elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Steenhuis, F.H. (1978), Winschoter bargoens, in: Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank

achterrad, achterrad, rijksdaalder
aftippelen, ofgetippeld, weggelopen, ook: gereformeerd
alef, allef, één
andergajes, otergaaie, buitenvolk
asjeweine, asjemeine, asjeweine, sjereizen, wegwezen
baäl, baal, heer
baiko stieken, baiko stiepen, een slag geven
bajes, baais, bajith, huis
bas, bas, stuiver
bas, besietum, centen
basserool, baisrooltje, joodje
begiete, begiete, begieteg, bang
beheime, beime, beimer, vaars
beis, beis, twee
beis hebben, beis hebben, ruzie hebben
beseibelen, besijbelen, afzetten, bedriegen
besjollemen, besjausteren, betalen
bewiegmen, bewiegelen, verdienen
bezol, besol, goedkoop
bezolletje, besolletje, koopje
biezen, beisjen, lopen
bink, bimke, man
bink, binke, vader
bollebof, bollebof, heer des huizes
bolleboffin, bolleboffin, waardin
bolleboos, bolleboos, directeur van de gevangenis
bommel, bommel, een uur
boser, boosder, vlees
bout, bout, poep
boutenkit, boutkit, wc
broge, broge, geluk
dalles, dalles, armoe, ook: niets
damper, damper in de ros, sigaret in de mond
deizen, deizen, wegwezen; deis hom even ga even weg
dollet, dallef, vier
dormen, dormen, slapen
eenzaat, aainzaalm, halvegare
elder, eiders, borsten of uiers
elef, eelef, duizend
emmes, emmes, 1. fijn. 2. werkelijk
fikken, fitten, handen
fonkel, fonkel, jenever
frotzak, vrotzak, viezerik
gajes, gaaie, ander volk, niet-jood
galf, gallef, mes
gammer, chammel, chammer, ezel, domoor
gammeren, chammern, werken als een ezel
gannef, gannef, schurk
gartenkoosje, gartenkosje, mooi meisje
gasser, gadder, 1. spek. 2. varken
gatje bangoeroe, gatje bangoeroe, tabak
geen pozer in de melis, gain poosje in de mêlef, geen geld op zak
gein, gijn, lol
geinponem, gijnponum, lolmaker
geklats, geklats, geknoei
ges, ges, acht
gesjochten, gesjochten, zonder geld; o mijn gesjochten, bewaar me er voor
geteisem, geteisum, gespuis
getsie, getsje, samen handelen
glimmers, glimmers, ogen
golef, goluf, melk
gonje, kosje, meisje
goumel, goumel, gebed
gozer, gozer, goosderd, man, geslepen iemand
grom, grom, kind; dim.: grompie
hachelen, achielen, eten
heit, hei, vijf
heitje, eitje, heitje, kwartje
hondje, ontje, hondje, dubbeltje
intrekken, intreks, in de zak nemen, inpikken
jack, jek, politieagent
jajem, jaijum, jenever
jat, jatten, handen
jatmoos, jatmoos, handgeld
jatten, jatten, stelen
jid, jidde, jood
joet, joet, tien
joetalef, joetelef, tien keer honderd gulden
jofel, jovel, leuk
kaf, kaf, twintig; kaf hei vijfentwintig
kalle, kal, kalletje, meisje
kanis, kaies, hoofd
katser, katser, slager
kees is in de snaaiem, kees is in de snaijum, een pruim tabak in de mond
keil, keile, borrel
keilew, keilef, hond
keiwerowes, katarougus, keifroof, kerkhof
kienen, keinen, kopen
kimmel, kimmel, drie; kimmel ei drie keer honderd gulden
kinnef, kemels, luizen
kinnesinne, kinnesinne, afgunst
kinnesinneponem, kinnesinneponum, jaloers mens
kippe, in de kippe, samen handelen
klavier, klevieren, handen
kleis, kleizen, onderaanhangsel van man of mannelijk dier
kloen, kloune, pechvogel
kloffie, kluf, pak, kostuum
klole, klole, leg mie de klole d’r nait op, bederf mij de boel niet
knaak, knaak, rijksdaalder
knissen, knissen, stenen
koef-, koef, niets
kokkerd, kokkert, neus
koosjer, kousjer, gezond
koter, kootns, koters, kinderen, vooral jongens; dim.: kotentje
kruier, kroder, fiets
kwint, kwinte, bouwvallig huis
lammetje, lammert, dertig; lammert ei vijfendertig gulden
laus, lauske, ei; meervoud lausies
link, link, 1. gevaarlijk. 2. slim
linkmiegel, linkmiegel, gevaarlijk iemand
lou, laauw, niet
lou loene, lau loene, niet doen
lou sjaken, sjakt mie lou, het kan mij niet schelen
loudiepen, laudiepen, niets doen
loudieper, laauwdieper, loudieper, luiaard
majem, maaium, 1. regen, 2. water
matseive, maseive, grafsteen
mazzel, mazzel, geluk
mecholle, mecholle, kapot
meeps, meips, lelijk, slecht
meier, meijer, meijo, honderd; mei ei honderdenvijf gulden; beis meis tweehonderd; ei mei vijfhonderd gulden; kimmel mei dertienhonderd
mekajem, mekaaium, slaag
mekef, mekef, geld
meloet, molef, moole, dronken
meloochem, meloffem, meloochem, werk
mem, mem, veertig
menobbel, mans de menibe, slecht mens
menoege, menoeche, loat mie mit menoeche, laat me met rust
mesjogge, mesjokke, gek
mezomme, mesomme, geld
miese gajes, mieze gaaie, slecht mens
miese glimmers, miese glimmers, slechte ogen
miesgasser, miesgasterd, gemene vent
miesponem, miesponum, lelijk gezicht
misjpooche, demishgoge, de familie
mokkel, mokkel, meid
mol, mollie, kapot
murf, muif, mond
nekeiwe, lekeive, meisje, vrouw
nesjomme, meshama, ziel
noen, non, vijftig
noppes, noppes, niets
oetsen, oetsen, op stang jagen
pegel, pegel, gulden
pei, pei, stil
pei maf, pei maf, stil houden
peiger, peige, overleden
peigeren, peigeren, sterven
penoze, penoze, verdienste
pestponem, pestponum, kwaadwillige
peuling, peuling, voet; tovve peulings mooie benen
pezen, pezen, werken
poter, poter, wegwezen
rachmones, rachmones, medelijden
rad, rad, gulden
rauzen, rauzen, ruw doen .
rebbes, rijvel, geluk, winst
rewogem, rebogum, rewogem, winst
riedel, hai is op de riddel, hij gaat met andere vrouwen uit
roeches, roeges, ruzie
rojemen, roien, kijken
rosj, ros, hoofd
sameg, sjammert, zestig
sameg, swoamen, zestig
samsam, sam-sam, samen doen
scheffen, sjeffen, lopen
scheft gajes, scheft gaaie, slecht volk
schonten, schonten, naar de wc gaan
schorem, schorem, niet waar
schotteren, schotteren, eten
seibelbajes, seibelbaais, wc
senken, sjelone, ruzie
sereife, sjereive, brand
seroge, serochem, stank
sikker, sjikker, dronken
sjacheren, sjacheren, handelen
sjakkel, sjakkel, jenever
sjallef, sjalf, halvegare
sjar, sjas, snelheid
sjereis, sjereis, een klap
sjikker, sjekoeris, dronken
sjikse, sikse, christenmeisje
sjmonde, smoege, vrouwelijk schaamdeel
sjmounem, simonen, tachtig
sjoege, sjoege, verstand; laauw sjoege geen verstand; gain sjoege 1. geen antwoord 2. geen verstand
sjoel, sjoel, synagoge
sjoem, sjoemen, vet
sjollemen, schausteren, betalen
smeichelen, smijgelen, vleien
smiegel, smiegel, jood
smiezen, in de smiezen, in de gaten
smouslegem, smouslegum, paasbrood, jodenbrood
sof, sof, tegenslag
soof, soof, gulden; meervoud: soeben; allef/ollef soeven één gulden (soeven uitspreken: soebm); beis soeven twee gulden; kimmel soeven drie gulden; dallef soeven vier gulden; ei/hei soeven vijf gulden, woof soeven zes gulden of één pond; soien soeven zeven gulden; ges soeven acht gulden; tes soeven negen gulden; joet soeven tien gulden; kaf soeven twintig gulden; lammert soeven dertig gulden; mem soeven veertig gulden; non soeven vijftig gulden; simme soeven zeventig gulden; teswoof soeven tachtig gulden; eelef soeven duizend gulden
sos, sos, paard
souger, sauger, koopman
spannen, spannen, kijken
spie, spie, cent
temeier, temeie, hoer
tes, tes, negen
tes mem, tes mem, hoer
tinnef, tinnef, slecht
tippelsjikse, tippel sikse, hoer
tjeis, tjeis, klap
tofel, tofel, oud
toffelemone, tofelemone, rooms-katholiek
toges, tokus, achterwerk
treder, treders, schoenen
treife, trijfel, slecht; trijfel gaaie slecht mens
tsaddie, titium, negentig
verjibberen, verjibbern, wegwezen
verjibbig, verjibbeg, wegwezen
verkienen, verkijnen, verkopen
verklatsen, verklatsen, verknoeien
verknokken, verknokken, verprutsen
vots, vots, een windje
wijtik, wijtik, ziekte
woof, woof, zes
zeiken, sjeiken, urineren
zibetsik, simmen, sjibm, zeventig
zojen, soien, zeven
zonef, sjonef, zonuf, mannelijk lid
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal