elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.

-je, je, als verkleiningsuitgang, wordt altijd als jen uitgesproken.
-s, s, wordt wel eens gevoegd achter een eigennaam, waar zij in het geheel niet behoort: Noachs voor Noach. Kains voor Kain.
aalt, aale, aalte of ier.
Aaltje, Eute, (spreek eu uit als ui zonder i-klank) Aaltje.
aanblekken, anblekken, aanblaffen.
aanboeten, anbeuten, aanleggen (van het vuur).
aangaan, an-goan, men zegt: wanneer is ’t um an-egoan, wanneer is hij ziek geworden?
aangejaagd, an-ejaagt, zenuwachtig, verschrikt, ontsteld.
aangemaakt, an-emaakt, geplaagd: bijv. völle an-emaakt met heufdzeerte!
aanhouden, an-hoolden, (iemand) op weg staande houden om met hem te spreken.
aanmaken, an-maken, voortmaken, zich haasten: Maak wat an!
aanschieten, anschieten, herinneren (iets aan iemand) nooit zich aanschieten.
aanwas, anwas, in aantogt, wordt gezegd van een verkoudheid.
aanzachten, anzachten, beter worden: ’t zacht al wat an: van een wonde.
aanzien, ziit now is an!, welnu, kom aan, is ’t mogelijk?
aardig, aardig, wordt in de gewone beteekenis, maar ook in den zin van vreemd, bijzonder, gebruikt.
aardrijk, eerdriek, aarde (’t eerdriek is vol water).
achterheen, achterhen, (om de deur heen?): achterhen kiiken, komen bezoeken.
afgaan, ofgoân, afloopen, men zegt van een slimmen zieke: ’t is een afgoând werk, het loopt op het einde.
akkeren, okkeren, akkeren, tuinieren.
albendig, al-bendig, albandig, moedwillig.
als, als, (spreek uit as), wordt overtollig gebezigd. Ik hebbe wâ vernömmen as dat in dat jaar de verbouw best was.
appelhof, appelhof, boomgaard.
baansten, bansten, onredelijk dringen.
balmondig, belmundig, oorspronkelijk van een weggeloopen lijfeigene, die tot zijn straf belmundig verklaard werd; nu: verloopen, vervallen (schunnig).
bats, basse, een zeker deel van het ligchaam, volgens zeker iemand het best te vertalen: het menschelijke nagelhout.
beaardigen, be-erdigen, de plegtigheid, die vóór de begrafenis in de Roomsche Kerk plaats heeft.
bed, bedde, men zegt: in ’t bedde kommen, voor bevallen. Hi hef ziin vrouwe (wief) in ’t bedde: zijn vrouw is bevallen
beddenkast, beddekast, bedstede.
beddentoch, beddetog, overtrek van een bed.
bedstee, bedstede, plaats waar turf gemaakt wordt.
beentje, bientjen, men zegt: Wi zölt di ook is bíj ’t bientjen kriegen! Wij zullen u ook eens onder handen nemen!
beklijfelijk, bekliefelijk, besmettelijk (van een ziekte) Zaansch: overspruitelijk.
bemerking, bemerking, opmerking.
ben, benne, mand.
bengel, bungel, schommel (Zwolsch: talter) vandaar bungelen = schommelen.
beppe, beppe, grootmoeder.
bestaan, bestaan, men zegt: het bestiet zoo = het is werkelijk zoo, of ’t zoo bestiet, weet ik nich.
betuin, betuun, schaarsch.
beun, bönne, bönneken, groote kast in oude Twentsche huizen.
bidden, bidden, bedelen, vandaar een bidder, biddeman, een bedelaar, en een bidwief, een bedelares.
bidder, bidder, bedelaar
bidman, biddeman, bedelaar
bidwijf, bidwief, bedelares
bijkruimen, bí’jkroemen, ergens nog iets bijvoegen, om iemand tevreden te stellen, die meent dat hij te weinig krijgt.
blekken, blekken, mazelen.
blekken, blekken, blaffen.
bluisterig, bluisterig, winderig, van bluisteren, hard waaijen.
blutterij, blutterí’je, kleinigheid, tegenover grof, ruw werk.
bod, bod, boodschap. Bod-sturen, een boodschap zenden.
boe, boe!, zeer, men zegt: boe wisse! wel zeker!
boezem, boezem, groote vooruitstekende schoorsteen.
boks, bokse, broek.
boksen, boksen, ’n boksen nemmen, een feest bij de boeren vóór de eigenlijke bruiloft, men brengt dan wat bijeen en vereenigt zich om te eten, te drinken en te dansen.
bol, bollen, bol, stuk, brok.
bort, bord, zware diarrhee, cholerine.
bot, bot, (spreek o uit als in krom) been, meervoud de butte.
brief, brief, een stuk papier, al staat er niets op.
broek, broek, ondergeloopen land.
broerzoete, breûrzuute, zegt men van iemand, die veel van zijn broeder houdt, erg aan zijn broeder gehecht is.
brugge, brugge, boterham.
bruidsnodiger, broedsneugers, zie op neugen.
buil, bule, (buidel), zak, vandaar buulken = zakje, vergel. buulkesbrood.
builtjesbrood, buulkesbrood, bloedworst.
buis, buis, wild, ongemanierd: biester buis = heel wild.
buiskool, boeskool, witte kool.
buiten, buten, ruilen, zie ook ummebuten.
bullen, böllen, huilen.
buur, buur, tiek van een bed.
daal, dale, neder: op en dale: op en neêr. Als iemand binnenkomt zegt men: smiet oe dale! zet u neder. Ook hoorde ik eens vragen: haste de rogge al dale? Hebt gij de rogge al gemaaid? (vergelijk op los).
dag, dag, men zegt: bí’j dag, voor: gewoonlijk, doorgaans, bijvoorbeeld iemand heet eigenlijk Willem Karel, maar wordt bí'j dag Karel genoemd, in het dagelijksche leven.
dat, dat, aanwijzend voornaamwoord: dèn (man- en vrouwelijke) dat voor die, soms ook versterkt met daô (daar), dèn daô.
dat, dat, het woordje dat, wordt dikwerf evenals in het Duitsch weggelaten: bijvoorbeeld Hij zei dat wist hij wel!
deel, delle, ruimte in een boerenhuis om te dorschen.
delhaan, dellenhaans, zoo werden in Enschede de fabrikanten wel eens genoemd om te kennen te geven, dat zij gaarne den baas willen spelen. (Afgeleid van een haan op een boerendelle, die zich op zijn gebied koning waant!)
den, dan, den.
dennenbos, dannenbosch, dennenbosch.
deze, dissen, aanwijzend voornaamwoord: dissen, dit voor deze
die, dèn, aanwijzend voornaamwoord: dèn (man- en vrouwelijke) dat voor die, soms ook versterkt met daô (daar), dèn daô.
diepzinnig, diepzinnig, zwaarmoedig, droefgeestig.
dijk, diik, een breede zandweg.
dijn, dí’j, diin, di, bezittelijk voornaamwoord 2e persoon enkelvoud. Met nadruk zegt men: diin!Bij ’t heengaan bijvoorbeeld danke (of zeggedank) veur di (dí’j) koffi! maar, als iemand een moeder gevraagd heeft naar haar kind, dan is de wedervraag: en hoe is ’t met dienen jongen?
dinsdag, dingseldag, dingsdag.
dit, dit, aanwijzend voornaamwoord: dissen, dit voor deze
doden, dooden, (het), sterven (het). men zegt: na het dooden, inplaats van: na het overlijden van N.N.
doen, doen, wordt dikwerf gebezigd in de zin van geven (doe mi een cent of een appel!) ook gebruikt men het voor praten (nadat we lang daôraôver edaôn hadden!). men zegt, daor doe ’k niks op!! Daar hecht ik hoegenaamd geen waarde aan. Dat laat de zaak bij mij net zooals zij was.
doesterig, doesterig, dof in t hoofd.
dok, dokken, stroowischen, die onder de pannen gelegd worden.
dol, dol in ’t heufd, maar ook dom in ’t heufd.
dollen, dollen, ijlen.
door, deur, (door), er van deur gaôn = heengaan. Wi mutten er is vandeur = het wordt voor ons tijd om op te stappen.
doorloop, deurloop, het is weer alles deurloop! hij is weer aan het ijlen.
doorlopen, deurloopen, men zegt: het loopt er bii hem deur, hij is geheel buiten kennis, hij is aan het ijlen!
doortocht, deurtogt, diarrhee.
dorp, darp, dorp.
dorst, dars, darst, dorst.
droefheid, droefheid, men zegt: hi löt gien droefheid naô. Daar is eigenlijk niemand, die zijn dood waarlijk betreurt.
dronk, dronk, drankje.
druisen, droeschen, bluffen.
druk, druk, men zegt: dat is druk = dat heeft haast; men zegt: ik ben druk, in plaats van ik heb het druk.
du, doe, persoonlijk voornaamwoord, 2e persoon enkelvoud: doe of i: doe häst, i hebt. Komt het achter het werkwoord te staan, dan heeft er contractie plaats: hästtoe (eigenlijk häst-doe), hästte of hebbi. Wil men doe en i vermijden, dan noemt men iemands naam: zal tante now zeggen as ze hinder hef van de wichter?Doe 4e naamval di.
duren, doeren, duren.
durven, durven, inplaats van mogen, dat durfste nich! voor: dat moogt gij niet doen!
echel, egel, eggel, bloedzuiger.
edik, eek, eddik, azijn, ook wel ettike.
een, nen, ne, een, wanneer het bepalend lidwoord de bij een mannelijk zelfstandig naamwoord staat, wordt het ook in den eersten naamval als den uitgesproken. Aan de uitspraak van ’t onbepalend lidwoord kan men hooren, van welk geslacht het daarop volgende zelfstandig naamwoord is: bij een mannelijk zegt men: nen (nun) bij een vrouwelijk ne, bij een onzijdig: een (un).
eenpassig, iempestig, inkennig, koppig.
eerdeumig, eerdeumig, (eu uitspreken als ui, zonder de í’-klank) op hun eer gesteld, bang dat zij in enig opzigt vernederd zullen worden, ligt te kwetsen.
eerste, eersten, in de uitdrukking: den eersten dag, voor eerdaags.
egge, egge, kant, zijde. De oude Twentsche huizen zijn soms in twee woningen gesplitst en dan spreekt men van de iene en de andere egge van ’t hoes. Ook hoorde ik eens iemand klagen over zeerte in de iene egge van ’t lief.
eigenste, eegenste, zelfde. Den eegensten dag en het eegenste uur: op denzelfden dag en op hetzelfde uur.
eikelfrans, ekkelfrans, meikever, ekkelfränsken, graskuikentje, dat inderdaad in het kleine veel op een meikever lijkt.
eisen, eesgen, hooren, vernemen.
elzenstek, elzenstikken, zie op stikken.
embarras, ummerazie, rommel, rompslomp.
emt, emte, mier.
enkel, enkel, in den zin van klein, beperkt, tegenover ruim, van een huis, bijvoorbeeld’t is er zoo enkel.
es, esch, groote uitgestrektheid bouwland: bij Zwolle zegt men enk.
flusjes, vleus, [weldra, spoedig.]
foezel, foezel, jenever, vooral Munstersche jenever.
fonds, fonnis, ook wel doodenfonnis, voor begrafenisfonds: men zegt: wi hebt ’em in ’t fonnis edaön. Wi kregen zoovölle uut ’t doodenfonnis.
fots, fusken, prul, vod.
fris, frisch, versch, van brood of vleesch.
gaaf, gaeve, (bijna geve), gaaf, zuiver; wordt ook in dezen zin gebezigd: as ’t op de borst nich gaeve is!
galpen, galpen, zie op jeuzelen.
gangs, gangs gaôn, aan den gang (aan den loop) gaan. Zoo ook:
gangs, gangs maken, aan den gang maken (van een pomp of klok).
gaps, gapse, vuist, vandaar een gapsevol = een vuist vol.
gard, gerde, een dun stokje.
garen, gadderen, verzamelen.
garf, garven, schoven, die de leeken als tienden voor de geestelijkheid derwaarts moesten brengen.
gat, gat, van een dronken mensch zegt men: hi hef ’t gat vol.
gebrekkelijk, gebrekkelijk, wordt gebezigd van iemand, van wien men wil te kennen geven dat hij een breuk heeft.
gebruiken, broeken, gebruiken.
Geertruida, Haete, verkorting voor Geertruida.
geestig, geestig, vurig, met opgewektheid, bijvoorbeeld preêken.
gekniehalterd, gekniehalterd, wordt gezegd van een koe, die men wil beletten hard te loopen, en die men dus met het hoofd aan een der voorpooten vast gebonden heeft.
geknoei, geknooi, karrewei.
geleden, eléden, bemind (van lijden: ik mag dien jongen wel lijden.) Men zegt: hi is daôr nich erg eleden! maar dan spreekt men de e als é uit, niet als è in lang elèden.
gerfkamer, garfkämer, kerkekamer, vroeger leidde men het af van de garven. Volgens Overijsselsche Alm. 1836 beteekent het eigenlijk: kleedkamer voor den priester (naar Kiliaan en ’t Anglisaksisch)
gevaar, gevaar, rijtuig, van varen, men zegt: met gevaar (rijdende) ergens komen.
glint, glint, schutting, beschot of hek van hout of ijzer.
graaf, graven, sloot (meervoud gravens).
graaf, grave, (spreek uit graeve) spa.
gram, gram zijn, ba zijn van iets, ergens genoeg van hebben.
grienen, grünen, huilen.
grillen, grillen, huiverig zijn; men zegt: ’t grilde mi zoo! ik was zoo huiverig! (vergel. friezen).
groeien, groeijen, tusschen groeijen en wassen wordt een groot onderscheid gemaakt: groeijen is in dikte, wassen, in lengte toenemen, zodat men van een 60-jarige hoort zeggen, dat hij in den laatsten tijd zeer gegroeid is.
groen, gruun, raauw, ongekookt (van eieren); grootsch, verwaand: nen gruunen gek!
groenigheid, gruunigheid, verwaandheid.
groezelig, groezelig, akelig, schrikkelijk.
groot, groot, men zegt: in ’t groot, in ’t groot! voor verbazend, ontzaggelijk, veel.
gruwel, gruël, een soort van brei van gepelde gerst met een scheut azijn er in.
gudderig, gidderig, gudderig, beverig.
guilen, göllen, janken (van een hond).
haar, haar, bezittelijk voornaamwoord 3e persoon enkelvoud mannelijk en meervoud. Dezelfde verwarring tusschen ziin, haar en hun heeft ook hier plaats als bij de persoonlijke voornaamwoorden.
hagedis, evertäsken, hagedischje.
hals, hals, keel (soms ook wel kelle).
hals over oren, hals oâver ooren, hals over kop.
halsbrade, halsbraên, varkensrib, zie ook schelharst.
hand, ende, de uitdrukking: bii den ende! beteekent: aan de hand (ze hebben van alles bii den ende).
hanenhout, hanehölter, hanebalken.
hangzolder, hangzolder, galerij in een kerk.
hard, harde, zeer, heel, hoogst (spreek bijna uit: hadde).
heensmijten, hensmiiten, de uitdrukking: ik zal di een endeken hensmiiten, beteekent: ik zal u een eindje wegbrengen.
heidevorst, heedvorsen, de nok van een huis, waaronder inplaats van kalk, heide gestopt wordt.
hellig, hellig, boos, kwaad.
helligheid, helligheid, boosheid.
hemdrok, hemdrok, borstrok.
hen, henne, kip, meervoud huunder.
hersenwater, hersenwater, hersenziekte, ook heufdziekte genaamd.
het, het, persoonlijk voornaamwoord, 3e persoon enkelvoud. Van kinderen sprekend, zegt men van een jongen doorgaans zi, van een meisje hi (dus ook hem voor haar, en omgekeerd). Ook gebruikt men wel eens, ’t zij men van een man, van een vrouw of kind spreekt, het onzijdige het. ’t Is (hij is) in den winkel; ’t is (zij is) ter op oet.
het zij zo, zii zoo, gij hebt gelijk. Dat zal wel zoo zijn.
hierlands, hierlandsch, inlandsch.
hij, hi, persoonlijk voornaamwoord, 3e persoon enkelvoud. Van kinderen sprekend, zegt men van een jongen doorgaans zi, van een meisje hi (dus ook hem voor haar, en omgekeerd). Ook gebruikt men wel eens, ’t zij men van een man, van een vrouw of kind spreekt, het onzijdige het. ’t Is (hij is) in den winkel; ’t is (zij is) ter op oet.
hitteblik, hetteblikken, weerlicht zonder donder.
hoe, who, hoe?
hogen, howen, een soort griep, rondgaande verkoudheid,
hoop, hoope, tehoope, tezamen.
hoos, hoozen, hoâzen, kousen.
horen, zich heuren, behooren, betamen: men zegt: dat heurt zich zoo of zoo nich!
hosmannetje, hosmännekens, zoo noemen de jongens de varkens.
houdvast, hooldevast, behoudend, conservatief.
houwen, houwen, slaan.
hozenjan, hoazen-jenne, (spreek h bijna uit als ch) stumperd, stoffel.
hozenvoeterig, hoazenfudderig loopen, op de kousen loopen, zonder schoenen aan.
hozenvorser, hoâzenföscher, een koopman in kousen.
huid, hoed, ligchaam (pars pro toto).
hun, huune, groote lompe man.
hun, hun, bezittelijk voornaamwoord 3e persoon meervoud
ieder, ieders, in plaats van ieder (zie op den letter s).
ieperon, ipron, een soort van roerdomp.
ij, ij, wordt altijd uitgesproken als lange í. In de uitspraak is dikwerf onderscheid te hooren tusschen ii en ie, in het eerste merkt men alleen de i-klank op, in het tweede die van i met de stomme e.
imker, iemker, bijker, bijenhouder.
imme, iem, bij.
immenschuur, iemenschoere, bijenhok, zie ook op korf - iemenkarf.
impliceren, impliceren, ampliceren, gebruiken, ook ampliceeren.
in, in, tehuis, bijvoorbeeld ’t volk is waal in: de familie is wel tehuis.
ja, jaô, behalve ter bevestiging wordt het ook midden in den zin gebruikt en zeer kort uitgesproken, bijna als jo! Het is even onvertaalbaar als het Duitsche ja! (toch, immers).
jaagband, jaagband, hoepel om mede te hoepelen.
jagen, jagen, rijden.
jeuzelen, jeuzelen, waarschijnlijk jammeren. Ik hoorde eens zeggen dat iemand aan het galpen en jeuzelen geweest was en uit den zin maakte ik op dat de beteekenis moest zijn, klagen, zeuren, jammeren.
jicht, gicht, jicht.
jij, i, persoonlijk voornaamwoord, 2e persoon enkelvoud: doe of i: doe häst, i hebt. Komt het achter het werkwoord te staan, dan heeft er contractie plaats: hästtoe (eigenlijk häst-doe), hästte of hebbi. Wil men doe en i vermijden, dan noemt men iemands naam: zal tante now zeggen as ze hinder hef van de wichter?
jodenboon, jöddenboonen, pronkboonen (ruwe snijboonen met gekleurden bloesem).
jong, jong, in Twenthe wordt altijd aangezegd dat N.N. van een jongen zoon of van een jonge dochter is bevallen.
jong worden, jonk worden, wordt gezegd van geboren worden, bijvoorbeeld dat kalf is 3 weken veur Mei jonk eworden!
jongen, jungsken, junken, jongentje
Jood, Jödde, Jood.
kaas, kazen, de kazen, de klokhuizen in de peren.
kallen, kallen, praten.
kant, kant, men hoort somwijlen: wij zijn wat aan den laten kant, het kind is wat aan den kleinen kant, in plaats van: wat laat, wat klein!
karig, karrig, karig, inhalig.
kasmannetje, kas-männeken, een stukje geld ter waarde van f 0,15.
kateker, kat-eker, eekhoorn.
kawipje, kawöpken, een wipje, sprongetje.
keel, kelle, keel.
keer, keer, draai, hoek, op dien keer van de straat.
keuter, kötter, een klein boertje, dat een of twee beesten houdt.
keuterstee, köttersteêken, (spreek uit bijna als stieken) een kleine boerenplaats.
kiep, kiepe, mand, dien bijvoorbeeld een koopman in eijeren op den rug draagt.
kieps, kips, pet.
kies, koeze, een sukkel. Ook koeze voor kies (zie op zeerte).
kinderachtig, kinderachtig, wordt gezegd van een vrouw, die veel van haar kind houdt en er bijvoorbeeld tegen heeft dat men het in dagen van ziekte van haar verwijdert.
kindsgezind, kindsgezind, wordt gezegd van een vrouw, die veel van haar kind houdt en er bijvoorbeeld tegen heeft dat men het in dagen van ziekte van haar verwijdert.
kistentuig, kistentuug, zondagspak.
klaaien, kläeijen, hard, zwaar werken.
klemmen, klammen, wordt met zich gebruikt, de deur klamt zich!
klodderij, kludderí’je, klein karwei, knutselwerk.
kloen, kloen, bagger, waar turf van gemaakt wordt.
klok, klokke, de uitdrukking: hii is an de klokke ewest! beteekent: hij heeft brand in zijn huis gehad, omdat de klok geluid wordt als er brand is.
klop, kloppe, klöpken, een soort van geestelijke zuster in de R.C. Kerk, die niet in een klooster gaat, maar op zich zelf blijft wonen. Zij heeft een bijzondere kleeding, moet (meen ik) jaarlijks de rente van f 200,- aan de Kerk betalen; zij doet de belofte dat zij ongetrouwd zal blijven, maar kan die belofte later ook weder verbreken. Door de Kloppen wordt het bidden voor de afgestorvenen dikwijls aangenomen.
kloppenbroeder, kloppenbreur, een mannelijke klop (zie kloppe) of geestelijke.
kniezingen, kniezingen, verdriet.
knoeien, knuuijen, sukkelen, vandaar verdanknuuijen = voortsukkelen.
knopen tellen, kneupe tellen, wanneer twee jongens gereed staan om met elkander te vechten, dan roept een derde, om hen op te hitsen, den een wel eens toe: döfste em de kneupe nich tellen.
koe, koei, in het meervoud wordt gezegd koeijes.
koelte, keulte, koude, zie boven koolde en kelte.
koffiesmodde, koffi-smodde, een rond blikken bakje met ijzeren steel, waarin men de koffij even op het vuur laat doorkoken, voordat men ze in kan of ketel doet. Ook wel zettertjen genaamd.
kooi, kouwe, kooi.
koop, koop, te koop: ik heb er niets over te koop = ik heb er niets in te zeggen, niets mede uit te staan.
kopen, koopen, wordt soms zeer teregt gebezigd in plaats van nemen. Men zegt: wii wilt ons een borrel, een flesch wiin koopen!
korf, korf, korfken, mand, mandje. Men spreekt het soms uit als karf, ook een bijenkorf = iemenkarf.
kostganger, kostganger, iemand, die bij een ander geheel in huis is.
kou, koolde, koorts, vandaar heufdkoolde = koorts in het hoofd.
kou, kelte, verkoudheid.
kribbig, kribbe, vlijtig, ijverig (bij het werk).
krijten, kriiten, huilen, schreeuwen: zie op terminen.
kronenzomer, krönnenzommer, (spreek de eerste o uit bijna als korte u. De tweede als in zwom) nazomer.
krop, kroppe, men spreekt van iemand die nich zuuver in de kroppe is, die niet zuiver in de borst is.
kruikar, kruukar, kruiwagen.
kruimen, kroemen, ergens nog iets bijvoegen, om iemand tevreden te stellen, die meent dat hij te weinig krijgt.
kuieren, kuijeren, praten.
kuiken, kuuken, jong varken (zie schinke).
kuikenschenk, kuukenschinke, de ham van een jong varken.
kuip, kuven, kuip, tobbe.
kuis, koeze, knuppel.
kundig, kunnig, gaauw bekend met, kunnig op de menschen, iemand die, wanneer hij de menschen eens gezien heeft, ze terstond weer kent; zoo ook kunnig op den weg!
kundigheid, kunnigheid, kennis, ik heb er geen kunnigheid an!
kunnen, können, men zegt: hi hef in den laatsten tied ook nich ekönd, hij is in den laatsten tijd ook niet wel geweest.
kwaadzinnig, kwaôdzinnig, driftig, toornig.
kwalmen, kwalmen, walmen (van een lamp, van een oven).
kwarteltje, kwartelken, een onderkinnetje.
laks, laks, sukkel.
lang, lang, lang maken, zich, zich veel moeite geven voor iets.
lap, lappen, men zegt: nich op de lappen! = niet goed in orde.
lastig, lestig, ruim, overvloedig. Dit woord wordt altijd in ontkennende zin gebezigd: van het hooi zegt men: ’t is van ’t joar niet lestig. Van een zieke: ’t is met hem niet lestig.
leerbrief, leerbrief, een papiertje met kermisliedjes.
leggen, zich leggen, zich ergens bij neerleggen, aan iets onderwerpen. in een anderen zin: as ’t vaak te laat mogt worden, dan leggen wí’j ons op de spoor.
leiding, leiding, aanwijzing, wenk! ne leiding geven.
leipen, leipèn, griffel.
leng, lenge, het stuk goed, dat boven aan de boezelaar zit.
leren, leeren, wordt wel eens voor lezen gebruikt: ik zat in dat boek te leeren. De Roomschen bezigen het ook voor bidden.
lever, laever, lever. Men zegt: iets op de laever hebben, inplaats van: iets op ’t hart, iets te zeggen hebben.
lezen, leus, las (onvolm. verl. tijd lezen) verg. zeug (zag).
licht, luchte, lantaarn, in het Groningsch zegt men: schiinvat.
lichtvaardig, ligtveerdig, ligt. ’t Kan ligtveerdig gebeuren!
liefhebben, liefhebben, men zegt: onze lieve Heer hef hem zoo liefehad, n.l. dat Hij hem tot zich nam.
lijdbaar, lieber, tenger.
lijdens, liidens, zeer, hoogst. Liidensvölle, zeer veel of liidensgeern, zeer gaarne.
lijken, ’t lad, het lijkt, men zegt: ’t lad zoo stiif, het lijkt zoo stijf.
lijmgarde, liimgerden, dunne stokjes om vogels te vangen.
lijnhout, liinholt, liniaal (verg. strekkel).
lodderig, loederig, loom en lui (van de warmte).
los, los, wordt gezegd van gras, als het gemaaid en nog niet binnengehaald is (we hebben ’t hooi los liggen), vergel. op dale. Men spreekt ook van een losse verkeering, een tijdelijke vrijaadje.
loshoesten, loshoesten, men gebruikt de uitdrukking: die kan loshoesten! om te kennen te geven dat iemand het goed kan doen.
lutje, een luk, een beetje; b.v. kuijer een luk, praat een beetje.
maagd, maerken, meisje.
maaltje, maôlken, maaltijd, feestje.
maken, maken, van een zieke zegt men: hi maakt et nich. Hij komt er niet weder bovenop. Hij gaat er mêe.
manks, manchs, (spreek uit mangs) tusschenbeide.
markt, markt, wordt als onzijdig beschouwd: op het markt, wanneer gedacht wordt aan het plein waar markt gehouden wordt.
mars, marsken, troepje: ’t heele marsken.
meelbuil, maelbule, meelzak.
meers, morsch, moeras.
melde, melle, luis (op de bladeren van bessen, perzikken enz.) ook de zwarte luisjes op tuinboonen.
memorie, memorie, besef, bewustheid.
meuten, meuten, tegenhouden: als men een kwaden hond tegenkomt, roept men zijn kameraad toe: meutem!
middel, middelen, onder de middelen nemmen = iemand onder handen nemen, hem de les lezen.
midwinter, Middewinter, Kersttijd, in tegenstelling met het Engelsche Midsummer, den 25 Junij.
mierenstrootje, mierenstreuken, een dun strootje om pijpen door te steken.
mijmeren, miimeren, over iets miimeren, over iets nadenken.
mijn, mie’j, miin, bezittelijk voornaamwoord 1e persoon enkelvoud. Met nadruk zegt men: miin!
mijt, mite, hoop. Men zegt het niet alleen van hooi, zegt ook ’ne mite steenkollen.
mistroostig, mistreustig, verdrietig, bedroefd.
miszaken, miszaken, ontkennen, loochenen, bijvoorbeeld dat men iets gehad heeft.
moedwil, moedwil, ondeugendheid.
moedwillig, moedwillig, ondeugend.
moeite, muite, moeite.
moes, moes, boerenkool.
mogen, mogen, wordt in bijzonderen zin gebruikt: men zegt: dat mag ik niet, als men bedoelt: dat staat mij tegen! Dat doe of dat eet ik niet gaarne (vergel. durven.)
mondje vol, mundjenvol, slokje. Men zegt van iemand: hie hold wâ van een mundjenvol!, om te kennen te geven, dat hij wel eens teveel drinkt.
montuur, montoere, kleeding. Eens hoorde ik zeggen: wi wilt ’em de frissche montoere now is aantrekken, voor het doodkleed.
mopperen, mopperen, morren, pruttelen.
mot, mot, zeer, wanneer van een zieke gezegd wordt dat hij mot slecht is, dan beteekent dit dat het heel min met hem is.
Munsterse knijf, Munstersche knief, Munstersche jenever (vergel. foezel).
naast, neuchst, (spreek eu uit als ui, doch zonder de i-klank) naast.
nabuur, naôbers, buren.
nagel, nagel, spijker.
nedendeur, niindeur, de groote deur aan een boerenhuis, waar men met den grooten wagen inrijdt.
nergens, nivers, nergens.
net, net, knap, oppassend: nen netten jongen, een jong mensch, op wiens leven niets te zeggen valt.
neulen, neulen, (spreek uit als ui, doch zonder i-klank) zaniken.
neutelig, neutelik, verdrietig.
niemand, nums, niemand.
niet, nich, niet.
nodigen, neugen, noodigen, vandaar broedsneugers, twee mannen, die met versierde petten rond gaan om de bruiloftsgasten te noodigen.
nodigkopje, neugkopjen, een laatste kopje, dat men op sterken aandrang nog genomen heeft.
noest, eust, oost, noest in het hout, is hiervan afkomstig de uitdrukking: veur den oost = tevergeefs?
nuchter, nuchteren, daôr bliiv i nuchteren bí’j, zegt men tegen iemand die gaarne iets zou willen hebben, maar het niet kan krijgen.
ogenslag, oogenslag, oogenblik (bijvoorbeeld een oogenslag werk).
ombuiten, ummebuten, omruilen.
ommezien, ummezien, in een ummezien = in een ogenblik.
omsgelijks, umgeliik, (wordt soms uitgesproken umpgeliik en umsgeliik) ligt, men zegt: ’t kan umgeliik gebeuren.
omsmijten, ummesmieten, wordt gezegd van een mol, als hij sterk aan werken is. Zich ummesmieten = omkeeren op den weg.
onbandig, onbendig, uitbundig, ook wel eens onmundig.
onbeidig, onbieîg, ongeduldig (als iemand pijn heeft).
onbesmet, onbesmet, zonder hypotheek.
onboel, onboel, een vreeselijke boel.
ondoemelijk, ondeumelijk, in hooge mate, of beter onbetamelijk.
onfris, onfrisch, niet versch (zie op frisch).
onmondig, onmundig, lomp, onbeschaafd, ook onzettend, verbazend.
onnoder, onnoër, onzindelijk.
ons, ons, bezittelijk voornaamwoord 1e persoon meervoud
ontdacht, ontdacht, ontschoten, dat was mí’j ontdacht: dat had ik vergeten.
onverschillig, onverschillig, onverschillend, inplaats van verschillend, ’t is al heel onverschillig = ’t verschilt veel.
onwetend, onwetten, lomp.
onwijs, onwiis, onwies, wordt gebezigd om iets zeer sterks uit te drukken, onwies mooi, onwies hard jagen (rijden); lomp, wild, men zegt ook: en onwies dik.
onzalig, onzelig, vuil.
onzien, onzuun, onzindelijk (wordt van dieren gebruikt).
onzuinig, onzoën, armoedig.
opbrengen, opbrengen, grootbrengen, opvoeden.
opgaren, opgadderen, opzamelen (zie op gadderen).
oppotten, oppotten, opzetten van kegels.
oprukking, oprukking, kortstondige, voorbijgaande beterschap bij een zieke, ook een vleugjen genaamd.
opstellen, opstellen, uitstellen.
opsuikeren, opzukkeren, roeren in het glaasje om de suiker boven te brengen.
opzeggen, opzeggen, afzeggen.
oud, oold, oud.
over, oâver, in plaats van toe: tut twiemaôl oâver, inplaats van tot tweemaal toe!
overleden, overleden, wordt geplaatst achter het zelfstandig naamwoord waarbij het behoort: mijn vader overleden, mijn vrouw overleden.
pan, panne, de uitdrukking an de panne beteekent: te koop. Alle verkoopingen worden vooraf bekend gemaakt door iemand, die met een (pannekoeks?) pan rondgaat, vandaar: as dat hoes nog is an de panne kump!
panvogel, penveugelken, kapel, vlinder.
pap, pap, brei.
parforce, profos, brutaal, nen profossen kerl!
parool, parool, vast, geregeld, zeker.
partij, patti, sommigen (parti) men zegt: patti menschen.
patrijshoen, triishoender, patrijzen.
peg, pegge, [houten pen.]
peterselie, pieterselderie, peterselie, men zegt selderie en pieterselderie.
pieren, pieren, beetnemen.
pingelen, pingelen, knibbelen.
platbarrevoets, platje baars, barre of bloodsvoets.
pleziervolk, pleziervolk, logés.
plicht, pligt, last. Van een zieke die veel pijn heeft door te staan, wordt gezegd: hi hef nen zwaôren pligt. Wi hebt onzen pligt wâ = wij hebben ons deel wel van de aardsche zorgen. De pligt van den eenen is zwaôrder als die van den ander. In dien zin spreekt men ook van onzen pligt drägen.
plunderij, plonderí’je, boêl, rommel, zie verplonderen.
poesten, poesten, blazen, bijvoorbeeld in het vuur.
poester, poester, blaaspijp bij het vuur.
poort, peurtjen, hekje (houten of ijzeren).
post, pöste, van iemand die niet veel uitgaat, zegt men: hi blif bí’j de pöste.
potjesstruif, pötjenstruuf, een soort van brei, voornamelijk samengesteld uit zoete melk en meel.
prever, praewer, draadnagel, in figuurlijke zin wordt het gebezigd van een saaijen, taaijen man.
prijswaardig, prieswerdig, goed voor het geld.
proester, proster, een ontevreden pruttelaar.
proever, preuver, dronkaard, men zegt: hi hef weer epreufd! hij heeft weer teveel gehad.
pruimpje, proemken, iemand wien het heel naauw steekt (?)
punteneurig, ponteneurig, kittelig, ligtgeraakt.
put, patte, mesthoop.
putbus, put-bus, de balk, waarop de putscheere rust.
puts, poes, blikken gieter (over de grenzen spruutze).
putscheer, put-scheere, de dwarsbalk boven de put, die in evenwigt hangt.
raak, raak, naô raak = zóó dat het raak was, bijvoorbeeld ’t was naô raak (geweldig) an ’t règenen.
raaskloot, raôskloot, bromtol.
razen, raôzen, knorren (ligt maar niet langer te roâzen!) roâzen met iemand = iemand beknorren. Ook wordt het gebruikt van water, dat nog niet kookt, maar alleen zingt: ’t raost al!
rebellie, rebullie, lawaai, standje.
recht, regt, men zegt: da’s regt! voor dat is waar, ’t is zoo!
rechter, regter, kantonregter.
rechtevoordig, regtevoordig, regtevoord, tegenwoordig.
rechttoe, regt-toe, gewoonlijk (anders as regt-toe = anders dan gewoonlijk.)
reder, reijder, een fabrikant.
reedkamer, reijdekamer, een kamer waar de wevers hun stukken inbrengen, als zij gereed zijn.
reis, reize, ’n reize, een keer.
rekening, rekkening, men zegt: ik heb waal in de rekkening (ik verwacht wel) dat er raegen kommen zal.
ribbenlijk, ribbenliik, wordt gezegd van iemand, die gezet of tenminste goed gevuld is. Daartegenover staat iemand die zoo mager is, dat men zijn ribben kan tellen.
rietkamer, reetkamer, een kamer waar het riet voor de wevers wordt gemaakt.
rij, riege, eigenlijk rij, reeks, men zegt: nich in de riege, van iemand, die niet wel is.
roekeloos, reukeloos, plotseling, onverwacht, ’t is hem reukeloos anegaôn. Hij is in eens ziek geworden. Elders zegt men ruggelings.
roes, roeze, in de roeze, in het wilde.
roezen, roezen, een slag er naar slaan
roos, roose, koude, rooze in de hoed = koude in het ligchaam.
ruierij, reujerí’je, uitslag.
ruit, roet, onkruid.
rups, roepe, rups.
rus, röschen, biezen.
sch, sch, wordt doorgaans duidelijk uitgesproken.
schadde, schadden, plaggen.
schelharst, schelharst, varkensrib, zie ook halsbraên.
schenk, schinke, ham.
schieuw, schu, vogelverschrikker.
schimmetje treden, schemken-traên, een spel in de maneschijn om op zijn eigen schaduw (schem, schim?) te loopen. Vergis ik mij niet, dan hoorde ik het eens gebruiken voor ons streepje loopen.
schob, schupken, een bergplaats, schuurtje.
schoer, schoer, bui, donderbui.
schop, schuppe, schop, spade.
schotelmaal, schöttelmaôl, een feest of partijtje met warm eten; eigenlijk een maal, dat de boer geeft, als hij ergens in de buurt komt: de buren worden daarop genoodigd en moeten dan allen het een of ander meebrengen.
schuiverij, schoeverí’je, kloppartij, als er een paar aan het vechten zijn, dan dringen de omstanders zich op hen, de vechtenden worden daardoor gedrongen elkander met meer woede aan te pakken.
siepel, cipels, uijen.
sikkeneurig, sikkeneurig, vitachtig.
slaterdoos, slaterdeuze, slofhak, slordervos.
slauw, slauw, laauw.
slecht, slicht, eenvoudig weg.
slecht, slecht, slechte bienen = open beenen. Van een zieke: hi wordt slechter, ’t gaat met hem achteruit.
slechtweg, slichtweg, eenvoudig weg.
slof, slow, vochtig (Zaansch: dof).
slok, slok, (spreek o uit als in hok) zwak, slap.
slokte, slokte, zwakheid.
sloof, slucht, slöch, een ruwe schort.
smeteweegs, smet-weg, smiit-waeg, nen smetweg of = een steenworp ver.
smeugel, smeuêgel, een snaak, een olijk ventje, ook wel eens in den zin van een bedrieger.
smijten, smiiten, eigenlijk werpen, wordt in vreemde beteekenissen gebruikt, zie op hensmiiten, ummesmiiten en dale.
snaps, snaps, borrel.
snig, snigge, slak.
snijder, sniider, kleedermaker.
snoeien, snöeijen, snuuijen, stelen.
spekharst, spekhäs, een stuk gebraden spek (in pannekoek bijvoorbeeld)
spiegelen, spiegelen, glimmen, een bien, dat spiegelt van dikte.
spier, spier, spierken, beetje, geen spier of spierken, hoegenaamd niets. Een spier in ’t glas, een beetje sterke drank.
spijker, spiiker, schuurtje, bergplaats achter het huis.
spinnenkoppenjager, spinnekoppen-jager, ragebol, glazenwasscher.
spinstoom, spinstoom, stoomspinnerij.
spradde, spradde, deugniet (ook van dingen, die geen innerlijke waarde hebben.)
spreken, sprekken, als zelfstandig naamwoord, daôr hê’k al wâ sprekken van eheurd of wii wilt er gien sprekken van hebben.
spuwen, spi-jen, (korte i), spuwen, overgeven.
stadig, staodig, gedurig, staodig an = telkens weêr.
steekdegen, stekkedeer, kwaadstoker.
steenweg, stienweg, straatweg.
stek, stikken, jonge boomen, bijvoorbeeld elzenstikken, wilgenstikken.
sterfelijk, sterfelijk, op sterven, heel gevaarlijk. Van een zieke wordt gezegd: hi is wel slim maar toch niet sterfelijk.
sterk, sterk, zich te sterk maken, meer doen dan men eigenlijk kan.
sterke, sterke, een jonge koe.
stoer, stoer, zwaar, moeijelijk, bijvoorbeeld nen stoeren dag.
stoet, stoete, stuutjen, verkleinwoord, brood van de beste, uitgebuilde rogge.
stoetbrugge, stoetenbruggen, boterhammen daarvan, de tractatie op een boerenbruiloft.
stoken, stokkeren, stoken.
stomp, stomp, op stomp, het omgekeerde van kunnig (zie aldaar).
stompvoet, stopvoet, een paardevoet, stompje.
stoom, stoom, inplaats van stoomfabriek, hii is op stoom: d.i. hij werkt in de fabriek (niet in huis).
stoomtouwtje, stoomtöwkens, weefgetouwen, die door stoom in beweging gebragt worden, tegenover de hand-weefgetouwen.
stootkar, stötkar, (spreek bijna uit als stutkar) boerenkar zonder veeren of riemen. Men zegt ne stötkar vol = een heele hoop.
stop op, stop-op, schoon op.
stoppelhaan, stoppelhanen, een feest na den oogst.
strabant, strabant, wat brutaal, en assurant, een haantje de voorste.
straffen, straffen, in den zin van ontkennen. Dat straf ik nich, voor: dat ontken ik niet.
stratenjammer, straotenjammer, een mager, schraal persoon.
strekkel, strekkel, liniaal.
strekkelen, strekkelen, liniëren.
strijkhoutje, striikhöltjen, lucifer.
stukkuieren, stuk-kuijeren, uit het hoofd praten.
tas, tas, kop, bijvoorbeeld een tas koffi.
teerachtig, taer-achtig, teringachtig.
tegen, tegen, op de hoogte van bijvoorbeeld toen N.N. tegen het bosch was gekomen (op de hoogte van ’t bosch).
tekst, tekst, den tekst hebben op iemand of iets = het op iemand of iets gezet hebben.
telder, teller, tafelbord.
telg, telgen, jonge eiken. Van eikenstikken (zie op stikken) heb ik nooit horen spreken.
termijn, terminen, stuipen, vandaar kriitende terminen = schreeuwstuipen.
terugblijven, teruggebliiven, uitblijven, dat kan nich teruggeblieven, dat moet natuurlijk gebeuren.
tijd, tiid, de tiid deur = bij voortduring, dag aan dag.
tijdverveling, tiidverveling, verveling.
tijgen, ti-’jen, tijgen, trekken.
toe voortaan, toeverdan, mettertijd.
toebrengen, elkander toebrengen, wordt in den eigenlijken zin gebruikt van twee personen die uit een glaasje drinken, wie het teruggeeft, moet het eerst opzukkeren (zie aldaar), men zegt ook: elkander toebrengen, voor elkander tracteren.
toen, tow, toen.
toffel, tuffels, wordt nog een enkele keer gebruikt voor aardappels, vooral in Borne.
tomig, teumig, ledig, werkeloos. teumig gaan lediggaan, niets te doen hebben.
tred, trad, stap.
treuten, treuten, toeten, blazen, vandaar treuter = een trompet.
troniën, tronieën naar, gelijken op.
troost, trooste, men zegt: nich goed bii trooste, niet goed bij zijn verstand, simpel.
tuigen, tuën, tugen, men zegt: dat kan ’k nich tuën, dat kan Bruintje niet trekken; dat is mij teveel.
tuit, toeten, een papieren zak.
tuit, tuten, punt, eind, men zegt bijvoorbeeld ik mut nog naô deezen tuten; alle tuten rond in alle hoeken, overal.
tuk, tuk, zak.
tukdoek, tukdoek, zakdoek.
tumen, teumen, lediggaan, niets te doen hebben.
tuttelen, tuttelen, zeuren, iets niet flink aanpakken.
uitpoesten, oetpoesten, uitblazen (zie op poesten).
uitstukken, oet-stukken, de kast uitvegen, de les lezen, bijvoorbeeld ik hebbem naê raak oet estukt!
ulk, ulk, bunzing.
uw, oe, bezittelijk voornaamwoord 2e persoon meervoud
vaak, vaak, wordt gebezigd voor soms: men zegt: zou hij vaak ook iets willen hebben of doen?
vaardig, veerdig, gereed, klaar, in orde.
vals, valsch, hard, namelijk valsch loopen = hard loopen, van een paard: ii löp valsch.
varen, varen, rijden, bijvoorbeeld turf. Zie ook gevaar.
vast, vast in den mond, wordt gezegd van een zieke, die nog hard blijft spreken, al loopt het op het laatste.
vastkoppig, vastkoppig, goed van geheugen (van een jongen: het blijft er bij hem in als hij iets geleerd heeft.
vedder, vetter, neef.
veld, veld, heide.
veldgrond, veldgrond, heidegrond.
ven, venne, een klein meertje in de heide.
veranderen, veranderen, men zegt: dat verandert! in plaats van: dat is iets anders.
verbrand, verbrand, zoo wordt iemand genoemd wiens boedel verloren is. Tijdens den brand van Enschede konden al de verbrande menschen moeijelijk onder dak komen. Ik hoorde eens zeggen: toen ik zoo oud was, ben ik met mijn broêr totaal verbrand.
vercijnsen, verziizen, betalen, men zegt: ik kan ’t nich verziizen.
verdestrueren, vertesteweren, vernielen.
verdoen, verdoen, verkwisten, ondeumelijk verdoen = zeer verkwistend.
verdold, verdold, vermolmd (van hout) ook van tanden en kiezen.
vergasten, zich vergasten, teveel eten.
verhennekleden, verhennekleeden, iemand het doodkleed aantrekken.
verhit, verhet, iemand die zich plotseling verkoeld heeft, terwijl hij bezweet was.
verhitting, verhetting, de ziekte, die het gevolg is van plotseling verkoelen, na bezweet te zijn.
verkeren, verkeeren naar, (Zaansch: verkeeren toe), vrijen.
verkering, verkeering, vrijaadje.
verkerkenspraakt, verkerkespraôkt, afgelezen bij de kerk, een uitdrukking, ontleend aan de gewoonte om aan het einde der godsdienstoefeningen bij de kerken het nieuws af te kondigen.
verkeuring, verkeuring, verkiezing. Ikke veur mí’j heb er gien verkeuring in.
verkomen, verkommen, met iets in de war komen, geheel onder iets bezwijken.
verkondigen, verkundigen, wordt gezegd van een huwelijk. Het trouwen moet twee Zondagen achtereen verkundigd worden.
verkuiering, verkuijeringe, afleiding.
verluiden, verluiden, (spreek uit verloeden), de klok luiden als er één dood is (men zegt: vanochtend is N.N. verloed!)
vermainteneren, vermanteneren, handhaven.
vernemen, vernemmen, bemerken.
veronzeld, veronzeld, vervuild (vergel. onzelig).
verplakken, zich verplakken, zich verbinden aan, een verbintenis aangaan met.
verplunderen, verplonderen, verpakken, versjouwen.
verschot, verschot, bij verschot = om of bij beurten, niet tegelijk.
verspelen, verspelen, (spreek uit verspöllen), verliezen, men zegt: ik heb in de veurige maond miin vader verspöld (door de dood verloren).
verstaan, zich verstaan, men zegt: dat verstiet zich = dat spreekt van zelf.
verstinken, verstinken, ik hoorde eens zeggen: ’t is toch zoo lastig, as iemand ’t etten in de maage verstinkt.
vertrouwen, vertrouwen, inplaats van gelooven, bijvoorbeeld ik vertrouwe, dat etc. voor: ik denk, ik houd het er voor, dat.
verzetting, verzetting, hypotheek.
vet, vet, wordt gezegd van het weder: zoel, mild.
vijzelaar, viizelder, proviser.
vinnig, vinnig, hevig.
visite, vesite, men zegt: dat zol ’ne mooije vesite waezen, voor, dat zou wat moois zijn.
vleeg, vlaege, mak, gedwee.
vleugje, vleugjen, zie oprukking.
vloeken, vlökken, vloeken, etteren(?)
vlug, vlugge, goed in orde, gezond (nich iesselik vlugge).
voering, voering, men zegt: die hêf wel wat in de voering, voor die kan het wel doen, die zit er warm bij.
voetje klauwen, vuutjen klauwen, iemand ’t vuutjen klauwen, iemand naar den mond praten.
volk, volk, familie.
vooreinde, fruir-ende, het begin van een stuk geweven goed, dat doorgaans wat ongelijk en minder effen is, en dus maar weinig waarde heeft.
voortaan, verdan, (spreek uit vurdan), verder, voort (ook in samenstellingen met werkwoorden.).
voortaanknoeien, verdanknuuijen, zie op knuuijen.
voortmeesteren, vurt-meisteren, door medicijnen wegmaken. Hi hef de koolde vurtemeisterd = hij heeft de koorts afgenomen.
vort, vot, (o uitspreken als in vochtig), weg (d.i. vort, voort).
vragen, vrugte, vroeg (onvoltooid verleden tijd van vragen).
vredegerecht, vredegeregt, kantongeregt.
vrederechter, vrederechter, kantonregter.
vreetmaal, vretmaôlken, een eetmaal, diner.
vriezen, friezen, ’t friest hem zoo = hij is zoo kouwelijk.
vriezig, friezig, kouwelijk, ook wel frodig.
vuil, voel, slim, in meer dan ééne beteekenis: men zegt van een kind, dat vlug is en gaauw leeren kan: ’t is een voel aôs! Van iemand, die de gelegenheid om zich te bevoordelen, altijd weet waar te nemen en niet altijd te vertrouwen is: ’t is nen voelen kerl. Ook hoorde ik eens zeggen: een voelen zet! voor een slag die zwaar te dragen was.
vuisten, voesten, elkander de hand geven.
waar, waôr, ergens.
wacht, wacht, de wacht aanzeggen = waarschuwen.
wachten, wochten, wachten.
waren, zich waren, oppassen. Hij heeft zich niet gewaard = hij is niet voorzichtig geweest.
wassen, wassen, zie op groeijen.
wat, wat, sommige, bijvoorbeeld wat zeggen zoo, en wat heel anders!
weem, weem, wemme, oud woord voor pastorie.
weemgaarde, weemegaarden, wemgoarden, (eigenlijk pastorietuin) een stuk land in de onmiddellijke nabijheid van Hengelo.
weerborstel, wierborstel, iemand die het gedurig met iedereen aan den stok heeft en met wien dus geen land te bezeilen is.
wel, wel, (spreek uit waal of wa) wordt soms zeer overtollig gebruikt. Waar is hij? Hi is wâ in ’t hoes, of in den hof.
welig, wellig, welig.
welk, wel?, vragend voornaamwoord: wel? voor wie?
werk, wèrk, ’t is nog zoo ’t oolde werk, d.i. het blijft nog op dezelfde hoogte.
weten, wus, wist bijvoorbeeld dat wus ik nich = da wist ik niet.
wicht, wichtjen, kindje. wichter kinderen.
wijdluftig, wiidluftig, van een gemeente, ver uit elkander wonend, uitgebreid.
wijs worden, wiis worden, vernemen: in de uitdrukking: dat bin ’k gisteren eerst wies eworden: dat heb ik gisteren eerst gehoord.
wijvenmaal, wiivenmaôl, vrouwenvisite.
wijzemoer, wiize-moêr, vroedvrouw.
wikken, wikken, voorspellen, men zegt: dat wi ’k oe wikken! daarmede bedreig ik U!
wiks, wiks, schoensmeer.
wil, wille, pleizier. Men zegt: daôr heffe dan wille an! en wi hebt zoo’n wille ehad!
willig, willig, speelsch.
willigheid, willigheid, speelschheid, dartelheid bij kinderen die niet veel lust in leeren hebben.
wis, wisse, zeker. Da’s wisse = dat is zeker. Ook in den zin van verstandig. Nich regt wisse = niet regt bij zijn verstand.
woensdag, goosendag, woensdag.
woest, wuust, (spreek uit weust), wordt in bijzonderen zin gebezigd: nen wuusten pot, een pot zonder vleesch of vet (waarmede men zich in schralen tijd maar tevreden moet stellen).
woner, wonner, (spreek uit wönner), iemand die bij een boer inwoont, ook al heeft hij zijn eigen huishouden. Een wonner is altijd een huurboer.
worstelen, worstelen, wordt in bijzonderen zin gebruikt: we hebben wat te worstelen (wij hebben wat moeite) om rond te komen. Ook wordt het wel eens voor sukkelen gebezigd.
worstelen, froesselen, worstelen, vechten uit gekheid.
wringing, wringingen van binnen, zielesmart, strijd en moeite.
wroet, vruute, mol.
wurgen, wörgen, braken.
zaadzaam, zaôdzaam, (verzadigend) iets waarvan men spoedig genoeg krijgt, niet alleen van spijze, maar ook in overdragtelijken zin, als van het ziek te bed liggen.
zeerte, zeerte, pijn, men spreekt van heufdzeerte (hoofdpijn) liifzeerte (pijn in het lijf), koezezeerte (kiespijn).
zetten, zat, de verleden tijd van zetten is ik zat. Het verleden deelwoord ezat.
zetter, zettertjen, zie koffi-smodde.
zich, zich, wordt soms voor elkander gebruikt: die honden bijten zich (voor elkander): die beide jongens hebben zich geslagen = met elkander gevochten.
ziekte, ziekte, wanneer van de ziekte gesproken wordt, bedoelt men altijd den typhus, vroeger in Hengelo, de Oldenzaalsche ziekte genoemd.
zien, zeug, zag (onvolmaakt verleden tijd van zien).
zij, zi, persoonlijk voornaamwoord, 3e persoon enkelvoud. Van kinderen sprekend, zegt men van een jongen doorgaans zi, van een meisje hi (dus ook hem voor haar, en omgekeerd). Ook gebruikt men wel eens, ’t zij men van een man, van een vrouw of kind spreekt, het onzijdige het. ’t Is (hij is) in den winkel; ’t is (zij is) ter op oet.
zijn, zien, ziin, bezittelijk voornaamwoord 3e persoon enkelvoud vrouwelijk. Dezelfde verwarring tusschen ziin, haar en hun heeft ook hier plaats als bij de persoonlijke voornaamwoorden.
zin, zin, in ’t zin hebben = voornemens zijn.
zitten, zitten, wanneer men elders zegt: het kan er niet af, dan zegt men hier: ’t zit er nich an!
zitting, zitting, plaats in de kerk.
zoetekauwer, zuutekaauwer, iemand die veel van zoetigheid of lekkers houdt.
zoveel, zoovölle, zooveel, wordt zeer overtollig gebezigd. In plaats van: mijn vader, zegt men: dat zoovölle als mien vader is (of was, als hij dood is) enz.
zucht, zucht, ongesteldheid: ’t is zucht, die hem naô de bienen trekt.
zuchtig, zuchtig, ongesteld.
zuipen, zoepen, klaargemaakt eten voor dieren (varkens en kalveren).
zulle, zulle, drempel.
zuur, zoer, moeijelijk: ’t valt ons zoer! men zegt: zoer weer = vochtig, koud weer.
zwengel, zwengel, de stok, waaraan de puthaak zit, waarmede de emmer wordt opgehaald.
zwepig, zweppig, wordt gezegd van iemand, die heel lang is en dientengevolge wat gebogen gaat (als een zweep).
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal