel próts gewórre “ze is een stevige vrouw geworden”.
pruim, proem, vrouwelijk geslachtsdeel.
pruimen, proemme, tabak kauwen.
pruimenvlaai, proemmeflaaj, vla van gestoofde en gedroogde pruimen.
Pruis, prusj, inwoner van Pruisen, maar ook een Duitser in het algemeen.
puist, poest, 1) boomstronk, de stomp-met-wortels van een af gehakte boom; 2) peelpuist.
pul, pöl, opgroeiend jong kipje, niet meer bij de klokhen; verkleinvorm pölleke.
pummel, pummel, penis.
putgard, putgéért, lange stok waaraan de wateremmer hangt.
putje wiersen, putjewiertse, soort knikkerspel, waarbij de knikker met kromme wijsvinger in een in de aarde uitgehold putje wordt gemikt.
putmik, putmik, mik van een waterput.
putschrank, putsjrangk, houten bouwsel boven om de waterput heen
raadhuis, raothusj, gemeentehuis.
raak, raak, gehemelte.
raap, ruubbe, meevoud, stoppelknollen, herfstknollen, kleine rapen die met loof en al aan het vee worden gevoerd; ruubbe plukke, herfstknollen uit de grond trekken.
raat, raot, bouwsel van was, bestaande uit een dubbele laag cellen.
rad, ra, rad of wiel van een ouderwetse houten boerenwagen; meervoud raajer.
radijs, redeesj, radijs.
rafel, réjfel, rafel, gezegd van een stuk stof.
rafelen, réjfele, rafelen, gezegd van de stof.
rakelijzer, raokelizjer, ijzeren werktuig waarmee men het vuur oppookt.
raper, raaper, aardappelraper.
ravage, rewazzie, verwarde boel.
razelen, raazele, huiveren, bijv. van de koe.
reden, rééje, reden, beweegreden.
ree, rieë, ree, soort dier.
reep, rieëp, ijzeren hoepel om het karwiel.
regels, reegels, menstruatie.
regen, réége, regen.
reigersknop, réjgersknup, meervoud, boerenwormkruid, groeit vooral langs wegbermen en (droge) slootkanten.
rein, réjn, vlies waarin het kalf zit als het geboren wordt.
ren, rèèn, varkensuitloop omheind met een houten schutting.
riek, rie:k, riek; riekske, vork om mee te eten.
rietvorst, rietvoorst, halfronde pan waarmee de nok van een rieten dak wordt bedekt.
rijeren, rie:re, beven.
rijggat, rie:chgatter, meervoud, gaatjes in de schoen waar de veter doorgeregen wordt.
rijp, riep, rijp; zin de neut nóch nie riep “zijn de noten nog niet rijp?”.
rijstepap, risjepap, rijstebrij; fréjdes krie:ge we risjepap “vrijdags krijgen we rijstepap”.
rijstevlaai, risjeflaaj, vla bedekt met spijs van rijst.
rijzen, reezje, uit de aren vallen, gezegd van de graankorrels.
rijzen, reezje, rijzen, gezegd van deeg.
rink, ringk, klem in de neus van een stier.
rister, rister, ijzeren of houten blad dat de grond omkeert.
rits, rits, geneigd tot paren, gezegd van het mannelijk schaap.
rode moes, rò moes, rode kool als plant of gewas.
rode zeiker, roeëj zéjkers, meervoud, (grote) rode bosmier.
roep, roe:p, huwelijksafkondiging in de parochiekerk op drie achtereenvolgende zon- of feestdagen.
Roermond, remeunt, Roermond.
rollaag, róllaoch, laag op hun kant liggende stenen; stònde róllaoch, laag op hun kop staande stenen.
rondgaan, róntgao, met de schaal of het kerkezakje rondgaan in de kerk.
roodbonte, roe:jbónte, roodbonte koe.
room, röm, 1) vetlaag op de ongekookte melk; 2) room van de melk.
room, ròmme, melk; ròmme mi besjutj, melk met beschuiten.
roomkar, ròmkaar, gewone kar waarmee geregeld melk werd vervoerd.
roompot, ròmpót, stenen pot waarin men de room bewaart.
roomschenker, ròmsjingkerke, melkkannetje, waaruit men aan tafel melk schenkt.
roos, roeës, ronde plek die dient als middelpunt van een schietschijf.
rosmolen, rósmeule, molen, aangedreven door een paard.
rotstraal, rótstraol, rotstraal, ziekte onder de hoef.
rouwhoos, ròwhooze, meervoud, dunnen zwarte kousen, gedragen in de rouwtijd.
rouwmuts, ròwmuts, soort muts.
rouwpoffer, ròwpóffer, minder kostbare of minder uitgedoste muts-met-poffer die bij rouwgelegenheden wordt gedragen.
rouwtoer, ròwtoe:r, minder kostbare of minder uitgedoste muts-met-poffer die bij rouwgelegenheden wordt gedragen.
rozijnenmik, rezinjemik, brood waarin rozijnen gebakken worden, rozijnenbrood.
ruim, ruum, ver uiteen, gezegd van het poten van aardappelen, planten e.d.
ruin, runj, ruin, gesneden hengst.
ruit, rutj, vensterglas.
ruiten, rutje, ruiten, kleur bij het kaartspel.
ruiten, rèùtje, ravotten, voor de grap met elkaar worstelen, gezegd van kinderen.
ruizelen, reuzjele, van veren wisselen, in de rui zijn.
rund, rinjtj, vrouwelijk kalf dat de eerste tochtigheidsverschijnselen vertoont
rups, roeps, rups.
rus, russe, zoden of plaggen in het algemeen.
sabbelen, zoebbele, ergens op sabbelen.
satijn, setinj, satijn.
scapulier, sjabbelie:r, scapulier.
schaal, sjaol, schuifgrendel.
schaapshond, sjòpshónt, hond die de schapen moet bewaken.
schaapsstal, sjòpsstal, schapenstal in het algemeen.
schaar, sjieër, schaar in het algemeen.
schaarde, sjaart, snijdende punt voor aan de rister.
schaatsen, sjatse, schaatsenrijden.
schacht, sjacht, geslachtsorganen van de hengst.
schaft, sjóft, vierde deel van een werkdag.
schaften, sjófte, rusten, rust houden na arbeid of vermoeienis.
schamppaal, sjamppèùl, meervoud, dikke keien of palen ter bescherming van stijlen van deur of poort.
schande, sjaant, tis sjaant, schandalig.
schans, sjans, takkenbos, bussel takken en twijgen; meervoud sjanse, hout waarmee men de oven stookt.
schansenhoop, sjansenhoeëp, houtmijt, stapel takkenbossen.
schap, sjaape, meervoud, soort kast van latten en planken, zonder deur, om iets in op te bergen.
schapen hoeden, sjèùp huu:je, schapen laten grazen, terwijl men ze bijeenhoudt.
schapenschaar, sjaopsjieër, schaar om schapen mee te scheren.
schaper, sjieëper, persoon die de schapen hoedt.
schapersschopje, sjieëperssjupke, stok met het lepelvormige, ijzeren schopje eraan.
scharensliep, sjérresliep, scharenslijper.
scharenslijper, sjérresliepper, schareslijper.
scharren, sjarre, met de poten in de aarde krabben; sjarre mi te réék, op de wei achtergebleven hooi bij elkaar harken.
scheet, sjeet, wind, ontsnappende darmgassen, buikwind; énne sjeet laote, een wind laten.
schei, sjééj, scheiding in het haar.
schelf, sjélleft, balkenzolder.
schelfhout, sjéllefthòwter, meervoud, zware rondhouten die op de gebintbalken rusten.
schellenkrans, sjèllekrans, bellen e.d. aan de haam.
schelm, sjélm, dief.
schemeren, sjeemere, sjiemmere, aanbreken van de dag, schemeren; vur de oeëge sjiemmere “voor de ogen schemeren”.
schenk, sjingke, meervoud, beenderen, bijv. op het kerkhof.
schenken, sjingke, werkwoord, cadeau geven.
scheper, sjieëper, stuk hout waaraan het varken wordt opgehangen.
scheren, sjéére, 1) baardharen tot op de huid verwijderen met zeep en mes; 2) scheren van de schapen.
schermlap, sjèrmlappe, lederen bekleding van de hachten of strengen die dienen te beletten dat het paard gewond raakt.
scherp, sjèèrep, ’t sjèèrpe, snijblad van een mes; scherpe kant van een snij-instrument, bijv. van de zeis.
scheut, sjeut, nieuw uitgelopen twijgje.
scheuteling, sjeuteling, big die al van de zeug af is.
scheuter, sjeuter, platte houten schop waarmee men brood in de oven plaatst.
schieten, sjie:te, uitkomen van zaad.
schietlood, sjie:tloeët, koord-met-lood, om de loodrechte stand te bepalen.
schijt, sjitj, èn de sjitj, diarree, buikloop.
schijtboks, sjitjbóks, iemand die altijd bang is.
schijten, sjitje, ontlasting hebben; ge maacht nie aachter de héch sjitje, “je mag niet achter de heg schijten”, lozen van vaste uitwerpselen bij dieren.
schijthuis, sjitjheusjke, toilet.
schijthuis, sjitjhusj, bangerik.
schijvelen, sjievvele, scheren, in de uitdrukking ‘met kleine steentjes over het water scheren’.
schillen, sjélle, ei afschillen, afpellen.
schilmand, sjélmèèntje, mandje waarin men aardappelen schilt.
schim, sjeem, schaduw.
schimmel, sjimmel, wit paard.
schip, sjeep, schip; sjeep trékke, voorttrekken van een trekschuit.
schippersklomp, sjippersklómp, klomp met hoge huif, hoge klomp, zonder riem gedragen.
schob, sjóp, eenvoudig gebouwtje achter het woonhuis dat tot bergplaats van gereedschappen dient, tegen de schuur aangebouwde bergruimte met een schuin dak, maar zonder muren.
schoen, sjoe:n, schoen; sjoe:n is ook meervoud: schoenen; sjoe:n utjtrékke, nagels [van een slachtdier] verwijderen.
schoenmaker, sjoenmééker, schoenmaker.
schoenriem, sjoenrie:m, schoenveter.
schoentrekker, sjoentrékker, lepelvormig voorwerp, gebruikt om schoenen aan te trekken.
schoer, sjoe:r, zware plensbui.
schoester, sjoester, schoenmaker.
schoffel, sjoeffel, schoffel, soort mes aan een lange steel, gebruikt om onkruid uit de grond te halen en de grond om te woelen.
schoffelen, sjoeffele, onkruid bestrijden met de schoffel.
schokkelkar, sjóggelkaar, kar die veel lawaai maakt of erg schokt.
schommel, sjómmel, een tussen twee neerhangende touwen bevestigde plank, waarop men door zich af te zetten heen en weer zweeft.
schommelen, sjómmele, zich op een schommel heen en weer bewegen.
schoof, sjoof, roggeschoof; sjuu:f stroeë, bundel zeer gaaf en net stro waaruit de kortere halmen zijn verwijderd, direct geschikt voor dakbedekking.
schooier, sjòjjer, persoon zonder vaste woonplaats en middelen van bestaan.
schoolwicht, sjólweecht, kind dat onderwijs krijgt.
schoon, sjòn, mooi; sjòn dörske, knap, mooi uitziend meisje.
schoor, sjoore, meervoud, planken die diagonaal tegen de steigerpalen kunnen worden geslagen, ter versteviging van het geraamte.
schoorsteen, sjoorstieën, schoorsteen, het gemetselde rookkanaal in zijn geheel (vanaf de stookplaats tot op het dak), nauw bovendeel van de schouw.
schop, sjup, schop om in de zware grond te steken en om in het bos te werken.
schoppen, sjuppe, schoppen, met de uitgestoken voet krachtig treffen, tegen de bal schoppen in het voetbalspel.
schoppen, sjuppe, schoppen, kleur bij het kaartspel.
schort, sjòllek, voorschoot.
schort, sjórt, vrouwenrok, kledingstuk dat van het middel af naar beneden hangt.
schortschuur, sjòrtsjuu:r, overkapping met meerdere steunpalen als bergruimte voor het hooi.
schot, sjót, jong rund dat eenmaal gekalfd heeft maar daarna niet meer drachtig wil worden.
schotel, sjóttel, botervlootje.
schoteltje, sjuttelke, klein bordje of schoteltje, gebruikt onder een kopje waaruit men drinkt.
schouw, sjaow, pyramide-vormige rookvang boven de stookplaats in de keuken; metselwerk waarop de schoorsteen rust; oope sjaow, ouderwetse open stookplaats; verkleinvorm sjòwke, vierkante stenen uitbouw achter de kachel in de kamer.
schouwbalk, sjaowballek, balk waarop de gemetselde kap boven de stookplaats aan de voorkant rust.
schraal, sjraol, mager.
schraap, sjraap, huiverig, gezegd van koud, guur weer.
schrabben, sjrabbe, opperhuid met haargroei verwijderen.
schrank, sjrangk, 1) hoopje van ongeveer 50 turven, in het rond opgestapeld; 2) magere koe.
schranzen, sjranse, gulzig eten.
schrijden, sjrééje, grote stappen maken.
schrijven, sjrie:ve, schrijven; ze hi méj énne brief gesjrivve “ze heeft mij een brief geschreven”.
schroeien, sjrèùje, aan de oppervlakte verbranden.
schromppaal, sjrómppaol, paal in de wei waaraan het vee zich kan schuren
schuif, sjuu:f, schuifgrendel.
schuimpje trekken, sjuumke trékke, fles met water en stukjes drop erin schudden en vervolgens het schuim uit de fles zuigen.
schuimspaan, sjuumspaon, schuimspaan, schuimlepel,
schuins, sjuuns, schuin, scheef.
schuit, sjoe:t, schop om gemul en modder te verwijderen in de Peel.
schuren, sjoerre, 1) schuren, krabben, nl. tegen jeuk; 2) bewerken van hout met gewoon schuurpapier; 3) vlekvrij maken van bijv. pannen door te schuren met bijv. zand.
schuttersfeest, sjuttersfést, concours van schutterijen.
schuurdeurtje, sjuurdurke, klein deurtje in één der deurvleugels.
schuurpapier, sjoerpepie:r, schuurpapier; ’t sjoerpepie:r is van de bón af “het schuurpapier is van de bon af”, gezegd tegen een kind dat net (niet) op het zadel van een fiets kan.
schuw, sjòw, verlegen.
secretaris, sik, hoofd van de secretarie (administratie) van een gemeente.
seffens, sèffes, direct.
selderij, sèlderééj, selderij.
seminarie, simmenarrie, seminarie.
semmelijk, sèmmelek, tamelijk.
serradella, surdèl, serradella.
siepoog, sie:poeëge, meervoud, tranende ogen.
sik, siek siek, roepwoord voor de geit.
simmen, zumpe, op zeurderige toon huilen.
Sint-Maarten, sint marte, H. Martinus, St. Maarten, 11 november.
sint-maartenshoop, sint marteshoeëp, hoop hout die op de avond vóór St. Maarten wordt aangestoken, Sint Maartensvuur.
sint-maartensvuur, sint martesvuu:r, hoop hout die op de avond vóór St. Maarten wordt aangestoken, Sint Maartensvuur.
Sinterklaas, sinterklòs, Sint Nicolaas, Sinterklaas, 6 december.
sjacheraar, sjacheldert, scheldwoord voor een weinig koopkrachtige en onbetrouwbare koopman.
sjees, sjieës, licht, hoog tweewielig rijtuig met een kap; verkleinvorm sjieëske.
sjouwer, sjòwwer, man die de stenen bij de metselaar(s) brengt.
slabber, slèbberke, slabje, morsdoekje voor kinderen.
slachten, slachte, doden van het rund.
slachter, slèchter, huisslachter.
slachterij, slèchterééj, slagerij.
slachthout, slachthòwt, stuk hout waaraan het varken wordt opgehangen.
slager, slééger, soort slaghout, gebruikt bij het sléégere “slageren”, een jongensspel; meervoud sléégers.
slageren, sléégere, jongensspel met houten slaanders.
slagkar, slachkaar, opkipbare, tweewielige kar met wat grotere bak; de beide berries liggen tussen de overlangse draagbalken van de bak.
slap, slap, te slap, te nat, gezegd van deeg dat niet wil rijzen.
sleepeg, sléjpeech, landbouwwerktuig om het grasland te slepen, molshopen te slechten e.d. in de vorm van een zwaar kettingachtig netwerk.
sleeuw, slieë, stroef, bot; slieë taant “stroeve tanden”.
slepen, sléjpe, eggen met de stompe kant van de eg naar beneden.
sleutel, sluttel, voorwerp dat dient om deuren die op slot zijn te openen.
slibberbaan, slibberbaan, gladde baan, gemaakt op sneeuw of ijs door er telkens en achter elkaar overheen te glijden.
slibberen, slibbere, glijden over sneeuw of ijs; gòrrege mee slibbere “ga je mee slibberen?”.
slijm, sliem, uitscheiding die enkele dagen na de tochtigheid plaatsvindt bij een niet gestierde of niet bevruchte koe.
slijpsteen, sliepstieën, wetsteen.
slijtsel, slitjsel, slijtsel.
slobkous, slópkòwse, meervoud, kousen met knoopjes die over de gewone kousen worden gedragen.
sloffen, slóffe, hoeven niet voldoende opheffen onder het stappen
slok, slók, zoetigheid, lekkernij, snoeperij, snoepgoed.
slokken, slókke, gulzig eten.
sloof, sloof, voorschoot
slot, sloot, slot, bijv. van een deur.
sluis, sleusj, inrichting waardoor twee wateren naar believen gescheiden of met elkaar in verbinding gebracht kunnen worden.
sluiten, slutje, sluiten; de leeste slutj de deur “de laatste sluit de deur”.
smakken, smèkke, smakkend geluid maken.
smidse, smis, smederij.
smijten, smitje, gooien.
smoel, smoe:l, gezicht, gelaat (spotnaam).
snade, snó, steel van de zeis, steel van de heizicht.
snammel, snammel, smalle strook papier of stof.
snatsen, snatse, (veel, onrijp) fruit eten.
snee, snééj, snee (brood); uurste snééj, eerste hooi dat van een wei wordt gewonnen.
sneeuw, snöw, sneeuw.
sneeuwbal, snöwbal, bal van samen gepakte sneeuw; snöwballe gòjje, met sneeuwballen naar elkaar gooien.
sneu, snuuëj, beteuterd.
snijbak, snéjbak, bak waarin vroeger bieten (bladeren) met handkracht werden fijngesneden.
snijbloem, snéjbloem, sierbloem die afgesneden verkocht wordt.
snijboon, snéjbòn, snijboon.
snijden, snéjje, stier onvruchtbaar maken door de teelballen weg te nemen of te kwetsen.
snijder, snéjjer, kleermaker.
snijderderij, snéjjerderééj, kleermakersbedrijf.
snijderstafel, snéjjerstòffel, tafel waarop de kleermaker werkt.
snijkist, snééjkeest, kist of bak om stro in de snijden.
snijmachine, snéjmesjien, apparaat om brood te snijden.
snijworst, snéjwoorst, worst met gehakt (varkens)vlees.
snoeien, snèùje, snoeien in het algemeen.
snoepje, snuupke, stukje snoepgoed.
snoer, snuu:re, meervoud, lange linten of banden waarmee een schort om het middel wordt geknoopt.
snor, snoors, snor; verkleinvorm sneurske.
snot, snót, soort kippenziekte: verkoudheid.
snotkuik, snótkuuk, snottebel.
snotneus, snótneus, kind dat zich met zaken bemoeit en daarover een mening geeft waarvoor het nog te jong is.
snotterbel, snooterbèèl, snottebel.
snuffel, snuffel, vlinder.
snuffeltje, snuffelke, anjer.
snuit, snoe:t, 1) snuit van het varken; 2) gezicht, gelaat (spotnaam).
snuiten, snutje, snuiten, zijn neus snuiten.
snuiven, snuu:ve, snuiten, zijn neus snuiten; in de tèsnuzzek snuu:ve “in de zakdoek snuiten”
sokkenophouder, zökóphaawer, sokophouder, de band om de kuit.
Someren, zömmere, Someren; görrege nor aaste of zömmere “ga je naar Asten of Someren?”
sopketel, sópkittel, stookketel waarin het veevoer gekookt wordt.
soppen, sóppe, dompelen van brood of koek in koffie, thee e.d.
spaander, spónders, twee houten bestanddelen van de haam.
spaden, spaaje, graven, met een spade of ander gereedschap in de grond delven.
spanen, spaone, twee houten bestanddelen van de haam.
specht, spèècht, specht, een vogel.
speculaas, spiklassie, speculaas.
speculaasvorm, spiklassievèùrm, plank die bij de speculaasbereiding wordt gebruikt.
speelkaart, spulkart, speelkaart.
speelplaats, spulplats, plaats voor of bij de school waar de leerlingen voor of na de schooltijd en tijdens de pauzes verblijven.
spekkast, spèkkaast, kast boven tegen de schouw waarin een deel van de slacht wordt opgehangen
spekkoek, spèkkoe:k, spekpannekoek.
spel, spul, spel kaarten.
speld, spèèl, naaigereedschap: speld.
speldenkussen, spèldekuske, kussentje waarop de naalden bewaard worden.
spijs, speesj, vruchtenmoes dat op de vla gesmeerd wordt; metselspecie gemaakt van kalk en zand; speesj maake, metselspecie bereiden.
spijsmaker, speesjmééker, man die metselspecie bereidt.
spijt, spitj, spijt.
spil, spèl, an de spèl zin, aan de diarree zijn.
spin, speen, spin.
spinnen, spinne, fi-jnj spinne, fijn spinnen; gróf spinne, grof spinnen.
spinnengat, spinnegaat, luik of venster onder een dakwelving.
spinnenjager, spinnejééger, ragebol, de bolvormige borstel waarmee spinnewebben worden verwijderd.
spitskap, spitskap, dak met twee schuine zijden.
spleet, spleet, vrouwelijk geslachtsdeel.
spoel, spoe:l, spinnewiel.
spoelen, spuu:le, zeep verwijderen uit kledingstukken door ze heen en weer te bewegen in vloeistof.
spook, spoeëk, bovennatuurlijke, gewoonlijk ’s nachts rondwarende, angstwekkende verschijning.
sport, sproot, sproot van de lieër, sport van de ladder.
sportvlieger, spòrtvlie:ger, persoon die duiven houdt om aan wedstrijden deel te nemen.
spreeuw, spréw, spreeuw, een vogel.
sprong, sprungk, natuurlijke opening in de grond waar water uit de grond opwelt.
spruit, sprutjes, meervoud, spruitkool.
spuiten, spèùtje, vloeistof met kracht door een nauwe buis naar buiten persen.
spuwen, spòwwe, 1) speeksel uitspuwen; 2) overgeven (kind).
staalborstel, staolboorstel, borstel van staaldraad, gebruikt voor het afborstelen van oud schilderwerk en roest.
staan, stao, staan (infinitief).
staart, start, staart van een schaap.
staartlijn, startli-jnj, koord waarmee men op stal de staart vastbindt.
stalen, staale óp, lijken op iemand anders; ze staalt óp der mooder “ze lijkt op haar moeder”.
stalhout, stalhòwter, meervoud, rechtstandige palen waartussen de koeien staan.
stalpost, stalpeust, meervoud, rechtstandige palen waartussen de koeien staan.
stamboekkoe, stamboekkoe:, koe van geregistreerde afstamming.
stampen, stampe, schoppen, met de uitgestoken voet krachtig treffen.
standerdmolen, standertmeule, geheel uit hout bestaande, vierkante en draaibare windmolen.
steek, steek, priestersteek met een ronde luifel.
steen, stieën, gewone baksteen; meervoud stieën, 1) dikke keien of palen ter bescherming van stijlen van deur of poort; 2) grote stenen waarmee in het dagelijks gebruik het graan gemalen wordt.
steenkamp, sténkamp, kiezelachtige grond, een stuk land vol stenen.
steenoven, sténoove, 1) steenoven, bedrijf waar metselstenen, straatklinkers, dakpannen e.d. worden gevormd en gebakken; 2) toponiem in Meijel.
steenstof, sténstòf, steenstof.
steenzolder, sténzulder, zolder waar de stenen liggen.
steiger maken, stéjger maake, steiger maken, in elkaar zetten.
steigerpaal, stéjgerpèùl, meervoud, lange, in de grond geplaatste palen van een steiger.
stekelvarken, stéékelvèèreke, egel, soort dier.
steken, stééke, doden van het varken; stééke vur éjge gerief, turfsteken voor eigen gebruik.
stelen, stééle, stelen, wegpakken.
sterven, stèèreve, sterven (van een mens), doodgaan, hemelen gaan.
steunbeer, steunbérre, meervoud, 1) zware zijsteunen van een muur; 2) beide muurtjes waarop de gemetselde kap boven de stookplaats aan weerskanten rust.
stevel, steevel, laars.
stiepel, stiepper, bakstenen voet onder de eikehouten plavuis waarop de stijl rust.
stierkalf, stierkalf, mannelijk kalf.
stijfkop, stiefkóp, zeer koppig iemand, iemand die niet graag ongelijk toegeeft.
stijl, stielle, meervoud, vertikale balken.
stijven, stie:ve, stijven, bijv. van de was; muts met stijfsel en borax bewerken.
stinkerd, stingkerkes, meervoud, afrikaantjes.
stinkolie, stingkóllie, petroleum.
stoetman, stoe:temèn, meervoud, wittebrood in de vorm van een man.
stoflong, stóflónge, silicose, stoflongen.
stok, stók, 1) spel kaarten; 2) doel bij het verstoppertje spelen.
stok verbergen, stókverbèèrege, spel waarbij alle personen zich verstoppen, behalve één die alle anderen moet zoeken.
stoof, stoof, lange kookkachel met langwerpige platte buis en zichtbare pot; vierkante kookkachel-met-oven die in de plaats kwam van de ouderwetse open haard.
stoofpijp, stoofpieëp, spotbenaming voor de hoge hoed.
stookgat, stookgaat, stookgat van de oven, voorzien van een ijzeren deurtje.
stoomfabriek, stòmfebriek, stoomzuivelfabriek, boterfabriek.
stootkop, stótkóp, stoeëtkóp, roofvogel, sperwer.
stoppelveld, stóppelvèlt, leeg akkerland na het binnenhalen van de oogst.
stort, stòrt, plaats waar vuilnis gestort mag worden; verkleinvorm stòrtje, afwasvertrek, spoelkeuken.
storten, stòrte, beton in de houten vorm gieten.
stortgat, stórtgaat, gat in de buitenmuur van de afwasruimte, waardoor het vuile water wegvloeit.
stortkar, stòrtkaar, opkipbare, tweewielige kar met kleine bak; de bak valt tussen de beide berries.
straat, de straot, de Dorpsstraat in Meijel.
straathond, straothónt, bastaardhond.
stratenveger, straotevééger, stratenveger, kantonnier.
streepjesboks, striepkesbóks, gestreepte broek van het jacquet of het korte zwarte pak.
strekel, strikkel, persoon die allerlei streken uithaalt met kwade bedoelingen.
streng, streengske, streng; streen garre, aantal te zamen gedraaide of gewonden bundel draden; meervoud strénge, trektouwen, trekriemen of trekkettingen.
strijken, striekke, muts strijken.
strijkijzer, striekizjer, werktuig om linnengoed mee te strijken.
striklaag, striklaoch, laag in hun lengterichting liggende stenen.
strobbelen, stroebbele, harkend over de grond klauwen met de voorbenen.
strobloem, stroe:ëbloem, strobloem.
strobok, stroeëbók, bok of ezel om stro in de snijden.
stromes, stroeëmés, mes gebruikt bij het stro snijden.
stronselen, strónsele, drukte maken, veel moeite doen, meestal op luidruchtige wijze.
strontscheper, stróntsjupper, gieremmer.
strontzat, stróntzat, dronken.
strooien, straowe, vloer met zand bestrooien.
strooien hoed, stroejjenhoet, strooien of uit fijne houtvezel vervaardigde dameshoed.
strooisel, stròwsel, strooisel, bijv. in de stal onder de koeien.
stropen, struuëpe, wildstropen.
stroper, struuëper, wildstroper.
struik, struuk, plant met een stengel die zich reeds vanaf de grond in min of meer stevige, veelal houtige takken verdeelt.
struis, strusj, zwaar van lichaamsbouw.
stuipstaart, stoepstartje, klein staartje.
stuiptrekken, stuuptrékke, zenuwtrekken van een dier dat nog niet helemaal dood is.
stuit, stutj, stuitbeen.
stuiten, stutje, tevredenheid betuigen, kenbaar maken.
stuiver, stuu:ver, stuiver, een vijfcentstuk
stuurjan, stuurrejan, een tussen twee neerhangende touwen bevestigde plank, waarop men door zich af te zetten heen en weer zweeft, schommel.
stuurjannen, stuurrejanne, zich op een schommel heen en weer bewegen.
suiker, suukker, suiker; ik hép öw de suukker al gegévve “ik heb jou de suiker al gegeven”.
suikerklontje, suukkerkluntje, klontje suiker.
suikerkroot, suukkerkrótte, suikerbieten.
suikerlepeltje, suukkerlippelke, theelepeltje.
suikerpek, suukkerpééëk, water waarin drop is opgelost.
suisse, swies, ordebewaarder in de kerk, de suisse.
suizen, seuzje, suizen.
taai, tèj, taai-taai.
taaiplank, tèjplangk, plank die bij de taai-taaibereiding wordt gebruikt.
tabak, toebbek, tabak.
tabaksbuil, toebbeksbuu:l, tabakszak.
tachtig, taachtich, tachtig.
tafelen, tòffele, gebruik om een serenade met geïmproviseerde instrumenten te geven aan personen die openbare ergernis geven.
tafelkleed, tòffelklé, tafelkleed.
tafelmes, tòffelmés, mes dat men aan tafel gebruikt.
tafelpoot, tòffelpoeët, tafelpoot.
talud, terluu, helling of glooiing, de aflopende schuinte van een heuvel(rug).
tarwebrood, tèrvebroeët, brood van ongebuild tarwemeel.
tas, tas, tès, zak of buidel van uiteenlopend model, meestal echter vrij plat en rechthoekig, bijv. gebruikt om boodschappen in te doen; tès, buitenzak in een jas.
tasneusdoek, tèsnuzzik, zakdoek.
tast, tas, buitenstaande hooimijt.
tasten, taaste, met de hand voelen of de kip op het punt staat te gaan leggen.
tateren, taatere, druk praten.
teer, tieër, gering van kracht, van lichaamsvermogen, niet sterk.
teer, taars, donkerbruine of zwarte, kleverige, halfvloeibare stof waarmee wegen bedekt worden.
tegenwoordig, tizzewoorech, tegenwoordig.
telder, tèlder, bord om van te eten.
telen, teule, ploegen; die:p teule, zeer diep ploegen.
temper, timper, beslag voor het bakken van pannekoeken.
tepel, tippel, tepel van het varken.
teren, taarze, wegen met teer bestrijken.
terug op, truug óp, truuk hup, achteruit duwen.
teugelen, teugele, losgetuigd leiden, dus zonder zadel en niet tussen berries.
theepotje, tieëputje, pot waarin thee wordt gezet.
tien, tie:n, tien.
tiet, tie:t tie:t tie:t, roepwoord om de kippen te lokken.
tiet, tietjes, meervoud, kippen, kinderwoord.
tiet, tiette, meervoud, borsten van een vrouw.
tijd, titj, tijdsduur; verkleinvorm titje.
tiklopen, tikkeloeëpe, spel waarbij één kind anderen tracht in te halen en dan te tikken, waarna de getikte weer de vangman/-vrouw is.
timp, tómp, hoek, punt van een stuk land.
tispel, tispel, hoog opgestapelde rommel.
tochtig, tuchtich, geslachtsdriftig.
tod, tòt, versleten stuk doek of stof.
toddelen, tóddele, onregelmatig spinnen.
toegenaaide, toegenèjde, spaarzaam iemand.
toen, toe, toen (voegwoord en bijwoord).
toepen, toeppe, toepen, een kaartspel.
toer, toe:r, 1) kroon of krans van kunstbloemetjes, kralen, geplooide tule enz. die op de muts wordt bevestigd; 2) grote witte muts waarop een dikke hoefijzervormige krans met afhangende linten wordt gedragen.
toespeld, toespèèl, sluitspeld, speld waarvan de punt wordt vastgezet in een dopje of haakje zodat men zich daaraan niet kan bezeren, voor de luier.
ton, toon, groot vat.
tondelpot, tóntelpót, tondeldoos, koperen huls gevuld met licht ontvlambaar materiaal.
topje trekken, tuupke trékke, strootje of spiertje trekken.
toter, tooter, mengsel van aarde, vuil, allerlei organische stoffen en water.
traktement, traktemènt, zakgeld.
trapper, trappers, meervoud, veel te grote schoenen.
trede, trééj, pas, stap, het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan.
treden, trééje, 1) afmeten van de akker al stappend, voordat men gaat ploegen; 2) deeg kneden met de voeten, bijv. voor roggebrood.
trip, trippe, meervoud, sandaalachtig voetbekleedsel, bestaande uit een houten zool en enkele riempjes over de voet, zoals de zusters Franciscanessen die dragen.
troffel, troeffel, gereedschap waarmee gemetseld wordt.
trog, tróch, kuip waarin de eerste bewerking van het deeg plaatsvindt
trokkelen, trókkele, rijgen bij het naaien.
trom, troom, cilindervormig slaginstrument, bespannen met kalfsvel, dat met behulp van twee stokken wordt bespeeld.
trompen, trumpe, leiden met een enkele lijn.
trouwen, traowe, trouwen, mensen in de echt verbinden.
trouwkleed, traowklé, bruidsjapon, bruidskleed.
trouwmis, traowmis, huwelijksmis, bruidsmis.
Trui, troekke troekke troekke, roepwoord voor het konijn
tuieren, tuu:re, koe of geit aan een paaltje vastbinden.
tuierketting, tuu:rkitting, tuig waaraan men een rund in een kring kan laten grazen.
tuierpaal, tuu:rpaol, paal waaraan men een koe of geit vastbindt om een deel van de wei af te grazen.
tuigen, tuu:ge, paard wennen aan tuig en arbeid.
tuigkast, tuu:gekaast, kast waarin het tuig bewaard wordt.
tuinder, töjnder, vakman of ondernemer die groenten verbouwt met de bedoeling deze te verkopen.
tuisen, toesse, spel waarbij men voorwerpen met elkaar ruilt.
tuit, tèùtj, 1) tuit, onderdeel van de koperen of ijzeren waterketel; 2) melkkruik met één of twee oren.
tuiten, toe:te, suizen; min òrre toe:te “mijn oren tuiten”; geluid dat de koninginnen maken die hun cel reeds verlaten hebben.
tuitenrek, tèùtjerék, stellage buitenshuis waarop omgespoelde melkbussen te drogen worden gezet.
turf, törref, 1) turf, algemene benaming; 2) dik boek.
turfbak, törrefbak, plek bij de haard waar het brandhout of de turf staat.
turfkar, törrefkaar, kar met hekken voor en achter.
turfput, törrefput, put, van heiplaggen geslagen.
turfschop, törrefsjóp, berging aan huis of boerderij voor de turf.
turfspade, törrefspaaj, schop met een lang spits toelopend blad en zo breed als een turf, waarmee men turf steekt.
turfveld, törrefvèltje, strook veen die men van de gemeente pacht om turf te kunnen steken.
Turks leer, turks léér, turks leer, soort gladde, heel stijve manchester-stof.
tweede, twédde, tweede (rangtelwoord).
tweestrekel, twieëstrikkel, koe die uit twee spenen melk geeft.
twintig, twénjtjich, twintig.
uier, uu:r, uier van de merrie.
uilskuiken, uulskuukke, ezelachtig persoon, zeer dom iemand.
uitbindel, utjbingel, uitslag.
uitdoen, utjdoeë, aardappels rooien in het algemeen.
uiteen, utjerén, uiteen, uit elkaar.
uiteendoen, utjeréndoeë, vlees in stukken snijden
uitgaan, utjgao, uitgaan, café’s bezoeken, aan de zwier gaan.
uitkrasser, utjkrasser, gereedschap waarmee men de voegen uitkrabt, voordat men de voegspecie er in aanbrengt.
uitloop, utjloeëp, omheind buitenverblijf van de kippen
uitprakkeseren, utjprakkezeere, door nadenken ontwerpen, verzinnen.
uitrusten, utjreuste, uitrusten na gedane arbeid.
uitscharren, utjsjarre, uitschrapen; den kittel utjsjarre “de ketel uitschrapen”.
uitscheiden, utjsjééje, ophouden met werken.
uitschobben, utjsjoebbe, uitschelden, uitkafferen.
uitslijpen, utjslieppe, iemand smadelijke, honende woorden naar het hoofd werpen.
uitsteker, utjstééker, aardappelrooier.
uitvaart, utjvart, uitvaart, lijkdienst, begrafenismis.
uw, òw, uw (bezittelijk voornaamwoord, gericht tot één persoon); òw husj “uw huis”; òwwen hónt “uw hond”; òw mooder “uw moeder”; òwwe vaader “uw vader”.
vaardig, vérrich, gereed, klaar.
vademen, drò vééme, draad in het oog van de naald steken; ook de nòlt vééme.
vader, vajjer, vader.
vale, vaale, turf uit het grauwveen.
valies, flies, zak of buidel van uiteenlopend model, meestal echter vrij plat en rechthoekig, vgl. tas; verkleinvorm flieske, sierlijke tas met beugel die men ’s zondags op de overrok draagt.
van plaats wies plaats, van plats wies plats, van plaats tot plaats.
varen, vaare, rijden met de kar.
varken, vèèreke, varken in het algemeen.
varkensdeur, vèèrkesdurke, buitendeurtje van een varkenshok.
varkenskooi, vèèrkeskòj, stalruimte binnenshuis of het vrijstaand gebouw waarin zich meerdere varkenshokken bevinden.
varkensmolen, vèèrkesmulke, molen waarin gekookte aardappelen voor het vee tot puree worden gedraaid.
varkensmuil, vèèrkesmoe:l, kalf met een te korte onderkaak.
varkensstamper, vèèrkesstamper, houten stamper om varkensvoer tot puree te stampen.
varkenston, vèèrkestoon, ton waarin het gekookte varkensvoer wordt bewaard.
vast weer, vaast weer, bestendig weer.
vasten, vaaste, periode van Aswoensdag tot Pasen; de vaaste duu:rt langk “de vasten duurt lang”.
Vastenavond, vastelaovent, zondag vóór Aswoensdag, vastenavond.
vastenavondsdinsdag, vastelaovesdinzich, dinsdag vóór Aswoensdag.
vastenavondsmaandag, vastelaovesmòndich, maandag vóór Aswoensdag.
vastenavondsoptocht, vastelaovesóptòch, carnavalsoptocht.
vechten, vèèchte, ruzie maken en daarbij gebruik maken van handen, armen en benen.
vee, vieë, rundvee algemeen.
veengat, véngaat, lager gelegen deel in een moerasgebied waarin steeds water staat.
veertig, fértich, veertig.
vel, vèl, velletje op de ongekookte melk.
veld, vèlt, land bestemd voor de akkerbouw; grond die van oudsher als bouwland gebruikt wordt.
veldkruis, vèltkrusj, kruisbeeld in het veld, langs de openbare weg opgericht.
veldwachter, vèltwachter, politie-agent; pietjes pérkes pie:r waar de vèltwachter “Piet Verstappen was de veldwachter”.
venpiepje, vénnepiepke, klein veenvogeltje
verdrogen, verdruuëge, 1) minder melk gaan geven wegens drachtigheid; 2) van de leg afraken.
verduizelen, verduzjele, verdoven van slachtvee.
verf, vèèref, verf in het algemeen.
vergeetmuts, vergéétmuts, vergeetachtig persoon, iemand die telkens dingen vergeet.
verhemelte, verhimmelte, gehemelte.
verhoetelen, verhoe:tele, verkwanselen, op verachtelijke wijze verhandelen.
verhuizen, verheuzje, verhuizen.
verkoop, verkoeëp, openbare verkoping van onroerende goederen
verkouden, verkawwe, verkouden; wa bén ik toch verkawwe “wat ben ik toch verkouden”.
verleden, vléjje, verleden.
vers, vórs, vers; vórse koe:, vórse maol, koe of vaars die pas gekalfd heeft en aan een nieuwe melkperiode begint; vórs vlés “vers vlees”; vórs weer, mals, regenachtig weer in de zomer.
verschoren, versjórre, sté goe versjórre, er goed voor staan, gezegd van de oogst; den òst sté goe versjórre, “de oogst staat er goed voor”.
verslakkerd, verslakkert, verwelkt, gezegd van bloemen.
verslakkeren, verslakkere, slap worden en geur en kleur verliezen, gezegd van bloemen.
verslijten, verslitje, verslijten; den titj verslitj “de tijd verslijt”.
verven, vèèrve, met verf bestrijken.
verver, vèèrever, schilder.
verzoeken, verzuu:ke, 1) iemand verzoeken bij iemand op bezoek te komen of een feest bij te wonen; 2) buren en kennissen op iemands begrafenis uitnodigen.
vetweide, vètwééj, grasland bestemd voor voor de slacht gemeste koeien.
vetweiden, vètwééje, laten grazen van voor de slacht (vet)gemeste koeien.
vetweider, vètwééjer, veehandelaar of -houder die zich bezig houdt met voor de slacht gemeste koeien.
veulen, veule, zelfstandig naamwoord, jong van een paard.
veulenen, veule, werkwoord, een veulen werpen.
veulenmerrie, veulemèrrie, dragende merrie.
vierde, vierde, vierde (rangtelwoord).
vijfde, véjfde, vijfde (rangtelwoord).
vijftig, fieftich, vijftig.
violet, flèt, anjer.
viseie, bezèj, verstand; zonder bezèj wa doe: “zonder verstand wat doen”.
visitemantel, vesietmèntelke, zomer-kapmanteltje met een ovaalvormig voor- en achterpand.
visitetje, vesietje, zomer-kapmanteltje met een ovaalvormig voor- en achterpand.
vlaai, flaaj, vla(ai), bekend cirkelvormig gebak met vulling.
vlaaischotel, flaajsjóttel, platte schaal om een vlaai op te dienen.
vlecht, vlèècht, los neerhangende gedeelte van het haar, als men het bijeengebonden draagt.
vlechten, vlèèchte, opmaken van staart en manen
vlechter, vlèèchter, persoon die vlechtwerk van stro of buntgras maakt.
vleermuis, vlérmeusj, vleermuis.
vleeskoe, vléskoe:, koe die meer vlezig van bouw is.
vliegengaren, vlie:gegarre, vliegennet in het algemeen.
vlieger, vliegger, licht gestel, met papier bespannen, dat aan een touw in de lucht opgelaten wordt.
vlik, vlingk, dunne plag van ongeveer 3 cm dik.
vlikkensteker, vlingkestééker, schop om vlikken te steken.
vlo, vloeë, vlo; meervoud vluuë.
vlooienbeet, vlòjjebeet, vlooiebeet.
voegbord, voe:gbòrt, rechthoekig plankje met een handvat eronder, van waaraf men de specie tegen de muur strijkt of in de voegen drukt.
voegen, voe:ge, muur of gevel voegen.
voeger, voe:ger, man die het voegwerk verricht.
voegijzer, voe:gizjer, gereedschap waarmee men specie in de voegen aanbrengt.
voegspijs, voe:chspeesj, specie voor voegwerk.
voerhuis, voerhusj, 1) hoek of ruimte in de stal waar men bieten en groenvoeder opslaat voor direct gebruik; 2) hoek of ruimte op de stal waar de stookketel staat.
voerketel, voe:rkittel, pot waarin men koren dat aan de paarden gevoederd moet worden kookt om het te laten zwellen.
voet, voe:t, voet; meervoud vuu:t.
voorbinden, veurbinge, aanbrengen van de zeilen.
voorhoofd, vurhò, trappeleind van een omgeploegde akker, deel waar bij het ploegen van het grote middenstuk de paarden telkens keren.
voorhuis, vurhusj, gedeelte van het boerenhuis waar zich de woonruimten bevinden.
voorkiemen, veurkiemme, zaden gedurende enkele dagen in het water leggen.
voorraad, vurrò, hoeveelheid goederen die in een winkel aanwezig is om te verkopen.
voorstal, vurstal, voorste stalgedeelte dat aan het woonhuis grenst.
vorentrekker, vórretrékker, hak gebruikt om voren te trekken.
vorig jaar, furrech jaor, ’t furrech jaor, verleden jaar.
vormsel, vèùremsel, vormsel.
vorstlaag, voorstlaoch, bovenste laag dakbedekking die bij het werk aanvankelijk over de nok van het dak heen steekt.
vorstpan, voorstpaan, halfronde pan waarmee de nok van het dak wordt bedekt; meervoud voorstpanne.
vospaard, vóspért, bruinharig paard.
vottas, vóttetèske, zak aan de achterkant van de broek.
vrek, vrèk, vrijpostig.
vriesweer, vreesjweer, vriezend weer, koud en droog.
vriezen, vreezje, vriezen.
vrijdag, vréjdich, vrijdag.
vrijdagseten, fréjdesééte, vleesloos eten, vleesloze maaltijd op een onthoudingsdag.
vrouwluiding, vròlliedinge, meervoud, vrouwenkleren.
vrouwluihemd, vròlliehémt, vrouwenhemd.
vrouwluikleren, vròllieklieër, meervoud, vrouwenkleren.
vuilnis, vulles, 1) nageboorte; 2) afscheiding uit de schede van de ooi, tot ongeveer 1 week na de bevalling.
vuist, vusjt, vuist.
vuur, vuu:r, open haard als stookgelegenheid in de woonkeuken.
vuurijzer, vuu:rizjer, ijzer waarop in de open haard het brandhout rust.
vuurmannetje, vuu:rmènneke, vurige spookgestalte.
vuurplaat, vuu:rplaat, gietijzeren sierplaat die rechtop tegen de achterwand van de haard staat.
waai, wèèj, slag, oorvijg; ’n wèèj um de òrre “een klap om de oren”.
waaien, wèèje, waaien.
waarheid, wòrhitj, overeenstemming van woorden met feiten.
waarom, wòrrum, waarom.
wafel, wòffel, wafel; mi néjaor wòffels bakke “met Nieuwjaar wafels bakken”.
wambuis, wémmeske, herenvest zonder mouwen, met knopen.
wambuistas, wémmestèske, vestzakje.
wan, wan, platte, gevlochten korf van stro waarmee men het graan zuivert.
wanmolen, wanmeule, machine die het kaf uitblaast en bovendien het zand uitzeeft.
wannen, wanne, graan zuiveren met een platte gevlochten korf.
waren, waare, zorg dragen voor, in acht nemen.
wars, wérs, zich niet schikken, weerbarstig.
warse, wérse, énne wérse, zeer koppig iemand, iemand die niet graag ongelijk toegeeft.
warshuis, wérshusj, T-vormige boerderij met dwarsgeplaatst woongedeelte.
warskop, wérskóp, boosaardig paard.
wasmand, wasmaan, witte, ronde of ovale wasmand.
wasserse, wisserse, wasvrouw.
waswijf, waswief, kletswijf.
wat voor een, waffer énne, wat voor iemand.
water, watter, water; ’t watter, waterzucht, ziekelijke ophoping van vocht in het onderhuidse weefsel en in de lichaamsholten
waterkoud, watterkaaw, nattig en koud, gezegd van het weer.
waterlelie, watterlillie, waterlelie (waterplant met drijvende bladeren en grote witte drijvende bloemen).
watermoor, wattermoeër, waterketel.
waterpas, watterpas, waterpas met luchtbelbuis.
waterput, watterput, open waterput.
waterwolk, watterwölkske, regen-voorspellend wolkje bij ondergaande zon.
weduwman, wétman, weduwnaar.
weduwvrouw, wétvraow, weduwe.
weefkamer, weefkaamer, vertrek waar de weefstoel en/of het spinnewiel staat.
weegscheet, weegesjeet, zweertje op het ooglid.
week, wéjk, in de wéjk zitte, zaden gedurende enkele dagen in het water leggen.
week, de wéék, menstruatie.
weerborstel, wérboorstel, valse kruin, zomaar ergens in het hoofdhaar.
weerlichten, wérleechte, weerlichten, ’s avonds in de verte bliksemen zonder donder.
Weert, wért, Weert.
wegge, wééch, (langwerpig) wittebrood.
wegwijzer, wéchweezjer, plank of bord met de richting van de weg.
wei, wééj, weiland algemeen.
weipaal, wéjpaol, paal van de afrastering.
weken, wéjke, zaden gedurende enkele dagen in het water leggen.
wel, wèl, zware rol waarmee men het land walst.
wellen, wèlle, met de rol over het land gaan.
wender, wiender, mannelijke eend.
werkdaagse mis, swèrrese mis, door-de-weekse mis.
werkdagsding, swèrresdinge, meervoud, door-de-weekse kleren.
werken, wééreke, geregelde arbeid verrichten, zijn taak, beroep of bedrijf uitoefenen.
wethouder, wéthaawer, door de gemeenteraad gekozen lid van het dagelijks bestuur van een gemeente.
wetsteen, witstieën, wetsteen.
wezen, weeze, gelaat, (aan)gezicht, het voorste gedeelte van het hoofd beneden de haargrens.
wicht, weecht, kind; meervoud wichter.
wichtencommunie, wichterkemuunnie, kindercommunie.
wichtenmis, wichtermis, kindermis, schoolmis.
wichterkleed, wichterklétjes, meervoud, kinderkleertjes.
wichterkleren, wichterklieër, meervoud, kinderkleren.
wiek, wiek, katoenen lampepit in een petroleumlamp.
wijd, witj, wijd, ver.
wijer, wéjjer, vijver.
wijf, wief, vrouw; vrouw met wie men getrouwd is; stóm wief, domme vrouw.
wijk, wiek, turfkanaal, minder breed dan het Deurnes Kanaal of de Helenavaart.
wijn, winj, wijn.
wijs, wisj, wijs, verstandig; héj is nie goe wisj “hij is niet goed wijs”.
wijs, weesj, wijs, melodie.
wijsvinger, wisjvinger, wijsvinger.
wijwaterbak, wéjwattersbak, met wijwater gevulde bak bij de ingang(en) van de kerk.
wiks, wieks, schoenpoets.
wind, winjtj, wind; verkleinvorm winjtje, wind, ontsnappende darmgassen, buikwind.
windei, winjtjéj, ei zonder schaal.
windel, winjel, luier.
windzuiger, winjtjzuu:ger, paard dat lucht in de maag zuigt en daardoor oploopt.
winkelhaak, wingkelhaok, hoekvormige scheur.
wip, wip, hefboom die over de putmik hangt.
wis, wisse, meervoud, lange, buigzame twijgen voor het vlechtwerk in het algemeen.
woelen, wuu:le, woelen, onrustig heen en weer bewegen.
woensdag, woenzich, woensdag.
wol, wool, wol in het algemeen.
wolfseind, wòlfséntje, daak mi wòlfséntje, dak met twee grote schuine vlakken en boven de afgeknotte korte gevels een kleine driehoekige dakzijde.
wolk, wöllekske, klein wolkje.
wolleboon, willebòn, wullebòn, tuinboon.
wollen das, wullen das, dikke wollen (winter)das.
worm, wèùrem, wormachtig en kruipend gedierte (verzamelnaam).
worstmachine, woorstmesjiengke, instrument waarmee men het vlees maalt om het fijn te maken.
worstmolen, woorstmulke, instrument waarmee men het vlees maalt om het fijn te maken.
wribbel, vroebbel, plank waarover gegolfd zink geslagen is waarop men vuil goed wast.
zaad, , 1) zaad dat men zelf kweekt; 2) zaad van planten.
zaaibak, zèèjbak, houten bak, gebruikt om zaaizaad in mee te dragen bij het zaaien.
zaaibed, zèèjbét, afdeling van de groentetuin waarop iets gezaaid of gepoot wordt of is.
zaaien, zèèje, 1) zaaien van rogge, haver e.d.; 2) vermeerderen van gewassen door middel van zaad.
zaaikorf, zèèjkörref, biezen of ijzeren korf met hengsel, gebruikt bij het zaaien.
zaaitijd, zòtitj, zaaitijd.
zakkenduister, sakkedusjter, stikdonker.
zandsteen, zantstieën, zandsteen.
zanger, zènger, koorzanger, lid van het zangkoor.
zaniken, zannikke, steeds op een vervelende wijze over iets spreken.
zaterdag, zòtterdich, zaterdag.
zee, zieë, zee; die: hébbe nòch nòjt de zieë gezie: “die hebben nog nooit de zee gezien”.
zeik, zéjk, urine.
zeiken, zéjke, urineren (van een dier).
zeikkar, zéjkkaar, kar met een bak gebruikt om gier naar het land te vervoeren.
zeikput, zéjkput, poel of kuil bij de mesthoop of -vaalt waar het mestvocht invloeit.
zeikstreen, zéjkstreen, opschepperige vrouw.
zeikton, zéjktoon, metalen vat, gierton.
zeikworm, zéjkwèùrem, 1) mier in het algemeen; 2) (grote) rode bosmier.
zeikwormennest, zéjkwèùremneest, mierennest.
zesde, zisde, zesde (rangtelwoord).
zestig, seestich, zestig.
zeug, zóch, vrouwelijk varken dat heeft gejongd.
zevende, zuvvende, zevende (rangtelwoord).
zeventig, suvventich, zeventig.
zever, zieëver, kwijl, uit de mond lopend speeksel.
zeveren, zieëvere, 1) zeveren; 2) steeds op een vervelende wijze over iets spreken.
zeverlap, zieëverlèpke, slabje, morsdoekje voor kinderen.
zichten, zeechte, maaien met de zicht.
zieke, zie:ke, zieke; ik gao de zie:ke bezuu:ke “ik ga de zieke bezoeken”.
ziekenhuis, zie:kenhusj, ziekenhuis, inrichting voor het verplegen van zieken.
zien, zie:, zien, waarnemen.
zijde, zééj, zijde.
zijn, zin, zijn (infinitief); héj waar, hij was (3e persoon enkelvoud verleden tijd).
zijpogen, zie:poeëge, tranende ogen.
zink, zingk, laagte in een akker.
zinkput, zingkput, poel of kuil waarin het vuile spoelwater terechtkomt.
zode, zooj, zooje, meervoud, heizoden, graszoden.
zoei, zoej, open greppel of goot langs het huis of over het erf waardoor het vuile afwaswater stroomt.
zolder, zulder, planken zolder boven het woongedeelte.
zomen, zuuëme, voorzien van zomen.
zomp, zómp, lager gelegen delen in een moerasgebied waarin steeds water staat.
zondag, zóndich, zondag.
zondagsding, sóndesdinge, meervoud, zondagse kleren.
zondagsgeld, sóndesgèlt, zakgeld.
zonde, zeunt, tis zeunt, jammer, zonde.
zongebakken, zónnebakke, meervoud, in de zon gebakken (leem)stenen.
zonk, zóngk, laagte in een akker.
zonsverduistering, zoonsverdusjtering, zonsverduistering.
zoom, zuuëm, zoom, omgeslagen en vastgenaaide rand aan een stuk weefsel of een kledingstuk.
zorg hebben, zèùrech hébbe, ongerust zijn, vol kommer en zorg zijn.
zouten, zawte, stukken vlees langer houdbaar maken.
zuigen, zuu:ge, zuukke, zuigen.
zuipen, zoeppe, zuipen, veel drinken. zoeppe as ’n pért; veel drinken.
zure grond, zoe:re grónt, lage natte zandgrond.
zuring, zoerrik, zuring, plant met rode stelen die in de weide en langs sloten groeit.
zuster, zeuster, zus.
zuur, zoe:r, zuurdeeg, gebruikt in plaats van gist; zoe:r maake, zuurdeeg maken.
zuur, zoeër, zure oprisping; ’t zoeër hébbe, zuurachtig oprispen.
zuur, zoe:r, huiverig, gezegd van koud, guur weer.
zuurdeeg, zoerdéch, zuurdeeg, gebruikt in plaats van gist.
zuurdesem, zoe:rdissem, rijsmiddel dat een dag is blijven liggen om zuur te worden.
zuurmoes, zoermoes, zuurkool.
zwade, zwaat, scherpe kant van een snij-instrument, bijv. van de zeis.
zwak, zwak, zwak in de zin van lenig, buigzaam.
zwaluw, zwalleme, meervoud, zwaluwen.
zwansen, zwénse, de staart couperen.
zwarte turf, zwarten törref, zwartveen.
zwavelstok, zwéévelstèk, meervoud, zwavelstokken, de vroegere lucifers.
zwaveltje, zwéégelke, lucifer; meervoud zwéévelkes, zwavelstokken, de vroegere lucifers.
zweet, zwieët, zweet.
zweren, zwéére, zweren, ontstoken zijn; de vinger zwéért “de vinger is ontstoken”.
zwermen, zwèèrme, zwermen.
zweten, zwieëte, zweten.
zwil, zweel, eelt, eeltknobbel; ik hép zweel óp min haant “ik heb eelt op mijn handen”.
zwitser, zwéjtser, knecht die tot hoofdtaak had het vee te verzorgen (melken, voeren enz.).
zwoerd, zwaars, zwoerd (van spek); verkleinvorm zwaarske.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal