elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)

-ing, -ing*, (bldz. 529), vgl. en * (bldz. 517); deze uitgang, hoewel in de meeste gevallen door en vervangen, vervalt soms geheel, nml. in de woorden op “-ening” en “-eling”, bvb. “reken” en “tijken” (teekening), verder o.a. in kroakel = krakeling, an de wandel (= wandeling). wezen = aan het wandelen zijn; vergel. omgekeerd steigering .
-weer, -weer, als uitgang van plaatsnamen, kan het oude woord “were” zijn, dat vischvijver of ook dijk of waterkeering beteekent; zie R. K. Driessen, Monumenta Groningana, bladz. 70 en 245, alwaar oorkonden uit de jaren 1285, 1309 en 1364 zijn afgedrukt; vgl. ook ʼt woord: zeewering, alsmede “weer” (3) bij v. Dale.
-wegen, -wegen, (in samenstellingen) = -wegens*; vergel. veulderwegen *.
a, a*, (bladz. 494): het gebruik van deze letter inplaats van de e blijft in Overijsel ook den zeer beschaafden vaak levenslang bij, maar de a klinkt daar nooit al aa, gelijk in sommige streken van onze provincie. Omgekeerd wordt in Overijsel de a vaak tot eene eenigszins gerekte e, bvb. in wêrm = warm, enz. Nog valt op te merken, dat, terwijl men menigmaal staark hoort voor: stark, en waarm voor: warm, enz., het omgekeerde plaats heeft bij start (steert) = staart, en Marten (Meerten) = Maarten. Ook het Duitsch heeft soms a in dezelfde woorden als het Groningsch, doch in andere gaat die letter in i over, of de e blijft, als in ’t Nederlandsch: Groningsch / Nederlandsch / Duitsch: stark / sterk / stark; klap / kleppe / Klappe; varf / verf / Farbe; kaspel / kerspel / Kirchspiel; bark / berk / Birke; kars / kers / Kirsche; trachter / trechter / Trichter; barg / berg / Berg; harst / herfst / Herbst; starven / sterven / sterben
aaltrekkerij, oaltrekkerei*, (bl. 546), Nederlandsch: palingtrekken.
aan, an*, (bldz. 496) vgl. bakkeran *: vgl. verder om -an * (bl. 297) en om en an * (bldz. 549), alsmede “aankunnen” bij v. Dale. Zie ook: an -tou en vōrt *. – Ook = ’t Nederlandsch “in”, bvb. in: ’k heb d’r gijn oarighaid (of zin) an, doar heigeliek an (en omgekeerd: in de proat hollen); zoo ook in: zok tegenanzetten, Nederlandsch zich tegeninzetten = van zich zetten of zich er overheenzetten, vgl. ofstellen * (bl. 548). Zie voorts: an wezen en: op zitten , alsmede angoan * (ook de aanteekeningen.)
aan toe, an-tou, tot, bvb. an acht uur tou op ber leg’n; soms ook alleen an: wie zellen moar wachten an Moandeg, of ook: an Moandeg tou wachten; vergel. toavend *.
aanbeteren, anbeteren*, meestal in de uitdrukking: mooi anbeteren. Ook bij v. Dale: aanbeteren.
aanbieden, anbóden, bvb. in de uitdrukking: ’t wordt ijn nijt ijder dag anbóden; vergel. toulangen *.
aanbrengen, anbrengen*, ook = opleiden, africhten, geschiktmaken, bvb. een jong dienstmeisje; ook Nederlandsch, vergel. opbrengen.
aanduiken, andoeken*, vergel: doeken .
aangaan, angoan*, ook in: wat geit die an? (vgl. ankomen *) = wat scheelt je? (ook Nederlandsch) Verder = overgaan van een bel: schel is nijt angoan. – Met de betekenis van “ingaan” vergelijke men ’t Nederlandsche woord: aanloopen. Ook beteekent het “gebeuren”, “beginnen”, enz. in: ’t ken nog krekt angoan = er is nog juist tijd genoeg voor, mör’n zel ’t angoan. Vergel. bldz. 515 I reg. 38 v. b. en het begin van Hooft’s Nederlandsche Historiën, alwaar het aanvaarden of beginnen beteekent. Meestal wordt het onovergankelijk en gewoonlijk onpersoonlijk gebruikt, vooral in de beteekenissen: beginnen, gebeuren, gelukken, doorgaan, zijn beslag krijgen, gesloten worden (van een koop), tot uitvoering geraken. Vergel. de onvergankelijke beteekenis bij Hooft en die van: een huwelijk enz. aangaan. In de uitdrukkingen betreffende ’t beginnen van een kerk of van een school is het Nederlandsch en komt bij v. Dale voor onder “kerk”; bij verkorting zegt men “de kerk is aan”, evenals schoul is in.
aangereed, anred*, vgl. ijgenred * (ook de aanteekening.)
aangeven, angeven*, (bldz. 9): ook bij v. Dale, onder “geven.”
aangloeien, anglennen, beginnen te gloeien, Nederlandsch: aanglimmen of aangloeien; vgl. glen *.
aanhalen, anhoalen*, ook in: d’r is gijn anhoalen an = het Nederlandsch: er is geen aankomen aan.
aanhouden, anhollen*, ook = duren, in de beteekenis van verloopen:’tken nog wel ’n poar uur anhollen eer dat ’r komt; Nederlandsch aanloopen.
aanjuk, anjuk*, vergel. spoorstok *
aankalken, ankalken*, aankalken ook Nederlandsch.
aankomen, ankomen*, (bldz. 10), vgl.: angoan , alsmede bij v. Dale: aankomen = aangrijpen, overvallen; (bl. 497), o.a. bij Lindo: zij zouden mij zien komen!
aankomend, ankoom*, ank’m, ank’n, vgl. toukoom *. (vooral Westerkwartier), door snelle uitspraak, ank’m, ank’n
aanlangs, anlàngs, zie: langs .
aanlaten, anloaten*, aanlaten ook Nederlandsch.
aanlopen, anloopen*, 1, vgl. tielen *; 2 = Nederlandsch “oploopen”; vergel. opnemen . Verder voor het afloopen van een uurwerk, vooral van een kettingklok, en dan meestal als deelwoord: klok is anloopen.
aannemen, annemen*, in: ’t nijt annemen, ’t hooger verzuiken, ’t hoogeropgooien = in appèl komen; vgl. abbelijern * en inleggen *; “dat neem ik niet aan” ook elders en ook Hooguitsch.
aanpaarden, anpeertjen*, vgl. peertjen *.
aanrecht, anricht*, is verwant met potrik ; het laatste bestaat uit latwerk, ’t eerste niet.
aanreden, anrijden, zie anred * en rijden *.
aanroepen, anroupen, zie anhoalen *: aanroepen is in deze betekenis ook Nederlandsch, maar komt weinig voor.
aanschaffer, anschaffer*, vergelijk schaffer .
aanscheren, anscheren*, vergel.’t Nederlandsch geksteken en vooral ook “gek” 2 bij v. Dale.
aanslag, anslag*, Nederlandsch aanslag = begin, en vgl. “de handen aan ’t werk slaan.”
aansteken, anstoken, zie doenighaid *, en vandaar: ’t is of ’e anstoken is = ’t is alsof hij bezeten is.
aanstellen, anstellen*, (bld. 498), vergel. anzetten * 1 , alsmede Nederlandsch aanstellen, ook wat betreft bldz. 12.
aanstommelen, stommeln, doar komt ʼr an stommeln!, vergel. stommelachtig *. Nederlandsch aanstommelen.
aanstonds, anzent, anzens, aanstonds.
aantocht, antocht, op antocht = in aantocht.
aanvergen, anvârgen, van iemand vergen: ’k wil ’t hōm nijt aanvârgen. Vergel. het Nederlandsch afvergen.
aanwaaisel, anwaisel*, van anwaien, evenals ’t Fransche woord “soufflet” van “souffler” (zie J. S. Swaagman in de Annales Acad. Gron. van 1824 25.) Zie ook bldz. 498, alsmede labbabbel * en teut * en vergel. wai *.
aanwezen, an wezen*, (bldz. 498), vergel. anarbaiden * (bldz. 496) en ’t Nederlandsch “er aan zijn” (zie “aan” bij v. Dale.)
aanwijzen, anwiezen, (klemtoon op ie) = naar iemand wijzen, en figuurlijk: men ken hōm met gijn hand of vinger anwiezen = hij is zeer kleinzeerig of lichtgeraakt.
aanzetten, anzetten*, 1, vgl. anstellen * (bl. 498) en ’t Nederlandsch aanstellen, vergel. ook “aanzetten” en “toestellen” bij v.Dale; Geldersch: toestellen = aanschaffen; (bldz. 498) ook voor: aanleggen van een kachel of een vuur, v. Dale geeft het als weinig gebruikelijk op. – Bij v. Dale ook: zich aanzetten = licht aanbranden; 2, Nederlandsch ook: aanzetten en: opzetten;.
aanzien, anzijn, d’r tegen anzijn = er tegen opzien, is hier zeer algemeen in gebruik; v. Dale beschouwt deze zegswijze (sub “aanzien”) als verouderd.
aanzwenk, anzweng*, ook: padschieter *.
aard, oard*, zie bijssien (bldz. 509), ook van voorwerpen.
aardappel, eerdappel*, eertappel, ook: eerpel [zie samenstellingen.]
aardappeldollen, eerdappeldollen*, zooals het hier voorkomt, zou verklaard kunnen worden door: “dellen” maken, om de “steken” er uit te kunnen snijden. Het kan echter ook aardappelrooien beteekenen, zie bij dollen *.
aardappeljassen, eerdappeljassen*, jassen = schillen ook bij v. Dale.
aardbei, eerbeien*, Nederlandsch ook: aardbei.
aarde, eer, eerde, erde, aarde, Hoogduitsch Erde. Vgl. dood *.
aardig, oarig*, bij Klaus Groth (Plat-Duitsch dichter) “orri” = tamelijk.
aardigheid, oarighaid, in: oet oarighaid = voor de aardigheid, is hier meer gewestel., hoewel “uit aardigheid” ook voorkomt bij v. Dale.
aardmietje, eertmietje, aard- of kaboutermannetje; ’t zou een verbastering van “heremietje” kunnen zijn.
aardwal, eerwal*, vgl. wörke *.
aars, neers*, Nederlandsch “met z’n ziel onder d’ arm”, van een leeglooper.
ababbel, kebabbel, abbabbel*, labbabbel*, anwaisel* (zie bl. 498.)
aber, aber!*, oaber!*, ondertusken!* = ik weet wel beter! ’k geloof het nog niet! – ’t Eerste meestal voorafgegaan door ja (uitgesproken jah ), ’t laatste door ja, moar, nou ja moar. Ook elders hoort men deze uitroepen, evenals de ook hier in dezelfde beteekenis gebruikte zegswijze: ja, onder de bedrijven!
accorderen, akkedijern*, (bl. 495), vgl. het meer algemeene “harmonieeren.”
achtentwintig, achtentwintig, zie klop *.
achter, achter*, ook: achter de veeren, “achter de vodden” ook elders. Zie ook achteranzitten .
achter, in ʼt achtern, ten achteren, vgl. in ʼt veuren *.
achteraanlopen, achteranloopen, zie noaloopen *.
achteraanzitten, achteranzitten, evenals “d’r achter heer zitten,” zie heer *, in de beteekenis van: onderzoeken, werk van iets maken vooral als ’t een misbruik enz. betreft. Zie bij v. Dale: achterheenzitten. Ook: d’r achter tou zitten.
achterbint, achterbinde*, denk bij de opgegeven woorden aan het HD.
achterdocht, achterdocht*, vgl.: omdenken .
achtereind, achterende, zie binhoes * en dom * 2.
achterlastig, achterlastig*, “achterlast” ook bij v. Dale.
achterlegger, achterleggers, zie damleggers .
achtig, achtig*, vergel. “achtig” 1, bij v. Dale.
achtkant, achtkant*, omtrent den “Achtk.boer” vergelijke men den Gron. Studentenalmanak, 1888, bladz. 86.
adem, oam*, in: zōk achter d’ oam schrijwen = door hard schreien den adem kwijtraken, (bij v. Dale: in zijn adem schreeuwen.)
af, of*, af, vergel. dussel *; ook = afgedragen, versleten, enz., Nederlandsch “op.”
af en toe, of en tou*, de hier opgegeven beteekenis, namelijk “af en aan”, is eigenlijk in ’t Nederlandsch de oorspronkelijke, later ontstond de overdrachtelijke: nu en dan; zie “af” bij v. Dale.
afaccorderen, ofakkedijern*, Nederlandsch accordeeren.
afbladeren, ofbloadern, zie ofbladdern *.
afblauwen, ofblauen*, in denzelfden figuurlijken zin worden ofvarven* en ofloaten* (bldz. 548) gebruikt, vgl. dat laatste, alsmede looien *.
afcaveren, ofkevijern, ofkonvooien, Fout:501
afdrogen, ofdreugen, opdrogen: de stroaten dreugen wat of, ’t dreugt wat of = ’t wordt wat droger buiten.
afgeven, ofgeven, ten gevolge hebben, vgl. noorderstof * (bldz. 546) en bij v. Dale: afgeven = te kennen geven.
afhalen, ófhoalen, toafel ófhoalen = afnemen (het eten enz.)
afhandig, ofhandig*, ook in: de wind is ofhandig, d.w.z. niet in de gewenschte richting, bvb. om een klok te kunnen hooren; vergel. “aan-” en “aflandige” wind.
afhemelen, ofhemmeln, zie hemmeln *.
afkluwenen, ofklounen, zie kloun *.
afkrijgen, ofkregen, [afgekregen]: heij’ hoar ofkregen = is uw haar geknipt?
afkunnen, ofkennen, in: hij ken ’t ’r best of = hij woont er goed, hij kan ’t er wel stellen, enz.
afkwellen, ofkwelen*, Hoogduitsch abquälen.
aflaten, ofloaten*, zie ook: ofblauen .
afleggen, ofleggen*, [b] ook bij v. Dale, sub voce “afleggen” bldz. 65 II a.
afleider, oflaider, (Nederlandsch afleider), zie dunderlaider *.
aflonen, ofloonen, [ook Drentsch en Geldersch] = een dienstbode binnentijds de huur opzeggen: men geeft dan meestal zes weken [de zeswéék] extra; in boerendiensten spreekt men veelal van ’t geld geven; Hoogduitsch ablohnen.
afmesten, ofmissen*, zie ook mōsterd *.
afmoeten, ofmuiten, zie muiten *.
afnasjen, ofnasken, zie nasken *.
afnemen, ofnemen, voor: overnemen, bvb. het overdragen van een gebouw door den aannemer aan den lastgever.
afpunten, ofpunten*, vgl. puntjen *.
afreiken, ofrekken, [klemtoon op: rekken], zie: rekken , vgl. bij v. Dale “afreiken” voor: bereiken, waar het als Germanisme wordt afgekeurd; men heeft in ’t Groningsch een reeks van werkwoorden met dezelfde eigenaardige grondbeteekenis en klemtoon, vergel. ofgronden *; vele van deze werkwoorden hebben de onder: tegen opgegeven beteekenis.
afstappen, ofstappen, in: vouten ofstappen = voeten vegen, vergel. koatskedans *.
afsteker, ofsteker, zie steker .
afstruiver, afstruiver*, het Hoogduitsche “struphen” is gewestelijk. Zie het Wörterbuch van J. C. Adelung.
afstuiten, ofstuiten, door te stuiten het evenwicht verliezen: pas op, da’ j’ nijt van ledder ofstuiten; ook: hij ’s van ’t peerd ien ’t dijp stuit.
aftakelen, oftoakeln*, achteruitgaan, ook bij v. Dale.
aftakken, oftakken*, evenzoo omgekeerd optakken = opklimmen, verhoogen.
afvallen, ofvallen*, tegenvallen, ook sub “afvallen” bij v. Dale, zie ook: touvallen .
afverven, ofvarven*, bij v. Dale sub “afverven”; figuurlijk vgl.: ofblauen .
afwinnen, ofwinnen*, afhuren, vgl. winnen *; “afwinnen” bij van Dale [4e druk] en vergel. neijoarsloopen * [slot.]
afzetsel, ofzetsel*, Nederlandsch afzetsel, aflegger.
afzetten, ofzetten*, in de eerste beteekenis ook Nederlandsch [zie v. Dale afzetten.]
afzijgen, ofziegen*, Nederlandsch afzijgen, Hoogduitsch abseigen, abseihen.
afzouten, ofzolten*, bij v. Dale afzouten.
akelig, oakelk*, oakelke, ook versterkend bijwoord, met gunstige beteekenis: oakel­ke mooi, vgl. miselk en zie ook mal *.
al, al*, wel, ook in uitdrukkingen als: ’t is al wàt beter, ’t gait al zoo goud van doage, bvb. van zieken gebezigd (de beteekenis op bldz. 4 is eenigszins anders); ’t is ál roar = ’t is wel zonderling (meestal ongunstig); het Nederlandsch heeft in de gemeenzame spreektaal; al zoo lief = wel zoo lief of liever. Vergel. bedel * en doagen . Met de zegswijs op bldz. 5, I boven, komt ook overeen: ien alle stukken = is geheel aan stukken.
al, al te voor, al te, zie veulste *; beide ook elders.
al, al, als voegwoord = als: al goan ‘k noar hoes = als ik naar huis ga; in ’t Nederlandsch komt hiermede eenigszins overeen de zeer bijzondere beteekenis van “al” = zelfs indien; synoniem zijn as * en of * (zie de aanteekeningen op die woorden).
aleer, alleer, aleer, vroeger of voorheen, letterlijk = weleer; de samenstelling aleerjoaren beteekent: in vroegere jaren, en is eigenlijk pleonastisch, in ’t Nederlandsch nog overgebleven in: vóór en aleer.
algelijkveel, alliekeveul*, Hoogduitsch gleichviel.
alkannawortel, arkeneerwortel, alkanna-wortel (radix alcannae), vooral gebruikt om wrijfwas te kleuren; (wisseling van r en l, vgl. karmswortel *.)
allee, allé*, vergel. alla *.
allemaal, altmoal, allemaal (al te maal), alles, allen.
allerdeegs, alderdeegs, zie allerdeegs *.
allereeuwigst, allerijvigst, zie allerjouelk *.
als, alsen, assen, zie: datten
als, as*, zooals het voorkomt bldz. 498, ook in: as is (of was) ’t ook moar n half uur = al zij, of ware, het ook slechts een half uur. Zoo ook in: as is ’t ook nòg zoo, as was ’t ook zoo; vergel. of * (ook de aanteekening), alsmede al . Vergelijkingen door as uitgedrukt, vindt men bldz. 165-167 en bldz. 527.
als ik, ak, as’k = als ik; ook Geldersch: vergel. da ’k *.
alschoon, alschoon*, (bl. 496), ook bij v. Dale.
altemet, assmis*, smets, vgl. bij v. Dale: temet; (zie ook bldz. 499), vgl. smis .
altijd, aid, zie altied * (bladz. 496), zoo ook haid voor hailtied of “hijltied en aluk voor aigentliek of ijgentliek.
altijd, altieden, altijd; gevormd als hijltieden *.
altijd, haid, zie aid .
amandel, mantels*, van Dale heeft: mangel (gemeenzaam) = amandel.
ander, ander*, ook in: van ’t ijn in ’t ander, Nederlandsch: van ’t eene op ’t andere. Zie ook: nander * (ook de aanteekening) en: ijn.
andermans, andermans*, ook bij v. Dale; de eerstgenoemde zegswijze reeds bij Shakspeare (1596) en ook Hoogduitsch, alsmede bij v. Dale sub “voet.”
anders, ans*, ook in: wat zegs’ tou ans? = wat zegt gij er van? denkt ge er ook niet zoo over?; dat ìs nijt ans = dat moet men erkennen: in het Ned. wel in de beteek. er is niets aan te doen.
andersom, andersom*, is Nederlandsch.
anderswat, anderswat, answat, voor: wat anders, in ironischen zin, bvb. das answat as mooiweer! als het stortregent.
anker, anker*, duidelijk hoort men overal: beste en toch zal de bedoeling zijn: leste.
Antonius, Tönnies, (in geschrifte: Tonnis) = Teunis, Antonius; ook Oostfriesch en Westfaalsch, waar zelfs de familienaam Tön(n)ies voorkomt: in de Rijnprovincie heeft men het plaatsje “Tönnisstein”, eigenlijk Antoniusstein.
apekool, oapekool*, bij v. Dale: apenkool = zotternij.
appel en bol, appel-en-bol, appel-en-brood: zure appelen met wittebrood, suiker en krenten, in een schoteltje gestoofd.
appelkolokwint, appelkoolkwint, noemt men een uit den kwintappel of kolokwint bereide bittere stof, waarmede men wel eens de tepels bestrijkt, ten einde een zuigeling van de borst af te wennen; schertsend verbasterd tot oapekoolkwint * (zie aanteekening).
appelkolokwint, oapekoolkwint*, zal men, misleid door overeenkomst in beteekenis en klank, hebben verbasterd uit appelkoolkwint, denkende aan ’t voorgaande.
appelleren, abbelijern*, vergel.: annemen .
arbeider, arbaider*, op groote boerderijen in Hunsego staan de inwonende knechten onder den uitwonenden arbaider.
arbeidershuisje, arbaidershòeske, zie arbaider *.
arbeidersmens, arbaidersmènsen, zie arbaider *.
arbeidsmensen, arbaidsmènsen*, ook Geldersch.
arbeidsvrouw, arbaidsvraù, werkster, werkvrouw.
arkeneel, arkenijl*, zie Woordenboek der Ned. Taal in voce arkeneel.
armoede, armoude*, juister, tegen wil en dank, in welke beteekenis, voorafgegaan door “uit” of “van”, het ook elders – vooral ironisch – voorkomt.
as, aske*, gijn vinger enz. ook elders; zoo ook de eerstgenoemde zegswijs fig., in Zuid-Nederland o.a. van bedrogen meisjes.
asgat, askegat, zie Leermens *.
asvat, askevat, zie: vat .
augurk, augurken*, ook bij v. Dale.
aveelzaad, haveelzaad, zie awijlen *.
avond, oavens*, (blz. 547), voor “des avonds”; evenzoo (als in ’t Hoogduitsch) zijn gevormd: middags, mörns, nachs, winters enz.; vgl. harst *.
avond, toavend*, vergel. de Engelsche vormen sub: van nacht en ook Middelnederduitsch: tavent, tavende, to avent, to avende.
avonturen, oaventuren*, (bldz. 547), bij v. Dale: avonturen.
avontuur, oaventuur*, is nijt veul oaventuur (= kans) op.
baadje, boantje*, zie “baadje” bij v. Dale.
baaivanger, boaivanger, zie baaivanger *.
baanderdeur, banzerdeur*, vergel. voldeur *.
baar, barve*, bij v. Dale: “berrie” en “burrie.”
baas, boas, zie verwin *.
babbelguigjes, babbelguugjes*, vgl. guchel *.
baggeren, baggeln*, vgl. bij v. Dale (4e druk) baggelen.
baggerput, baggelputten, baggelpetten, zie petten *.
bak, bak*, bakke*: zie ook kastje *.
bakje, bakje, etensschaaltje: ook elders.
bakje gooien, bakjegooien, een jongensspel (o.a. in ’t Westerkwartier); daarbij wordt een baksteen op den kleinsten kant gezet en een kleinere steen er op gelegd, dien men er af moet zien te werpen, zonder dat de baksteen (in dit geval bak genoemd) omvalt. ’t Zal hetzelfde zijn als boerbakjen *.
bakker-an, bakkeran*, algemeen Nederlandsch in het dagelijks leven. Laurillard (Bijbel en Volkstaal, bldz. 34) denkt aan Farao’s bakker, die gehangen werd.
bakkersteek, bakkerstieken, zie kakkerlak .
baks, baks*, zie ook pikkerg *.
bakstaf, bakstaf*, vergel. staf * en verstrengen *.
balderen, baldern*, Nederlandsch ook “balderen” voor “bulderen.”
balk, balk*, zie ook balken *; ’t beteekent ook “vonder”, vanwaar de naam Kuzemerbalk, voor een gehucht bij Grootegast, waar een vonder over het Wolddiep ligt, – hiermede te vergelijken de beteekenis van “zolder” (bladz. 499.)
balken, balken*, vergel. lijgen *.
balkhaas, balkhoas*, vgl. beunhoas *, ook de aanteekening.
ballast, ballast*, ook voor lastig, nutteloos tuig: wat legt’r weer ’n ballast op toafel, op deel, op stroat. Vergel. omballing *.
balsturig, balsturig*, (bldz. 499) ook Nederlandsch.
band, band*, zie ook stad *.
bandrepel, bandrepel, bandrekel *.
bang, bang*, in ’t Fransch de zegswijzen: “il a peur d’avoir peur” en “il a peur d’avoir eu peur”.
bank, bank*, vergel. deur de bank * (bldz. 72 en 510.)
banket, banket*, in de vestingbouwkunde = verhooging.
barm, barmkes, bermkes, een zeer kleine zangvogelsoort, die vooral einde Maart of begin April wordt gevangen. Bij v. Dale “steenbarm.”
Barnflair, Barnvlair, (reeds in de 16e eeuw als “Barnvledder” voorkomende) is de naam van een streek lands bij ter Apel. Niet lang geleden werd door dat terrein een kanaal gegraven naar de Duitsche grenzen en werd de naam Barnvlair meer in ’t bijzonder overgedragen op een buurt, gevormd door een paar kleine huizen bij een sluis waardoor dat kanaal stroomt. Vergelijk Barnegaten , een buurt bij ’t Reitdiep bij Leens (bij ’t volk Barnigoaten of Barnjegat: misschien verbastering van “barmgat” = dijkgat, evenals de Barnjeweg, een zeer oude dijkweg bij Godlinze), alsmede de buurtschappen Barndegat (Noord-Holland) en Barnwerd bij Oldehove, en in Gelderland Barneveld met de buurt de Barn; te Amsterdam heeft men de “Barndesteeg”, waarbij men echter meer waarschijnlijk aan “barnen” = branden zal te denken hebben.
barstend, barstend*, ook in barstend(e) vol.
bast, bassien, zie bastje * (bldz. 500.)
bast, bast, zie schin * (ook de aanteekeningen)
bat, bat*, hiervan Batjeburg of -börg (in geschrifte: Baatjeborg of Batenborg), een buitenplaats nabij Winsum.
bazig, boazig*, elders heeft “bazig” de ongunstige beteekenis van: heerschzuchtig.
be-, be, als voorvoegsel vóór een werkwoord geeft daaraan frequentatieve beteekenis, bvb.: wat beloop je toch, wat beschrief je toch? = wat heb je toch voortdurend te loopen, te schrijven?
bebreukt, bebreukt, zie breuk * en pand *.
bed, ber*, ook in: op ber moaken = te bed brengen, synoniem “an kant moaken”, zie: an kant .
beddenplank, bedsplank, voor berplank, doch misschien Friesch.
beddentijk, bèrteek, beddetijk.
bedeesd, bedesd*, vgl. bekweem *.
bedel, bedel*, vergel. Hooguitsch: der ganze Bettel = de heele rommel.
bedeldeken, bedeldeken*, bij v. Dale, bedelaarsdeken.
bedenksel, bedenksel, en bedenkseltje, zie opbedenkseltje *.
bedienen, bedijnen, zie toupakken *, doch “bedienen” is in dezen zin ook Nederlandsch.
bedijen, bedijen, (zie bebruukt *), is Nederlandsch.
bedogen, bedogen*, “to dive” wordt regelmatig vervoegd.
bedongen, bedongen*, (bldz. 500), zie ook dong *.
bedriegen, bedreugen, bedrogen*.
bedrongen, bedrongen*, Hoogduitsch liever “gedrängt”, hoewel “gedrange” of “gedränge” ook goed is.
bedsteedeur, bersdeùren, de deuren eener bedstede.
been, bijn*, (bldz. 509), Nederlandsch: bij het lijf; zie ook: ijn 2 en Leermens *.
been, bijnen*, ook: ’t zakt mie ien de schounen.
beer, beer*, (b), vgl. beersteker bij v. Dale.
beest, bijssien*, (bl. 509): deze zegswijze ook wel elders.
beest, bijst*, zie ook bijsten *.
begrafenis, begrafnis, begraftenis, begrafenis; vgl. genocht *. In 1687 werd uitgevaardigd eene Ordonnantie op de “Begraffenis-kosten.”
begrijmen, begrijmen*, Zuid-Nederlandsch. begrijmen, begrijmelen.
begrijpen, begrepen*, verkort: doar heb ’k ’t nijt op; beide vormen zijn echter zuiver Nederlandsch. Vgl. verzijn *.
begrijpen, begriepen*, (bldz. 500): de reflexieve vorm is alom hier te lande in gebruik, doch o.a. door van Lennep ten strengste afgekeurd.
begrijpzaam, begripsoam*, vgl. onbegripsoam .
begroten, begrooten*, Friesch: begroate. In Hunsego zegt men: wat kwam mie dat te begrooten; vgl. belutjen *, “begrooten”, “begrootelijk”, ook elders, doch meestal van geld.
behalve, behalven, behalm, (bladz. 6) is ook Nederlandsch (o.a. bij J. J. L. ten Kate: Dichtwerken, 1862, I bladz. 312.)
behang, behang*, (bldz. 23), ook Nederlandsch; met bldz. 500 vgl. “behangen” bij v. Dale.
behangen, behongen, zie behang *.
behaspelen, behaspeln, (bldz. 573 I ond. – als Nederlandsch beschouwd) = bedisselen, met het bijdenkbeeld: niet zonder moeite of twist.
behulpzaam, behulpsoam*, men lette op de geheel andere beteekenis van het Nederlandsche woord “behulpzaam” = hulpvaardig, gedienstig; zie ook redsoam *, vooral in de aanteekening.
beide, baiden, zie ook tweibaiden *.
beiteleg, baitelaid, een nieuw soort van egge, met beitelvormige tanden. Vergel. ook kettenaid *.
bek, bek*, zie ook bekkert *.
bekennen, bekennen*, ook (als gewestelijk) bij v. Dale.
bekje, bekje, zie bekkien * en doetje *; ’t komt ook bij v. Dale voor.
bekleien, beklaien*, vergel. woul *.
beklinken, beklinken*, vgl. de Nederlandsche termen “beklinking”en “inklinking” = vermindering in omvang van uitgegraven aarde.
bel, bel, zie belle * 1.
belang, belang, van belang nijt, voor: niet van belang, bvb. ’t regent van belang nijt, hij het van belang gijn koorts meer. Het achteraanplaatsen van de ontkenning komt meer voor: ’k heb noar mien zin gijn houd vonnen = ik heb geen hoed naar mijn zin kunnen vinden.
belazerd, beloazerd*, oudtijds heette de melaatschheid “lazerij” en de daaraan lijdenden waren “belazerd”; vgl. bij v. Dale (4e druk): belazerd, belazeren.
beleren, beleeren, zie onbeleerd *.
believen, blieft, voor; als ’t u blieft, bvb. meneer blieft = als ’t u blieft mijnheer, en evenzoo: meneer blieft even zitten goan = wees zoo goed even te gaan zitten; voorts in de zeer onvolledige zinnen: meester blieft mien pen sputtert!: moe blieft ’n appel?!
belutten, belutjen*, vergel. begrooten *.
ben, bei*, zie ook kostbei *.
benauwd, benoud*, ook in: ’n benoud luk bietje = een bedroefd klein beetje.
bengel, bōngel*, zie ook bōngeln *.
bengelen, bōngeln*, zie “bungelen” bij v. Dale.
benul, benul*, “nal, nul, nuilla” zal Oudhoogduitsch zijn. Men spreekt in ’t Nederlandsch van een “onbenul” = “onbenullig” persoon.
bepreken, bepreeken, hij het twei kerken te bepreeken = moet beurtelings in twee kerken dienst doen; hij ken dij kerk nijt bepreeken = zich er niet verstaanbaar maken. In het Nederlandsch in beide beteekenissen: bespreken; vergel. ’t Nederlandsch: iemand niet beroepen kunnen.
berenbijt, berebiet*, beerbiet, eene bekende uitspanningsplaats aan de Utrechtsche zijde bij Amsterdam heet “de Be(e)rebijt”, vergel. ter Gouw’s Amstelodamiana; zie berebier *, ook de aanteekeningen.
berm, barm*, ook = berm van den weg, Fransch berme, Hoogduitsch Berme, Bram (vandaar verbräuen = omzoomen, praetexo.)
beroepen, beroupen, zie abbelijern * en vgl.: annemen .
berzie, barsie, barzie, hetzelfde als berzie * (vergel. bldz. 501.)
bes, beien*, in Drenthe “beezen”, wat aldaar echter ook frambozen, aardbeziën enz. kan beteekenen, ’t Nederlandsche bei (Fransch baie) alleen in samenstellingen.
beschijten, beschieten, zie besjaicheln *.
beschikken, beschikken*, of schikken*, ook = geven: zo’j mie ook wat geld beschikken kennen?
beslaan, besloagen*, vergel. belukken *; “beslaan” in deze beteek. ook bij v. Dale, zie vooral 4e druk; vergel. ook versloan .
beslabberen, beslabben*, vgl. beslantern *.
beslag, beslag*, soms ook in de beteekenis van beschot = opbrengst; ook in den 4en druk van v. Dale.
bespatten, bespōttern, zie spōttern *.
best, best*, zie ook al * en te * en vergel.: van .
bestaan, bestoan*, zie ook ja * (2e kolom), vgl. menschdom *. Bij v. Dale: zoo besta ik niet = dat is mijn gewoonte niet.
besteden, besteden*, Nederlandsch ter aarde bestellen; (bladz. 6) is een germanisme (Hoogduitsch bestatten.)
bestek, bestek*, “klein bestek” ook elders.
bestellen, bestellen*, zie ook groutenis *; ook Hoogduitsch.
betrekken, betrekken*, in ’t Nederlandsch ook = in moeilijkheid brengen; zie ook begoan *.
betrekking, betrekking*, op iets, heet elders “zwak” op iets, waarvan o.a. ’t samengestelde “familiezwak” hebben (minder gunstig “familieziek” zijn, bij v.Dale, die ’t woord zwak in bovengenoemde beteekenis niet opgeeft.) De titel van een gedicht van Bogaers luidt: Koning Knuts familiezwak. Zwak voor beteekent een ziekelijke belangstelling in iemand of iets. De beide eerstgenoemde uitdrukkingen vertaalt men ’t best door “gehecht” aan. Intusschen komt “betrekking” in deze beteekenis ook in ’t Nederlandsch voor.
beugel, beugel, (eigenlijk beugelnet) is een werktuig om slijk te scheppen: zie laiken *. ’t Woord wordt ook elders gebruikt.
beun, beun*, vergel. Nederlandsch (hoewel niet bij v. Dale): op zijn achterste zolder = geheel terneergeslagen.
beunhaas, beunhoas*, het Nederlandsche woord had oorspronkelijk waarschijnlijk dezelfde beteekenis.
beuren, beuren*, in de beteekenis van ontvangen, hoewel Nederlandsch, behoort hier uitsluitend tot de volkstaal, vooral als er van vorderen sprake is: ken’k nog nijt ’n gulden van joe beuren? = heb ik nog niet een gulden van u te vorderen?
beutel, beutel*, vgl. deupe *, peukel * en prugel *, en het Nederlandsch (gemeenzaam) “peuter.”
bevertien, bevertien, zie bokkeboai .
bezemsteel, bessemstoal, zie bessem *.
bezetten, bezetten*, vgl. knōffeln *.
bezien, besijn, zie bezijn *.
bezingen, bezingen, zie kerk *.
biezen, birzen*, Hoogduitsch Bürsche = jacht, bürschen = stroopen, Pürsch = wildbaan, (ook wel, o.a. bij Uhland, Birsch, birschen.) Het Zwitsersche bise is Fransch, Hoogduitsch Biese.
biezenjager, biezejoager, zie biesjoager *.
biggen maken, biggen moaken*, Nederlandsch kalveren; zie ook an de gang * en kalven *.
bij, bie*, 1, zie ook bie’ nander * (bl. 503.)
bij af, bieof*, vgl. Nederlandsch “er bij af.”
bij elkaar, bie ’n kander, zie bie’ nander *.
bij name, benoam*, Geldersch: benoamens.
bij toe, bietou*, eigenlijk pleonastisch; zie: tou .
bij weg, bie weg, zie: weg .
bijbel, biebel, (= bijbel) voor dik boek: wat ’n dikke biebel!; ook wel elders.
bijenjaar, beijoar, zie opzetsel *.
bijker, beiker*, Nederlandsch bijker.
bijlangs, bielangs*, officieel bijlangs : “goten en afwateringen bijlangs de huizen”, vergel.: langs .
bijlangs, bijlàngs, zie: bielangs .
bijmaken, biemoaken*, (Nederlandsch bijbrengen), als het omgekeerde van wegmoaken * (bldz. 577.)
bijnaasten, bienasten, zie benoasten * (bldz. 501.)
bijstaan, biestoan*, Nederl. (hoewel niet bij v. D.): er voorstaan; bij v. Dale (4e druk): ’t staat er goed bij.
bijten, beeten, (Hoogduitsch Imbiss), zie brug * en vergel. ’t verouderde “inbijt” = ontbijt.
bijter, bieter, zie bieterke *.
bikbes, bikberen, ook bleeken * en blijkens *.
bindgat, bindgoaten, biendgoaten, vetergaten.
bindgatenletter, bindgoatenletters, Fout:509
binnendeurs, binnendeur, (klemtoon op deur) = te huis, in huis: denk’r om! tien uur binnendeur! = ge zorgt er voor, om tien uur te huis zijn!; ’k wil hōm nijt weer binnendeur (= over mijn drempel) hebben; vgl. boetendèùr .
binnendoor, bienendeur, binnendeur.
binneneinde, binende*, ook: bovenende *.
binnenshuis, binhoes*, ook: binende *, bovenende *.
bittertje, bittertje*, zie ook gliestern *.
blaasbalg, bloasbalk, (ook elders in de volkstaal “blaasbalk”), zie poestert * 1.
blad, blad*, vgl. wicht * (bldz. 578.)
blak, blak*, “stomp loopen” beteekent ook: geen uitgang hebben, doodloopen, van straten of stegen.
blakstil, blakstil*, ook bij v. Dale.
blast, blas*, blast, elders “bof”, zie v. Dale (4e druk.)
blauw, blau, zie blou *.
blauwschild, blouschild, volgens sommigen de Groningsche volksnaam voor den Blauwen Kiekendief.
bleek, blijk, zie blespeerd *.
bleisterig, blaisterg*, vgl. Engelsch to bluster = razen, tieren, waaien: a blusterous wind = een harde, bolle wind.
bleu, bleu*, ook bij v. Dale.
blidderig, blidderg*, het hier vermelde blikkerg zal afgeleid zijn van blikkern*; blikkerg weer is het, als de zon voortdurend bij afwisseling door de wolken breekt en verdwijnt.
blij, blied*, v. Dale heeft: blij, blijd, blijde.
blijven, belijven, zie blijven *.
blikkerig, blikkerg, zie: blidderg .
bliksem, blaksem*, (euphemistisch), ook elders.
bliksems, bliksie, zie gommes *.
blikskaters, blikkoster, bliksekoater, blikskoater, bliksiekoater en blikstiekoater: bijvormen van blits(e)koater*.
blikslagers, bliksloager*, bij v. Dale (gewestelijk): blikslagers.
blink, blinkje*, vergel. brink *.
blits, blits, (Hoogduitsch Blitz), zie gommes *.
bloei, blui, zie blösem * en bek * (bl. 501.)
blok, blok*, Fransch trone, Hoogduitsch Opferstock. Zie ook legge *.
bloot, blooten, zie groote *.
bloot, bloots*, Hoogduitsch bloss.
blote voet, bloode vouten, zie hozevötels *.
bobbekop, bobbekop*, komt overeen met ’t Nederlandsche “bobberd”; niets maakt een Friesch boozer dan de qualificatie: Vrijze bobbekop!
bodenbesteder, bodenbesteder*, -besteedster , ook in den 4en druk van v. Dale.
bodjes, bodjes*, ook: driestjen * en oefke *.
bodschoot, bōdschoed, zie bōdder *.
boeien, boeien, zie boien *.
boer, boer*, wordt in ’t enkelvoud ook als collectief gebezigd: bie (de) boer dijnen, Nederlandsch “den boer opgaan.” – Zie ook dikke boer *.
boerenarbeider, boerenarbaider, zie arbaider *.
boerenbeslag, boerenbeslag, zie beslag *.
boerenmens, boerenmensen, zie boermensen * en vergelijk arbaidersmensen , evenals het Nederlandsch: burgermenschen.
boerenplaats, boerenploats*, (bldz. 505), ook Geldersch.
boerenvent, boerenvent, zie vent *.
boerknecht, boerknecht*, vergel. heerboer *.
boeten, buiten*, bij v. Dale: boeten = opstoken, vergel. het Fransche “boutefeu” = het Nederlandsch stokebrand.
boezem, bossem*, Friesch: bozem (“boosem” in eene publicatie van 1792.); (bladz. 9), zie bij v. Dale (4e druk): boezem = gedeelte van een schoorsteen dat zich in eene kamer bevindt.
boezeroen, boezeroen*, bij v. Dale = korte matrozenkiel, ook door werklieden gedragen.
bof, bōf*, ook bij v. Dale (4e druk.)
boffen, bōffen, zie bōdjes *.
bokje, bokje*, vergel. het Hoogduitsch: auf den Hund.
bokkenbaai, bokkeboai, (of bokkeboer) en bevertien: zeer sterke broekstoffen, de tweede vorm misschien naar den Hoogduitschen plaatsnaam Bückeburg, “bevertien” (Engelsch beaverteen) ook elders hier te lande.
boksband, boksenbanden, zie toet *.
bomijs, bomies, zie bonkies *; bomijs ook Nederlandsch.
bonk, bonk*, Nederlandsch: geen been in iets vinden of zien; ’t woord “bonk” ook bij v. Dale.
bonkerig, bonkert, zie bonkerg *.
boodschap, boschōp*, bodschap, bodskip, (bldz. 52) zie ook bosschōp * (bldz. 506) en omgekeerd; “op een bosschōp” of “op een bosschöp” luidt ook wel om’ bosschöp, vgl. ovenblik .
boomlopertje, boomloopertje*, Nederlandsch: boomkruipertje; bij v. Dale ook “loopertje.”
boon, boonen*, vergel. proemen *.
boon, boontje*, vergel. boonakker *.
boonakker, boonakker*, meer algemeen Nederlandsch: den berg op leiden; zie ook “boonakker” in den 4en druk van v. Dale.
boordevol, boornstevol*, (bl. 506) zal zijn samengetrokken uit: an de boordens tou vol.
boordlint, boorlint, boordlint.
boos, beuze*, vgl. vuul *.
bord, borde, (in: te borde), zie bret *. Ook bij v. Dale.
bord, bret*, bred, zie ook schriefbret *; bret = plaat van ijzer of eenig ander metaal. Nederlandsch “boord” = plank in een kast enz. Het woord is in al zijne beteekenissen ook Geldersch; ook bred (meervoud breden), zie ook de aanteekening.
borstel, borzel, borzeln: zie bossel *, enz.
bos, bos*, ’n bos touw = een bepaalde hoeveelheid touw, ter verkoop. In Holland spreekt men van “bundel”, “streng” en “klos”, welk laatste woord in dit geval kluwen beteekent.
bosje, bossie, bosje; bie bossies = bij troepjes: vooral schertsende van menschen gezegd.
bot, bod*, hiervan ’t Nederlandsche “bot vieren”, zie bot (5) bij v. Dale: vergelijk ook iederbod * (bl. 176 en 529.)
boter, botter*, ook Zuid-Afrikaansch en Oud-Nederlandsch.
boterham eten, botrameten, (werkwoord & zelfstandig naamwoord) = ontbijten enz.
boterklits, botterklitse*, denkelijk = bottervogel*.
botervlek, bottervlekken, bottervlekken oppe hozen (Westerkwartier) = gaten in de kousen, waardoor de huid zichtbaar is.
botten, bōtten, beenen (bijvoeglijk naamwoord): ’n bōtt’n knoop; in ’t Nederlandsch alleen het zelfstandig naamwoord bot.
botten, bōdden*, vergel.: troest .
bottepad, bōdpad, zie bōd *.
boven, boven, zie bovenhoes *.
bovenhands, bovenhands*, en onderhands*, Nederlandsch: bijdehandsch en vandehandsch paard.
bovenop, bovenopstoan, zie neus .
bovenst, bovenste*, Nederlandsch (gemeenzaam): van de bovenste plank.
braaf, broaf*, als versterking, ook Nederlandsch.
braam, brommels*, ook = bikberen*.
brabel, braggel*, brabbel, vgl. brits *.
braden, broaden*, hierbij ook ’t Nederlandsch makkelijk en wennen, alsmede:ik heb staan wachten = gestaan te wachten. Vergelijk ook het weglaten van “be” in: hoeven, hooren, merken, en van “ver” in: meerderen, minderen, schrikkelijk, wonderen. Zie verder be * (bldz. 500) en ge * (bldz. 519.)
braken, broaken, zie broak * en valgen *.
brand, brand*, zie ook bldz. 507 I onder, enz.; met de beteekenis op bldz. 55 te vergel. het Hoogduitsche Brand = kanker, versterving.
Brandje, Brandje, (mannennaam) = Gerbrand, Hildebrand, IJsbrand, enz.
brandkas, brandkast, brandkas, brandassurantie.
brandspijker, brandspieker, (brandspijker), Stad-Groningsch voor knopspijker of taats; bij v. Dale bandnagel.
branie, broani*, (bl. 508): in geschrifte vindt men “brani”, een Indisch militair woord? Zie “brani” in den 4en druk v. van Dale.
branie, bromni, zie broani * (bl. 508) en ook de aanteekening.
braskorf, braskörf, sluitmand.
breed, brijd*, zie ook heer *; “hoog en breed” elders = dubbel en dwars; brijdste* (bldz. 60 en 508), vergel. Nederlandsch: ’t dikste eind komt achterna = ’t moeilijkste komt nog.
breedte, bredte, zie höfte *.
breidop, braidopkes, braiekkeltjes*.
breien, braiden*, de aangehaalde zegswijze ook bij v. Dale.
brengen, brengen*, vgl. morgen brengen * (ook de aanteekening.)
briek, breek, breke = briek*; zie jem * (ook de aanteekening.) Vandaar misschien: brekebeen.
brij, brij, zie brei *.
brij met bonen, brei mit boonen, zie boerenjonges *.
brik, brik*, Engelsch brick, Fransch brique = blokje, metselsteen; vergel. brik(steen) bij v. Dale.
brikje, brikje*, elders “kaartje.”
bril, brille, (vooral Stad-Groningsch) = bril; Hoogduitsch Brille. Evenzoo: kamme, enz.
brink, brink*, heet ook het grootste plein te Deventer, zoo ook te Apeldoorn.
brit, brijdje, zie plek * (ook de aanteekening); ’t kan de verkleinde vorm zijn van bret *, doch waarschijnlijker is het die van brijten * 2 (zie aldaar.)
broddelen, bruddeln, broddelen.
broeien, bruien, zie schruien *.
brokkel, brokkel*, Hoogduitsch spröde (ook in twee beteekenissen.)
brom, brom, zie snōr *.
brommen, brommen*, ook elders, gemeenzaam.
bromster, bromster*, Nederlandsch hommel (in twee beteekenissen.)
broodje, broodjes, zie smal *.
bros, brösk, zie brokkel *.
bruin, broene, zie tugen * (Nederlandsch: bruintje enz.)
brul, brullen*, men denke aan “breven en bullen” = de officieele decreten van den paus.
brutaal, pertoal, p’rtoal, (vgl. brijtoal *, bldz. 508) = brutaal: metathesis als in de woorden: perbijern, perfiet, perzon, persieske, kerdiet.
buik, boek, zie buuk *.
buikboor, boekboor, zie kezoan *.
buil, puil*, vergel. puut *.
buisgat, buusgat*, in de aangehaalde zegswijze hoort men voor dit woord ook motgat* = mouwgat, vgl.: goaten .
buiten, bouten, zie buiten * 2.
buitendeurs, boetendèùr, boetendèùre, (bijwoord) = buiten de deur, in de buitenlucht; vgl. binnendeur .
buitenheen, boetenhen, boetentou, wie kennen d ’r nijt boetentou = wij mogen ’t niet nalaten, kunnen ’t niet vermijden; te vergelijken met “onder hen” (zie hen *) en bij v. Dale met: omheen (germanisme, beter ’t gewestelijk “er van tusschen.”)
buitensporig, boetensporig, zie boeten * 1.
buizen, buizen, zie raai * (bldz. 557.)
bul, bōl*, te Groningen ook stadsbōl, als in ’t Nedersaksisch en Holsteinsch, en = kaspelbōl* in de provincie; “gebuerstier” bij J. Cats.
bulderen, bōldern, zie baldern *.
bulkalf, bōlkalf, zie bōl *.
bulken, bölken*, bij v. Dale: bulken van het geld.
bulkrijk, belkriek, zie bölken *.
bulos, bolos, zie bōl .
buning, buning*, Nieuw-Hoogduitsch Buhne (bijvorm van Bühne) = steenen dam of pier.
bunzing, bunsel*, “vis” of “visse” van ’t Latijnsche Mustula vision.
buur, buur, berbuur *.
campagnejaar, kampanjejoaren*, (bl. 531), ook elders.
canvas, koanefas*, “kanefas” ook bij v. Dale.
catechisatie, kerzoatsie, zie kezoatsie *.
cent, centen, meestal uitgesproken zenten, beteekent kleingeld, of een kleine som geld, in uitdrukkingen als: mevrouw het mie nog gijn centen doan = nog geen geld gegeven tot het doen van boodschappen; kopergeld wordt genoemd lösse centen *.
chercher, sarries*, chercher, verbastering van chercher, welk laatstgenoemd woord reeds omstreeks 1650 voorkomt, o.a. in de “Ordonnantie op ’t Ghemael”, waarvan art. XV luidt: “By een yder Molen in Stadt ende Lande staende, sal een Huys by de Provincie ghetimmert, ende een Cercher by de Heeren Gedeputeerden gestellet ende geeedight worden.” Daarna volgt de “Instructie voor de Cerchers ofte Opsichters van de Meulens in Stadt ende Lande” en verder de “Instructie voor de Cherchers ofte Collecteurs op Delfzijl, Termunterzijl ende de Soutcamp,” van 1684, – alles te vinden in: Placcaet enz. op de Generale Middelen enz., gedrukt te Groningen in 1661 en later. De spelling “cercher” is de oudste, daarnaast komt “chercher” het eerst voor in 1676. – De oorsprong van het woord zal in het Oud-Fransch moeten gezocht worden. In: Godefroy, Dictionnaire de l’ anc. langue française, komt voor het woord “cercheor” (ook wel gespeld “sarchier”: vandaar sarries), met de latere vormen “cerchier”, “cercheur”, “chercheur” = controleur, inspecteur. Reeds in de 16e eeuw komt “chercheur” in die beteekenissen in ’t Fransch niet meer voor: men denke er aan, dat de woorden “recherche” en “rechercheur” ook thans in Frankrijk in veel uitgebreider en algemeener beteekenis worden gebruikt dan bij ons. – Bij Stallaert, Glossarium van verouderde rechtstermen enz. komt voor: “Cerchers” = tolkommiezen, tolbeambten: Placc. v. Brabant 1622; – ’t was dus reeds vroeg in Zuid-Nederland in gebruik en is waarschijnlijk door een van daar afkomstigen ambtenaar naar hier overgebracht. Merkwaardig is het, dat het woord buiten onze provincie niet schijnt gebruikt te zijn, daar ’t bvb. in Drentsche stukken niet voorkomt. – Met sarries* vergelijke men voorts het Engelsche woord “searcher” (uitgesproken “sörtsjer”), dat ook visiteur van schepen kan beteekenen; ’t is duidelijk, dat dit woord met het Fransche “chercheur” taalkundig ten nauwste is verwant.
chocolade, sukeloa, sukkeloa, sōkkeloa, chocolade.
cichorei, sokkerai*, bij v. Dale ook “suikerei” en “suikerij.”
citroenbok, sitrounbok, zie goele *.
coeur de pigeon, körpesjons*, elders: zijden hempjes.
collector, klekter*, vgl. schatbeurder *.
commandeur, komdeur*, [bldz. 535], ook naam voor den beheerder der stadsbezittingen te ter Apel; ’t woord is gevormd als ’t Hoogduitch Komtur.
compact, kompakt*, ook voor zieken- of begrafenisfonds.
compliment, kompelment, compliment; behalve het algemeen gebruikelijke: “compliment van” enz. hoort men ook: de kompelment van enz., hetgeen staan zal voor “het compliment” of “de complimenten”; elders intusschen ook: vooral de komplement!
contrei, kontrain*, bij van Dale: contrei, contreie.
contributie, konterbuutsie*, vergel. keduks *.
contusie, kontoezie*, Latijn contusio, Fransch contusion.
Cornelia, Knelske, Cornelia; de mannennaam Westerkwartier eer Kneels dan Knels.
corruptie, geschrip, zie schripsie *.
Corzaan, Kezoan*, (geschreven: Corzaan of Kerzaan) is de naam van eene arbeidersfamilie, o. a. te Zuidhorn; de spreekwijze zou dus aan een bepaald persoon haar oorsprong te danken kunnen hebben.
couvert, komfòrt, konvòrt, kevòrt, konfòrt of kevòrt [vooral Westerkwartier] verkleinwoord konfòt’tje = enveloppe, couvert van een brief.
daalder, doalder*, vgl. daaldersplaats bij v. Dale; zie ook andob *.
daar, daar, zie doare *.
daar, dèr*, dèh, (bldz. 510): de r door de snelle uitspraak meest onhoorbaar, vooral in ’t Westerkwartier, vandaar de schrijfwijze dèh .
daaraantoe, doarantou*, “tot daaraantoe” hoort men ook elders, in de beteekenis van: daarlaten, in ’t midden laten, laten voor hetgeen het is.
daarom, doaróm!, uitroep = juist! dat meende of bedoelde ik.
daaromtoe, doaromtou, bijwoord van tijd of plaats = daaromtrent of daaromstreeks, zie jegend *, Geldersch: daaromheen.
daarvan, doarvan, (ook elders) = wat dàt betreft; doarvandoan ook = daardoor, om die reden (vgl. “daan” bij v. Dale); doarvan nijt (ook Overijselsch en elders) = dat is geen beletsel of bezwaar, te vergelijken met: ofschoon (of: hoewel) ’t is mooi weer, enz.
daarvandaan, doarvandoan, (ook elders) = wat dàt betreft; doarvandoan ook = daardoor, om die reden (vgl. “daan” bij v. Dale); doarvan nijt (ook Overijselsch en elders) = dat is geen beletsel of bezwaar, te vergelijken met: ofschoon (of: hoewel) ’t is mooi weer, enz.
dag, dag*, doag*, hierbij ook uitdrukkingen als: bie winterdag, enz.; vergelijk harst * en “zomerdag” (bldz. 532 I ond.); bij v. Dale ook iets dergelijks, doch alleen onder “winterdag”, waar zelfs een bijwoord “winterdags” opgegeven wordt. Met moand wordt op dezelfde wijze gehandeld in: ’t is Junimoand, enz., te vergelijken met het Nederlandsch “de Meimaand” en “een winterdag”, waarbij nog op te merken valt, dat hier niet, zooals in de bovengenoemde Groningsch zegswijzen, de klemtoon op “maand” en “dag” valt: vergel. Feberwoari *. Zie ook mörgen *, ook de aanteekening; doag*, zie ook oetkieken *; meervoud doagen, zie gommes *; hierbij behoort ook godjes (uit te spreken god’tjes) doagen! Zie ook al * en vergel. “dag” bij v. Dale (“wie heeft dit nu al zijn dagen gezien?”) waarvoor men ook hoort levensdoagen (ook elders) of al zien levend; bij v. Dale: al mijn leven = mijn geheele leven lang, te vergelijken met “nog nooit van mijn leven” en “heb je ooit van je leven!”
dagmaat, deimt*, ook bij v. Dale.
dak, dak*, bij de hier opgegeven spreekwijzen ook te vermelden: op pèns, op zien verdommenis; vergel. lappen * (zelfstandig naamwoord) Voor “te veul dak op ’t hoes” ook wel: te veul pannen op ’t dak, bij v. Dale: er zijn ratten op het dak. Vgl. ook: weeren.
dalen, dalen*, ook voor: dooien, warschijnlijk om het rijm, in de zegswijze: ’t wait’r of of ’t dait’r of, ontleend aan de met rijp bedekte boomen en overdrachtelijk gebezigd voor: er zijn slechts twee wegen om tot dat doel te geraken, of ook: dit is geen blijvende toestand; vergel.: kant .
dalig, doalig, zie dollig *.
dalles, dalles*, waarschijnlijk joden-Duitsch voor: gebrek, = Hebreeuwsch “daloesch”, ’t woord komt althans in ’t Hoogduitsch als zelfstandig naamwoord voor.
damlegger, damleggers, houten balken, langs een dam, om stevigheid te geven; men noemt ze ook achterleggers ; legger en ligger worden vaak verward, vgl. v. Dale, en aldaar ook: onderlegger en onderligger.
dammen, dammen, zie koukhouen *.
dan, den*, 2: “dan en dan” ook Nederlandsch.
dank, danke!, ik dank u!, Duitsche vorm, Nederlandsch: dank!
danken, danken, zie astertou *, dood * (bl. 513) en koekoek *.
dansen, dansen, zie op *.
dat, dat, als stopwoord in zöl ’t dat? (uitgesproken: sōltat?) = zou het? dunkt u?
dat, datten, dadde, b. (bl. 510), Friesch “datte”; ’t is blijkbaar een meervoudsvorm; evenzoo: ’k wijt nijt watten ze willen; vergel. de ook elders gebruikelijke vormen: wie goanen, joe dounen, enz.; zo ook alsen, assen = als, in Holland ook wel: alse we ’t hebbe; “datte ze” enz. ook te Amsterdam, eveneens “offe.”; (bladz. 11) lees datten*, en wèl te onderscheiden van de gemeenzaam algemeen gebruikelijke vragende en aanwijzende vormen: watte?, ditte!, datte?, die ook in ’t Groningsch nooit een n krijgen. – Verder in Holland nog: “toene we”, “toene ze” = toen wij, toen zij.
dauwen, douen, zie dauen *.
dauwtreden, dautreden*, vergel. ter Gouwe, de Volksvermaken, bldz. 219-223.
de, e*, ’n, 2 (bldz. 97 en 516), ook voor “de” of “den”, vooral door samensmelting met een voorzetsel, waarvan dan vaak de eindmedeklinker verzacht wordt: ienne = in de(n), oppe of obbe = op de(n), mette of medde = met de of met den. Zie verder hij * 2 (bldz. 528); ’n vóór den naam van een dag: ’n Zundag = verleden of aanstaan­de Zondag; zal staan voor: den Zondag. Ook elders.
deel, deel*, “overdeel” luidt in ’t Nederlandsch: over den vloer. Westfaalsch: Diele = voorhuis in een boerenwoning, Hoogduitsch Hausflur; deel = dorschvloer is nog heden Nederlandsch (Hoogduitsch Flur.)
deel, tielens*, vergel. loanings * en Hoogduitsch Dielen = planken.
degelpan, degelpan*, vgl. Hoogduitsch Tiegel = pan, smeltkroes, alsmede diggel* (ook bl. 511.)
dekgeld, dekgeld*, zie ook dekken * (bldz. 69.)
dekselkaters, dekselkoaters, deksels*; vergel. deksel enz. bij v. Dale, en aldaar: duivekater, duvekater, deuvekater en deuvekatersch; verder blitsekoater* en drommelkater (niet bij v. Dale.)
del, del*, en dellen*, vergel. Engelsch dell = dal, kuil, hol; bij v. Dale: del, delle, delling (verouderd) = laagte, dal, vallei; naast het bijvoeglijk naamwoord “pokdalig” ook het zelfstandig naamwoord “pokdaal.”
denkelijk, denk*, voor “denk ik” of “denkelijk.”
denken, denken, denk* voor “denk ik” of “denkelijk”; docht ook voor dochte *; denkerom! voor: juist! zie pasop !*
derde, dartjert, zie dardert *.
derrie, darg*, bij v. Dale: derrie; witte darg, een blauwe, op klei gelijkende, hoogst onvruchtbare grondsoort, welke zwavelijzer bevat en daardoor onaangenaam riekt, vol overblijfsels van riet en andere plantenvezels (linten en pijpen genaamd); voor woulgrond* totaal ongeschikt. Vergel. Nieuwe Gron. Courant 3 Januari 1892.
deuk, duks, deuk, elders “buts”; deukjes* vergel. ’t Nederlandsche deuk.
deur, deuren*, ook elders.
deurtje schellen, deurtjeschellen*, een kattekwaad van denzelfde aard is glastikken = tikken tegen de vensterruiten, natuurlijk bij voorkeur des avonds.
deuvekater, duvekoater*, vgl. dekselkoaters ; bij v. Dale komt “deuvekater” ook in twee beteekenissen voor; (ook bladz. 14): “deux fois quatre” naar den vorm, namelijk dien van een 8.
deze, dis’, verkorting van disse *, bvb. dis’ kant = deze kant; vergel. diskeer en distied *; diss’nt, meervoud (zelfstandig gebruikt) van het aanwijzende disse* = deze; vergel. goun *.
deze keer, diskeer, ditmaal, deze keer.
diaken, deioaken, dijoak, djoak, zie joaken *.
dicht huis, dicht huus, het tegenovergestelde van winkel; bij v. Dale: toehuis.
dichtsnappen, dichtsnappen*, Nederlandsch snappen; vergel. muskeflap *.
die, deie, zie disse * (bldz. 512.)
die daar, deider*, “dieder” enz. ook elders in de spreektaal; zoo ook “diederlei” = dergelijke.
Diederik, Derk*, (bldz. 510) = Dirk, Friesch: Durk.
diemen, teimen*, Hoogduitsch Diemen komt alleen in Grimmʼs Wörterb. voor.
diepswal, dijpswal*, ook de plaatsnaam Diepswal komt voor.
dik, dik*, 2: ’n dikke (= een groote) deugenijt, ook van dieren, bij v. Dale ook: een dikke dertig gulden; vergel. ook stark *; verder ’n dik vuur en Nederlandsch (gemeenzaam): een dikke (= forsche) stem.
diknek, diknek, zie dikke boer *.
dikschijter, dikschijter, zie korenspōrk *.
diksteelzoete, dikstoalzuite*, zal oorspronkelijk een appelnaam zijn.
ding, ding*, ’n goud ding, ’n best ding = een goede zaak, een uitstekende maatregel; meervoud dingen*, zoo ook: wat proat je mie van dingen!
dingen, dingen, d’r om dingen (onpersoonlijk) – op ’t punt staan, weinig schelen: in ’t Woordenboek herhaaldelijk als Nederlandsch beschouwd, synoniem met bantjen* enz. (Nederlandsche spreektaal: er om houden of: ’t is er om te doen.)
dinges, dings, voor dingerijs* en dinges*; ook in het Duitsch in de gemeenzame spreektaal hoort men “Dings” voor “Ding.”
dingstig, dingstig*, (bl. 511): Nederlandsch (doch niet bij v. Dale) dingsig = droevig, aangedaan; bij v. Dale dingstig[heid] = omneenig[heid]; vergelijk ook dins (t )igheden * (bldz. 76 en 511.)
dis, dis, (meervoud dizzen ), het Nederlandsche disch, hier alleen voor tafeltjes van venters of kooplieden in ’t klein, in de opene lucht.
displezier, dispelzijer, zie disodder *.
dissel, dussel*, ook = dissel: een kromme bijl of houweel, met tamelijk langen steel.
dit, ditte, didde, voor “dit”; zie datte * (bldz. 510.)
ditje en datje, ditten en datten*, bij v. Dale: hij heeft altijd een ditje of een datje = altijd iets aan te merken.
docht, decht*, Hoogduitsch Docht, waarschijnlijk verwant met “trekken” en het Hoogduitsch zog, gezogen (vgl. Nederlandsch toog, getogen.)
dodderen, döddern*, vergel. löddern *.
dodelijk, doodelk*, vgl. doodelijk bij v. Dale.
dodijnen, diedeldantjen*, voor “Friesch dandiner” zal gelezen moeten worden: Fransch dodiner (beter: dodeliner) = Nederlandsch dodijnen; “zich dandineeren” beteekent: een dwaze houding aannemen.
dodoor, dödoor, een zelfstandig naamwoord van doddern* gevormd, vgl. baloorn *.
doekemartens, doekemartens*, zie J. H. Knoop, Appelen en Peeren, uitgave 1790, bldz. 6; vermoedelijk naar Doeke [Duco] Martena.
doen, doan*, Nederlandsch: gedaan krijgen = afgedankt worden.
doen, doen*, Hoogduitsch daun, dun; zie ook pei *. – Als werkwoord zie doun *, vooral de aanteekening.
doen, doun*, met “hij zel t’r wel tou doun”, te vergelijken: er het zwijgen toe doen; ergens “onder te doun” hebben, vergel. Nederlandsch mede te doen hebben. ’t Woord “omdoen” ook Nederlandsch Met “’t is t’r te doun” enz. (bldz. 514) komt overeen: den he’j’ t’r te doun = dan is goede raad duur. Met een als zelfstandig naamwoord gebruikte onbepaalde wijs achter zich duidt het een beroep of bedrijf aan: zij dut ’t naien, en, in aankondigingen, verhollandscht: hier doet men het mangelen; “doen” = geven, ook Geldersch.
doende, dounde*, zie ook elks *; doende (= bezig) aan iets ook Nederlandsch.
doenemansgebed, doenemansgebed, zie doen *.
doenigheid, doenighaid*, hierbij ook bocht* (bldz. 505).
dokteren, doktern*, 1, ook Nederlandsch.
dol, dōl*, vergel. gek *.
doldriest, domdriest*, Nederlandsch doldriest.
dom, dom*, 2: voor “kou” ook varken.
dominee, doomnie*, (Nederlandsch dominee) klinkt in ’t Westerkwartier vaak doomie.
donderkop, dunderkoppen*, bij v. Dale “koppen” = donderwolken.
donderschoer, dunderschoer*, Hoogduitsch Schauer = vlaag, Engelsch shower: “schoer” = onweersbui, in vele provinciën gewestelijk, ook bij v. Dale vermeld.
donzen, donzen*, vergel. “gedons” bij van Dale.
dood, dood*, 2 (bldz. 513): deze samenstellingen zijn zuiver Nederlandsch; v. Dale heeft o.a. doodeenvoudig, doodeerlijk, dood familiaar, doodgoed; (slot van ’t artikel): “Agricola..” Dit is niet de bekende Rudolf Agricola (1443-1485), maar de hervormer Johann Agricola (1492-1566), die een Duitsch spreekwoordenboek uitgaf.
dooddoen, dood doun*, ook elders en tevens figuurlijk.
doodgoed, doodgoud*, vgl. doodgoed bij v. Dale, in beide beteekenissen.
doodkomen, doodkomen, doodblijven: bin vief menschen bie dood komen; vgl. Nederlandsch (gemeenzaam): er kwamen vijf dooden.
doop, deup, tjoop, deupe *.
doophek, deuphek, deuphok, zie hok *; bij v. Dale: doophek, doophuis (oorspronkelijk = doopkapel.)
door, deur*, (bl. 510); deze versterking ook in ’t Nederlandsch in: doordroog, doorkoud, doorkundig enz.; vgl. deurhen .
door, deur, zie oet * (ook de aanteekeningen); vergel. deuren * (ook de aanteekeningen) en zie ook deurgoan *; met: dat gait’r nog mit deùr (zie bij: goan ) vergelijke men ’t Nederlandsch (gemeenzaam): dat kan er nog mee door = dat kan er nog door; tien uur deur = tien uur gepasseerd, ook Geldersch, elders ook: ’t is door kwartier.
doordenken, deurdenken, zie: omdenken .
doorgaan, deurgoan*, deurwald* (bl. 511), Nederlandsch: door het hoofd gegaan.
doorgebruiken, deurbroeken*, Hoogduitsch fortbrauchen.
doorheen, deurhen, (klemtoon op beide lettergrepen maar ’t sterkst op de eerste), vgl. oet * en: deur ; ook = door en door, zeer: ’k bin deurhen kold; deur de sloap hen wezen = den slaap niet meer vatten kunnen, doordat men te lang is opgebleven of in den slaap is gestoord.
doorleren, deùrleerd, uitgeleerd, volleerd; Nederlandsch doorgeleerd, in dezelfde beteekenis.
doorroker, deurrooker*, zie bij v. Dale: oliebol, ook ironisch.
doorschieten, deurschijten*, Nederlandsch: er bij inschieten.
doorvlieger, deurvlijger, (o.a. Veenkoloniën) = iemand die zijn woord niet houdt.
doorzetten, deurzetten*, vergel. anzetten *.
dop, dop*, (bldz. 513), vgl. hokje * en viefkop *.
dopen, deupen*, zie oetdeupen *.
doppen, doppen*, ook bij v. Dale.
dorie, dorie*, hiermede te vergelijken Janstramme bij v. Dale In Duitschland is de uitroep “Donner und Doria” afkomstig uit Schiller’s Fiesko.
dorp, dörp*, hierbij IJmtil = Enumatil (in ’t Westerkwartier) en Houk = Martenshoek, alsmede Ol’oof, Nij’oof, Nood’örn of -örm = Oldehove, Niehove, Noordhorn. Deze drie laatste echter meer algemeen Ollehoof, Neiehoof, Noordhörn.
draaibast, draibastje*, vgl. bastje * (bldz. 500.)
draaien, draien*, vgl. lappen bij v. Dale, en verder ook flikken * en leveren .
draak, droak*, “draak” ook bij v. Dale.
dragen, droagen*, (bldz. 515) is Nederlandsch.
drager, droager*, Nederlandsch bromvlieg.
drammen, drammen*, jengelen bij v. Dale komt overeen met het Zeeuwsche “jongelen.”
drank, drank*, ook = spoeling; vgl. schötel en veul *.
drek, drek, zie dreb *.
drekhaan, drekhoan, zie bldz. 362 II boven.
drekstoep, drekstoup*, “stoep” heeft hier de (ook bij v. Dale vermelde) beteekenis van “plaats waar schepen worden geladen”; elders o.a. stoepman = vuilnisman.
Drenterwolde, Drentherwolde, zie Goorecht .
dreutgat, droetgat, zie jentig *.
drieblad, dreiblad*, zie ook tweiblad *.
driemoor, driemoorken, heet ook slok *.
drietip, drietip, driehoek, o.a. een werktuig om sneeuw op te ruimen.
drift, drift*, is ook de naam van korte steegjes te Groningen, die op ’t water uitloopen of uitliepen. De naam schijnt er op te wijzen, dat het vroeger watertjes waren.
drinkdobbe, drinkeldobbe*, hierbij ook dreugeldouk . Vergel. vasteloavond * en Hoogduitsch: Ringelhaube, Werkeltag, Wünschelruthe, enz.
drong, drong an*, vergel. bōt .
droog, dreug, zie gust * en dreuge kroamverziete *.
droogdoek, dreugeldouk, doek waarmede men iets afdroogt; vergel. drinkeldobbe *.
droop, droop*, (vooral bldz. 515); zie bij v. Dale drop 1, en droop (4e druk.)
druk, drok*, druk is hier zuiver gewestelijk, hoewel volgens v. Dale eigenlijk “druk” de gewestelijke vorm zou zijn.
drukker, drukker, zie drukken *.
drup, drup*, zie ook biet * (bldz. 503.)
du, doe*, “dutsbroor” = het Duitsche Dutzbruder.
duiken, doeken*, voor: duiken, Hoogduitsch, ducken = duiken, bukken; vergel. andoeken * en doeknekt *.
duiker, duker*, vgl. duvekoater *.
duikers, dukers, zie verdukerd *.
duim, doemkes*, vergel. bldz. 302 II b.
duimeling, doemeling*, zie ook sleup *.
duivel, doivel, doivels; zie deuvels .
duivels, deuvels, een eenigszins gesmoorde vloek, sterker dan “duvels”: ’t is ’n deuvels spul. De uitspraak van de “eu” zweemt naar “ui” en wijkt tevens af van die klank in ’t ook elders bekende “deuvekater.” Men hoort ook wel: doivels, doivel.
durabel, duroabel*, elders “kostelijk” = kostbaar, verkwistend.
durven, wezen-duren, hij duurt ʼr wel wezen = hij is niet verlegen, durft zich te laten gelden, waarvoor ook: wezen -kennen ; vergelijk bldz. 370 I b; op bl. 330 I onder beide als Nederlandsch beschouwd; elders: er zijn mogen (ook van zaken) = zich mogen vertoonen.
duur, duur, (in: dure tied), zie troalies *.
Duurswold, Duurswold, (ook een waterschap), zie wold *.
dwarrelen, dwiddel’n, dwirrl’n *, ook: drentelen; vgl. bōddel *.
dwarsdoornat, dwàrsdeurnat, versterkend, evenals het meer algemeen gebruikelijke klètsdoornat.
dwelmen, dwelmen*, (denk aan: bedwelmen), vgl. dweren * en tijmeln *.
d’r, d’r, zie der *, vooral de aanteekening.
e, e*, 1: hierbij ook “Derk” = Dirk. Als curiositeit valt te vermelden, dat ik den gelatiniseerden geslachtsnaam “Andreae” door een Groninger gespeld vond “Andriai”!
edel, edel*, ook in: op zien edelst = met veel ijver (ook in ongunstigen zin.)
eed, aid*, zie ook kettenaid *.
eekhoorn, ijkertje*, vergel. ketijkertien *.
eelt, ielt, zie iel *.
een, en, [uitgesproken als ’t voegwoord], voor het lidwoord “een”, evenals elders “’n”, ’t Oostfriesch heeft “ên” voor het telwoord.
een, ijn*, 2: van ’t ijn ien ’t ander = van ’t een op ’t ander, onrustig, ongeregeld (ook wel elders); ’t ijn noa ’t ander (meestal met de woorden: en zoo vooraf) = overeenkomstig, niet beter en niet minder, (meestal in ongunstigen zin) – noa hier = naar; evenzoo (meestal gunstig): en zoo ’t ijn met ’t ander; d’ ijn veur d’ ander duurde ’t nijt doun (ook wel elders) = de een zoo min of evenmin als de ander (soms ook: zoowel als de ander?); ’t ijne bijn nijt veur ’t ander kriegen kennen (elders: geen voet meer voor den anderen (ver)zetten kunnen) = van zwakte enz. niet kunnen loopen, zie verder bijnen *. Zie ook duvel * (bldz. 515.)
een, ijner, ijnder, zie gijner *.
eenbaar, ijnboar, eenlopend, eenig: ’n ijnboar heer = een ongetrouwd heer.
eend, ijn, eend, in samenstellingen, bvb. ijnbroa of ijnebroa, vergelijk broa *.
eendvogel, eendvogel*, [bldz. 516], vgl. ijndvogel * [bldz. 581], eigenlijk: wilde eend; zie “eendvogel” bij v. Dale [4e druk.]
eendvogel, ijndvogel*, (bldz. 581), vergel. eendvogel * (bldz. 516); eigenlijk: wilde eend; zie “eendvogel” bij v. Dale (4e druk.)
eenmaal, ijnmoal*, vergel. ’t Hoogduitsch: “ein für alle Mal”, wat overeenkomt met ’t Nederlandsch: ééns voor al, of: ééns voor altijd.
eens, ies, (vooral Stad-Groningsch), zie ijs * en rijs *; elders het toonlooze “es” en “’ns.”
eens, ins*, “ins gijn”, “ins nijt”, enz., vergel. elders (gemeenzaam) ik ken hem geen eens, enz.
eenspan, ijnspan, zie kret *.
eenzijdig, ijnziedeg, is een ei, dat den dooier niet middenin maar aan den kant heeft: ’t is een teeken van ouderdom.
eer, eer*, eere*, hierbij de zegswijze: doar bin ’k mit eeren of = ik ben blij, dat ik er van ontslagen ben [bvb. om aan een uitnoodiging gevolg te geven], zonder dat het mij kwalijk kan genomen worden; nou is ’t mit eeren op, zegt de vrouw des huizes, blijde dat er geen kliekjes overblijven.
eer, eer*, eere* (bladz. 15), elders: met fatsoen.
eerst, eerst*, [bldz. 516]; zoo ook: eerst guie mörn!, met de beteekenis van “vooreerst”, “voorloopig”, waarin opgesloten ligt: we zien elkaar heden nog wel.
eersten en overeersten, eerstjen en overeerstjen, schertsend voor: iets telkens uitstellen, ter wille van andere zaken, die men “eerst” meent te moeten afdoen; zie overeerstjen .
egaal, eengaal, zie ijngoal *.
egel, iegel*, iechel, en stiekel*, blijkbaar = egel.
egelzwijn, iegelzwien*, eigenl. = egel.
eigen, ijgen*, bij v. Dale “eigen” = gewend.
eigenaar, eigenaar, aigender*, ijgener*, zie beklemrecht *.
eigendom, eigendom, zie meijer *.
eigengereed, ijgenred*, vergel. anred *, bij van Dale: eigengereed = in huis vervaardigd.
eigenheid, ijgenheden, persoonlijke opvattingen of eigenaardigheden, bvb.: hij het van dei ijgenheden.
eigenheid, ijgenheden, (bl. 78) is een germanisme.
eigenlijk, ainlieks*, ijnlieks*, (bldz. 495 en 581), ook aigentliek of aindelk , vaak samengetrokken tot aink , ijnk , of enk .
eindbesluit, endbesluut, einde, vooral bij voorspelling, bvb.: dat zel’t endbesluut wel worden; de beteekenis van ’t Nederlandsche woord “eindbesluit” is hier gewijzigd.
einde, ende*, end, en*, zie ook bldz. 198 I 21 v. o.; met “in ’t ende zetten” te vergel. Nederlandsch (gemeenzaam): ’t heele huis overeind zetten; “’t end is er van weg” bij v. Dale aan ’t slot van “omkomen” [1]; end in hij wijt mit zien tied gijn end = hij weet met zijn tijd geen raad, hij verveelt zich, vergel. weg ; en* zie ook kerel * [bl. 532]; als uitroep ook elders; endje* wat wou zoo’n eindje mensch! ook Nederlandsch.
ekster, oakster, ekster, Nederlandsch verouderd: aakster.
elf, elven*, vgl. Nederlandsch: met z’n achten, op slag van elven, enz.
elk, elk, zie gijn *.
elk, elks*, zie ook noa *.
elkaar, ’nander*, vgl. ander *; in de Unie van Utrecht komt voor: den anderen = elkander; metten anderen, by den anderen, van den anderen = met, bij, van elkander.
ellende, elende*, het Hoogduitsche Elend [klemtoon op de eerste lettergreep] beteekent zoowel “buitenland” als “ellende”, iets dergelijks met het bijvoeglijk naamwoord elend; denk ook aan “elders.”
ellenstok, elstok*, Nederlandsch: ellemaat.
els, eller, zie eldern *.
Eltje, Eltje*, is ook een jongensnaam. Het aangeduide onderscheid is niet kenmerkend, want bvb. ook “Remke” en Romke zijn o.a. in ’t Westerkwartier jongensnamen. Naast “Enne” vindt men ook Enno [beide mannelijk]; zoo ook “Tedo” en Tede, Hero en Here. Misschien zijn de vormen op e plaatselijk. Vgl. bldz. 516.
en, en*, [voegwoord], vgl. wachten * 2 en: veul ; zie ook: zoowat .
en, en*, als uitgang [bl. 517], vgl. ing * [bl. 529.]
en, en, ook achter de namen der dagen, als een bepaald deel van den dag moet worden aangewezen, en met verdubbeling van de ɡ; zoo bvb. Zundaggennacht voor: Zondagnacht. Gevormd als altieden, halftieden, hijltieden, datten, [bl. 510.]
en, und, (het Hoogduitsche “und”, Nederlandsch uitgesproken), een enkele maal voor “en”, zie kallen *.
Engelse punch, engelse pons, warme melk met brandewijn, sago en suiker.
engen, angen*, te vergelijken met “eng” en “angst”, bij v. Dale: ang = eng.
enig, ijnig*, men denke aan het Nederlandsche “oneenig.”
enigheid, ijnighaid*, bij v. Dale: eenigheid = eenzaamheid.
enk, inge*, Hoogduitsch Anger.
enkel, enkel, dun, schraal; zie enkelt *.
enkel, enkelt*, Nederlandsch enkeld = enkel, evenals “dubbeld.”
enter, enter*, vgl. heukelstalje * en kalverhok *.
enter over twenter, enter over twenter*, vgl. henterdetwenter *.
er, der*, er*, en er*: elders = ’t bezittelijke “haar” en ook voor den 3en en 4en naamval van ’t persoonlijke.
er, der*, (uitgesproken d’r ) = er. ’t Wordt vaak weggelaten; zie bvb. bij röt *: zit röt an de appel. Zie ook delder * en vergel. het Nederlandsche “daar.”
ereis, rijs*, naast “zegês” ook zegr’s, bij v. Dale (gewestelijk): ereis.
ernsthaftig, eernsthaftig*, Hoogduitsch ernsthaft.
es, es*, 2, vgl. pee *.
es, esk*, eskenblad zal staan voor: espenblad.
eten, etens, als 3e naamval: noa etens, onder etens, veur etens = na den eten, enz.; vergel. gekkens *.
eten door elkaar, eten-deurmekander, zie: poteten .
eter, eter, gast, die blijft eten; vgl. koffiedrinker * en het Nederlandsche “slaper.”
etgras, etgras*, vgl. topgras *.
euvels, euvels*, vgl. ijbals *.
euvels, arbalsems*, verbastering van ijbals *.
even, even*, ʼt is moar even = het behoeft slechts een oogenblik te duren, [vooral ter verontschuldiging, wanneer men iemand stoort] – iets dergelijks ook elders: ʼt is maar dat hij ʼt zien zal = ʼt is maar de bedoeling enz.; in: ʼt is moar even dat ʼt regent = de regen is het eenigste bezwaar, de regen doet het hem, heeft men te denken aan bet Hoogduitsche eben = juist. Zie ook: touvallen .
evenwel, évenwel, zie zoowél .
familie, fermilie, voor: familie, zie angrenzend * en noa *; de e is meestal toonloos, ook hoort men femilie en f’milie.
fatsoenlijk, fersounlk, versounlk, verzounlk, (vooral in ’t Westerkwartier) = fatsoenlijk.
fier, fiàr, fiaar, zie fièr *.
fiks, fiks, zie ferm *.
financie, fienansies*, Middelnederlandsch financie = list.
flappen, flappen*, zie ook muskeflap *.
fleemstrijken, fliemstrieken*, vgl. Hoogduitsch Flaum = dons.
fleer, fleer*, vgl. anwaisel *, ’t komt ook bij v. Dale voor; verder beteekent het: vlek of streep, door wrijving met een vuil voorwerp of door een vocht ontstaan, vergel. slier * en gleer [van gleeren *], v. Dale heeft het gewestelijke werkwoord “fleren.”
flessengoed, fleskegoud, zie pakjegoud *.
flik, flik*, ook frik *, zie aldaar.
flikkeren, flikkern, zie: weerlicht *.
flint, vlint*, hierbij nog het Grieksche woord “plinthos” = steen, metselsteen; verder de zegsw.: hij het vlinten ienne kop, ʼt is ʼn vlintekop = ʼt is een domoor; bij v. Dale iets dergelijks onder “kei.”
flintkop, vlintekop, zie: vlint .
flitsboog, flitseboog*, “Flitsch” moet zijn “Flitzbogen”, ʼt woord Flitsch = pijl is verouderd; in ʼt Westerkwartier en de Marne ook spanboog.
flodder, flodder, zie flod *.
flodder, flōdders, flōtters, spatters van modder, vuil of slijk; ʼt eerste ook in Holland: bij v. Dale “flodder” = modder.
flodder, flōtter, zie flatter * en flōdders .
flodderboks, flodderboksen*, vgl. flodderbroek bij v. Dale.
flont, flont, oude lap.
flonterij, flontjederai, prullekraam, vodden.
flop, flop*, zie ook schietje * [bldz. 560], ook: flōppie, voor personen = ploert.
flors, flōrt*, ook = ʼt Nederlandsch: bocht, bvb. in: flōrt van melk, enz.
flous, flausen*, flousies, flauwen, Nederlandsch flousen.
foei, fij*, bij v. Dale fij = foei.
foeter, foeter*, foeder, in foeter mien klompien; misschien van ʼt Latijnsche futuere (Fransch foutre) en dan te vergelijken met bldz. 279 I 9 v.o. en vooral met II 1 v.b.
foeteren, foetern*, vergel. v. Dale.
forsie, forsie*, verbasterd foatsie *.
fots, fotse*, Hoogduitsch: Fotz, Fotze.
fotsding, fōdsendinchien*, in Gelderland o.a. ʼn vodsig dinkien’, alsmede “fudsegoed”, “fudsding.”
fraterhuis, froaterhoes*, (bldz. 518): waarschijnlijk werden oudtijds verkoopingen gehouden in het voormalige Fraterhuis, d.w.z. in het huis van de Broeders des Gemeenen Levens (stichting v. Geert Groote in de 14e eeuw.)
Fridser, Fritser, mannennaam: vergel. het Oud-Nederlandsche Writsaard.
fris, fris*, vris, vergel. vrisse *, van vrissen *.
front, front*, vergel. swat * (ook de aanteekening.)
fut, fuut*, wordt meestal uitgesproken fut *, zie dat woord op bldz. 518; met het midden van ʼt art. te vergel. “fut” (= niets) bij v. Dale en zoo ook aldaar: ’t is fut = ʼt beduidt niets.
ga, goa, ga, (in geschrifte ga), o.a. in de benaming Noordhornerga, duidt laag land aan, met ondergrond van veen en derrie.
gaaf, geef, zie geve * en grofgeef *.
gaan, goan*, zie ook gait *; “ik gong” enz. ook Zeeuwsch; zie ook: kriegen; dat gàit ’r mit, dat gait ʼr nog mit deur = daar komt men ʼt verst mee, Nederlandsch het gáát met iemand of iets = ’t blijkt aan het doel te beantwoorden; dat zeg ik mìt = dat zeg ik mèt u. Vgl.: deur, alsmede “heengaan” bij v. Dale.
gaan, over-goan*, behandelen, beheeren, ook bij v. Dale onder “gaan.”
gaans, gaons, zie goans *.
gaarne, geern*, Vlaamsch: geern, geerne.
gader, goar*, zie ook heer * en te goar * (ook de aanteekening.)
gal, gallen*, zijn ook grootere wittebrooden, van sierlijken vorm en zeer fijn deeg, in de midden het breedst en aan beide einden puntig uitloopende.
galg, galgen*, (ook bij v. Dale), vergel. hulpzeel *.
gallig, gallig*, hier = schurftig; in het Nederlandsch is dit woord (het Fransche: gale) verouderd.
galsterig, galsterg*, Nederlandsch galsterig.
gammel, gammel*, te Amsterdam = oud, bouwvallig; Zweedsch gammal, Deensch gammel = oud.
gang, gang, zie an de gang *, waarhij ook behoort de zegswijze: as ʼk dat doun wol kon ʼk wel an de gang blieven = dan had ik wel dagwerk, ’t zou een onbegonnen werk zijn.
ganzengat, ganzegat*, ook studententerm, zie v. Dale.
gapen, gappen*, “begapen” is ook Nederlandsch, en verder heeft men “vergapen” = den mond te ver openen, waarvan weer ʼt figuurlijke: zich vergapen.
Garm, Garnt, Garm, (mannennaam) = Gerbrand; men hoort ook wel Garm.
garnaal, gernoat, Stad-Groningsch voor genoat *, v. Dale geeft garnaat en gernaat als volksuitspraak voor “garnaal.”
garnaat, genoat*, Hoogduitsch Granate.
gasthuis, gasthuus*, ook in de zegswijze ʼt is nog vroug ien ʼt gasthuus = ʼt is nog niet zoo laat als ʼk meende; hiervoor ook: ʼt is nog vrougdàg; mörn vrougdàg! beteekent: we zullen morgen vroeg moeten opstaan. Deze drie spreekwijzen komen ook elders voor.
gat, gat*, zie ook jonges * en hippen * (bldz. 526); ʼt kan ook “cunnus” beteekenen: vergel. kond * en neers *.
gat, goaten*, “in de gaten” ook Nederlandsch, in de mot” eigenlijk: in de mouw, zie mot (5) bij v. Dale.
gauw, gau*, gou, (bldz. 519), deze zegswijs ook bij v. Dale.
gebeuren, gebeurd, in: ʼt is gebeurd! = ʼt is te laat! het ongeluk is geschied; Pas op, as ʼt valt is ’t gebeurd!
gebiedenis, gebedenis, (bij v. Dale: gebiedenis), in de uitdrukking: groutenis en gebedenis.
gebrekkelijk, gebrekkelk*, ook = gebocheld; bij v. Dale gebrekkig en gebrekkelijk = lichaamsgebreken hebbende.
gedachte, gedachten, zie noa *.
geduiknekt, doeknekt*, vergel.: doeken .
gedwarrel, gedwiddel, zie dwiddel’n .
geelgors, geelgou, (Westerkwartier) = geelgōrrel*.
geelgroen, geelgruin, zie schietgeel *.
geflort, geflōrtje, zie gekutel *.
gegeven, geven*, de zegswijze “geven peerd” enz. is algemeen Nederlandsch, vergel. peerd *.
gejoel, gejui, gejoel, zie jui * (bldz. 530.)
gejudas, gejudas, zie: judassen .
gek, gek*, vergel. dōl *.
gek, ’t gekke, zie oddennelk .
gekjagen, gekjoagen*, vergel. scheervogeln *.
gekrukkel, gekrukkel, zie krukkeln *.
gekscheren, gekscheren*, gekscherend *, ook bij v. Dale.
gekwetel, gekwetel, zie kwetelderei *.
geld, geld*, zie ook ijn * 2 en vgl. tied * (bldz. 569), alsmede ofloonen .
geldje, geldje*, vergel. v. Dale.
gele wikke, gele wikken*, vergel. wik, wikke, bij v. Dale.
gelegen, gelegen, ’t is moar zóó gelegen … = ’t is maar de kwestie …; vgl. Gr. Wbk. dl. IV 1110, en aldaar vooral de aanhaling uit Bredero: Het staet nu soo gelegen: / Of ick moet haest vergaen, / Of hy moet haest verstaen / De smarte van mijn sinnen.
gelijk, geliek*, zie ook ʼs gelieken * en slicht *: het daar genoemde ook bij v. Dale onder “gelijk.” 2.
gelijk, gelieke, lieke*, voor: even, bvb. in: gelieke goud, hij’s altieden lieke vrundelk, hierbij ook: liek as = evenals, gelijk (voegwoord), Hoogduitsch gleichwie.
gelijk, liek*, in: liek as, zie gelieke .
gelijkveel, liekeveul*, hierbij: ’t is mie krek liekeveul = ’t is me volmaakt onverschillig, ook wel: krek liek; vergel. allieke *, liek * en netteliek * en het Hoogduitsche gleichviel. Nog in deze eeuw schreef men soms “even veel” voor: om ’t even, zie o.a. H.F. Rehm, Regelen v. voorzigtigheid enz. Zutphen 1804, bldz. 123.
geloven, leuven*, ook in: ’k wil (’t) wel leuven = ik meen wel, en: ’k wil ’t n’t leuven (uitsluitend Groningsch en Friesch) = ik zou ’t niet denken, iro­nisch in: wi’j ’t wel leuven!? als repliek, voor: je hebt gelijk, ik vermoed (geloof) het ook!
gemaak, gemoak*, vgl. moaken * (ook bldz. 41); te vergelijken (alleen wat den vorm betreft) met Hoogduitsch Gemächt = maaksel.
gemak, gemak*, ook bij v. Dale, met “geheim” vooraf.
gemier, gemier, gemier (o.a. Veenkoloniën) = gezanik; ook Friesch, enz.; bij v. Dale (4e druk) = geleuter, gezanik.
gene, goun*, goon, gounen, gount, Hoogduitsch welche = eenige.
geneugte, nucht*, ook = lust: ’k heb er gijn nucht an.
gengelen, gengeln*, vergel. Hoogduitsch gängeln.
George, Geuchien, (mannennaam) = George.
Gerard, Geert, Gras*, Gerriet, (mannennaam), evenals ’t vrouwelijke Geertje ook Nederlandsch, doch niet algemeen; elders “Geurt.” Oudtijds was het een vrouwennaam, eigenlijk “Geerte” = Geertrui(d)(a): men denke aan St.-Geertensminne en Geertemoei; Gras (bldz. 521): vrouwelijk Gradoa (Geldersch: Grade) of Grardoa; voor ʼt meer algemeene “Gerrit” hoort men in ʼt Westerkwartier Gerriet.
gerechtigheid, gerechtighaid, zie allieke *.
gerei, geraide, gerei of gereide = paardentuig en toebehooren, staat vermoedelijk met “gareel” in verband; hiervan geraidekast; vergel. halsbou *.
geribte, geribte, in ’t Westerkwartier voor: geraamte, van het Hoogduitsche Gerippe.
gerief, gerief*, beteekent in ’t Nederlandsch: gemak, dienst, gebruik.
Germnisten, Germnisten*, eene sekte in de Pekela, door zekeren Germs gesticht.
gerust, gerust*, in dezelfde beteekenis bij v. Dale; men gehruikt ook “veilig” in denzelfden zin.
geschapen, bieschoapen, zie beschoapen * (bldz. 501.)
geselen, gieseln*, zou eigenlijk gijseln moeten luiden: er is hier verwarring met het Nederlandsche “gijzelen”, òf men heeft getracht, op deze wijze verwarring te vermijden.
gesjochten, gesjochten*, hoort men ook elders in ons land, ʼt zal van Hebreeuwschen oorsprong zijn.
gesprek, gesprek*, “besprek” ook bij v. Dale, ook “gesprek” wordt elders in gemeenzamen stijl gebruikt.
getover, geteuver, ʼt zelfde als getiepel *.
geval, geval*, hierbij ook in àlgeval, in àlsgeval of in àlstgeval = in allen gevalle, in elk geval; (Nederlandsch soms ook: in alle gevalle.)
geval, alsgeval*, zie ook: geval .
gevolg, gevolgen, gevolgens: dat wör van dei gevolgen(s) = ’t gevolg er van was…
gewaarworden, gewoarworden, te weten komen, bvb. in de uitdrukking ʼk kon ʼt moar nijt gewoarworden.
geweide, gewai*, gewaide*, Hoogduitsch Eingeweide.
geweld, geweld, zie geweld doun *.
gewiekst, gewikst*, te vergelijken met het Hoogduitsche woord gewichst = geslepen, van: wichsen = polijsten; vergelijk ook wikse * enz. (vooral bldz. 578.) Ook bij van Dale.
gezelschap, zelschōp*, vergelijk broaden * (ook de aanteekening.)
gezicht, gezicht, zie oetkieken * en tebak * (bldz. 568.)
giebelen, gabbeln*, het Engelsche “to gib” beteekent eigenlijk miaauwen, vergel. to gabble, to gibber, to jabber, met de grondbeteekenis babbelen; het Fransche “gaber” is verouderd, “gabeler” behoort hier niet bij.
giebelen, giebeln*, Geldersch: giebeltje = grapje, spotternij.
giechem, giechōm*, zie ook zank *; iets dergelijks in ’t Friesch, waar Gichem “een denkbeeldig land” beduidt.
gieren, gieren*, in: ʼt giert ijn deur de keel, van heete of prikkelende dranken gezegd.
gilpen, gilpen*, bij v. Dale onder “gegilp.”
ginds, gunt*, ’t verdient vermelding, dat men “ʼt glunt” of “ʼt gundt” voor “hetgene” gebruikt vindt in het geschrift: Bewijs van de vrijheijt ende independentie der Vrije Oldampten, (Rotterdam 1640), bldz. 5, achterin, en volgende; zoo ook in andere geschriften uit dien tijd, over ʼt zelfde onderwerp, reeds in 1630; ook nog in staatsstukken plusminus 1770.
gissen, gissen, zie: zinnen .
gist, gest*, ook in: om gest en kenijlwoater (of: sneiwoater) loopen = rondloopen zonder iets uit te voeren.
gisteren, guster, gister of gisteren; vergel. vrund = vrind, dusselboom = disselboom, gunders = ginder; in ʼt Nederlandsch: lus en lis.
glaasje, glaske, (Ommelanden) = glaasje en: ruitje, of venstertje, Stad-Groningsch gloassien.
glaasjetikken, glasketikken, zie: deurtjeschellen .
gladsmeer, gladsmeer, vooral in ʼt Westerkwartier gebruikelijk voor glimsmeer *.
glas, glas*, glazen kom, in: visglas, goldvisglas; (ook Nederlandsch) In de beteekenis op bldz. 520 ook elders, maar alleen in de aangehaalde uitdrukking.
glasgordijn, glasgedien, glasgerdien (in geschrifte, ook in officieele aanbestedingen v.d. Raad d. stad Groningen: glasgordijnen) = gordijn voor een venster, venstergordijn, ter onderscheiding van “overgordijn” v. Dale heeft “glasgordijn”, maar in engeren zin.
gleer, gleer, zie: fleer .
gloednieuw, gloudnei*, bij v. Dale ook “nagelnieuw”, “splinternieuw.”
gloeiendig, glenneg, (Stad-Groningsch) voor glen *: ʼn glennege steern,
gluip, gloep*, vergel. ook glup *.
gniffelen, gniffeln*, vergel. kniezen *.
gobbe, gōbbe*, het Engelsche “gubber” is alleen gewestelijk (Sussex.)
gobbe, gōbbe*, gōbse*, Hoogduitsch Guss.
godsblok, godsblok, zie blok *
godsgriezelachtig, godsgriezelachtig, zie griezelachtig *.
godverdikkie, godverdikke, zie verdikke *.
godvergeefmij, godvergeemie, een vloek, samengetrokken uit den ook elders bekenden uitroep: god vergeef’ me (de zonde)! hiervan weer het bijvoeglijk naamwoord vergeven * of vergeefmes (bldz. 573.)
goed, goud*, (bldz. 521), Nederlandsch: nog wèl zoo mooi, enz. = nog iets mooier, enz.; verder: dat gait nijt goud! = dat gaat niet op! gij handelt niet eerlijk! vergel. getroud * en van rechten *; zie ook: spul . Met het slot van ʼt artikel te vergelijken: vieze varkens worden niet vet.
goed zo, goedzoo!, goudzoo, Stad-Groningsch (zelden, en alleen tegen gelijken of minderen, goudzoo) of: ʼt is wel! = ik zal er voor zorgen! Ook in de beteekenis van bessoo *, doch dàn ook Nederlandsch.
goedenavond, gounoavend*, guinoavend*, gnoavend, gnoavens, noavend, (bl. 521): Stad-Groningsch guinoavend *; ʼt klinkt ook wel gnoavens; noavend , samentrekking van g’noavend en dat weer voor gounoavend * [bldz. 521]: noavend m’kander = goeden avond zamen! = Fransch [gemeenzaam]: bonsoir, la compagnie! – vergelijk m’kander en tweibaiden *.
goedendag, guindag, zie goundag * (bldz. 521.)
goh, goi, uitroep, meest van verwondering (ook Friesch), denkelijk samentrekking van “godje”, vgl. godjes * en ochoi * (bldz. 547.)
golf, gol, zie goul *.
goliath, goliat*, vergel. Groningsche Volksalmanak, 1840, bl. 156.
goochem, gogum*, gochom, bij v. Dale: goochem, aan ’t Hebreeuwsch ontleend.
goor, goor*, “gaar” en “goor” in de hier genoemde beteekenissen ook bij van Dale.
Goorecht, Goorecht, Goregt, (Het), ook wel eens Drentherwolde genaamd: een voormalige heerlijkheid, de omstreken der stad Groningen (vooral ten zuidzuidoosten) beslaande. Vergel.: Westerkwartier .
gortig, görtig*, in den zin van “vinnig”, komt overeen met “gortig” en “garstigheid” bij v. Dale; de verklaring is aldaar echter onjuist, en dat is zelfs ʼt geval in het groote Woordenboek der Ned. Taal van Dr. M. de Vries enz.! De oorzaak is de blaasworm, d.w.z. de larve van den lintworm.
gouden benen, golden bijnen, zie piepen * 2.
graft, graft*, ook = graf, Hoogduitsch Gruft; vergel. genōcht * en begrafnis . Oudtijds schreef men “’t gracht” = ʼt graf, en “gracht-steden” = grafplaatsen, o.a. in Amstelredams eer ende opcomen, bl. 264 en 265 van de uitgave van 1639.
grap, grap*, ook in: hij het de grap d’r of = schept er geen behagen meer in; evenzoo: de grap is d’r of.
gras, gras*, groas, 2, vergel.: wassen ; niet de spreekwijze “te hooi en te gras” te vergelijken de in ’t Nederlandsch in geheel andere beteekenis gebruikelijke bijwoordelijke uitdrukking “te hooi en te gras” (ook wel: “bij hooi en bij gras”) = zelden. Zie ook te gras *.
grasboter, grasbotter, zie stalbotter *.
grauw, grou, zie grau *.
grauwerwt, grauàften, grauàrten = grauwe erwten.
grauwstaart, grausteert, zie korenspōrk *.
greid, grijde*, ook het plaatsje Groede, in Zeeland, zou hieraan zijn naam te danken hebben
greintje, groantje, (Hoogduitsch Gran, Nederlandsch grein), zie biet * (hl. 503.)
grendel, gröndel, grundel, grendel; vgl. förm, zölde (zulde), zöls (zuls), zös.
grendel, grundel, zie gröndel .
grep, grup*, (bl. 138 en 522), vgl. bij v. Dale: grep, grog, grup.
grib, grib, gribbel *, veelal met ien inplaats van op.
gribbel, gribbel*, vergel. tuuk *.
griezel, griezeltje, zie biet * (bldz. 503.)
griezelen, griezeln*, bij v. Dale: griezelen en griezelig.
gril, gril*, Hoogduitsch grell.
grilkijker, grilkieker*, bij v. Dale grilkijker.
groenerwt, gruinàrften, gruinàrten = groene erwten.
groenland, groenland, in geschrifte voor gruinland *.
groenmank, grijnmank*, in Duitsche veenstreken verbasterd “Greman”, dat daar echter alleen de beste soort, namelijk sponturf, beteekent.
groep, group*, Hoogduitsch Grube = groeve. Het Engelsche woord “groop” komt alleen gewestelijk voor, evenals het door ten Doornkaat aangehaalde “grup”: zie Th. Wrightʼs Provincial Dictionary. Ten Doornk. geeft “groop” als Noordfriesch op. Vergel. verder grup * (bldz. 138 en 522, ook de aanteekening) en zie ook geut *.
groepfeil, groupfail, zie kezoan *.
groet, groutenis*, hierbij ook: ʼk ze1ʼt woarnemen.
grof, grofkes, en groven , zie fientjes *.
grom, grōm*, bij v. Dale = ingewand, vuiligheid.
grondvergadering, grondvergoadering*, eigenlijk = vergaderlng van kiezers; in beide beteekenissen ook bij v. Dale.
groot, groot*, ook = duidelijk: ʼt steit’r groot genōg = gij ziet er voorbij, gij kijkt niet goed toe.
grootknecht, grootknecht*, vergel. vent * l, Hoogduitsch Grossknecht.
groots, groots*, (bldz. 522), bij v. Dale: grootsch.
gruis, groes, gruis, ien groes: tot gruis.
gruwel, grouel, en grouwel, zie griezel * en vergel. het Hoogduitsche werkwoord “grauen” = huiveren, en evenzoo het zelfstandig naamwoord “Graven” = huivering.
gruwelwater, gruwelwoater*, Engelsch ook: watergruel.
guichel, guchel*, guuchel, vergel. keukeln * en babbelgugies *; bij v. Dale: guichelen = goochelen, guichelspel = bedrog.
guichelspel, guuchelspul, zie guchel * (ook de aanteekening.)
guizen, goezen*, vergel. roazen *.
gunnen, gunnen, ʼk bin ʼt hōm wel gunt = ik gun het hem gaarne.
gust, gust*, gast, garst, hij v. Dale = niet drachtig, en fig. = schraal.
gut, chut, chit, chitte, zie git *.
ha, hah!, uitroep van afkeer of tegenzin.
haag, heeg, zie: deur de heeg hoalen * en hegen * l.
haalstok, hoalstok, hoal* (bldz. 526) en vgl. moord * (bl. 270.)
haar, hoar*, lees op bldz. 159 I 11 v.o.: dat hom de hoaren hijt wordden = dat hij boos werd; zie ook ’t hoar * (bl. 419.)
haberdoedas, oabeldoedas*, bij v. Lennep: labberdoedas.
hagen, hagen*, hoagen, bij v. Dale: verouderd.
hak, hak*, “op hak”, elders “hak op”. Zie verder hakken *.
hak, hakken*, zie ook koar * (bldz. 213, tweemaal); voor: “an de hakken trekken” hoort men ook: de hakken optrekken; de spreekwijze “ʼt het nijt veul om hakken”, evenals de daarmede analoge uitdrukking “niet veel om ʼt lijf”, is ontleend aan de gewoonte der bijen, om was tusschen de oksels der achterpooten, en stuifmeel tusschen de haren op het lichaam, naar de korven te dragen.
hakhoorn, hakhoorntje*, bij v. Dale, schoenhorentje of schoenaantrekker.
hakketakkerij, hakketakkerij*, vergel. hij v. Dale: harrewarrerij en hassebasserij, in andere streken: hikketakkerij en hissebisserij; vergel. ook de reduplicatieʼs: “halterkwalter”, “henterdetwenter” “himphamp”, “koeskas”. “poespas” en verder: fikfakkerij, flikflooien, kiskassen, viezevazen, wissewasjes, enz. enz.; zie vooral dikdakken *.
hakvat, hakvat, zie hakbret *.
halen, hoalen*, vergel. huil .
halen, huil, hiel, hil, (beschaafder: hiel ), zie houl *.
half, half*, als zelfstandig naamwoord voor “helft”: hij wijt ʼr ʼt halve nijt van, de halven lezen ze nijt, de halven stoan dʼr nog, (Latijnsche constructie.)
halftijds, halvetied, hàlftied, Westerkwartier hàlftied = de helft (of eigenlijk: ʼt grootste deel) van den tijd: hijʼs halftied zijk; ook hoort men halftieden, evenals hijltieden*.
halfwijze, halfwieze*, Engelsch: half-wit.
hals, hals*, zie ook kou * en verkomen *.
halsboog, halsboge, zie halsbou *; bij v. Dale (verouderd): “halsberg” = pantserhemd.
halster, helster*, (bldz. 525), vgl. behelsteren *.
hamrik, hamrik, zie hammerk *.
hand, hand*, zie ook stoan *; mit handen omkeerd = geheel veranderd, vooral van karakter, (ook Friesch): Nederlandsch “omgekeerd als een blad aan een boom.”
handen, handen*, bij v. Dale = gemakkelijk zijn in ʼt gebruik.
handen, handjen, zie tandjen * (bldz. 568.)
handgat, handgat, zie buusgat *.
handomdraai, handomdrai*, Nederlandsch: hand-om-draaien, ook in algemeener beteekenis.
handschoen, hanschen, voor hansken *, vergel. holschen *.
hanenbout, hoanebolten*, hanebolten, Fout:510
hangelpeer, hangelperen*, (bldz. 523): in ’t Oost-Friesch een langwerpige peersoort.
hardbakken, harbargen, herbergen, hardbakken (aardewerk), bvb. Keulsche potten; om minder plat te schijnen spreekt men van herbergen potten, en verbastert daardoor het woord nog meer, zonder aan zijn oorsprong te denken.
hardegeertje, hardegeertjes, zie keeskes *.
harden, harden*, harren*, vergel. het Hoogduitsch “harren” of “ausharren” (Nederlandsch uitharden) = wachten, dulden.
hardop, hardop*, ook bij v. Dale.
hardschillig, hardschild*, vgl. bij v. Dale “hardschillig”.
harrejakkes, harjasses, harrejasses*.
hart, hart*, “zijn hart ophalen” in ’t Nederlandsch = tot verzadigens genieten; “van zijn hart geen moorkuil maken” is algemeen Nederlederlandsch; ʼt hart knipt (= knijpt, nijpt) ijn (of joe) dicht = ’t is een deerniswaardige toestand; zie ook van harten * (bldz. 572, en ook de aanteekening); “gezond van harte” ook elders.
hart, van harten*, (bl. 572): ʼt gait nijt van harten = het gaat met tegenzin; “van harte” en “van harten” beide Nederlandsch, hoewel niet bij v. Dale: ʼt laatste o.a. in Gez. 26 vs. 5.
harten, hartens, zie: schuppens .
hartstikke dood, hartstikkend dood*, bij v. Dale = hartstekendood; ook elders hoort men “hartstikkedood”, dat bij Vondel o.a. luidt: hartsteek dood = morsdood.
haspel, haspel*, het ook bij ten Doornkaat opgegevene Engelsche “to himp” en “himple” zal gewestelijk zijn; het Oostfriesche “stotteraar” moet “stumper” zijn; v. Dale heeft: ʼt sluit als haspels in een zak.
hawaar, awoar*, Engelsch: aware; in Holland: hawaar! = ziedaar!, als men iemand een klap geeft; vergel.: holdoar .
hawaar, alwoar!* , vergel. awoar * (ook de aanteekening.)
, hui*, zie ook heu *
, hij*, bij v. Dale komt “hei” in geheel andere beteekenis voor, namelijk evenals “heh” een verlangen te kennen gevend, terwijl de daardoor toevallig met de onze eensluidende zegswijze “’t is altijd hei of fij met hem” iets geheel anders beteekent, namelijk: hij valt altijd in uitersten, ʼt is altijd hollen of stilstaan. Vergel. hiermede hui *.
hebben, hebben*, vgl. Hoogduitsch sich gehaben = zich gedragen en het Nederlandsch: onhebbelijk.
hebben, hemʼ, zie hebben * (bldz. 524.)
heden, heden*, (uitroep), bij v. Dale: heden mijn tijd!
heden, heden, (zelfstandig naamwoord) in: op ʼt heden of op dit heden = op dit oogenblik.
heel, hijl*, hierbij ook hijl nijt = in ʼt geheel niet, geheel niet (elders wel: heel geen), Hoogduitsch gar nicht, (vergelijk: nooit ); hìj1 we1 (zonder klemtoon = stellig) “al mien best”; vergel. ook “heel” (2) bij v. Dale.
heel en al, hijlendal*, (bldz. 174 en 528), Nederlandsch: heel en al, heelegaar, heelemaal; ook in: nijt allên doàrom, moar hijlendal, waarin het beteekent evenwel, toch, ook zonder dat; “heelendal” is goed Nederlandsch, hoewel niet bij v. Dale voorkomend.
heel om het zeil, hail om ’t zail*, vergel. hei * (bldz. 525.)
heelkees, hijlkees*, zal gevormd zijn uit hijl = lomp en Kees.
heem, hijm*, v. Dale geeft “heem” en “heim”; vergel. Heemstede & Haamstede.
heen, hen*, ook in de uitdrukking net zoo hen (of: net zoo weg), bvb.: hij zee tegen mie, net zoo hen… = het zijn zijne eigene woorden. Zie verder bie ʼt olle hen * (bldz. 503), alsmede heer * (bldz. 524) en vergel. onderhen en: omtrent .
heengaan, hengoan, te werk gaan: ʼk bin hengoan en hebʼn piep opstoken (ook wel elders); vergel. tougoan *.
heenschrijven, henschrieven, aan iemand schrijven, bvb.: ʼk heb(ʼm) henschreven; zoo ook: ʼk heb ʼt hōm (of hōmʼt) henstuurd, of alleen: ʼk heb henstuurd = ʼk heb een boodschap gezonden; ʼt zullen germanismen zijn, want in ʼt Nederlandsch zou de onovergankelijke vorm door “er” moeten worden voorafgegaan.
heer, heer*, 2: het Nederlandsche “heer” of “heir” = leger of schare.
heerd, heerd*, heert, in Gelderland = heem, erf.
heers, hirs, zie heers *.
heertje, heerdje, zie heertje *.
heet, hijt*, heet = verzot, ook bij van Dale.
heetkillig, hijtkillig*, vergel. koeskillen *.
hek, hek, het houten raam, dat op een doodkist en later tijdelijk op het graf wordt gezet; vgl. ophoogsel * (ook de aanteekening) en dekken *.
hekje, hekje, raamhorretje, ook: rekje; vergel. hekke *.
heksenbijl, heksebiel*, bij v. Dale: er met de ruwe bijl inhouwen.
held, held, zie keesköst * (bldz. 531) en vgl. roemte *, alsmede Nederlandsch: een held op de ruimte.
helft, helfte*, meestal zonder lidwoord, en in de uitspraak verminkt tot helde, o.a. in ʼt Stad-Groningsch: helde meer.
hellig, hellig*, vergel. verhellegen *; ook bij v. Dale.
helling, helling*, ook bij v. Dale.
helpen, hulpen, hōlpen, geholpen, verholpen.
hemdrok, hemdrok*, zie ook enter *.
hemelen, hemmeln*, bij Bilderdijk (Floris V): (bladz. 22); “Kom, Woerden, schuif die wolk, die door uw oogen wemelt, / Ter zijde! ’t hart verlicht! het voorhoofd opgehemeld!”
Hendrik, Hinderk*, Hin, Hinne, Hen, men hoort inplaats van “Hin”, vooral in ʼt Stad-Groningsch, vaak Hinne; “Hen” komt overeen met het Nederlandsch (gemeenzaam) “Henk”.
Hendrik, Rieks, Henderikus (nooit voor: Frederikus), is te vergelijken met “Dirk”, van [Di]derikus.
heng, heng, hier voor elk scharnier, ook bvb. van een koffer.
henzen, henzen*, vgl. Vragen v.d. Dag 1897 (XII), bldz. 196.
herdommen, herdommen*, in: zelst ʼt wel herdommen = gij zult wel tot andere gedachten komen, als repliek op het: ik verdomʼt van den vorigen spreker.
herfst, harst*, meestal onzijdig; zie winter * (bldz. 579.)
herfstflikker, harstflikkers, het weerlichten aan de kim, des avonds in de herfst: een voorbode van koude.
herhouden, heerhollen*, vergel. veurhollen * en het Duitsche herhalten = toehouden, uitstaan, verdragen.
herrie, herrie*, ook elders in de spreektaal.
hersenen, harsens, zie broagen *; ook elders (zie v. Dale.)
hersenschrabben, harsenschrabben*, vergel. kopschrabben *.
hesveulen, iesvool*, vergel. hiesvool *.
heten, hijten*, Hoogduitsch heissen = bevelen; idem, bldz. 528, zie ook krai *.
heugen, hugen*, vgl. meuge * en bij v. Dale “heug” = smaak of zin, bvb. in: tegen heug en meug.
heukerig, heukerg, zie ook heukerswinkeltje *.
heun, heun*, vergel. hoamel *.
hierlangs, hierlàngs, zie: langs .
hierzo, hierzoo*, enz., ook elders in de spreektaal. Ook hoort men wel den uitroep: och, hierzoo …, voor: och, hoe heet hij (of: het) nu ook weer, enz.
hijmen, hiemen*, bij v. Dale (gewestelijk): hijmen.
hijs, hies*, vgl. hijs, hijze, bij v. Dale.
hikhakkerij, hikhakkerij*, vergel. kikkakken *.
hippen, hippen*, bij v. Dale “hippen” of “hippelen” = huppelen.
hitsig, hetsig*, hitzig, bij v. Dale: hitsig, hittig; hitzig (zie bijst *.)
hitten, hetten*, de oorspronkelijke vorm van het werkwoord is natuurlijk hettenen, vgl. tijken * enz.
hn, hn, zie n *.
hobbelstuit, hobbelstuut*, “stuut” zal hier “podex” beteekenen. (Nederlandsch “stuit” of “stuitbeen.”)
hoe, hou*, hoe, zie ook hou en wat * (bldz. 528) en hou of wat * (item), ʼt laatste ook hij v. Dale; verder in de vragen: hou dàt? of hou dàt zoo?, hou dèn? = hoezoo? (gemeenzaam hoe dàt?), houʼs dàt zoo? = hoe komt dat, waar ligt dat aan? hou isʼt? = wel? zoo? wel zoo?!, zoo ook: hou isʼt, binʼj weer beter? = wel! zijt ge hersteld? hou is ʼt nou?! – hoe nu? (zijt ge ziek? enz.), hou wordʼt? hoe staat de zaak? wat is uw besluit?
hoe menig, houmennig, zie mennig *.
hoe zo’n, houzoon, (hoe zoo een) = houʼn.
hoe zulk, houk, houke*, welk, evenals houke* samentrekking van houzōk(ke.)
hoe zulk, houzōk, houzōkkend, houzōks, = houke* hooks* (bldz. 528.); (hoe zulk) = welk, hoe, hoedanig: houzōk weer was ʼt?
hoe zulk, houks*, (bldz. 528), samentrekking van houzōks.
hoede, hude*, vergel. utepot * en het Hoogduitsch hüten = bewaren, behoeden of beschermen.
hoedepot, utepot*, Vlaamsch: hudepot, vergel. hude *.
hoedje, hodje, (o.a. bldz. 279 II onder): zie hotje *.
hoedjebal, houdjeballen*, vgl. hij v. Dale (4e druk): hoedjebal.
hoek, boeke, zie hoek * 1.
hoekbuffet, houpkefet, (Hoogeland) = houpelfet* en aldaar ook schertsend voor: spinneweb in een hoek.
hoeken, hou, zie hauken *.
hoeveel, houveul, in houveul (geld) isʼt? = hoeveel ben ik schuldig?, vgl.: wezen.
hof, hof*, ʼt is hier open hof, zegt men, wanneer de gordijnen afgenomen of hoog opgetrokken zijn, of als men bij lamplicht de luiken niet gesloten heeft; “open hof” beteekende oudtijds: audiëntie; vgl. spei * 2.
hoftig, hoftig*, vgl. oetdruftig *.
hoger verzoeken, hooger verzuiken, zie: annemen .
hogerop gooien, hoogeropgooien, zie: annemen .
hok, hok*, zie ook hokken *.
hok op rij, hok-op-rieg*, vergel. riegen *.
hokkefotten, hokkefotten, zie omhokkefotten *
hol, hool, zie hole *.
holbol, holbol*, holbollig: hij v. Dale “holbollig” = kluchtig.
holderdebolder, hōlderdebōlder*, hulterdebulter*, vergel. Hoogduitsch “holterpolter” = hals over kop, van “poltern” = stommelen, bulderen; hiermede is verwant: bolderwagen. ʼt Woord komt ook bij v. Dale voor: hulterdebulter* zal gewestelijk de juiste spelling zijn.
hols, holschen*, bij v. Dale: holsblok = klomp.
hompel, hampel*, Hoogduitsch Hampelmann = marionet.
hond, hond*, zie ook komdijern *.
hondenklamaai, hondeklemai*, oudtijds bekleedde onder de volksgeneesmiddelen een voorname plaats de “hondenklamei”, de witte excrementen van uitsluitend met beenderen gevoede honden, door de geleerden “album graecum” genaamd.
hondenslager, hondesloager, hondsloager*; vgl. v. Dale: hondenslager.
honderd, honderd*, Nederlandsch “honderd tegen een.”
honger, honger*, men hoort ook dörst as ʼn peerd en inplaats van “vast as’n hoes” ook: vast as ʼn muur (doch dit beide ook elders); verder behoort hier nog bij: kold asʼn bot (visch.)
hongerlap, hongerlap, zie spitlikker *, Nederlandsch: hongerlijder.
hoofdkaas, heufkees*, “hoofdkaas”, “hoofdvleesch”, bij v. Dale, die tal van gewestelijke namen voor deze lekkernij opgeeft.
hoofdvlees, heufvlijs, zie vinken *.
hoog en breed, hoog en brijd*, (bl. 527), zie: brijd .
hooi, heu*, hierbij de spreekwijze: as hakt heu deur ʼn ander (Ommelanden: as sloagen heu, zie sloagen * 2); is hooi in de Ommelanden meer gebruikelijk dan heu?
hooien, hooien, zie zwelen *.
hoop, hoop, hoope, te hoope* bij v. Dale: te hoop loopen = samenscholen (alleen van personen.)
hoop, hoopen*, vergel. dijl *.
hoop en al, hoop-en-al, ʼt zel hoop-en-al wezen = ’t zal te bezien staan, men mag van geluk spreken; eigenlijk: ʼt is alles wat men hopen kan en mag. Men hoort elders wel: ʼt is maar één gulden, hoop en al! = de heele hoop (massa, rommel of boel) heeft maar één gulden opgebracht; hij verdient hoop en al (= hoogstens) duizend gulden (ook Vlaamsch.)
hoorn-doorn-kruipuit, horendoren-kroepoet*, (bldz. 528) in het Westerkwartier luidt deze deun: koekoek, breiboek, steek dien allevier horentjes oet, ans zel ik die dooden.
hoorntje, hoorntjes, zie elfringen *.
hoos, hoos, hoze, zie hozen * en zok * (bl. 582) en vgl. wieden *.
horde, hōrre*, 2: Nederlandsch horde.
horen, heuren, zie omheuren * en roazen *.
hornleger, hörnleger, huis met erf en tuin.
hornscheef, hörnschijf, zie hörn *.
horntand, hörntanden, zie hörn *.
hot, hot, hotte, zie hod *.
hotteren, hottern*, Hoogduitsch hadern.
hou daar, holdoar!*, Middelnederlandsch “hou daer” (volstrekt geen ruwe uitdrukking) = ziedaar; vergel.: awoar .
houden, hollen*, Nederlandsch “het tegen iemand kunnen houden.”
houden, huil, hiel, hil, (beschaafder: hiel ), zie houl *.
hout, holt, (Hoogduitsch Holz) = hout; ʼt is doar huus an huus en holt an holt = de huizen staan daar zeer dicht bij elkaar.
houten, holten*, “een houten Klaas” is algemeen Nederlandsch.
houw, houw, zie hou * 2.
houwen, hauen*, houen, zie ook snoetband *.
hozenvoetling, hozevötels*, Nederlandsch (doch niet bij van Dale) op kousenvoeten (zie bldz. 528.)
huid, hoed*, ook in: ʼn hoed oppe tong = een beslagen tong. Zie ook schurftig *. Ook = schors, schil.
huik, huugje, zie hoek * 3.
huis, huus*, zie ook hoes * en holt ; huuske* ook = het kleine netwerkje in het borststuk van een hemd, elders “spinnetje” of (schertsend) “vlooienrekje” genaamd, dienende om het inscheuren te voorkomen, in ʼt Goorecht huzentje; hoeske* zie kloekholt *.
Hummes, Hōmmes, van der Hōmmes, = het ook elders gemeenzaam gebruikte “van der Hummes”, maar hier dikwerf uitgebreid tot van der Hōmmes met de keezekuten; zie oomkòòl *.
Humsterland, Humsterland, zie Homsterland *.
hun, ’n, voor “hun” of “z’n”: mit ’n baiden = met hun beiden; vgl. nander *.
huppen, huppen*, vergel. v. Dale.
hus, hus*, in Holland “trui” of “truus”.
huur, huur*, huwelijk, ook bij van Dale; verder ook in de uitdrukkingen: hij het ʼt te huur, hij woontʼr te huur = hij heeft dat huis gehuurd, heeft het in huur.
huurcharter, huurschatter*, in geschrifte huurcerter, en als zoodanig in de Veenkoloniën eene, oorspronkelijk onderhandsche, altoosdurende en onverhoogbare verhuring: vgl. Heres Diddens, Academisch Proefschrift Groningen 1893 (vooral bldz. 95.) Zoo verkoopt nog de stad Groningen “het Recht van de Huurcerter op een Veenplaats.” De officieele spelling zou aan eene verbastering van het woord “charter” kunnen doen denken: bovengenoemde schrijver heeft zich aan eene verklaring van de afleiding of den oorsprong van het woord niet gewaagd.
huurstaller, huurstaller, zie huurschatter *
iedereen, iederenijn, zie elkenijn *.
iedermaal, iedermoal, (Hoogduitsch jedesmal) = iederbod*.
iemand, ijmand, iemand.
ien, ien*, als verkleinuitgang: in het meervoud valt de n weg, bvb. dubbeldien dubbeldies.
ij, ij*, klinkt meestal gerekt (als: aai) in ’t echte – zeer onwelluidende! – Stad-Groningsch, vooral in den mond van vrouwen, ook in de woorden: hij, zij, bij, mij, wij, zooals die voorkomen op bldz. 480 I reg. 26 en 27; in Hunsego zie = zij.
ijlhoofdig, iedelheufdeg, ijlhoofdig, bijvoorbeeld van zieken.
ijselijk, ais*, Hoogduitsch aisch = leelijk, verschrikkelijk, slecht (in Suzan’s woordenboek opgegeven) komt zelden voor; bij Grimm (Wörterbuch): eisch.
ijskrap, ieskrappen, zie krappen *, bij van Dale “ijskrap” of “ijsspoor.”
ijzer, iezer, iesder, zie schijtiezer .
ijzerkoek, iezerkoukjes*, vergel. kniepkoukjes *, ook de aanteekening.
ik, ik, krijgt in vele uitroepen den klemtoon: duvels was ik! “god, zeg ik!”
imker, iem*, vgl. Hoogduitsch Imme, Imker, en zie vooral “imker” bij v. Dale.
in, in*, zie ook te *, en vgl. inzitten *, (ook de aanteekening); zie voorts angoan * (ook de aanteekening.)
in om, inom, zie enom *; ʼt beteekent ook: rondom aan de binnenzijde, (ook scheidbaar.)
inbakken, inbakken*, bij v. Dale bakken = hard vriezen, en “het zal dezen nacht een koek(je) bakken.”
indrift, indrift*, vergel. drift *.
ineens, inins, inijnen, tegelijkertijd, zonder ophouden, inijnen = opeens, plotseling; bij v. Dale wordt in beide beteekenissen opgegeven “ineens”.
inflikken, inflikken, (bij v. Dale zich indringen), zie flikkert *.
ingaan, ingoan, zie angoan *.
inkt, enkt*, van ’t Latijnsche encaustum, evenals het Duitsche Dinte of Tinte van “tinctum”; zie Wattenbach, Schriftwesen im Mittelalter.
inktpot, inkspot, inktpot.
inktspuwersrug, hinkespeiersrōgge, (os sepiae), letterlijk “inktspuwersrug” = het rugbeen van den inktvisch, dat vaak aan ’t zeestrand te vinden is en o.a. door de ververs inplaats van puimsteen gebruikt wordt en waaraan ook vogels gaarne pikken; ’t wordt ook “zeeschuim” genoemd: zie dat woord (2e art.) bij v. Dale.
inleggen, inleggen*, vergel.: annemen .
inloeren, inloeren, inkijken, ingluren; zie: loeren .
inlopen, inloopen, zie insjouwen .
insjouwen, insjouwen, indragen van zand, sneeuw, enz. aan de schoenzolen: dat zand en mōdder (Westerkwartier mōtter) sjouwt zoo in: minder plat inloopen. De bedrijvende (onovergankelijke) vorm staat hier voor den lijdenden, wat met “indragen” in de spreektaal ook elders geschiedt.
inslaan, insloagen*, zie ook sloagen *.
inslikken, insloeken, zie sloeken *.
instippen, instippen*, ook bij v. Dale.
intikken, intikken, iemand inroepen door aan ʼt raam te tikken: ze hebben mie intikt.
inzitten, inzitten*, vgl. in *, bij v. Dale“er mee inzitten.”
ja, ja*, vergelijk het zwakkere wis * en het nog zwakkere vast *. Verder valt op te merken, dat “jawel” ook elders hier te lande in de beteekenis van: wel zeker! dat kun je begrijpen! ʼt mocht wat! ik geloof er niets van! gebruikelijk is, terwijl meer bepaald als gewestlijk Groningsch kan worden aangemerkt de uitroep weljah!, die echter alleen op zich zelf staand of aan ’t begin van een zin woort gebruikt: de l wordt bijna niet gehoord en de klemtoon valt zeer sterk op de e; vergelijk ook nou ja en ʼt Nederlandsch: wel neen!
ja genaamd, joogenaamd, jogenom, zie benoam *.
jacht, jacht*, 1, vergel. “jacht” en “jachten” hij v. Dale.
Jacoba, Koopke, (Westerkwartier) = Jacoba, Nederlandsch Koosje.
jagen, joagen, rijden, in de meeste gevallen zonder versterking van het begrip; vergel. deurjacht * en omjoagen *, bij v. D.: een trekschuit jagen. Zie ook jachs *.
jagertje, joagertje*, zegswijs daʼs veurʼt joagertje = dat is een fooi voor de moeite.
jak, jak*, Hoogduitsch Jacke; zie ook lappen * l.
jakkeren, jakkern*, ook bij v. Dale, evenals “jakken”; vergel. ook het Nederlandsche “afjakkeren.”
jandoedel, sjandoedel*, elders: jandoedel.
jank, jank*, (synoniem tjank) komt voor in het bij v. Dale opgegevene woord “moesjanken” = verliefd rondsluipen om de woning van een meisje, gevormd uit het verouderde woord “mose” = gevel of eigenl. goot en ʼt Middelnederlandsch “janken” = zuchten van begeerte, of verlangen.
janken, tjanken, haken, hunkeren, verlangen; vergel. jank *.
jasses, jasses*, jijs*, Hoogduitsch Jesses.
jekker, jekker*, jikker, bij v. Dale alleen mannelijk; van dit woord is gevormd “pijjakker” of “pijjekker.”
jen, jen*, zie verder bij groetjen *.
jeuken, jeuken*, Hoogduitsch sich jucken = zich krabben, zoo ook wegjucken (o.a. bij Goethe in Faust) = door krabben verjagen.
joechei, joechee*, Hoogduits juchhei = hoezee.
joelen, juien, joelen, zie jui* (blz. 530.)
jong, jong*, 1, zie ook jonges *; mit jong, bij v. Dale “met kind maken.”
jong, jonk*, zie ook jong *, 1 en 2.
jongejonge, jongejonge, jongesjongs, sjongsjong*, zie jongjong *.
jongen, jonges*, bij v. Dale “jongers” (gewestelijk) = kinderen.
jongen ja, jongeja*, o.a. bij Lindo: jongen ja!
jongensgod, jongesgod, zie jongjong *.
jongetje, jonje, (uitgesproken jaonje), o.a. in ʼt Westerkwartier en meestal bij het aanspreken, voor: jongetje.
jongetje, jonkje, jongetje, bij v. Dale (sub “jong” 2) als gemeenzaam vermeld.
jongkerel, jonkerel*, jongkerel, is ook elders gebruikelijk bij militairen (als zij goed geluimd zijn) tegen hunne ondergeschikten.
jonkie, jonchie, jongetje, vooral bij ernstige vermaning.
jou, jou, zie joe * 1;
judassen, judassen*, zoo ook (doch ook wel in minder gunstigen zin): gejudas ; vergel. bij v. Dale “judas” en “judassen.”
juffer, juffer, uitsluitend voor ongehuwde dames, ook bij het aanspreken. Elders geheel verouderd.
juist, just*, ook = trouwens: ie binʼ vast nijt noa stad west? ik just ook nʼt.
jus, sjeu*, bij v. Dale: “jeu” en “jus” = vleeschnat; Latijn jus.
k, k, merkwaardig is ʼt gebruik van deze letter inplaats van d of t en omgekeerd; vergel. als voorbeelden de woorden bandrekel *, blakstil *, branekkel *, alsmede op bldz. 158 “Hindertje” = Hendrikje, verder klak *, smelken *, warteldag *, ʼt Nederlandsch “kuif” en ʼt Gron. toef *. Zoo is in ʼt Nederlandsch scheurbuit (Gron. scheurbot *) verbasterd tot “scheurbuik”, in ʼt Duitsch “Stint” tot “Stinkfisch” (= grondel of grondeling.)
kaamsel, kemsel, kimsel, schimmel; bij v. Dale: kim of kaam(sel).
kaap, kaap, zie kobbe *.
kaas, kees, zie keeze * (bldz. 531.)
kaaskorst, keesköst*, (bldz. 531), vgl. hartig *.
kaaskuit, keezekuten, zie Hōmmes (van der)
kaatsbal, koatsebal, kaatsbal, Friesch kaetsebal.
kachel, kachel, veelal onzijdig: bie ʼt kachel zitten.
kadijk, koadiek, zie kaaiing *: bij v. Dale kadijk”, en de Kadijk, een gedeelte van Amsterdam.
kadijteren, kedijtern, (oorspronkelijk waarschijnlijk kadijtern) stukbreken of onklaarmaken; misschien van “caduc.”
kakkerlak, kakkerlak*, de echte kakkerlakken noemt men vrij algemeen bakkerstieken, ook elders: bakkerstorren.
kalamink, kemink*, bij v. Dale; kalamink.
kalf, kalf*, zie ook kalven *, bij v. Dale: een kalf maken.
kalot, klöt*, vgl. doedel *.
kalven, kalven*, vgl. biggen moaken * (bl. 503) en: kalf .
kalverhok, kalverhok*, vgl. heukelstalje *.
kalvermaat, kalvermoat, zie moat *.
kalvijn, kalvienen*, kevielen, bij v. Dale: kalvijn.
kamer, koamer, [in geschrifte: woonkamer ] = woning, die hoofdzakelijk uit slechts één vertrek bestaat; vaak ziet men in onze kranten den verkoop van een of meer “woonkamers” aangekondigd of vermeld.
kameraad, kammeroaten, zie gezworen *.
kamp, kamp*, vandaar De Kamp, een buitengoed tusschen Groningen en Haren; vgl. kamp (2) bij v. Dale (ook Hoogduitsch.)
kamp, kamp, voor “gelijk”, bij wedstrijden enz. (ook bij v. Dale, maar toch elders minder algemeen) en vandaar kamprit.
kamp, kamp geven*, bij v. Dale onder kamp (4.)
kan, kainke, (Ommelanden) = kannetje.
Kanaal, ʼt Kenoal, Stadskanaal: hij woont op ʼt Kenoal.
kaneelwater, kenijlwoater*, (bldz. 532) zie: gest .
kanjer, kanjer, (of kainjer?): eene pootige vrouw, manwijf. In ʼt algemeen alles wat groot in zijn soort is, ook van voorwerpen; ook wel elders.
kans, kans, in: mijste kans datʼr regen komt = er bestaat veel kans, ʼt is zoogoed als zeker, enz.; vergel. vast *.
kant, an kant*, ook in: an kant moaken = te bed brengen en zōk an kant moaken = te bed gaan. Zie ook: ber en vergelijk zied * 1 (bldz. 485) en an zied goan * (bl. 498), alsmede: kant.
kant, kant*, zie ook an kant * (ook de aanteekening): bij v. Dale “aan kant” of “aan den kant” = ter zijde, afgedaan, in orde. Als bijwoord vertaalt men kant (vgl. zuver *) wellieht het zuiverst door “waarlijk”, “werkelijk”; vergel. ook het spreekwoord “kant en klaar.” Naast “over ijn kant” staat: over alle kanten, in ʼt Nederlandsch wordt “van” gezegd inplaats v. over en er achter gevoegd: beschouwd. Hierbij ook: ʼt mot ijn kant an! = er moet een besluit genomen worden, een van twee, van tweeën een, kiezen of deelen!; vergel. an * (bldz. 496) alsmede: daien .
kantkoek, kantkouk*, ook bij v. Dale.
kaplaars, kapleerzen, zie stevel *.
kapot, kepot*, (bldz. 532) = kapot, in alle beteekenissen bij van Dale.
kapotkomen, kepotkomen, bederven, van eetwaar; zie verkomen *.
kappan, kappannen*, Nederlandsch “vorstpannen”, in het Duitsch: First- of Forstziegel.
karaf, kraft, karaf of kraf, vergel. genōcht ; ook wel elders.
kardoes, kedoes, zie kerdoes *.
karig, kar*, vgl. Nederlandsch karig, Hoogduitsch “karg.”
karnspits, karnspits*, Latijn cornu = hoorn.
karrelen, karreln*, bij v. Dale: karrelen (Zuid-Nederlandsch.)
kars, kars*, zoo hierbij (met het oog op het Oostfriesch), ook gedacht moeten worden aan den heiligen Christoph – gemakkelijk verward met Christiaan –, die, volgens de legende, buitengewoon sterk was? De zegswijze trouwens ook elders, o.a. reeds in 1792.
kars, kars*, (bladz. 28) in een boekje, omstreeks 1792 te Amsterdam verschenen, komt voor “gij zijt een kaerel als kars!”, waarmede schertsend (doch niet ironisch) iemands lof wordt verkondigd wegens ’t geven van een goeden raad.
karwij, kerwai*, zie ook koater *.
kast, kast*, bij v. Dale: kasje (spottend) = bultje.
kastenmaker, kistmoaker*, Nederlandsch kastenmaker.
kat, kat*, zie ook brei *.
katachterrad, katachterrad, vluchtig, overhaast; ook wel: gulzig, bvb. iets katachterrad opeten; vgl. achterrad *.
katapult, kattepul*, vgl. “catapult”en “kattepul” (in ’t artikel “katapult”) in den 4en druk van v. Dale.
kateker, ketijkertien*, blijkens ʼt Oostfriesch op bldz. 532 zal dit woord een verbastering zijn van ʼt Hoogduitsch: Eichkatzchen; zie vooral “Eichhorn” hij Grimm.
kater, koater*, zie ook steffen *.
katjeslijm, katjeliem, = het uit timmerhout vloeiende zeer kleverige hars; in ʼt Oldambt heet dit katjegold, volgens de Taal- en Lettersbode. 1870, bldz. 122.
katjeswinst, katjewinst*, vgl. ook bij v. Dale: eerste winst is korte winst.
katoen, ketoen*, Nederlandsch katoen geven of van katoen geven; dood ketoen beteekent letterlijk: onrijp katoen.
kauw, kau, zie kou ; verkleinwoord kauke*.
kauwelen, kaueln*, vgl. dwelmen *.
Kea, kea*, bij v. Dale: “de huishouding van Keja” = verwarde boel.
keek, kiek*, bij van Dale (gewestelijk) = keek.
keep, keep, zie neerskarve *.
keer, keer*, vergel. te keer *.
keet, keet*, in sommige streken van Duitschland Koth, Kothe, Köthe, Kathe; Engelsch: cottage.Van dit woord zou de geslachtsnaam ten Cate of ten Kate gevormd zijn; vergelijk keuterboer *, ook de aanteekening.
keilputsteen, kielputsteenen, (eigenlijk “keilputsteenen” van keil = wig) zijn een soort van baksteenen, die voor ʼt metselen van putten worden gebruikt en van boven gezien dezen vorm [illustratie] hebben; voor een dergelijk doel dient vellingsteen [illustratie], die natuurlijk haar naam heeft van hare overeenkomst met vellings* of valgen (buitenste omtrek van een rad.) Beide soorten noemt men te zamen putsteenen.
kelen, kelen*, het Hoogduitsch kallen wordt zeer zelden gebruikt, alleen Grimmʼs Wörterbuch geeft het op; vergel. ook het Hoogduitsch Keller = geronnen melk.
kemenade, kimnoa*, te vergelijken met het Middelnederlandsche “kemenade” of “kemmenade” = slaapvertrek, afgeleid van ʼt Latijnsche caminus, Fransch cheminée, Hoogduitsch Kamin.
Kenau, Kenau, zie Goliat *.
kennen, kōn, kende, zie kennen *; menig Groninger zal, Nederlandsch willende spreken, zeggen: “ik kan hem niet”, inplaats van ik ken hōm nijt, en maakt daardoor juist de fout die hij wilde vermijden!, vergel. harbargen (bladz. 22.) Ook elders verwisselt men “kennen” en “kunnen”, bvb. ik kan (of: kon) mijn les, enz.
kerel, kerel*, zie ook hartig *.
kerelachtig, kerelachtig, zie kerel * en mannelk *.
kereltje, kiddeltjes, kirreltjes, poppetjes: kiddeljes tijken = poppetjes teekenen; ʼt staat natuurlijk voor: kereltjes.
kerf, karf*, vgl. spoan * (bldz. 565.)
kerk, karke, kaarke, = kerk, zie kerk *.
kerk, kerk*, zie ook stad *.
kerkplaats, kerkploats, (klemtoon op de 2e lettergreep) = zitplaats in een kerk.
kerkvolk, kerkvolk, kerkgangers en -gangsters.
kers, kers, zie kleine knopkiek *.
ket, ket*, ʼt Nederlandsche “uit den band” heeft ongunstige beteekenis; zie ook klensterboerken .
kettingeg, kettenaid*, vergel. aid *.
keukelaar, keukelder*, ook de familienamen Keukeler en Dekeukelaere komen elders voor.
keukelen, keukeln*, Hoogduitsch gaukeln, Friesch jongler, Latijn joculari; bij Kil. “kokelen” (Sax., Fris., Sicamb., Holl.) en “guychelen”, alsmede “kokeler” en “guycheler.”
keur, keur*, in op keur = ter keuze, op zicht, ter bezichtiging, op beziens, ter inzage. De titel van het verhaal “Schoenen op keur” verraadt de Groningsche afkomst van den schrijver Koopmans van Boekeren; toch ook wel elders.
keurboom, keurboom*, ook bij v. Dale.
keuterboer, keuterboer*, Hoogduitsch nog Köther, Köthener en ook Käther; bij v. Dale: kater of keuter = kleine pachter; vergel. keet * en Nederlandsch “kot.”
kiebig, kiepig*, (waarvoor ook tiepig); vgl. Nederlandsch kittig.
kienspel, kienspil*, bij v. Dale: kienen, kienspel.
kiep, kiep*, 1, vergelijk oabram *, Hoogduitsch Kiepe, elders ook wel “kieps.”
kiep, kip, zie kippe * en vergel. kip (5) bij v. Dale; in ʼt Hoogduitsch Kiepe = stroohoed.
kiepekorf, kiepekörf*, kiepekorf (gewestelijk) ook elders.
kiepelton, kiepeltun*, zal “stortton” beteekenen; in Noord-Holland hoort men “kiepelen” voor: tuimelen (HD, kippen [soms: kippeln] en Kippkarren = wipkar, stortkar.)
kieskillen, koeskillen*, bij v. Dale: missen als kiespijn.
kietelen, kiddeln, kittelen; zie kirreln *.
kif, kif*, ook Nederlandsch, Hoogduitsch Kiff.
kijf, kieve*, Nederlandsch kijf.
kijken, kieken*, “als een kat in een vreemd pakhuis” ook Nederlandsch en in uitgebreider beteekenis.
kijken, moar kiek!, een stopwoord = maar ge begrijpt wel.
kijker, kiekert*, bij v. Dale: in de kijkers.
kil, kel*, (ook bladz. 29): bij v. Dale (4e druk) als bijvoeglijk naamwoord = kil, gewestelijk = verschrikt, angstig.
kil, kel*, vergel. de spreekwijze: ik werd er koud van.
kind, kind, zie jong * 1; “mit kind” ook bij v. Dale sub “kind”; kiend, zie kallen *; kinder, zie nijmand *. kind van hoes, zie schoon *; te kinde, kindsch: hij ʼs hijlendal te kinde.
kind, te kinde, kindsch: hij ʼs hijlendal te kinde.
kindelbier, kindelbier*, vergel. bij v. Dale “troostelbier” en “troostelwijn”, welke woorden oudtijds begrafenismaal beteekenden.
kindermaat, kindermoat, zie moat *.
kinnetje, kintje*, bij v. Dale: kinnetje.
kipperen, kippern*, “kipperen” gewestelijk zeer algemeen hier te lande.
klaar, kloar*, (bldz. 533): klare jenever (gewestelijk klare) is algemeen Nederlandsch.
klaarlichte dag, kloarlichtdag*, het bijvoeglijk naamwoord “klaarlicht” ook bij v. Dale.
klaarlopen, kloarloopen, goed afloopen, in orde komen; ook wel elders, het omgekeerde van “misloopen.”
klaarraken, kloarroaken, het eens worden.
klad, klad, zie klak *
kladder, klatter, zie kladder *.
kladschuld, klikschulden*, bij v. Dale: kladschuld, kliekschuld.
klankgat, klankgoaten, Nederlandsch galmgaten, bomgaten of bommelgaten.
klapmand, klapmand, boodschapmand met twee kleppen.
klauw, kloave*, misschien verwant met het Fransche enclave en ’t Latijnsche clavis, stellig met Hoogduitsch Kloben = gaffel.
klaveren, kloavern*, klaveren, vergel. valgen *.
klaveren, kloavers, zie: schuppens .
kleerscheuren, kleerscheuren*, ook bij v. Dale.
klei, klai, zie klei *.
kleien, klaien, zie eerdappelruden *.
klens, klenzebak*, bij v. Dale klens = zeef, enz.
klenzeboerken, klenzeboerken*, klensterboerken*, wordt in ’t Westerkwartier (waar men zegt: klensterboerken [zie bl. 533]) geheel anders gespeeld, dan op bldz. 203 wordt aangegeven: één tikker begint, men geeft elkaar de hand, en langzamerhand vormt zich een ket, totdat allen gevangen zijn.
klets, klets, zie kletslullen *.
kletsdoornat, kletsdeurnàt, pleonastisch voor “klètsnat” of “dòòrnat”; ook wel elders, vgl. dwàrsdeurnat .
kletter, kletter, volgens v. Dale in Groningen = putter of distelvink.
klijn, klien*, het Hoogduitsch “Klün” bestaat niet.
klikker, klikker*, “klikker veur” ook figuurlijk voor: op ʼt punt, op ʼt nippertje (op ʼt leste tikje, bij v. Dale: op het tipje.)
klingelbuil, klungelbuultje*, bij v. Dale: klingelbuil.
klink, klink*, ook in: ʼt oor [of ʼt oog] op de klink hebben = scherp toeluisteren of toezien.
klits, klits*, vgl. “klits” bij v. Dale ook in twee beteekenissen.
klobbe, klōbke, zie klōbbe *.
klokkenstoel, klokstoul*, ook: het onderste deel van een soort van klok, welke men meestal in keukens aantreft, vergel. stoulklok *; met de beteekenis op bldz. 206 en 534 komen overeen “klokkegalg” en “klokkestoel” bij v. Dale.
klokslag, klokslag*, ook Friesch; oudtijds: bekendmaking namens de overheid, door ’t luiden van een klok of bel, zie bvb. A. J. v.d. Aa, Aardrk. Wbk., dl. XI bl. 537 midd.
kloksmeer, kloksmeer, fooi, aan de dorpsjeugd uitgereikt, voor ’t helpen luiden der klok.
kloostersteen, kloosterstijnen, zware baksteenen, waarvan oude gebouwen, bvb. vele kerken, zijn gebouwd; de beteekenis komt overeen met die van poapkullen*; Nederlandsch reuzenmoppen.
klophengst, klaphingst, bij v. Dale “klophengst” zoowel gecastreerde hengst, als een hengst, die, doordat de testes binnen het lichaam gebleven zijn, daarvan niet beroofd kan worden; vgl. klop *.
kluft, kluft, zie klucht *.
kluit, kloet*, vergel. klonten * en proppen *; zie ook botjevoaren * (bldz. 506.)
klunderen, klōndern, zie klundern *.
klungel, klongel*, klungel*, bij v. Dale ook = vod; klungelen = beuzelen.
knal, knil, zie fuut *.
knapper, knappert*, Nederlandsch (gemeenzaam) oude knapper = oude knaap.
knar, knarre, zie knagge *.
knarsbonk, knirselbonk*, Nederlandsch knars[e]been.
knarsen, knarsen*, knirsen, Nederlandsch knarsen, knersen, Hoogduitsch knirschen.
knaster, knaster, knappert*: olle knaster vooral voor een leerling die langzaam vordert en daardoor door de jongeren wordt ingehaald en ten slotte achterblijft.
knecht, knecht, zie grootknecht * en vergel. vent * 1; meervoud knechten, uitsluitend voor: knechts, bvb. maiden en knechten = dienstpersoneel; vergel. boer *.
knetteren, knittern*, knitterslag*, ook bij van Dale.
knevelteend, kniffeltoond*, vergel. schaihak *.
knier, kenijeren, zie bochtkenijern *.
kniezen, kniezen*, vergel. gnistern * en gniffeln *, alsmede het Hoogduitsch knirschen.
knijf, knief*, Hoogduitsch Kneif.
knijpkoekje, kniepkoukjes*, (elders: knijpertjes), vergel. iezerkoukjes * (bij v. Dale ijzerkoek.)
knijptang, knieptang, nijptang; v. Dale geeft ook: knijptang.
knipklei, knipklei, zie vaalland .
knippertje, knipperke, (op ’t) = op het nippertje, vergel. Nederlandsch knijpen en nijpen.
knisteren, gnistern*, Hoogduitsch knistern, knirschen.
knoedel, knoedel*, [bldz. 211 en 534]: vergelijk ook het Hoogduitsch Knauel of Knäuel.
knoei, knooi, knoei; figuurlijk voor knak of schok, door ziekte of verdriet veroorzaakt; ook wel = stoffelijk nadeel. Bij v. Dale in de beteekenis van duw, mishandeling; zie aldaar “knoei”, “knoeien”; vgl. ook ’t Nederlandsch knauw.
knoeien, knooien*, zōk knooien = zijne gezondheid benadeelen.
knoest, knoestje, zie bōdden *.
knoop, knup, knoop; zie anknuppen *.
knop, knoppen, [vgl. steltje *]; knopkes, oorknopkes = oorbelletjes, kleine oorhangers; ook elders.
knopkiek, knopkiek, zie kleine * [bldz. 533.]
knuffelig, knoffelg*, en knoffeln*, bij v. Dale knuffelig en knuffelen.
knul, knul*, zie ook goele *; in beide beteekenissen ook bij v. Dale.
knut, knuut*, gnuut, ook uitgesproken gnuut.
koe, kou*, zie ook hollandse *; de uitspraak luidt juist zoo als ’t Engelsche cow; meervoud koien, ook kouien.
koebalk, koubalk*, vgl. hild *.
koek, kouk*, vgl. kool *.
koekerd, koekert, (Hoogeland) = guit, snaak, oolijkerd.
koekoek, koekoek*, zie ook: horendoren -kroepoet . Verder: bist bang veur koekoek? [voluit: bist bang dat koekoek die op handen schit?] als schertsende terechtwijzing tegen iemand die zijn handen in zijn zakken heeft of tegen eene vrouw die ze onder haar boezelaar verbergt.
koerier, koerâier, zie kerijr *.
koesen, koesen*, [bldz. 535], Hoogduitsch kuschen; vgl. koesken * en koetsen *, bij v. Dale: zich koesen.
koetsen, koetsen*, vgl. koesen * [bldz. 535] en koesken *; ook bij Kiliaan.
koetspaard, koetspeerd, zie driest * [bldz. 514.]
koffie, kōffie*, vgl. stinkende boon * [bldz. 566.]
koffiekraan, kōffiekroan, de koperen kraan of liever tuit, van een koffiepot afkomstig, gebruikt om, aan een houten handvat bevestigd, met kruit te vullen en met een lont af te schieten: een zeer af te keuren speelgoed.
kogel, koegel*, kuugel, (Hoogduitsch Kugel), ook = kogel in ’t algemeen, de oe eenigszins slepend; dit woord is met schoet* (schuut) een der weinige voorbeelden van verandering der o of oo in oe of uu; “koegel” ook in ’t Nederlandsch der 17e eeuw.
kogelen, koegeln, schertsend voor: werpen, smijten; bij v. Dale: kogelen en omkogelen.
kokinje, kekijchie, Stad-Groningsch voor kekijltje *.
koksiaan, Koksioanen*, vergel.: Germuisten .
Kolonie, Kloonies, de Kloonies, Fout:509
kolsem, koldzwien*, Hoogduitsch ook wel: Kolsem, Kolschwein, Kolschwinn, Kielschwinne, [alleen ’t laatste – Nederduitsch – bij ten Doornk.]
kom, kom, zie boksem *.
kom-alle-dag, kom-alle-dag, zie ornoarie *.
komen, komen, in: ’t komt ’r tou = ’t komt er op aan, ’t kost moeite; d’r komt niks van te zijn = het valt niet in ’t oog; da’s ’t minste wat ’r komen ken = dat is het minste [d.w.z. het ergste] wat iemand overkomen kan.
komkommertijd, komkommertied*, ook Nederlandsch, vooral ook voor de zomermaanden, die weinig stof voor de nieuwsbladen opleveren.
kondigen, kundegen*, Hoogduitsch künden, kündigen.
kont, kond*, zie ook lullebruier * [bldz. 540.] Ook als versterkend bijwoord in ongunstigen zin: kond dronkend, kond vervelend; vgl. kondsbietje * [bldz. 536.] Bij v. Dale: kont.
kooi, kou, kau, kooi, bij v. Dale kouw; zie ook kauke *.
kool, kool*, vgl. roapzoad *.
koolraap, koolroap, bij v. Dale: koolraap, koolrabi; zie ook rinkelknollen *.
koolzaad, koolzoad*, Fransch colza, colzat.
koop, koop, in: niks te koop hebben = verlegen of beschaamd zijn: bij foek * en tuk * vermeld; verder: wa’s doar te koop? = wat is daar te zien of te doen?, bij v. Dale wordt “het spaanderde er” verklaard door: er was iets te koop. Nog heeft men de uitdrukking an koop komen = verkocht zullen worden, op bldz. 372 II b ten onrechte als Nederlandsch beschouwd. Zie ook: op .
koopmanswinkel, koopmanswinkel, (klemtoon op winkel) = kruidenierswinkel, ter onderscheiding van winkel = werkplaats.
koopscheuvel, koopscheuvels*, enz., bij v. Dale: koopgoed = fabriekgoed (minder sterk dan wat besteld is.)
koopslag, koopslag, zie palmslag *, (bldz. 552.)
koordgestreept, koordstreepte, koorstreepte*, kousen = met verheven strepen gebreide, geribde, kousen.
koordslagerij, koorsloagerai, koordfabriek.
koosjer, kouster*, bij van Dale: kauscher, koscher.
kop, kop*, 1, zie ook bedenken * en kopstok *; op bldz. 536 behoort ook: kop d’r bie scheuren = volhouden. Verder komt kop = “gezicht” voor in de uitdrukkingen: rood om kop wezen = een kleur hebben, ’n kop as vuur kriegen = een zeer sterke blos krijgen; hiermede te ver­gelijken het pleonastische: wat har d ’r ’n gezicht ienne kop, bvb. van toorn, angst of schrik (vgl. feng *); ’n klap an kop geven = een slag in ’t gezicht geven.
kop, kop*, 2, vergel. op de kop of (bldz. 550.)
kop, kop, ook = kom, bvb. in de woorden brandewienskop, sauskop, enz.
kordewagen, körrewoagen, ook: kōr .
kornuit, kernuut*, bij v. Dale: kornuit (gewestelijk) = groenling, groene vink.
korrel, körrel*, vgl. koorn *.
korrelen, kōddeln, zie kōrreln *.
korrie, kōr, (o.a. in advertenties) = körrewoagen*.
kort, kört*, kort en klein, bij v. Dale onder “klein.”
kort, te kört doun*, ook bij v. Dale onder “kort.”
kortens, körtens*, Nederlandsch kortelings.
kortjakje, körtjakje, zie kerdoes * en söndoags *. Een type met den naam Kortjakje komt in vele oude kluchtspelen voor.
kortvoer, körtvour*, bij v. Dale “kortvoer” figuurlijk voor: sterke drank.
korven, körven, (deelwoord) in: hij ’s körven = hij is gedropen; zie körf *.
kou, kolle*, schithakken*, bij v. Dale. koude.
koudepis, kolle pis*, [bldz. 535], bij. v. Dale: koudepis; in ’t Fransch [namelijk in de spreektaal] “froide-pisse”, het juiste woord is echter “chaudepisse.”
koukansel, koukoansels, zie koansels *.
kraan, kroan*, Fransch: crâne, crânement, crânerie; bij Fritz Reuter vindt men “’n krähnscher junger Hingst”; bij v. Dale alleen ’t bijvoeglijk naamwoord kranig.
krabben, krabben*, wordt dikwijls uitgesproken kraben en beteekent “knoeien” in de uitdrukking wat legst doar toch ien duustern te kraben?, in ’t Nederlandsch morrelen, vergel. moezeln * (bldz. 543.)
krabber, krabber*, bij v. Dale: voetschrapper.
krabstruik, krabstroek*, zie ook poapkul * 2.
krak, krik*, vgl. krebentig *.
krakel, kroakels, krakelingen.
kramer, kremer*, Hoogduitsch Krämer; vergel. de namen: Cramer, Cremer, Kramer, Kremer; kramer(s)latijn ook Nederlandsch.
krap, krap*, 1, bij v. Dale = kram of boekslot.
krap, krap*, 2, Hoogduitsch knapp = eng, nauwelijks; krap en krapjes bij v. Dale = nauwelijks, zuinig; zoo ook “krap aan”, “krapjes aan.”
krapmondjesmaat, krapmondjesmoat*, bij v. Dale “mondjesmaat” = krap aan genoeg spijs.
krat, kret*, vergel. “krat” 2 bij v. Dale = loshangend achterschot van een wagen, of (gewestelijk verouderd): voorbank op een boerenwagen.
krebas, krebas*, vergel. den familienaam Crebas.
krediet, kediet, zie kerdiet *.
kregel, kregel*, (zelfstandig naamwoord): het hier genoemde adjectief als in ’t Oostfriesch ook bij v. Dale.
krek, krekt*, zie ook net .
krent, krinten*, krent en krentenbaard in dezelfde beteekenis bij v. Dale.
krentenbrij, krintjebrei, zie gruwelwoater *.
krentendelkoek, krintendelkouk, endelkouk * met krenten.
krenterig, krinterg*, bij v. Dale krenterig en krentenkakker.
kreuk lijden, kreuklieden, schade lijden, benadeeld worden, (van zaken en personen gezegd, zoowel wat goederen als ge­zondheid, goeden naam, geluk enz. betreft.)
kribbe, krubbe, krebbe, kribbe.
kriebelig, kriewelg, kriebelig, van schrift gezegd.
kriel, kriel, zie schorremorrie *, ook bij v. Dale “kriel” 2.
krijgen, kriegen*, ook in: zo’k meneer ook even kriegen kennen te spreken? te vergel. met het Nederlandsch: ik kon hem maar niet te spreken krijgen. Verder in de uitdrukking d’r wat om kriegen (bvb. bldz. 62 I boven en 237 I 14a) = aangesproken worden, te lijden hebben, bvb. flesch krigt ’r wat om (klemtoon op krigt) = er wordt veel gedronken, synoniem d’r om lieden motten; (met klemtoon op lieden) en vergel. langs *. In denzelfden zin zegt men: ’t gait over mien appels.
krijger-aanen, kriegerantjen, zie kriantjen *.
krijt, krijt*, bij v. Dale.: krijt = strijdperk.
krimphartig, krimphartig*, vgl. armhartig *.
kroes, kroes*, 1: Hoogduitsch kraus = kroes (2) bij v. Dale.
kroes, krous*, kroes (1) bij v. Dale.
krombek, krombekken, een soort van slaboonen met sterk gekromde peul, ook bij v. Dale.
kromjong, kromjong*, vergel. gongschop *; elders komt de familienaam Cromjongh voor.
kruimel, krummels, krommels, krömmels, krumels, (soms krömmels, zelden krumels) kruimels, zie ook biet *, bldz. 503 (“geen kruimel” = niets, ook bij v. Dale.)
kruisbes, kreus*, vaak hoort men ook zoer as kriet, vergel. krijten *.
kruisdoorn, kruisdoorn, krudeldoorns, zie krudoorns *, ook bij v. Dale.
kub, kubbe*, vgl. het Hoogduitsch Kübel.
kuil, koeljes, zie deukjes *.
Kunigunde, Könje, [Westerkwartier], ook wel uitgesproken Kuinje, waarschijnlijk gevormd uit Cunera of Kunigunde.
kunnen, kennen*, bij v. Dale “aankunnen” = bestand zijn, enz.
kunst van koken, kunst van koken, zie op en zat *.
kurken, korken, körken, (intransitief) voor opkörken*.
kussentijk, kussentijk*, vgl. teek .
kwadens, kwoadens, zie goudens *.
kwel, kwel*, Hoogduitsch Wahl macht Qual; bij v. Dale (4e druk): des eenen kwel doet d’ander wel; die de keur heeft, heeft de kwel.
kwelder, kwelder*, komt in de eerstgenoemde beteekenis in alle Nederlandsche woordenboeken voor.
kwetelen, kweteln*, vgl. dwelmen *.
kwets, kwetsen*, “kwets” is in ’t Nederlandsch de naam van een langwerpige blauwe pruim (Hoogduitsch Zwetsche.)
l, l, vervangt dikwijls de r, en omgekeerd: zie onder R .
laars, leerzen, zie ombollen * (bldz. 548.)
laatst, leste*, het spreekwoord ook bij v. Dale, onder “lootje.”
laatstmiddags, lestsmiddags, en lestsoavends, zie lestdoags *; evenzoo lestsmörns : de klemtoon valt meestal op lest; vgl. ook neis *.
lachen, lachen, zie inhollen *.
ladde, ladden, (alleen meervoud): een woekerwaterplant, ook in geschrifte zoo gespeld; het uitroeien er van heet (ook officieel) ladden trekken.
ladder, ledder, (ook letter, bvb. in ’t Westerkwartier) = ladder; z. o. buulkist *.
ladderboomsplank, ledderboomsplanken, zie post *; bij v. Dale beteekent “ladderboom” de zijstukken van een ladder.
lade, loaike, looike, zie lai *, misschien oorspronkelijk la, lade of laatje, naar den vorm?
lak, lak*, bij v. Dale = gebrek, fout, misslag.
laks, laks*, bij v. Dale: lax = wijd, los, ongebonden.
lala, làlà*, (bl. 538) bij v. Dale = zoo zoo, redelijk.
Lambert, Lammert, (mannennaam) = Lambertus.
lamfer, lamfer, bij v. Dale: rouwfloers, rouwsluier.
lamlendig, lamlendig*, vgl. lamstroal *.
land, land*, ook = weiland, met het meerv. landen = landerijen; vgl. landnoaber * en schoemer *; ien ’t land = op het land, ten platten lande, vergel. landjers *.
landbrood, landbrood, roggenbrood, in de provincie gebakken en in de stad Groningen te koop; vooral uit plaatsen aangevoerd waar nog “zetting” bestaat (o.a. Muntendam) en door schippers zeer gewild; ook te Berlijn spreekt men van Landbrot.
landrol, landrol, welterblok* of rolblok* (’t laatste ook Nederlandsch.)
landschipper, landschippers, (ook officieel, in raadsverslagen) = schippers uit de provincie.
lange Jan, lange jan*, (bldz. 538): ook elders, bvb. voor den Abdij-toren te Middelburg.
langen, langen*, en samenstellingen ook bij v. Dale.
Langewold, Langewold*, de genoemde gemeenten (behalve Zuidhorn en Oldekerk) vormen Westerdeel-Langewold; Oosterdeel-Langewold bestaat uit de gemeenten Zuidhorn en Oldekerk.
langgesteeld, lankstoald, met een langen steel, bvb. van een bezem: ’n lankstoalde bess’m.
langs, langs*, luidt in de Veenkoloniën laans, elders lans * en langers. Vaak wordt het pleonastisch samengesteld met an en bie, bvb. anlàngs (= langs iets) slieren, kellekte bie de hoezen lans (schrijftaal: bijlàngs de huizen), vergel. bielangs * (bldz. 503) ook de aanteek.; zoo ook hierlàngs in: hij woont hierlàngs = eenige huizen (Groningsch deuren) verder, aan dezen kant der straat. Met “van langs” komt overeen het Nederlandsch: hij kreeg er langs, Met bldz. 538 te vergelijken: al zien geld gait ’r langs = wordt verspild.
laning, loanings*, Nederlandsch onderlagen.
lap, lap*, vgl. lappen * (1 en 2) en proppen * (ook de aanteekeningen); hierbij ook: lap om leer (o.a. te Leek) = leer om leer.
lap, lapke*, de zegswijs op bldz. 538 ook Nederlandsch.
lappen, lappen*, (zelfstandig naamwoord) zie ook dak * en vgl. lap * en lappen * (werkwoord)
lapzalver, lapzalver*, bij v. Dale = kwakzalver (ook fig.)
lat, lat, zie reeplat * en vgl. daarmede “lat” bij v. Dale.
lateihout, letijholt, zie letailholt *.
laten, loaden*, in de zegswijze pan wil nijt loaden = niet lossen; ook gezegd van een pen, die geen inkt geeft: misschien verbastering van laten = loslaten. Met het deelwoord te vergel. de Nederlandsche uitdrukking “geladen (= gevulde, melkgevende) borsten.”
latigheid, loatighaid, ien de loatighaid wezen = in de laatte zijn; vergel. nattens .
lats, latse*, Hoogduitsch Latz.
leed, lei*, 2, ook de aanzegging langs de huizen, vgl. Swaagman in de “Annales Acad. Gron.” van 1824/25, in voce; heij’ de lei kregen? = is het bij u aangezegd?, wie hebb’n de lei had van … = de dood van … is bij ons aangezegd; in eene Ordonnantie van 1687 wordt melding gemaakt van “Lee-cedullen” en van het aanzeggen van de “Lee ofte Overlijden.” Volgens de verklaring van ’t woord lei 2, op blz. 539. zou dus de verwantschap tusschen lei -anzegger * en ’t meer beschaafde leed-aanzegger, beide = aanspreker, bidder, alleen schijnbaar zijn. ’t Laatste woord zal eene verbastering van ’t voorgaande zijn, doordat men, het verouderde lei niet meer begrijpende, aan “leed” (= smart) ging denken. Bij v. Dale “de leed aanzeggen” en “leedbrief” = rouwbrief (beide gewestelijk), Men denke ook aan: over­lijden, afgeleid van ’t Middelnederlandsch “leden”, dat voorbijgaan beteekent en nog voorkomt in: geleden en: verleden,
leedaanzegger, leedanzegger, zie: lei.
leg, legge*, leg, vergel. den *.
legerachtig, legerachtig*, (ook: legerig) beteekent ook: spoedig topzwaar wordende, van graangewassen, die dan gezegd worden te legeren; zie legerkoren *.
lekker, lekkers, zie oarig * (bldz. 546.)
lellebel, lellebel*, ook elders.
lepel, lepel*, zie ook lange lepel * (bldz. 538.)
lepel, lepels*, bij v. Dale “lepels” = ooren van een haas.
leren, leeren*, hierbij: hij leert tou doomie = hij studeert voor predikant.
leshuis, leskhoes*, vergel. Nederlandsch “lesschen” en Hoogduitsch “löschen” = blusschen.
leuterkar, leuterkoar, dreutelkoare*.
leven, leven, (zelfstandig naamwoord), zie moaden *.
leven, leven*, (werkwoord): anders, en beter, wordt de hier aangehaalde zegswijze verklaard als verbasterd uit: een Schot in Frankrijk (namelijk in vroegere tijden van oorlog.)
leven, levend, leven (zelfstandig naamwoord); vgl. doagen .
levendig, levendig*, ook in: ’k heb d’r nijt levendig om docht = het glad vergeten.
levensdag, levensdoagen, zie doagen .
leveren, geleverd*, gefopt, bedrogen, ook elders. Hoogduitsch: verloren and geliefert, bij v. Dale: men kan hem verkoopen en leveren = verraden en verkoopen = foppen zonder dat hij ’t bemerkt.
leveren, leveren, doen: wel het hom dàt leverd? = wie heeft dat gedaan of uitgevoerd? (meestal in ongunstigen zin), dat zel’ we wel gauw leveren!, vergel. geleverd * (bldz. 118) en ook draien *.
lichten, lichten*, 1, als werkwoord ook Nederlandsch, ook de zegswijze.
lichten, lichten*, 2, zie ook mit *.
lichten, luchten*, ook = lichten, bijlichten; in ’t Nederlandsch verouderd, doch nog over in ’t woord “luchter.”
lichter, lichter*, zie ook baier *.
lichtje, luutje*, (verbastering van lichtje? vgl. Hoogduitsch leuchten, Leuchte): elders “vonkje leeft nog.”
lid, lid*, deksel ook bij v. Dale.
lidrus, lidruske*, vgl. holpiep *.
liegen, lōkst*, dikwijls verstrekt lōkst bliksem! = dat lieg je, voor den duivel!
lieve meneer, lijvemeneer, (vergel. bldz. 253) in: onze lijvemeneer = Onze Lieve Heer; door snelle uitspraak meest: ons’ lij’m’neer.
liggen, leggen*, ergens met leggen = zich (ongaarne) met iets bezighouden: doar ken ’k nou nijt met leggen = daartoe heb ik thans geen tijd of lust; bij v. Dale: hij ligt altijd te zaniken; elders in de spreektaal: daar kan ik niet mee staan, of zitten.
liggen, liggen goan*, (bldz. 539) ook bij v. Dale in voce “liggen” en in ’t Hoogduitsch sich legen.
lijdelijk, liederlek, lijdend, als een lijder; als versterkend bijwoord (zie dik *, bldz. 511) ook elders.
lijden, leden*, “’t leden hebben” ook van voorwerpen, voor: gebroken, bedorven of beschadigd zijn.
lijden, lieden, zie: kriegen.
lijden, lieden-maggen, behagen scheppen in iets: ’k mag ’t nijt lieden = ik vind het leelijk, ’t valt niet in mijn smaak; in ’t Nederlandsch. de meer beperkte beteekenis van: houden of niet houden van iemand of iets.
lijf, lief*, zie ook liefbuiden * en vgl. proppen * (bl. 556.) Op bldz. 243 behoort ook: ’t lief vol hebben, of: ’t lief vol arms en bijnen hebben, – zeer ruwe uitdrukkingen voor: zwanger zijn.
lijfbieder, lufbeiders, zie liefbuiden *.
lijken, lieken*, ook in: ’t liekt mie niks, of: ’t liekt mie nijt veul = ’t komt mij bedenkelijk, ongunstig voor; vergel.: tou .
likdoorn, liekdoorn*, Hoogduitsch Hühnerauge.
linten en pijpen, linten en pijpen, zie: darg ; een algemeen gebruikelijke landbouwterm is “het lint (= de vezels) van ’t vlas.”
lip, lip*, vergel. liepen *.
livrei, livrai*, lijverai*, zie ook lijverai * (bldz. 253.)
loddereindoosje, löderensdeuske, vgl. lodderensdeuske (bl. 540); “lodderijn” en “lodderijndoos” ook elders in geschrifte.
loddereindoosje, lottereinsdeuske, zie lodderensdeuske * (bl. 540.)
lodderen, lōddern, vgl. dōddern *.
loeder, loeder*, vergel. Hoogduitsch Luder (gewestelijk Loder.)
loenje, loenie*, bij Kil. loenie of longie, Fransch longe, Eng. loin; Nederlandsch lumme, lummer, (vgl. Latijn lumbi, Fransch lombes.)
loer, loer*, 2, vgl. goaten *.
loeren, loeren*, voor kijken, staren, in: woar loer j’ zoo noa? zonder de gewone, ongunstige, beteekenis van: gluren; vgl. koekeloeren *.
loet, loud*, Nederlandsch loet.
lollemansstip, lullemansstip*, volgens Laurillard, in Op uw stoel door uw land”, van het dorpje Lollum bij Bolsward.
lommerden, lommerken*, vgl. liekoet *.
lomp, lompen*, vergel. plomp *.
lonken, lonken*, in deze beteekenis, ook bij v. Dale.
lood, loodjes, zie leste * (ook de aanteekening.)
loodje, loodje, voor koffieloodje *.
loop, loop*, ook in: hij het ’t mooi an loop (aan den gang) = zijne zaken gaan goed, vgl. glee * 1; zie ook loopen * 1 (einde), pad en zwang *, alsmede: worde .
loopgaren, loopelgoaren, zie loopgoaren *.
loophut, loophut, zie loopstal *.
loos, loos*, looske, vgl. wies *.
loos, loots*, misschien het Hoogduitsch: “was los war.”
lopen, loopen*, 1, zie ook bantjen * en hei * (bldz. 525) en vergel. kaiern *. Zie verder uutloopen .
lorrie, lōrrie, een platte vrachtwagen, op spoorwegen vaak van een zeil voorzien, het Engelsche lowry. Ook elders.
los, lös*, lus, zie ook dunsloaperg * en vgl. vast *.
loslopen, lösloopen*, ook = lösnaien*; in de beteek. van: in orde komen, ook bij v. Dale; vergel. vastloopen .
lot, lot*, vgl. bij v. Dale: hij is van lorretje gepikt.
lot, lotten*, louten, in de 16e en 17e eeuw sprak men van een “lot veen”, zijnde van bepaalde grootte, en waarvan het eigendomsbewijs “lot(t)cedulle” werd genoemd; Engelsch lot = deel, portie.
lotten, lotven, zie lotten * en vergel. ven *.
lou loene, louwloene*, (bldz. 540): in Holland beteekent “iets louwloene doen”, zich niet haasten, meestal met opzet, een zaak lijdelijk aanzien.
Lucas, Loeks, Lukas; vgl. toesterloeks *.
lucifer, luziefelten, (Westerkwartier) = lucifers.
lui, loi, zie lai * 3.
luier, lier*, vergel. Westvlaamsch Idioticon; Jellinghaus in Die Niederl. Volksmundarten, houdt “lier” (Zuid-Hollandsch) voor “luier” of “luur”, ook = lap: het rijmpje te Meurs wordt ook hier te lande gehoord, vooral in Zuid-Holland, waar het verder luidt: Abram wat doe je daar? Ik zoen de meid bij ’t vier.
luik, loek*, (en loeks) zie ook loeken *.
luisteren, lustern*, elders “’t weer luistert” = er is verandering op handen, als er zich bvb. voorteekenen van dooi vertoonen; vergel. Nederlandsch “dat luistert nauw.” Voor: ’t heeft gedreigd, hoort men elders: ’t heeft er om gezocht. De beteekenis “fluisteren” ook bij v. Dale.
luit, laiter*, lui, bij v. Dale “luite” = lange peer, fig. lang manspersoon (beide gewestelijk.)
luizenknipper, loezeknipper, zie laiter *.
lullen, lullen, zie lullebruier * (bl. 251 en 540) en kletslullen *.
luns, luns*, toespelig op luns = spie van een wiel.
lurk, lörk*, (bldz. 540): Hoogduitsch Lurch.
lurken, lōrken*, lōrtjen*, Nederlandsch lurken.
lus, luts, litse*, bij v. Dale Zuidnederlandsch.
lutje, luttik*, lutke, lutje*, vergel. jong * 2, ook: lutje*, vgl. bij v. Dale (gewestelijk) “lutje” en “lutring”, alsmede den plaatsnaam Lutjebroek in Noord-Holland.
lutje knecht, lutje knecht, en lutje maid, zie groote * en grootknecht *.
Lutkenieuwstraattje, Lutkenijchien, Luknijchien of Lutnijchien = het Lutkenieuwstraatje te Groningen.
maag, moag, in: moag begunt mie op ijn zied te hangen, of: te slingeren = ik begin eetlust te krijgen.
maal, moal*, ook = hoeveelheid urine, in éénmaal geloosd, vandaar: körtmoalig *. – Zie ook mis moal *.
maalceel, moalsedel*, vergel.: sarries .
maan, moan, ’t is moan of moanschien weer = de maan schijnt: vergel. het Nederlandsch ’t is volle maan enz. er is weinig zon (= zonneschijn.)
maand, moand, zie: dag .
maankop, moanekop, maankop.
Maarten, Marten, (mannennaam) = Maarten of Martinus; soms ook Meerten, bvb. in Sunte Meerten, vergel. start * en steert * = staart.
machtspreuk, machtspreuken*, bij v. Dale = kernspreuken.
made, made*, ma*, vergel. ook het Hoogduitsch Matte = weide, dalweide, en verder bij v. Dale “made” (gewestelijk verouderd) = beemd, weide of grasland (waarvan “madeliefje”) en “mat” = te maaien weiland, zekere uitgestrektheid gronds; “Made” (bij ’t volk: “de Mij”) is een plaatsje in Noord-Brabant; Matsloot is de naam van een watertje, dat bij Grijpskerk in ’t Hoendiep uitloopt, en tevens van een beek, die in ’t Leekstermeer vloeit en waarvan een gehucht, in de nabijheid, denzelfden naam heeft: als gemeen znw. komt matsloot o.a. voor bij Kremer, Beschrijv. d. Prov. Gron. IIe dr. 2e stukje bldz. 78 (190 v. d. uitgaaf in één deel v. 1839), herhaaldelijk ook aldaar meedelanden, o.a. bldz. 66 [of 178.]; ma* voor moa.
made, mat*, vgl. made * en het Engelsch math = maaiing.
made, moaten*, moaden*, (van ’t Nederlandsche “made” = pootlooze larve in ’t algemeen) zijn de gestaarte larven (“vers à queue de rat”) van den Erystalis tenax; het volkomen insekt noemt men soms schietbij, met welken naam echter meer algemeen de “drekvlieg” (Scatophaga stercoraria) wordt bedoeld; dat hier verwarring heerscht blijkt uit de benaming schietiem* voor “hom­mel”, in de beteekenis van mannetjesbij, en is zeer verklaarbaar uit de oppervlakkige overeenkomst tusschen dit diertje en de vlieg van Eryst. tenax.
madeland, meedelanden, zie: made .
madelief, melijfke*, Hoogduitsch ook Massliebchen.
madesloot, matsloot, zie: made .
maf, maf*, ook Nederlandsch, evenals “maffen” = dutten.
mager, moager*, zie ook vet moager *.
maken, moaken*, zie ook bermoaken * en toumoaken *; in de beteekenis van verdienen, overhouden (bldz. 266 II) wordt er dikwijls een bepaalde som bij opgegeven: hij het van ’t joar dreidoezend gulden moakt; ’t kan ook afrekenen, vereffenen, beteekenen: ’k zel ’t wel met hōm moaken (eigenlijk: in orde maken), waarvoor ook: oet de weeg moaken.
maken, moaken*, (ook bldz. 41), vgl. gemoak *.
makkelijk, makkelk*, ook = aangenaam: ’t is ’n bult makkelker dat ’t nijt zoo kold is, de vorm “makkelijk” ook Nederlandsch; zie ook letten *.
mal, mal*, (versterkend bijwoord), vergel. dōl * en gek *; pleonastisch in: ’t duurt nijt hijl mal bot lank, vgl. bōt *.
malle Dekens, maldékens, in de Stad-Groningen vooral een zeer gebruikelijke spotnaam voor: dwaas, gek, (ook voor iemand, die zich slechts tijdelijk dwaas aanstelt), is een merkwaardig voorbeeld, hoe een woord ontstaan kan. Dekens toch is een familienaam en werkelijk werd er indertijd een persoon van dien naam mede bedoeld; vergel. Albert *, dat wel van denzelfden oorsprong zijn zal.
mallejan, maljan*, in ’t Westerkwartier ook: een platte vrachtwagen op twee wielen, Nederlandsch “mallejan” = een wagen om zware lasten, o.a. boomen, te vervoeren. Zie ook mal *.
mallen, mallen*, vergel. bij v. Dale: als ’t op is, is ’t koken gedaan.
malvot, malfōtze, zie fōtse *; ’t zal ontstaan zijn uit het Nederlandsche “matsvot” (zie v. Dale) dat weer ’t zelfde is als “hondsvot”; stellig is “slordervos” van denzelfden oorsprong.
man, man*, 1, zie ook toalsman * (bldz. 570, en de aanteek.); de mindere man = Nederlandsch: de gemeene man.
maneschijnweer, moanschienweer, analoog met zunschienweer *.
manier, manijern, menijern = manieren: op alle menijern = in elk geval, ook Friesch, vergel. Hoogduitsch allemal.
manier, menijern, zie: manijern .
mank, mank*, vgl. Nederlandsch mankzaad en Hoogduitsch Mangfutter = gemengd voeder.
mannetje, mainje*, manje, maanje, eigenlijk “mantje” = mannetje; ook liefkoozingswoord tegen dieren.
mans, mans*, ook bij v. Dale.
maren, maren*, moaden, vgl. moaren *.
Maria, Mereike, zie Moarioa *.
markt, mark, (onzijdig): Stad-Groningsch = mart* = markt of plein.
mars, mars!, een uitroep van verwondering (ook Friesch), ongeveer met de beteekenis van toumoar !*, ook hoort men in dezelfde beteekenis: vooruit ! (in dit geval nooit veuroet .)
marter, meert*, Latijn martes.
Martinus, Meerten, zie Marten .
Marwixpijp, Marriepiepe, (zie piep *), evenals de voormalige Marriedwinger in den zuidwesthoek der stad Groningen gelegen, en geheeten naar Jasper van Marwijck, omstreeks 1525 stadhouder van Groningen voor hertog Karel van Gelre.
mate, moat*, zie ook mainje *; verder als versterkende vergelijking, meestal in ongunstigen zin: hij ’s zoo arm, slof, dronkend, as te moat, waarschijnlijk = in de ergste mate.
mee, met*, mede, is nog in het Nederlandsche “metgezel” overgebleven; ’t Hoogduitsch “mit” zoowel = mede, als = met; “medenemen” = bedriegen, ook bij v. Dale.
meedoen, mitdoun, medegeven, vgl. doun *.
meelderig, meelderg*, Nederlandsch “melig” in dezelfde beteekenis.
meenemen, mitnemen*, metnemen, metnemen, zie ook met * 2.
meest, mijst, zie mijnst *.
meestentijds, mijstied, mijnstied = meesttijds of meestentijds.
meesteren, mestern*, iron. ook = stukbreken, zie doktern * (1 en 3); vgl. meesteren bij v. Dale.
meet, meet*, ook bij v. Dale.
meid, maid*, bij “Mis” enz. ook (sit venia!) en doch gong ’t ’r deur!; zie ook groote * en vgl. koamermaid *.
meier, meier, zie meijer * en beklemrecht *.
mekaar, mekander, m’kander, ʼkander, koar*, menander, m’nander, (Nederlandsch malkaar, malkander) = mekoar*; vergel. ’nander *; verkort ook: ’kander , ’koar , evenals ander in plaats van ’n ander; in nachtm’nander, noavend m’kander (nog korter: noam’nander), enz., staat voor: mit mekander (evenals nachtmitnkander *); vergel. ander * en ’nander * en zie ook mekander en noavend , alsmede dag *.
melasse, melasse*, (bldz. 542): toespeling op ’t Nederlandsche woord melasse = suikerstroop?
melde, melle, zie mel *; zolte melle is in ’t Westerkwartier een onkruid.
melkmouw, melkmollen, zie bottermolle *.
melkvaalt, melkvaller*, (Ommelanden) = melkvoart (Westerkwartier)
mengel, mengel*, ook bij v. Dale, als oude maat, en wel: voor wijn, bier, olie = 1.21 liter; voor brandewijn = 1.23 liter; voor melk = 1.81 liter.
menig, mennig*, vergel. ruter -op -peerd *.
menigvoud, mennevolten*, eigenl. = met veel vouwen, dus hetzelfde als het Nederlandsche “boekpens” en “bladmaag.”
menistenvermaning, Menistenvermoaning*, bij v. Dale (als verouderd) in dezelfde beteekenis de woorden: vermaanhuis, vermaning, vermaner.
mennen, mennen*, bij v. Dale als gewestelijk vermeld.
mens, mensk, mins, mensken = mensch, menschen (vooral Stad-Groningsch) elders ook: mins, minzen.
mensenschuw, menskenschou, menschenschuw; vergel. schouen * en woarschouen .
merk, mark*, Hoogduitsch Mark = merg; bij v. Dale: mark = merk.
merken, mōrken, murken, bemerkt of gemerkt (in ’t Nederlandsch in de spreektaal ook wel: gemorken.)
mes, mes, zie mest *.
mest, mis*, 1: bij v. Dale “mist” = mest; oudtijds “mes.”
mesten, missen*, synoniem: oetmissen *.
met, met, in: met dat = omdat, doordat of aangezien: met da(t) ’k zijk was kon ’k nijt komen.
met, met*, 1, ook bij v. Dale.
met, mit*, komt ook voor in de uitdrukking: da’s mooi mit (klemtoon op mit) = dat is een mooi, toevallig voordeeltje, zie mitnemen *, dat zeg ik mìt = dat zeg ik mèt u, dat stem ik u toe; klok gait mit = de klok is gelijk.
metaal, metoal, is hier niet metaal in ’t algemeen, maar brons.
metel, metel, zie medel *.
meten, meetjen*, vgl. lappen * 1.
meubelsits, meubelsits*, bij v. Dale: sits.
meutje, meuke, zie muike *.
Middag, Middag*, vormt thans het oostelijke Westerkwartier.
middag, middegs, zie: oavens .
middelhout, middelholt, is talhout, dat uit stukken in tweeën gekloofde, tamelijk dunne, takken bestaat en waarvan dus de eene kant plat en de andere, met schors bedekte, rond is.
middelste, middelste*, ’t middelste is boas over baide enden, zegt men van een manziek meisje. – In Holland hebben o.a. de bakkers een “middelknecht.”
middendoor, middeldeur, (klemtoon op deur) = middendóór, doormidden, in twee stukken: men denke aan het woord “middeleeuwen”, dat nog bij sommigen “middeneeuwen” luidt.
miegelen, miggeln*, bij v. Dale (Zuid-Nederlandsch.) miggelen.
miegemt, miegijmke*, bij v. Dale: zeikmier, Hoogduitsch Seichameise, zie ook sijken en vergel. ijmerke *; denkelijk ontstond deze benaming, doordat de reuk van het mierenzuur, dat deze diertjes afscheiden, aan dien van urine herinnert.
miegen, miegen*, hierbij nog het Latijnsche mejere en het Grieksche ὀμίχω; bij van Dale mijgen (gewestelijk.)
mieren, mieren, (bladz. 40): bij v. Dale (4e druk) = zaniken, leuteren; zie gemier .
miers, miers, (Winschoten) = kweer*.
mieter, mieter*, dezelfde afleiding bij v. Dale, zie “mijt” 1; vgl. mietert * 2 bij v. Dale (4e druk): om den mieter niet, op zijn mieter.
mieteren, mietert*, 2, vgl. mieter * (ook de aanteekening hierboven.) Daar de laatstgenoemde woorden, evenals ’t bij van Dale (4e druk) genoemde “mieteren” voor: smijten, enz., slechts in de allerplatste taal gebezigd worden, mag er aan een afleiding als bij mietje * (bladz. 40) genoemd is gedacht worden.
mieters, mieters, versterkend bijwoord in: mieters mooi (gemeenzaam), verder: wis en mieters = wis en zeker; bij v. Dale (4e druk): mieters lastig.
mietje, mietje*, in beide beteekenissen ook elders en waarschijnlijk een toespeling op de bekende Oud-Testamentische zonde, waarvan het de verkleinde uitgang vormt. Ook = blinde in het kaartspel.
miezelen, mieseln*, zie miezig *; bij v. Dale (Zuidnederlandsch) miezelen (Engelsch to mizzle.)
miezig, miezig*, mijzig*, ook = mieterg * (zie bldz. 67 II a); vgl. mieseln *, ook de aanteekening.
mik, mik*, 1: ook bij v. Dale.
mikstoet, mikstoet, zie mik *.
min, min*, als bijvoeglijk naamwoord (Nederlandsch alleen bijwoord) ook = weinig, bvb. ’k heb ’r moar min oareghaid an = weinig lust in; ’n min bietje = weinig; vergel. ook onneuzel *; doar ken (of mag) ’k moar min (= slecht) over.
minne, minne*, “min” en “minne” als gewestelijk bij v. Dale.
mirakel, meroakel*, elders ook “merakel” in dergelijke beteekenis.
mis, mis, (godsdienstige plechtigheid) in: ’t fiene van de mis weten willen = ’t fijne van de zaak willen weten. Ook wel elders.
miserabel, miseroabel, versterkend bijwoord (ook gunstig), zie gat * en vergel. noar *.
miskleurig, miskleurig*, Hoogduitsch missfarben, missfarbig = verkleurd of slecht geverfd; v. Dale heeft alleen de tweede beteekenis.
mismaal, mis moal*, Nederlandsch “verkeerd maal”, met de beteekenis van het Oostfriesch.
mispunt, mispunt*, algemeen Nederlandsch; van Dale geeft alleen de oorspronkelijke beteekenis van: misstoot op ’t biljart.
misselijk, miselk, als versterkend bijwoord, met gunstige beteekenis, bvb. in miselk(e) mooi, evenals oakelk(e) mooi; vgl. mal * en noar *.
mits, mits*, als zelfstandig naamwoord (bldz. 543), ook bij v. Dale.
modder, mōdder, mōtter, (Westerkwartier mōtter ) heeft hier de algemeene beteekenis van “aarde”, in ’t Nederlandsch de bijzondere van “slijk.”
moe, mui*, zie ook muide *.
moed, moud*, zie ook arm *.
moeder, moi, zie moeke * en vergel. poike *.
moedergek, moekegek, zie moeke *.
moedwillig, moudwillens*, hierbij ook moudwillig of mitwillig, in de beperkte beteekenis van brooddronken, die ook ’t Nederlandsch en ’t Hoogduitsch hebben.
moei, muie, muike*, zie ook mui *.
moeien, muien*, bij v. Dale moeien = spijten.
moeilijk, muilek*, vgl. spietelk *.
moes, mous*, ook: lankmous, evenals ’t Geldersch (zie slot van ’t artikel.)
moet, muite*, 2, bij v. Dale (als verouderd): “in ’t gemoet” en “te moet.”
moeten, mouten*, ’t is te mouten, ook meer algemeen = ’t is een verplichting; bij van Dale de zegswijs “moeten is dwang en huilen is kindergezang”; zie ook: wezen , alsmede bedoeren * en vergel. met de daar opgegeven zegswijs het Nederlandsch “’t kan me spijten”; mōtten en mōt (= moet), evenals elders voor “moeten” en “moet”; vergel. mōst (eigenl. moutst) , mōzze = gij moet, moet gij; zoo ook wist * enz., vergel. mōtten en. s * (blz. 559.) en vergel. mōs* = moest, o.a. in: zóó mōs ’t wezen = dàt zou ’t geval kunnen zijn, ’t mōs wezen, dat… = ’t zou ’t geval kunnen zijn, enz.
moffentoer, moffetoer*, bij v. Dale: moffentoer.
mogen, maggen*, meugen, in dezelfde beteekenissen “mogen” bij v. Dale; wezen-maggen in ʼk mag dʼr nijt wezen (ook: ʼk mag mie dʼr nijt zijn) = ʼt bevalt me er niets; dat mag (of mog) wel zoo wézen (verkort: dat màg wel zoo) = dat kon of mocht wel anders of beter zijn, ʼt laat te wenschen over (vergel. an * en zoowat *), de zegsw. komt ook elders voor, doch zelden, zie bvb. De Oude Heer Smits, Afdrukken van Indrukken, Ie druk bldz. 106; ʼk mag wat wézen as ʼk ʼt dou = ik doe ʼt in geen geval, ʼk wou (zou) je nog liever!
molboon, molleboonen, ook voor molboonen*.
molferd, mōlferd*, bij v. Dale voor personen.
molken, molken*, Hoogduitsch Molken = hui of wei.
mond, mond*, zie ook mit * en twei monden *; met bldz. 543 te vergelijken hoaken * (bldz. 526.)
monden, mondjen*, Nederlandsch monden, Hoogduitsch munden.
mondharp, mondharp*, toespeling op ’t muziekinstrument van dien naam, dat in ’t Hoogduitsch ook Maultrommel heet, welk woord tevens “schreeuwer” beteekent.
mondjepraten, mondjeproaten*, Nederlandsch naar den mond praten.
monkelen, monkeln*, Hoogduitsch munkeln.
monter, monter*, v. Dale heeft wel ’t werkwoord opmonteren.
mooi, mooi*, 1, zie ook lekkertje *.
mooi, mooi*, 2 (einde) bij v. Dale = zich laten voorstaan op iets.
mooi, moois, zie oarig * (bldz. 546.)
mooibloeier, mooibluiers, zie elfringen * (bldz. 516.)
mooie stukken, mooie stukken!, ’t mocht wat! je hebt het mis! ’t lijkt er niet naar: vergel. mooie doode !* (bldz. 543.)
mooineeltje, menijltjes*, eigenl.: mooi-Neeltjes.
moos, moos*, ook vermeld bij Laurillard, Bijbel en Volkstaal, bl. 12.
morgen, mörgen*, “morgen aan den dag” ook elders.
morgen, mörn, morgen, vgl. smörns * (bl. 564) en Engelsch morn of morning; de uitspraak mörgen * (zie ook aldaar) hoort men zelden.
morgen, mörns, zie: oavens .
morgen brengen, mörgen brengen*, ook Nederlandsch, o.a. bij v. Dale sub “wel” 4.
morgenvroeg, murgenvroo, zie mörgenvroug *.
mosterd, mosterd*, (bldz. 543) bij v. Dale: slapperdemallemosterd.
mot, mot*, ook bij v. Dale, in alle drie beteekenissen, dus zal mōtgat eigenlijk mouwgat beteekenen; zie ook krai *.
motschop, motschup*, bij v. Dale: blik.
motsteen, motstijnen*, in ’t Westerkwartier ook = ronde, steenharde kleiconglomeraten, op aardappelen gelijkende.
motten, motten*, vgl. mōrtjen *.
mottengras, mōttegras*, ook zwienegras *.
muffig, mōffeg, muf, duf riekend, zie dof *.
muizelen, moezeln*, (bl. 543), vgl.: krabben .
mul, mul*, ook bij v. Dale.
mummelen, mummeln, (ook Nederlandsch), zie kammeln *.
mussenflap, muskeflap*, vergel. dichtsnappen *.
muur, mier*, vergel. bij v. Dale. mier (3) en miere.
muurluis, muurloes*, motstijn*.
muziek, meziek, zie muziek * (bldz. 544.)
na, noa*, met “noa stoan” vergelijke men het Nederlandsch “ik sta u nader dan hem” (o.a. bij Multatuli) = ik kan mij met uwe gevoelens beter vereenigen dan met de zijne; zie verder te noa *. Wat betreft het gebruik van noa voor “naar” (vergel. bldz. 545) valt op te merken, dat men omgekeerd in de 17e eeuw “naerder” schreef voor “nader” en nog heden “naardemaal” en “nademaal” beide, zoo ook in de 18e eeuw “bijnaar” voor “bijna”; vergel. ook: ander , alsmede geroaden .
na, noa*, 2 in ’t Nederlandsch wel als bijwoord: ze zijn na familie. Dat zelfs in de schrijftaal wordt gesproken van “een na familielid” verdient afkeuring.
naad, noad*, zie ook kant *.
naad, noaten, naden, gevormd als moaten *.
naadje, noadje, zie kea *, bij v. Dale: zijn naadje naaien = zijn gang gaan.
naam, noam*, zie ook kap * 1.
naar, noar*, ook wel = noa* [vgl. ook de aanteekening.]
naast, noast*, [bl. 545 II ond.] ook Geldersch, enz.
nacht, nachs, zie: oavens .
nacht, nacht, zie huilen *.
nacht met elkaar, nachtmitnkander*, (door snelle uitspraak: nacht’nander), vergel. m’kander .
nacht samen, nachtsoam, zie nachtmitnkander *.
nadenken, noadenken, zie: omdenken .
najaar, noa’r, voor noajoar, door snelle uitspraak, vooral Stad-Groningsch.
nakomen, noakomen, voor: besturen, behartigen, bvb. ’k ken ’t nijt alles meer noakomen = ’t wordt me te druk, vergel.: opkomen .
nanemend, noanemend*, zal wel letterlijk nanemend = [aantrekkelijk] zijn, vergelijk echter het Nederlandsch nauwnemend.
narrig, narrig*, vergel. torrig *.
nasjen, nastjen, zie nasken *.
nat, nat, zie lank nat *.
nat, natten, nattens, als zelfstandig naamwoord = vochtigheid; ’t luidt ook wel natte, vgl. gaute * en zuitte , alsmede ’t Nederlandsch grootte en bij v. Dale: oute, zoo ook: in de la(at)te (omgekeerd vroegte) zijn.
natie, noatsie*, [bldz. 546]: de natie = de Joden, overal algemeen.
natuur, noatuur, zie te *; da’s goud veur de noatuur! = dat doet het hart goed.
navel, navvel, (zelden noavel) = navel; vergel. snavvel en: hij ladt, voor loadt = laadt.
navenant, noavenant*, elders ook wel [ook in de schrijftaal]: naar venant.
Nederduits, Néérduuts, Nederlandsche taal, evenals voorheen algemeen (ook door taalkundigen) “Nederduitsch” werd gezegd voor “Nederlandsch”; ’t begint te verouderen, doch hoort men bvb. nog wel de vraag: is ’t Frans of Neerduuts? waarvoor men meer algemeen het ook al minder juiste woord “Hollandsch” hoort.
nee, nee, zie ne *.
negen, negen, zie: treffen -failen .
negenoog, negenoogtjen*, volgens v. Dale elders “ootje-bot” enz. geheeten.
negentig, tnegentig, zie tachentig * (ook de aanteekening); zoo ook in Fransch Vlaanderen: tzestig, tzeventig, tachtentig, tnegentig.
negeret, negerrit*, Engelsch negrohead.
nergens, narns*, narnd, (Westerkwartier) narnd; zie ook niks *.
nest, nust*, “’t nust krabben”, aan de gewoonte van honden ontleend.
nest, nustje*, zie ook nust *; de zun [of: moan] krōpt ien ’n nustje = is door wolken omringd [voorbode van regen.]
nesterij, nustjederei, nesterij.
net, net, o.a. in zoo’s ’t moar net of krekt! afgekort: zoo is ’t moar (klemt. op is) = juist! dat is de waarheid!; zie ook krek *; voorts versterkend in de uitdrukking nèt zoo, (Ned. “toch zòò”), bvb.: ’t spiet mie nèt zoo (zie o.a. bij gammel *), waarmede te vergelijken is: ’t regent net wat ’t ken = zoo hard als ’t kan; vergelijk ook opan ; in Gelderland o.a. net!, o nèt! = juist!, o zòò!
netelbos, nettelbossie*, in Holland heeft men den familienaam Netelenbos.
neus, neus, in: op neus t’r bie = met den neus er op of er bij (ook: er bovenop), uit nieuwsgierigheid; in dezelfde beteekenis ook: d’r bovenopstoan = er zeer dicht bij staan, vergel. toonen * en zie ook neusken *.
neuster, nusters*, Hoogduitsch Nüster, Nuster.
niemand niet, nijmand nijt*, [bldz. 546] vergel. niks * [bldz. 280.]
niet, nijt*, zie ook al*.
niet meer, nijtmeer, [klemtoon op meer] = nauwelijks, met; nijt meer dat ’r mie zag kwam ’r op mie of = niet zoodra zag hij mij, of hij kwam enz., zoo gauw zag hij me niet, of …, hij zag me niet of …
nieuw, nei*, nij, ook = benieuwd, verlangend of nieuwsgierig, bvb. ’k bin d’r nei noar, doch in deze beteekenis ook bij v. Dale: nieuw naar, nieuw doen, nieuw van iets ophooren.
nieuw, neis*, 1: Hoogduitsch “neulings” is verouderd, thans luidt dat woord: neulich of neuerdings.
nieuwjaarskoek, dikke neijoarskouken, spekkendikken*.
nieuws, nijs*, zie ook neien* [bldz. 545.]
nieuwsgierig, neisgierig*, (bldz. 545): de zegswijze is algemeen Nederlandsch, meestal met de toevoeging “van Enkhuizen”, (bij van Dale sub: Aagt.)
niks, niks*, hierbij: da’s net niks, da’s net zooveul as niks, da’s ’n ding van niks = dat kost niet de minste moeite, ’t is geen bezwaar, wat zou me dat zijn (of: wezen), vgl.: wezen en biegoan *; zie ook ans * (bldz. 498) en weerd , alsmede: lieken . ’t Woord vormt den overgang van ’t Hoogduitsch “nichts” tot ’t Nederlandsch “niets.”
nodigen, neugen, zie nuigen *.
nog toe, nog tou*, Stad-Groningsch nogiezentou [nog eens toe]; men hoort “nog toe”, “noggen toe” ook in Holland.
nokkeren, nukkern*, Hoogduitsch meckern = blaten.
nood, nood*, per nood = in geval van nood, desnoods; in de aangehaalde zegswijs ook wel: gijn nood van.
nood zijnde, noodsien*, bij Stallaert, Gloss. v. veroud. rechtstermen enz. wordt vermeld: “nootsin” = “nootsaeck” = wettig beletsel, overmacht, en = noodzaak, behoefte, het laatste ook Middelnederlandsch.
nooit, nooit*, ook in: zoo hei ’t ja nog nóóit zijn! = hoe is het mogelijk! [vooral als men iets niet kan vinden, dat men nog pas heeft gezien of in handen gehad;] – doar wijt je nooit [of hijl nijt] van = dat is niet te zeggen, niet te gelooven.
noordwaarts, noorders, zie oosterd *.
noten, neudjen, het spelen met of op noten.
noten schieten, neutenschijten, zie neudjen .
nou ja, nou ja, uitroep van ongeloovigen twijfel, zie: ja en: aber .
nuchter, nōchtern*, zie: spei .
o, o, de klank o of oo wordt in ’t Groningsch en in de voorbeelden opgegeven onder bleu * (vergel. ook deu *), uitgezonderd is koegel * = kogel; wat betreft de doffe ō, inplaats van de korte, heldere o in ’t Nederlandsch, vergel. men bloudworst * en borrel *, echter worden beide klanken in ’t algemeen in de spreektaal meermalen verwisseld, bvb. “dof” voor “dōf” en omgekeerd “kōrt” voor “kort”; de ö (bldz. 285) vervangt ook wel de doffe Nederlandsche u, bvb. in könzen = kunsten, vergel. “törf” = turf, enz. (bldz. 285 onder.)
o ja, o jà?*, met Nederlandsche uitspraak ook elders.
o nee, o nee, zie ja ?*
oe, ou*, vgl. Engelsch how, cow, met ons hou, kou.
oer, ōr*, door ten Doornk. wordt bij “ur” nevens “Oor” ook vermeld “Ortstein”; deze woorden komen niet bij Grimm voor, ’t laatste echter bij J.C. Adelung.
of, of*, (ook as*) voor: misschien, bvb. hij ’s dood, of (as) je ’t wijten, ’t is ’n vrundelk man, of (as) j’ m kennen, eigenl.: ik weet niet of je ’t weet, hem kent, enz. (bij v. Dale iets dergelijks onder “of” 2 en 3); in de beteekenis van “indien” vooral Stad-Groningsch: of kom ’k mörn, hou loat zel ’k den komen? = als ik morgen kom, enz.; vergelijk as * (bldz. 498) ook de aanteekening.
ogenblik, ovenblik, oogenblik, oogenblik; ’t is ’n ovenblik zoak (klemtoon op zoak) = ’t behoeft slechts een oogenblik te duren, ’t is ’t werk van een oogenblik; zal eigenlijk zijn: oogenblikszaak; voor “op ’t oogenblik” hoort men wel eens on ’t ovenblik of ook om ’t ovenblik, evenals op ’n pad of o’ m pad voor “op pad” (pad was vroeger mannel. en ook hoort men wel eens: op de pad); vergel. absluut *. Omgekeerd spreekt men van op (’n) boschōp voor ’t Nederlandsche om eene boodschap.
ogendienen, oogendijnen*, bij v. Dale: oogendienaar, oogendiender, oogendienst.
ogenklaar, oogenkloar*, ook bij v. Dale.
ogenschijn, oogenschien*, Hoogduitsch in Augenschein = in oogenschouw.
Oldambt, Oldampt*, heeft in de volkstaal den klemtoon op de laatste lettergreep, evenals ’t Hoogeland, Westerwolde; vgl. Westerkwartier .
olie, eulie*, [bldz. 517]: “vergel. wien” enz. beteekent, dat die woorden, evenals meer stofnamen, hier wel eens onzijdig worden gehruikt; in ʼt Westerkwartier zegt men eulje.
om, om*, omme, als voorvoegsel, Stad-Groningsch vaak omme (bij v. Dale verouderd en dichterlijk); zie voorts om -bie *, ook de aanteekening; om mie zie: part; ’k heb ’r nijt om docht, hier uitsluitend voor “aan gedacht” en bij v. Dale afgekeurd. Zie ook omnemen en ovenblik .
om aan, om-an*, vergel. om en an * (bladz. 549.)
om af, omof, (Westerkwartier) = af (Groningsch of): oppe riege omof (of: weg) en oppe kop omof.
om bij, om-bie*, ook wel ombie, zonder tusschengevoegd “en.”
om en aan, om en an*, (bldz. 549): alles om en an hangen = al zijn geld voor opschik besteden; vergel. om -an *.
om toch, ommeldoch*, omtoch, hiervoor elders het antwoord: om dáárom.
om toe, omtou*, vergel. ’t Nederlandsche omheen.
om weg, om weg*, ook Friesch.
omboeren, omboeren*, ook bij v. Dale.
ombollen, ombollen*, bij v. Dale: zijn woord eten.
omdenken, omdenken*, ook wel: deurdenken, noadenken; vgl. achterdocht *.
omdoen, omdoun*, zie ook doun *, ook de aanteekening.
omgaan, omgoan*, zie ook omnemen .
omgang, omgang*, vergel. omslag *.
omgeven, omgeven*, zie ook omboeren *.
omhanden, omhann’*, en om hans*, bij v. Dale: omhanden, sub “om.”
omklokkeren, omklōkkern, zie klōkkern *.
omkomen, omkomen, zie kepotkomen ; arns ien omkomen = door overmaat met iets overstelpt worden, er mede verlegen worden, zoowel ten goede als ten kwade: elders spreekt men gemeenzaam van “ergens in stikken”; bederven, van eetwaar; zie verkomen *.
omkorrelen, omkōddeln, zie omkōrreln *.
omnemen, omnemen, terugnemen: ’k heb ’t weer met omnomen = mede teruggenomen; om = “terug” is hier door de scheiding van “weerom” ontstaan; zoo ook: ’k bin weer mit omgoan; hij har d’r nijt weer van om = hij had er niet van terug, kon niet wisselen. Vgl. omdoun *.
omreden, om reden*, bij v. Dale “om reden” en “om redenswil.”
omschonnen, omschōntjen, zie schōntjen *.
omschot, omschot*, Nederlandsch uitschot.
omsteken, ōmstoken*, bij v. Dale onderstoken, ook wel: ondergestoken.
omtrent, omtrent*, vgl. hen * (volgens v. Dale van: heinde, hende, hend = hand.
omvademen, omvoamen*, vergel. ofvoamen *.
omvodden, omvodden*, van: ravotten?
omzonst, omsunst*, Hoogduitsch umsonst.
onbegrijpzaam, onbegripsoam, tegengestelde van begripsoam *; vgl. onbegrijpelijk bij v. Dale.
onbehulpzaam, onbehulpsoam, zie behulpsoam *, ook de aanteekening.
onderdanen, onderdoanen*, beenen, ook bij v. Dale.
onderheen, onderhen, zie hen * en bij v. Dale “omheen”, dat een germanisme is.
onderhuren, onderhuren*, is Nederlandsch, evenals onderkoopen.
onderlegger, onderligger*, Nederlandsch onderlegger.
ondertijd, ondertied*, (bl. 549) heeft meestal den klemtoon op tied; ’t is ook Friesch, vgl. Nederlandsch “onderwijl”, in verband met “bij tijd en wijle.”
onderwal, onderwal, het onderste gedeelte van den wal eener diep gelegen sloot of gracht; bij v. Dale benedendeel van een wal in ’t algemeen.
ongans, ongans*, bij v. Dale “ongansch” = niet gezond, en, als zelfstandig naamwoord, eene leverziekte der schapen.
ongedaan, ongedoan*, Nederlandsch ongedaan, ontdaan.
ongedwongen, ongedwongen, zie onbedwongen *.
ongel, ongel*, bij v. Dale = gesmolten vet.
ongelijk, ongeliek, in: ongeliek wel = niet onverschillig wie.
ongemak, ongemak, ongedierte, ook bij v. Dale.
ongetal, ongetal, zie on *.
onmogelijkheid, onmeugelkhaid, in: ’t is ’n ding van onmeugelkhaid, met den klemtoon op ding, = ’t is onmogelijk; Hoogduitsch: ein Ding der Unmöglichkeit.
onnozel, onneuzel*, onnoozel = gering ook bij v. Dale.
onrecht, ònrecht, in: d’ ònrechte kant, een germanisme voor: achterkant.
ons, ons’, voor: onze (enkelvoud en meervoud), ook Friesch, Nederlandsch alleen bij dichters.
ons, uzes*, Engelsch: us = ons (persoonlijk voornaamwoord 3e en 4e naamval.)
ontlaten, ontloaten*, ontlaten ook bij v. Dale.
ontstaan, ontstoan*, bij v. Dale ontstaan ook = missen, vrij zijn van; hiervan: ontstentenis.
ontstrijden, ontstrieden*, Nederlandsch ontstrijden en opstrijden.
ontzitten, ontzitten*, vergel. baiern *.
onvoeg, onvoege mal*, Hoogduitsch Unfug = wanorde.
onweer, onweer, (Hoogduitsch Unwetter) = onstuimig weer (in ’t Nederlandsch verouderd); vgl. zwoarweer *.
onzin, onzin, zie biester *.
oog, oogen vet*, “oog” ook in die beteek. bij v. Dale.
oogweiding, oogwaide*, Hoogduitsch Augenweide.
ooi, ooi*, ook bij v. Dale.
ooievaarsbloem, aiberbloum*, zie ook kiewietsbloumen *.
oomkool, hòmskool, oomkòòl*.
oomkool, oomkòòl*, ook hòmskool; voor Van-der-hummes hoort men ook: Van-der-hummes met de keezekuten.
oor, ooren*, (bl. 550), vgl. drong an *.
oord, oort*, 2, ook bij v. Dale.
oorijzer, ooriezer*, vergel. ’t hoar *; zie Gr. Wbk. in voce “oorijzer” (I); de zuiver Nederlandsche benaming is: Friesche, Groningsche, Noordhollandsche enz. “kap.”
oorknop, oorknopkes, zie knopkes .
oost, oost*, zie ook oostan *.
oostganger, oostgangers, pas uit Oost-Indië teruggekeerde personen.
oostwaarts, oosters, zie oosterd *.
op, on, verbastering van op, zie ovenblik .
op, op*, zie ook te * en vgl. dag *, alsmede “vinger” bij v. Dale; ’t heeft ook de beteekenis van “bij”, “over”: ’k heb d’r nijt op noadocht of: op noavroagd; hij ’s d’r op te koop west, Nederlandsch er om te koop geweest, d.w.z. is er geweest om het te koopen; ook Drentsch.
op aan, opan, in: doar ken j’ net opan! = dat kun je begrijpen! ’t zal niet gebeuren!; ’t komt mie d’r niks opan! = daarop ben ik niet gesteld.
op de, obbe, oppe, voor “op de” of “op den”; vergel.: e 2.
op drift, opdrift, zie drift *.
op en daal, op en del*, zie op en neer .
op en neer, op en neer, (ook op en del*) = vertrouwelijk, dagelijks omgaande met iemand: op en neer mit ’n ander wezen, op en neergoan mit ijmand; vergel. op en of * en ijgen *.
op en top, opendop*, bij v. Dale (onder “op”) als gewestelijk.
op en weg, op en weg*, (bl. 550), ook Zuid-Nederlandsch, maar alleen in de beteekenis: alles is opgegeten en de tafel afgenomen.
op-, op-, vóór werkwoorden, met eenigszins versterkende beteekenis, bvb. opbargen* (bij v. Dale ook: opbergen), opbewoaren = het Hoogduitsch aufbewahren; vergel. opbedenken *.
opbergen, opbargen*, Nederlandsch (hoewel niet bij v. Dale); ik wist me niet te bergen van lachen, pijn, enz.; zie ook: an zied goan * (bldz. 498.)
opbollen, opbollen*, bij v. Dale “bollen” (3) en “opbollen.”
opbulken, opbölken, zie bölken *.
opdooi, opdooi, opdeu, Fout:509
opdooien, opdooien, opdeuen, Fout:509
opdraaien, opdraien*, vgl. ’t Nederlandsch “opdraaien”, dat ook “boeten” beteekent.
opdrachtig, opdrachtig*, (bldz. 550): opdragen van kleeren = bij ’t gebruik opschuiven, is een algemeen gebruikelijke naaisters- en kleermakersterm.
open, open, zie: hof .
openbaar, openboar, ’n openboare leugen = een blijkbare, tastbare leugen: het Hoogduitsch offenbar.
operateur, oproateur*, opperteur, (vgl. bldz. 551); zoo ook elders “operateur”, en niet altijd ongunstig; ook opperteur (Westerkwartier).
ophangstuk, ophangstukken, zie schink *.
ophebben, ophebben*, ook bij v. Dale.
ophokken, ophokken, zie hokken *.
ophoogsel, ophoogsel*, “opsetsel” in eene Ordonnantie van 1687 (art. I b); in ’t Nederlandsch “roef” of “roof”, in beide beteekenissen; vergel. hek .
ophouden, ophollen*, (bldz. 551), vgl. Hoogduitsch: da hört (ja) alles auf.
opineren, openijern*, waarschijnlijker van het Nederlandsch “opineeren.”
opkluwenen, opklounen, zie kloun *.
opkoken, opkoken*, ook bij v. Dale.
opkomen, opkomen*, in: nou ken ik d’r veur opkomen = nu heb ik de zorg, de verantwoording, de schade, enz., vergel. noakomen .
opkrassen, opkrösen*, Nederl. opkrassen; vgl. krös * en “opkarren” bij v. Dale.
opkrijgen, opkriegen*, (bldz. 310 en 551) ook elders; bij v. Dale: hij kan het niet op = hij kan van zijne verbazing niet bekomen.
opkunnen, opkennen, ironisch in: ’t kèn nijt op!, bvb. wanneer iemand veel uitgevraagd wordt, en omgekeerd, als iemand tegenspoed ondervindt: hij ken de pret wel op! (beide ook Nederlandsch, doch ’t eerste in ruimeren zin;) met het laatste is gelijkbeteekenend: hij ’s veur zien plezijer oet! of: doar het ’r nijt te veul an!
oplaten, oploaten*, in denzelfden zin “oplaten” en “opblijven” bij v. Dale.
opmakersboedel, opmoakersboudel, zie kea *.
opmennen, opmennen, zie mennen *.
opnemen, opnemen, kosten, vorderen, noodig hebben; bvb. in: ’t nemt nog al op (vgl.: anloopen 2); zoo nemen zure appels bij ’t stoven veel suiker op; in dezelfde beteekenis: d’r gait drei el tou.
opneuker, opneuker*, vergel. anwaisel *.
oppassen, pas op*, (klemtoon op op) komt in deze beteekenis ook elders voor; hierbij o.a.: pas op as ’t woar is! = gij hebt het mis!
oprakken, oprakken, (Westerkwartier) voor noarakken *.
oprede, opree, zie drift *.
oprit, oprit*, vergel. v. Dale.
oprukken, oprukken*, Nederlandsch inrukken, uitrukken.
opschepen, opscheept*, Nederlandsch opgescheept en opschepen.
opschrijven, opschrieven, schriftelijk opzeggen of afzeggen; bij v. Dale: afschrijven.
opschutten, opschutten, opsluiten, vooral dieren; vgl. ’t Nederlandsch schutten.
opslag, opslag*, ook = de uit een sloot opgegravene en op den wal gestapelde aarde; zie ossegang * (bldz. 552.)
opsmijten, opsmieten*, vergel. oetsmieten *.
opstaan, opstait*, vgl. stee *.
opstaan, opstoan*, zie ook opstait *.
optakken, optakken, zie: oftakken .
optrappen, optrappen*, v. Dale noemt, onder “stoep”, het woord “optrapje.”
optrekken, optrekken*, Hoogduitsch erziehen.
opvliegen, opvlijgen, opvliegen, in: je vlijgen hier op van tocht, en zoo ook figuurlijk: ’t vlōcht hier op van muggen, van drokte, enz.
opvriezen, opvrijzen, uitzetten of opgelicht worden door den vorst, waardoor bvb. hekken en deuren niet willen sluiten; ook het bevriezen van regen- of sneeuwwater op den bodem, bij opdooi, doordat de grond langer koud blijft dan de lucht. Eigenlijk dus navriezen, zooals zulks bij ijzelen plaats heeft.
opweg, opweg, oprijweg; vergel. drift * en bij v. Dale “afweg”, dat eigenlijk een germanisme is voor: zijweg.
opzetten, opzetten, opofferen, ten koste leggen, altijd door bie gevolgd: hij het al zien geld bie zien kiender opzet; bij v. Dale o.a. = wagen, op ’t spel zetten.
ordentelijk, oddennelk, zie ordendelk *; de o wordt hier bijna een stomme e. Als zelfstandig naamwoord: in ’t oddennelke = met mate, gepast, met bescheidenheid: vergel. hiermede oddennelkhaid *; gewoonlijk laat men als tegenstelling en waarschuwing volgen: nijt ien ’t gekke! (dit ook elders.)
ordinair, ornoarie*, “ordinaris” in ’t Nederlandsch der 17e eeuw = gewoonlijk.
orre, ōrre, een schertsend woord tegen kinderen: ōrre, flaare, dronken Triene!
ossengang, ossegang*, volgens sommigen oorspronkelijk “hostiegang” = weg voor de geestelijkheid.
oud, ol, zie olle *.
oud, old*, zie ook oln -koln *.
ouder, older*, Eer brengt een arme vader / Met vreugd zes kinderen groot, / Dan dat zes rijke kinderen /hem koestren in den nood. (N. Beets.)
oudewijven, olwief, stofnaam, zie olwieven *.
oudkraams, oldkroams*, Nederlandsch kraams.
ouds, olds*, Nederlandsch ouwelijk.
oven, ovend, oven.
over, over*, zie ook over -maggen * en: kriegen .
over hals, over hals, verloren, verbeurd; zie kou *.
overal, overàl, (bijwoord) = door elkaar, in de war.
overalhalen, overàlhoalen, door elkaar halen.
overbeteren, overbetern*, ook ironisch, voor: vervallen van een plan enz.
overeen, overijn, in overijn oetkomen = op ’t zelfde neerkomen: men zegt echter in ’t Nederlandsch ook: over één uitkomen.
overeersten, overeerstjen, meetjen*, en fig. iets uitstellen, ten einde iets anders “eerst” te doen; in dat geval spreekt men ook van eerstjen , zie aldaar.
overgaan, overgoan, in: ’t gait over = ze komen niet meer, enz. en ook: ’t zal niet gebeuren, ik verbied het; ’t omgek. van: angoan; zoo ook: ’t mout moar overgoan = we zullen ’t maar niet doen, enz.
overgeven, overgeven, voor ’t Nederlandsch. “opgeven”, in twee beteekenissen: bloud overgeven (vergel. bloudspeien *) en: ik geef ’t over = ik geef het op, ik geef het verloren; in de laatste beteekenis echter ook bij v. Dale.
overlangen, overlangen, zie anlangen *.
overlopersvaars, overloopersveers, zie veerze *.
overnieuw, overnijs, op nieuw, elders ook wel: overnieuws = vannieuws.
overstuur, overstuur*, ook bij v. Dale onder “stuur.”
overtoekomen, overtoukomen, d’r overtoukomen = toevallig ter plaatse komen waar iets gebeurt, iemand betrappen, verrassen of overvallen, er op af komen; elders: er op inkomen.
overtoekomen, overtòùkomen, (bldz. 50), Fransch survenir, Latijn supervenire.
overtuiging, overtugeng, in overtugeng zitten = in gedachten verzonken zitten, voor zich heen staren.
overwinnen, overwinnen, zie doezend * (bl. 512), bij v. Dale ook voor: kinderen verwekken.
overzien, overzijn, door de vingers zien; van Dale beschouwt “overzien” in deze beteekenis als verouderd.
pa, poike*, (paaike), vergel. moeke *.
paard, peerd*, vergel. geven * (ook de aanteekening) en zit *, alsmede: toalsman; voor de vergelijking op bldz. 166 I 17 v. o. hoort men ook wel: ’n koors as ’n peerd, evenals in ’t Fransch: une fièvre de cheval.
paardenspel, peerspul, zie spil *.
paardentoom, peertjetoom, (Westerkwartier pid’tjetoom): speelgoed, door kinderen van pijpestelen en kastanjes vervaardigd; gevormd als: “gatjepan”, “hoaskejoagen”, toetjelamp.
pad, pad, in op ’n pad, of: om pad en bie ’t pad = an de loop = op weg (bij v. Dale: op pad en op den loop); zoo ook ien ’t pad, voor: in den weg, maar oet de weeg voor: uit den weg; verder de zegswijze: ie kennen ’t pad wel warm hollen! als iemand dikwijls heen en terug denzelfden weg aflegt. Bij van Dale: de baan warmhouden = voortdurend op schaatsen zijn, ook figuurlijk = voortdurend werken. Vgl. ovenblik .
pad, pōr*, (1); bij van Dale: puit = kikker.
paddenvilder, pōrrevilder, stomp mes; vergel. pōr * (1 en 2.)
pak, pak*, vergel. pakje *, bij v. Dale: van ’t zelfde laken een broek.
pak, pakjen, zie koopmantjen *.
palmslag, palmslag*, bij v. Dale alleen als verouderd Zuid-Nederlandsch vermeld.
paltrok, paltrok*, bij v. Dale ook = pelgrimsrok, pelgrimstabbaard.
pannenkoek, pankouk*, vergel. rieten *.
panvis, panjevisch*, vergel. katjevis *.
papenkul, poapkullen*, ’t Engelsch “killow” is een delfstof; Nederlandsch reuzenmoppen.
papier, pompier, zie pampier *.
paps, paps, zie gōrrel *.
paraplu, p’rpluu, parapluie; ook hoort men het elders eveneens bekende “parrelapluu.”
pardoes, perdoes*, bij v. Dale “pardoes” en “perdoes”, verbastering v. “par Dieu!”; in ’t Hoogduitsch heeft men: pardauz, pardooz, parduz.
parlevinken, parlevinken*, nog tot ongeveer 1870 werd te Amsterdam Vechtwater aangevoerd in schuiten die evenals hunne schippers “parlevinkers” werden genoemd.
parmantig, permanteg*, bij v. Dale parmantig = deftig (Spaansch: paramento = tooi.)
part, part*, (bldz. 552): om mien part, ook wel: om mie, luidt in het Nederlandsch: voor mijn part,
partij, part*, Zuid-Afrikaansch: partij keer = soms, en: partij = sommigen.
partijlui, parluu, een in de stad Groningen en ’t Westerkwartier veel gebruikt woord, is ontstaan uit partei luu.
paskwil, paskwil*, ook bij v. Dale, eigenl. = schotschrift, pamflet.
passen, passen*, zie ook oppassen * (bldz. 551.)
pats, bats*, 1 Hoogduitsch “patsch!” en “patschen.”
patsen, batsen, zie bats * 1 (ook de aanteekening.)
peg, pig*, bij v. Dale (Zuidnederlandsch): peg.
pegel, pegel*, bij van Dale = maatknopje, merk, ook Hoogduitsch.
peil, pail*, “geen peil op te trekken” ook elders.
peluw, peul*, bij v. Dale: peluw, peul, peuluw; Hoogduitsch Pfühl.
pendam, pendam*, Engelsch: “pen” = hok, perk; “to pen” = opsluiten.
penningzestien, penningzestien*, “op de penningzestien” ook elders.
pens, pens, (spreek uit: pèns), zie lappen * 1 (bij v. Dale “op zijne pens.”)
pentelentig, penterlendig*, vergel. krik * en krebentig *.
per se, perstee*, kan ook verbasterd zijn uit “per se.”
pet, petten*, Engelsch peat = turf, veen.
petroleum, petrolie*, bij v. Dale ook: petrolie en peterolie.
Petrus, Pijter, zie pijtsnöt *.
peul, poul, peul; zie poel *.
peulen, pulen*, bij v. Dale: pulken, men denke ook aan “pellen” en “peul.”
peuteren, peutern*, in de eerste beteekenis ook bij v. Dale.
peuzelen, peuzeln*, bij v. Dale in de eerste beteekenis en ook = talmen, dralen.
piek, piek*, de zegswijs ’n brijdje enz. herinnert aan het oude bijgeloof, dat men iemands leven kon verkorten door een betooverd en met zijn naam gedoopt houtje in ’t vuur te werpen.
piel, piel*, bij v. Dale = jonge eend.
pieleman, pieleman, penis; zie: krule .
piepbezijden, piebeziedjen*, (gevormd als het synoniem kroepbeziedjen*) is in Hunsego zeer algemeen; in ’t Westerkwartier spreekt men van bekroepken*; vergel. piepen * 2.
piepen, piepen*, 2: v. Dale geeft de woorden “kiekeboe” en “piebeu.”
pierenkul, pierekul*, vergel. wirm * (bl. 579.)
Piet Snot, pijtsnöt*, “met den mond vol tanden staan”, ook bij v. Dale.
piethaan, piethoan, zie piet *; het woord heeft hoogstens in de drie noordelijke provinciën eene obscene beteekenis: te Deventer o.a. treft men den eigennaam Piethaan aan en niemand vindt dien vreemd.
pijjekker, piejekker*, bij v. Dale: pijjakker.
pijlen, pielen*, “pijlen” hiervoor ook elders.
pijler, pielter*, vergel. het Nederlandsche pijler.
pijn, piene*, Fransch peine = moeite.
pijp, piep*, (zooveel als: rookpijp) zie ook smoken * (deze zegswijs ook bij v. Dale.)
pijp, piepken, zie piepen * 1.
pijpenkorf, piepkörf, pijpenmand.
pijpenraai, pieproai, zie piont *.
pik, pik, zie pip en pikkeduuster *.
pikduister, pikkeduuster*, vergel. balkeduuster *; “pikkedonker” ook elders.
pikken, pikken, mikken, en ook = kleven.
pikkerig, pikkerg*, zie ook baks *.
pil, pil, pille = dikke boterham: ’n guie pille: bij v. Dale alleen Zuidnederlandsch.
pinakel, pienappel*, waarschijnlijker door volksetymologie verbasterd uit (bouwkunde) pijnakel, Fransch pinacle, Latijn pinnaculum = top.
pinken, pinken*, volgens v. Dale van “pink” als vaartuig.
pintenneuker, pintheuker*, vergel. heukerg * enz.
piont, piont*, vergel. Hoogduitsch Binse.
piot, pioot*, (bl. 553), elders: piot, piotter, pioeter; bij v. Dale “piot” = scheldnaam voor “soldaat.”
pip, pip*, Hoogduitsch Phipps, Pipp, Pipps; “hij het de pip (ook: pik) weg” beteekent ook: hij is smoorlijk verliefd, elders (min gunstig): ’t spek weg hebben.
plaats, ploats*, zie ook stee * 1; bij v. Dale: plaats = buitengoed of villa (in deze beteekenis in Holland zeer algemeen en ook = erf); voor het Groningsche ploats = boerderij, zegt men o.a. in Zuid-Holland “stee”; men vergelijke: hofstede en: ridderhofstad en ’t Hoogduitsche Statt en Stätte; “boernplaats” ook Geldersch.
plaatstoof, ploatstoof*, juister, zooals bij v. Dale, stoof met verlengd ondervlak.
plamuursel, plemuursel, bij v. Dale “plamuursel”; onze ververs bereiden het uit runderbloed, krijtwit en gezoden olie, en wenden het vooral aan om een effen oppervlak te verkrijgen: elders plamuurt men met loodwit, menie en olie, waardoor het hout tevens voor bederf wordt bewaard.
planketting, planketten*, vergel. stranketten *.
planteit, planteit*, vergel. plentie *.
plat, plat*, zie ook bldz. 107 I midden.
plattenburg, plattenbörg*, (bldz. 554), elders, o.a. bij Arnhem, is Plattenburg de naam van een buitenplaats.
pleit, plait, zie recht *.
plenty, plentie*, vergel. planteit *.
plompen, plompen, zie plomp *.
plukhaar, plōkhoar, plukhoar, ienne plōkhoar gooien = kwoad-hoar-scheuren*.
plukschuld, plukschuld*, vergel. klikschulden * (bij v. Dale kladschuld.)
poeha, poehai, zie poehai *.
poelepetaat, poatoater*, zie ook petoater * en poelpetoater *.
poelepetaat, poelpetoater*, bij v. Dale: poelepetaat en poelepetane.
poeps, poeps, Westfaalsch, zie poep *.
poes, poes*, zie ook poesen * en poesmooi *.
poes, poeke, poesje, zie moeke *.
poespas, poespas*, bij v. Dale = rommelzoo.
poesten, poesen*, vergel. poestert *.
poester, poestert*, zie poesen *: ’t woord zal van poesten* afgeleid zijn, daar kinderen zich vermaken met de zaadjes van den stengel te blazen.
poet, poetie, liefkoozend woord, vooral tegen kinderen; Nederlandsch (gemeenzaam) poetje; misschien het Hoogduitsch Putte = gebeeldhouwd kind of engeltje, en dit weer van ’t Italiaansche putto.
pof, pōffe*, (bldz. 554): ’n sis en ’n pōf = veel geschreeuw en weinig wol.
pof, pōffen*, bij v. Dale (gewestel): beschuitbolders.
pokdalig, pokdellig, zie motterg *.
polsstok, pōlstok, vergel. koar *.
pomme d’Adam, pomdammen*, misschien: pommes d’ Adam.
ponder, pōnter*, vergel. teimen * en pōnning *.
Pontius Pilatus, Pontes-Pilates*, ook vermeld bij Laurillard, Bijbel en Volkstaal.
poos, poos*, vergel. toer * 2 (ook de aanteekening.)
poot, poot*, bij v. Dale “jan-poot-an” = keukenpiet.
pootschijfling, pootscheling*, in geschrifte: pootschijfling.
pophaalster, pophoalster*, vergel. kinderhoalen *.
pork, pōrk*, vergel. bōrk *.
portuur, petuur*, ook in: twei tegen ijn is gijn petuur; vergel. mooren *.
post, post*, bij v. Dale = deurstijl, vandaar: deurpost.
postelein, pastelain*, “pastelein” en “porselein” zijn ook elders voor “postelein” gebruikelijk, in de botanie is zelfs “pastelein” ’t gewone woord.
pot, pōt, zie pōtje *; pōt is de bijnaam, dien ’t jongste dochtertje in een boerengezin op ’t Hoogeland, als zij tevens het jongste kind is, dikwijls behoudt tot zij geheel volwassen is: zij is dan nog altijd ’t pōtje.
pot, pōtje*, ’t pōtje ’t gat likken = zich een pas of nog niet lang geleden geboren kind door de baker laten zien: natuurlijk kost dat een fooi.
poteten, poteten*, meer algemeen in engeren zin gebruikelijk voor: groente en aardappelen, met of zonder vleesch, door elkaar gekookt, ook eten-deur-mekander (ook elders: eten-door-elkaar) genoemd en vooral winterkost, vergel. hutspot *; zie ook absört *.
potrek, potrik, een latwerk, meestal in de buitenlucht, waarop potten en pannen kunnen uitlekken en drogen, vergel. brederik *.
potschip, potschip*, bij v. Dale: pottenschip, pottenschuit.
potschipper, potschipper*, oudtijds had dit woord een geheel andere beteekenis. In 1661 o.a. wordt gesproken van schepen “potten” of “pointen” geheeten, in 1675 van “potschipperen” en in 1677 van “potman”, “potschipperen”, “pontschipperen.” Zulk een “potman” heette ook “buitenman”, omdat hij over zee kwam, in tegenstelling van den “binnenman”, die alleen de kanalen bevoer; sedert 1784 echter was “potschipper” de algemeene naam voor elken turf- en ook vuilnisschipper. De oorsprong van ’t woord “pot” of “point” is niet bekend: beide vormen kunnen verbasteringen zijn van “pont”, dat echter juist in 1661 nog niet voorkomt; vgl. ook ’t Nederlandsche “punter.” Zie: Trip, De reiniging der stad Groningen, bl. 240 en verv.
potspel, potjespul, zie bijgooi *.
potuitlikker, potoetslikker, zie laiter *.
potverteren, potverteren*, bij v. Dale als zelfstandig naamwoord en vergel. aldaar “pot.”
praaien, prailen, (Stad-Groningsch) = elkaar kruisen van brieven, eigenl. praaien.
praan, pran*, ook = troep, zie poazen *; vergel. körtvour *.
praat, proat*, proat is niks (bldz. 555) ook = men mag zeggen wat men wil; “praatjes vullen geen gaatjes” ook bij v. Dale; voor het Nederlandsch: “aan den praat houden” hier: in de proat hollen, vgl. an . Zie ook dingen *, ook de aanteekeningen.
prak, prak*, ook meer algemeen voor groote massa: ’n prak snei; vgl. praksel * 2.
praktijk, praktiek, in: praktiek is bie de mens! = de mensch is vindingrijk! (vgl. practica est multiplex); ’t komt overeen met bldz. 131 II: gijn loozer goud as menschen.
pram, prammen*, vgl. “pram” bij v. Dale en (met de aanhaling uit Hooft) “praam”1 (= beklemming, drukking) en “pramen” (= drukken) aldaar.
praten, proten, zie proat *.
preciesje, persieske*, natuurlijk van: precies.
prik, prik, zie botprik *.
prik, prip, een puntig voorwerp, vooral de punt van een top of priktol (bij v. Dale: prik); is zulk een punt van een els of priem gemaakt dan spreekt men van ’n elzen prip.
prikje, prikje*, bij v. Dale prik en prikje = nietigheid.
prikken, prikken*, (bldz. 555), alleen gewestelijk in de beteekenis van prikkelen of pijn doen (steken) van wonden, overigens Nederlandsch.
professor, perfester, (vooral Stad-Groningsch) = professor; vgl. pertoal .
profijtertje, perfietertje*, bij v. Dale: profijtertje.
promoter, promoters*, vergel. kroaters *.
prop, proppen*, (bldz. 337 en 556), vgl. lap *, (v. Dale heeft: weer op de lappen komen = herstellen.)
proppend, proppend*, Nederlandsch propvol.
pruil, proel, zie proels * en proostig *.
pruim, proemen*, vgl. boonen *; zie ook roeg *.
pruim, proemken*, proemken*, vgl. sloatje *, sloatjen *.
pukkel, pukkel, zie pokkel *.
punchmelk, ponsmelk, zie engelse pons .
punt, puntjes*, ook enkelvoud: ’n puntje an zoegen.
punter, punter*, Fransch: pupitre.
putsteen, putsteenen, zie kielputsteenen .
putter, putter, zie doenighaid * en vergel. v. Dale.
putterdistel, putterdistel, volgens van Dale in Groningen een soort van distel.
r, r, deze letter wordt l in aierdool*, baggelen * (zie dat woord), flambozen* en in wel* = wie (van ’t Hoogduitsch: wer); omgekeerd verandert de l in r in ’t woord arkeneerwortel (radix alcannae) en ’t zelfde heeft plaats in karmswortel*. Verandering van r in d in bōddel* en odder* en omgekeerd in ber * (zie aldaar.) Inlassching van r in vernienig*, sterdent (= student) en verziete*; met verdringing van de t in fersounlk en verzounelk = fatsoenlijk. Geheele weglating in keesköst* = kaaskorst; koat* = kaart; vōt (voor: vōrt*) = voort, dadelijk.
raad, road, in: is gijn road ton = goede raad is duur, enz. (letterlijk: er is geen raad “voor”), vergel. levendig *; “geen raad weten” wordt hier wederkeerig vervoegd, vooral in de beteekenis van: zich niet weten te bergen, bvb. ’k wijt mie gijn road! ’k wijt mie gijn road van kopzeerte. Op bldz. 484 II midd. is deze vorm verkeerdelijk als Nederlandsch beschouwd. Merkwaardig is ter vergelijking de regel “daz er sin selbe rat ne weiz” uit het Middelhoogduitsche gedicht Eneit, v. Heinr. v. Veldeke, uit het jaar 1189; intussen komt “’k weet me geen raad” enz. ook elders in de spreektaal, natuurlijk evenzeer met beperkte beteekenis, voor. Vergel. begriepen * (bldz. 500), ook de aanteekening.
raai, raai*, Engelsch: rye-grass; zie echter raygras bij v. Dale.
raam, roam*, en roamen*: bij v. Dale “raam” = juiste richting, “ramen” = mikken; vandaar ramen, raming = schatten, schatting.
raapstelen, raapstelen*, ook bij v. Dale.
raar, roar, met ongunstige beteekenis, bvb. roar oetkomen = leelijk afloopen, ’t liekt mie roar (= bedenkelijk, verdacht) tou, ’t begunt mie roar (= slim) te vervelen; vergel. dōl * en: al .
rabbelkanis, rabbelkoanes, rappelkoanis, de romp van een gebraden vogel, wanneer die nagenoeg van ’t vleesch is ontdaan.
rabbelkanis, rappelkoanis, zie rabbelkoanes .
rachen, raggen, rachen*.
rad, rad*, (= wiel), zie ook roaden * en jakkern *.
raden, geroaden, zie noa * (ook Friesch.)
raisonneren, rezenijern, (van ’t Fransch “raisonner”), zie redenijern *.
rak, roaken, als meervoud van rak *, zie dat woord.
rakeldobbe, roakeldobbe*, vergel. askedobbe *.
raken, roaken*, ook in: dat kenj’ zoo krek nijt roaken = niet zoo precies berekenen; vgl. deurschijten *.
rammeien, remaien, (rammeien) = stooten: hougen en remaien = slaan en stooten (van paarden.)
rap, rap*, (van schroeven), Nederlandsch “lam”; ook noemt men een noot rap als de beide helften van den dop niet vast aan elkaar sluiten en zij daardoor een rammelend geluid geeft; het woord kan van rappeln* komen of een begripswijziging van het Nederlandsche “rap” (= vlot) zijn.
rap en ruit, rap en roet*, beide woorden beteekenen “schurft”, vgl. rap 2 bij v. Dale en ruterzalf * (vooral de aanteekening.)
razen, roazen*, zie ook goezen *.
recht, recht*, zie ook docht *.
rechterrecht, redgerregt, een heerlijk recht; zie o.a. Kremer, Beschrijv. d. Prov. Gron., IIe druk 2e stukje bldz. 25, en vooral het Register van het Archief van Groningen door H. O. Feith.
reden, rijden*, vergel. anred * en ijgenred *.
redzaam, redsoam*, men leze: onbehulpsoam = onredzaam, onbeholpen of onbehelpelijk; een Nederlandsch woord “redzaam” schijnt niet in gebruik; vergelijk verder behulpsoam *, vooral de aanteekening.
reekam, redkam*, vergel. rekenkam *.
reep, roop*, Engelsch rope.
refter, reventer*, reemter, reimter, (ook Middelhoogduitsch): te Groningen meestal samengetrokken tot reemter of reimter; enkele zalen in ’t kasteel Marienburg in Oost-Pruisen dragen den naam van “Remter.”
regen, regen, regenen, zie blad *.
register, legister, hetzelfde als register *.
Reitdiep, Reitdiep, zie rait *.
rekenen, reken*, 1: Engelsch to reckon; nijt rekend worren ook = niet in tel zijn, vergel. reken * 2.
rekenen, reken*, 2; hierbij ook: dat heb ’k niks ien reken = daar geloof ik niets van, daaraan hecht ik geen waarde.
rekken, rekken*, ook = reiken: d’r nijt bie (of: nijt antou) rekken kennen, zoo wied nijt rekken kennen; zoo ook: ’t nijt ofrekken kennen (klemtoon op rekken.)
rekker, rekker*, bij v. Dale “rek” = veerkracht.
remke, remke, zie roode remke *.
rennen, runnen*, Nederlandsch rennen.
reu, reu*, bij v. Dale = mannetjeshond.
reukhout, roekholt, een eigenaardig riekende houtsoort, voor de vervaardiging van rookpijpen gebruikt, (Weichselhout, Weichselroer.)
reut, reut*, vergel. roffel * en rukje *.
reutelen, reuteln*, Nederlandsch reutelen en revelen, vergel. dwelmen *.
ribbelen, geribbeld, geribd.
ribbeling, ribbeling, zie gruine ribbeling *; “ribbeling” ook bij v. Dale.
ribschier, ribbeschier, ribschier*, vergel. voazel *.
Richard, Rikkert, (mannennaam) = Richard.
richel, riggel*, Nederlandsch richel = lat, lijst.
richtbier, richtelbijr*, vgl. kindelbier *.
riek, riek*, (bl. 557): deze zegswijs ook elders.
riet, rijt, rijte, in geschrifte voor: riet*.
rij, riege*, vergel. hok -op -rieg *; voor “rij” heeft men ook “regel”; Geldersch “op rij” = achtereen.
rijf, rief, reeuw*, raif, zie rieve *; Nederlandsch rijf, rijven, in beide beteekenissen; reeuw* bij v. Dale = allerlei huisgereedschap (in Friesland); raif (Fivelingo) = rijve*.
rijt, riet*, in geschrifte: rijt, rijte.
rijven, rieven*, vgl. Hoogduitsch reiben en rief ; gereven geriefd, voorzien; ook wel voor “reven”, als deelwoord van rieven *.
risteren, riesterken, riestern*, vergelijk ook diksnitteren *.
rit, rid*, 2, vergel. voart *.
ritnaald, ritnal*, zie “ritnaald” bij v. Dale.
robbig, robbig*, Nederlandsch hobbelig.
rodehond, roodhond*, “roode hond” is een overal hier te lande bekende huidziekte, maar geen roodvonk, evenmin als ’t Hoogduitsch Rothlauf.
roe, roek, bij v. Dale = lengte, eind wegs, afstand.
roef, roef!*, (bl. 558), ook bij v. Dale.
roef, rouf*, Engelsch roof = dak, bij v. Dale “roof” of “roef” = schuin deksel van een doodkist, bovendeel van een klomp.
roem, roem*, roemen, (en stuk) ook bij v. Dale.
roest, rōst*, eigenl. = roest.
roet, roet*, ruut*, vgl. rap en roet * (ook de aanteekening.)
roet, rout, roet, zie rouk *.
roffel, roffel*, vergel. reut * en rukje * en zie ook: steut .
roken, rooken*, vergel. lijgen *.
rollaag, rolloag*, bij v. Dale rollaag = rij steenen boven een muur.
rollebol, rōllebōl, een draaibord voor hazardspel op dorpskermissen; ’t niet hetzelfde als sjandoedelkan*.
rolpatroon, rolpetroon, zie kezoan *.
romp, romp*, vergel. malkopt *.
rompelen, rōmpeln*, vgl. Hoogduitsch rumpeln = schudden, stommelen, en het Nederlandsche overrompelen.
rond, in ʼt ronde*, ook = “rond …”, bvb. in ʼt ronde draien = ronddraaien.
rond staan, rond stoan*, elders, o.a. in Overijsel, hoort men: “als ik dat rondkrijg” = als mij dat gelukt; “’t loopt rond” = het sluit, het marcheert.
ronde, ronde, zie enom * en in ’t ronde *, ook de aanteekening.
ronde maat, ronde moat, zie spint * en rondvol .
rondetersplaats, rondetersploats, rondetersploatse: nog in de eerste helft dezer eeuw had op sommige plaatsen in deze provincie de schoolonderwijzer geen vaste woning, maar vertoefde beurtelings, bvb. 8 dagen, bij de ouders der verschillende leerlingen; zulk een onderwijzer had dan een rondetersploats.
rondom, rondom*, 2: Westerkwartier rondsom, rōnz’m.
rondvol, rondvol, boordevol of opgehoopt vol.
rong, rong*, bij v. Dale een der vier staande sporten van een wagenladder.
ronselen, ronseln*, (bl. 559), bij v. Dale: ronselen.
roodschonk, roodschonk*, bij v. Dale = rister of duizendknoop.
rooi, rooi*, an de rooi wezen = rinkelrooien.
rook, rook*, vgl. Nederlandsch (hoewel niet bij v. Dale); onder den rook van de stad.
rookvlees, rookvlijs, zie noagelholt * (bl. 545.)
roomslak, roomslak*, vergel. botterklitse *.
roos, roos*, ook (evenals elders) voor het afschilferen der hoofdhuid, vandaar het euphemisme loopende roos*.
roppen, roppen*, ook = het plukken van gevogelte voor de keuken.
ros, rös, slaag, Nederlandsch: ros, zie lappen * 1.
Rotterdammer, Rötterdammer*, vergel. slem *.
ruggelen, rōggeln, bij v. Dale: ruggelen.
ruig, roeg*, ruig = ruw, onbeschaafd, ook bij v. Dale.
ruige witte, roegewitten, zie elfringen *.
ruigvriezen, roegvrijzen, vriezen waardoor rijp ontstaat; elders: ruige vorst.
ruimstraatsklokje, ruumstroatsklokje*, zoo heette ook de kleinste der vier klokken in den Martinitoren, gegoten in 1764. Zie Gron. Volksalmanak 1895, bldz. 181.
ruiten, roetens, zie: schuppens .
ruiter op paard, ruder-op-peerd, ruderspeer, rutersporen: zie bldz. 559 II.
ruitzalf, ruterzalf*, bij v. Dale ruit = schurft, ruidig = schurftig; vgl. rap en roet .
ruk, rukje*, vergel. reut * en roffel *; bij v. Dale in een ruk (= in een oogenblik.)
rups, roep*, bij v. Dale: rijp = rups.
s, essen, essies, essies*; vgl. stoanders *.
s, s*, wordt o.a. ingelascht in: als te, veuls te, tegenswoordeg, die echter alle drie ook elders voorkomen, zie verder bldz. 408 II onder. Als meervoudsuitgang heeft men s waar het Nederlandsch “-en” heeft, bvb. arms, roams; vooral heeft dit plaats bij woorden op “-m” en “-ing” (deze laatste uitgang wordt dan en of valt geheel weg), terwijl bij de namen der letters het omgekeerde plaats heeft, zie bldz. 516 II onder; in ’t Nederlandsch is “bladers” en “vensters” gewoon, “bladeren” en “vensteren” zeer deftig, terwijl bij andere woorden, als “lam”, “kind”, de uitgang “-eren” een menigte aanduidt (collectief.)
salie, zelve*, bij v. Dale: “selve” was oudtijds de naam der salie, vandaar het zonderlinge spreekwoord: zelf is het beste kruid.
salie, zelf, zie zelve * (ook de aanteekening.)
sangen, sangen*, Fransch sanguin.
Sara, Soaroa, in ʼt Oldambt begint een meisjesdans met de woorden: Soaroa, Soaroa, pak achter an mien koaroa. Volgens sommigen is dit koaroa het Oudfriesch “gare” = opperkleed, schoot van een vrouwenkleed; vandaar ʼt verouderde gerfkamer = kleedkamer. Zie echter koaroa * (bl. 535.)
sas, sas*, bij v. Dale: vuurgevend mengsel.
schaarde, scharte, zie schar *.
schabberig, schōdderg*, Nederlandsch schabberig.
schabrak, schabrak*, “Hoogduitsch Schabracke” zal alleen door overeenkomst in klank hiermede in verband gebracht zijn, waarschijnlijk is het woord een verbastering van ’t Nederlandsche “barak” = kavalje.
schade, schoa*, zie ook ja * (aan ’t slot.)
schaduw, scharre*, wie kriegen schar ien hoes! schertsende aanmaning om binnenskamers zijn hoed af te zetten, vooral als ’t een hooge hoed is!
schaffer, schaffer, (Hoogeland) = begrafenisdienaar, die, na een sterfgeval onder den gegoeden stand, voor alles zorgt, ook voor eten en drinken op den begrafenisdag, en daartoe zelfs de tafelgereedschappen in huur levert; bij v. Dale vindt men het woord “schaffer” = huisbezorger; vergelijk anschaffer *.
schapenerwt, schoapartjes, zie arten *.
schapenmelker, schoapmelker, zie stoppelknecht *.
scheepsjager, scheepopjoager, scheepjoager *.
scheet, schietje*, (bldz. 560): “flop” wordt flōppie als men een persoon bedoelt en beteekent dan: ploert, mispunt.
scheetje op het oog, scheet op ’t oog*, bij v. Dale weegscheet (wordt genoemd onder anzweng*.)
scheiden, schaiden, scheiding, in den uitroep: schaiden tusken baiden! = opgehouden met vechten!
schelen, schelen, ’t scheelt zooveul nijt = ’t gaat nogal, ’t is voldoende.
schelm, schelm*, vergel. kibbelder *.
schelmen, schelmen, zie kibbeln *.
schelvis, schellevioe*, volgens de legende zou deze uitroep zijn ontstaan, toen eene vischvrouw, bezig zijnde het woord “schellevis” uit te galmen, daarin werd gestoord door een student, die haar onverhoeds in den arm kneep, en daardoor haar deze meer geruchtmakende en dus bruikbaarder roep ontlokte!
schemel, schoamel*, Hoogduitsch Schämel, Schemel; v. Dale schemel = bankje.
schep, schep, en schepke = lepel of lepeltje om te scheppen, zoo bvb. sukerschepke; Nederlandsch: schepper, scheppertje.
scheren, scheren*, vergel. anscheren *, alsmede het Nederlandsche woord “gekscheren” en “gek” (2) bij v. Dale, waar “den gek scheren” of “den gek steken” zeer uitvoerig wordt verklaard; zie ook zunder * (bl. 583.)
schermutselen, schermōsseln*, Nederlandsch schermutselen.
scheuren, scheuren*, ook = met geweld rukken of trekken: muts van kop scheuren, ’n plant oet de grond scheuren.
scheuvelloper, scheuvellooper, schaatsenrijder, en overdrachtelijk iemand die niet te vertrouwen of niet eerlijk is.
schieten, schut, voor “schiet”: ’t schut mie ienne bijnen = de schrik schiet mij in de beenen.
schieten, schijten, schieten met een geweer, pijl en boog, enz.; de uitspraak van de ij in dit woord ligt in het Westerkwartier tusschen ai en ui; vervoeging: ik schijt, doe schutst, hai schut, hai schoot, hai het schoten; vergel. ook neutenschijten , alsmede rijmen *.
schietijzer, schijtiezer, (of alleen: iezer) = geweer; misschien is hier evenzeer een deel voor ’t geheel genomen als bij ’t Hoogduitsch Flinte = geweer, van Flint(e) = vuursteen.
schiften, schiffen*, vgl. karreln *, van Dale heeft: schiften.
schijtbij, schietbij, zie: moaten .
schijtgeel, schietgeel*, bij v. Dale: schijtgeel.
schijthak, schithakken*, bij v. Dale “kakhielen.”
schijtimme, schietiem*, Hoogduitsch Drohne, Nederlandsch darre; ook bromster* geheeten, dat de beide beteekenissen van ’t Nederlandsch hommel heeft, namelijk mannetje van de gewone bij en bijzondere soort van ruige bij.
schijtkerel, schijskerel*, naar het Hoogduitsch (bl. 561.)
schik, schik*, ’k heb niks gijn schik = ik amuseer mij niet, vergel. “schik in ’t leven” bij v. Dale; zie ook om schik * (bldz. 549.)
schikken, schik!, schik op! op zij!, vergelijk hōm * 3.
schikken, schikken*, vergel. schik * en zie ook: beschikken en joe * 1; de beteekenissen op bl. 365 en 560 zijn beide Nederlandsch.
schil, schil*, ook collectief voor eene hoeveelheid schillen, bvb. van aardappelen, gebezigd.
schilderen, schildern*, wachten ook bij v. Dale.
schillig, schillig*, van “schillen” (bij v. Dale gewestelijk = verschillen)?
schin, schin*, (bij Kil. en ook heden soms nog: schim), vgl. schin bij v. Dale; Grimm geeft als Noordduitsch op: Schinn, meervoud Schinnen: in de geneeskunde zijn dit geijkte termen.
schipperen, schipperken, zie schanzijern * (bldz. 559.)
schobberdebonk, schoaverdebonk*, Nederlandsch schobberdebonk, schaverdebonk.
schoen, schounen, zie: bijnen .
schoer, schoer, zie schoeren * en: dunderschoer .
schoffel, schoffel*, bij v. Dale: soort van houweel der tuinlieden, wiedmes; vgl. padschoffel *.
schonk, schink*, het Noordfriesch “schonk” ook Nederlandsch.
schoon, schoon*, hierbij ook: hij het schoon zien verstand = het ontbreekt hem niet aan verstand; van Dale heeft: alles is schoon opgegeten. Vergelijk vooral kant * en zuver *: alle drie zijn synoniem.
schoorwal, schoorwal*, bij v. Dale: schoor = aangespoeld land.
schoot, schoet*, zou komen van het Grieksch uit te spreken σκύτος, evenals schort van het Latijnsche scortum; ’t woord is dus oorspronkelijk “schoot”, vergel. voorschoot en schootsvel; zie ook: koegel .
schop, schop*, spade, ook bij v. Dale; vergel. padschoffel *.
schoppen, schuppens*, (of schoppens*), evenzoo: hartens (= harten), kloavers (= klaveren) en roetens (= ruiten.)
schorremorrie, schorremorrie*, oorspronkelijk een Hebreeuwsch woord, dat “ossen en ezels” zou beteekenen (Laurillard, Bijbel en Volkstaal bldz. 2.)
schotel, schotel, schuif in een kachelpijp enz., vergel. scheutel *.
schotelen, geschöteld, en geschutteld, zie geschödeld * en vergel. schötel *; bij van Dale: schotelen = opdisschen.
schotelketel, schuddelketel, ketel voor ’t koken van schotelwater, zie oaker *.
schouw, schou*, 2, Nederlandsch schouw, schuin (niet bij v. Dale.)
schouwiteit, schouwiteit*, (bldz. 561) is een studentenwoord, dat o.a. bij Klikspaan voorkomt.
schrappen, schrippen, (Westerkwartier) = schribben*, Nederlandsch schrabben, schrappen.
schreeuwen, schrijven*, Middel-Nederlandsch schrowen, scrouwen.
schroeven, schroven, geschroefd.
schrol, schrōl*, (zie ook bldz. 561): het Hoogduitsche Schrullen is gebruikelijker dan Schrollen; vergel. ook Nederlandsch grol = dwaasheid, alsmede ’t werkwoord schrollen = morren, pruilen.
schrompelig, schrōmfelg*, vgl. Hoogduitsch schrumpfen en schrumpfig.
schuddelen, schoedeln*, elders: schuddelen.
schudden, schudden*, ook in: ik kon mie d’r wel veur schudden = daarvoor voel ik een sterken afkeer.
schuif-voor-de-duim, schoefveurdoem*, vergel. fielipskwartes *.
schuimpje, schoemkes*, (bldz. 561), bij v. Dale schuimpjes: met amandelen heeten ze “turons.”
schuit, schuut, voor schoet *, doch minder algemeen.
schuld, schulde, schuld of schulden: alles is veur schulde verkoft.
schutten, schutten*, vgl. v. Dale.
schuurdeur, schuurdeùren, (Westerkwartier schuudeùren) in de zegswijze: hij het zien schuurdeuren lös (ook wel: hij het op wichterverzijte west) = zijn broek is van voren niet toegeknoopt.
schuurzak, schuurzak*, “ienne schuurzak zitten” heeft ook de meer uitgebreide beteekenis van ziek of verlegen zijn; elders spreekt men van “in de lapmand zitten.”
schuwen, schouen*, bij v. Dale schouw = schuw.
secuur, sekuur*, het Latijnsche “securus” is geen zelfstandig naamwoord maar een bijvoeglijk naamwoord; als zoodanig beteekende het oorspronkelijk “veilig”, “onbezorgd”, later ook “zorgvuldig.”
sentiment, santement*, Fransch: sentiment.
sergegekleurd, sarrieskleurd, sarrieskleurd goaren = zeker donkerblauw gekleurd wolgaren: waarschijnlijk genoemd naar de kleur van sarge of serge (zekere gekeperde wollen stof.)
sering, sereenen, siereenen, seringen.
signet, signet*, bij v. Dale = handzegel, cachet.
sijs, siezen, sijsjes.
sikkeneurig, sinkeneurig*, vergel. het overal in de spreektaal gebruikelijke “sikkeneurig”, eene verbastering van “chicaneurig.”
Sint, Sint*, zie ook sunt *.
sint, sunt*, zie ook Sint *; “Sunt Annen” enz. ook bij v. Dale onder “loopen.”
sint-jakobvalgen, Sunt-Joap-valgen, zie halve broak *.
sinterklaasgoed, sunderkloasgoud*, vergel. ook sukergoud .
sitsenwinkel, sitsewinkel*, bij v. Dale “sitsenwinkel”, zonder nadere aanduiding; vgl. ook santepetiek *.
sjabloon, schampeljoun*, Hoogduitsch Schablon, Schablone; vgl. kezoan * (bl. 532.)
sjachel, sjaggel, zie tijm *.
sjar, sjas*, vergel. Nederlands afjacht.
sjeespaardje, seespeerdjes, zie bloupeerdjes *.
sjouw, sjou, ook voor sjōr*: op sjou, an sjou = op weg, op pad.
sjouwen, sjouen, herhaald loopen: wat sjou j’ toch al oet en ien?
slaan, sloagen*, zie ook scharrensloagen *.
slaapluis, sloaploezen*, deze zegswijze ook bij v. Dale.
slag, slag*, zie ook stöt *, palmslag * (bl. 552) en koop en slag * (bl. 219 en 536); vergel. op slag *.
slagerig, sloagerg*, bij v. Dale “slag” = wagenspoor.
slak, slagge*, vergel. Nederlandsch slakken = sintels, Engelsch slag.
slampamper, slampampers*, bij v. Dale = brasser; soms ook: duivelstoejager; elders hier te lande: arme lieden, die binnenkomende schepen in bootjes tegemoet varen, om hunne diensten bij ’t lossen aan te bieden.
slaper, sloapers*, bij v. Dale (zeewoord): slapers = steunhouten.
slaperdijk, sloaperdieken*, bij v. Dale “slaper”, “slaperdijk” = binnendijk, nooddijk.
slaperij, sloaperai, zie woonderai .
slecht, slicht*, vergel. Hoogduitsch: slicht en slichten, Nederlandsch: slecht, slechten, slichten; “slicht en recht”, Nederlandsch slecht en recht, Hoogduitsch schlecht und recht; vergel. spint * en slichtvol .
slechtvol, slichtvol, juist tot den rand vol.
slem, slem*, het Engelsche “slam”, Fransch: vole.
slempen, slempen*, vergel. Nederlandsch slibben, Hoogduitsch schlämmen, schlemmen.
slenk, slenk*, bij v. Dale: moddergat in een weg; kan het werkwoord “slenken” of “slinken” hiervan zijn afgeleid?
slenter, slenters, (ook bij van Dale), zie draiers *.
sleuren, slōrren*, (werkwoord): Hoogduitsch schlarfen, schlürfen, Schlarhacke.
sleutel, sleutel, kraan van een koffiekan enz.
sleuteltop, sleuteltop, zie hoeltop *.
slier, slier*, vergel.: fleer .
slij, slei*, slai*: Hoogduitsch ook Schleihe, bij v. Dale: slij.
slijp, sliep*, (bl. 562), bij v. Dale: slijp.
slijper, sleifer*, bij de Duitschers: Schleifer.
slik, slik*, “’n slik oet de pan”, Nederlandsch: een veeg uit de pan.
slim, slim*, ook = moeilijk (in ’t Nederlandsch verouderd): een slimme som–; vergelijk stoer *.
slingeren, slingeren, zie bantjen *.
slochtermannetje, slochtermantje*, ook wel: woldjer , woltjer , woltjeder , zie aldaar.
slodderig, slōdderg, bij v. Dale: slodde, slodder, slodderig, enz.
sloerig, sloerig*, Hoogduitsch schlürig, schlurig.
slof, slōf*, 1, vergel. dōf *.
slof, slōf*, 3, bij v. Dale: slof = slordig, slordigheid, slordig mensch; sloffen = nalatig zijn; sloffig = slof, slordig, nalatig.
slok, sloechie, (ook Friesch) = klein winstje: ’n oareg sloechie.
sloop, sleup*, verbasterd: sleuf, vergel. doemeling *.
slot, slötten, sloten, vgl. ratten *.
sluik, sloeg*, ook = slap, sluik; vergel. slok * 1.
sluik, slok*, 1, vergel. sloeg *.
sluipstaarten, sluupsteerten, druipstaarten.
smal, smal*, Engelsch small = klein; bij v. Dale: zoete broodjes.
smant, smantje*, Hoogduitsch Schmant = room; vergel. dōffle *.
smarten, smarten*, bij v. Dale (nevens: smerten) = schrijnen, ontvellen.
smartlap, smartlap, rauwe, ontvelde plek van de huid (smartvel*.)
smederij, smitterei, (Ommelanden) = smederij.
smeer, smeer*, ook = morsigheid, vooral van vetten aard: ’t schoet is stief van smeer; zie ook op smeer * en vet *.
smeertoet, smeertoetje*, in Holland: smeerpijp, ook in fig. beteekenis.
smid, smitten, smeden (zelfstandig naamwoord), vergel. ratten *.
smient, smaint*, Engelsch ook: smee, smeath.
smoken, smoken*, zie ook: piep .
smoorpan, smoorpan*, ook bij v. Dale.
smoorpan, smoorpannen, een soort van dakpannen, vergel. bakpannen *.
smuigen, smoegen*, vergel. smoezen *.
snappen, snappen*, ook Nederlandsch (gemeenzaam.)
snar, snar*, (bldz. 387 en 564), ook = nauwsluitend, eng.
snedig, snaidig*, volkomen dezelfde beteekenis heeft het Hoogduitsch schneidig, dat alleen in de gemeenzame spreektaal, vooral door militairen, wordt gebruikt.
snee, snei, Geldersch snee.
snek, snigge*, Hoogduitsch Schnecke (waarvan “snek” = het kegelvormige, op een slakkenhuis gelijkend rad in oude horloges); ’t Nederlandsche slak ook “slek.”
sneu, sneu*, sneu ne? = jammer, treurig, niet waar?; ook elders.
snik, snik*, bij v. Dale ook “jager” = geleider van een trekschuitpaard.
snok, snōk*, beteekent in Zuid-Nederland “ruk”, dat de oorspronkelijke beteekenis van snōk en “snik” zal zijn.
snood, snoode*, vergel. snöt *.
snorren, snōrren*, Hoogduitsch: schnarren, schnorren en schnurren.
snorrepijp, snorrepiepen*, bij v. Dale snorrepijperij; Hoogduitsch Schnurpfeife, Schnurpfeiferei.
snotvat, snötvat, zie mijnen *.
snuifdoos, snoefdeuske*, vergel. löderensdeuske * (of lodderensdeuske ).
snuisteren, snuustern*, vgl. snuisteren bij v. Dale.
snuitsel, snuut, snuitsel van een kaars of lamp.
snuiven, snoeven*, bij v. Dale: snuiven en opsnuiven.
soep, soep, zie woater en wind *.
somtemets, smis, (Oldambt) = smes*: Zuidnederlandsch somtemets.
soppen, sjoppen*, vergel.: oetsjoppen .
spaak, spoak*, (bldz. 565), ook bij v. Dale.
spaan, spoan*, (bldz. 565), zie karf *.
spaken, spoaken*, vergel. oetspijken *.
spanboog, spanboog, (o.a. Westerkwartier en de Marne) = flitseboog *.
spartelen, sparteln, zie ende *.
spartelen, spōtteln, zie spōrreln *.
speculaas, spekeloatsie*, eigenlijk zeer klein St.-Niklaasgoed, uit meel, suiker en amandelen gebakken, elders: speculaas, spikkelaas, Hoogduitsch Speculation.
spek, spek*, “gijn spek” enz. ook Vlaamsch en bij v. Dale onder “pater.”
spenderen, spanzijern*, Nederlandsch spanseeren.
spie, spei*, (bijvoeglijk naamwoord): men denke aan “bespieden” (Hoogduitsch: spähen), waarvan ook: spie = bespieder, spion.
spier, spier*, (bldz. 565), vgl. bij v. Dale “spier” 1.
spier, spieren*, (zelfstandig naamwoord) is Nederlandsch, hoewel niet bij v. Dale.
spijtelijk, spietelk*, bij v. Dale spijtig.
spikkelkaas, spittelkees, in ʼt Oldambt = dikke melk of room, in een vorm met allerlei figuren, en gaatjes voor het uitlekken van ʼt water, bereid; aldus genaamd naar de puntige uitsteeksels van den blikken vorm. Elders “roomkaas.”
spinde, spinne, zie spin *.
spinnenvoeten, spinnevoutjen*, bij v. Dale: spinnevoeten.
splitruiter, splitruter*, bij v. Dale: splitsruiter.
spoelen, spoulen, zie spuilen *.
spoelkom, spuilkoem*, ʼt Nederlandsch spoelkom, met gewijzigde beteekenis.
spoken, spouken*, (bldz. 565): in het Nederlandsch spreekt men van “vroeg spoken” = al te vroeg opstaan; v. Dale heeft ook: ʼs nachts door huis omspoken, wat dus met het Groningsch overeenkomt.
spoorsloot, spoorslooden, de grachten langs den spoorweg: men zal zelden of nooit van spoorgraften spreken.
spottershuis, spottershoeskes, zie hoes *.
spreeuw, sproa*, zie ook sprötter *.
spril, spril*, in sprille kleuren; Nederlandsch schril (niet bij v. Dale in deze beteekenis.)
sprit, spriet*, Hoogduitsch Sprit = wijngeest; vergel. in dezelfde beteekenis: spiritus, Fransch esprit, Eng. spirit.
sprotter, sprutter, (Westerkwartier) = sprötter *.
spruiten, spruten*, vergel. bekliefelk *.
spuien, spuien*, in beide beteekenisen bij v. Dale.
spuit, spuit*, zie ook mijtgeute *.
spul, spillen*, ook = zaken, benoodigdheden; bij v. Dale “spullen.”
spul, spul*, (vergel.: spillen ): spiekers en zuk spul (waarvoor ook: spiekers en goud = spijkers en zulk goed) = spijkers en dergelijke zaken, spinnen en zuk spul = allerlei ongedierte, daʼs spul! = dat ziet er goed uit!, ʼt is best (echt) spul = eerste kwaliteit; de zegswijze: ʼt is alsof ʼt spel spreekt = ʼt is alsof ʼt zoo zijn moest (zoowel van een gelukkig als van een ongelukkig toeval gezegd) is Nederlandsch, ook schrijftaal.
sputterbord, spōtterbred, sputterbred, in geschrifte spatbord, zie spōttern *.
sputteren, spōttern*, Engelsch: to sputter.
spuug, spei*, (zelfstandig naamwoord) “nöchtern spei” is bij ʼt volk een uitwendig geneesmiddel.
spuwen, speien*, evenals ʼt Nederlandsche “spugen” zoowel = “spuwen”, als = “braken”; bij v. Dale spijen.
sta-in-de-weg, stoa-in-de-wege*, Nederlandsch sta-in-den-weg.
staart, steert*, zie ook teerpot * (bldz. 568) en vergel. start *.
staatsie, stoastie*, (staatsie), ook in: alle stoatsie was biezet = er heerschte veel pracht en praal.
stadig, stoadêg*, Nederlandsch: gestadig, stadig, staag = aanhoudend, standvastig.
stadjer, stadjer*, vergel. landjers *; Hoogduitsch Städter = stedeling(en), Friesch stedsjes.
stads, stadse*, Friesch stedsk(e), Nederlandsch steedsch; ook Geldersch.
stadsbul, stadsbol, zie: bol .
stadsreis, stadrais, zie stad *.
Stadstafel, Stadstafel, de buitenwijken der stad Groningen; het woord is thans verouderd. Zie: Kremer, Beschrijv. d. Prov. Gron. IIe dr. I 91, 102:
staketting, stranketten*, vergel. planketten *.
stampen, stampend, in stampend vol of stampende vol = stampvol; zie stoppend *.
stapel, stoapel*, ook Nederlandsch, in “stapelgek” enz.
staren, stieren*, vgl. ʼt Hoogduitsche stier = strak, stijf, en ʼt werkwoord starren.
stee, stee*, 1, Hoogduitsch Stätte, v. Dale: stede; ook = plek of vlek in het algemeen; vergel. opstait *.
steek, steek*, 1: “geen steek” ook elders, v. Dale: hij weet er geen speld van.
steek, steekje, stikje, (verbasterd: stikje) = een klein vuurwerkje, aldus naar den driehoekigen vorm genoemd, met kruit gevuld en de drie punten van zwavel voorzien; bij uitbreiding ook voor de kleinste soort van zwermers.
steekje, stikje, zie stik * 1: bij v. Dale “een schotje voor schieten, een speldje bij steken”, Groningsch ook: ʼn stokje veur steken; zie ook steekje .
steeksleutel, steeksleutel, looper, slotop(en)steker.
steel, stoal*, bij v. Dale: staal (gewestelijk) = stengel; Kil. stael = vergel. ploaster * (“Kil. plaester”), alsmede bessemstoal .
steiger, staigern*, zie steigering .
steigeren, staigern*, vgl. missing *, riggeling *, alsmede: ing .
steigering, steigering, steiger; ʼt luidt ook
stek, stek*, 1; bij v. Dale: afstikken = met een spade afsteken.
stek, stik*, 1, vergel. steker en anturen *.
steken, steken*, (werkwoord) ook in: de gek dʼr mit steken, vergel: scheren en ʼt Nederlandsche gekscheren, gekstekerij; ʼt stekt hōm nau = hij is veeleischend. Dit laatste ook bij v. Dale (in voce pietlut), doch niet de andere zegswijzen, in dit artikel genoemd, hoewel die ook elders voorkomen.
steker, steker, ofsteker = stek, stekje.
stel, stel*, voor petroleumkooktoestel, bij v. Dale: petroleumstel.
stelen, stool, stal, van: stelen, vergel. breken * (bldz. 507.)
stelmaker, stelmoaker*, Hoogduitsch Stellmacher.
stempel, stempel, de zuiger van een knapbus *.
ster, steern*, 1, Hoogduitsch. Stern; zie ook stiekelsporen *;’t is helder van steerns, zegt men, als bij nieuwe maan de sterrenhemel bijzonder fraai is.
sterk, stark*, wie binʼ nijt genög stàrk = ons aantal is onvoldoende.
sterven, starm*, vergelijk doodwoar *.
steuveren, steuvern*, bij v. Dale: stuiven, aanstuiven.
steven, steffen*, bij v. Dale: de kat kluppelen.
stiekem, stiekem*, ook in stiekem allèn = moederziel alleen; “stiekōm” (in de beteekenis zooals die ook voorkomt op bldz. 566) ook wel elders, zoo ook “stiekemer(t)” = leukerd, stille verklikker.
stierlijk, stierlek, stierlʼk ʼt land hebben, vergel. stier *; zoo ook: stierlek vervelend, zōk stierlek vervelen.
stijf, staf*, vergel. bakstaf *.
stijf, stief*, “stief vol zitten” is letterlijk het Hoogduitsch begrip “starren.”
stijg, stieg*, “stijg” ook bij v. Dale, evenals “snees.”
stijgbeugel, stiefbeugels*, vergel. stappen *.
stijl, stiel*, vergel. stuk * (ook van briefstijl gezegd.)
stik, stik*, 2, vergel.: steek en ʼt Nederlandsche “stikvol.”
stil, stil*, (bl. 404 en 566) ook Nederlandsch in: stil laten liggen.
stille causeur, stilkezoer*, waarschijnlijk verbastering van “stille causeur.”
stinken, stinken*, (bladz. 566): men leze liever “rieken” in plaats van “ruiken”, hoewel men in ʼt Nederlandsch beide werkwoorden in twee beteekenissen mag gebruiken.
stinkhout, stinkholt*, zie ook kraibessen *.
stinkvis, stinkvis, zie goud *.
stippen, stippen*, bij v. Dale = even indoopen.
stoelklok, stoulklok*, vergel.: klokstoul .
stoelmatter, stoelmatters, eene soort van aardappelen.
stoer, stoer*, vgl.: slim .
stoet, stoet*, bij v. Dale ook: stutte (gewestelijk) = stoet, boterham.
stoet snijden, stoetsnieden, zie mikjesplissen *.
stoethaspel, stoethaspel*, bij v. Dale = onhandig mensch, met verwijzing naar “stoet.”
stofnest, stofnusten*, stofnesten is een algemeen gebruikelijk woord voor voorwerpen, waaraan of waartusschen zich gemakkelijk stof vasthecht.
stok, stok bie deur!, op één voorwaarde!, zonder pardon!; ook wel door doadelk voorafgegaan: ʼk mos ʼt geld veur Neijoar weeromgeven, doadelk stok bie deur! Hiervan het werkwoord stok bie deur zetten = iemand tot zijn plicht brengen, met straf dreigen; meestal schertsend.
stok bij de deur, stok bie deur!, (bladz. 63); bij v. Dale (4e druk) in voce “deur”: de stok staat achter de deur = hem of haar wacht thuis geen prettige ontvangst.
stokvis, stokvis*, (bldz. 567), bij v. Dale: elk wat van de stokvischvellen.
stollen, stolten, stollen en: gestold.
stomme bult, stombult, zie allerjouelek *.
stommel, stommels, zie scheut *.
stommelstaart, stommelsteert, in ʼt Oldambt eene benaming voor den Duivel.
stomp lopen, stomp loopen*, zie ook: blak .
stoot, stoot*, zie ook stöt * en vgl. rukje * en steut *; bij v. Dale stoot = korte tijd.
stoppen, stoppen*, vgl. hollen * en kroppen *.
stopverf, stokvarf*, “stokverf” ook wel elders.
stormstok, störmstok*, vergel. zweerd *.
stotteren, stuttern*, Engelsch to stutter.
strampel, strampel*, Hoogduitsch strampfen (gemeenzaam strampeln), trampen en trampeln = trappelen, waarvan Trampelthier = dromedaris; het Fransch tamper beteekent eigenlijk: stutten met een gaffelvormigen stok (“tampe.”)
streek, streek*, zie ook hardlooper *.
streek, streek*, 4, ook wel elders, waarvoor in dezelfde beteekenis ook: in die streek, in die buurt.
streek, streek*, 3; v. Dale: een streepje aanhebben, niet op de streepjes kunnen loopen.
streep, streep, zie streek * 3; ʼn streep kouk = een lang, smal stuk koek, vergelijk koukhouen *.
streepkoord, striepkoorn, zie streepkoorn *.
strekzaam, streksoam*, bij v. Dale: strekzaam = rekbaar, voordeelig.
stroelen, strullen*, bij v. Dale (gewestelijk, verouderd): stroel = straal.
studdy, stuttie*, elders “studdie”.
stuiken, stoeken*, bij v. Dale stuik = stoot, stuiken (gewestelijk) = duwen.
stuit, steut*, stöt*, vgl. stoot *, waarvoor van Dale: “stuit”, “stuitje” heeft.
stuiten, stuiten*, staiten, zie ook ofstuiten en vgl. koeltjen *.
stuk, stuk*, zie ook melden * en roem *; “op stuk van zaken” is Nederlandsch, hoewel v. Dale ʼt niet opgeeft: aldaar wel “een mooi stuk geld” en “van stukje tot beetje”, alsmede “stuk of wat” (onder “of” 1); “ʼt scheelt ʼn stuk” ook elders.
stuk, stukkend, stokkend, (Westerkwartier) = stōkkend*, ʼt eerste ook bij v. Dale; voor “stuk” of “aan (in) stukken” hoort men: ʼn stukken of ʼn stukkend.
stukadoor, stikkedoor, stucadoor.
stuur, stuur*, oet stuur: bij v. Dale overstuur, over stuur = ziek, verlegen.
suikergoed, sukergoud, sukkergoud, sōkkergoud, Fout:501
suikermannetje, sukermànnechien, (Stad-Groningsch) of sukermàntje (Ommelanden) = figuurtje van St.-Niklaasgoed.
suizen, zoezen*, in de beteekenis van suizen (bij v. Dale ook: soezen) ook in de uitdrukking: ’t regent dat ’t zoest.
t, t*, vervangt dikwijls de tweede s, bij verdubbeling van deze letter, bvb. in misten* = missen, frister = frisscher, oppaster = oppasser. Ook wordt zij ingelascht nà de s, bvb. is sterpent* = serpent, stervet = servet, sterzant = sergeant, steldoat = soldaat, Istrels = Israels: vergelijk mest * = mes, alsmede de s vóór de t ingelascht in als te en veuls te. De inlassching in “is er” en “was er”, bvb. wel is tʼr? Jan was tʼr, is slechts schijnbaar, zie der *. – Achtervoeging van de t na ch (of g) en f, bvb. in genōcht * = genoeg, graft = graf, kraft = kraf of karaf. Over de wisseling van t (of d) en k zie onder K. Zeer merkwaardig is ʼt gebruik van deze letter vóór den verkleinuitgang je, vooral in het Oldambt, bvb. in oogtje, visktje (ook: vistje), enz. Vergel. bldz. 183 II en 565 II. Uit het laatste blijkt, dat in ʼt Westerkwartier de t liefst vermeden wordt, zelfs dan, wanneer ʼt Nederlandsche woord tje heeft.
taainagel, toainoagel, zie taainoagel *; v. Dale taaiaard = gierigaard.
taalman, toalsman*, man op peerd zetten (bldz. 570) = man en paard noemen.
tabak, tebak*, bij v. Dale “dat is andere tabak (dan knaster)” = dat is iets geheel anders, (eigenl. iets minders, want knaster is de beste soort.)
tablier, tabeljé*, [bl. 568], het Fransche: tablier.
tachtig, tachentig*, in ʼt Middelnederlandsch “achtig” (evenals Hoogduitsch achtzig en Engelsch eighty); bij Kil. achtentich en tʼ achtentich. Ook elders in de spreektaal.
tafel, toafel, zie andermans *, ook de aanteekening.
taks, taks*, bij v. Dale taks = taak.
tamper, tamper*, vgl. Hoogduitsch Ampfer, Sauerampfer = zuring
tandkillen, tandkillen*, vergel. koeskillen *.
te, te*, in “nijt te best” enz. is goed Nederlandsch, evenzoo hoort men ook elders het gemeenzame: ʼt is al tè (waarvoor schertsend: al tee), zie Vermakelijke Spraakkunst bldz. 140/41; ʼt allozie is hen te moaken = om gemaakt te worden, zoo ook: hij ’s oet te wandelen = hij is uit wandelen (letterlijk: om te wandelen); eveneens: zitten te kōffiedrinken, te krantlezen = zitten koffie te drinken, de krant te lezen; elders hoort men wel: moet ik hier nu nog langer staan te wachten? en daarmede vergelijke men: ik heb hier al lang genoeg (ge)staan (te) wachten.
te na komen, te noa komen*, in obscenen zin, ook Hoogduitsch.
teek, tiek*, in de zegswijs dik asʼn tiek heeft men niet te denken aan een tor of kever, maar aan de “teek”, “tek” of “tiek” der dierkundigen (Ixodes Ricinus), die tot de familie der mijten behoort en in ʼt Hoogduitsch Zecke heet; bij Kil. luidt de definitie: Ricinus, vermis canes infestans, sanguine plenus, vulgo “teca”; dus, vrij vertaald, “een ongedierte, dat de honden kwelt en door het uitgezogen bloed opzwelt.” In ʼt Hoogduitsch Tieke = made, z. bl. 569.
teem, tijm*, waarschijnlijker van: thema.
teen, toontje, zie nau * en: tip .
tegader, te goar*, vergel. te hoope * (ook de aanteekening), v. Dale: te gaar, te gader.
tegaderkomst, goarkomste, (Oldambt) = samenkomst, Friesch gearkomste.
tegaderlopen, te goar loopen*, Westerkwartier tegoarschijten: melk is tegoarschoten.
tegelijk, toegelieks, tougelieks, Fout:509
tegen, tegen*, bij een werkwoord, dat den klemtoon krijgt, versterkt de beteekenis: dʼr tegen loopen, arbaiden = uit alle macht loopen enz., vergel. het Nederlandsche er is geen werken tegen, daar kan ik niet tegen werken, enz; zie ook ofrekken .
tegenaan, tegenan, doar ken wie nijt tegenan = het niet tegen volhouden.
tegenaanzetten, tegenanzetten, zie: an .
tegenaanzien, tegenanzijn, tegen iets opzien, ook bij v. Dale, doch als verouderd.
tegenwoordig, tegenswoordig, tegenwoordig, vooral als bijwoord in de beteekenis van: thans; ook als bijvoeglijk naamwoord: in de tegenswoordige tied; ʼt komt ook elders voor.
teken, tijken, ook = teekening, zie: ing .
teken, tijkens, tijkentjes (teekens) = korte draadjes wol, in verschillende kleuren, door jonge breistertjes gebruikt om aan te duiden hoever zij binnen een bepaalden tijd met haar werk zijn gevorderd, of waar met meerderen of minderen moet begonnen worden; er wordt dan ʼn tijkentje ien sloagen: bij donker breiwerk neemt men ze licht, bij licht breiwerk donker.
tekst, teks*, zie ook tekst * 1.
telder, telder*, bij v. Dale: teljoor.
telg, telgen*, bij v. Dale “telg” = loot van een boom (ook: afstammeling.)
temet, dommit*, Noord-Hollandsch ook “temet” (niet te verwarren met het Nederlandsche woord, vergelijk: assmis .)
tempel, tempel*, (bldz. 569): heeft men hier te denken aan het, vooral bij de Groningsche studenten bekende, hazardspel Tempel-Mozes?
tengnagel, tingnoagels*, men denke aan den Nederlandschen geslachtsnaam Tengnagel.
tenminste, temint, (Westerkwartier), eigenl. teminsent = ten minste (Hunsegoo, Fivelgoo temensen *.)
terugtasten, terugtasten, op den vóórlaasten bieder = hem den koop toewijzen.
thuis, thoes*, (bldz. 569), bij v. Dale: ʼt zal hem nog wel te huis gebracht worden.
tiepelen, tiepeln*, Roemer Visscher (1547-1620) noemt een gedeelte zijner gedichten “Tepelwercken” = knutselarij.
tiepig, tiepig, ferm, bij de pinken; vgl. kiepig *.
tierelieren, tierelieren*, bij v. Dale = geluid van de leeuwerik, in het Fransch: “tirelirer” en “turelure”, ʼt laatste = deun (Nederlandsch tureluur.) Vergelijk in Fr. Rückertʼs gedicht Aus der Jugendzeit, (1830): Was die Schwalbe sang, was die Schwalbe sang: / “Als ich Abschied nahm, als ich Abschied nahm, / Waren Kistʼn und Kasten schwer: / Als ich wieder kam, als ich wieder kam, / War Alles leer.”
tiet, tit*, tiet, Stad-Groningsch tiet , Hoogduitsch Zitz.
tijd, tied*, (bldz. 569); Nederlandsch, doch niet bij v. Dale: den tijd aan zich hebben; vergel. an * (bldz. 7), geld * (slot) en tieden * en zie ook distied *, alsmede oet tied * (Nederlandsch; uit den tijd gaan.)
tijd zat, tiedzàt, zie: zat .
tijdigkoe, tiegkou, zie tieg *.
tijding, tieden, (= tijding) voor: boodschap; ʼk heb ʼm tieden henstuurt = ʼk heb hem een boodschap gezonden.
tijdkorting, tiedkörtn, Nederlandsch tijdkorting.
tijdpassering, tiedpasseern, tijdverdrijf.
tijgen, tien*, tieën, 1, bij v. Dale tijen en tiegen (waarvan: toog, getogen.)
tijgen, ziegen*, Hoogduitsch ziehen, dat, evenals ’t Nederlandsche “trekken”, ook “tochten” beteekent.
tijgers, tiegers*, vergel. engels *.
tijk, teek, berteek = beddetijk.
tijn, tiene*, Tiene komt ook in Hoogduitsch woordenboeken voor, met de bijvoeging, dat het tot de volkstaal behoort.
tik, tik, tikje, zie klikker * (ook de aanteekening.)
til, til*, bij v. Dale til, tille = ophaalbrug, valdeur.
timp, timp, zie dreitimt * en vgl. v. Dale “timpje” = langwerpig, puntig broodje.
tingelen, tingeln*, ook voor: slecht, vervelend pianospelen, enz.; in ʼt Nederlandsch komt wel voor “getingel.” Vgl. Hoogduitsch klimpern en Nederlandsch tjingelen, tjangelen, tinkelen, alsmede klingeln *.
tip, tip*, Nederlandsch: op de teenen getrapt of getreden.
tippel, tippel, zie ʼt volgende woord.
tippelen, tippeln, trippelen, vlug loopen met korte pasjes, en daarvan: ʼt is ʼn huile tippel = een heele wandeling, (ook elders.)
tippen, tippen*, ook = mank gaan, doch in geringe mate; vgl. toeken * 3.
tipsy, tipsie*, (bldz. 570): Engelsch tipsy.
tiretein, tierentain*, Nederlandsch tiretein, Fransch tiretaine, Engelsch linsey-woolsey.
tjasker, jaske, jasker, zie tjaske *.
tobbe, tōb, tobbe, waschtobbe: ʼt goud is ien tōb = de wasch staat in ʼt water, vergel. wasboalie *.
tobbelen, tobbeln*, bij v. Dale: omtobbelen = omwentelen.
tocht, tocht*, bij v. Dale (gewestelijk) tochtsloot = afvoersloot; in eene Ordonnantie der Staten [van 1601] komen o.a. voor “tochten” en “toe (= bij-) tochten.”
tod, tod*, (bij v. Dale = lomp, vod), eigenl. “dot” = bos, bundel, prop; vergel. het Hoogduitsch Zotte = vlok wol of haar.
toe, tou*, ook in: ʼt liekt mie goud tou = ʼt komt mij goed voor, ʼt liekt mie niks tou = het komt mij bedenkelijk voor; ʼt is ijn mooi tou (zie ijn * 1) = ʼt is aanlokkelijk vgl.: lieken . – Ook beteekent het “bij”; ʼk heb dʼr nog wat woater tou doan, en komt pleonastisch voor in bietou; vergel. ʼt Nederlandsche “op den koop toe”, ʼt verouderde “toewijf” = bijwijf, “toevoegsel”, enz.; zie ook opnemen en achteranzitten .
toe, tou*, 3: het zelfstandig naamwoord “toedeur” bij v. Dale.
toe in, tou-ien, in (namelijk van richting of beweging): ʼt waitʼr zoo tou-ien.
toe maar, toumoar!*, deze beteekenis ook elders.
toeboeien, touboien*, bij v. Dale: zich toemaken (gewestelijk.)
toef, toef*, Latijn tufa; Fransch touffe, toupet; Engelsch tuft; Hoogduitsch Zopf.
toeflappen, touflappen, zie muskeflap *.
toehouden, touhollen*, Hoogduitsch zuhalten = in betrekking staan tot, verboden omgang hebben met; Zuhalter = koppelaar.
toekomen, antoukomen, ’k mag d’r nijt an toukomen = ik mag er niet aan denken.
toekomen, toukomen*, zie ook antoukomen , komen en overtoukomen .
toelijken, toulieken, zie: tou .
toen, dou*, Gen. 143, 45 zal moeten zijn Gen. 1: 5 enz.
toer, toer*, 2; in de Ordonnantie op de begrafeniskosten, van 1687, wordt bevolen, dat er in een uur drie “posen” zullen worden geluid; men denke er aan, dat ook het Nederlandsche “poos” en “paus” of “pauze” beide zoowel een werkperiode als een rustperiode kunnen beteekenen.
toer, toer*, 4, ook bij v. Dale.
toer, toerke, zie toer * 1.
toer, toertje*, bij v. Dale toer = tooisel van valsch haar; zie ook toer * 1.
toerbeurt, toerbeurt*, ook bij v. Dale
toest, toest*, zie ook toeg *; Hoogduitsch Tost.
toet, tuut*, 1: “lijvemeneerstuutje” = Overijselsch koffiekukentje; bij van Dale: onze-lieven-heers-beestje.
toetast, toutast*, vergel. handtast *.
toetempteren, toutamtijern, zie tamtijern *.
toeter, toetert, in de tweede beteekenis meer algemeen: toetertje .
toevallen, touvallen*, zeer veelvuldig hoort men: dat valt wat tou (omgek. dat valt wat of, waarvoor ook: dat valt even of) en ʼt valt mie niks tou (omgek. ʼt valt mie niks of), alsmede ʼt valt mie genōg mit; de eerstgenoemde zegswijs is voorspellend: ʼt zal medevallen, ʼt zal u tegenvallen; verder hoort men in ʼt Nederlandsch ook: ʼt spijt me genoeg, enz.
toeze, toeze*, Engelsch “to tose” is verouderd, thans “to tease.”
tokkelen, tukseln, frequentatief voor tukken *.
tokken, toeken*, 1, vergel. Engelsch to take = nemen, grijpen, en vooral daarvan den verleden tijd “took” (spreek uit: toek.)
tokken, toeken*, 3: Hoogduitsch zucken; vergelijk: tippen .
tondeldoos, tunderdeus*, Hoogduitsch Zunder = tonder, zünden = aansteken.
tongel, tongel*, Hoogduitsch Tungel, Tungelkleber.
tont, tjonten, zie elfringen *.
toom, toom*, ook bij v. Dale, zie ook over -toom *.
toot, tus, zie tuten *.
top, top*, (bl. 571, ook bij v. Dale), Fransch: toupie; zie ook: toppen .
topgras, topgras*, wordt dit met het etgras verhuurd, dan wordt er aangekondigd: “topgras en naweide”; bij v. Dale zijn topgras en nagras identisch.
toppen, toppen*, ook: oppe top hollen (bij v. Dale: op de tui houden); vergel. top * = dobber en teppen *.
torenkauw, torenka*, bij v. Dale ka = kauw, de kleinste soort van kraai.
torn, törn, (Nederlandsch torn): zie toer * 4.
tout de suite, toeswiet, (Winschoten) = dadelijk: het Fransche “tout de suite.”
toveren, teuvern, tiepeln *.
toverstok, teuverstikken, tiepelstikken *.
tralala’tjes, trallarechies*, ook = gebaren van kleine kinderen, vooral met de handen.
tralie, troalies*, zie ook kamp * en kastje *.
treedsel, tredsel, ten onrechte gebruikelijk voor de zoogenaamde “hagelsnoeren” in een ei, daar ʼt blijkbaar eigenlijk het kiemblaasje of “hanetree” beteekent: ʼt zelfde onder “hanetred” bij v. Dale.
treeft, treeft*, bij v. Dale = ijzeren drievoet.
treffen-feilen, treffen-failen*, gewijzigd heet dit spel in het Westerkwartier: onder de negen of boven de twaalf.
treffer, trefferd*, bij v. Dale: tref.
treiteren, trettern*, bij v. Dale: treiteren [Multatuli schrijft: traiteren]; Westvlaamsch Idioticon: treten, tretten = schimpen, tautologie: treten en greten; vgl. Franck (Etymol. Woordenb.) in voce “treiteren”.
trekker, trekker*, zie ook sjouerman *.
tribunaal, trubenoal*, Fransch: tribunal.
trijzelen, triezeln, beven op de beenen, onvast van gang zijn, en zoo ook triezelg .
trillen, trillen, algemeen gebruikelijk voor “beven”, welk woord hier bijna niet wordt gehoord.
troel, troele*, Hoogduitsch Trulle = stijve boerenmeid.
tros, troest*, ook = klomp wormen als aas, daar die als ʼt ware een kwast (Nederlandsch: troetel) vormen; vergel. bōdden en bij van Dale “peur” = tros wormen, Zie ook poer * (bldz. 554.)
trouwen, trouen, voor: vertrouwen, in ʼt Hoogduitsch trauen, bvb. ik trou de boudel nijt.
trouwen, trouen, als zelfstandig naamwoord = huwelijk: ien zien trouen = gedurende zijn huwelijk; dit ook Nederlandsch, evenals: vóór, na, zijn trouwen.
tui, tooi, kabel, Nederlandsch tui, bvb. ter stremming van de scheepvaart; vergelijk tooitouen *.
tuil, toel, (Niezijl, Visvliet): een salpeterige veenlaag, veel op darg gelijkende; zie o.a. Kremer, Beschrijv. d. Prov. Gron., IIe druk 2e stukje bladz. 60.
tuit, tuut, zie doetje * en tuten *.
tuitelig, taiterg*, toaiterg, tuiterg, (meer beschaafd tuiterg), bij v. Dale: tuitelig.
tuitjefluiten, tuutjefluiten*, in Holland: vlierfluiten.
tuitlamp, toetjelamp, toetlamp *.
tuitoog, tuutoog, scheldnaam voor iemand, die bijziende is, of kleine, starende oogen heeft.
tuk, toek*, 2, vergel. Nederlandsch tuk = listig, begeerig.
tureluurs, tureluurs*, v. Dale: tureluur = luim, gril; tureluursch = dol, gek.
turfvat, törfvat, zie: vat .
twee, twei*, zie ook omvallen *.
twee monden, twei monden*, bij v. Dale: met twee monden spreken.
tweebak, tweibakken*, het Nederlandsch “beschuit” is de verbastering van ʼt Fransche “biscuit” = tweemaal gebakken; v. Dale vermeldt het woord “tweebak” als germanisme.
tweebeiden, tweibaiden*, vergel. noavend .
tweede, tweide, daʼs ʼn tweide, of ook ʼn tweide zin = dat verandert de zaak.
tweeder, tweider, tweidert, de tweede in rang: tweider an beurt; zie eerstert * (bldz. 516.)
tweedonker, tweidonkern*, Hoogduitsch Zwielicht, Engelsch twilight, Nederlandsch halfdonker.
twijfelaar, twiefelder*, vgl. “twijfelaar” bij v. Dale.
u, joe*, 2: dezelfde eigenaardigheid in vele andere talen, zelfs in ’t Grieksch, Latijn en Hebreeuwsch.
ui, ui, blijft in sommige woorden òf onveranderd (meestal met verzachting van den volgenden medeklinker), òf wordt ai (meestal met verlenging van het woord door eene halfstomme e); ʼt eerste o.a. in ʼt Westerkwartier, ʼt laatste in ʼt Stad-Groningsch: fluid, fluiden, spuid, duid en: flaide, spaide, daide, voor: fluit, fluiten (meervoud en werkwoord), spuit, duit.
uier, joar*, jidder, gidder, bij v. Dale: jadder (gewestelijk.)
uierblad, joarblad, zie joar *.
uilgevel, oelgevel*, moet zijn oelbred , althans in de beteekenis op bldz. 547.
uit, oet*, naast “deur alles hen” (klemt, gewoonl. op deur) ook: deur ’t gemijne hen, enz.; d’r oet en d’r hen (of: d’r noa) = zonder eind of voortdurend, (“er uit en er na” ook wel elders.) Verder ook elders: de kachel is dooduit. Zie ook oetzied en oarighaid , alsmede oet hebben * en oet of om *.
uit zijde, oetzied, in: niks oetzied zetten kennen = geen hulp kunnen aanbrengen, een stumper zijn (letterlijk: niets van zijn plaats kunnen brengen), de klemtoon op de laatste lettergreep; vergel. stroo *, alsmede beweren * en biezetten *.
uitbeugelen, oetbeugeln, zie laiken *.
uitborgen, oetbörgen, uitleenen, en, evenals dat woord, pleonastisch; vergel. de zegswijzen bij schuldege plicht *.
uitbuilen, oetbulen, betalen, opdokken.
uitdoppen, oetdoppen*, bij v. Dale: uitdoppen.
uitdruftig, oetdruftig*, vergel. het Nederlandsche luidruchtig en nooddruftig.
uiterdijk, uterdiek*, Nederlandsch: buitendijksch land.
uitgaan, oetgoan*, vgl. het Fransche “s’éteindre” = sterven.
uitgewezen, oetwezen, zie opkennen .
uitharen, oethoaren*, Nederlandsch verharen.
uithouden, oethollen*, (b): Nederlandsch uitsteken.
uitjagen, oetjoagen, zie jonkgoud *.
uitkammen, oetkemmen*, van “kem”, het verouderde Nederlandsche woord voor: kam, dat men nog in sommige streken hoort; hier luidt het echter altijd kam, kaam of kamme.
uitkammen, oetkemmen*, Ook = ontkiemen, waarvoor ook oetkimmen, vergelijk het Nederlandsche “kenen.” Bij v. Dale wel het werkwoord kemmen.
uitkittelen, oetkirreld, zie kirreln *.
uitlangen, oetlangen*, vergelijk doemkes * 2, alsmede bldz. 302 II b.
uitlopen, uutloopen, hij lopt ʼr uut = hij munt uit. Bij v.Dale: uitloopen = meer plaats innemen dan iets anders.
uitnaaien, oetnaien*, vergel. oetfietern *.
uitroppen, oetroppen, uithalen, bvb. vogelnesten.
uitschieten, oetschijten, zie krimpen *.
uitslag, oetslag*, “In Groningerland bestond tot op ’t einde der vorige eeuw het gebruik, dat de schoolkinderen, wanneer ze vacantie kregen, door een hoepel moesten springen, waarbij de meester hun dan een slag op zeker lichaamsdeel gaf, of de meester liet ze tusschen zijn beenen doorloopen. Bij het einde der vacantie had het omgekeerde (inslag) plaats. Vacantie heet daarom in die streken nog altijd uitslag. – Uitslag, inslag, Heele week speeldag.” – Onderwijzers-Scheurkal. Vooruit, 13 Februari ’96.
uitsmijten, oetsmieten*, vergel. opsmieten *.
uitsnijden, oetsnieden*, ook = afsnijden, zie hals *. In de eerste beteekenis zie “uitsnijden” bij v. Dale.
uitsnuiten, oetsnuten*, uitsnuiten in beide beteekenissen bij v. Dale.
uitsoppen, oetsjoppen*, uitspatten, naar buiten geperst worden: ’t woater sjopt mie tou schounen oet.
uitspaken, oetspijken*, vergel. spoaken *.
uitstek, oetstek*, bij v. Dale: uitstek.
uitsteken, oetsteken*, zie ook hakken *.
uittrekken, oettrekken*, Nederlandsch: een post op een begrooting uittrekken.
uitveteren, oetvetern*, bij van Dale: veteren, doorveteren.
uitzetten, oetzetten, (meestal gescheiden, met den klemtoon op zetten) voor: plotseling naar buiten komen, bvb. doar kwam ’r de deur oet zetten! vergel.: anzetten 2.
uur-tijd, uur-tied*, Nederlandsch (in deftigen stijl): uur noch tijd weten = niet weten (wanneer iets geschieden zal), niet in de toekomst kunnen zien: “… wees naarstiglijk en wakende: / Want gij weet uur noch tijd, wanneer het kwaad is nakende.”
uw, joues, zie joeës *.
vaak, voak, (zonder klemtoon) voor: gewoonlijk, meestal, in den regel, bvb. Zundags gait ʼr voak oet stad; in ʼt Nederlandsch alleen “vaak” = dikwijls.
vaalland, vaalland, voalland, (herhaaldelijk genoemd bij Kremer, Beschrijv. d. Prov. Gron., in den IIen druk o.a. bldz. 25) komt overeen met roodoorn *, knipklei (zie aldaar bldz. 387, of 275 van de uitgave in twee deeltjes) staat gelijk met knik *.
vaalland, voalland, zie vaalland .
vallen, vallen*, zie ook: zied 2.
vallen, vil, zie vōl * (bldz. 575.)
van, van*, in: daʼs nijt van ʼt beste, van ʼt mooiste, enz. = dat is een onaangename zaak, een lastig, leelijk geval, ook elders.
vanggat, vanggat, is dat gedeelte van een goul *, waardoor de schooven naar boven worden geworpen.
vannacht, van nacht*, vaak hoort men vannachs, vanmörns, enz., en zoo ook van week, enz. Engelsch to-day = vandaag; to-night beteekende vroeger “van nacht,” thans “van avond.” Bij v. Dale “van avond” in voce “van”, en “vandaag” als bijwoord.
varen, voaren*, (werkwoord), vgl. botjevoaren * (bldz. 506.)
varent, voaren, (zelfstandig naamwoord), zie oam *.
vast, vast*, in: hij ʼs vast zijk = hij zal wel ziek zijn, ligt de beteekenis van vast tusschen die van “stellig” en van “denkelijk” of “waarschijnlijk”; vergel. wis *, ook de aanteekening, alsmede: ja . Een dergelijke onbepaalde beteekenis (hoewel v. Dale die niet opgeeft) kunnen in ʼt Nederlandsch de woorden “zeker” en “stellig” aannemen, bvb.: hij is zeker ziek, je bent stellig te laat gekomen?; zoo ook het werkwoord “moeten” in: hij moet zeer rijk zijn, enz. Zie ook: op zitten .
vastlopen, vastloopen, zie veur ʼnkander *; vgl. lösloopen * (ook Nederlandsch.)
vat, vat*, ook = bak, bvb. in askevat, törfvat; in de uitdrukking: oet ʼt hoogste vat zingen = met volle kracht, met veel ijver zingen, zal men moeten denken aan “vak”, door wisseling van t en k, als in warteldag *, enz. (vergelijk bovenste *, aan ʼt slot, ook de aanteekening.)
vazel, voazel*, Hoogduitsch Faselvieh = fokvee, mager vee; vgl. faas * (bl. 517.)
veebeslag, veibeslag, zie beslag *.
veeg, vijg*, bij v. Dale “veeg” = gevaarlijk, slecht, bedorven, den dood nabij.
veel, veul*, ook in: wijt ik veul? (Stad-Groningsch, klemtoon op veul) = weet ik het? hoe kan ik dat weten?! wat zal ik er van zeggen?; ook wel elders in de beteekenis van: meer dan ik u zeggen kan, teveel om op te noemen, daar wil ik af wezen; bij v. Dale (4e druk) in dezelfde beteekenis: weet ik het al!, weet ik alles! (de beteekenis zal denkelijk zijn: ʼk weet wel veel, maar niet alles); – “nijt veul” is eigenl. het Nederlandsch “niet veel zaaks”, ook beteekent het: ongunstig, bedenkelijk (zie: lieken ); eigenaardig is de uitdrukking: ʼt is veul en veulste veul (of: slim, vgl. bl. 563), men vergelijke hiermede wachten 2; zie ook opkennen .
veels, veulste*, Friesch: veulsten te.
veenbrand, veenbranden*, vergel. de artikelen Veenbranden en Veendamp bij Winkler Prins, Geïllustr. Encyclopaedie.
veenwortel, veenwortel, zie gele veenwortel * en roode veenwortel *.
veer, veer, zie gest *.
veer, veeren, spichtige heesters, bvb. iepern, elzen veeren, zooals die voor afscheiding dienen; bij v. Dale: veer = gezaagd hout.
vegen, vegen*, wie zellen hōm vegen! in de beteekenis van peeren * (bl. 552.), vgl. ook Hoogduitsch fegen = voortvliegen.
vegezak, vegezak, (zie bij hakmak *) zal zinspelen op het plaatsje Vegesack bij Bremen, berucht als uitspanningsoord voor zeelieden, vanwaar de woordspeling: Vegesack fegt den Sack = te Vegesack raakt men zijn geld kwijt.
velg, vellings*, “vellingen” ook wel elders.
velgsteen, vellingsteen, zie kielputsteenen .
ven, fennen, zie smeerfennen *.
ven, ven*, Vennebroek, een landgoed bij Paterswolde; vergel. boute *.
venneweegs, venweegs, wendweegs, zie venneweegs * en zie wend *.
vent, vent*, 1, vergel. grootknecht *. Op groote boerderijen, althans op ʼt Hoogeland, staat boven den schoapvent nog een darde vent.
vent Hendrik, venthinderk*, vergel. kerelhille *.
ver, veer*, (bijwoord) vgl. Nederlandsch “heinde en veer”; over veeren, zie verren .
ver, verren, in: over verren = uit of in de verte, van verre; vergelijk: veer .
veranderen, verandern*, dat verandert! = daar wordt de zaak anders van!
verantwoorden, verantwoorden, antwoord geven: ik verantwoordde ʼt nijt = ik deed alsof ik ʼt niet hoorde.
verbaasd, verboasd*, Nederduitsch “verbasʼt” = ontsteld.
verbeelding, verbeelding, ʼt is verbeelding of ʼt bin verbeeldens = ʼt is zinsbedrog; wat ʼn verbeelding! = hoe verwaand!; beide bij v. Dale.
verdek, verdek, zie kōrrewoagen *.
verdijen, verdeien*, weigeren iets te doen of stilzwijgend nalaten; vergel. bij v. Dale de synoniemen: verdijen, verdoemen, vertikken, verzeggen (“vervloeken” hoort men in deze beteekenis zelden.)
verdoemen, verdoumen, zie verdeien *.
verdokteren, verdoktern, zie doktern * 1; ook bij v. Dale.
verdomd, verdommes, verdoemd: verdommese jonge!; op dezelfde wijze gevormd als vergeefmes en vooral in het Westerkwartier gebruikt.
verdomd, verdompeld*, ook elders.
verdomineren, verdommenijern*, in 17e-eeuwsche kluchten komt voor “dommenateur” = doorbrenger.
verdommen, verdommen, zie duvel * (bldz. 515); bij v. Dale verdommen = verdeien.
verdommenis, verdommenis, zie: dak
verf, varf*, ongeveer dezelfde beteekenis heeft het Nederlandsche “in de wol geverfd”, dat hier (bl. 579) iets geheel anders beteekent; “in de verf verbrand” is ook Nederlandsch; oorspronkelijk beteekent het: bij het verven verkeerd behandeld, waardoor de stof haar sterkte heeft verloren.
verfomfaaien, verfomfailen*, bij v. Dale: verfomfaaien, verfomfooien = kreuken.
vergeefs, vergeefs*, vergees, klinkt meestal: vergees; vergel. Nederlandsch “te geef.”
vergeme, vergeefmes, (bldz. 573), vergel. verdommes en godvergeemie .
vergeten, vergeten, onpersoonlijk in: ʼt is mie vergeten = ik ben ʼt vergeten; ʼt verget mie doadelʼk weer = ik vergeet het dadelijk weer.
vergeven, vergeven*, vergel. godvergeemie .
vergrellen, vergreld*, Hoogduitsch vergrellen = verbitteren, sarren; grell = fel.
vergrijmen, vergrijmen, zie grijmen *.
verhaal, verhal*, Nederlandsch: op zijn verhaal komen.
verhakstukken, verhakstukken*, bij v. Dale (eigenl.) = schoenen van nieuwe hakken voorzien, figuurlijk = verhandelen.
verharen, verhoaren*, Nederlandsch (verouderd) verharen = verschroeien; de overeenkomstige uitwendige werking van groote hitte en van groote koude op het dierlijke lichaam is bekend.
verhemelte, verhemelte*, ook bij v. Dale, meer gewoon dan “gehemelte.”
verkankelemienen, verkakkelemienen, (Stad-Groningsch) = laten verloopen, verslorderen, verwaarloozen eener winkelnering.
verklateren, verkloatern, zie kloaters * 2.
verknollen, verknollen*, bij v. Dale in geheel andere beteekenis, namelijk = verknoeien, bederven, in onmin geraken.
verkonkelfoezen, verkonkelfoezen, zie konkelfoezerei *.
verkopen, verkoft, zie verkoopen *.
verkouden, verkold, zie verkollen *.
verkuitjebuiten, verkuutjebuten, zie kuutjebuten *.
verlangen, verlangen*, v. Dale: het verlangt mij = ik ben nieuwsgierig; ook Hoogduitsch.
verlangen, verlangst*, bij v. Dale = verlangen, begeerte.
verleden, verleden, voor “geleden”: ʼt is veertien doagen verleden.
verlet, verlet*, bij v. Dale = verhindering, uitstel, en evenzoo: verletten, verletsel; men zou ook kunnen zeggen: verlegen om.
verliezen, verlijzen, zie winnen .
verlopen, verloopen*, ook = heengaan of vertrekken, altijd door “het” voorafgegaan: zeʼ wʼ ʼt es verloopen? willen we eens gaan?, goa jʼ ʼt nou al verloopen? gaat ge nu al heen?; ʼt eten verloopen = tot spijsvertering gaan loopen; – als bijvnw. ook bij v. Dale.
verlos, elle verlös, [spreek uit: êle] een tikspel, vooral in de Stad Groningen.
vermeesteren, vermestern, zie doktern * 1; bij v. Dale: vermeesteren.
vermeuken, vermeukt*, bij v. Dale: meuken = weekmaken, alsmede: in de meuk staan = in de week staan.
verrek, verrek!, verrek nou!, als uitroep van ongeloovige verbazing = (och) kom!, neen zeg!?, ʼt is toch niet waar?!
verrekt, verrekte*, (bldz. 573), vergel. ook vergeven * (ibid.); de e achter het bijwoord is zeer eigenaardig: beroerde, ieselke, oakelke kold.
verrel, vörl*, bij v. Dale “verrel”, “vierendeel”; Nederlandsch ook “vierel”, alsmede “viereljaar.”
verroekelozen, verruikeloozen*, (bl. 573), vgl. Nederlandsch verroekeloozen en bij Vondel reuckeloos en verreuckeloosen.
verrotting, verrötting*, in eene Ordonnantie op de begrafeniskosten, van 1687 (art. III, 14), wordt gesproken van: “eijgen ofte gehuijrde verrottinge”, wederom een bewijs dat onze voorouders de dingen bij hun naam noemden!
verschelen, verschelen*, ook Nederlandsch voor “verschillen” en Geldersch in beide beteekenissen.
verslaan, versloan, verweiden, van vee, zie “beslaan” in den 4en druk van van Dale, alsmede besloagen *.
verslag, verslag*, ook = bederf in graangewassen, vooral door insecten te weeg gebracht: versloagen = mislukt, verwelkt, verdroogd.
verslikken, versloeken, zie sloeken *.
versmijten, versmieten*, bij v. Dale versmijten = wegsmijten.
versnappen, versnappen*, Hoogduitsch sich verschnappen.
verstand, verstand, voor: aandacht, oplettendheid; hij kiktʼr mit alle verstand noa. Ook: van ʼt verstand wezen = van zijn verstand beroofd zijn, en evenzoo van ʼt verstand komen en brengen.
vertrek, vertrek*, in eene Publicatie van 1805 wordt melding gemaakt van de Vertrekkamer in het Lands Huis binnen Groningen, hetgeen wachtkamer zal beteekenen. Vergelijk vertrek (1) en vertrekken (einde) bij v. Dale.
vervatten, vervatten*, ook bij v. Dale.
vervelen, vervelens, verveling: oet vervelens; vergel. goudens *.
verwachten, verwachten*, ook in: dat verwacht ik ook = dat denk, geloof, reken, vermoed ik ook.
verward, verward, (Hunsegoo) = slecht geluimd, ontevreden, verstoord.
verward en verwaaid, verwierd en verwaaid, (tautologie): dʼr verwierd en verwaid oetzijn, door ontsteltenis, gejaagdheid of buiten loopen bij stormachtig weer; verwierd misschien ʼt Hoogduitsch “verwirrt” = verward; bij v. Dale verwaaid = verwilderd.
verweren, verweeren*, vgl. v. Dale; weer is ook Nederlandsch, hoewel niet aldaar.
verwiggelen, verwiggeln*, vergel. verreppen *; bij v. Dale: wiggelen = wankelen, schudden.
verwonderen, verwondern, voor “benieuwen” (neigen *), een verwarring die ook in ʼt Hoogduitsch voorkomt (zie verlangen *); vergelijk belusten *; men zegge dus niet: “het zal mij verwonderen, of …”, maar wel: “ʼt verwondert me, dat …”
verzeggen, verzeggen*, bij v. Dale: verklaren iets niet te willen doen.
verzien, verzijn*, Nederlandsch “voorzien”, hoewel niet bij v. Dale, soms ook wel “verzien.”
verzoeken, verzuiken, (Hoogduitsch versuchen = beproeven), zie: annemen .
vest, festje, zie vestje *.
vet, vet*, vergel. vat * en vet moager *.
vet mager, vet moager*, elders in ons land meer algemeen: heet en koud.
veter, veter, zie ol bal *.
vetje, vetje*, ook bij v. Dale.
vieren, vijern*, in ʼt Nederlandsch zou men zeggen: vierkant van zijn stoel opspringen.
vijf, vief*, (v. Dale heeft “drie”): meestal hoort men tien tellen, blijkbaar om door alliteratie (daar beide woorden met een t beginnen) het effect te verhoogen; de andere zegswijze óók bij v. Dale.
vijfkop, viefkop*, vergel. hokje * en dop * (bldz. 513.)
vijfuurtje, viefuurtje, zie elfuurtje *.
vijven en zessen, vieven en veulen*, “vijven en zessen” is algemeen Nederlandsch.
vileinenbijter, fielainebieter*, is eigenlijk de “glazenmaker”, ook “juffertje” geheeten.
vinden, viennen, vinden.
vinden, von*, naast bin, win, enz. ook bien, wien, enz.; vergelijk de aanteekening op ie * 1.
vinger, vingers, zie op * (ook de aanteekening.)
vingergreep, vingergrepen, ʼtzelfde als handgrepen *.
vingerling, vingerling*, zie ook sleup *.
vinnig, vinnig*, Hoogduitsch finnig.
violine, fiegeliene*, Duitsch: Violine; in een humoristisch gedichtje komt voor: Einer blus die Vigeline Und der Andre strich das Hurn!
viool, fioul, [bldz. 518], zie ook fieoul *.
virtuut, fertuten, zie vertuten *.
visglas, visglas, glazen goudvischkom; ook elders.
vitriool, fietrieoul, ook wel voor fieoul *.
vlak lopen, vlak loopen*, vergel. blak *.
vledder, fledder*, bij v. Dale: vledder.
vlees, flaisk, vleesch, Deensch: flesk; zie vlijs * en vergelijk ais * [slot.]
vlees, vlees, zie vlijs *.
vleesworst, vleeswōrst, zie met * 1.
vleien, flaaien*, vergel. Nederlandsch flikflooien.
vliegerig, vlijgerg, vlijgachtig*.
vliegop, vluugop*, vliegop, vliegop, de verhollandschte benaming voor: vlijgop *; Nederlandsch: vliegende geest.
vlinderen, flittern*, [bl. 518]: bet Hoogduitsch Flitter of Flinder is in de beteekenis van “vlinder” verouderd, thans beteekent het: klatergoud; vgl. verder bet Engelsche to flirt en to flit. Zie ook bldz. 506 II b.
vlucht, vlucht*, zie ook katjevlucht *.
voeren, vouern, zie vourn *.
voeren, veuren, vuiern, zie inhoalen *.
voerloch, vourlok*, is dat gedeelte van een goul *, waardoor de schooven naar boven worden geworpen.
voet, vouten, zie proppen * [bldz. 556] en bijnen *, alsmede andermans * [ook de aanteekening.]
voeteling, vodlings, zie hozevöttels .
voetenwissen, voutenwisken*, bij v. Dale: de voeten vegen.
vogeltje, vogeltjes*, “Vogeltjes, die zoo vroeg zingen, krijgt de poes”, is de titel van een gedichtje van de Génestet.
volk, volk*, zie ook onze volk * [bl. 550]; onder aigen volk [onder ʼnkander] wezen = zonder gezelschap van vreemden, in den huiselijken kring [“en famille”] bijeen zijn; vergel. zuls *, ook de aanteekening; volk! als uitroep, vergel. van Dale. Vgl. onsvolk * [bl. 304.]
voltigeur, foldergeerde*, Fransch: voltigeur = een soldaat, die niet de vereischte lengte heeft.
voor, veur*, bij v. Dale “voor de deur” = op straat, en evenzoo “voor de poort” = buiten.
voor elkaar, veurʼnkander*, veur mekoar, veurʼnkander* (klemtoon in beide woorden afwisselend), ook Friesch; vergelijk ook veurhollen *; ook in: hij ken ʼt nijt veurʼnkander (of veur mekoar) kriegen = hij kan zijne gedachten niet ordenen of uitdrukken, bvb. door dronkenschap, ziekte of gekrenkte geestvermogens; zie boven. Elders (o.a. in Holland en Gelderland) zegt men “in elkaar.”
voorbint, veurbiene, veurbinde, zie achterbinde *.
voordokteren, veurdoktern, zie doktern * 2 en veurjöstern * (bl. 574.)
voorhouden, veurhollen*, vergel. heerhollen * en kop 1.
voorjaar, veu’r, voor veurjoar, door snelle uitspraak, vooral Stad-Groningsch.
voorjaar, veuʼr, zie noa ʼr .
voorpand, veurpand, zie pand *.
voort, vōt, vōrt *, zoowel in de beteekenis van “dadelijk” als van “weg.”
voort dadelijk, vōtdoadelk, dadelijk, onmiddellijk: pleonastische versterking.
vooruit, vooruit!, zie mars !
voorvrijen, veurvreien, zie veurvreier *; in Friesland en ook elders spreekt men van: een meisje voor iemand “opvrijen.”
voorwerk, voorwerk, zie veurwark *.
voorzomer, veurzömer, zie noazömer *.
vork, vörk, zie lipken *.
vouw, vol, hetzelfde als volle *.
vragen, vroagen*, [zelfstandig naamwoord]: vragen en vraagboek ook bij v. Dale, en aldaar tevens: vraag = catechisatie.
vragen, vroagen*, [werkwoord] in: bedankt veur ʼt vroagen, het antwoord dat een herstelde zieke geeft of laat geven op de vraag naar zijne of hare gezondheid, daarmede te kennen gevende, dat er niet meer behoeft gestuurd te worden: in Holland zou men “laten bedanken voor de attentie.” Toch komt bovenstaande zegsw. ook elders voor.
vrede, vrede*, “in vredes noam” wordt vaak verkort tot: in vrede, beide ook elders.
Vredewold, Vredewold, zie: Westerkwartier .
vreding, vredingen, voorkomende in gedrukte Groningsche Raadsbesluiten betreffende stadsbezittingen, zal eene verhollandschte schrijfwijze voor vringen of wringen zijn; ʼt is echter mogelijk, dat men hier te denken heeft aan het Hoogduitsche Friede = omheining; het materiaal er voor heet vredinghout. In een aanbesteding van gemeentewege wordt o.a. gesproken van “het plaatsen van erfbevredigingen”, blijkbaar van het Hoogduitsche befriedigen = omheinen.
vreetop, vretop, en vretzak, zie vreten *; men denke aan ʼt Hoogduitsche fressen.
vreten, vroaten, zie vreten *.
vrij wat, vrijwat, in vrijwat krekt = vrijwel (bijna) precies; zoo ook vrijwat goud = tamelijk, nogal goed; in ʼt Nederlandsch alleen voor zelfstandige naamwoorden en werkwoorden: er waren vrijwat menschen, ʼt heeft vrijwat geregend.
vrijersvoeten, vreiersvouten*, Hoogduitsch: auf Freiers Füssen gehen.
vrijschijter, vreischieter*, juist hetzelfde begrip als ʼt Fransche pet-en-lʼair.
vroeg dag, vrougdag, zie: gasthuus .
vroegmelks, vrougmelk*, vergel. nijmelk *.
vuil, voel*, vergel.: vuul ; bij ʼt Geldersch (bl. 575) ook: en voel oas van un keerl = een schrandere bol.
vuil, vuul*, vergel. beuze *.
vuist, voesten, zie op *.
vuren, vuren, duwen, zie anvuren *.
waai, wai*, vergel.: anwaisel .
waaien, waien*, zie ook: daien .
waaks, wach*, bij van Dale: waaksch en wachtsch; Hoogduitsch wach = wakker.
Waalse boon, walseboonen*, “groote boonen”ook elders, en bij v. Dale “tuinboon”, “Roomsche boon”; ze behooren tot het geslacht der Wikken.
waar, woar*, 2: Oostfriesch wâr.
waar ergens, woararns*, vrarns, frarns, door snelle uitspraak frarns of vrarns; vergelijk vrachtig *.
waarachtig, verentig, zie werentig *.
waard, weerd, ʼt is niks weerd = ʼt is knoeierij, half werk, gekheid, er komt niets van terecht, ʼt is nuttelooze moeite; ʼt is ʼt nijt weerd = ʼt is de drukte, de moeite, het tijdverlies, enz. niet waard.
waardeel, woardijl*, Overijselsch (ook in geschrifte): een huis en where = een huis en erf; bij R. K. Driessen, Monumenta Groningana, komt op bladz. 208 ’t woordje “were” voor in een stuk van 1357, naar ’t schijnt ook = erf; “weer” Nederlandsch ook = omheining, tuin.
waarnemen, woarnemen, (Stad-Groningsch) = vreimoaken*.
waarschuwen, woarschouen, waarschuwen; vgl. menskenschou ; “waarschouwen” ook elders.
wacholderbes, wacholderbeien*, Hoogduitsch Wachholderbeeren.
wachten, wachten*, ik ken ʼt nijt wachten = ik heb geen tijd, ook Geldersch, en op bldz. 463 ten onrechte als Nederlandsch beschouwd; hij ken ʼt best wachten = ʼt is voor hem een kleine moeite of opoffering; men denke aan ʼt Hoogduitsche warten = verzorgen, zorg dragen en ʼt Nederlandsche zich wachten = zich hoeden (Zuid-Nederlandsch wachten = bewaken.) In Holland is het onbekend. Vergel. ook “wachten” = afwachten of ontvangen.
wachthouden, wachthollen, woakhollen, in: wel zel mörn wachthollen? = wie zal morgen ʼt eerst opstaan en zorgen, dat de anderen gewekt worden?
wagen, dikke woagen, woagen, zie boerenwoagen *.
wagenladder, woagenledders*, daar van sommige boerenwagens het achterstuk en de zijstukken werkelijk op hekwerk gelijken is het zeer begrijpelijk, dat het woord later in uitgebreider zin is genomen; evenzoo heeft v. Dale: ladder, zijladder, wagenladder en ladderwagen.
wak, wak*, ook bij v. Dale.
wal, walje*, van Dale: bij het walletje langs.
walen, woalen*, vergel. weltern * en het Hoogduitsche wälzen = wentelen.
walhooi, walhooi, zie venhooi *.
wambuis, wams*, bij v. Dale: wammes.
wan, woan*, bij v. Dale: wan = holte aan de oppervlakte van het hout, en vandaar: wanhout, wankantig hout = hout dat aan de oppervlakte niet gaaf is.
wand, wande*, (bldz. 576), Nederlandsch “snijding”, Overijselsch “wieg” (= wig?). – “In het Noorden van ons land, met name in de stad Groningen, staan de huizen ieder afzonderlijk, daar er tusschen twee gebouwen gewoonlijk een gangetje gevonden wordt, dat echter zoo nauw is, dat één persoon daar slechts met moeite door kan gaan. Men noemt die enge ruimte tusschen twee huizen den wand en op last van het stedelijk bestuur moet zulk een wand op gezette tijden gereinigd worden. Gewoonlijk zijn het arme vrouwen, die zich voor het verrichten van dat werk aanmelden. Aan den straatkant is die wand in den regel afgesloten door houtwerk, waarin beneden een soort van deurtje.” – Zie R. Koopmans van Boekeren, in de Kinder-Courant, 1867-68, bldz. 179. Officieel schrijft men steeds “wande” en nooit “wand.” Reeds in 1623 komt dit woord voor: oorspronkelijk schijnt het “afwatering tusschen de huizen” te beteekenen. Zie: Trip, De reiniging der stad Groningen, bldz. 38.
wandel, wandel, wandeling, zie: ing , ook wel elders.
wandelen, wandelen, een woord, herhaaldelijk voorkomende in advertentiën betreffende verkoop of verhuring van aandeelen in ongescheiden grondbezit: wandelende voor de wederhelft met … = door twee eigenaren beurtelings gebruikt wordende.
want, want*, (bldz. 576), Nederlandsch visscherstuig in ʼt algemeen, en als zeeterm: alle touwwerk aan boord.
wantrouwig, wantroueg, zie noameten *.
wapen, woapens*, ook in: stilstand van woapens, schertsend voor: rust, kalmte, weinig vertier na voorafgegane drukte.
waren, woaren*, bij v. Dale: waren (weinig gebruikelijk) = beschermen, Hoogduitsch: wahren; het Engelsche to ware is verouderd.
warmte, warmte, in: de warmte hollen = warm blijven, en: de warmte beloopen = loopen om warm te worden of te blijven.
wasdoek, waskeldouk, waschdoek, schoteldoek, Geldersch: wasseldoek.
wassen, wassen*, (bladz. 577, I boven); hier behoort vooraf te gaan: hij ken ʼt gras heuren wassen = hij is zeer eigenwijs; bij v. Dale: het gras hooren groeien = waanwijs zijn; vgl. gras * en wies *.
wassen, wōsk, waschte, wiesch: Hoogduitsch wusch, verg. wasken *.
wastobbe, wasketōb, zie wasboalie *.
wat, wat, iets, zie wezen * en wezenmaggen .
wat, wat*, 2, ook = “hoeveel?” zie: wezen .
wat, watten, zie: datten .
wat ding, watding?, een stoplap voor: wat blieft?, wat zeidet ge?
wat goed, watgoud?, een stoplap voor: wat blieft?, wat zeidet ge?
wat voor, watveur*, watveurent*, ook samengetrokken tot waffer*. (bldz. 576), zijn gelijk aan het Nederlandsch “wat voor?” en “wat voor een?” (Hoogduitsch: was für ein?); de zuiver Groningsche vormen zijn: wekveur, wekveurnt.
waterbol, woaterbōl, zie bōlschip *.
watjekouw, batjekauel, anwaisel * (zie bldz. 498.)
wede, wiede*, Hoogduitsch: Wiede = dunne wilgentwijg, Weide = wilgenboom; vgl. wenen *.
weduwman, wedeman, “onbestorven weduwnaar” ook bij v. Dale.
weefstel, weefstel, zie stel *.
weem, weem*, vgl. bij v. Dale: “wepel” = ledig, onbewoond; “wepel zijn” = weduwe of weduwnaar zijn, ongetrouwd zijn; ʼt woord wordt alleen nog in Zuid-Nederland gehoord en begint te verouderen.
ween, wenen*, Hoogduitsch Weide, Wiede; vgl.: Wiede .
weer, weer*, (bldz. 577): ook bij v. Dale onder “mooi” en “weder”; zie ook verweeren *.
weer, weere*, “weer” en “weder” bij v.Dale = ram, hamel of schaap.
weerlicht, weerlich*, (bldz. 577), bij v. Dale: loop naar de weerlicht! en: als de weerlicht!
weerlichtslag, weerlichtslag, bliksemstraal.
weerom, weer-om, zie omnemen .
weg, weeg*, zie ook pad .
weg, weg*, voor “vandaan”: woar kom joe weg?, ook Friesch; meestal wordt er geen zeer groote afstand door aangeduid, gewoonlijk het huis of de naaste buurt; hoewel men wel eens hoort: woar komt ʼr weg? oet Holland, zal men in zooʼn geval eerder zeggen vandoan; zoo ook: hij ʼs bie stad weg = afkomstig uit de omstreken van Groningen; ergens bie wegloopen = het in den steek, zonder toezicht laten, van iets afloopen; ook kan een werkwoord zijn verzwegen: woar heiʼ dat weg? = wegkregen, weghoald; ook wel kan de samenstelling zuiver Nederlandsch geweest zijn: ʼn stuk vlais bie de hals weg = weggenomen, weggesneden (eigenlijk “afgesneden”); verder komt weg voor in de eigenaardige uitdrukkingen: ʼt het ʼr veul van weg = ʼt heeft er allen schijn van, hij het wat weg van zien voader = hij aardt naar zijn vader, – welke echter ook wel elders in gemeenzamen stijl voorkomen, evenals: ʼt heeft veel van ... Zie ook op en weg * [blz. 550] en deur de weg * en vgl. ook: hen .
weg, weg, (zelfstandig naamwoord) in: hij wijt mit zien tied gijn weg = hij weet met zijn tijd geen raad; men zegt in Holland wel: ʼk weet er geen weg mede = ik ben verlegen met die zaak, ik zie geen uitkomst, en ook wel: ʼk weet geen weg met mijn appels enz., vergelijk: end .
wegen, wegen*, weven, hiervoor ook: weven .
weggooien, weggooien, zie versmieten *.
wegkruipertje, wegkroepertje*, zie ook keuteldoemke *.
wegmaken, wegmoaken*, (bldz. 577) wordt ook elders gebruikt; vergel. biemoaken en bij v. Dale “weg zijn” = bezwijmd zijn.
wegschijten, wegschieten, zie verfomfailen *.
wegsmijten, wegsmieten, zie versmieten *; in de beteekenis van: verwerpen, wegcijferen, zie bldz. 582 II midden.
wel, wel*, 2, zie ook al * en: goedzoo .
welja, welja, (uitgesproken weljah), zie: ja .
welk, wel*, 1; het Hoogduitsch wer, door wisseling van l en r; met bldz. 577 te vergelijken het Nederlandsch die en die, dan en dan.
welk voor, wekveur, wekveurnt (letterlijk “welk voor”) zie: watveur .
welter, weltern*, bij v. Dale “welter” = (gewestelijk) stuk, rol.
welterusten, welterusten*, ook elders, gemeenzaam.
wenkbrauw, wienbroage, als enkelvoud van wienbroagen*, vindt men terug in Leviticus 14 vs. 9 als “wijnbrauw” en bij Kil. als “wimp-brauwe”, “wijn-brauwe”, (met nog zes andere schrijfwijzen.)
wentelteefje, wentelteefien*, (bldz. 577), Nederlandsch wentelteefje.
wereld, wereld*, zie ook jakkern *.
weren, weeren*, goud kan wegblijven zonder verzwakking van de beteekenis; ook bij uitbreiding: de omstandigheden zijn gunstig; zoo bij v. Dale (4e druk): het weert op zijn dak (gewestelijk) = ʼt loopt hem mede, zie dak *.
werf, warf*, vergel. Ommelanden *.
werkgeest, warkgijsten, zie veurloop *.
werkzaam, warksoam, voor: werkelijk, bewerkelijk.
Westerkwartier, Westerkwartier*, de drie andere kwartieren, buiten de Ommelanden, waren: het Goorecht (Goreght ) of Drentherwolde , het Oldampt * en Westerwolde ; dit waren heerlijkheden, namens de Stad door Drosten bestuurd. Wat het Westerkwartier betreft, dit bestaat thans uit de navolgende aloude landschappen: Humsterland ten Noorden, Middag ten Oosten, Oosterdeel- en Westerdeel-Langewold ten Noord-Westen en Vredewold ten Zuid-Westen.
Westerwolde, Westerwolde, een landschap in ʼt Zuid-Oosten der provincie Groningen; vergelijk Westerkwartier en Noorwegen *.
westwaarts, westerd, westers, zie oosterd *.
weten, wōs*, wist: Hoogduitsch wusste; en = wies, groeide: Hoogduitsch wuchs.
weten, wijt*, (bldz. 580): bijna in dezelfde beteekenis in ’t Nederlandsch.
weten, wijten*, zie ook: ’k wijt nijt * … enz. (bldz. 234 en 537); in ’t Nederlandsch zegt men wel: hij weet niets van de koude, enz.
wezen, wezen*, ook in: wat mout ʼr veur (of: van) wézen? = hoeveel ben ik u schuldig?, waarmede te vergelijken: wat mōt ʼt kosten? = hoeveel bedragen de kosten? wat is de prijs?; wat zōl ʼt wezen! = ʼt zou ook wat!, ʼt heeft niets te beteekenen!; vergelijk: niks en houveul .
wicht, wicht*, ʼt Nederlandsche woord “wicht” beteekent oorspronkelijk “wezen”: vandaar bvb. “booswicht.”
wichtenvisite, wichterverzijte, meisjesvisite; zie schuurdeùren .
wieberig, wieberig, zie bamberig *.
wiegschemel, wijgschoamel, zie schoamel *.
wielewalen, wielewoalen*, vergel. woalen *.
wierde, wier, zie worde .
wij, wie, ve, fe, wij: de w in dit woord wordt in den regel verscherpt tot v of f, wanneer het achter een werkwoord staat, vooral in het Stad-Groningsch, en de ie wordt dan een toonlooze e: bvb. moutʼ ve, moutʼ fe, mouʼ ve of mouʼ fe = moeten wij, zoo ook zelʼ ve, enz. voor: zullen wij; zoo zal de Stad-Groninger, die het woord roeg * te plat vindt, spreken van ruuf inplaats van “ruw”, zoo ook nief voor “nieuw” en zelfs woarschufen voor “waarschuwen”; vooral bij ʼt voorlezen merkt men dit verschijnsel op, alsmede in de joodsche volkstaal. Merkwaardig is het omgekeerde in ’t Nederlandsch in de nog niet zoo zeer lang afgeschafte spelling “verw” en “verwen” voor “verf” en “verven.” In andere streken der provincie, bijvoorbeeld in ’t Westerkwartier, behoudt men de w, maar de t of l valt meestal weg: mou’ we, ze’ we, enz.
wijderweidig, wiederwaidig*, (blz. 578) vormt een tweede, geheel andere, beteekenis dan het op blz. 472 opgegeven woord.
wijdwagen, wiedwoagen*, wiedewoagen, van Dale geeft de verbasterde vormen “wijdewaag” en “wijgewaad.”
wijlieden, wielú, zie ielú *.
wijm, wiem*, (blz. 472 en 578): bij v. Dale “wijme” (Zuid-Nederlandsch) = teenwilg.
wijnkoop, winkop*, vergel. wasschop *.
wijs, wies*, vergel.: wassen ; zeer opmerkelijk is het, dat “wies met” volkomen hetzelfde beteekent als het Nederlandsche (eveneens in gunstigen zin gebruikte): “gek met” of “mal met”; men zegt elders o.a. “hij is wijs met zijn huis” = vraagt er meer voor, dan ’t waard is.
wijze, wieze*, “op zoo’n wieze!?” komt overeen met het in het Nederlandsch in de spreektaal gebruikelijke: o! op die (zoo’n) manier!?
wik, wikken, zie gele wikken *.
wil, wil*, genoegen, ook bij v. Dale.
wildschut, wildschut*, bij v. Dale = jager, Hoogduitsch Wildschütz = strooper; vgl. haister *.
willen, wiltje, zie handje * en wiltje .
willen, wōl*, (werkwoord), Hoogduitsch: wollte.
willig, willig, vergel. bōls *.
wilwerk, wiljewark, (Oldambt) = willewark*.
winde, winde*, wien, Hoogduitsch Windel = luier, Windelband = zwachtel.
windsel, windsel, zie duvelsnaigoarn * en vogelwikken * (blz. 575.)
winnen, winnen*, ook = voorgaan van een klok, beteren van een ziekte; het tegenovergestelde verlijzen ook in die twee beteekenissen.
winter, winter*, enz. onzijdig (zie bl. 579), vooral na “van”: van ’t winter; ook bijna overal elders in de spreektaal.
winterparadijs, winterperdiezen, winterrediezen, zie harderooden *.
winters, winters, zie: oavens .
wip, wiepkes*, vergel. griebels *.
wip, wip, (Westerkwartier) = klap; vergel. anwaisel *; Engelsch to whip = geeselen, slaan, zweepen.
wip, wip*, in de beteekenis op bldz. 579 ook bij v. Dale.
wip, wips*, wups*, Hoogduitsch (gemeenzaam): wups.
wipkar, wupkoar*, Nederlandsch: tuimelkar, stortkar; Hoogduitsch Wuppe.
wis, wis*, vergel.: ja en: vast , alsmede ’t Hoogduitsche “wohl” in de beteekenis van wellicht, immers, misschien, waarschijnlijk; opmerkelijk is het, dat de stellige beteekenis van ’t Nederlandsche “wis” of “gewis” hier evenzeer is verzwakt als die van “zeker”, “stellig” en van ’t werkwoord “moeten” in: hij is zeker ziek, ’t is stellig een broer van hem, hij moet zeer rijk zijn naar men zegt; verder heeft men den uitroep: ja wis! = ja zeker! stellig!, vergel. wisse *.
witbrood, widbrood, (vooral Westerkwartier) = wittebrood; op dezelfde wijze zijn gevormd: “honeten” (bldz. 527), honʼhok (honʼnok) = hondenhok, houddens, padstoul = paddenstoel, “peerstal” = paardenstal, schuurdeùr = schuurdeur, enz.
witkoren, witkoren, zie zoad *.
woel, woul*, hierbij woulpand = zooveel grond, als men in één dag beklaien* kan.
woensdag, Wōnsdag, Woensdag, Friesch Woeinsd’g, Engelsch Wednesday.
wol, wōl*, (bladz. 579 II onder), zie varf .
Wolden, Wolden, zie Woldstreken .
Woldjer, Woltjeders, Woltjers, Woldjers, Fout:509
Woldkant, Woldkant, zie Woldstreken .
Woldstreken, Woldstreken, hieronder wordt zoowel Duurswold verstaan als zuidelijk Westerwolde, alsmede Langewold* en Vredewold; de laatstgenoemde streek noemt men in ’t Westerkwartier ook de Wolden, den Woldkant of de Woldstreek, (Kremer, Beschr. van Groningen, IIe druk, 2e stukje bldz. 68, of bldz. 180 van de uitgaaf van 1839 in één deel); vergel. ook wold * (bldz. 580.)
wolf, wolf*, ook = fijt (evenals in ’t Hoogduitsch bij Susan, doch niet bij Sicherer); ook = een ziekte der tanden.
wollegras, wollegras, zie moorke * (bldz. 543) en vergel. v. Dale.
wolzak, bōlzakje, zie wolzakje *.
wonder, wonder, in: ’t is doezend wonder (eigenlijk: ’t is duizendmaal een wonder) = Nederlandsch (gemeenzaam): ’t is wonder boven wonder, ’t is meer geluk als wijsheid.
wonen, wonen*, (bldz. 580): deze uitdrukking is Nederlandsch (men denke aan: ik weet het niet staan, ik zie het niet liggen), in de spreektaal zegt men algemeen: ’k weet hem niet te wonen.
wonerij, wonerai, zie woonderai .
woning, woonderai, ’t is ’n mooie woonderai of wonerai = een net huis; zoo ook sloaperai = slaapvertrek; vgl. liggerei * (bldz. 539.)
woord, woord*, ook in: hij het ’t woord = den naam, den roep (ook in gunstigen zin); zie ook bekend * en vergelijk de Nederlandsche uitdrukkingen: “hij wil ’t niet weten”, “’t mag geen naam hebben” = hij wil niet dat men er van spreekt, ’t moet geheim gehouden worden; vergel. Dr. R. A. Kollewijn: Bilderdijk, dl. II, bldz. 440! (Hoogduitsch: keiner, der es Wort haben wird = niemand, die het erkennen wil; er will es nicht Wort haben = hij wil het niet bekennen); “’t mag geen naam hebben” beteekent in ’t algemeen meer: ’t is niet noemenswaard; op ’t woord wezen = Nederlandsch op de tong rijden; vergelijk (met bldz. 580) bij v. Dale: zij weet haar woord wel te doen; zie ook bōs * (bldz. 52 en 506.)
worden, worde*, Hoogduitsch wurde; meer beschaafd: wier, van het Nederlandsche “wierd”, evenals de vorm wuir* van “werd”; wör (Ommelanden.) De zegswijze op bldz. 580 beteekent: het werd hem wijsgemaakt, opdat hij ’t overal zou vertellen.
worm, wirm*, (bldz. 579), vergel. pierekul *; wurm is ook Nederlandsch.
worteltuin, wōrteltoenje, (Westerkwartier) = worteltuintje, in de zegswijze: Jan Peit’r Oepkes ien ’t wōrteltoenje = de onbekende, X, N.N.; vermoedelijk naar J. P. Oeps, in 1839 een zeer bekend Groningsch pikeur: zie Nieuwe Gron. Courant van 27 Augustus 1891.
wrattenbijter, woatebieter*, is eigenlijk de “glazenmaker”, ook “juffertje” geheeten; Nederlandsch puistenbijter.
wrikken, wrikken*, (bladz. 580) is Nederlandsch.
wrongelhuis, vrongelhuis*, wrongelhuis bij v. Dale, en wrongel aldaar = gestremde melk.
z, z, voor s*, zie bladz. 559 I onder.
zaadblok, zoadblok, dorschblok voor koolzaad, vgl. legge *.
zaai, zai, zaai, voor: het zaaien, de zaaitijd, (komt in Nederlandsche woordenboeken niet voor.)
zachts, sachs*, saks*, bij v. Dale: zachts.
zagen, zoagen*, bij v. Dale “zaag” = zaniker; het Fransche word “scie” heeft ook beide beteekenissen.
zakken, zakken, voor een examen, alleen in de provincie Groningen gebruikelijk en oorspronkelijk een studentenwoord?; in de studententaal ook elders algemeen. Vergelijk het Nederlandsche “den zak geven” en “den zak krijgen”, alsmede in Zuid-Nederland “zakken” = wegzenden; verder heeft men in ’t Nederandsch. “iemand laten zakken” = zich niet meer met hem bemoeien; ’t kan echter ook ’t Hoogduitsche durchfallen (= druipen) zijn. Zie körf *.
zakkoek, zakkouk, zie klont *.
zamelen, zammeln*, het Hoogduitsche sammeln = verzamelen.
zand, zand, zie op *.
zandschop, zandschupke, zie drekschop *.
zat, zat*, 1, ook in: tiedzát = tijd in overvloed, (“tijd zat” ook wel elders); in de beteekenissen: “genoeg”, “in overvloed”, “verzadigd” en “afkeering van” komt het woord ook bij v. Dale voor; vergelijk ook bladzijde 550 II onder.
zaterdags, soaterdoags, (het Nederlandsche “zaterdags” heeft dezelfde beteekenis), zie soaroas *.
zee, zee, (zelfstandig naamwoord), zie see en boonen *.
zeeg, sege*, vergel. siggel *.
zeegbok, segebok*, seebok, zeebok, ook verkort: see of zee, seeg. Vgl. bij v. Dale: zeeg en zegebok.
zeel, zeel*, (bldz. 581), ook = ijzeren hengsel van een emmer; bij v. Dale “zeel” = streng van hennep, draagriem, touw.
zeen, zeen*, bij v. Dale: zeen, zenen; de verwarring met “pees” ook in ’t Nederlandsch.
zeepkop, zijpkop, zeepbak of zeeppot, vergelijk kop .
zeggen, gezegd, voor zegd * (bldz. 483 en 581); ʼt wordt ook elders gebruikt.
zeggen, zeggen*, hierbij: wat ik joe zeg! (klemtoon op ik) = ik sta voor de waarheid in, ’t lijdt geen twijfel, (men hoort ook dat inplaats van wat), te vergelijken met het Nederlandsch: wat (of: als) ik u bidden mag; doar ’s niks gijn zeggen van = daaromtrent valt niets met zekerheid te voorspellen, er valt (vooraf) niets van te zeggen; ik zeg joe niks! = gij begrijpt wat ik bedoel, ’k behoef u niets meer te vertellen, ook ’k heb joe niks meer te zeggen!; – wat zeg je d’r tegen? = hoe noemt gij dat?
zeiken, sijken, wateren, pissen: bij van Dale “zeiken” = het Hoogduitsch seichen en ʼt Middelnederlandsch seken; misschien is het verwant met “zijgen” (Hoogduitsch seigen, seihen) = filtreeren (waarvan ook: sijpen, sijpelen, sijperen, Hoogduitsch sickern?); vergel. besjaicheln * en zie ook bij miegen * (Teuthon.), alsmede: miegijmke .
zeker waar, seker woar, stellig, werkelijk, in ernst: ’k heb ’t nijt doan, seker woar nijt!
zeldzaam, sels’m, zeldzoam, (vooral Westerkwartier): ’t is sels’m! = ’t is zonderling!; als bijwoord in sels’m (zeldzoam) mooi: in ’t Nederlandsch mag dit woord niet als bijwoord gebruikt worden, doch in het Hoogduitsch heeft men: wie seltsam! Bij Cats “selsaem” = zonderling.
zelf, zuls*, zulf, vergel.: volk; – nou bin v’endeling ijs onder ons zuls, kiender, want joen mouder was doch aigentliek moar antraud, zou eens een boer gezegd hebben, na de begrafenis zijner vrouw, die hij niet zeer betreurde! Zie ook geld * en tied * (bldz. 569.)
zelfde, zulde*, hierbij ook: ’k docht ’t zulde wel = ik heb het wel gedacht, wel verwacht.
zerk, zark, zerk (bij v. Dale ook “zark”), in ’t Nederlandsch alleen voorwerpsnaam, hier ook stofnaam: vandaar het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zarken, bvb. ’n zarken stoup = een stoep van zerken gemaakt; in de meeste gevallen wordt er graniet of arduin (hardsteen) mede bedoeld, zoo bvb. ’n zarken hoes = een huis, waarvan de vóórgevel uit gehouwen steen bestaat.
zes, zessen*, volgens v. Dale werd deze zegswijze oorspronkelijk alleen van paarden gebezigd en beteekende: met vier goede pooten en twee goede oogen; later werd de beteekenis zeer uitgebreid en algemeen, namelijk: geheel aan het doel beantwoordende, nooit verlegen, enz.
zes weken, zeswéék, zie ofloonen .
zet, zet*, (zelfstandig naamwoord), zie ook zetten * (einde); bij v. Dale in één zet = plotseling; zetje = ruk.
zeugdistel, zeufdissel, zeugedistel, zie mōtdiesel *.
zeuren, zuren, zie koanebroaden *.
zeurpot, zeurpot, zeurkous; gevormd als “brompot.”
zicht, zicht*, 1 (Naschrift Molema, bladz. 582): Nederlandsch in zicht zijn, in ’t gezicht zijn = zichtbaar zijn, naderen.
zien, zijn*, zie ook hei * (bldz. 525) en wezen -maggen en vergelijk: ze maggen hom d’r nijt zijn = hij valt er niets in den smaak, ze mogen hem er niet; “’k zal eens zien” (of “kijken”) komt in deze beteekenis ook overal elders voor.
zij, zie, (vooral Hunsego) = zij, enkelvoud en (mannelijk & vrouwelijk) meervoud; vgl. bl. 480 I midd.
zijde, zied*, 1, zie ook oetzied en vergel. van zied goan * (bl. 498)
zijde, zied*, 2; hierbij ienne rechter (of linker) zied vallen, ien baide zieden vallen, gezegd van personen, die mank gaan, (op bl. 476 I 12 v.b. ten onrechte als Nederlandsch beschouwd.)
zijn, ’n, voor “hun” of “z’n”: mit ’n baiden = met hun beiden; vgl. nander *.
zijn, bin*, het Hoogduitsch, evenals bist *.
zijn, west*, zie ook bezijn *.
zijn, zien*, deze vormen zijn algemeen gebruikelijk hier te lande en ook Hoogduitsch.
zin, zin*, 1 (slot); elders: ’s menschen zin (of: wil) is ’s menschen leven; ook gewoon Hoogduitsch: Des Menschen Wille ist sein Himmelreich. Verder: ’t komt mie ien ’t zin of ’t schut mie ien ’t zin = ’t schiet mij te binnen; ’t is (of: gait) mie nijt noar ’t zin = ’t gaat niet naar mijn zin, niet zooals ik wensch; ien (of: noar) mien zin = naar mijn oordeel, volgens mijn smaak; mōst nijt tegen ’t zin (= met tegenzin) eten; hou krigst’ ien ’t zin?! = hoe kunt ge zóó iets verzinnen?!; – zie ook tweide .
zinken, zank*, bij v. Dale: te zinke (of: te zenke) gaan = te gronde gaan; vgl. giechōm *.
zinnen, zinnen*, (b), hiervoor ook gissen. Zie ook zin * (bl. 582.)
zinnig, zinnig*, vergel. aansch *.
zitten, op zitten*, ook bij van Dale onder “zitten”; hiervoor ook: dat zit ’r altied an, of: an vast.
zitten, zitten*, (bl. 582 I 4 v.o.) ook elders in gemeenz. stijl, o.a. bij Multatuli. Zie ook brommen * (dat echter ook elders voorkomt, terwijl zitten – aldaar – Nederlandsch is); vergelijk ook schieten * (bldz. 560) en zie ook op zitten *.
zo, zóó, in uitroepen: zóó is ’t!, zóó is ’t moar!, zóó is (zóó’s) ’t moar nét! = juist! zoo denk ik er ook over.
zo en zo, zóó of zóó*, zoo en zoo, Nederlandsch: zus of zoo. Zie zus en zoo *.
zo menigste, zóómennigste, zie mennigsten *.
zoals, zooas, (= zooals) in de zeer eigenaardige beteekenis van: volgens afspraak, bijvoorbeeld, namelijk, ge moet weten … (of: … moet ge weten); bvb. hij zōl zooas guster bie mie komen (of: komen wezen) = volgens afspraak zou hij gisteren enz, hij zōl zooas guster op rais goan = volgens zijn voornemen of naar men zegt zou hij gisteren op reis gaan (hiermede te vergelijken: “’t zeggen is”, bldz. 483), hij ’s zooas guster bie mie west = hij is namelijk gisteren enz. of: ge moet weten dat hij gisteren enz., as we zooas mörn ies begonnen? = indien wij bijvoorbeeld morgen eens begonnen? – ’t Is een stopwoord van wankelende beteekenis en enigszins te vergelijken met het ook elders gebruikelijke “zooveel als”, bvb. in: hij is zooveel als opzichter in die fabriek, enz. Ook Friesch.
zode, zoo, zeu, zie zookwellen *.
zodekwellen, zookwellen*, bij v. Dale: heete zode.
zoek, zuik, zie zöcht *.
zoetelen, zudeln*, bij v. Dale: zoetelen = spijs of drank in een leger verkoopen (gewestelijk ook: op kermissen enz.) en vandaar: zoetelaar, zoetelaarster.
zoetjes, zuitjes, zie hardop *; ook = langzaam, zoetjes, (vgl. bl. 583.)
zoette, zuitte, zoetheid: is ’t goud van zuitte? = is de spijs of drank zoet genoeg?, vergel.: natten .
zogerekend, zoogerekend, (Westerkwartier) = zootereken*.
zol, zolden*, ’t Engelsche soll bestaat niet (hoewel ook bij ten Doornk.), ’t zal moeten zijn: soil = modderpoel (gewestelijk soal; Anglosaksisch sol, syl.)
zomer, zömer, zie winter * (bldz. 579) en vergel. van nacht *.
zomp, sompen*, Nederlandsch sompschuit = platboomde schuit, afgeleid van somp = moeras, Hoogduitsch Sumpf.
zonde, zund, zonde, doch niet algemeen.
zoor, soor*, bij v. Dale: zoor = ruw, scherp, hard droog.
zout, zolt*, vergelijk: Grieks ἅλς. Latijn sal. Fransch sel. Hoogduitsch Salz = zout. Sool, Söle, Sole, Sohle, Sulze, Sülze = pekel, loog. selchen = zouten. Engelsch salt. Nederlandsch zout, zult, zilt.
zowat, zoowat*, ook herhaald en daardoor versterkt in beteekenis: ’t is moar zoowat en zoowat = ’t is maar zoozoo; niet verdubbeld komt het in de beteekenis: “’k geef slechts noode mijn toestemming” ook elders voor.
zowel, zoowél, (ook Overijsel en elders) of évenwel = intusschen, maar, slechts, eens: as ik zoowel dien voader was zō ’k die wel anders leeren!, as ’k évenwel riek was gong ’k ien stad wonen.
zozo, zóó zóó, zie zóó of zóó *.
zo’n, zoonent, zoont (substantivisch) = zoo een; vergel. hounent *.
zuidwaarts, zuders, zie oosterd *.
zuinig kijken, zunig kieken*, (bldz. 583): bij van Dale = boos of verbaasd zien.
zuipen, soepen, (bldz. 462 I 12 v.o.) = zoepen *.
zuiver, zuver*, ook in: zuver niks = in ’t geheel niets, volstrekt niets.
zulk, zōk*, ook in zōksoort mensken = dergelijke lieden; vergelijk soorteg *. In Holland echter ook: zulk soort dingen.
zulk, zukken, zukkent, zie zōkken .
zulk soort, zuksoort, zöksoort, zie zok .
zullen, zōl, (vergel. wōl ) = zou, Hoogduitsch sollte.
zultpoot, zultpoot*, bij v. Dale: zultepoot = ingelegde poot van een rund of varken.
zuring, zuurling, (ook bij v. Dale) = zuring: hier alleen volksnaam.
zus, sus en zoo*, ook bij v. Dale onder “zus” (bijwoord = zoodanig) en aldaar ook: zus en zoo = tamelijk, zus of zoo = omtrent, bijna.
zwaar weer, zwoarweer*, heeft den klemtoon op de tweede lettergreep, dunderweer* op de eerste; op zee: zwaar weer = storm. Vgl. onweer .
zwad, zwad*, swad, zwat, bij v. Dale: “zwad”, “zwade” = snede gras, hoeveelheid gras in eens afgemaaid, hoeveelheid gras of koren in een regel gelegd; zwat*: bij ossegang* (bl. 552) beteekent het: een smalle strook gronds.
zwad, swat*, ook = zwad *; vgl. front *: men hoort ook wel swiet sloan, dit kan ʼt Fransche “suite” zijn of ʼt Friesche “swiid” (zie swiet *, bl. 568.)
zwadbalk, zwatbalk*, (bldz. 583): voor het Engelsche “swathbalk” leze men liever “swathbank”, doch ook dit is alleen gewestelijk.
zwaden, zwoaden, swoaden* (bldz. 568).
zwak, zwak, zie betrekking .
zwalk, zwalk*, Nederlandsch zwalm; kan ’t Nederlandsche “bezwalken” met het Groningschebezwalken verwant zijn?
zwaluw, zwalfke*, (Hoogduitsch Schwalbe): bij van Dale “hij hangt aan de latten” = hij is op ’t punt bankroet te gaan.
zweeptop, zweeptop*, vergel. sirreltop *, ook de aanteekening.
zweernood, swerrenood*, vgl. het Hoogduitsch Schwernöther = vlegel, onuitstaanbaar mensch, van Nöther = kweller.
zwelen, zwelen*, bij v. Dale: zwelen of zweelen = het droge hooi met de hark bijeenverzamelen; vermoedelijk afgeleid van zwad of zwade (zie: zwad .)
zweren, gezworen*, (bldz. 520), in het Nederlandsch alleen in ongunstige beteekenis; toch hoort men wel eens: gezworen vrienden.
zwerm, zwarm*, Nederlandsch zwermer, en zoo ook: zwermpot, zwermraket; Hoogduitsch Schwärmer.
zwet, zwet*, vergel. rid * 2; in Holland de familienaam Zwetsloot.
zwijd, swiet*, zie ook: swat en vergel. gloepend *.
zwijmslag, swiemslag*, (Oudfriesch: swimslek): Hoogduitsch im Schiemschlag liegen (zeeterm) = voor den wind liggen, in katzwijm liggen.
zwijn, zwien, zie zwienen * 1 en goud * (bldz. 131 II.)
zwijnegel, zwieniegel, zie iegelzwien *.
zwijnenjong, zwienjong, zie grootknecht *.
zwikzwak, zwikzwak, zie slappentoal *.
zwilk, zwilk, zwilkje, als zelfstandig naamwoord: een stuk zwilk, bvb. over een tafel, elders ook “zeil” of “zeiltje” genaamd, met welke laatste benaming oorspronkelijk alleen zeildoek, thans ook wasdoek wordt bedoeld; bij v. Dale komt “zwilk” alleen als stofnaam, niet als voorwerpsnaam voor.
zwoel, zwoel, zwoul, verbrand, gebruind in ’t gelaat; minder beschaafd zwoul, doch zelden, en ook zelden voor ’t Nederlandsche “zwoel” = drukkend.
zwoerd, zwoord*, Hoogduitsch Schwarte.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal