elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer

-e-, e-, overgangsklank in allerlei samenstellingen, zoals in: eerdebaai, keersevet, nageleskeertje, kleremaker, skoenesmeer enz, enz.
-ens, -ers, ingelaste uitgang in allerlei samenstellingen, vooral na een werkwoordsstam, soms na een zelfstandig naamwoord, bv. kaartersrondje, annemersspul, sluiterstoid, opgnapperspak, huishouwersgeld, pankoekerspan, veldersboet enz.
-er, -der, achtervoegsel, achtervoegsel dat na een woordstam of na een aardrijkskundige eigennaam uitgaande op -l of -n, dikwijls in afwijking van het Nederlands wordt gebezigd, bv. speulder, tulpepelder, kaalder, volder, kos(t)winder, ofslaander, kloinder, skoônder, Venhuizender, Broekerhavender.
-er, -er, -der, achtervoegsel, achtervoegsel dat na een aardrijkskundige eigennaam vaak in afwijking van het Nederlands wordt gebezigd, bv. Obdammer kermis, ’n Bovenkarspelder, ’n Blokkerder, Ursemmer kermis enz.
-es, -es, tweede naamvalsuitgang na zowel mannelijke als vrouwelijke bezittelijke voornaamwoorden en na eigennamen, bv. dat is moines en dut jouwes; hei je heures ok meenomen?; dat is Pietes fiets; dut is Truuses zussie; kè je Piet van Diepenes joôs?
-ig, -ig, achtervoegsel, achtervoegsel. Wordt evenals -(d)erig zeer veelvuldig in allerlei bestaande of spontaan gevormde afleidingen gebezigd. Zie voor een uitvoerige bespreking mijn dissertatie ‘Woordvorming in het hedendaags Westfries’.
-schap, -skip, variant van het achtervoegsel -schap, bv. in bòskip, bloi(d)skip, geree(d)skip. Vgl. Fries -skip. Jongere dialectsprekers gebruiken steeds vaker de vorm -skap.
-sen, -se, verouderde meervoudsuitgang van een aantal zelfstandig naamwoorden, zoals: knechse, neefse, nichse, oumse, manse, vrouwse enz.
-sen, -se, achtervoegsel, achtervoegsel ter vorming van werkwoorden. Het grondwoord is meestal een verkleinwoord of in enkele gevallen een zelfstandig naamwoord eindigend op een klinker, bv. blindemannetjese, koppiese, skoôltjese, rondjese, domeniese, ketrielese, tillevisiese enz.
-sig, -sig, achtervoegsel, variant van -ig, dat soms gebezigd wordt na woorden eindigend op een klinker, bv. ik ben niet zô koffiesig, ik houd niet zo van koffie.
Aagje, Aagie, vrouwennaam. Zegswijze ’n Aagie, een nieuwsgierig Aagje | Je moete niet zô’n Aagie worre, ’oor! – De toepassing van de naam is ontleend aan ‘Het kluchtigh avontuurtje van ’t Nieuwsgierigh Aeghje van Enkhuizen’, in 1655 geschreven door de Amsterdamse dichter Jan Zoet. Meervoud aagies, nieuwsgierige Aagjes. Zegswijze Aagies mit lange neuze, afwimpelende reactie op de vraag naar de inhoud van een doos, een pakje e.d. | ‘Wat zit er in dat pakkie, moe?’ ‘Niks, Aagies mit lange neuze!’
Aagtdorp, Eéstrup, zelfstandig naamwoord, Verouderde uitspraak van Aagtdorp.
aal, eêl, zelfstandig naamwoord de, Variant van aal, paling.
aalbes, allebés, zelfstandig naamwoord de, Aalbes.
aalbessenboom, allebésseboum, zelfstandig naamwoord de, Aalbessestruik.
aalduiker, eêlduiker, zelfstandig naamwoord de, Aalscholver, soms ook fuut.
aalfuik, eêlfuk, zelfstandig naamwoord de/’t, Aalfuik.
aalshuid, eêlshuid, zelfstandig naamwoord de, Aalsvel.
Aaltje, Aaltje, vrouwennaam. In het kinderrijmpje: Aaltje zat op ’n paaltje, ’t paaltje brak en Aaltje viel in de koeiekak.
aan, ’n, waarschijnlijk relict van het voorzetsel an = aan. In een tijdsbepaling als ‘’n zundeg’ kan ‘’n’ zowel naar de toekomst als naar het verleden wijzen. Vgl. ik moet ’n zundeg te kermis, ik moet de komende of aanstaande zondag naar de kermis; ik hew ’m ’n zundeg nag sproken, ik heb hem de afgelopen zondag nog gesproken.
aan, an, bijwoord en voorzetsel, Aan. Zegswijze an weze, 1. Zijn portie gehad hebben. 2. Zijn schuld betaald hebben. | Ik ben an bai de bakker. 3. Blut zijn. Vgl. Fries oan weze. – D’r mee an weze, het zat zijn, vermoeid zijn. Vgl. Fries der mei oan wêze – Wat moet ik deer mee an, wat moet ik daarmee aanvangen, hoe moet ik dat probleem oplossen? Vgl. Fries hoe moat ik der mei oan? – Ientje an moete (wulle), iemand moeten of willen spreken. – Deer moet je duur an, dat moet je duur betalen. Vgl. Fries earne djûr oan moatte. – ’t Ken lang an, het kan lang aanhouden, het kan lang goed gaan. – Deer is niks an, 1. daar is niets aan te beleven. 2. Dat is niet moeilijk. – ’t Is dik an, ze zijn dikke vrienden, ze hebben stevig verkering. – Erges op an moete, ergens naar toe moeten. – Deer kè je van op an, daar kun je zeker van zijn. – Deer houwe we ’t op an, dat houden we voor afgesproken. – D’r án wulle, graag willen eten of drinken. – Ik wul d’r nag niet an, ik kan het nog niet geloven. Vgl. Fries it wol my net oan. – Ik hew ’t er nag van op an, ik ben er nog verbaasd over, sta er nog versteld van, – ’t Gaat er deer leuk op an, het gaat er daar vreemd aan toe. – Dat is tot déér an toe, dat daargelaten, dat is het ergste nog niet. – Zô d’r an, zô d’r van, zo gewonnen, zo geronnen. – An en bespan (is twei), knikkerterm (verouderd). De knikkers lagen ‘an’ als ze vast of vlak naast elkaar lagen, ‘bespan’ als de afstand tussen twee knikkers met uitgespreide duim en pink kon worden overspannen.
aan elkaar, an mekáár, án mekaar, Aan elkaar, aaneen. In het Westfries, worden Nederlandse samenstellingen met aaneen, ineen, opeen, uiteen enz. vrijwel altijd vervangen door de combinatie: voorzetsel + mekaar + werkwoord zoals: an mekaar knoupe, de hande in mekaar slaan, alles op mekaar stapele, uit mekaar gaan enz.
aan toe, an ... toe, tot (aan). | Hai liep an huis toe mit m’n mee. Hai bloift an zundeg toe. Vgl. Fries oan ... ta.
aanaarden, aneerde, werkwoord, Aanaarden, jonge planten met aarde bedekken.
aanaarder, aneerder, zelfstandig naamwoord de, (Hand)werktuig om aan te aarden.
aanaardmachine, aneerdmesien, zelfstandig naamwoord de/’t, Machine om aan te aarden.
aanazen, áneize, werkwoord, Aanazen, een haak of vislijn van aas voorzien.
aanbakken, anbakke, werkwoord, Vastbakken. Vgl. Fries oanbakke. Zegswijze dat zel anbakke, dat zal nare gevolgen hebben. – Je zelle nag anbakke, gezegd tegen iemand die moeilijk uit zijn bed kan komen, die dus als het ware aan zijn bed vast zal bakken.
aanballen, anbolle, werkwoord, Aanballen of -klonteren.
aanbelangen, anbelange, werkwoord, Contaminatie van aangaan en (ouder Nederlands) belangen. | Wat moin anbelangt, kè je meegaan. Vgl. Fries oanbilangje.
aanbinder, anbinder, zelfstandig naamwoord de, 1. Materiaal dat dient om iets rondom vast te binden. 2. Dier dat (achter een kar of wagen) wordt aangebonden.
aanbollen, anbolle, werkwoord, Schertsend voor zoenen. Eigenlijk de bollen of hoofden bij elkaar brengen.
aandirken, andirke, werkwoord, Variant van opdirken. Letterlijk betekent opdirken: de buitennok van de bezaansmast door middel van dirken of touwen in de hoogte halen. Uit deze scheepsterm ontwikkelde zich die van opschikken, tooien.
aandorsen, andarse, werkwoord, Volop doorgaan met dorsen. Zegswijze leit ’m maar andarse, laat hem zijn gang maar gaan, laat hem maar prutsen.
aandrager, andreiger, zelfstandig naamwoord de, Aandrager, opperman (verouderd). Zegswijze louf as ’n andreiger, doodmoe zijn. – Sweite as’n andreiger, hevig transpireren. – Werke as ’n andreiger, zeer hard werken.
aandrinken, andrinke, werkwoord, 1. Toedrinken, toasten. 2. Een bedrag dat men tegoed heeft door middel van drank ‘aanmaken’.
aangaan, angaan, werkwoord, Aangaan, te keer gaan. | Hoor die joôs toch es angaan. Zegswijze dat rit ging an, die zaak ging door, die uitdaging werd aangenomen.
aangedraaid, andraaid, bijvoeglijk naamwoord, Aangedraaid. Zegswijze kort andraaid weze, kort aangebonden zijn. Eigenlijk gezegd van een (valse) hond die kort aan de lijn werd gedraaid of gebonden ten einde zijn bewegingsvrijheid te beperken.
aangenomen, annomen, aangenomen, in de zegswijze ’t is gien aannomen werk, er is geen haast bij.
aangetoeterd, angetoeterd, bijvoeglijk naamwoord, Deftig aangekleed, opgedirkt (verouderd).
aangezicht, azent, zelfstandig naamwoord ’t, Aangezicht (verouderd).
aangrijpend, angroipend, bijvoeglijk naamwoord, Ook: koud, kil, huiverig. | ’t Is angroipend weer.
aangrijperig, angroiperig, bijvoeglijk naamwoord, Zie angroipend.
aanhalen, anhale, werkwoord, Ook: 1. Oplopen, aantrekken. | De proize hale puur an. 2. Overhoop halen, organiseren. | Wat hale julle noú weer an? 3. Aanwakkeren. | De wind haalt puur an. Zegswijze drokte anhale, van alles overhoop halen, organiseren.
aanhang, anhang, zelfstandig naamwoord de, Ook: echtgenoot, echtgenote (+ kinderen). | Deer komt hai ok weer mit z’n anhang.
aanhangerig, anhangerig, bijvoeglijk naamwoord, Mistig, vochtig, kil. | ’t Is anhangerig weer.
aanhechten, anhefte, werkwoord, Aanhechten (verouderd).
aanhoud, anhoud, zelfstandig naamwoord de, Ook: steun, gezelligheid. | Ze het puur anhoud an d’r jongste moidje.
aankijk, ankoik, zelfstandig naamwoord de, Aankijk, voorkomen. | Berta het puur meer ankoik as Trien.
aanklauw, ankleêuw, anklouf, zelfstandig naamwoord de, Enkel (verouderd). Letterlijk aanklauw.
aankomeling, ankommeling, zelfstandig naamwoord de, Aannemeling; kind dat zijn belijdenis doet.
aankomend, ankomd, ankommend, ánkemd, bijvoeglijk naamwoord, (Aan)komend. | Hai gaat ankomde week verhuize. Zegswijze ankommende maan, wassende maan; ankommend...over, na de komende. | Ankommende week over begint de kermis.
aankomst, ankomst, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze da’s ok ’n ankomst, dat is ook een bezoeking.
aankorsten, ankorste, werkwoord, Ook: met een korstvuil bedekt worden. | Je biene loike wel ankorst.
aanliggen, anlègge, werkwoord, 1. Aanliggen. | We hewwe tot tien uur mooi anlegen. 2. Vastliggen, o.a. van biljartballen.
aanloop, anloup, zelfstandig naamwoord de, Aanloop, ongeregeld bezoek. | Ze hewwe deer altoid ’n zoôt anloup.
aanlopen, anloupe, werkwoord, Aanlopen, mislopen, in de zegswijze ’t zel anloupe, de skeipe skreêuwe, het wordt slecht weer.
aanmaken, anmake, werkwoord, Ook: 1. Een verbroken verkering herstellen. 2. Een bepaald bedrag (verplicht) aan vertering besteden. | In Broekerhaven maakte de vrachtvaarders twaalf stuivers an mit drank en mit ’t rouken van ’n poip.
aannagelen, annagele, werkwoord, Aanhouden, aandringen, o.a. met het bedingen van een prijs.
aannemen, annemen, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Belijdenis. 2. Communiefeest. Zegswijze Kloin annemen, eerste H. Communie. – Groôt annemen, plechtige H. Communie of hernieuwing der doopbelofte, – Goed van annemen weze, 1. ontvankelijk zijn voor goede raad. 2. Vlug van begrip zijn.
aannemer, annemer, zelfstandig naamwoord de, Ook: aannemeling(e).
aannemersfeest, annemersfeist, zelfstandig naamwoord ’t, Aannemingsfeest.
aannemerskleed, annemerskleidje, zelfstandig naamwoord ’t, Jurkje van de aannemelinge.
aannemersspul, annemersspul, zelfstandig naamwoord ’t, Aannemingsbedrijf.
aanpakken, anpakke, werkwoord, Ook: 1. Drinken aan de moederborst. | Dat wurm wul maar niet anpakke. 2. Groeien. | De koôlplante hewwe best anpakt.
aanpikken, anpikke, werkwoord, Knikkerspel waarbij men met knikkers op een stuiter moest mikken.
aanpoken, anpouke, werkwoord, Hard werken, opschieten.
aanponderen, anpondere, werkwoord, Het met een ponder of ronde balk aansjorren van een vracht hooi op een wagen.
aanpunten, anpunte, werkwoord, in de zegswijze ientje anpunte, iemand aanhouden om hem te spreken. – ’n Segaar (’n poip) anpunte, een sigaar (of een pijp) opsteken.
aanrecht, anrech, zelfstandig naamwoord de, Het, de aanrecht. | Je moete de anrech nag boene.
aanrichten, anrechte, werkwoord, Variant van aanrichten (verouderd).
aanroeper, anroeper, zelfstandig naamwoord de, Aanzegger (verouderd).
aanrukken, anròkke, werkwoord, Aanrukken of -trekken (van een touw).
aansassen, ansasse, werkwoord, Aanzetten, ophitsen.
aanschaffen, anskafte, werkwoord, Aanschaffen.
aanschieten, anskiete, werkwoord, Ook: (op)jagen, gejaagd doen. | Niet zô anskiete, ’oor, deer ken ik niet teugen.
aanschroken, anskrouke, werkwoord, Aanschroeien, aan de pan vastbakken.
aanslag, anslag, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze anslag make, 1. contact, verkering zoeken. 2. Vriendelijk bejegenen.
aanslagstamper, anslagstamper, zelfstandig naamwoord de, Rietdekkersgereedschap, te weten een bakje om het riet schuin aan te slaan.
aanstaan, anstaan, werkwoord, Ook: aandringen, aanhouden. | Hai sting maar an, dat op slot ben ik maar mit ’m meegaan.
aanstonds, aansen, aansens, aasen, aansens, aansies, aasies, aans, aa, bijwoord, Aanstonds.
aantellen, antelle, werkwoord, Optellen, opleveren. | As je voor ien zô’n koôltje twei golden kroige, telt dat lekker an.
aantikken, antikke, werkwoord, Ook: optellen, opleveren. | Dat tikt lekker an. Kennelijk wordt hier het aantikken van een kassa bedoeld.
aantomen, antoume, werkwoord, Aantrekken, aanzetten tot lopen of trekken. | ’t Is ’n peerd dat goed antoumt. Vgl. toum = toom.
aantornen, antorne, werkwoord, 1. Aantrekken. 2. Hard werken, opschieten. | We magge wel antorne azze we vóór donker klaar weze wulle.
aantrekkelijk, antrekkelek, bijvoeglijk naamwoord, Ook: licht geroerd; eigenlijk het zich aantrekkend (verouderd). Vgl. Fries oantreklik.
aantui, antui, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van antuie, in de zegswijze ’t is ’n hêle antui, het is een heel begin, een heel karwei.
aantuigen, antuige, antuie, werkwoord, 1. In het tuig spannen. 2. Aanpakken, aansnijden, een begin maken. | Zelle we de taart maar es antuige?. Verouderde variant antuie.
aanvallen, anvalle, werkwoord, Ook: 1. Bevallen, aanstaan. | As ’t anvalt, mà je bloive. 2. Elkaar gemakkelijk kunnen vinden, gemakkelijk contact met elkaar krijgen. | Je kenne wel zien dat ’t anvalt mit die twei. 3. Bevallig staan van kleding. | ’t Is echt ’n jurk die anvalt. Vgl. Nederlands aanvallig, dat waarschijnlijk onder invloed van het Noordhollandse anvalle = bevallen, is ontstaan.
aanvliegen, anvliege, werkwoord, Ook: te veel worden, naar het hoofd vliegen. | Die drokte ken m’n soms anvliege. Zegswijze ’t vliegt je niet an, je krijgt het niet cadeau, je moet je er voor inspannen.
aanvlieger, anvlieger, zelfstandig naamwoord de, 1. Plotselinge bloedaandrang. Vgl. opvlieger. 2. Duif die in een vreemd hok neerstrijkt.
aanwaaier, anwaaier, zelfstandig naamwoord de, Oplawaai, oorveeg. | Hai kreeg m’n toch ’n anwaaier!
aanwaarts aan, anverdan, bijwoord, Weg, er op uit. | Murgen gane ze anverdan. De vorm is te herleiden tot ‘aanwaard aan’.
aanwensel, anwenst, zelfstandig naamwoord de/’t, Het aanwensel. | Nageleboite is ’n lilleke anwenst. Vgl. Fries oanwenst.
aanzeg, anzèg, zelfstandig naamwoord de, Het aanzeggen, het bekend maken van iemands overlijden (verouderd).
aanzetten, anzette, werkwoord, in de zegswijze ’t zet niet an, het is de moeite niet, het levert te weinig op.
aanzitten, anzitte, werkwoord, Zegswijze mooi anzitte, gezellig aanzitten. – Don anzitte, deftig aanzitten. – Pree anzitte, deftig aanzitten. Uit Frans paré. – ’t Zit er niet an, er is geen geld, er is niets te halen of te verwachten.
aanzwelen, answêle, werkwoord, Bijeenharken van gemaaid gras, van hooi e.d.
aap, aap, zelfstandig naamwoord de, Aap. Zegswijze voor aap staan, voor gek staan – Nou zel je ’n aap zien danse op ’n stikkebordje, nu zul je wat zien, wat beleven. – ’n Gladde aap, een slimmerik, een gladde vogel. Meervoud ape. Zegswijze ape zou je d’r mee vange, gezegd met betrekking tot een lastig, ondeugend kind. Verkleinvorm meervoud aapies. Zegswijze aapies mit kale gatjes (gatte), afwimpelende reactie op de vraag naar de inhoud van een doos, een pakje e.d. | ‘Wat zit er in dat pakkie, moe?’… ‘Niks, aapies mit kale gatjes’. – Aapies mit vraagsteertjes, zie de vorige zegswijze
aapslag, aapslag, zelfstandig naamwoord de, Lamstraal, deugniet.
aapsteen, aapstien, zie aapslag.
aapstraal, aapstraal, zie aapslag.
aardaker, aardaker, zelfstandig naamwoord de, Eikel; knol (verouderd).
aardappel, eerappel, eerdappel, zelfstandig naamwoord de, Aardappel. Zegswijze ’n mens is gien eer(d)appel (al is ie mit ’n stokkie poôt), een mens heeft nu eenmaal zijn eigen mogelijkheden en beperkingen. Meervoud eerappele, eerdappele, in de zegswijze ’t is deer kouwe eer(d)appele, gezegd van lieden met kale kak. Verouderde dialectische variant irpte. | Hoeveul snees irpte moet ie rôde? (W.F.O.N. 9, 164).
aardappelboor, eerappeleboor, eerdappeleboor, zelfstandig naamwoord de, Zie eerappelepriem.
aardappelbouwer, eerappelebouwer, eerdappelebouwer, zelfstandig naamwoord de, Landbouwer of tuinder die hoofdzakelijk aardappelen verbouwt.
aardappelgraver, eerappelegraafie, eerdappelegraafie, zelfstandig naamwoord ’t, Schopje met driehoekig blad, gebruikt bij het aardappelrooien.
aardappelgrijper, eerappelegreipie, eerdappelegreipie, zelfstandig naamwoord ’t, Plattandig vorkje, gebruikt bij het aardappelrooien.
aardappelkrat, eerappelekrat, eerdappelekrat, zelfstandig naamwoord de, Aardappelkrat of -kist.
aardappelkuil, eerappelekuil, eerdappelekuil, zelfstandig naamwoord de, Ondiepe, langwerpige kuil, afgedekt met riet, stro of modder, dienend als bewaarplaats voor aardappelen. Vgl. bietekuil, witlofkuil, wortelekuil.
aardappelpriem, eerappelepriem, eerdappelepriem, zelfstandig naamwoord de, Zie priem.
aardappelrooien, eerappelerôde, eerdappelerôde, werkwoord, Aardappelen rooien.
aardappelrooier, eerappelerôder, eerdappelerôder, zelfstandig naamwoord de, Man die aardappelen rooit. 2. Schopje of vorkje waarmee men aardappelen rooit.
aardappelschiller, eerappeleskildertje, eerdappeleskildertje, zelfstandig naamwoord ’t, Mesje waarmee o.a. aardappelen worden geschild.
aardappelschilmes, eerappelskildersmessie, eerdappelskildersmessie, zelfstandig naamwoord ’t, Zie eerappeleskildertje.
aardappelschuit, eerappeleskuit, eerdappeleskuit, zelfstandig naamwoord de, Grote schuit o.a. voor het vervoeren van aardappelen.
aardappelstoel, eerappelestoel, eerdappelestoel, zelfstandig naamwoord de, Aardappelstruik, inclusief de aardappelen.
aardappelvaarder, eerappelevaarder, eerdappelevaarder, zelfstandig naamwoord de, Vrachtvaarder die voor een aantal tuinders aardappelen vervoerde naar een veiling of bewaarplaats.
aardappelzetter, eerappelezetter, eerdappelezetter, zelfstandig naamwoord de, Zie driepuntspoôthek.
aardbei, eerdebaai, eerebaai, zelfstandig naamwoord de, Aardbei.
aardbeienleertje, eerdebaaieleertje, eerebaaieleertje, zelfstandig naamwoord ’t, Letterlijk aardbeienladdertje, in de zegswijze ientje om ’n eer(d)ebaaieleertje sture, iemand om een fopboodschap sturen.
aarde, eerd, zelfstandig naamwoord de, Teelaarde, bouwgrond. | Deuze akker het maar ’n kloin laagie eerd.
aardig, aardig, bijvoeglijk naamwoord, Ook: eigenaardig, zonderling. | Ze doet de leste toid zo aardig, ze loikt wel overspannen.
aars, neers, eers, maars, zelfstandig naamwoord de, Variant van eers = aars, achterste. De vorm neers is te verklaren uit het voorafgaande lidwoord: den eers werd gevoeld als de neers. Zegswijze ’t moet uit de benauwde neers komme, het mag niet veel kosten, het wordt met tegenzin (uit)gegeven. Verouderde vormen eers en maars.
aarsgebrek, eersgebrek, neersgebrek, zelfstandig naamwoord ’t, Kleine, meestal voorgewende ongesteldheid (verouderd).
aas, aas, zelfstandig naamwoord de/’t, Aas in het kaartspel. Vgl. Fries it aes.
aas, eis, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van aas, voedsel. Verkleinvorm eisie, in de zegswijze ’t is gien eisie, het is geen begeerlijk hapje, niet iets waarop men graag aast. – ’n Eisie hewwe, een extraatje hebben.
aasje, aasie, eisie, eizie, zelfstandig naamwoord ’t, Aasje, kleinste gewicht in het oude gewichtenstelsel. Zegswijze gien aasie wind, geen zuchtje wind.
Abbestede, Abbestad, mogelijk een variant van de onder Callantsoog gelegen buurtschap Abbestede, voorkomend in de zegswijze Abbestad, zeuven huize en ’n varkesgat, spottend gezegd van een gat, een gehucht.
Abraham, Abraham, mannennaam. Ook: naam voor een speciale koek, vader Abraham voorstellende, bestemd voor de man die vijftig jaar wordt. Tevens naam voor een levensgrote, aangeklede pop die men doorgaans voor het huis plaatst van de man die vijftig jaar wordt.
accident, heksedénte, eksedénte, zelfstandig naamwoord meervoud, Ongelukken, tegenslagen (verouderd). Uit Frans accidents.
accorderen, akkerdére, werkwoord, 1. Accorderen, overeenkomen. 2. Opschieten, overweg kunnen.
achter, achter,  after, voorzetsel en bijwoord, Zegswijze op achter komme, lichamelijk of geestelijk ten achter komen. – Op achter loupe, 1. achterlopen (van een uurwerk). 2. achter het nieuws aankomen. – Op achter weze, ten achter zijn met betalen, met het werk e.d. – ’t Is makkeleker ien moil op achter te raken as ien streep op voor, achterstand loop je snel op en haal je vaak moeilijk weer in. Verouderd after. Vgl. Fries efter, Engels after.
achteraan in, achteran in, achterin | Hai zit altoid achteran in de kerk.
achteraankomertje, achterankommertje, zelfstandig naamwoord ’t, Zie achterkommertje.
achteraanschijten, achteranskoite, werkwoord, Achterblijven, treuzelen, de laatste zijn.
achteraanstaarten, achteransteerte, werkwoord, Zie achteranskoite.
achteraf, achterof, bijwoord, 1. Achteraf gelegen, afgelegen | Hai weunt puur achterof 2. Achteraf, naderhand | Achterof was ik er bloid om.
achterafje, achteroffie, zelfstandig naamwoord ’t, Achterafje, afgelegen plaats. | Hai weunt op ’n achteroffie.
achterbaks, achterbaaks, bijvoeglijk naamwoord, Variant van achterbaks (verouderd).
achterbint, achterbint, zelfstandig naamwoord ’t, Het touw dat over het achtereinde van een hooiponder wordt geslagen en aan de achterzijde wordt vastgesjord ten einde de vracht hooi van achteren vast te leggen.
achterdam, achterdam, zelfstandig naamwoord de, Dam of damhek op de scheiding van achtererf en land. Zegswijze hai ken beter de achterdam uit, hij kan beter op het land gaan werken, zijn bedrijf in acht nemen, i.p.v. elders zijn tijd te verbeuzelen.
achterdeur, achterdeur, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze hai is deur de achterdeur binnenkommen, hij is niet welkom, o.a. gezegd van een vrijer. – ’t Is de achterdeur uit, het is verspilling van tijd, geld of moeite. Verkleinvorm achterdeurtje, in de zegswijze ’n achterdeurtje houwe, zorgen voor een reserve, een uitwijkmogelijkheid.
achterdocht, achterdocht, zelfstandig naamwoord de, Ook: het achterna denken (verouderd). Zegswijze gien achterdocht hewwe, niet dóór denken, onnadenkend of zorgeloos zijn (verouderd).
achterdoft, achterdoffie, zelfstandig naamwoord ’t, Achterdoftje, zitbankje achter in een roeibootje.
achtereind, achterend, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Het achterste deel van iets. 2. Het achterste gedeelte van het huis, waarin zich veelal een stookplaats, een pottenkast en een regenbak bevonden. In kleine huizen: het achterste der twee woonvertrekken.
achteren, achteren, bijwoord, Zegswijze van achteren. 1. Aan de achterzijde. 2. Achteraf bekeken | Ik had ’t van achteren beter niet doen kennen – Van achteren koik je ’n koe in z’n kont (gat), woordspeling in de zin van 1. Het heeft weinig zin zich achteraf ergens over te beklagen. 2. De gebreken blijken pas achteraf.
achterhuis, áchteres, zelfstandig naamwoord ’t, Achterhuis.
achterin, achterin, zelfstandig naamwoord ’t, De koegang, de lange regel, plaats waar in een stolphoeve gedurende de staltijd de koeien staan.
achterkomertje, achterkommertje, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Nakomertje. 2. Kind of dier dat slecht gedijt.
achterkousig, achterkousig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Achterbaks. 2. Achterdochtig. 3. Ouderwets, bekrompen. 4. Bleu, verlegen. 5. Achterhoudend, nalatig. Dit verouderde woord is een afleiding van het verouderde achterkous, d.w.z. (ge)kous (fra, causer) of gepraat achter iemands rug. Dit achterbaks gepraat veronderstelt achterdocht, vandaar dat achterkousig ook achterdochtig kon betekenen. Wie achterdochtig was t.a.v. het nieuwe of onbekende, wie dus ouderwets of verlegen was, werd ook wel achterkousig genoemd. Tenslotte kon het woord gelden voor iemand die achterhoudend of nalatig was, o.a. met betalen. Vgl. Fries efterkoezich.
achterkrat, achterkret, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Neerlaatbaar achterschot aan een boerenwagen of bakwagen. Vgl. Fries efterkret. 2. Schertsend voor een (dikke) derrière | Wat het dat woif’n achterkret.
achterland, achterland, zelfstandig naamwoord ’t, De achter de boerderij gelegen landerijen. Zegswijze deer loit (zit) achterland, daar zit geld, daar is de kans op een rijke erfenis of op een goede carrière.
achterlast, achterlast, zelfstandig naamwoord de, Sterke aandrang tot ontlasting (verouderd). Zegswijze de sweerste last is achterlast, het doen van zijn behoefte gedoogt geen uitstel (verouderd).
achterlastig, achterlastig, bijvoeglijk naamwoord, Zegswijze achterlastig weze, sterke aandrang tot ontlasting hebbend (verouderd).
achterling, achteling, achterling, zelfstandig naamwoord de, Soort grof brood bestaande uit acht (vier aan vier) aaneengebakken stukken, plat van vorm (verouderd). Voorheen ook gelegenheidsgebak op Goede Vrijdag en op de dagen van de grote voorjaarsschoonmaak. Volgens Boek. heette dit brood oorspronkelijk afterling of achterling, waarschijnlijk omdat het werd gebakken van het grofste gedeelte van het meel, dat bij het builen door het achterste en grofste gaas viel. Dat achte(r)ling een traktatie was, blijkt nog uit het oude rijmpje: Bol of achterling op ’t stik, dikke butter niet vergete, keis zôwat ’n vinger dik.
achtermiddag, achtermiddeg, zelfstandig naamwoord de, Late namiddag. Zegswijze in (op) de achtermiddeg weze, er (financieel) slecht aan toe zijn, aan lager wal zijn geraakt, op zijn retour zijn. De zegswijze duidt er eigenlijk op, dat het al te laat is om nog orde op zaken te stellen.
achterna, achternei, bijwoord, 1. Achterna | Hai liep m’n achternei. 2. Achteraf, naderhand | Achternei was ik er bloid om dat ie niet kwam.
achterom, achterom, bijwoord, in de zegswijze achterom moetje deer niet komme, gezegd van een rommelig huishouden. – Achterom weunt gien volk, als het voor het oog maar netjes is, de rest komt er minder op aan – Achterom kroig je ’n dik stik, gezegd door iemand die zo vrij is achterom te komen.
achterom, achterom, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Steeg, doorgang achter de woning. 2. Plaats waar in een stolphoeve het jonge vee wordt gesteld, korte regel of zoutkamer.
achteroomsklomp, achteromsklomp, zelfstandig naamwoord de, Achterneef of -nicht (verouderd). Misschien is de oorspronkelijke vorm ‘achteroomsklomp’, wat zou kunnen betekenen: Klomp, aanhangsel, kind van een ‘achteroom’.
achterspeen, achterspeen, zelfstandig naamwoord ’t, De achterste, laatste speen of tepel. Zegswijze an ’t achterspeen lègge, de ongunstige positie innemen, te kort gedaan worden. Vgl. vóórspeen.
achterste, achterst, zelfstandig naamwoord ’t, Het achterste gedeelte. Zegswijze ’t achterst van z’n tong zien leite, 1. alles vertellen wat men op zijn hart heeft. 2. een zo hoog mogelijke prijs bedingen.
achterstuk, achterstik, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: achterste perceel bouw- of weiland.
achterteen, achtertein, zelfstandig naamwoord ’t, Veterband waarmee een schaats van achteren wordt vastgebonden. Mog, is ‘tein’ hetzelfde woord als teen = twijg, hier om er iets mee vast te binden.
achteruit, achteruit, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Achteruitgang (via de achtertuin). 2. Erf achter het huis of de hoeve, achtertuin. Verkleinvorm achteruitje, Achtertuintje. | Ze hewwe ’n pittig achteruitje.
acquit, kiet, zelfstandig naamwoord ’t, Acquit, plaats vanwaar men bij het biljarten de afstoot verricht. | Hai maakte van kiet of ’n serie van voiftig.
actie, aksie, zelfstandig naamwoord de, Ruzie. Uit Latijn actio. Vgl. Fries aksje.
adel, adel, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze adel bai adel en stront bai de boer, soort bij soort, standsverschil moet of zal er blijven.
adem, asem, zelfstandig naamwoord de, Adem. Vgl. Fries azem. Zegswijze achter z’n asem weze, buiten adem zijn. Vgl. Fries efter azem wêze. – Gien asem geve (kroige), geen antwoord geven (krijgen). – Achter z’n asem skiete, kwaad worden, zich opwinden. – ’t Skiet maar niet op m’n asem, het wil me maar niet te binnen schieten. – Lillek uit z’n asem stinke, een veel te hoge prijs bedingen. Verkleinvorm asempie, in de zegswijze gien asempie wind, geen zuchtje wind.
ademen, aseme, werkwoord, Ademen. Vgl. Fries azemje.
ader, ere, zelfstandig naamwoord meervoud, Verouderde dialectische variant van aderen.
advocaat, avvekaat, affekaat, zelfstandig naamwoord de, Advocaat. Zegswijze ’n avvekaat van de stoel prate, praten als Brugman.
af, of, af, bijwoord, 1. Af. Zie ook allerlei samenstellingen met ‘of’. 2. Afgeleefd. 3. Versleten. Zegswijze skoôn of weze. 1. totaal afgeleefd zijn. 2. totaal versleten zijn. – Oud en of weze, oud en afgeleefd zijn. – Op niks of, om niets, zonder enige zin. | Da’s allegaâr lulderaai op niks of. – Bai … of, te vergelijken met. | ’t Is bai Loek of, die het ok zô prust mit z’n kniese.
afberen, ofbére, werkwoord, Afsnauwen.
afbericht, ofbericht, zelfstandig naamwoord ’t, Bericht van het niet-doorgaan, bericht van verhindering. Vgl. Fries ôfbirjocht.
afberichten, ofberichte, werkwoord, Berichten dat iets niet doorgaat of dat men verhinderd is.
afbeulen, ofbeule, werkwoord, Afbeulen, in de zegswijze niet of te beulen weze. 1. onvermoeibaar zijn. | Die kirrel is niet ofte beulen. 2. onverslijtbaar. | Die stoele benne niet of te beulen.
afbladeren, ofbladere, werkwoord, Afbladen, gedeeltelijk van (rotte) bladeren ontdoen, vooral met betrekking tot (bewaar)kool.
afbladermes, ofbladermessie, zelfstandig naamwoord ’t, Mesje waarmee men kool afblaadt.
afbod, ofboôd, zelfstandig naamwoord de/’t, Zie ofbericht. Vgl. Fries ôfboade.
afboeren, ofboere, werkwoord, Hardhandig, onbesuisd of zorgeloos met iets omgaan, zodat het snel vernield of versleten is. | Hai het die nuwe fiets in ’n paar maande ofboerd.
afborstelen, ofbozzele, werkwoord, Afboenen, schoonschrobben. | Wul je de eerappele efkes ofbozzele?
afbreken, ofbreke, werkwoord, in de zegswijze ’t wordt bai je hande ofbroken, gezegd als men (voortdurend) tegenslag of tegenwerking ondervindt.
afbrief, ofbrief, zelfstandig naamwoord de, Brief waarin men bericht, dat iets niet doorgaat of dat men verhinderd is.
afcrossen, ofkrosse, werkwoord, 1. Affietsen, afrijden. | We hewwe wat ofkrost voor we ’n hôtel vonde. 2. Door ruw en intensief rijden vernielen. | Hai had z’n nuwe auto al gauw ofkrost.
afdak, ofdak, zelfstandig naamwoord ’t/de, Afdak, luifel, overdekt aanbouwtje.
afdeken, ofdeke, werkwoord, Deek of aangespoelde ruigte of vuilnis uit de sloot verwijderen.
afdelen, ofdêle, werkwoord, De erfgenamen reeds op voorhand een gedeelte der erfenis geven.
afdooien, ofdooie, werkwoord, Slinken, verminderen. | Je skulde dooie al pittig of.
afdroogdoek, ofdrougdoek, zelfstandig naamwoord de, Vaatdoek.
afdwingen, ofdwinge, werkwoord, Op de wind afdrijven (van wild gevogelte) (verouderd).
affie, affie, uitroep van spijt, schrik of verbazing. | Affie, had ik dát maar weten!
afflorten, offlorte, werkwoord, Snel afwerken, afjakkeren.
affront, afgront, verbastering van Frans affront, in de zegswijze ientje ’n afgront andoen, iemand beledigen, kwaad maken. De Westfriese vorm is kennelijk onder invloed van ‘afgrond’ ontstaan.
afgaan, ofgaan, werkwoord, Ook: 1. Vertrekken, naar de markt gaan, Vgl. fri-ôfgean. | Dirk ging al vroeg mit keis of. 2. Zijn behoefte doen. Zegswijze d’r niet mee ofgaan, het niet geloven. | Ik gaan d’r nag niet mee of, dat Piet ’t dein het. – ’t Gaat er of (in ’t bos), het gaat er te keer. – Op huis ofgaan, naar huis gaan, huiswaarts keren. – Ofgaan as ’n gieter, totaal mislukken, een wanprestatie leveren. – Weer of gaat en niet baikomt, dat mindert, als er alleen maar uitgaven zijn en geen inkomsten, teer je gauw in.
afgeblauwde, ofgeblauwde, zelfstandig naamwoord de, Jongeman die een blauwtje heeft gelopen.
afgebliksemd, ofgebliksems, bijwoord, Heel erg, buitengewoon. | ’t Is ofgebliksems koud.
afgedaan af, dein-of, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze das ’n mooie dein-of, dat werk is gelukkig afgedaan.
afgedonderd, ofgedonders, bijwoord, Heel erg, bar. | Wat bè je toch ofgedonders oigenwois.
afgeknoedeld, ofgeknoedeld, bijvoeglijk naamwoord, Afgemat, geradbraakt.
afgelasten, oflasse, werkwoord, Afgelasten. | Ze zelle de wedstroid wel oflasse.
afgelazerd, ofgelazerd, bijwoord, Heel erg, bar. | Ik hew ’t ofgelazerd in m’n reg.
afgeluizigd, ofgeluizig, bijwoord, Heel erg, bar. | Wat bè je toch ofgeluizig stom.
afgemieterd, ofgemieters, bijwoord, Heel erg, buitengewoon. | ’t Is nog ’n ofgemieters end loupe.
afgepeigerd, ofgepoigerd, bijvoeglijk naamwoord, Geradbraakt.
afgerazend, ofgerazend, bijwoord, Heel erg, buitengewoon. | ’t Smaakt ofgerazend lekker.
afgestreken, streken-of, bijvoeglijk naamwoord, Afgestreken vol (verouderd).
afgestreken vol, streken-vol, bijvoeglijk naamwoord, Afgestreken vol (verouderd).
afgeven, ofgeve, werkwoord, Ook: 1. Warmte geven. | Die kachel geeft puur of. 2. Regen brengen. | Dat buitje het pittig ofgeven. Zegswijze van (op) ientje ofgeve, iemand belasteren, kleinerend over iemand spreken. | Je moete niet zô van ’m ofgeve.
afgeweerlichts, ofgewénigs, bijwoord, Zie ofgeweerlichs.
afgeweerlichts, ofgeweerlichs, ofgeweerlims, bijwoord, Heel erg, buitengewoon. | Hai ken ofgeweerlichs hard loupe.
afgieten, ofgiete, werkwoord, in de zegswijze de eerappele ofgiete, (buiten) urineren. | ‘Weer is Jaap?’ ‘Die most efkes de eerappele ofgiete’.
afglooien, ofglouwe, werkwoord, Afgluren, afkijken. Vgl. glouwe.
afgnokken, ofgnokke, werkwoord, Afbedelen. Vgl. gnokke.
afgrobbelen, ofgrobbele, werkwoord, Afboenen, afwassen, Vgl. grobbele.
afhakken, ofhakke, werkwoord, Afhakken. Zegswijze dat moet je zelf maar ofhakke, dat moet je zelf maar regelen, oplossen.
afhalen, ofhale, werkwoord, Afhalen, Zegswijze z’n pet (hoed, mu(t)s e.d.) ofhale, zijn pet (hoed, muts e.d.) afnemen. – Ientje ofhale, kwaad van iemand spreken. | Je moete ’m niet zô ofhale. Vgl. Fries fan immen ofhealje. – Bône ofhale, de uiteinden van de sla- of sperziebonen afsnijden of afknappen. – ’t Van de doôd ofhale, herstellen van een zeer ernstige ziekte of verwonding.
afhechten, ofhefte, werkwoord, Variant van afhechten (verouderd).
afijn, afoin, tussenwerpsel, Enfin. Zegswijze afoin, ’n koe is gien knoin, schertsende aanvulling van of reactie op het (voortdurend) gebruik van ‘afoin’.
afjacht, ofjacht, zelfstandig naamwoord de, Afjacht, ruwe bejegening, pak slaag. Vgl. Fries ôfjacht. Zegswijze ofjacht kroige, weggejaagd, afgesnauwd worden. – Ientje ofjacht geve, iemand wegjagen, afsnauwen. Vgl. Van Dale: iemand een afjacht geven.
afjachten, ofjachte, werkwoord, 1. Afjakkeren, zich jagen. 2. Een afjacht geven.
afjakkeren, ofjakkere, werkwoord, Ook: door intensief en ruw gebruik een voertuig vernielen. | Hai het die auto in ’n maand ofjakkerd.
afkappen, ofkappe, werkwoord, Afkappen. Zegswijze d’r mee ofkappe, er mee stoppen, er de brui aan geven.
afkloppen, ofkloppe, werkwoord, Ook: biljartterm. Wie bv. tijdens de kermis om het hoogste gelag, de meeste consumpties ‘afklopte’, kwam aan bod tegen de winnaar van de vorige partij of tegen een andere ‘volger’.
afknijpen, ofknoipe, werkwoord, Ook: streng aanpakken, kort houden.
afkoker, ofkouker, zelfstandig naamwoord de, Zonderling, grapjas.
afkomen, ofkomme, werkwoord, 1. Aflopen, eindigen. | As dat maar goed ofkomt. 2. Uitkomen. | ’t Kwam persies zô of as ik zoid had.
afkraggen, ofkragge, werkwoord, Een stuk land door kraggen of kaden omgeven teneinde het te beschermen tegen overstroming (verouderd).
afkunnen, ofkenne, werkwoord, Ook: ontlasting kunnen krijgen.
aflandig, oflandig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Aflandig. Zegswijze oflandig gaan, vertrekken, er vandoor gaan. – Oflandig weze. 1. er op uit zijn, niet thuis zijn. 2. zich afzijdig houden. – Oflandig prate, met van de toehoorder(s) afgewend gezicht praten.
afleggen, oflègge, werkwoord, Ook: carotte spelen, de ballen in ongunstige positie voor de tegenstander laten liggen (biljartterm). Zegswijze ’t oflègge, sterven. | Hai zel ’t wel gauw oflègge. – Ientje oflègge, iemand afzetten, teveel laten betalen.
aflegger, oflègger, zelfstandig naamwoord de, Afzetter, woekeraar (verouderd).
aflopen, ofloupe, werkwoord, Aflopen, in de zegswijze ’t loupt m’n of as water, gezegd als men hevig de diarree heeft.
afmaken, ofmake, werkwoord, Ook: voortmaken, opschieten. | Je magge wel ofmake, de bus komt zô. Zegswijze z’n eigen ofmake, zich vuil maken (verouderd) | Lilleke joôn, wat hei je je weer ofmaakt.
afmeesteren, ofmeistere, werkwoord, Verouderd voor afdokteren.
afmodderen, ofmaddere, werkwoord, 1. Afmartelen, tobben. 2. Afmatten (verouderd). | Je moete dat peerd niet zô ofmaddere.
afmoeten, ofmoete, werkwoord, Zijn behoefte moeten doen.
afmuizelen, ofmuizele, werkwoord, Zie ofmuize.
afmuizen, ofmuize, werkwoord, Afgrazen, afeten. Vgl. muize.
afnokken, ofnokke, werkwoord, 1. Vertrekken. 2. Ophoepelen. Vgl. Engels to knock of.
afpeigeren, ofpoigere, werkwoord, Afmatten, uitputten, radbraken.
afpikken, ofpikke, werkwoord, Afpakken, inpikken. | Die hufter het al m’n knikkers ofpikt.
afpollen, ofpolle, ofpale, werkwoord, Met zoete woordjes of mooie beloftes aftroggelen. Vgl. Fries ôfpolle, ôfpôlje. De herkomst van het woord, dat bij 17de en 18de eeuwse Hollandse schrijvers vaak voorkomt, is onduidelijk. Bredero gebruikt ‘pollen’ (als rijmwoord op snollen!) in dezelfde betekenis. Misschien moet men verband zoeken met het verouderde zelfstandig naamwoord pol of polle = vrouwel. schaamdeel, o.a. voorkomend in de zin ‘Ik gae na Amsterdam; als ik maer wegh ben sal mijn wijf met haer polle wel weer neringh maecken’ (Protocol Notaris Jan Cornelis Verdwaald 21 oct. 1689). Ofpolle of polle zou dan letterlijk kunnen worden omschreven als: door middel van de pol(le) (verleiden en) geld aftroggelen.
afraffelen, ofroffele, werkwoord, Afraffelen, gehaast en slordig afwerken.
afredden, ofredde, werkwoord, Afruimen. Vgl. Fries ôfrêdde. | Ik zel effies de tafel ofredde. Zegswijze z’n oigen ofredde, zich ergens uitredden of van afmaken.
afrijden, ofraaie, werkwoord, Rijexamen doen. | Wanneer moet je ofraaie?
afrooien, ofrooie, werkwoord, Schatten. | Dat hei je goed ofrooid.
afsalueren, ofslevére, ofslavére, ofstavére, ofstravére, werkwoord, Afwimpelen, wegsturen. Het woord is mogelijk een contaminatie van afwimpelen of afschepen en salueren (vgl. Nederlands ik wil je groeten), verbasterd tot slavére of slevére. | Ik hew ’m bai de deur ofsleveerd.
afsassen, ofsasse, werkwoord, Ophitsen. Vgl. ansasse en opsasse.
afschaffen, ofskafte, werkwoord, Variant van afschaffen (verouderd).
afschieten, ofskiete, werkwoord, Ook: 1. Erges mee beginnen, mee voor de dag komen. | Nou, skieteres of, wat hei je allegaâr te vertellen? 2. Regelen, oplossen. | Dat skiet je zelf maar of, ’oor! Vgl. de zegswijze zelf z’n roer ofskiete. 3. Op (ver)gevorderde leeftijd komen. | Hai zel onderhand ok al puur ofskiete. Hai zel wel zowat tachtig weze, denk? Zegswijze ’t leuk (raar) ofskiete, raar of onverantwoord bezig zijn. – ’t Er niet gek van ofskiete, het er behoorlijk van afbrengen.
afschipperen, ofskippere, werkwoord, 1. Afleveren. Eigenlijk met de vrachtschipper meegeven. | Hei je de eerappele al ofskipperd? 2. Regelen, oplossen. | Dat moetje zelf maar ofskippere, ’oor!
afschotteren, ofskottere, werkwoord, Aflopen, overal heenlopen en zoeken. | Ik hew de hêle Streek ofskotterd om rôders. Vgl. skottere.
afschriemen, ofskrieme, werkwoord, Overal schooien, zoeken naar afval dat nog wat kan opleveren. Vgl. skrieme.
afsjouwen, ofsjouwe, werkwoord, 1. Aflopen. | Ik hew heêl Hoorn ofsjouwd voor ’n nuwe skemerlamp. 2. Totaal afdragen, door ruw en intensief gebruik verslijten. | Hai het die jas finaal ofsjouwd. Vgl. Fries ôfsjouwe.
afslaan, ofslaan, werkwoord, Afslaan, in de zegswijze ik slaan niks of as migge (vliege), ik kan (vrijwel) alles gebruiken, ik accepteer (vrijwel) elke uitnodiging.
afslaander, ofslaander, zelfstandig naamwoord de, Afslager.
afslechten, ofslechte, werkwoord, Slecht of gelijk, vlak maken, egaliseren (verouderd).
afsleuren, ofsloere, werkwoord, Afdragen, door ruw gebruik verslijten. | Hai het z’n zundesse pak al weer ofsloerd. Vgl. sloere.
afslikken, ofslikke, werkwoord, Aflikken. Vgl. Fries ôfslikje. Zegswijze z’n oigen niet ofslikke leite, zich niet door jan en alleman laten zoenen.
afslompen, ofslompe, werkwoord, Zie ofsloere (verouderd).
afsnijden, ofsnaaie, werkwoord, Afsnijden, in de zegswijze we zelle d’r nag ’n plakkie ofsnaaie, we zullen nog een slokje nemen.
afsnijder, ofsnaaier, zelfstandig naamwoord de, Letterlijk afsnijder, in de zegswijze ’t loupt op ’n ofsnaaier, het loopt ten einde, het is bijna afgelopen. | Toe dat ’t feist al op ’n ofsnaaier liep, wou ie nag ’n stukkie doen.
afspatten, ofspatte, werkwoord, Ook: controleren of de melk zuiver is door te trachten uit elke speen een paar straaltjes melk te trekken.
afspeuren, ofspeure, werkwoord, Ook: afsteken, opvallen, vooral met betrekking tot kleuren, aparte kleding e.d. | Die rooie hoed speurt puur of bai dat witte jassie. Weerom doen je die âre jurk niet an, je wulle zeker weer ofspeure.
afspitten, ofspitte, werkwoord, Ook: voor een ander of anderen betalen. | Je denke toch niet dat ik deuze rois weer ofspit!
afstapje, ofstappie, zelfstandig naamwoord ’t, Afstapje, een of meer treden naar beneden.
afsteken, ofsteke, werkwoord, 1. Van wal steken, beginnen. | Steek es of mit je verhaal. 2. Geloven, genoegen nemen met. | Ik steek er nag niet mee of, dat Piet ’t dein het. 3. Meegaan, vertrekken. | Ze stak die eivend mit ’n âre vraaier of. Zegswijze ’t leuk (raar) ofsteke, raar, onverantwoord bezig zijn.
afstelen, ofstale, werkwoord, Van de steel ontdoen. Vgl. stale.
afstomen, ofstieme, werkwoord, Warmte uitstralen. Letterlijk afstomen. | Die kachel stiemt lekker of. Skik eres op man, je stieme zô of. Vgl. Fries steam, Engels steam. Zie ook: stieme.
afstommelen, ofstommele, werkwoord, in de combinatie eerappele ofstommele, aardappelen in een emmer of teil met water met de hand heen en weer roeren om het vuil er af te wassen.
afstoten, ofstôte, werkwoord, Ook: uitstoten, de beginstoot maken (biljartterm).
afstrijden, ofstraaie, werkwoord, Met moeite afhandig maken of gedaan krijgen. | Ik hew ’t niet zô maar kregen, ’oor, ik hew ’t ofstraaie moeten.
afstrijken, ofstroike, werkwoord, Afstrijken, in de combinatie de groep ofstroike, de mest verwijderen uit de groep, de gemetselde goot achter de stallen.
afstuiven, ofstuive, werkwoord, Ook: afgaan, in prijs of opbrengst verminderen. | ’t Is lang gien skône winst, ’oor, d’r stuift nag puur of.
afsullen, ofzulle, ofzeule, werkwoord, Afglijden, afzakken. | M’n broek zulde of. Vgl. zulle.
aftakelen, oftakele, werkwoord, Ook: aftellen (bij een kinderspel).
aftellen, oftelle, werkwoord, Ook: roddelen, belasteren. | Je moete niet zô van ’m oftelle.
aftijding, oftoiding, zelfstandig naamwoord de, Bericht dat iets niet doorgaat of dat men verhinderd is (verouderd).
aftikken, oftikke, werkwoord, Ook: betalen, afrekenen. | Je moete nag oftikke, ’oor.
aftreden, oftrede, werkwoord, Ook: met treden afpassen. | Hai zoit, dat dat hoekie 20 roed is, maar ik hew ’t oftreden en ik kom tot 18 roed.
aftrekken, oftrekke, werkwoord, Aftrekken, in de combinatie ’n kalf oftrekke, een kalf uit de baarmoeder van de koe trekken.
afturven, ofturve, werkwoord, Controleren door (af)tellen.
afvallen, ofvalle, werkwoord, Tegenvallen. Hoewel afvallen = tegenvallen, ook Nederlands is, gebruikt de Westfries vaker ‘ofvalle’ dan ’teugenvalle’. Vgl. Fries ôffalle.
afvaller, ofvalder, zelfstandig naamwoord de, Tegenvaller. Vgl. Fries ôffaller.
afvegen, ofvege, werkwoord, Afvegen, in de zegswijze ’n aâr het er z’n neus niet an of te vegen, een ander hoeft er zich niet aan te ergeren. – Gien mens veegt er z’n neus an of, niemand ergert zich er aan of spreekt er schande van.
afvillen, ofville, werkwoord, Letterlijk afvillen, in de combinatie ’n kalf ofville, een ongeboren kalf in de draagzak of baarmoeder van de koe binnen de huid ontleden en in gedeelten naar buiten brengen en wel zodanig, dat ten laatste de huid met de nog overgebleven delen van de romp uit de baarmoeder kunnen worden getrokken.
afvoeren, ofvoere, werkwoord, Het voeren gedaan maken, het laatste voer geven. | Wul jij de koeie efkes ofvoere?
afvriezen, ofvrieze, werkwoord, Door bevriezing afsterven, verloren gaan. | De vroege piepers benne bai de grond toe ofvroren.
afwaarts aan, offerdán, ovverdán, bijwoord, Buitenwaarts, van je af, naar buiten toe. Eigenlijk een koppeling van afwaard aan. Zegswijze offerdán gaan, heengaan, vertrekken. | Hai gong mit ’n don gat offerdán. – Offerdan ploege, bij het ploegen de aarde naar de zijkant van de akker werken. | Bai de zeumersneed moet je offerdán ploege.
afweer, ofweer, zelfstandig naamwoord ’t, Slecht weer, zodat het werk, een uitstapje e.d. niet door kan gaan.
afwerk, ofwerk, zelfstandig naamwoord ’t, Bezigheid, drukte. | Mit zô’n groot huishouwen hei je ofwerk zat.
afwijkend, ofwóikend, zelfstandig naamwoord ’t, Afwijkende produkten, met name bloemkool. | Ik kreeg voor m’n ofwóikend evegoed nag tachtig sent.
afwinnen, ofwinne, werkwoord, Winnen of verkrijgen ten koste van een ander.
afzachten, ofzachte, werkwoord, Zachter, milder worden (van het weer). | ’t Weer is bai guster puur ofzacht.
afzakken, ofzakke, werkwoord, Ook: 1. In slaap geraken. | Geef ’m maar ’n asperientje, den zel ie wel gauw ofzakke. 2. Afnemen, minder worden. | Zakt de poin al wat of? De wind is puur ofzakt. Vgl. Fries ôfsakje.
afzwelen, ofswêle, werkwoord, Aflopen. Letterlijk afzwelen, afharken. | Hai het de hêle buurt ofsweêld om bollepelders.
agrement, agrementje, zelfstandig naamwoord ’t, Garnering van een japon. Uit Frans agrément.
akelig, akelek, bijvoeglijk naamwoord, Variant van akelig. Vgl. Fries akelik, aeklik.
akelkontakel, akelkontakel, zelfstandig naamwoord mannelijk, Zeeslak (verouderd).
aker, aker, zelfstandig naamwoord de, 1. Eikel (verouderd). 2. Bloesem van de hazelnootboom (verouderd). Zie voor de etymologie → N.E.W. onder aker (2).
aker, aker, zelfstandig naamwoord de, Putemmer(tje). Uit Latijn aquarium. Zegswijze de aker in de bak valle leite, (ongewenst) vader worden.
akkefietje, hakkefietje, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van akkevietje.
akker, akker, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze an ’t end van de akker weze, 1. Bek-af zijn. 2. Afgeleefd zijn. 3. Aan de bevalling toe zijn.
akkerkopje, akkerkoppies, zelfstandig naamwoord meervoud, Oude (beschadigde) kopjes die men gebruikt bij het schaften op de akker.
al, al, bijwoord, Wel. | Ik mien van al. Vgl. Nederlands al dan niet.
al, als, bijwoord, Al. In verbindingen als: als te veul, als te kloin, enz.
al, al, voegwoord, Als, indien. In bijzinnen van tijd of voorwaarde die geen extra nadruk hebben. | Al is ’t twaalf uur, den luidt de klok. Al gaan je over, dan kroig je ’n nuwe fiets. Je kroige gien eten, al kom je te laat.
alaan, al-an, bijwoord, Telkens weer. | Ze is al-an ziek.
aldoor, aldeur, bijwoord, Aldoor, telkens.
alereis, alderes, alders, bijwoord, Al eens. De vorm is te herleiden tot al een reis = al een keer. Zegswijze ’t wordt alder(e)s wat, het kan zo wel toe.
alevenwel, alével, bijwoord, Evenwel, echter (verouderd). De vorm is te herleiden tot al evenwel.
algedurig, allegedurig, algedurig, bijwoord, 1. Aldoor, voortdurend (verouderd). | Hai komt allegedurig te laat. 2. Zo nu en dan, nog al eens (verouderd). | Deer komt allegedurig vreemd volk over de vloer. Vgl. Fries algeduerich.
algelijk, állek, bijwoord, Eigenlijk, ook weer (verouderd). | Hoe hiet ie állek? Het woord komt alleen voor in vraagzinnen. Het is te herleiden tot ‘al gelijk’, oorspronkelijk in de zin van 'geheel en al’. Vgl. Fries allyk.
alhogeren, alhougertjese, werkwoord, Zie alhougertje doen. | We deeë op ’t skoôlploin oftig alhougertjese.
alhogertje, alhougertje, in de zegswijze alhougertje doen, over een touw springen dat na elke geslaagde sprong hoger wordt gehouden.
alignement, allement, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze op ’t allement moete, vooruit moeten, zijn weg moeten vinden. Uit Frans alignement. Vgl. Fries aljemint.
alikruik, alikruk, alikrukkel, zelfstandig naamwoord de, Alikruik.
allang al, allang al, bijwoord, Al lang. | Hai is allang al thuis. Vóór een voorzetsel ontbreekt doorgaans het tweede ‘al’. | Hai is al lang voor toid weggaan. Hai werkt allang bai die baas.
alle, alle, onbepaald telwoord, Ook: elke. | Hai komt hier alle weke. Ik gaan in alle geval mee.
alle twee, alletwei, onbepaald telwoord, Allebei | Julle hewwe alletwei skuld.
alleen, allien, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Alleen, slechts.
alleens, alliens, koppeling van al iens + eveneens, in de zegswijze ’t is moin alliens, het is mij om het even (verouderd).
allegaar, allegaâr, onbepaald telwoord, Allemaal. | Da’s allegaâr van moin. Ze hadde allegaar bar veul skik had. Vgl. Fries allegear(re). Het woord is te herleiden tot ‘al te gader’. Vgl. Engels altogether.
allegaartje, allegaârtje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze er ’n allegaartje van make. 1. Het te bont maken, te veeleisend zijn. | Nou moet je d’r gien allegaârtje van make, je hewwe al twei koekies had. 2. Er de draak mee steken. | Je kenne mit jou nooit gewoon prate, jij make d’r altoid ’n allegaartje van.
allemachtig, allemachies, uitroep. | Allemachies, wat smaakt dat lekker!
allemachtig, allemachtig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: heel erg, buitengewoon. |’t Smaakt allemachtig lekker. Wat is ’t hier ’n allemachtige grôte troep!
allemans, allemans, in de zegswijze op allemans gezicht, zo dat iedereen het ziet of kan zien. | Ik koup niet graag op allemans gezicht.
allemansbruiloft, allemansbrulleft, zelfstandig naamwoord de, Bruiloft voor iedereen, voor mensen van allerlei rang en stand.
allemansmeid, allemansmoidje, zelfstandig naamwoord ’t, Allemansvriendinnetje.
allengs, alléskende, alléskende an, bijwoord, Allengs, langzamerhand, geleidelijk (aan) (verouderd). | D’r kwam alléskende (an) meer volk opperdan. De vorm is waarschijnlijk te herleiden tot ‘allengskens (aan)’.
allenig, alliendig, allienig, bijwoord, Alleen, slechts. | Ik hew allien(d)ig maar zoid, dat ie op toid komme moet. Vgl. Fries allinnich.
allerhand, alsans, bijvoeglijk naamwoord, Allerhand, allerlei, (verouderd). | Je zagge deer alsans peerde. De vorm is te herleiden tot ‘al(s)hands’.
allerhande, alderand, alderhand, in de zegswijze da’s ok alder(h)and mit kip, dat is een raar allegaartje. Alder(h)and en nag gien koek, woordspeling in de zin van: het belangrijkste ontbreekt nog, er zijn nog geen resultaten. – ’t Is ’n alder(h)and zootje, maar ’t ken wel deur m’n goôtje, het is een raar allegaartje, maar ik lust het wel, ik kan het wel gebruiken.
allerlangst, alderlangst, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Allerlangst. Zegswijze op z’n alderlangst lègge, languit liggen, in bed liggen.
allernaarst, aldernaarst, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Allernaarst, allerakeligst, heel erg. | ’t Is aldernaarst koud.
alles, alles, allies, onbepaald telwoord, Ook: in zijn geheel, allemaal. | Je moete die pere alles heêl leite. Zegswijze alles het z’n mee en z’n teugen, alles heeft zijn voor- en nadelen. – Da’s ok niet alles teg’loik, dat is ook geen pretje, dat is ook je ware niet. – Dat geeft ok niet alles teg’loik, dat levert ook niet veel op. – Alles komt t’recht, behalve de verzopen dubbeltjes (of je moete de kasteloinsdochter trouwe), spotreactie op de opmerking, dat alles wel terecht zal komen.
almogend, allemeugendjes, uitroep. | Allemeugendjes, wat is ’t hier donker!
als, as, aas, voegwoord, 1. Als, indien. 2. Zoals; met rekking aas | Aas je ’t den ok maar doene!
als eraan toe, asderantoe, asterantoe, asserantoe, bijwoord, Heel erg; letterlijk als er aan toe. | ’t Is zô koud asderantoe! Vgl. de vormen asserantoe en asterantoe.
alsmaar, allemaar, bijwoord, Alsmaar, steeds. | Loup toch niet allemaar voor m’n biene!
altemetereis, altemetteres, bijwoord, Af en toe eens. | Hai kwam altemetteres efkes om ’n koppie. De vorm is te herleiden tot ‘al te met een reis’.
alteratie, alderasie, zelfstandig naamwoord de, Alteratie, opschudding. Uit Frans altération.
altoos, altoôst, bijwoord, Variant van altoos (verouderd).
alwaardig, aalwerig, alewerig, bijvoeglijk naamwoord, Onhandelbaar, gemelijk (verouderd). Zie WNT op aalwaardig en Mnl. Wdb. op aelwerich.
alweer, alweer, bijwoord, 1. Ook weer. | Wat wou ik alweer zegge? 2. Alreeds. | Z’n jongste zeun is ok alweer trouwd.
alweer aan, alwéér-an, uitroep in de zin van: zo zie je maar weer. | Nou, alwéér-an, hai ken ’t gewoon niet leite!
amai, semaaie, uitroep in de zin van: lieve help. | O semaaie, wat kroige we nou!
amandelbroodje, amandelbroôdje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n amandelbroôdje mit kroôs, schertsend voor een loempia.
amerij, ameroitje, ameri, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze in ’n ameroitje, in een oogwenk (verouderd). | We wazze in ’n ameroitje weer verom. Het woord is een verbastering van ‘Ave Maria(tje)’, d.w.z. een weesgegroetje. Hier met de bedoeling: in de tijd die nodig is om een Ave Maria(tje) te bidden. Vgl. Fries amerij.
ander, aâr, samentrekking van ander | Vraag ’t maar an ’n aâr. – Dat komt de âre week wel. Vgl. Fries oar. aâr...over, na de volgende. | De âre week over begint de kermis.
anderhalf, aâref, aârlef, samentrekking van anderhalf. Zegswijze ’t is net aâr(l)eve sent, gezegd van een (echt)paar dat zeer ongelijk van lengte is. – Aâr(l)eve sent en ’n vuurstien hewwe, straatarm zijn.
anderhalfhoofd, aârefhoufd, aârlefhoufd, in de zegswijze ’n aâr(l)efhoufd, (iemand met) een zeer groot hoofd, dik hoofd.
andermans, andermans, in de zegswijze andermans mallighoid koupe, tweedehands rommel kopen.
anders, aârs, samentrekking van anders. | Weet je niks aârs? – Hai weet er aârs niet veul van of. Vgl. Fries oars. Zegswijze aârs as aârs weze, niet in zijn gewone doen zijn. – D’r aârs nach aârs van worre, er doodkalm of onverschillig onder blijven. – Altoid wat aârs of aârs hewwe, altijd iets bijzonders hebben.
andersom, aârsom, samentrekking van andersom. Vgl. Fries oarsom. Zegswijze de boel aârsom gooie, een miskraam hebben. – ’t Is net aârsom, het is het tegengestelde. – De wiele aârsom gooie, de zaak anders, beter aanpakken.
andertje, aârtje, zelfstandig naamwoord ’t, Ander dingetje | Je moete ’t verruile teugen ’n aartje.
anker, anker, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze an ’n gouwen anker lègge, rijk getrouwd zijn (slechts weinig bewegingsvrijheid hebben).
antoniushoofd, antoniushoofd, zelfstandig naamwoord ’t, Hoofd dat alleen aan de zijkanten nog haar heeft. Eigenlijk hoofd zoals dat van een beeld van de H. Antonius.
apart, ampart, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Apart. 2. Vreemd, zonderling. | Ik vind ’t maar ’n ampart moidje. Hai doet de leste toid zô ampart.
aparteling, amparteling, zelfstandig naamwoord de, Rare sinjeur, zonderling.
apartigheid, ampartighoidjes, zelfstandig naamwoord meervoud, 1. ongewone, bijzondere dingen. 2. Rare streken of kuren. | Hai het altoid van die ampartighoidjes as ie ’n borreltje op het.
apartje, ampartje, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Een bijzonder, zonderling persoontje. 2. Een afspraakje, een tête-a-tête. | Ik zou mit heur welders ’n ampartje hewwe wulle, maar ze is al verkocht.
apekool, apekoôl, zelfstandig naamwoord de, Schelvis van slechte kwaliteit die daarom gerookt werd (verouderd).
apotheek, apteek, zelfstandig naamwoord de, Apotheek.
appel, appele, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze wie appele vaart, zel appele ete, wie werkt, dient er voor beloond te worden of zal er voor beloond worden.
appelleren, abbelére, werkwoord, Appelleren, tegensputteren. Zie ook teugenabbelére. Vgl. Fries abbelearje.
appelpent, appelepent, zelfstandig naamwoord de, Appelpap of -moes. Zegswijze da’s gien appelepent, dat is geen kleinigheid, geen pretje.
appelsien, appelesien, zelfstandig naamwoord de, Appelsien, sinaasappel.
ar, nar, zelfstandig naamwoord de, Ar, arreslede. Nar is de oorspronkelijke vorm. De slede is genoemd naar de narrenbelletjes aan het paardetuig. Doordat men meende dat nar ontstaan was uit den of ’n ar, kreeg de huidige vorm burgerrecht.
arbeider, arrebaaier, zelfstandig naamwoord de, Arbeider.
arbeiderspraat, arrebaaierspraat, zelfstandig naamwoord de, Opmerkingen of gesprekken die men typerend acht voor de mentaliteit van arbeiders.
arendjes, arendjes, bijvoeglijk naamwoord, Nijdig, kwaad (verouderd). Het woord werd opgegeven door de heer Barten te Noord-Scharwoude.
arensnijder, aresnaaier, zelfstandig naamwoord de, Arensnijder, klein zichtje waarmee men de korenaren afsneed.
argumenteren, argewere, werkwoord, Argumenteren.
ark, ark, zelfstandig naamwoord de, Ook: afdak, aanbouwtje, hooiberg (verouderd). Uit Latijn arca = kist, kast.
arm, arm, erm, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze zô arm as de luize (as de miere, as ’n rot), straatarm, – As ’n arm mens es ’n lekker koppie het, dondert de koffiepot om, het lijkt wel of een arm mens geen geluk mag hebben. Verouderde vorm erm.
arm, arme, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze mit de arme over de darme zitte, luieren, nietsnutten. | Je denke toch niet dat ie werk zoekt?! Hai zit liever mit de arme over de darme.
arme, arme, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze van de arme onderhouwen worre, armlastig zijn, onderhouden worden door een instelling voor armenzorg.
armelui, armelui’s, in de zegswijze armelui’s pankoek en roikelui’s ziekte stinke ve(e)r, als armelui boven hun stand leven (bv. door het eten van pannekoek) en rijkelui met ziekte of tegenslag te kampen krijgen, wordt daar weldra resp. afkeurend of met leedvermaak over gesproken.
armeluislijf, armeluisloif, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n armeluisloif hewwe, blij zijn met elk gedragen kledingstuk dat altijd past.
armemensenpraat, armemensepraat, zelfstandig naamwoord de, Opmerkingen of gesprekken die men typerend acht voor de mentaliteit van arme mensen.
armen, erme, werkwoord, Jammeren, weeklagen.
armenbank, armebanke, zelfstandig naamwoord meervoud, Banken achter in de kerk waarvoor men geen plaatsgeld hoefde te betalen (verouderd).
armenbouw, armebouw, zelfstandig naamwoord de, Perceel bouwland dat (door de kerk) gratis of tegen een geringe huurprijs beschikbaar werd gesteld aan een arm gezin (verouderd).
armenieren, armeniere, werkwoord, Schertswoord dat aangeeft, dat men maar heel povertjes kan rentenieren en eigenlijk armlastig is.
armenkas, armekas, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze van de armekas trekke, armlastig zijn, financiële (of andere) bijstand ontvangen van een instelling voor armenzorg.
armenturf, armeturf, zelfstandig naamwoord de, Turf die gratis of zeer goedkoop aan de armen werd verstrekt (verouderd). Zegswijze armzalig as ’n zak armeturf, zeer armzalig of armoedig. – D’r bai zitte as ’n zak armeturf, er lamlendig bijzitten. – Verbeêlding hewwe as ’n zak armeturf, veel verbeelding hebben, terwijl daartoe geen enkele aanleiding bestaat.
armoede, arremoed, erremoed, zelfstandig naamwoord de, 1. Armoede. 2. Verdriet, hinder, zorg. Zegswijze ’n aâr z’n arremoed koupe, tweedehands rommel kopen, – Leit de arremoed de pest maar kroige, laten we het er nog maar eens goed van nemen, – Alle arremoed went, zelfs aan armoede en gebrek kan men wennen. – Erges arremoed over hewwe, ergens zorgen over hebben. – Erges arremoed van hewwe, ergens hinder van ondervinden. – Arremoed op stal, arremoed overal, wie te weinig koeien op stal heeft, krijgt te weinig melk, te weinig mest enz., kan dus moeilijk rondkomen. – De arremoed houdt je gnappies, de armoede houdt je fatsoenlijk. – De arremoed de voordeur in, de liefde de achterdeur uit, armoede leidt gemakkelijk tot ruzie, tot het verkoelen of verbreken van relaties. Veroudere vorm erremoed.
armpjedoor, armpie-deur, gearmd. | Die twei loupe altoid armpie-deur.
arootje spelen, arootjese, werkwoord, Schuilhokje spelen (verouderd). Mogelijk schuilt in dit woord Engels on road = op weg, vooruit, weg wezen! In de kindertaal zou dan on road (uitgesproken als aroot) verkleind zijn tot arootje. Achter deze verkleinvorm kwam het achtervoegsel -se, waarmee men in het Westfries allerlei werkwoord kan vormen, dus: arootje -se. Vgl. o.a. peerdje -se, paardje spelen; skoôltje -se, schooltje spelen; skuilhonkie -se, schuilhokje spelen.
arrejakkes, arrejakkig, bastaardvloek. Een van de vele vloeken waaraan de vorm ‘Here Jezus’ ten grondslag ligt.
arren, narre, werkwoord, Variant van arren, met de arreslede rijden.
as, ask, zelfstandig naamwoord de, Verouderde vorm van as (van een sigaar, van kolen enz).
asje, assie, schertsend voor een aanstaande moeder; eigenlijk verkleinvorm van a.s., uitgesproken als ‘as’.
asje, assie, asjeblieft.
asjedankje, assiedankie, zelfstandig naamwoord ’t, Bedankje. Samentrekking van assie = asjeblieft en dankie = dank je. | D’r kon gieniensen ’n assiedankie van of.
askuil, askuil, zelfstandig naamwoord de, Kuil op het achtererf (bij de slootkant), dienend als stortplaats voor as en afval.
asla, aslaad, zelfstandig naamwoord de, Aslade.
assigheid, askighoid, zelfstandig naamwoord de, Asrommel (verouderd). | Veeg die askighoid es van je broek.
astrant, asterant, astrant, asserant, bijvoeglijk naamwoord, Astrant, brutaal, zelfverzekerd.
asvarken, asvarken, zelfstandig naamwoord de/’t, Asveger, stoffer (verouderd).
avanceren, avesére, werkwoord, Avanceren, vooruitgaan, opschieten. Zegswijze ’t aveseert as ’n luis op ’n teerde prezénning, het schiet geen bliksem op. Letterlijk als een luis op een geteerd dekzeil.
avond, seives, bijwoord, ’s Avonds.
avond, eivend, zelfstandig naamwoord de, Avond.
avond, eives, bijwoord, Dialectische variant van ’s avonds.
avondeten, eivendeten, zelfstandig naamwoord ’t, Avondeten, voorheen ook: avondbroodmaaltijd. De ouderwetse dagindeling voor het gebruik der maaltijden of voor het schaften was vaak als volgt: 1. Stik-ete, enkele boterhammen eten na het opstaan. 2. Stik-ete, koppiestoid, konkeltoid of halfelfiestoid, enkele boterhammen eten en koffie drinken tijdens de schaft om ± half elf. 3. Middagete, warmete, warme maaltijd om ± 12 uur. 4. Stik-ete, skofttoid, halfzessiestoid, enkele boterhammen eten en koffiedrinken tijdens de namiddagschaft om ± half zes. 5. Stik-ete, eivendeten, avondbroodmaaltijd om ± 8 uur. Men bedenke, dat deze tijden en benamingen varieerden al naar gelang het seizoen, de drukte van het werk, de aard van het bedrijf (boer of tuinder) en de streek. Een zomerdag van een tuinder verliep vaak als volgt: 1. Stik-ete of broôd-ete, na het opstaan (± 5 uur). 2. Konkeltoid of koppiestoid om ± 9 uur. 3. Skofttoid, stik-ete of broôd-ete om ± 12 uur. 4. Koppiestoid om ± 15.00 uur. 5. Warm-ete om ± 18.00 uur.
avondkerk, eivendkerk, zelfstandig naamwoord de, Avondkerkdienst.
avondmaal, eivendmeil, zelfstandig naamwoord ’t, Hoeveelheid melk die een koe, schaap of geit in de vroege avond geeft.
avondschone, eivendskône, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze ze hoort bai de eivendskône, ze is niet bepaald knap, zeker niet bij daglicht.
azeling, eizeling, ezeling, zelfstandig naamwoord de, Afgestoken of afgescheiden deel van een hooiberg of –klamp, veelal een vierde gedeelte of minder. Het woord behoort bij eis = aas en eize = azen, voedsel zoeken.
azeltje, eizeltje, ezeltje, zelfstandig naamwoord ’t, in de combinatie ’n eizeltje roggebroôd, een vierde gedeelte van een roggebrood (Zuidermeer). Het woord hoort bij eis = aas en eize = azen, voedsel zoeken.
azen, eize, werkwoord, Azen, voedsel zoeken.
azig, eizig,  neizerig, bijvoeglijk naamwoord, Graag azend, hongerig, begerig.
azig, neizig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Flauw van de honger. 2. Ziekelijk, bleek. 3. Loom, traag. Het woord is evenals eizig = azig, hongerig, een afleiding van eis = aas, voedsel.
baadje, baaitje, zelfstandig naamwoord ’t, Baaien hemd, borstrok (verouderd).
baaivanger, baaievanger, zelfstandig naamwoord de, Figuurlijk voor kwaadaardig manwijf.
baak, baken, zelfstandig naamwoord de/’t, 1. Varken (verouderd). Vgl. Middelnederlands bake = (geslacht) varken of zij spek. Vgl. Engels bacon. 2. Kwajongen. | Zukke bake(n)s, ze verrinnewére de hêle boel.
baak, baak, zelfstandig naamwoord de, Dikke, tweetandige, houten vork, verbonden met het hijstouw, gebruikt bij het bergen van hooi (verouderd).
baan, baan, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Gebaand pad. 2. Perceel met een bepaald gewas. | Hai het ’n beste baan tulpe. Verkleinvorm baantje, in de zegswijze z’n baantje skoônprate, zijn baantje schoonvegen, de schuld van zich afschuiven.
baanderen, baandere, werkwoord, 1. Met grote passen lopen. 2. Hard werken.
baard, beerd, zelfstandig naamwoord de, 1. Baard. 2. Kafnaald van gerst.
baarden, beerdjese, werkwoord, Spelletje van vader en kind, waarbij de vader met zijn bebaarde wangen over het kindergezichtje strijkt. | Pa, doene we nag effies beerdjese?
baarden, beerte, werkwoord, 1. De baard scheren. | Ik most m’n nag maar efkes beerte voor ik te kerk gaan. 2. Het teveel uitspruiten van plant- of pootgoed, zodat het aaneen gaat klitten. | Deur al die nattighoid op de bouw stane de pôters veuls te lang in de bakke. Ze beginnen al zô te beerten, dat je ze gieniensen meer mit de mesiene bouwe kenne.
baars, beers, zelfstandig naamwoord de, Baars (vis). Verkleinvorm beersie, in de zegswijze ’n beersie uitgooie om ’n skellevis te vangen, een spiering uitgooien om een kabeljauw te vangen.
baarzen, beerze, werkwoord, Op baars vissen.
baas, baas, zelfstandig naamwoord de, Ook: heer des huizes. | Is de baas nag thuis? Zegswijze de baas van ’t spul, de baas, de leider. – Z’n oigen baas weze, eigen baas zijn, zelfstandig zijn.
baasknecht, baasknécht, zelfstandig naamwoord de, Meesterknecht.
babbel, babbel, zelfstandig naamwoord de, Zie babbelaar.
babbelaar, babbelaar, zelfstandig naamwoord de, Snoepgoed, zuurtje (verouderd).
babbelbus, babbelebus, zelfstandig naamwoord de, Bus(je) voor het bewaren van babbels of zuurtjes (verouderd).
bacil, baksille, zelfstandig naamwoord meervoud, Bacillen.
badderen, baddere, werkwoord, Baden, een bad nemen.
badding, batting, badding, zelfstandig naamwoord de, Zware plank, balk.
bag, bagge, zelfstandig naamwoord meervoud, 1. Oorbellen, sieraden, (verouderd), ook bag; vgl. Middelnederlands bagge. Verkleinvorm baggie. 2. De twee uitwassen aan de nek van het Hollandse varken (verouderd). 3. Bloemen van de fuchsia (verouderd).
bah, bah, in de zegswijze ’t bah weze, het zat zijn. | Ik ben ’t goed bah. – D’r bah van weze, er vies van zijn, het niet lusten.
bak, bak, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Kopje. 2. Schoteltje, o.a. in de combinatie kom (kop) en bak(kie). 3. Etensbak of –schotel. 4. Regenbak. Zegswijze an de bak kenne, kunnen beginnen met eten of met iets anders. | Ik hew honger, kenne we al an de bak? Azze waai uitspeuld benne, kenne julle an de bak. – An de bak komme, aan tafel komen om te eten. | Komme julle an de bak, joôs? – An de bak moete, aan het werk moeten. | We moste baitaaie ok seives nag an de bak.
bakbokking, bakbokkem, zelfstandig naamwoord de, Bakbokking.
baken, békem, béken, zelfstandig naamwoord ’t, Brandende hoop stro, stoppels, takken e.d. Het woord is een dialectische variant van baken. (Vgl. een vuurbaken).
bakenen, békeme, békene, werkwoord, 1. Stro, stoppels e.d. op de akker verbranden. 2. Een vreugdevuur ontsteken op de avond van koninginnedag (verouderd).
baker, baker,  baakster, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de baker het er gien skuld an, hij of zij is niet in de wieg gesmoord. Variant baakster. Vgl. Fries baekster.
bakken, bakke, werkwoord, Bakken. Dit werkwoord en de samenstellingen daarmee hebben in het Westfries vaak een zwak voltooid deelwoord | Ik hew altoid zelf brood bakt. Ik hew de eerappele maar opbakt. Zegswijze te bakken nach te breiden weze, onhandelbaar zijn, niet voor rede vatbaar zijn. – De boel bakke lette, de boel verwaarlozen, in de steek laten.
bakker, bakker, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze beter an de bakker as an de meister, je kunt je geld beter uitgeven aan de bakker dan aan de heelmeester, de dokter. – De bakker bedankt hewwe, overleden zijn. – Deer is de bakker deurheen kropen, gezegd van een brood vol gaten. – Deer het de bakker z’n woif deurheen joegen, zie de vorige zegswijze
bakker, bakkertje, in de zegswijze ’n bakkertje mit ’n pluimpie, soort jongensmuts (verouderd).
bakwagen, bakwagen, zelfstandig naamwoord de, Boerenwagen bestaande uit een grote houten bak op vier wielen.
bal, bal, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de bal nag eres anslaan, het er nog eens goed van nemen, de bloemetjes buiten zetten. De zegswijze is waarschijnlijk ontleend aan het aanslaan van een vat bier. De bal was een rubberen bal waarmee de pomp werd vastgezet. De suggestie dat ‘de bal aanslaan’ duidt op het maken van de eerste slag bij het kolfspel, lijkt mij minder aannemelijk. Meervoud balle, in de zegswijze en de balle, biljartterm die aangeeft dat de ballen in gunstige positie liggen. – De balle! tabee. | Nou, de balle, ’oor!
bal, balle, werkwoord, Een bal- of dansavond bezoeken. | De moide benne te ballen nei Blokker.
bal, bals, bal, bijvoeglijk naamwoord, 1. Boos, driftig (verouderd). 2. Bang, schuw, vooral gezegd van vogels die niet meer op een door mensenhanden aangeraakt nest durven terugkeren (verouderd).
baldadelijk, bedeikelek, bedeidelig, bijvoeglijk naamwoord, Onzedelijk, bandeloos (verouderd). Het woord is te herleiden tot ‘baldadelijk’, een verouderde vorm van baldadig.
baleinenbezem, beloinebézem, zelfstandig naamwoord de, Baleinen bezem.
balgen, balge, werkwoord, Onmatig eten, zwelgen (verouderd). Eigenlijk uitzetten als een balg.
balie, balie, zelfstandig naamwoord de, Kleine houten tobbe of kuip. Zie ook: pekelbalie.
baljaren, baljare, werkwoord, Tieren, te keer gaan. Uit Spaans bailar, Italiaans ballare = dansen.
balk, balk, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze an de balk jage, publiek verkopen. De zegswijze herinnert aan de gewoonte de ‘verkopingsbrief’ aan een balk in de herberg te bevestigen. – An de balk staan, schulden hebben. Voorheen werden de verteringsschulden soms met een krijtje op een balk in de herberg aangetekend. – Dat mag wel an de balk, dat mag wel in de krant, daar hoor ik van op.
balken, balke, werkwoord, Ook: 1. Loeien (van koeien). 2. Schreeuwen, luid zingen.
ballastschop, ballingskop, zelfstandig naamwoord de, Ballastschop.
balorig, belóórd, bijvoeglijk naamwoord, 1. Balorig, chagrijnig. | Wat koik je toch belóórd. 2. Overstuur, radeloos. | Je zouwe d’r belóórd van worre asse ze je hêle huis leegroufd hewwe.
balsturig, balstuterig, bijvoeglijk naamwoord, Balsturig, moeilijk te besturen, ongezeglijk. | ’t Is ’n balstuterig peerd. De vorm ‘balstuterig’ is verouderd.
band, band, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze van de band broken, uitgelaten, door het dolle heen. Meervoud bande. Ook: de beide spieren aan weerszijden van de staartwervel van een koe.
bandeloos, bandeloos, zie slapbandig.
bang, bang, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze voor ’n bang gezicht, voor een bagatel, een kleinigheid. | Je make je al drok voor ’n bang gezicht. Zô bang as ’n weesie, zo bang als een wezeltje, erg bang. – Zô bang as ’n wicht, doodsbang.
bangig, bangig, bijvoeglijk naamwoord, Bangelijk. Vgl. Fries bangich.
bangschijter, bangeskoiter, bangeskoiterd, zelfstandig naamwoord de, Bangerd, lafaard.
banjer, banjer, zelfstandig naamwoord de, 1. Opschepper. 2. Moedig persoon. 3. Wilde rakker. 4. Pierewaaier. Het woord kan een samentrekking zijn van banjerheer = banierheer. Een andere opvatting is, dat banjer ontstaan zou zijn uit Maleis banjak = veel.
banjeren, banjere, werkwoord, 1. Met grote stappen lopen. 2. Ravotten. 3. Er op los leven, pierewaaien.
bank, bank, zelfstandig naamwoord de, 1. Streep van wolken aan de horizon. 2. (Zit)bank, in de zegswijze deur ’n bank, door de bank, over het algemeen. – In de bank gaan, op de zogenaamde vrijersbank plaatsnemen (verouderd). Voor paartjes die samen kermis vierden, werden voorheen in de herberg speciale banken neergezet.
bankig, bankig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Onregelmatig, bij bosjes verspreid. | ’t Gras komt bankig op. 2. Vlekkerig. | Je hewwe je gezicht bankig opmaakt.
bapje, bapje, zelfstandig naamwoord ’t, Slabbetje (verouderd).
bar, bar, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: 1. Onvruchtbaar, dor (verouderd). | ’t Is bar land. 2. Haveloos, kaal, versleten. | Die jas wordt puur bar. ’t Is ’n barre jas. Zegswijze bar en boôs, heel erg.
barbaars, barrebaars, bijwoord, 1. Barbaars. 2. Heel erg, zeer veel. | ’t Is barrebaars koud. We hewwe ’n barrebaarse skik had.
barbier, barrebier, zelfstandig naamwoord de, Barbier, Kapper.
barboks, barreboks, zelfstandig naamwoord de, Barbier, kapper (verouderd).
Barend, Berend, zelfstandig naamwoord, Barend, mannennaam.
barg, barg, zelfstandig naamwoord de, Gesneden beer of big. Vgl. Fries baerch.
barouchet, barrezét, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse grote duwslee. Uit Frans barouchet.
barrel, barrel, zelfstandig naamwoord de/’t, 1. Minderwaardig mens, dier of ding; uitschot. | ’t Is ’n barrel van ’n vent. Hoe kè je nou zó’n barrel koupe! 2. Afleiding van het werkwoord barrele, in de zegswijze an de barrel weze, aan de zwier zijn, losbandig leven. Meervoud barrele, in de zegswijze an barrele, in stukken, finaal kapot. | Hai het alles an barrele sloegen.
barrelen, barrele, werkwoord, Losbandig leven, pierewaaien.
barrelscheet, barreleskeet, in de zegswijze an de barreleskeet weze, aan de diarree zijn, dun schijten (verouderd).
Barsingerhorn, Barregórre, zelfstandig naamwoord, Dialectische uitspraak van Barsingerhorn.
barsten, barste, werkwoord, Barsten. De vervoeging is: barste – borst – borsten.
bascule, beskúúl, zelfstandig naamwoord de, Bascule.
bast, barst, zelfstandig naamwoord de, Bast, lichaam. | M’n hele barst doet zeer. Verkleinvorm: barsie. | Hai liep in z’n blôte barsie.
bastjansen, barstjansen, in de zegswijze op z’n barstjansen kroige, op zijn bast, op zijn duvel krijgen (verouderd).
Batavier, battevier, zelfstandig naamwoord de, 1. Harde, ruwe kerel; letterlijk batavier. 2. Iemand die graag en uitbundig feest viert, pierewaaier.
batavieren, batteviere, werkwoord, Uitbundig feest vieren, pierewaaien.
batter, batter, zie batteraar.
batteraar, batteraar, zelfstandig naamwoord de, Iemand die weer en wind trotseert. Levenslustig kind dat altijd speelt, in plassen slaat of trapt en zich smerig maakt.
batteren, battere, baddere, werkwoord, 1. Weer en wind trotseren. Door sneeuw, modder, plassen e.d. lopen of hollen. 2. Jakkeren, met onnodige drukte te werk gaan. Mogelijk uit Frans battre.
bebekt, bebekt, bijvoeglijk naamwoord, Variant van gebekt. | Ze is goed bebekt.
bebibberen, bebubbere, werkwoord, in de zegswijze ’t niet bebubbere kenne, niet uitgebibberd kunnen raken van kou, schrik of angst.
beboeren, beboere, werkwoord, Voor veeteelt, gras- of hooibouw gebruiken.
becalangeren, bekalanzére, werkwoord, Bekeuren. Contaminatie van bekeuren en kalanzére. Uit Frans calenger.
bed, bed, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze te bed lègge, 1. in bed liggen | Hai loit al ’n uur te bed. 2. naar bed brengen. | Wul jij de kloine joôs efkes te bed lègge? – Uit bed klappe, bedgeheimen, intimiteiten verklappen. – Dat bed zei ik wel skudde, dat zaakje zal ik wel regelen, opknappen. – ’n Besleipen bed vinden, zijn bedje gespreid vinden, – Ze moet in bed, ze moet weldra bevallen. – Van bed of, na het opstaan. | Ik begin van bed of eerst te broôdsnaaien. – De moide van bed hale, oud kermisgebruik, waarbij een jongeman het meisje met wie hij kermis vierde, ’s morgens van bed kwam halen, hetgeen met veel gestoei en gelach gepaard ging.
bedaan, bedein, bijvoeglijk naamwoord, Gedaan, aan kant. | De hêle was is al bedein.
bedaard, bedeerd, bijvoeglijk naamwoord, Vermoeid (verouderd). | Ik kroig er bedeerde ouge van.
bedankje, bedankies, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze breng je bedankies maar op ’t kerkhof, ik heb je bedankjes niet nodig.
bedaren, bedare, werkwoord, Ook: belanden, terechtkomen. | Hai bedaarde mit z’n auto te water. Weet jij weer m’n pet bedaard is? Vgl. Fries beda(e)rje.
beddenbord, besbordje, bedsbordje, bebbordje, zelfstandig naamwoord ’t, Plank in de bedstee waarop van alles werd neergezet, o.a. de po en medicijnen.
beddenlaning, beddelanings, beddelanes, zelfstandig naamwoord meervoud, Planken waarop de matras rust.
beddenpisser, beddepisser, zelfstandig naamwoord de, 1. Pissebed, keldermot. 2. Voorheen als scheldnaam voor een boerenmeid (te Andijk).
beddenplank, bedsplank, besplank, beddeplank, zelfstandig naamwoord de, Beddeplank. Zegswijze ’t is bai de be(d)splank of, gezegd wanneer precies negen maanden na de trouwdag der ouders een kind wordt geboren. – ’t Is er ien van de be(d)splank, zie de vorige zegswijze
beddenschoonmakersdag, bedskòmmakersdag, zelfstandig naamwoord de, Dag waarop de bedden van schoon beddegoed worden voorzien.
beddenschuif, beddeskuif, zelfstandig naamwoord de, Schuif onder de beddeplank, o.a. gebruikt als opstapje (verouderd).
beddenstok, beddestok, zelfstandig naamwoord de, Stok waarmee men de dekens op hun plaats deed, met name van een hoog bed (in de bedstee) (verouderd).
beddentijk, beddeteek, zelfstandig naamwoord de, Beddetijk.
bedderig, bedderig, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze bedderig weze. 1. bedlegerig zijn. 2. Graag lang in bed liggen of vroeg naar bed gaan.
bedekt, bedekt, in de zegswijze bedekt worre, begraven worden (verouderd).
bedelaar, bedelaar, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze van arremoed gaat de bedelaar kant, ironisch gezegd van lieden die klagen van weelde. Letterlijk van armoe gaat de bedelaar netjes gekleed. – Alles hewwe wat ’n bedelaar toekomt, van alles voldoende hebben, tevreden zijn met wat men heeft. – De jongste bedelaar moet de kurf dreige, de jongste, de nieuweling in een gezelschap draait voor het zwaarste of minst prettige werk op.
bedelaarsbek, bedelaarsbekkie, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n bedelaarsbekkie hewwe, alles lusten, totaal niet kieskeurig zijn met eten.
bedelaarsdeken, bedelaarsdeken, zelfstandig naamwoord de, Lappendeken.
bedelaarsgezicht, bedelaarsgezicht, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n bedelaarsgezicht hewwe, een gezicht hebben dat past bij de meest verscheiden drachten of hoofddeksels.
bedelaarskoffie, bedelaarskoffie, zelfstandig naamwoord de, Oude, weer opgewarmde koffie met veel melk, soms ook gemengd met stroop.
bedelaarskopje, bedelaarskoppie, zelfstandig naamwoord ’t, Kopje ‘bedelaarskoffie’.
bedelaarslijf, bedelaarsloif, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n bedelaarsloif hewwe, gezegd van iemand die elk gedragen kledingstuk kan gebruiken.
bedelaarsmaag, bedelaarsmaag, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n bedelaarsmaag hewwe, alles lusten, totaal niet kieskeurig zijn met eten.
bedelaartje, bedelaartje, zelfstandig naamwoord ’t, Zie bedelaarskoppie.
bedenk, bedenk, in de zegswijze in gien bedenk, onder geen beding. | Je komme veneivend in gien bedenk de deur uit. De oorsp. zegswijze luidde, in gien beding = onder geen beding.
bederfelijk, bederfelek, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie bederfelek weer, broeierig, nat en warm weer, waardoor o.a. etenswaren snel bederven.
bederven, bederve, sterk werkwoord, Bederven. De vervoeging luidt: bederve – bedorf/bedurf/bedierf – bedurven.
bedevaart, bedevaart, in de combinatie te bedevaart, ter bedevaart.
bediepen, bediepe, werkwoord, De diepte bepalen; opdiepen. Zegswijze ’t niet bediepe kenne, het niet kunnen opbrengen, betalen.
bedijen, bedaaie, werkwoord, Slagen, gelukken. Letterlijk bedijen. Vgl. daaie.
beding, bedengst, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze in gien bedengst, onder geen beding. Vgl. Fries bitingst. Mogelijk konden de vormen bedenk en bedengst ontstaan onder invloed van de zegswijze geen denken aan.
bedjedeken, bedjedeken, in de zegswijze nei bedjedeken gaan, naar bed gaan.
bedjeveer, bedjeveer, schertsend voor veren bedje, in de zegswijze bedjeveer roept, het is bedtijd (gezegd tegen kleine kinderen, maar ook tussen volwassenen).
bedoen, bedoen, werkwoord, in de zegswijze ’t niet bedoen kenne, het niet afkunnen. – Z’n oigen bedoen kenne, zichzelf kunnen redden of bedruipen.
bedoening, bedoening, zelfstandig naamwoord de, Bedrijf, boerderij. Zegswijze ’n leuke bedoening, een raar gedoe; een vreemd huishouden.
bedompt, bedompen, bijvoeglijk naamwoord, Bedompt, muf. | Wat ’n bedompen kelder.
bedreutelen, bedreutele, werkwoord, in de zegswijze ’t niet bedreutele kenne, het niet af kunnen, het niet kunnen bijbenen. Letterlijk het niet kunnen bedrentelen.
bedrijf, bedroive, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze deur al die bedroive, door al die drukte, door dat alles. | Wai zitte deur al die bedroive nou mit de gebakken pere. – Onder de bedroive, ondertussen. | Ik most onder de bedroive ok nag de joôs nei skoôl brenge.
bedrijten, bedritte, werkwoord, Bedrijten, beschijten, bevuilen. Zegswijze z’n oigen niet bedritte leite, niet met zich laten sollen, zich niet laten beledigen of belasteren.
bedrog, bedrog, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t groôste bedrog is later, de toekomst ontwikkelt zich doorgaans heel anders dan men wenst of verwacht.
bedschudden, bedskudde, werkwoord, De matras opschudden (en het bed opmaken). Zegswijze te bedskudden gaan, een (echtelijke) ruzie gaan bijleggen.
bedstee, bedstee, zelfstandig naamwoord de, Bedstee. Meervoud bedstees, bedsteeë.
Beemster, Biemster, zelfstandig naamwoord de, Beemster (droogmakerij). Zegswijze je koike bai jou in ’t hol van de Biemster, gezegd als een meisje of vrouw zodanig zit, dat men haar in het kruis kijkt. – In de Biemster is ók ’n Middenweg, woordspeling als reactie op iemands opmerking een middenweg te willen kiezen.
been, bien, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Been. 2. Voet. 3. Visgraat. Zegswijze An je bien, verkocht, je zit er aan vast. – Ze het ’n bien broken, afwimpelende reactie op de vraag van kinderen wat hun moeder mankeert, wanneer deze het bed moet houden, omdat ze op het punt staat te bevallen. – Ze het ’n spoiker in d’r bien, zie de vorige zegswijze – Z’n bien (poôt) stoif houwe, niet toegeven, koppig zijn of blijven. – ’t Bien is stik tussen die twei, die twee hebben ruzie. – Da’s teugen ’t zere bien, dat is een opmerking of handelwijze die pijnlijk aankomt. Meervoud biene. Zegswijze deer zitte de biene vast, dat is nu net het probleem. – Deer benne de biene zeer. 1. Daar schuilt het probleem. 2. Daar hebben ze ruzie. – Mit de biene in ’t géren zitte, (door eigen schuld) in een lastig parket zitten. – Mit twei biene in ien kous (sok) zitte, voor een moeilijke keus of beslissing staan. Vgl. Fries mit twa fuotten yn ien hoas. – Van de biene (sokke) slaan. 1. (Gulzig) opeten en –drinken. 2. Overhoop halen, omvergooien. – Z’n biene benne nag maar nét koud, hij is nog maar net overleden. – Kouwe biene hewwe. 1. Traag, lui zijn. 2. Zuinig of gierig zijn. – Slappe biene hewwe. 1. Besluiteloos zijn. 2. Dronken zijn. – Op blôte biene, op blote voeten. – Mit de biene van huis lègge (zitte), met uitgestrekte benen liggen (zitten). – Dat zel wel in de biene zakke, dat zal wel niet doorgaan, dat zal zo’n vaart niet lopen. – Je biene benne nag niet bai je gat of, je kunt nog wel verder lopen, doorwerken, je houdt het nog wel een tijdje vol. – De biene te woid zette, teveel hooi op zijn vork nemen, teveel uitgeven of teveel financieel risico nemen. – De molen loupt op blôte biene, de molen draait zonder zeilen. – Je hewwe nag jonge biene, je bent nog jong, loop dus maar. – ’t Wild in de biene hewwe. 1. Losbandig, uitgelaten zijn. 2. Gejaagd zijn, begerig zijn om te beginnen of vertrekken. – De biene weer onder ’t gat neme, weer opstappen, vertrekken. – De biene weer onder ’t gat hewwe. 1. Hersteld zijn van een ziekte. 2. Er financieel weer boven op zijn. – Op z’n leste biene loupe. 1. Er lichamelijk slecht aan toe zijn, afgeleefd zijn. 2. Bijna failliet zijn. – Loup niet zô om m’n biene, loop me niet zo voor de voeten. – Da’s biene wasse mit je sokke (kouse) an, dat is nutteloos werk.
beendroog, biendroug, bijvoeglijk naamwoord, Door en door droog, kurkdroog.
beenophipper, bien-ophipper, bien-opwupper, bienepepper, zelfstandig naamwoord de, 1. Mager, langbenig, dartel persoon. 2. Bakvis. 3. Kale pronker.
beentje, bientje, zelfstandig naamwoord ’t, Beentje, voetje, graatje. Zegswijze ’n bientje in ’t neuske hewwe, nuffig, verwaand, zelfverzekerd zijn.
beentje strengelen, bientje strengele, werkwoord, Stoeipartijtje waarbij men tracht elkaar beentje te lichten.
beentje-over, bientje-over, zie over-bientje.
beer, beer, zelfstandig naamwoord de, 1. Mannelijk varken. 2. Beer. Zegswijze (moeder), de beer is los, gezegd van iemand die kwaad wordt of het op zijn heupen krijgt. – Erges ’n beer in zien, ergens tegen op zien, ergens geen vertrouwen in hebben.
beer, beer, zelfstandig naamwoord de, Mensendrek. Zegswijze de bruine beer verzuipe, zijn behoefte doen. Woordspeling met beer = drek en bruine beer (het dier).
beer, beer, zelfstandig naamwoord de, Steunbeer, muurtje (o.a. dienend als waterkering).
beer, beer, zelfstandig naamwoord de, Snauw, grauw. Afleiding van bere, zie aldaar.
beerzen, beerze, werkwoord, 1. Door water en slijk waden. 2. De boel bevuilen door het inlopen met vuile schoenen, klompen, laarzen of sokken. Vgl. in dit verband het zelfstandig naamwoord berzie.
beest, beist, zelfstandig naamwoord de/’t, Beest. Zegswijze (de) beist weze, de dupe zijn. – D’r uitzien as ’n beist, er haveloos of beestachtig smerig uitzien. Meervoud beiste. Ook: gebruikelijke aanduiding voor koeien. | Benne de beiste al op stal?. Verkleinvorm beisie. 1. Beestje. 2. Eigenaardig, vervelend persoon.
beëten, beëte, werkwoord, in de zegswijze ’t niet beëte kenne. 1. het niet op kunnen. 2. het tempo van het eten niet kunnen volgen.
beetje, beetje,  biske, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze zô’n beetje stop je in je holle kies, zo’n beetje eten is de moeite niet waard. – ’n Beetje volk, ’n lekker leven, o.a. gezegd van lekker eten dat men niet met velen hoeft te delen. Dialectische variant biske. | Wou je nag ’n biske?
befietsen, befietse, werkwoord, Fietsend kunnen bereiken of bijhouden. Zegswijze ientje niet befietse kenne, iemand niet kunnen volgen, begrijpen.
befommelen, befummele, werkwoord, Uit de plooi brengen door onhandig opvouwen.
begaafdheid, begaafthoid, zie begaafte.
begaafte, begaafte, zelfstandig naamwoord de, Omvang, grootte, postuur (verouderd).
begaan, begaan, werkwoord, Ook: inhalen, te pakken krijgen. | Ik kon ’m nag net begaan. Zegswijze er om begaan weze, er om verlegen zijn.
begaderen, begaddere, werkwoord, Vergaren, verzamelen.
begaffelen, begaffele, werkwoord, 1. Met een gaffel bijeenhalen of naar zich toe halen. 2. Binnenhalen, te pakken krijgen, verdienen. 3. Snel in orde brengen. | Dat zel ik wel effies begaffele. 4. Begrijpen, volgen. | Kè je m’n ’n beetje begaffele? Zegswijze z’n oigen niet begaffele leite, zich niet laten beetnemen, bedotten.
begeven, begeve, werkwoord, in de zegswijze ze begeve m’n niks, ze doen, interesseren mij niets.
begieren, begiere, werkwoord, in de zegswijze z’n oigen begiere, zich doodlachen.
begillen, begille, werkwoord, in de zegswijze z’n oigen begille, zich doodlachen.
begin, begintje, zelfstandig naamwoord ’t, Een klein begin. | Ik hew ’n begintje maakt mit pellen.
beginning, ginning, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze d’r is gien ginning in te kroigen, er is geen begin in te krijgen, het is onbegonnen werk. | Je kenne wel an ’t wassen bloive mit zukke kladdige klere, d’r is meist gien ginning in te kroigen. De wagen sting muurvast in de modder, d’r was gien ginning in te kroigen.
begist, begist, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze da’s mond begist make, dat is iemand lekker maken, vooral gezegd van een smakelijk gerecht dat slechts met mondjesmaat wordt opgediend, zodat het als het ware in de mond begint te gisten of te bruisen van verlangen naar meer.
begistmakertje, begistmakertje, zelfstandig naamwoord ’t, Proefje van iets dat de begeerte naar meer opwekt.
beglooien, beglouwe, werkwoord, Begluren.
begreiden, begriete, begrieke, werkwoord, Land, dat van de griet of graskorst beroofd is, weer met gras bezaaien.
begremeld, begrimmeld, bijvoeglijk naamwoord, Groezelig. Vgl. Engels grimy = vuil, vies.
begremelen, begrimmele, werkwoord, Met vuile vingers betasten, groezelig maken.
begrijmen, begrieme, werkwoord, Met vuile vingers betasten. Vgl. het Engelse zelfstandig naamwoord grime = vuiligheid.
begroeden, begroete, werkwoord, Zie begriete. Zie ook groed en groet.
begrotelijk, begrôtelek, bijvoeglijk naamwoord, Spijtig, verdrietig, meelijwekkend. Vgl. Fries bigreatlik.
begroten, begrôte, werkwoord, Ook: spijt hebben, verdrieten, door medelijden bewogen worden. | ’t Ken m’n echt begrôte, dat z’n verkering uit is. Mogelijk is het woord een afleiding van groot in de zin van: te groot, te zwaar worden om te dragen, zoals bezwaren een afleiding van zwaar is. Dat het woord verwant zou zijn met nieuw hebreeuws garotoh = spijt, lijkt mij minder aannemelijk, o.a. gezien het feit dat begroten in allerlei dialecten en ook in het Fries (bigreatsje) gangbaar is.
behang, behang, zelfstandig naamwoord ’t, Behangsel; ook in samenstellingen als behangpapier, behangrol. Zegs. z’n oigen achter ’t behang plakke leite, met zich laten sollen.
behappen, behappe, werkwoord, in de zegswijze ’t niet behappe kenne, 1. het niet kunnen afhappen. | Je kenne zô’n dikke piel meist niet behappe. 2. Het tempo van het (brood)eten niet kunnen volgen. 3. Het niet kunnen opbrengen of betalen.
beharden, beharde, werkwoord, Hard worden. | ’t Beton moet nag efkes beharde. Vgl. Fries bihurdzje.
beheeftig, beheeftig, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze beheeftig weze. 1. gekweld worden. | Ik ben beheeftig van de jeuk (verouderd) 2. Pafferig, onlekker zijn. | Ik hew zôveul eten, da’k hillegaar beheeftig ben (verouderd). 3. Vreesachtig zijn, bang zijn om raak te grijpen. | Pak an, je loike wel beheeftig te wezen (verouderd) 4. Nerveus, opgewonden zijn. | Wat bè je toch beheeftig, zit je wat dwars of zô? (verouderd) 5. Inhalig, veeleisend zijn. | Jij benne moin veuls te beheeftig (verouderd) Het woord is, evenals behept, te vergelijken met Middelnederlands beheept = gekweld door. In de 17e eeuw komt de vorm beheft voor, verwant met beheften of behechten = vasthechten, vasthouden, verplichten tot.
beheinen, behoine, werkwoord, Omheinen, begrenzen. Vgl. Fries biheine.
behereberen, behérebére, werkwoord, Regelen, bedisselen. | Ze mag graag alles behérebére.
beidegaar, baaiegaâr, onbepaald telwoord, Beide(n), allebei. Vgl. Fries beidegearre.
beidetwee, baaietwei, onbepaald telwoord, Beide(n), allebei.
beids, baais, onbepaald telwoord, beide. | Wou je keis of worst of (van) baais?
beieren, baaiere, werkwoord, Ook: 1. Slingerend of waggelend lopen. 2. Jakkeren, met onnodige drukte te werk gaan.
bejagen, bejage, werkwoord, Achternajagen, zoeken, uitvoeren. | Wat moet jij hier bejage?
bek, bek, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n bek as ’n bakkersoven (as ’n bergdeur, as ’n hooiskuur, as ’n darsdeur), een grote of brutale mond. – ’n Skerpe bek hewwe. 1. Scherp zijn in zijn uitlatingen. 2. Zeer kieskeurig zijn met proeven of eten. – ’t Mit ’n gekke bek zègge, het schertsend, bij wijze van grap zeggen. – Hai loit mit z’n bek open, gezegd van een gemakkelijke stoot bij het biljarten. – Je kenne ’n vette bek kroige, loop naar de pomp.
bekarnen, bekarne, werkwoord, in de zegswijze ’t niet bekarne kenne, het niet kunnen klaarspelen. Letterlijk niet kunnen klaarkomen met karnen.
bekennen, bekenne, werkwoord, Ook: herkennen. | Ik bekon ’m meist niet.
bekeutelen, bekoetele, werkwoord, 1. Rommelig, primitief of onhandig bezig zijn. | Leit ’m naar bekoetele. 2. Moederlijk verzorgen. | Ze mag ’m graag bekoetele. Zie ook: koetele.
bekijken, bekoike, werkwoord, in de zegswijze bekoik soches je woid of je bouw, smiddes of seives je vrouw, wei- of bouwland ziet er – vooral als het gedauwd heeft – ’s morgens op zijn voordeligst uit, maar een vrouw toont zich pas later op de dag op haar aantrekkelijkst.
beklag, beklag, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze graag in beklag weze, graag beklaagd worden. Vgl. Fries yn biklag wêze.
beklaren, beklare, werkwoord, in de zegswijze ’t niet beklare kenne, het niet kunnen klaarspelen (verouderd).
bekleuteren, bekleutere, werkwoord, Bedisselen, regelen.
bekloten, beklôte, werkwoord, Klaarspelen. | Kè je ’t ’n beetje beklôte?
beknijzen, bekloinze, werkwoord, Bekijken, klaarspelen. Uit Bargoens beknijsen.
beknikkerd, beknikkerd, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze goed beknikkerd weze, een goed stel hersens, een goede ‘knikker’ of kop hebben. | Berend is goed beknikkerd.
bekollen, bekolle, werkwoord, Beheksen, betoveren.
bekoring, bekoren, zelfstandig naamwoord ’t, Bekoring. Zegswijze d’r gien bekoren van hewwe, er geen trek of zin in hebben.
bekrombenen, bekrombiene, werkwoord, in de zegswijze ’t niet bekrombiene kenne, het niet kunnen klaarspelen of bijhouden. Vgl. omkrombiene.
bekroner, bekroônder, zelfstandig naamwoord de, Bekroond dier, dier van uitzonderlijke kwaliteit.
bekuipen, bekuipe, werkwoord, in de zegswijze ’t niet bekuipe kenne, het niet kunnen klaarspelen. Letterlijk niet kunnen klaarkomen met inkuipen.
bel, bel, zelfstandig naamwoord de/’t, Ook: groot glas. | Geef moin maar ’n bel woin.
bel, bel, zelfstandig naamwoord ’t, Prul, lor, waardeloos mens, dier of ding. | ’t Is ’n bel van ’n kirrel. Gooi dat bel maar in de vullesbak. Meervoud belle, in de zegswijze an belle, aan flarden, finaal kapot.
belabben, belabbe, werkwoord, Beroddelen. Vgl. Middelnederlands belabben = bevuilen.
belangrijk, belangroik, bijvoeglijk naamwoord, Ook: belangstellend (verouderd).
belastingbrief, belastingbrief, zelfstandig naamwoord de, Belastingbiljet of -formulier. | Hei jij ok ’n belastingbrief kregen? Hei je die belastingbrief al invuld?
beleerd, beleerd, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze beleerd weze, een gevoelige les gehad hebben.
beleg, belèg, zelfstandig naamwoord ’t, (Brood)belegsel.
beleggen, belègge, werkwoord, in de zegswijze z’n woorde belègge as ’n peerd z’n skete, schertsend voor: zeer afgemeten of lijzig praten.
beleid, beloid, belaai, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze erges beloid bai hewwe. 1. ergens behoefte aan hebben (verouderd) | Ik hew beloid bai ’n aâr peerd. 2. ergens belang bij hebben (verouderd) | Deer hew ik gien beloid bai. 3. ergens last van hebben, ergens hinder van ondervinden (verouderd) | Ik hew beloid bai wintertône. Zie voor beloid in de zin van beleg = overleg, belang, hinder of last het Middelnederlands Woordenboek van Verdam. Vgl. Fries bilij.
belie, bélie, zelfstandig naamwoord de, Deugniet. Mogelijk is het woord een verkorting van Belialskind = duivelskind.
belopen, beloupe, werkwoord, Ook: 1. Lopend bereiken. 2. Bijhouden met lopen.
bels, bels, zelfstandig naamwoord de, 1. Belgisch paard, zwaar gebouwd werkpaard. 2. Zware, logge vrouw.
beluiden, beluie, werkwoord, 1. Beluiden. 2. Vertellen. | Weet je niks aârs te beluien?
belzen, belze, werkwoord, Snel, gulzig drinken.
bemainteneren, bementenére, werkwoord, Beheren; regelen (Frans maintenir).
bemerken, bemiereke, werkwoord, in de zegswijze ’t niet bemiereke kenne, het niet kunnen zien of bekijken en het daardoor niet gedaan kunnen krijgen. | ’t Is zuk priegelwerk, ik ken ’t niet bemiereke.
benagelen, benagele, werkwoord, 1. Met nagels of spijkers vastslaan. 2. Figuurlijk op de kop tikken, te pakken krijgen. | Hai weet altoid wel wat te benagelen.
benamelijk, benamelek, bijwoord, Voornamelijk (verouderd) Vgl. Fries binammentlik.
benaming, benaming, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze in de benaming weze, genoemd worden, onderwerp van gesprek zijn. | Hai is de leste toid puur in de benaming.
benauwd, benauwd, bijvoeglijk naamwoord, Ook: zuinig, gierig, bekrompen. | Ik vind ’t maar ’n benauwde kirrel. Zegswijze ’n benauwd beetje, een heel klein beetje. Vgl. Fries in benauwd bytsje.
benauwd, benauwde, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze niet van dat benauwde, ’oor, niet zo zuinig, niet zo bekrompen doen, hoor.
benauwdheid, benauwdhedes, benauwdhedens, zelfstandig naamwoord meervoud, Gevoelens van benauwdheid. | Hai het de leste toid puur last van benauwdhede(n)s.
beneden, benedenen, in de combinatie nei benedenen, dialectische variant van: naar beneden.
benenbord, bienebordje, zelfstandig naamwoord ’t, Bordje waarop botjes en graten worden gelegd.
benenkussen, bienekussen, zelfstandig naamwoord ’t, Peluw aan het voeteneinde van het bed.
benenpeluw, bienepeul, zelfstandig naamwoord de/’t, Zie bienekussen.
benenrekken, bienerekke, werkwoord, De benen strekken, een stukje lopen na langdurig gezeten te hebben. | As ik ’n uur reden hew, wul ik wel efkes bienerekke.
benenwarmer, bienewarmertje, zelfstandig naamwoord ’t, Voetenwarmertje, bijslaapje bij wie men zijn koude voeten kan warmen.
benenwas- en verschoontijd, bienewassers- en verskoônderstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd om de voeten te wassen en zich te verschonen.
benenwasserswater, bienewasserswater, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Water waarin men zijn voeten wast. 2. Schertsend voor slappe of slechte thee of koffie.
benepen, benepen, in de zegswijze d’r benepen uitzien, er bleek, zwak, ziekelijk uitzien. Het woord is de voltooid deelwoordsvorm van (verouderd) benijpen = benauwen, beknellen.
bengaals, bengaals, in de zegswijze bengaals drinke, drinken als een tempelier.
bengel, bongel, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van bengel = paal. Vgl. bommel.
benig, bienig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Benig. 2. Vol graten. | ’n Beers is ’n bienige vis.
benopen, benoupe, werkwoord, 1. Ontrieven, last bezorgen (verouderd) | Ik houp, da’k je niet benoup. 2. Bezuinigen, zich onthouden van (verouderd) | Benoup je niet, d’r is genog. Het woord is een afleiding van nopen = dwingen.
bentel, bentel, zelfstandig naamwoord de, Iemand die altijd op straat zwalkt, er altijd op uit is. Zegswijze an de bentel weze, op straat zwalken, er op uit zijn.
bentelen, bentele, werkwoord, Op straat zwalken, er op uit zijn. Vgl. Zuidnederlands bendele = in bendes rondzwerven.
bentelgat, bentelgat, zie bentel.
bentelkont, bentelkont, zie bentel.
bentelkonten, bentelkonte, zie bentele.
benul, belul, zelfstandig naamwoord ’t, Benul (verouderd) De vorm belul is de oudste en waarschijnlijk een afleiding van verouderd lul of lol = melodie(tje).
bepaald, bepaald, bijwoord, Ook: hoogstwaarschijnlijk. | Ze zelle bepaald niet thuis weest hewwe.
beppe, bep, bappe, zelfstandig naamwoord de, 1. Grootvader, oude man (verouderd), ook bup; 2. Grootmoeder (verouderd).
beppe, beppe, zelfstandig naamwoord de, Grootmoeder (verouderd) Vgl. Fries beppe.
beppe, beppie, bappe, zelfstandig naamwoord ’t, Oud wijfje; bemoeial. | Je moete niet zô’n beppie worre, ’oor. Vgl. Fries beppe = grootmoeder.
beradden, beradde, werkwoord, Weer rad worden, herstellen van een ziekte.
beraken, berake, werkwoord, Bereiken, aanraken. | Ik ken ’t net niet berake.
berechten, berechte, werkwoord, in de zegswijze alles berechte en beslechte, alles regelen, in orde maken.
beredden, beredde, werkwoord, Regelen, in orde maken. | Alles is al bered, ’oor.
beredder, beredder, zelfstandig naamwoord de, Zaakwaarnemer, hij die de zaak regelt. Vgl. Fries birêdder.
beredderen, bereddere, werkwoord, Zie beredde.
beren, bere, werkwoord, Mopperen, snauwen. | Wat loup je toch te beren! Vgl. Fries beare. Zegswijze bere en boite, grauwen en snauwen. Eigenlijk brommen als een beer en bijtend spreken.
berenhouder, berehouwer, zelfstandig naamwoord de, Houder van een of meer dekberen.
berenspek, berespek, zelfstandig naamwoord de/’t, Schertsend voor ontbijtkoek.
berg, berg, barg, zelfstandig naamwoord de, Ook: hooiberg (binnen het vierkant van een stolphoeve).
bergdeur, bergdeur, zelfstandig naamwoord de, Deur naar de hooiberg.
bergmuur, bergmuurtje, zelfstandig naamwoord ’t, Laag muurtje of fundering van hooiberg en vierkant.
bericht, bericht, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze gien bericht, goed bericht, maak je niet bezorgd: als er iets mis zou zijn, zou men dat wel bericht hebben.
berig, berig, bijvoeglijk naamwoord, Gezegd van een ‘speelse’ zeug die dus naar de beer moet.
berijden, beraaie, werkwoord, Ook: berijden, dekken (door de stier).
bermte, barnt, barmt, zelfstandig naamwoord ’t, Schaamdeel van vrouwelijk vee. Zie voor de oorspronkelijke betekenis Boek, onder ‘barmt’, waar o.a. wordt gewezen op verwantschap met Nederlands berm en op de vermoedelijk oorspronkelijke betekenis ‘zwelling, verheffing’.
beroerdigheid, beroerdighoid, zelfstandig naamwoord de, Beroerdheid, ellende. Zegswijze om de beroerdighoid lache moete, ondanks de narigheid of ellende moeten lachen.
beroering, bereuring, zelfstandig naamwoord de, Beroering. Zegswijze d’r gien bereuring van kroige, er geen trek in krijgen.
berrie, burrie, zelfstandig naamwoord de, Variant van berrie.
berriën, berriese, burriese, werkwoord, Met een berrie vervoeren. | Doene julle ’t bieteblad maar nei de skuit berriese.
berzie, bersie, berzie, zelfstandig naamwoord de, Smeerboel, rommel. Het woord is waarschijnlijk een afleiding van een oud werkwoord bersen dat o.a. jagen, onrustig heen en weer lopen van het vee betekent, waardoor het land vertrapt wordt en er een smeerboel ontstaat.
berzieboel, bersieboel, zelfstandig naamwoord de, Zie bersie.
besassen, besasse, werkwoord, 1. Bespuwen, met speeksel besmeren. 2. Bepissen.
besauzen, besause, werkwoord, 1. Van saus of jus voorzien. 2. Bepissen.
beschandaliseren, beskandelezére, werkwoord, Beschadigen, verwonden, verfomfaaien. Het woord is te zien als een contaminatie van beschadigen en schandaliseren. Vgl. Frans scandaliser.
bescharrelen, beskarrele, werkwoord, 1. Doen, ondernemen, uitvoeren. | Hai het in z’n leven van alles beskarreld. 2. Bijeenscharrelen, verdienen. | Hai het al ’n pittig duitje beskarreld. 3. Bedisselen, regelen. | Wie het dat nou weer beskarreld? 4. Opleveren, opbrengen. | Zo’n klein hoekie tulpe beskarrelt niet veul.
bescheten, besketen, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Bescheten. Zegswijze besketen weze, gierig of krenterig zijn. – D’r besketen uitzien, er bleek, ziekelijk, slecht uitzien. – Dat komt besketen uit, dat komt slecht uit, zeer ongelegen. – Wat gaat dat besketen, wat gaat dat onhandig. – Ik wou da’k ’t in ’n besketen doekie had, ik ben er niet vies van, voor mij is het best de moeite waard.
bescheuren, beskeure, werkwoord, Sterk trekken (biljartterm). | Die bal ken ik nooit beskeure. Zegswijze Z’n eigen beskeure, zich doodlachen.
beschiemannen, beskiemanne, werkwoord, Klaarspelen. | Ik ken ’t nooit alliendig beskiemanne. Het woord is een afleiding van schieman, eerder schimman = schipman, tweede bootsman, vooral belast met de zorg voor voortuig en ankers.
beschieten, beskiete, werkwoord, Ook: 1. Opschieten, vorderen. | ’t Beskiet nag niet erg. 2. Opleveren, opbrengen. | Zo’n kloin hoekie tulpe beskiet niet veul. 3. Indommelen. | Mit zuk bol weer beskiet je gauw; voltooid deelwoord beskôten. Zegswijze beskôten weze, slaperig zijn, ingedommeld zijn. – D’r beskôten uitzien, er bleek, ziekelijk uitzien.
beschietsel, beskiesel, beskietsel, zelfstandig naamwoord ’t, Wandbetimmering (waarop behangsel wordt geplakt).
beschimmeld, beskimmeld, bijvoeglijk naamwoord, Ook: verlegen, onnozel. Deze betekenis kon waarschijnlijk ontstaan, doordat iemand die verlegen is, gauw bloost, dus een rode of roodachtige kleur krijgt, een kleur als schimmel. In het Middelnederlands betekende schimmel: roest.
beschipperen, beskippere, werkwoord, Klaarspelen, in goede banen leiden. Vgl. Fries beskipperje.
beschommelen, besjommele, werkwoord, Betalen, opbrengen. Uit Bargoens bes(j)ommelen.
beschot, beskot, zelfstandig naamwoord ’t, Schot, beschietsel, afsluiting. Zegswijze gien beskot op je mond is erger as gien skotel op je deur, maar raak roddelen of kletsen is een zeer kwalijke zaak.
beschransd, beskranst, in de zegswijze beskranst en bekurven, vol krassen en kerven.
beschranzen, beskranse, werkwoord, bekrassen.
beschuit, beskuit, zelfstandig naamwoord de/’t, in de zegswijze ’n bolle beskuit, een halve zachte, een zonderling. Letterlijk een zacht geworden beschuit. – ’n Drouge beskuit, een droogkomiek, een zeer nuchter persoon. – ’n Foine beskuit, een kwezel. – ’n Zachte beskuit, een zacht, temerig pratend iemand.
beschuitbolder, beskuitbolder, zie bolder.
beschuitpap, beskuitepáp, zelfstandig naamwoord de, Beschuitpap.
beseibelen, besoibele, werkwoord, Bedotten. | Ik leit m’n deur jou niet besoibele.
besjacheren, beskaggere, werkwoord, Bijeenscharrelen, verzamelen, verdienen. | Hai weet altoid wel wat te beskaggeren. Uit Bargoens beschacheren of besjacheren = al sjacherend of handelend opdoen.
Besje, Bessie, zelfstandig naamwoord, Bijnaam voor het Hervormde Kerkje te Lutjebroek.
besjoechelen, besjoegele, besjaggele, werkwoord, Bedotten, minderwaardige zaken voor goede afgeven. Mogelijk is het woord een dialectische variant van Bargoens besjoemelen, dat herleid wordt tot Duits-Bargoens beschummelen, met waarschijnlijk de oorspronkelijke betekenis van beschijten. Variant: Vgl. Fries bisjaggelje.
besjouwen, besjouwe, werkwoord, 1. Versjouwen, dragen. | Dat ken ik niet besjouwe in m’n ientje. 2. Bijbenen, volgen. | Kalm an, ik ken je meist niet besjouwe. 3. Opleveren, opbrengen. | Zo’n kloin hoekie tulpe besjouwt niet veul.
beslag, beslag, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: 1. Het totaal aan vee, aan koeien dat men bezit. 2. Aanslag, schimmel. | D’r zit puur beslag op de keis.
beslagen, besloegen, bijvoeglijk naamwoord, Beslagen. | De glaze benne besloegen.
beslierten, beslierte, werkwoord, in de zegswijze ’t niet beslierte kenne, het niet kunnen klaarspelen, opbrengen.
beslingeren, beslingere, werkwoord, in de zegswijze van alle beslingere en bedraaie (verdraaie), van alles verzinnen en verdraaien om zijn schuld te ontkennen of te bagatelliseren.
beslobben, beslobbe, werkwoord, Bevuilen, met name door het inlopen met vuil schoeisel.
besloffen, besloffe, werkwoord, 1. Bijsloffen, bijbenen. 2. Figuurlijk volgen, begrijpen.
besmettelijk, besmettelek, bijvoeglijk naamwoord, Ook: Gemakkelijk besmet of vuil wordend. | Wit is vezelf ’n besmetteleke kleur. Zegswijze besmettelek weer, weertype dat kritiek is voor het besmet raken van bepaalde gewassen.
besmullen, besmulle, werkwoord, in de zegswijze z’n oigen besmulle, zich besmeuren of vuilmaken (verouderd).
bessel, bessel, besseltje, zelfstandig naamwoord ’t, Bestel(letje), oprijg of opnaaisel. Vgl. Fries bessel.
bessenpent, bessepent, zelfstandig naamwoord de, Aangemaakt bessennat, bessensap. Vgl. appelepent, bramepent, perepent, pruimepent enz.
bessenplukkerssiep, besseplokkerssiep, zelfstandig naamwoord de, Ronde, rieten mand gebruikt bij het bessenplukken. Zie ook siep.
Bessepappers, Bessepappers, zelfstandig naamwoord meervoud, Spotnaam voor de bewoners van Warmenhuizen, ontleend aan de naam van de carnavalsvereniging ‘De Bessepappers’.
bestaan, bestaan, werkwoord, in de zegswijze mekaar niks bestaan, helemaal geen familie van elkaar zijn.
bestaan, bestaan, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t in z’n bestaan hewwe, het in zijn aard of karakter hebben.
bestand, bestand, bijvoeglijk naamwoord, Ook: bevrucht, drachtig. | ’t Veersie is nag niet bestand. Zegswijze den bè je wel bestand, dan heb je je portie (tegenslag) wel gehad.
besteden, bestede, werkwoord, in de zegswijze z’n oigen bestede, zich als knecht of arbeider verhuren. – ’t Bestede wulle, het wille opgeven of van zich afschuiven. – Hai zal ’t wel gauw bestede, hij zal wel spoedig overlijden.
bestederstijd, bestederstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd waarop men zich als knecht of arbeider bij een nieuwe baas verhuurde (verouderd). Zie ook Vrouwedag.
bestek, bestek, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze erges bestek op hewwe, ergens een oogje op hebben. | Hai het bestek op z’n buurmoidje. Vgl. Fries earne bistek op hawwe.
bestekje, bestekje, zelfstandig naamwoord ’t, Vroegertje. | In Opperdoes noeme ze ’n vroegertje ’n bestekje.
bestel, bestel, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze in bestel hewwe, in bestelling hebben. | Ik hew ’n nuwe trekker in bestel.
bestellen, bestelle, werkwoord, Ook: 1. Het op stal staande vee voeren en verzorgen. | Ik zal nog efkes de koeie bestelle, den gaan ik te bed. 2. Regelen, verzorgen. | De brulleft is besteld. Hai je de kloine joôs al besteld?
besterd, besterd, zelfstandig naamwoord de, Iemand die of iets dat prima of groot in zijn soort is.
besterven, besterve, werkwoord, in de zegswijze ik zou ’t er besterve, ik zou er doodgaan (van eenzaamheid, verveling e.d.). – ’t Besterve van skrik, zich doodschrikken.
bestig, bestig, bijvoeglijk naamwoord, Heel goed, prima.
bestoetelen, bestoetele, werkwoord, 1. Regelen. 2. Onhandig te werk gaan.
bestoken, bestoken, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze bestoken toid hewwe, beperkte of afgepaste tijd hebben. – ’t Was bestoken toid, het was op het nippertje. Het woord is de voltooid deelwoordsvorm van besteken = afsteken, afpassen.
bestormen, besturme, werkwoord, Ook: Ondernemen, avonturen. | Hai het in z’n leven heêl wat besturmd.
bestrijken, bestroike, werkwoord, in de zegswijze te bestroiken gaan, naar de magnetiseur gaan om zich te laten bestrijken.
bestrijker, bestroiker, zelfstandig naamwoord de, Magnetiseur.
bestrik, bestruk, zelfstandig naamwoord de, Iemand die graag alles regelt of bedisselt.
bestrikkelen, bestrukkele, werkwoord, Zie bestrukke.
bestrikken, bestrukke, werkwoord, Regelen, bedisselen. Het woord betekent waarschijnlijk letterlijk bestrikken = met strikken versieren.
bestudderen, bestuddere, werkwoord, Regelen, verzorgen, bedrijvig bezig zijn.
bestunneken, bestunneke, werkwoord, Regelen, verzorgen.
bestuntelen, bestuntele, werkwoord, 1. Stuntelig, primitief werken. 2. Regelen, verzorgen.
bestutteren, bestoetere, werkwoord, Schikken; steunen, stutten (verouderd).
bestvat, bestvat, zelfstandig naamwoord ’t, Oud gebruik uit de tijd dat een nieuwe (dorps)kastelein de jongelui een gezellige (mid)dag of avond aanbood, waarbij hij trakteerde of gereduceerde prijzen berekende. Het woord duidt op het beste vat of ‘patersvaatje’ waaruit getapt werd.
bestvatten, bestvatte, werkwoord, Bestvat geven of er aan deelnemen (verouderd). | We moete de âre week te bestvatten.
bestvatter, bestvatters, zelfstandig naamwoord meervoud, Deelnemers aan een bestvat (verouderd).
betakken, betakke, werkwoord, Aanpakken, ondernemen, uitvoeren. | Hai het al van alles betakt. Vgl. Middelnederlands taken = beetpakken, en betaken = overmeesteren. Vgl. ook Engels to take.
betalen, betale, werkwoord, in de zegswijze je moete de ien betale en de aâr geld geve, je krijgt nergens iets voor niets.
betekenen, betekene, werkwoord, in de zegswijze dat zel betekene, dat zal de moeite waard zijn, dat zal niet gering zijn.
betellen, betelle, werkwoord, Het totaal tellen. | Ik kon ze meist niet betelle.
beter, beterder, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van beter. Andere voorbeelden van een ‘dubbele’ vergrotende trap zijn o.a. grôterder, lieverder, ouwerder. Het gebruik van deze vormen is echter niet algemeen.
beterschap, beterskip, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van beterschap (verouderd).
betig, betig, bijvoeglijk naamwoord, Hongerig, eetlustig. | Je loike wel niet erg betig.
Betje, Betje, vrouwennaam, in de zegswijze ’n tante Betje, een nieuwsgierig of bemoeiziek meisje. – Nei tante Betje moete, naar de w.c. moeten.
betoefd, betoeft, bijvoeglijk naamwoord, Gek, dwaas. Uit Bargoens betoeft of betoegd.
betoeterd, betoeterd, bijvoeglijk naamwoord, Gek. Eigenlijk beteuterd. | Bè je hillegaâr betoeterd!
betoeteren, betoetere, werkwoord, Voor de gek houden, beduvelen.
beton, beton, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze gewapend beton, stamppot van aardappelen en (witte) bonen, een stevige kost die als het ware als gewapend beton in je maag ligt.
betrappen, betrape, werkwoord, Dialectische variant van betrappen.
betrouwd, betrouwd, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van betrouwbaar. | ’t Ois is nag niet betrouwd. Vgl. Fries bitroud.
beugel, beugel, zelfstandig naamwoord de, Zie modderbeugel en vlosbeugel.
beugelen, beugele, werkwoord, Met de beugel werken.
beuken, beuke, werkwoord, Ook: 1. De armen kruiselings onder de oksels slaan ten einde koude handen warm te krijgen. 2. Kafnaalden van gerst dorsen (verouderd).
beukennoot, beukenoôtje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: Doorzichtige stuiter waarin een glazen beukenootje is aangebracht.
beuker, beuker, zelfstandig naamwoord de, Kleine, stevige knaap. Vgl. Fries beuker. Verkleinvorm beukertje, Klein kind, kleuter.
beulen, beule, werkwoord, 1. Tobben, hard werken. 2. Plagen. 3. Mishandelen, kastijden.
beulpartij, beulpertaai, zelfstandig naamwoord de, Zwaar, afmattend werk.
beun, beun, zelfstandig naamwoord de, 1. Houten verhoging, platform. 2. Losse houten vloer (o.a. voor een schuit). Zie ook koeiebeun. Vgl. Duits Bühne. Zie voor de oorspronkelijke betekenis het N.E.W. onder beun.
beunderen, beundere, werkwoord, Timmeren, met veel geluid slaan (verouderd).
beunhaasje, beunhaasie, zelfstandig naamwoord ’t, Jochie, kind.
beunijzertje, beunoizertje, zelfstandig naamwoord ’t, Zie beunhaasie.
beuren, beure, werkwoord, Ook: mannen, de baas zijn. Zie voor een zegswijze onder bute.
beurs, beurs, zelfstandig naamwoord de, Ook: groep, samenscholing van (gezellig) pratende mensen.
beurt, beurt, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’t zel je beste beurt niet worre, pas op, je zult er van langs krijgen. – Heur beurt is gaan, ze heeft de leeftijd bereikt waarop ze geen kinderen meer kan krijgen.
beurzen, beurze, werkwoord, (Gezellig) pratend samenscholen.
beventen, bevénte, werkwoord, Al ventend afgaan. | Hai beventte drie durpe.
bevreten, befrete, zie beëte.
bewaaien, bewaaie, werkwoord, Ondernemen, avonturen. Vgl. besturme. Zegswijze van alles bewaaie wulle, overal bij willen zijn, van alles willen aanpakken of ondernemen.
bewaarkool, bewaarkoôl, zelfstandig naamwoord de, Kool die in de schuur wordt opgeslagen en die aan het einde van de winter of in het vroege voorjaar wordt verkocht.
bewarmen, bewarme, werkwoord, Dialectische variant van verwarmen. | Ik ken ’t mit ien kachel best bewarme.
beweerd, beweerd, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze beweerd weze, ongerust of angstig zijn. – Deer bè je lillek mee beweerd, daar zit je lelijk mee opgescheept, daar ben je lelijk mee behept.
beweren, bewere, werkwoord, Ook: waarmaken, bewijzen (verouderd).
bezandzeepsodamirakeld, bezandzeipsodemerakeld, in de zegswijze bè je nou hillegaâr bezandzeipsodemerakeld, ben je nu helemaal gek geworden. Kennelijk is de uitroep geïnspireerd op het keukenrekje met bakjes en vakjes voor zand, zeep en soda.
bezeeuwen, beseêuwe, bezeêuwe, werkwoord, 1. Verschrikken, verbleken (verouderd) 2. Flauwvallen, bezwijmen (verouderd) 3. Bedaren, tot zichzelf komen (verouderd) Het woord wordt wel gezien als een afleiding van zee, waarbij wordt verwezen naar een oud woord verzeeuwd = zeeziek, ongesteld. Aannemelijker lijkt mij verwantschap met Nederlands beseffen. Zie voor de etymologie het N.E.W. onder beseffen.
bezem, bezem, beuzem, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze da’s voor de bezem, dat is voor de eerlijke vinder, voor degene die de rommel opruimt. – ’n Bezem komt nooit van z’n oigen nei je toe, je zult er iets voor moeten doen, het gaat niet vanzelf. Verouderde variant beuzem.
bezemschoon, bezemskoôn, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze ik ben bezemskoôn en uit de luize, ik ben net klaar met het meest noodzakelijke huishoudelijke werk. ‘Bezemskoon’ duidt aan, dat de hinderlijkste rommel is opgeveegd, terwijl ‘uit de luize’ wil zeggen, dat de kinderhoofdjes ontluisd zijn.
bezemsteel, bezemstaal, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van bezemsteel.
bezestigd, besestigd, bezestigd, in de zegswijze bè je besestigd, ben je gek!
bezetting, bezetting, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze z’n oigen ’n bezetting skrikke, zich doodschrikken.
bezorgd, bezurgd, bijvoeglijk naamwoord, Ook: 1. Zorgelijk (verouderd). | Ze het ’n bezurgd leven had. 2. Zorgzaam (verouderd). | Hai het ’n bezurgde vrouw.
bezwaar, besweer, zelfstandig naamwoord ’t, Bezwaar.
bezweet, besweiten, bijvoeglijk naamwoord, Bezweet.
bezwijken, beswoike, werkwoord, Bezwijken. Zegswijze mekaar niet beswoike, niet van elkaars zijde wijken, altijd samen optrekken.
bibberatie, bubberásie, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de bubberásie hewwe, hevig bibberen van kou, schrik of angst.
bibberen, bubbere, puppere, werkwoord, Bibberen.
bibbertjesijs, bubbertjesois, zelfstandig naamwoord ’t, Zeer ribbelig ijs.
bibbertjeskoek, bubbertjeskoek, zelfstandig naamwoord de, Zie bubbertjesois.
biddag, biddag, zelfstandig naamwoord de, 1. Dag waarop rooms-katholieken verscheidene keren per dag naar de kerk gingen, met name als het Allerheiligste stond uitgestald. 2. Dag (zondag of weekdag) waarop in protestantse kerken werd gebeden voor een goede oogst, een goede visvangst e.d.
bidden, bidde, werkwoord, Bidden. De vervoeging luidt: bidde – bad/bidde – beden/bid. Zegswijze ’t is te bidden, het is te wensen. – Bidde en danke is twei, bidden is niet uitsluitend om iets vragen. – Te bidden gaan, het rozenkransgebed gaan bidden ter gelegenheid van iemands overlijden of op speciale dagen naar de kerk gaan om te bidden.
biels, biels, zelfstandig naamwoord de, Zware balk, dwarslegger van de spoorbaan. Uit Frans bille. Meervoud bielze.
biesstil, biesstil, bijvoeglijk naamwoord, Bladstil. Letterlijk zo stil dat geen bies of rietstengel beweegt.
biest, biest, zelfstandig naamwoord de, De eerste melk van een koe na het kalven (soms ook de eerste moedermelk). Men onderscheidde wel eerste, tweede en derde biest.
biestpannenkoek, biestpankoek, zelfstandig naamwoord de, Pannekoek waarvan het beslag met biest is aangemaakt.
bieten, biete, werkwoord, Het uitzakken van het kanaal tussen schede en baarmoeder bij koeien, schapen en geiten, een verschijnsel dat vooral optreedt bij dieren die een jaar tevoren te zwaar gekalfd of geooid hebben. Mogelijk is het woord vergelijkbaar met Oudfries beta = slaan, stoten.
bietenberg, bieteberg, zelfstandig naamwoord de, Bietenhoop. Zegswijze de bieteberg opgaan, het onderspit delven, zwaar in de problemen zitten, zijn einde tegemoet gaan.
bietenblad, bieteblad, zelfstandig naamwoord ’t, Blad(eren) van (voerder)bieten. | Wai voere de koeie bei mit bieteblad.
bietenrooier, bieterôder, zelfstandig naamwoord de, Schopje gebruikt bij het rooien van bieten.
bieter, bieter, zelfstandig naamwoord de, Dier dat aan het bieten ‘lijdt’. Zie biete.
bietlijf, bietloif, zelfstandig naamwoord ’t, Het naar buiten gezakte kanaal tussen schede en baarmoeder bij koeien, schapen en geiten. Zie biete.
biezen, boize, beize, boinze, werkwoord, 1. Puffen van de hitte. 2. Jakkeren. opjagen, met onnodige drukte te werk gaan. 3. Opscheppen in houding of kleding. Vgl. Fries biizje, Nederlands bissen in ‘kissebissen’.
big, big, zelfstandig naamwoord de/’t, De big.
biggenhok, biggehok, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: Schertsend voor kleuterschool of basisschool.
biggenmerktang, biggemerktang, zelfstandig naamwoord de, Kleine tang met ronde bek om biggen of varkens te ringen.
biggensnijder, biggesnaaier, zelfstandig naamwoord de, Biggensnijder, vakman of beunhaas die biggen of andere jonge dieren lubt of castreert.
biggenvangers, biggevangers, zelfstandig naamwoord meervoud, Schertsend voor kromme benen of o-benen.
bij, bai, bijwoord en voorzetsel, Bij. Zegswijze Deer zit niet veul bai, gezegd van iemand die weinig begaafd is, verstandelijk beperkt is.
bij dat, bai dat, voegwoordelijk bijwoord, bovendien, daarenboven. | Ze het ’n pittig spaarsentje, bai dat is ze in kort ok nag an ’t erf weest.
bij dat, bedát, baidat, bijwoord, 1. Bijna. | Benne we d’r al bedat? 2. Onderhand, intussen. | Je magge wel gauw gaan, aârs is ’n aâr je bedat op voor. 3. Over een tijdje, tegen die tijd. | Bedat gaat de jongst ok op kamers, en den wordt oôs huis hillegaar te groot.
bij langs, bai … langs, bij … aan, langs. | Wul je efkes bai Arie langs gaan?
bij neer, bai … beneer, bij … neer, naar beneden. | Hai loupt altoid mit ’t heer bai ’t houfd beneer. Hai donderde bai de wal beneer. De vorm beneer is ontstaan uit bai neer.
bij neer, beneer, bijwoord, Zie bai … beneer.
bij op, bai … be-op, bij … op, tegen … op. | Hai kon temet niet bai doik be-op komme. De vorm be-op is ontstaan uit bai op.
bij op, bai … op, bij op. Zegswijze bai de wind op, tegen de wind in.
bij toe, bai…toe, tot (aan). | De piepers benne bai de grond toe ofvroren.
bijkomen, baikomme, werkwoord, Ook: gebeuren (verouderd). | Hoe komt dat zô bai?
bijlangs, bailangs, langs. | Je moete d’r niet te krap bailangs gaan. Vgl. Fries bylâns.
bijpakken, baipakke, werkwoord, Ook: er bij zijn, opschieten. | Je magge wel baipakke, aârs is ’n aâr je op voor.
bijspitten, baispitte, werkwoord, Bijbetalen. | Z’n vader zei wel weer baispitte moete.
bijspul, baispul, zelfstandig naamwoord ’t, Bijgerecht, groente. Vgl. Fries byspul.
bijten, boite, werkwoord, Bijten. Zegswijze wat boit je, wat zit je dwars.
bijtijden, baitaaie, af en toe; letterlijk bij tijden. | Hai is baitaaie hillegaar in de war. Vgl. Fries bytiden.
bijzonder, bezonder, bijvoeglijk naamwoord, 1. Bijzonder. 2. Zonderling, gek. | Ze is efkes bezonder.
bijzonderheid, bezonderhedes, bezonderhedens, zelfstandig naamwoord meervoud, Bijzonderheden; vreemde dingen of zaken.
bik, bik, zelfstandig naamwoord de, Ook: kiem, uitspruitsel.
bikkel, bikkel, zelfstandig naamwoord de/’t, Bot(je), met name schapebotje waarmee gebikkeld werd. Zie voor uitvoerige beschrijving van het oude bikkelspel het ‘Woordenboek der Zeeuwse dialecten’ door Ha. C. M. Ghijsen.
bikkelebaven, bikkelebaven, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie ’n bikkelebaven houfdstel, met schelpen versierd hoofdstel. Mogelijk is het woord een koppeling van ‘bikkel’ en ‘baven’. Dit laatste woord kan een verkorting zijn van bavelaar = kunstig gesneden stukje ivoor of hout.
bikken, bikke, werkwoord, Ook: 1. Uitspruiten. 2. Uitspruitsel verwijderen.
bikker, bikkerd, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n gare bikkerd, een slimmerik, een gladde vogel.
bikkesement, bikkesement, zelfstandig naamwoord ’t, Het eten, de kost. | Hai verdient goed z’n bikkesement.
bil, bil, zelfstandig naamwoord de/’t, Ook: Dij, bovenbeen. Vgl. Fries bil. Zegswijze op ien bil zitte, op hete kolen zitten, gereed zitten om te vertrekken. Meervoud bille. Zegswijze moet ik je bille bloôt zoeke, moet ik je een pak voor je broek geven. – De bille zelle bloôt moete, de zaak zal in de openbaarheid moeten komen, uitgezocht moeten worden. – Mit de bille deur de broek weze, failliet zijn. – We zelle es zien wie de blankste bille het, we zullen eens zien wie de beste, de sterkste is, wie aan het langste eind trekt. – Wanneer smakke ze de bille bai mekaar, schertsend voor: wanneer trouwen ze.
bil, bil, zelfstandig naamwoord de, Dikke tak, dik stuk hout. Uit Frans bille. | We moste de dikste bille van die wilg maar ofzage.
bilavond, bil-eivend, zelfstandig naamwoord de, Schertsend voor de (woensdag)avond wanneer een vrijer zijn meisje mocht bezoeken en met haar een tijdje ‘bil aan bil’ zat.
billenkoek, billekoek, zelfstandig naamwoord de, Pak op de billen. | Pas op ’oor, aârs kroig je billekoek.
billentikker, billetikker, zelfstandig naamwoord de, Lange slipjas.
bink, bink, zelfstandig naamwoord de, Knaap. 2. Vrijer. | Ze het ’n leuke bink. In de zegswijze de bink steke (speule), spijbelen. Vgl. pinkiesteke. Meervoud binke. De jongens, de kinderen. | Benne de binke al te bed?
binken, binke, werkwoord, Oud jongensspel dat op straat werd gespeeld.
binnen, binnen, binnenen, voorzetsel en bijwoord, in de zegswijze binnen is binnen, o.a. gezegd van geld dat men (met moeite) ontvangen heeft. – Die binnen binne, binne binnen, woorspeling met binnen en binne, variant van benne = zijn, in de zin van: wie zijn schaapjes op het droge heeft, is goed af. – In binnen, dialectische variant van: binnen, binnenshuis. | Bloive julle maar mooi in binnen speule. Dialectische variant binnenen. | Hai was van binnenen hillegaâr rot.
binnenblaar, binnenblaar, zelfstandig naamwoord de, Ziekte bij runderen.
binnenmikken, binnemikke, in de zegswijze binnemikke weze. 1. Binnen zijn, thuis zijn. | We wazze net voor de bui binnemikke. 2. Zijn schaapjes op het droge hebben. Letterlijk is het woord een koppeling van ‘binnen de mikken’, d.w.z. binnen de steunbalken waarop het dak rust. Zie mik. – Binnemikke bloive, thuis, binnenshuis blijven.
binnenstuk, binnenstik, zelfstandig naamwoord ’t, Stuk land dat ligt ingeklemd tussen twee andere percelen, stuk land dat niet aan een vaarwater of weg ligt.
binnentas, binnentas, zelfstandig naamwoord de, Binnenzak. | Ik hew ’n jas mit twei binnentasse.
binnenvetter, binnenvetter, zelfstandig naamwoord de, Slachtdier dat meer binnenvet heeft dan men vermoedde. Zegswijze ’n (stille) binnenvetter. 1. Iemand die zwaarder is dan hij toont. 2. Iemand die rijker is dan men vermoedt. 3. Iemand die meer in zijn mars heeft dan men vermoedt. 4. Iemand die zijn gevoelens niet uit.
bint, bint, zelfstandig naamwoord ’t, Het touw waarmee het voer (vooral het hooi) voor en achter op de wagen wordt vastgesjord. Zie ook vóórbint en achterbint.
biscuit, beschwietje, zelfstandig naamwoord ’t, Biscuitje, een Westfries voorbeeld van hypercorrecte uitspraak (sch i.p.v. sk). Vgl. nog o.a. bioschoop, Heemscherk, schië, schoeter (scooter), neutemeschaat (nootmuskaat).
bit, bit, zelfstandig naamwoord ’t, Paardebit. Zegswijze ’t bit op de kieze (tande) neme. 1. Op hol slaan. Een paard dat schrikt, neemt het bit los in de bek en laat zich niet meer sturen. 2. Aan de slag gaan. 3. Kwaad worden, van leer trekken. – Die moet krap op (’t) bit reden worre, die moet strak worden gehouden, streng worden aangepakt. – Die moet mit ’n strak bit reden worre, zie de vorige zegswijze
blaar, blaar, bleer, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze da’s een blaar van ’t hart, dat is een pak van het hart. Meervoud blare, in de zegswijze as de blare van ’t gat benne, als de ergste pijn geleden is, als de ergste zorg voorbij is. Dialectische variant bleer (verouderd).
blaas, bleis, zelfstandig naamwoord de, Blaas.
blaas, bleis, zelfstandig naamwoord de, Zwakke koolplant met uiteenvallend hart (Warmenhuizen).
blaaspijp, bleispoip, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van blaasbalg.
blaaspoepen, bleispoepe, zelfstandig naamwoord meervoud, Blaaspoepen, rondtrekkende (Duitse) muzikanten (verouderd).
black varnish, blikmánes, blikken mánes, zelfstandig naamwoord de/’t, Zwart vernis, zwarte lak. Verbastering van Engels black varnish = zwart vernis. In A’dam komt de vorm ‘blakwannes’ voor.
blackvarnishen, blikmánese, werkwoord, Met zwarte lak bestrijken.
blaffen, blaffe, werkwoord, Ook: zwaar hoesten. | Je blaffe wat of, rouk toch niet zô! Zegswijze blaffe van de honger, rammelen van de honger.
blaker, blaker, zelfstandig naamwoord de, Ook: brandende hoop stro, lof of ander afval.
blakeren, blakere, werkwoord, Ook: stro, lof of ander afval op het veld verbranden.
blaten, bleite, werkwoord, Dialectische variant van blaten (verouderd).
blauw, blauw, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, in de zegswijze blauw as potloôd, stomdronken. – Blauw weze, (stom)dronken zijn. – Blauw geve, iemand als vrijer afwimpelen. – Blauw kroige (hale), als vrijer afgewezen worden. – Blauw en groen is boerefatsoen, de kleuren blauw en groen waren representatief voor de boerenkleding en voor het ex- en interieur van de boerderij.
blauwbak, blauwbak, zelfstandig naamwoord de, Blauwe tegel.
blauwe, blauwe, zelfstandig naamwoord meervoud, in de combinatie grôte blauwe, soort blauwe pruim.
Blauwe Reigers, Blauwe Roigers, bijnaam voor de bewoners van Heerhugowaard en van Hoogkarspel.
blauwmaan, bloemáán, zelfstandig naamwoord de, Blauwmaan, blauwe papaver, voorheen o.a. in Drechterland verbouwd.
blauwmaanzaad, bloemáánzeid, zelfstandig naamwoord ’t, Blauwmaanzaad.
blauwtje, blauwtje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: Blauwsel(tje). Zegswijze ’n blauwtje bedekt ’n grauwtje, blauwsel moet de smerigheid van het wasgoed bedekken.
blazen, bleize, werkwoord, Blazen, hijgen. Het werkwoord wordt zowel sterk als zwak vervoegd, namelijk bleize – blies/bleisde – bleizen/bleisd/bliezen. Zegswijze ik zou je bleize, ik dank je feestelijk, mij niet gezien. – Te bleizen gaan, naar een repetitie of uitvoering van de fanfare gaan. – Die is zô lillek, de katte bleize d’r nei, die is verschrikkelijk lelijk.
blazer, bleizer, zelfstandig naamwoord de, 1. Blazer. 2. Blaasinstrument.
blè, blè, zelfstandig naamwoord de, 1. Nuchter kalf. 2. Kinderachtig persoon. Zegswijze nochteren blè, gehakt van nuchtere kalveren, meer vlies dan vlees. Kennelijk is ‘blè’ een klanknabootsend woord, vergelijkbaar met blerren en blaten.
bleek, bleik, zelfstandig naamwoord de, Bleekveld.
bleek, bleik, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze bleik as karremelk (kerremelk), lijkbleek.
bleekscheet, bleikskeet, zelfstandig naamwoord de, Iemand die erg bleek of wit ziet.
blei, blaai, zelfstandig naamwoord de, Blei (vis).
Bleien, Blaaie, zelfstandig naamwoord meervoud, Spotnaam voor de bewoners van Oostwoud.
blein, bloin, blain, zelfstandig naamwoord de, Blaar. Vgl. Engels blain.
bleingraantje, blegrointje, zelfstandig naamwoord ’t, Kleine steenpuist (verouderd). Mogelijk was de oorspronkelijke vorm: bloingrointje, samenstelling van bloin = blaar en grointje = graantje, stipje.
bleinzijdig, blaizaaiig, bijvoeglijk naamwoord, Met bloedblaren of –strepen op de zijden of flanken. | De honde wazze blaizaaiig an de kante (W.F.O.N. 15,140). Zegswijze blaizaaiig van de honger, flauw van de honger. Het woord luidde waarschijnlijk oorspronkelijk ‘blainzaaiig’, waarin blain of bloin een dialectisch woord is voor (bloed)blaar.
bleipoot, blaipoôt, zelfstandig naamwoord de/’t, 1. Grove, platte voet. Eigenlijk zo plat als een blei. 2. Iemand die bij het lopen zijn voeten op een lompe manier neerzet.
blèr, blèr, blèrk, zelfstandig naamwoord de, 1. Schreeuw. 2. (Grote) mond. | Hai most zô nodig z’n blèr weer open hale. 3. Schreeuwer, schreeuwlelijk.
blèren, blèrke, blèrre, werkwoord, Schreeuwen, huilen, blaten, luid zingen.
blij, bloid, bloide, bijvoeglijk naamwoord, Blij. Vgl. Fries blijd. Zegswijze zô bloid as blik, erg blij. Mogelijk staat blik hier voor bliek = klein soort vis, en duidt de zegswijze op het vrolijk opspringen van deze visjes. Vgl. Boek.; bloide, in de zegswijze ze is in de bloide, ze is in (blijde) verwachting.
blijdschap, bloiskip, zelfstandig naamwoord de, Blijdschap.
blik, blik, zelfstandig naamwoord de, Bliksemschicht.
blik, blik, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Stofblik. 2. Blad op tafel voor kopjes en schoteltjes.
blikgat, blikgat, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze blikgat hewwe (weze), pijn in zijn achterste hebben ten gevolge van langdurig zitten. Eigenlijk een ontveld gat hebben. Zie voor blik = ontveld het N.E.W. onder blikaars.
blikken, blikke, werkwoord, Ook: bliksemen, weerlichten.
blikken, blikken, zelfstandig naamwoord de, Blikken stoof.
blikkeren, blikkere, werkwoord, Ook: bliksemen, weerlichten.
bliksem, bliksem, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n malle bliksem, een guit of grapjas. – ’n Handige bliksem, een handig iemand. Soortgelijke combinaties van een bijvoeglijk naamwoord + bliksem worden vaak voor de vuist weg gemaakt, bv. ’n heite bliksem, ’n luie bliksem, ’n taaie bliksem enz. – Voor malle bliksem staan, voor gek staan. – Loup nei de blauwe bliksem, loop naar de pomp. – Boekende bliksem, boekweiten gort (in karnemelk gekookt), een gerecht dat als het ware snel als de bliksem te bereiden is. – Boekende bliksem, drie ploffe (drie pruttels) gaar, gezegd van boekweiten gort dat zeer snel te bereiden is.
bliksemsteen, bliksemstien, zelfstandig naamwoord de, Deugniet, lamstraal.
bliksteen, blakstien, in de uitroep: de blakstien, bliksems nog aan toe! Andere vormen zijn o.a. bliksemstien, blikstien, blokstien, boksem.
blind, blinde, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze blinde snert, snert zonder kluif, spek of worst. – Blinde soep, soep zonder balletjes of vlees. – Blinde zegen hewwe, stom geluk hebben.
blinddoeken, blinddoekiese, werkwoord, Spelletje spelen waarbij een kind geblinddoekt wordt.
blindemannen, blindemannetjese, werkwoord, Blindemannetje spelen.
bloed, bloed, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze bloed in z’n ore hewwe, zelfrespect hebben. Het woord bloed komt als versterkende bepaling in allerlei gelegenheidssamenstellingen voor, zoals: bloedduur, bloedgoil, bloedheit, bloedlink enz.
bloedblein, bloedbloin, zelfstandig naamwoord de, Bloedblaar.
bloedgang, bloedgang, zelfstandig naamwoord de, Zeer snelle gang of vaart.
bloedprijs, bloedprois, zelfstandig naamwoord de, Zeer hoge prijs.
bloedtoet, bloedtoet, zelfstandig naamwoord de, Varken dat o.m. met bloed werd gevoerd.
bloedzeunis, bloedzeunis, zelfstandig naamwoord de, Trog waarin het bloed voor de ‘bloedtoet’ werd gedeponeerd.
bloeier, bloeiers, zelfstandig naamwoord meervoud, Bloeiende planten of bolgewassen, vooral gezegd van irissen die eigenlijk niet mogen bloeien, daar het de kweker om de bollen te doen is.
bloem, bloem, blom, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de bloem loit er op, gezegd van personen en produkten die er gezond, welvarend of smakelijk uitzien. | Ze is bedát voiftig, maar de bloem loit er nag op. De bloem loit op de keis.
bloeme snijden, bloemesnaaie, werkwoord, (Snij)bloemen snijden.
bloeme trekken, bloemetrekke, werkwoord, Bloemen in een kas vervroegd in bloei brengen.
bloemen, bloeme, werkwoord, Bloeien, bloemen krijgen. | De tulpe beginne te bloemen.
bloemen koppen, bloemekoppe, werkwoord, Bloemen (met name van tulpen) van de steel verwijderen.
bloemenkoppenstijd, bloemekopperstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd waarop de bloemen worden gekopt.
bloemenkoppersmes, bloemekoppersmessie, zelfstandig naamwoord ’t, Mesje gebruikt voor het bloemen koppen.
bloemenkuil, bloemekuil, zelfstandig naamwoord de, Op het land gegraven kuil waarin de gekopte bloemen worden gedeponeerd.
bloemkool, bloemkoôl, zelfstandig naamwoord de, Bloemkool, o.a. in de combinatie bloemkoôl dekke, het bedekken van de jonge vrucht met bloemkoolblad(eren). – Bloemkoôl sjouwe, het versjouwen van de bloemkool naar schuit of wagen. Bloemkoôl snaaie, het oogsten van de bloemkool door deze met een kapmes (zie: koôlsabel) van de struik te hakken.
bloemkoolbak, bloemkoôlbak, zelfstandig naamwoord de, Bak waarin de bloemkool op de veiling wordt aangevoerd. Afhankelijk van de grootte gaan er bv. acht of zes bloemkolen in een bak. Vandaar dat men spreekt van: ‘achies’ en ‘zessies’.
bloemkoolbouwer, bloemkoôlbouwer, zelfstandig naamwoord de, Tuinder die hoofdzakelijk of uitsluitend bloemkool verbouwt.
bloemkooltijd, bloemkoôltoid, zelfstandig naamwoord de, Oogsttijd van de bloemkool.
bloempap, bloempap, zelfstandig naamwoord de, Zie prol.
bloes, bloesie, zelfstandig naamwoord ’t, Ze het (kroigt) al pittig wat in ’t bloesie, ze heeft (krijgt) al flinke borsten.
bloes-en-rok, bloeserók, zelfstandig naamwoord de, Een niet bij elkaar passende kop en schotel. Letterlijk blouse en rok.
bloezen, bloese, werkwoord, in de zegswijze ze begint al pittig te bloesen, haar borsten beginnen zich al aardig te ontwikkelen gezien het opbollen van haar blouse.
blok, blok, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze d’r valt nag wel wat van ’t blok, er schiet nog wel iets over. Blok duidt hier op het hakblok van de slager. – Voor ’t blok zet worre, voor een moeilijke keus of beslissing worden geplaatst. Blok duidt hier ofwel op het schandblok, ofwel op het blok onder de valbijl.
blok, bolk, zelfstandig naamwoord de/’t, Onvruchtbaar stuk land, stortplaats of aanplemping van afval, puin e.d. Het woord is als ’t bolk vooral in De Streek gangbaar. Vgl. Middelnederlands bloc, bolc = beloken of ingesloten land.
Blokdijk, Blokdík, zelfstandig naamwoord de, Blokdijk, buurtschap onder Blokker.
bloot, bloôt, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, in de zegswijze de moide bloôt, de bloeme in sloôt, gezegd als ten gevolge van aanhoudend warm weer (als de meisjes dus schaars gekleed gaan) de (snij)bloemen (of andere gewassen) weinig waard zijn, zodat men ze als het ware wel in de sloot kan gooien. – De vrouwe bloôt, de handel in noôd (in sloôt), zie de vorige zegswijze – Hoe minder bloôt, hoe gauwer groôt, ouderwets gezegde dat aangaf, dat men jonge kinderen warm moest kleden ten einde ze te beschermen tegen allerlei ziektes en kwalen, zodat ze voorspoedig konden opgroeien. – Bloôt lègge, zonder dek in bed liggen.
Blootpoten, Bloôtpôte, zelfstandig naamwoord meervoud, Spotnaam voor de bewoners van Aartswoud.
Blotebenen, Blôtebiene, zelfstandig naamwoord meervoud, Zie Bloôtpôte.
Blotebenenland, Blôtebieneland, zelfstandig naamwoord ’t, Spotnaam voor het dorp Aartswoud.
Blotebenenlopers, Blôtebieneloupers, zelfstandig naamwoord meervoud, Zie Bloôtpôte.
blotebillengezicht, blôtebillegezicht, zelfstandig naamwoord ’t, Bol, pafferig en bleek gezicht.
blouwen, blouwe, werkwoord, (verouderd). Zie beuke.
bluister, blester, zelfstandig naamwoord de, 1. Blaar, buil. Vgl. Engels blister. 2. Blaas. 3. Wal onder de ogen. Het woord is verwant met blazen, zwellen.
bobbekop, bobbekop, zelfstandig naamwoord de, Koppig, stuurs persoon.
bobbekoppen, bobbekoppe, werkwoord, Zie bobbe.
bobbel, bobbel, zelfstandig naamwoord de, Matten- of waterbies (Latijnse naam: scirpus lacustris). Mogelijk vormt dit woord het eerste lid van de plaatsnaam Bobeldijk, wfri, uitspraak Bobbeldoik.
bobben, bobbe, werkwoord, Mokken, koppen.
bobberd, bobber, bobberd, zelfstandig naamwoord de, Zie bobbekop. Zegswijze de bobberd in hewwe, de smoor in hebben, dwars of koppig zijn.
bobberig, bobberig, bijvoeglijk naamwoord, Koppig, stuurs, dwars.
Bobeldijk, Bobbeldoik, zelfstandig naamwoord, Dialectische uitspraak van Bobeldijk.
bochel, bochel, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze je kroige ’n vrouw mit ’n bochel, gezegd als iemand bij het verschuiven van zijn stoel het vloerkleed doet opbollen of rimpelen.
bochelen, bochele, werkwoord, Het ijs in bochten lopen, gammel lopen.
bocht, bocht, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze er de bocht om lègge, innig omhelzen.
bochten, bochte, werkwoord, 1. Doelloos of onrustig heen en weer lopen. 2. Zie bochthippe.
bochten, bougerte, werkwoord, Het ijs in ‘bouge’ of bochten, lopen, gammel lopen (Lutjebroek).
bochthippen, bochthippe, bochthippese, werkwoord, Bochten, touwtje springen.
bochthipper, bochthippers, zelfstandig naamwoord meervoud, Kinderen die aan het bochten zijn. Vgl. nog samenstellingen als bochthippersliedje, bochthipperstouw.
bock, bok, zelfstandig naamwoord de, Slechte sigaar, oorspronkelijk van de fa. Bock en Co te Havanna.
bode, boôdje, boôd, zelfstandig naamwoord ’t, Boodschap, bericht(je).
bodem, boôm, zelfstandig naamwoord de, 1. Samentrekking van bodem. | ’t Loit op de boôm van de skuit. 2. Dichte graszode, onderkorst van grasland. Vgl. Fries boom. Zegswijze op de boôm skrape, (bijna) door de voorraad heen zijn, platzak zijn.
bodemhul, boômhul, zelfstandig naamwoord mannelijk, Binnenmuts (verouderd).
boede, boet, zelfstandig naamwoord de, Schuur(tje), loods, meestal vrijstaand en van hout. Men onderscheidt o.a. de volgende boeten of boetjes: bouwersboetje, fietseboetje, veldersboetje, peerdeboet, skeipeboet, goiteboet, toeteboet, koôlboet. De oorspronkelijke vorm was boed of boede. Het woord hangt samen met het werkwoord bouwen. Zie het N.E.W. onder boedel, dat een afleiding is van boed(e) of boet. Verkleinvorm boetje, in de zegswijze ’t is vol in ’t boetje, gezegd als in een kleine ruimte veel mensen bijeen zijn. – In z’n boetje bloive, zich buiten schot houden.
boeha, behaai, zelfstandig naamwoord ’t, Lawaai, onnodige drukte, kale kak. Vgl. boeha en poeha.
boek, boek, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: Geldboek, portefeuille. Meervoud boeke. Ook: langwerpige, op boekjes lijkende gouden of zilveren plaatjes, vastgesmeed aan resp. het gouden of zilveren oorijzer. Verkleinvorm boekie. Ook: geldboekje, portefeuille. Zegswijze boekie zoek weze, 1. platzak zijn. Eigenlijk het geldboekje is zoek. 2. Ten einde raad zijn, in de problemen zitten. Zie ook de verbasteringen bokkie-zoek en bokkie-zoet. Mogelijk is, doordat men zich de eigenlijke betekenis niet meer bewust was, boekie-zoek vervormd tot bokkie-zoek, waaruit zich weer de vorm bokkie-zoet ontwikkelde.
boekelen, boekele, werkwoord, Ouderwetse manier van kaas maken volgens het door P. Boekel te Schagen uitgevonden procédé.
boekelkaas, boekelkeis, zelfstandig naamwoord de, Kaas die bereid werd volgens het Boekel-procédé.
boekelscheuren, boekelskeure, zelfstandig naamwoord meervoud, Spleetvormige holtes in Edammer en Goudse kaas (verouderd).
boekenpoot, boekepôte, zelfstandig naamwoord meervoud, Zie boek. Pôte is hier het meervoud van poôt in de oude betekenis van voorhoofd.
boekje-zoek, bokkie-zoek, bokkie-zoet, zie boek.
boekweiten, boekende, bijvoeglijk naamwoord, Boekweiten, in de combinatie boekende bliksem, boekweiten gort (in karnemelk gekookt). – Boekende jenke, zie boekende bliksem (verouderd). – Boekende koeke, boekweiten koeken. – Boekende meêl, boekweiten meel.
boel, boel, zelfstandig naamwoord de, 1. Boedel. 2. Boel, massa. 3. Rommelzooi. Zegswijze van de boel of weze, 1. de hele zaak verkocht hebben. 2. Failliet zijn. – ’n Uitsturven boel, boedel zonder rechthebbende nabestaanden. – De boel an ’t zaai doen, het bedrijf of de zaak opruimen, verkopen. – Mit de boel bezet (anhaald) weze, met de zaak opgescheept zitten, zich geen raad weten. – ’t Is een misse (foute) boel, de zaak is mislukt, staat er slecht voor. – ’n Boel te kwaad weze, veel schulden hebben. – ’n Goeie boel, een rijke boedel of bedoening.
boelhuis, boéles, zelfstandig naamwoord de/’t, Boelhuis, publieke verkoping van een boedel.
boelhuizen, boélese, werkwoord, 1. Een boelhuis bezoeken. | Moet je murgen nag te boélesen? 2. Op een boelhuis kopen. | Die klok hew ik boélest. 3. Door middel van een boelhuis verkopen. Zie ook: verboelese.
boelhuizer, boéleser, zelfstandig naamwoord de, Iemand die een boelhuis bezoekt of iets op een boelhuis koopt.
boelredder, boelredder, zelfstandig naamwoord de, Hij die de publieke verkoping van een boedel regelt, executeur-testamentair. Vgl. Fries boelbirêdder.
boenbank, boenbank, zelfstandig naamwoord de, 1. Houten bank of tafel waarop pannen, emmers e.d. worden geboend. 2. Slecht biljart. | Op zo’n boenbank speul ik gien meer.
boender, boender, zelfstandig naamwoord de, Ook: ongeschilde, schoongeboende aardappel die zo gekookt werd.
boenluif, boenluif, boelluif, zelfstandig naamwoord de, Achterhuisje of overdekt rak waar geboend of gewassen werd.
boenstoep, boenstoep, zelfstandig naamwoord de, Stoep of steigertje waarop o.a. het melkgerei werd geboend (vaak met slootwater).
boenwal, boenwal, zelfstandig naamwoord de, Zie boenstoep.
boer, boer, zelfstandig naamwoord de, 1. Boer, veehouder. 2. Bouwboer, landbouwer. | Hai bouwt z’n tulpe bai ’n boer in de Meer (= Wieringermeer). 3. Lomp, ongemanierd persoon. Zegswijze ’n boer en ’n boerin hore de achterdeur (achterdam) uit, boeren dienen op het land te werken. – As ’n boer het, den het ie ’t niet van ’t verdienen, maar van ’t niet uitgeven, áls een boer geld heeft, is dat vooral een gevolg van het feit, dat hij niet graag geld uitgeeft. – ’n Boer klapt voor de leste knaak de blare in z’n fleike, een boer tracht bij het handelen het onderste uit de kan te krijgen. Het klappen duidt hier op het ‘handje klap’ van marktkooplui. – De boer van de akker, de snoek weer wakker, in het najaar wordt de snoek weer actief. – Hai staat op z’n stik (stuk) as ’n boer op (in) z’n klompe, hij is beslist niet tot andere gedachten te bewegen. – ’n Goeie boer, ook: een rijke boer. Meervoud boere, in de zegswijze de domste boere hewwe de dikste piepers (eerappele), het geluk is met de dommen. – Boere en varkes worre gnortende vet, boeren worden klagende rijk, zoals varkens knorrend vet worden. – Leit de boere maar darse, laat het werk of de zorgen maar aan anderen over, neem het er maar van. – Twaalf boere en ien bon(g)sem, dertien stinkers, krasse veroordeling der mentaliteit van vele boeren, waarbij ‘stinkers’ letterlijk en figuurlijk kan worden opgevat. – Je hewwe slechte boere en hêle slechte, zie de vorige zegswijze
boerderij, boerderaais, zelfstandig naamwoord meervoud, Dialectische variant van boerderijen.
boeren, boertjese, werkwoord, Boertjes laten.
boeren, boere, werkwoord, Het boerenbedrijf uitoefenen. Zegswijze boere mit oordeel is boere mit voordeêl, wie (als boer) met overleg te werk gaat, zal daar de vruchten van plukken.
boeren, boere, werkwoord, Oprispen. Zegswijze ze boere van boven en buffele van onder, gezegd van ongemanierde lieden die tijdens of na de maaltijd boeren of winden laten.
boerenbedtijd, boerebedtoid, zelfstandig naamwoord de, Vroeg tijdstip om naar bed te gaan, voorheen ’s avonds om negen uur.
boerenbonen, boerebône, zelfstandig naamwoord meervoud, Soort drank.
boerenbonenkom, boerebônekom, zelfstandig naamwoord de, Kom waaruit ‘boerebône’ werd gedronken.
boerenboomgaard, boerebougerd, zelfstandig naamwoord de, Erfbeplanting met fruitbomen.
boerenboter, boerebutter, zelfstandig naamwoord de, Boerenboter of roomboter, ook wel ‘dikke butter’ genoemd.
boerendozijn, boeredezoin, zelfstandig naamwoord ’t, Boerendozijn, spottend voor een dertiental.
boerendubbeltje, boeredubbeltje, zelfstandig naamwoord ’t, Spottend voor elf cent.
boerengeeltje, boeregeêltjes, zelfstandig naamwoord meervoud, Gele klinkertjes.
boerengoed, boeregoed, zelfstandig naamwoord ’t, Boerenspullen.
boerengreep, boeregreip, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze twei is ’n boeregreip, aansporing om twee koekjes, twee snoepjes e.d. te nemen. Vgl. Twei is ’n Hoornse greip.
boerengriet, boeregriet, zelfstandig naamwoord de, 1. Boerenmeisje. 2. Lompe meid.
boerenheikneuter, boerehaaikneuter, zelfstandig naamwoord de, Boerenpummel.
boerenhoed, boerehoedje, zelfstandig naamwoord ’t, Strooien hoedje met gebogen opslagen die met katoen waren bekleed. Bij rouw waren de opslagen met zwart katoen bekleed.
boerenhosklos, boerehosklos, zelfstandig naamwoord de, Lomp of lomp lopend iemand.
boerenhufter, boerehufter, zelfstandig naamwoord de, Boerenpummel.
boerenkaas, boerekeis, zelfstandig naamwoord de, Boerenkaas, (vol-)vette kaas.
boerenkarhengst, boerekarhengst, zelfstandig naamwoord de, Boerenpummel.
boerenkeuk, boerekeuk, zelfstandig naamwoord de, Binnenpret. Het woord keuk hangt waarschijnlijk samen met een oud werkwoord keukele = kopje duikelen (van plezier), tuimelen. Vgl. Westfries kukele = tuimelen en de afleiding kuuks = koddig, gek.
boerenkiep, boerekiep, zelfstandig naamwoord de, Vrouwenhoofddeksel dat op de kap werd gedragen. De boerekiep of kiep was gewoonlijk versierd met twee banden die onder de kin bevestigd werden.
boerenknecht, boereknecht, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze boereknecht, boerehond, zegswijze die herinnert aan de tijd dat een boerenknecht vaak een honds bestaan had.
boerenkomaf, boerekom-of, zelfstandig naamwoord de, Boerenafkomst. | Ze benne van boerekom-of.
boerenkont, boerekont, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze dat past as ’n boerekont in ’n melkemmer, dat past precies, dat komt prima met elkaar overeen.
boerenkrijtje, boerekroitje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze mit ’n boerekroitje skroive, dubbel schrijven, teveel berekenen. Voorheen werd met een krijtje op een bord aangetekend hoeveel geld men verschuldigd was, terwijl ook met een krijtje in de stal werd aangetekend op welke tijd de koeien moesten kalven.
boerennachtegaal, boerenachtegaal, zelfstandig naamwoord de, Schertsend voor kikker. Vgl. Engels Dutch nightingale = kikker; letterlijk Hollandse nachtegaal.
boerenplaats, boereplaas, zelfstandig naamwoord de, 1. Boerderij, boerenhofstee. 2. Boerenbedrijf met de daarbij behorende gebouwen en landerijen. Zegswijze ’t Gaat niet om ’n boereplaas, gezegd om aan te geven dat men niet te fanatiek moet spelen. bv. bij het kaarten. – Ze het ’n hêle boereplaas an d’r rokke hange, ze is schatrijk, heeft een rijke bruidschat of erfenis te verwachten. – Hai het ’n boereplaas verzopen, hij heeft voor een enorm kapitaal aan drank uitgegeven. Eigenlijk zoveel gedronken, dat hij failliet is gegaan en zijn boerderij is kwijtgeraakt.
boerenplof, boereplof, zelfstandig naamwoord de, Zie boereplomp.
boerenplomp, boereplomp, zelfstandig naamwoord de, Polsstok. Zegswijze springe mit de boereplomp (boereplof), met een aanloop polsstok springen, waarbij de stok dus in het water plompt of ploft.
boerenprengel, boereprengel, zelfstandig naamwoord de, Zie prengel.
boerenrooien, boererooie, werkwoord, Oud straatspel, gespeeld met straatklinkers.
boerenschots, boereskos, zelfstandig naamwoord de, 1. Soort (volks)dans. 2. Pummel.
boerensjees, boeresees, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van boerensjees. Sjees is vernederlandst uit Frans chaise = (tweewielig voertuig met een) stoel, zetel.
boerenstolp, boerestolp, zelfstandig naamwoord de, Stolphoeve; boerenwoning.
boerentrien, boeretrien, zelfstandig naamwoord de, 1. Boerenmeid. 2. Lomp of ouderwets meisje.
boerenweer, boereweer, zelfstandig naamwoord ’t, Groeizaam weer.
boerenwei, boerewaai, zelfstandig naamwoord de, Wei of ondermelk die men bij de boer haalt.
boerenwerkman, boerewerkman, zelfstandig naamwoord de, Boerenknecht of boerenarbeider.
boerenwitte, boerewitte, zelfstandig naamwoord meervoud, Ouderwetse, ronde, groen-witte pruimesoort.
boerig, boerig, bijvoeglijk naamwoord, Boerachtig, boers. Vgl. Fries boerich.
boerrollen, boer-rolle, werkwoord, Door tegenslag of wanbeleid van de boerderij afraken. | Hai is al lang al boer-rold. Zo zegt men o.a. ook: hai is bouwer-, hai is kasteloin-rold enz. Eigenaardig is het weglaten van het voegwoord as = als.
boeten, boete, werkwoord, Ook: Bijzaaien. | We magge welders bône boete.
boezel, boezel, zelfstandig naamwoord de/’t, Boezelaar. Zegswijze ze moet om de waaie boezel, ze is in verwachting. – Ze het ’n winkeltje onder d’r boezel, ze heeft intieme omgang met allerlei mannen.
boezemschoffel, boezemskoffel, zelfstandig naamwoord de, Zie boezemskop.
boezemschop, boeiskop, zelfstandig naamwoord de, Zie boezemskoffel.
boezemschop, boezemskop, zelfstandig naamwoord de, Houten schop met opstaande randen, o.a. dienend voor het leeghozen van een schuit of voor het verspreiden van gier over het land.
bof, bof, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van boffe = ploffen. Zegswijze op ’n bof, plots, abrupt. | Hai most op ’n bof remme.
boffen, boffe, werkwoord, 1. Ploffen, bonzen. 2. Een koop breken, weigeren het gekochte in ontvangst te nemen en te betalen.
boffer, boffer, bofferd, zelfstandig naamwoord de, Iemand die weigert een koop gestand te doen.
bofferd, boffer, bofferd, pofferd, zelfstandig naamwoord de, Kleine, dikke pannekoek waarin gist is gebruikt. Soms ook met krenten of rozijnen.
bofkont, bofkont, zelfstandig naamwoord de, Geluksvogel.
bofkonten, bofkonte, werkwoord, Verouderd. Spel waarbij twee jongens een derde bij armen en benen opnamen en hem herhaaldelijk met zijn achterste op de grond of op een andere, voorovergebogen staande knaap lieten ‘boffe’ of ploffen.
bok, bok, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze bok vrieze, kapot vriezen, vooral gezegd van nog te velde staande gewassen. | De bloemkoôl is bok vroren. Mogelijk is bok verwant met het werkwoord beuken, plat slaan.
bok, bok, zelfstandig naamwoord de, Bok (dier); figuurlijk voor schoolmeester. Zegswijze ’n bok an ’t zeêl hewwe, waggelend lopen, dronken zijn. – De bok is vet, 1. het feest kan beginnen. 2. daar heb je de poppetjes aan het dansen. – Den bè je bai de bok, dan ben je slecht of duur af. – Die bok het z’n smeer had, die is van een koude kermis thuisgekomen. – Kauwe as ’n bok (aap) op knikkers, zie kauwe. – D’r óp zitte as ’n bok op ’n haverkist, buitengewoon begerig of inhalig zijn, zeer fanatiek te werk gaan. – Van bok op jasper springe, van de hak op de tak springen. ‘Bok’ en ‘Jasper’ waren oorspronkelijk namen van Zaanse molens. Vgl. Boek. Meervoud bokke. Zegswijze ouwe bokke hewwe harde hoorns, oude lieden kunnen zeer koppig of eigenwijs zijn.
bokje, bokkie, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze bokkie weze, de dupe zijn.
bokken, bokke, werkwoord, ‘Bok’ vriezen, kapot vriezen. Zie bok.
bokken, bokke, werkwoord, Mokken, koppig zijn (als een bok).
bokkennoot, bokkeneute, zelfstandig naamwoord meervoud, Pinda’s.
bokkenvergadering, bokkevergâring, zelfstandig naamwoord de, Spottend voor onderwijzersvergadering.
bokkinees, bokkenees, zelfstandig naamwoord de, Stijfkop, mopperaar.
bokking, bokkem, zelfstandig naamwoord de, Bokking. Vgl. Fries bokkem. Zegswijze ’n harde bokkem, een ijskoude persoon, iemand die nooit over pijn klaagt. – ’n Bokkem verdiene, een pluimpje verdienen (verouderd).
boks, boks, zelfstandig naamwoord de, Broek (verouderd).
boksen, bokse, werkwoord, Ook: opjagen, achter iemand aanzitten.
bol, bol, zelfstandig naamwoord de, Wittebroodje, groot soort kadet, vaak voor een apart doel gebakken. Vgl. Fries bôlle. De ‘bolle’ werden warm gebracht en meestal gegeten met warme stroop en boter. Ze werden vooral geserveerd tijdens een begrafenismaal of tijdens de schoonmaak. Men onderscheidde naar vorm en bestanddelen o.a. knipbolle, krentebolle, pannebolle, plaatbolle, stroupbolle en trommelbolle. Meervoud bolle, in de zegswijze om de warme bolle moete, naar een begrafenis moeten. Voorheen werden tijdens het begrafenismaal warme bollen geserveerd. – Ze loit de beste bolle voor ’t venster. 1. Ze heeft wel volle, bolle wangen, maar overigens is ze schraal. 2. Ze is zodanig gekleed, dat haar borsten goed opvallen. 3. Ze doet zich mooier voor dan ze in werkelijkheid is.
bol, bol, bijvoeglijk naamwoord, Ook: 1. Vochtig-warm, broeierig. | ’t Is bol weer. 2. Zacht, oudbakken. | Die koekies benne bol. 3. Week, koekerig. | ’t Ois wordt bol. 4. Slap, drassig. | ’t Is van dat bolle land. 5. Gek, halfzacht. | Doen toch niet zô bol. Vgl. Fries bol. Zie voor de etymologie van ‘bol’ het N.E.W. onder bol 3.
bolbroek, bolbroek, zelfstandig naamwoord de, Planteziekte, vooral voorkomend bij uien.
bolder, bolder, zelfstandig naamwoord de, Beschuit dat éénmaal gebakken is. Het woord is een afleiding van (op)bollen.
boldermes, boldermes, zelfstandig naamwoord ’t, Mes waarmee de bolder in tweeên (in een onder- en bovenkorst) werd gesneden.
bolleboos, bolleboôs, zelfstandig naamwoord de, Ook: huisbaas (verouderd). Mogelijk is het woord een variant van bollebuis, dat ‘poffertje’, maar ook ‘goedig, dik (mans)persoon’ betekent. Minder aannemelijk lijkt mij de suggestie dat het woord ontstaan zou zijn uit Hebreeuws ba’al habbajit = heer des huizes.
bollebuis, bollebuisie, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Poffertje. 2. Goedig, dik mannetje. 3. Rare sinjeur. Het woord bollebuis is een koppeling van het bijvoeglijk naamwoord bol en van buis dat, evenals ‘boos’, tot een oud germaans woord behoort dat ‘opblazen, zwellen’ betekent. Meervoud bollebuisies, o.a. in samenstellingen als bollebuisiespan, bollebuisieskraam. Zegswijze dikke bollebuisies weze, dikke vrienden zijn.
bollen, bolle, werkwoord, 1. Aanstaan, bevallen. | ’t Bolt m’n niks. 2. Tegenstaan. | ’t Begon ’m te bollen.
bollen, bolle, werkwoord, Het 5 à 6-jarig bovenhout van knotwilgen verwijderen of van andere bomen de zware takken afzagen.
bollenbouwer, bollebouwer, zelfstandig naamwoord de, Bloembollenkweker.
bollenkraam, bollekraam, zelfstandig naamwoord de, Het totaal bezit aan bloembollen, aan variëteiten van bloembollen. Zegswijze ’n raaiende bollekraam hewwe, geen (eigen) land hebben dat geschikt is voor bloembollenteelt, zodat men ieder seizoen land van anderen moet huren.
bollenland, bolleland, zelfstandig naamwoord ’t, Land waarop bloembollen worden geteeld of land dat geschikt is voor bloembollenteelt.
bollenmaker, bollemaker, zelfstandig naamwoord de, (Tulpe)bol die veel bijbollen produceert.
bollenpellerstijd, bollepelderstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd waarin de (tulpe)bollen worden gepeld.
bollenwagen, bollewagen, zelfstandig naamwoord de, Bakkerskar (verouderd).
bolstaart, bolsteertje, zelfstandig naamwoord ’t, (Paard of hond met een) gecoupeerd staartje. Zegswijze d’r ’n bolsteertje van make, met de Franse slag werken.
bom, bom, zelfstandig naamwoord de, Bons. | Hai viel met ’n bom op de grond.
bom, bom, bijwoord, Meteen, plompverloren. | Hai zee er bom boven op, dat ie gien meer komme zou.
bommel, bommel, zelfstandig naamwoord de, 1. Bengel, afsluitboom, spoorboom. 2. Lange dunne paal die dwars langs het sluithek van een weiland wordt gehangen of die in een stal ter afscheiding dient van twee naast elkaar staande paarden.
Bommelschommel, Bommeleskommel, gefingeerde plaatsnaam, in de zegswijze nei Bommeleskommel om reipezeid, schertsreactie op de vraag waar iemand naar toe gaat.
Bommelskonten, Bommelskonten, variant van Bommeleskommel.
bommen, bomme, werkwoord, 1. Een bommend geluid maken, bonzen. | Hai begon op de deur te bommen. 2. Botsen. | Hai bomde teugen m’n op.
bommerd, bommerd, zelfstandig naamwoord de, Iemand die of iets dat groot of grof in zijn soort is. Zegswijze ’n bommerd mit geluid, een kaas die bij het bekloppen met de gesloten vuist niet goed klinkt.
bommeren, bommere, werkwoord, Herhaaldelijk of aanhoudend bommen, bonzen. | Dat raam het de hêle nacht staan te bommeren.
bon, bon, zelfstandig naamwoord ’t, Afgesloten ruimte waarin de koeien worden gedreven om te worden gemolken. Vgl. melkbon. 2. Afgesloten deel van een dijk, in gebruik als wei- of hooiland. 3. Vak van een kast of van een viskaar. Het woord bon en de variant bonne, bun(ne) in de betekenis van ‘afgesloten ruimte’ zijn verwant met beun. Zie voor de oorspronkelijke betekenis het N.E.W. onder beun. Zegswijze ze het ’n kind in ’t bon, ze heeft een kind aan de borst.
bon af, bon-of, bijvoeglijk naamwoord, Goed af. Vgl. Frans bon = goed. | Jij benne maar bon-of.
Bonen, Bône, zelfstandig naamwoord meervoud, Spotnaam voor de bewoners van Blokker.
Bonenbeukers, Bônebeukers, zelfstandig naamwoord meervoud, Spotnaam voor de bewoners van Andijk.
bonenhaler, bônehaalder, zelfstandig naamwoord de, Stok met hartvormig blad, dienend om een gleufje te maken voor het zaaien van bonen (verouderd).
bonenpiksel, bônepiksel, zelfstandig naamwoord ’t, Uitgezochte slechte of halve bonen.
bonenschoof, bôneskouf, zelfstandig naamwoord de, Bonenschoof. Zegswijze d’r uitzien as ’n bôneskouf, er slordig, haveloos, verfomfaaid uitzien.
bonenstro, bônestro, zelfstandig naamwoord ’t, Stro van gedorste bonen.
bonhek, bonhek, zelfstandig naamwoord ’t, Hek dat toegang geeft tot het bon of de melkplaats.
bonjouren, sjoere, joere, werkwoord, Bonjour zeggen, goedendag zwaaien met de handjes. | Doen maar effies sjoere nei tante. Vgl. Frans jour en bonjour.
bonk, bonk, zelfstandig naamwoord de, 1. Iemand die of iets dat groot of grof in z’n soort is. | ’t Is ’n bonk van ’n moid! 2. Grote, grove aardappel. 3. Bult, puist. 4. Brok, stuk. | Geef moin maar ’n bonk worst. 5. Grote hoeveelheid. | D’r staat ’n bonk wind. Hai het ’n bonk geld urven. Meervoud bonke. Bonken, brokken. Zegswijze de bonke in z’n strot hewwe (kroige), een brok in zijn keel hebben (krijgen). – De lucht zit vol bonke, gezegd van een dikke, donkere wolkenmassa.
bonkel, bonkel, zelfstandig naamwoord de, Zwerm (verouderd) Het woord is een afleiding van bonk. | Koik deer es wat ’n bonkel spreêuwe.
bonkerig, bonkerig, bijvoeglijk naamwoord, Vol dikke, donkere wolkenmassa’s. | De lucht is puur bonkerig.
bonkig, bonkig, bijvoeglijk naamwoord, Zie bonkerig. Vgl. Fries bonkich.
bonne Louise, bollewies, zelfstandig naamwoord de, Soort peer, verbastering van Frans Bonne Louise (d’Avranche).
bons, bons, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze (op) ien bons, eensklaps.
bont, bont, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze van boven(en) bont, van onder(en) stront, spottend gezegd van opgedirkte vrouwen of van lieden met veel verbeelding of kale kak.
bontje, bontje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: katoenen voorschoot, soort boezelaartje van een fijnere stof en meer versierd dan een ‘boezel’ of ‘slob’ (verouderd).
Bontje, Bontje, veel gebruikte eigennaam voor een (kalf)koe.
boodschap, bòskip, boôskip, boeskip, zelfstandig naamwoord de, Boodschap. Vgl. Fries boadskip. Zegswijze je hewwe hier gien bòskip, je hebt hier niets te zoeken. – Ik hew efkes ’n bòskip an je, ik wil je even spreken. – Die kè je om ’n bòskip sture, die weet van wanten. – Da’s ’n kind (koind) om ’n bòskip sture, dat moet wel verkeerd aflopen. – Ze moet om ’n bòskip, ze moet (weldra) bevallen.
boogje, bougie, zelfstandig naamwoord ’t, Pluimpje, goedkeuring. | Hai kreeg ’n bougie van meister. Waarschijnlijk staat bougie hier voor een buiginkje, als eerbetoon.
boom, boum, zelfstandig naamwoord de, Boom. Zegswijze de boum bloeit nag, ze is nog vruchtbaar, kan nog kinderen baren. Meervoud boume, in de zegswijze je kenne beter ouwe boume uitroeie as ouwe zede(n)s, bepaalde zeden of gewoonten leiden een taai leven.
boomgaard, bougerd, zelfstandig naamwoord de, Boomgaard, doorgaans aanduiding voor het met (oude) vruchtbomen beplante boerenerf. De Westfriese fruitkweker spreekt meestal van zijn tuin of fruittuin.
boon, boôn, zelfstandig naamwoord mannelijk, 1. Boon. 2. Boonvormig gezwel. Zegswijze witte boôn, schertsend voor rekruut of soldaat (verouderd). Meervoud bône, in de zegswijze de bône deur de braai roere, gekke dingen doen. – Bône zoeke, bonen uitzoeken. – Gêle bône, dialectische variant van bruine bonen. Verkleinvorm meervoud boôntjes, in de zegswijze deer kè je je boôntjes nei (op) we(i)ke, daar kan je donder op zeggen.
boordevol, borendevol, dialectische variant van boordevol.
boos, boôs, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: heel erg. | ’t Liep m’n boôs teugen, 2. Zeer slecht. | ’t Is boôs weer. Vgl. Fries boas waer.
bootje, boôtje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: gouden of zilveren sluiting, bezet met edelstenen (verouderd). Het bootje bevond zich tussen de twee zijstukjes van een (bloed)koralen halsketting, vlak onder de kin.
borat, brat, zelfstandig naamwoord de, Borat. | Haal efkes ’n kaartje brat.
bord, bord, zelfstandig naamwoord ’t, Bord; plank. Zegswijze an ’t bord staan, aangetekend staan op het bord aan of bij het gemeentehuis. – Mit ’n bord voor z’n kop loupe, kortzichtig, eigenwijs, hardleers zijn. – Te borde, verouderd voor te berde. Meervoud borde. Etensborden, in de zegswijze dubbel(d)e borde, maar gien ham, gezegd met betrekking tot lieden die zich rijker voordoen dan ze zijn. Verkleinvorm bordjes, in de zegswijze an de uithangende bordjes te zien, afgaande op datgene wat men aan de buitenkant kan waarnemen. | An de uithangende bordjes te zien, boere ze deer pittig. De hier bedoelde bordjes waren waarschijnlijk planken of plankjes waarop de koopwaar buiten werd uitgestald.
bordenwas, bordewas, zelfstandig naamwoord de, Afwas, o.a. van etensborden.
bordenwater, bordewater, zelfstandig naamwoord ’t, Afwaswater, o.a. voor etensborden.
bordes, bartees, zelfstandig naamwoord de/’t, Bijbouwsel, afdak aan boerenwoning (verouderd). Vgl. Middelnederlands bardesche = bordes, luifel. Oudfrans bretesche.
bordig, bordig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze ’t te bordig make, contaminatie van het te bont maken en het te gortig maken.
borg, burge, zelfstandig naamwoord meervoud, Borgen, zij die als borg optreden. Zegswijze houten burge, waardeloze, niet kapitaalkrachtige borgen.
borgen, burge, werkwoord, Borgen. Zegswijze nou moet je niet burge, nu moet je eerlijk je mening zeggen. Eigenlijk niet als borg, dus namens een ander, optreden.
borrel, borrel, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n borrel in ienen, ’n swavelstok in tienen, gezegd van iemand die enerzijds zeer royaal is (vooral als hij er zelf profijt van heeft), anderzijds echter overdreven zuinig is. De zegswijze duidt er letterlijk op dat men een borrel in één teug opdrinkt, maar een zwavelstokje (ouderwetse voorloper van de lucifer) tien keer tracht te benutten.
borrelen, porrele, werkwoord, Variant van borrelen, borrelende of pruttelende geluiden maken, o.a. gezegd van zuigelingen.
borrelig, porrelig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Korzelig, tegenpruttelend.
borrelpraat, borrelpraat, borreltjespraat, zelfstandig naamwoord de, Dronkemanspraat, kletskoek, onzin.
bors, bòrs, zelfstandig naamwoord de/’t, Varkenskluiven, schonkjes en bonkjes van het varken (verouderd). Het woord wordt wel in verband gebracht met verouderd borze (uit Latijn ursus) = beer. Vgl. het N.E.W. onder bors.
borst, borst, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de borst smere (zalve), een stevig borreltje drinken.
borstel, bartel, zelfstandig naamwoord de, Verouderde vorm voor borstel.
borstig, borstig, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze borstig weze. 1. Flinke borsten hebben. 2. Vol op de borst, verkouden zijn.
borstrok, borstrok, zelfstandig naamwoord de/’t, De borstrok.
bort, bor, bort, zelfstandig naamwoord ’t, Borrelend geluid van de ingewanden, buikrommeling (verouderd).
bos, bos, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t gaat er of in ’t bos, het gaat er te keer, het moet niet gekker worden.
bosduivel, bosduvel, zelfstandig naamwoord de, Bosduivel, in de zegswijze d’r bai loupe as ’n bosduvel, er slordig, onverzorgd bijlopen.
boskleed, bòskleidje, zelfstandig naamwoord ’t, Extra kleedje of juten zak, gebruikt als bescherming tegen het ‘bòsse’. Zie bòsse.
bospeen, bospeen, zelfstandig naamwoord de, Aan bossen gebonden peen(tjes).
bosselen, bòssele, werkwoord, Herhaaldelijk, aanhoudend bòsse. Zie bòsse.
bosselen, bòzzele, werkwoord, Zie bòssele. Vgl. Boek. Zie ook: ofbozzele en poezele.
bossen, bòske, werkwoord, 1. Jakkeren, opjagen. | De baas liep de hêle dag achter z’n volk an te bosken. 2. Ravotten. | Wat zien julle d’r verboefd uit, benne julle weer an ’t bosken weest?
bossen, bòsse, werkwoord, Vuile voeten op een schone vloer, een schoon kleed zetten, met vuile voeten binnen lopen.
bossen, bòzze, werkwoord, Zie bòsse. Vgl. Boek. Zie ook: poeze.
bosseren, bòskere, werkwoord, Herhaaldelijk, aanhoudend ‘boske’, Zie bòske.
bot, bot, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: 1. Vlak bij, op of aan. | Hai weunt bot an de weg. 2. Onmiddellijk, dringend. | Hai zee d’r bot boven op, dat ’t ’m niks skêle kon. Ik ben er bot om verlegen. 3. erg, zielig, sneu, spijtig. | Dat is toch te bot. Ik vind ’t zô maar te bot om die stoele weg te doen.
boter, butter, zelfstandig naamwoord de, Boter. Men onderscheidde o.a.: rooie butter, grasboter. – witte butter, hooiboter. Zegswijze nou zel de butter geld gelde, nu gaat het gebeuren, nu komt het er op aan. – De butter an twei kante smere, royaal doen, verkwistend zijn. | Deer hewwe ze niks gien krimp, deer kenne ze de butter an twei kante smere. – Hei je butter stolen? schertsende opmerking tot iemand met grote gaten in sokken of kousen. – Al loupt de butter in ’t vuur, al moet de onderste steen boven komen.
boterbabbel, butterbabbel, zelfstandig naamwoord de, Botersnoepje. Vgl. babbel.
boterbeestje, butterbiesies, zelfstandig naamwoord meervoud, Dunne, in boter gebakken koekjes, oorspronkelijk in de vorm van allerlei ‘biesies’ = beestjes. Zegswijze butterbiesies mit ouwe keis, 1. aanduiding van iets dat niet bestaat. 2. afwimpelende reactie op de vraag wat men moet eten.
boterdiggel, butterdiggel, zelfstandig naamwoord de, Stenen of porseleinen boterschotel (verouderd).
boteren, buttere, werkwoord, 1. Boter maken of tot boter worden. 2. Tobben, martelen.
botergieter, buttergieter, zelfstandig naamwoord de, Sauskom met gesmolten boter.
botermouw, buttermoud, zelfstandig naamwoord de, Zie moud.
boterschotel, butterskuttel, zelfstandig naamwoord de, Schotel of schaaltje voor (gesmolten) boter, botervloot.
boterschraper, butterskrapers, zelfstandig naamwoord meervoud, Schertsend gezegd van grote, vooruitstekende tanden, met name van de twee bovensnijtanden.
boterstip, butterstip, zelfstandig naamwoord de, Botersaus (verouderd) Vgl. Fries bûterstip.
botertijn, buttertoin, zelfstandig naamwoord de, Tijn of vaatje waarin verscheidene koppen boter naast elkaar werden geplaatst.
botreis, botrois, zelfstandig naamwoord de, Vergeefse reis (verouderd) Vgl. dotrois.
botten, botte, werkwoord, Zie spanbotte.
botteren, bottere, werkwoord, Elkaar met sneeuwballen bekogelen (verouderd).
botvreemd, botvreemd, bijvoeglijk naamwoord, Totaal vreemd.
bougie, boeziés, zelfstandig naamwoord meervoud, Bougies. Zegswijze hai is z’n boeziés kwoit, platschertsend voor: hij is gecastreerd. Ook zegt men wel: de ontsteking is er uit.
bouter, bouter, zelfstandig naamwoord de, 1. Ui met extra dikke steel maar zonder ontwikkelde vrucht. Vgl. stoifsteerte. 2. Ui die niet de gewenste platte vorm heeft. 3. Dubbele boterham (verouderd).
bouw, bouw, zelfstandig naamwoord de, Bouwland, akker. | Hai is efkes de bouw uit. Zegswijze hai zel wel de bouw uitgaan, hij zal wel tuinder worden of tuindersknecht. – Op de bouw werke. 1. tuinder of tuindersknecht zijn. 2. Op de akker werken.
bouwen, bouwe, werkwoord, 1. Verbouwen, kweken. | Hai bouwt enkeld eerappele. 2. Planten, poten, inzaaien. | We moete murgen te piepers bouwen. Zegswijze bouwe om deêl, produkten verbouwen met als afspraak dat een bepaald deel van de opbrengst ten goede komt aan degene die zijn bouwland beschikbaar stelt, terwijl de gebruiker het andere deel zal ontvangen. – Bouwe om halven, zie ‘bouwe om deêl’, waarbij in dit geval het bedoelde deel op de helft van de opbrengst is bepaald. In De Streek was het tot voor kort heel gebruikelijk, dat men (late) bloemkool ‘om deêl’ of ‘om halven’ verbouwde. – Je moete bouwe wat om de wal droift, je moet het komend seizoen juist die produkten verbouwen welke het afgelopen seizoen weinig of niets waard waren en dus als het ware in de sloot belandden. – Te bouwen gaan, ook: er op uit gaan om het bouwland te bekijken. – ’n Sjekkie bouwe, een ‘shaggie’ rollen.
bouwer, bouwer, zelfstandig naamwoord de, Tuinder, kweker. Men onderscheidt o.a. de volgende typen ‘bouwers’: ’n Foine bouwer, tuinder die fijne, arbeidsintensieve produkten teelt, – ’n Gnappe bouwer, 1. tuinder die veel zorg aan zijn bedrijf besteedt, met name het onkruid goed bestrijdt. 2. tuinder die een behoorlijk groot bedrijf heeft. – ’n Grôve bouwer, tuinder die grove, weinig arbeidsintensieve produkten teelt. – ’n Ruige bouwer, tuinder die slordig te werk gaat, die weinig doet aan het onderhoud van zijn land en aan onkruidbestrijding. – ’n Tuke bouwer, tuinder die zeer veel zorg besteedt aan zijn bedrijf, aan het onderhoud van zijn materialen en van zijn land en aan het bestrijden van onkruid.
bouwerij, bouweraai, zelfstandig naamwoord de, 1. De verbouw of teelt. | Bloemkoôl is op heden ’n beste bouweraai. 2. Het tuindersvak. | De bouweraai trekt gien jong volk meer. 3. Bouwland. | Hai het maar ’n paar bunder bouweraai.
bouwerman, bouwerman, zelfstandig naamwoord de, Tuinder. Meervoud bouwerlui.
bouwerrollen, bouwer-rolle, werkwoord, Door tegenslag of wanbeleid van het tuindersbedrijf afraken. Vgl. boer-rolle.
bouwersboede, bouwersboetje, zelfstandig naamwoord ’t, Schuurtje op de akker, dienend als opslagplaats voor klein materiaal en als schaft- en schuilplaats. Vgl. veldersboetje.
bouwersklomp, bouwersklompe, zelfstandig naamwoord meervoud, Klompen die men bij het werk op de akker draagt.
bouwersmes, bouwersmes, zelfstandig naamwoord ’t, Oud mes (broodmes), o.a. gebruikt om modder of vuil onder het schoeisel weg te schrapen voor men in de schuit stapte of het huis binnenging.
bouwersschuit, bouwersskuit, zelfstandig naamwoord de, Schuit waarmee de tuinder naar de akker voer en waarmee hij materialen en produkten vervoerde.
bouwerssok, bouwerssokke, zelfstandig naamwoord meervoud, Grove sokken die men droeg bij het werk op de akker.
bouwersstuk, bouwersstik, zelfstandig naamwoord ’t, Dikke boterham die tijdens het schaften op de akker werd opgegeten.
bouwkrabber, bouwkrabber, zelfstandig naamwoord de, Spotnaam voor tuinder.
bouwrot, bouwrot, zelfstandig naamwoord de, Ervaren, zeer toegewijde tuinder.
bouwtijd, bouwtoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd voor het planten, poten en inzaaien.
boveneind, boven-end, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: eerste of bovenste stallen waar doorgaans de beste koeien staan.
bovenkorst, bovenkorst, zelfstandig naamwoord de, Zie bolder en boldermes.
bovenlicht, bovenlicht, zelfstandig naamwoord ’t, Raam boven de buitendeur van een huis of schuur.
bovenst, bovenste, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie bovenste koe, zie boven-end. – Koe van ’t bovenste stal, zie boven-end.
boy, booi, zelfstandig naamwoord de, 1. (Kwa)jongen. Vgl. Fries boai, Engels boy. 2. Flinke, forse knaap of meid. | Piet wordt al puur zô’n booi. ’t Is ’n booi van ’n moid. Zegswijze booi is baas (meister), er is geen orde, het is een rommelig huishouden. Meervoud boois, booie.
braaf, braaf, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: maar net, juist. | ’t Is braaf half vier. We wazze braaf thuis, toe ’t begon te onweren.
braam, braam, zelfstandig naamwoord de, Braam, oneffen rand. Zegswijze de braam is er of, 1. het nieuwe is er af. 2. de beste puntjes zijn er af. 3. schertsend gezegd met betrekking tot een meisje dat geen maagd meer is.
braden, breide, werkwoord, Braden.
bradend, braiend, bijvoeglijk naamwoord, Dol, woedend (verouderd). | Ze hewwe die braiende hond ofmaakt.
brader, breider, zelfstandig naamwoord de, 1. Flink, werklustig persoon. 2. Onooglijk, zwak persoontje of zwakke plant (verouderd). 3. Verzameling uitwerpselen in een luier of broek waarmee een kind lange tijd ligt of rondloopt, zodat genoemde last als het ware gebraden wordt.
brak, brak, bijvoeglijk naamwoord, Ook: nors, stuurs (verouderd). Eigenlijk kijkend alsof men een brakke, zoutachtige smaak in de mond heeft. Vgl. Boek.
brak, brak, zelfstandig naamwoord de, 1. Jacht- of speurhond. Uit Frans braque. 2. Snuffelaar, iemand die op slinkse wijze achter een geheim tracht te komen. 3. Deugniet, wilde rakker, straatschuimer.
brakje, brakje, brakkie, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Klein kind. 2. Nufje, viesneus.
brakken, brakke, werkwoord, Stoeien, ravotten (op straat). Afleiding van het zelfstandig naamwoord brak. Zie aldaar.
brakkerig, brakkerig, bijvoeglijk naamwoord, Zie brakkig.
brakkig, brakkig, bijvoeglijk naamwoord, Ziekelijk, zwak. Het woord is mogelijk verwant met breken, hier in de zin van: er gebroken uitzien.
bramennat, bramenat, zelfstandig naamwoord de/’t, Bramensap.
bramenpent, bramepent, zelfstandig naamwoord de, Bramenpap.
brand, brand, zelfstandig naamwoord de, Ook: paardeziekte. | ’t Peerd het brand in z’n loif. Zegswijze in de brand staan. 1. in brand staan. 2. figuurlijk smoorverliefd of zeer trouwlustig zijn. 3. zeer gehaast zijn. – In de brand hewwe, brandend hebben, stoken. | Hai had ’n poip in de brand. Hei je de kachel al in de brand? – Brand is erger, er gebeuren ergere dingen, maak je niet zo druk, trek het je niet zo aan. – De brand zit er niet in, er is geen haast bij, rustig aan. – Uit de brand (bê je), wat een pech, wat zit je daar lelijk mee opgescheept. – In de brand, uit de brand, zinspeling op het feit, dat men soms uit de vergoeding voor zijn door brand verloren of beschadigde eigendommen voordeel trekt. – Beter ien keer brand as drie keer verkasse, steeds verhuizen kan zeer onaangenaam en kostbaar zijn.
brandewijnkom, brandewoinskom, zelfstandig naamwoord de, Brandewijnkom.
brandewijnlepel, brandewoinslepel, zelfstandig naamwoord de, Zilveren lepel waarmee men de brandewijn uit de grote zilveren of porseleinen brandewijnkom schepte.
brandheet, brandheit, bijvoeglijk naamwoord, Zeer heet, vurig, wellustig.
brandnetel, brandenekel, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van brandnetel; verouder barnnetel.
brat, brat, zelfstandig naamwoord de, 1. Smeerboel, smurrie. | Ruim jij die brat zélf maar op. 2. Grote hoeveelheid. | Hai het nag ’n brat wortele lègge. Vgl. Fries brot. Meervoud bratte, in de zegswijze bratte make, een smeerboel maken, rommel maken.
brat, brat, bijvoeglijk naamwoord, 1. Deftig, parmantig. | We hewwe brat anzeten. 2. Flink, stoer. | ’t Is ’n bratte kirrel. Vgl. Nederlands prat, Fries brat. Zie ook Boek. onder brat (II).
bratten, bratte, werkwoord, Een smeerboel maken, rommel maken. | Niet zô bratte, ’oor.
breed, breid, bijvoeglijk naamwoord, Breed. Zegswijze breid anzitte, op zijn gemak en zelfbewust aanzitten. – Zô breid as de Koepóórt, erg breed en corpulent. Letterlijk als de Koepoort (oude stadspoort) te Enkhuizen en voorheen ook te Hoorn. | Zou ze de bus wel in kenne, ze is temet zô breid as de Koepóórt.
breedst, breist, breidst, zelfstandig naamwoord ’t, Het breedste, in de zegswijze ’t brei(d)st komt achter(an), het venijn zit in de staart, de problemen komen achteraf nog wel.
breek, breek, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze voor de breek, als reserve, achter de hand. | Koup maar ’n paar extra veters voor de breek. – In elke stad ’n âre skat en thuis ien voor de breek, gezegd van een ontrouwe minnaar of echtgenoot.
breeuwen, breêuwe, werkwoord, Breeuwen, naden in de huid van een vaartuig dichten. Zegswijze Kouse (sokke) breêuwe, kousen (sokken) stoppen.
breid, braid, Zie braiend.
breien, braide, werkwoord, Dialectische variant van breien. De vorm ‘breiden’ is ouder dan ‘breien’.
breien, braaie, werkwoord, Breien. De vervoeging is: braaie – bree – breeën/breden. Zie ook de vorm ‘braide’ als infinitief.
breken, breke, sterk werkwoord, Breken. De vervoeging luidt: breke – brak/brakke – broken. Zegswijze breek je nek verzichtig, schertsopmerking aan het adres van iemand die struikelt of dreigt te struikelen.
brem, brem, zelfstandig naamwoord de, Kuch. Zie bremme.
bremer, bremer, zie breems.
bremmen, bremme, werkwoord, De keel schrapen, kuchen, hoesten. Vgl. Fries brimme.
brems, breems, zelfstandig naamwoord de, Soort horzel. Vgl. Boek.
bremzen, bremese, werkwoord, Puffen, blazen, met onnodige drukte te werk gaan. Het woord is waarschijnlijk een afleiding van breems = horzel en duidt letterlijk op het te keer gaan van het insekt.
bremzout, bremzout, bijvoeglijk naamwoord, Erg zout, zo zout dat men ervan ‘bremt’ of hoest.
brengen, brenge, bringe, onregelmatig werkwoord, Brengen. De vervoeging luidt: brenge – brocht/brong – brocht/brongen. Vgl. Fries bringe – brocht – brocht. Zegswijze ’n kalfie brenge, een kalfje baren, voortbrengen.
bretel, bretelze, zelfstandig naamwoord meervoud, Bretels.
brief, brief, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Biljet, formulier. 2. Papieren zak(je), o.a. in samenstellingen als: hoedebrief, koekbrief, stikkebrief, suikerbrief, tebaksbrief, zuurtjesbrief. Verkleinvorm meervoud briefies. Zie voor een zegswijze: inbrenge.
briek, briek, brik, bijvoeglijk naamwoord, 1. Bleek, ziekelijk, breekbaar. | Wat ziet ze d’r briek uit. 2. Zuur, gramstorig, verdrietig. | Wat koik je toch briek. Het woord is waarschijnlijk verwant met breken. Vgl. ook brak en brik.
briekje, briekie, brikkie, zelfstandig naamwoord ’t, Zwak, ziekelijk kind of dier.
briesend, brieskend, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Briesend. 2. Zeer, heel erg. | ’t Is hier brieskend heit. De vorm brieskend is verouderd. Vgl. Boek.
brievenbord, brievebord, zelfstandig naamwoord ’t, Aanplakbord aan of bij het gemeentehuis.
brievenvrijer, brievevraaier, zelfstandig naamwoord de, 1. Vrijer die slechts per brief zijn amoureuze gevoelens uit of durft te uiten. 2. Correspondentievriend.
brievenvrijster, brievevraaister, zelfstandig naamwoord de, 1. Vrijster die slechts per brief haar amoureuze gevoelens uit of durft te uiten. 2. Correspondentievriendin.
brievenzak, brievezak, zelfstandig naamwoord de, (Grote) papieren zak. | M’n hoed zit nag in die brievezak.
brij, braai, zelfstandig naamwoord de, Brij. Zegswijze de braai over de mat(te) smere. verkwistend zijn, onverantwoorde uitgaven doen. Letterlijk de brij over de stoelen met rieten zittingen smeren.
brijn, broin, bijvoeglijk naamwoord, 1. Zout. 2. Lelijk, kwaad. | Wat koik je broin. 3. Pittig, boeiend. Vgl. Fries brein, Engels brine.
brijnzout, broinzout, bijvoeglijk naamwoord, Erg zout. Vgl. Fries breinsâlt.
brijvolk, braaivolk, zelfstandig naamwoord ’t, Spotnaam voor boerenvolk (dat dikwijls brij at).
brijzuipen, braaizuipe, werkwoord, Brij of pap eten.
brik, brikkie, zelfstandig naamwoord ’t, Meevallertje, extraatje. Het woord is een afleiding van breken. Zie het N.E.W. waar onder brik 1. wordt vermeld: nu verouderd ‘brok van iets dat gebroken is, gruizel’, ook ‘geldstukken, geld’. Afleiding van breken.
bril, bril, zelfstandig naamwoord de, Bril. Zegswijze ’n dikke bril hewwe, stomdronken zijn. Verkleinvorm briltje. Zegswijze ’n briltje hewwe, lichtelijk verheugd zijn.
brits, bris, brits, zelfstandig naamwoord de, Achterste, derrière, in de zegswijze ientje ’n goeie bri(t)s geve, iemand een stevig pak op de billen geven.
britsig, brissig, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze brissig weze, graag willen zitten. Eigenlijk ‘britsig’ afleiding van brits.
broche, bros, zelfstandig naamwoord de, Broche.
broed, broed, zelfstandig naamwoord ’t, Gebroed, broedsel. Vgl. Fries brod.
broed, broet, bruut, zelfstandig naamwoord de/’t, (Mensen)drek (verouderd). Mogelijk is het woord verwant met broeden, hier in de zin van: wat in de vorm van uitwerpselen wordt uitgebroed. Daarnaast zou men aansluiting kunnen zoeken bij brui (in de betekenis van rommel), afleiding van bruien. Vgl. het N.E.W. onder brui. Dialectische variant bruut.
broedemmer, broetemmer, bruutemmer, zelfstandig naamwoord de, Emmer waarin de uitwerpselen belandden, waarin men zijn behoefte deed (verouderd).
broeden, broede, werkwoord, in de zegswijze goed broede, goed onder de wol blijven, uitzieken.
broeder, broeder, zelfstandig naamwoord de, Ook: Soort jan-in-de-zak, meelspijs. Zegswijze ’n broeder mit ’n pul, broeder waarvan de kern niet gaar is. – Hoornse broeder, soort grote ronde koek met krenten en bestaande uit twee helften waartussen suiker en kaneel wordt gedaan. – De broeder kon niet gaar, woordspeling met betrekking tot een jongeman die de opleiding voor broeder of frater had afgebroken.
broederzak, broederzak, zelfstandig naamwoord de, Linnen zak(je) waarin de broeder wordt gekookt.
broeds, broesk, bijvoeglijk naamwoord, Verouderde vorm van broeds. Vgl. Fries brodsk. | We hewwe ’n paar broeske kippe.
broei, broei, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze an de broei rake, in broei raken, gaan broeien. | ’t Hooi was an de broei raakt. – Ik hew de broei niet in m’n boekie, 1. het geld groeit me niet op de rug. 2. ik besteed mijn geld niet aan nutteloze zaken.
broeier, broeier, zelfstandig naamwoord de, 1. Kweker die in een kas o.a. tulpen vervroegd in bloei brengt. 2. (Tulpe)bol die door het ‘broeien’ in een kas vervroegd tot bloei komt. 3. Onruststoker, ellendeling. | Die broeier zoekt altoid rottighoid.
broeiig, broeiig, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van broeierig.
broek, broek, zelfstandig naamwoord de/’t, Moerasland. Het woord is mogelijk verwant met breken, eigenlijk door water gebroken land. Een andere suggestie is, dat het teruggaat op een keltisch woord brog = streekland. Als element van plaatsnamen komt broek o.a. voor in Broek op Langedijk, Grootebroek, Lutjebroek enz.
broek, broek, zelfstandig naamwoord de, 1. Broek, pantalon. 2. Gedeelte van het paardetuig dat het achterste van een paard omspant. Zegswijze de broek heêl houwe, er financieel uitspringen, geen verlies lijden. – De broek op de freethaak hewwe, onbetamelijk veel eten. – De broek moet welders skrobd worre, je kunt niet altijd het heertje zijn. – An de broek trekke, terugkrabbelen, bakzeil halen. – An de broek kroige, een pak slaag krijgen, gevoelig verliezen. | Ze krege mit 5-0 an de broek. – Ientje de broek opbinde, 1. iemand een pak rammel geven. 2. iemand de baas zijn, te vlug af zijn. – Mit de broek of moete, zijn behoeften moeten doen. – Je kenne van moin je broek strooie, je kunt van mij naar de pomp lopen. – Zô kè je mit je broek wel paling vange, met zoveel geluk kun je alles wel bereiken; door zo te redeneren is zelfs het onmogelijke te realiseren. – Hoe wul je ’n broek make as je gien bille hewwe, hoe wil je zonder (geld)middelen iets bereiken. – Je moet je oigen broek maar ophale, je moet jezelf maar zien te redden. – Trek je broek maar uit en gaan maar op de poipe staan, schertsreactie op iemands opmerking ergens niet bij te kunnen (met betrekking tot de hoogte). Meervoud broeke, in de zegswijze weer broeke benne, betale gien doeke, het is usance dat een jongen de vertering van het meisje betaalt. ‘Broeke’ duidt hier op broekdragers of jongens, ‘doeke’ op meisjes die een doek of sjaal dragen. Verkleinvorm broekie, in de zegswijze achter ’t gebreeën broekie lègge, schertsend voor: naast zijn vrouw in bed liggen.
Broek, Broek, zelfstandig naamwoord, Kortweg voor Broek op Langedijk.
broekafzakkerig, broekafzakkerig, bijvoeglijk naamwoord, Zie broekzakkerig.
broekhoest, broekhoest, zelfstandig naamwoord de, Schertsend voor diarree of ‘winderigheid’.
broekland, broekland, zelfstandig naamwoord ’t, Moerasland.
broeklappen, broeklappe, broekelappe, werkwoord, Broeklappen, in de zegswijze ’t is broek(e)lappen en géren toegeve, gezegd van een karweitje dat slecht betaald wordt of van een onderneming waar voortdurend geld bij moet.
broekschijter, broekeskoiter, broekeskoiterd, zelfstandig naamwoord de, Bangerik, lafaard.
broekzakkerig, broekzakkerig, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze ’t is broekzakkerig weer. 1. ’t Is broeierig weer. 2. Schertsopmerking aan het adres van iemand wiens broek (voortdurend) afzakt.
brok, brokke, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze mit de brokke zitte, met de nare gevolgen zitten.
brom, brom, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de brom in hewwe. 1. mopperig zijn, de smoor in hebben. 2. dronken zijn.
brommer, brommer, brommerd, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Bromvlieg. 2. Onrustige, bulkende koe. 3. Onvruchtbare koe.
brommertje, brommertje, zelfstandig naamwoord ’t, Wagentje waarvan de zijportieren tot de grond reikten en met een bok voor de koetsier (verouderd).
brood, broôd, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze op broôd gaan, brood meenemen voor de middagpauze (op de akker of elders). – Z’n meiste broôd al op hewwe, op (ver) gevorderde leeftijd zijn. – Weer (deer) je broôd is, is je vaderland, je vaderland is daar waar je de kost kunt verdienen. – As ’t broôd van oigen deig is, moet je in de bakkeraai bloive, 1. worden er zaken besproken die voor jezelf van belang zijn, dan dien je er bij te zijn. 2. Eigen werk moet je niet aan anderen overlaten.
broodbeleg, broôdbeleg, zelfstandig naamwoord ’t, Broodbelegsel.
broodetenstafel, broôdeterstafel, zelfstandig naamwoord de, Tafel waaraan brood wordt gegeten; broodtafel.
broodetenstijd, broôdeterstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd voor het brood eten. Vgl. Fries brea-iterstiid.
broodkaas, broôdkaas, zelfstandig naamwoord de, Zie kaas en stikkekaas.
broodkruimel, broôdkrummels, zelfstandig naamwoord meervoud, Broodkruimels. Zegswijze de broôdkrummels beginne te steken, 1. Gezegd als iemand kwaad wordt om een kleinigheid. 2. Gezegd als iemand aanmatigend is of zich voor zijn eenvoudige afkomst schaamt.
broodsop, broôdsop, zelfstandig naamwoord ’t, In melk geweekt (oud)brood.
broodtafel, broôdtafel, zelfstandig naamwoord de, Koude tafel, tafel waarop alleen brood geserveerd wordt.
brouwen, breie, breêuwe, werkwoord, Dialectische variant van brouwen, met een huig-r spreken. Vgl. Fries brije.
brug, breg, zelfstandig naamwoord de, Variant van brug. Zegswijze ’t voer loit in de breg, het onheil is geschied. – De ien loit de breg, de aâr loupt er over, de een doet het zware of riskante (pioniers)werk, de ander profiteert ervan.
bruid, bruid, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ze is de bruid op ’t hippie, ze staat op trouwen, ze is er als het ware nog een hippie = hupje of sprongetje van af. – As de bruid is in de skuit, benne de mooie praatjes uit, pas na de bruiloft komt de ware aard van de bruidegom aan de dag en is het uit met de vleierijtjes.
bruidegom, bruigem, zelfstandig naamwoord de, Bruidegom.
bruidegomspak, bruigemspak, zelfstandig naamwoord ’t, Trouwcostuum.
bruidegomspijp, bruigemspoip, zelfstandig naamwoord de, Lange, versierde pijp waaruit tijdens de bruiloft de bruidegom rookte (verouderd).
bruids- en bruidegomsweer, bruid- en bruigemsweer, zelfstandig naamwoord ’t, Heerlijk (voorjaars)weer.
bruidssuiker, bruidssuikers, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze die deêlt ok gien bruidssuikers uit, die is zuinig of gierig.
bruidstranen, bruidstrane, bruistrane, zelfstandig naamwoord meervoud, Bruidstranen, soort drank (vaak ‘boerenjongens’). Zegswijze op de brui(d)strane komme, een glaasje komen drinken tijdens de bruidsdagen, (verouderd).
bruien, bruie, werkwoord, Vallen, struikelen (verouderd).
bruiloft, brulleft, zelfstandig naamwoord de, Bruiloft. Vgl. Fries brulloft. Verkleinvorm brullefie.
bruiloften, brullefte, werkwoord, Bruiloft vieren. Vgl. Fries brulloftsje.
bruilofter, brullefters, zelfstandig naamwoord meervoud, Bruiloftvierders.
bruiloftsmeid, brulleftsmoidje, brullefsmoidje, zelfstandig naamwoord ’t, Meisje dat door een jongen is uitgenodigd met haar bruiloft te vieren.
bruiloftsstuk, brullefsstik, brulleftsstik, zelfstandig naamwoord ’t, Extra lekkere, dik belegde boterham.
bruiloftsstukje, brullefsstukkie, brulleftsstukkie, zelfstandig naamwoord ’t, Bruiloftsvoordracht of -liedje.
bruiloftsvolk, brullefsvolk, brulleftsvolk, zelfstandig naamwoord ’t, Bruiloftvierders.
bruiloftsvrijer, brullefsvraaier, brulleftsvraaier, zelfstandig naamwoord de, Jongeman die door een meisje is uitgenodigd met haar bruiloft te vieren.
bruiloftsvrijster, brullefsvraaister, brulleftsvraaister, zelfstandig naamwoord de, Zie brullefsmoidje.
Bruin, bruin, zelfstandig naamwoord de, Bruin paard. Zegswijze de bruin op stal zette, schertsende woordspeling voor: zijn behoefte doen.
bruintje, bruintje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: bruin etenskorstje, bruin brood(je).
bruisen, broeze, werkwoord, Water geven met een gieter of spuit. Het woord is een afleiding van broes = tuit met gaatjes. Zie N.E.W. onder broes.
brutaal, bretaal, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van brutaal. Zegswijze ’t is bretaal, het is sterk. Vgl. Fries it is bretaal.
buffel, buffel, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Iemand die of iets dat zeer groot, lomp of sterk in zijn soort is. | ’t Is ’n sterke buffel. Wat moet je mit zô’n buffel van ’n kast an? 2. Schoft, pummel. 3. Gulzige eter. 4. Luide oprisping, luide veest.
buffelen, buffele, werkwoord, 1. Pezen, hard werken. 2. Gulzig, ongemanierd eten. 3. Boeren of winden laten.
buffelig, buffelig, bijvoeglijk naamwoord, Onbeschoft; gulzig.
buffelsap, buffelesap, zelfstandig naamwoord de/’t, Schertsend voor koolzuurhoudende drank die tot oprispen prikkelt.
buffeltje, buffeltje, zelfstandig naamwoord ’t, Boertje, oprisping.
bui, bui, booi, búj, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de bui zien hange, het onheil, de ruzie zien aankomen. – De bui niet andurve, het risico niet aandurven. – De bui niet ofwachte, het onheil, de ruzie niet afwachten. – ’n Bui hange hewwe, aandrang tot urineren gevoelen. Dialectische variant búj; de ui klinkt hier ongeveer als in Frans freule.
buidelen, buidele, budele, werkwoord, Iets zwaars dragen of sjouwen (verouderd).
buik, buk, zelfstandig naamwoord de, 1. Variant van buik. 2. maag. 3. laadruimte van een bakwagen. Zegswijze ’n buk as ’n pachter, een dikke, zware buik. – ’n Buk as ’n poskenpot, een dikke, volle buik (als gevolg van overmatig eten en drinken). | ’n Buk (maag) mit ’n boetje hewwe, een grote maag hebben, een vreetwolf zijn. – | Ze het ’n buk mit biene, plat voor: ze is zwanger. – De buk ging op de leest, er werd volop gegeten en gedronken. – De buk dik hewwe, verzadigd zijn. – Buk dik, dag baas, verwijtend of schertsend gezegd als een gast of huisgenoot terstond na het eten vertrekt. – Beter ’n buk die barst as eten dat bederft, het is zonde om eten dat over is, weg te gooien, te laten bederven; dan kun je het nog beter, desnoods tegen heug en meug, opmaken. – Dat mag ’m de buk niet knelle, dat mag ’m niet hinderen. – Dat zit ’m dwars in de buk, dat zit hem dwars, dat zint hem niet.
buikdenning, bukdelling, zelfstandig naamwoord de, Buikdenning, planken beschot op de bodem van een schip.
buikloodje, bukeloôtje, zelfstandig naamwoord ’t, Nikkelen oogje aan de achterzijde van een mannendas.
buikriem, bukriem, zelfstandig naamwoord de, Buikriem, riem die onder de buik van het paard door aan het lemoen wordt bevestigd.
buikspek, bukspek, zelfstandig naamwoord de/’t, Spek van de buik (met name van varkens).
buil, buil, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze zô zel je je oigen gien buil valle, zo zul je weinig risico lopen, weinig geld uitgeven of verspelen.
buil, buul, zelfstandig naamwoord de, 1. Buidel, met name: geldbuidel. 2. Hufter, ellendeling. Zegswijze de buul verbai koupe, meer kopen dan de bedoeling was of dan men zich kan veroorloven. – In de buul bleize, (diep) in de beurs tasten.– De buul bloift nooit langer as honderd jaar in ien hand, rijkdom is in een familie na enkele generaties verdwenen. – ’t Mit ’n dichte buul redde kenne, niets hoeven uit te geven of (bij ruil) niets hoeven bij te betalen. – De strik ken op de buul bloive, zie de vorige zegswijze – De strik bloift van de buul, de portemonnee moet geregeld open. – Op ’n aâr z’n buul loupe, klaplopen. – De buul is plat, het geld is op, ik ben platzak. – De buul niet ve(e)r teugen de wind ingooie kenne, arm zijn, weinig bezitten. Het beeld doelt op een lege geldbuidel. – Wie de buul het, is baas, 1. de rijken hebben het doorgaans voor het zeggen. 2. Wie geld heeft, kan overal terecht.
builen, bule, werkwoord, Betalen. Het woord is een afleiding van buul = (geld)buidel. | Dat ken ik lang niet bule.
builensnaaier, bulesnaaier, zelfstandig naamwoord de, 1. Zakkenroller. Letterlijk iemand die (geld)buidels snaait of gapt. 2. Klaploper.
builhouder, buulhouwer, zelfstandig naamwoord de, 1. Penningmeester (verouderd) 2. Geldschieter (verouderd).
buisje, buisies, zelfstandig naamwoord meervoud, Verkorting van bollebuisies, in de zegswijze Goeie buisies bloive, goede vrienden blijven.
buisje, buusie, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Dialectische variant van buisje, bloesje (verouderd) 2. Portemonneetje.
buisterig, buisterig, bijvoeglijk naamwoord, Moe en verhit (verouderd) Mogelijk is het woord een afleiding van verouderd buizen = zwelgen, smullen, feestvieren. Zie het N.E.W. onder buis-5.
buiten, buiten, voorzetsel en bijwoord, in de combinatie in buiten, dialectische variant van buiten, buitenshuis. | Gane julle maar mooi in buiten speule. – D’r niet van buiten kenne, er niet buiten kunnen.
buiten, buitenen, bijwoord, Dialectische variant van buiten. | Ik vind z’n huis van buitenen niet zô mooi.
buiten, bute, werkwoord, 1. Beuren, zwaar tillen (verouderd) 2. Mannen, de baas zijn. Het woord is verwant met buit. Zie het N.E.W. onder buit. Zegswijze hai ken ’m bute nach beure, hij is niet tegen hem opgewassen.
buitenom, buiten-om, bijwoord, in de zegswijze buiten-om skaa(t)se, overstapjes nemen bij het schaatsen. – ’t Buiten-om hoord hewwe, het van de buitenwacht hebben vernomen. – Buiten-om werke, allerlei werk rondom de woning verrichten, zoals ramen lappen, straatje of pad schrobben enz.
buitenommen, buiten-omme, werkwoord, Zie buiten-om werke. | Wai doene altoid vroides buiten-omme.
buitenpoorter, buitenpoorter, zelfstandig naamwoord de, Iemand van buiten de stad of het dorp, niet-Westfries, vreemdeling. Oorspronkelijk iemand van buiten de stadspoorten.
buizen, buize, werkwoord, Zwelgen, smullen, feestvieren (verouderd) Het woord is verwant met een oudgermaans woord dat zwellen, opblazen betekent.
bukken, bokke, werkwoord, Dialectische variant van bukken. Vgl. Fries bokje.
bul, bul, zelfstandig naamwoord de, 1. Stier. 2. Dikzak. Zegswijze de bul van ’t stiek, 1. de stier die in een bepaald stiek of rayon de koeien dekt. 2. ontuchtige kerel.
bulken, bulke, werkwoord, Bulken, loeien. Zegswijze hai bulkt van ’t geld, hij is schatrijk. Mogelijk is bulke hier een dialectische variant van bulge. Zie bulge.
bulken, bulge, werkwoord, Uitpuilen, barsten (verouderd) | Hai bulgt van ’t geld. Vgl. Engels to bulge. Vgl. ook de zegswijze hai bulkt van ’t geld.
bullen, bulle, zelfstandig naamwoord meervoud, 1. Spullen, papieren. 2. Vodden, oude lappen.
bullenboede, bulleboet, zelfstandig naamwoord de, Schuur(tje) waar de stier gestald wordt.
bullenjaar, buljaar, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n buljaar ’n gul jaar, ’n kuijaar ’n bruijaar, oude rijmspreuk die aangaf dat een jaar waarin veel bullen of stierkalveren werden geboren, voor de boer voordeliger was dan een jaar waarin veel kuien of vrouwelijke kalveren werden geboren. ‘Brui’ is hier de stam van een oud werkwoord bruien, dat o.a. bederven betekende. Vgl. Middelnederlands bruye haring = bedorven haring, en de Nederlandse zegswijze de zaak verbruien.
bullenkuur, bullekuur, zelfstandig naamwoord de, Ketting waaraan een grazende stier vaststaat.
bullenloper, bullouper, zelfstandig naamwoord de, Man die met de stier langs de boerderijen trok. Hij kondigde zijn komst aan door op de ‘toethoorn’ te blazen. Vaak merkte de ‘bullouper’, na het karwei met de stier, op: ‘Hai (= de koe!) het ’t, boer, ma’k ’n stik?’ (Eigenlijk de koe heeft het sperma binnen, mag ik een boterham?).
bullenpad, bullepad, bullepadje, zelfstandig naamwoord onzijdig, 1. Pad van de stier met zijn begeleider langs de boerderijen. 2. Smal pad (door een weiland).
bullenraam, bulleraam, zelfstandig naamwoord ’t, Houten raamwerk dat een grazende stier wordt omgedaan om zijn bewegingsvrijheid te beperken.
bullenstek, bullestiek, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor: 1. Vereniging van boeren die één of meer fokstieren houden. 2. Rayon van een stierenhouder. 3. Plaats waar de stieren verblijven.
bullenweide, bullewoid, zelfstandig naamwoord de, Wei waar de stier graast.
bult, bult, zelfstandig naamwoord de, 1. Bult. 2. Belt. 3. Buil. 4. Grote hoeveelheid. | Hai verdient bepaald ’n bult geld.
bunzig, bunzig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Bang, bevreesd. 2. Riskant. | Je loike wel ’n beetje bunzig. | Die zaak loikt moin te bunzig. Misschien is het woord verwant met bunzing, een dier dat zeer schuw is en bij gevaar een zeer onwelriekend vocht afscheidt.
bunzing, bongsem, bonsem, zelfstandig naamwoord de, Bunzing; ook bongseling, bonseling.
bups, bups, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de hêle bups, de hele boel. | Hai het de hêle bups verkocht.
Burg, Burg, zelfstandig naamwoord, Kortweg voor Eenigeburg.
burgerhuis, burgerhuisie, zelfstandig naamwoord ’t, Eenvoudige, nette (middenstands)woning.
burgermanshuis, burgermanshuisie, zelfstandig naamwoord ’t, Zie burgerhuisie.
burgermens, burgermense, zelfstandig naamwoord meervoud, Eenvoudige, nette mensen.
burrie, burrie, zelfstandig naamwoord de, Verkorting van burgemeester. | Ik hew de burrie sproken.
busk, busk, zelfstandig naamwoord de/’t, Hoog opgeschoten, dichte bossen gras, ontstaan op plaatsen waar uitwerpselen zijn gevallen.
busken, buske, werkwoord, ‘Busk’ maaien.
buskgras, buskgras, zelfstandig naamwoord ’t, Zie busk.
buskhooi, buskhooi, zelfstandig naamwoord ’t, Hooi van ‘busk(gras)’.
buskruiten, buskruite, werkwoord, Oud kinderspel (Venhuizen).
bussel, bussel, zelfstandig naamwoord de, 1. Oude inhoudsmaat, te weten 36.4 l. 2. Lage, ronde ooftmand. Vgl. Engels bushel.
buuf, buus, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van buurvrouw.
buur, buur, zelfstandig naamwoord de, Buur. Vaak aanspreekvorm voor een buurman of buurvrouw, soms ook voor anderen. Vooral vroeger kwam ‘buur’ vaak voor als tweede lid in samenstellingen, zoals: Jánbuur = buurman Jan; Aáltjebuur = buurvrouw Aaltje.
buurman, buman, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van buurman.
buurten, buurtjese, werkwoord, Zie buurte.
buurten, buurte, werkwoord, Een wandelingetje in de buurt of een buurpraatje gaan maken.
buurtschap, boerskip, zelfstandig naamwoord de, Pachter, pachtboer (verouderd).
buurvrijer, buurvraaier, zelfstandig naamwoord de, Jongeman die de vrijer is van zijn buurmeisje.
buurvrijster, buurvraaister, zelfstandig naamwoord de, Meisje dat de vrijster is van haar buurjongen.
buurvrouw, buvrouw, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van buurvrouw.
cadré, kadréé, bijvoeglijk naamwoord, Behoorlijk, netjes. (verouderd) Uit Frans cadrer. | Je ziene d’r kadréé uit.
calangeren, kallanzére, werkwoord, Bekeuren, verbaliseren. Uit Frans calenger.
captie, kapsie, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze kapsie hewwe, ruzie hebben (verouderd). Uit Latijn captio. Meervoud kapsies, in de zegswijze kapsies hewwe, kapsones, verbeelding, praatjes hebben.
casueel, kazeweêl, bijvoeglijk naamwoord, Casueel, toevallig.
catalogus, kattelógus, zelfstandig naamwoord de, Catálogus.
categorie, kattegórie, zelfstandig naamwoord de, Categorié.
cb’tje, seebéétje, zelfstandig naamwoord ’t, c.-b.-tje, afkorting van citroenbrandewijntje. | Geef moin maar ’n seebeetje.
cent, sent, zelfstandig naamwoord de, Cent, in de zegswijze gien sent in de mars hewwe, straatarm zijn. De mars is hier de koffer of kist met koopwaar. Vgl. marskramer. – Gien sent op zak hewwe, geen geld bij zich hebben. – Je zouwe ’m ’n sent geve, spottend gezegd van iemand die armoedig of haveloos gekleed is, die misplaatst misbaar maakt of misplaatst medelijden tracht op te wekken. – Voor gien sent, totaal niet. | Ik vertrouw ’m voor gien sent. Verkleinvorm sentje, in de zegswijze gien sentje poin, helemaal geen moeilijkheden of problemen.
centenkaas, sentekeis, zelfstandig naamwoord de, Minder goede kaas (verouderd). De laatste wrongel uit een tobbe geeft een inferieur produkt. Voorheen werd in de fabriek bij het ‘doeken’ van deze kaas op de kaasdoek een cent gelegd. Na het persen bleef er op de kaaskorst een afdruk van deze cent achter.
centrifuge, sentrefu, zelfstandig naamwoord de, Centrifuge.
chagrijn, saggeroin, zelfstandig naamwoord ’t/de, 1. Chagrijn, verdriet, ellende. | Deer het ie ’n zoôt saggeroin van had. 2. Chagrijnig persoon. 3. Gierigaard. | Zegswijze wat ’n stuk saggeroin, 1. wat een mispunt. 2. wat een gierigaard.
chagrijnen, saggeroine, werkwoord, 1. Chagrijnig, vervelend doen. | Lèg toch niet zô te saggeroinen. 2. Gierig, te zuinig doen.
chagrijnig, saggeroinig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Chagrijnig, vervelend. 2. Gierig.
chagrijnigheid, saggeroinighoid, zelfstandig naamwoord de, 1. Chagrijnigheid, balorigheid. 2. Gierigheid.
charette, serét, zelfstandig naamwoord ’t, Kar(retje) (verouderd). Uit Frans charette. Vgl. hondeseret.
chef, sef, zelfstandig naamwoord de, Variant van chef. Meervoud sefs en sefse.
chirurgijn, zurezoin, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor chirurgijn.
chocolade, sukkelaad, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van chocolade.
christelijk, kristelek, bijvoeglijk naamwoord, Ook: netjes, fatsoenlijk, redelijk | Je ziene d’r nou weer ’n beetje kristelek uit. ’t Is kristelek weer.
cito, sieto, bijwoord, Aanstonds, zo meteen; onmiddellijk. | Hai zel zô sieto wel komme. As je niet zô sieto oprotte, knoip ik je an pent. Het woord is het Latijnse cito = snel.
clown, kloon, zelfstandig naamwoord de, Clown, rare sinjeur, grapjas.
clownen, klone, werkwoord, Idioot doen, vervelend doen, Eigenlijk zich als een clown gedragen. | Lèg toch niet zô te klonen, man!
cochinchina, koksiende, bijvoeglijk naamwoord, Afleiding van cochin-china (verouderd). | Koksiende hane en henne.
Coenstad, Coenstad, zelfstandig naamwoord de, Bijnaam voor Hoorn, de stad waar Jan Pieterszoon Coen werd geboren. Zie voor woorden die in het Nederlands met c beginnen onder de letters k of s.
cognac, keják, zelfstandig naamwoord de, Variant van cognac.
concoursen, konkoerse, werkwoord, Deelnemen aan een concours of een concours bezoeken. | Moet je murgen nag te konkoersen?
confusig, konfusig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, (Nogal) confuus, in de war, aangedaan.
congregatie, kongo, zelfstandig naamwoord de, Verkorte schertsvorm van congregatie, voorheen een r.k. vereniging van mannen, vrouwen of jongeren voor wie op gezette tijden godsdienstige oefeningen en conferenties werden gehouden. | Moet je veneivend nag nei de kongo?
contact, ketákt, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van kontakt.
contrarie, kontràrie, in de zegswijze ’t is krek kontrarie, het is precies het tegenovergestelde. Uit Frans contraire.
cornedbeef, kornédbief, zelfstandig naamwoord de/’t, Corned beef.
Cornelia, Kneêl, samentrekking van Cornelia.
corresponderen, krespedére, krespendére, werkwoord, Variant van corresponderen.
corruptie, krupsies, zelfstandig naamwoord meervoud, Kwaaltjes, gebreken. Het woord is een verbastering van corrupties.
couch, koes, zelfstandig naamwoord de, Slaapstee op de koegang. Uit Frans couche = legerstede, bed. Hiernaast komt onder invloed van het woord koets ook de vorm koets voor in de zin van slaapstee, bed.
coucher dormir, koesiedemiere, werkwoord, in de zegswijze koesiedemiere gaan, maar bed gaan, gaan slapen. Het woord is een verbasterde koppeling van koesie = bedje (Frans couche) en Frans dormir = slapen. In het Zaans werd tegen kinderen gezegd: vooruit, koesie dore-mi!
couplet, komplet, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van couplet.
coûte que coûte, koeterdekoet, bijwoord, 1. Langzaam, op zijn dooie gemak. | Hai fietste koeterdekoet weer op huis an. 2. Slaafs, gewillig. | Hai ging koeterdekoet mee. Sommigen zien in het woord een verbastering van Frans coûte que coûte = koste wat het kost. Gezien de Westfriese betekenis acht ik het echter aannemelijker uit te gaan van een oud werkwoord koeteren, variant van koetele en de formatie koeterdekoet (koeteldekoet) te herleiden tot een dubbelvorm van koetere, te vergelijken met vormen als klepperdeklep, bommerdebom enz.
cox, koks, zelfstandig naamwoord de, Cox orange, appelsoort. Meervoud kokse | Hai het ’n zoôt kokse teêld.
creperen, krampére, krimpére, werkwoord, Verkrampen, ineenkrimpen, creperen. | Hai lag te krampéren van de poin.
crime, kriem, zelfstandig naamwoord de, Ellende. | ’t Is toch ’n kriem! Uit Frans crime.
crimineel, krimmeneêl, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Ellendig, heel erg. | ’t Is krimmeneêl koud. 2. Gierig, klagerig. | ’t Is ’n krimmenêle kirrel. Het woord is een verbastering van Frans criminel = misdadig.
crimineel, krimmeneêl, zelfstandig naamwoord de, Gierigaard, klager.
crimineel, kréminee, uitroep van schrik, ergernis of verbazing.
criminelig, krimmenêlig, bijvoeglijk naamwoord, Gierig, klagerig.
crossen, krosse, werkwoord, Karren, fietsen, rijden, jakkeren met een voertuig.
culen, kule, werkwoord, Met de ‘kuul’ of cultivator het land bewerken.
c’est la vie, sellavié, in de zegswijze ‘Sellavie’, zee tante Merie, schertsend: zo is het leven nu eenmaal. Uit Frans c’est la vie.
daags, daags, bijvoeglijk naamwoord, Alledaags, eenvoudig, ouderwets. | ’t Benne van die daagse mense.
daal, daal, bijwoord, Omlaag, naar beneden (verouderd). Zegswijze koppie daal, kopje onder (verouderd).
daaps, daaps,  daars, daarsk, bijvoeglijk naamwoord, 1. (Enigszins) doof. 2. Onwijs, gek, kinderachtig. Het woord is verwant met doof. Zie het N.E.W. Dialectische variant daars(k).
daar, deer, bijwoord, 1. Daar | Deer moet je niet weze. 2. Uitroep: déér!, wat zegje me daar van! 3. In combinatie met een voorzetsel (afwisselend met weer = waar). | Hoe hiet ’t moidje deer (weer) ie an trouwd is? De plaas deer (weer) ie op zit, wordt verkocht. Opmerking: het voegwoord daar = omdat, is in het Westfries niet gangbaar. deer tot toe, tot daar. | Deer tot toe kè je meeraaie. deer an toe, tot daar. | Deer an toe kè je meeraaie. Zegswijze dat is tot deer an toe, dat daargelaten, dat is het ergste nog niet.
daarna, ternei, deernei, dernei, d’rnei, bijwoord, Daarna. De vorm is alleen gangbaar na een voorafgaand woord. | Efkes ternei kwam Piet ok opperdan.
daarom, deerom, bijwoord, 1. Daarom. | Ik hew gien zin, deerom gaan ik niet mee. 2. Daardoor. | ’t Het al weke regend, deerom staat alles blank. 3. Ondanks dat, desondanks. | Hai mag den gien toid had hewwe, maar deerom had ie toch wel ofbericht sture kenne. Zegswijze deerom is gien reden, as je van de trap of valle, bè je gauw beneden, spottende reactie op de motivering ‘deerom’ die niet verder wordt toegelicht.
daartegen, deerteugen an, bijwoord, Daarentegen. | Hai is ’n lummel, z’n broer deerteugen an is ’n harde werker.
daarvan, deervan, bijwoord, 1. Vandaar, dientengevolge, daarom, daardoor. | Hai is ziek, deervan dat ie niet komme ken. Hai ree veuls te hard, deervan dat ie uit de bocht vloug. Vgl. Fries dêrfan. 2. Desondanks, niettemin. | Hai is er nag wel niet, maar deervan ken ie g’rust nag wel omme,’oor.
daarvandaan, deervandaan, bijwoord, Zie deervan. Vgl. Fries dêrfandinne. | Hai is ziek, deervandaan dat ie niet komme ken. Hai is er nag wel niet, maar deervandaan ken ie g’rust nag wel komme, ’oor.
daarzo, déérzô, dééro, bijwoord, Daar, ontstaan uit daar zo. | ’t Loit déérzô. ’t Loit dééro.
daas, daas,  deis, bijvoeglijk naamwoord, 1. Onwijs, onnozel. 2. Kwaad, opgewonden. Afleiding van dazen. Vgl. Middelnederlands dasen = dwaas doen. Vgl. Frans daser = dromen, duizelen. Wat ’n deis! Doen niet zô deis (Wervershoof).
dadelijk, dalek, bijwoord, 1. Dadelijk, terstond. In deze betekenistoepassing heeft ’dalek’ in de zin hoofdaccent. | Je moete dálek komme, aârs kroig je gien eten. 2. Straks, na een klein tijdje. | As je dalek weggane, doen den alle deure vast.
dag, dag, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ze leve bai de dag (of), ze leven zorgeloos, denken niet aan de dag van morgen. – ’t Benne mense van ’n dag, gezegd van oude of zeer zieke mensen die als het ware elke dag kunnen sterven. – ’t Wordt weer dag, er komt weer uitzicht op betere dagen. – Zô wordt ’t nooit dag, zo blijf je arm, blijf je tobben. – Ik haal de volgende dag wel weer, gezegd als men flink gegeten heeft. – ’n Makkeleke dag is ôk ’n daalder waard, een gemakkelijke (werk)dag is op zijn tijd zeer welkom. – Dag, ’oor! Geijkte Westfriese afscheidsgroet. Meervoud dage, in de zegswijze ze loupt op alle dage, ze is aan de bevalling toe. – ’t Al z’n dage gelouve, het beslist geloven.
dagen, dage, werkwoord, in de zegswijze ’t zel er dage, het zal er spannen, te keer gaan.
daghuren, daghure, werkwoord, Als dagloner werken.
daghuur, daghuur, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze om de daghuur moete, als dagloner moeten werken. Verkleinvorm daghuurtje, in de zegswijze ’n pittig daghuurtje verdiene, een aardig dagloontje (bij)verdienen.
daghuurman, daghuursman, daggersman, zelfstandig naamwoord de, Dagloner, boerenwerkman (verouderd).
daghuurmens, daghuursmense, daggersmense, zelfstandig naamwoord meervoud, Dagloners, arme of eenvoudige mensen.
dagmaat, deimt, daimt, diemt, zelfstandig naamwoord de/’t, Oude landmaat. Uit Fries deimeth, deimeit = dagmad (dagmat), samenstelling van dagen mad- (mat) = wei. Waarschijnlijk duidde de maat op de opp. die een ervaren maaier op één dag kon afmaaien. In de zeevang en elders was 1 deimt gelijk aan 400 rijnlandse roeden; 1½ deimt = 1 Beemster morgen = 600 rijnlandse roeden = 85 nederlandse roeden. Zie voor deimt (deimpt, deimat) ook: ‘De oude Nederlandse maten en gewichten’ door J. M. Verhoeff (blz. 103).
dagwerk, dagwerk, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze dagwerk hewwe, de hele dag druk werk hebben. – Ik wou da’k er dagwerk van had, gezegd van werk dat men graag doet of van werk dat goed betaald wordt.
daisy, deesies, zelfstandig naamwoord meervoud, Likkoekjes. Uit Engels daisies.
dak, dakkie, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze je magge liever ’n druipend dakkie hewwe as ’n stortbui, men is meer gebaat met een geringe, maar geregeld terugkerende geldelijke steun, dan met een groot bedrag voor één keer.
dalles, dalje, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze dalje kroige, een pak rammel krijgen (verouderd) – Deer komt dalje van (op). 1. daar komen nare gevolgen van (verouderd). 2. daar volgt veel regen of sneeuw op (verouderd) Vgl. Fries dêr komt dalje op. Mogelijk is het woord een variant van Bargoens dalles = armoede, narigheid.
dam, dam, zelfstandig naamwoord de, Ook: hek of poort, toegang gevend tot een boerenerf of tot een perceel land. Zegswijze de verkeerde dam uitgaan, niet op het land aan het werk gaan, maar elders zijn tijd verbeuzelen.
damhek, damhek, zelfstandig naamwoord ’t, Hek (op een dam) dat een stuk land afsluit of dat de scheiding vormt tussen erf en weg.
dammen, damme, werkwoord, Een dam leggen. Zegswijze eerst damme, den (h)ôze, schertsend voor: eerst flink eten, daarna stevig drinken.
damp, damp, zelfstandig naamwoord de, Damp, mist. Zegswijze de damp in hewwe, de smoor in hebben.
damp, damp, bijvoeglijk naamwoord, Mistig, vochtig. | ’t Is damp weer. Vgl. Fries damp.
dampaal, dampale, zelfstandig naamwoord meervoud, 1. Palen van een damhek. 2. Spottend voor dikke, rechte benen.
dampen, dampe, werkwoord, Ook: 1. Misten. 2. Zwaar roken. Zegswijze dampe as kalkoves, zwaar roken.
dampig, dampig, bijvoeglijk naamwoord, Ook: mistig, nevelig. Vgl. Fries dampich.
damspiegel, damspiegel, zelfstandig naamwoord de, Penantspiegel; lange, smalle spiegel op een smalle wand tussen twee vensters.
dan, den, bijwoord, 1. Dan. | Moet jij den niet te werk? 2. Voorts, bovendien. | Ze is ien dag bai oôs te werk en den is ze ok nag ’n ochend bai Klaas te help. Zegswijze dén die week, die desbetreffende week. | Dén die week kom ik niet, want den hew ik vekansie. Zo ook: den die maand, den dat jaar, enz. Opmerking: In het Westfries wordt dan als voegwoord altijd vervangen door ’as’. | Hai is ouwer as moin.
dandineren, dandiele, werkwoord, Slenteren, langs de weg flaneren (verouderd) Uit Frans dandiner.
dangel, dangel, zelfstandig naamwoord de, Treuzelaar, iemand die zijn tijd verbeuzelt.
dangelaar, dangelaar, zelfstandig naamwoord de, Zie dangel.
dangelen, dangele, werkwoord, Treuzelen, zijn tijd verbeuzelen. Vgl. Fries dangelje. Voorheen zongen in Schermerhorn kinderen een makker toe die iets oneerlijks had gedaan: dief, dief, dange(l), murgen moet je hange, bai Maartje Braak an de heugelhaak.
dank, dank, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze m’n dank is groot: ien meter tachtig, schertsend voor: ik dank je hartelijk. – Ik hew er dank an, ik bedank voor de eer, mij niet gezien.
danken, danke, werkwoord, Ook: bidden na de maaltijd. | Zelle we effies danke?
dankje, dankie, variant van dank je, dank u. Zegswijze Kè je gien dankie zègge?, kan er geen bedankje van af?
darm, darm, derm, zelfstandig naamwoord de, Ook: mispunt, treiteraar. Meervoud darme, in de zegswijze deer zelle de darme niet uitloupe, dat zal niet zo duur zijn, dat is te doen; variant derm (verouderd).
darmenschudder, darmeskudder, zelfstandig naamwoord de, Gelegenheidswoord voor een bromfiets of voor een auto met een slechte vering.
darn, dern, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Nukkig, gepikeerd, (verouderd). (Broek op Langendijk). Misschien hoort het woord bij de klankwortel *dhren = morren, brommen. Zie het N.E.W. onder dar.
darren, darre, werkwoord, Treiteren, vervelend zijn of doen. Vgl. Van Dale.
darrig, darrig, bijvoeglijk naamwoord, Vervelend, lastig. | Wat bè je toch darrig vedaag!
dat, dat, dutte, datte, aanwijzend voornaamwoord, Dat. | Dat kissie mit al die pepiere, weer is dat bedaard? Zegswijze van dat (voor dat), wat dat betreft. | ’t Is van dat krek z’n vader. Verzwaarde vorm: | Mien je dutte of datte?
dat, dat, betrekkelijk voornaamwoord, Dat. | Weer is ’t kissie, dat ik je geven hew. Dikwijls wordt dat vervangen door wat, soms ook door die. | Weer is ’t kissie wat ik je geven hew? Kè je ’t moidje die deer loupt?
dat, dat, voegwoordelijk bijwoord, 1. Dus, zodat. | Ik miste de bus, dat ik kwam te laat. Dat as ik ’t goed hew, doen je niet mee? Dikwijls worden zinnen afgesloten met de combinatie dat zôdoende, dat deervan, datje begroipe, datje voele wel enz.
dat, dat, voegwoord, 1. Toen. | Dat ik thuiskwam, lagge de âre al te bed. Ik ken ’m al van dat ie nag op skoôl zat. 2. Omdat, waardoor, zodat. | Hei je soms luize dat je zô zitte te krabben?; verzwaarde vorm voor een meervoud onderwerp datte. | Hai zee, datte ze niet meeginge. Datte we thuiskwamme, lagge de âre al te bed.
dat, dat, datte, bijwoord, Daar, die richting uit. | Je moete dat maarders langs wandele.
dat op, dat op, datter op, bijwoord, Die richting uit, die kant uit. | Gaan dat maar op. ’t Loit meer dat op; Meer die kant uit (verouderd). | Je moete datter op zoeke.
dattum, dattem, aanwijzend voornaamwoord, in de zegswijze van dattem, zoiets, van dat (die) soort. | Geef moin maar ’n beetje van dattem. Vgl. van duttem.
dauwel, douwel, zelfstandig naamwoord de, Lummel, sufferd, treuzelaar.
dauwelen, douwele, werkwoord, Lummelen, suffen, treuzelen.
de, de, voorzetsel, Per. | ’t Kost ’n tientje de man. Ik betaalde ’n kwartje de kilo.
decadentie, dikkedensie, zelfstandig naamwoord de, Decadentie.
december, dezember, zelfstandig naamwoord, Dialectische variant van december.
deeg, deig, zelfstandig naamwoord ’t, Afleiding van deige, variant van daaie = gedijen, gelukken. Zegswijze dat doet je deig, dat doet je goed. – Deer hew ik gien deig van, dat zint me niet, daar heb ik geen profijt van. – Bai goed deig (en wel wezen), als alles meeloopt. Zie ook goedeg.
deek, deek, diek, zelfstandig naamwoord de/’t, In het riet aangespoelde ruigte en vuilnis. Vgl. diek en Fries tiek.
deel, deêl, zelfstandig naamwoord ’t, Deel, gedeelte. Zegswijze ’n heêl deêl, een groot aantal. | ’n Heêl deêl mense weunt (weune) liever op ’n durp. – Gien deêl van leven hewwe, een naar, ellendig leven hebben, vaak ruzie hebben. | Die twei hewwe gien deêl van leven mit mekaar.
deel, deêl, zelfstandig naamwoord de, (Loop)plank.
deemster, deemster, zelfstandig naamwoord ’t, Schemer, donkerte (verouderd).
deemsteren, deemstere, werkwoord, Schemeren, donker worden (verouderd). Vgl. Duits dämmere.
deemsterig, deemsterig, bijvoeglijk naamwoord, Schemerig (verouderd).
deftigdoenerij, deftigdoenderaai, zelfstandig naamwoord de, Deftig gedoe.
degen, deige, werkwoord, Verouderde variant van daaie = gedijen.
degig, deigig, bijvoeglijk naamwoord, Deegachtig, taai, klef. Vgl. daaiig.
deilen, deile, werkwoord, 1. Vergelijken, monsteren (verouderd) 2. Voorheen ook: soort wedstrijd in schoonschrijven.
deinen, doine, werkwoord, Ook: 1. Schrijnen van een wond. 2. Zwellen van de moederborst.
dejeunertje, diezenéétje, zelfstandig naamwoord ’t, Dejeunertje, ontbijtservies(je).
dek, dek, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: 1. Gezamenlijke dekens. | Ik hew tekort dek. 2. Dekkleed voor ’n dier. | Die koe loupt nag mit ’n dek. 3. Bedekking van stro, molm e.d. | De iresse lègge onder dek. Zegswijze al lang al onder dek lègge, reeds lang begraven zijn. – Hande boven dek (en fluite bloive), gezegd tegen een vrijer die (te) handtastelijk wordt.
dekke, dekke, werkwoord, Ook: Be- of afdekken. | Ze benne te iresse dekke, moet je nag bloemkoôl dekke?
dekkeur, dekkeur, zelfstandig naamwoord de, Keuring van of controle op per schuit aangevoerde produkten (vooral bloemkool). Als een schuit naar het oordeel van een eventuele koper teveel ‘oppronkt’ was, vroeg deze gegadigde ‘dekkeur’ aan, waarbij niet alleen werd gekeken naar de (mooie) exemplaren boven op, maar ook naar de daaronder liggende.
deksel, dessel, zelfstandig naamwoord de/’t, Het deksel. | Doen de dessel d’r maar op.
del, del, zelfstandig naamwoord de, Smerig of slecht wijf.
del, del, zelfstandig naamwoord de, Dal, kuil, laagte in bouw- of weiland. Vgl. Fries delle.
del, doil, zelfstandig naamwoord de, Langgerekte kuil in het land, laagte. Vgl. del.
delen, dêle, werkwoord, Delen. Zegswijze ’t deêlt woid. 1. het deelt voordelig. 2. Het moet met velen gedeeld worden, zodat men niet veel krijgt.
delibereren, dibberére, werkwoord, Dialectische variant van delibereren.
delibereren, dilleberére, werkwoord, Delibereren.
dellig, dellig, bijvoeglijk naamwoord, Vol dellen of laagtes, laag gelegen. | ’t Is dellig land.
delling, delling, zelfstandig naamwoord de, Zie del.
demp, dem, bijvoeglijk naamwoord, Dof van stem, schor (verouderd).
denkelijk, denkeleks, bijwoord, Naar ik denk, waarschijnlijk. | Hai komt denkeleks de âre week.
denken, denk, zinsafsluitend (stop)woord in de betekenis van ’denk ik ’ of van ’denk jij ook niet’ | Ik gaan maar te bed, denk. Hai komt nag wel, denk?
denken, denke, dinke, werkwoord, Denken. De vervoeging luidt: denke – docht – docht. Zegswijze ik zou je denke!, natuurlijk, wat dacht je dan! – Ik docht … jij dochte … jij dochte niks! Je dochters benne hoerekindere, die loupe in Den Haag, grove reactie en woordspeling aan het adres van iemand die dacht iets op de juiste manier gedaan te hebben (verouderd).
deppen, deppe, werkwoord, Dopen, betten, bevochtigen. Vgl. Fries dippe.
derdehalf, derdalf, bepaald telwoord, Twee en een half (verouderd) Letterlijk derde half = de derde telt half. Ook in samenstellingen als derhalfhonderd = 250, derdalfduzend = 2500.
derdekalver, derdkalver, zelfstandig naamwoord de, Koe die voor de derde (achtereenvolgende) maal kalft of moet kalven.
derrie, darg, zelfstandig naamwoord de, Onderste veenlaag. Vgl. Fries darch. Het woord is verwant met derrie. Meervoud darge, derge, slib van schelpen, groen of veen.
derriegat, dariegat, daliegat, zelfstandig naamwoord ’t, Ronde of ovale (veen)kuil, waarschijnlijk ontstaan door turfsteken. Het woord darie is verwant met derrie.
dertien, dertien, in de zegswijze as ’n dertien, heel hard, heel erg. | Hai werkt as ’n dertien. Hai het ’m uitveterd as ’n dertien. Mogelijk is het woord een vervorming van Fries derten = dartel. Vgl. ook Fries as ’n dartjen = zeer, in hoge mate en oudfries derten = dwaas, krankzinnig.
deugen, douge, werkwoord, 1. Deugen (verouderd). | De ketelkost dougde as alles droup van ’t vet. 2. Gedogen, dulden, verdragen. Zegswijze ’t heit douge kenne, 1. goed warme spijs of drank kunnen verdragen. 2. Voor geen kleintje vervaard zijn.
deugniet, dougeniet, dougniet, zelfstandig naamwoord de, Verouderde vorm van deugniet.
deun, deun, zelfstandig naamwoord de, Deun, toon, geluid. Zegswijze om ’n deun, om de haverklap. – Om (voor) ’n deun werke, bijna voor niets werken.
deun, deun, bijvoeglijk naamwoord, Gierig. | Die kirrel is moin te deun. Vgl. don. Vgl. ook Fries deun.
deun, don, bijvoeglijk naamwoord, 1. Stijf, strak gespannen. | Die koe het ’n don jaar (= uier). 2. Strak, stevig. | De wind staat don. 3. Statig, deftig. | Ze zatte don an op z’n verjaarsfeist. 4. Dicht, vlak bij. | De eerappele stane don op de kant. 5. Gierig, vasthoudend. | Hai is puur don. Het woord dat in het Nederlands en Fries de vorm ‘deun’ heeft, gaat terug op een Indogermaanse wortel met de betekenis ‘spannen’. Zie het N.E.W., onder deun-2. Zegswijze don in ’t houfd weze, een strak gevoel in het hoofd hebben, hoofdpijn hebben. – De ore lègge ’m don an ’t houfd, hij is opvliegend. Eigenlijk gezegd van een paard dat de oren strak tegen de kop drukt. – Mit ’n don gat offerdan gaan, met de smoor in weggaan.
deur, deur, zelfstandig naamwoord de, Deur. Zegswijze an de wind(er)ige deur komme, niet welkom zijn, niet binnengelaten worden. – Erges allemaar tussen de deur zitte, ergens geregeld aan de deur of op bezoek komen. – An de vaste deur komme, de deur gesloten vinden, niemand thuis treffen. – De vaste deur treffe, zie de vorige zegswijze – Deur en drumpel, vlak naast of bij elkaar. | Ze weune deur en drumpel. – Z’n deur op ’n kier zette (hewwe), een (geluidloze) wind laten. – Je moete voor je oigen deur vege, wees eerst maar kritisch t.o.v. jezelf en je familie, voor je iets van anderen zegt.
deurkleed, deurkleidje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: kleedje dat (in boerenwoningen) voor de deur ligt.
deze, deuze, deus, deuzen, deuzens, aanwijzend voornaamwoord, Deze. | Deuze keer neem ik deuze. Dialectische variant deus | Van wie is deus? Opmerking: Dikwijls wordt ‘deus’ min of meer schertsend gebruikt voor ‘ik’. | Deus doet zuks niet. Hiernaast ook: deus persoôn. Verbogen vorm, zelfstandig gebruikt: deuzen, meervoud deuzens | Deuze(n)s benne van m’n vader.
dicht, dicht, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: 1. Op slot. | Doen jij alle deure dicht. 2. Dicht begroeid met gewassen. | De bouw is dicht. 3. Gelijkmatig, zonder vlagen. | D’r staat ’n dichte wind.
dichtbij, dichtebai, bijwoord, Dialectische variant van dichtbij.
die, die, dieëns, dieës, aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord, Die. In het Westfries wordt ‘die’ vaak gebruikt i.p.v. ‘dat’. | Wie is dat moidje? Die ken ik niet. Kè je dat kirreltje die deer zit? Verbogen vorm, zelfstandig gebruikt, meervoud dieë(n)s | Dieë(n)s benne van m’n vader.
die haar, diéd’r, letterlijk die haar, nadrukkelijk voor haar. | Diéd’r broer ken ik wel. Ze is van diéd’r oudte.
die hun, diéhun, hullie, hun. | Kè je die hun, hullie broer?
diedel, diedel, zelfstandig naamwoord de, Iemand die luiert, rondhangt.
diedelen, diedele, tiedele, werkwoord, Luieren, rondhangen. De eigenlijke betekenis is neuriën.
dief, dief, zelfstandig naamwoord de, Ook: verwilderd (bol)gewas, o.a. bij tulpen en irissen. Zegswijze zô bè je ’n dief van je oigen (portemennee), zo benadeel je jezelf, zo doe je jezelf te kort.
diefje, diefie, zelfstandig naamwoord ’t, Diefje, in de zegswijze diefie mit verlos, ouderwets kinderspel.
diefzak, diések, zelfstandig naamwoord de, 1. Broekzak. 2. Voorheen ook: losse vrouwenzak die met banden om het middel werd vastgemaakt en onder de bovenste rok werd gedragen. Het woord is een vervorming van het oude woord diefzak = geheime, niet zichtbare zak. Zegswijze je diesek!, loop naar de pomp, maak dat de kat maar wijs! – Je diesek is mit géren naaid (en je zundesse met zaai), je liegt, fantaseert, overdrijft. Mogelijk duidt de zegswijze er letterlijk op, dat een broekzak met garen genaaid of hersteld, terstond opvalt, zoals hier het liegen of fantaseren zonneklaar blijkt. – Die is de diesek (in de tas), die winst is binnen. – ’n Warme diesek hale (overhouwe), strijkgeld incasseren, voordelig zaken doen. – Mit z’n neus in z’n diesek loupe, zijn ogen in de zak hebben. – Ientje in z’n diesek hewwe, 1. iemand met gemak de baas zijn. 2. Iemand dóór hebben. – Ientje in z’n diesek (in z’n zak) pisse, met iemand meepraten, iemand vleien (vooral een meerdere). – Ientje in z’n diesek zitte, iemand hinderlijk nalopen of aanklampen. – Dat kè je an de draai van je diesek wel voele, dat kan je op je klompen aanvoelen.
diefzakjesding, diésekkiesdinkies, zelfstandig naamwoord meervoud, Zie diésekkiesgoed.
diefzakjesgoed, diésekkiesgoed, zelfstandig naamwoord ’t, Allerlei snuisterijen die een vrouw in haar ‘diesek’ droeg, zoals een mesje, een schaartje, een reukdoosje.
diefzakjespraat, diésekkiespraat, zelfstandig naamwoord de, Kletskoek.
diefzakkenpisser, diésekkepisser, zelfstandig naamwoord de, Vleier, mooiprater.
dienen, diene, werkwoord, Ook: In dienstbetrekking zijn, als dienstbode of werkster fungeren (verouderd) | Grietje diende bai ’n boer op Andoik.
diens, diéz’n, diens, zijn | Kè je die z’n broer?
dienst, dienst, zelfstandig naamwoord de, Ook: dienstbetrekking (verouderd) Zegswijze dienst anje!Strek je! Als twee personen uit één glas dronken, zei de een – na eerst zelf een teug te hebben genomen – ‘Dienst an je’, waarop de ander het glas overnam en antwoordde ‘Strek je’ (of: ’t Strek je) = het strekke je tot eer. Verkleinvorm diensie. Dienstbetrekking (verouderd) | Het ze al ’n diensie?
diepploegen, diepploege, werkwoord, Extra diep omploegen.
diepspitten, diepspitte, werkwoord, Extra diep, doorgaans drie steken omspitten.
dierage, dierázie, zelfstandig naamwoord de, Slecht mens (verouderd).
dierbaar, dierbaar, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: 1. Kostelijk, kostbaar. | ’t Is zonde van dat dierbare eten. 2. Zeer, in hevige mate. | ’t Was dierbaar slecht weer.
diggel, diggel, zelfstandig naamwoord de, Scherf van aardewerk, glas of porselein. Vgl. Fries diggel. Meervoud diggele. Grof aardewerk, potten en pannen (verouderd). Zegswijze de diggele bai mekaar houwe, goed op zijn zaken passen, niets verloren laten gaan. – An diggele, aan scherven, aan gruzelementen.
diggelgoed, diggelegoed, zelfstandig naamwoord ’t, Porselein en aardewerk, inhoud van de porseleinkast (verouderd). Vgl. Fries diggelguod.
diggelkast, diggelekas, diggelekast, zelfstandig naamwoord de, Schertsnaam voor porseleinkast (verouderd). De gewone naam was de ‘glazekas(t)’, een kast met glazen of ruitjes.
diggelkoopman, diggelekoupman, zelfstandig naamwoord de, Koopman in porselein en aardewerk (verouderd).
diggelschipper, diggeleskipper, zelfstandig naamwoord de, Varend ‘diggelekoupman’ (verouderd).
diggelschuit, diggeleskuit, zelfstandig naamwoord de, Pottenschuit, schuit waarmee de ‘diggelekoupman’ langs zijn klanten voer.
diggelwinkel, diggelewinkel, zelfstandig naamwoord de, Winkel waar men porselein en aardewerk verkocht.
dij, daai, zelfstandig naamwoord de, Groei, vooruitgang. | D’r zit gien daai in dat beisie. Het woord behoort bij daaie = gedijen, groeien.
dijen, daaie, werkwoord, Gedijen, groeien. Zegswijze ’t moet er wát an daaie, het moet een beetje meelopen. – ’t Is net as ’t daait, het kan mee- of tegenzitten. – As ’t goed (kwaad) daait, als het meezit (tegenzit). – As ’t goed daait kè je mitje broek wel paling vange, as ’t kwaad daait, spartele ze d’r bai de poipe weer uit, als het meezit, lukt alles, als het tegenzit, lukt niets. – Op ’t wel daaien of!, heildronk: het ga je goed, gezondheid!
dijer, daaier, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van daaie, in de zegswijze ’t zel ’n hêle daaier worre, het zal erg moeten meezitten, het zal lang niet gemakkelijk zijn.
dijig, daaiig, bijvoeglijk naamwoord, Niet goed doorbakken, klef, taai. | Dat brood is daaiig. Het woord is een afleiding van daaie = gedijen. Vgl. Fries daeijich.
dijk, doik, dik, zelfstandig naamwoord de, Dijk. Dialectische variant dik, o.a. in de plaatsnamen: de Blokdik, de Ouwedik, Dikstal (Dijkstaal, buurtschap bij St. Maarten).
dijk, doikie, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Dijkje. 2. Verouderd voor biljet van f. 1000,-- met een afbeelding van de Afsluitdijk. Zegswijze achter z’n doikie kruipe, achter zijn vrouw in bed kruipen.
dijker, doiker, zelfstandig naamwoord de, Dijkwerker. Zegswijze ete as ’n doiker, zeer veel, gulzig eten.
dijkschaap, doikskeip, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Schaap dat op een dijk graast. 2. Meisje dat geregeld op straat rondhangt. Eigenlijk meisje dat geregeld de dijk opzoekt om jongemannen te treffen.
dijksloot, diksloôt, zelfstandig naamwoord de, 1. Dijksloot. 2. Doodlopende sloot. Deze laatste betekenis gaat waarschijnlijk terug op de vorm ‘dichtsloot’.
dijksloot, diksloôt, zelfstandig naamwoord de, 1. Dijksloot. 2. Doodlopende sloot. Deze laatste betekenis gaat waarschijnlijk terug op de vorm ‘dichtsloot’.
dijpark, daaipark, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t is ’n daaipark, er moet geluk bij komen, het moet meezitten. (Noord-Scharwoude). Mogelijk was een daaipark letterlijk een afgeperkt stuk land waarop men met nieuwe zaden of gewassen experimenteerde en waarvan het resultaat kon mee- of tegenvallen.
dijzig, deizig, deinzig, dazig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Gek, onnozel. 2. Mistig, nevelig aan de kim. Vgl. Fries dizich.
dik, dik, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze ’n dikke boer, een rijke boer. – ’n Dikke koe, een (hoog)drachtige koe. – ’n Dikke koors, een hoge koorts. ’n Dikke skeet, een harde, luide veest. – ’n Dikke wind, een harde, straffe wind. – Dik weze, verzadigd zijn. – Zô dik as ’n pachter, zeer dik of opgeblazen, oververzadigd. – Zô dik as troet, zeer dik en gebonden (van spijzen en vloeistoffen).
diketen, dik-eten, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze mit (uit) dik-eten gaan, te gast gaan en gul onthaald worden (verouderd). Vgl. Fries ût to tsjok-ite gean.
dikke, dikke, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze je kenne van moin ’n dikke kroige, je kunt van mij de pest krijgen.
dikkekoek, dikkekoek, zelfstandig naamwoord de, Tulband (verouderd).
dikkerd, dikkerd, zelfstandig naamwoord de, Ook: een dikke zoen.
dikkerdje, dikkerdje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: ouderwets soort dikke, zoete koek.
dikmuts, dikmus, dikmuts, zelfstandig naamwoord de, 1. Dikzak. 2. Rijkaard.
diknek, diknek, zelfstandig naamwoord de, Rijkaard, rijke boer.
dikop, dik-op, bijwoord, Volop. | Ik denk, datte we dik-op regen kroige.
dikpijper, dikpoiper, zelfstandig naamwoord de, Ui met dikke steel.
dikwijls, dikkels, bijwoord, Dikwijls.
diligence, dilekiek, zelfstandig naamwoord de, Schertsvariant van diligence (verouderd).
dinges, dingesie, zelfstandig naamwoord ’t, Pas genoemde persoon of persoon wiens naam men zo snel niet weet te noemen. | Wa ’k zègge wou, hei je dingesie al opbeld?
dingetje, dinkie, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Dingetje. 2. Kind, persoontje. | Jouw dat moidje wordt ’n pittig dinkie.
dingsig, dingserig, bijvoeglijk naamwoord, Enigszins onwel (verouderd). (Noord-Scharwoude).
dingsigheid, dingserighoidje, zelfstandig naamwoord ’t, Dingetje, snuisterijtje.
dinsdag, dingesdeg, zelfstandig naamwoord de, Dinsdag. Zegswijze dikke dingesdeg, dinsdag vóór aswoensdag, de dag waarop men zich – vóór de vasten – nog eens dik kon eten. De zegswijze is een vertaling van Frans mardi gras.
dinsdags, dingeses, dinneses, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Dinsdags. Vgl. maandes, woeneses, donderdes, vraaides, zateres, zundes.
direct, drek, bijwoord, Dialectische variant van direct. | Dat komt drek wel.
dirkje, dirkie, zelfstandig naamwoord ’t, Schertsvariant voor directoire (verouderd).
dis, dis, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze je hore niet van de dis nei de mis, je behoort niet terstond na het eten je behoefte te gaan doen. ‘Mis’ staat hier voor ‘mest(hoop)’.
dissel, dissel, zelfstandig naamwoord de, Disselboom, o.a. in de combinatie kromme dissel, kort, sterk gebogen hout voor een bepaald type boerenwagen.
disselen, dissele, werkwoord, 1. Met de disselwagen rijden. 2. Een wagen verplaatsen door aan de dissel te trekken of tegen de dissel te duwen.
disselrijden, disselraaie, werkwoord, Met de disselwagen rijden.
disselwagen, disselwagen, zelfstandig naamwoord de, Boerenwagen met een lange of korte disselboom.
distel, dissel, zelfstandig naamwoord de, 1. Distel. 2. Paardebloem, bladeren van de paardebloem.
dit, dut, dutte, aanwijzend voornaamwoord, Dit. Zegswijze tussen dut en dat is ok nag wat, er is ook nog een middenweg; verzwaarde vorm dutte | Wou je dutte of datte?
dit op, dut-op, bijwoord, Deze kant uit, hierheen. | Ober, kom ers dut-op. Verouderde vergrotende trap dut-opper (Noord-Scharwoude), dutter-op (Warmenhuizen). Iets meer hierheen
dito, dito, bijwoord, in de zegswijze dito ouwe sokke, idem dito. – Idem dito mit ’n sterretje, idem dito.
dittum, duttem, in de zegswijze van duttem, van dit, hiervan. | Geef moin maar van duttem. – ’t Is altoid van duttem of dattem, het is altijd het een of het ander, het is altijd wat.
divertissement, divessement, zelfstandig naamwoord ’t, Dialectische variant van divertissement, vermaak, verpozing. Uit Frans divertissement.
dobbe, dobbe, zelfstandig naamwoord de, Kuil in het land met water gevuld. Vgl. Fries dobbe. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder dobbe.
dobbelsteen, dobbelstientjes, zelfstandig naamwoord meervoud, Ook: in de vorm van dobbelsteentjes gesneden stukjes brood, spek, kaas e.d.
dobber, dobber, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze erges ’n dobber an hewwe, ergens een harde dobber aan hebben. – ’t Zel ’n hêle dobber worre, het zal een moeilijk karwei, een zware opgave worden. De zegswijze luidde oorspronkelijk ‘ergens een harde dobbel aan hebben’, d.w.z. dat men bij het dobbelspel nog hoger ogen diende te gooien dan degene die al een hoge score had.
dodde, dodde, zelfstandig naamwoord meervoud, 1. Graspollen. 2. Haarplukjes.
dodderen, doddere, doedere, werkwoord, Soezen, slapen. Zie doedele.
dodderig, dodderig, doederig, bijvoeglijk naamwoord, Soezerig, slaperig; Zie doedelig.
dode, dooie, zelfstandig naamwoord mannelijk, Dode(n), overledene(n). Zegswijze frisse dooie koike, schertsend voor het bekijken van de meest recente rouwadvertenties in de krant. – Dat doet gien dooie, gezegd als iemand niest. – ’n Dooie en ’n bruid gane de voordeur in en uit, zegswijze die herinnert aan de gewoonte dat de zogenaamde pronkdeur van de boerderij alleen ter gelegenheid van een begrafenis of bruiloft open ging.
dodei, dot-aai, zelfstandig naamwoord ’t, Niet bevruchte ei, vuil ei of windei, waarmee men zich als het ware bedot voelt.
dodendeur, dooiedeur, dôdedeur, zelfstandig naamwoord de, Zie loikdeur.
doebe, doebe, zelfstandig naamwoord de, Een gek of zonderling.
doedel, doede, zelfstandig naamwoord de, Slaapkop, sufferd, lummel.
doedel, doedel, zelfstandig naamwoord de, 1. Dikke bundel, knoedel, knot. 2. Zak van een grove stof die o.a. gebruikt werd bij het noten plukken. 3. Slaapkop, sufferd, onnozel persoon.
doedelen, doedele, werkwoord, Doezelen, dutten, suffen.
doedelig, doedelig, bijvoeglijk naamwoord, Doezelig, slaperig.
doedelzak, doedelzak, zelfstandig naamwoord de, Ook: dik, pafferig persoon. Zegswijze de wirreld voor ’n doedelzak bekoike, 1. Hoogst verbaasd kijken. 2. Onnozel zijn. 3. Zorgeloos zijn.
doeg, doeg, variant van dag (groet). | Doeg, tot murgen.
doei, doei, variant van dag (groet). | Doei, tot murgen.
doei, doei, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze doei hewwe, honger hebben (verouderd).
doek, doek, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Sjaal, halsdoek. 2. Luier. | Ik moet nag efkes doeke spoele.
doek, doekie, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n zeer doekie, een lapje of verbandje. | Zel ik effies ’n zeer doekie om je duim doen? – ’t Natte doekie, het dweiltje.
doeken, doeke, werkwoord, In doeken wikkelen. | Ze was an ’t keis doeken.
doekspeld, doekspeld, zelfstandig naamwoord de, Sierspeld op een halsdoek of speld om een halsdoek vast te maken.
Doelen, De Doelen, eigennaam van een voormalig Hoorns hotel-restaurant, in de zegswijze hier of in De Doelen? Verouderde zegswijze op de Hoornse veemarkt in de zin van: hier ter plaatse betalen of later, namelijk in De Doelen?
doen, doen, werkwoord, Dit werkwoord kent en kende verschillende vervoegingen, te weten: ik doen – dee/dein (verouderd) – dein/daan; jij doene – dede/deeë/deine (verouderd) – dein/daan; hai doet – dee/dein (verouderd) – dein/daan; wai doene – dede/deeë/ deine (verouderd) – dein/daan. Zegswijze deer hew ik gien doen mee, daar heb ik niets mee te maken. – Deer is doen an, daar is wat aan te doen. – Dat doén ik mit je, daar wil ik met je om wedden. – Jij doene ’t ’m ók, jij bent ook mooi bezig. – Hai doet liever niks as ’n beetje, hij is aartslui.
doenerig, doenderig, bijvoeglijk naamwoord, Zie doenig.
doenerij, doenderaai, gebezigd als tweede lid in allerlei (gelegenheids)samenstellingen zoals: deftigdoenderaai, dikdoenderaai, geleerddoenderaai.
doenig, doenig, bijvoeglijk naamwoord, Druk, bedrijvig. | Wat benne de joôs toch weer doenig, d’r is vást sturm op gaal.
doensteren, doenstere, werkwoord, Geheimzinnig, stiekem bezig zijn (verouderd).
doerak, doerak, zelfstandig naamwoord de, Deugniet, olijke of gezonde rakker. Herkomst uit maleis ‘orang doerhaka’ = schelm, schavuit, lijkt aannemelijker dan uit russisch ‘durak’ = domkop. Zie Enno Endt ‘Bargoens Woordenboek’, 27-28. Zie ook het N.E.W. onder doerak.
doetje, doetje, zelfstandig naamwoord ’t, Sufferd, onnozele hals.
dof, dof, bijvoeglijk naamwoord, Ook: Vochtig, klam. Vgl. Fries dof.
doffen, doffe, werkwoord, Bevochtigen, betten.
doffig, doffig, bijvoeglijk naamwoord, Enigszins vochtig of klam. | ’t Wasgoed is nag doffig.
doft, dof, doft, zelfstandig naamwoord de, Zitbank(je) in een roeibootje of in een wagen. Vgl. Fries doft. De verkleinvorm luidt ‘doffie’.
dokken, dokke, werkwoord, Ook: (met tegenzin) betalen.
dokterarij, dokterderaai, zelfstandig naamwoord de, Gedokter, het geregeld raadplegen van of onder behandeling zijn van een dokter. | Die dokterderaai het m’n al ’n zoôt geld kost.
dol, dol, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze ’t is dol, het is of de duivel er mee speelt, het is stomtoevallig.
dol, dul, bijvoeglijk naamwoord, 1. Dol, dwaas. 2. Doldriftig, razend. Zegswijze de dulle koup, spotkoopje.
dol, dol, zelfstandig naamwoord de, Gekdoend, aanstellerig of aanhalig meisje. Vgl. Engels doll = pop.
dollen, dollen, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze nou zonder dollen, nu even serieus, nu alle gekheid op een stokje.
dom, dom, bijvoeglijk naamwoord, Ook: stijf en gevoelloos door de kou. | Ik hew domme vingers.
dominee, domenie, doemenie, doemenee, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van dominee.
domineesstuk, domeniesstik, zelfstandig naamwoord ’t, Witte boterham met suiker en beschuit (verouderd).
domineren, dommenére, werkwoord, Vloeken, te keer gaan. Eigenlijk steeds (god)verdomme zeggen. Vgl. Fries dommenearje.
dominoën, domeniese, werkwoord, Domino spelen. | Zelle we efkes ’n spultje domeniese?
dommelig, dommelek, bijvoeglijk naamwoord, Dommelig, slaperig, suffig. Afleiding van dommelen (verouderd).
dommigheid, dommighoid, zelfstandig naamwoord de, Domheid. Zegswijze uit dommighoid, door stom geluk of toeval.
domp, dompe, zelfstandig naamwoord meervoud, Losse veen- of mestkluiten die gedroogd werden en die als brandstof dienden. Vgl. Fries domp. Zie ook het N.E.W. onder domp-2.
dompen, dompe, werkwoord, Ook: oud knikkerspel waarbij twee spelers een gelijk aantal knikkers bijeenvoegden en die in een kuiltje of ‘domp’ wierpen. Uit het even of oneven aantal dat er uitsprong, werd bepaald wie winnaar was.
donder, donder, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze die donder!, uitroep van schrik of verbazing. – D’r is gien donder meer an de lucht, er is geen vuiltje meer aan de lucht. – Gien donder, niets. | Ik vond er gien donder an. – Donder in ’t hooi, naam van een ouderwetse boerendans. – ’n Malle donder, een malle bliksem.
donderdags, donderdegs, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Donderdags. 2. Uitroep van schrik, ergernis e.d., akelig, lelijk. | Donderdegs, had ik dát maar weten! Donderdegse joôn dat je d’r benne!
donderen, dondere, werkwoord, in de zegswijze ’m dondere, goede zaken doen. | Hai het ’m van ’t jaar donderd mit z’n tulpe.
donderhond, donderhond, zelfstandig naamwoord de, Deugniet, lamstraal.
donderij, donderderaai, zelfstandig naamwoord de, Gedonder, geduvel. | Deer kroigt ie donderderaai mee.
donderjongen, donderjoôn, zelfstandig naamwoord de, Deugniet. Zegswijze donderjoôn nei!, om de donder niet!
donderkop, donderkoppe, zelfstandig naamwoord meervoud, Stapelwolken die onweer voorspellen.
donderleider, donderlaaier, zelfstandig naamwoord de, Bliksemafleider.
donders, donderse, bijvoeglijk naamwoord, Lelijke, akelige. | Weer bloift die donderse joôn toch! Zegswijze de hêle donderse boel, het hele zootje. | Hai het de hêle donderse boel verkocht.
dondersteen, donderstien, zelfstandig naamwoord de, Deugniet, lamstraal.
donderstenen, donderstiene, werkwoord, Kwajongensstreken uithalen; vervelend zijn.
donderstraal, donderstraal, zelfstandig naamwoord de, Deugniet, lamstraal.
donderstralen, donderstrale, werkwoord, zie donderstiene.
dondertje, dondertje, zelfstandig naamwoord ’t, Zegswijze ’n pittig dondertje, een aardig kind.
dood, doôd, zelfstandig naamwoord de, Dood. Zegswijze ’t bai de doôd of hale, herstellend zijn van een zeer zware ziekte of verwonding. – Mit de doôd in z’n skoene loupe, er zeer slecht aan toe zijn, er uitzien of men spoedig zal sterven. – Mit de doôd an ’n touwtje loupe, zie de vorige zegswijze
dood, doôd, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Dood. 2, Heel erg, dringend. | Zuks vind ik doôd zonde, Ik ben d’r doôd om verlegen.
dooddeur, doôddeur, zelfstandig naamwoord de, Zie loikdeur.
doodgaan, doôdgaan, werkwoord, in de zegswijze ik gaan liever gewoôn doôd, ik bedank voor de eer, ik waag me daar niet aan.
doodje, doôdje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze op ’n doôdje, even gauw, op een heen en weertje (Andijk).
doodliggen, doôdlègge, werkwoord, Dooddrukken van biggen door het moederdier.
doodlopen, doôdloupe, werkwoord, in de zegswijze je kenne van moin (part) de wind doôdloupe, je kunt voor mijn part naar de bliksem lopen.
doodmollen, doôdmolle, werkwoord, Zeer hardhandig aanhalen of knuffelen.
doodstroom, doôdstroum, zelfstandig naamwoord de, Dood getij. Zegswijze ’t was en doôdstroum, er was niets te beleven.
doof, douf, bijvoeglijk naamwoord, 1. Doof. 2. Stijf, gevoelloos door de kou. | Ik hew douve vingers. Zegswijze zô douf as ’n toethoorn, stokdoof.
dooi, dooi, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n kouwedooi, wisse dooi, dooi waarbij de temperatuur niet snel oploopt, zal gewis doorzetten.
dooieling, dooieling, zelfstandig naamwoord de, Dooie diender. Vgl. Fries deadling.
dooien, dooie, werkwoord, Ook: wegsmelten. | De snei dooit al pittig.
doop, doup, zelfstandig naamwoord de, Ook: saus, gesmolten vet of boter. Zegswijze de doup is deer goed, het is daar goed van eten en drinken – ’t Is deer doup bai de vis, 1. je moet daar contant betalen. 2. het is daar goed van eten en drinken.
doop, doupie, zelfstandig naamwoord ’t, Doopplechtigheid of kind dat gedoopt wordt. | Pestoor het murgen weer ’n doupie.
dooplok, doupenslokkie, douplokkie, zelfstandig naamwoord ’t, Sauskommetje, kommetje met gesmolten vet of boter. Dit werd doorgaans in een pan met aardappelen geplaatst, waarna men een aan de vork geprikte aardappel in het kommetje doopte.
doopvont, doupvont, zelfstandig naamwoord de, Het doopvont.
door, deur, voorzetsel en bijwoord, Door. | Hai liep deur de kamer.
doorbarrelen, deurbarrele, werkwoord, Verkwisten, verbrassen. | Hai het alles d’r deurbarreld.
doorbloeier, deurbloeiers, zelfstandig naamwoord meervoud, Planten die door blijven bloeien. | Wai hewwe gien gewône eerdebaaie, maar deurbloeiers.
doorbrengen, deurbrenge, werkwoord, Ook: verkwisten, verbrassen.
doorbrenger, deurbrenger, zelfstandig naamwoord de, Verkwister, verbrasser.
doordeinen, deurdoine, werkwoord, Doordrijven, doorzaniken.
doordeweeks, deurdeweeks, bijwoord, Door de week, gedurende de week. | Hai komt nooit deurdeweeks, enkeld op zundeg. Opmerking: als bijvoeglijk naamwoord is ‘doordeweeks’ ook algemeen Nederlands, bv. mijn doordeweekse pak.
doordonderen, deurdondere, werkwoord, 1. Ruw doorzetten, door dik en dun gaan. | As je wat beroike wulle, moet je deurdondere. 2. Verbrassen. | Hai het alles d’r deurdonderd.
doordorsen, deurdarse, werkwoord, Ook: op ruwe, fanatieke wijze doorzetten.
doordorser, deurdarser, zelfstandig naamwoord de, Ruwe, fanatieke doorzetter.
doordouwen, deurdouwe, werkwoord, Ook: ruw, fanatiek doorzetten, iets ‘doordrukken’.
doordouwer, deurdouwer, zelfstandig naamwoord de, Ruwe, fanatieke doorzetter.
doordraaien, deurdraaie, werkwoord, Ook: verkwisten, verbrassen.
doordraaier, deurdraaier, zelfstandig naamwoord de, Verkwister, verbrasser.
doorgesleten, deursleten, bijvoeglijk naamwoord, Door- of afgesleten.
doorgieren, deur-iere, werkwoord, Gier, bruin vocht afscheiden. | De skoorstien iert deur.
doorgrijpen, deurgroipe, werkwoord, Grof onkruid wegplukken. | We zelle de wortele maar es deurgroipe.
doorhakken, deurhakke, werkwoord, Ook: blijven twisten of mopperen.
doorhakker, deurhakker, zelfstandig naamwoord de, Iemand die blijft twisten of mopperen.
doorhalen, deurhale, werkwoord, Ook: 1. Gestremde melk fijn maken met de ‘deurhaalder’. 2. Wasgoed spoelen (in een ‘deurhaalderskom’) (verouderd) Zegswijze ientje d’r deurhale, iemand beetnemen, voor de gek houden.
doorhaler, deurhaalder, zelfstandig naamwoord de, Werktuig waarmee de gestremde melk wordt doorgehaald.
doorhalerskom, deurhaalderskom, zelfstandig naamwoord de, Kom waarin het wasgoed werd doorgehaald.
doorhusselen, deurhussele, werkwoord, Door elkaar schudden, doorgaan met schudden.
doorliggen, deúrlègge, werkwoord, Dóórliggen, een open lichaam krijgen ten gevolge van het liggen.
doorlopen, deurloupe, werkwoord, Ook: 1. Doorlopen, schiften (van melk). 2. Seniel of kinds worden, wartaal uitslaan.
doormelken, deurmelke, werkwoord, Zie óvermelke.
doormelker, deurmelker, zelfstandig naamwoord de, Zie óvermelker.
doorplukken, deurplokke, werkwoord, Ook: 1. De rijpe vruchten plukken, de rest laten hangen om te rijpen. 2. Grof onkruid uittrekken. Vgl. deurgroipe.
doorrakelen, deurroekele, deurrekele, werkwoord, Door- of oprakelen door middel van een aan de kachel bevestigde stang of schuif. | Wul je efkes de kachel deurroekele?
doorrammelen, deurrammele, werkwoord, Ook: land met de cultivator bewerken. | Ik hew ’t achterstik efkes deurrammeld.
doorree, deurreed, zelfstandig naamwoord de, Het doorrijden, de passage van voertuigen (verouderd) | D’r was hier vroeger ’n zoôt deurreed.
doorrijstal, deurraaistal, zelfstandig naamwoord de, Stal bij een herberg waar men van beide zijden in en uit kon rijden.
doorroker, deurrouker, zelfstandig naamwoord de, 1. Soort pijp. 2. Rakker, losbol, onbetrouwbaar individu.
doorscharrelen, deurskarrele, werkwoord, Doorgaan, vooruitgaan. | Hai skarrelt zô maar deur; nou bouwt ie weer ’n heel end an z’n skuur.
doorscheuren, deurskeure, werkwoord, in de zegswijze ientje d’r deurskeure, iemand op energieke wijze steunen, door de problemen helpen.
doorschotteren, deurskottere, deurskoddere, werkwoord, Doorlopen, opschieten. | Je magge wel ’n beetje deurskottere.
doorschrapen, deurskrape, werkwoord, Met de schraper of wieder werken. | Wul jij efkes ’t achterend deurskrape, maar denk om de plantjes, ’oor.
doorschudden, deurskuddele, werkwoord, Doorschudden, doorgaan met schudden.
doorslippen, deursluppe, werkwoord, Doorheen glippen.
doorslokken, deurslokke, werkwoord, Door- of inslikken.
doorsmeerder, deursmeerder, zelfstandig naamwoord de, Verkwister, verbrasser.
doorsmeren, deursmere, werkwoord, Ook: verkwisten, verbrassen.
doorstiefelen, deurstiefele, werkwoord, Doorstappen, opschieten.
doorstoffelen, deurstoffele, werkwoord, Doorstrompelen.
doorstomen, deurstieme,  deurstoume, werkwoord, Doorwarmen. Letterlijk doorstomen. | Deur zô’n koppie stiem je lekker deur.
doorsudderen, deursuddere, werkwoord, 1. Doorkoken. 2. Langzaam doorgaan. | Zô’n ziekte suddert zô maar deur.
doorvriezen, deurvrieze, werkwoord, Door en door vriezen. | ’t Land is goed deurvroren.
doorzagen, deurzage, werkwoord, in de zegswijze de week deurzage, halfweg de week (op woensdagavond) naar zijn meisje gaan.
doorzakken, deurzakke, werkwoord, Ook: 1. Water, vocht doorlaten. | ’t Land moet nag ’n week of wat deurzakke. 2. Tot diep in de nacht uitgaan, zich een roes drinken.
doorzoeken, deúrzoeke, werkwoord, Ook: schiften, verkeerde of aangetaste exemplaren eruit halen. | Benne de pôters al deúrzocht?
doos, doôs, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Poepdoos, ouderwetse plee 2. Meisje, grietje. | Ik vind ’t ’n pittige doôs.
doosje, doôsie, zelfstandig naamwoord ’t, Doosje. Zegswijze de ien helpt ’t doôsie, de aâr de zalf, 1. de een vindt baat bij het ene middeltje, de ander bij het andere. 2. ieder vindt zijn eigen middeltje het beste. 3. alleen al het bezit van een middeltje kan genezend werken.
dopen, doupen, zelfstandig naamwoord ’t, Zie doup.
dopje, doppie, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: 1/10 l. (verouderd). | ’n Doppie brandewijn.
dopje, dopke, zelfstandig naamwoord ’t, Dophoedje (verouderd).
doppen, doppe, werkwoord, Ook: 1. De ansjovis uit de netten halen en meteen de kop afknijpen. 2. Een stuiter, ‘looier’ of knikker in één keer – in een boog of loodrecht – op die van een speelgenoot mikken (verouderd).
dorp, durp, zelfstandig naamwoord ’t, Dorp.
dorpslasten, durpslaste, zelfstandig naamwoord meervoud, Dorpsbelastingen.
dorrebrink, dorrebrink, zelfstandig naamwoord de, Dorre weide, mager stuk land (verouderd).
dorrel, dorrel, zelfstandig naamwoord de, (Verhard) neusvuil. Vgl. snotdorrel. Het woord is een oude verkleinvorm van dor = droog.
dors, dars, darsk, zelfstandig naamwoord de, 1. Dors, deel van de boerderij voorheen in gebruik als dorsvloer, later als stalling voor voertuigen en als opslagplaats. 2. Achtereind van het huis, gebruikt als opslagplaats voor o.a. kool, turf en brandhout (voorheen te Langedijk e.o.)
dorsdeur, darsdeúr, zelfstandig naamwoord de, Hoge, brede deur die toegang geeft tot de dors. Zegswijze z’n darsdeur open hewwe, schreeuwen, een grote mond opzetten.
dorsen, darse, darske, werkwoord, Dorsen. Voltooid deelwoord darsen en dorsen. Zegswijze d’r óp dars(k)e, er op los slaan, energiek te werk gaan.
dorser, darser, darsker, zelfstandig naamwoord de, 1. Dorser. 2. Dorsmachine.
dorsersbed, darsersbed, darskersbed, zelfstandig naamwoord ’t, Plaats op de dors of in de buitenlucht waar het dorszeil werd uitgespreid.
dorsersdag, darsersdag, darskersdag, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze elke dag is gien dars(k)ersdag, het is niet iedere dag zo druk.
dorserstijd, darserstoid, darskerstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd waarin gedorst wordt.
dorskamer, darskamer, zelfstandig naamwoord de, Kamer(tje) grenzend aan de dors.
dorskool, darskoôl, zelfstandig naamwoord de, Kool die op de dors bewaard wordt of bewaard kan worden.
dorsweeg, darsweig, zelfstandig naamwoord de, Wand, muur van de dors.
Dorus, Dorus, mannennaam, in de zegswijze ’n zachte Dorus, een zachtaardige, onmannelijke persoon.
doshoed, doshoed, zelfstandig naamwoord de, Versierde pop die bruid of bruidegom moest voorstellen. Als twee jongelui in ondertrouw waren, werd een jongeman die, of een meisje dat vroeger met de bruid of met de bruidegom verkeerd had, vereerd met een ‘doshoed’. Meestal was dit het werk van de naaste buurgezellen van de teleurgestelde vrijer of vrijster, die niet alleen een strooien pop uitgedost met een hoed ontving, maar ook brieven vol troost en adviezen.
dossen, dosse, werkwoord, Overdoen, herhalen (verouderd). Het is een verouderde term uit het dobbelspel. Als twee of meer deelnemers gelijke ogen hadden geworpen, moest er ‘gedost’ worden, Vgl. Engels to toss = werpen.
dot, dot, zelfstandig naamwoord de, Ook: rozijn in een linnen lapje met een draadje omwonden. Met deze dot hield men de zuigeling zoet.
dotkoop, dotkoup, zelfstandig naamwoord de, Miskoop, koop waardoor men zich als het ware bedot voelt.
dotreis, dotrois, zelfstandig naamwoord de, Vergeefse reis, reis waarbij men zich als het ware bedot voelt. | Zou je niet eres belle of ie thuis is, aârs maak je meskien weer ’n dotrois.
doublé, doebleeën, bijvoeglijk naamwoord, Doublé. | Ik hew ’n doebleeën armband kregen.
dozen, doôsiese, werkwoord, Gelegenheidsafleiding, hier gebruikt in de zin van: doosjes vullen met bloembollen. | Ria zit bai oume Dirk in de skuur te doôsiesen, Zie voorts onder -se.
dra, drei, bijvoeglijk naamwoord, Dra, weldra (enkele malen als boekenwoord genoteerd).
draad, dreid, zelfstandig naamwoord de, Draad.
draai, draai, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze erges z’n draai in hewwe, ergens schik in hebben. – Erges ’n draai van in z’n loif kroige, ergens akelig, misselijk van worden.
draaien, draaie, dreië, werkwoord, in de zegswijze ’t draait m’n, het ergert me, ik word er akelig of misselijk van. Verouderde variant dreië. Vgl. neië = naaien, weië = waaien, zeië = zaaien.
draaier, draaier, zelfstandig naamwoord de, Ook: draaihartige kool.
drab, drab, zelfstandig naamwoord ’t, Het, de drab.
drabber, drabber, zelfstandig naamwoord de, Klier, lastpost. Het woord is verwant met drab = uitdruipsel, bezinksel.
drabberen, drabbere, werkwoord, Erg lastig of vervelend doen, treiteren.
drabberig, drabberig, bijvoeglijk naamwoord, Lastig, vervelend, treiterend. | Doen toch niet zô drabberig.
drabbig, drebbig, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van drabbig, smerig, klam.
drabzak, drabzak, zelfstandig naamwoord de, 1. Klier, lastpost, ellendeling. 2. Luilak, lummel. Het woord is een variant van drabzak = druipzak (in oliemolens) waarin men de olie liet uitzijgen, zodat de drab er in achterbleef.
draf, dref, bijvoeglijk naamwoord, Vochtig, klam. | De klere voele nag dref. Het woord is waarschijnlijk een variant van drab, vermoedelijk afgeleid van druipen.
dragen, dreige, werkwoord, Dragen. De vervoeging luidt: dreige – droeg – droegen/dreigen (verouderd).
dragline, dreglinie, zelfstandig naamwoord de, Dragline.
drain, dreenze, zelfstandig naamwoord meervoud, Drains, draineerbuizen.
draineerpot, drenneerpotje, zelfstandig naamwoord ’t, Draineerbuisje.
dral, dral, bijvoeglijk naamwoord, 1. Stevig gedraaid. | Dat is dral géren. 2. Stevig, kort en gedrongen | ’t Is ’n dral kirreltje. 3. Stijf, stug, onwillig. | Doen toch niet zô dral. Het woord is verwant met drillen = draaien. Zie nog de zegswijze mal of dral.
dralen, drelle, werkwoord, Dralen, trantelen.
drangwater, drangwater, zelfstandig naamwoord ’t, Kwelwater, water dat door de vloer naar boven dringt.
draven, drave, werkwoord, in de combinatie te draven gaan, naar de harddraverij gaan kijken.
dreef, dreef, afleiding van drijven, in de zegswijze van dreef weze, van slag zijn, uit zijn gewone doen zijn, in de war zijn.
dreet, drit,  dreet, zelfstandig naamwoord de/’t, (Vogel)drek. Afleiding van drijten = schijten. Zie voor een zegswijze onder skeet.
drem, drem, dram, drim, bijvoeglijk naamwoord, 1. Vochtig, klam. | De kelder is drem. 2. Bedorven. | Drem spek. Het woord is verwant met Middelnederlands dremmen = dringen, benauwen. Vgl. Nederlands bedremmeld.
drempel, drumpel, zelfstandig naamwoord de, Drempel. Zegswijze over de drumpel komme, binnenkomen, op bezoek komen.
drempelmeid, drumpelmoid, zelfstandig naamwoord de, Meisje dat geregeld op de drempel zit of staat i.p.v. te werken.
drensbalk, dransbalk, zelfstandig naamwoord de, Huilebalk, kind dat steeds huilt of dreint.
drenzen, dranze, werkwoord, Drenzen, dreinen, huilen. Zie het N.E.W. onder drenzen.
drenzer, dranzer, zelfstandig naamwoord de, Iemand die steeds dreint of huilt.
dresseer, dresseer, zelfstandig naamwoord de, Dresseerkar (verouderd).
dretsen, dresse, werkwoord, Hard werken of lopen (verouderd). Misschien is het woord te vergelijken met Zuidnederlands dretsen of dressen = spatten, sprenkelen. Vgl. de Nederlandse zegswijze de spat opnemen = er (snel) van door gaan. Zie het N.E.W. onder dretsen. Zegswijze leit moin maar dresse, laat mij maar lopen (verouderd).
dreumel, dreumel, drummel, zelfstandig naamwoord de, 1. Dialectische variant van dreumes. 2. Ouderwetse soort dikke koek. Vgl. oisdreumel.
dreumes, drummes, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van dreumes.
dreut, dreut, deut, bijvoeglijk naamwoord, 1. Sip, teleurgesteld. | Wat koik je toch dreut. 2. Ziekelijk, bleek. | Ze ziet er dreut uit. 3. Onhandig, verlegen. | Wat ’n dreut kind. Mogelijk is het woord verwant met drijten = schijten. Vgl. er bescheten uitzien. Vgl. de Westfriese betekenissen van besketen.
dreutel, dreutel, zelfstandig naamwoord de, 1. Dreumes. | Wat ’n pittige kleine dreutel. 2. Treuzelaar. 3. Stommeling, onnozele hals, onhandig iemand. Het woord hangt mogelijk samen met drijten = schijten. Zie het N.E.W.
dreutelen, dreutele, werkwoord, Schijten. | Hai sting van skrik in z’n broek te dreutelen. 2. Treuzelen. 3. Onhandig bezig zijn, lummelen. Het woord kan verwant zijn met drijten = schijten. Zie echter het N.E.W., waar wordt gewezen op woorden met de betekenis van dralen, talmen, uitstellen, dutten, e.d. Vgl. Fries dreutelje.
dreutelen, drutele, werkwoord, Dialectische variant van drentelen.
dreutelig, dreutelig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Treuzelend, dralend. 2. Onhandig, lummelig. Vgl. Fries dreutelich.
dreutelkont, dreutelkont, zelfstandig naamwoord de, 1. Treuzelaar. 2. Lummel, onhandig persoon.
drevel, drevel, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze gien drevel, totaal niet of totaal niets. | Ik hew er gien drevel om docht. Hai het er gien drevel an overhouwen. Het woord drevel hoort bij het werkwoord drijven, inslaan.
dribbelen, drebbele, dribbele, werkwoord, 1. Dialectische variant van dribbelen. 2. Treuzelen, dralen. 3. (Slootje) springen zonder aanloop.
dribbelgat, dribbelgat, zelfstandig naamwoord de, Persoon die dribbelend (heen en weer) loopt.
dribbelkont, dribbelkont, zelfstandig naamwoord de, Zie dribbelgat.
drie-uierd, drie-uurd, bijvoeglijk naamwoord, Met drie (goede) ‘ure’ of spenen. | ’n Drie-uurde koe.
drieboomd, drieboomd, bijvoeglijk naamwoord, Met drie rijen bomen (verouderde vorm). Vgl. de oorspronkelijke straatnaam Drieboom(de)laan te Hoorn (nu Drieboomlaan).
driedekker, driedekker, zelfstandig naamwoord, Ook: manwijf.
drieërhande, driederhand, bijvoeglijk naamwoord, Drieërhand, van of in drie soorten. | We hadde driederhand baispul.
driegen, driege, werkwoord, Dralen, talmen (verouderd).
driehoek, driehoek, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n sloume driehoek, een sloom iemand, een sul.
driekant, driekant, bijvoeglijk naamwoord, Met drie (goede) spenen. | ’n Driekante koe.
driekwart, driekwart, zelfstandig naamwoord de, Schuit van ¾ ton (verouderd).
driel, driel, bijvoeglijk naamwoord, 1. Levendig, (hinderlijk) druk of uitgelaten. 2. Driftig, opvliegend. Het woord is verwant met drillen, trillen.
drieling, drieling, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Kleine aardappel, groter dan kriel. 2. Ui van 3-5 cm doorsnede, het midden houdend tussen nep en grove uien.
driepuntspoothek, driepuntspoôthek, zelfstandig naamwoord ’t, Houten rekje met drie punten, voorheen (te Langedijk) als pootwerktuig in gebruik.
dries, dres, zelfstandig naamwoord de, 1. Bouwland dat pas is ingezaaid en weiland moet worden. 2. Verarmd of braakliggend land dat tijdelijk tot weide dient voor o.a. schapen en paarden. Vandaar samenstellingen als skeipedres en peerdedres. Mogelijk is dres verwant met drie, d.w.z. een derde deel van het bouwland dat gedurende een periode van drie jaar niet werd omgeploegd. Zie voor het Nederlands de vorm ‘dries’ in het N.E.W.
Dries, Dries, mannennaam, in de zegswijze ’n drouge Dries, een nuchtere, saaie, fantasieloze vent.
drieslag, drieslag, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze gaan je goddeleke drieslag, ga je gang, haal je hart maar op. Mogelijk is de zegswijze ontleend aan het dorsen.
driespeend, driespeend, bijvoeglijk naamwoord, Met drie (goede) spenen. | ’n Driespeende koe. Vgl. driekant.
driespener, driespeender, zelfstandig naamwoord de, Koe met drie (goede) spenen.
drievoet, drievoet, zelfstandig naamwoord de, Driehoekig bakje op drie pootjes. Hierop stond de koffiepot.
driewieler, driewielder, zelfstandig naamwoord de, Driewieler (kar of fiets).
driewielkar, driewieldekár, zelfstandig naamwoord de, Kar met drie wielen, mestkar.
drift, drift, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze drift hewwe, haast hebben, heetgebakerd zijn. – Ientje op drift jage (make) 1. iemand prikkelen, kwaad maken. 2. iemands sexuele hartstochten prikkelen of aanwakkeren.
driftkikker, driftkikker, zelfstandig naamwoord de, 1. Driftig, jachtig persoon. 2. Snelle auto.
drijftouw, droiftouw, zelfstandig naamwoord ’t, Touw waaraan de stier loopt.
drijten, dritte, werkwoord, Drijten, schijten. Vgl. Fries drite.
dril, dril, zelfstandig naamwoord de/’t, Kikkerdril.
drillen, drille, werkwoord, Ook: afbeulen, sjouwen.
drillerig, drilderig, bijvoeglijk naamwoord, Trillend, lillend.
drinken, drinke, sterk werkwoord, Drinken. Zegswijze je drinke niet nei dat je geld hewwe, aansporing om nog iets te drinken. – Hai drinkt ’t as ’n koe die water (waai) drinkt, hij drinkt gulzig, ontzaglijk veel en graag. – Hai drinkt ’t as water, zie de vorige zegswijze
droelie, droelie, in de uitroep te droelie, alle donders!
droge, droug, zelfstandig naamwoord ’t, Het droge. Zegswijze op droug staan (zitte), beschut staan (zitten) tegen de regen. – Op droug sjorre. 1. Op het droge, op de wal sjorren. 2. Opstrijken, binnenhalen. | Ik most die honderd piek maar gauw op droug sjorre.
drol, drol, zelfstandig naamwoord de, Ook: stommeling, stuntel.
drolbaars, drolbeerze, zelfstandig naamwoord meervoud, Schertsend voor in de sloot drijvende drollen.
droldrie, droldrie, droltje-drie, zelfstandig naamwoord de, Stommeling, stuntel.
drollenvanger, drollevanger, zelfstandig naamwoord de, Schertsend voor plus-four.
drollig, drollig, droelig, bijvoeglijk naamwoord, Dom, onhandig. | Wat bè je toch drollig in de weer.
dromdek, drummeldek, zelfstandig naamwoord ’t, Deken die bij het paardrijden over het paard werd gelegd.
droog, droug, bijvoeglijk naamwoord, Droog. Zegswijze droug sleipe, tijdens het slapen niet in bed plassen, – De koeie stane droug, gezegd van koeien die gedurende een periode van ± 6 weken vóór het kalven niet gemolken worden. – De kippe stane droug, schertsend voor: de kippen zijn van de leg (af). – Pestoor staat droug, schertsend voor: de pastoor is met emeritaat gegaan. – Erges droug van bloive, iets niet (kunnen) krijgen – ’t Was zô droug, de moske moste op kniese lègge om nag’n grointje te pikken, drastische vergelijking voor: het was zeer droog (Zwaagdijk).
droogbroodwerk, drougbroôdswerk, zelfstandig naamwoord ’t, Zeer slecht betaald werk.
droogje, drougie, zelfstandig naamwoord ’t, Droogje, in de zegswijze op ’n drougie zitte, geen drank of een andere consumptie voor zich hebben of aangeboden krijgen. | We hewwe bai die lui de hêle eivend op ’n drougie zeten.
droogpruim, drougpruimer, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van droogpruim.
droogrooien, drougrôde, werkwoord, Opruimen, schoonmaken zonder dat er water aan te pas komt, o.a. gezegd met betrekking tot het boenen van zolders of van schuren van een aarden vloer.
droogschuren, drougskure, werkwoord, Schuren met zand en biksteen, waarbij geen water wordt gebruikt.
droogschuren, drougskuren, zelfstandig naamwoord ’t, Poetsgoed (doorgaans zand en biksteen) voor het ‘drougskure’.
droogvoets, drougvoets, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze drougvoets deur de Rooie zei gaan, onderweg geen café aandoen.
droogwater, drougwater, zelfstandig naamwoord ’t, Soda(water) (verouderd).
droop, droup, zelfstandig naamwoord de, 1. Drup(pel). | D’r hangt ’n droup an je neus. 2. Droop, ontsteking van de uier van o.a. melkkoeien, waardoor de inwendige delen tot knobbels samentrekken. Vgl. Fries droop.
dropje, droppie, zelfstandig naamwoord ’t, Schatje, lieverd.
drougen, drouge, werkwoord, Drogen. Zegswijze ’t drougt deur ’n eken plank heen, het droogt zeer hard, o.a. gezegd van zonnig weer met een straffe oostenwind.
druif, druif, zelfstandig naamwoord de, Ook: min of meer ronde knop aan het boveneinde van een vaarboom, bootshaak of polsstok, Vgl. Fries drûf.
druil, druul, zelfstandig naamwoord de, 1. Treuzelaar. 2. Stommeling, stuntel. 3. Druiloor.
druilen, drule, werkwoord, 1. Dralen, treuzelen. | Wat bè je laat, hei je weer druuld? 2. Druilen, chagrijnig zijn. 3. Onhandig bezig zijn.
druilerig, druulderig, bijvoeglijk naamwoord, Zie drulig.
druilig, drulig, droelig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Treuzelachtig. 2. Dom, onhandig.
druipen, druipe, werkwoord, Ook: 1. Afvallen van boomvruchten. 2. Ouderwets knikkerspel. Zie dompe.
druiper, druiper, zelfstandig naamwoord de, Ook: afgevallen boomvrucht.
druistig, druisterig, druistig, bijvoeglijk naamwoord, Wild, druk, onbesuisd. Het woord is een afleiding van het verouderde zelfstandig naamwoord druist = kracht, geweld, vaart.
druk, dròk, bijvoeglijk naamwoord, Druk. Zegswijze hai het ’t zô dròk as ’t waswoif, hij heeft het bar druk – Hai het ’t zô dròk as ’n kloin baasie, hij heeft het (zogenaamd) bar druk. – Hai het ’t zô dròk as ’n barrebier mit ien klant, ironisch voor: hij heeft het druk.
druk, druk, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze da’s net z’n druk, dat is juist wat hem past of zint. Mogelijk oorspronkelijk gezegd van een druk (van de Bijbel) die voor iemands ogen de geschiktste was.
druk, dròkst, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze in ’t dròkst van de toid, in het hoogseizoen.
drukkig, dròkkig, bijvoeglijk naamwoord, Nogal druk, bedrijvig.
drukspook, dròkspouk, zelfstandig naamwoord ’t, Druk, beweeglijk persoon(tje).
drukte, dròkte, zelfstandig naamwoord de, Drukte. Vgl. Fries drokte. Zegswijze ’t gaat in ién dròkte voort, het gaat in één moeite voort.
drup, drop,  zelfstandig naamwoord de, Drup, druppel. Zegswijze de leste drop is de butterknop, de laatste regendruppels zijn voor het gewas het bevorderlijkst.
drupje, droppie, zelfstandig naamwoord ’t, Drupje, borreltje
dubbel, dubbeld, bijvoeglijk naamwoord, Dubbel. Zegswijze de ien dubbeld en dwars, de aâr op en tekort, de een bezit alles, de ander heeft niets (meer).
dubbeldooier, dobbeldoôr, zelfstandig naamwoord de, Ei met dubbele dooier.
dubbele, dubbelde, zelfstandig naamwoord de, 1. Flinke, zware vrouw. 2. Dubbele boterham.
dubbeltje, dubbeltje, zelfstandig naamwoord ’t, in de uitdrukking as je ’n dubbeltje in je diesek hewwe, moet je ’n kwartje lef tône, men moet niet te bescheiden zijn, niet te bang zijn een bepaald risico te lopen.
dubbeltjesophaler, dubbeltjesophaalder, zelfstandig naamwoord de, Man die in de kerk het plaatsgeld (toen nog een dubbeltje) ophaalde.
duidelen, duidele, werkwoord, Met dorsvlegels op nog niet losgemaakte schoven slaan (verouderd). Vgl. Fries duije = licht dorsen (van haver).
duig, duig, zelfstandig naamwoord de, in de combinatie ’n duig hooi, hoeveelheid hooi die tegelijk aan het vee wordt gevoerd.
duiken, duike, dukke, werkwoord, Ook: 1. Onderduiken, zich verborgen houden. 2. Knielend rooien. | Ze benne an ’t piepers duiken.
duiker, duiker, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Onderduiker. 2. Rietsigaar.
duikerstijd, duikerstoid, zelfstandig naamwoord de, Variant van onderduikerstijd (tijdens de bezettingsjaren ’44-’45).
duim, duim, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze zet je duim in je gat, den hei je ’n stoel mit ’n kruk (krek), schertsend of plagend gezegd tegen een kind dat om een stoel vraagt.
duimel, dummeltje, duimeltje, zelfstandig naamwoord ’t, Bundeltje (kleren).
duimelen, dummele, duimele, werkwoord, Kreukelen.
duimeling, duimeling, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. IJzeren winkelhaak in dampalen waaraan een damhek draait. 2. Haakring waar het roer met de hangers in hangt.
duimelot, duimelot, zelfstandig naamwoord de, Lapje met bandje ter bescherming van een zere duim.
duimen, duime, werkwoord, Ook: op de duim zuigen. Vgl. Fries tomkje. | Je worre al zô’n grôte moid en nou zit je nág te duimen.
duinkievit, duinkieft, zelfstandig naamwoord de, Scholekster. Letterlijk duinkievit.
duisdoornen, duisdoorne, werkwoord, Luieren, nietsnutten, doelloos heen en weer lopen (Andijk). Misschien is het woord oorspronkelijk een koppeling van Fries dûzje = dommelen, soezen en Fries doarmje = doelloos ronddolen.
duit, deut, duit, zelfstandig naamwoord de, Wielnaaf. Het woord is waarschijnlijk verwant met Nederlands duit. Zie het N.E.W. onder duit.
duit, duit, zelfstandig naamwoord de, Muntstuk, in de zegswijze ’t is zô waar as ’n duit ’n duit (is), het is beslist waar. Verkleinvorm duitje, in de zegswijze ’n duitje pikke, een extraatje (trachten te) verdienen.
duitenpikker, duitepikker, duitepik, zelfstandig naamwoord de, Woekeraar, geldwolf.
duivel, duvel, zelfstandig naamwoord de, Duivel. Zegswijze as de duvel, als de bliksem. – De duvel in hewwe, de smoor in hebben, razend zijn. Vgl. Fries de divel yn hawwe. – De duvel skoit altoid op de grôte houp, het fortuin is altijd met de rijken. – D’r óp zitte as ’n duvel op ’n ziel, zeer fanatiek zijn, vooral waar het gaat om geld verdienen. – De duvel te plat weze, iedereen te slim af zijn. – De duvel is nooit zô swart as op ’n prentje, iemand is nooit zo slecht als beweerd wordt. – Hai is bai de duvel z’n steert vedaan kropen, hij is uiterst slecht en geslepen.
duivelsdoodje, duikersdoôdje, dukkedoôdje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t is ’n duikersdoôdje, het is een gok, een klein kansje. Het woord is een verbastering van ‘duivelsdoodje’: wie zich moedwillig in doodsgevaar begaf en stierf, behoorde aan de duivel.
dukaat, dukate, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze ik moet ’m niet, al skeet ie dukate, ik moet hem beslist niet, ik zal hem beslist niet trouwen.
dukdalf, dikdalver, dikdalf, zelfstandig naamwoord de, Dik, log persoon.
dun, dun, bijvoeglijk naamwoord, Ook: 1. Laag, gemeen. | Ik vind ’t ’n dunne streek. 2. Bekrompen, gierig. Vgl. don en Nederlands deun. Zegswijze dunne melk, magere melk. – D’r dun deur moete, zuinig moeten doen. – Dat zel ’m dun deur de darme loupe, dat zal hem opbreken.
dundas, dundas, zelfstandig naamwoord de, 1. Mager persoon of dier. 2. Laaghartig, gemeen persoon. 3. Gierigaard.
dunne, dunne, zelfstandig naamwoord de, 1. Gierigaard. 2. Laaghartig, gemeen persoon. Zegswijze an de dunne weze, dun schijten, diarree hebben.
durabel, durábel, bijvoeglijk naamwoord, Duur, kostbaar (verouderd). Vgl. Fries djûrabel.
durven, durve, werkwoord, Durven. De vervoeging luidt: durve – durfde/dorst – durfd/durven.
duslijk, duske, aanwijzend voornaamwoord, Zoals deze (verouderd).
duur, duur, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze gien duur in z’n gat hewwe, rusteloos (van aard) zijn.
Duveldragers, Duveldreigers, zelfstandig naamwoord meervoud, Verouderde spotnaam voor de bewoners van Hoorn. Letterlijk duiveldragers.
duvelen, duvele, werkwoord, Ook: Hinderen. | Dat duvelt niks.
Duvelshopen, Duvelshoupe, zelfstandig naamwoord meervoud, Verouderde spotnaam voor de bewoners van Aartswoud.
duw, douw, zelfstandig naamwoord de, 1. Duw. 2. Strop, tegenslag. 3. Straf.
duw-in, douw-in, zelfstandig naamwoord de, Bergruimte waar men van alles in kan duwen of bergen | Zo’n diepe kas(t) is ’n mooie douw-in.
duw-weg, douw-weg, zelfstandig naamwoord de, Zie douw-in.
duwen, douwe, werkwoord, Duwen. Zegswijze trekke nach douwe wulle, totaal niet mee willen werken, niets willen doen of ondernemen.
duwvloot, douwvloôt, zelfstandig naamwoord de, Vlak houten bakje waarin de kaas werd geplaatst als deze met de hand werd geperst.
dwaal, dwaal, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze an de dwaal weze, aan het dwalen zijn of verdwaald zijn.
dwaler, dwaalder, zelfstandig naamwoord de, Bastaardtulp of -plant.
dwarsaap, dwars-aap, zelfstandig naamwoord de, Dwarsdrijver, stijfkop.
dwarshout, dwarshoute, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze mit dwarshoute gooie, dwars zijn, in de contramine zijn.
dwarsig, dwarsig, bijvoeglijk naamwoord, Dwars of stijfkoppig.
dwarskerf, dwarskerf, zelfstandig naamwoord de, Dwarsslootje.
dwarsveld, dwarsveld, in de zegswijze dwarsveld gaan, dwars door het veld, via de kortste weg, recht toe, recht aan. | We ginge dwarsveld weer op huis an.
dweer, dweer, zelfstandig naamwoord de, Dwarrelwind. Vgl. Fries twirre.
dweren, dwere, werkwoord, 1. Dwarrelen van de wind. Vgl. Fries twirje = dwarrelen. 2. Aanwakkeren van de wind.
eau de cologne, odeklonje, ondeklonje, onjeklonje, zelfstandig naamwoord de, Eau de cologne.
echt, echt, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: 1. Fijn, heerlijk. | We hewwe ’n echt daggie had. 2. Keurig, proper, mooi. | Wat ’n echt jurkie. Zegswijze is ’t echt?, is het echt waar?
echt, echt, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze in ’t echt, in werkelijkheid, in levenden lijve. | Ik zou ’m welders in ’t echt zien wulle, – Om (voor) echt, serieus, niet voor de lol. | We speule deuze rois om echt,’oor.
echter, echter, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze om ’n echter, serieus, niet voor de lol. | We speule nou weer om ’n echter. – Op ’n echter, op een andere keer, als het zo eens uitkomt (verouderd) | Je komme op ’n echter maar weerders te gast.
edel, edel, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze edel en onedel, iedereen, lieden van elke rang of stand. | Edel en onedel komt deer over de vloer.
edelman, edelman, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze honderd jaar edelman, honderd jaar bedelman, voor- en tegenspoed wisselen elkaar af.
edelst, eêlst, in de zegswijze op z’n eêlst, op zijn edelst, op zijn best (verouderd).
edik, eek, zelfstandig naamwoord de, Edik, azijn, in de zegswijze zô zuur as eek, erg zuur. – Ik mag ’m in ôlie nach eek, ik mag hem helemaal niet.
Eefje, Iefie, Iefke, vrouwennaam, dialectische variant van Eefje, in de zegswijze Iefie en Aafie, 1. Allerlei mensen, iedereen. | Ze het Iefie en Aafie gesproken. 2. Van alles en nog wat. | Ze had Iefie en Aafie kocht. | Bai Iefie en Aafie, overal, bij iedereen. | Ze komt bai Iefie en Aafie over de vloer. | Hai houdt van Iefie en Aafie, hij is een meisjesgek, een vrouwenjager; variant Iefke. Vgl. Aafke naast Aafie.
eels, eêlsk, bijvoeglijk naamwoord, Aanhalig, aanstellerig (Winkel). Het woord, dat o.a. in Groningen bekend is, is waarschijnlijk verwant met noors elske = houden van.
eelt, eêlt, zelfstandig naamwoord ’t, Eelt, in de zegswijze eêlt op z’n gat hewwe, steeds op zijn gat zitten, erg lui zijn. – ’t Eêlt op z’n kniese bidde, vurig en langdurig bidden.
eeltigheid, eêltighoid, zelfstandig naamwoord de, Eelt, eeltplek(ken).
een, ’n, lidwoord, Wordt in het Westfries ook vaak gebezigd in generaliserende betekenis i.p.v. Nederlands de, bv. ’n hond is trouw; ’n koe is ’n herkauwer; ’n tulp is ’n mooie bloem.
een, ien, bepaald hoodftelwoord, Eén. Vgl. Fries ien. Zegswijze (van) ien lang (en) twei breid, langdradig, tot vervelens toe. | Hai teutte maar deur, ien lang, twei breid, ’t Was ’n verhaal van ien lang en twei breid. – Ien of aâr(l)ef, één of anderhalf, vaak gebruikt als achtergeplaatste bepaling. | Hai komt over ’n week ien of aâr(l)ef. – Ien of twei, één of twee, vaak gebruikt als achtergeplaatste bepaling. | Ik hew nag ’n week ien of twei de toid.
een, iende, bijvoeglijk naamwoord, Variant van iene = ene. Zegswijze de iende keer zoit de âre niet, zie keer.
eenblader, ienbladers, zelfstandig naamwoord meervoud, Tulpen met slechts één blad, niet bloeiende tulpen.
eendelijk, ienlek, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Zie iendelek. Vgl. Fries ienlik.
eendenbier, eendebier, zelfstandig naamwoord ’t, Schertsend voor slootwater.
eendenpul, eendepul, zelfstandig naamwoord de/’t, 1. Eendekuiken. 2. Stommeling, uilskuiken.
eender, iender, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Eender.
eenderhand, ienderhand, ienderand, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Hetzelfde, gelijksoortig.
eenderhandig, ienderhandig, ienderandig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Hetzelfde, op dezelfde wijze. Zegswijze alles iender(h)andig zègge, steeds hetzelfde zeggen, in herhaling vervallen. – Iender(h)andig koike, strak, effen, teleurgesteld kijken.
eengaar, ien-gâre, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t is ’n ien-gâre-goedje, het is één potnat.
eengeoord, ienoord, bijvoeglijk naamwoord, Met één oor, één oor hebbend. | ’t Benne ienoorde koppies. Zegswijze vliege as ’n ienoorde kol, er als de bliksem vandoor gaan.
eengewield, ienwield, bijvoeglijk naamwoord, Met één wiel.
eenhands, ienhands, ienhans, zelfstandig naamwoord de, Enkele boterham, die men als het ware met één hand kan vasthouden en opeten. Vgl. Fries ienhâns.
eenkennig, ienkend, bijvoeglijk naamwoord, Variant van eenkennig, verlegen.
eenlijk, iendelek, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Eenzaam, afgelegen. | Hai weunt deer puur iendelek.
eenlingverrel, ienlingvurrel, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Uier met één speen. 2. Koe die slechts uit één speen melk geeft.
eenlopend, ienloupend, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie ’n ienloupend gezel, een vrijgezel, (verouderd).
eenmaals, iemes-, bijwoord, Komt alleen voor als eerste element van verouderde koppelingen. Het heeft de betekenis van eens, onlangs. De vorm ‘iemes’ is ontstaan uit ‘eenmaals’.
eenmaalsavond, iemeseivende, bijwoord, Enige avonden geleden (verouderd).
eenmaalsdag, iemesdage, bijwoord, Enige dagen geleden (verouderd).
eenmaalsjaar, iemesjare, bijwoord, Enige jaren geleden (verouderd).
eenmaalslaatst, iemeslesten, bijwoord, Laatst, onlangs (wordt nog wel gebruikt).
eenmaalsnacht, iemesnachte, bijwoord, Enige nachten geleden (verouderd).
eenmaalszondag, iemeszundeg, bijwoord, Laatst op een zondag (verouderd).
eenmanswerk, ienmanswerk, zelfstandig naamwoord ’t, Werk van één man, in de zegswijze ienmanswerk is ienmansgang, als je alléén voor al het werk opkomt, mag men niet verlangen of verwachten dat het gauw klaar is.
eenoogspent, ienougspent, zelfstandig naamwoord de, Pap of moes die zeer zuur is. Eigenlijk zo zuur, dat men bij het eten ervan één oog dichtknijpt.
eenpoter, ienpôters, zelfstandig naamwoord meervoud, Bloemen (bv. chrysanten) met één hoofdstam.
eens, iens, iensen, es, bijwoord, Eens. Kom es hier. Zegswijze van nag iens zô, van jewelste. | Hai kreeg ’n klap van nag iens zô. Opmerking: In het oude dialect van Andijk komt het volgende eigenaardige gebruik van ‘iens’ voor, met name wat de woordschikking betreft: ’en bai gien beetje gelik iens = niet eens bij een beetje tegelijk. (W.F.O.N. 15, 124). Hai mocht niks smokkele iens…= hij mocht niet eens iets smokkelen (W.F.O.N. 15, 125).
eentje, ientje, zelfstandig naamwoord en onbepaald voornaamwoord, 1. Eentje. | Ik hew er nag ientje over. 2. Iemand. | Ientje moet ’t dein hewwe. Zegswijze van wie bè jij d’r ientje? Wie ben jij, hoe heet jij?
eenvachts, ienvachts, ienvachs, bijvoeglijk naamwoord, Van één vacht of oogst. Gezegd van vroege bloemkool die in de (voor)zomer gesneden wordt. Vgl. tweivachs, tweivachts.
eerlijk, eerlek, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze is ’t eerlek?, is het eerlijk waar? – Onder de gulden (golden) is iedereen eerlek, men is alleen eerlijk als het de moeite niet loont om oneerlijk te zijn. – D’r benne niet veul eerleke mensen; wie ruig in z’n hande is, is eerlek, niemand is eerlijk, met name als het om geld gaat. – Je worre nooit van eerleke wages overreeën (wél van strontkarre), kritiek kun je vooral verwachten van lieden op wie zelf van alles valt aan te merken. – Voor eerlek verkoupe, op eerlijke wijze, in goed vertrouwen, zonder gebreken verkopen. | ’n Koe voor eerlek verkoupe.
eerst, eerst, bijwoord, in de zegswijze eerst grôte mense, den hángore, den ’t kroôs dat om de wal droift en den (pas) jullie, gezegd tegen kinderen die bv. bij het eten hun beurt niet kunnen afwachten. (Hángore = jachthonden).
eerste, eerst, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze de eerst komt as ie klaar is, het eerste kind wordt nu eenmaal niet altijd pas negen maanden na de trouwdag der ouders geboren.
eerstedeun, eerstedeúntje, zelfstandig naamwoord ’t, Het eerste dansvermaak tijdens de kermis, (voorheen) van ca. 11.00 uur tot 16.00 uur.
eerstedeunen, eerstedeuntjese, werkwoord, Het ‘eerstedeuntje’ bezoeken.
eerstens, eerstens, bijwoord, Ten eerste, voor eerst. Vgl. tweidens, derdens enz.
eerstkalfvaars, eerstkalfveers, zelfstandig naamwoord de, Vaars die voor de eerste keer kalft.
eerstoner, eerstoônder, zelfstandig naamwoord de, Schaap dat of geit die voor de eerste keer ‘oônt’ of jongen werpt.
eet, eet, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze voor (de) oigen eet, voor eigen consumptie. | Hai bouwt ’n kloin hoekie eerappele voor (de) oigen eet.
eet-en-drinkenstijd, eet-en-drinkerstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd waarop de avondmaaltijd werd gebruikt.
eeuwig, eêuwig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze ’t is eêuwig verlamd, het is toch bar. – ’t Is eêuwig (’n eêuwige) zonde, het is erg jammer.
eeuwig, eêuwigse, eêuwisse, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Buitengewoon lang of erg. | ’t Duurde ’n eêuwigse toid. ’t Is ’n eêuwigse zonde. Hiernaast komt de geassimileerde vorm ‘eêuwisse’ voor.
effectief, effetief, bijwoord, Ook: gewoonweg; verbastering van effectief (verouderd). | Ik begon effetief te trillen.
effen, ef, verkorting van effen, in de zegswijze in de ef weze, onberispelijk gekleed zijn. – In de ef zette, netjes, in de plooi zitten (bij officiële gelegenheden). – ’t Gezich in de ef hewwe, een effen, strak gezicht trekken.
effen, effen, bijwoord en zelfstandig naamwoord, In de zegswijze effen koike, strak of stuurs kijken. – In ’t effen komme, in het reine komen.
effies, effetjes, effies, efkes, bijwoord, Eventjes. Dialectische variant efkes. Vgl. Fries efkes. Zegswijze wou je efkes? belief je even ’n kopje koffie of thee? (Opperdoes). – Deer zit nag wel efkes, daar zit nog flink wat geld.
eg, oid, zelfstandig naamwoord de, Eg. Vgl. Fries eide.
egaal, iengaal, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Variant van egaal. Zegswijze ’n iengale regen, een gestadige regen. – ’n Iengale (regen)lucht, een egale, effen (regen)lucht. – Iengaal vloeke, hevig, aan één stuk door vloeken, tierend tekeer gaan.
egalement, galement, egalement, galementje, zelfstandig naamwoord ’t, Slootje langs de weg, de huizen (Winkel). Het woord is ontstaan uit ‘egalement’. In het dorp ’t. Zand zijn ‘egalementen’ brede sloten die afwateren op het Noordhollands Kanaal.
egge, eg, zelfstandig naamwoord de, Hoek, kant (van een akker). Vgl. Duits Ecke, Engels edge, Fries igge.
eggen, oide, oite, werkwoord, Eggen. Vgl. Fries eidzje.
eggig, eggig, bijvoeglijk naamwoord, Stroef, o.a. gezegd van tanden die stroef worden als men aalbessen eet. Vgl. Fries iggich.
egketting, oidketting, zelfstandig naamwoord de, Ketting waarmee de eg aan de spoorstok of aan de tractor bevestigd wordt.
ei, aai, zelfstandig naamwoord ’t, Ei. Zegswijze ’n Aai in ’t gat hewwe, op een plannetje broeden, – ’n Aai uitbroede, zie vorige zegswijze – ’n Aai in z’n gat gaar kouke kenne, 1. het smoorheet hebben. 2. doodsbang of benauwd zijn. – ’t Aai is vuil, plat voor: ze is zwanger. – As ’t aai peld is, als de (boven)kleding uit is. | Ze loikt wel dik, maar as ’t aai peld is, valt ’t puur of. – Z’n aai niet kwoit kenne, met een probleem tobben, o.a. moeite hebben met zijn ontlasting; niet uit zijn woorden kunnen komen; geen gehoor vinden voor een voorstel. – ’t Aai het nou lang genog voor ’t gat zeten, het moet nu maar eens gezegd worden. – Die weet niet weer ie z’n aai lêgge moet, die loopt maar onrustig of doelloos heen en weer. Meervoud aaiere. Zegswijze de boel van aaiere make, de boel bederven, verprutsen. Eigenlijk er een smeerboel van maken, doordat men de eieren stuk laat vallen. Vgl. Fries Fan aeijen meitsje. – Op aaiere loupe, zeer voorzichtig lopen. – De aaiere lêgge gekoukt voor je klaar, je bedje is gespreid. – Van goeie aaiere zet weze, van een gezonde of degelijke familie stammen, – ’t Is aaiere of jonge (of de kip van ’t nest), 1. er is altijd wel iets aan de had. 2. het levert altijd wel iets op. – Kromme aaiere, schertsend voor: drollen.
eierstruif, aaierestruis, zelfstandig naamwoord ’t, de, Variant van eierstruif.
eigen, oigen, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Eigen, in de combinatie z’n oigen, zichzelf. Zo ook in combinatie m. m’n, je, heur/d’r, oôs, jull(i)e, hun, hull(i)e. Het wederkerend voornaamwoord zich is in het Westfries niet gangbaar. I.p.v. hij vergiste zich, zegt men: hai vergiste ’m of z’n oigen. – Op z’n oigen wulle, zelfstandig een bedrijf willen voeren, zelfstandig willen wonen e.d. – Van z’n oigen, uit zichzelf. | Dat zou ie van z’n oigen nooit doen. – Ze benne puur oigen mit mekaar, ze gaan nogal of zeer vertrouwelijk met elkaar om. – Teugen z’n oigen weze, tegen zijn aard in handelen, tegen zijn eigenbelang in gaan, zichzelf te kort doen. | Je zouwe puur teugen je oigen weze, as je niet annamme; variant oigense | Ik zag ’t mit m’n oigense ouge; vergrotende trap oigener | Ze wiere puur oigener teugen mekaar. Meervoud oigene, oigens | ’t Benne m’n oigene | ’t Benne m’n oigens.
eigenlijk, oigentlek, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Verouderde vorm van eigenlijk.
eigenwijs, oigenwois, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Eigenwijs, in de zegswijze zô oigenwois as ’t skoithuis van Bremen (en) dat viel van oigenwoizighoid in mekaar, bar eigenwijs. – Zô oigenwois as ’n skram die verhokke moet, zie de vorige zegswijze
eigenwijsje, oigenwoisie, zelfstandig naamwoord ’t, Eigenwijs kind. | Wat bè je toch ’n oigenwoisie!
eigenwijzigheid, oigenwoizighoid, zelfstandig naamwoord de, Eigenwijsheid.
eik, eek, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van eik (verouderd).
eiken, eken, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van eikehouten (verouderd). Vgl. Fries eken. | ’n Eken plank.
eiken, ekens, zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord meervoud, Eikehouten planken of balken (verouderd) | ’t Benne ekens. Opmerking: In het Westfries worden vaker zelfstandig gebruikte stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden in het meervoud gebruikt. Zo zegt men bv. van houten, gouden, zilveren voorwerpen enz.: ’t benne houtens, gouwens, zulverens.
eikenhout, ekehout, zelfstandig naamwoord ’t, Dialectische variant van eikehout (verouderd)
eiker, oikere, zelfstandig naamwoord de, Zie oikeraar. Mogelijk schuilt in het woord het element eiker, variant van eikel. In de volkstaal kent men ook de zegswijze wat ’n rare eikel.
eikeraar, oikeraar, zelfstandig naamwoord de, 1. Stijve hark, sul. 2. Rare sinjeur.
eikeren, oikere, werkwoord, 1. Sloom doen. 2. Zeuren. 3. Gek doen.
eikerig, oikerig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Sloom, sullig, harkerig. 2. Zeurderig. 3. Gek.
eindbol, endeboltjes, zelfstandig naamwoord meervoud, Laatste stukken van een broodje (verouderd).
einde, end, zelfstandig naamwoord ’t, Eind(e), stuk. | We hewwe ’t end nag niet. Geef moin maar ’n end appel. We hewwe ’n heêl end fietst. Zegswijze ’t end in (uit) de bek hewwe. 1. bekaf zijn. 2. er (financieel) slecht aan toe zijn. Vgl. Fries it ein yn ’e bek hawwe. De zegswijze duidt letterlijk op een dier (bv. een paard of een (trek)hond) dat ten gevolge van grote inspanning de tong zo ver uit de bek heeft dat het einde van de tong zichtbaar is. – D’r gien end meer in wete, de zaak niet meer kunnen overzien. – Niet wete wát end vóór moet, niet weten hoe men dient te handelen. – Ze skeure allegaâr an ’n end, ze doen allemaal tegelijk en fanatiek hun best om iets te bemachtigen. – ’n Heêl end heen. 1. ver weg. | Hai weunt ’n heêl end heen. 2. grotendeels | ’t Werk zel murgen ’n heêl end heen klaar komme. 3. bijna, er niet ver van af. | Hai zal ’n heêl end heen zestig weze. – Op ’n end, uiteindelijk, tenslotte, per slot van rekening. | Ik was er op ’n end dik mee an. – Eer ’ t spul ’n end het, eer alles klaar of achter de rug is. – ’t End is niet te overzien, de gevolgen zijn niet te overzien. – ’t End is er van zoek (zocht), het is heel erg, de gevolgen zijn niet te overzien. Verkleinvorm endje. Eindje, stukje | Mag ik ok ’n eindje keis. Skik es ’n endje op. Zegswijze ’n endje neme, een gedeelte van iets aanvatten en helpen tillen of versjouwen. | Neem effies ’n endje van deuze kas(t).. Meervoud ende. Einden, stukken. Zegswijze an ende, in stukken. | Hai skeurde alles an ende. – Ende make, de zaak afhandelen, tot een besluit komen. – Op gien ende nei, op geen stukken na.
ekster, aakster, zelfstandig naamwoord de, Variant van ekster (verouderd)
elastiek, hillestiek, illestiek, hêlestiek, êlestiek, zelfstandig naamwoord de/’t, Het elastiek.
elastiek, stiek, zelfstandig naamwoord de, 1. Elastiek, elastieken band. 2. (Fop)speen, o.a. in de samenstellingen flessestiek, rinkiesstiek. Vgl. Fries styk. Verkleinvorm stiekie. Elastiekje.
elf, elf, elfie, in de zegswijze nommer elf op de lip hewwe, ’n elfie hewwe een snotneus hebben. Er vormt zich tussen neus en bovenlip als het ware het getal elf.
Elisabeth, Loib, ouderwetse vrouwenaam, ontstaan uit Elisabeth.
elkaar, -enkaar, verouderde dialectische variant van ‘elkaar’ in samenkoppelingen als deurenkaar, uitenkaar (W.F.O.N. 1, 55), voorenkaar (W.F.O.N. 1, 56).
ellenstok, ellestok, zelfstandig naamwoord de, Stok met kerfjes waarmee voorheen de manufacturier stoffen mat per el en per verrel. Vgl. poepestok.
elling, ellinkie, zelfstandig naamwoord ’t, Rolcentimeter die men gebruikte bij het afmeten van stoffen. De stof werd doorgaans per el berekend, per meter verkocht.
els, els, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ientje om de glazen els sture, iemand om een fopboodschap sturen.
Emma, Im, vrouwennaam, variant van Em(ma).
emmer, emmer, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’t is in de emmer, het is voor elkaar, de winst is binnen, het is naar de zin.
emmerrek, emmerrak, zelfstandig naamwoord ’t, Rek voor melkemmers en melkbussen.
en passant, inpessánt, bijwoord, En passant, terloops.
endelschot, endelskot, zelfstandig naamwoord ’t, Houten verbindingsschot aan het uiteinde van bv. een kar. Het woord ‘endel’ gaat terug op ‘ende’ (vgl. middel naast midden). Vgl. Middelnederlands eyndeldoor = uiterste deur, en Nederlands endeldarm, letterlijk uiterste darm.
endelste, endelste, zelfstandig naamwoord ’t, Het uiterste, meest verwijderde, laatste (verouderd).
ene, ’n, onbepaald voornaamwoord, Een zekere. | Ze het naggeres uitweest met ’n Jan Jong.
eng, eng, bijvoeglijk naamwoord, Ook: tenger, schraal. | Want ’n eng moidje.
eng, ang, ange, zelfstandig naamwoord de, Angst, vrees (verouderd).
Engel, Engel, in de combinatie Gouden Engel, traditioneel (Sinterklaas)feest te Koedijk dat op oudejaarsdag werd gevierd en dat herinnert aan de tijd dat de Koedijker vissers pas na de kerstdagen thuis kwamen. De Gouden Engel zou de bijnaam geweest zijn van graaf Jan de Eerste die in 1297 Vrone verwoestte.
engen, ange, werkwoord, Vrees aanjagen (verouderd).
enigst, ienigst, bijvoeglijk naamwoord, Enig. | Ze is ienigst kind. Hai is de ienigst mit ’n oigen huis.
enkel, enkel, enkeld, bijvoeglijk naamwoord, 1. Enkel, slechts | Hai bouwt enkeld bloemkoôl. 2. Een enkele keer, af en toe. | Hai komt hier heêl enkeld. ’n Enkelde keer zien ik ’m nag welders. 3. Eenzaam, verlaten | Ze weune deer heêl enkeld. 4. Tenger, schraal | Wat ’n enkeld moidje. Vgl. Fries inkel(d).
Enkhuizen, Inkúze, Enkúze, Enkúzen, Henkúze, Henkúze, Hinkúze, plaatsnaam, dialectische variant van Enkhuizen. Hiernaast o.a. de uitspraak Enkúze, Henkúze, Hinkúze. Zegswijze hai keek nei (H)enkúze(n) of ie ’t in Medemblik brande zag. 1. Hij keek verbazend scheel. 2. Hij keek of hij het in Keulen hoorde donderen.
enter, enter, zelfstandig naamwoord de, 1. Koe van één jaar oud. 2. Vaars die haar eerste kalf heeft. Het woord is een samentrekking van ‘een winter’, d.w.z. één winter (of jaar) geleefd hebbend. Vgl. twinter.
enteren, entere, werkwoord, Ook: hollen, hard weglopen.
enterling, enterling, zelfstandig naamwoord de, Zie enter.
entree, intree, zelfstandig naamwoord de, 1. Entree, ingang. | Hai sting bai de íntree. 2. Entreegeld. | Hoeveul is de íntree?
environs, averóm, averóns, zelfstandig naamwoord ’t, Omgeving, omtrek (verouderd). | Ze kenne ’m in ’t héle averom. Verbastering van Frans environs.
eppentrut, eppetrut, zelfstandig naamwoord de, Laks, onhandig meisje (verouderd).
eppentruttig, eppetrutterig, eppetruttig, bijvoeglijk naamwoord, Laks, onhandig.
epper, epper, bijvoeglijk naamwoord, 1. Lief, net. 2. Nuffig | ’t Is ’n epper moidje. Vgl. Fries eptich.
eppertje, epperke, zelfstandig naamwoord ’t, Lief, net meisje of kind.
erf, erf, zelfstandig naamwoord ’t, Afleiding van het werkwoord erven, in de zegswijze an ’t erf weze, erven, een erfenis krijgen.
erf, urf, zelfstandig naamwoord ’t, Erf.
erfdeel, erfsdeêl, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van erfdeel.
erfenis, erfenis, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’t is goed weer om ’n erfenis te verdêlen, gezegd van guur, koud, slecht weer.
erfgenaam, erfsgenaam, zelfstandig naamwoord de, Variant van erfgenaam.
erfportie, erfporsie, zelfstandig naamwoord ’t, Erfdeel. | Hai het z’n erfporsie al had.
erg, erg, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: 1. Slecht, verkeerd, aangestoken. | ’t Benne meist allegaâr erge urte en bône. 2. Alleen in combinatie met gien = geen, heeft ‘erge’ de betekenis van: geregelde, enthousiaste. | Ik ben gien erge kaarter. Ze is gien erge uitgaander; vergrotende trap erger, in de zegswijze ’t moet eerst erger wul ’t beter. Zie ergere. – Weet je nag van erger!, hoe bestaat het, erger kan het niet; overtreffende trap ergste. Ook: meeste, meest hinderlijke. | As de ergste modder d’r maar of is.
erg, erg, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze nág gien erg hewwe, er nóg geen erg in hebben. – Niet zonder erg weze, niet achterlijk zijn. – ’n Zieltje zonder erg, een onnozel persoontje.
ergens, erges, bijwoord, Ergens. Vgl. voor soortgelijke assimilaties o.a. nerges, lakes, varkes, oves.
ergens, ievers, iewers, verouderd voor ergens, verouderd voor gelijk, evenals. Vgl. Boek. onder iewers.
ergeren, ergere, werkwoord, Verergeren, in de zegswijze ’t Moet eerst ergere, wul ’t betere, het moet eerst nog erger, pijnlijker of onaangenamer worden, vóór er een wending ten goede komt.
ergje, ergie, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t mit (om) ’n ergie doen, het met een bepaalde bedoeling doen. Vgl. Fries eat mei in erchje dwaen. – Mekaar mit ’n ergie ankoike, elkaar met een bepaalde bedoeling, met een blik van verstandhouding aankijken.
erven, urve, werkwoord, Variant van erven.
erwt, urt, ort, zelfstandig naamwoord de, Erwt. Zegswijze op ’n urt, tot in de finesses. Verkleinvorm urtje. 1. Erwtje. 2. Klein persoontje of diertje.
erwtenstro, urtestro, zelfstandig naamwoord ’t, Stro van gedorste erwten.
erwtenzak, urtezak, zelfstandig naamwoord de, Erwtenzak, in de zegswijze femilie mit de urtezak, verre familie.
esse, es, in de zegswijze in de es weze, keurig verzorgd zijn, keurig geregeld zijn. Vgl. Fries yn’e es.
eten, ete, werkwoord, Eten. De vervoeging luidt ete – at/atte – eten. Soms bezigt men als voltooid deelwoord de hypercorrecte vorm geëten. Zegswijze Ze ete zonder zurg en ze kakke zonder hartzeer, gezegd van zorgeloos opgroeiende kinderen. – Hei je ’t ooit krommer eten (as worst!), heb je het ooit zo zout gegeten. – Ik hew al eten (ik hew gien honger), ik hap niet, ik reageer niet. – Eet maar op, deer ’t komt, is ’t donker, wees maar niet zo kieskeurig met eten. – Groôt (kloin) van ete weze, veel (weinig) eten of kunnen eten. – Je moete altoid zôveul ete, dat je bai ’n allemansdeur nag ’n pankoek luste, aansporing om niet overmatig te eten. – Ik eet ’t er niet an of, het is wel lekker, maar niet zodanig dat het zo duur moet zijn.
eten-en-drinken, eet-en-drinken, zelfstandig naamwoord ’t, Maaltijd die voorheen om 8 uur ’s avonds plaats vond.
etensbord, etersbord, zelfstandig naamwoord ’t, Etensbord.
etenspinde, etersspoin, zelfstandig naamwoord de/’t, Etenskast of spinde (verouderd) He woord spinde gaat terug op middellatijns spenda = voorraadruimte, etenskast. Eigenlijk: giften aan de armen in een klooster. Vgl. het Latijnse werkwoord dispendere = uitdelen.
etenstafel, eterstafel, zelfstandig naamwoord de, Dis, gedekte tafel.
etenstijd, eterstoid, zelfstandig naamwoord de, Etenstijd. Vgl. Fries iterstiid.
eter, eter, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n grôte (kloine) eter weze, veel (of weinig) eten of kunnen eten. Meervoud eters, in de zegswijze eters kroige, gasten krigen. – D’r worre eters geboren, maar freters maakt, wie zich aanwent veel te eten, raakt niet gauw verzadigd. Vooral gebruikt als afwimpelende reactie tegenover kinderen die steeds om meer vragen.
eterig, eterig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Hongerig. | Je loike wel niet zô eterig vedaag. 2. Voedzaam, waaraan veel te eten valt. | Die broeder is puur eterig.
eterij, eteraai, zelfstandig naamwoord de, 1. Eten (als bezigheid). | Ik vind zuks maar ’n priekerige eteraai. 2. Eten, kost. | Da’s ’n lekkere eteraai.
etgroen, etgroed, zelfstandig naamwoord ’t, Etgroen, tweede grasgewas. Groed betekende oorspronkelijk aangeslibd land, eigenlijk: wasdom, dat wat groeit of gegroeid is. Het woord is een afleiding van het werkwoord groeien. Zie voor et onder ette.
etgroen, etgroen, zelfstandig naamwoord ’t, Zie etgroed. Groen is een afleiding van groeien.
etland, etland, zelfstandig naamwoord ’t, Grasland dat men door het vee laat kaal grazen.
etmaal, etlem, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderde vorm van etmaal.
etten, ette, werkwoord, Het grasland dat men door het vee laat kaal grazen. Het woord betekent letterlijk ‘doen eten’.
etter, atter, zelfstandig naamwoord de/’t, Variant van etter (verouderd). Vgl. Fries atter.
etter, etter, zelfstandig naamwoord de, Ook: klier, onsympathiek individu. | Ik vind ’t ’n etter van ’n vent.
etteren, ettere, werkwoord, Ook: naar, vervelend doen. | Zit toch niet zô te etteren.
etterkoud, etterkoud, bijvoeglijk naamwoord, Bar koud.
eunjer, unjer, zelfstandig naamwoord de, Kattestaart, soort onkruid. Vgl. het N.E.W. onder eunjer.
evaatje, evaatje, zelfstandig naamwoord ’t, Morsboezelaartje dat over de gewone werd gedragen.
even, effe, bijwoord, Dialectische variant van even. | Ik zel effe wachte.
even, eef, verkorting van even, in de combinatie on- of eef? oneven of even? | Wat reid je, on- of eef?
evenaar, evenaar, zelfstandig naamwoord de, Ook: dwarshout aan het lemoen van een boerenwagen waaraan de strengen worden bevestigd. Men onderscheidde o.a. een ’tweipeerds-evenaar’ en een ‘driepeerds-evenaar’.
evendeel, evendeêl, zelfstandig naamwoord ’t, Eertijds een (onbebouwd) gedeelte van een verbindingsweg tussen twee dorpen die een ‘even’ of gelijk gedeelte van deze weg, annex de bermen en bermsloten, moesten onderhouden. In de volksmond leeft de naam ‘’t Evendeêl’ nog voort in De Streek (verbinding Hoogkarspel-Lutjebroek en Grootebroek-Bovenkarspel).
eveneens, eveliens, eliéns, bijwoord, Verouderd voor eveneens. Vgl. netteliens = (net) eveneens, net zo.
evengoed, evengoed, bijwoord, Toch, (maar) desondanks. | Hai was niet lekker, maar is evengoed te werk gaan. ’t Is evengoed lekker weer vedaag.
evenling, eveling, ieveling, zelfstandig naamwoord de, Losse brug tussen twee percelen land (Avenhorn Grosthuizen). Het woord is waarschijnlijk een afleiding van ‘even’ in de zin van: wat (via een verbinding) even of gelijk wordt gemaakt. Vgl. Nederlands de weg effenen, een schuld vereffenen.
ezel, ezel, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de ien z’n ezel is de aâr z’n peerd, hulp waaraan de een minder waarde hecht of weinig behoefte heeft, kan voor de ander zeer waardevol zijn.
ezelen, ezele, werkwoord, 1. Hard werken, ploeteren. 2. Soort kaartspel (voor kinderen) (verouderd).
failliet, ferliet, feliet, verliet, bijvoeglijk naamwoord, Failliet, in de zegswijze ferliet slaan, failliet gaan (verouderd)
faillissement, verliezement,  ferliezement, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van faillissement. De vorm is kennelijk ontstaan onder invloed van verlies(lijden).
familie, femilie, fermilie, zelfstandig naamwoord de, Familie, in de zegswijze femilie van de kouwe kant, aangetrouwde familie (ook kortweg: de kouwe kant). – Femilie mit de urtezak, verre familie
Fannie, Fannie, meisjesnaam, in de zegswijze ’n vieze (fieze) Fannie, een viespeuk.
fascist, faksist, zelfstandig naamwoord de, Variant van fascist.
fatsoen, fesoen, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Fatsoen. 2. Model, patroon. Uit Frans façon.
fatsoenlijk, fesoendelek, bijvoeglijk naamwoord, Fatsoenlijk.
fazelen, fazele, werkwoord, in de zegswijze hier is niks voor jou te fazelen, hier is niets voor jou te halen (Noord-Scharwoude).
februari, febrewári, zelfstandig naamwoord, februari, in de zegswijze febrewari miggedans, ’n (hêle) slechte kans, als februari zacht is (zodat de muggen of vliegen al ‘dansen’) is de kans groot, dat maart nat en koud wordt.
feeks, fik, zelfstandig naamwoord de, Bazig meisje of vrouwspersoon, feeks (verouderd). Vgl. Fries fikke = feeks
feest, feist, zelfstandig naamwoord ’t, Feest, in de zegswijze feist verbaai, moidje an ’t zaai gebezigd door of met betrekking tot een jongeman die wel met een meisje wil feestvieren, maar zich verder tot niets wil verplichten. – ’t Feist is houwen, het is nu weer over met het uitgaan of royaal doen.
feesten, feiste, werkwoord, Feestvieren.
feil, voil, zelfstandig naamwoord de, Dweil. Verkleinvorm voiltje.
feilen, voile, werkwoord, Dweilen.
feliciteren, fielesetére, fielsetére, fullesetére, werkwoord, Dialectische variant van feliciteren.
femel, fiemel, zelfstandig naamwoord de, 1. Iemand die met zijn handen overal aan zit. 2. Woelwater.
femelen, fiemele, fummele, werkwoord, 1. Peuteren, overal met de handen aan zitten. 2. Onrustig heen en weer bewegen. Zegswijze kaarte fiemele, kaarten schudden. Dialectische variant fummele, vgl. Fries fommelje.
festivallen, festvalle, werkwoord, Feestvieren (verouderd). Uit Engels festival.
festiviteit, feistivitoite, zelfstandig naamwoord meervoud, Dialectische variant van festiviteiten.
feuilleton, fullieton, zelfstandig naamwoord de/’t, De feuilleton.
fiekerij, fiekeraai, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n mooie fiekeraai, een aangename bezigheid.
fieselefacie, fieselefasie, zelfstandig naamwoord de/’t, Gezicht. Contaminatie van physionomie en face.
fieselemie, fieselemie, zelfstandig naamwoord de/’t, Gezicht. Uit Frans physionomie.
fieter, fieter, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Kwiek, vitaal. | ’t Is nag ’n fieter woifke voor d’r leeftoid. 2. Mooi netjes, zwierig. | Je ziene d’r weer fieter uit mit dat jurkie. Mogelijk is het woord ontstaan uit Frans vite = vlug, levendig. Zegswijze fieter en fointjes, zie fieterdefointjes.
fieterdefijntjes, fieterdefointjes, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Piekfijn, keurig netjes. | Je ziene d’r weer fieterdefointjes uit. Het woord is een koppeling van fieter en fointjes.
fijn, foin, bijvoeglijk naamwoord, Ook: 1. Klein van stuk, licht van bouw | De piepers benne voor ’t mooi efkes te foin. ’t Is ’n foin moidje. 2. Fijn besneden, knap. Zegswijze ’n foin bekkie, een knap gezichtje. 3. Streng gereformeerd, zeer orthodox. Zegswijze zô foin as gemalen poppestront, overdreven orthodox, kerks of preuts. 4. Koud |’t Is foin weer. Ik hew foine hande (Ursem).
fijne, foine, zelfstandig naamwoord meervoud, Spottend voor streng gereformeerden.
fijt, fik, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van fijt. Vgl. Fries fyk.
fik, fik, fuk, zelfstandig naamwoord de, Brand. Zegswijze in de fik steke, in brand steken.
fikken, fikke, zelfstandig naamwoord meervoud, Vingers, handen.
fikken, fikke, fukke, werkwoord, Branden.
fikken, flikke, zelfstandig naamwoord meervoud, Handen, vingers. | Bloif er of mit je flikke. Kennelijk is het woord een contaminatie van fleike en fikke.
fikkie, fikkie, zelfstandig naamwoord ’t, Brandje, vuurtje, in de zegswijze fikkie stouke (steke), (stiekem) een vuurtje stoken.
Fikkie, Fikkie, hondennaam in de zegswijze geef moin porsie maar an Fikkie, ik bedank voor de eer.
film, fulm, zelfstandig naamwoord de, Variant van film. Zegswijze da’s weer ’n nuwe film, dat is weer een nieuw probleem, een nieuwe onverwachte situatie.
filtreer, filtreer, zelfstandig naamwoord de, Variant van filtreertoestel, filter.
fistel, fissel, zelfstandig naamwoord de/’t, De fistel.
fistelboer, fisselboer, zelfstandig naamwoord de, Zie fisselman.
fistelman, fisselman, zelfstandig naamwoord de, De man die het (geheime) (familie)recept bezit der kruiden die tegen fistels worden aangewend.
fistelpot, fisselpot, zelfstandig naamwoord de, Pot met kruidenpasta tegen de fistel. Deze pasta wordt doorgaans met een ouweltje ingenomen. | Hai is al ’n toidje an de fisselpot.
fitlok, fitlokke, zelfstandig naamwoord meervoud, Koothaar van paarden.
flab, flab, zelfstandig naamwoord de/’t, Brij-achtige, plantaardige massa in sloten.
flabben, flappe, werkwoord, De sloten van flab reinigen.
flabnet, flabnet, zelfstandig naamwoord ’t, Net bevestigd aan een stok om flab op de wal te trekken.
flabtrekken, flabtrekke, werkwoord, Flab op de wal trekken.
fladderen, floddere, werkwoord, 1. Dialectische variant van fladderen. 2. Gehaast lopen en vertrappen. | De skeipe benne deur m’n tuintje flodderd. 3. Slordig en gehaast te werk gaan.
fladderen, fliddere, werkwoord, 1. Licht heen en weer bewegen. 2. Slenteren, op straat zwalken.
flank, flank, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze in de flank valle, voegen, in de smaak vallen.
flanken, flanke, werkwoord, Voegen, passen (verouderd) Zegswijze ‘Dat flankt niet’, zee tante Brandjes, dat past of voegt niet.
flap, flap, flop, zelfstandig naamwoord de, 1. Klap, slag. | De deur sloeg mit ’n flap dicht. 2. Grote hoeveelheid. | D’r is de leste week weer ’n flap water vallen. Vgl. Fries flappen wetter.
flap, flup, zelfstandig naamwoord de, Vogelflap, werktuig met netten voor de vogelvangst. Zegswijze bai de flup weze, 1. op zijn hoede zijn. 2. bijdehand zijn. 3. druk of nerveus zijn.
flapdrol, flapdrol, zelfstandig naamwoord de, 1. Lummel, stoethaspel. 2. Slordig, vuil wijf.
flappen, flappe, floppe, werkwoord, Klappen slaan. | Niet zô mit de deur flappe.
flapper, flapperd, flopperd, zelfstandig naamwoord de, Klappend geluid, klapzoen.
flapperen, flappere, werkwoord, 1. Klappen. 2. Wapperen.
flard, flartje, flirtje, flortje, flurtje, zelfstandig naamwoord ’t, Iets dat in zijn soort klein, dun of licht is. | Wat ’n dun flartje dat jurkie. 2. Scheetje in het hemd of in de broek. 3. Enkele, een beetje. | ’n Flartje skaaseraaiers. Vgl. de variant flirtje en flortje. Zegswijze voor ’n flurtje, voor een prik.
flauw, fleêuw, bijvoeglijk naamwoord, Flauw van smaak, zouteloos. De vorm fleêuw wordt doorgans alleen gebruikt met betrekking tot spijzen zelden figuurlijk: de soep is fleêuw, maar: doen niet zô flauw. Zegswijze ’t smaakt zô fleêuw as ’n nochter kalf, het smaakt erg flauw.
fleer, fleer, zelfstandig naamwoord de, Variant van influenza | Hai het ’n sneer van de fleer had.
fleers, fleers, zelfstandig naamwoord de, 1. Slappe koestront. 2. Scheetje in het hemd of in de broek. 3. Achterwerk. | Wou je ’n skop voor je fleers! 4. Oorveeg, klap. | Hai kreeg ’n fleers voor z’n harses. Zie het N.E.W. onder fleer.
fleerzen, fleerze, werkwoord, Dun schijten (van koeien).
flemmende, flemmeten, bijvoeglijk naamwoord, Flemmende, van flemmet, soort stof waarvan onderbroeken werden gemaakt.
flens, flens, zelfstandig naamwoord de, Oorveeg, klap.
flenter, flenter, zelfstandig naamwoord de, 1. Iemand die hard of gejaagd (heen en weer) loopt. 2. Iemand die steeds de hort op is. Zegswijze an de flenter gaan, op hol slaan, het op een loopje zetten.
flenteren, flentere, werkwoord, 1. Hard of gejaagd (heen en weer) lopen. 2. Slenteren, doelloos of treuzelend voortgaan. 3. Op straat zwalken.
fles, vles, zelfstandig naamwoord de, Variant van fles.
flesjesgoed, flessiegoed, flessiesgoed, zelfstandig naamwoord ’t, Flesje met medicijnen.
flessenelastiek, flessestiek, zelfstandig naamwoord de, Elastieken speen van een zuigfles.
fleur, fleur, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze nag in z’n volle fleur weze, nog in de bloei van zijn leven zijn, nog gezond en kwiek zijn. Uit Frans fleur = bloem, bloesem.
flieter, fliedertje, flutertje, fluter, zelfstandig naamwoord ’t, Iets dat in zijn soort klein, licht of dun is. Vgl. Fries fliterke. | Ik kreeg maar ’n fliedertje keis op broôd. Dialectische variant fluter, vgl. Fries flutter.
flieterig, fliederig, fluterig, bijvoeglijk naamwoord, Klein, licht, dun van stof. | Wat ’n fliederig jurkie. Vgl. Fries flutterich
flikflooi, flikflooi, zelfstandig naamwoord de, Zie flikflooier.
flikflooien, flikflooie, werkwoord, Ook: 1. Met de handen ergens aan zitten (tot ergernis van een ander). | Zit toch niet allemaar an m’n te flikflooien. 2. De schijn wekken druk bezig te zijn.
flikflooier, flikflooier, zelfstandig naamwoord de, Iemand die op de een of andere wijze flikflooit.
flikken, flikke, werkwoord, Doen, voor elkaar maken. | Hoe het ie dat flikt? Het woord is ontleend aan het Duitse flicken = maken, repareren. Zegswijze as ie ’t maar half flikke ken, doet ie ’t heêl, als hij maar even de kans krijgt, profiteert hij er ten volle van (ten nadele van een ander).
flikker, flikker, zelfstandig naamwoord de, 1. Gemene vent. 2. Bast, lichaam. | Hai kreeg ’n pak op z’n flikker.
flikkeren, flikkere, werkwoord, Ook: 1. Met geraas vallen. 2. Smijten. 3. Zich vuil maken (verouderd).
flikkerij, flikkeraai, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n goeie flikkeraai, een winstgevend zaakje.
flink, flinke, zelfstandig naamwoord meervoud, Kuren, grillen, rare streken. Vgl. Fries flink.
flint, flint, flent, vlint, zelfstandig naamwoord de, Houten uitsteeksel aan het einde van een kloet of vaarboom naast de (ijzeren) punt. De oorspronkelijke betekenis van flint is waarschijnlijk kei. Vgl. gronings vlint = kei, Engels flintstone = keisteen. Zegswijze de flint an de kloet houwe, orde op zaken houden.
flinter, flenters, flinters, zelfstandig naamwoord meervoud, Spaanders, in de zegswijze an flenters, tot spaanders, totaal kapot. | Hai sloeg alles an flenters.
flodder, flodder, zelfstandig naamwoord de, 1. Pronkzieke vrouw. 2. Uithuizige vrouw.
flodder, flodder, zelfstandig naamwoord de/’t, Veenbagger, flab.
flodderen, floddere, werkwoord, 1. Sloten reinigen van flodder, uitbaggeren. 2. De zogenaamde flodderwal laten afgrazen (door zwanen, ganzen en eenden).
flodderen, florte, werkwoord, 1. De hort op zijn. 2. Doelloos heen en weer lopen. 3. Windjes laten.
floddergat, floddergat, zelfstandig naamwoord de, 1. Uithuizige vrouw. 2. Slordig gekleed vrouwspersoon. Vgl. Fries floddergat.
flodderig, flodderig, bijvoeglijk naamwoord, Slordig, te wijd, vol kreukels. | Die jurk staat flodderig.
flodderkont, flodderkont, zelfstandig naamwoord de, Zie floddergat.
flodderkont, flortkont, zelfstandig naamwoord de, Uithuizige vrouw.
flodderwal, flodderwal, zelfstandig naamwoord de, Lage, moerassige, groene wal die aan de slootkant van grasland groeit.
flodderwerk, flodderwerk, zelfstandig naamwoord ’t, Rommelig haastwerk. | Ik hou niet van dat flodderwerk.
floepen, fluppe, flippe, werkwoord, 1. Weg schieten. 2. Snel en heimelijk binnendringen. | Ze koupe voor de voebal nooit gien kaartje, ze fluppe d’r zô op.
floeper, floeperd, zelfstandig naamwoord de, 1. Klapzoen. 2. Ellendeling. | Lilleke floeperd dat je d’r benne.
flora, floor, zelfstandig naamwoord de, Flora, bloemententoonstelling. | Moet je nag nei de floor?
flors, flort, zelfstandig naamwoord de, 1. Slordig geklede vrouw. 2. Uithuizige vrouw. 3. Dunne stront, veest. Zegswijze gien flort, totaal niets. | Skeêlt m’n gien flort. – An de flort weze. 1. de hort op zijn. 2. doelloos heen en weer lopen.
florswal, floswal, florswal, zelfstandig naamwoord de, Slappe, steeds aangroeiende wal die aan de slootkant van grasland groeit. Vgl. flodderwal.
flous, flauwsie, zelfstandig naamwoord ’t, Flauw grapje, flauwe opmerking, leugentje. Vgl. Fries flouke.
flox, floks, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van fuchsia.
fluim, floim, zelfstandig naamwoord de/’t, Het fluim, slijm. Ook in het meervoud | Hai het puur floime opgeven.
fluisteren, fnuistere, flustere, werkwoord, Verouderde dialectische variant van fluisteren.
fluit, fluut, zelfstandig naamwoord de, Mus (Warmenhuizen). Ook bijnaam van de familie Mos aldaar.
fluiten, fluitend, in de zegswijze hai staat fluitend op en gaat gierend te bed, gezegd van iemand die (door het vele roken) zeer kortademig is.
fluiteren, flutere, werkwoord, 1. Zachtjes fluiten, licht blazen. 2. Vlotten, opschieten. | ’t Wul maar niet flutere.
flupje, fluppie, zelfstandig naamwoord ’t, Een klein beetje. | Doen d’r nag maar ’n fluppie melk bai.
flusjes, flussies, bijwoord, ‘Fluksjes’, straks (verouderd).
fluweel, flewiel, ferwiel, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderde dialectische variant van fluweel. Vgl. Fries flewiel, forwiel.
fnarsen, fnarse, werkwoord, Mokken, chagrijnig zijn (Winkel).
fnarsig, fnarsig, bijvoeglijk naamwoord, Mokkend, chagrijnig, sip. | Wat koik je fnarsig. (Winkel).
fnuikje, fnukje, zelfstandig naamwoord ’t, Een beetje (verouderd)
foekepot, foekepot, zelfstandig naamwoord de, Rommelpot (verouderd).
foeksen, fukse, werkwoord, Biljarten, stoten (Wervershoof). | Zelle we efkes ’n pertaaitje fukse?
foest, foest, zelfstandig naamwoord de, Ruige, woestuitziende kerel (verouderd).
fok, fok, zelfstandig naamwoord de, Bril. | Ik zel efkes de fok opzette. Het woord is waarschijnlijk Een verkorting van Latijn focus.
fok, fok, bijvoeglijk naamwoord, Schuin toelopend. | Die akker is fok. Vgl. ook Fries fok. = driehoekig stuk land. Zie ook het N.E.W. onder fok 1.
fokken, fokke, werkwoord, Schuin toelopen. | Die akker fokt.
folio, folio, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze ’t was er in folio, het was er een royale boel, een groot feest.
forceren, foksére, faksére, werkwoord, Forceren. Het woord kan een versmelting zijn van Frans forcer = dwingen en Frans vexer = hinderen, lastig vallen. Vgl. Fries faksearje.
forten, forte, werkwoord, Vitten, kijven (verouderd).
forten, forte, werkwoord, Sterk maken, iets inbrengen (verouderd). Uit Frans fort. | Je hewwe hier niks te forten.
fortuinig, fortuinig, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van fortuinlijk. | We wazze niet erg fortuinig.
fransje, fransie, zelfstandig naamwoord ’t, Kadetje, broodje (verouderd).
frees, frees, zelfstandig naamwoord de, Freesmachine.
freewheelen, vreeë, werkwoord, Freewheelen.
frezen, freze, werkwoord, Werken met de freesmachine.
frik, frik, zelfstandig naamwoord de, Rommel, zwik. | Hai het de hêle frik te water flikkerd.
frik, frik, zelfstandig naamwoord de, Gehakt. Uit Frans fricadelle.
frikadel, frikkedil, zelfstandig naamwoord de, Fricadelle, gehakt.
frikbal, frikbal, zelfstandig naamwoord de, Gehaktbal.
fris, fris, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: 1. Vers. | Ik zet efkes ’n fris bakkie koffie. 2. Ongebruikt (voor een bepaalde teelt). | Voor tulpe moet je fris land hewwe. Zegswijze doen effies fris, doe even gewoon, stel je niet zo aan.
frok, frok, zelfstandig naamwoord de, Borstrok, trui (verouderd).
frommel, frommel, zelfstandig naamwoord de/’t, Variant van wrongel.
frommel, frummeltje, frommeltje, zelfstandig naamwoord ’t, Los bundeltje, bv. kleren.
frommelen, frummele, werkwoord, Frommelen.
front, fronte, zelfstandig naamwoord meervoud, Kuren, grillen | Ik hou niet van die nuwerwisse fronte.
frotje, vrotje, zelfstandig naamwoord ’t, Dotje. | Je beffie zit hillegaar op ’n vrotje.
frutselen, frassele, frazzele, werkwoord, 1. Frutselen, frommelen. 2. Schuifelen, zich door een menigte wurmen.
frutselen, fruzele, frusele, froezele, werkwoord, Friemelen, met moeite zoeken. | Hai zat tussen alderand pepiere te fruzelen.
fuik, fuk, vuik, zelfstandig naamwoord de/’t, Dialectische variant van fuik. | Hei je al fukke zet? 2. Ouderwetse (open) vrouwenbroek, lange onderbroek. Meervoud fukke, in de zegswijze z’n fukke uitstaan hewwe, zijn slag hopen te slaan.
fundament, fondement, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Variant van fundament. Vgl. Fries fondemint. 2. Schertsend voor derrière. | Wat het dat woif ’n fondement.
fundering, fondéring, zelfstandig naamwoord de, Variant van fundering.
fut, fit, fut, fuut, zelfstandig naamwoord de, Fut, lust, kracht. (verouderd). Zegswijze er de fit van weg hewwe, er de smaak, de slag van te pakken hebben.
futeren, futere, werkwoord, Zachtjes blazen.
fuuskeren, fuuskere, werkwoord, Voorzichtig strelen of betasten, met de vingers of een vork naar ongerechtigheden in het eten speuren.
fuut, fuut, zelfstandig naamwoord de, Portemonnee (verouderd).
fuutje, fuutje, futje, zelfstandig naamwoord ’t, Kleinigheid, prik. | ’t Is voor ’n fuutje te koup.
gaaf, geif, bijvoeglijk naamwoord, Gaaf. Vgl. Fries geef. Zegswijze zô geif as ’n eken plank, klokgaaf. – Zô geif as ’n klok, klokgaaf.
gaai, gaai, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze z’n gaai lillek skiete, een flater slaan. De zegswijze is ontleend aan het zogenaamde gaaischieten, het met een hand- of kruisboog schieten op een houten vogel boven op een hoge mast of staak.
gaal, gaal, zelfstandig naamwoord de/’t, Bui. Vgl. Engels gale = bries, storm. Zegswijze op gaal, op til. | D’r is sturm op gaal. Verkleinvorm gaaltje, galtje. (Regen)buitje. | We kroige weer ’n gaaltje, denk.
gaan, gaan, onregelmatig werkwoord Gaan. De vervoeging luidt: gaan – ging, gong – gaan. Zegswijze gaan voorzichtig, wees voorzichtig, ga voorzichtig te werk. – D’r zéker van gaan, er zeker van zijn. | Ik gaan d’r zeker van, dat Piet ’t dein het. – Erges over gáán, ergens de leiding over hebben, ergens bemoeienis mee hebben. | Ik gaan deer niet over, vraag ’t maar aan Piet. – Erges voor gáán, ergens voor aangezien worden. Hai gáát er voor, maar z’n woif het ’t dein. – (De) dokter gaat over ’m, hij is onder behandeling of controle van de dokter. – Dat gaat néi mekaar, dat hangt met elkaar samen.
gaar, gaâr, bijwoord, Verouderde verkorting van hillegaâr = helemaal. | Dat is gaâr niks.
gaar, gaâr, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze zô gaar as butter. 1. Erg gaar of mals. | ’t Vlais is zô gaâr as butter. 2. Bek-af, zeer vermoeid. | Al hei je de hêle dag lègge te rôden, den bè je seives zô gaar as butter. 3. Totaal versleten. | Die jas is zô gaar as butter. – Ientje te gaar of weze, iemand te slim af zijn.
gaarlopen, gaarloupe, werkwoord, in de combinatie ’t ois gaarloupe, het ijs gammel of kapot lopen.
gaarstomen, gaarstieme, werkwoord, Gaar stomen.
gaarvat, gaârvat, zelfstandig naamwoord ’t, Vat waarin bij het kaas maken de wei wordt vergaard.
gaasbak, gaasbak, zelfstandig naamwoord de, Houten bak met grof gazen bodem, o.a. gebruikt voor het bewaren en laten drogen van bloembollen.
gaatje, gaatje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze alleman het welders ’n gaatje in z’n kous, iedereen doet wel eens iets verkeerds, op iedereen valt wel eens wat aan te merken.
gaatjesborduursel, gaatjesbeduursel, zelfstandig naamwoord ’t, Borduursel met gaatjes.
gabberen, gabbere, werkwoord, Gappen, stelen, roven.
gadder, gattert, zelfstandig naamwoord de, Holle kant van een bikkel.Vgl. Fries gatsjert, gattert.
gadenaar, gaaienaar, zelfstandig naamwoord de, Gegadigde, liefhebber, koper.
gading, gaaien, zelfstandig naamwoord de/’t, De gading. | Is er nog wat van je gaaien.
gaillarde, galjaartje, zelfstandig naamwoord ’t, Pretje, vrolijkheid (verouderd) Uit Frans gaillard.
gal, gal, zelfstandig naamwoord de/’t, Ook: blaasachtig gezwel boven het kootgewricht van een paard.
galant, gelánt, zelfstandig naamwoord de, Galant, vrijer. | Hoe laat komt je gelant?
galg, galg, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze hai ziet er uit of ie van de galg dropen is, hij ziet er slecht, katterig of verfomfaaid uit. Meervoud galge. Ook: bretels. | Moeder weer benne m’n galge?
galgenboezel, galgeboezel, zelfstandig naamwoord de, Boezelaar die met galgen of banden kruiselings over de rug werd opgehouden. Het bovenstuk was meestal hartvormig.
galop, gelóp, zelfstandig naamwoord de, Galop, in de zegswijze ’t komt in gelop, ’t gaat stapvoe(t)s weer weg, gezegd van een hardnekkige of langdurige kwaal of ziekte.
gammel, gammel, bijvoeglijk naamwoord, Ook: lusteloos, vermoeid, katterig. | Ik ben veuls te laat te bed gaan, ik voel m’n zô gammel as de pest..
gammelig, gammelig, bijvoeglijk naamwoord, (Nogal) gammel, lusteloos, moe, katterig. Vgl. Fries gammelich.
gammelijk, gammeliek, bijvoeglijk naamwoord, Gammel, bouwvallig. Het woord kan een versmelting zijn van gammel en mankeliek.
gang, gang, zelfstandig naamwoord de, Ook: koegang. Zegswijze ’n gang water, zoveel water als men in één loop of gang kan dragen, meestal twee emmers. – Erges te gang gaan kenne, ergens aan de gang, aan de slag kunnen gaan. – Je kenne je gang wel gaan, je kunt wel ophoepelen, o.a. gebezigd door een meisje dat een ‘koffie-ophaalder’, een zich aanbiedende vrijer afwimpelde. – Erges gang achter zette, ergens haast mee maken. Meervoud gange, in de zegswijze je gange benne gien doktersgange, je hoeft niet tegen de boodschap, de opdracht of het werk op te zien.
gang, gangte, zelfstandig naamwoord de, Variant van gang, vaart. | De bal had tekort gangte.
gangijs, gangois, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze ’t vriest gangois, het vriest dat het kraakt. Eigenlijk het vriest een gang ijs.
garant, geránde, zelfstandig naamwoord ’t, Het iemand wettig toekomende deel (verouderd). Het woord hangt waarschijnlijk samen met het werkwoord garanderen. Vgl. Boek. onder garande.
gareel, gril, zelfstandig naamwoord de/’t, Gareel. Vgl. peerdegril.
garen, gâren, zelfstandig naamwoord ’t, Het vergaren, verzamelen, in de zegswijze van gâren weze, overdreven spaarzaam, schraperig zijn.
garen, géren, zelfstandig naamwoord ’t, Garen. Zegswijze ’t géren raakt van de klos, 1. het (leven) loopt ten einde 2. Ze nadert de leeftijd waarop ze geen kinderen meer kan krijgen 3. Hij verliest zijn vitaliteit, zijn potentie.
garf, gerf, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor garf, schoof.
garnaal, garneêl, zelfstandig naamwoord de, Garnaal. Zegswijze ’n garneêl het ók ’n kop. 1. een leek, een niet deskundige kan ook iets zinnigs zeggen of een gefundeerde mening hebben. 2. gezegd van kinderen die kwaad worden, omdat ze hun zin niet krijgen.
gars, geers, zelfstandig naamwoord de/’t, Oude landmaat, ± ⅓ morgen. Het woord is een variant van gras, namelijk de hoeveelheid gras die een koe in één zomer afgraast. Meervoud geerze. Zegswijze ’t over de geerze gooie, het gemiddelde nemen. – Over de geerze speule, over de hele lengte of oppervlakte van het biljart spelen.
garstig, garstig, bijvoeglijk naamwoord, Ranzig, geelachtig van kleur. | Garstig spek.
gart, gart,  gnart, jirt, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze an de gart gaan, de hort op gaan; in de zegswijze an de gnart weze, de hort op zijn, op straat zwalken; in de zegswijze op (an) de jirt gaan, de hort op gaan, heen en weer (gaan) lopen of rijden (verouderd). Vgl. Boek.
garten, garte,  gnarte, werkwoord, 1. De hort op gaan. 2. Bevuilen, met vuil schoeisel naar binnen lopen. 3. Doelloos of hinderlijk heen en weer lopen. Vgl. Boek. onder garten. gnarten ook: gniffelen.
gartkont, gnartkont, zelfstandig naamwoord de, Iemand die steeds op straat zwalkt.
gaskraan, gaskraan, zelfstandig naamwoord de, In de zegswijze z’n gaskraan open hewwe, stinken doordat men (geluidloze) winden laat.
gasserd, gasserd, zelfstandig naamwoord de, Een bal die op het biljart veel vaart heeft; slimmerik (Noord-Scharwoude.
gast, gast, zelfstandig naamwoord de, Ook: kerel, heerschap. | Die gast is niet te vertrouwen. Meervoud gaste, in de zegswijze etende en slepende gaste, gezegd van gasten die met allerlei etenswaar of andere spullen van de gastheer of gastvrouw huiswaarts keren.
gasten, gasten, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze meedoen van gasten, meeëten en –drinken. – ’t Mooi is van ’t gasten of, de aardigheid is er van af, o.a. gezegd van een feest(je).
gastendag, gastdag,  gastersdag, zelfstandig naamwoord de, Dag waarop men te gast gaat of een of meer gasten ontvangt.
gastenkost, gasterskost, zelfstandig naamwoord de, Kost die men gasten voorzet, lekkere kost.
gastenstuk, gastersstik, zelfstandig naamwoord ’t, Lekkere boterham.
gastentafel, gasterstafel, zelfstandig naamwoord de, Dis voor de gasten of waaraan de gasten zitten.
gastentijd, gasterstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd waarop de gasten worden verwacht.
gastereren, gasterére, werkwoord, Te gast gaan.
gat, gat, zelfstandig naamwoord ’t, Gat, in allerlei betekenistoepassingen. Bij de opsomming van de volgende zegswijze onderscheide men: 1. Gat van de deur, in de zegswijze ’t Is (mit die twei) in en uit m’n gat, gezegd van lieden die geregeld bij elkaar binnenlopen. 2. Gat van een blaasinstrument, in de zegswijze je kenne niet altoid voor ’t hougste gat bleize, je kunt niet altijd de boventoon voeren, te veeleisend zijn. 3. Kont, achterste, in de zegswijze je gat! dat zou je wel willen, hoepel maar op! – Bai z’n gat of, net voldoende, op het nippertje. | Hai is wel slaagd, maar ’t was bai z’n gat of. – ’t Gat aârsom gooie, de vriendschap, relatie, verloving verbreken. – Wat het die ’n dròkte an z’n gat hange, wat heeft die een kouwe drukte. –’t Is altoid beter as ’n zeer gat, beter iets dan niets. – Hai zel mit z’n gat bloôt moete, zijn zaak zal in de openbaarheid moeten komen, hij zal kleur moeten bekennen. – Gien zit in z’n gat hewwe, rusteloos zijn, niet stil kunnen zitten. – Vroeg op gat weze, vroeg op zijn, vroeg aan het werk zijn. Mit de hande op ’t gat loupe, met de handen op de rug lopen. – Plak je gat maar neer, ga maar ergens zitten (desnoods op de grond). – Op z’n platte gat zitte, op de grond zitten (met gestrekte benen). – Ientje z’n gat wasse, iemand de les lezen, flink onder handen nemen. – Z’n gat lillek skrobbe, het lelijk oplopen. Verkleinvorm gatje, in de zegswijze z’n gatje d’r mooi indraaie, zich op een handige of slimme wijze een goede positie weten te verwerven. – Z’n gatje d’r mooi uitdraaie, zich op een handige of slimme manier aan iets onttrekken.
gatenbak, gatebak, zelfstandig naamwoord de, Zie gatepetiel.
gatenbord, gatebord, zelfstandig naamwoord ’t, Plank met ronde gaten waarop de pas gemaakte kazen worden gezet om ze te laten uitdruipen.
gatenplateel, gatepetiel, gatebetiel, gatemetiel, zelfstandig naamwoord de, 1. Gatenplateel, vergiet, platte schotel van plateelaarde voor het uitlekken van vlees, vis, groente e.d. Meestal had de schotel drie pootjes. Bij de was werd een groter model gebruikt. 2. Spottend voor een pokdalig gezicht.
gatenschotel, gateskuttel, zelfstandig naamwoord de, Zie gatepetiel.
gatgaatje, gatgaatje, in de zegswijze ’t ging m’n gatgaatje uit, schertsend gezegd als men per ongeluk een wind heeft gelaten.
gatje bommen, gatjebomme, werkwoord, Ouderwets jongensspel, soms als ontgroeningsritueel. Een zwakkere of nieuweling werd door twee stevige knapen beurtelings hoog en laag geheven en met zijn gat op de grond ‘gebomd’.
gatjeklap, gatjeklap, zelfstandig naamwoord, in de combinatie gatjeklap doen, geheim kinderspel waarbij een kind zijn of haar achterste ontblootte en er door een ander met de vlakke hand op liet slaan.
gatjeklappen, gatjeklappe, werkwoord, Zie gatjeklap.
gatlikker, gatlikker, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n goocheme gatlikker. 1. Slimmerik. 2. Ironisch voor: domkop, stommeling.
gauw, gauw, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze niet erg gauw weze. 1. niet erg fit zijn. 2. niet erg slim of pienter zijn, achterlijk zijn. – Zô gauw as water dat stil staat, ironisch voor: dom traag van begrip. – ‘Gauw’ is an de skeet sturven, kalm aan, haastige spoed is zelden goed. Letterlijk duidt de zegswijze erop, dat wie te gauw, te gehaast was, aan de diarree raakte en stierf; vergrotende trap gauwer, in de zegswijze je hewwe gauwer tien joôs as ien koe, je bent niet gauw rijk of aan verdienen toe. Letterlijk je hebt gauwer tien kinderen (verwekt) dan één koe (verdiend; overgespaard).
gauwtje, gauwke, zelfstandig naamwoord ’t, Ironisch voor: onnozel traag persoontje.
gebak, gebak, zelfstandig naamwoord de/’t, 1. Het gebak. 2. Ironisch voor iets onaangenaams, een probleem. | Ze kwam mit dat gebak bai moin, maar ik kon er niet helpe.
gebed, gebed, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze in ’t gebed (van de kerk) lègge. 1. bediend zijn. Eigenlijk: de gebeden der stervenden worden of zijn gelezen. 2. er slecht voor staan, een verloren partij spelen. | As ie bai ’t biljarten dik vóór staat zoit ie altoid teugen z’n maat: gaan jij maar in ’t gebed van de kerk lègge.
gebeente, gebiente, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: beendergestel (verouderd) | Ze is foin van gebiente.
gebekte, gebekte, zelfstandig naamwoord de, Persoon die niet op zijn of haar mondje is gevallen.
gebeuren, beure, werkwoord, Gebeuren. | D’r beure deer ’n zoôt ongelukke.
gebit, gebit, bit, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: ongedierte als luizen, rupsen, kevers enz. dat gewas, bladeren, vruchten e.d. aantast. | D’r zit van ’t jaar puur gebit in de pereboume.
gebraden mug, breidenmig, zelfstandig naamwoord de, Min, zwak persoontje. Letterlijk gebraden mug.
gebraden vlees, breidenvlois, zelfstandig naamwoord ’t, Gebraden vlees.
gebrekkelijk, gebrekkelek, bijvoeglijk naamwoord, Verouderde variant van gebrekkig. Vgl. Fries gebreklik.
gebruiken, gebruike, bruike, werkwoord, in de zegswijze wat je niet gebruike, gaat van je of, rust roest. Verouderde vorm bruike. Vgl. Fries brüke.
gebruiker, bruiker, zelfstandig naamwoord de, Verouderde vorm van gebruiker, huurder, pachter. Vgl. Fries brûker.
gedaan, dein, bijvoeglijk naamwoord, Gedaan, af. Zegswijze dein make, gedaan maken, het werk afmaken.
gedachte, gedachte, gedachtes, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze de gedachte(s) benne van àl, men denkt van wel. | ‘Wordt die weg nou nag deurtrokken?’… ‘De gedachte(s) benne van àl’.
gedag, gedag, in de zegswijze gedag zègge. 1. Goededag zeggen, groeten. | Zou je niet eres gedag zègge!. 2. Afscheid nemen. | Murgen komme ze te gedag zègge. – Zèg maar gedag mit je handje, vergeet het maar, je bent het kwijt, het gaat je neus voorbij.
gedoente, gedoente, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze dageleks gedoente, dagelijks werk. – D’r gien gedoente mee hewwe, er geen bemoeienis mee hebben, er niet(s) mee van doen hebben.
gedoest, gedoest, bijvoeglijk naamwoord, Gedrongen, stevig, sterk. | ’n Gedoest kirreltje. Het woord is een afleiding van verouderd does(t) of duist, waarvan de grondbetekenis ‘iets diks, iets samengedrongens’ was. Zie het N.E.W. onder does-4 en onder duist 1.
gedonder, gedonder, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze deer hei je ’t gedonder in de glaze(kas) , daar heb je het gedonder. Eigenlijk daar heb je het gerammel van de inhoud van de glazenkast of porseleinkast.
gedriehoekt, driehoekt, bijvoeglijk naamwoord, Verouderde vorm voor driehoekig. | Driehoekte turve.
geefklier, geefklier, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ik hew ’t niet an m’n geefklier, ik ben of blijf niet zo vrijgevig.
geel, geêl, bijvoeglijk naamwoord, Geel, in de zegswijze zô geêl as ’n darm, ziekelijk of vuil geel. Ook: bruine, in de combinatie gêle bône, bruine bonen. – ’n Gêle rot, een bruine rat.
geelgoudje, gêlegousies, zelfstandig naamwoord meervoud, Goudsbloemetjes.
geelsel, geêlsel, zelfstandig naamwoord ’t, Gele verf of kleurstof.
geelselen, geêlsele, werkwoord, Geel verven. | Wai deeë altoid ’t streitje geêlsele.
geeltje, geêltjes, zelfstandig naamwoord meervoud, Zie boeregeêltjes.
geeltje, geêlke, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Gouden oorijzer. 2. Meisje dat het gouden oorijzer droeg.
geen, gien, geen; gien as, niemand behalve. | Gien mens as Piet ken mit dat peerd worre; gien meer, niet meer. | Ik hew ’m gien meer zien. Zei je dat gien meer doen!
geen een, gienien, gienientje, niemand, niet een | Gienien wou ’t doen. Ik hew er gienien over. Zegswijze d’r gienien zégge, geen stom woord zeggen. | Hai het er de hêle eivend gienien zoid. Verkleinvorm gienientje.
geeneens, gieniens, gieniensen, geniens, geniensen, gniesen, gnies, niet eens. | Dat hew ik gieniens(en) zoid.
geep, geep, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n geep slaan, een flater slaan. Waarschijnlijk is geep hier een variant van gijp = het plotseling omslaan van het zeil.
geep, geip, zelfstandig naamwoord de, Geep (vis), in de zegswijze ’n kleur as ’n geip, een ziekelijke of bleekgele kleur.
geeps, geips, bijvoeglijk naamwoord, Ziekelijk of bleekgeel. Letterlijk als van een geep. | Wat het ze toch ’n geipse kleur.
geerten, geerte, werkwoord, achteruitboeren, inkrimpen (verouderd). Vgl. westvlaams geerten = achteruitgaan, wijken. Zie het N.E.W. onder geerten.
geestig, geistig, bijvoeglijk naamwoord, Ook: 1. Met veel spirit, vurig. | ’t Is ’n geistig peerdje. 2. Grillig, met kuren.
gegraasd, graasde, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie graasde butter, grasboter, boter die gemaakt wordt in de periode dat de koeien in de wei grazen.
gehakt, gehak, zelfstandig naamwoord de/’t, Het gehakt. Vgl. Fries gehak.
gehaktbal, gehakbal, zelfstandig naamwoord de, Gehaktbal.
gehaktmolen, gehakmolen, zelfstandig naamwoord de, Gehaktmolen, in de zegswijze je zouwe ’m deur de gehakmolen hale! Je zou hem haast vermoorden!
gehorig, horig, bijvoeglijk naamwoord, Gehorig. | Dat benne horige huize.
gehufter, gehufter, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Gehuiver, geril. 2. Hufterig, onuitstaanbaar gedrag.
geil, goil, bijvoeglijk naamwoord, 1. Geil, wellustig. 2. Weelderig (van gewassen) | Goil gras. Zegswijze zô goil as butter (as gras, as hooi, as ’n bos uien), zeer geil of wellustig.
geinen, goine, werkwoord, (Vervelend) grappig doen, lol maken. | Lèg toch niet zô te goinen.
geiner, goinder, zelfstandig naamwoord de, (Vervelende) grapjas.
geinerij, goinderaai, zelfstandig naamwoord de, Gein, flauwekul. | Wat hai je an die goinderaai!.
geit, goit, zelfstandig naamwoord de, Geit. Zegswijze Vooruit (veruit) mit de goit, vooruit, vertrekken maar, beginnen maar! – De goit verzette (verpenne, verkure), figuurlijk voor: een plasje plegen (in de buitenlucht). | Ik moet efkes de goit verzette, ’oor.
geitenboede, goiteboet, zelfstandig naamwoord de, Schuurtje voor één of meer geiten.
geitenhaar, goiteheer, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Geitehaar. 2. Stug, wit haar.
gek, gek, bijwoord, van graad in een combinatie als: ’t skeêlt niet zô gek veul.
gek, gek, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze werke as ’n gek, zeer hard, onbesuisd werken. Ook: Houtje aan de disselboom.
gekarteld, karteld, bijvoeglijk naamwoord, Gekarteld. | ’n Karteld randje.
gekheid, gekked, gekkend, zelfstandig naamwoord de, Gekheid, in de zegswijze gekke(n)d is niet nôdig, zonder gekheid, zonder overdrijving. | Gekke(n)d is niet nodig, maar je moet ’m evengoed bewondere om z’n werk. – Van gekke(n)d, uit gekheid, niet gemeend. | Hai zee ’t vezelf van gekke(n)d. – Op gekke(n)d loere, op een grapje, een stoeipartijtje uit zijn. – Nou alle gekke(n)d an zaai, nu alle gekheid op een stokje. Verkleinvorm gekke(n)dje | ’t Is maar ’n gekke(n)dje, ’oor.
gekjagen, gekjage, werkwoord, Gekheid maken, stoeien (verouderd).
geklungel, geklongel, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van geklungel.
gekramde nap, kramdenáp, krammenáp, krammenák, zelfstandig naamwoord de, 1. Gekramde nap. 2. Figuurlijk voor een zwak, ziekelijk of gebrekkig mens of voor een gammel voorwerp. Meervoud kramdenáppe, in de zegswijze kramdenappe leve ’t langst, krakende wagens lopen het langst.
gekriebel, gekriebel, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Gekittel 2. Zeer klein, onleesbaar handschrift | Ik ken dat gekriebel niet leze.
gelag, gelag, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t is nét berekend gelag (hooi op en de koe doôd), het is net voldoende, we komen precies rond. Verkleinvorm gelaggie. Gelagje, consumptie. | Neem van moin ’n gelaggie.
geld, geld, zelfstandig naamwoord ’t, Geld, in de zegswijze voor ’t zelfde geld, net zo goed – Geld zoekt geld, 1. iemand met geld trouwt graag met iemand die het eveneens heeft. 2. wie geld heeft, kan vaak gemakkelijk zijn kapitaal vergroten. – Weer geld is, wul geld weze, zie de vorige zegswijze – Vast geld, vaste arremoed, met een vast inkomen kun je moeilijk rijk worden. – Da’s geld in ’n groene mantel, het bezitten van of het investeren in grasland is of blijft rendabel. Gekoup geld hewwe, geleend hebben tegen een lage rente. – Ik ben m’n geld niet louf, ik geef mijn geld niet zó maar uit. – ’t Is zónde geld, het is zonde van het geld, het is weggegooid geld. – Vals geld op zak hewwe, valse streken hebben of uithalen. – Ik ken ’t geld niet in m’n diesek darse, ik kom heus niet zo gemakkelijk aan geld. – Geld in de lucht, stront op de plank, schertsend gezegd van de vaak dure duivensport. – Geld of gien geld, alle mense hewwe geloik nuw jaar, volkswijsheid die vaak gebezigd wordt om aan te geven, dat men niet te fanatiek naar materieel gewin moet streven. Meervoud gelden, in de zegswijze gaat ’t op ’n gelden, den gaat ’t op ’n skelden, als het om geld gaat, dan leidt dat gemakkelijk tot gekijf, tot ruzie (o.a. bij het verdelen van een erfenis).
gelden, gelde, sterk werkwoord, Gelden. De vervoeging luidt: gelde – gold/gouw (verouderd) – golden/gouwen (verouderd).
geldscheet, geldskeet, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ik hew de geldskeet niet, het geld groeit me niet op de rug.
geldschip, geldskip, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze as ’t geldskip over komt, als of zodra ik rijk word.
geldzorg, geldzurge, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze geldzurge bénne gien zurge, er zijn veel grotere zorgen dan geldzorgen.
geleden, leden, bijwoord, Geleden, voorbij. | ’t Is al ’n toid leden.
geleerd, geleerde, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze geleerde houfde make domme hande, wie zich teveel op intellectuele arbeid toelegt, leert zijn handen niet gebruiken.
gelegenheid, gelegenthoid, zelfstandig naamwoord de, Verouderde dialectische variant van gelegenheid.
gelei, selaai, zelfstandig naamwoord de/’t, Dialectische variant van gelei.
gelijk, geloik, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze geloik hei je; ongeloik het ’n bochel of ’n koetje, schertsende woordspeling als toevoeging op het gezegde dat iemand gelijk heeft. Koetje heeft hier de betekenis van kuiltje.
gelijk, geloike, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, in de zegswijze mit geloike man, met vereende krachten, met z’n allen. – Geloike twei (geloike drie, geloike vier enz.), 2-2 (3-3, 4-4 enz.), gebezigd voor wedstrijduitslagen. | ‘Hoe het Ajax speuld?’ ‘Geloike twei’. – Van ’s geloike, insgelijks.
gelijkigheid, geloikighoid, zelfstandig naamwoord de, Gelijkheid, in de zegswijze meedoen voor de geloikighoid, meedoen om het spel mogelijk te maken, om een team van een gelijk aantal te formeren. | We hewwe nag ’n vierde kaarter nôdig; doen jij effies mee voor de geloikighoid?
geling, gêling, zelfstandig naamwoord de, Geelzucht. Vgl. Fries gieling.
geloof, gelouf, zelfstandig naamwoord ’t, Geloof, in de zegswijze je hewwe ’n goed gelouf en ’n kurken ziel, je bent veel te goedgelovig. Meervoud gelouve, in de zegswijze twei gelouve op ien kussen, deer sleipt de duvel tussen, op een zogenaamd gemengd huwelijk kan geen zegen rusten, – Twei gelouve op ien peul, da’s krek ien gelouf teveul, zie de vorige zegswijze
geloven, gelouve, louve, werkwoord, Geloven, in de zegswijze ze gelouve dat ’n dubbeltje meer is as ’n sent, spottend of schertsend gezegd van niet-gelovige, materialistische lieden. Verouderde vorm louve. | Ik louf er niks van. Vgl. Fries leauve.
gelt, geld, bijvoeglijk naamwoord, 1. Niet drachtig. 2. Onvruchtbaar. | ’n Gelde koe. Zie voor de oorspronkelijke betekenis de suggesties in het N.E.W. onder geld-2.
gelte, geld, zelfstandig naamwoord de, Gesneden, gecastreerde big. Vgl. Engels to geld = castreren.
geluk, geluk, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n ons geluk is meer as ’n pond verstand, met een beetje geluk kan men vaak meer bereiken dan met veel (intellectuele) inspanning. – Ientje geluk geve, akkoord gaan met een door de koper bedongen prijs. (Ook kortweg: luk!) – Jij benne maar weer in ’t geluk, jij treft het maar weer, jij hebt maar weer geluk.
geluk, luk, zelfstandig naamwoord ’t, Geluk (verouderd). Zegswijze ientje luk (geluk) geve, met handslag akkoord gaan met de koop en de koper gelukwensen.
gelukje, geluksie, zelfstandig naamwoord ’t, (Witte) stenen stuiter.
gemaal, gemaal, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Hinderlijk gezeur. 2. Hinderlijk heen en weer-geloop. Afleiding van malen in de zin van: draaien, draaierig of duizelig worden.
gemacht, gemach, gemacht, zelfstandig naamwoord ’t, Mannelijk lid, penis. Verkleinvorm: gemachie.
gemak, gemak, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Gemak 2. Plee. Zegswijze z’n gemak en gerak hewwe, zijn natje en droogje hebben, zijn complete verzorging hebben.
gemeen, gemeen, gemien, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: heel erg, venijnig | ’t Doet gemeen zeer. ’t Is gemeen koud. Verouderde dialectische variant gemien.
gemeente, gemiente, zelfstandig naamwoord de, Verouderde variant van gemeente.
gemeester, gemeister, zelfstandig naamwoord ’t, Gedokter (verouderd). Vgl. Fries gemaster.
gemoed, gemoed, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: boezem, borsten. | Ze het puur zô’n gemoed.
gemoeilijk, gemoeilek, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van moeilijk. De vorm is kennelijk ontstaan onder invloed van de tegenstelling gemakkelijk. | ’t Benne gemoeileke somme.
gemoet, gemoet, in de zegswijze in ’t gemoet, tegemoet (verouderd). | Je moste ’m efkes in ’t gemoet loupe.
genachte, genachte, uitroep in de combinatie goeie genachte, grôte genachte. | Grôte genachte, wat zien jij d’r uit! Goeie genachte, nou hew ik nág gien bóskippe haald.
generen, senere, ’m senere, z’n oigen senere, sienére, werkwoord, Zich generen. | Ik seneerde m’n doôd.
geneven, geneven, voorzetsel, Naast. | Hai zat geneven de burrie en de netaris. geneven over, tegenover. | Hai weunt geneven over de kerk.
genie, senee, sienéé, zelfstandig naamwoord ’t, Zin, lust. Uit Frans génie. | Moin senee is van ’t boere(n) of.
genieïgheid, seneeïghoid, sieneeïghoid, zelfstandig naamwoord de, Zin, lust, liefhebberij. | Deer hew ik nou seneeïghoid in.
geniepen, gniepe, werkwoord, Stiekem bezig zijn, stiekem (be)kijken.
genoeg, genog, genogt, nog, bijwoord, Genoeg. Verouderde dialectische varianten genogt, nog | Ik hew nòg, ’oor.
genoegen, genoegen, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n goed (slecht) genoegen hewwe, (niet) content zijn.
genoeglijk, noffelijk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Genoeglijk, gezellig, onderhoudend (genoteerd te Venhuizen). Vgl. Fries noflik. | ’t Is ’n noffeleke kirrel. Ze zatte noffelek te praten.
genootschap, genoôskip, genoôtskip, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderde dialectische variant van genootschap. Vgl. Fries genoatskip.
genotteren, genottere, werkwoord, Schertsend voor genieten. | Wat hew ik zitte te genotteren.
gepareld, parelde, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie parelde gerst, geparelde gerst (verouderd).
gepijpkand, gepoipkand, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze gepoipkand weze, er slecht aan toe zijn, bedrogen uitkomen (verouderd). Het woord is een afleiding van verouderd pijpkannen = aan een zuigeling de pijpkan i.p.v. de borst geven. Het is genoteerd door J. de Vries Az. in diens boek ‘Westfriesche Woorden’, in de (foutieve) spelling ‘gepijpkant’.
gepikt, pikt, bijvoeglijk naamwoord, Voltooid deelwoord van pikke = met pek bestrijken of insmeren, in de zegswijze pikt en dreven. 1. In orde, voor elkaar. | Ziezô, alles is weer pikt en dreven. 2. Keurig aangekleed, uitgedost, toegerust voor de reis. | Je ziene d’r maar weer pikt en dreven uit. Gane we, we benne pikt en dreven, ’oor! Letterlijk betekent de zegswijze gepekt en gedreven = gebreeuwd. De zegswijze is waarschijnlijk ontleend aan de scheepsbouw.
geraapt, geraapt, bijvoeglijk naamwoord, Verkoopclausule die aangeeft dat bloembollen tot een bepaalde maat verkocht worden. Vgl. ongeraapt.
gerak, gerak, zelfstandig naamwoord ’t, Portie, het iemand rechtens toekomende deel. Vgl. Fries gerak. Het woord is verwant met gerecht, hier in de zin van: het gerechte, rechtens toekomende deel, Zegswijze z’n gerak had hewwe, 1. zijn portie (van eten en drinken) gehad hebben. 2. genoeg straf, rammel of tegenslag gehad hebben.
geramasseerd, gerammezeerd, bijvoeglijk naamwoord, Gedrongen, stevig, onverschrokken (verouderd) | ’t Is ’n gerammezeerd kirreltje. Het woord is gevormd uit Frans ramassé = gezet, ineengedrongen.
gereed, reid, reed, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Variant van gereed. Hiernaast de verbogen vormen rei(d)er en rei(d)st. Zegswijze mit reid geld betale, kontant betalen. – ’t Is reid werk, het is gemakkelijk werk, het is snel gereed, het gaat vlot. – Reid mit de mond weze. 1. ad rem zijn. 2. alles er maar uitflappen. – Reid mit de mond, maar niet mit de kont, gezegd van een vrouwspersoon die wel vlot en lichtzinnig is in haar uitlatingen, maar niet in haar gedragingen. – Reid eten, eten dat snel gereed is, dat snel klaar te maken is. – Reid en kleid weze, gereed staan om uit te gaan. Letterlijk gereed en gekleed zijn. – Dut loupt reid an, dit loopt het vlugst, het gemakkelijkst. – De rei(d)ste weg, de kortste weg. – Dat zit niet reid, dat is niet zo gauw of gemakkelijk op te lossen.
gereedschap, gereedskip, gereeskip, zelfstandig naamwoord ’t, Dialectische variant van gereedschap.
gereformeerd, griffemeerd, bijvoeglijk naamwoord, Gereformeerd.
gerend, gierend, gérend, bijvoeglijk naamwoord, Gérend, schuintoelopend. | Gierende huize, ’n Gierende rok.
geresolveerd, gerizzeleveerd, bijvoeglijk naamwoord, Vastberaden, doortastend. Gevormd van resolveren = besluiten.
gerij, gerit, gereed, zelfstandig naamwoord ’t, Het gerij, het aanhoudend voorbijrijden van voertuigen.
gerijgerol, geraaigerol, zelfstandig naamwoord ’t, Voortdurend geschuif of gewiebel (verouderd).
Gerrit, Gerrit, mannennaam, in de zegswijze ik ben gekke Gerrit niet, ik ben niet gek. – Voor gekke Gerrit staan, voor gek staan.
gerst, garst, zelfstandig naamwoord de/’t, Verouderd voor gerst.
gerucht, gerocht, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderd voor gerucht.
geruisloos, geruisloôs, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze geruisloôs z’n gang gaan, ergens heimelijk of glashard mee doorgaan, ondanks kritiek of waarschuwingen. – Die is ôk geruisloôs, zie de vorige zegswijze
gerust, gerust, bijwoord, in de zegswijze gerust waar, echt waar.
gerven, gerve, werkwoord, Nieuw dons en gevederte krijgen, ruien. Oorspronkelijk betekende het woord ‘gereedmaken, in orde maken’, later ook ‘kleden, uitdossen’.
gescheiden, geskeeën, bijvoeglijk naamwoord, Gescheiden. | Z’n vader en moeder benne geskeeën. Soms wordt ook de vorm ‘skeeën’ gebezigd.
geservituut, geservituut, zelfstandig naamwoord ’t, Gezeur, gezanik (verouderd).
gesnoven, snoven, voltooid deelwoord van snuiven, in de zegswijze erges op snoven weze, ergens op gesteld zijn. Eigenlijk iets aangenaams gesnoven hebben.
gespikkeld, spikkeld, bijvoeglijk naamwoord, Gespikkeld, gestippeld. || ’n Spikkelde koe.
gesprenkeld, sprinkeld, bijvoeglijk naamwoord, Gespikkeld. | ’n Sprinkelde koe. Vgl. Fries sprinkeld.
geste, jiste, zelfstandig naamwoord meervoud, Kuren, streken (verouderd). Vgl. Middelnederlands jeesten, gheesten. Uit Frans gestes.
gesteun, gestén, zelfstandig naamwoord ’t, Gesteun, gekreun. Afleiding van stenne. Zegswijze gestén en gepén, gesteun en gekreun.
gestopt, gestopt, bijvoeglijk naamwoord, Gedrongen, stevig. | ’n Gestopt kirreltje.
getekende, geteikende, getekende, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze wacht je voor de gete(i)kende, onderschat of bespot lichamelijk of geestelijk gehandicapten niet. Elders heeft de zegswijze de ongunstige betekenis: wees op je hoede voor mismaakten; deze zijn niet te vertrouwen.
getispel, getispel, zelfstandig naamwoord ’t, Gezeur, gezanik (verouderd).
getjattel, getjattel, zelfstandig naamwoord ’t, Gekakel, gekwebbel (verouderd).
getjuttel, getjoetel, zelfstandig naamwoord ’t, Drukte, druk gedoe (Anna Paulowna).
getrapt, getrapt, bijvoeglijk naamwoord, Trapsgewijs, in de combinatie getrapte weige, wanden bestaande uit trapsgewijs geplaatste, steeds iets over elkaar liggende planken.
getrouwd, trouwd, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze trouwd en dein weze, getrouwd zijn en op zijn bestemming zijn. | Alle joôs benne trouwd en dein.
geul, guul, zelfstandig naamwoord de, Geul, sleuf.
geulen, gule, werkwoord, Geulen of sleuven maken.
geuler, guulder, zelfstandig naamwoord de, 1. Werktuig voor het graven van geulen. 2. Arbeider die geulen graaft.
geval, geval, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze bai geval 1. Toevallig, soms. | As je ’m bai geval spreke, doen ’m den de groete van m’n. 2. Voor het geval dat. | Bai geval we niet thuis benne, gaan je maar nei de bure. 3. Tengevolge daarvan, daardoor. | We hadde pech, bai geval kwamme we te laat. – ’t Geval loit, het (ongeluk) is nu eenmaal gebeurd, er is niets meer aan te doen. | Nou ja, ’t geval loit, leite we nou maar uitskaaie mit peêuwen.
geven, geve, werkwoord, Geven. De vervoeging luidt: geve – gaf, gaffe/gavve – geven. Zegswijze goed geve, een goede gift geven, flink opbrengen. | De koeie geve goed, de piepers geve goed. – Wat geeft ’t mit jou? Wat scheelt jou? – ’t Is deer: geef oôs heden, het is daar armoe troef. Eigenlijk geef ons heden ons dagelijks brood. – Zó geeft ’t niet, zo helpt het niet. – Ik geef ’t liever mit ’n warme hand as mit ’n kouwe, ik geef (het geld, het bezit) liever tijdens mijn leven weg, dan (via een erfenis) na mijn dood.
gever, gevers, zelfstandig naamwoord meervoud, in de combinatie beste gevers, koeien die veel melk geven.
gevlogen, gevlogen, bijwoord, in de zegswijze van gevlogen, heel erg, heel hard, buitengewoon. | Hai kreeg ’n klap van gevlogen.
gewag, gewag, zelfstandig naamwoord ’t, Het spul, de (koop)waren. Vgl. samenstellingen als lappegewag, skuttelegewag. Mogelijk hangt het woord samen met het werkwoord gewagen, hier in de zin van: met de stem aanprijzen (van koopwaar).
gewasselijk, gewasselek, bijvoeglijk naamwoord, Groeizaam. | ’t Is gewasselek weer.
geweld, geweld, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: ophoping, drukte, bv. in de samenstelling vrouwegeweld. | Wat ’n vrouwegeweld op de lappedag in Hoorn! Zegswijze van geweld, van heb ik jou daar. | ’n Drókte van geweld.
gewelf, verwulf, verwulft, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Gehemelte (verouderd). 2. Gewelf van een regenbak, een put, een gebouw e.d. (verouderd). Het woord is verwant met welven.
gewicht, wicht, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze goed an de wicht weze, een goed gewicht hebben, behoorlijk zwaar zijn. | Ze is kloinig, maar goed an de wicht.
gewipwap, gewupwap, zelfstandig naamwoord ’t, Druk beweeg, gezwaai, gezwier enz.
gewoon, geweun, bijvoeglijk naamwoord, Verouderd voor gewoon.
gewoonte, geweunte, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor gewoonte.
gezelschap, selskip, zelskip, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderde vorm van gezelschap.
gezicht, gezicht, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’n gezicht van ouwe lappe, een bleek, treurig gezicht. – ’n Gezicht (as) van zeuven dage onweer, een boos, verongelijkt gezicht. – Deer is ’t gezicht an of, dat ziet er netjes uit, daar hoeft niets meer aan opgeknapt te worden.
gezond, gezonde, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze gezonde praat, zinnige praat of gespreksstof. – Ze het ’n gezonde ziekte, o.a. gezegd van een vrouw die of een meisje dat menstrueert, van een vrouw die zwanger is of die in het kraambed ligt.
gezondheid, gezondhoid, zelfstandig naamwoord de, Ook: gordel van baai of een doek om het lichaam warm te houden (verouderd).
gezondheidskist, gezondhoidskist, zelfstandig naamwoord de, Rariteit uit ± 1900. Door kleine stroomstootjes zou men bepaalde ziektes kunnen genezen.
gezwel, swel, zelfstandig naamwoord de, Gezwel, zweer. Verkleinvorm sweltje.
gezwenk, geswink, geswenk, zelfstandig naamwoord ’t, Het vluchtig voor het oog verschijnen en meteen weer verdwijnen.
giebel, giebel, zelfstandig naamwoord de, Giechelend, aanstellerig lachend meisje.
giebelegeintje, giebelegointjes, zelfstandig naamwoord mannelijk, Geintjes, grapjes, foefjes. | Ik hou niet van zukke giebelegointjes.
giebelen, giebele, werkwoord, Giechelen, aanstellerig lachen. Vgl. Fries gibelje.
giebelkont, giebelkont, zelfstandig naamwoord de, Zie giebel.
giegauw, giegauw, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n molen mit ’n giegauw hewwe, in een gunstige, kansrijke positie verkeren, (verouderd). De zegswijze is ontleend aan het molenspel. Zie Karsten ‘Het dialect van Drechterland’, deel II (supplement).
gier, gier, zelfstandig naamwoord de, Plotselinge uitwijking of slingering. | De wagen nam ’n gier.
gier, ier, zelfstandig naamwoord de, 1. Gier, vloeibare mest. 2. Bruinachtig vocht uit een pijp, een schoorsteen e.d.
gierbak, ierbak, zelfstandig naamwoord de, Bak waarin gier werd bewaard.
gieremmer, ieremmer, zelfstandig naamwoord de, Emmertje aan een lange stok waarmee de gierkuil werd leeggeschept.
gieren, giere, werkwoord, 1. Slingeren, zwaaien 2. Schuin toelopen.
gieren, giere, werkwoord, in de zegswijze giere van de arremoed, straatarm zijn. – As arremoed giere kon, kò je ’t hier hore, gezegd van lieden die straatarm zijn. – Giere van de honger, rammelen van de honger. – ’t Giert er van, het wemelt ervan. | ’t Giert deer van de rotte en muize.
gieren, iere, werkwoord, 1. Gier over het land verspreiden. 2. Bruinachtig vocht uitscheiden. | De skoorstien iert.
gierig, gierig, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze hai is zô gierig dat de rouk van z’n stront er gieniens of ken, krasse aanduiding voor buitengewoon gierig. – Hai is zô gierig dat ie enkeld deur z’n neus asemt, aârs sloite z’n tande te veul, zie de vorige zegswijze
gierkar, ierkar, zelfstandig naamwoord de, (Tank)wagen waarmee de gier naar het land vervoerd wordt.
gierkuil, ierkuil, zelfstandig naamwoord de, Kuil in de grond waarin gier vloeit, waarin gier wordt bewaard.
gierput, ierput, zelfstandig naamwoord de, Zie ierkuil.
giersel, iersel, zelfstandig naamwoord ’t, Zaksel in zinkputten.
gierselput, ierselput, zelfstandig naamwoord de, Zinkput.
giersloot, iersloôt, zelfstandig naamwoord de, Sloot(je) waarin gier vloeit, gier wordt bewaard.
gierwijk, ierwik, zelfstandig naamwoord de, Wijk of sloot(je) waarin gier vloeit, gier wordt bewaard.
gieter, gieter, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze as ’n gieter weze, stomdronken zijn. – Ofgaan as ’n gieter, hopeloos mislukken.
gilpen, gilpe, werkwoord, 1. Gillen (verouderd) 2. Tsjilpen (verouderd).
ginder, gunter, gunder, bijwoord, Ginder.
ginderwijd, gunterwoid, bijwoord, Verouderd voor ginds, ver weg.
ginds, gunne, aanwijzend voornaamwoord, Dialectische variant van gindse. | An gunne kant.
ginds, guns, bijwoord, Dialectische variant van ginds.
gis, gis, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze bai gis, ruw gegist of geschat. Vgl. Fries bij de gis. | D’r wazze bai gis wel honderd mense op de resepsie.
gist, gest, zelfstandig naamwoord de/’t, Verouderd voor gist.
gistbofferd, gistboffer, zelfstandig naamwoord de, Zie gistkoek.
gisteren, guster, bijwoord, Gister(en). Vgl. Fries juster.
gistkladder, gistkladder, zelfstandig naamwoord de, Gistverkoper aan bakkers en particulieren (vero).
gistkloek, gistkloek, zelfstandig naamwoord de, Zie gistkladder.
gistkoek, gistkoek, zelfstandig naamwoord de, Kleine, opgebolde pannekoek van gegist deeg.
glaasjetik, glazie-tik, zelfstandig naamwoord, Ruitentikkertje (kwajongensspel).
glacé, glanseeën, bijvoeglijk naamwoord, Glacé | Glanseeën handskoene.
glacé, glanseeëns, glansees, zelfstandig naamwoord meervoud, Glacé handschoenen. De vormen glanseeën(s) en glansees zijn kennelijk ontstaan onder invloed van glanzen (glanzend leer).
glad, glad, bijwoord, in de zegswijze glad koike, olijk, ondeugend kijken. – Ze is glad te vraaien, ze is zeer vrijlustig, laat zich gemakkelijk verleiden tot vrijen.
gladjanus, gladjanus, zelfstandig naamwoord de, Gladde vogel, slimmerik, iemand die een ander te glad af is.
Gladoren, Gládore, zelfstandig naamwoord meervoud, Spotnaam voor de bewoners van Twisk.
gladpeul, gladpeul, zelfstandig naamwoord de, Zie hoer 2.
glas, glas, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: ruit, raam. | ’t Glas van de deur is stik. Meervoud glaze. Ook: ramen, vensterruiten. | Ze zit altoid voor de glaze te glouwen. Zegswijze de ien mag de glaze ingooie, de aar mag gieniensen op ’t streitje loupe, de een mag alles, de ander mag niets.
glasappel, glasappel, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse appelsoort.
glasje, glassies, zelfstandig naamwoord meervoud, Glasscherfjes of -splinters. | Trap niet mit je blote biene in die glassies, ’oor.
glazenkast, glazekas, glazekast, zelfstandig naamwoord de, Zie diggelekas.
glazenkleed, glazekleidje, zelfstandig naamwoord ’t, Kleedje van wit of blauw katoen dat men voor de vensters hing, zodra de lamp werd aangestoken.
glazenmars, glazemars, zelfstandig naamwoord de, Krat, latwerk waarin de schilder de ruiten op zijn rug vervoerde.
glazenwagen, glazewágen, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse koets.
glazig, glazenig, bijvoeglijk naamwoord, Dialectische variant van glazig. | Glazenige piepers.
glee, gleed, zelfstandig naamwoord de, Glee, kale of afgesleten plek in kledingstukken, vloerbedekking e.d.
glib, glib, zelfstandig naamwoord de/’t, Geronnen melk (verouderd). Het woord is verwant met glibberig = glad en glippen, glibberen = glijden.
glim, gloim, zelfstandig naamwoord de, 1. Glimlach. 2. Vals lachje. 3. Glimp. | Ik hew er ’n gloim van zien.
glimmen, gloime, werkwoord, 1. Glimlachen. 2. Ingehouden, vals lachen.
glimmen, glimme, sterk werkwoord, Glimmen, in de zegswijze glimme as ’n butterdiggel (as ’n keersemakersgat, as ’n peerdekeutel) in de maneskoin, erg glimmen.
glis, glis, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze an de glis rake, uitglijden, beginnen te slippen.
glis, glis, bijwoord, Net onder water (gegleden). | Zet de stoufpere maar glis op.
glisbaan, glisbaan, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van glijbaan.
glisland, glisland, zelfstandig naamwoord ’t, Land dat net onder de waterspiegel is gelegen, moerasland.
glisonder, glis-onder, bijwoord, Zie glis. | Zet de stoufpere maar glis-onder.
glispoten, glispôte, werkwoord, Glijdend, schuifelend lopen. | Je loupe op zo’n gladde weg de hêle toid te glispôten.
glissen, glisse, werkwoord, Glijden. Oorspronkelijke vorm glitsen. Zie N.E.W. onder glissen.
gloed, gland, zelfstandig naamwoord de, Gloed (van bv. kolen in de kachel).
gloeiend, gland, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Glimmend, stralend, glunder. | Ze ken zô gland koike. Het woord is verwant met het werkwoord glanzen. Vgl. Fries glandich. Zegswijze zô gland as ’n baai koike, zeer spottend of wantrouwend kijken (verouderd). – Gland en glunder, dubbelzegging voor glunder, stralend blij.
glooi, glooi, in de zegswijze glooi zitte, glouw zitte, duidelijk zichtbaar, open en bloot, met open gordijnen zitten. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder glooien.
glooien, glouwe, werkwoord, Gluren, bespieden. Vgl. glooi.
glooier, glouwer, glouwerd, zelfstandig naamwoord de, Gluurder.
glop, glop, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Open ruimte tussen huizen, bomen e.d. | D’r wordt in dat glop nag ’n huis bouwd. 2. Nauwe doorgang, steeg, vaargeul door het ijs. Het woord is verwant met het werkwoord gluipen.
gloren, gloere, werkwoord, Gloren, aanglimmen (van vuur). Vgl. Fries gluorje.
gloria, gloria, zelfstandig naamwoord de, Gloeiende kool in een stoof. Het woord behoort bij gloren = gloeien en kreeg een verlatijnste uitgang, als woordspeling met Latijn gloria. Zegswijze bille verheug je, de gloria komt, schertsend gezegd als men de stoof van een gloria voorzag.
gluipen, glupe, werkwoord, 1. Gluipen, sluipen, heimelijk en snel te werk gaan. 2. Gluiperig, loerend kijken. Vgl. Fries glûpe.
gluiperd, gluperd, zelfstandig naamwoord de, Gluiper.
gluipertje, gluperdje, zelfstandig naamwoord ’t, Klein tuimelraampje.
gluipogen, gluupouge, werkwoord, 1. Loensen. 2. Gemeen loerend kijken.
gluipoog, gluupoug, gluipoug, zelfstandig naamwoord de, Iemand die loenst of gemeen kijkt.
gluipzak, gluupzak, zelfstandig naamwoord de, Gluiper, gladde vogel.
gnarren, gnarre, gnorte, werkwoord, Knorren, te pas en te onpas mopperen. (Noord-Scharwoude). Vgl. Fries gnoarje.
gnatelen, gnatele, werkwoord, Peuteren, veugelen (Hauwert).
gnokken, gnokke, werkwoord, Bedelend kijken, hunkeren, zeurend vleien.
gnuiven, gnuive, werkwoord, Gnuiven. De vervoeging luidt: gnuive – gnuife/gnoof – gnuifd/gnoven.
God, God, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze God nach goed mens, geen sterveling. | Je zagge deer God nach goed mens. Opmerking: Het element ’god’ wordt in allerlei vloeken en krachttermen gebezigd, bv. godvergeme, wat ’n godvergemese troep, godverdubbe, goddôsie, godverdee enz.
goddank, gosterdankies, uitroep van opluchting, verbazing e.d. Eigenlijk God zij gedankt.
goddelijk, goddelek, bijvoeglijk naamwoord, Ook: precies, sprekend. | ’t Is goddelek z’n vader.
goddeloos, goddeloôs, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze ’t is goddeloôs!, het is meer dan erg.
goddeloze, goddelôze, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze de goddelôze wasse de rôze op de skoene, de goddelozen, de deugnieten hebben altijd geluk.
godje, godje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t godje van de gouwen toren, de lieveling, de gunsteling, de bevoorrechte.
godmajoor, godmejoor, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze as ’n godmejoor weze, stomdronken zijn.
godsmiserabel, godsmiserabel, gosmiserabel, bijwoord, Zeer, heel erg. | Wat is ’t hier go(d)smiserabel koud.
godsvermogen, godvermogen, zelfstandig naamwoord ’t, Een enorm vermogen, zeer veel geld. | ’t Kost ’n godvermogen. Jan verdient ’n godvermogen.
godvergeefmij, gaffergémig, gaffergémie, gaffergémes, goffergémig, goffergémie, vloek, krachtterm, verbastering van ‘God, vergeef me’. Ook verbogen vormen zijn gangbaar, bv. wat ’n goffergémese grôte hufter.
goed, goed, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze weer goed op mekaar weze. weer goede vrienden zijn. Zô goed as de we(e)g, doodgoed.
goed, goed, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze m’n goeie goed, mijn nette, zondagse kleren. – Samen goed is gien goed, gemeenschappelijk bezit is eigenlijk geen bezit; leidt gemakkelijk tot wrijving. – Hoe ve(e)rder van je goed, hoe dichter bai je skaad, wie te ver van zijn bedrijf, zijn land woont, daardoor veel tijd verspilt (met heen en weer gaan) en te weinig controle uitoefent, lijdt gemakkelijk verlies of schade.
goeddoen, goed-doen, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze d’r is gien goed-doen an, het haalt niets uit.
goedelijk, goedelek, bijvoeglijk naamwoord, Goedig, goedaardig, vgl. Fries guodlik. | ’t Is van dat goedeleke volk.
goedemorgen, gemurgen, groet: goede morgen.
goedenacht, genacht, groet, wens: goede nacht.
goedenavond, geneivend, groet: goede avond.
goedertieren, goedertieren, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Verschrikkelijk. | Hai ging er wel zô goedertieren te keer. 2. Min of meer onverschillig. | ’t Is oôs allegaâr goedertieren (Noord-Scharwoude).
goedgaren, goedgâren, zelfstandig naamwoord ’t, Het vergaarde bezit. | Hai freet van z’n vaders goedgâren.
goedig, goedeg, in de combinatie bai goedeg. Samenkoppeling van ‘bai goed deig’. Zie deig.
goedkoop, gekoúp, bijvoeglijk naamwoord, Goedkoop, in de zegswijze zô gekoup as ’n pet van ’n kwartje, spotgoedkoop. – Gekoup volk, minderwaardig volk, volk van mindere stand.
goedschiks, goeskik, bijwoord, Goedschiks.
goedschoonmaken, goéskemake, werkwoord, Vervorming van ‘goed schoonmaken’, d.w.z. het vaatwerk, etensgerei afwassen.
goedschoonmakerswater, goéskemakerswater, zelfstandig naamwoord ’t, Afwaswater, water voor de vaatwas.
goedzegger, goedzègger, zelfstandig naamwoord de, Borg.
goeie genachte, goeiegenachte, goeiegenachies, uitroep van schrik, verbazing e.d.
gof, gof, goffie, guffie, zelfstandig naamwoord de, 1. Guts, scheut. 2. Duw, stoot. Verkleinvorm: goffie, in de zegswijze gaan je goffie, ga je gang, haal je hart op.
goffeldoffel, goffeldoffel, zelfstandig naamwoord de, Sul, lummel.
goffen, goffe, werkwoord, Duwen, stoten.
gofferd, goffer, gofferd, zelfstandig naamwoord de, 1. Stoot, duw. 2. Grote hoeveelheid. | D’r is guster ’n goffer water vallen.
gok, gog, zelfstandig naamwoord de, Grote neus.
golf, golfies, zelfstandig naamwoord meervoud, Golfjes, in de zegswijze de golfies d’r vóór houwe, de vaart erin houden, flink of levenslustig blijven. Letterlijk duidt de zegswijze op een (zeil)schip dat de vaart erin houdt.
golfjestuk, golfiestòk, golfiestuk, zelfstandig naamwoord ’t, Vermeend tuk of beet. | Ik docht da’k leven had, maar ’t zal wel weer golfiestòk weze.
golvenjagen, golvejage, werkwoord, Gezamenlijk in cadans over het ijs lopen, waardoor dit gaat golven en op den duur breekt.
Gom, Gom, bijnaam voor het dorp Wervershoof. Waarschijnlijk is het woord een variant van hom. Vgl. de bijnaam Keut (variant van Kuit) voor het naburige Onderdijk.
gomelastiek, gommelestiek, zelfstandig naamwoord de/’t, Het gomelastiek.
Gommer, Gommer, bijnaam voor inwoner van Wervershoof.
gonje, gonje, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze hai is gonje, het zit goed (verouderd). | Wat dee de bloemkool op de voiling? ‘Hai is gonje, meer as ’n knaak’. Eigenlijk is gonje een stofnaam, zak van gonje of gonjezak. Vgl. de zegswijze hai is in de tas, de winst is binnen, het zit goed. Zie voor gonje het N.E.W.
gons, gons, zelfstandig naamwoord de, Ook: grote hoeveelheid, drukte, veel lawaai. | We krege toch ’n gons water! De groô(t)ste gons is verbaai.
gonzen, gonze, werkwoord, Ook: 1. Zingen van (thee)water. | ’t Water gonst al, ik zel effies thee zette. 2. Druk, lawaaierig zijn. | ’t Gonsde van ’t volk.
gonzer, gonzer, zelfstandig naamwoord de, 1. Bromvlieg. Vgl. Fries gûnzer. 2. Zie reutel en snorrebot.
gooien, gooie, werkwoord, in de zegswijze groen gooie, bouwland tot grasland maken – Swart gooie, grasland scheuren en tot bouwland maken.
goor, goor, bijvoeglijk naamwoord, Ook: 1. Zuur, bedorven. | De melk is goor. 2. Vaalwit, niet helemaal schoon. | ’t Wasgoed ziet nag goor. 3. Ziekelijk-bleek, ongezond van kleur. | Wat ziet ze d’r toch goor uit. 4. Katterig. | Ik ben nag ’n beetje goor van de brulleft. 5. Onaangenaam, gemeen. | ’t Is goor weer. Wat ’n gore streek.
gootsgat, goôsgat, goôtsgat, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Afvoergat in gootsteen of riolering. 2. Afvoergat van de ‘groep’ naar de gierkelder. 3. Gat in de muur – gelijk met de vloer – voor aftap van spoelwater. Vgl. Fries goatsgat.
gord, gor, zelfstandig naamwoord de, Bandje waarmee een zak of buidel werd dichtgebonden. Het is hetzelfde woord als gord, Middelnederlands gorde = gordel, buikriem. Zie het N.E.W. onder gord. Zegswijze de gor moet los, er moet betaald worden, het kost geld.
gorden, gorre, werkwoord, Afleiding van gor: de balzak van lammeren afbinden door middel van een gor.
gordijn, gerdointjes, zelfstandig naamwoord meervoud, Gordijntjes, in de zegswijze achter de gerdointjes gaan, naar bed gaan. Voor de bedstee hingen soms gordijntjes.
gorstel, garzel, zelfstandig naamwoord de, Schrootplank waarop roggebrood werd geschroeid.
gorstelen, garzele, werkwoord, Zwartschroeien van de bovenkant van roggebrood (verouderd). Vgl. Boek. onder garstelen. Vgl. ouder Nederlands gorstelen.
gort, gort, verbastering van ‘God’. | Gort, weer zou ie toch zitte?
gort, gort, zelfstandig naamwoord de/’t, De gort, in de zegswijze an gort, aan gruzelementen. – ’t Gort is gaar, de rapen zijn gaar. Vgl. Fries it gôrt is gear.
gortdroog, gortdroug, bijvoeglijk naamwoord, 1. Kurkdroog. 2. Erg saai.
gortenteller, gorteteller, gortjesteller, zelfstandig naamwoord de, Muggenzifter.
gortig, gortig, bijvoeglijk naamwoord, Ook: variant van garstig. | Gortig spek. Zegswijze gortig weze, 1. Niet meer in Sint Nicolaas gelovend. | Je hewwe ze niks meer wois te maken, ze benne al lang al gortig. Kinderen die niet meer in Sint Nicolaas geloofden, kregen eertijds een talhout en een zakje gort op hun stoel of in hun klomp. 2. Wetend waar de kindertjes vandaan komen.
gortlade, gortlaad, zelfstandig naamwoord de, Gortlade, houten kast (meestal op poten) met verscheidene vakken waarin men o.a. meel en peulvruchten bewaarde.
gortsiela, górtsieenlá, górtsielá, uitroep van schrik, nijd, verbazing e.d.
gosternokkies, gosternokkies, uitroep van schrik, nijd, verbazing e.d.
goud, goud, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze hai het goud op ’t vessie, hij is rijk, is een rijke partij.
goudbal, goudbal, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse peresoort.
gouden, gouwen, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, Gouden, in de zegswijze ’t is (’n) gouwen of (’n) oizeren, het levert veel of weinig op, het is alles of niets.
goudgeld, goudgeld, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze goudgeld verdiene, zeer veel geld verdienen. – ’t Kost goudgeld, het kost zeer veel geld.
goudrenet, goudringenet, zelfstandig naamwoord de, Variant van goudrenet.
goudsbloem, gouker, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van goudsbloem (verouderd).
goverten, goverde, werkwoord, Ouderwets lied bij een bruiloftsdans, zo genoemd omdat in dit lied de naam Govert steeds terugkeerde.
graaf, graaf, zelfstandig naamwoord de, Schop, spade. Verkleinvorm graafie, in de zegswijze mit ’t graafie van zes(sen) tot zes(sen), gezegd van de 12-urige werkdag op de akker.
graag, graag, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze ientje graag houwe, iemand (begerig) laten wachten, aan het lijntje houden. – Graag of traag, graag of niet graag. | Je magge mee, je moete niet, graag of traag, ’oor!
grabbel, grabbel, zelfstandig naamwoord de, Ook: schertsend voor lichaam. | Hai liep in z’n blote grabbel. D’r ging ’n griebel over m’n grabbel.
graf, graf, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze d’r hupt er ien over m’n graf, gezegd als men plotseling rilt of huivert.
granzen, granze, werkwoord, 1. Vervelend huilen, dreinen. 2. Mopperen, foeteren. 3. Motregenen. Vgl. Fries grânzje. Zie ook het N.E.W. onder grijnen.
grap, grappe, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze van alle grappe, van de weeromstuit.
gras, gras, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze op z’n leste gras loupe, het einde van zijn leven naderen.
gras- en eierweer, gras- en aaiereweer, zelfstandig naamwoord ’t, Zacht groeizaam weer.
grasduinen, grasduine, werkwoord, Ook: stoeien, ravotten.
grasje, grassies, zelfstandig naamwoord meervoud, Sprietjes (gemaaid) gras. | D’r zitte allegaar grassies onder je skoene.
grasneger, grasneger, zelfstandig naamwoord de, Lummel, stommerik, kaffer.
graspoep, graspoep, zelfstandig naamwoord de, Hannekemaaier, seizoenarbeider. Vgl. poep.
grassen, grasse, werkwoord, 1. Gras maaien. 2. Gras vervoeren naar en opslaan in een kuil of silo. 3. Pas gemaaid gras aan het vee voeren.
graszak, graszak, zelfstandig naamwoord de, Smeerlap, schuinsmarcheerder, rakker.
grauw, greêuw, bijvoeglijk naamwoord, Grauw. | We ete meist nooit meer greêuwe urte.
grauwte, grauwte, zelfstandig naamwoord de, Narigheid, ruzie, gegrauw. Afleiding van grauwen. Zie voor een zegswijze onder nauwte.
graven, grave, werkwoord, Graven. De vervoeging luidt: grave – groef/graafde – groeven/graafd.
greep, greip, greep, zelfstandig naamwoord de, 1. Greep, afleiding van grijpen. Zegswijze op (voor) de greip lègge, Voor het grijpen liggen. Binnen handbereik liggen. Vgl. Fries foar de grijp lizze. 2. Handgreep. 3. (Mest)vork met vier tanden of vork(je) met afgeplatte tanden voor spit- of rooiwerk. Zegswijze an de greip staan, spitwerk verrichten.
greid, gried,  griek, zelfstandig naamwoord de, 1. Bovenkorst van het grasland. Het woord is verwant met Fries greide = grasland. 2. Taaie, ijzerhoudende laag in kleigrond die slecht water doorlaat.
greidworm, griedwurm, zelfstandig naamwoord de, Schadelijk soort larve die vooral op pas gescheurd grasland wordt aangetroffen.
greien, graaie, werkwoord, Zachtjes schreien.
greppel, grippel, zelfstandig naamwoord de, Greppel. Vgl. Fries grippel.
greppelen, grippele, werkwoord, Greppels steken of onderhouden. | De manne benne te grippelen. Vgl. Fries grippelje.
greppelgebak, grippelgebak, zelfstandig naamwoord de/’t, Schertsend voor in de greppel liggende uitwerpselen.
Greppelschijters, Grippeleskoiters, zelfstandig naamwoord meervoud, Spotnaam voor de bewoners van Westwoud (verouderd).
griebel, griebel, zelfstandig naamwoord de, Rilling, huivering.
griebelen, griebele, werkwoord, Rillen, huiveren.
griel, griel, zelfstandig naamwoord de, Meisje dat (voortdurend) aanstellerig lacht.
grielen, griele, werkwoord, (Voortdurend) aanstellerig lachen.
griemelen, griemele, werkwoord, Aanhoudend grienen, huilen.
Griet, Griet, vrouwennaam, in de zegswijze grôte Griet (van Broekerhaven)!, uitroep van schrik, verbazing e.d.
grietdosie, grietdoôsie, grietdoôsie bakker, uitroep van schrik, verbazing e.d.
grietjandosie, grietjandoôsie, zie grietdoôsie.
grietverdubbe, grietverdubbe, zie grietdoôsie.
grietverdulleme, grietverdulpme, zie grietdoôsie.
grift, grift, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van griffel. Meervoud grifte, verkleinvorm griffie.
griften, grifte, werkwoord, Ingriffen.
grijmen, grieme, werkwoord, Met vuile vingers (be)smeren. Vgl. Engels to grime = bevuilen.
grijnen, groine, werkwoord, Grijnzen, grinneken (verouderd).
grijns, groins, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze groins koike, glunder kijken (verouderd).
grijns, groins, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze erges ’n groins an hewwe, ergens een hekel aan hebben. Elders is de vorm ‘grins’ gangbaar. Het woord is een afleiding van grijnzen, dat voorheen ook ‘boos zijn’ betekende.
grijnt, grent, in de zegswijze erges ’n grent an hewwe, ergens een hekel aan hebben. Het woord hangt samen met de werkwoord grijnen en grijnzen en hun variant Zie het N.E.W. onder grijnen en vgl. de zegswijze erges ’n groins an hewwe.
grijnzen, groinze, werkwoord, in de zegswijze groinze as de duvel nei de dageraad, zuurzoet lachen. Daar het boze het daglicht niet kan verdragen, heeft de boze, de duivel, een hekel aan het aanbreken van de dag.
grijnzer, granzer, zelfstandig naamwoord de, 1. Iemand die vervelend huilt. 2. Mopperaar.
grijnzerig, granzerig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Huilerig, dreinend. 2. Mopperig. 3. Druilerig, miezerig. | Granzerig weer. Vgl. Fries grânzerich.
grijpen, groipe, werkwoord, Grijpen. Zegswijze niet groipe wulle, niet drachtig willen worden. | Dat veersie wul maar niet groipe.
grijpen, naastgroipe, werkwoord, in de zegswijze d’r lillek naastgroipe, niet krijgen wat men gehoopt of verwacht had.
grijperig, groiperig, bijvoeglijk naamwoord, Ook: handtastelijk. | Die knul is moin veuls te groiperig en án-me-kommerig.
grijpwinkel, groipwinkel, zelfstandig naamwoord de, Zelfbedieningswinkel.
grijs, grois, bijvoeglijk naamwoord, Grijs, in de zegswijze zô grois as ’n duif, zeer grijs (van haar). | Ze is nag gien veertig, maar ze is al zo grois as ’n duif. – Ik vind’t grois teugen swart an, ik vind het meer dan erg.
grijs, grois, zelfstandig naamwoord ’t, Grijs, in de combinatie grois zoeke, de door een bepaald virus, het zogenaamde grijs, besmette planten (o.a. irissen) zoeken en verwijderen.
grijsje, groisies, zelfstandig naamwoord meervoud, Grijze haren, voorwerpjes die grijs van kleur zijn. | Hai is net dertig, maar hai kroigt al puur wat groisies. Wou je die groisies of die peersies (bv. grijze kraaltjes of paarse kraaltjes).
grijzen, groize, werkwoord, Zie ‘grois zoeke’ onder grois.
gril, gril, zelfstandig naamwoord de, Rilling, huivering.
grillen, grille, werkwoord, Rillen, huiveren.
grilling, grillings, zelfstandig naamwoord meervoud, Rillingen, huiveringen.
grim, grim, zelfstandig naamwoord de/’t, Leren halster met touw of ketting. Men onderscheidt wel landgrim en stalgrim.
grimmel, grimmel, zelfstandig naamwoord de, Vuil (vrouws)persoon.
grimmeld, grimmeld, bijvoeglijk naamwoord, Gestippeld. | ’n Grimmelde koe.
grimmelig, grimmelig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Groezelig, smerig. 2. Grimmig, nijdig. Vgl. Fries grimelich.
grimmeltoet, grimmeltoet, zelfstandig naamwoord de, Vuil, smerig gezicht.
grindje, grentje, zelfstandig naamwoord ’t, Stukje grint, kiezelsteentje.
grinniken, gninneke, werkwoord, Hinniken, hinnikend lachen, grinniken.
grint, grent, zelfstandig naamwoord de/’t, Variant van grint.
grobbelen, grobbele, groebele, werkwoord, Wassen, boenen. Vgl. Fries grobbelje.
grobbelig, grobbelig, groebelig, bijvoeglijk naamwoord, Groezelig, smerig.
groed, groed, groet, groetjes, zelfstandig naamwoord de, Perceel (gras)land. Oorspronkelijk aangeslibd land met gras begroeid. Het woord hangt samen met het werkwoord groeien. De heer Glas tekende met betrekking tot Langedijk aan: groetjes, d.w.z. stukjes bouw- of weiland, ± 50-70 cm boven het water gelegen; doorgaans zeer vruchtbaar, vooral in droge zomers. De groetjes zijn reeds vroeg in cultuur gebracht.
groedeland, groedland, groetland, zelfstandig naamwoord ’t, Gras- of weiland. De heer Glas tekende met betrekking tot Langedijk aan: groetland kan afwisselend hoog of laag liggen; het is later in cultuur gebracht dan de ‘groetjes’. Veel groetland is slecht te bewerken door de er in voorkomende ‘piklagen’. Vooral in de oorlogsjaren (’40-’45) werd veel groetland gescheurd.
groef, gurf, zelfstandig naamwoord de, Geul. vore.
groeien, groeie, werkwoord, in de zegswijze ’n pond groeie, zichtbaar gevleid of trots zijn. – Erges in groeie, ergens leedvermaak om hebben of tonen. – Ze groeie as koeiesteerte (nei beneden), gezegd van kinderen die slecht gedijen.
groeischeur, groeiskeure, zelfstandig naamwoord meervoud, Scheuren in een bol veroorzaakt door te sterke groei.
groen, groene, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie groene(kerke)-voiling, veiling van nog te velde staande (bol)gewassen (waarvan de opbrengst ten goede komt aan de kerk).
groenkauwer, groenkauwer, zelfstandig naamwoord de, Gezegd van schapen, koeien of paarden die ten gevolge van een ongemak in de bek (of elders) tijdens het (her)kauwen een groen, waterachtig vocht uit de bek laten vloeien. 2. Gezegd van iemand die veel rauwe of onrijpe vruchten eet.
groenland, groenland, zelfstandig naamwoord ’t, Grasland.
groentje, groentje, zelfstandig naamwoord ’t, Erf bij of voor het huis. Zie ook voorgroentje. Zegswijze in ’t groentje zitte, op het erf bij of voor het huis zitten.
groep, groep, zelfstandig naamwoord de, Gemetselde goot in de koestal waarin de urine en de uitwerpselen belanden. Het woord is verwant met het werkwoord graven. Vgl. greb(be), Fries groppe en zie het N.E.W. onder groep 2 en greb.
groetenis, groetenis, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor groeten. | Doen ze allegaar de groetenis. Vgl. Fries groetenis.
groezelen, groezele, werkwoord, Grabbelen, rondtasten, handtastelijk zijn.
grofje, groffie, zelfstandig naamwoord ’t, Grof broodje, broodje van grof meel.
grofkoppen, grofkoppe, werkwoord, Oud gezelschapsspel bij feesten, o.a. bestaande uit ‘de rondte zoenen’.
grofte, grofte, zelfstandig naamwoord de, Het grof of groot zijn | De grofte van de bolle valt m’n of.
grofzool, grofzoôl, zelfstandig naamwoord de, 1. Grof, zwaar gebouwd persoon. 2. Iemand die grof is in zijn uitlatingen.
grommelen, grommele, werkwoord, Grommen, mopperen. Vgl. Fries grommelje.
grommelkont, grommelkont, zelfstandig naamwoord de, Mopperaar, knorrepot.
grommelpot, grommelpot, zelfstandig naamwoord de, Knorrepot.
grond, grond, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze grond voele, verzadigd zijn. Vgl. Fries grounfiele. – Erges gien grond in kroige kenne, iets niet schoon kunnen wassen. Vgl. Fries earne gjin groun ijn krije kinne.
grondgat, grondgate, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze grondgate koike, scherp in andermans huis rondkijken.
grondverf, grondvurf, zelfstandig naamwoord de, Grondverf, in de zegswijze in de grondvurf staan, ook schertsend voor: in opleiding zijn. | Hai het nag’n toidje voor pestoor in de grondvurf staan.
groot, groôt, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze erges in ’t groôt overprate, ergens uitvoerig over praten.
groot, groôt, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze groôt vóórkomme, deftig vóórkomen. | Je komme maar groot voor mit zô’n dure auto. – Z’n oigen groôt houwe, zich flink houden, zijn emoties de baas blijven. – Z’n oigen groôt vóórdoen, zich flink of rijk voordoen. – Erges groôt van ophore (opkoike), ergens zeer van ophoren (opkijken). – Groôt mit mekaar weze, met elkaar bevriend zijn of verkering hebben, intiem met elkaar omgaan. – Ze houwe groôt van mekaar, ze houden veel van elkaar.
grootbrengen, groôtbrenge, werkwoord, in de zegswijze wie z’n joôs graag groôtbrengt, moet ze niet kloin houwe, wie zijn opgroeiende kinderen graag volwassen wil laten worden, moet ze niet als onmondigen (blijven) behandelen.
Grootebroek, Groôtebroek, plaatsnaam, in de zegswijze je komme (klesse) an Groôtebroek, maar Lutjebroek komt eerst, gezegd van een opschepper. Het tweede deel van de zegswijze duidt er letterlijk op, dat men, van Hoorn naar Enkhuizen gaande, eerst Lutjebroek passeert en dan pas Grootebroek.
Grootebroekerig, Groôtebroekerig, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze da’s Groôtebroekerig, dat is bluf, opschepperij.
grootgeld, groôtgeld, zelfstandig naamwoord ’t, Geld in de vorm van bankbiljetten. Vgl. kloingeld.
grootje, groôtje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze nei z’n groôtje, kapot | ’t Hêle zoôtje is nei z’n groôtje. Mogelijk letterlijk naar zijn grootmoedertje (die reeds dood of ‘kapot’ is).
grootmoeder, gròbmoeder, zelfstandig naamwoord de, Grootmoeder.
grootmoederzegger, gròbmoederzègger, zelfstandig naamwoord de, Kleinkind.
grootop, groôt-op, in de zegswijze ’t gaat deer groôt-op, het is daar een royale, verkwistende bedoening.
groots, groôs, groôts, groôsk, groôtsk, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Groots, trots, verwaand. Zegswijze zô groôs as ’n haan van ’n stoter, erg trots of verwaand. Zie ook: stoter. – Zô groôs as ’n ouwe aap (as ’n hen mit ien pul, as ’n ui), zie de vorige zegswijze – Zô groôs as ’n skêlig varken op z’n snuit, ironisch voor erg trots of verwaand. – Erges groôs op gaan, ergens trots op zijn. – Groôs prate, deftig of (overdreven) beschaafd praten. Dialectische variant groôsk, groôtsk, vgl. Fries greatsk.
grootscheeps, groôskeeps, groôtskeeps, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze groô(t)skeeps doen, deftig of verwaand doen, zich rijk voordoen. – Groô(t)skeeps prate, deftig of (overdreven) beschaafd praten.
grootsig, groôskig, groôtskig, bijvoeglijk naamwoord, (Nogal) groots, trots, verwaand.
grootsigheid, groôsighoid, groôskigheid, groôskerighoid, groôtsighoid, groôtskigheid, groôtskerighoid, zelfstandig naamwoord de, Trots, verwaandheid.
grootvader, gròffader, zelfstandig naamwoord de, Grootvader.
grootvaderzegger, gròffaderzègger, zelfstandig naamwoord de, Kleinkind.
grop, grop, zelfstandig naamwoord de, Kortweg voor grootvader (verouderd).
Grote Oost, Grôte-Oôst, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze je kenne alles nei ’t Grôte-Oôst brenge, je kunt al je extra verdiensten naar de fiscus brengen; eigenlijk naar de belastingdienst, gevestigd op ’t Grote Oost te Hoorn.
grotemannenkakhuis, grôtemannekakhuis, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze hai wul op ’t grôtemannekakhuis, maar hai zakt nag deur de bril. 1. gezegd van een kind dat graag groot wil zijn, werk van een volwassene wil doen dat het nog niet aankan. 2. Gezegd van iemand die naar een hogere status streeft, maar er (nog) niet de capaciteiten of de flair voor heeft.
groterd, grôterd, zelfstandig naamwoord de, Iemand die of iets dat groot in zijn soort is. Meervoud grôter(d)s. Vgl. vormen als besterd, langerd, goeierd enz.
gruiten, gruide, werkwoord, Bossen stro-afval dorsen (verouderd). Vgl. Fries grude. Het woord is waarschijnlijk verwant met ‘gort’ en heeft als grondbetekenis ‘wat fijn gestoten is’. Zie het N.E.W. onder gruit en gort. Zegswijze ’t is in de gruide, het is finaal kapot, tot afval geworden (Noord-Scharwoude). Vgl. ’t Is an gort.
gruizig, gruizig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Hongerig, eetlustig. 2. Hartstochtelijk, wellustig. Het woord is mogelijk een afleiding van het werkwoord gruizen = fijn malen (hier in de zin van: het eten fijn malen). Zie het N.E.W. onder gruis. Zegswijze zô gruizig as ’n jong kirrel, erg hongerig of eetlustig – Zô gruizig as ’n wintervarken, zie de vorige zegswijze; ’n gruizige aap. 1. Een vreetwolf. 2. Een wellusteling. – Gruizige varkes groeie ’t best, hongerige varkens (en kinderen) groeien het best.
gruizigerd, gruizigerd, zelfstandig naamwoord de, 1. Vreetwolf. 2. Wellusteling.
grun, grun, greun, gruin, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze niet goed grun weze, niet goed snik zijn.
grut, gnurt, zelfstandig naamwoord ’t, Grut, wat klein is in zijn soort. | Sommige hewwe allemaal van zuk gnurt en are hewwe weer wat grôtere… (Twei pittige moidjes, 53).
grut, grut, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: Afval van vruchten.
gruttelen, gruttele, werkwoord, Grabbelen, rommelen | Wat moetje in die kas te gruttelen?
grutten, grutte, werkwoord, Etteren, zweren.
grutteren, gruttere, werkwoord, Etteren, zweren.
grutterig, grutterig, bijvoeglijk naamwoord, Vatbaar voor zeer, voor zweren | Hai is altoid al grutterig weest.
grutterigheid, grutterighoid, zelfstandig naamwoord de, Etterigheid, zweren.
grutterij, grutteraai, zelfstandig naamwoord de, Zie grutterighoid.
gruwel, grouwel, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor gruwel. Vgl. Fries grouwel.
gruweldig, gruwéldig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Versmelting van gruwelijk en geweldig. | Ik vind’t ’n gruwéldige kirrel. We hewwe gruwéldig veul skik had.
gruwen, grouwe, werkwoord, Verouderd voor gruwen. Vgl. Fries grouwe.
gruzelementen, garlemente, zelfstandig naamwoord meervoud, Dialectische variant van gruzelementen.
guil, guil, zelfstandig naamwoord de, 1. Oud, slecht of kwaad paard. 2. Kwajongen. Vgl. Fries gul, Duits Gaul. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder guil.
guilen, guile, gule, werkwoord, Huilen. Vgl. Fries gûle.
guiten, guite, werkwoord, 1. Huilen, 2. Gieren, loeien (van de wind).
guiven, guive, werkwoord, Gieren, loeien (van de wind).
gul, gul, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de combinatie gul zand, een en al zand, mul zand. – Gulvreemd, totaal vreemd of onbekend. | Hai is hier gulvreemd. Zie voor gul = welig, mul e.d. het N.E.W. onder gul-2.
gulden, golden, zelfstandig naamwoord de, Variant van gulden.
gunst, gunst, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze om de gunst vrage, om de klandizie vragen.
gust, gust, guts, bijvoeglijk naamwoord, Onvruchtbaar, (nog) niet drachtig. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder gust. Dialectische variant guts | Gutse koeie.
guts, gus, guts, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van gutsen, in de combinatie de groô(t)ste gu(t)s, het grootste aantal, het meeste.
guurtjespeer, guurtjespeer, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse peresoort.
gymnastiek, gimmestiek, zelfstandig naamwoord de, Gymnastiek.
gympie, gimpies, zelfstandig naamwoord meervoud, Gymschoentjes. Zie voor een zegswijze onder trouwe.
h, h, zogenaamde halfklinker. Voorheen werd in sommige Westfriese plaatsen (zoals nu nog in o.a. Egmond aan Zee, Enkhuizen en Volendam) de h aan het woordbegin niet uitgesproken, terwijl de h vaak werd toegevoegd waar hij niet thuishoort, bv. hai apte nei hasem = hij hapte naar adem. Een hoogbejaarde Grootebroeker hoorde ik de vorm ‘heksedénte’ = accidenten (ongelukken, nare gebeurtenissen) gebruiken.
haai, haai, bijvoeglijk naamwoord, Gehaaid, goed bij de tijd. | ’t Is’n haaie knaap.
haaibaai, haaibaai, zelfstandig naamwoord de, Heibei, bazig of kijfziek vrouwspersoon.
haaibaaien, haaibaaie, haaiebaaie, werkwoord, 1. Bazig en druk bezig zijn. 2. Roezemoezen.
haaibaaierig, haaibaaierig, haaiebaaierig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Bazig of kijfziek. 2. Stormachtig (van het weer).
haak, haakie, zelfstandig naamwoord ’t, Haakje, in de zegswijze da ’s ’t haakie deer (weer) de kan an hangt, daar komt het nu net op aan; in de zegswijze ’t is deer altoid hake en ouge, ze hebben daar altijd ruzie of problemen.
haak, hiek, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van (vis)haak (verouderd).
haal, haal, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de haal is er of, het nieuwtje is er af. – De haal beet kroige, de slag te pakken krijgen, beginnen te groeien of op te leven. Vgl. Fries de hael krije. – ’t Was ’n hêle haal, het was een zware bevalling. – D’r zit veul haal an de klink, men kan niet gauw besluiten (verouderd). Eigenlijk er is veel speling in de klink van de deur, zodat het lang duurt voor de deur opengaat.
haal-meer, haal-meer, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze ’t is haal-meer, je kunt wel blijven halen, het is zo weer op.
haam, haam, zelfstandig naamwoord ’t, Haam, paardetuig, in de zegswijze in ’t haam weze, druk in touw zijn. Verkleinvorm haampie, schertsend voor maandverband. Meervoud hame. 1. Meervoud van haam, paardetuig. 2. Schertsend voor bretels. Zegswijze in alle hame pas weze, van alle markten thuis zijn, veelzijdig zijn, allerlei werk (willen) aanpakken.
haamprook, haamproke, haamprouke, zelfstandig naamwoord meervoud, Ringen aan het haam waardoor de leidsels gaan. Zie ook prouk.
haan, haan, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze loupe as ’n haan van ’n stoter, trots lopen. Letterlijk als een haan van 12½ cent, d.w.z. een koek of een stuk speelgoed in de vorm van een haan. – ’t Is ’n haan mit ’n dubbelde kam, het is een flinke kerel, een durfal. – Je kenne van moin(part) de haan naaie, platte verwensing in de zin van: loop naar de pomp. – ’n Goeie haan is niet vet, schertsend gezegd van een magere vrijer of echtgenoot. – Je kenne wel zien, dat er gien vreemde haan over de mat weest het, schertsend gezegd om aan te geven, dat een baby of kind sprekend op de vader lijkt. – Je ziene d’r uit of je de haan jaagd (joegen) hewwe, gezegd van iemand met een hoogrode kleur van inspanning of opwinding. – As de haan kraait op de mis (= mesthoop) verandert ’t weer (of ’t bloift zôas ’t is), weerspreuk met een ironische toevoeging die de betrekkelijkheid van de spreuk aangeeft. Meervoud hane, in de zegswijze de hane valle van de balke, daar kijk ik van op, dat mag wel in de krant.
haantjol, haantjolle, zelfstandig naamwoord meervoud, Soort onkruid, ook wel kruiswortels genoemd.
haar, der, d’r, voornaamwoord, 1. Persoonlijk voornaamwoord: haar | Gaan d’r maar hale. 2. Bezittelijk voornaamwoord: haar. | Kè je d’r man? 3. Wederkerend voornaamwoord: zich(zelf). | Ze verkleidde d’r (oigen).
haar, haar, bijwoord, Variant van her = hier(heen), in de zegswijze ’t ging haar nach ’t aâr, het ging vooruit noch achteruit (verouderd).
haar, heer, zelfstandig naamwoord ’t, Haar. Zegswijze lang heer en luize kroig je voor niks (al ’t are moet je betale), je krijgt niets voor niets, zonder geld doe je niet veel. – Ientje z’n heer uitkamme, iemand flink de les lezen, er flink van langs geven. – Wild heer in de nek hewwe, dartel of lichtzinnig zijn. – Ze stane d’r op as ’n heer op ’n beist (op ’n hond), o.a. gezegd van dik gezaaide, dicht op elkaar staande gewassen. – Je frete heer en je skoite ’n pru(i)k, schertsend gezegd van snert met harige kluiven. – Tot op ’n heer, haarfijn, heel precies. | Hai het alles tot op ’n heer uitzocht. – Hai het moin heer niet, hij heeft mijn sympathie niet. – ’t Heer op (in) de krul hewwe, het haar gekruld hebben, permanent hebben. – ’t Heer op zolder hewwe, het haar van achter hoog opgestoken hebben. – ’t Heer op de kam hewwe, de haren gekamd hebben. – ’t Heer in de snol hewwe, het haar in de war, in klitten hebben. – ’t Heer in de tis(t) hewwe, zie de vorige zegswijze – In ’t heer loupe, blootshoofds lopen. – ’n Bos heer as ’n hazenest hewwe, een ruige, onverzorgde haardos hebben. – Hai het net zôveul heer onder z’n neus as ’n varken op z’n klink, hij is nog een melkmuil, heeft nog helemaal geen snor of baard. Meervoud here, in de zegswijze z’n here beginnen te steken, hij wordt opgewonden, ruikt onraad.
haar, heur, persoonlijk, bezittelijk en wederkerend voornaamwoord, Ik hew heur vroegen of ze heur heer vurfd had. Ze verkleidde heur. De onbeklemtoonde vorm is ’r of d’r.
haar, heures, bezittelijk voornaamwoord, Van haar, het of de hare | Die rinkies benne heures. Dat boek is heures.
haard, heerd, zelfstandig naamwoord de, Haard.
haarde, haard, zelfstandig naamwoord de/’t, Haarde, haargras, vooral groeiend op natte gronden.
haardig, haartig, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie haartig gras, fijne, zure grassoort. Zie haard.
haardkoek, heerdkoek, zelfstandig naamwoord de, Platte meelkoek die op de haardplaat werd gebakken.
haardkoekrentenier, heerdkoekerentenier, zelfstandig naamwoord de, Ironisch gezegd van iemand die slechts zeer sober kan rentenieren.
haarhamer, haarhamer, zelfstandig naamwoord de, Hamer gebruikt bij het haren of wetten van bv. een zeis.
haarhoed, heerhoed, zelfstandig naamwoord de, Hoedje dat rechtstreeks op het haar en bv. niet op de hul werd gedragen. Zegswijze in de heerhoed loupe, blootshoofds lopen. Vgl. in de herenhoed loupe.
Haarlem, Haarlem, plaatsnaam, in de zegswijze van hier tot Haarlem, zeer uitgebreid of langdurig. – Zô vast as Haarlem, zeer beslist, vast en zeker.
haarlemmerdijkjes, Haarlemmerdoikies, in de zegswijze gien Haarlemmerdoikies, 1. Recht door zee, zonder omwegen. 2. Geen grapjes.
haarlieden, heurle, bezittelijk voornaamwoord, Van haar of hen. Dat benne heurle. De vorm is ontstaan uit heurlui. Vgl. erle en derle.
haarlieden, derle, erle, d’rle, derlui, d’rlui, voornaamwoord, Haarlui, haar, hun, zich. | Hai was derle erfoum.
haarpad, haarpad, zelfstandig naamwoord ’t, Slagplaats naast de zeis met opstaande rand of plaats waar men de zeis met de haarhamer bewerkt.
haarspit, haarspit, heerspit, zelfstandig naamwoord ’t, Klein aambeeld gebruikt bij het haren of wetten.
haarsteker, heersteker, zelfstandig naamwoord de, Zie poôtheersteker en pôtesteker.
haas, haas, zelfstandig naamwoord de/’t, De haas (dier).
haasje-overen, haasie-óvere, werkwoord, Haasje over spelen (Twei pittige moidjes, 52).
haat, haat, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze niet uit haat of noid, maar uit oigen prefoit, gezegd als blijkt (of als men vindt), dat iemand geen onbaatzuchtige bedoelingen heeft.
habbebabbie, habbebabbie, in de zegswijze kroig ’t habbebabbie!, loop naar de pomp!
hachten, hachte, werkwoord, Verouderd voor: 1. Riskeren | Dat ken ik niet hachte. 2. Vertrouwen | Ik hacht ’m niet. Vgl. Middelnederlands zelfstandig naamwoord hachte = gevaar, risico.
hagelrek, hagelrak, zelfstandig naamwoord ’t, Rek van smalle latjes om hagel (of zon) te weren.
hak, hak, zelfstandig naamwoord de, Hak, hiel. Meervoud hakke en hakse. hakkies in de combinatie op hakkies zitte, op hurken ziten.
hak, hak, zelfstandig naamwoord de, 1. Oneffenheid, schaarde. 2. Uitgehakt stuk.
hak, hak, zelfstandig naamwoord de, Grote hakbijl.
hakboffer, hakboffer, zelfstandig naamwoord de, Rarekiek (verouderd).
haken, hake, werkwoord, Ook: gezegd van een scherp gevoel in de keel ten gevolge van rook, damp, sterk gekruide spijzen e.d. | ’t Haakt m’n in m’n keel.
hakfermoir, hakfermoor, zelfstandig naamwoord de, Grote beitel. Uit Frans fermoir.
hakjesballetje, hakkiebaltje, zelfstandig naamwoord ’t, Ouderwets soort snoepje.
hakkel, hakkels, zelfstandig naamwoord meervoud, Schaarden, oneffenheden.
hakkelaar, hakkeraar, zelfstandig naamwoord, Variant van hakkelaar, stotteraar.
hakkelen, hakkere, werkwoord, Variant van hakkelen, stotteren.
hakkelig, hakkelig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Vol hakkels of schaarden. 2. Hakkelend. | Hai praat ’n beetje hakkelig.
hakken, hakke, werkwoord, Ook: kibbelen, ruziën, vitten.
hakkenschijter, hakkeskoiter, zelfstandig naamwoord de, Koe die zichzelf op de hielen schijt.
hakkentenen, hakketône, zelfstandig naamwoord meervoud, Oude boerendans, waarbij men zijn gewicht beurtelings op de hakken en tenen liet rusten.
hakkepiel, hakkepiel, zelfstandig naamwoord de, Iemand die b.v met een stomp mes onhandig of ruw bezig is.
hakkepielen, hakkepiele, werkwoord, Onhandig of ruw bezig zijn, bv. met een stomp mes. | Je magge wél broôdsnaaie, maar niet zo hakkepiele,’oor!
hakketakken, hakketakke, werkwoord, Kibbelen, ruziën. Vgl. Fries hakketakje.
hakkoek, hakkoek, zelfstandig naamwoord de, Koek gebruikt voor het koekhakken op de kermis.
hal, hel, zelfstandig naamwoord de/’t, De hal, bevroren plek in de grond. | De hel zit nag in de grond. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder hal-2.
halen, hale, werkwoord, in de zegswijze niet veul hale, niet veel oogsten, weinig rendement of verdiensten hebben. – Haald worre, overlijden.
haler, haalder, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’t is gien haalder, 1. gezegd van iemand die weinig van zijn bedrijf ’haalt’, die (door eigen schuld) een weinig rendabel bedrijf heeft. 2. gezegd van iemand die het niet om het halen of krijgen te doen is. – Beter haalder as betaalder, men haalt of incasseert liever geld dan dat men moet betalen.
half, half, in de zegswijze half soebel weze, halfzacht zijn, niet goed snik zijn. – Halfzalig weze, zie de vorige zegswijze – Half de middag, halfweg de middag. – As ’t half ken, als het enigszins kan. – halfstekort, de helft te kort. – halfstemeer, de helft meer. –halfsteveul, de helft te veel.
half, halvers, bijwoord, Voor de helft, half | De vlek is er maar halvers uit. Zegswijze zô halvers, zo half en half. | Hai is nou zo halvers voor z’n oigen begonnen.
halfelfje, halfelfie, zelfstandig naamwoord ’t, Boterham(men) en koffie voor de schaft van half elf (verouderd). Zegswijze ’n benauwd halfelfie, een angstig of spannend moment.
halfelfjesstuk, halfelfiesstik, zelfstandig naamwoord ’t, Boterham voor de schaft van half elf (verouderd).
halfelfjestijd, halfelfiestoid, zelfstandig naamwoord de, Schafttijd om half elf (verouderd).
halfelven, halfelfiese, werkwoord, Zie halfelfe.
halfelven, halfelfe, werkwoord, Schaften om half elf (verouderd).
halfhemd, halfhimd, zelfstandig naamwoord ’t, Ouderwets frontje.
halfvet, half-et, zelfstandig naamwoord de, Afgeroomde melk (verouderd). Vgl. Boek.
halfzachte, halvezachte, zelfstandig naamwoord de, Halvegare, zonderling.
halfzesje, halfzessie, zelfstandig naamwoord ’t, Boterham(men) en koffie voor de schaft van half zes (verouderd).
halfzesjesstuk, halfzessiesstik, zelfstandig naamwoord ’t, Boterham voor de schaft van half zes (verouderd).
halfzesjestijd, halfzessiestoid, zelfstandig naamwoord de, Schafttijd om half zes in de namiddag (verouderd).
halfzessen, halfzessiese, werkwoord, Zie halfzesse.
halfzessen, halfzesse, werkwoord, Schaften om half zes in de namiddag (verouderd).
halmeren, halmére, werkwoord, Heinen, de wal ophalen, de ‘flodderwal’ afsteken en optassen.
halsje, halsie, zelfstandig naamwoord ’t, Soort befje onder de jurk (verouderd).
halster, hulster, zelfstandig naamwoord ’t, Halster. Zegswijze de kop deur ’t hulster hale, er bovenop komen, winnaar zijn. Eigenlijk gezegd van een paard dat erin slaagt zijn vrijheid te herkrijgen doordat het de kop door het halster haalt.
halvecentsgoed, halvesentsgoed, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Snoepgoed van een halve cent (verouderd). 2. Jonge kinderen. | Ik moet zeker weer op ’t halvesentsgoed passe!
ham, ham, zelfstandig naamwoord de, Arend van de zeis, spits ondereind van de zeis dat dient om het werktuig in het handvatsel of de hecht te bevestigen.
hamelewamelig, hamelewamelig,  halewalig, bijvoeglijk naamwoord, Enigszins ongesteld, lusteloos, vervelend. (Oude Niedorp). Vgl. voor wamelig het werkwoord wamele.
hamerslag, hamerslag, zelfstandig naamwoord de/’t, Schapewolkjes in de weerspreuk: hamerslag, regen mit de derde dag, schapewolkjes zijn een voorteken van regen.
hand, hand, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze erges mee om ’t hand zitte, onthand zijn, ergens mee verlegen zitten. – Hand an hand loupe, hand in hand lopen. – ’t Liep over de hand, het liep uit de hand. – Hand op z’n kant, op het nippertje, maar net aan. – Das Go(d)s hand, deer valt niet an te trekken (in te kietelen), daar is nu eenmaal niets aan te doen. – Hand van de bank, dut vlais is verkocht, voorheen gezegd door een vrijer om aan te geven, dat hij (en niet de concurrent) de oudste ‘rechten’ op een meisje had. Verkleinvorm handje, in de zegswijze d’r ’n handje van hewwe, er een (nare) gewoonte van maken, er slag van hebben. | Hai het er ’n handje van de boel op stang te jagen. – Al wat an ’t handje hewwe, al kennis of verkering hebben. | Het Piet al wat an ’t handje?. Meervoud hande, in de zegswijze z’n hande wappere leite, flink aanpakken, hard werken. – Twei linkse hande hewwe, zeer onhandig zijn. – Twei rech(t)se hande hewwe, zeer handig zijn. – Graag in hande wulle, graag willen vrijen of stoeien, graag aangehaald willen worden. – Je magge je hande wel dichtknoipe, je mag wel blij zijn, van geluk spreken. – Nooit mit lege hande loupe, heen en t’rug wat meeneme, aansporing die vooral gebezigd wordt door een moeder van een groot gezin.
handelaar, handelaar, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze handelaar in k(a)nariebreukbandjes en rukwinde, schertsreactie op de vraag wat iemand doet voor de kost.
handeloos, handeloôs, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze deer komt juffrouw handeloôs, gezegd als een deur door de tocht of wind opengaat (verouderd).
handig, hendig, handig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Behendig, handig. 2. Kwiek, rap, snel. | Hai was er handig bai. Ik hew ’t ’m handig, hendig ofleerd. Zegswijze handig en tandig weze, handig en gebekt zijn.
handjessamen, handjessamen, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse (krente)broodjes in de vorm van twee samengevouwen handjes.
hands, hands, hans, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze mekaar han(d)s weze, goed met elkaar kunnen opschieten of kunnen werken.
handschoon, handskoôn, hanskoôn, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze han(d)skoon weze, niet behulpzaam zijn, lui zijn, afkerig zijn van (vuil) werk.
handschrobber, handskrobber, hanskrobber, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze hai is van han(d)skrobber bezem worren, ironisch voor: hij heeft carrière of promotie gemaakt.
handsen, handse, hanse, werkwoord, In de hand liggen, passen. | Links han(d)st m’n beter as rech(t)s. Die keu han(d)st m’n niet erg. Zegswijze mekaar han(d)se, goed met elkaar kunnen opschieten of werken.
handsnap, handsnap, hansnap, zelfstandig naamwoord de, Nap met een handvat.
handvatsel, handvaatsels, zelfstandig naamwoord meervoud, Handvatten.
handverdraai, handverdraai, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze om ’t handverdraai, om de haverklap. | Hai komt deer om ’t handverdraai.
handvol, handvol, in de zegswijze gien handvol, maar ’n landvol, troostend gezegd om aan te geven, dat er nog genoeg andere vrijers of vrijsters, genoeg andere liefhebbers of gegadigden zijn.
handwaaier, handwaaiertje, zelfstandig naamwoord ’t, Soort kleine, met de hand bediende wan, die men gebruikte voor het wannen van o.a. koolzaad en uiezaad.
handwasje, handwassie, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van washandje.
handwasschoentje, handwasskoentje, zelfstandig naamwoord ’t, Washandje. Oorspronkelijk washandschoentje.
handwater, handwater, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze dat het er gien handwater nei, dat lijkt nergens op, dat is zeer ongepast. Onder handwater verstond men in de middeleeuwen water dat diende om de handen te wassen. Dit werd voor en na de maaltijd aangeboden aan de vorst door iemand die hem in stand evenaarde. Vandaar dat een oude zegswijze iemand het handwater geven of reiken, kon betekenen: met hem vergeleken kunnen worden.
handzaam, handzaam, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie handzaam weer, lijdelijk, goed te verdragen weer.
hanenpoot, hanepoôt, zelfstandig naamwoord de, Ook: stuk ijzer (in de vorm van een hanepoot) aan een mast. Aan deze hanepoót hangt een hijsblok.
hanenpoten, hanepôte, werkwoord, Zodanig met een polsstok springen, dat één been om de stok wordt geslingerd.
hanenveer, haneveer, zelfstandig naamwoord de, Ook: vinnige, bazige vrouw.
hangen, hange, sterk werkwoord, Hangen. De vervoeging luidt: hange – hong – hongen. Zegswijze ’t hangt ’m an…, het hangt af van… | ’t Hangt ’m an effies of we kenne klaar vedaag. ’t Hangt ’m an ’n kloinighoid. – ’t Hangt niet, er is geen haast bij. – Je hange toch niet!, niet zo haastig, hoor! – As ik hange moet, den maar an de leste galg, ik zal mijn huid zo duur mogelijk verkopen.
hangerig, hangerig, bijvoeglijk naamwoord, Futloos, lusteloos.
hangoor, hangore, zelfstandig naamwoord meervoud, Jachthonden. Zie voor een zegswijze onder eerst.
hangtreef, hangtreef, hangtreeft, zelfstandig naamwoord de, Treeft zonder poten die aan de heugel werd gehangen.
hannekemaaier, hannekemaaier, zelfstandig naamwoord de, Seizoenmaaier of -arbeider, vooral uit Duitsland en de noordoostelijke provincies van Nederland, (verouderd). Het woord is een samenstelling van de voornaam Hanke of Hanneke + maaier.
hanskuier, hanskruier, hanskuier, zelfstandig naamwoord de, Zie hannekemaaier. Oorspronkelijk een samenstelling van de voornaam Hans + kuier (d.w.z. Hans die door het land kuiert of trekt). Later werd kuier als kruier opgevat, aangezien deze seizoenarbeiders ook vaak werk met de kruiwagen verrichtten.
hanto, hanto, uitroep in de zin van: ho, halt, stop (Noord-Scharwoude) (verouderd).
hap, hap, in de zegswijze ’t is hap, slok, weg!, gezegd van iemand die schrokt, die veel te snel of te gulzig eet. Verkleinvorm happie. Ook: borreltje. Zegswijze da’s gien happie, dat is geen pretje.
hap-hap, hap-hap, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze voor de hap-hap zurge. 1. Voor het eten zorgen. 2. De kost verdienen.
hapsnap, hapsnap, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze voor de hapsnap, voor de lekkere hapjes, voor een lekkerbek. – ’n Leuke hapsnap, een rare sinjeur.
hapsnurker, hapsnurker, zelfstandig naamwoord de, Rare sinjeur.
hard, hard, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: zeer, buitengewoon. | Ik ben hard an vekansie toe. Hai het hard ziek weest.
harder, harder, zelfstandig naamwoord de, Iemand die veel moet of kan harden of verdragen, lijder.
hardewinden, hardewinde, werkwoord, in de zegswijze te hardewinden gaan, als hulp gaan optreden bij een bevalling. Vgl. de zegswijze d’r is harde wind, ze staat op het punt te bevallen.
hardhands, hardhands, hardhans, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Variant van hardhandig.
hardlopend, hardloupend, bijwoord, Zeer snel. | De zaak gaat hardloupend achteruit.
hardloper, hardloupers, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze hardloupers en zachtloupers bedare in’t zelfde skuitje, of men nu wel of niet hard werkt, men komt uiteindelijk toch aan hetzelfde eindpunt, namelijk de dood.
hardprikken, hardprikke, werkwoord, Met de prikslee om het hardst vooruitgaan. | In de Langedoik doene ze nag welders hardprikke.
haren, hare, werkwoord, 1. Scherp zijn in de keel, o.a. door rook, damp, sterk gekruide spijzen. Vgl. hake en Fries heare. | ’t Haart m’n in m’n keel. 2. Wetten, scherpen. | Ik zel de zoin efkes hare. Zegswijze hare en wette ken de boer niet belette, als de arbeider de zeis gaat haren of wetten, gaat hij er even bij zitten en rust wat uit, hetgeen de boer nu eenmaal voor lief moet nemen.
haren, heren, bijvoeglijk naamwoord, Haren, van haar gemaakt, in de zegswijze in de heren hoed loupe, blootshoofds lopen.
harig, harig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Mistig, rokerig. Vgl. Fries hearich. 2. Stroef, o.a. gezegd van tanden. | Ik kroig van die allebésse zukke harige tande. Vgl. eggig.
haring, hering, zelfstandig naamwoord de, Haring.
Haringhut, Haringhut, plaatsnaam, schertsend voor Haringhuizen.
hark, herk, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor hark.
hark, harkes, zelfstandig naamwoord de, Bengel, deugniet.
harken, herke, werkwoord, Verouderd voor harken.
harken, herke, werkwoord, Zie herketekke.
harketak, herketek, zelfstandig naamwoord de, 1. Iemand die op ruziënde toon spreekt. 2. Bazig persoon die graag alles regelt of bedisselt.
harketakken, herketekke, werkwoord, 1. Ruziën, kibbelen. 2. Bazig doen.
harmoniëren, harremenére, werkwoord, Harmoniëren. | ’t Harremeneert niet mit die twei.
harrejakkes, harrejasses, harrejakkes, uitroep van afkeer. Verbastering van Here Jezus. Zegswijze de hoilige harrejasses, spottend gezegd van een kwezel.
harrel, harrel, zelfstandig naamwoord de, 1. Haartje of vezel van vlas of hennep. Het woord is een afleiding van een oudgerm. woord harwa = vlas. Zie het N.E.W. onder harrel. 2. Kleinigheid, niets. | ’t Ken m’n gien harrel skêle. 3. Ellendeling. | ’t Is ’n harrel van ’n vent.
hart, hart, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze z’n hart slaat as ’n lammeresteertje, zijn hart bonst hem in de keel. – ’t Hart koukt uit je loif, je walgt er van. – Hai het ’n hart as ’n muizekeutel en den nag hol, hij heeft geen hart, geen (mede)gevoel. Verkleinvorm hartje, in de zegswijze ’n kloin hartje hewwe, gevoelig zijn, gevoeliger zijn dan men denkt. | Hai doet wel erg stoer en onverskillig, maar hai het ’n kloin hartje.
hartenligger, hartelègger, zelfstandig naamwoord de, Liefste, schat (verouderd). Eigenlijk degene die iemand zeer na aan het hart ligt.
hartlast, atlast, hartlast, zelfstandig naamwoord de, Zorg, verdriet (verouderd). | Deer hei je gien atlast over te hewwen. Waarschijnlijk is de vorm ontstaan uit Atlas, de mythologische reus die de wereld moest torsen. Zie ook hartlast.
hartsteen, harstien, hartstien, bijwoord, Zeer, buitengewoon. | ’t Is har(t)stien koud. Mogelijk is het woord een versmelting van de combinatie hartstikke koud en stienkoud.
hartstikke, harstikke, hartstikke, bijwoord, Zeer, buitengewoon. | ’t Is har(t)stikke koud. Mogelijk is het woord ontstaan uit Middelnederlands bi hartsteken doot = dood ten gevolge van een steek door het hart.
hartzeer, hartzeer, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze hartzeer is moidjesverdriet, schertsend gezegd als men bij het kaarten met harten uitkomt.
haspelen, haspele, werkwoord, Ook: kibbelen, ruziën.
Hauwert, Hauwert, dorp in West-Friesland. Zegswijze Hauwert hiet ’n goed land, de koeie geve melk en skoite brand, rijmpje dat doelt op brandstof bestaande uit gedroogde koemest, de zogenaamde skokke. – Hauwert hiet de skokkelande:’s winters brenge ze stro op stront en stront op stro om op de kolk te branden, zie de vorige zegswijze
havenen, havene, werkwoord, Reinigen, in orde maken.
haver, haver, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze mit de lange haver kroige, met de zweep er van langs krijgen.
haverdoppen, haverdoppen, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie ’n haverdoppen bed, matras die met haverdoppen gevuld is (verouderd).
havergort, haverdegort, zelfstandig naamwoord de/’t, Gort van haver, gepelde haver. De Alkmaarse, Friese en andere gortsoorten heetten ‘groot gort’ tegenover boekendegort en haverdegort.
haverklap, haverklap, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze om ’t (de) haverklap, om de haverklap.
haversluik, haverslukke, zelfstandig naamwoord meervoud, Stro van haver die met de hand gedorst en aan bossen gebonden was. Vgl. slukstro.
hawaar, hewwéér, awáár, awéér, houwéér, uitroep, waarschijnlijk ontstaan uit houw deer = houd vast, pak aan, in de zin van: wat zeg je me dáárvan! Variant zijn: awaar, awéér, houwéér. | Hewweer, deer komt hai ok nag opperdan!
hazennoot, hazeneut, zelfstandig naamwoord de, Hazelnoot.
hazentukje, hazetòkkie, zelfstandig naamwoord ’t, Hazeslaapje.
, , hèi,’ei, hai, uitroep, in de zegswijze hè(i) zoit ’n boer as ie ’n skeet geeft, smalende reactie op de vraag ‘hè(i)?’. Dialectische variant ’ei, hai | Mooi weer, ’ei! | Hai, wat is er?
hebbeding, hebbedinkie, hebbedingesie, zelfstandig naamwoord ’t, Iets waarvoor men geen naam heeft of iets dat men niet wil noemen. | Hai zat allemaar mit z’n hande an z’n hebbedinkie.
hebbeklink, hebbeklink, hebbeklinkie, zie hebbedinkie.
hebben, hewwe, heuwe, heefte, werkwoord, Hebben. De vervoeging toont nogal wat varianten. Vgl. ik hew/heb, jij hewwe, hai het/heb, wai hewwe. Omgekeerde woordschikking: hew/heb ik, hè/hei je, het/heb ie, hew(we) we? De vormen van de verl. tijd zijn ‘had(de)’ en het voltooid deelwoord is ‘had’. Zegswijze dat hét er niet van, dat lijkt er niet op, dat is geen manier van doen. – Dat het er veul van, dat lijkt er sterk op. | Hai het veul van z’n vader, hij lijkt erg op zijn vader. – Wat hei jij had? Wat heb jij gekregen? – Die het toch ók, die heeft toch ook een lot, maakt veel narigheid mee. – Ik had ’t gien meer, ik wist niet meer hoe ik het had (van het lachen, van angst, e.d.) – Z’n oigen d’r mee hewwe, zichzelf duperen; voltooid deelwoord had, in de zegswijze had is ’n arm man. 1. Aan wat je eens had of bezat, heb je nu niets meer. 2. Aan wat je had kúnnen bezitten, heb je nu niets. – ’t Had hewwe, er geweest zijn, dood of kapot zijn. – Die het wél hád, die heeft veel ellende meegemaakt. Variant heefte, in de zegswijze ik moet niet heefte, ik moet er niets van hebben, mij niet gezien.
hebbes, hebbes, uitroep in de zin van: die of dat heb ik te pakken.
hebbesteur, hebbesteurtje, zie hebbedinkie.
hechten, hefte, werkwoord, Variant van hechten (verouderd). Vgl. anhefte en ophefte.
heden, heden, bijwoord, in de combinatie op heden, heden, de laatste tijd. | Weer weunt ie op heden? – Zegswijze heden nag toe! Lieve help!
hedendaags, hedendaagse, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze hoe is ’t in de hedendaagse wirreld mogelek!, uitroep van verbazing, ergernis e.d.
heel, heêl, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze gien heel, totaal niets, geen goed woord. | D’r is gien heêl van overbleven, ze hewwe alles stiksloegen. Moet je ’m nou hore over z’n vorige baas, hai leit er gien heêl van over.
heel, heêl, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: helemaal. | Weunt ie deer heel! Hai kwam heêl loupende van Andoik. Zegswijze heêl(s) niet, in het geheel niet. | Hai had er heêl(s) gien skuld an. – Z’n oigen heêl koike, alles als één geheel zien, d.w.z. geen kleur, diepte en afstand onderscheiden. – ’t Wordt m’n heêl voor m’n ouge, ik word duizelig. – Bai heêl en bai halven, 1. met alle geweld. | Hai most bai heêl en bai halven nei Hoorn. 2. zonder overleg, ongelimiteerd. | Dat koupt maar bai heêl en bai halven! Opmerking: Een eigenaardig gebruik van ‘heêl’ treffen we in zinnen als: ik kon die hêle kirrel niet = ik kende die man helemaal niet; is dat hêle halve pond butter nou al weer op? Verouderde variant hiel.
heel, heêls, bijwoord, Variant van heel, in het geheel. | Ik had er heêls gien zin an.
heellijk en al, hilkendal, hilskendal, hielkendal, heêlskendal, heêlskendaal, bijwoord, Helemaal (verouderd). Oorspronkelijk ‘heellic ende al’. Vgl. Fries hielendal.
heelsteens, heêlstiens, bijvoeglijk naamwoord, Heelsteens, in de zegswijze (mit z’n kop) deur ’n heêlstiens muur gaan, zeer koppig zijn, zich door niemand of niets laten weerhouden.
heem, hiem, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderd voor heem.
heemhond, hiemhond, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor heem- of hofhond.
heen, heen, bijwoord, in de zegswijze heen en t’rug wat meeneme, nooit mit lege hande loupe, veel gebruikte aansporing, met name in grote gezinnen. – Ze heen en t’rug meeneme, zeer luid in- en uitademen, luid snurken; variant henen. | Henen ging ’t nag wel, maar t’ruggen hadde we puur zó’n trap.
heen-en-weer, héén-en-weer, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze kroig ’t héén-en-weer!, loop naar de pomp! – Je kenne van moin ’t héén-enweer geniete!, zie de vorige zegswijze – Erges ’t héén-en-weer van kroige, ergens nerveus of beroerd van worden.
heen-en-weerspul, heen-en-weerspul, zelfstandig naamwoord ’t, Alles wat er bij hoort, alles tezamen. Zegswijze an ’t heen-en-weerspul (te zien), aan het doen en laten te zien. | An ’t heen-en-weerspul (te zien) boere ze deer goed. Van ’t heen-en-weerspul, van de weeromstuit. | We kwamme van ’t heen-en-weerspul puur te laat in de kerk.
heen-en-weertje, heen-en-wéértje, heneweertje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze op ’n heen-en-wéértje, snel heen en terug. | Hai is effies op ’n heen-enwéértje nei Hoorn.
heen-en-weren, heen-en-were, henewére, werkwoord, Druk doen, hinderlijk heen en weer bewegen of lopen.
heen-en-werig, heen-en-werig, henewérig, bijvoeglijk naamwoord, Druk, hinderlijk heen en weer bewegend of lopend. | Wat benne de joôs weer heen-en-werig.
heengaan, heengaan, werkwoord, Ook: beginnen, op gang komen. | Hai gong loupen heen. Nei dat regentje benne de plantjes groeien heengaan.
Heer, Heer, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze Oôs Lieve Heer neemt gien gegeven goed an, gezegd met betrekking tot zeer zieke of zeer oude, gebrekkige mensen voor wie de dood een uitkomst zou zijn, maar voor wie het sterven steeds wordt uitgesteld. Dialectische variant here, Here God, in de zegswijze o, here m’n tuutpot, uitroep van schrik, verbazing enz.
heer, here, zelfstandig naamwoord meervoud, Hoge heren, in de zegswijze watte de here woize, moete de gekke proize, wat de hoge heren beslissen, moet de gewone man maar voor lief nemen.
heerbeestje, heerbeisie, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van lieveheersbeestje.
heeroom, heeroum, zelfstandig naamwoord de, Voorheen ook: aanspreekvorm voor kapelaan.
heerschap, heerskip, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Heerschap. 2. Verouderd voor eigenaar van een of meer boerderijen. Vgl. Fries hearskip.
heet, heit, bijvoeglijk naamwoord, 1. Heet. 2. Wellustig, geil. Zegswijze zo heit as de brand (as hooi), erg wellustig. – Ze is zô heit, as je teugen d’r opkwatte, sist ze, gezegd van een zeer wellustig vrouwspersoon. – Heit in de mond, koud in de kont, gezegd van personen die door hun uitlatingen de indruk wekken lichtzinnig of wellustig te zijn, maar het in werkelijkheid niet zijn. Vgl. de variant reid mit de mond, maar niet mit de kont.
heften, hefte, werkwoord, Variant van heffen (verouderd). Vgl. ophefte.
heide, haai, haaid, zelfstandig naamwoord de/’t, 1. Onderwal, slootkant. Zegswijze van haai(d) toe bleik, van het kastje naar de muur. 2. Weg (tussen twee bruggen) (verouderd). Vgl. Boek. onder heid 2. 3. Groeve tussen ongespitte en gespitte grond (Noord-Scharwoude). Mogelijk hoort hierbij de zegswijze ok in ’t haai(d) zitte, ergens ook aan meewerken, er ook bij betrokken zijn (Noord-Scharwoude).
heide, haai, zelfstandig naamwoord de, Hei(de), in de zegswijze freet haai, den kê je bezems skoite. 1. woordspeling, gebezigd als men vindt, dat men een zekere persoon niet met ‘hij’ moet aanduiden. 2. Verwensing bestemd voor iemand die zeer kieskeurig is met eten.
heidens, hoidens, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Ook: onaangenaam, heel erg. | Wat is ’t hier ’n hoidense troep. Wat ’n hoidens rotwerk.
heiig, haaiig, bijvoeglijk naamwoord, Heiig, vervuld van rook.
heilig, hoilig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Heilig. Zegswijze ’t is hoilig (eivend), de werkdag zit erop. | Wul jij efkes de wagen lade, want ’t is bedát hoilig. Letterlijk was een ‘heilige avond’ de avond vóór een heiligenfeest, vóór een dag waarop niet gewerkt werd. – Bai ’n hoilig huisie angaan, onderweg een café aandoen. – ’t Hoilig vast g’louve, het beslist geloven.
hein, hoin, huin, zelfstandig naamwoord ’t, Hein, wal- of slootruigte.
hein, heun, zelfstandig naamwoord de/’t, Variant van hein, zegge, rietachtig gras.
heinen, hoine, werkwoord, Van hein of slootruigte zuiveren. Oorspronkelijk duidde heinen op het afbakenen, het aangeven van een grens. (vgl. Nederlands omheinen en heining), in dit geval: het weer zichtbaar maken van de grens tussen land en water. Zegswijze hoine en havene, dubbelzegging voor schoonmaken, verzorgen.
heinhaak, hoinhaak, zelfstandig naamwoord de, Stok met blad (waarin twee ovale gaten zitten) om bagger en slootruigte op de wal te halen.
heinhoop, hoinhoup, zelfstandig naamwoord de, Hoop wal- of slootruigte.
heining, hoining, zelfstandig naamwoord de, 1. Heining, heg. 2. Scheisloot(je) (verouderd).
heinster, hoinster, zelfstandig naamwoord de, Soort schoffel of schraper. Mogelijk is het woord verwant met hoine. Zie aldaar.
heinsteren, hoinstere, werkwoord, Met de ‘hoinster’ werken.
heisa, hoisa, zelfstandig naamwoord vrouwelijk, Drukte, omhaal, rompslomp.| Wat hei je an al die hoisa! Zegswijze van hoisa, van heb ik jou daar.| Hai kreeg ’n klap van hoisa.
heisteren, hoistere, hoinstere, hienstere, werkwoord, 1. Jachten, druk en hinderlijk bezig zijn. 2. Vervelend zijn. 3. Klauteren. 4. Wroeten, rommelen. Mogelijk houdt het woord verband met het zelfstandig naamwoord haast. Zie het N.E.W. onder heisteren. Vgl. Fries heisterje. De vorm hienstere wordt o.a. in De Weeres gebezigd.
heivlos, haaivlos, zelfstandig naamwoord de, Kleine baggerbeugel.
hekel, hekel, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze jij hewwe ok gien hekel an je oigen, jij doet jezelf ook niet graag tekort, o.a. gezegd tegen iemand die zich royaal bedient bij eten of snoepen.
hekjeskachel, hekkieskachel, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse kachel met een hekje er voor.
hekken, hekke, werkwoord, Hekken plaatsen of herstellen.
hekkenspringer, hekkespringer, zelfstandig naamwoord de, 1. Lang, mager iemand. 2. Wild meisje. Vgl. Fries hikkespringer.
heklat, heklatte, zelfstandig naamwoord meervoud, Roeden van een molenwiek.
hekriet, hekriet, zelfstandig naamwoord ’t, Uitgezocht riet voor rietmatten.
hel, hel, zelfstandig naamwoord de, Hel, plaats der verdoemden, in de zegswijze de hel opbouwe, een onaangename, gespannen toestand scheppen, o.a. door voortdurende ruzies of meningsverschillen.
held, held, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’t is ’n held zonder geld, gezegd van iemand zonder geld die op een eigenwijze manier adviseert hoe je met geld moet omspringen of hoe je rijk kunt worden.
helder, helder, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze niet erg helder weze, 1. niet alert zijn, traag van begrip zijn. 2. niet goed uitgeslapen zijn, katterig zijn. – ’n Heldere kop hewwe, een goed stel hersens hebben. – Zô helder as de brand, kraakhelder, brandschoon. – Helder en skoôn weze, proper en zindelijk zijn.
helegaar, hillegaâr, bijwoord, 1. Helemaal. Oorspronkelijk ‘heel ende gaar’. Zegswijze bè je (nou) hillegaâr! Ben je (nu) helemaal gek! 2. Zo waar, nota bene. | Alie had hillegaâr tekene moeten voor ontvangst. Ze hadde hillegaâr lepels en vurke van zulver.
helen, hêle, werkwoord, in de zegswijze ’t goed mit mekaar hêle kenne, het vlot met elkaar eens kunnen worden, goed met elkaar kunnen opschieten. Letterlijk betekent hêle ‘één geheel worden’.
helft, halft, zelfstandig naamwoord de, Helft. Zegswijze de halft van niks, een heel klein beetje. – De halft en baaie ende hewwe wulle, alles willen hebben, een ander niets gunnen.
helhaak, helhaak, zelfstandig naamwoord de, Helleveeg, furie, kwaad wijf.
helpen, helpe, sterk werkwoord, Helpen. De vervoeging luidt: helpe – hielp/holp – holpen. Zegswijze help maar koike, let maar op, wat ik je brom. | Hai zel wel weer te laat komme, help maar koike.
helt, helt, zelfstandig naamwoord de, Handvat, handgreep van een kloet, een schop e.d. Vgl. Fries hald. Het woord behoort bij het werkwoord (vast)houden.
hem, ’m, persoonlijk voornaamwoord, Ongeaccentueerde vorm van hem. | Ik hew ’m sproken. 2. Onpersoonlijk element in een groot aantal zegswijze, bv. ’t hangt ’m an effies, het hangt maar van een moment af – ’m Rake, goede zaken doen. – ’t Loit ’m an ’n kloinighoid, het ligt aan een kleinigheid, hangt van een kleinigheid af.
hem, hem, zelfstandig naamwoord de, Aan het water gelegen, buitendijks land (verouderd). Vgl. Boek.
hem zijn, hem ze, hem z’n, bezittelijk voornaamwoord, Zijn, van hem, de of het zijne, de zijnen. | Dat is hem ze fiets. Dat benne hem ze.
hemd, himd, hemd, zelfstandig naamwoord ’t, Hemd. Vgl. Fries himd. Zegswijze ’n kleur as ’n kladdig himd, een vaalbleke, ziekelijke kleur. – D’r uitzien as ’n kladdig himd, er verlept, ziekelijk of ongewassen uitzien. – Ientje ’t himd van ’t gat vrage, iemand van alles en nog wat vragen. – Je leste himd het gien zakke, je kunt je geld of bezit niet meenemen als je sterft, wees dus niet overdreven spaarzaam. – Jij hewwe je leste himd ok nag niet an, jij kunt (met je kinderen) ook nog van alles meemaken, zeg dus niet teveel van anderen. – Je zouwe je leste himd er om vertére, gezegd van een zeer smakelijke spijs. – Ientje z’n himd vol skeipeteke wense, iemand naar de hel wensen. – ’t Was poep bai ’t himd of, het was op het nippertje, het ging maar nét. Meervoud himde, in de zegswijze ’t is himde lappe en géren toegeve, het is hard werken en nog geld toegeven. Vgl. broekelappe. Verkleinvorm himpie, in de zegswijze himpie raakt m’n (’t) bukkie niet, m’n (’t) gatje gaat te kermis, gezegd van een vrouwspersoon die of een meisje dat zeer parmantig of uitdagend loopt.
hemdenracen, himderese, himdereze, werkwoord, Letterlijk hemdenracen, wedloop waarbij men gekleed in een lang (schilders)hemd van start tot finish allerlei opdrachten moest uitvoeren. Soms liet men de arme mensen op het ijs hardrijden op de schaats om een hemd of om een stukje spek.
hemdrok, himdrok, zelfstandig naamwoord de, Overhemd van een dikke, wollen stof (verouderd). Vgl. Fries himdrok.
hemel, hemel, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze nei de hemel raai je niet in ’n landauer, het is geen gemakkelijke opgave altijd rechtschapen te leven.
Hemelvaartsdag, Hemelsvaartdag, zelfstandig naamwoord de, Variant van Hemelvaartsdag.
hen, hen, hin, zelfstandig naamwoord de, Hen, kip, in de zegswijze ze hewwe deer gien hen uit de butter te jagen. 1. Het is daar een arme boel. Hier wijst het beeld op de omstandigheid, dat men niet eens boter heeft, zodat er ook geen kip valt weg te jagen. 2. Het is daar een royale boel. Hier wijst het beeld op de omstandigheid dat men zoveel boter heeft, dat men zich niet druk maakt om een kip die in de boterpot pikt. 3. Ze zitten daar te luieren, hebben niets om handen. Hier wijst het beeld op de omstandigheid dat er geen kip in de buurt is, zodat er ook niets valt weg te jagen of te doen. – De hen went nei de ben, maar zelden nei de best(e), (huwelijks)partners met verschillende gewoontes en opvattingen gewennen zich doorgaans aan de minst goede. Eigenlijk de kip went aan de mand, al is dat zelden de beste mand. – ’n Swarte hen loit ók aaiere. 1. Een ander, een leek, kan ook nog wel wat. 2. Dat lijkt maar tegenstrijdig. Meervoud henne, in de zegswijze we zelle de henne melke en de luize verzêle, schertsend voor: we zullen maar eens naar bed gaan. Letterlijk we zullen (voor het naar bed gaan) nog even de kippen melken en de luizen aan een zeel of touw vastzetten.
hengel, hingel, hangel, zelfstandig naamwoord de, Variant van hengel. Verouderde variant hangel.
hengelbeker, hengelbeker, zelfstandig naamwoord de, Zie koggezeunis.
hengelen, hangele, werkwoord, Verouderde variant van hengelen.
hengsel, hangsel, zelfstandig naamwoord de/’t, Variant van hengsel.
hengst, hingst, hienst, zelfstandig naamwoord de, Variant van hengstst. Verouderde variant hienst. Vgl. Fries hynst.
hennenmelker, hennemelker, zelfstandig naamwoord de, 1. Kippenboer of -handelaar. 2. Jan hen of bemoeial. Vgl. Fries hinnemelker.
hennenpukkels, hennepukkels, zelfstandig naamwoord meervoud, Kippevel (verouderd).
hennenpul, hennepul, zelfstandig naamwoord de/’t, Kuiken van een hen of kip.
hennenvlees, hennevlais, zelfstandig naamwoord ’t, Kippevel (verouderd).
her, heerder, herder, bijwoord, Meer hierheen, in de zegswijze heerder nach veerder komme, totaal niet(s) opschieten. Vgl. herder nach verder komme. He(e)rder is de vergrotende trap van her, variant van hier. Vgl. Nederlands her en der.
herberg, herreberg, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ze is net ’n herreberg, d’r zit altoid volk in, plat-schertsend gezegd van een vrouw die ieder jaar weer in verwachting is. – Opsteke in de groene herreberg. 1. Onderweg in de berm uitrusten en eventueel wat eten of drinken. 2. Onderweg rusten en het paard in de berm laten grazen.
heremiet, heremiet, zelfstandig naamwoord de, Ook: gierigaard (verouderd).
heremietzak, heremietzak, zelfstandig naamwoord de, Zie heremiet.
herenberen, hérebére, werkwoord, Snauwen, bazige open aanmerkingen maken. Eigenlijk als een heer of baas lopen te beren = snauwen, mopperen.
herenzaak, herezake, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze herezake gane strekkend, zaken waarover de hoge heren moeten beslissen, krijgen niet gauw hun beslag.
herfst, herrest, zelfstandig naamwoord de, Herfst.
herfstdaags, herrestdags, herresdags, bijwoord, In de herfst. | Ik vind herres(t)dags ’t bos op z’n mooist. Vgl. Fries hjerstdeis.
herfstkalver, herrestkalver, zelfstandig naamwoord de, Koe die in het najaar kalft. Vgl. Fries hjerstkealder.
herfstkat, herrestkatje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: lelijk, mager meisje.
herig, herig, bijvoeglijk naamwoord, Heerachtig. | Hai doet graag herig. Vgl. Fries hearich.
herik, heerik, uitroep van schrik, verbazing e.d.
hermelijn, hermke, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderde variant van hermelijn. Vgl. Fries hermke.
hermelijn, harremantje, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderd voor: hermelijntje.
herriewinkel, herriewinkel, zelfstandig naamwoord de, Herrie, rommelboel. | Wat is ’t hier ’n herriewinkel.
hersenen, harses, harsens, zelfstandig naamwoord meervoud, Hersens, hoofd. Zegswijze z’n harse(n)s zitte in de tis(t), hij ziet ze vliegen, hij is malende.
hersenlap, harseslap, harsenlap, zelfstandig naamwoord de, Ouderwets vrouwenmutsje dat alleen de kruin bedekte.
hes, hes, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor (jongens)blouse.
het, ’t, soms gebezigd i.p.v. per. | ’t Kost ’n knaak ’t stuk.
heten, hiete, werkwoord, Heten. | Hai hiet Piet. Zegswijze hoe hiet ’t ok weer? Wat wilde ik ook weer zeggen? – Een oud rijmpje luidt: Hoe hiet je?… Swarte Pietje. Hoe nag meer?… Skoenesmeer.
heuer, huier, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de huier en muier weze, de toevlucht of vraagbaak voor iedereen zijn, iemand die voor anderen van alles regelt (verouderd). In het Fries komt het werkwoord ‘huije’ voor in de zin van opjagen, jouwen, terwijl ‘muijere’ de betekenis heeft van plooien of schikken. Te Abbenes is een ‘huier’ iemand die de zaak opjut, opjaagt.
heugel, heugel, hogel, zelfstandig naamwoord de, Platte ijzeren reep met gaten waardoor de haak werd gestoken waaraan men de waterketel, de hangtreeft e.d. hing. Zegswijze bai de heugel weze, thuis zijn, binnen zitten.
heugelhaak, heugelhaak, hogelhaak, zelfstandig naamwoord de, Haak aan de heugel.
heugenschap, heugenskip, zelfstandig naamwoord de, Heugenis, herinnering (verouderd). Zegswijze erges gien heugenskip van hewwe, zich iets niet herinneren (verouderd).
heupig, heupig, bijvoeglijk naamwoord, Met flinke heupen. | Ze wordt puur heupig.
heuvelig, heuvelig, bijvoeglijk naamwoord, Heuvelachtig.
hibbel, hibbel, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van verouderd hibbele = huppelen, in de zegswijze op ’n hibbel en ’n dribbel, in een oogwenk. Vgl. Fries hippelje. Vgl. ook: hippedrip.
hiel, hiele, zelfstandig naamwoord meervoud, Hielen, in de zegswijze z’n hiele nei z’n gat hale, hard lopen, hard werken. – Z’n hiele uit z’n sloffe loupe, het vuur uit zijn sloffen lopen. – Ik zien liever z’n hiele as z’n tône, ik zie hem liever gaan dan komen.
hielen, hiele, werkwoord, in de zegswijze hai is mooi hiele, hij heeft goddank zijn hielen gelicht, is goddank vertrokken (verouderd).
hielenschijter, hieleskoiter, zelfstandig naamwoord de, Zie hakkeskoiter.
hieling, hieling, zelfstandig naamwoord de, Hielbandje van een schaats.
hielleer, hielsleertje, zelfstandig naamwoord ’t, Leren hielbandje van een schaats.
hiender, hiender, zelfstandig naamwoord de, Oud, mager paard. Vgl. Fries hynder = paard.
hieps, hups, hieps, in de zegswijze de kop hups houwe (hewwe), flink rechtop lopen, moed houden. Vgl. hiepuh.
hieps, hiepuh, in de zegswijze kop hiepuh, kop op, houd de moed erin (verouderd).
hiero, hiero, verzwaarde vorm van hier, ontstaan uit hierzo. | Weer moet ik ze lègge, hiero of deero?
hiertoe, hier an toe, hier tot toe, tot hier (toe). | Hier tot toe mà je loupe.
hij, hai, persoonlijk voornaamwoord, Hij.
hijg, hoig, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van hoige = hijgen, in de zegswijze ’t is ’n héle hoig, het is een vermoeiende tocht, klim e.d. – ’n Hêle hoig had hewwe, zwaar ziek zijn geweest. Verkleinvorm hoigie, in de zegswijze nag ’n hoigie doen, nog een poosje werken, lopen, fietsen, klimmen e.d.
hik, hik, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze gien hik of nik geve, geen kik geven, totaal niet reageren. Opmerking: Het woord hik komt nog voor in enkele oude volksrijmpjes. Zo’n rijmpje moest men – als men de hik had – ettelijke keren vlug na elkaar opzeggen bv. hik-sprik-sprouw, ik geef de hik an jou(w); ik hew de hik, ik hew ’m dik, ik hew ’m nou(w), ik geef ’m jou(w); ik en den hik (de nik) spronge samen over dik, ik kwam weer en den hik (de nik) bleef deer.
hikken, hikke, werkwoord, 1. Hikken. 2. Kijven. Zegswijze erges van hikke nach (ver)skrikke, ergens heet noch koud van worden, onbewogen blijven.
hinkepink, hinkepink, zelfstandig naamwoord de, Kreupel mens of dier.
hinkepinken, hinkepinke, werkwoord, Kreupelen, gebrekkig lopen.
hip, hip, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van hippe = huppen, in de zegswijze de hip niet kroige kenne, niet uit zijn stoel kunnen komen, er maar niet toe kunnen komen. – Op ’n hip en ’n drip, in een oogwenk. Drip is een afleiding van drippen, variant van dribbelen. Verkleinvorm hippie, in de zegswijze op ’t hippie. 1. Op het nippertje. 2. Welhaast. Vgl. Fries op it hipke. Zie ook de zegswijze de bruid op ’t hippie. Het woord is de verkleinvorm van hip, variant van hup.
hippedrip, hippedrip, hipperdepip, samentrekking van hip en drip, in de zegswijze op ’n hippedrip, in een oogwenk.
hipperd, hippert, afleiding van hippe = huppen, huppelen, in de zegswijze hippert weze, zitten te hippen of huppen, opgewonden zijn, zitten te springen om iets te doen, te zeggen e.d. – Hippert in z’n loif weze, opgewonden, in blijde spanning zijn. (o.a. in Noord-Scharwoude).
Hippo, Hiepo, zelfstandig naamwoord, Kortweg voor Hippolytushoef.
hitpaard, hitpeerd, zelfstandig naamwoord ’t, Voorste paard aan de hitlijn. Liepen er twee, drie of vier paarden in het gespan, dan moest het hitpaard een halve meter voor de andere dieren uitlopen om de richting aan te geven.
hitsig, hessig, bijvoeglijk naamwoord, (Nogal) heet, vurig, hitsig. Het woord is een variant van hetsig = hitsig.
hitte, hittend, hettend, hette, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor hitte (W.F.O.N. 9, 152).
hitten, hitte, werkwoord, (Be)sturen van een of meer paarden of andere tuigdieren.
ho, ho, uitroep, in de zegswijze ho maar! niets daarvan, dat is er niet bij! | Hai wul wel in de kroeg zitte, maar werke, ho maar! – ‘Ho’, zoit ’n boer teugen z’n peerd, corrigerende reactie om aan te geven, dat men, indien men genoeg heeft (bv. genoeg eten dat wordt opgeschept), niet ‘ho’ dient te zeggen.
hobbekaas, hobbekeis, zelfstandig naamwoord de, Grote, platte kaas die gemaakt werd van afgeroomde melk.
hobbeldebobbel, hobbeldebobbel, bijvoeglijk naamwoord, Hobbelig.
hobbeldebobbelland, hobbeldebobbelland, zelfstandig naamwoord ’t, Hobbelig land.
hobbezak, hobbezak, zelfstandig naamwoord de, 1. Te ruim vallend of slordig, onelegant kledingstuk. 2. Persoon die slordig, onelegant gekleed gaat of persoon met een lomp, log voorkomen. Het element ‘hobbe’ hoort bij een oud werkwoord hobben, variant van hobbelen = heen en weer gaan.
hobbykamer, hobbiekamer, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze je hobbiekamer staat open, schertsend voor: het split van je broek staat open.
hocus-pocus, hokus-pokus, zelfstandig naamwoord de, Vreemd, wonderlijk gedoe.
hocus-pocuskerel, hokus-pokuskirrel, zelfstandig naamwoord de, Wonderdokter, kwakzalver.
hoe, hoe, hoe dát zo, hoe zo, waarom?; vragend bijwoord hoe’n, hoe’ntje, hoe een. | Hoe’n hei je kocht? | Hoe’ntje hei je kocht. Een bekend grapje bestaat uit de vraag ‘hoe’ntje’ en het antwoord zô’ntje = zo een(tje); hoeste, hoe, des te. | Hoeste ouwer, hoeste gekker.
hoedje, hoedje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze z’n oigen ’n hoedje skrikke, zich doodschrikken.
hoef, hoeve, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze louve hoeve hewwe, schertsend voor: vermoeide voeten of benen hebben.
hoegenaamd, hoegenaamd, hoegenaamd gien, nauwelijks, bijna geen. | Ik hew van ’t jaar hoegenaamd gien pruime teêld. Vgl. Van Dale die hoegenaamd geen omschrijft als ‘volstrekt geen’. hoegenaamd niet, bijna niet. | ‘Hei je nag vuur in de tulpe?’ ‘Nei ’oor, hoegenaamd niet’.
hoei, hoei, oei, zelfstandig naamwoord de, Harde, ongecontroleerde trap of slag.
hoeien, hoeie, oeie, werkwoord, Hard, onbesuisd trappen of slaan.
hoeik, hooik, hoeik, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse (prik)slee. Vgl. Boek. onder hoeik.
hoek, hoek, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Stuk of perceel land (met een bepaald gewas). | Hai het puur zô’n hoek land. Hai het ’n héle hoek tulpe. 2. Haak, vishaak. Zegswijze dat houdt gien hoek, dat houdt geen stand. De zegswijze is ontleend aan het timmermansvak. Vgl. de Nederlandse zegswijze dat is niet in de haak. – Al pittig om de hoek rake, al aardig opschieten. Mogelijk oorspronkelijk een zeemansuitdrukking waarin hoek de betekenis heeft van ‘havenhoek’. – Die moet nei de hoek om te keren, schertsend gezegd van iemand met een zeer grote schoenmaat. Verkleinvorm hoekie. In sommige dorpen (bv. Andijk) bezigt men de Nederlandse vorm hoekje. Zegswijze vaders hoekie, vaders vaste plaats of vaste stoel bij het raam. – In ’t hoekie zitte, aan tafel bij het raam zitten. Meervoud hoekies, in de zegswijze in de hoekies weune ók mense, aansporing om bij het besmeren of beleggen van boterhammen de hoekjes niet te vergeten.
hoek, hoeks, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van vishaak.
hoekje, noksie, in de zegswijze om de noksie. Zie ommenóksie. Vgl. Boek. onder noksie.
hoelijk, hoeke, hoekens, hoekers, vragend bijwoord, Hoedanige, wat voor. De vorm is ontstaan uit ‘hoe lijke’. | Hoeke benne’t?
hoep, hoep, zelfstandig naamwoord de, 1. Hoepel (verouderd). 2. Een door hoepels of banden bijeengehouden hoop. Vgl. uiehoep.
hoepelen, hoepele, werkwoord, in de zegswijze ik zou je hoepele, hoepel maar op. – Ik wul je wat hoepele, hoepel maar op.
hoepstoeps, houpstoups, bijwoord, Hals over kop. Vgl. Fries hoostoops.
hoer, hoer, zelfstandig naamwoord de, Ook: bastaardkool. 2. Afwijker in bonen. Zie gladpeul. 3. Broze, aarden knikker.
hoerenmaat, hoeremaat, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n hoeremaat geve, niet de volle maat geven (verouderd).
hoerenschroef, hoereskroef, zelfstandig naamwoord de, Ontuchtig manspersoon (verouderd).
hoerensmoes, hoeresmoesie, zelfstandig naamwoord ’t, Zie ouwehoeresmoesie.
hoesteproesten, hoesteproeste, werkwoord, samentrekking van hoesten en proesten.
hoetelaar, hoetelaar, zelfstandig naamwoord de, 1. Kleinhandelaar, scharrelaar in min of meer inferieure artikelen of produkten, bv. vlees. 2. Beuzelaar.
hoetelen, hoetele, werkwoord, 1. Kleinhandel drijven, scharrelen. 2. Beuzelen. Vgl. Middelnederlands hoedele = knoeien, op minder eerlijke wijze negotie doen. Zie het N.E.W. onder hoetelen.
hoeven, hoeve, werkwoord, Hoeven. De vervoeging luidt: hoeve – hoefde – hoeven. Opmerking: Ook vele A.B.N.-sprekers gebruiken de voltooid deelwoordsvorm ‘gehoeven’, hoewel Van Dale alleen de vorm ‘gehoefd’ geeft.
hof, hof, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze mit open hof zitte, 1. gezegd als ramen en deuren open staan om aan te geven dat iedereen welkom is. 2. met open gordijnen zitten.
hof, hof, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze mit ’n hof en ’n bof werke, haastig, slordig en met veel geraas werken. De woorden ‘hof’ en ‘bof’ zijn klanknabootsend.
hogerop, houger-op, bijwoord, in de zegswijze houger-op gaan (’t hougerop zoeke), ook gebruikt om aan te geven dat men als patiënt een meer gespecialiseerde arts wil inschakelen.
hoi, hooi, heui, groet in de zin van: hallo, goeiedag.
hok, hok, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: 1. Afdeling van een kast. 2. Hoop, schelf, schoof. Zegswijze op ’t hok, in het hok. | Hai het ’n zoôt varkes op ’t hok. – Op ’t hok zitte, thuiszitten, in huis zitten. – ’n Hok mit joôs hewwe, een groot gezin hebben. – Op (an)’t hok zette, op hopen of schoven zetten van o.a. erwten, bonen en uien. Vgl. het werkwoord ophokke.
hokkel, hoekel, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van hokkeling. Verkleinvorm hoekeltje.
hokkelen, hokkele, werkwoord, Bijeenhokken, samendringen.
hokkentouw, hokketouw, zelfstandig naamwoord ’t, Touw waarmee men de hopen of schelven bijeen houdt.
hol, hol, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze van hol nei vol, van honger naar verzadiging. – Hol worre, een leeg gevoel in de maag krijgen, hongerig worden.
hol, hol, zelfstandig naamwoord ’t, Hoofd, in de zegswijze hol over bol, hals over kop. Vgl. Fries hol oer bol en Fries holle = hoofd.
holbollig, hollebollig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Hobbelig. | ’t Is van dat hollebollige land 2. Ongestadig, veranderlijk. | ’t Is al ’n toid van dat hollebollige weer.
holder, holder, zelfstandig naamwoord de, Soort spit- en freesmachine.
hollebollen, hollebolle, werkwoord, Kopjeduikelen. Vgl. rollebolle.
holsblok, holleblok, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderd voor klomp.
hom, hom, zelfstandig naamwoord de/’t, in de zegswijze ’t is gien hom en gien kuit, het is vlees noch vis, je weet niet wat je er aan hebt.
homp, homp, zelfstandig naamwoord de, Zet, stoot, duw. Verkleinvorm hompie, hompke | Geef die deur es ’n hompke.
hompen, hompe, werkwoord, Stoten, duwen.
homper, homper, zelfstandig naamwoord de, Kalf dat bij het drinken voortdurend met de kop in de emmer stoot, veelal als gevolg van een ongemak, bv. wormen op de tong.
hond, hond, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze hoe ruiger (grôter) de hond, hoe meer vlooie, 1. Hoe groter bedrijf, des te meer zorgen. 2. Hoe losbandiger men leeft, des te meer verkeerde dingen die daar het gevolg van zijn. – Op (an)’n hond, kapot, versleten, bedorven. | Z’n klere wazze op ’n hond. – Half hond, half rekel, vlees noch vis. – Erges as ’n hond voor de deur lègge, ergens voortdurend verblijven of op bezoek komen o.a. gezegd van een vasthoudende vrijer. – ’n Hond is ’t stou(t)st op z’n oigen dam, men heeft in zijn eigen, vertrouwde omgeving het meeste lef, de meeste praatjes. Meervoud honde, in de zegswijze de honde zelle teugen je op pisse, spottend gezegd tegen iemand die geen geld bij zich heeft. – Ouwe honde kè je gien blaffen meer lere. 1. Het karakter van oudere mensen verander je niet meer. 2. Oudere mensen zijn moeilijk om te scholen, om te schakelen. Verkleinvorm hondje, in de zegswijze kommendeer je hondje en blaf zelf, ik laat me niet commanderen, doe het zelf maar.
hondenbes, hondebaai, zelfstandig naamwoord de, Vrucht van de solanum nigrum.
hondencharette, hondeseret, zelfstandig naamwoord de, Hondekar of -wagen (verouderd). Seret is een verbastering van Frans charette.
hondensnor, hondesnor, zelfstandig naamwoord de, Hondewagen. Snor duidt hier op het snorrend geluid van de wagen. Vgl. poppesnor.
honger, honger, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze onderwe(e)g mà je honger kroige, maar ete doen je thuis (maar thuis moet je ete), je mag wel naar andere vrouwen kijken, maar de bevrediging van de aldus ontstane verlangens dien je bij je eigen partner te zoeken. – Lekkere honger hewwe, uitsluitend trek hebben in iets lekkers, dus geen echte honger hebben.
honk, honk, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze op honk zitte, thuis, in huis zitten.
hoofd, houfd, zelfstandig naamwoord ’t, Hoofd. Zegswijze ientje erges voor in ’t houfd hewwe, iemand ergens voor op het oog hebben. – ’n Poip (segaar) in ’t houfd hewwe, een pijp (sigaar) in de mond hebben. Meervoud houfde, in de zegswijze Geleerde houfde make domme hande, wie (te) veel intellectuele arbeid verricht, leert zijn handen niet gebruiken en is of wordt onhandig. – ’t Houdt wat eer de houfde in ien zak benne, het heeft veel voeten in de aarde voor alle partijen het met elkaar eens zijn. – ’t Geeft maar warme houfde en kouwe hart, er komt alleen maar ruzie van.
hoofdeinde, houfdenend, zelfstandig naamwoord ’t, Hoofdeinde van een bed, een tafel e.d.
hoog, houg, bijvoeglijk naamwoord, Hoog. Zegswijze ’t staat m’n houg, het zit me hoog, ik neem het niet.
hoog, houg, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze je kenne niet teugen ’t houg op, voor het hogere gezag moet men wel buigen.
hoogheid, houghedens, houghedes, zelfstandig naamwoord meervoud, Hoge pieten, hoge omes.
hoogop, houg-op, bijwoord, Hoog-uit, ten hoogste. | ’t Kost houg-op ’n tientje.
hoogst, hougst, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze onder ’t hougst van de mis, tijdens de consecratie.
hoogte, hougte, zelfstandig naamwoord de, in de combinatie om de hougte, omhoog. | Wul je m’n effies om de hougte tille?
hooi, hooi, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze hooi op en de koe doôd, o.a. gezegd van iemand die juist voor zijn dood zijn laatste geld heeft uitgegeven. Zie ook onder gelag. – ’t Voor ruig hooi opete. l. Iets gretig of gulzig opeten (zonder dankbaarheid te tonen). 2. Alles slikken, lichtgelovig zijn. – Of je ’n pik hooi luste! reactie op de vraag ‘hè’ of ‘wat’. – Hooi in de berg is net zo goed as geld in de kas(t), hooi is waardevol.
hooi opblazen, hooi-opbleize, werkwoord, Het hooi door middel van een blazer in of op de hooiberg blazen.
hooi opjagen, hooi-opjage, werkwoord, Het hooi door middel van een katrol, voortgetrokken door een paard, op de hooiberg trekken.
hooi plukken, hooiplòkke, werkwoord, Het afplukken van het uit een hooiberg of –klamp uitstekende hooi.
hooi ponderen, hooipondere, werkwoord, Zie pondere.
hooi-ijzer, hooi-oizer, zelfstandig naamwoord ’t, Lange ijzeren staaf of speer met een weerhaak en voorzien van een thermometer om het hooi op broei te onderzoeken.
hooiberg, hooiberg, zelfstandig naamwoord de, Bergplaats voor het hooi in het midden van de stolphoeve, doorgaans kortweg de berg genoemd.
hooiblazer, hooibleizer, zelfstandig naamwoord de, Toestel dat het hooi in of op de hooiberg blaast.
hooien, hooie, werkwoord, in de zegswijze ’t is of je te hooien moete, wat heb je een haast, wat maak je een drukte. – ’t Is over en weer hooie, je schiet er niets mee op, je blijft aan de gang.
hooierskom, hooierskom, zelfstandig naamwoord de, Kom zonder oor, laag en breed van model, o.a. door de hooiers gebruikt tijdens het schaften. Verkleinvorm: hooierskompie.
hooierslok, hooierslok, zelfstandig naamwoord de, Zie hooierskom. Vgl. Fries haeilokje.
hooierstijd, hooierstoid, zelfstandig naamwoord de, Hooitijd. Zegswijze ’t is alle dage gien hooierstoid, het is niet alle dagen zo druk, er is niet altijd zo’n haast bij.
hooiersweer, hooiersweer, zelfstandig naamwoord ’t, Goed weer om te hooien. Vgl. Fries haeijerswaer.
hooigat, hooigat, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze hooigat weze, afgemat zijn, gezegd van mensen en trekdieren. Mogelijk was de oorspronkelijke vorm hooimat, d.w.z. afgemat door het hooien.
hooigereed, hooireid, bijvoeglijk naamwoord, Gereed om gehooid te worden. | ’t Achterstik is hooireed.
hooigraaf, hooigraaf, zelfstandig naamwoord de, Spade met een lange, dwarse greep om een vak uit een hooiberg te spitten of te snijden.
hooihaak, hooihaak, zelfstandig naamwoord de, Stok met drie ijzeren tanden waarmee het hooi uit de schuit werd getrokken.
hooikaros, hooikros, zelfstandig naamwoord de, Klein wagentje waarop een vrachtje hooi werd vervoerd.
hooikas, hooikas, zelfstandig naamwoord de, Hooischuur of -berg. (verouderd).
hooiklamp, hooiklamp, zelfstandig naamwoord de, Hooischelf buitenshuis.
hooikrok, hooikrok, zelfstandig naamwoord ’t, Fijn graszaad dat zich tussen het hooi bevindt. Vgl. Fries heakrôk.
hooiluik, hooi-luk, zelfstandig naamwoord ’t, Luik waardoor men het hooi vanuit de berg in de koestal gooit.
hooiluizen, hooiluize, zelfstandig naamwoord meervoud, Hooizaad.
hooiopper, hooi-opper, zelfstandig naamwoord de, Hooistapel op het land nadat het hooi geschud is.
hooipers, hooipers, zelfstandig naamwoord de, Toestel waarmee het hooi tot balen wordt geperst.
hooiplag, hooiplag, zelfstandig naamwoord de, Plag van vuil en platgetrapt hooi dat na de staltijd van de staanplaats der koeien en in de stal wordt afgespit.
hooiponder, hooiponder, zelfstandig naamwoord de, Ronde houten paal die boven op een opgetaste hooiwagen wordt gelegd en voor en achter wordt vastgesjord.
hooiraam, hooiraam, zelfstandig naamwoord ’t, Raam- of latwerk dat op de hooiwagen wordt gelegd als deze geladen wordt.
hooirook, hooirouk, zelfstandig naamwoord de, Hoop hooi gevormd door een aantal bijeengeschoven oppers.
hooischaar, hooiskeer, zelfstandig naamwoord de, Hooischaar, in de zegswijze ientje om de hooiskeer sture, iemand een fopboodschap laten doen, voor niets laten lopen, daar er geen hooischaar bestaat.
hooischudden, hooiskudde, werkwoord, Het op het land liggende hooi schudden.
hooischudder, hooiskudder, zelfstandig naamwoord de, Toestel voor het schudden van hooi.
hooispade, hooispaad, zelfstandig naamwoord de, Zie hooigraaf.
hooispitten, hooispitte, werkwoord, Hooi uitspitten of afsteken bij hooibroei.
hooisteker, hooisteker, zelfstandig naamwoord de, 1. Zie hooi-oizer. 2. Iemand die (van overheidswege) op gezette tijden met een hooisteker de temperatuur van het hooi peilde.
hooistok, hooistokke, zelfstandig naamwoord meervoud, Stokken voor het versjouwen van hooihopen.
hooistuk, hooistik, zelfstandig naamwoord ’t, Stuk land dat gehooid wordt of dat bestemd is voor de hooibouw, Vgl. Fries haeistik.
hooivork, hooivurk, zelfstandig naamwoord de, Hooivork. Meervoud hooivurke, in de zegswijze ’t regent hooivurke, het regent pijpestelen.
hoop, houp, zelfstandig naamwoord de, Hoop, grote hoeveelheid. Zegswijze houp over stoup, hals over kop. Vgl. Boek. onder hoop. – Houp over stoup lègge, overhoop, door elkaar liggen. – ’n Houp laad je op ’n boerewagen, corrigerende reactie tegen iemand die telkens het woord ‘hoop’ i.p.v. ‘heel veel’ gebruikt of die teveel op zijn bord schept. Meervoudsvorm houpe, in de combinatie houpe kere, vele malen. | Ik hew ’m al houpe kere waarschuwd. Opmerking: Brander (blz. 45) noteerde de zin: ’t was ’n houpe beter mit ’m steld.
hoor, hoor, oor, ’oor, zinsafsluitend stopwoordje, ontstaan uit ‘hoor je (me)’. | Dag, ’oor! Niet doen, ’oor!
Hoorn, Hoorn, plaatsnaam, in de zegswijze ’t is in Hoorn al net as in Enkhu(i)zen, de mensen zijn overal eender. – Hai het de toid, hai komt van Hoorn, gezegd van iemand die voor alles ruimschoots de tijd neemt, graag blijft plakken of iemand die langzaam, traag is.
Hoorns, Hoornse, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze twei is ’n Hoornse greip, zie boeregreip. – Hoornse broeder, dikke ronde koek met krenten of rozijnen en met kaneelsuiker. – Hoornse moppe, spotnaam voor de inwoners van Hoorn.
hoornzeel, hoornzeêl, zelfstandig naamwoord ’t, Touw dat men om de hoorns van een koe bevestigt.
hoos, hoôs, oos, zelfstandig naamwoord de, 1. Zie hoôsvat, oôsvat. 2. Hevige regenbui, grote hoeveelheid (regen)water.
hoosnap, hoôsnap, oôsnap, zelfstandig naamwoord de, Nap voor het uithozen van een schuit.
hoosvat, hoôsvat, oôsvat, zelfstandig naamwoord ’t, Schepper om te hozen.
hop, hop, in de zegswijze ’t is hop ofd(e)rop, het is hollen of stilstaan. Mogelijk luidde de zegswijze oorspronkelijk ’t is sop. (= plasregen) of drop (= drup). Vgl. Boek. hop (II).
hopsa, hupsa, uitroep in de zin van: vooruit, daar gaat ie.
horen, hore, werkwoord, in de zegswijze hore zègge liegt graag, als men iets weet van horen zeggen, is dat vaak bezijden de waarheid. – Deer hoor ik je!, daar zeg je zo wat!
Horinees, Horinees, zelfstandig naamwoord mannelijk, Schertsend of spottend voor inwoner van Hoorn.
hork, hurk, zelfstandig naamwoord de, Ellendeling, gemeen sujet. Het woord is waarschijnlijk ontleend aan Bargoens hourik = schurk. Vgl. Fries hurk.
horlepiep, horlepiep, zelfstandig naamwoord de, Oude boerendans.
horloge, orlôzie, zelfstandig naamwoord ’t, Dialectische variant van horloge.
horn, horn, zelfstandig naamwoord de, 1. Hoek, in het water vooruitspringend stuk land. Eigenlijk land dat zich als een hoorn in het water priemt. Het element horn vinden we in plaatsnamen als Barsingerhorn, Dirkshorn, Kolhorn enz. Vgl. ook de naam Hoorn, de stad die ontstaan is op een vooruitspringende hoek in de Zuiderzee. 2. Laag land in een uithoek van een polder. 3. Weg die een hoek vormt met de hoofdweg. Vgl. de straatnaam De Horn in Lutjebroek.
horrelbeen, horrelbien, zelfstandig naamwoord ’t, Variant voor horrelvoet.
horribel, jerúbel, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Vreselijk, ontzettend. Uit Frans horrible,. Vgl. Fries oeribel. | Wat gane ze d’r toch jerúbel te keer.
hort, hort, zelfstandig naamwoord de, 1. Ruk, stoot, duw. 2. Werktuig om de over het land uitgespreide baggeraarde fijn te maken. 3. Ruwe zeef om bollen, aardappelen e.d. van modder te reinigen. Zegswijze je kont op ’n hort, den kè je raaie dat ’t snort, loop naar de pomp, dat zou je wel willen. – ’n Stoive hort, een stijve hark. – Zô stoif as ’n hort, erg stijf of stram. Verkleinvorm hortje, in de zegswijze nag ’n hortje, nog een poosje. | We zelle nag ’n hortje werke. – Op ’t hortje weze, driftig of kwaad zijn.
hortbok, horrebok, zelfstandig naamwoord de, Bok of onderstel voor een hort.
horten, horte, werkwoord, 1. Rukken, stoten, duwen. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder horten. 2. Met de hort werken. 3. De hort op zijn, op straat zwalken.
hosklos, hosklos, zelfstandig naamwoord de, 1. Iemand die lomp, klotsend loopt. 2. Lomp, log persoon.
hosklossen, hosklosse, werkwoord, Lomp, met veel geklots lopen. Het woord is een koppeling van hotsen en klotsen.
hot, hot, ot, bijvoeglijk naamwoord, Geschift (van melk). Zegswijze de melk loupt an (h)ot, de melk begint te schiften.
hotemetoot, hôtemetoôt, ôtemetoôt, hôtepetoôt, ôtepetoôt, zelfstandig naamwoord de, 1. Baas, degene die alles regelt of bedisselt. 2. Bemoeial. 3. Verouderd voor meesterknecht, werk- of goederenverzorger. Misschien schuilt in het woord Latijn factotum = manusje van alles. Vgl. Boek. onder hotemetoot.
hotjesmelk, hotjesmelk, zelfstandig naamwoord de, Geschifte melk.
hotlijn, hitloin, zelfstandig naamwoord de, Lijn om het paard te hitten, te sturen. Om de richting aan te geven zei de voerman: hit op (hot op) = naar rechts of haar op (her op) = naar links. Zie het N.E.W. onder hot-2 en vgl. de Nederlandse zegswijze van hot naar haar.
hotten, hotte, werkwoord, Schiften. Zegswijze ’t hot niet. 1. Ze verdragen elkaar niet, gezegd van mensen en spijzen. 2. Het wil niet lukken. Zie voor de herkomst van hotten het N.E.W.
houdelijk, houwelek, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Onderhoudend, gezellig. | Ze ken zô houwelek prate.
houden, houwe, werkwoord, Houden. De vervoeging luidt: houwe – hiel(d)/hieuw (verouderd) – houwen. Zegswijze erges (thuis)houwe, ergens zitten, verblijven. | Weer zou die donderse joôn noú weer houwe? – Z’n oigen gnappies houwe, zich netjes gedragen, een redelijk figuur slaan. – Je zitte te houwen, je houdt je hart vast. – ’t Zel er om houwe, het zal er om gaan, het zal niet veel schelen. – Wat je niet houwe kenne, moet je geve, je moet niet teveel willen doen of verlangen, wat je niet kunt volhouden, moet je van je afzetten. – ’t Houdt an jou. 1. Het ligt aan jou, het hangt van jou af. 2. Het is jouw schuld. – Houdt ’t niet an de skop, den houdt ’t an de helt, gezegd tegen iemand die naar een goedkoop excuus zoekt.
houder, houwers, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze van houwers komme spouwers, te spaarzame ouders kweken dikwijls spilzieke kinderen. Houwers = zij die het geld of bezit bijeen willen houden, spouwers = zij die het uitspuwen of zij die het versnipperen.
Houdijkertje, Houdoikertje, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderd voor krantje uitgegeven door de fa. Houdijk. | Vader las ’t Houdoikertje (W.F.O.N. 7,171).
houding, houding, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze pittig van houding weze, lief, aardig in zijn of haar doen en laten zijn, lief of aardig van karakter zijn.
hout, huut, zelfstandig naamwoord de, Oud, stram paard. Zegswijze ’n stoive huut, een stijf iemand. – Zo stoif as ’n huut, erg stijf of stram.
houtbak, houbak, zelfstandig naamwoord de, Houtbak.
houten, houte, werkwoord, Houthakken of zagen. | We hewwe puur boume rooid, dat we magge welders houte gaan.
houterig, huterig, bijvoeglijk naamwoord, Erg stram, stijf, houterig. Vgl. huut.
houtje, houtje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze van ’t houtje weze, rooms-katholiek zijn. Houtje duidt hier op het houten crucifix dat bij vele katholieken aan de wand hangt. – ’t Is van ’t houtje op ’t latje, het is lood om oud ijzer. – ’n Lèggend houtje breekt niet gauw, gebrekkige of ziekelijke mensen die zich goed in acht nemen, kunnen oud worden.
houtkar, houtkor, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse houtkar, wagen met een lange, vierkante balk waarin gaten waren geboord om de achterwielen naar believen te verstellen.
houw, hieuw, zelfstandig naamwoord de, Ruwe houw, hak of snee (verouderd).
houweel, houwiel, zelfstandig naamwoord de, Variant van houweel.
houwen, hieuwe, werkwoord, (Ruw) houwen, hakken of snijden (verouderd).
hozen, hôze, ôze, werkwoord, 1. Uit- of leeghozen. 2. Natgooien. | Ik moet de wortele nag (h)ôze. 3. Hard regenen. | ’t Het hier guster (h)oôsd; variant ôze. Vgl. Fries eaz(j)e.
hozer, hôzer, ôzer, zelfstandig naamwoord de, Voorwerp om iets leeg te hozen of om er planten mee nat te gooien, hoosnap of -schop.
hu, hu, aansporing tot een paard. Een oud kinderversje luidt: Hu, hu, peerdje, mit je vossesteertje, mit je ruige poôtje, spring es over (’t) sloôtje, van ’t sloôtje in ’t riet, nei, dat doet oôs peerdje niet. We koupe’n nuwe wagen, we raaie d’r mee nei Skagen, van Skagen heêl nei Medemblik, den is de hêle wagen stik.
hufter, hufter, zelfstandig naamwoord, 1. Pummel, ellendeling. 2. Huivering, rilling. Verkleinvorm huftertje. Ook: klein, min persoontje of dier.
hufteren, huftere, werkwoord, 1. Huiveren, rillen van de kou. | Doen de verwarming es an, ik zit gewoônweg te hufteren. 2. Zich als een pummel, een ellendeling gedragen.
hufterig, hufterig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Huiverig, rillerig, koud. | Ik vind ’t hier maar hufterig. 2. Zich als een hufter, een pummel gedragen. | Doen toch niet zô hufterig. Vgl. Fries huftich.
huid, huid, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze niet in ’n goeie huid steke, zwak of ziekelijk zijn.
huik, huik, zelfstandig naamwoord de, Bedrieger (verouderd).
huikerig, hukkerig, bijvoeglijk naamwoord, Stijf, stram, houterig.
huilen, huile, werkwoord, in de zegswijze snot en kwoil huile, erbarmelijk huilen. – ’t Is huilen met de lamp an, het is meer dan erg. – ’t Is of je d’r om huild hewwe, gezegd tegen iemand die slecht passende kleding draagt.
huis, huis, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ientje over huis hewwe, iemand in huis hebben (en verzorgen). | Hai het al jare z’n ouwe moeder over huis. – Erges over huis komme, ergens in huis, op bezoek komen. | Hai komt deer oftig over huis. – Over huis staan, in huis staan opgebaard. | ’t Loik het drie dage over huis staan. – ’n Huis mit ’n gouwen (zulveren) dak, een huis belast met een zware hypotheek. Verkleinvorm huisie. Meervoud huize, in de zegswijze ’n zoôt huize zitte beter in hulle hiepteek as in hullie vurf, veel huiseigenaren hebben zo’n zware hypotheeklast, dat het onderhoud van de woning er vaak bij inschiet.
huisheemrond, huishiemrond, huisriemrond, bijwoord, Wijd en zijd (verouderd). Letterlijk rondom huis en heem. Vgl. Fries hûskeriem.
huishouden, huishouwen, zelfstandig naamwoord de/’t, De huishouding (verouderd). | Wie doet deer de huishouwen?
huishoudersgeld, huishouwersgeld, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van huishoudgeld.
huisje, huisie, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Huisje. 2. Ouderwetse plee, doorgaans buitenshuis en vaak aan de waterkant. Het woord komt o.a. voor in het spotrijmpje: Kè je goed vange? … Den bè je goed om onder ’t huisie te hangen! Zegswijze je moete ’t huisie bai ’t skuurtje houwe, je moet zodanig te werk gaan, dat je het (financieel) kunt volhouden. – ’n Huisie van loup-an, een gezellig huis waar men graag even aanloopt. – Bai ’n hoilig huisie angaan, zie hoilig. – ’t Is deer van ’t grôte huisie, ze doen daar graag deftig of royaal. – Op ’t grôte huisie kakke, deftig of royaal doen.
huisraad, huisreid, zelfstandig naamwoord de/’t, Het huisraad.
huisuitdoen, huisuitdoen, zelfstandig naamwoord onzijdig, Kleine schoonmaak (verouderd).
huisuitdoenerstijd, huisuitdoenderstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd van de kleine voor- of najaarsschoonmaak (verouderd).
huizen, huize, werkwoord, in de zegswijze ’t huist niet gezellig, het leeft niet gezellig, is in huis niet gezellig. | ’t Huist niet gezellig as moeder in ’t ziekehuis loit.
huizig, huizig, bijvoeglijk naamwoord, Aan huis gehecht, graag thuis zittend.
huks, huks, zelfstandig naamwoord de, Kleine bijl met aan weerskanten gelijkmatig aangescherpte snede.
huksen, hukse, werkwoord, Ploeteren, tobben (verouderd).
hul, hul, zelfstandig naamwoord de, 1. Hul, ondermuts, linnen vrouwenmuts. 2. Sul. 3. Mietje. 4. Bemoeial, oud wijf. | Wat bè je toch ’n hul. Zegswijze ’n kop gort mit ’n hul op, gezegd van een sul, een mietje.
hulft, hulft, zelfstandig naamwoord de, Klomp (verouderd). Zegswijze op ’n hulft en ’n slofskoen, armoedig gekleed, van alles berooid. Meervoud hulfte, in de zegswijze z’n hulfte weer thuisbrenge, weer opstappen en naar huis gaan.
hullenbrief, hullebrief, zelfstandig naamwoord de, 1. Stuk gekleurd papier waarop de hullen werden vastgespeld. 2. Papieren zak of zeiltje waarin benodigdheden voor het herstellen van de hul werden bewaard.
hullenplooier, hulleplooier, zelfstandig naamwoord de, Iemand die hullen wast en plooit.
hullenplooiersmes, hulleplooiersmessie, zelfstandig naamwoord ’t, Mesje gebruikt bij het plooien van hullen.
hullie, heulie, hullie, hulle, hunnie, persoonlijk, bezittelijk en wederkerend voornaamwoord, 1. Persoonlijk voornaamwoord: hun, hen, zij. | Ik hew ’t heulie vroegen. | Ik hew heulie niet zien. | Heulie wazze niet thuis. | Hullie gane d’r ók heen. 2. Bezittelijk voornaamwoord: hun. | Hoe zou ’t mit heulie moeder weze? | Kè jij hullie vader? 3. Wederkerend voornaamwoord zich. | Ze verkleidde heulie. De vorm hullie is ontstaan uit hunlie(den).
hullies, hullies, heulies, hunnies, bezittelijk voornaamwoord, Hun, het hunne, de hunne(n). | Kè jij hullies vader? Dat is hullies. Dat benne hullies. | Kè jij heulies vader? Dat benne heulies.
hulp, help, zelfstandig naamwoord de, Hulp, schoonmaakster, werkster.
humeur, memeur, zelfstandig naamwoord ’t, Aard, karakter. Verouderde verbastering van humeur. | Ze rooie van memeur niks op mekaar.
hummelen, hummele, werkwoord, 1. Lummelen, onhandig bezig zijn. 2. Neuriën.
hummen, hemme, humme, werkwoord, 1. De keel schrapen. 2. ‘Hem’ of ‘ahum’ zeggen, kuchen om de aandacht te trekken. Vgl. Fries himme. 3. Neuriën.
hummes, hemmes, hummes, bezittelijk voornaamwoord, Van hem, de of het zijne, de zijnen. | Dut is jouwes en dat is hemmes, dat benne hemmes.
Hummes, Hummes, in de combinatie Van der Hummes, persoon van wie men de naam niet kan of wil noemen. | Deer komt Van der Hummes ok weer an.
hun, hun, hunnie, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord, Hun, hen, ook: zij. | Ik hew ’t hun vroegen. Hei je hun nag zien? Is dat hun huis? Hun doene ’t zelf ok. Opmerking: hun en de variant hunnie, hull(i)e, worden ook wel als wederkerend voornaamwoord gebezigd. | Ze vergiste hun. Ze verkleidde hullie enz. Ze hewwe hun vergist.
hupsa, hupsa, zelfstandig naamwoord de, Vlinderachtig, dartel, lichtzinnig meisje.
hupsakee, hupsakee, zie hupsa. Verkleinvorm hupsakeetje.
hupsakee, hupsakee, zie hupsa Mogelijk is het woord ontstaan uit de combinatie hupse Kee. Verkleinvorm hupsakeetje.
hurken, hukke, zelfstandig naamwoord meervoud, Variant van hurken. | Gaan maar op hukke zitte.
hurketurk, hurketurk, zelfstandig naamwoord de, Rare sinjeur.
hurry-up, harriejoep, zelfstandig naamwoord de, Landbouwwerktuig. Uit Engels hurry up.
hurry-up, harriejoep, uitroep in de zin van: Vooruit, schiet op. Uit Engels hurry up. | Harriejoep, raaie maar!
hus, hus, zelfstandig naamwoord de, 1. Schok, zet. 2. Hoeveelheid, boel, rommel. Het woord is een afleiding van husse = hutsen, bijvorm van hotsen. Zegswijze bai de hus verkoupe, de hele boel, alles in één keer verkopen.
husselblok, husselblok, zelfstandig naamwoord ’t, Schertsende nieuwvorming voor: magische kubus.
husselen, hussele, werkwoord, Hutselen, schudden. | Kaarte hussele.
hut, hutte, zelfstandig naamwoord meervoud, Klompen.
huttenozie, huttehos, zelfstandig naamwoord de, Zie klompehossie.
hypochonderig, hiepekonderig, iepekonderig, hiepekonterig, iepekonterig, bijvoeglijk naamwoord, Zwaarmoedig, verdrietig, klagerig, humeurig. Uit Frans hypocondre.
hypotheek, hippeteek, ippeteek, iepteek, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van hypotheek.
iebel, iebel, bijvoeglijk naamwoord, Kregel, geïrriteerd. Het woord is verwant met Nederlands euvel, Duits Übel, Engels evil. Van Dale vermeldt de vorm ibbel met de aantekening ‘niet algemeen’.
iebelig, iebelig, iewelig, bijvoeglijk naamwoord, 1. (Nogal) kregel, geprikkeld. 2. Zeer gevoelig voor kittelen, niet tegen kittelen kunnend. Vgl. variant iewelig.
iedereen, iederien, onbepaald voornaamwoord, Iedereen.
iegelijk, iegelek, bijwoord, in de zegswijze van iegelek tot ooit, de hele tijd, voortdurend (verouderd). Zie voor de vorm iegelek het N.E.W. onder iegelijk.
ieken, ieke, werkwoord, Zie orte.
ieksel, ieksel, zelfstandig naamwoord ’t, Zie ort.
iel, iel, bijvoeglijk naamwoord, 1. Tenger, mager. | Wat ’n iel moidje. 2. Dun gezaaid, dun opkomend. | De biete stane iel.
iep, oip, zelfstandig naamwoord de, Verouderde vorm van iep.
ieperig, ieperig, bijvoeglijk naamwoord, Kleinzerig, ingebeelde pijn hebbend.
iepje, iepies, iepkes, zelfstandig naamwoord meervoud, Kuren, ingebeelde pijnen of kwalen. Het woord is een verkleinvorm meervoud van iep, een drastische verkorting van hypochonder. Vgl. Boek. onder iep en iepje.
Iers, Iersk, bijvoeglijk naamwoord, Verouderde vorm van Iers, o.a. in de combinatie Iersk mos.
iesterig, iesterig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Glibberig, smerig (verouderd). 2. Triestig, regenachtig (verouderd). | ’t Is al ’n paar dage van dat iesterige weer.
ietsepietsje, ietsepietsie, zelfstandig naamwoord ’t, Een heel klein beetje. | Doen d’r maar ’n ietsepietsie melk in. Vgl. Nederlands ietsje en zie ook pietsie.
ietwat, ietwes, onbepaald voornaamwoord, Verouderd voor ietwat. Vgl. Duits etwas.
ijs, ois, zelfstandig naamwoord ’t, IJs, in de zegswijze ois kost mensevlois, het ijs of ijsvermaak eist steeds weer slachtoffers (door verdrinking). – Ois en vis moet je gebruike as ’t er is, aansporing om het ijsvermaak niet uit te stellen. Het ijs kan immers ten gevolge van een plotseling invallende dooi weer snel verdwijnen, zoals vis snel kan bederven.
ijsbaarlijk, oisbaarlek, bijwoord, IJselijk, verschrikkelijk (verouderd) Vgl. Fries ysbaerlik. | ’t Is oisbaarlek koud. Mogelijk is het woord een contaminatie van ijselijk en schrikbarend of baarlijk (vgl. de baarlijke duivel).
ijsberenlucht, oisberelucht, zelfstandig naamwoord de, Koude lucht, lucht met veel sneeuw- of hagelbuien.
ijsdreumel, oisdreumel, zelfstandig naamwoord de, Koek met gleuven zoals ze voorheen in kraampjes op het ijs verkrijgbaar was. Vgl. dreumel.
ijselijk, ieselek, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Verouderde variant van ijselijk.
ijshaak, oishaak, zelfstandig naamwoord de, Haak om het ijs voor de schuit weg te pikken of te duwen.
ijsje, oisies, zelfstandig naamwoord meervoud, IJsjes. Op de wijze van ‘twee ogen zo blauw’ werd wel de volgende schertstekst gezongen: Voif oisies van voif (2x), vier voor m’n oigen en ien voor m’n woif, voif oisies van voif.
ijskrul, oiskrol, zelfstandig naamwoord de, IJsmuts. Vgl. krol.
ijzen, oize, werkwoord, IJzen, gruwen. Het werkwoord heeft vaak een sterke vervoeging, dus: ik ees ervan, ik hew er van ezen. Tevens wordt het in combinatie met ‘dood’ wederkerend gebruikt, dus: ik ees m’n doôd, hai had z’n oigen doôd ezen.
ijzer, oizers, zelfstandig naamwoord meervoud, Hoefijzers, in de zegswijze niet op z’n vier oizers weze, zich niet erg fit voelen. Eigenlijk gezegd van een paard dat ongemak ondervindt als het één of meer hoefijzers mist.
ijzer, oizer, bijvoeglijk naamwoord, Soms onverbogen vorm van ijzeren. | ’n Oizer boôtje.
ijzeren, oizere, werkwoord, in de combinatie hooi oizere, met een hooi-ijzer of -steker het hooi op broei onderzoeken.
ijzeren, oizerens, meervoud, IJzeren voorwerpen. | Gouwen ooroizers benne gien oizerens maar gouwens. In het Westfries kunnen zelfstandig gebruikte stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden een meervoudsuitgang krijgen, bv. ’t benne oizerens, gouwens, ketoenens, wollens enz.
ik, ik, ikke, persoonlijk voornaamwoord, in de zegswijze ik, stront voorop, verwijt aan het adres van iemand die ‘ik’ voorop plaatst in een zin als: ik en Piet komme ok. Verzwaarde vorm ikke | Weet jij ’t? … Ikke niet.
immens, immes, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Best, uitnemend, fijn. | ’t Smaakt immes. Het woord is waarschijnlijk een verbastering van ‘immens’ in een combinatie als immens lekker.
immens kwaad, ménskwaad, bijvoeglijk naamwoord, Ontzettend kwaad. | Hai wier ménskwaad! het element ‘mens’ is hier waarschijnlijk een verbastering van ‘immens’.
immers, ommers, bijwoord, Variant van immers.
in connectie, innéks, in de zegswijze mit ientje inneks weze, met iemand bevriend zijn, intiem met iemand omgaan. Het woord is waarschijnlijk ontstaan uit ‘in connectie’.
in mijn zin, immóizen, koppeling van ‘in moin zin’ = volgens mij, naar mijn mening (verouderd). | Hai is immóizen niet te vertrouwen.
inasemen, inaseme, werkwoord, Inademen.
inbeerzen, inbeerze, werkwoord, Met vuile voeten (gedurig) in- en uitlopen. Vgl. beerze.
inboeten, inboete, werkwoord, Ook: bijpoten of –planten.
inbossen, inbosse, inbozze, werkwoord, Zie inbeerze.
inbrengen, inbrenge, werkwoord, in de zegswijze niks in te brengen hewwe as lege briefies, totaal niets in te brengen, niets te zeggen hebben.
indoffen, indoffe, werkwoord, Vochtig maken, vooral van strijkgoed.
ineens, iniens, iniensen, bijwoord, Ineens, opeens. Dialectische variant iniensen. | ’t Werd m’n ieniensen duidelek.
inenen, inienen, bijwoord, Ineens, opeens. | Hai sting inienen voor m’n neus. In de combinatie in ienen, in één keer, rechtstreeks. | ’n Vraaie trap mag in ienen op doel.
ineten, inete, werkwoord, Interen.
influenza, flens, zelfstandig naamwoord de, Variant van influenza. | Hai het ’n sneers van de flens had.
ingaan, ingaan, werkwoord, in de zegswijze ’t gaat erin as Gods woord in ’n ouderling, het gaat erin als koek, het wordt gretig geaccepteerd.
ingasten, ingaste, werkwoord, Gasten noden. Zie voor een zegswijze onder uitgaste.
inglooien, inglouwe, werkwoord, Ingluren.
inhakken, inhakke, werkwoord, in de zegswijze dat hakt er in, 1. Dat kost veel geld. 2. Dat levert veel op.
inhalen, inhale, werkwoord, in de zegswijze ientje d’r inhale, iemand met open armen ontvangen.
inhokkelen, inhokkele, werkwoord, Inwikkelen, warm instoppen of kleden.
inkalven, inkalve, werkwoord, Afkalven, instorten van een walkant of van een ‘wal’ opgestapelde kool.
inklappen, inklappe, werkwoord, Ook: doorzakken in de rug. | Die knol is inklapt.
inkleineren, inklienére, werkwoord, (In)krimpen, kleiner worden.
inknuppelen, inkneppele, inknuppele, werkwoord, in de zegswijze dat kneppelt er in, 1. Dat kost veel geld. 2. Dat levert veel op.
inkomen, inkomme, werkwoord, in de zegswijze ik ken d’r best inkomme, ik kan me dat best voorstellen, ik heb daar alle begrip voor.
inkorten, inkorte, werkwoord, Ook: slinken. | Dat zoôtje piepers kort al puur in. Zegswijze z’n padje inkorte, naar huis gaan (na het laatste werk gedaan, gemaakt te hebben).
inkret, inkret, inkrat, inkruit, zelfstandig naamwoord ’t, Afval van een geslacht varken, zoals de kop met oren en kinnebak, de poten, de nieren, de lever enz., hetgeen bij elkaar in een kuip onder de pekel bewaard werd. Vgl. Boek. onder inkret.
inkt, ink, zelfstandig naamwoord de, Inkt. Ook in samenstellingen als inkpot, inkvlek, enz.
inkwartieren, inkertiere, werkwoord, Inkwartieren.
inluizen, inluize, werkwoord, in de zegswijze ientje d’r inluize, iemand verraden, in de val laten lopen.
inlummelen, inlummele, werkwoord, in de zegswijze ientje d’r inlummele, iemand (op een stomme manier) verraden.
inpenterig, inpenterig, bijvoeglijk naamwoord, Zie inpentig.
inpentig, inpentig, impentig, bijvoeglijk naamwoord, Hol liggend (van land) (verouderd). Mogelijk is het woord een vervorming van Fries ynpannich = in een pan of dal gelegen, waarbij de gedachte aan pent(er)ig = papperig, slap, moerassig, een rol kan hebben gespeeld.
inpikken, inpikke, werkwoord, Ook: inpalmen, aanpakken. Zegswijze pik in, ’t is winter, pak aan, het is best te gebruiken.
inschieten, inskiete, werkwoord, Ook: verstellen (van kleding).
insjouwen, insjouwe, werkwoord, Zie inbeerze. | Julle moete niet zô insjouwe, ’oor!
inslobben, inslobbe, werkwoord, Zie inbeerze.
inspannen, inspanne, werkwoord, in de zegswijze ientje inspanne, iemand van het nodige voorzien, zodat hij vooruit kan. – Weer inspanne, weer naar huis gaan, opstappen. – Erges mee inspand weze, ergens mee opgescheept zitten.
instinken, instinke, werkwoord, in de zegswijze d’r instinke, in de val lopen.
instoppelen, instoepele, werkwoord, Zie instoepe.
instoppen, instoepe, werkwoord, 1. Opstoken, heimelijk tot kwaad aanzetten. 2. Vóórzeggen, influisteren. Het woord is een variant van instoppen. Vgl. Boek.
intappen, intappe, werkwoord, Ook: inschenken. | Wul jij effies koffie intappe? Vgl. Fries yntaepje.
interessant, intersant, bijvoeglijk naamwoord, 1. Interessant. 2. Vreemd, zonderling. | Ik vind ’t maar ’n intersante bedoening. 3. Astrant, opdringerig. Zegswijze ’n intersante skrok, een grote schrok.
interval, interval, zelfstandig naamwoord de/’t, Ook: instorting, noodlottige wending.
intrappertje, intrappertje, zelfstandig naamwoord ’t, Een gemakkelijke stoot bij het biljarten.
invallen, invalle, werkwoord, in de zegswijze ik val niet erg in ’m, ik moet hem niet erg. – Ik val d’r niet erg in, ik houd er niet erg van.
invangen, invange, werkwoord, Geld ontvangen. | Hoeveul hewwe jullie invongen?
invlooien, invlooie, werkwoord, Er op inhakken, maar raak snijden (verouderd).
invochten, invochte, werkwoord, Lichtjes bevochtigen, met name van strijkgoed.
invreten, infrete, werkwoord, Door vreten of grazen verminderen. | ’t Gras freet al puur in.
inwaarts aan, inverdan, bijwoord, 1. Niet aan de weg gelegen, landinwaarts, afgelegen. | Hai weunt puur inverdan. 2. In de verte. | Heêl inverdan zag ik de bus ankomme. Het woord is ontstaan uit inwaard aan = inwaarts aan.
inzitten, inzitte, werkwoord, Ook: thuiszitten wegens een kwaal of ziekte. Zegswijze erges over inzitte, zich ergens zorgen over maken. | Deer hei je echt niet over in te zitten.
inzwemmen, inswumme, werkwoord, Zie inbeerze. | Julle moete niet zô inswumme, ’oor. Vgl. de boel volswumme.
ja, ja, in de zegswijze in toid van ja en nei, in een mum van tijd. – Te ja of te nei, ja of nee. | Sleipt Gert nou bai heur te ja of te nei. (Dorpspraat, 48).
ja-ik, janik, verouderd voor ja ik, ja.
jaadtijd, jaadtoid, zelfstandig naamwoord de, Voedertijd (verouderd). Zie ook jade.
jaagop, jaag-op, zelfstandig naamwoord de, Weide waarop men het (jong) vee tijdelijk laat grazen.
jaaguiten, jaag-uite, werkwoord, In een rij achter elkaar aanhollen, ravotten (verouderd).
jaap, jaap, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Flinke snee of wond. | Hai het puur zô’n jaap in z’n duim. 2. Klein kussentje (verouderd).
Jaap, Jaap, mannennaam, in de zegswijze oume Jaap ’n hand geve, (buitenshuis) een plasje doen, urineren.
jaar, jaar, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze jaar en dag, altijd. | ’t Is jaar en dag zô weest. Meervoud jare, in de zegswijze toe z’n jare weze, volwassen zijn (verouderd).
jaars, jaars, bijvoeglijk naamwoord, ’s Jaars. | Hai verdient jaars ’n zoôt geld.
jaars erna, jaarsterán, bijwoord, Jaars daarna. Zo ook koppelingen als jaarsternei, jaarsterop, jaarstevoor, jaarstevoren en soortgelijke koppelingen met daags- en weeks-.
jacht, jacht, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze op jacht weze, flirten, op straat zwalken. – Da’s jacht voor Fikkie, dat is juist iets voor hem of haar. – Op jacht gaan mit de foine kam, op de ‘luizenjacht’ gaan. In het boek ‘Kloin Pittichie’ van A.C. ter Horst-Hoekstra komt op blz. 122 het volgende berijmde raadsel voor met betrekking tot de ‘luizenkam’: Een jager ging ter jacht met tien gezwinde honden en niemand had gehoord, dat deze blaffe konden; ze hadden elk een platte hoorn voor de kop, en die de jager vond, die heeft hij doodgeslagen en die hij niet en vond, die heeft hij meegedragen.
jachten, jachte, werkwoord, 1. Jakkeren. 2. Ravotten. 3. Flirten, op straat zwalken.
jachteren, jachtere, juchtere, werkwoord, Zie jachte.
jachtgeweer, jachtgeweer, zelfstandig naamwoord ’t, Schertsend voor luizenkam.
jachtig, jachtig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Haastig, gejaagd. 2. Hitsig, paarlustig.
jachtuiten, jachtuite, jachuite, werkwoord, Zie jaag-uite.
jachtwagen, jachtwagen, zelfstandig naamwoord de, Vierwielige (kap)wagen waarmee men uitging.
jachtwater, jachtwater, zelfstandig naamwoord ’t, Vloeistof tegen hoofdluis.
jaden, jade, werkwoord, Het voeren en verzorgen van het vee (verouderd). Waarschijnlijk gaat de vorm terug op het verouderde werkwoord gaden = belangstellen in (vgl. gading), zich bekommeren om. Vgl. Boek. onder jaden.
jagen, jage, werkwoord, Jagen. De vervoeging luidt: jage – joeg/jaagde – joegen/jaagd. Zegswijze koeie jage, de koeien na de staltijd weer naar het land brengen. – Spinrag jage, spinrag verwijderen uit alle hoeken en gaten.
jager, jager, zelfstandig naamwoord de, Ook: jagende snoek, snoek die een groot gebied afjaagt. Dit type is doorgaans wat langer en dunner en wat donkerder gekleurd dan een zogenaamde lègger (letterlijk ligger). Vgl. lègger.
jagerkachel, jagerkacheltje, zelfstandig naamwoord ’t, Ouderwets kacheltje.
jak, jak, zelfstandig naamwoord ’t, Eenvoudig bovenkledingstuk van vrouwen (verouderd). Zegswijze in ’t jak weze, in touw zijn. – ’t Jak an hewwe. 1. Bekaf zijn. 2. Dronken zijn. – ’t Jak an kroige, verliezen, verslagen worden.
Jan, Jan, mannennaam, in de zegswijze Jan, Piet en Klaas, jan en alleman, iedereen. | Hai het bei Jan, Piet en Klaas werkt. – Mit Jan Bil z’n wagen, met de benenwagen, te voet. – Wat ’n Jan Klaassen!, wat een kouwe drukte, wat een omhaal. – Puur Jan Klaassen kroige, heel wat last, problemen krijgen. – Jan Rap en Jan Rinkel, Jan Rap en zijn maat. – Jan Rap en Piet Bel, Jan Rap en zijn maat. Mogelijk duidt ‘Rap’ op een oud woord dat ‘schurft’ betekende, terwijl ook gedacht kan worden aan een verkorting van Frans rapaille = gespuis. De naam ‘Bel’ sluit aan bij het Westfriese bel in de zin van ‘minderwaardig sujet’. – Jan Boezeroen, Jan met de pet, de mindere man. – ’n Jan Lul, een sufferd of domkop. – ’n Jan Aâr(l)evestap, iemand die zeer grote stappen neemt of iemand die onzeker loopt. – ’n Riddenéring van Jan Kallebas, een onzinnige redenering. – ’n Wois van Jan Blôtegat, een saaie melodie. – Zô komt Jan Splinter deur de winter, zo kom ik aan de kost, doorgaans schertsend opgemerkt als men een klein voordeeltje heeft. De naam Jan Splinter is waarschijnlijk ontleend aan een oude klucht ‘Het Testament van Jan Splinter’ (± 1600). – ’n Roike Jan Dirksen, een rijkaard, met name een rijke boer. De zegswijze kan betrekking hebben op een eertijds bekende boer met de naam Jan Dirksen of op een figuur uit een klucht. – Jan Slof het ’n grôte femilie, er zijn vele trage, nalatige lieden, met name als het aankomt op (terug)betalen of op het teruggeven van geleende spullen. Het woord ‘slof’ duidt hier op traag, gemakzuchtig. Vgl. de Nederlandse zegswijze uit zijn slof schieten = letterlijk uit zijn traagheid ontwaken. – ’n Jan Doedel, een sul. Vgl. doedel. Vgl. Engels doodle = sul. – D’r voor Jan Doedel bai zitte, er voor spek en bonen bijzitten. – Boven Jan weze, de (financiële) problemen te boven zijn, het goed voor elkaar hebben. Verkleinvorm Jantje, in de zegswijze voor Jantje Stom speule, zich van de domme houden, zwijgen. – Jantje Kontantje is winst voor Antje, maar Jantje Krediet speult de bal in ’t riet, oud rijmpje waarin kontante betaling geprezen en het kopen op krediet veroordeeld wordt.
jandorie, jandorie, uitroep van ergernis, verbazing e.d.
jandosie, jandoôsie, zie jandorie.
japie, jaapie, zelfstandig naamwoord ’t, Penisje, piemeltje.
jaren, jare, werkwoord, Naam van een oud jongensspel. Eén jongen moest met samengevouwen handen een tweede jongen tikken. Deze twee gaven elkaar de hand en moesten trachten andere jongens te tikken die zich dan bij hen moesten aansluiten. De overblijvenden moesten proberen de schare te verbreken, waarna het spel opnieuw begon. Vgl. Boek. onder jaren.
jarretelle, seretélze, zelfstandig naamwoord meervoud, Variant van jarretelles.
jas, jas, zelfstandig naamwoord de, Ook: Vrouwenmantel.. Verkleinvorm jassie, in de zegswijze ’t jassie hewwe, een doormars hebben bij het klaverjasspel. – Puur zô’n jassie uittrokken hewwe, erg afgeslankt, vermagerd of verzwakt zijn na een ziekte, bevalling of (dieet)kuur. – In ’t gladde jassie, naakt, in adamscostuum. | Ze swumme op heden gewoôn in ’t gladde jassie.
jasper, jasper, zelfstandig naamwoord de, Iets dat groot in z’n soort is. | Hai het ’n jasper van ’n snoek vongen.
jassen, jasse, werkwoord, Variant van kruisjassen (kaartspel).
jassenbezoek, jassebezoek, zelfstandig naamwoord ’t, Bezoek van vreemden (die een jas of een mantel droegen).
jeetje, jeetje, uitroep van verbazing, schrik e.d. Vgl. allerlei variant zoals jeetje kreetje (verbastering van Jezus Christus), jemig kremig, jemus kremus, jemig, jeempie enz.
jenever, jannever, zelfstandig naamwoord de, Variant van jenever.
jenke, jenke, zelfstandig naamwoord meervoud, Zie boekende.
jennen, jenne, werkwoord, 1. Opscheppen. 2. Uitdagen, provoceren.
jens, jens, zelfstandig naamwoord de, Onbesuisde, harde trap of klap. Vgl. het werkwoord jenze.
jent, jent, tjent, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Mooi, lief, bevallig (verouderd). Uit Frans gent.
jentig, jentig, bijvoeglijk naamwoord, Zie jent. Vgl. Fries jentich.
jenzen, jenze, werkwoord, Onbesuisd hard trappen of slaan.
jeremieerder, armenier, zelfstandig naamwoord de, Iemand die ‘armeniert’. Zie armeniere.
jeremiëren, ermenére, werkwoord, Jeremiëren, jammeren.
jet, jet, zelfstandig naamwoord de, Slecht, minderwaardig mens of dier (verouderd).
Jet, Jetje, meisjesnaam. Zegswijze reken maar van Jetje!, reken daar maar op, daar kun je zeker van zijn! Mogelijk is de zegswijze een variant van: reken maar van yes!
jeuk, jeuk, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze moin ’n jeuk!, mij een zorg!
jeukbonk, jeukbonk, zelfstandig naamwoord de, Bult (bv. als gevolg van een vliegesteek) die jeuk veroorzaakt.
jeukbonkel, jeukbonkel, zelfstandig naamwoord de, Zie jeukbonk.
jeukel, jeukel, zelfstandig naamwoord de, IJskegel (verouderd). Vgl. Boek. onder jeukel.
jij, jij, persoonlijk voornaamwoord, Jij. Opvallend is, dat dit in het Westfries het enige woord is, dat doorgaans met ij en niet met ai wordt uitgesproken. Zegswijze wat jij!, zinsafsluiting met de betekenis van: wat zeg jij daarvan, vind jij ook niet! – As ze zègge ‘omdat jij ’t benne’, koik den maar uit, denk niet te gauw, dat men je bij wijze van uitzondering werkelijk wil bevoordelen of anderszins een dienst bewijzen.
Job, Job, mannennaam, in de zegswijze de jarige Job, de jarige, het feestvarken.
joe, joe, variant van ja.
joecht, joegt, zelfstandig naamwoord de, Slappe koffie (verouderd).
joekel, joekel, zelfstandig naamwoord de/’t, Iets dat groot of grof in zijn soort is. Vgl. Bargoens joekel = hond.
joekeltje, joekeltje, zelfstandig naamwoord ’t, Meisje, grietje. | ’t Is ’n lekker joekeltje.
joker, joker, bijvoeglijk naamwoord, Behaaglijk warm. | ’t Is hier lekker joker. Vgl. Boek. die de betekenis ‘duur, hoog van prijs’ opgeeft en de mogelijkheid oppert, dat het woord joker of jauker is overgenomen uit het Joden-Duits. In het laat-Hebreeuws betekent joker ‘duur, kostbaar, zwaar’. Zie ook. Boek. onder jauker.
jokkebel, jokkebel, zelfstandig naamwoord de, Leugenaar. Vgl. liegebel. Het element –bel heeft hier kennelijk de betekenis van ‘minderwaardig sujet’.
jokkes, jokkes, in de zegswijze ’t is jokkes, het is gejokt, gelogen.
jolerig, joôlderig, bijvoeglijk naamwoord, Jolig, uitgelaten.
jong, jong, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, in de zegswijze ’t is nag jong, het is nog vroeg. – Jong komt nei je toe, gezegd door of met betrekking tot een man die een veel jongere vrouw of vriendin heeft. Ook in het algemeen: wie jong personeel aanneemt, kan er nog lang plezier van beleven, ook al moet dat personeel nog veel leren. – Jong zonder skuld, is oud zonder goed, als jonge mensen een zaak of bedrijf beginnen, moeten ze durven investeren en dus schulden maken. Wordt het ze te gemakkelijk gemaakt, dan leren ze te weinig de strijd om het bestaan en kunnen ze gemakkelijk hun bezit verliezen. – Jong leeft vooruit, oud achteruit, wie jong is kijkt naar de toekomst, wie oud is naar het verleden.
jongeklant, jongeklant, zelfstandig naamwoord de, 1. Jongeman. 2. Vrijgezel. Zegswijze ’n ouwe jongeklant, een oud(er)e vrijgezel.
jongeklantentijd, jongeklantetoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd waarin je (nog) jongeman of vrijgezel bent.
jongeluisdag, jongeluiersdag, zelfstandig naamwoord de, Speciale gast- of feestdag voor de jongelui, o.a. met de kermis (verouderd).
jongemeid, jongemoid, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n ouwe jongemoid, een oude vrijster.
jongen, jonge, in de uitroep: jonge ja!, jazeker, zo is het!
jongen, joôn, zelfstandig naamwoord de, 1. Jongen. | Wat moet die joôn deer? 2. Zoon. | Kè jij die joôn van Piet? 3. Vrijer, vriend. | Ze het ’n pittige joôn. Verkleinvorm joôje, joônje. Jongetje, zoontje. Meervoud joôs, joôns. 1. Jongens. 2. Zoons. 3. Zoons en dochters, kinderen. | Hai het ’n hok mit joô(n)s. Zegswijze nag in de kloine joô(n)s zitte, nog kleine kinderen hebben. – ’n Hok mit joô(n)s hewwe, zie hok. – Kò(m) joô(n)s!, roep om de koeien te lokken. – Joô(n)s goeie God!, uitroep van schrik, verbazing e.d. – Joô(n)s nag an toe!, zie de vorige zegswijze – Neem nooit gien kloine joô(n)s mee te vissen: ze frete je deig op en ze skoite op je dobber, kras geformuleerde uitspraak, die voor zichzelf spreekt. In algemene zin: neem als je uitgaat geen kleine kinderen mee, aangezien ze je alleen maar last bezorgen.
jongenseind, joôzer-end, joônzer-end, zelfstandig naamwoord ’t, Einde van de tafel waar de (kleine) kinderen zitten.
jongensgek, joôzergek, joônzergek, zelfstandig naamwoord de, Jongensgek.
jongenswerk, joôzerwerk, joônzerwerk, zelfstandig naamwoord ’t, (Kwa)jongenswerk, kinderwerk.
jongkerel, jongkirrel, zelfstandig naamwoord de, 1. Jongeman. 2. Vrijgezel.
jongknecht, jongknechie, zelfstandig naamwoord ’t, Knaap(je).
jonkie, jonkie, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Jong dier. 2. Glaasje jonge klare. Zegswijze nou vliegt er ’n jonkie toe m’n knie uit, nu breekt mijn klomp (verouderd). – Ik ben bloid, da’k van jou gien jonkie hew, ik ben blij dat ik geen familie van je ben, dat er geen tweede is zoals jij.
jood, joôd, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze zoek voor moin maar ’n ouwe joôd, ik bedank voor de eer. Verkleinvorm joôdje, in de zegswijze ’n tik van ’t joôdje hewwe, getikt zijn, gek zijn.
jou, jou, jouw, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord, 1. Persoonlijk voornaamwoord: jou. Ook gebruikt na een gelijkwaardige en vergrotende trap. | Hai is even oud as jou(w). Hai is ouwer as jou(w). 2. Bezittelijk voornaamwoord: jouw, het of de jouwe. | Da’s jou(w) boek. ’t Is jouw (W.F.O.N. 1,54).
jouw, jouwes, bezittelijk voornaamwoord, Het, de jouwe. | Dat is jouwes. Meervoud jouwes, jouwens | Dat benne jouwe(n)s.
judasweek, judasweek, zelfstandig naamwoord de, De Goede Week (verouderd).
juf, juffie, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t is ’n juffie van drie treetjes op ’n tafelbord, gezegd van een tenger, fijn, nuffig stappend meisje. Tafelbord = tafelblad. – ’t Is ’n juffie van tien stappies op ’n stikkebord, zie de vorige zegswijze
juffrouw, juffrouw, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Vroedvrouw. 2. Mevrouw, echtgenote, o.a. in samenstellingen als doktersjuffrouw, domeniesjuffrouw enz.
jui, jui, in de zegswijze an de jui weze, aan de haal zijn, aan de zwier zijn. Vgl. Fries oan de jui.
juistem, juustem, uitroep. Juist, net wat je zegt.
juistement, juustementem, zie juustem. Vgl. Frans justement.
jukken, jukke, werkwoord, Aan het juk dragen (verouderd).
jullie, jullie, julle, jolle, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord, Jullie. Zegswijze jullie is jôdevolk, verwijtend gezegd als iemand ouderen of superieuren met het (te) vertrouwelijke ‘jullie’ aanspreekt.
jullie, jullies, julles, jolles, jollies, bezittelijk voornaamwoord, Variant van jullie, van jullie. | Is dat jullies hond? Dat benne jullies.
jus, sju, zelfstandig naamwoord de, Jus, in de zegswijze de sju is er of, zie sjeu.
jut, jut, zelfstandig naamwoord de, Verkorting van juttepeer.
juttig, juttig, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie juttig koike, guitig, verliefd kijken.
juweel, jeweêl, zelfstandig naamwoord ’t, Juweel, in de zegswijze hilkendal in ’t jeweêl, vol juwelen en andere sieraden. | Ze zat pree an, hilkendal in ’t juweêl.
juwelen, jewêlen, bijvoeglijk naamwoord, Met juwelen bezet. | Wat koste zukke jewêlen spelde?
kaag, kaag, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse vrachtschuit.
kaag, kaag, zelfstandig naamwoord de, Buitendijks land omgeven door een lichte dijk. Vgl. koog en Fries keag.
kaagschipper, kaagschipper, zelfstandig naamwoord de, Schipper van een kaag.
kaai, kaai, zelfstandig naamwoord de, 1. Smalle, lichte dijk langs laag gelegen land. Het woord komt o.a. voor in veldnamen als Molenkaai, Munnikaai. 2. Van aarde of mest opgeworpen verhoging op de wal van een stuk land, waarachter de baggeraarde werd geworpen die men later over het land wilde brengen. Liet men de bagger overwinteren, dan sprak men van ‘skotwal’. 3. Plaats, bestemming, werkkring. | Deer had de luch(t)goedfles ’n kaai kregen. Het Piet al ’n âre kaai?
kaaidijk, kaaidoik, kaaidik, kadoik, kadik, zelfstandig naamwoord de, Smalle, lichte dijk om laag gelegen land. Vgl. kaai 1.
kaaien, kaaie, werkwoord, Een kaai maken, de wal van een stuk land ophogen door deze wal af te steken en op het land te halen ofwel door de wal op te hogen met modder. Vgl. opkaaie.
kaakberg, kaakberg, zelfstandig naamwoord de, Hooiberg, met name een hooiberg waarin een schuur of stal met planken afgeschoten is.
kaakmand, kaakmand, zelfstandig naamwoord de, Rieten mand van ½ of ¼ hl, o.a. gebruikt bij het aardappelrooien. Oorspronkelijk: mand waarin men gekaakte haringen wierp.
kaal, kaal, bijvoeglijk naamwoord, Ook: zonder iets bijpassends. | Hai eet kale piepers, want hai lust gien groente. Ik hew de boer kaal en gien âre troef.
kaam, kiem, zelfstandig naamwoord de, Kaam, schimmel, o.a. op kaas, bier en azijn.
kaan, kaantje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze da’s gien kaantje, dat is geen pretje.
kaander, koônders, koôndere, zelfstandig naamwoord meervoud, Variant van kaantjes. Vgl. Boek. onder kuinder.
kaars, keers, zelfstandig naamwoord de, Kaars, in de zegswijze zô keers, zô kandeleer, beide zijn even goed of slecht. Verkleinvorm keersie, in de zegswijze hai weet weer ie z’n keersie brande leite ken, hij weet waar hij zijn licht op kan steken, hij weet hoe hij de zaak moet aanpakken.
kaarsenblaker, keerseblaker, zelfstandig naamwoord de, Blaker, lage kandelaar of bakje met één oor.
kaarsvet, keersevet, zelfstandig naamwoord ’t, Kaarsvet.
kaart, kaartje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze voor moin kaartje, wat ik je brom.
kaartavond, kaarterseivendje, zelfstandig naamwoord ’t, Kaartavondje.
kaartersrondje, kaartersrondje, zelfstandig naamwoord ’t, Kaartrondje.
kaas, keis, zelfstandig naamwoord de, Kaas. Zegswijze keis mit geluid, kaas die bij het bekloppen (met gesloten vuist) niet goed klinkt. – Keis mit kiem, kaas met schimmel. Meervoud keize in de zegswijze skeve keize perse (parse) ók, het gaat best, ook al moet men zich min of meer behelpen.
kaas duwen, keisdouwe, werkwoord, Het aandrukken van de kaas in de kaasvorm.
kaasbord, keisbord, zelfstandig naamwoord ’t, Bord of plank met uithollingen waarin de kazen worden gezet.
kaasbuil, keisbuul, zelfstandig naamwoord de, Het geld dat men op de markt voor de kaas had ontvangen. Letterlijk kaasbuidel.
kaasdeel, keisdil, keisdeêl, zelfstandig naamwoord de, Kaasplank. Dil of deêl = plank.
kaasdoek, keisdoek, zelfstandig naamwoord de, Doek waarmee de kaas in de kaaskop wordt afgedekt.
kaasdoekenkatoen, keisdoekeketoen, zelfstandig naamwoord de/’t, Katoen waarvan de kaasdoeken zijn gemaakt.
kaaskliener, keiskliender, zelfstandig naamwoord de, Zie kliender.
kaaskop, keiskop, zelfstandig naamwoord de, 1. Kaaskop, ronde, houten kaasvorm. 2. Spotnaam voor een Alkmaarder, in het algemeen ook voor een Hollander.
kaaspers, keispars, zelfstandig naamwoord de, Variant van kaaspers.
kaasrand, keisrandjes, zelfstandig naamwoord meervoud, Repen wrongel die na het persen van de kaas worden afgesneden.
kaasranden, keisrande, werkwoord, Kaasrandjes afsnijden. Zie keisrandjes.
kaasschemel, keisskamel, zelfstandig naamwoord de, Houten driepoot waarop de kaastobbe rust.
kaastobbe, keistomment, zelfstandig naamwoord de, Variant van kaastobbe.
kaasweek, keiswik, zelfstandig naamwoord de, Grote, wijde kuip waarin de kaas na het weken wordt schoongemaakt.
kaats, kaas, zelfstandig naamwoord de, 1. Kaats, schuurtje zonder zolder met schuin aflopend dak (verouderd). 2. Kistje van het model van een kaats, zoals dat gebruikt werd door gras- en graanmaaiers om er hun etenswaren in te bewaren. Vgl. stikkekaas. Het woord is verwant met kate, kote = kot, hut, huisje.
kaatsboede, kaasboet, zelfstandig naamwoord de, Zie kaas 1.
kaatseballen, kaaseballe, werkwoord, Kaatseballen.
kaatskist, kaaskissie, zelfstandig naamwoord ’t, Zie kaas 2.
kabaal, kombaal, zelfstandig naamwoord ’t, Dialectische variant van kabaal.
kabelen, kabele, werkwoord, Het lot om of over iets trekken of werpen (verouderd). Als twee personen bv. elk een partij bij een of ander spel verloren hadden, werd er ‘gekabeld’ om degene aan te wijzen die alles moest betalen. Men deed dit door het opgooien van een geldstuk, een pet e.d.
kabinet, kammenét, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van kabinet. Vgl. Fries kammenet.
kachelig, kachelig, bijvoeglijk naamwoord, Aangeschoten, dronken.
kadiezen, kardieze, kerdieze, werkwoord, in de zegswijze niks te kardiezen hewwe, niets in te brengen hebben. Mogelijk is het woord een verbasterde afleiding van Frans qu’est ce qu’il dit = wat zegt hij? Vgl. kerdieze en kerdiete en Fries kedize. Zie Boek. onder kaskediezen.
Kadijk, Kedík, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van kadík = kaaidijk (zie kaaidoik), hier als naam van een water in de voormalige polder Het Grootslag.
kadodder, kalkedodder, kalkedotter, kalekadodder, kalekadotter, zelfstandig naamwoord de, Pas uitgebroede vogel, bv. een duif of spreeuw. Het woord is eigenlijk een koppeling van kale en kadodder. Zie voor de mog. herkomst van kadodder het N.E.W.
Kadodders, kladodders, zelfstandig naamwoord meervoud, Zie kalkedodder. Zegswijze Niereper kladodders, oude scheldnaam voor de bewoners van Nieuwe Niedorp.
kak, kak, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze kouwe kak, verbeelding, bluf. – Kale kak, zie de vorige zegswijze – Hou(w) je kak maar in, wees maar niet zo verwaand, aanmatigend of veeleisend. – Da’s allegaâr kak op ’n kloin potje, dat is allemaal bluf, grootspraak. – Grôtelui ’r kak en armelui’r arremoed stinke ve(e)r. Zie onder roikelui’s.
kakboodschap, kakbòskip, zelfstandig naamwoord de, Onbenullige of voorgewende boodschap. | Ze had weer ’n kakbòskip, enkeld en allien om hier de boel of te glouwen.
kakderrie, kakkederrie, zelfstandig naamwoord de, Kak, smurrie, smerige substantie.
kakelen, kakele, werkwoord, in de zegswijze kakele is (nag) gien aaiere lègge, praten is gemakkelijker dan doen.
kakelen, keikele, werkwoord, Variant van kakelen.
kakelpost, kakelepos, kakelepost, zelfstandig naamwoord de, Kippebrug(getje).
kakhol, kakshol, zelfstandig naamwoord ’t, Ruimte tegen de achterwand van de bedstee (verouderd).
kakkelol, kakkelol, zelfstandig naamwoord de, 1. Vreemd opgedirkte vrouw. 2. Onnozele hals, sul.
kakkelollig, kakkelollig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Zonderling, potsierlijk. | Wat ’n kakkelollig hoedje! 2. Onhandig, sullig. | Hou(w) ’t toch niet zô kakkelollig vast!
kakken, kakke, werkwoord, in de zegswijze bai z’n hiele neer kakke, bang zijn, geen risico durven nemen, zich terugtrekken. – Kakt ’t niet, den rust ’t toch, schertsend gezegd door of van iemand die – in de baas zijn tijd – lang werk heeft met het doen van zijn behoefte of die opvallend vaak zijn behoefte moet doen. – Die kakt ok niet vóór elven (en den is ’t nag zô dun, dat ’t deur ’n rietje ken), gezegd van iemand die zeer gierig of traag van betalen is. – Ientje te kakken zette, iemand voor schut zetten. – Op slag van kakken, op het nippertje, net op tijd. | Hai komt meist altoid op slag van kakken. – ’t Is op slag van kakken, schertsantwoord op de vraag hoe laat het is. – ’t Is kakken zonder douwen, het is erg gemakkelijk, het vergt geen inspanning. – Kakken gaat vóór bakken, al verbrandt ’t broôd, het doen van zijn behoefte gedoogt geen uitstel, het werk wordt er voor onderbroken.
kakkestoelemeien, kakkestoelemaaie, werkwoord, Een kind op de ineengeslagen handen van twee personen dragen. Vgl. Fries kakkestoelemaeije.
kakkies, kakkies, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze op blôte kakkies, op blote voeten. Vgl. Boek. onder kakies.
kakmaker, kakmaker, zelfstandig naamwoord de, Opschepper, iemand met veel kouwe drukte.
kakmakkelijk, kakmakkelek, bijvoeglijk naamwoord, Zeer gemakkelijk. 2. Zeer gemakzuchtig of zorgeloos.
kaksjouw, kaksjouwtje, zelfstandig naamwoord ’t, Onbenullig, heel klein karweitje.
kaksmoes, kaksmoesie, zelfstandig naamwoord ’t, Onbenullig, doorzichtig smoesje.
kakwang, kakwang, zelfstandig naamwoord de, Dikke, uitgezakte wang. Vgl. Fries kakwang.
kalanderen, klandére, werkwoord, kalanderen, glad of glanzend maken van stoffen. Het woord is een afleiding van kalander = soort van mangel, uit fra. calandre, letterlijk cilinder.
kalebas, kallebás, zelfstandig naamwoord de, 1. Kalebas. 2. Albasten knikker (verouderd).
kalegezichten, kalegezichte, werkwoord, Zaniken, zwammen. | Lèg niet zô te kalegezichten!
kalender, klender, zelfstandig naamwoord de, Kalender.
kalf, kalf, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze de koe is kalf, de koe is drachtig. – Mit ’n aâr z’n kalf ploege, van andermans spullen profiteren, met andermans spullen pronken. – Beter ’n kalf in je tuin as ’n netáris in je boel, het is een veeg teken als een notaris je inboedel verkoopt. – Kalf worre, mak worden, bedaren.
kalfbroeder, kalfbroer, zelfstandig naamwoord de, Voorzoon van een man in betrekking tot een voorzoon van zijn vrouw.
kalfsklauw, kalfskleêuwe, zelfstandig naamwoord meervoud, Kalfsklauwen, in de zegswijze de kalfskleêuwe kwoit weze, niet zo jong meer zijn.
kallen, kalle, werkwoord, Kletsen, babbelen. Vgl. Nederlands raaskallen.
kallie, kallie-kallie, roep om kalveren te lokken.
kalot, klot, zelfstandig naamwoord de, Soort muts, alpinopet. Uit Frans calotte.
kalven, kalve, werkwoord, 1. Een kalf voortbrengen. 2. Afkalven, aan de zijkant instorten. | De misbult het kalfd. Zegswijze hai kalft te vroeg, biljartterm die aangeeft dat bij het bandspel de speelbal te vroeg caramboleert.
kalverenschetser, kalveskesser, zelfstandig naamwoord de, Kalverenschetser, persoon die van stamboekkalveren kort na de geboorte de lichaamstekening inschetst.
kam, kam, kem, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze achter de kam stroike, 1. Aanhalen, omhelzen. 2. Vleien. Verouderde variant kem.
kameraad, kammeráás, zelfstandig naamwoord meervoud, Variant van kameraden.
kammen, kemme, werkwoord, Verouderde variant van kammen.
kamper, kamper, zelfstandig naamwoord de, Remise, gelijk spel (verouderd).
kan, kanje, kantje, zelfstandig naamwoord ’t, Verouderde vorm van kannetje.
kandij, kendaai, zelfstandig naamwoord de, (Zoete) kandij, ouderwetse appelsoort.
kaneel, kneêl, keneêl, zelfstandig naamwoord de/’t, De, het kaneel.
kaneelsteel, kneêlstaal, keneêlstaal, zelfstandig naamwoord de, Kaneelstok.
kanen, kane, zelfstandig naamwoord meervoud, Rietplanten.
kanis, kanis, zelfstandig naamwoord de, (Rieten) boodschappenmandje. Uit Latijn cannicius = wat uit riet gemaakt is. Vgl. het N.E.W. onder kanis 1.
kanis, kanis, zelfstandig naamwoord de, Kop, hoofd. Ontleend aan het Bargoens. Zie het N.E.W. onder kanis 2. Zegswijze z’n kanis(sie) kraakt. 1. Hij laat boeren. 2. Ook gezegd van een baby die allerlei geluidjes maakt.
kant, kant, zelfstandig naamwoord de/’t, De kant (handwerk).
kant, kant, zelfstandig naamwoord de, Kant, zijde, richting, in de zegswijze die kant op, die kant uit. – Die kant niet op wulle, het zo niet willen hebben of inzien. – Over ien (de iende) kant …, over ’n âre (de âre) kant, van één kant bekeken …, van een andere kant bekeken. | Over ien kant gaan ik zègge, dat ’t z’n oigen skuld is, over ’n âre kant vind ik, dat ie toch ok pech had het. – Om de kant loupe, werkloos zijn, werkloos rondlopen of –hangen. – Weer om de kant loupe, weer op de been zijn na een ziekte of verwonding. – Weer bai de kant opkrabbele (opkreêuwe). 1. Herstellen van een (zware) ziekte. 2. Er financieel weer bovenop komen. – Op de kant lègge, tegen de wand of aan de wandzijde van de bedstee liggen. – An de vaste kant zitte, aan de kant van de muur of wand zitten. | Ik zit op ’n brulloft niet graag an de vaste kant. – De kouwe kant, de aangetrouwde familie. – Deuze kant an, aan deze kant aangrenzend. – De âre kant an, aan de andere kant aangrenzend. Verkleinvorm kantje, in de zegswijze bai ’t kantje om, stiekem, in bedekte termen. | ’t Most bai ’t kantje om beure. Zuks moet je ’n beetje bai ’t kantje om zègge.
kant, kant, bijvoeglijk naamwoord, Knap, flink, welgeschapen. | Ik vind ’t ’n kante moid. Het bijvoeglijk naamwoord kant heeft zich ontwikkeld uit het zelfstandig naamwoord kant. Letterlijk betekent kant of kantig ‘nog scherpe kanten hebbend’, dus: niet afgesleten, nog gaaf of deugdelijk. Zegswijze kant is m’n dochter, maar geld het ze niet, schertsend gezegd van een meisje dat niet rijk, maar wel knap of welgeschapen is. – Zô kant as poesie, erg netjes of keurig gekleed.
kanter, kanter, zelfstandig naamwoord de, Roggebrood dat onder het bakken aan de kant van de oven heeft gelegen en daardoor boven en opzij een korst heeft gekregen. Meervoud kanters. Gezegd van (bloem)kool die bij het laden van de schuit tegen de kant werd gestapeld. Daarnaast onderscheidde men ‘stoppers’ en ‘pronkers’, resp. minder goede exemplaren die de gaatjes moesten stoppen of die het verst weggestopt waren en mooie exemplaren die bovenop gelegd werden.
kantkoek, kankoek, zelfstandig naamwoord de, 1. Kantkoek, benaming van de kanten die van het gebakken koekdeeg worden afgesneden op dit rechthoekig te maken. 2. Koek van minder fijn deeg. Deze koek werd langs de randen van de plaat gezet, opdat de fijnere honingkoeken bij het bakken niet korstig werden.
kantkorst, kankorst, zelfstandig naamwoord de, Kantkorst. Zie kankoek 1.
kantmuts, kantemussie, zelfstandig naamwoord ’t, Kanten mutsje, kantmutsje.
kantvol, kantvol, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Vol tot aan de kant, tjokvol. | De bouw staat nag kantvol.
kap, kap, zelfstandig naamwoord de, Ook: ouderwetse hoofdbedekking bestaande uit kostbare kant, een gouden of zilveren oorijzer met zijnaalden en soms uit een voornaald die op het voorhoofd rust. Zegswijze ze zet goed kap, ze staat goed met de kap, heeft er een passend gezicht voor. – Mit kap en dek, met de kap op en deftig gekleed, op zijn fraaist uitgedost.
kapberg, kapberg, zelfstandig naamwoord de, Schuur met een vierkant waarin o.a. hooi wordt bewaard.
kapelaan, kabbelaan, zelfstandig naamwoord de, Variant van kapelaan.
kaper, kaper, kapert, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse hoofdbedekking voor vrouwen, gebreid van zware wol. De kaper bedekte het hele hoofd en de hals. Het woord is waarschijnlijk afgeleid van kap en mogelijk onder invloed van kaproen tot kaper geworden. Vgl. Fries kaper. Zegswijze de kaper(t) op hewwe, slecht gemutst of boos zijn.
kaphoed, kaphoedje, zelfstandig naamwoord ’t, Hoedje dat op de kap werd gedragen.
kapitaal, kaptáál, zelfstandig naamwoord ’t, Kapitaal.
kapitoor, kappetoris, zelfstandig naamwoord ’t, Omslag van een boek of schrift (verouderd). Uit Latijn coopertorium.
kapje, kappie, zelfstandig naamwoord ’t, Kruintje van het brood.
kaplaken, kaplaken, zelfstandig naamwoord ’t, Bijverdienste, extraatje, fooi (verouderd). Oorspronkelijk laken voor een kap, geld om een nieuwe lakense kap te kopen.
kapoeres, kepoéres, bijvoeglijk naamwoord, Kapot.
kapoeres, kepoerewiétes, bijvoeglijk naamwoord, Kapot.
kapottig, kepóttig, kepóttenig, bijvoeglijk naamwoord, (Behoorlijk) kapot. | Kepottige skoene.
kapottigerd, kepóttigerd, zelfstandig naamwoord de, Iets dat kapot is. | D’r zat ien kepóttigerd in. Meervoud kepóttigers, | Gooi die kepottigers maar weg.
kappen, kappe, werkwoord, in de zegswijze d’r mee kappe, er mee stoppen, er de brui aan geven.
kappendoos, kappedoôs, zelfstandig naamwoord de, Houten doos of kistje met verscheidene laatjes, waarin kappegoed en allerlei snuisterijen werden geborgen.
kappengaas, kappegaas, zelfstandig naamwoord ’t, Fijn, blauw gaas waarvan de boerinnenkap werd gemaakt.
kappengoed, kappegoed, zelfstandig naamwoord ’t, Alles wat bij de boerinnenkap behoort.
kappenijzer, kappe-oizer, zelfstandig naamwoord ’t, Strijkijzer voor het plooien van kappen.
kappenkant, kappekant, zelfstandig naamwoord de/’t, Fijn kant die gebruikt werd voor de boerinnenkap.
kappennaaister, kappenaaister, zelfstandig naamwoord de, 1. Vrouw die kappen naait of herstelt. 2. Spottend gezegd van een man die graag vrouwenwerk verricht.
kappenpen, kappepenne, zelfstandig naamwoord meervoud, Pennen voor het vaststeken van de kap.
kapwagen, kapwagen, zelfstandig naamwoord de, Ouderwets, hoog, tweewielig rijtuig met een kap.
kar, kar, zelfstandig naamwoord de, Ook: tilbury, tweewielig rijtuigje waarmee men uit rijden ging. Verkleinvorm kartje, in de zegswijze ientje voor z’n kartje spanne, iemand op slinkse wijze voor zich laten werken, iemand beetnemen.
kar, kor, zelfstandig naamwoord de, Vierwielig, laag wagentje (verouderd). Vgl. houtkor, melkkor. Zie ook korriewagen.
karaf, kraf, zelfstandig naamwoord de, Karaf.
karbies, karrebies, zelfstandig naamwoord de, Karbies.
karbonade, karremenaad, kerremenaad, zelfstandig naamwoord de, Dialectische variant van karbonade.
karet, krette, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze in krette weze, op zijn paasbest gekleed, rijk behangen met sieraden (verouderd). De vorm kret is waarschijnlijk ontstaan uit karet = schildpad, hier: van schildpad gemaakte sieraden. Vgl. Boek. onder kret II.
karhengst, karhengst, zelfstandig naamwoord de, Boerenpummel, domkop.
karn, karn, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de karn is of, het karnen is gedaan. – In de poepse karn zitte, in angst, in de benauwdheid zitten. Vgl. Zaans: in zijn gat gekarnd wezen. Zie Boek. onder karnen. – ’t Zit as ’n karn om je kont, gezegd van een veel te krap zittende jurk, rok of broek.
karnemelk, karremelk, kerremelk, zelfstandig naamwoord de, Karnemelk, in de zegswijze geef moin maar ’n snee karremelk en ’n hane-aai, schertsreactie op de vraag wat men wil eten.
karnig, karnig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, in de zegswijze karnig zitte, veel te krap zitten (van kleding). | Die jurk zit karnig (Abbekerk).
karnsteel, karsel, karstel, zelfstandig naamwoord de, Samentrekking van karnsteel = stok in de karnton (verouderd).
karonje, kronje, zelfstandig naamwoord de, Gehaaid wijf (verouderd) Uit Frans carogne = kreng.
karos, kros, zelfstandig naamwoord de, Kar(retje), fiets, auto. Vgl. Frans carrosse = koets, wagen. Het woord komt ook voor in samenstellingen als melkkros, hooikros.
karper, korper, kurper, zelfstandig naamwoord de, Variant van karper.
karpoetsmuts, karrepoesmus, zelfstandig naamwoord de, Karpoetsmuts, ruige (bont)muts.
karrel, karrel, zelfstandig naamwoord de, Kartel, kerf (verouderd).
karren, karre, werkwoord, Ook: met een kar, auto, fiets e.d. rijden. | Hai karde mit ’n noôdgang nei huis.
karwei, kerwaai, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t kerwaai is plat, het werk is af.
Kas, Kas, mannennaam, in de zegswijze ’t is ’n kirrel as Kas, het is een flinke vent. – ’t Is ’n kirrel as Kas en Kas was ’n kirrel as ’n onderdeurtje, ironisch gezegd van een klein ventje.
kasausie, sausies, zelfstandig naamwoord meervoud, Pinda’s. Eigenlijk Curaçaosjes = Curaçaose aardnootjes.
kasinet, kazenee, zelfstandig naamwoord de, Kasinet, halfwollen stof voor kleding.
kaskien, kassekien, kazekien, zelfstandig naamwoord de, Ouderwets boerinnenpronkjak met een lange schoot.
kast, kas, kast, zelfstandig naamwoord de, 1. Kast. 2. Losse of aan de muur getimmerde bewaarplaats. 3. Bochel. 4. Gevangenis. 5. Groot sleepschip. Zegswijze goed in de kas(t) staan, goed aangeschreven staan, in aanzien zijn. Waarschijnlijk duidt kas(t) hier op het publicatiekastje aan of nabij het gemeentehuis. – Bloemkoôl in de kas(t), bloemkool onder dekbladeren. Verkleinvorm kassie, in de zegswijze in ’t kassie staan (hange), aangetekend zijn voor de ondertrouw, waarvan melding wordt gemaakt in een kastje aan of nabij het gemeentehuis.
kastanje, karstanje, zelfstandig naamwoord de, Variant van kastanje.
kastjesgoed, kassiesgoed, zelfstandig naamwoord ’t, Koopwaar van een marskramer (verouderd).
kastjeskerel, kassieskirrel, zelfstandig naamwoord de, Zie kassiesventer en kassiesman.
kastjesman, kassiesman, zelfstandig naamwoord de, Zie kassiesventer.
kastjesventer, kassiesventer, zelfstandig naamwoord de, Marskramer (verouderd).
kat, kat, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van katte = afsnauwen, in de zegswijze ’n kat kroige, een grauw, snauw of sneer krijgen.
kat, kat, zelfstandig naamwoord de, 1. Huiskat. 2. Halsbontje. Zegswijze kat achter kat, de een na de ander. | Ze kwamme kat achter kat opperdan. Hai ving ze kat achter kat. Vgl. Fries kat efter kat. – De kat is goed ziek, de zaak staat er slecht voor, het ziet er slecht uit. – Je kenne an de kat of an de keis, je kunt kiezen of delen. Oorspronkelijk een zogenaamde muizenverzuchting. – Stuur de kat nei Engeland en hai zoit ‘mauw’ as ie veróm komt, gezegd met betrekking tot hardleerse lieden of een tot mislukken gedoemde zaak. – Je konne deer gien kat an z’n steert deurtrekke, het was daar mudvol. – ’n Dolle kat ken deur ’n kloin gaatje. 1. Een kat in het nauw maakt rare sprongen. 2. Wie per se iets wil bereiken, is soms in staat het schijnbaar onmogelijke te doen. – De kat zit op aaiere, gezegd van iemand met onverwachte trouwplannen, met name van iemand van wie men nooit had verwacht, dat hij of zij zou trouwen. – De kat in de bak (in ’t bakkie) hewwe, zijn zin hebben, zijn doel bereikt hebben. – De kat moet van de stoel, gezegd als iemand met veel geld thuiskomt en dus zeer welkom is. – De kat in de gerdoine hale, moeilijkheden uitlokken of veroorzaken. – ’n Kat op ’t ois brengt de winter van de wois, een kat op het ijs voorspelt dooi. Verkleinvorm meervoud katjes, in de zegswijze de katjes benne goed greêuw, de gelegenheid is gunstig. Eigenlijk het is goed donker, dus niemand ziet je.
kat, katje, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze ’t hêle katje, het hele zootje, de hele boel.| Hai bedaarde mit ’t hêle katje te water. Mogelijk is katje hier ontleend aan Bargoens kat = o.a. buit bij diefstal. Zie Enno Endt ‘Bargoens Woordenboek’, blz. 59, onder kat, de-.
katapult, kattepuul, zelfstandig naamwoord de, Verouderde variant van catapult.
kater, kater, zelfstandig naamwoord, Ook: kortweg voor duivekater (verouderd).
katerjagen, katerjage, werkwoord, Achter de jongens aanlopen, op straat flirten. Vgl. Fries katerjeije.
Katjemaai, Katjemaai, Katjewaai, gefingeerde plaatsnaam, in de zegswijze bai Katjemaai omgaan, een grote omweg maken, iets zeer uitvoerig en met veel uitweidingen vertellen.
katjeskermis, katjeskermis, kattekermis, zelfstandig naamwoord de, Tweede kermis, najaarskermis.
katlauw, katleêuw, bijvoeglijk naamwoord, Letterlijk katlauw, in de zegswijze gien katleêuw douge kenne, een zeer gevoelige tong hebben, zodat men geen warme spijs of drank kan gedogen of verdragen.
katten, katte, werkwoord, Afsnauwen, vitten, treiteren.
katten, katte, werkwoord, 1. Afdingen. 2. Gekochte waar niet in ontvangst nemen, een koop annuleren.
kattenbak, kattebak, zelfstandig naamwoord de, Schertsvariant van katechismus (verouderd). Hei je je kattebak nag leerd?
kattengezanik, kattegezanik, zelfstandig naamwoord de, Schertsvariant van catechesatie (verouderd).
kattenklauw, kattekleêuwe, zelfstandig naamwoord meervoud, Katteklauwen. Zie ook kattevoete.
kattenschotel, katteskuttel, zelfstandig naamwoord de, Schotel of bakje voor het eten of drinken van de kat.
kattenvoet, kattevoete, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze uit de kattevoete (kattekleêuwe) bloive, wegblijven van iets dat nare gevolgen kan hebben.
katter, katter, zelfstandig naamwoord de, Iemand die een koop annuleert.
katter, katter, zelfstandig naamwoord de, Vitter, treiteraar.
kauw, kauw, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van kauwen, in de zegswijze d’r gien kauw án vinde, het onsmakelijk, niet om te eten vinden.
kauwen, kauwe, werkwoord, in de zegswijze kauwe as ’n bok (as ’n aap) op knikkers, met veel moeite of tegenzin kauwen of eten.
Kauwgomballen, Kauwgomballe, zelfstandig naamwoord meervoud, Spotnaam voor de bewoners van Bovenkarspel. Eigenlijk voor de spelers van de voetbalclub K.G.B. aldaar. De eigenlijke betekenis van K.G.B. is ‘Kolpings Glorie Blijft’.
kazen, keize, werkwoord, Kazen, kaas maken.
kazer, keizer, zelfstandig naamwoord de, Kaasmaker, zelfkazende boer.
keelband, kêlebande, zelfstandig naamwoord meervoud, Banden van een hoofddeksel die om de keel werden bevestigd.
keelgat, keêlsgat, zelfstandig naamwoord ’t, Keelgat. Vgl. Fries kielsgat. Zegswijze ’t skoôt m’n in m’n verkeerde keêlsgat, ik kon het niet zetten, ik werd er kwaad door. Letterlijk is het verkeerde keelgat de opening van de luchtpijp.
keer, keer, zelfstandig naamwoord de/’t, 1. De keer, maal. | Ik zel je deuze keer loupe leite. Ik zel dut keer maar niks zègge. 2. Beloop, streek van haar, van kleding e.d. Zegswijze de iende keer zoit de âre niet, het kan een volgende keer best anders lopen. Vgl. Fries de iene keer seit de aore net. – Teugen de keer in weze, dwars zijn, tegen de draad ingaan, in de contramine zijn. – keersterán, de keer er na. – keersternei, de keer er na, de er op volgende keer. – keerstevóór, de keer er voor. – keerstevóren, de keer er voor.
keerom, keeromme, in de combinatie keeromme speule, ouderwets kinderspel.
keersom, keersomme, zelfstandig naamwoord meervoud, Vermenigvuldigsommen (kindertaal).
kees, kees, zelfstandig naamwoord de, Tabakspruim (verouderd).
Kees-de-Boeren, kees-de-boere, werkwoord, Een ouderwetse dans uitvoeren, waarbij in het begeleidende lied steeds de naam Kees de Boer voorkwam.
keesjemaat, keesiemaat, zelfstandig naamwoord de, Balletje van stroop (suiker) en boter (verouderd).
keet, keet, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n keet pisse, een grote hoeveelheid pissen.
keet, ket, zelfstandig naamwoord de, Variant van keet. 1. Het woord is waarschijnlijk te herleiden tot Frans gaité = vrolijkheid. Zegswijze ket make. 1. Plezier maken. 2. Ruzie maken.
keeuwen, keêuwe, werkwoord, 1. Naar lucht happen (van vissen). Het woord is verwant met kieuw. 2. Op schelle of ruziënde toon praten, bekvechten.
keffer, keffertje, zelfstandig naamwoord ’t, Luid keffend hondje. Zegswijze ’t is ’n keffertje op oigen erf, gezegd van iemand die alleen thuis of in een andere vertrouwde omgeving het hoogste woord voert.
keg, keg, zelfstandig naamwoord de, Ook: zwaar karwei, moeite. | Ik had er puur zô’n keg an.
keilen, koile, werkwoord, 1. Keilen. 2. Snel drijven, zich in een rechte strekking voortbewegen (van een schip) (verouderd).
keizertje, koizertje, zelfstandig naamwoord ’t, Keizertje, in de zegswijze ’n pepieren koizertje, een min, schraal jochie (verouderd).
kennen, kenne, kinne, werkwoord, 1. Kennen. 2. Kunnen. 3. Herkennen. | Ik denk, da’k ’m gien meer zou kenne. De vervoeging van ‘kenne’ luidt: enkelvoud ken – kon – kend/kennen/keunen. Meervoud kenne – konne – kend/kennen/keunen. Dikwijls wordt in een zin met het hulpwerkwoord ‘kenne’ het zelfstandige werkwoord weggelaten. Ze kenne goed mit mekaar = ze kunnen goed met elkaar opschieten. Ik kon ’n beste prois = ik kon een beste prijs (voor mijn produkten) krijgen. Om aan te geven, dat (ook) in West-Friesland de werkwoord kunnen en kennen en de werkwoord leggen en liggen niet worden onderscheiden, moge het volgende schertsrijmpje illustratief zijn: Hoe ken ’t, dat ie z’n les niet kon, of ken ie dat niet zègge? Ik lag de les toch duidelek uit, déér ken ’t ’m niet an lègge! Zegswijze as ’t niet ken zôas ’t moet, moet ’t maar zôas ’t ken, men moet roeien met de riemen die men heeft. – As je niet kenne wat je wulle, moet je wulle wat je kenne, zie de vorige zegswijze
kennig, kennig, bijvoeglijk naamwoord, in de combinatie kennig worre, iemand of iets herkennen, leren kennen of herkennen. | ’t Kloine moidje wordt al puur kennig, want as ze m’n ziet, begint ze te lachen.
kennis, kennis, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze kennis hewwe (an ientje), (met iemand) (het begin van een) verkering hebben. | Het je dochter nou al kennis? Ze het kennis an d’r buurjoôn. – Erges kennis an hewwe, iets (her)kennen. | Hei jij kennis an die hoed? – Erges kennis an zien, zie de vorige zegswijze – Uit de kennis weze. 1. Niet herkend worden. | Je benne hillegaar uit de kennis mit dat hoedje. 2. Als kennis genegeerd worden. | Ben ik soms uit de kennis, dat je m’n niet gedag zègge?
kepersamois, kepersemoos, zelfstandig naamwoord de/’t, Soort sterke kepervoering (samois), die o.a. gebruikt werd bij het maken van broekzakken.
kerel, kirrel, zelfstandig naamwoord de, 1. Kerel. 2. Echtgenoot. | Ze het ’n beste kirrel. 3. Iets dat groot is in zijn soort. | Hai het ’n kirrel van ’n snoek vongen.
keren, kere, werkwoord, Ook: 1. Vegen, schoonmaken (verouderd). 2. Zie falge.
kerf, kurf, zelfstandig naamwoord de, 1. Kerf, kram, klamp. 2. Spant in een schuit. Zegswijze ’t is over kurf en klamp heen, het gaat alle perken te buiten. – Dat was an de kurf skopt, dat was tegen het zere been.
kerfzaag, kurvezaag, zelfstandig naamwoord de, Kleine houten zaag die gebruikt werd om schuine ‘kurve’ of ribben te zagen voor een houten schuit.
kerk, kerk, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze te kerk, ter kerke, naar de kerk. – Achter de kerk lègge, dood en begraven zijn. | Hai loit al lang achter de kerk. – Bè je in de kerk geboren? Gezegd als iemand na het binnenkomen de deur open laat staan. – De kerk is houger as de toren, schertsend gezegd wanneer een meisje of vrouw langer is dan haar mannelijke partner. – De kerk in de middend houwe, de kerk in het midden van het dorp houden, de zaak laten waar ze behoort, de zaak niet overdrijven. – Gien kerk zô oud of d’r ken nag wel in preekt worre, dubbelzinnige opmerking waarmee men o.a. wil aangeven, dat een vrouw nooit te oud is om gemeenschap met haar te hebben.
kerkavond, kerkeivend, zelfstandig naamwoord de, Avond waarop een kerkdienst wordt gehouden.
kerkbaan, kerkebaan, zelfstandig naamwoord de, (Verbreed) weggedeelte vóór of naar de kerk.
kerkblad, kerkeblaadje, zelfstandig naamwoord ’t, Kerkblaadje.
kerkbol, kerkebolle, zelfstandig naamwoord meervoud, Bloembollen die verbouwd en verkocht worden ten bate van de kerk.
kerkbollenveiling, kerkebollevoiling, zelfstandig naamwoord de, Veiling van ‘kerkebolle’.
kerkdeur, kerkdeur, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze je kerkdeur staat open, het split van je broek staat open.
kerken, kerke, werkwoord, De kerk bezoeken, naar de kerk gaan. | We kerkte vroeger jare in Wes(t)woud.
kerkenzakje, kerkezakkie, zelfstandig naamwoord ’t, Collectezakje.
kerker, kerker, zelfstandig naamwoord de, Kerkganger. | ’t Is ’n trouwe kerker.
kerkerig, kerkerig, bijvoeglijk naamwoord, Kerks. | Hai is niet zô kerkerig.
kerkhof, kerkhof, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze op ’t kerkhof is gien verskil, de dood maakt geen onderscheid tussen rijk en arm.
kerkkleed, kerkkleidje, zelfstandig naamwoord ’t, Nette jurk die men droeg als men naar de kerk ging.
kerkklomp, kerkklompe, zelfstandig naamwoord meervoud, ‘Deftige’ klompen die men droeg als men naar de kerk ging.
kerklam, kerkelammere, zelfstandig naamwoord meervoud, Lammeren die gefokt en verkocht worden ten bate van de kerk.
kerkland, kerkeland, zelfstandig naamwoord ’t, Land dat aan een bepaalde kerk toebehoort.
kerkpad, kerkpad, kerkepad, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Pad, weg naar de kerk. 2. Afstand tussen huis en kerk. | Ze weune in polder, dat ze hewwe ’n lang kerkpad.
kerkschaap, kerkeskeipe, zelfstandig naamwoord meervoud, Schapen die gefokt en verkocht worden ten bate van de kerk.
kerktijd, kerktoid, zelfstandig naamwoord de, 1. Tijd(stip) om naar de kerk te gaan. 2. Tijd gedurende welke een kerkdienst wordt gehouden. | Ze hewwe onder kerktoid bai ’m inbroken.
kerkvolk, kerkvolk, zelfstandig naamwoord ’t, Mensen die naar de kerk gaan, een kerkdienst bijwonen of na een kerkdienst naar huis terugkeren.
kerkwerken, kerkwerke, werkwoord, Het schoonhouden van een kerk dat door vrijwilligsters pro deo geschiedt.
kerkwerkster, kerkwerksters, zelfstandig naamwoord meervoud, Vrijwilligsters die bij toerbeurt de kerk schoonhouden.
kerkzegger, kerkzègger, zelfstandig naamwoord de, Aanzegger van een kerkdienst of van andere zaken de kerk betreffende (verouderd).
kerkzwart, kerkeswart, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Donkere, zondagse kleding (verouderd). 2. Schertsend voor zwarte kleding van baggerlui (verouderd).
kermis, kermis, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’t is alle dage gien kermis, het is niet alle dagen kermis, feest. – As ’t kermis is, mà je koek zien, loos bedankje.
kermisbiljarter, kermisbiljarter, zelfstandig naamwoord de, Iemand die tijdens allerlei kermissen om gelag biljartte. Vooral gezegd van een speler, die bij zo’n gelegenheid zijn zenuwen goed de baas kon blijven. | ’t Is een echte kermisbiljarter.
kermisborrel, kermisborrel, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze om ’n kermisborrel komme, tijdens de kermis een borreltje komen drinken bij vrienden, kennissen of dorpsgenoten.
kermiscentje, kermis-sentje, zelfstandig naamwoord ’t, Geld dat kinderen voor de kermis krijgen van familie of kennissen.
kermishouden, kermishouwe, werkwoord, Kermis vieren.
kermispop, kermispopke, kermispoppie, zelfstandig naamwoord ’t, Kind dat de ‘vrucht’ is van kermisvermaak.
kermissen, kermisse, werkwoord, Kermis vieren.
kermisslok, kermisslokkie, zelfstandig naamwoord ’t, Zie kermisborrel.
kers, kers, kars, zelfstandig naamwoord de, in de combinatie kers zoeke, afgevallen zaad der Oostindische kersplanten bijeenrapen (verouderd).
kerspel, karspel, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van kerspel, ontstaan uit kerkspel = kerkdorp, het tot de kerk behorende gebied waarbinnen het evangelie, het geloof ‘gespeld’ of verkondigd werd. Vgl. spellen in Nederlands voorspellen. Het element karspel treft men nog in Westfriese dorpsnamen als Bovenkarspel, Hoogkarspel, Oudkarspel, Sijbekarspel.
kerstbrood, karsbroôd, zelfstandig naamwoord ’t, Variant van kerstbrood.
kerstkribbe, kerkrippie, kertkrippie, zelfstandig naamwoord ’t, Kerstkribbetje (+ toebehoren).
kerstmis, karsemis, zelfstandig naamwoord, Verouderde variant van kerstmis.
kersttijd, karstoid, zelfstandig naamwoord de, Variant van kersttijd. Zegswijze karstoid houwe, van dienstbetrekking veranderen gedurende de kersttijd (verouderd).
kerven, kerve, kurve, werkwoord, Kerven. De vervoeging luidt: kerve – kerfde/kurf – kerfd/kurven.
kespel, kespel, kispel, zelfstandig naamwoord ’t, Oud, vervallen huis (verouderd) Mogelijk is het woord verwant met kesp = dwarsstut. Vgl. Boek. onder kesp.
ket, ket, zelfstandig naamwoord de, Klein soort paard. Vgl. Fries kêdde. Zie het N.E.W. onder ket. Zegswijze je kenne van moin de ket wittele, loop naar de bliksem. Verkleinvorm ketje, in de zegswijze ’n sterk ketje, een klein, sterk (vrouws)persoontje.
ketelboeter, keteboeter, zelfstandig naamwoord de, Variant van ketelboeter (verouderd).
ketelig, ketelig, kittelig, bijvoeglijk naamwoord, Vuil, verkleurd door het wassen. Het woord is waarschijnlijk een afleiding van ketel, hier: wasketel. Vgl. Boek. onder ketelig.
ketelkost, ketelkost, zelfstandig naamwoord de, Kost die in één en dezelfde ketel of pan werd bereid. Hoewel de ingrediënten konden variëren, bestond ouderwetse ketelkost dikwijls uit: aardappelen, ongeschilde (suiker)peren in een netje, grof gesneden kool in een netje en een zakje witte bonen of groot gort (= de gort van gerst). Voorts ‘uitgevarst’ pekelvlees of varkenskluiven (de zogenaamde bors) en ‘regknokkel’. (Opgave P. Kistemaker, Andijk).
ketsen, kitse, werkwoord, 1. Ketsen. 2. Het laten afweten. | Nou moe je niet kitse.
ketser, kitser, zelfstandig naamwoord de, 1. Bal of keu die ketst (biljartterm). 2. Iemand die het laat afweten, mislukkeling.
kettenkar, kettekar, zelfstandig naamwoord de, Twee- of vierwielig wagentje getrokken door een ket.
kettenveulen, kettevoôl, zelfstandig naamwoord ’t, Veulen van een ket.
kettenwater, kettewater, zelfstandig naamwoord ’t, Spottend voor slappe of slechte koffie of thee.
ketting, ketting, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze an ’n zulveren ketting lègge, financieel afhankelijk zijn. – Op de ketting springe, 1. Kwaad worden. 2. In het geweer komen, iemand fanatiek verdedigen. Meervoud kettings, in de zegswijze an gouwen kettings lègge, rijk getrouwd zijn (maar weinig bewegingsvrijheid hebben, weinig te vertellen hebben).
kettingblik, kettingblik, zelfstandig naamwoord de, Bliksemstraal die zich als een ketting over een grote uitgestrektheid in het luchtruim voortbeweegt of een aantal snel opeen volgende bliksemflitsen.
keu, keu, zelfstandig naamwoord de, Ronde rol van goed die vrouwen vroeger beneden de rug legden en die van voren met banden werd vastgemaakt. Over de keu hingen de rokken. Uit Frans queue.
keuk, keuk, kuuk, zelfstandig naamwoord de, Schik, pret (verouderd). Het woord is waarschijnlijk verwant met Middelnederlands keukelen = kopje duikelen (van pret). Vgl. kukele en kuuks.
keukelen, kukele, werkwoord, Tuimelen (om)vallen. | Hai kukelde te water. Vgl. Middelnederlands keukelen.
keuken, keuken, zelfstandig naamwoord de, Ook: Huiskamer in ouderwetse woning.
keuks, kuuks, bijvoeglijk naamwoord, Komisch, vreemd, zonderling, lachwekkend. | Ik vind ’t maar ’n kuuks moidje. Wat het ze ’n kuuks hoedje op. Het woord is een afleiding van kuuk of keuk = pret, plezier.
Keulen, Keulen, stad in Duitsland, in de zegswijze bai Keulen en Aken omgaan, teveel uitweiden, langdradig zijn. – Je bord staat bai Keulen en je stoel bai Aken, gezegd tegen iemand die tijdens het eten zijn stoel dichter aan tafel moet schuiven. – Hai doet of ie Keulen en Aken verzet het, hij doet of hij enorm veel werk heeft verzet.
keur, keur, zelfstandig naamwoord de, Keuring, in de zegswijze voor de keur, bestemd om gekeurd te worden. | Dat benne piepers voor de keur. – Voor de keur moete, gekeurd moeten worden (bv. voor militaire dienst). | Moet je zeun al voor de keur?
keuren, keure, werkwoord, in de zegswijze te keuren moete, gekeurd moeten worden (bv. voor militaire dienst).
Keut, Keut, bijnaam voor het dorp Onderdijk. Zie Gom.
keutel, keutel, zelfstandig naamwoord de, Ook: Klein kind. 2. Stommerd, onhandig persoon.
keutel, koetel, zelfstandig naamwoord de, 1. Onhandig persoon, stuntelaar, lummel. 2. Iemand die genoeglijk en zonder haast of dwang met iets bezig is. 3. Iemand die graag iets bedisselt. Zegswijze an de koetel weze, zie koetele.
keutelaar, koetelaar, zelfstandig naamwoord de, Zie koetel.
keutelen, koetele, keutele, werkwoord, 1. Onhandig bezig zijn, stuntelen, niet opschieten. 2. Genoeglijk en zonder haast of dwang met iets bezig zijn. 3. Van alles bedisselen. Het woord is mogelijk een variant van koeteren of keuteren, d.w.z. als een keuterboertje te werk gaan. Een andere mogelijkheid is dat koetele, gezien de variant keutele, een afleiding is van keutel in de zin van: dom, onhandig, traag werkend persoon.
keutelkont, keutelkont, zelfstandig naamwoord de, Pietlut.
keuter, keuter, zelfstandig naamwoord de, Keuterboertje.
Keuter, Keuter, zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord, 1. Spotnaam voor Onderdijker. 2. Afkomstig van of behorende bij Keut = Onderdijk. | Wanneer begint de Keuter kermis?
keuteren, keutere, werkwoord, Halfbakken werk doen, in het klein naäpen.
keuvelen, keuvele, werkwoord, Ook: het sintmaartensfeest vieren (in westelijk West-Friesland).
keuveltjesavond, keuveltjeseivend, zelfstandig naamwoord de, Avond van het sintmaartensfeest, 11 november. Het woord keuvel of kovel, dat eigenlijk kap, mantelkap, kleed met kap voor kloosterlingen betekent (zie het N.E.W. onder keuvel), wordt hier overdrachtelijk gebruikt voor de rode vederkap of –kuif van de bonte specht (picus maior), de vogel die in de middeleeuwen tot sintmaartensvogel is verheven door verwarring van Martis avis = vogel van Mars, met Martini avis, vogel van Martinus.
kevel, kevel, zelfstandig naamwoord de, Tandeloze kaak. Vgl. het N.E.W. onder kevels.
kiekaaien, kiekaaie, werkwoord, Onnodig veel drukte en beweging maken (verouderd).
kiel, kiel, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Blauwe kiel, (voorheen) dagelijkse dracht van boeren of boerenarbeiders. 2. Jongensoverhemd (verouderd). 3. Kruis van een broek. | Die broek is te nauw in de kiel. Vgl. het N.E.W. onder kiel 1.
kielekiele, kiele-kiele, bijvoeglijk naamwoord, Net aan, op het nippertje. | ’t Was kiele-kiele of ik had de bus mist.
kielemort, kielemort, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze kielemort weze, dood, overleden zijn. Het woord is een koppeling van verouderd kielen, variant van killen, doden. (vgl. Engels to kill) en mort, hier waarschijnlijk samenhangend met moorden = doden, slachten. Vgl. Boek. onder kielemorten.
kielengoed, kielegoed, zelfstandig naamwoord ’t, Stof waarvan kiel en broek werden vervaardigd.
kielenpak, kielepak, zelfstandig naamwoord ’t, Kiel en broek (verouderd).
kien, kien, bijvoeglijk naamwoord, Uitgekiend, uitgeslapen. | ’t Is een kiene knaap. Zegswijze da’s grôte kien en kloine doppies, dat zijn dikke vrienden. Het woord kien is hier ontleend aan het kienspel. Uit Frans quine = vijf nummers op een rij.
kiep, kiep, zelfstandig naamwoord de, 1. Hengselmand. 2. Strooien vrouwenhoed die op de kap werd gedragen. Vgl. Fries kyp. 3. Kiepersvrouw. Zie over de mogelijke grondbetekenis van het woord het N.E.W. onder kiep.
kiep, kiep-kiep-kiep, roep om kippen te lokken.
kiepdag, kiepdag, zelfstandig naamwoord de, Dag waarop men met de kiep of hengselmand mocht venten of dag waarop men de ‘kiepe’ of ‘kiepersvrouwe’ aan de deur verwachtte. Vgl. Boek.
kiepen, kiepe, werkwoord, 1. Kippen, omkantelen. 2. Een stevige borrel drinken. Eigenlijk een borrel naar binnen kippen.
kiepen, kiepe, werkwoord, Met een kiep of hengselmand koek en suikergoed uitventen in de sinterklaastijd (verouderd). Vgl. Boek.
kiepen, kiepe, werkwoord, Stilletjes of stiekem kijken (verouderd).
kieper, kiepert, zelfstandig naamwoord de, Borrel, flinke slok. Verkleinvorm kiepertje. Borreltje, slokje. Vgl. Fries kiperke. Zegswijze ’n kloin kiepertje hewwe, enigszins aangeschoten zijn.
kieperen, kiepere, werkwoord, 1. Kippen, omkantelen, tuimelen. | Hai kieperde te water. 2. Doen tuimelen of vallen, gooien. | Hai kieperde ’t hêle zoôtje te water.Vgl. Fries kiperje.
kiepersvrouw, kiepersvrouw, zelfstandig naamwoord meervoud, Vrouw die met de kiep of hengselmand koek en suikergoed uitventte in de sinterklaastijd.
kiepkar, kiepkar, zelfstandig naamwoord de, Kipkar.
kiepster, kiepster, zelfstandig naamwoord, Zie kiepersvrouw.
kiepwagen, kiepwagen, zelfstandig naamwoord de, Kipwagen.
kier, kiere, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze in de kiere hewwe, in de gaten hebben. Eigenlijk in de kieren of spleten van de ogen hebben, uit de ooghoeken waarnemen.
kiereboe, kiereboe, zelfstandig naamwoord de, Ouderwetse, vierwielige boerenwagen waarvan de (witte) kap op riemen rustte.
kierewiet, kierewiet, bijvoeglijk naamwoord, Gek, idioot. | Je loike wel kierewiet. Het woord is ontleend aan het Bargoens.
kierkijkje, kierekiekie, zelfstandig naamwoord ’t, Soort kijkkastje, meestal een doos met een kier of gleuf waardoor men anderen voor een (halve) cent liet kijken.
kies, kies, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n kies trekke leite, een hoge pacht of een hoge rekening betalen. – Zô gauw je ’n kies kroige mit ’n kroôntje, zet dat maar uit je hoofd, dat krijg je nooit.
kies, kies-kies, lokwoord om schapen te roepen.
kietelen, kietele, kiezele, kiedele, werkwoord, Kittelen; variant kiedele. Vgl. Fries kidelje.
kietelig, kittelig, bijvoeglijk naamwoord, Prikkelbaar. | Wat bè je toch kittelig. Het woord is een afleiding van kittelen.
kieteltje, kiedeltje, kieteltje, kiezeltje, zelfstandig naamwoord ’t, Kittelingetje, o.a. in het ouderwetse kinderrijmpje: Hou op je hand, verkoup je land, mit huis en hof, mit kalf en koe en ’n kloin, kloin kiedeltje toe.
kieuw, kuw, zelfstandig naamwoord de, 1. Kieuw. 2. Naadje (verouderd). Verkleinvorm kuwetje, in de zegswijze ’n kuwetje kreêwe, een naadje naaien (verouderd).
kievit, kieft, zelfstandig naamwoord de, Kievit. Zegswijze loupe as ’n kieft, vlot of heel hard lopen.
kievitsboon, kieftebône, zelfstandig naamwoord meervoud, Zwart-wit gespikkelde bonen die bij het ‘bonen zoeken’ verwijderd worden.
kievitsbroed, kiefiesbroed, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Kievitenbroedsel, pas uitgebroede kieviten. 2. Groot, rommelig gezin. 3. Rommelig huis met allerlei aanbouwsels.
kievitsbroederij, kieftebroeieraai, zelfstandig naamwoord de, Zie kiefiesbroed.
kievitsei, kiefte-aai, zelfstandig naamwoord ’t, Kievitsei.
kievitsgebroed, kieftegebroed, zelfstandig naamwoord ’t, Zie kiefiesbroed.
kievitsnest, kieftenest, zelfstandig naamwoord ’t, Kievitsnest.
kiezel, kiezeltje, zelfstandig naamwoord ’t, Kiezelsteentje. | D’r zit ’n kiezeltje in m’n skoen.
kiezel, koizel, zelfstandig naamwoord de, Verouderde variant van kiezel (steentje).
kift, kift, zelfstandig naamwoord de, Afleiding van kiften = kijven, ruziën, in de zegswijze da’s de kift, dat kun je niet hebben, daar ben je jaloers op.
kijk, koik, zelfstandig naamwoord de, Kijk, in de zegswijze deer is de koik an of, daar hoeven we niet meer naar om te kijken, dat ziet er piekfijn uit. – Te koik komme, komen kijken. | Ik kom deimie wel efkes te koik. – Hei je d’r beetje koik op? 1. heb je er zin in 2. heb je er goede hoop op. Verkleinvorm koik, in de zegswijze om ’n koikie gaan, iets gaan bekijken of bezichtigen. – Erges ’n koikie op hewwe, ergens een hekel aan hebben, | Bollepellen, deer het ze ’n koikie op; ze gaat liever mee te rôden – Hai het ’n koikie op heur, hij heeft een oogje op haar, wil haar voor zich winnen.
kijken, koike, werkwoord, Kijken, in de zegswijze mit z’n linker oug in z’n rechter diesek (broekzak) koike, erg scheel kijken. – Je koike de mense wel vóór de kop, maar niet erin, mensen zijn vaak moeilijk te doorgronden, doen zich vaak heel anders voor dan ze in werkelijkheid zijn. – Je koike de mense wel voor de kop, maar niet in de krop, zie de vorige zegswijze – Nei de âre week koike, zeer scheel kijken. – Hai koikt of ie de ien het en an de aâr beginne wul, hij kijkt erg kwaad, agressief.
kijkerig, koikerig, bijvoeglijk naamwoord, Schichtig, schrikachtig. | ’t Is ’n koikerig peerd.
kijkkastman, kiekkasmanne, kiekkastmanne, zelfstandig naamwoord meervoud, Mannen die met de ouderwetse kiekkast door de dorpen trokken. Zegswijze voor kiekkas(t)manne moet je uitkoike, vreemde, rondtrekkende lieden zijn vaak onbetrouwbaar, houd ze dus goed in de gaten (verouderd).
kikkebik, kikkeflikke, zelfstandig naamwoord meervoud, Zie kikkemikke.
kikkebik, kikkemikke, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze alle kikkemikke, om de haverklap. Een oude zegswijze luidde: kikken noch mikken = kikken noch zich verroeren. Letterlijk betekent dus alle kikkemikke ‘bij elke kik of beweging’. Vgl. Boek. met de variant: alle kikkebikken.
kikker, kikker, kikkerd, zelfstandig naamwoord de, Kikker. Vgl. Fries kikkert. Zegswijze ’n kouwe kikker(d), 1. een koukleum. 2. Een gevoelloos persoon. – Hai het ’n grote kikker(d) in de keêl, hij heeft een grote adamsappel. – D’r zit ’n kikker(d) in m’n keêl, gezegd als men hees is of als men de keel schraapt, omdat er iets zit dat het spreken bemoeilijkt. – ’t Is in de kikker z’n bek, het is naar de zin, het komt goed van pas. Meervoud kikkers, in de zegswijze kikkers op wild jage, schertsend voor baggeren, modderen. | Azze we winterdags niet veul te doen hadde, zee vader altoid: ‘Gane julle maar ’n toidje kikkers op wildjage.’ – In oôs toid hadde de kikkers nag ’n broek an, schertsend opgemerkt met betrekking tot ouderwetse sexuele taboes. – Weer kikkers benne, benne ooievaars, waar iets te halen of te verdienen valt, zijn er liefhebbers genoeg.
kikkeren, kikkere, werkwoord, 1. Springen als een kikker. 2. Tuimelen, vallen. | Hai kikkerde te water. 3. Doen vallen, gooien. | Hai kikkerde alles te water. 4. Eten, schranzen. | Ze houwe van goed kikkeren. 5. Koukleumen, rillen, huiveren.
kikkerig, kikkerig, bijvoeglijk naamwoord, Rillerig, huiverig. | Ik ben de hêle dag al kikkerig.
kikkerwik, kikkerwikkie, zelfstandig naamwoord ’t, Kikkerslootje, klein, smal slootje. Zie wik, wikkie.
kil, kil, zelfstandig naamwoord de, Kilheid, koude. | Maak de kachel efkes an, dat de kil uit de kamer is. Ik wul ’n glas melk, as de kil er maar of is.
kil, kil, zelfstandig naamwoord de, 1. Geul, waterloop. 2. Laag gelegen stuk land. Vgl. het N.E.W. onder kil 1.
kil, kil, bijvoeglijk naamwoord, 1. Schrikkerig. | ’t Peerd werd kil. 2. Griezelig. | Ik vond ’t maar kil, al dat bloed!
kildeel, koil-doil, keil-deil, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Op gelijke hoogte, gezegd van land en water (verouderd). Die akker loit koil-doil. Hiernaast de vorm keil-deil. Mogelijk is koil, keil een variant van kil, hier als stam van het werkwoord killen = zakken, geulen of kuilen vertonen, zodat de zegswijze er op zou duiden dat land en water voor een gelijk doil, deil = gedeelte, zakken, dus op gelijke hoogte liggen.
killen, kille, werkwoord, Kil of koud aanvoelen, tintelende kou veroorzaken. | Wat kille je biene.
killen, kille, werkwoord, Geulen of kuilen vertonen, zakken. | Die akker kilt puur. Vgl. kil.
kim, kimment, zelfstandig naamwoord de, 1. Grenslijn tussen land en water, veranderend met de waterstand. | De kimment is puur leig. 2. Ondiep gedeelte in een sloot waar de schuit niet aan de wal kan komen. 3. Hoek, inham. | Zei je mit zolder rôden goed in de kimmente komme! Het woord is een variant van kim. Zie aldaar.
kim, kim, kimme, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Inkerving in de duigen van een vat. 2. Rand of bodem van een vat. 3. Inspringende hoek, inham.
kind, kind,  koind, zelfstandig naamwoord ’t, in de zegswijze da’s ’n doôd kind mit ’n lam handje, dat stelt niets voor, daar heb je niets aan. Meervoud kindere, in de zegswijze kindere van wilde ouders (ouwers), wilde, ravottende kinderen (verouderd). – Kindere over ’t veld, buitenechtelijke kinderen die als het ware op het veld zijn verwekt (verouderd). – Kindere en spinnewiele, da’s ien-toet-mem, je bloive d’r teugen trappe, kinderen blijven je aandacht en zorgen opeisen, je moet ze (hardhandig) blijven corrigeren. Variant, doorgaans met sterke gevoelswaarde, koind | Arm koind! Wat is er, me koind?
kip, kiep, zelfstandig naamwoord de, 1. Variant van kip. 2. Ei.
kip, kip, zelfstandig naamwoord de, Ook: spotnaam voor onderwijzer. Zegswijze die kip loit gouwen aaiere, dat is een winstgevend zaakje. – Die kip zit weer op aaiere, dat probleem is weer opgelost. – Da’s voor ’n zieke kip, dat is de moeite niet, daar heb ik lang niet genoeg aan (vooral met betrekking tot eten). – Gien kip die je pikt, er wordt je niets in de weg gelegd. – Achter de kip anloupe en ’t peerd vergete, het belangrijkste werk verwaarlozen. – ’n Goeie kip loit z’n aaiere thuis, gezegd als men elders niet naar de w.c. kan of durft gaan. – Hai ken gien kip breêuwe, al kreeg ie de vere toe, hij presteert (op sexueel gebied) totaal niets. – Je lere eerder ’n kip zoike, as dat je ’n boer wat an z’n verstand brenge, krasse uitspraak die de eigenwijsheid en het conservatisme van vele boeren hekelt. – ’t Is makkeleker ’n kip pisse te leren as van ’n boer ’n bouwer te maken, krasse vergelijking die aangeeft, dat de omschakeling van boer naar tuinder een hele opgave is. Meervoud kippe, in de zegswijze Pettemer kippe, schertsnaam voor zeemeeuwen (verouderd). – Je kippe loupe los, het split van je broek staat open. – De skout van Egmond leit z’n kippe (z’n duive) los, er is storm op til, de meeuwen (hier kippen of duiven genoemd) trekken landinwaarts (verouderd). – Kippe skrape achteruit, het houden van kippen leidt gauw tot verlies. – Ik moet effies doen wat de kippe niet doene, ik moet even urineren. – De kippe stane droug, schertsend voor: de kippen zijn van de leg af.
kipas, kiepas, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze niet veul kiepas hewwe, niet veel vrijaf hebben (verouderd). Eigenlijk niet veel gelegenheid hebben om te kiepassen = zich koelte toe te wuiven (en dus even te rusten). Zie kiepasseraai.
kipasserij, kiepasseraai, zelfstandig naamwoord de, 1. Ongepaste vrijmoedigheid (verouderd). 2. Gevlei, geflikflooi (verouderd). Mogelijk is het woord afgeleid van maleis kiepassen = zich koelte toewuiven met een waaier, in dit verband op een moment dat men eigenlijk moet werken.
kippenbiest, kippebiest, zelfstandig naamwoord de, Schertsnaam voor advocaat. | Geef moin maar ’n glaasie kippebiest.
kippenboede, kippeboet, zelfstandig naamwoord de, Schuur(tje) dienend als kippenhok.
kippendrift, kippedrift, zelfstandig naamwoord de, Driftige haast, gejaagdheid.
kippendrijt, kippedrit, zelfstandig naamwoord de, Kippestront.
kippeneind, kippe-endje, zelfstandig naamwoord ’t, Kleine afstand. | ’t Is van hier nei skoôl maar ’n kippeendje loupen.
kippenhok, kippehok, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: spotnaam voor de lagere school. Zegswijze je kippehok staat open, het split van je broek staat open.
kippenpap, kippepap, zelfstandig naamwoord de, Zie kippebiest.
kippenschots, kippeskos, zelfstandig naamwoord de, Kippenhandelaar.
kirgen, kirge, werkwoord, Kermen, hijgen van benauwdheid (verouderd).
kirriekirrie, kirrie-kirrie, bijwoord, Net aan, op het nippertje. | ’t Was kirrie-kirrie of ik had de bus mist.
kist, kist, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze spoiker de kist maar dicht, maak er maar een eind aan, maak de partij (biljart) maar uit.
kistjeskerel, kissieskirrel, zelfstandig naamwoord de, Zie kassiesventer.
kistjesventer, kissiesventer, zelfstandig naamwoord de, Zie kassiesventer.
kits, kits, bijvoeglijk naamwoord, In orde, okee, gezond. Uit Jiddisch (alles) gietes = (alles) gute, (alle) goeds.
kittel, kittel, zelfstandig naamwoord de, Kei.
klaar, klaar, bijvoeglijk naamwoord, in de zegswijze klaar Arie, dat is klaar, dat zit er op. – Klaar werk hewwe, het werk gedaan hebben. | Je hewwe as boer niet gauw klaar werk. – Klaar werk make, het werk gedaan maken, een zaak afdoende regelen.
klaarmaken, klaarmake, werkwoord, Zie toereide.
klaarsnijden, klaarsnaaie, werkwoord, Van te voren brood snijden, smeren en beleggen.
klaarzoeken, klaarzoeke, werkwoord, Klaar leggen. | Heije al skoôn ondergoed klaarzocht?
kladdeboter, kladdebutter, zelfstandig naamwoord de, Smerig, slordig (werkende) persoon, knoeipot, morsen.
kladdeboteren, kladdebuttere, werkwoord, Knoeien, morsen, slordig werken.
kladden, kladde, werkwoord, Morsen, knoeien.
kladder, kladder, zelfstandig naamwoord de, 1. Morser, knoeier. 2. (Klad)schilder.
kladdig, kladdig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Smerig, modderig, slordig. | Wat hei je weer kladdige skoenen an je biene. Wat bè je toch weer kladdig in de weer.
kladdigheid, kladdighoid, zelfstandig naamwoord de, Smerigheid, slordigheid.
klagen, klage, werkwoord, in de zegswijze klage en klieme, dubbelzegging voor klagen.
klager, klagers, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze klagers hewwe gien noôd (pochers hewwe gien broôd), velen klagen van weelde (anderen maskeren hun armoede door gepoch).
klak, klaak, zelfstandig naamwoord de, Klak, klodder, hoeveel klei of modder. | De klake prut lagge op ’t vloerkleid. D’r zit ’n klaak modder onder je iende skoen.
klak, klak, bijwoord, toevallig (verouderd). ’t Kwam klak zô uit.
klamkont, klamkont, zelfstandig naamwoord de, Ruziemaker, kibbelaar.
klamkonten, klamkonte, werkwoord, Ruziën, kibbelen.
klammen, klamme, werkwoord, Kijven, ruziën, kibbelen. Mogelijk is het woord een dialectische variant van klemmen, in de zin van: in de klem nemen, of een dialectische variant van klampen, in de zin van aanklampen.
klammer, klammers, zelfstandig naamwoord meervoud, Ruziemakers, kibbelaars, in de zegswijze twei klammers, twei (baaiegaâr) skuld, als twee mensen ruzie maken, hebben ze beiden schuld.
klamp, klamp, zelfstandig naamwoord de, in de combinatie an de klamp zette, hooi op de hooischelf plaatsen.
klant, kalánt, zelfstandig naamwoord de, Verouderd voor klant, cliënt.
klap, klap, zelfstandig naamwoord de, Klap, slag, in de zegswijze d’r ’n klap teugen an geve, met de Franse slag werken. – ’n Klap van hoisa, een enorme klap, – ’n Klap dat je nei de âre week koike, een enorme klap. | As je je smoel niet houwe, zel ik je ’n klap geve dat je nei de âre week koike! – An de klap rake, aan het vechten raken.
Klapbessen, klapbesse, zelfstandig naamwoord meervoud, Verouderde spotnaam voor de bewoners van Lutjebroek.
klapblaas, klapbleis, zelfstandig naamwoord de, Varkensblaas die men opblies en met een klap kon laten springen.
klappen, klappe, werkwoord, Ook: met een klap vallen of doen vallen, smijten. | ’t Klapt van ’t water. Hai klapte teugen de grond. Hai klapte alles te water.
klapperen, klappere, werkwoord, Variant van klepperen, klepperend heen en weer gaan.
klapperhoutje, klapperhoutjes, zelfstandig naamwoord meervoud, Variant van klepperhoutjes, castagnetten.
klapscheet, klapskeet, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze om de klapskeet, om de haverklap. Meervoud klapskete, in de zegswijze alle klapskete, om de haverklap, herhaaldelijk. Vgl. Fries alle klapsketen.
klarigheid, klarighoid, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze klarighoid make, toebereidselen treffen.
klassineren, klassinère, werkwoord, 1. Gezellig kletsen of keuvelen, vgl. Fries klasjenearje. 2. Ruziën, kibbelen.
klauw, klauw, kleêuw, zelfstandig naamwoord de, Variant kleêuw, uiteinde van de poot met nagels. Ook: ijzeren hark met zware balk en zeven tanden, voorts met een lange houten steel met helt of handgreep. De klauw wordt gebruikt voor het fijn maken van grove kluiten.
klauwen, klauwe, kleêuwe, werkwoord, Variant kleêuwe, de klauwen uitslaan, krabben. Ook: het fijn maken van grove kluiten met de klauw.
klauwer, kleêuwer, zelfstandig naamwoord, 1. Dier dat klauwt of krabt. 2. Sterke, flinke vrouw.
klauwhamer, kleêuwhamer, zelfstandig naamwoord de, 1. Grote hamer met een als een klauw gespleten achtereinde voor het uittrekken van spijkers. 2. Grote, houten hamer.
klaver, klaver, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze weer op de klaver weze, weer op de been zijn na een ziekte.
klaverjassen, kláverjasse, werkwoord, Variant van klaverjássen.
kledder, ledder, zelfstandig naamwoord de, Harde trap of slag. | Ik gaf die bal toch ’n ledder!
kleed, kleid, zelfstandig naamwoord ’t, Kleed. Verkleinvorm kleidje. Ook: jurk(je), japon(netje).
kleedjesrok, kleidjesrok, zelfstandig naamwoord de, Rok die onder het jurkje werd gedragen.
kleermaker, kleremaker, zelfstandig naamwoord de, Kleermaker.
klefnat, klefnat, bijvoeglijk naamwoord, Variant van kletsnat.
klei, klaai, zelfstandig naamwoord de, Klei, in de zegswijze deer zit klaai an de kloet, daar zit geld. Klei duidt hier op vette, vruchtbare grond.
kleihengst, klaaihengst, zelfstandig naamwoord de, Boerenpummel, stommeling.
klein, kloin, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Klein. 2. Als tegenstelling van ruim. | D’r was kloin honderd man. Hai verdient kloin voiftig gulden daags. Zegswijze deer bèje nag te kloin en te kladdig voor, opmerking waarmee men kleine kinderen afscheept die een lastige vraag stellen of die iets willen waarvoor men ze nog te jong acht.
kleine aannemeling, kloin-annemelinkie, zelfstandig naamwoord ’t, Kind dat zijn eerste H. Communie doet.
kleinekinderbedtijd, kloinekinderebedtoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd voor de jongste kinderen om naar bed te gaan. | Zeuven uur is kloinekinderebedtoid.
kleins, kloins, zelfstandig naamwoord, in de zegswijze van kloins of an, van jongs af aan.
kleintje, klointje, zelfstandig naamwoord ’t, Ook: baby. | Ze moet ’n klointje kroige.
kleinzeer, klienzeer, zelfstandig naamwoord de, Kleinzerig iemand (verouderd).
kleinzerig, klienzerig, bijvoeglijk naamwoord, Oude Hollands-Friese vorm van kleinzerig. Vgl. Fries kliensearich.
kleitrapper, klaaitrappers, zelfstandig naamwoord meervoud, 1. Grote grove, smerige schoenen. 2. Spotnaam voor Wogmeerders in tegenstelling tot Spierdijkers die Zandtrappers werden genoemd.
klep, klap, zelfstandig naamwoord de, Variant van klep. | De klap van je pet is puur vettig.
klep, klep, zelfstandig naamwoord de, Ook: kletskous, roddelaar (ster).
klepboezel, klapboezel, zelfstandig naamwoord de, Boezelaar met een klep van voren.
klepbroek, klapbroek, zelfstandig naamwoord de, 1. Groflinnen werkbroek met een klep. Deze broek werd over de andere werkbroek aangetrokken voor arbeid die men op de knieën liggend verrichtte. 2. Ouderwetse ‘verkleiderse’ broek met een klep.
klepmand, klapmand, zelfstandig naamwoord de, Hengselmand gedekt door een klep.
kleppen, kleppe, werkwoord, Ook: kletsen, roddelen.
klepper, klepper, klepperd, zelfstandig naamwoord de, 1. Kletskous, roddelaar(ster). 2. Groot, log mens, dier of ding. | Hai vong’n klepper(d) van ’n snoek.
klepzeiker, klepzoiker, zelfstandig naamwoord de, 1. Kletsmeier 2. Zeurpiet, sul.
klerage, kledázie, zelfstandig naamwoord de, Kledij (verouderd). Vgl. Fries kledaezje.
klerenhoutje, klerehoutje, zelfstandig naamwoord ’t, Kleer- of klerenhanger.
klerenlijn, klereloin, zelfstandig naamwoord de, Waslijn.
klerenpoep, klerepoep, zelfstandig naamwoord de, Zie lappiespoep.
klerenrek, klererekkie, zelfstandig naamwoord ’t, Houten rekje waaraan o.a. kleren te drogen worden gehangen. | Zet ’t klererekkie maar efkes om de kachel.
klerenschuier, klereskuier, zelfstandig naamwoord de, Kleer- of klerenborstel.
klessebes, klessebes, zelfstandig naamwoord de, Zie kles.
klessebessen, klessebesse, werkwoord, Zie klesse.
klet, klet, zelfstandig naamwoord ’t, Verkleinvorm kletje. Zie kletjakkie.
kletjak, kletjakkie, zelfstandig naamwoord ’t, Kort bovenjakje met van voren een split (verouderd).
klets, kles, zelfstandig naamwoord de, Kletsmeier, roddelaar(ster).
kletser, klesser, klesserd, zelfstandig naamwoord de, Zie kles.
kletser, klesser, klesserd, zelfstandig naamwoord de, Een natte sok of kous ten gevolge van een gat in het schoeisel. (Onderdijk). Meervoud klissers, in de zegswijze klissers hale, (met opzet) kletsnatte voeten ophalen. (Onderdijk).
kletserig, klesserig, bijvoeglijk naamwoord, Kletserig, praatziek.
kletserig, klesserig, bijvoeglijk naamwoord, Klef, niet goed doorbakken. | Klesserig brood.
kletskont, kleskont, zelfstandig naamwoord de, Zie kles.
kletsnat, klisnat, bijvoeglijk naamwoord, Kletsnat.
kleum, kleum, zelfstandig naamwoord de, In de zegswijze ’n kleum weze, een koukleum zijn. – De kleum in hewwe, kleumen, het erg koud hebben. – ’t Land het nag de kleum in, het land is nog koud en nat.
kleums, kleums, bijvoeglijk naamwoord, Variant van kleumerig, verkleumd, rillerig.
kleunen, kleune, werkwoord, Vechten, slaan. Vgl. Middelnederlands clónen, cluenen = klappen, snappen. Zie het N.E.W. onder kleunen.
kleuren, kleure, werkwoord, in een combinatie als: je kleure goed mit blauw, mit grois, mit roôd enz. = blauw, grijs, rood enz. kleurt je goed. Vgl. voor een soortgelijke omkering het werkwoord staan.
kleuter, kleuter, zelfstandig naamwoord de, Ook: koukleum (verouderd).
kleuteren, kleutere, werkwoord, Klaarspelen, in orde brengen (verouderd).
kleuteren, kleutere, werkwoord, Kleumen (verouderd).
klieder, klieder, zelfstandig naamwoord de, Morser, knoeier, smeerpoets.
kliederaar, kliederaar, zelfstandig naamwoord de, Zie klieder.
kliederen, kliedere, klietere, werkwoord, Morsen, kladden, knoeien. Vgl. het N.E.W. onder kliederen.
kliederig, kliederig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Modderig, smerig. 2. Klef, niet goed doorbakken. | Kliederig broôd.
kliek, kliek, zelfstandig naamwoord de, Etensrest, afgekloven restant, meestal in samenstellingen als ’n appelekliek, ’n perekliek, Zie het N.E.W. onder kliek. 1. Zegswijze de hêle kliek erve, de hele boel erven. Verkleinvorm kliekie. Etensrestje. Afgekloven restant van een vrucht.
klieken, klieke, werkwoord, Morsen (bij het eten).
kliekjesdag, kliekiesdag, zelfstandig naamwoord de, Zie lessiesdag.
kliemen, klieme, werkwoord, Klagen, zeuren. Vgl. Fries klieme. Ouder Nederlands klijmen = lijmen, lijmerig spreken, zeuren.
kliemer, kliemer, zelfstandig naamwoord de, Klager, zeurpiet. Vgl. Fries kliemer.
kliemerig, kliemerig, bijvoeglijk naamwoord, 1. Kleverig, niet goed doorbakken | Kliemerig brood. Vgl. Fries kliemsk. 2. Klagerig, temerig, zeurderig. Vgl. Fries kliemerich.
kliemig, kliemig, bijvoeglijk naamwoord, Zie kliemerig.
kliemzeer, kliemzeer, zelfstandig naamwoord de, Kleinzerig iemand.
kliemzerig, kliemzerig, bijvoeglijk naamwoord, Kleinzerig. Mogelijk is naast de oude Hollands-Friese vorm klienzerig de variant kliemzerig ontstaan onder invloed van het werkwoord klieme = klagen.
kliemzerigerd, kliemzerigerd, zelfstandig naamwoord de, Kleinzerig iemand.
klienen, kliene, werkwoord, Klein, fijn maken van kaasstof. Het woord is een afleiding van klien, de oude Hollands-Friese vorm van klein.
kliener, kliender, zelfstandig naamwoord de, Instrument waarmee de kaasstof fijn wordt gemaakt. Vgl. keiskliender en deurhaalder.
klieren, kliere, werkwoord, Plagen, pesten, vervelend bezig zijn.
klim, klim, zelfstandig naamwoord de, Ook: glooiing, aflopende zijde van een dijk.
klink, klink, zelfstandig naamwoord de, Ook: uitwendig geslachtsdeel van een koe of een merrie. Vgl. Fries klink. Zegswijze ’n vraaier ophange an de klink van de deur, een vrijer niet binnen laten, afschepen.
klinkbuil, klinkbuul, zelfstandig naamwoord de, Collectezakje met van onder een belletje. Het zakje was bevestigd aan een lange stok. | Je ziene ze nou in de kerk gien meer mit de klinkbuul loupe.
klinktem, klinktem, in de zegswijze van klinktem, van je welste. – ’t Was van klinktem, er werd stevig geklonken en gedronken.
kliphard, kliphard, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Keihard, ijskoud, laconiek.
klits, klis, klits, kles, zelfstandig naamwoord de, 1. Ontuchtige vrouw, lellebel, smerig wijf. Vgl. Fries klitse. Oorspronkelijk betekende klits of klis: teef, wijfje van de hond. Zie het N.E.W. onder klits. 2. Ouderwetse, open vrouwenonderbroek.
klodder, klodder, zelfstandig naamwoord de, Kluit van een dikke, brijachtige massa. | ’n Klodder klaai, ’n Klodder deig, ’n klodder vurf enz.
klodderen, kloddere, werkwoord, 1. Ruw schilderen. 2. Morsen, knoeien. 3. Lurken, zuigen.
kloet, kloet, zelfstandig naamwoord de, Dunne vaarboom, doorgaans van grenenhout. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder kloet. Zegswijze zet de kloet maar an de kant, geef het maar op, stop er maar mee (o.a. gezegd bij een spel).
kloet, kloet, kluut, kloetje, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Kuiltje, knikkerkuiltje. kluut ook: kommetje, bakje (verouderd).
kloeten, kloetjese, kluutjese, werkwoord, Knikkers in een kloetje of kuiltje rollen of mikken.
kloeten, kloete, werkwoord, Het voortbomen van een schuit door middel van een kloet.
kloken, klouke, werkwoord, 1. Uitwroeten, schoonmaken d.m. v. een puntig voorwerp. | ’n Poip klouke. Z’n tande klouke. 2. Ondermijnen van land door water. Vgl. het N.E.W. onder kloker.
kloker, klouker, zelfstandig naamwoord de, Puntig voorwerp om iets uit te wroeten of schoon te maken. Vgl. het N.E.W. onder kloker.
klokgaaf, klokgeif, bijvoeglijk naamwoord, Klokgaaf.
klokhen, klokhen, zelfstandig naamwoord de, Broedende hen.
Klokkedieven, Klokkedieve, zelfstandig naamwoord meervoud, Scheldnaam voor de inwoners van Schermerhorn.
klokkenwinder, klokkewinder, zelfstandig naamwoord de, Man die de torenklok opwond.
klokkeren, klokkere, werkwoord, Een aanhoudend klokkend of klotsend geluid maken. | ’t Water klokkerde in z’n klompe.
klomp, klomp, zelfstandig naamwoord, Klomp. Men onderscheidde wel: bouwersklompe (gedragen op de akker), skuitklompe (extra paar klompen voor gebruik in de schuit, gewoonte van zeer nette tuinders), kerkklompe of zundesse klompe en swarte klompe (gedragen bij rouw). Zegswijze z’n klomp skeurt licht, hij wordt gauw kwaad. Meervoud klompe, in de zegswijze mit z’n klompe in ’t spul (in ’t gelag) komme, een goede stemming op plompe wijze verstoren, zich als een ongelikte beer gedragen. – Mit de klompe op ’t ois komme, zich op glad ijs wagen, zich wagen op een terrein waar men niet thuishoort. – De klompe skoôn ofloupe, zeer zuinig zijn, zeer zuinig huishouden. – Die ken niks aârs as op klompe loupe, die kan niets, die is zeer onhandig, die is aartslui.
klompenhut, klompehut, zelfstandig naamwoord de, Spotnaam voor een cafë waar alleen de (boeren) arbeiders kwamen (Barsingerhorn) Vgl. lakneuzehut.
klompenmarkt, klompemarkt, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ze komt op de klompemarkt, gezegd van een meisje dat de leeftijd van 30 jaar naderde en nog niet getrouwd was.
klompenozing, klompehossie, zelfstandig naamwoord ’t, Portaaltje, aanbouwtje waar o.a. de klompen worden neergezet. Vgl. hos en hossie.
klomplaars, klompleerze, zelfstandig naamwoord meervoud, Klompen waaraan een laarzeschacht van leer of zeildoek bevestigd is. Men droeg ze o.a. bij het zuurkooltrappen en het rietmaaien.
klompschoen, klompskoene, zelfstandig naamwoord meervoud, Schoenen met houten onderwerk.
klompsok, klompsokke, zelfstandig naamwoord meervoud, Linnen of leren oversokken die in de klompen werden gedragen om het slijten van sokken of kousen tegen te gaan.
klonter, klonster, zelfstandig naamwoord de, Variant van klonter, kluit (verouderd). Vgl. kloster.
klonter, kloster, zelfstandig naamwoord de, Klonter van sneeuw of modder onder schoeisel. Vgl. Engels cluster.
klonteren, klostere, werkwoord, Aanklonteren van sneeuw of modder onder schoeisel.
klooi, klooi, zelfstandig naamwoord de, Klungel, onhandig persoon.
klooien, klooie, werkwoord, Klungelen, onhandig bezig zijn.
klook, klouk, zelfstandig naamwoord de, Morsig, smerig wijf.
kloot, kloôt, zelfstandig naamwoord de, Ook: variant van klootzak | Wat ’n kloôt van ’n kirrel. Zegswijze gien kloôt, totaal niets. | ’t Scheelt m’n gien kloot. Evenals in het gemeenzaam Nederlands wordt in het Westfries klôte in allerlei gelegenheidskoppelingen met een ongunstige betekenis gebruikt, bv. klôtekirrel, klôteskoôl, klôteweer, klôtewerk enz. enz.
kloot, klôte, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze ’t is klôte (van de bok), het is waardeloos, het stelt niets voor. – Nei de klôte, kapot, verloren.
kloot- en keutelsjouw, kloôt- en koetelsjouwtjes, zelfstandig naamwoord meervoud, Onbetekenende, onaangename karweitjes.
klootschaven, kloôtskave, werkwoord, Slenteren, lummelen (verouderd).
klootzak, kloôtzak, zelfstandig naamwoord de, Ellendeling, hufter. Vaak werd als reactie op de uitroep ‘kloôtzak’ geantwoord: ‘Je zuster in ’n broôdzak’.
klootzakken, kloôtzakke, werkwoord, Vervelend doen, sarren. | Lèg toch niet zo te kloôtzakken.
klopop, klop-op, zelfstandig naamwoord de, Bazige, bedillerige vrouw.
kloppen, kloppe, werkwoord, in de zegswijze dat klopt as ’n swerende vinger, dat klopt precies.
kloris, kloris, zelfstandig naamwoord de, Vrijer. | Komt je kloris veneivend nag. Vgl. Kloris en Roosje, het blijspel waaraan de naam Kloris is ontleend.
klos, klos, zelfstandig naamwoord de, Klots, in de zegswijze op de klos speule, de biljartballen met opzet laten klotsen. – Uit de klos houwe, de biljartballen zó spelen, dat ze niet klotsen.
klossen, klosse, werkwoord, Met klossen vissen, d.w.z. met drijvende houtjes waaraan een snoer of touwtje met een haakje (voorzien van aas) is bevestigd.
klossen, klosse, werkwoord, Klotsen, klotsend lopen.
klossenbak, klosbak, zelfstandig naamwoord de, Houten bak waarin de klossen voor het vissen worden bewaard.
klosvergunning, klosvergunning, zelfstandig naamwoord de, Vergunning om met klossen te vissen.
kloten, klôte, werkwoord, Zie kloôtzakke.
klotenbibber, klôtebubber, zelfstandig naamwoord de, Klootzak, hufter.
klotenboeren, klôteboere, werkwoord, Ouderwets spel gespeeld met (straat) stenen.
klucht, klucht, zelfstandig naamwoord de, Plezier, grap, in de zegswijze voor de klucht, voor de lol, niet serieus bedoeld. Elk ken(t) z’n oigen klucht, ieder kent zijn eigen pleziertjes, ieder doet waar hij zin in heeft.
kluchten, kluchte, werkwoord, Plezier maken, ravotten.
kluchteren, kluchtere, werkwoord, (Aanhoudend) plezier maken, ravotten.
kluchthouden, kluchthouwe, werkwoord, Zie kluchte.
kluchtig, kluchtig, bijvoeglijk naamwoord, Grappig, koddig.
kluft, klucht, kluft, zelfstandig naamwoord de, Helling, heuvel, oprit bij een dijk of dam. Klucht is de jongere vorm van kluft, vergelijkbaar met klif en klip, vormen die waarschijnlijk zijn afgeleid van cliven, kleven, in de zin van: kleven aan, zich vastklemmen aan of tegen het te beklimmen voorwerp. Vgl. Fries kluft.
kluis, kluiske, zelfstandig naamwoord ’t, Huisje, hutje.
kluit, kluit, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de hêle kluit, de hele boel, al het geld. | Hai het de hêle kluit urven. – De kluit belazere, de zaak beduvelen.
kluiten, kloete, klute, werkwoord, Zie kloetjese. Zie ook storte.
kluiter, kleuters, zelfstandig naamwoord meervoud, in de zegswijze de kleuters bai mekaar houwe, orde op zaken houden, het bezit in takt houden. Kleuters is hier wsch, een bijvorm van kluiten in de zin van geld. Vgl. kluit.
kluitjesdrager, kluitjesdreiger, zelfstandig naamwoord de, Soort insekt, doodgraver. Letterlijk kluitjesdrager.
kluitjespap, kluitjespap, zelfstandig naamwoord de, Melk met meel gekookt, waarbij het meel aan klonten bleef.
kluiven, kluive, werkwoord, in de zegswijze ientje kluive, iemand overvragen, afzetten, van iemand profiteren.
kluizen, kluize, werkwoord, in de zegswijze ’t zel er kluize, het zal er spannen, te keer gaan. | Nou, ’t het er klozen, ’oor!
klungel, klongel, knungel, zelfstandig naamwoord de, 1. Variant van klungel. 2. Iemand die in het geniep handelt of koppelt (verouderd). Vgl. Fries klongel.
klungelen, klongele, knungele, werkwoord, 1. Variant van klungelen. 2. In het geniep handelen (verouderd). 3. Koppelen, op slinkse of ongewenste wijze bij elkaar brengen (verouderd). | Ik leit m’n niet klongele.
kluns, kluns, zelfstandig naamwoord de, Klungel, stommerd.
klunzen, klunze, werkwoord, Klungelen, onhandig of stom te werk gaan.
klus, klus, zelfstandig naamwoord de, Uitzakkende onderlip.
klus, klussie, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Klusje, karweitje. 2. Partijtje, zootje. | Ik hew nag ’n klussie brandhout lègge.
klusjesman, klussiesman, zelfstandig naamwoord de, Man die allerlei klusjes opknapt.
klusjesmand, klussiesmand, zelfstandig naamwoord de, Zie sjouwtjesmand.
klussen, klussiese, werkwoord, Allerlei klusjes opknappen.
klussen, klusse, werkwoord, Een (extra) klusje of karweitje opknappen.
kluswerk, kluswerkie, zelfstandig naamwoord ’t, Klusje, karweitje.
klutsen, klusse, werkwoord, Klutsen.
klutser, klusser, zelfstandig naamwoord de, Klutser.
kluwen, kloen, klouwen, knouwel, knuwel, zelfstandig naamwoord de, Het kluwen. Verkleinvorm kloentje.
kluwenen, kloene, klouwene, knouwele, knuwele, werkwoord, Kluwenen.
kluzen, kluse, werkwoord, Oud jongensspel. Zie W.F.O.N. 8, 171.
knak, knak, bijvoeglijk naamwoord, Kwaad, gepikeerd (verouderd).
knak, knak, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n knak had hewwe, ernstig geleden hebben door een ziekte of ongeval.
knakker, knakker, knakkerd, zelfstandig naamwoord de, Rare sinjeur.
knap, gnap, knap, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Knap, aantrekkelijk. | Ik vind ’t ’n gnappe moid. 2. Net, netjes, fatsoenlijk. | Trek je gnappe pak maar an. ’t Benne gnappe burgermense. 3. Behoorlijk, flink. | Hai was gnap verveulend. Ik vind ’t gnap koud. Zegswijze gnap z’n broôd hewwe (verdiene), behoorlijk of op behoorlijke, fatsoenlijke wijze de kost verdienen. – ’n Gnap stik broôd hewwe (verdiene), behoorlijk de kost verdienen. – Z’n oigen gnap houwe, 1. zich fatsoenlijk, beheerst gedragen. 2. zich behoorlijk van zijn taak kwijten. – D’r gnap insteke, netjes gekleed zijn.
knap, knap, zelfstandig naamwoord ’t, in de combinatie voor knap, als nette, zondagse kleding. | Voor knap zou’k liever ’n are jurk an doen.
knap, gnappe, bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, in de zegswijze ’n gnappe lillekerd, spottend voor iemand die zeer lelijk is. – In ’t gnappe, in het fatsoenlijke. | Wat hew’we ’n skik had en alles in ’t gnappe, ’oor!
knaphandig, knaphandig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Met vlugge hand. (verouderd) Vgl. Fries knaphandich. 2. Vrij, vrijmoedig, onbeschaamd (verouderd).
knapjes, gnappies, bijwoord, Netjes, beschaafd. | Ze perbeert welders gnappies te praten. Opmerking: Ook de vergrotende trap ‘gnappieser’ wordt gebezigd. Vgl. netjeser.
knapperd, knapperd, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n ouwe knapperd, een oude man, een oud paard.
knar, knar, zelfstandig naamwoord de, 1. Hoofd. | Hai het ’n kale knar. 2. Knikker. 3. Onrijpe vrucht, stoofpeer. 4. Oud mens, dier of ding. 5. Gierigaard.
knarrelen, knarrele, werkwoord, Knabbelen.
knarsbeen, knarselbien, zelfstandig naamwoord ’t, Kraakbeen. Vgl. Fries knarsbien.
knarven, knarve, werkwoord, Knauwen, knagen.
knater, knater, zelfstandig naamwoord de, 1. Grote zak die de vrouwen onder hun rok droegen. 2. Portemonnee (verouderd). 3. Groot, log mens, dier of ding (verouderd).
knauwelen, knauwele, werkwoord, Knabbelen, herhaaldelijk knauwen of kluiven. Vgl. Fries knauwelje.
knauwen, knauwe, werkwoord, Ook: plat praten, met veel nadruk praten. Zegswijze hai knauwt de knoupe van je jas, hij praat zeer plat.
knecht, knecht, zelfstandig naamwoord de, 1. Knecht, arbeider. 2. Jongen. 3. Zoon. 4. Als vertrouwelijke aanspreekvorm tegen jongeren en leeftijdgenoten. | Hee knecht, hoe is ’t er mee? Wat is er, me knecht?. Meervoudsvarianten knechse, knechtse. Verkleinvorm knechie. 1. Knechtje. 2. Jochie. 3. Zoontje. | Ik hew zes knechies.
knechtenkist, knechtekist, zelfstandig naamwoord de, Kist waarin de inwonende boerenknecht zijn spullen bewaarde.
kneder, kneder, zelfstandig naamwoord de, Fors (vrouws)persoon.
kneert, kneert, kniert, knirt, zelfstandig naamwoord de, 1. Iemand die door de neus praat. 2. Klager, zeurpiet. 3. Dier dat kreunt. 4. Gierigaard. Zegswijze de ouwe kneert bloive, blijven sukkelen na een ziekte of ongeval.
kneerten, kneerte, knierte, knirte, werkwoord, 1. Door de neus praten. 2. Kreunen, knijpen, pijnlijke bewegingen maken bij het kalven. | Dat stomme dier kneert al puur zô’n toid. 3. Een piepend geluid maken, o.a. van scharnieren. | Die deur kneert. 4. Klagen, zeuren. 5. Gierig zijn.
kneerterig, kneerterig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Neuzig. | Hai praat puur kneerterig. 2. Klagerig, zeurderig. 3. Gierig.
kneertkont, kneertkont, zelfstandig naamwoord de, 1. Klager, zeurder. 2. Gierigaard.
kneertkonten, kneertkonte, werkwoord, 1. Klagen, zeuren. 2. Gierig zijn.
kneken, kneke, werkwoord, 1. Door de neus praten (verouderd). 2. Vertwijfeld klagen, nijdig kermen, zaniken. Zegswijze kneke zel daaie, wie nu klaagt (bv. over verlies bij een spelletje), heeft straks geluk (verouderd).
knerpen, knerpe, knarpe, werkwoord, Een snerpend, krakend geluid maken. | De snei knerpt onder m’n klompe.
knerper, knerper, zelfstandig naamwoord de, 1. Gierigaard. 2. Pummel.
kneteren, knetere, knedere, werkwoord, 1. Met handen of voeten in iets weeks kneden, roeren of trappen. 2. Met vuile voeten naar binnen lopen. 3. Doelloos heen en weer lopen. 4. Knorren, mopperen.
knie, kniese, zelfstandig naamwoord meervoud, Knieën. | Wat hei je kladdige kniese.
kniebol, kniebol, zelfstandig naamwoord de, Knie (verouderd).
kniebol, kniesebolle,  knippels, zelfstandig naamwoord meervoud, Knieën (verouderd). knippels verouderd voor knieën. De vorm knippels is ontstaan uit kniebols, kniebollen. Vgl. Fries knibbels.
kniebollen, kniebolle, werkwoord, Op knieën uien wieden.
knielap, knielappies, zelfstandig naamwoord meervoud, Leren lapjes die vroeger bij kinderen om de knieën werden gegespt ter bescherming van de lange kousen en knieën.
knijpbril, knoipbriltje, zelfstandig naamwoord ’t, Lorgnette.
knijpen, knoipe, werkwoord, Knijpen, in de zegswijze ’m knoipe as ’n dooie dief, erg bang zijn (voor nare gevolgen).
knijper, knoiper, zelfstandig naamwoord de, Ook: produkt waar vocht uit sijpelt als men er in knijpt, bv. kaas, aardappel, ui. Zegswijze ’n benauwde knoiper, een gierigaard.
knijper, knoiperd, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze in de knoiperd zitte, in angstige spanning zitten.
knijpertje, kniepertje, gniepertje, zelfstandig naamwoord ’t, Lichte beroerte, attaque. Letterlijk knijpertje.
knijping, knoipings, zelfstandig naamwoord meervoud, Samentrekkingen van spieren, pijnlijke scheuten. | Ik hew zô’n last van knoipings boven m’n maag.
knijpkont, knoipkont, zelfstandig naamwoord de, Gierigaard.
knijpkonterig, knoipkonterig, bijvoeglijk naamwoord, Gierig.
knikbandig, knikbandig, bijvoeglijk naamwoord, Gezegd van een koe als een van de twee kruisbanden gezakt is. | ’n Knikbandige koe.
knikken, nikke, werkwoord, Hikken, kikken, naar adem snakken. Zegswijze nikke nach geêuwe kenne, geen kik meer kunnen geven. | Hai kon nikke nach geêuwe van loufte. – nikke nach geêuwe kenne van de arremoed, straatarm zijn.
knikkerbuil, knikkerbuul, zelfstandig naamwoord de, Knikkerzak(je) (verouderd).
knikkerpad, knikkerpad, zelfstandig naamwoord ’t, Algemene knikkerplaats (verouderd).
knip, knip, zelfstandig naamwoord de, Zie knipbuul. Zegswijze de knip staat hier op ’n trekkie, je raakt hier gemakkelijk van je geld af.
knip, knip, zelfstandig naamwoord de, Taaie, kalkarme klei.
knipbol, knipbol, zelfstandig naamwoord de, Langwerpige bol of cadet waarin aan de bovenzijde over de gehele breedte een aantal kerven is gegeven.
knipbrood, knipbroôd, zelfstandig naamwoord ’t, Langwerpig brood waarin aan de bovenzijde over de gehele breedte een aantal kerven is gegeven.
knipbuil, knipbuul, zelfstandig naamwoord de, Portemonnee met knipsluiting.
knippen, knippe, werkwoord, in de zegswijze zôas ’t knipt is, zô moet ’t ok naaid worre, men moet de zaak uitvoeren op de wijze zoals ze is afgesproken.
knispelen, knispele, nispele, werkwoord, Slapjes melken.
knobbelen, knobbele, werkwoord, Met lucifers in de gesloten hand het gezamenlijk aantal lucifers van de deelnemers aan het gokspel zien te raden. De hand, de vuist wordt als het ware tot een knobbel gemaakt. Vgl. omsteke en uitsteke.
knoedel, knoedel, zelfstandig naamwoord de, 1. Bundel los bij elkaar gehouden voorwerpen, bv. kleren. 2. Knot, haarwrong. 3. Bundeltje ineengedraaide wol aan de achterpoten van schapen, veroorzaakt door schapestront. 4. Rond stuk deeg met stroop en boter in de pan gebakken (verouderd).
knoedelen, knoedele, werkwoord, Onhandig te werk gaan.
knoedelig, knoedelig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Onhandig, lummelig. | Hou ’t toch niet zô knoedelig vast.
knoei, knoei, knoe, zelfstandig naamwoord de, Klein, éénpersoons (roei)bootje.
knoei, knoei, zelfstandig naamwoord de, Knak, knauw, beschadiging. Vgl. Fries knoei. Zegswijze puur zô’n knoei had hewwe, ernstig geleden hebben, flink beschadigd zijn. – In de knoei zitte, in de klem, in de problemen zitten.
knoeien, knoeie, werkwoord, Ook: 1. Oneerlijk zijn. | Hai knoeit mit de melk. 2. Knijpen, pijn doen. | Dokter het m’n puur knoeid. Vgl. Fries knoeije. 3. Onstuimig stoeien of vrijen. Zegswijze z’n oigen knoeie, zijn gezondheid benadelen.
knoeier, knoeier, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Oneerlijk persoon. 2. Iemand die een ander knijpt, pijn doet.
knoeper, knoeperd, zelfstandig naamwoord de, 1. Groot, log mens, dier of ding. 2. Dikke zoen.
knoert, knoert, zelfstandig naamwoord de, 1. Groot, log persoon, dier of ding. 2. Harde, onbesuisde trap (o.a. bij voetballen).
knoert, knoort, zelfstandig naamwoord de, Grove, onrijpe vrucht.
knoerten, knoerte, werkwoord, 1. Hard, onbesuisd trappen. 2. Voetballen. | Zelle we’n pertaaitje knoerte gaan?
knoest, knoest, zelfstandig naamwoord de, Ook: groot, log persoon, dier of ding.
knoestig, knoestig, bijvoeglijk naamwoord, Ook: onbehouwen, grof, ruw.
knoet, knoet, zelfstandig naamwoord de, 1. Knot, haarwrong. 2. Lomp grof persoon.
knok, knok, zelfstandig naamwoord de, Grote hoeveelheid, massa. | D’r was ’n knok volk op de kermis.
knokig, knoukig, bijvoeglijk naamwoord, Knoestig, benig.
knokkel, knokkel, knukkel, zelfstandig naamwoord de, Ook: bochtige, kromme sloot of weg.
knokken, knokke, werkwoord, Zie knobbele. | We zelle d’r om knokke.
knol, knol, zelfstandig naamwoord de, 1. Oud, lelijk paard. 2. Jonge, ondermaatse karper van nog geen pond. 3. Gat in kous of sok. 4. Ouderwets horloge.
knollentijd, knolletoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd voor het rooien der knollen, eind mei of begin juni. Zegswijze tot in de knolletoid, gezegd wanneer men iemand weer eens heeft gesproken en afscheid neemt.
knolvoet, knolvoet, zelfstandig naamwoord de, Aantasting der wortels van koolplanten door een slijmzwam in de grond.
knook, knouke, zelfstandig naamwoord meervoud, Knuisten, handen.
knoop, knoup, zelfstandig naamwoord de, Knoop, in de zegswijze ’n knoup valle leite, een vloek laten horen.
knopper, knoppers, zelfstandig naamwoord meervoud, Koolwortels die door knolvoet zijn aangetast en knolletjes vertonen.
knopworm, knopwurm, zelfstandig naamwoord de, Worm in de knoppen van bessestruiken of vruchtbomen.
knor, knoer, zelfstandig naamwoord de, 1. Knoestig, grof voorwerp. 2. Onrijpe vrucht. Vgl. Fries knoarre = knobbel, knoest; knoere, knorre, plat voor (grote, grove) handen. | Houw die skop den ok beter in je knoere, stoetel!
knots, knots, bijvoeglijk naamwoord, Verkorting van knotsgek. | Hai is knots.
knotsgek, knotsgek, bijvoeglijk naamwoord, Stapelgek.
knotten, gnutte, werkwoord, Uitdunnen, (be)knotten, o.a. gezegd van het wortelen dunnen en het uittrekken van onkruid. Het woord is een variant van verouderd gnotte = (be)knotten.
knuffelen, knoffele, werkwoord, 1. Variant van knuffelen. 2. Verkleumd raken.
knuffelig, knoffelig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, 1. Stuntelig. | Houw ’t toch niet zo knoffelig vast. 2. Verkleumd. | Ik hew knoffelige handen. Vgl. Fries knoffelich.
knuffig, knoftig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, zie knoffelig.
knuit, gnuit, zelfstandig naamwoord de/’t, Haft, oeveraas, klein insekt dat slechts enkele uren leeft.
knuppel, kneppel, knuppel, zelfstandig naamwoord de, 1. Knuppel, dorsvlegel. 2. Pummel, kaffer. Vgl. Fries kneppel.
knuppelbrug, kneppelbreg, zelfstandig naamwoord de, Knuppelbrug.
knuppelen, kneppele, werkwoord, Knuppelen, dorsen. Zegswijze dat kneppelt er in. 1. Dat is een kostbare geschiedenis. 2. Dat levert heel wat op.
knurft, knurf, knurft, zelfstandig naamwoord de, 1. Groot stuk of brok. 2. Groot, log persoon, dier of ding. 3. Grove, onrijpe vrucht.
knurven, knurve, werkwoord, Knagen, kluiven.
knuts, knuts, bijvoeglijk naamwoord, Klein (verouderd). Het woord is verwant met knot en (be)knotten. | Koeie mit knutse koppe.
knuttig, knuttig, kneutig, bijvoeglijk naamwoord, Beknopt, klein en aardig, gezellig.
kobus, kobus, zelfstandig naamwoord de, Kop, hoofd (verouderd).
koe, koe, zelfstandig naamwoord de, Koe, in de zegswijze ’n koe om de melk hewwe, tijdelijk een koe hebben waarvan de melk bestemd is voor eigen consumptie. – ’n Koe hooi, de hoeveelheid hooi die een koe tijdens de staltijd nodig heeft (5000 oude ponden). – ‘Da’s moin koe’, zee Brandjes, gezegd bij het kaartspel als iemand een slag haalt of een ander aftroeft, – ’n Koe mit skeiperibbe, 1. Koe die zwaarder toont dan ze is. 2. Grote, forse vrouw met een tenger bovenlijf. – D’r net zôveul van wete as ’n koe van zundeg, er niets van weten – Wat weet ’n koe van zundeg!, hoe moet een leek dat nu weten. Deze en de vorige zegswijze duiden erop, dat het voor een koe geen verschil uitmaakt of het een dag door de week of zondag is, daar ze iedere dag gemolken wordt. – ’n Koe mit ’n lang loif, een langdradig verhaal. Lijf duidt hier op de baarmoeder en op de omstandigheid dat het kalven een lange tijd duurt. – De ien mag ’n koe stêle, de aâr mag geniensen over ’t hek koike (’t touw vasthouwe), de een mag alles, de ander niets. Meervoud koeie, in de zegswijze onder de koeie moete, moeten (leren) melken, boer moeten worden. – Veul koeie, veul moeien, een groot bedrijf brengt veel werk en zorgen mee. – As alle koeie op dezelfde zaai lègge, moet er ien staan, iemand moet de minste zijn.
koebloem, koebloempie, zelfstandig naamwoord ’t, Madeliefje.
koedamp, koedamp, zelfstandig naamwoord de, Vocht, aanslag veroorzaakt door de adem der op stal staande koeien.
koedek, koeiedek, zelfstandig naamwoord ’t, Koedek, dekkleed voor een koe. Vgl. Fries kouwedek.
koedelen, koédele, werkwoord, Zie kloetjese en kloete.
koegang, koegáng, zelfstandig naamwoord de, Gang achter de koestallen.
koehuis, koéjes, zelfstandig naamwoord de/’t, Letterlijk koehuis, plaats in het boerenhuis waar gedurende de staltijd de koeien staan.
koehuisdeur, koejesdeur, zelfstandig naamwoord de, Deur van de koestal.
koeienbeun, koeiebeun, zelfstandig naamwoord de, Losse houten vloer die in of over de groep, de goot wordt gelegd als een koe kalft.
koeienboede, koeboet, koeieboet, zelfstandig naamwoord de, Schuur(tje) waar koeien of kalveren op stal staan.
koeienkak, koeiekak, zelfstandig naamwoord de, Koestront.
koeienkijken, koeiekoike, werkwoord, in de zegswijze te koeiekoiken gaan, schertsend smoesje voor het (elders) gaan drinken van een borreltje.
koeienkoek, koeiekoeke, zelfstandig naamwoord meervoud, Lijnkoeken die aan de koeien worden gevoerd.
koeienkuil, koekuil, koeiekuil, zelfstandig naamwoord de, Kuil in het weiland met drinkwater voor het vee.
koeienmarkten, koemarkte, werkwoord, Naar de koemarkt gaan, de koemarkt bezoeken.
koeienmarktrondje, koemarkrondje, koemarktrondje, zelfstandig naamwoord ’t, Vrouwenkransje waarvan de leden elkaar om de beurt éénmaal per jaar te weten tijdens een belangrijke marktdag, bezochten.
koeienmuur, koemuur, zelfstandig naamwoord de, Muur van de koegang.
koeienpost, koepos, koepost, zelfstandig naamwoord de, Loopplank met richels om de koeien van het land in de schuit te doen gaan of van de schuit op het land.
koeienraam, koeraampie, zelfstandig naamwoord ’t, Halvemaanvormig raampje in de muur van een koegang.
koeienschaar, koeieskeer, zelfstandig naamwoord de, Schaar waarmee de koeien worden geknipt.
koeienstaart, koeisteert, zelfstandig naamwoord de, Koestaart. Vgl. Fries kouwesturt.
koeienstok, koestok, zelfstandig naamwoord de, Stok waarmee een veedrijver de koeien opjaagt.
koeienstront, koeiestront, zelfstandig naamwoord de, Koestront.
koeientouw, koetouw, zelfstandig naamwoord ’t, Zie hoornzeel.
koeienuier, koejaar, zelfstandig naamwoord ’t, Uier van een koe.
koeienvlaai, koeievlaai, zelfstandig naamwoord de, Plakkaat koestront (op het weiland).
koeionatie, koeienásie, zelfstandig naamwoord de, Kleinerende, ruwe of harde behandeling.
koeioneren, koeienére, werkwoord, Kleinerend, ruw of hard behandelen. Uit Frans coïonner.
koek, koek, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze koek en aai weze, zeer bevriend zijn. | ’t Is mit die twei koek en aai. Verkleinvorm koekie, in de zegswijze ’n koekie voor je broekie, reactie op de vraag van een kind of het (nog) een koekje mag hebben. – ’t Zel puur zô’n koekie bakke, het zal hard vriezen (zodat er een dikke ijskoek ontstaat).
koekalverstijd, koekalverstoid, zelfstandig naamwoord de, Tijd waarin de koeien kalven, voorheen meestal tussen 1 maart en 1 mei.
koekelen, koekele, werkwoord, In bed liggen, maar niet slapen.
koekeloeren, koekeloere, werkwoord, 1. Kijken, gluren, 2. Suffen, slapen. Zie voor de mogelijke herkomst het N.E.W. onder koekeloeren.
koekenmietje, koekemietje, zelfstandig naamwoord ’t, 1. Oudmodisch gekleed en gekapt vrouwtje. 2. Nieuwsgierig Aagje, bemoeial.
koekerig, koekerig, bijvoeglijk naamwoord, Koekachtig, bros, breekbaar. | ’t Ois is koekerig.
koekijs, koekois, zelfstandig naamwoord ’t, Dun, breekbaar ijslaagje.
koeksmakken, koeksmakke, werkwoord, Oud kermisspel met dobbelstenen en een zogenaamd ‘smakbord’. Het aantal ogen dat men gooide, was bepalend voor het aantal koeken dat men kon winnen. Men ‘smakte’ of wierp dus om koek.
koeksmakker, koeksmakker, zelfstandig naamwoord de, Man die tijdens de kermis met het ‘smakbord’ rondging.
koeksmakkersavond, koeksmakkerseivend, zelfstandig naamwoord de, Avond waarop het ‘koeksmakkersspel’ werd gespeeld.
koeksmakkersbord, koeksmakkersbord, zelfstandig naamwoord ’t, Bord waarop tijdens het ‘koeksmakkersspel’ de dobbelstenen werden gesmakt of geworpen. Zie ook smakbord en smakkersbord.
koeksmakkersspel, koeksmakkersspel, zelfstandig naamwoord ’t, Zie koeksmakke.
koelap, koelappie, zelfstandig naamwoord ’t, Runderlapje. | Haal es ’n paar koelappies bai slager Koomen.
koemest, koemis, zelfstandig naamwoord de, Koemest.
Koepoortsweg, Koeperswég, zelfstandig naamwoord de, Uitspraakvariant van de Koepoortsweg te Hoorn.
koers, koers, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze die koers zôwat, zo ongeveer | ‘Is ie al voiftig?’ … ‘Die koers zowat’. Verkleinvorm koersie, in de zegswijze die loupt ’t koersie nag, die kan nog best meedoen, die mag er nog best zijn.
koersen, koerse, werkwoord, in de zegswijze te koersen gaan, een paardenkoers gaan bezoeken. – Leit’m maar koerse, speel de bal maar met veel vaart over het hele biljart.
koeskoezen, koeskoese, werkwoord, in de zegswijze alles deur mekaar koeskoese, alles door elkaar mengen. Het woord is een afleiding van koeskoes = mengelmoes.
koetaai, koetaai, zelfstandig naamwoord de, Taaie koek in de vorm van een koe. Deze koek werd vooral bij gelegenheid van koemarkten gekocht.
koeten, koete, werkwoord, Zie kloetjese en kloete.
koets, koets, zelfstandig naamwoord de, 1. Zie koes. 2. In het algemeen: bed. | Hai loit al lang al in de koets.
koetscoupé, koetsatjee, zelfstandig naamwoord de, Bed. | Hai loit in de koetsatjee. Zegswijze (nei de) koetsatjee gaan, naar bed gaan. Het woord is een variant van koetscoupé. Vgl. Boek. onder koets-coupé en het Bargoens Woordenboek onder koeskoepee.
koetsen, koetse, werkwoord, Naar bed gaan.
koevereren, koeverére, werkwoord, Gedijen, opschieten, beter worden. Uit Frans recouvrer = hernieuwen, terugkrijgen. Zegswijze ze koeverére goed, ze kunnen goed met elkaar opschieten. Vgl. Boek. onder koevreren en koeveren.
koffie, koffie, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de koffie gaat over Skermerhorn, de koffie staat te pruttelen (verouderd). De zegswijze is hoogstwaarschijnlijk ontstaan als een vergelijking: door de ongelijke bestrating van de oude dorpsweg te Schermerhorn waren voorbijratelende karren goed hoorbaar en werden de passagiers dooreen geschud. – Om de koffie moete, op koffievisite moeten. Vgl. om de thee moete.
koffiegast, koffiegaste, zelfstandig naamwoord meervoud, Koffievisite.
koffielol, koffielol, zelfstandig naamwoord de, Koffiepot (verouderd).
koffieophalen, koffie-ophale, werkwoord, Oud gebruik, waarbij een vrijer een (zondagavond) visite aflegde 14 dagen nadat hij met een meisje bruiloft of kermis had gevierd.
koffieophaler, koffie-ophaalder, zelfstandig naamwoord de, Jongeman, vrijer die ‘te koffie ophalen’ kwam.
koffieprut, koffieprut, zelfstandig naamwoord de, Koffiedik of -drab.
kog, kogge, zelfstandig naamwoord de, Historische aanduiding van een waterschapsdistrict. Mogelijk is het woord verwant met koken (Duits kochen) in de zin van: opborrelend water in drassige grond (Opvatting Prof. Heeroma). Hiernaast wordt gesuggereerd, dat het district de naam kreeg van het (kogge)schip dat het voor de landheer moest uitrusten. De naam Kogge komt o.a. voor in het (voorheen zelfstandige) district de Vier Noorderkoggen en in de Schager en Niedorper Koggen.
kogel, koegel, zelfstandig naamwoord de, Verouderde variant van kogel. Vgl. Fries kügel. Zegswijze loupe as ’n koegel uit ’n stuk, heel hard lopen. Eigenlijk als een kogel uit een stuk geschut.
kogelen, koegele, werkwoord, Verouderde variant van bekogelen. Vgl. Fries kügelje.
kogelhard, koegelhard, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Variant van kogelhard. Soms ook: zeer snel.
kogzeunis, koggezeunis, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze an e koggezeunis zitten, aan de tapkast zitten, een stevig borreltje drinken. Eigenlijk de zeunis (letterlijk varkenstrog, overdrachtelijk tapkast) waaraan de heren van het kogge- of waterschapsbestuur zaten. Werd een nieuw lid geïnstalleerd, dan werd hem door de voorzitter de zogenaamde hengelbeker aangeboden die ‘manmoedig’ geledigd diende te worden.
kogzweet, koggesweit, zelfstandig naamwoord ’t, Letterlijk koggezweet, in de zegswijze ’t koggesweit staat op z’n gezicht, ironisch gezegd van arbeiders in dienst van het waterschap de Vier Noorderkoggen om aan te geven, dat ze de lijn trokken of een gemakkelijk baantje hadden.
kok, kok, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze de kok moet op tafel, schertsend gezegd als het eten op is en men nog niet verzadigd is.
koken, kouke, werkwoord, 1. Koken. 2. Kokhalzen. Zegswijze ’t koukt er van, het wemelt er van. – ’t Water koukt as ’n zei (zee), het water kookt volop. – ’t Is deer altoid kouken en vrouken, ze zijn daar altijd aan het ruzie maken. Vgl. vrouken = kokhalzen. – M’n hart koukte uit m’n loif, ik walgde er van.
koker, koker, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Mannelijk lid. 2. Omhulsel van het teellid van een hengst.
kokerij, kokkeraai, zelfstandig naamwoord de, Kookkunst.
kokinje, kokkinje, zelfstandig naamwoord ’t, Stroopballetje. Letterlijk kokkinnetje.
kokje, kokje, zelfstandig naamwoord ’t, Huishoudster, huisvrouw. | Da’s net ’n kokje voor hém.
kokkeren, kokkere, werkwoord, Kokkerellen, koken.
Kokmeeuwen, Kokmeêuwe, zelfstandig naamwoord meervoud, Verouderde spotnaam voor de inwoners van de Wieringerwaard.
kokosnoterig, kokeneuterig, bijvoeglijk naamwoord, Klein en kinderachtig (verouderd). Letterlijk kokosnoterig. | Wat ’n kokeneuterig kedoôtje.
kol, kol, zelfstandig naamwoord de, Heks. Zegswijze op de kol raaie. 1. Gek zijn of worden, zijn hoofd verliezen. | Ik ree op de kol van de jeuk. 2. Kwaad worden. Verkleinvorm kolke. Liefje, schatje. Letterlijk heksje. | Wat is ’t toch ’n pittig kolke.
kolder, kolder, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze op de kolder raaie, zie kol.
kolderig, kolderig, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, Dwaas.
kolf, kolf, zelfstandig naamwoord de, Ook: houten steel van de zicht.
Kolhorn, klòrre, klòrren, uitspraakvariant van de plaatsnaam Kolhorn.
kolk, kolk, zelfstandig naamwoord de, Ook: 1. Omdijkte plas. 2. Doorloop van een poldersloot onder een weg. 3. Kuil voor de as in een haardplaat (verouderd).
kollenwerk, kollewerk, zelfstandig naamwoord ’t, Heksenwerk, gekkenwerk.
kom-en-bakje, kom-en-bakkie, zelfstandig naamwoord ’t, Kop en schotel.
komaan, kwan, kewán, uitroep, samentrekking van ‘kom an’ | Kwan, we moste maar weerders op huis angaan. Hiernaast de vorm kewán.
komaf, kom-of, zelfstandig naamwoord de, Afkomst. | Hai is van kom-of ’n boerezeun.
komalledag, koom-al-den-dag, in de zegswijze ’t is meer as koom-al-den-dag, het is meer dan gewoon, het is iets bijzonders.
kombaal, kombaal, zelfstandig naamwoord de, Lange goudse pijp met grote kop (verouderd).
kombakje, kombakkie, zelfstandig naamwoord ’t, Zie kom-en-bakkie.
kombof, kombof, zelfstandig naamwoord de, Kleine, aangebouwde keuken (verouderd). Vgl. het N.E.W. onder kombof.
komen, komme, werkwoord, Komen, De vervoeging luidt: komme – kwam, kwamme – kommen. Zegswijze Kommen en gaan kost geld (maar gaan kost ’t meist), geboren worden en sterven gaan met onkosten gepaard (maar sterven brengt de meeste kosten met zich mee).
komer, komer, zelfstandig naamwoord de, in de zegswijze ’n trouwe komer, een trouwe bezoeker, iemand die geregeld langs komt.
komkommertong, komkommertong, zelfstandig naamwoord de, Opgezwollen koetong.
komsa, komsá, in de zegswijze van komsa, geweldig, van jewelste. | Hai kreeg ’n klap van komsá, – Hai is ’t heertje van komsá