elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak

aak, aak, (vrouwelijk), aaken, aak.
aal, aol, (mannelijk), äole, aal.
Aal, [meisjesnaam], Äole, (vrouwelijk), eingenn. Alida.
aalbes, aolbèze, (vrouwelijk) , aolbèzen, aalbes.
aalbesblad, [blad van een bessenstruik], aolbèzenblad, (onzijdig), aalbesblad.
aalbesstruik, [bessenstruik], aolbèzenstrûk, (mannelijk), aalbesstruik.
aalfuik, [visgerei], aolenfûke, (vrouwelijk), aalfuik, Winterswijk.
aalt, aalte, ale, (vrouwelijk), mestwater, ale Winterswijk.
aalt, [verzwering], aalte, (vrouwelijk), verzwering aan de peesschede.
aaltgat, aaltengat, (onzijdig), mestgat. Wintersw. alengat.
Aaltje, [meisjesnaam], Äoltjen, (vrouwelijk), eigenn. Aaltje.
aaltton, aaltonne, aaltentonne, (vrouwelijk), aaltton. Winterswijk alentonne
aam, aom, (onzijdig), aome, aam (vat).
aambeeld, ambelt, (onzijdig), aambeeld.
aan, an, (voorzetsel, bijwoord), aan; de karke, de schóle is an, de kerk, de school is begonnen.
aanaarden, [met aarde aanvullen], aneerden, (zwak werkwoord), met grond aanhoogen.
aanbenzen, [aanzetten tot spoed], anbanzen, anbenzen, (zwak werkwoord), aanzetten tot spoed.
aanblekken, [bomen merken om gekapt te worden], anblekken, (zwak werkwoord), aanschrappen (van boomen).
aanboeten, anbö̂ten, (zwak werkwoord), vuur aanleggen.
aandoen, andôn, (onzijdig werkwoord), aandoen; Winterswijk, bezoeken.
aangaan, angaon, (werkwoord), 1) leven maken; wat gaot de jongens an! 2) raken, toebehooren, dat messe geet mi an, dat mes behoort mij.
aangejaagd, anejaagd, (bijvoeglijk naamwoord), zenuwachtig.
aangeven, [aangifte doen, overhandigen], angéven, (sterk werkwoord), aangeven; verstarf angéven, aangifte doen voor het recht van successie en overgang; ’t wark der an géven, het werken opgeven.
aanhalen, anhalen, (zwak werkwoord), in beslag nemen. anehaald, geplaagd, hé is nòg al ens anehaald met höfdzeerte.
aanhogen, [hoger maken], anhögen, (zwak werkwoord), ophoogen.
aanhouden, [tegenhouden, doorgaan met], anhòlden, (sterk werkwoord), aanhouden, iemand staande houden, in leven houden.
aanknopen, [verbinden], anknüppen, (zwak werkwoord), aanknoopen.
aankoeveren, ankö̂veren, (zwak werkwoord), langzaam vooruitgaan; de z(i)eeke kôvert langzame an, de zieke betert langzaam.
aanlangen, anlangen, (zwak werkwoord), aangeven, afgeven; lang mij de eerpel ens an, geef mij de aardappels eens aan. Wi’j dat bi Jansen anlangen (ook òflangen), wilt ge dat bij Jansen afgeven.
aanloten, anlòten, (zwak werkwoord), een dienstplichtig nummer trekken; hé is anelòt, hij is er in geloot.
aanmaken, [vervaardigen, voortmaken], anmaken, ammaken, (zwak werkwoord), voortmaken; maak i’j ens wat an met uw wark, maak voort met uw werk.
aanmaken, anmaken, (zwak werkwoord), geplaagd zijn met; hé is vö̀lle anemaakt met höfdzeerte, hij wordt dikwijls door hoofdpijn geplaagd.
aanmoeden, [toeschrijven], anmôden, (zwak werkwoord), (i)eemand (i)eets anmôden, iets van iemand denken; z. tômôden.
aanpraten, anpraoten, (zwak werkwoord), opdringen.
aanrecht, anrecht, (onzijdig), latwerk om melkvaten op te drogen.
aanrecht, anrichte, anrecht, (onzijdig), aanrechtbank.
aanslaan, [raken, beginnen], anslaon, (sterk werkwoord), trouwen; hé hef en ni’j wîf aneslagen, hij heeft een tweede vrouw genomen.
aanspannen, [beginnen, in een span plaatsen], anspannen, de paarden voor den wagen plaatsen; vör uw alleene spant de Dü̂vel n(i)eet an. voor u alleen geeft de Duivel zich de moeite van inspannen en halen niet, m. a.w. wees maar niet bang spoedig dood te gaan.
aanspreken, anspreken, (sterk werkwoord), bezoeken (b.v. van kraambezoek).
aantijgen, antîen, (sterk werkwoord), aanrijden; met gevaor argens antîen, ergens aanrijden.
aantrekken, antrekken, (sterk werkwoord), aankleeden, aantrekken; zik antrekken, zich kleeden.
aanwinnen, [verbetering verkrijgen], anwinnen, (sterk werkwoord), beteren, van een ziekte.
aanzachten, [zachter worden], anzachten, (zwak werkwoord), beter worden (van ’t weer).
aar, aor, (vrouwelijk), aore, korenaar.
aardappel, eerappel, (vrouwelijk), eerpel, èrpel, aardappel.
aardbei, eerdbère, (vrouwelijk), eerdbèze, aarbei.
aarde, eerde, (vrouwelijk), aarde, grond.
aarden, aarden, (zwak (werkwoord), besmetten.
aarden, aorden, aoren, (zwak werkwoord), zich ergens schikken; aarden (van ziekte bv. mazelen), voortwoekeren.
aardig, aordig, aorig, (bijvoeglijk naamwoord), aardig.
aars, eers, (mannelijk), aars.
aarseinde, eersende, (onzijdig), stompe punt van het ei. Op de Paaschweide wordt met eiers gespeeld door te raden welke punt van het ei het is, die vertoond wordt; hierbij zegt men: Spitsende, eersende, zid, Al die ’t verlus is ’t kwit.
aas, aos, (onzijdig), kreng, kwaodaos, lastig ventje.
acht, achte, (telwoord), acht; wôvölle bünter? der bünter achte.
achter, achter, (voorzetsel), hé lö̀p achter üm hèr, hij loopt hem achterna, ik zitte üm achter de vòdden, ik ga hem scherp na.
achterbaks, achterbaks, (bijvoeglijk naamwoord), onoprecht.
achterdeel, achterdeel, (onzijdig), nadeel.
achterdocht, achterdòcht, (mannelijk), nadenken.
achterhout, achterhòlt, (onzijdig), achterhö̀lter, evenaar aan den wagen.
adel, adel, (mannelijk), adel.
adellijk, [besmettelijk], âdelijk, (bijvoeglijk naamwoord), besmettelijk; iewesen bünt âdelik.
adem, aosem, (mannelijk), adem.
ademen, [adem halen], aosemen, (zwak werkwoord), ademen.
ader, aore, (vrouwelijk), aorn, ader.
af, af, òf, (voorzetsel), af; van: ik weet er niet (niks) òf. Thans worden in het westen vooral af en of dooreen gehoord zoowel in samenstellingen als als voorzetsel. Meer oostelijk heeft of de overhand. In Twenthe en het Westen meest of, in Winterswijk en omstr. veelal af.
afbasten, [van een omhulsel ontdoen], òfbasten, (zwak werkwoord), schillen.
afbraak, òfbraok, (mannelijk), afbraak.
afeten, [het eten beëindigen], òfeten, (sterk werkwoord), ’k bün ’t òf egetten, ik heb het tegen gegeten.
afgaan, afgaon, òfgaon, (sterk werkwoord), 1). afloopen; ’t is afgaond wark, ’t lö̓p met den z(i)eeke op ’t ende, de zieke is stervende. 2) verricht, worden, ’t geet üm vlüg òf.
afgestomd, afestomd, afgestomd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ’n afestomde lögen, een volstrekte leugen, afestomd mooi, zeer mooi.
afglinten, [omheinen], òfglinten, (zwak werkwoord), omheinen.
afgunstig, abbegünstig, (bijvoeglijk naamwoord), afgunstig.
afgunstig, [afgunstig], aovergünstig, (bijvoeglijk naamwoord), afgunstig; z. abbegünstig.
aflangen, [aanreiken], òflangen, (zwak werkwoord), aanreiken.
afniefelen, òfnîfelen, (zwak werkwoord), op slinksche wijze afhandig maken.
afrangen, afrangen, òfrangen, (zwak werkwoord), boonen van draden ontdoen.
afrikken, òfrikken, (zwak werkwoord), omheinen.
afromen, [ontdoen van room], òfrömen, (zwak werkwoord), afroomen.
afschotelen, [buitensluiten], òfschö̀ttelen, (zwak werkwoord), afzetten; ij dôt n(i)eet met, ij wordt òfeschö̀tteld; gij doet niet mee maar wordt terzijde gesteld.
afsmijten, [afwerpen], afsmîten, òfsmîten, (sterk werkwoord), ’t vül òfsmîten het veulen afwerpen.
afstellen, afstellen, òfstellen, (zwak werkwoord), uitstellen.
afstrijden, òfstrîjen, zie strîjen.
afvreden, afvréden, (zwak werkwoord), omheinen, afrasteren.
akelig, akelik, (bijvoeglijk naamwoord), akelig.
aker, aker, (mannelijk), èker, emmertje, keteltje.
akker, akker, (mannelijk), akkers, akker.
aks, akse, ekse, (vrouwelijk), korte bijl.
al, al, alle, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), al; ’t is al, het is wel waar; de eerpels bünt alle, de aardappels zijn op.
albendig, albendig, (bijvoeglijk naamwoord), moedwillig. Zie alibanderîje.
alderdees, [zelfs], alderdees, alderdéges, (bijwoord), zelfs; ik hebbe üm alderdees gisteren nòg ez(i)een.
alibanderij, [dartelheid], alibanderîje, (vrouwelijk), losbandigheid.
aling, [geheel], aling, (bijvoeglijk naamwoord), geheel.
alla, allá, (bijwoord), vooruit.
allebot, allebòrd, allebòt, (bijwoord), elk oogenblik, telkens.
alleen, eene, (bijwoord), alleen.
alleens, [in gelijke mate], allens, (bijwoord), evenveel, ’t is mî allens.
allemaal, allemaol, (bijvoeglijk naamwoord, voornaamwoord), alle.
almanak, almblak, (mannelijk), almanak.
almanaksmaand, [kalendermaand], almenaksmaond, (vrouwelijk) , almenaksmaondn, maanden van 30 of 31 dagen, in tegenoverstelling van maanden van 28 dagen (naar de maan), welke vroeger bij berekening voor gewassen, melk worden van vee, enz. gebruikt werden.
almangs, [soms], almangs, manks, (bijwoord), somtijds.
almogend, [in hoge mate], almögend, (bijwoord), zeer; almögend dom.
als, as, (voegwoord), als
als ertoe, [erg], astertô, (bijwoord), erg.
alsemkruid, [kruid uit het geslacht Artemisia], alsemkrü̂̂d, (onzijdig), artemisia absinthium, alsem.
alwaar, [geheel waar], alwaor, (bijvoeglijk naamwoord), ’t is alwaor, ’t is geheel waar, wel waar.
ander, ander, aor, (bijvoeglijk naamwoord), ander.
angel, angel, (mannelijk), hengel, stekel.
angelgaard, [hengel], angelgart, angelga(r)de, hengelroe.
angst, angst, (mannelijk), engste, angst.
angstig, [bang], engstig, (bijvoeglijk naamwoord), angstig.
anijs, anîs, (onzijdig), pimpinella anisum, coriandrum sativum, anijs.
antwoord, antwoord, (onzijdig), antwoorde, antwoord.
aperij, [gekheid], aperije, (vrouwelijk), gekheid.
appel, appel, (mannelijk), appels, appel.
arbeid, arbeid, (mannelijk), arbeid.
aren, [aren lezen], aoren, (zwak werkwoord), aren lezen.
arend, aornd, (mannelijk), aornde, mannetjesduif, doffer.
ark, arke, (vrouwelijk), arken, ark.
arks, [vel papier], harksel, arksel, (onzijdig), vel papier.
arm, arm, (mannelijk), arme, arm.
armoede, armôd, armô, (mannelijk enkelvoud), armoede, verdriet, zwarigheid; argens armôd mee of over hebben.
as, asche, aske, (vrouwelijk), asch.
as, asse, (vrouwelijk), as.
astrant, astrant, (bijvoeglijk naamwoord), brutaal.
avond, aovend, (mannelijk), aovende, avend, genaovend, goedenavond.
azen, aozen, (zwak werkwoord), er op uit zijn.
baai, baoi, (onzijdig), baai (stof).
baak, baoke, (vrouwelijk), baoken, baak, paaschvuur.
baal, baal, (vrouwelijk), bale, baal.
baan, bane, (vrouwelijk), baan.
baar, böre, (vrouwelijk), bören, baar, burrie.
baard, baord, (mannelijk), bäorde, baard.
baars, baors, (mannelijk), bäorze, baars.
baas, baas, (mannelijk), bazen, baas.
baat, bate, (vrouwelijk), baat.
bad, bad, (onzijdig), bad.
baden, baen, baden, (zwak werkwoord), een bad nemen.
baggeren, baggelen, (zwak werkwoord), zich wentelen, bv. van hoenders.
baggeren, baggeren, (zwak werkwoord), dör ’t zand baggeren, met moeite door ’t rulle zand loopen of rijden.
bak, bak, (mannelijk), bekke, bak.
baken, baoken, (mannelijk), baokens, grenspaal, paal om de richting aan te wijzen.
baker, [kraamverzorgster], baakster, (vrouwelijk), baker.
bakken, bakken, (sterk werkwoord), bakken; de sné bakt, de sneeuw pakt (voor sneeuwballen).
baldadig, baldaodeg, (bijvoeglijk naamwoord), baldadig.
balg, balg, (mannelijk), belge, maag, buik.
balgpijn, [buikpijn], balgpîne, balgzeerte, (vrouwelijk), maagpijn, buikpijn; syn.: lîfpîne.
balk, balke, (mannelijk), balken, balk.
balken, balken, (meervoud), de zolder boven den deel; zie bij hilde.
balkenbrij, balkenbrîj, (vrouwelijk), een mengsel van meel, lever, en allerlei van de slacht in het rollennat gekookt.
balkensleet, [houten balk], balkensleeten, (vrouwelijk, meervoud), balkhouten
balmondig, [verlopen], belmundig, (bijvoeglijk naamwoord), verloopen.
band, band, (mannelijk), bende, band; ût de bende, uitbundig, ongehoorzaam.
bandel, bandel, (mannelijk), bandels, hoepel (om een vat); vgl. rînk.
bandgard, [stok als onderdeel van een dak], bandgarden, (meervoud), stokken, die over het rieten dak gelegd worden.
bandstok, band stö̀kke, (mannelijk), hout waarvan hoepels gemaakt worden.
bang, bange, (bijvoeglijk naamwoord), bang.
bank, bank, (vrouwelijk), benke, bank.
bansdeur, bansdöre, bandöre, banderdöre, (vrouwelijk), groote deur der schuur (Tw. baanzendöre).
barg, barg, borg, bòrg, (mannelijk), gesneden varken.
barst, barste, baste, (vrouwelijk), barst.
barsten, barsten, basten, (sterk werkwoord), bersten.
bassen, bassen, (zwak werkwoord), blaffen.
bast, bast, (mannelijk), beste, schors, huid.
bats, [dij, bil], basse, (vrouwelijk), de dij.
bats, bats, (bijvoeglijk naamwoord), brutaal, overmoedig, moeielijk; ’t is een batsen sinjör, ’t is een brutale vent.
bats, batze, (vrouwelijk), groote schop.
beaardigen, bëeerdigen, (zwak werkwoord), begraven; zie ineerdigen.
bebbenbek, [vrouwengek], bebbenbek, (mannelijk), vrouwengek.
bed, bedde, (onzijdig), bed; in bedde kommen, bevallen.
beddenbuur, [beddengoed], beddebü̂re, (vrouwelijk), beddetijk.
beddenkast, [bedstee], beddekaste, beddekasten, bedstede
beddentoch, [beddengoed], beddetog, (onzijdig), overtrek van een bed. (Winterswijk beddetü̂g)
bede, bée, (vrouwelijk), bede.
bedeesd, bedeesd, (bijvoeglijk naamwoord), bedeesd.
bedelen, bèdelen, (zwak werkwoord), bedelen.
bedelman, [bedelaar], bidman, biddeman, bidwijf, bedelaar, bedelaarster.
bederven, bedarven, (sterk werkwoord), bederven.
bedoen, [verrichten, bevuilen], bedôn, (werkwoord), zik bedôn , zich bevuilen, zik bedôn van lachen.
bedriegen, bedrieegen, bedreegen, (sterk werkwoord), bedriegen.
bedroefd, bedrö̂fd, (bijvoeglijk naamwoord), bedroefd; ook bijw. bedrö̂fd weinig.
bedstee, beddestè, (vrouwelijk), beddestèen, bedstede.
beduusd, bedü̂sd, ontsteld, onthutst; ik ston der stik bedü̂sd van.
beefes, bèfesse, (vrouwelijk), bèfessen, abeel. Winterswijk z. beefesse.
beefgras, [plant uit de grassenfamilie (Poaceae)], beefgras, (onzijdig), briza media.
beek, beke, (vrouwelijk), beek.
been, been, (onzijdig), beene, beentjen, (hier en daar is ee verlengd tot (i)ee) been; wi zült di ok ens bi ’t beentjen krîgen, onder handen nemen.
beentje, [fluitje], beentjen, (onzijdig), fluitje om kwartels te vangen.
beer, beer, (mannelijk), beere, mannetjes varken.
beer, bère, (mannelijk), bèren, beer (ursus).
beest, beeste, (onzijdig), beesten, beest.
begaving, begaves, begaoving, (vrouwelijk), vallende ziekte, ook beroerte (T. aoverval).
begeerlijk, [sterk verlangend], begeerlik, begeerig.
begluren, beglûren, (zwak werkwoord), begluren.
begrafenis, begraffenis, (vrouwelijk), begrafenis.
begrip, begrîp, (onzijdig), begrip.
behagen, behagen, (zwak werkwoord), behagen.
behendig, behende, (bijvoeglijk naamwoord), behendig.
behoeven, behö̂ven, hö̂ven, (zwak werkwoord), behoeven.
behoren, behören, (zwak werkwoord), behooren.
beide, beide, (telwoord), beide.
beieren, bèjeren, (zwak werkwoord), slingeren, slenteren.
beitel, beitel, (mannelijk), beitels, beitel.
bek, bek, (mannelijk), bekke, bek.
beker, bèker, bèkers, beker.
beklijfelijk, [besmettelijk], beklîflik, (bijvoeglijk naamwoord), besmettelijk.
bekwaam, bekwaom, (bijvoeglijk naamwoord), bekwaam.
bel, belle, (vrouwelijk), bel.
belang, belank, (onzijdig), belang; ’t was van belank, ’t was in ’t groote de mö̂jte weerd.
belenden, belenden, (zwak werkwoord), grenzen aan.
beleven, belèven, (zwak werkwoord), beleven.
belezen, [een bezwering of liturgische tekst uitspreken], belèzen, (sterk werkwoord), door het uitspreken van tooverformules iemand van eene ziekte genezen.
beliegen, [leugens vertellen], belieegen, beleegen, (sterk werkwoord), iemand voorliegen. Winterswijk.
belofte, belòfte, lö̀fte, (vrouwelijk), belòften, belofte.
beloven, belaoven, (zwak werkwoord), beloven.
bels, [pruim], belze, (vrouwelijk), belzen, wilde pruim.
belt, belt, (mannelijk), belter, heuvel.
bemerking, bemarkung, (vrouwelijk), bemarkungen, opmerking.
bemoeien, bemö̂jen, (zwak werkwoord), bemoeien.
ben, benne, (vrouwelijk), bennen, mand.
beneden, beneden, (bijwoord), beneden.
beneven, [naast], benèven, (bijwoord), naast.
bengel, [knuppel], büngel, (mannelijk), knuppel; blok aan den boot eener koe of aan den hals van een hond; en büngel der onder smîten, een kneppel onder de hoenders gooien, nl. iemand verschrikken.
bengel, [schommel], büngel, (mannelijk), schommel; vgl. talter.
bengelen, büngelen, (zwak werkwoord), bengelen.
benul, benül, (onzijdig), verstand, begrip; slitaozie an ’t benül, kindsch worden; hé heft er gin benül van, hij heeft er geen verstand van.
benzen, [dringend verzoeken], benzen, banzen, (zwak werkwoord), dringend verzoeken, bedelen om iets, onredelijk dringen.
beppe, bebbe, (vrouwelijk), bebben, vrouw; de bek stekt üm nao de bebben, hij is een vrouwengek.
beppe, beppe, (vrouwelijk), oude vrouw; bij aanspraak gelijkbeduidend met ndl. moedertje.
bereiden, bereiden, (zwak werkwoord), bereiden, gereedmaken.
beren, beeren, (zwak werkwoord), tochtig zijn van varkens.
berg, barg, (mannelijk), berg, bergplaats; höjbarg.
bergen, bargen, (sterk werkwoord, zwak werkwoord), barg, eborgen, bargde, eba, bergen.
berk, berke, barke, (vrouwelijk), berken, barken, berk.
berm, barm, (mannelijk), berm van den weg.
bes, bèze, (vrouwelijk), bèzen, naast bère in boschbère, boschbèren. vr.bes.
bescheid, bescheed, bescheid, (onzijdig), bescheid brengen, iemand toedrinken (uit één glas).
beschimmeld, schemmel, (bijvoeglijk naamwoord), beschimmeld, bedremmeld.
beschrijdens, [met de benen uiteen], beschrîns, (bijvoeglijk naamwoord), schrijlings.
beschuit, beschü̂te, (vrouwelijk), beschuit.
beslot, beslö̀t, (onzijdig), sluiting; hé hef gin beslö̀t in den mond, hij kan niet zwijgen.
bespieren, [tegenhouden], bespîren, (zwak werkwoord), hinderen, beletten; zin rechte bünt üm n(i)eet bespîrd, zijn rechten zijn niet weersproken.
bespreken, [genezen door het uitspreken van een formule], besprèken, (sterk werkwoord), door het uitspreken van formules iemand van eene ziekte genezen.
bestaan, bestaon, (sterk werkwoord), bestaan, zijn; verlangen; ’t besteet zoo, ’t is zoo; hé besteet mî niks, hij is mij niet verwant; hé besteet te komen, hij verlangt te komen.
besteden, bestèën, (zwak werkwoord), besteden.
bestendig, bestendig, (bijvoeglijk naamwoord), bestendig.
bestrijken, [aanraken], bestrîken, (sterk werkwoord), bestrijken, door bestrijking (soms onder het mompelen van tooverspreuken), een ziek lichaamsdeel genezen.
beter, beter, bèter, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), Dev. bèterder
betuin, [schaars], betü̂n, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), beperkt, weinig in getal; de eerspel bünt betü̂n, de aardappels zijn schaarsch.
beu, , (bijvoeglijk naamwoord), ’k bün der bö van, ik heb er genoeg van.
beugel, bögel, (mannelijk), beugel.
beuk, bôke, beuk, nog over in Boekelo, uitgespr, Bôkló (buurtschap in Twenthe.)
beuk, böke, (vrouwelijk), böken, beuk.
beuk, bü̂k, (mannelijk), (Keppel) beuk.
beukelkoren, [beukennoot], bökelkoorn, (mannelijk, onzijdig), beukenoot.
beukerd, [leemlaag], bü̂kérde, (vrouwelijk), blauwe leembank.
beun, [ruimte onder een dak], bönne, (vrouwelijk), hoogte midden in een wagenspoor, galerij in een kerk, vliering.
beun, bönne, (vrouwelijk), bönneken, groote kast in de keuken.
beunenbast, [slecht persoon], bü̂nebast, (mannelijk), kwaadaardig man.
beunhaas, bönhaze, beunhaas.
beuren, bören, (zwak werkwoord), beuren.
beurt, börte, (vrouwelijk), beurt.
beven, bèven, (zwak werkwoord), beven.
bever, béver, (mannelijk), bever.
bevertjes, [plant uit de grassenfamilie (Poaceae)], bévertjen, (onzijdig), briza media.
bewegen, bewègen, (sterk werkwoord), bewegen.
bezeiken, [urineren], bezeiken, (zwak werkwoord), bewateren, (zeiken wordt meest van mannen, mîgen van vrouwen gezegd) zik bezeiken van lachen.
bezem, bessem, (mannelijk), bessems, bezem.
bezemsteel, [steel van bezem, magere vrouw], besemstèle, (vrouwelijk), bezemsteel.
bezoeken, bezö̂ken, (sterk werkwoord), bezoeken.
bezorgen, [ervoor zorgen dat iemand iets krijgt], bezö̀rgen, (zwak werkwoord), bezorgen.
bidden, bèden, bèjen , (sterk reflexief werkwoord), ik hebbe mij al gebèden, ik heb al gebeden (Terborgh).
bidden, bidden, (sterk werkwoord), bidden, bedelen.
bieden, bieën, beën, (sterk werkwoord), bieden.
bier, bieer, beer, (onzijdig), bier, maal of feest.
bies, bieeze, beeze, (vrouwelijk), b(i)eezen, bies, lt. juncus.
biet, bieet, beet, (vrouwelijk), b(i)eetwortels, kroot.
biezen, birzen, bissen, bisen, (zwak werkwoord), 1) birzen, drijven, aandrijven. 2) bissen, heen en weer loopen; de kô biëst, de koeien loopen met den staart in de hoogte rond door het weiland.
bij name, [voornamelijk], bename, benaamt, (bijwoord), vooral, voornamelijk; ’t steet slecht met ’t zaod, bename met de ròg, ’t staat slecht met het graan, vooral met de rogge.
bijkans, bikans, (bijwoord), bijna.
bijl, bîle, (vrouwelijk), bijl.
bijlangs, [langs], bîlenk, (bijwoord), langs.
bijmees, [soort mees], bîjmeeze, (vrouwelijk), parus maior (ook koolmeeze). (De boeren zeggen dat zij bijen eten).
bijster, bîster, bîsser, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), bijster; ’t züt er bîster ut, het ziet er slecht uit; ’t spoor bîster, het spoor kwijt; zeer; n(i)eet bîsser vö̀lle, niet zeer veel.
bijten, bîten, (sterk werkwoord), bijten.
bijvoet, bivôt, (mannelijk), plantnaam, artemisia vulgaris.
bijze, [regenbui], bîze, (vrouwelijk), regenbui.
bijzonder, bezünder, (bijwoord), bijzonder.
bikgat, [gat in het ijs], bikgat, (onzijdig), bijt in het ijs.
billen, billen, (zwak werkwoord), behakken, vooral van molensteenen.
bilze, [geslacht van planten uit de nachtschadefamilie], bilze, (vrouwelijk), bilzen, plantnaam, hyoscyamus.
bimbam, [klok], pimpan, (mannelijk), benaming van de klok.
binden, binden, (sterk werkwoord), band, ebonden, binden, een verjaardagsgeschenk geven.
bint, [hoeveelheid garen], bint, (onzijdig), binde, honderd el garen, dat van den haspel komt.
bissinge, bissing, (vrouwelijk), drukte, kermis. Bizzing: jaarmarkt (Almelo).
blaag, blage, (mannelijk), blagen, klein kind, dat lastig is.
blaar, blaore, (vrouwelijk), blaar.
blaar, blère, (vrouwelijk), koe met een bles; ook blèrekô.
blaarkop, blaarkop, koe met bles of geheel witten kop.
blaas, blaoze, (vrouwelijk), blaas.
blaasbalg, blaozebalg, (mannelijk)
blaaspijp, blaozepipe, (vrouwelijk), blaaspijp.
blad, blad, (onzijdig), blaaë, blare, blad.
bladder, bladder, (vrouwelijk), kleine blaasjes op de huid, zweertjes.
blaken, bläoken, blöken, (zwak werkwoord), blakeren; iets kleuren door den rook van het vuur.
blakeren, blöken, (zwak werkwoord), vlas blöken, vlas blakeren.
blakerig, bläokerig, blökerig, (bijvoeglijk naamwoord), naar den rook ruikend of smakend, rookerig.
blauw, blou, (bijvoeglijk naamwoord), blouwe, blauw; zoo blou as de locht.
blazen, blaozen, (sterk werkwoord), bl(i)ees, eblaozen, blazen; de wind blö̀s, het waait onstuimig.
bleek, bleek, (bijvoeglijk naamwoord), bleek.
bleek, bleike, bleeke, (vrouwelijk), bleeken, bleekveld.
bleek, blek, (bijvoeglijk naamwoord), strak; de locht steet zoo blek, de lucht staat naar droog weer.
bleken, bleiken, (zwak werkwoord), bleeken.
blekken, [mazelen], blekke, blekkens, (N. Overijs. blekens), mazelen.
blekken, [blaffen], blekken, blö̀kken, (zwak werkwoord), blaffen. Winterswijk blö̀kken .
blèren, blèren, (zwak werkwoord), blaten, schreeuwen.
blij, blîde, blij, (bijvoeglijk naamwoord), blijde.
blijk, [bewijs, teken], blîk, (onzijdig), blijk.
blijken, blîken, (sterk werkwoord), bleek, eblèken, blijken.
blijven, blîven, (sterk werkwoord), blijven.
blik, [ontvelling aan het zitvlak of de schaamdelen], blekke, (vrouwelijk), blikaars.
blik, blek, (onzijdig), blik.
blikaars, blikeers, (mannelijk), doorgereden aars.
blikken, blikken, (zwak werkwoord), weerlichten; zie hetteblikken.
bloed, blôd, (onzijdig), bloed; ’n blôdspijen, een bloedspuwing.
bloeien, blôjen, (zwak werkwoord), bloeien; de lüchte blö̂jt, de donderblö̂mkesblö̂jt, er is onweer op handen.
bloem, blôm, blôme, (mannelijk, vrouwelijk), blomen, bloem, bloem van meel.
bloempje, blö̂mken, (onzijdig), blö̂mkes, bloempje.
bloesem, blôsem, (mannelijk), bloesem.
blok, blòk, (onzijdig), blö̀kke, blok.
bloo, blö, (bijvoeglijk naamwoord), blöe, bloode.
bloot, bloot, (bijvoeglijk naamwoord), bloot; bloote
blote, [omgeslagen eind van een broek], blöte, (vrouwelijk), omgeslagen eind van den broek.
bloten, blooten, de billen blooten (Winterswijk).
bloten, blöten, (zwak werkwoord), ontblooten; de lange grasspieren in eene geweide weide afmaaien.
bluisteren, [hard waaien], blüjsteren, (zwak werkwoord), hard waaien.
bluisterig, [winderig], plü̂̂sterig, blüjsterig, (bijvoeglijk naamwoord), bluisterig, ruw (van het weer gezegd).
blussen, blüssen, (zwak werkwoord), blusschen.
blutterij, [kleinigheid], blütterije, (vrouwelijk), kleinigheid, licht werk.
bocht, bocht, (onzijdig), vuil, ontuig.
bocht, bochte, (vrouwelijk), bochten, bocht, buiging.
bod, bòd, (onzijdig), mededeeling; bòd stü̂ren, mededeelen, aanzeggen.
bodde, [nors persoon], bode, (mannelijk), norsch mensch.
bode, bóde, (mannelijk), bode.
bodem, baom, (mannelijk), baoms, bö̀me, bodem (van een vat, enz.)
boe, [wel], , hoe wel; bô joa, welja; bô zeker, welzeker.
boek, bôk, (onzijdig), bö̂ke, boek.
boekweit, bôkweite, (vrouwelijk), boekweit; bôkweiten zaod en vrouwlüj raod da’s dübbelt òf niks.
boer, bûr, (mannelijk), boer.
boeten, bö̂ten, vuur aanmaken.
boezem, bôzem, (mannelijk), groote vooruitstekende schoorsteen.
bok, bòk, (mannelijk), bükke, bok.
bokking, bükkink, (mannelijk), bokking.
boks, bokse, (vrouwelijk), boksen, broek; vö̀lle met de bokse te dône hebben, euphem. voor diarrhee hebben.
boksen, [picknicken], boksen, en boksen nemen, een pic nic, dat aan de eigenlijke bruiloft vooraf gaat. Vandaar boksenbier, maal bij die belegenheid.
boksen, boksen, (zwak werkwoord), (Dev.) wegnemen, stelen.
bonk, bonk, (mannelijk), bonke, harde kluit aarde.
bonnet, bonnet, (vrouwelijk), zwarte muts met veer, door meisjes onder de 17 jaar gedragen.
boodschap, bóschòp, boschòp, (vrouwelijk), boschòppe, boodschap. bódschòp stü̂ren of bòd dôn, tijding zenden. Heb i daor bóschòp an hebt gij daar iets mede te maken?
boog, baoge, (mannelijk), baogen, boog, bocht.
boom, boom, (mannelijk), böme, boom.
boomeker, [eekhoorn], booméker, (mannelijk), eekhoorn.
boomgaard, bongerd, (mannelijk), boomgaard.
boomlopertje, [zangvogel], boomlöperken, (onzijdig), vogeltje.
boon, boone, (mannelijk), boonen, boon.
boor, boor, (mannelijk), boors, boor.
boord, boord, (mannelijk), oever, rand.
boos, boos, voor boos is meest kwaod of hellig in gebruik.
bord, [diarree met braken], bòrd, diarrhee met braken.
bord, bret, brö̀t, bretter, achterstuk boven den wagen, dat tusschen de ladders geplaatst wordt.
bord, bröd, (onzijdig), he hef en bröd vör den kòp, hij heeft een hard hoofd. (Wintersw.)
bord, bred, (onzijdig), kistje met schuifdeksel.
bordepad, [vuile weg], bòrdepad, vuile weg.
boren, bóren, (zwak werkwoord), (i)eemand (i)eets ût den nöze bóren, eenen en pîre ût de nöze bóren, door list doen verliezen.
borg, bòrg, (mannelijk), bö̀rge, borg.
bork, [oprisping], bòrk, (mannelijk), oprisping.
borrel, bòddel, bòrdel, bòdel, (mannelijk), borrel.
bors, bòrs, bòs, bòrsdrinken, alles opdrinken.
borst, bòrste, bòste, (vrouwelijk), borst.
borstel, bö̀rste, bö̀ste, (vrouwelijk, meev), borstels van het zwijn.
borstel, bö̀rstel, bö̀stel, (mannelijk), borstel.
bos, bos, (vrouwelijk), büsse, bundel.
bos, bosch, (onzijdig), büsche, bosch.
bosjeskraai, [soort kraai], bü̂̂skeskrèje, (vrouwelijk), bonte kraai.
bot, bot, (onzijdig), bütte, beenderen; de bütte, het lichaam.
boter, bòter, (vrouwelijk), boter.
boterbloem, bòtterblôme, (vrouwelijk), boterbloem, ranunculus acer.
bots, bots, (mannelijk), slag, stoot.
botsen, botsen, (zwak werkwoord), stooten.
bottel, bottel, (vrouwelijk), bottels, bottel.
bottenkerel, [bottenkoopman], büttenkèrel, (mannelijk), bottenkoopman.
bout, bòlte, (vrouwelijk), bòlten, bout.
bouwen, bouwen, (zwak werkwoord), ploegen.
bouwmeestertje, [zangvogel], bouwmeisterken, kwikstaartje.
braai, brau, (vrouwelijk), kuit van het been.
braak, braoke, (vrouwelijk), gebroken land.
braak, brake, (vrouwelijk), braken, braak, werktuig om vlas te breken.
braak, brake, (vrouwelijk), bouwvallig huis.
braaktuit, [vogel uit de familie Scolopacidae], braaktü̂te, (vrouwelijk), regenwulp (steltlooper).
braam, braome, (vrouwelijk), braomen, braambes.
braam, bräomel, brümmel, (mannelijk), brümmels, braambezie.
braden, braon, (sterk werkwoord), braode, breed, ebraon, braden.
braken, braken, (zwak werkwoord), vlas breken.
brand, brand, (mannelijk), brande, brand, brandhout.
brand, [zwaard], brand, (vrouwelijk), zwaard, in de uitdrukking ’t züt er ût as de brand, brandhelder.
brandeg, [snede van een zwaard], brandegge, (vrouwelijk), hé hef der de brandegge òf, hij heeft het nieuw er af, hij heeft de snede van het zwaard af.
branden, brannen, (zwak werkwoord), branden, ’t brent daor, daar is brand.
branderig, branderig, (bijvoeglijk naamwoord), vurig, ontsteking in de huid hebben, ook koortsig.
brandkolk, [waterput], brandkòlk, (mannelijk), waterhoudend gegraven gat voor brandblussching, meest gelegen op of bij een plein midden in een dorp.
brandnetel, [plant], brannettel, (mannelijk), brannettels, brandnetel.
bras, [deel van een geslacht dier], bras, brao, (vrouwelijk), de bras etten, een stuk van het geslachte beest braden en eten; hierop worden allen die komen vetprîzen (’t beest taxeeren) genoodigd.
brechterij, [woeste grond], brechterije, (vrouwelijk), woeste grond.
breed, breed, (bijvoeglijk naamwoord), breeë, breed.
breien, breiden, breijen, (sterk werkwoord), bree, ebrejen, breijen.
brein, [hersenen], bragen, (mannelijk), hersens, meest van geslachte dieren gezegd.
breistokken, [breinaalden], breistö̀kke, (mannelijk), de breinaalden.
breken, breken, (sterk werkwoord), breken.
brem, [geslacht in de Vlinderbloemenfamilie], bremme, (vrouwelijk), genista.
brief, brieéf, breéf, (mannelijk), brief, verder elk stuk paier, al staat er niets op geschreven, vandaar dat een brief ook meer bepaald lèzebrief heet.
briefzakje, [enveloppe], brieevezeksken, breevezeksken, (onzijdig), enveloppe.
brij, brîj, (vrouwelijk), brij.
brink, brink, (mannelijk), brinke, plein in een dorp, open veld in eene marke, zie pootbrink.
broeden, brûden, (zwak werkwoord), ebròd, broeien.
broederzot, [gehecht aan zijn of haar broer], brörzö̂te, (bijvoeglijk naamwoord), gehecht aan zijn broeder.
broeds, brûdsch, (bijvoeglijk naamwoord), broeiziek (van vogels).
broek, brôk, (onzijdig), lage streek.
brok, bròkke, (onzijdig), bròkken, brok.
bron, born, bòrnpütte, bron, put.
brood, brood, (onzijdig), brö, brood.
broos, bròs, (bijvoeglijk naamwoord), broos, zwak.
brug, brügge, brüggen, brug, vonder.
brugge, [boterham], brügge, brugsken, (vrouwelijk), boterham; weitenbrügge.
bruid, brûd, (vrouwelijk), brü̂de, bruid.
bruidegom, brügem, (mannelijk), bruidegom.
bruidslag, [bruiloft], brûdslage, (vrouwelijk), bruiloft.
bruidsnodigers, [zij die bruiloftsgasten uitnodigen], brûdsnögers, noodigers voor de bruiloft. Deze, in ’t kistentü̂g gedost en met de nögestaf in de hand, doen de noodiging ter bruiloft met het volgende liedje: Daor stao ’k op minen staf / En weet n(i)eet wat ik zeggen mag. / Now hek mij weer bedach / En weet ik wat ik zeggen mag. / Hier stü̂rt ons Gart Jan Vente als brügom / En Mientjen Elschòt as de brùd, / En dé nöget uw der ùt: / Margen vrog om tien ü̂r, / Op en tonne bier, tiene, twalevene / Op en anker wîn, vîf, zesse, En en wanne vol rozînen, / Dé zült bij Venterboer verschînen / Met de hùsgezeten En nüms vergeten, / heb je zoeken Vrog kommen en late blîven Anders küw wij ’t nieet op krigen. / Lüstig ezongen, vrölik esprongen, / Springen met de beide beene. / En wat ik nog hebbe vergeten / Zult ow de Brü̂gom en de Brûd verbeten, / Hej mij elk nuw wal verstaon, / Dan laot de fles üm de taòfel gaon.
bruiken, brûken, (zwak werkwoord), gebruiken.
bruiloft, brûdlocht, brûdlachte, (vrouwelijk), bruiloft. brüllefte(Laren, Vorden enz.).
bruiloftsnodiger, [iemand die bruiloftsgasten uitnodigt], brülleftenöger, zie brûdsnögers.
bruin, brûn, (bijvoeglijk naamwoord), bruin.
bruis, [schuim], brûs, (onzijdig), schuim.
bruisen, brûzen, (zwak werkwoord), schuimen, bruisen. Laot sûzen, laot brûzen, Laot kòsten, wat ’t wil, De brü̂gom zal ’t betalen, Dan büw alle vrij.
brus, [wild], brus, (bijvoeglijk naamwoord), wild.
bui, büj, (vrouwelijk), bui.
buigen, bûgen, (sterk werkwoord), boog, ebogen, buigen.
buik, bûk, (mannelijk), buik.
buikslaan, [hijgen], bûkslagen, bûkslaon, (sterk werkwoord), hijgen (van een paard).
buil, bü̂le, (vrouwelijk), bü̂len, buil.
buil, bü̂̂l, (mannelijk), zak.
buiskool, bûskool, (vrouwelijk), kabuiskool; hopla, hopla, morgen et wi bùskools bla, bùskools bla met rúpen, daor küwi gòd nao dùpen.
buiten, bü̂ten, (zwak werkwoord), ruilen; ümmebü̂ten, verbü̂ten, omruilen.
buiten, bü̂̂ten, (voorzetsel, bijwoord), bü̂̂ten en behalve, uitgenomen (ook bûten, vgl. ût).
bukken, bö̀kken, (zwak werkwoord), bukken.
buks, boks, (vrouwelijk), geweer; de boks ütsch(i)eeten, het geweer afschieten bij de voltrekking van het huwelijk.
bul, bolle, (mannelijk), bollen, stier.
bulk, bülk, (mannelijk), hoop, groote zak; en bülk geld hebben.
bulken, bö̀lken, (zwak werkwoord), oprispen.
bullen, bollen, (zwak werkwoord), tochtig zijn (van koeien).
bullen, [huilen], bö̀llen, (zwak werkwoord), huilen.
bult, bült, (vrouwelijk), bülte, hoogte, menigte.
bunder, bünder, (mannelijk), bünders, bunder (landmaat).
burgemeester, bòrgemeister, (mannelijk), burgemeester.
bus, büsse, (vrouwelijk), büssen, bus.
buts, bü̂tze, (vrouwelijk), bü̂sse, zak in een kleedingstuk.
buur, bü̂re, (mannelijk, vrouwelijk), tijk van een bed.
buurt, bü̂rte, (vrouwelijk), buurt.
buurtschap, [gehucht], bûrschap, (onzijdig), gehucht.
coûte que coûte, kûterdekût, (bijwoord), op stel en sprong, zonder wikken of wegen.
daad, daod, (vrouwelijk), däode, däoë, daad.
daal, [beneden, omlaag], dale, (bijwoord), üm dale, naar beneden; zich of sik dale smîten, gaan zitten.
daar, daor, (bijwoord), daar.
dag, dag, (mannelijk), dage, dag.
daggen, [afwerken van metselwerk], daggen, (zwak werkwoord), metselwerk insnijden.
dak, dak, (onzijdig), dake, dak; ook het stroo, waarmede het dak gedekt wordt, heet dak.
dal, delle, (vrouwelijk), laagte; vgl. dele.
dalen, dalen, (zwak werkwoord), dalen.
dam, dam, (mannelijk), damme, dam.
dam, [nest van varkens], damme, (vrouwelijk), nest (van varkens). (Doetinch.)
dammen, [een nest maken (door varkens)], dammen, (zwak werkwoord), een nest maken om te werpen; van varkens gezegd: ’t varken damt. (Doetinchem).
damp, damp, (mannelijk), dampe, damp.
dampig, dempig, (bijvoeglijk naamwoord), kortademig.
danig, däonig, (bijwoord), vrij wat, zeer, ze bunt däonig an ’t kwachelen, zij zijn daar zeer aan het sukkelen.
dank, dank, (mannelijk), ’t is uw te danke, ik deed het voor uw genoegen.
danken, danken, (zwak werkwoord), danken, bedanken.
darm, darm, (mannelijk), derme, darme, darm.
das, dasse, desse, (vrouwelijk), das, halsdoek.
dauw, dau, dou, (mannelijk), dauw.
dauwelen, [niet doelgericht bezig zijn], dawelen, (zwak werkwoord), stoeien, niets doen.
dauwtrappen, [vroeg opstaan], dautrèën, (zwak werkwoord), dauwtrappen; op 1 Mei vroeg opstaan, als de dauw nog op ’t veld ligt.
dawelaar, [nietsnut], dawelaar, (mannelijk), nietsdoener.
deeg, deeg, (onzijdig), deeg.
deeg, dége, (vrouwelijk), voordeel, tier; de hônder hebt gin dége ast règent.
deeg, [verstandig], dége, (bijvoeglijk naamwoord), hé is n(i)eet dége, hij is niet recht wijs.
deel, deel, (onzijdig), deele, deel.
deel, dele, delle, (vrouwelijk), dorschvloer, eigenlijk het bevloerde gedeelte van de schuur, die in de saksische boerenwoning een geheel met het woonhuis vormde.
deelbrief, deilbrieef, deilbreef, (onzijdig), scheidingsacte.
deelhaan, [verwaand persoon], delenhane, (mannelijk), verwaande gek (die meent dat hij de haan van de deel is).
deelloos, deiloos, oneenig.
deemsterig, demmerig, (bijvoeglijk naamwoord), duister
deerne, dèrne, (vrouwelijk), deerns, deern.
deger, déger, (bijvoeglijk naamwoord), verstandig.
dek, dekke, (onzijdig), dek, deken.
deken, dèken, (mannelijk), deken (decanus).
deken, deken, (vrouwelijk), dekens, deken.
deksel, dekkel, (mannelijk), deksel.
delen, deilen, (zwak werkwoord), deelen.
den, denne, (vrouwelijk), dennen, den.
denken, denken, (zwak werkwoord), denken, herinneren; hé döch er aover, hij denkt er over; ’k kan ’t mij bes denken, ik kan het mij best herinneren.
derg, [bijzonder, zeer], dèrg, (bijwoord), bizonder, en dèrg dik höfd.
dertig, dartig, datig, (telwoord), dertig.
desem, deesem, (mannelijk), deesem.
deugdelijk, [degelijk], dögdelik, (bijvoeglijk naamwoord), degelijk.
deuk, düt, (mannelijk), deuk.
deur, döre, (vrouwelijk), deur.
Deventer, [plaatsnaam], Dèmter, eigenn. Deventer.
deze, disse, (voornaamwoord), deze.
dicht, dicht, (onzijdig), schrijfboek.
dief, dieef, deef, (mannelijk), d(i)eeve, dief.
dienen, dieenen, deenen, (zwak werkwoord), dienen.
diep, diep, deep, (bijvoeglijk naamwoord), d(i)eepe, diep.
diepzinnig, [diep doordringend in het wezen der dingen, zwaarmoedig], dieepzinnig, deepzinnig, (bijvoeglijk naamwoord), zwaarmoedig.
dier, dier, (onzijdig), diere, dier.
diggel, diggel, (vrouwelijk), diggels, scherf.
dij, dij, (vrouwelijk), dijen, dij.
dijk, dîk, (mannelijk), dîke, dijk, straatweg.
dik, dük, dikkedükke, (bijwoord), dikwijls,meermalen, vake.
dille, dülle, (vrouwelijk), deel van den bijl, waarin de steel steekt.
dingsigheid, [kleinigheid], dingselheid, (vrouwelijk), kleinigheid.
dissel, [spinrokken], dissel, (mannelijk), spinrokken.
disselboom, [deel van paardentuig], disselboom, (mannelijk), disselboom.
disselen, [onenigheden hebben], disselen, (zwak werkwoord), twisten, mopperen.
distel, distel, dissel, (mannelijk), distel, carduus.
disteren, [haspelen], disteren, (zwak werkwoord), haspelen.
dodderig, dòdderig, (bijvoeglijk naamwoord), slaperig.
dode, dooe, doode, (mannelijk), doon, doode.
dode, daoje, (mannelijk), suffer.
doden, dooien, (zwak werkwoord), sterven; nao ’t doojen van Gart Jan, na den dood van Gerrit Jan. (Op sommige plaatsen naar analogie van dood als dooden uitgesproken.)
dodenbes, [plant uit de nachtschadefamilie], doodebèzen, (meervoud, vrouwelijk), solanum nigrum.
doedel, [slaapmuts], dûdel, (mannelijk), kinderslaapmuts, slaapkop.
doedeldop, [slaapkop], dûdeldòp, (mannelijk, vrouwelijk), slaapkop; beter en helligen kòp dan en dûdeldòp.
doek, dôk, (mannelijk), dôke, doek; eenen (i)eets ût de dôke dôn, iemand iets verklaren.
doen, dôn, (sterk werkwoord), doen, geven, reiken. op de mouwe dôn, op de mouw spelden; dô mi dat, geef mij dat; praten; wi hebt er lange aover edaon; om iets geven; daor dô ’k niks op; gedaon op (i)eets wèzen, fel op iets zijn..
Doesburg, [stad in Gelderland], Dûzebarg, Doesborg.
doezig, dûzig, (bijvoeglijk naamwoord), slaperig.
dokken, [stro onder dakpannen plaatsen], dòkken, (zwak werkwoord), stroowisschen onder de pannen leggen.
dol, dol, (bijvoeglijk naamwoord), dol, bont; van veel linten en kwikken voorzien; den dollen hôd, de opgetooide hoed; (in ’t höfd). duizelig.
dol, [lieveling], dòl, (mannelijk), lieveling.
dolkruid, dolkrü̂̂d, (onzijdig), solanum niger.
dollen, dollen, (zwak werkwoord), ijlen.
dom, dom, (bijvoeglijk naamwoord), dom; zoo dom as ’n kü̂ken, zoo dom as ’n ganze, zoo dom as ’n osse, zoo dom as ’n ülk, zoo dom as ’n varken, zoo dom as ’n ûle.
dominee, dómenheer, (mannelijk), predikant.
donderkruid, [plant uit de Composietenfamilie], donderkrü̂̂d, (onzijdig), inula conyza.
donderpad, donderpedde, (vrouwelijk), dikkop (jonge kikvorsch).
doodvat, [doodkist], doodvat, (onzijdig), doodkist; den boom mot nòg düchtig grö̂jen eer der vör mij en doodvat ût vö̀lt, de boom is nog lang niet groot.
doof, dóf, doof, (bijvoeglijk naamwoord), doof, nl. uitgedoofd, leeg; dóve nötte, dóve kaole, dove kolen, dóve stö̀kke (dood hout); doof, doof as ’n scharde.
dooien, döjen, (zwak werkwoord), dooien.
dooier, door, (mannelijk), dooier.
dooiweer, [weer waarbij het dooit], doo weer, (onzijdig), dooi weer.
doop, doop, döpe, (mannelijk, vrouwelijk), doop.
doop, [saus], doop, (vrouwelijk), saus.
doopvat, [bekken met doopwater], döpvat, (onzijdig), doopbekken.
door, dör, (voorzetsel), door.
doorkokerij, [eten door elkaar], dörkòkerije, (vrouwelijk), eten door elkaar.
doorn, doorn, (mannelijk), dörne, doren.
doornappel, doornappel, (mannelijk), plantnaam, Datura.
doorslag, [zeef, vergiet], dörslag, (onzijdig), zeef, vergiet.
doortocht, dörtocht, (mannelijk), buikloop.
doos, döze, (vrouwelijk), dözen, doos.
dop, dòp, (mannelijk), dö̀ppe, slekkedö̀ppe, slakkenhuisjes.
dopen, döpen, (zwak werkwoord), doopen.
dopguts, [soort beitel], dòpgüdze, (vrouwelijk), ronde beitel.
dopheide, dòpheide, (vrouwelijk), erica tetralix.
dorp, darp, (onzijdig), darpe, dorp.
dorpel, dürpel, dorpel.
dorsen, dòrsen, (zwak werkwoord), dorschen.
dorst, dòrst, dòrste, (vrouwelijk), dorst.
dotkuikentje, dòdkü̂kentjen, (onzijdig), laatste kind, hartelap.
dra, [verkouden], drao, drao in den hals, verkouden. Winterswijk.
dra, drao, (bijvoeglijk naamwoord), stroef; den wagen geet drao, de wagen gaat stroef, de raden zijn droog; drao in ’t wark, lui; en draoën keerl, iemand met wien men niet vooruit komt.
draad, draod, (mannelijk), dräoë, dräode, draad.
draadnagel, [spijker, eigengereide man], draodnègel, (mannelijk), draadnagel, eigengereide vent.
draai, [wending], drèj, drèje, draai.
draaien, drèjen, (zwak werkwoord), draaien.
draak, drake, (mannelijk), draken, draak, vlieger.
dracht, dracht, (vrouwelijk), wat gedragen wordt, kleeding; ’t is gin dracht meer, ’t is geen mode meer.
dragen, drègen, dragen, (sterk werkwoord), drôg, edrègen, dragen.
dral, dral, (bijvoeglijk naamwoord), vast gesponnen garen, garen dat licht ronddraait.
drammen, drammen, dremmen, (zwak werkwoord), huilend aandringen; (Overijs. dremmen).
drammer, [zeurpiet], drammert, (mannelijk), huiler, pruttelaar.
drank, dronk, (mannelijk), drankje.
dras, drö̀s, (mannelijk), drassige, lage grond; drö̀sgrond, kléverdrö̀s (klaverweide).
dreef, dreef, (mannelijk), dreef, hé is op dréve, hij is op gang, hij is goed geluimd.
dreig, drieëge, dreëge, (mannelijk), vierkante koppige kerel.
dreigen, dròwen, (zwak werkwoord), dreigen; der drout règen, er dreigt regen.
drek, drek, (mannelijk), slijk, ook voor etter gebruikt.
drekken, [etteren], drekken, (zwak werkwoord), etteren.
drempel, drümpel, (mannelijk), drempel.
drenzen, drenzen, (zwak werkwoord), dringend schreeuwen.
drevel, drével, drévels, drevel.
drie, driee, dree, (telwoord), drie.
driest, driest, (bijvoeglijk naamwoord), driest liggen, braak liggen.
driest, drîste, (bijvoeglijk naamwoord), driest.
drift, drift, (vrouwelijk), sterke beweging; kudde, weg waar langs vee gedreven wordt.
drijftol, [soort tol], drîvetòl, (mannelijk), drijftol.
drijten, drîten, (sterk werkwoord), dreet, edreten, exonerare alveum.
drijtpol, [graspol], drîtpòl, (mannelijk), graspol in eene weide.
drijven, drîven, (sterk werkwoord), dreef, edréven, drijven.
dril, dril, (onzijdig), gestold vleeschnat.
dril, dril, (onzijdig), geweven (driedraadsch) stof.
drillen, drillen, (zwak werkwoord), ronddraaien.
dringen, dringen, (sterk werkwoord), drong, edrongen, dringen.
drinken, drinken, (sterk werkwoord), dronk, edronken, drinken.
droef, drôf, (bijvoeglijk naamwoord), droef.
droefheid, [bedrukte stemming], drôfheid, (vrouwelijk), hi lö̀t gin drôfheid nao, hij laat geen bedroefde nabestaanden achter.
droesem, drûs, drûst, (mannelijk), bezinksel van koffie, enz.
drogen, drögen, (zwak werkwoord), drogen.
drol, dròl, (mannelijk), worstachtig uitwerpsel.
dromen, drömen, (zwak werkwoord), droomen.
drong, dronge, (bijvoeglijk naamwoord), dicht opeen, ineengedrongen; de rogge steet dronge.
droog, dröge, (bijvoeglijk naamwoord), droog.
droom, droom, (mannelijk), dröme, droom.
drossen, [bluffen], dròschen, (zwak werkwoord), bluffen, grootspreken.
druif, [bundel bloemen], drûf, (mannelijk), drûve, kleine bundel bloemen.
druif, drûve, (vrouwelijk), drûven, druif.
druipen, drûpen, (sterk werkwoord), dròp, edròppen, druipen.
druk, drük, drok, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), druk; ’k bün drük, ik heb het druk, (veel te doen).
drukken, drükken, (zwak werkwoord), drukken; zik drükken, buigen; den haze drükt zich.
drunger, [bont], drünger, (mannelijk), bont met pinnen tusschen de paarden.
drup, dròppe, drö̀ppel, (mannelijk), dròppen, droppel. Verklw. drö̀pken
dubbel, dübbeld, (bijvoeglijk naamwoord), dubbel.
duidelijk, dü̂delek, (bijvoeglijk naamwoord), duidelijk.
duif, dûve, (vrouwelijk), dûven, duif.
duig, dûge, (vrouwelijk), dûgen, duig (van een vat).
duiken, dûken, (sterk werkwoord), duiken, zich bukken. hé smet nao mi maor ik dûkte, hij smeet naar mij maar ik bukte.
duim, dûm, dûme, dûme, (mannelijk), dûmen, duim.
duister, dü̂ster, dü̂stre, (bijvoeglijk naamwoord, onzijdig), duister ( dü̂ster ); duisternis ( dü̂stre ).
duisterig, [dof in het hoofd, dronken], dôsterig, (bijvoeglijk naamwoord), duizelig, dof in ’t hoofd.
duits, dü̂tsch, (bijvoeglijk naamwoord), duitsch.
duivel, dü̂vel, (mannelijk), duivel.
duivelsgaren, [plant uit de Schermbloemenfamilie], dü̂̂velsgaoren, (onzijdig), eene umbellifera in heggen groeiende.
duizend, dûzend, (telwoord), duizend.
dun, dünne, (bijvoeglijk naamwoord), dun.
duneggen, [slapen (van het hoofd)], düneggen, (meervoud), de slapen aan ’t hoofd.
dunken, dünken, (werkwoord), dunken; wat dücht uw? wat dunkt u?
dunnen, [buikpersen], dünnen, (zwak werkwoord), buikpersen.
duren, dü̂ren, (zwak werkwoord), duren, uithouden; hé ken der n(i)eet dü̂ren, hij kan het er niet uithouden.
durven, [mogen], dürven, (zwak werkwoord), mogen; dat dö̀rste n(i)eet dôn, dat moogt ge niet doen.
duur, dü̂r, (bijvoeglijk naamwoord), duur.
duw, [voorwaartse stoot], dow, (mannelijk), duw.
duwen, dèjen, (zwak werkwoord), zacht slaan.
duwen, dòwen, (zwak werkwoord), duwen.
dwars, dwars, (bijvoeglijk naamwoord), dwars, onvriendelijk; hé was arg dwars tegen mij.
dwarsnacht over dwarsnacht, [de derde dag], dwarsnacht aover dwarsnacht, (mannelijk), den derden dag.
dwepen, dwépen, (zwak werkwoord), dwepen.
dwerg, dwarg, (mannelijk), dwarge, dwerg.
dwingen, dwingen, (sterk werkwoord), dwingen.
echel, echel, (mannelijk), bloedzuiger, stekelvarken.
echt, echt, (bijvoeglijk naamwoord), echt.
edel, édel, (bijvoeglijk naamwoord), edel.
edik, édik, éddik, eek, (mannelijk), azijn.
eed, eed, (mannelijk), eede, eed.
eek, eek, (mannelijk), eikenschors, bruinachtig vocht.
eekhoorn, eekhoren, (mannelijk), eekhorens
eelt, eelt, (vrouwelijk), meer in gebruik is zwil.
een, een, eene, (telwoord) , (als lidw. en), een.
eend, ente, ende, (vrouwelijk), enten, eend, ook pîlende; de roepnaam is pîl.
eendenei, [ei van een eend], endenei, (onzijdig), eendenei.
eendenkroos, [plant aan het wateroppervlak], endekroos, (onzijdig), lemna.
eenpassig, eempessig, (bijvoeglijk naamwoord), eigenzinnig.
eens, ens, (bijwoord), eens.
eer, eere, (vrouwelijk), eer.
eerbied, eerbied, (mannelijk), eerbied.
eerdanig, [eerbied tonend], eerdäonig, (bijvoeglijk naamwoord), eerbewijzend.
eersen, [vernemen], eerschen, (zwak werkwoord), vernemen.
eerst, eerst, (bijwoord) , eerstdaags.
eeuw, eewe, (vrouwelijk), eeuw.
effen, effen, (bijvoeglijk naamwoord), even gelijk.
ege, [stekelvarken], echeldòp, echelvarken, (mannelijk), stekelvarken.
egen, [inhouden], eegen, (zwak werkwoord), zik eegen, zich inhouden, stil zijn.
egge, egge, (vrouwelijk), eggen, kant; scherpe kant van een mes, werktuig om de kluiten op ’t land te breken; maak daj en egge krîgt, maak dat ge de zwakke kant vindt om de zaak aan te pakken; maakt daj ’t an eene egge krîgt, zie dat ge de zaak aan kant krijgt; an en egge zetten, aan kant zetten; z. zelfegge.
egwerk, [net werk], eggewark, (onzijdig), werk dat netjes (met kanten) is afgemaakt.
ei, ei, (onzijdig), eier, ei.
eigen, eigen, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), zelf. Eigens.
eigengereid, eigengereid, (bijvoeglijk naamwoord), eigenzinnig.
eik, eike, (vrouwelijk), eik.
eikelfrans, [soort kever], ekkelfrans, (mannelijk), meikever.
eikelfransje, [insect lijkend op kleine meikever], ekkelfränsken, graskeukentje, dat op den meikever lijkt, doch kleiner is.
eikelworm, [soort kever], ekkelworm, (mannelijk), meikever.
eikenboom, eikenboom, (mannelijk)
eikwilg, [afgeknotte eik], eekwilge, (vrouwelijk), eik, die als een wilg is afgeknot om het talhout.
eiloof, eiloof, (onzijdig), klimop.
einde, ende, (onzijdig), eind.
eis, eisch, (mannelijk), eisch. Vgl. eeschen.
eken, [een bruine kleur afgeven], eeken, (zwak werkwoord), bruin afgeven; de walnö̀tte eekt, de noot geeft bruin af; van eerpel schellen krîg i eekerige hende, van het aardappelschillen krijgt men bruine vingers.
eker, [eekhoorn], éker, etter, z. booméker.
ekertje, [eekhoorn], eekertjen, eekerken, (onzijdig), eekhoorn.
ekster, èkster, (mannelijk, vrouwelijk), ekster.
el, elle, (vrouwelijk), el.
elf, elve, (telwoord), elvene, elf.
elft, elfte, (mannelijk, vrouwelijk), huidworm bij vee.
elft, elve, elfte, elven, elften, larf van een kever.
elkermalk, elkermalk, (voornaamwoord), een ieder.
elleboog, ellebaoge, (mannelijk), elleboog.
ellende, ellend, ellende, (onzijdig, vrouwelijk), ellende.
els, elze, (vrouwelijk), els (priem).
els, elze, (vrouwelijk), elzen, els (boom).
elzenbuis, [havik], elzebüs, (mannelijk), havik (Lochem).
elzenstobbe, [stronk van een els], elzenstobbe, (vrouwelijk), elzenstronk.
embarras, [rommel], ümmeraozie, (vrouwelijk), rommel.
emmer, emmer, (mannelijk), emmers, emmer.
emt, [lichtgeraakt], emp, (bijvoeglijk naamwoord), lichtgeraakt.
emt, empe, emte, (vrouwelijk), empen, mier.
emtenbult, [mierenhoop], empenbült, mierenhoop.
emtenstaart, [lichtgeraakt persoon], empenstart, empenstat, (mannelijk), lichtgeraakt mensch.
emterig, [ongedurig], emperig, (bijvoeglijk naamwoord), ongedurig.
emtig, empig, (bijvoeglijk naamwoord), wederstrevend.
en, en, als negatie; hé zei, dat e ’t niet en wist; as ik ’t n(i)eet en hebbe, dan kan ’k ’t ok n(i)eet geven.
eng, ang, (bijvoeglijk naamwoord), zie eng.
engel, engel, (mannelijk), engle, engel.
enig, eenig, (bijvoeglijk naamwoord), alleen.
enk, eng, enk, (mannelijk), enke, veld om het dorp.
enkel, enkel, (mannelijk), enkel van de voet.
enkel, enkeld, (bijwoord), enkel, somtijds.
enkel, enkel, bekrompen, eenzaam.
entegen, [tegemoet], intégen, (bijwoord), te gemoet; (i)eemand intégen kommen.
enten, enten, (zwak werkwoord), enten.
enter, enter, (mannelijk), eenjarig paard.
enterik, [mannetjeseend], enterik, (mannelijk), mannetjes eend.
erf, arf, arve, (onzijdig), erve, erf.
erfeks, [bezitter van een erf], arfekse, (mannelijk), arfeksen, (verouderd) bezitter van een erf; ook erfekse, zie Tijds. M.v. L. 1, 10.
erg, arg, aarg, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), erg.
erg, arg, (onzijdig), erg; ’k hadde der gin arg in, ik had er geen erg in.
ergernis, argernisse, (vrouwelijk), ergernis.
erkentelijk, erkentelik, (bijvoeglijk naamwoord), erkentelijk.
ernst, eernst, (mannelijk), ernst.
erve, [erfgenaam], arve, (mannelijk), arven, erfgenaam.
erven, arven, (zwak werkwoord), erven.
erwt, arfte, (vrouwelijk), arften, erwt.
es, esch, (mannelijk), hooge streek bouwland.
es, esche, esch, (vrouwelijk, mannelijk), boom. Acer campestre.
esdoorn, eskdoorn, (mannelijk), acer pseudoplatanus.
ese, [schik, goede staat], ese, esse, (mannelijk, onzijdig), alleen voorkomende in hi is recht in zîn ese, of esse, hij is in zijn schik.
estrik, estrik, ester, (mannelijk), gebakken vloersteen.
eten, eten, (sterk werkwoord), at, egetten, eten.
eterij, [voedsel], eterije, (vrouwelijk), etenswaar.
etgroen, etgrö̂n, etgrö̀s, (onzijdig), etgroen.
ettebuil, [muggenbult], ettebü̂l, hettebü̂l, (mannelijk), buil door den beet eener mug.
euvel, äovel, (bijvoeglijk naamwoord), euvel.
euvelgunne, [afgunst], äovelgünne, (mannelijk), afgunst.
even, èven, (bijwoord), even.
even, effen, (bijwoord), een oogenblik,
evenouder, [iemand van gelijke leeftijd], èvenòlder, min èvenòlder, van gelijken leeftijd zijnde.
evenwel, èvenwels, (bijwoord), evenwel.
ezel, èzel, (mannelijk), èzels, ezel.
fazel, [geslachtsdeel van een dier], fazel, (vrouwelijk), de kling, geslachtsdeel, voornamelijk van koeien gezegd.
feeks, feekse, fikke, (vrouwelijk), feeksen, feeks.
feil, feil, (mannelijk), feil.
feil, feil, (vrouwelijk), dweil.
fel, fel, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), felle, hevig, zeer begeerig naar; de kolde v(i)eel üm fel op ’t lîf, de koorts begon hevig en plotseling; hé is fel op de deerns, hij is een meisjesgek.
fenegriek, fennegriek, (vrouwelijk), trigonella foenum graecum.
ferm, farm, (bijvoeglijk naamwoord), ferm.
fielt, fîlte, (mannelijk), fîlten, fielt.
fijn, fîn, (bijvoeglijk naamwoord), fijn, teer, hoog (van stem); ’n fîn kindjen, een teer kindje; ’n fîne stemme, een hooge stem; fînfluiter of fînefluiter, mooiprater.
fijn, [vroom persoon], fîne, (mannelijk), finen, vrome.
fijsterig, [koud, gevoelig voor kou], fîsterig, (bijvoeglijk naamwoord), koudelijk, z. vrüsterig.
fijt, fît, (vrouwelijk), fijt (zweer).
Fik, Fik, (mannelijk), hondennaam, meest roepnaam.
fiks, fiks, (bijvoeglijk naamwoord), bw. gezond, krachtig, bij de hand; baoven fiks en onder niks, van schijnbaar gezond uitziende personen gezegd.
fimmelen, [doelloos bezig zijn], fimmelen, (zwak werkwoord), beuzelachtig, doelloos, onnut werk verrichten.
flank, lanke, (vrouwelijk), zijde, de kô is dünne in de lanke.
flans, [koeiendrek], flanze, (vrouwelijk), koeiendrek (een pannekoek).
flap, [slag], flap, (vrouwelijk), slag.
flappen, flappen, (zwak werkwoord), slaan.
flard, flarde, flarre, (vrouwelijk), flarden, flarren, afgescheurd stuk, vod, lichte vrouw.
flater, flater, (mannelijk), flater.
flauw, flau, flouw, (bijvoeglijk naamwoord), flauwe, zwak, onmachtig, laf, smakeloos.
fleer, flèr, (mannelijk), flère, oorveeg.
flemen, fleemen, (zwak werkwoord), vleien.
flensen, [om eten bedelen], flènseken, (zwak werkwoord), om eten bedelen (van paarden).
flensje, flensken, (onzijdig), pannekoek.
fles, flesse, (vrouwelijk), flesch.
flik, flik, (mannelijk), klap.
flikken, flikken, (zwak werkwoord), slaan, lappen (van schoenen en in figuurlijken zin).
flint, flinte, (vrouwelijk), flinten, schietgeweer, genoemd naar den vlint (flint) vuursteen.
flint, vlint, (mannelijk), steen, kei.
flinter, [klein stuk], flinters, (meervoud), stukken; an flinters sch(i)eeten, stuk schieten.
flits, flitse, (vrouwelijk), pijl.
flitsboog, [handboog], flitsebaoge, (mannelijk, vrouwelijk), boog.
flodder, flòdder, (vrouwelijk), sloddervos.
floddermuts, [ruime muts], flòddermütse, (vrouwelijk), losse muts in tegenoverstelling van de om het hoofd sluitende knipmütse.
flous, flauze, flouze, (vrouwelijk), flauzen, bedriegelijk praatje.
fluisteren, flü̂steren, (zwak werkwoord), fluisteren; van vrijages gezegd: in den dü̂stern / is ’t gôd flü̂stern
fluiten, [blazend een geluid produceren, urineren], fluiten, (sterk werkwoord), fluiten.
foef, [prul], fûsken, (onzijdig), prul, kleinigheid.
foegelen, fûggelen, (zwak werkwoord), oneerlijk handelen (bij spel).
foekepot, fûkepòt, (vrouwelijk), rommelpot.
foeteren, fûtern, (zwak werkwoord), knorren.
foezel, fûsel, (mannelijk), genever.
fok, fòkke, (vrouwelijk), bril; ’k zal de fòkke d’r bij op motten zetten, ik moet er de bril bij opzetten (eigenl. zeil).
fokken, [een bril gebruiken], fòkken, (zwak werkwoord), brillen.
foper, fóper, fobel, denappel.
fors, fòrs, (bijvoeglijk naamwoord), forsch.
fots, fotse, (vrouwelijk), in elkaar gefrommeld lapje.
fots, [bos], fosse, (vrouwelijk), bos.
fotsig, [zwak, dun], fossig, (bijvoeglijk naamwoord), dun, niet sterk.
fraai, fraoj, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), fraai.
framboos, flambóze, (vrouwelijk), flambózen, framboos.
fuik, fûke, (vrouwelijk), fûken, fuik.
fuik, fûk, (bijvoeglijk naamwoord), stil, gesloten; hé helt sik fûk, hij houdt zich alsof hij van niets weet.
gaaf, géve, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), gaaf, zuiver; de bo(r)ste is üm n(i)eet géve, bw. glad en géve, grifweg.
gaan, gaon, bedaard gaan, vgl. loopen.
gaan, gieene, geene, (mannelijk), gang, te g(i)eene komen of raken, ergens (met een werk) goed op streek raken.
gaar, gaar, (bijvoeglijk naamwoord), gaar, slim.
gaard, gaard, gaor, gaord, (mannelijk), gaarden, gaard, tuin, kamp.
gaarne, géérne, (bijwoord), gaarne.
gade, ga, (vrouwelijk), z. weerga, gade.
gading, gading, (vrouwelijk), gading.
gaffel, gavel, gaffel, graffel, (mannelijk), vork (gavel , gaffel: met twee tanden).
gaffeltand, [oorwurm], graffeltand, (mannelijk), oorworm.
gaffeltang, [oorwurm], gaffeltange, (vrouwelijk), oorworm.
gagel, gagel, (onzijdig, mannelijk), plantnaam.
gagel, gaogel, (onzijdig), verhemelte; gagel, naam van een moerassige plaats.
gal, galle, (vrouwelijk), gallen, gal (lt. fel), gal (gezwel).
galg, galge, (vrouwelijk), galgen, galg (in ruimsten zin), mv. galgen, bretels aan den broek.
gallig, gèllig, (bijvoeglijk naamwoord), galllig (ziekte van schapen).
gallig, gellig, (bijvoeglijk naamwoord), welig, welvarend.
galpen, galpen, (zwak werkwoord), huilend vragen.
galsterig, galsterig, (bijvoeglijk naamwoord), ranzig.
gammel, gammel, (bijvoeglijk naamwoord), flauw, zwak.
gang, gang, gangs, (mannelijk), gang; te genge, aan den gang; gangs maken, aan den gang maken, bv. de klòkke gangs maken.
gans, gôs, ganze, (vrouwelijk), gôse, gans.
ganzerik, genserik, (mannelijk), potentilla anserina.
gapen, gapen, (zwak werkwoord), gapen.
gappen, gapsen, (zwak werkwoord), wegpakken.
gaps, gapse, gepse, güpse, (vrouwelijk), de beide handen bij elkaar gehouden.
gard, gard, gart, (vrouwelijk), roede.
garen, gadderen, garen, (zwak werkwoord), verzamelen, bijeengaderen.
garen, garen, gaoren, gaorn, (onzijdig), garens, garen.
garf, garve, (vrouwelijk), garven, schoof koren.
garstig, [vuil], garsterig, gasterig, (bijvoeglijk naamwoord), vuil.
garstig, garstig, gastig, (bijvoeglijk naamwoord), ranzig, knorrig.
gasser, [viezerik], garstert, gastert, (mannelijk), vuilik.
gast, gast, (mannelijk), vier; een gast garven, een gast eier.
gast, gast, (mannelijk), geste, gast.
gasthuis, gasthûs, (onzijdig), ziekenhuis.
gat, gat, (onzijdig), gèter, gat, gaatje; verklw. gètjen; op ’t gat zitten, overeind zitten.
gave, géve, (vrouwelijk), gave; dat is te géve.
ge-, ge-, als voorvoegsel bij znw.; bij de meeste werkwoorden staat e(i) voor ge in nederlandsch.
gebaar, gebèr, (onzijdig), beweging, drukte; wat mak i en gebèr!
gebed, gebed, (onzijdig), gebèjen, gebed.
gebedde, gebedde, (mannelijk), gebedden, bedgenoot.
gebeuren, gebören, (zwak werkwoord), gebeuren.
gebint, gebinte, (onzijdig), de dakbalken.
gebod, gebòd, (onzijdig), gebóën, gebod.
geboorte, geboorte, (vrouwelijk), geboorte.
geboren, gebóren, (verleden deelwoord) , geboren.
gebrek, gebrek, (onzijdig), gebréke, gebrek.
gebrekkelijk, [met een breuk, onvolkomen], gebrekkelijk, (bijvoeglijk naamwoord), een breuk hebbend.
gebruik, gebrûk, (onzijdig), gebruik.
gebruiken, gebrûken, (zwak werkwoord), gebruiken.
gedaan, [dartel], gedaon, (bijvoeglijk naamwoord), dartel.
gedaante, gedaonte, (vrouwelijk), gedaante.
gedachtenis, gedechnisse, (vrouwelijk), gedachtenis.
gedoe, gedô, (onzijdig), bedrijf.
geduld, gedüld, (onzijdig), geduld.
gedwee, gedwè, (bijvoeglijk naamwoord), gedwee.
gee, géie, (vrouwelijk), ’t grö̀s lig an géie (of in de geene), het gras ligt zooals het gemaaid is.
geel, gèl, (bijvoeglijk naamwoord), gèle, geel; zoo gèl as bòtter, geel als boter.
geelgors, gelgü̂̂rze, (vrouwelijk), geelgors.
geen, geen, gin, geen.
geer, geere, (vrouwelijk), geeren, geer.
Geertruida, [meisjesnaam], Hète, verkorting voor Geertruida.
geest, geest, (mannelijk), geeste, geest.
geil, geil, (bijvoeglijk naamwoord), welig (van planten), welgedaan (van menschen).
gek, gek, (mannelijk, bijvoeglijk naamwoord), gek.
gelden, gelden, (sterk werkwoord), gelden.
geleding, geléding, (vrouwelijk), geleding.
gelijk, gelîk, (bijvoeglijk naamwoord), gelijk.
gelijk, lîk, (bijvoeglijk naamwoord), gelijk, effen; wi bünt lîk, wij zijn quite; den wil n(i)eet omlîk, hij wil niet deugen.
geloof, [vertrouwen, religie], gelöve, (onzijdig), geloof.
geloven, gelöven, elöven, glöven, (zwak werkwoord), gelooven.
gelp, [geul, sleuf], gelp, (mannelijk), gegraven geul, sleuf.
gelp, gelp, (bijvoeglijk naamwoord), welig, geil; de rogge steet gelp.
gelte, gelte, (vrouwelijk), varken, dat nog geen biggen heeft gehad.
gelui, gelü̂j, (onzijdig), het luiden der klok.
geluid, gelü̂d, (onzijdig), geluid.
geluk, gelük, lük, (onzijdig), geluk.
gemaal, gemaal, (onzijdig), belasting op ’t gemaal.
gemacht, gemechte, (onzijdig), gemacht, genitalia.
gemeen, gemeen, (bijvoeglijk naamwoord), gemeene, gemeen, gemeenzaam.
gemet, gemet, (onzijdig), landmaat, de helft van een morgen, bijna een halve bunder.
gemoed, gemö̂d, (onzijdig), gemoed.
genade, genaode, (vrouwelijk), genade.
gene, ginne, günne, genne, (voornaamwoord), gene; gindsche.
genezen, genézen, (sterk werkwoord), genezen.
gengelaar, [iemand die niets doet], gengelaar, straatslijper.
gengelen, [heen en weer gaan], gengelen, heen en weer gaan.
genieten, genieeten, geneeten, (sterk werkwoord), genieten.
genoeg, genog, (bijvoeglijk naamwoord), genoeg.
genot, genòt, (onzijdig), genot.
gent, gente, gante, genterik, (mannelijk), gante, ganten, genten, gent, mannetjesgans.
gerak, gerak, (onzijdig), gerek, gerijf; hé hef der et gerak van, hij heeft er het gerijf van.
gerecht, gerichte, (onzijdig), de rechtbank.
gereed, gereed, ree, (bijvoeglijk naamwoord), gereed, klaar.
gerei, gerei, (onzijdig), gereedschap, paardentuig.
geren, geeren, (zwak werkwoord), geeren, schuin loopen.
gerfkamer, garfkamer, (vrouwelijk), sacristij, eigenl. kleedkamer (vgl. N.hol. vergerven, ruien, van kleed verwisselen der kippen).
gerief, gerîf, (onzijdig), gerief.
gerst, garste, gaste, (vrouwelijk), garst, koren.
Gert Jan Peter, [bijnaam voor veldwachter], Gart Jan Peter, Gat Jan Peter, bijnaam, in den Franschen tijd ontstaan, voor den veldwachter, toen gardechampêtre.
geschieden, geschieen, gescheen, (sterk werkwoord), geschieden.
gesel, geisel, geisels, geesel.
geselen, [met een gesel slaan, kastijden], geiselen, (zwak werkwoord), geselen. gieselen (N. Ov.)
geslacht, geslachte, (onzijdig), geslacht.
gesp, gesp, gespel, (vrouwelijk, mannelijk), gespels, gesp.
gespin, [avondvisite van romantische aard], gespin, (onzijdig), avondvisite voor jongelui (meisjes en jongens); mien brö̂r geet manks wal es nao ’t gespin, spinnejacht.
gestaag, gestäodig, (bijwoord), gestadig
gestut, [geheel van dakbalken], gestüd, gestüt, (onzijdig), de dakbalken.
getouw, getou, (onzijdig), getouwe, weefgetouw.
getover, [een voortdurend toveren], getöver, (onzijdig), getoover.
getuig, getü̂g, (onzijdig), getü̂ge, paardentuig (collectief).
getuige, [tegenwoordige bij een gebeurtenis], getü̂ge, (mannelijk), getuige.
gevaar, gevaar, (onzijdig), wagen, voertuig.
gevaar, gevaor, (onzijdig), gevaar.
geval, geval, (onzijdig), toeval.
gevallig, [aangenaam], gevallig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), aardig, aanminnig toevallig, gemakkelijk, aangenaam,.
gevel, gével, (mannelijk), gévels, gevel.
geven, géven, (sterk werkwoord), geven.
gevoel, gevö̂l, (onzijdig), gevoel.
gevrocht, [omheinde plaats], gevròchte, (vrouwelijk), afgeheinde plaats.
gewaad, gewaod, (onzijdig), gewaad.
gewaar worden, gewaarworden, gewaar woden, (werkwoord), gewaar worden
gewaarde, [(juridisch) medegerechtigde in de markgronden], gewaarde, (mannelijk), gerechtigde voor een of meer waren in de markengronden.
gewag, gewag, (onzijdig), gewagen, (het) gewagen.
gewagen, gewagen, (zwak werkwoord), gewagen.
gewas, gewas, (onzijdig), gewas.
geweer, geweer, (onzijdig), geweer.
gewei, gewei, (onzijdig), ingewand (van dieren).
geweld, geweld, (onzijdig), kracht, macht, moeite, beweging (lawaai).
gewelf, gewülf, (onzijdig), gewelf.
geweten, gewéten, (onzijdig), geweten.
gewicht, gewichte, (onzijdig), gewicht.
gewiekst, gewikst, wikst, (bijvoeglijk naamwoord), flink van verstand, geslepen, slim.
gewoon, gewoon, bijvoeglijk naamwoord), gewoone, gewoon.
gezamenlijk, semptlik, (bijwoord), gezamenlijk.
gezel, gezelle, (mannelijk), gezellen, gezel.
gezicht, gezichte, (onzijdig), gezicht.
gezin, gezinne, (onzijdig), gezin.
gezond, gezünd, (bijvoeglijk naamwoord), gezond.
gezwind, swîd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), mooi, vlug, gezwind, vlug; dô ’t swîd, doe het vlug; komt veel voor als naam van jachthonden, evenzoo snel, zie swît.
gier, gier, (onzijdig), gier van ’t vee.
gierbrug, [drijvende rivierbrug], gierbrugge, (vrouwelijk), gierbrug.
gieren, gieren, (zwak werkwoord), zwaaien, draaien, in groote kringen vliegen.
gierig, gidzig, (bijvoeglijk naamwoord), hebzuchtig, gierig.
gieteling, gieetling, geetling, (mannelijk), bastaardnachtegaal.
gieten, gieeten, geeten, (sterk werkwoord), gieten.
gieter, gieeter, geeter, (mannelijk), gieter.
gif, gif, (onzijdig), vergift.
gift, gifte, gift, (vrouwelijk), gift.
giftig, [venijnig, begiftigd], giftig, (bijvoeglijk naamwoord), 1) boos, venijnig. 2) begiftigd.
gij, î, (voornaamwoord), gij.
gijnen, [kiemen], gînen, (zwak werkwoord), kiemen.
ginds, günd, (bijwoord), ginds
gispel, gispel, (vrouwelijk), berisping, vermaning, na de biecht.
gissen, güssen, (zwak werkwoord), gissen.
gist, gest, (vrouwelijk), gist.
glad, glad, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), glad, knap, vlug; van een meisje, dat er knap uitziet zegt men: glad van snût en pöte; geheel en al, in: glad mis, geheel mis; glad verkeerd; begrijpelijk, dat is nòg al glad, dat is zeer begrijpelijk.
gladweg, [kortweg], gladweg, (bijwoord), kortweg; hé zei gladweg nee, hij zeide kortweg neen.
glas, glas, (onzijdig), glaze, glas, venster, ’t glas lö̀s dôn, ’t venster openen.
glee, glee, (vrouwelijk), op glee wèzen, op gang zijn.
glerig, gleerderig, (bijvoeglijk naamwoord), glibberig (van vet).
gleuf, glîve, (vrouwelijk), gleuf.
glij, glî, (onzijdig), zwil in het vleesch.
glijden, glîden, glîren, (sterk werkwoord), glijden.
glijtand, [snijtand], glîtanden, (mannelijk, meervoud), de snijtanden van de koe, waarmede de kinderen speelden.
glimmen, glimmen, (sterk werkwoord), glimmen.
glinsterig, [glimmend, schitterend], gleisterig, (bijvoeglijk naamwoord), glimmend (van de huid, vooral bij roos.)
glint, glinte, (vrouwelijk), schutting.
glip, glip, (mannelijk), spleet, barst in de handen.
gloed, glôd, (mannelijk), gloed.
gloeien, glö̂jen, (zwak werkwoord), gloeien.
glop, [spleet, nauwe doorgang], glüp, (vrouwelijk), glüppe, spleet.
gluipen, glü̂pen, (zwak werkwoord), gluipen.
gluiper, [stiekemerd], glü̂pert, (mannelijk), glüperts, gluiper.
gluips, [gluiperig, onverwacht], glü̂psch, (bijvoeglijk naamwoord), gluiperig, onverwachts.
glunder, glünder, (bijvoeglijk naamwoord), opgewekt.
gnarren, [een malend geluid maken], gnarzen, gnorzen, (zwak werkwoord), een zacht onaangenaam malend geluid maken.
gobbelen, gobbelen, (zwak werkwoord), zich bewegen (van vloeistof), braken.
god, gòd, God.
godden, [god aanroepen], gö̀tten, (zwak werkwoord), gedurig god aanroepen in het gesprek.
goed, gôd, (bijvoeglijk naamwoord), goed.
goesting, gôstink, (mannelijk), zin, smaak.
gofferd, [groot, onbehouwen persoon], goffert, (mannelijk), groote kerel.
gooi, gö̀ie, (vrouwelijk), straal; ’t löp der ût met en gö̀ie.
goor, goor, (bijvoeglijk naamwoord), vuil.
goor, goor, (onzijdig), lage, drassige heigrond.
goot, gö̀tte, goot.
gordel, gö̀rdel, (mannelijk), gordel.
gordijn, gardine, (vrouwelijk), gordijn
gorig, [ziek, smerig], gö̀rig, (bijvoeglijk naamwoord), zwak, een kwaal hebbende (het uiterlijk kan hierbij goed zijn).
goud, gòld, (onzijdig), goud.
graaf, grave, (vrouwelijk), spade.
graaf, graven, (mannelijk), gravens, sloot.
graaf, gréve, graof, (mannelijk), gréven, rechter, opzichter, in Brinkgréve, weidegréve; graof, graaf.
graagheid, [honger], graagheid, (vrouwelijk), honger, trek in eten.
graat, graot, (mannelijk, vrouwelijk), gräote, graat.
gracht, graft, gracht, (vrouwelijk), gräfte, grachte, gracht.
gralen, [glimlachen, in stilte verheugd zijn], gräolen, (zwak werkwoord), in zijn vuistje lachen, glimlachen.
gram, gram, (bijvoeglijk naamwoord), gramme, afkeerig; ’k bün et gram, ’k ben er afkeerig van.
gras, gres, grös, (onzijdig), gras.
grauw, graow, grao, (bijvoeglijk naamwoord), graowe, grauw, grao arften, grauw erwten.
grauwel, [ijzig], grauwel, (vrouwelijk), ijzig; daor g(i)eet mi de griewel van òver de grauwel.
graven, graven, (sterk werkwoord), grôf, egraven, graven.
greep, greepe, (vrouwelijk), greepen, mestvork; van de gavel in de greepe loopen, van kwaad tot erger.
greep, grepe, (mannelijk), greep (het grijpen).
Greet, [meisjesnaam], Greete, Grieete, (vrouwelijk), Margarethe.
grendel, grindel, grendel, (mannelijk), grindels, grendels, grendel.
grep, grübbe, grüppe, (vrouwelijk), greb, greppel.
grep, [uitgraving], grüppe, (vrouwelijk), gruppel.
grienderig, [somber], grînderig, somber, grinderig weer.
grienen, grînen, (sterk werkwoord), green, egrénen, schreien.
grieuwel, [ijzig], grieuwel, (vrouwelijk), ijzig; zie grauwel.
grieuwelig, [angstig], grieuwelig, (bijvoeglijk naamwoord), angstig.
griezel, grü̂sel, (bijvoeglijk naamwoord), huiverig.
grif, grif, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), vlug precies; hé is ter grif met, hij is er vlug mee, ’t kümp grif ût, ’t komt precies uit.
grijpen, grîpen, (sterk werkwoord), greep, egrepen, grijpen.
grijs, grîs, (bijvoeglijk naamwoord), grîze, grijs.
grillen, grillen, (zwak werkwoord), huiverig zijn.
grind, grinte, (vrouwelijk), grint, kleine steentjes.
grind, grinte, (vrouwelijk), meel, (minder fijn dan bloem).
grintenstoet, [soort brood], grintenstûte, (vrouwelijk), grintenstûten, brood van grinte gebakken.
groei, [wasdom], grö̂j, (mannelijk), groei.
groeien, grö̂jen, (zwak werkwoord), groeien, in dikte toenemen, zie wassen.
groen, grö̂ne, (bijvoeglijk naamwoord), groen, verwaand; en grö̂nen gek; rauw: grö̂ne eier; zoo grö̂ne as grö̀s, geheel groen.
groente, grö̂nte, (vrouwelijk), grôntens, groente.
groeten, grö̂ten, (zwak werkwoord), groeten.
groetenis, [groet], grö̂tenisse, (vrouwelijk), groet.
groeve, grôve, (vrouwelijk), begrafenis.
groevebrood, [soort brood], grôvenbrood, (onzijdig), brood voor het begrafenismaal.
groezelig, grünselig, (bijvoeglijk naamwoord), groezelig.
grof, gròf, (bijvoeglijk naamwoord), gròve, grof.
grond, grond, (mannelijk), gründe, grond.
grondhout, [grondbalk, laagste balk], grondhòlt, (onzijdig), de grondbalk in den stal, waarin de palen staan, waaraan de koeien vastgelegd worden; vör ’t grondhòlt liggen, er slecht aan toe zijn, onmachtig zijn.
groot, groot, (bijvoeglijk naamwoord), groote, groot; groote van dôn, zeer nodig.
gruis, grü̂s, (onzijdig), gruis.
gruit, grü̂t, (vrouwelijk, onzijdig), gruit.
gruwel, gruwel, (vrouwelijk), gruwel.
gruwelen, gruwelen, (zwak werkwoord), bang zijn; ’t gruwelt mi, ik ben bang.
gruwen, gruwen, (zwak werkwoord), gruwen.
gudderig, [beverig], gidderig, (bijvoeglijk naamwoord), beverig.
guichelen, gü̂gelen, ginnegappen.
guilen, gü̂len, gûlen, (zwak werkwoord), schreeuwen.
gulp, gülp, (vrouwelijk), straal.
gunnen, günnen, (zwak werkwoord), gunnen.
gunzen, gönzen, gü̂nzen, (zwak werkwoord), op een smeekenden toon vragen, eigenl. zonder spreken, doch wel geluid gevend; keuvelen, van een klein kind.
guren, [doorlaten, tochten], gü̂ren, (zwak werkwoord), doorlaten; de hilde gü̂rt arg, de zoldering in den stal laat veel stof door.
gust, güst, (adjectief), niet drachtig, van koeien.
gutsen, gü̂zen, (zwak werkwoord), gudzen; de règen gûsde dör de locht.
guur, gü̂r, zie ongü̂r.
haag, hegge, (vrouwelijk), heggen, haag.
haagdoorn, hagedoorn, (mannelijk), haagdoorn, crataegus.
haak, haok, (mannelijk), häoke, haak.
haak, hake, (vrouwelijk), haken, haak, kinderliedje: haken en oogen / tikke, takke, toogen / tirelirelir / van gold papir.
haal, haol, (mannelijk), getande ijzeren haak met ketting, waaraan de ketel hangt.
haalboom, [balk in schoorsteen], haolboom, (mannelijk), stok in den schoorsteen, waaraan de haal hangt.
haaltje, häoltjen, (onzijdig), het ijzer waaraan de ketel hangt; ’t häoltjen is ehangen, het huis is klaar, de jonggehuwden kunnen er zoo intrekken.
haam, haam, (onzijdig), haams, haam.
haan, hane, (mannelijk), hanen, haan.
haar, haar, hierheen; hort en haar wordt geroepen tegen de paarden, die zonder lijn bestuurd worden.
haar, haar, (vrouwelijk), hare, hooge heide; in eigennamen, bv. ter Haar, en Haarrook, veendamp.
haar, haor, (onzijdig), de häore, hoofdhaar; ’t haor snîën, het haar knippen.
haar, hör, ör, (bezittelijk voornaamwoord, genetief, vrouwelijk), haar.
haar, hare, (vrouwelijk), ijzeren aanbeeld om de zicht op te scherpen, zie haarstrikke.
haard, heerd, (mannelijk), haard.
haarrook, haarook, (mannelijk), veendamp.
haarstrik, haarstrikke, (vrouwelijk), plat hout om de zicht mee te scherpen; zie hare.
haas, haze, (mannelijk), hazen, haas.
haast, haost, haos, (vrouwelijk), haast.
haat, haat, (mannelijk), haat.
hadde, [afval van vlas], hadde, (vrouwelijk), afval van vlas.
haft, haft, (onzijdig), hafte, watervlinder, haft.
hagedis, èverdesse, (vrouwelijk), èverdessen, hagedis.
hagel, hagel, (mannelijk), hagel.
hak, hakke, (vrouwelijk), hakken, hiel.
hak, hakke, (vrouwelijk), houweel, meestal een breede platte zicht aan een gebogen houten handvat om plaggen te maaien.
haksel, [kortgesneden stro], heksel, haksel (paardenvoer).
hal, hal, (vrouwelijk), bevrozen grond.
halen, halen, (werkwoord), haalde en h(i)eel, ehaald, halen.
half, half, (bijvoeglijk naamwoord), halve, half.
halfscheid, halfscheid, (vrouwelijk), helft.
halm, halm, (mannelijk), halme, halm.
hals, hals, (mannelijk), keel; den hals tôknîpen, de keel dichtknijpen; hals aover ooren, hals over kop.
halter, halter, (mannelijk), halster.
halve arksel, [halve riem papier], harrevarksel, eigenlijk een half arksel, een halve riem papier.
ham, ham, (mannelijk), stuk land (inham).
ham, hamme, (vrouwelijk), hammen, schenkel, dij, bil, voor ham is meer gebruikelijk schinke.
hamel, hamel, (mannelijk), hamels, hamel.
hamel, hamel, (bijvoeglijk naamwoord), armoedig in kleeren en uiterlijk, schraal.
hamer, hamer, (mannelijk), hamers, hamer.
hand, hand, (vrouwelijk), hände, hand.
handschoen, handschô, (mannelijk), handschoen.
handtam, [alles aanrakend, gewend aangeraakt te worden], handtam, (bijvoeglijk naamwoord), die overal met de handen aanzit.
handtammig, [diefachtig], hantammig, (bijvoeglijk naamwoord), handjegauw.
hanenhouder, [roest, kippenstok], hanehȫlter, (onzijdig), kippenstok.
hanenklauw, [plant], haneklauw, (vrouwelijk), ranunculus acer.
hanenpoot, [slecht schrift], hanepöte, (mannelijk, meervoud) , krabbels.
hanentred, [plant], hanetré, (vrouwelijk), plantn. anagallis arvensis.
hangen, hangen, (sterk werkwoord), hink, ehangen, hangen.
hangijzer, hangîzer, (onzijdig), getande ijzeren haak, zie haok.
hangzolder, [galerij van een kerk, open ruimte], hangzòlder, (mannelijk), galerij in eene kerk.
hank, hanke, (vrouwelijk), hanken, kolken langs de rivier.
hannekemaaier, hannekemèjer, (mannelijk), gehuurde maaiers, die in het voorjaar meest uit Duitschland overkomen.
hard, hard, had, (bijvoeglijk naamwoord), hard.
haren, haren, (zwak werkwoord), de zicht scherpen.
haring, héring, hèrink, (mannelijk), haring.
hark, harke, (vrouwelijk), hark.
hars, hars, has, (onzijdig, vrouwelijk), hars.
harst, harst, hast, (mannelijk), ribbe; zie schelha(r)st.
hart, harte, hate, (onzijdig), harten, hart.
hartbotsing, [hartklopping], hartbotsinge, (vrouwelijk), hartklopping.
hartelijk, [vriendelijk, hartig], hartelik, hatelik, (bijvoeglijk naamwoord), hartig.
hartstikke, hardstikke, hadstikke, (bijwoord), geheel; ha(r)dstikke dood, morsdood.
haspel, haspel, (mannelijk), haspels, haspel.
haver, haver, (vrouwelijk), haver.
havik, havek, (mannelijk), havik.
hazelnoot, [soort noot], hazelnȫtte, (vrouwelijk), hazelnoot.
hazenbrood, [plant], hazebrood, (onzijdig), eene plant, briza.
hazenklever, [plant uit de Klaverzuringfamilie], hazenkléver, (vrouwelijk), plantnaam, oxalis.
hebben, hebben, (zwak werkwoord), hebben, gedragen; hebt uw der nao, gedraag je er naar; hé hef zik der nao.
hebrechter, [iemand die altijd gelijk wil hebben], hebberechter, (mannelijk), die altijd gelijk wil hebben.
hechten, hechten, heften, (zwak werkwoord), vast verbinden.
hechten, hechten, (zwak werkwoord), hijgen.
hede, [afval van vlas], heet, afval van vlas, beste soort; zie spît.
heellijk, hilk, (bijvoeglijk naamwoord), geheel; den hilken dag, hilkendal.
heem, heem, hieem, (onzijdig), heem.
heep, hieepe, heepe, eepe, ieepe, (vrouwelijk), h(i)eepen, hakbijl, korte bijl.
heer, heere, (mannelijk), heeren, heer.
heerdeloos, [zonder herder], heerdeloos, (bijvoeglijk naamwoord), zonder herder; ’t vee lȫp heerdeloos.
hees, hees, (bijvoeglijk naamwoord), heesch.
heester, heister, (mannelijk), heester.
heet, heite, (bijvoeglijk naamwoord), heet, warm.
heffen, heffen, (sterk werkwoord), opnemen.
heft, heft, (onzijdig), handvat.
hegen, [omheinen], hégen, (zwak werkwoord), omheinen.
hegen, [schoonmaken], hègen, (zwak werkwoord), schoonmaken.
heide, heed, heet, hieet, heide, (onzijdig, vrouwelijk), heide (gewas); heide, erica.
heidebrand, [brand op de heide], heedbrand, heibrand.
heideplag, [vierkant stuk van de heideschaal], heetplagge, heizode.
heidevorsen, [nok van het dak], heedvorsen, de nok van het dak onder welks pannen heide gestopt wordt.
heiig, heiig, (bijvoeglijk naamwoord), dampig.
heil, heil, (onzijdig), heil.
heilig, hellig, (bijvoeglijk naamwoord), boos; zoo hellig as ’n spinnekòp.
heiligheid, [hevige woede], helligheid, (vrouwelijk), toorn.
heimpje, hîmpjen, hîmeltjen, îmken, (onzijdig), krekel.
heisteren, heisteren, (zwak werkwoord), zich hevig uiten, spektakel maken (van kinderen); zik heisteren, zich opwinden bij daad of woord.
heisterig, [onstuimig, wild], huisterig, (bijvoeglijk naamwoord), onstuimig (van het weer).
hek, hekke, (onzijdig), hekkes, hek.
hekel, hèkel, (mannelijk), hekel.
hekelaar, [kliergezwel], hekkeleers, (meervoud), kliergezwellen.
hekelen, hékelen, (zwak werkwoord), vlas hekelen.
heks, hekse, (vrouwelijk), heks.
heksenkrans, [plant uit de wolfsklauwfamilie], heksenkrans, (vrouwelijk), lycopodiumsoort.
heksenmelk, [soort plant], heksemelk, (vrouwelijk), euphorbia peplus, wolfsmelk (plant), ook bòllekrü̂d.
heksenmelker, heksemelker, (mannelijk), rups, die op de wolfsmelk aast.
hel, helle, (vrouwelijk), hel.
helen, hélen, (sterk werkwoord), helen.
heler, [iemand die heelt], héler, hélers, heler.
helft, helfte, (vrouwelijk), helft.
helken, helken, (zwak werkwoord), een band om de zes staande korenschooven slaan.
helleweg, [lage weg], helleweg, (mannelijk), lage weg.
helmbloem, helmblôme, (mannelijk, vrouwelijk), aconitum napellus.
hels, [boos], helsch, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), boos, zeer; hé wier helsch op mij, hij werd boos op mij; helsch dü̂ster.
hemd, hemde, hemp, (onzijdig), hemd.
hemdrok, [borstrok], hemdròk, (mannelijk), soort van borstrok.
hemel, hémel, (mannelijk), hémels, hemel.
hemel, hemmel, (bijvoeglijk naamwoord), zindelijk, netjes.
hen, henne, (vrouwelijk), hennen, hen, kip.
Henders, [meisjesnaam], Henders, Henners, Hente, (vrouwelijk), verkortingen van Hendrika.
hengel, hengel, (mannelijk), hengsel; hengelmand.
hengst, hengest, (mannelijk), hengeste, hengst.
hennep, hennep, (vrouwelijk), hennep, cannabis sativa.
herberg, herbarge, harbarge, harrebarge, (vrouwelijk), herberg.
herfst, harfst, (mannelijk), herfst.
herik, hérik, (mannelijk), onkruid.
herkauwen, [andermaal kauwen], neerkewen, (zwak werkwoord), herkauwen.
Herm, [jongensnaam], Herm, (eigennaam), Herman. Een kinderliedje, ook in Twente gezongen, luidt: Herm slao derm / Slao pipen, slao trommen / De keizer wil kommen / Met gaffel en tangen / Wil Herm ophangen. (Hetzelfde liedje bevindt zich in de kerk te Bielefeld).
hermelijn, hermken, hermeltjen, (onzijdig), wezel en hermelijn.
hersenen, harsens, hasens, hersens.
hersenwater, [waterhoofd], harsenwater, hasenwater, (onzijdig), hersenziekte.
hert, hart, hartebeest, (onzijdig), hert.
hesp, hepse, epse, (vrouwelijk), ham.
hespenpootjes, [deel van een varkenspoot], hespenpötjes, espenpötjes, stuk van den poot van een varken.
heten, [bevelen], heeten, heiten, (sterk werkwoord), hiet, eheiten , eheeten, heeten, bevelen.
heug, höge, (vrouwelijk), herinnering. tegen höge en möge, tegen wil en dank.
heugen, högen, (zwak werkwoord), heugen.
heup, höpe, (vrouwelijk), heup.
hevel, hèvel, (mannelijk), hevel.
hierlands, [Iers, met betrekking tot Ierland], Hierlandsch, (bijvoeglijk naamwoord), inlandsch; (Ierlandsch N.O.)
hiers, hiersch, (bijvoeglijk naamwoord), hier behoorend.
hij, , hij, (voornaamwoord), hij.
hild, hilde, (vrouwelijk), de lage zoldering in den stal.
hinnebes, [wilde framboos], hinnebèren, (vrouwelijk), frambozen.
hippen, hippen, (zwak werkwoord), springen; o.a. in het versje: Hip en trip, Hip en trip / Hòld mij achter an min slip / dat bij een kinderspel gezongen wordt.
hitte, hette, (vrouwelijk), hitte.
hitteblikken, [bliksemen zonder hoorbare donder], hetteblikken, hettelüchten, (zwak werkwoord), weerlichten, zonder dat het dondert.
hoe, , (bijwoord), hoe.
hoed, hôd, (mannelijk), hö̂, hoed.
hoede, hö̂de, (vrouwelijk), bewaarplaats.
hoeden, hö̂jen, (zwak werkwoord), hoeden.
hoef, hôf, (mannelijk), hoef (van een paard).
hoek, hôk, (mannelijk), hö̂ke, hoek.
hoen, hôn, hônder, hoen.
hoenderren, [loopplaats voor kippen], hônderren, (mannelijk, onzijdig), kippenhok.
hoeneer, hôneer, (bijwoord), wanneer.
hoest, hôst, (mannelijk), hoest.
hoesten, [de hoest hebben, iets beu zijn], hö̂sten, (zwak werkwoord), hoesten.
hoeve, hôve, hoeve.
hogen, [griep], hoggen, (mannelijk), griep; Wintersw. zie howen.
hogen, [griep, verkoudheid], howen, (mannelijk), griep, rondgaande verkoudheid.
hok, hòk, (onzijdig), hȫkke, hȫkker, hok.
hokjeskermis, hȫkkieskarmse, (vrouwelijk), verhuring van de zitplaatsen in de kerk.
hol, hòl, (onzijdig), hol; kaninenhòl.
holferen, [huilen], hòlferen, (zwak werkwoord), vreeselijk huilen.
holpijp, [soort plant], hòlpîpen, (meervoud), equisetumsoort.
holtingsdag, [vergaderingsdag van de mark], hȫltingsdag, (mannelijk), dag van de vergadering der mark.
hond, hond, (mannelijk, onzijdig), hündjen, hond.
hondenbloem, [plant], hondeblôme, (vrouwelijk), hondeblômen, taraxacum officinale, paardebloem, molsla.
honderd, honderd, (telwoord), honderd.
hondtong, [plant], hondtong, molsla.
hongerkuil, [kuil aan de buik van een koe], hongerkûle, (vrouwelijk), kuil, laagte aan den buik der koe.
honing, honig, (mannelijk), honing.
hoofd, höfd, (onzijdig), höfde, hoofd.
hoog, hoog, (bijvoeglijk naamwoord), hooge, hoog.
hooi, höj, (onzijdig), hooi.
hooien, [hooi binnenhalen], höjen, (zwak werkwoord), hooien.
hooiopper, [stapel van hooi], höjòpper, (mannelijk), höjòppers, hooistapel.
hoop, hoop, (mannelijk), hoop; te hoope hebben, gemeenschappelijk bezitten.
hoop, hoope, (mannelijk), hoopen, hoop.
hoorn, hóren, hoorn, (onzijdig, mannelijk), hörne, hoorn (van een dier).
hoorn, hóren, hoorn, (mannelijk), hórens, hoorn (trompet).
hoorntje, honte, (mannelijk, vrouwelijk), horzel.
hoos, hóze, haoze, haozen, kous.
hoos, hooze, (vrouwelijk), hoozen, hoos.
hoovaardig, [trots], hooveerdig, (bijvoeglijk naamwoord), hoovaardig.
hop, hòppe, (vrouwelijk), hop, humulus lupulus.
hop, hûp, (mannelijk), hop; zie schîthûp.
hop, schîthûp, schîthûpe, hop (vogel).
hopen, hòpen, hopen.
hopen, höpen, hüppen, (zwak werkwoord), opeenhoopen.
hordel, [van elkaar losgegaan], hòrdel, hòdel, (bijvoeglijk naamwoord), door droogte van elkaar gegaan, b.v. van houten voorwerpen, die in elkaar gezet zijn. – Ook verder wat hangerig in elkaar zit, sleeht gebouwd is: en hò(r)dele kô. – kapot: hò(r)dele kousen (Keppel).
horen, hören, (zwak werkwoord), hooren, betamen; dat hört zoo n(i)eet.
horken, hòrken, (zwak werkwoord), nauwlettend luisteren.
horst, hòrst, (vrouwelijk), bosch; in eigennamen: de Horst, énz., ook boschachtige hoogte.
hort, hòrt, hòt, (mannelijk), hòrtjen, oogenblik, oogenblikje.
hosmannetje, [varken], hòsmänneken, (onzijdig), naam door kinderen aan de varkens gegeven.
houden, hòllen, hòlden, (sterk werkwoord), heeld, ehòlden, houden.
hout, hòlt, (onzijdig), hȫlter, hout.
houtduif, [soort duif], hòltdûve, (vrouwelijk), houtduif.
houtschoen, [klomp], hòlske, (vrouwelijk), klomp.
houwkloot, [tol], houwkloot, (mannelijk), tol met stalen punt, geschikt om een andere tol, waarop hij gezet wordt, te klooven.
huid, hûd, (vrouwelijk), huid, lichaam; ût de hûd vallen, sterven.
huif, hü̂ve, (vrouwelijk), korf.
huig, hûg, hûk, (vrouwelijk), huig.
huilen, hûlen, (zwak werkwoord), huilen.
huis, hûs, hü̂s, (onzijdig), huis.
huisgezetten, [medebewoners van een huis], hûsgezetten, huisgenooten.
huisje, hü̂sken, (onzijdig), bestekamer.
huiskundig, [zich thuis voelend], hûskündig, (bijvoeglijk naamwoord), zich tehuis gevoelend.
huislook, hûslook, (onzijdig), semper virum tectorum.
hul, hülle, (vrouwelijk), omslagdoek.
hullen, hüllen, zoden om aan ’t vuur te branden.
hulp, hülpe, (vrouwelijk), hulp.
huls, hülze, (vrouwelijk), hülzen, huls.
hulst, hülste, (vrouwelijk), hulst, ilex aquifolium.
hun, [grote, lompe kerel], hü̂ne, (mannelijk), groote, lompe kerel.
hurken, hûrke, hûke, hurk; op de hûken zitten.
hut, hütte, (vrouwelijk), hut.
huttentut, hü̂tentü̂t, (vrouwelijk), oliezaad.
huwelijk, hijlek, (onzijdig), huwelijk.
ieder, ieeder, eder, ieder, (voornaamwoord), ieder.
ielgat, [opening van een bijenkorf], îlgat, (onzijdig), ’t îlgat, samengetrokken tot tîlgat, opening in den bijenkorf.
iep, îpe, (mannelijk), ijp, olm.
iës, [kalf], iës, liefkoozend woord, waarmede de kalveren worden aangesproken.
ieuwers, [ergens], ieewesen, eewesen, (Lochem: iewersen), ieuwers, ergens.
ieversen, [mazelen], ieevesen, eevesen, eewesen, (meervoud), mazelen.
ijdel, îl, îdel, (bijvoeglijk naamwoord), ijdel, ijl.
ijs, îs, (onzijdig), ijs.
ijselijk, eiselik, (bijvoeglijk naamwoord), zeer.
ijstap, [ijskegel], îstappe, (vrouwelijk), ijskegel.
ijzelen, gîzelen, (zwak werkwoord), ijzelen.
ijzen, eizen, (zwak werkwoord), bang zijn.
ijzer, îzer, ijzer, strijkijzer.
imker, îmker, (mannelijk), bijenhouder.
imme, îme, (vrouwelijk), îme, îmen, bij.
immenhoeve, îmenhü̂ve, (vrouwelijk), bijenkorf.
immenkar, îmenkaor, bijenkorf.
immenschuur, [bijenstal, bijenzwerm], îmenschü̂r, (mannelijk, onzijdig), bijenstal, bijenzwerm.
immenzaad, immenzaod, (onzijdig), gemengd koorn voor huishoudelijk gebruik.
immenzwerm, [zwerm van bijen], îmenzwarm, bijenzwerm.
immer, ümmer, (bijwoord), steeds.
impestig, [koppig], impestig, (bijvoeglijk naamwoord), koppig.
inboedel, imbôl, (mannelijk), inboedel.
inborst, imbòrste, (vrouwelijk), karakter.
inham, inham, (mannelijk), zie ham.
inlijken, [gaten in de weg dichten], inlîken, de gaten in den weg volgooien.
inpeperen, inpèperen, (zwak werkwoord), ’k zal ’t üm inpèperen, ik zal het hem betaald zetten.
inrakelen, [inrekenen, bedekken met as], inrakelen, (zwak werkwoord), inrekenen van vuur.
inschuinen, [ophitsen], inschünen, (zwak werkwoord), aanhitsen, opzetten.
instuiken, [inblazen], instü̂ken, (zwak werkwoord), inblazen.
ipsen, ipsen, (zwak werkwoord), spelen met centen in hokjes.
ja, jao, ja, (bijwoord), ja (jao); zoo, immers (ja).
jaacht-den-duivel, [plant uit de hertshooifamilie], jachtendü̂vel, (mannelijk), Hypericum perforatum, ook wandelend gewrichtsrheumatisme.
jaagband, [hoepel], jaagband, jaagbandel, (mannelijk), hoepel.
jaap, jaap, (mannelijk), japen, snede.
Jaap, [jongensnaam], Jaop, Jacob, Jaap.
jaar, jaor, (onzijdig), jaar.
jagen, jagen, (sterk werkwoord), jagen, hard rijden.
jak, jak, (onzijdig), jak.
jakkeren, jakkeren, (zwak werkwoord), factitief van jagen, hard rijden.
jammer, jammer, jommer, (onzijdig), jammer.
Jan kopaf, [dag ter gedenking van de onthoofding van Johannes de Doper], Jan kòpaf, St. Johannes-decollatio; op Jan kòpaf hö̀ldt de middagslaop op (Terborgh).
jas, jesse, (vrouwelijk), jas.
jawel, jawôl, jawal, (bijwoord), jawel. (jawal Wintersw.)
jekker, pijekker, (mannelijk), buis, kledingstuk.
jeuken, jö̀kken, jeuken.
jeuzelen, jözelen, (zwak werkwoord), zeuren, klagen.
jodenbaard, [soort plant], jö̀denbaord, (onzijdig), een woekerplant.
jodenboon, jö̀ddenboon, (mannelijk), paardeboon.
jong, jonk, (bijvoeglijk naamwoord), jong.
jong worden, [geboren worden], jonk wòrden, (werkwoord), geboren worden.
jongen, jongen, jongens, jünksken, jongen.
jood, jö̀dde, (mannelijk), jood.
juchteren, jüchteren, (zwak werkwoord), wild stoeien, hard loopen en schreeuwen.
juffer, jüffer, (vrouwelijk), juffrouw.
juk, jük, (onzijdig), juk.
kaak, kaak, (vrouwelijk), kaak (wang).
kaal, kaal, (bijvoeglijk naamwoord), kaal; zoo kaal as ’n lûs, kaal als een luis.
kaam, kaom, (vrouwelijk, onzijdig), kaam, schimmel.
kaar, kaar, (vrouwelijk), vischkaar.
kaarde, kaarde, (vrouwelijk), distel.
kaars, kèrse, (vrouwelijk), kèrsen, kaars.
kaart, kaarte, kaate, kaart.
kaas, kéze, (vrouwelijk), kaas.
kabinet, kamnet, (onzijdig), kabinet.
kade, ka, kade, (vrouwelijk), kade.
kade, kaaie, ieemand op de kaaie hebben, voor den gek houden.
kaf, kaf, (onzijdig), kaf.
kakelbaard, [man die veel praat, kwaadspreker], kèkelbaord, van een man.
kakelen, käokelen, (zwak werkwoord), kakelen.
kakelen, kèkelen, (sterk werkwoord), kakelen.
kakelmoei, [vrouw die veel praat, kwaadspreekster], kèkelmöje, (vrouwelijk), klappei.
kakelriem, [tongriem], kèkelrieem, kèkelreem, (mannelijk), tongriem; en ekster den kèkelr(i)eem lö̀ssnîjen.
kalamink, kallemenk, (onzijdig), kalmink.
kalf, kalf, (onzijdig), kalver, kalf.
kalk, kalk, (vrouwelijk), kalk.
kalkoven, [oven waarin kalk wordt gebrand], kalkaoven, (mannelijk), kalkoven.
kallen, kallen, praten; laowi lük kallen, laten wij wat praten.
kalot, [muts], klod, (vrouwelijk), klö̀dde, vrouwenmuts.
kalverren, [loopruimte voor kalveren], kalverren, (onzijdig), kalverhok.
kam, kamme, (vrouwelijk), kammen, kam.
kamer, kamer, (vrouwelijk), kamers, kamer.
kamille, kamelle, (vrouwelijk), kamille.
kamp, kamp, (mannelijk), kampe, kamp, verklw. kempken.
kan, kanne, (vrouwelijk), kannen, kan.
kaneel, kaneele, pîpkaneel, (vrouwelijk), kaneel.
kanels, kanels, kanils, (bijvoeglijk naamwoord), boos.
kannetjeskruid, [plant], kennekeskrü̂̂d, (onzijdig), capsella bursa pastoris of thlaspi arvense.
kant, kant, (vrouwelijk), kante, kanten, kant; ’t is op de kante, het is niet zeker.
kanthout, [vierkant gehakt hout], kanthòlt, (onzijdig), hout dat vierkantig gehakt is.
kap, kappe, (vrouwelijk), de zwarte kap onder de knipmuts.
kapel, kappelle, (vrouwelijk), kapel (Met klemtoon op pel; Keppel, uit kappîl, kappele ontstaan, heeft klemtoon op kep).
kaper, kaper, (mannelijk), kapers, kaper.
kar, kaore, karre, (vrouwelijk), karren, käorken, kar, karretje.
karnen, [boter winnen uit melk], keernen, (zwak werkwoord), zie karnen.
karnhuis, karnhûs, (onzijdig), plaats waar de karn staat.
karnsel, karnsel, (onzijdig), de boter van eenmaal karnen.
karnton, keerntonne, (vrouwelijk), karn.
karos, karòs, (vrouwelijk), slee.
karrenwagen, kaorewagen, (vrouwelijk), marktwagen, kinderwagentje.
karwei, karwei, (onzijdig), werk.
kasjoen, [onderdeel van een zweep], kasjôn, (vrouwelijk), de klap aan eene zweep.
kasmannetje, [muntstuk], kasmänneken, geldstuk ter waarde van ƒ 0.15, dat vroeger in gebruik was, en waarmede nog wel gerekend wordt.
kast, kaste, (vrouwelijk), kast, gevangenis.
kat, katte, (vrouwelijk), katten, kat.
kataas, [deugniet], kataos, kwaodaos, (onzijdig), ondeugend schepsel.
kateker, katéker, (mannelijk), eekhoorn, sciurus vulgaris.
kater, kater, (mannelijk), kater.
katrol, katrolle, (vrouwelijk), katrol.
kattenstaart, kattestart, kattestat, (vrouwelijk), equisetum arvense.
kauw, ka, kouwe, (vrouwelijk), kraai, kouw.
kauwen, kewwen, kouwen, kuwen, (zwak werkwoord), kauwen. kewwen in samenst. neerkewwen, herkauwen.
kawipje, [sprongetje], kawopsken, (onzijdig), sprongetje.
keel, kèle, (vrouwelijk), kèlen, keel.
keep, képe, (vrouwelijk), keep.
keer, keer, (vrouwelijk), keere, keer.
keer, [draai], keer, (mannelijk), draai, bocht.
keet, keet, (vrouwelijk), keet.
kegel, kégel, (mannelijk), kégels, kegel.
kei, keie, (vrouwelijk), kei.
keilen, keilen, (zwak werkwoord), met een steen werpen.
kelder, kelder, (mannelijk), kelder.
kelderluik, [kelderraam, luik dat toegang verschaft tot de kelder], kelderlûk, (onzijdig), kelderraam.
keper, képer, (mannelijk), keper, met een keper geweven stof.
kerel, kèrel, (mannelijk), kerel.
keren, kèren, (zwak werkwoord), den vloer vegen.
keren, keeren, kieren, (zwak werkwoord), keeren.
kerf, karf, karve, (mannelijk, vrouwelijk), karve,karven, kerf.
kerk, karke, (vrouwelijk), karken, kerk.
kerkenbuil, [zak waarin geld wordt verzameld], karkenbûl, (mannelijk), kerkzakje.
kerkeneind, karkenende, (onzijdig), de mooie kant van iets; oorspronkelijk het deel van den koornakker aan het voetpad naar de kerk gelegen, welk deel zeer zorgvuldig bemest en bezaaid wordt..
kerkenspraak, [afkondiging in of bij de kerk], karkenspraoke, (vrouwelijk), afkondiging aan de kerk; zie verkarkenspraoken.
kerkkauw, [vogel uit de kraaienfamilie], karkka, (vrouwelijk), kerkkouw.
kerkuil, [soort uil], karkûle, (mannelijk), karkûlen, katuil.
kermis, karmse, (vrouwelijk), kermis.
kern, kóren, (mannelijk), pit in de vrucht.
kers, karse, (vrouwelijk), karsen, kers.
kerspel, karspel, kaspel, (onzijdig), kerspel.
Kerstmis, karsmisse, kasmisse, kòrsmisse, (vrouwelijk), Kerstmis. “Ka(r)smisse helder, / den búr nao den kelder, / Ka(r)smisse helder en klaor, / gif en gòd imenjaor.” Voor Karsmisse kan men ook Lichtmis in de plaats stellen.
ket, kidde, (vrouwelijk), hit.
ketel, kètel, (mannelijk), kètels, ketel.
keten, kéten, (vrouwelijk), kétens, ketting.
ketsen, ketsen, kitsen, (zwak werkwoord), ergens langs slaan met een steen, vuurslaan met ijzer en steen, vuur ketsen; over het water ketsen.
keu, , (onzijdig), kön, köne, jong varken, biggen.
keukelen, kökelen, (zwak werkwoord), buitelen.
keukelen, [goochelen], kökelen, (zwak werkwoord), goochelen; kökelwagen (mannelijk) kermiswagen.
keuken, kö̀kene, (vrouwelijk), keuken.
keur, köre, (vrouwelijk), keur, keus.
keurig, krü̂derig, (bijvoeglijk naamwoord), keurig.
keus, köze, (vrouwelijk), (meer in gebruik köre), keus.
keutel, kö̀tel, (vrouwelijk), keutel.
keuter, käoter, (mannelijk), käoters, boer die één paard houdt en op een käoterstede woont.
kever, kéver, (vrouwelijk), kever.
kevie, kévie, (vrouwelijk), kooi, kast met tralies.
kidde, kidde, (vrouwelijk), kidden, rij; ’t grö̀s an kidden harken, ’t gras aan rijen harken; zie geie, ril en zwadde.
kiebig, kiepig, kîpig, (bijvoeglijk naamwoord), bij de hand, loos, slim.
kiel, kiel, keel, (mannelijk), kiel (kleedingstuk).
kiem, kîm, (mannelijk), kiem.
kiem, kîn, (onzijdig), kiem.
kiemen, kînen, (zwak werkwoord), kiemen.
kienhout, kien, kienhòlt, kînhòlt, (mannelijk), vermolmd hout, dat in donker glimt; ook hout dat in de venen uit den grond wordt gehaald.
kienhout, kienhòlt, kien, kînhòlt, (onzijdig), vermolmd hout, dat in donker glimt; ook hout dat in de venen uit den grond wordt gehaald.
kiensel, [uitloper van een plant], kînsel, (onzijdig), uitloopers aan de aardappels.
kiep, kîpe, kîpse, (vrouwelijk), draagkorf; pet.
kies, kûze, kûzen, (meervoud), kiezen.
kietelen, kitelen, (zwak werkwoord), kittelen.
kieuwbot, [bot van het gezicht], kiwbütte, (onzijdig, meervoud), wangbeenderen.
kieviet, kîfte, (vrouwelijk), kievit.
kievietsbloem, [plant], kîwitsblôme, kievitsbloem, fritillaria meleagris.
kievietsei, [ei van de kieviet], kîftenei, (onzijdig), kievitsei.
kiezen, kiezen, keezen, (sterk werkwoord), kiezen.
kiezenzeerte, [pijn in de kiezen], kûzenzeerte, (vrouwelijk), kiespijn.
kif, kif, (onzijdig), gemalen of gebruikte run.
kijf, kîve, (vrouwelijk), bestraffing.
kijken, kîken, (sterk werkwoord), kijken.
kijven, kîven, (sterk werkwoord), kijven.
kikker, kikkert, (mannelijk), kikvorsch.
kil, kil, (bijvoeglijk naamwoord), kil.
kil, [wig], kîl, (mannelijk), wigge.
kilspit, [gegraven gat], kîlspit, (onzijdig), spitstoeloopend gat met de spade in den grond gemaakt; scheidsgrep in het land.
kin, kinne, (vrouwelijk), kin.
kinbot, [bot in het gezicht], kînbütte, (meervoud), wangbeenderen.
kind, kind, (onzijdig), kinder, kind.
kinderachtig, [van kinderen houdend], kinderachtig, (bijvoeglijk naamwoord), van kinderen houdend.
kinderbed, [kraambed], kinderbedde, (onzijdig), kraambed.
kinderbier, [feest ter gelegenheid van een doop], kinderbier, (onzijdig), doopmaal.
kinds wezen, [kinderlijk zijn], kindsch wèzen, te kinde wèzen, kindsch zijn.
kink, kinke, (vrouwelijk), konkel, draai.
kippen, [met noten spelen], kippen, (zwak werkwoord), met noten spelen.
kist, kiste, (vrouwelijk), kist.
kistentuig, [zondagskleren], kistentüg, (onzijdig), zondagskleed.
klaar, klaor, (bijvoeglijk naamwoord), klaar, gereed; neet klaor wèzen, niet frisch zijn.
klaarlouter, [helder, duidelijk], klaorlûter, (bijvoeglijk naamwoord), helder en klaar; ’t is klaorlûter, het is ieder duidelijk.
klabasteren, klabasteren, (zwak werkwoord), klauteren, huppelen.
klabats, klabatse, (mannelijk), klauteraar, woesteling (meest van kinderen).
klacht, klachte, (vrouwelijk), klachten, klacht.
klad, kladde, (vrouwelijk), klad.
kladder, [kluit opgedroogde mest], kladder, (mannelijk), kladders, opgedroogde mestkluiten in de haren aan buik en achterdeelen van koeien.
kladje, kleddeken, (onzijdig), (verkleinw. van klad) kleinigheid, en kleddeken bòter.
klagen, klagen, (zwak werkwoord), klagen; klagen en klîmen, jammeren.
klagen, klagen, (zwak werkwoord), klagen, schreeuwen; de haze klaget al, de haas schreeuwt, hij zit in ’t nauw.
klamp, klamp, (mannelijk), klampe, klamp.
klamp, klampe, (vrouwelijk), krap, haak.
klampen, [klitten, kleven], klampen, (zwak werkwoord), van de sneeuw, ballen.
klander, klander, (vrouwelijk), kleermakerspers, heet ijzer.
klank, klanke, klank, (mannelijk), klanke, klank; te klanke gaon, hard schreeuwen.
klank, klanke, kronkel in touw.
klap, klap, (mannelijk), klape, klap.
klaproos, klapróze, (vrouwelijk), papaver rhoeas.
klas, klasse, (vrouwelijk), klis.
klat, klatte, (vrouwelijk), klatten, 1) kliss. vgl. klette
klat, klatte, (vrouwelijk), klatten, 2) haarverwarring in de manen van een paard, wol van een schaap, enz. vgl. klater.
klater, klater, (vrouwelijk), vuil; klaters in de oogen hebben, vuil in de ooghoeken hebben; ’t peerd hef klaters in de manen.
klauw, klau, klaowe, (mannelijk), klauw.
klauwen, klaowen, (zwak werkwoord), klauwen; ’t vö̂tjen klaowen, naar den mond praten.
klaver, kléver, (vrouwelijk), klaver.
kledderig, [modderig, nat], kledderig, (bijvoeglijk naamwoord), morsig; de weg is kledderig.
kleebloem, [bloem van een plant uit het geslacht Trifolium], kléblôme, (vrouwelijk), klaverbloem.
kleed, kleed, (onzijdig), kleede, kleere, kleed, meest japon in tegenstelling van een jak.
klei, kleie, (vrouwelijk), klei, leem.
kleien, [met klei werken, kleigrond naar boven brengen, hard werken], klèjen, (zwak werkwoord), hard werken.
klein, kleine, (bijvoeglijk naamwoord), klein, weinig.
kleisteren, [klimmen], kleisteren, (zwak werkwoord), klimmen.
klem, klemme, (vrouwelijk), klemmen, klem.
klenseboer spelen, [hinkelen], klensebûr spö̀len, een kinderspel, waarbij over een figuur, op den grond getrokken, gehinkt wordt.
klep, klip, (mannelijk), deksel van een kan.
klep, klip, ö̀liklip, klipkanne, (vrouwelijk), oliekan.
klepel, kleppel, (mannelijk), kleppels, klepel.
kletsen, kletsen, (zwak werkwoord), kletsen, wauwelen.
kleumen, klömen, (zwak werkwoord), koud zijn.
klief, [klis, verwarde massa], klîve, (vrouwelijk), klis.
kliemen, klîmen, z. klagen.
klier, kliere, (vrouwelijk), klier.
klij, [vruchtschil van de boekweit], kleeën, klieën, kliéen, (meervoud) , boekweitdoppen.
klikken, klikken, (zwak werkwoord), klappen, waarschuwen; de klòkke klikt of hef klik eslagen, de klok heeft voorslag geslagen.
klikspaan, klikspaon, (mannelijk), jongen die verklikt; zie ook labben.
klink, [heuvelachtige heidegrond], klinke, klenke, (vrouwelijk), heuvelachtige heigrond met moerassen in de laagtes.
klink, klinke, (vrouwelijk), deurlat; de klinke optrekken, de deur openen, nl. door aan het kettinkje of riempje te trekken, waardoor de deurlat, die aan de binnenzijde zit, van buiten wordt opgetrokken en de deur geopend.
klinken, klinken, (sterk werkwoord), klinken.
klinkneus, [ijzer waarin de klink ligt], klinknöze, (vrouwelijk), het ijzer, waarin de klink ligt.
klis, klisse, (vrouwelijk), klissen, klis.
klit, klitte, klette, (vrouwelijk), klitten, klis (ook benaming van een vrouw).
kloek, klôk, (bijvoeglijk naamwoord), kloek.
kloen, klü̂n, (onzijdig), turf, kloen, bagger.
klok, klòkke, (vrouwelijk), klòkken, klok; hé is an de klòkke ewest, hij heeft brand in huis gehad.
klokje, klö̀ksken, (onzijdig), campanula.
klokslag, [het slaan van een klok], klòkkenslag, (mannelijk), klokslag; ünder den klòkkenslag van N hören, onder het gebied van een plaats horen.
klomp, klompe, (mannelijk), klompen, klomp.
klont, klonte, (vrouwelijk), verklw. klüntjen, klont.
kloof, kloove, (vrouwelijk), klooven, kloof.
klootjesmaal, klötjesmaol, (onzijdig), feest na afloop van het klootschieten.
klootschieten, klootschieten, klootscheeten, (zwak werkwoord), volksspel met een kloot of bal.
klop, [slag, klap], klòp, (mannelijk), slaag.
klop, [zuster die niet in een klooster leeft], klòppe, klöpken, (vrouwelijk), soort van geestelijke zuster, die jaarlijks eene som aan de kerk uitkeert en de gelofte gedaan heeft ongehuwd te blijven; zij neemt dikwijls het bidden voor afgestorvenen over.
kloppenbroer, [broeder die niet in een klooster leeft], klòppenbrö̌r, (mannelijk), manlijke klop.
klos, klòsse, (vrouwelijk), klossen, klos, kloot.
kloten, klö̀tten, (zwak werkwoord), niets beteekenende arbeid verrichten.
kloven, klöven, (zwak werkwoord), klooven.
klucht, klüft, klüfte, (vrouwelijk), troep.
kluft, [klucht, wijk], kloft, (vrouwelijk), klofte, klucht, troep (wijk).
kluif, knûf, knûfken , (mannelijk), kluif, stuk, brok.
kluiven, knûven, klûven, (zwak werkwoord), kluiven; afknûven, afkluiven.
klungel, klüngel, (onzijdig), vod, kluwen.
klungelolie, klüngelaole, jenever met stroop.
kluwen, klûen, klûens, kluwen.
knaap, knape, (mannelijk), knapen, knaap.
knagen, knagen, gnagen, (zwak werkwoord), knagen.
knap, knap, (bijvoeglijk naamwoord), knappe, knap, eng.
knar, knarre, (vrouwelijk), knarsbeen; ’n òlde knarre, een oud mensch.
knars, gnòrze, gnòrzebot, knòrrebot, (vrouwelijk, onzijdig), kraakbeen, vgl. knö̀rf.
knarsen, knarsen, gnòrzen, (zwak werkwoord), knarsen.
knecht, knech, knecht, knechte, (mannelijk), knecht.
kneden, knéën, (zwak werkwoord), kneden.
knekel, knö̀kkel, (mannelijk), knö̀kkels, knekel.
knerpen, knarpen, (zwak werkwoord), knauwen, de hond lig op ’t bot te knarpen.
knevel, knével, (mannelijk), zware boom, sluithout aan een hek of deur; sterke man.
knie, knie, knee, (vrouwelijk), kniën, kneën, knie.
kniehalter, [hout of touw dat kop en poot verbindt], kniehalter, kneehalter, (onzijdig), (kniehalster, Overijs.) hout of touw, dat den kop der koe aan een poot verbindt.
kniesoor, knîzoor, (onzijdig), kniesoor.
knijf, knîf, knîfmes, (onzijdig), mes.
knijp, knîpe, (vrouwelijk), knijp; de knîpe op den start zetten, bangmaken.
knik, [kleine jongen], knikke, (mannelijk), kleine jongen.
knikkenbijl, knikkebîle, (mannelijk), driekante bijl met punt, bij koekhakken in gebruik.
knipgat, [klein gat], knipgat, (onzijdig), gat in een weg.
knipmuts, [vrouwenmuts, neepjesmuts], knipmütse, (vrouwelijk), soort neepjesmuts.
knippen, knippen, (zwak werkwoord), nagelen bij het knikkeren.
knipslag, [gat in een wagenspoor], knipslag, (mannelijk), gat in het spoor van een zandweg.
knipspoor, knipspoor, (onzijdig), zandweg met gaten in de sporen.
knisteren, knisteren, (zwak werkwoord), knetteren.
knobbel, knobbel, (mannelijk), dikte.
knobbelhoorn, [koe met inwaarts gekeerde hoorns], knobbelhörne, (vrouwelijk), eene koe met kleine inwaarts gekeerde horens.
knobbelig, [stijf, ruw], knobbelig, (bijvoeglijk naamwoord), stijf (bijv. van koude, van rheumatiek); ook hard en ongelijk, en knobbelige weg.
knoeien, knoojen, (zwak werkwoord), knoeien.
knoest, nûste, ö̂st, (mannelijk, vrouwelijk), kwast/knoest in het hout; vgl. knûst.
knoflook, knoflook, (onzijdig), knoflook.
knok, knök, (mannelijk), slag; hi hef er en lelliken knök ekrégen.
knokkel, knö̀kkel, (mannelijk), knö̀kkels, kneukel.
knokkendokter, [chirurg], knòkkendòkter, (mannelijk), chirurg ten plattenlande.
knol, knòlle, (vrouwelijk), knòllen, knol.
knolgroen, [loof van knollen], knòlgrö̂n, (onzijdig), knollenloof, knolgroen voor veevoeder.
knook, knòkke, (mannelijk), knòkken, knok, knook.
knoop, knoop, (mannelijk), knöpe, 1) gewricht 2) knöpe, knoop; knöpe tellen, dö̀rst üm de knöpe n(i)eet tellen; wordt om aan te hitsen bij ’t vechten gezegd.
knopen, [samenbinden], knüppen, (zwak werkwoord), binden, samenknoopen.
knorf, knö̀rf, (mannelijk), sterke kerel, knarsbeen.
knot, knòtte, (vrouwelijk), maat vlas.
knotwilg, knö̀twilge, (vrouwelijk), knotwilg.
knuffel, [plooi, stoot], knoffel, (mannelijk), plooi, stoot.
knuffelen, knüffelen, (zwak werkwoord), drukken.
knuffelig, [verstijfd], knoffelig, (bijvoeglijk naamwoord), verstijfd (van koude), van de handen gezegd.
knuist, knûst, (mannelijk), knü̂ste, knûste, knoest, knuist.
knuppel, klüppel, (mannelijk), 1) kneppel; 2) officieele aanzegging, die vroeger dikwijks in een briefje in een gespleten tak werd overgebracht; ’k zal uw en klüppel stüren, schertsenderwijs: ik zal het u in alle vormen laten zeggen.
knuppel, knüppel, klüppel, (mannelijk), dikke stok.
koe, , (vrouwelijk), kôë, kône, koe.
koeherdertje, [vogel uit de familie van ovenvogels], kôheerderken, (onzijdig), wipstaart.
koek, kôke, (mannelijk), koek.
koeken, [koeken bakken], kôken, (zwak werkwoord), koeken bakken. Met Nieuwjaar gaat ieder nao zîn vòkshûs hen kôken, nl. de nieuwjaarskoeken helpen bakken en opeten.
koekoek, kûkûk, (mannelijk), koekoek. {poem} kùkùk! kùkùk! trek de bokse ùt, trek ’t hemd an, kom an dan. {/poem} Dit versje ziet op de koekoeksjongen, die eerst donkere veeren hebben, en, als zij gaan vliegen, lichtere krijgen.
koekoeksbloem, kûkûksblôme, l. lichnis flos cuculi. – Ook orchis maculata.
koel, kö̂le, (bijvoeglijk naamwoord), koel.
koelte, kö̂lte, (vrouwelijk), koelte.
koen, kö̂ne, kö̂nsch, (bijvoeglijk naamwoord), moedig.
koeren, kûren, (zwak werkwoord), kirren.
koerwachter, [torenwachter], kûr-wachter, (mannelijk), torenwachter; kûr beteekende wacht, vgl. Deventer Stadsrek. den kûr op den torne en het kûrhûs.
koetskar, [kar voor personenvervoer], kûtskaore, (vrouwelijk), kar om mee naar de kerk te rijden.
kogel, kógel, (vrouwelijk), kögeltjen, kogel.
kogel, kûgel, (mannelijk), bal.
koken, kòken, (zwak werkwoord), koken.
koker, kòker, kòkker, (mannelijk), koker.
kokskrauwel, [koksjongen, helper van de kok], kòkskrewel, (mannelijk), koksjongen.
kol, kòlle, (vrouwelijk), kleine witte plek midden op het voorhoofd (voornl. van vee).
kolder, kòlder, (vrouwelijk), krankzinnigheid bij paarden, de raozende kòlder of de slaopende kòlder.
kom, komme, (vrouwelijk), kümmeken, kom.
komen, komen, (sterk werkwoord), kweem, ekommen, komen.
kommerkruid, [plant], kommerkrü̂̂d, (onzijdig), draba verna.
kondigen, [aankondigen], kündigen, (zwak werkwoord), aanzeggen.
kondschap doen, [bekend maken], kondschap dôn, bekend maken.
konijn, kanîn, (onzijdig), konijn.
koning, kö̀nink, (mannelijk), kö̀ninge, koning.
koningskop, [een van de magen van de koe], kö̀ningskòp, (mannelijk), de tweede maag van koeien.
koninkrijk, [land waarover koning regeert], kö̀ninkrîke, (onzijdig), koningrijk.
kool, kaole, kòle, (vrouwelijk), kaolen, kool (brandstof), vklw., kölken.
kool, koole, (vrouwelijk), köle, kool (gewas).
koop, [handeling van het door betaling verkrijgen van eigendom], koop, (mannelijk), koope, koop.
koord, koorde, (vrouwelijk), koord.
koot, kóte, (vrouwelijk), koot.
kop, kòp, (mannelijk), köppe, hoofd.
koper, kòpper, (onzijdig), koper.
koppig, kö̀ppig, (bijvoeglijk naamwoord), driftig.
koppijn, kòppîne, (vrouwelijk), hoofdpijn.
kopschuw, kòpschuw, (bijvoeglijk naamwoord), schichtig.
kopzeerte, [hoofdpijn], kòpzeerte, (vrouwelijk), hoofdpijn.
koren, kóren, (mannelijk), korrel, koorn.
korenbloem, kórenblôme, (vrouwelijk), korenbloem, centaurea cyanus.
korf, kòrf, (mannelijk), kòrve, korf.
kornig, [stevig gebouwd], kö̀rnig, (bijvoeglijk naamwoord), stevig gebouwd, van menschen, dieren en van hout (vgl. ndl. kernachtig).
korst, kòrste, (vrouwelijk), korsten, korst; korst brood.
kort, kòrt, (bijvoeglijk naamwoord), kort.
kortneef, kûrtnève, (mannelijk), haas.
korttijdigheid, [tijdverdrijf], kòrttîdigheid, kòttîdigheid, (vrouwelijk), tijdverdrijf.
kosten, kòsten, (zwak werkwoord), kosten.
kosten, kö̀sten, (vrouwelijk), onkosten.
koster, kö̀ster, (mannelijk), koster.
kot, kaote, (vrouwelijk), kaoten, huisje, kot.
kot, kòt, (onzijdig), kö̀te, kö̀tte, kot, varkenskot.
koten, kóten, (zwak werkwoord), met koten spelen.
kou, [verkoudheid], kelde, (vrouwelijk), verkoudheid, z. kolde.
kou, [koorts, verkoudheid], kòlde, (vrouwelijk), koorts, o.a. nog in tooverspreuk tegen de koorts, die uitgesproken wordt bij het binden van een wisch stroo om een boom: Olde mèr olde, Ik hebbe de kòlde, Ik hebbe ze nuw, Ik gève ze uw, Ik bind ze hier neer, Ik krig ze n(i)eet weer. Zie ook kelde.
koud, kòld, (bijvoeglijk naamwoord), koud.
koudveester, [kouwelijk persoon], kòldfîster, (mannelijk), koudkleum.
kraag, krage, (mannelijk), kragen, kraag.
kraai, krèje, (mannelijk, vrouwelijk), krèjen, kraai.
kraaien, krèjen, (zwak werkwoord), kraaien.
kraaienkoren, krèjenkoorn, (onzijdig), moederkoorn.
kraaienpoot, [plant], krèienpoot, (vrouwelijk), aegopodium podagraria.
kraam, kraom, (mannelijk), kräome, tent, kraam, kraambed.
kraan, krane, (mannelijk, vrouwelijk), kranen, vr. kraanvogel; z.o. krûne.
kraanwaken, [woelend in bed liggen], kranewaken, (zwak werkwoord), hé lig te kranewaken, hij kan niet slapen en gooit zich dan op deze dan op de andere zijde.
krabben, krabben, (zwak werkwoord), krabben.
krabber, [tuin- of landbouwwerktuig], krebber, (mannelijk), krabber, werktuig om onkruid uit te roeien.
kracht, kracht, (vrouwelijk), kracht.
krak, krak, (vrouwelijk), krake, sukkelig oud wijfje.
kraken, kraken, (zwak werkwoord), kraken.
kramer, krémer, (mannelijk), marschkramer.
kramp, kramp, (mannelijk), krampe, kramp.
kramp, krampe, (vrouwelijk), krampen, kramp.
kranenbek, [plant], kranebek, (vrouwelijk), scandix pecten veneris.
krang, krang, (bijvoeglijk naamwoord), verkeerd, binnenwaardsch; krange kant van een kleedingstuk, binnenzijde.
krans, krans, (onzijdig), vet aan de darmen.
kransen, [met kransen versieren], krensen, (zwak werkwoord), bekransen.
krap, krappe, (vrouwelijk), wervel.
kras, kras, (bijvoeglijk naamwoord), sterk.
krasgat, [zakgat in een rok], krasgat, (onzijdig), spleet in een vrouwenrok; verg. schü̂rsgat.
kreeft, kreeft, eikenkreeft, (vrouwelijk), verplante eikenstruik, die kort afgesneden is.
kregel, krîgel, (bijvoeglijk naamwoord), kregel.
krek, krek, precies, geheel; krek allens, geheel gelijk; krek zoo, juist (fr. correct).
kreng, kreng, (onzijdig), aas, ondeugend persoon.
krenselen, [ongedurig, kribbig zijn], krenselen, (zwak werkwoord), kribbig zijn, zich vervelen.
krent, krinte, (vrouwelijk), krinten, krent.
krenterig, krenterig, krinterig, (bijvoeglijk naamwoord), kleingeestig.
krets, krets, (vrouwelijk), schurft.
kreupel, kröpel, kröppel, (bijvoeglijk naamwoord), kreupel.
kreute, [iets kleins], krö̀te, kräote, (vrouwelijk), klein mensch.
krib, kribbe, (vrouwelijk), kribben, krib.
krib, kribbe, (mannelijk), lastige vent.
krib, kribbe, (vrouwelijk), kribberig wezen.
kriel, kriel, (bijvoeglijk naamwoord), klein; de eerpel bünt kriel.
krijgen, krîgen, (sterk werkwoord), krijgen.
krijten, krîten, (sterk werkwoord), krijten; krîtende termînen, schreeuwstuipen, vallende ziekte.
kril, kril, (bijvoeglijk naamwoord), vurig, lichtgeraakt.
krodde, kròdde, (vrouwelijk), onkruid, ook herk genoemd.
kroel, [nest van varkens], krûle, (vrouwelijk), nest, waarin het varken jongen werpt. (Doetinchem.)
kroelwateren, [wakker liggen, woelen], krûlwateren, (zwak werkwoord), wakker te bed liggen en zich steeds omgooien.
kroes, krûs, (bijvoeglijk naamwoord), kroes, sierlijk.
krom, krom, (bijvoeglijk naamwoord), krom.
kronkelen, [bochten of kronkels maken, kreuken], kronkelen, (zwak werkwoord), kreukelen.
kroon, króne, (vrouwelijk), krónen, kroon.
kroon, krûne, (vrouwelijk), kroon? In de samenstelling krûnekrane, kraanvogel, voorkomende in het liedje: “Krûnekrane Swikle zwane / W(i)ee wil met nao England varen, etc.” Vgl. Woeste, Westfäl. Wrtb. P. 146, krûkrane, kranich en 147 krûnekrane. Wellicht is met krûnekrane te vergelijken de kroonvogel of kroonreiger.
kroos, kröze, (vrouwelijk), klokhuis in appels.
kroos, kröze, (onzijdig), kroos, waterlinze.
krop, kròp, (mannelijk), 2) krop, voormaag van vogels.
krop, kròppe, (vrouwelijk), hals, fig. inborst.
kruid, krü̂d, krü̂derije, (onzijdig), kruid, kruiderij.
kruiderij, [specerijen], krü̂derije, krü̂d, (vrouwelijk), kruid, kruiderij.
kruidhof, [bloementuin, moestuin], krü̂thòf, (mannelijk), bloemtuin.
kruidhout, [plant], krü̂̂tholt, rhamnus frangula.
kruik, krü̂ke, (vrouwelijk), kruik.
kruikar, krü̂jkaore, (vrouwelijk), kruiwagen.
kruimel, krümmel, (mannelijk), kruim.
kruimelaar, [iemand die kruimelt; broos materiaal], krümmeler, slecht ijzererts.
kruimen, [tot kruim maken of worden], krûmen, (zwak werkwoord), kruimen, hi hef den heelen bôl der bi in ekrûmd, hij heeft er alles bij in gestoken.
kruip-door-de-tuin, [plant], krûp dör den tûn, plantnaam, aegopodium podagraria.
kruipen, krûpen, (sterk werkwoord), kroop, ekròpen, kruipen.
kruiphennetje, [kleine kip], krûphenneken, (onzijdig), krielkip; fig. klein mensch.
kruisbes, krü̂sdórens, (meervoud, mannelijk), kruisbessen.
kruisbes, krü̂sbèzen, (meervoud, vrouwelijk), kruisbessen.
kruizemunt, krü̂zemünt, (vrouwelijk), mentha.
kruk, krükke, (vrouwelijk), kruk.
kuier, kü̂ijer, üm kü̂ijer gaon, sterven.
kuieren, küjeren, (zwak werkwoord), praten.
kuif, kûf, (mannelijk), kûve, kuif.
kuiken, kü̂ken, (onzijdig), kü̂kens, gin kind òf kü̂ken, kind noch kraai.
kuiken, kü̂ken, (onzijdig), jong varken.
kuil, kûl, (vrouwelijk), kûlen, kuil.
kuilen, [kuilen graven, in een kuil leggen], kûlen, (zwak werkwoord), kuilen graven; inkûlen, aardappels in kuilen doen.
kuilen, [langzaam voortrollen], kü̂len, (zwak werkwoord), langzaam voortrollen.
kuilknikker, [grote knikker], kûlknikker, (mannelijk), groote knikker.
kuim, [leerlooierij], kûm, (mannelijk), leerlooierij; op den kûm warken.
kuim, kü̂m, (bijvoeglijk naamwoord), zwak.
kuimen, kü̂men, (zwak werkwoord), klagen.
kuip, kü̂̂pen, (onzijdig?), kuip.
kuip, kü̂ve, (vrouwelijk), kuip, tobbe.
kuiper, [vatenmaker], kü̂per, (mannelijk), kuiper.
kuis, kûze, (mannelijk), sukkel.
kuis, kûze, (vrouwelijk), knods, stok.
kuis, küize, (vrouwelijk), knikker.
kuit, kü̂̂te, (vrouwelijk), kü̂ten, kuit.
kuizensleper, kûzeslepper, stoksleper, iemand die voor een ander uit vrijen gaat, bruidswerver.
kullage, küllaozie, (vrouwelijk), fopperij.
kundig, kündig, (bijvoeglijk naamwoord), bekend; hi is mi n(i)eet kündig.
kurig, [lusteloos], kûrig, (bijvoeglijk naamwoord), lusteloos.
kusje, küksken, (onzijdig), kusje.
kussen, küssen, (zwak werkwoord), kussen.
kuur, [klein meisje], gör, (vrouwelijk), klein meisje.
kwaad, kwaod, (bijvoeglijk naamwoord), kwaad. Het kwaod, de kanker.
kwaadzinnig, [driftig, krankzinnig], kwaodzinnig, (bijvoeglijk naamwoord), driftig.
kwaal, kwaole, (vrouwelijk), kwaolen, kwaal.
kwab, kwabbe, wabbe, (vrouwelijk), kwabben, kwabbel, dikte van vet.
kwachen, [hoesten], kwachen, kwachelen, (zwak werkwoord), hoesten.
kwad, [takkenbos, tophout van eik], kwadde, (vrouwelijk), takkebos, tophout van eiken.
kwakken, kwakken, neerkwakken, (zwak werkwoord), werpen.
kwalmen, kwalmen, (zwak werkwoord), walmen.
kwebbelen, kwebbelen, (zwak werkwoord), veel en slordig praten.
kweekwee, [plant], kwekwe, (vrouwelijk), (Winterswijk kwèkken) triticum repens; kweekgras, een onkruid dat zich onderscheidt door bijzonder taai leven.
kweekweeboom, [lijsterbesboom], kwekweboom, (mannelijk), lijsterbesboom.
kween, kwéne, (vrouwelijk), oude vrouw; (bij Lochem kwene) voor eene onvruchtbare koe.
kweken, kwèken, (zwak werkwoord), kweeken.
kwelderland, [buitendijks gelegen aangeslibd land], kwelderland, (onzijdig), land dat onderloopt door het doorlaten van den dijk.
kwelen, kwèlen, (sterk werkwoord), kwal (verl. dlw. niet door mij gehoord), ziek zijn.
kwengelen, [morsen], kwengelen, (zwak werkwoord), morsen.
kwets, kwetse, (vrouwelijk), pruim.
kwetsen, kwetsen, (zwak werkwoord), kneuzen.
kwetteren, kwetren, (zwak werkwoord), zingend snappen, van vogels gezegd, van spreeuwen, musschen en zwaluwen.
kwiek, kwik, (bijvoeglijk naamwoord), levendig, vlug.
kwijlen, [zeveren, zeuren], kwîlen, (zwak werkwoord), kwijlen.
kwijt, kwît, (bijvoeglijk naamwoord), kwijt.
kwikkwak, kwikkwak, kleinigheid; bèter ens gôd as tweemaol kwikkwak.
kwikstaart, kwiksteert, (mannelijk), wipstaart (vogeltje).
kwistgoed, [iem. die verkwist, verkwisting], kwistegôd, (mannelijk), verkwister.
laag, laoge, (vrouwelijk), laogen, laag (abstr. v. liggen).
laag, lége, (bijvoeglijk naamwoord), laag.
laagte, leegde, leegte, (vrouwelijk), laagte.
laai, laoje, (vrouwelijk), laai.
laak, laoke, (vrouwelijk), waterleiding, beekje.
laan, lane, (vrouwelijk), lanen, laan.
laar, laor, (onzijdig), meest in eigennamen van heerenhuizen: het Laor, ’t Oaverlaor, Meddelaor, Laoren.
laars, leerze, (vrouwelijk), leerzen, laars.
laat, late, (bijwoord), laat.
laatst, lest, lestens, onlangs.
labbei, [kwaadspreekster], labbe, (vrouwelijk), kwaadspreekster.
labben, labben, (zwak werkwoord), kwaadspreken, in het versje: “Klikspaon! Adriaon! (of Arriaon) / Durf n(i)eet deur ’t sträotjen gaon, / ’t Hündjen zal üm biten, / De vögel üm beschîten, / De katte zal üm krabben, / Dat kümp van al dat labben.”
ladder, ledder, leere, (vrouwelijk), ledders, leere, leeren, ladder.
lade, la, (vrouwelijk), laan, lade.
laden, laen, (sterk werkwoord), laden.
laget, lagette, (vrouwelijk), de kant achter aan de knipmuts.
laken, laken, (onzijdig), lakens, laken.
lakris, lakrisse, (vrouwelijk), drop.
laks, laks, (mannelijk), sukkel.
lam, lam, (onzijdig), lammer, lam.
lam, lam, (bijvoeglijk naamwoord), lamme, lam.
lamp, lampe, (vrouwelijk), lamp.
lamstraal, [lammeling], lamstraol, (mannelijk), lammeling.
land, land, (onzijdig), landerijen, lande, stukken lands (mv. landerijen; landschap (mv. lande).
landheer, [eigenaar van een landgoed], lanter, (mannelijk), lantheer.
landsjager, [jachtopziener], landsjager, (mannelijk), rijksopzichter op de jacht (klemtoon op de tweede lettergreep).
lang, lank, (bijvoeglijk naamwoord), lang; zik n(i)eet lank maken vör (i)eets, zich geen moeite geven voor iets.
langen, langen, (zwak werkwoord), geven, reiken.
langwagen, [verbindingsstuk van het voor- en achterstel van een wagen], lankwagen, (onzijdig), hout, waardoor een boerenwagen verlengd wordt.
lantaarn, lanteerne, lüchte, (vrouwelijk), lantaarn.
lap, lappe, (vrouwelijk), lappen, lap.
lappen, [iets in orde brengen, herstellen], lappen, (zwak werkwoord), lappen, een lap opzetten, beter maken; van dage mot ’t üm lappen, van daag moet ge ’t in orde krijgen, van daag moet de zaak in orde gemaakt; van dage moj den zak lappen, van daag moet ge er voor boeten.
lapzak, [zak (niet pejoratief), dronkenlap, bedelaar], labbezak, (mannelijk), lapzak (scheldnaam voor een bedelaar).
lariks, larke, larkse, (mannelijk), lariks.
last, last, (onzijdig), last (inhoudsmaat).
last, last, (mannelijk), laste, last.
lastig, lestig, (bijvoeglijk naamwoord), lastig, strekkend, ruim.
lat, latte, (vrouwelijk), latten, lat.
laten, laoten, (sterk werkwoord), laten, er uitzien; ’t lö̀t nao regen, het ziet er uit alsof er regen ophanden is; he lö̀t zik gôd, hij lijkt goed; ’t lö̀t stîf, het lijkt stijf.
laven, laven, (zwak werkwoord), laven.
lee, [het overlijden], lee, (vrouwelijk), (i)eemand de lee anzeggen, iemand een overlijden bekend maken.
leed, leed, (onzijdig), leed.
leeg, lédig, lèèg, (bijvoeglijk naamwoord), ledig.
leem, leem, (onzijdig), leem.
leen, leen, (onzijdig), leenen, leen.
leep, leep, (bijvoeglijk naamwoord), slim.
leepogen, leepe oogen, druipoogen.
leer, leere, (vrouwelijk), leer (leering).
leerbrief, [deel van een cursus, papier met een kermisliedje], leerbrief, leerbreef, (mannelijk), papier met kermisliedje.
leesbrief, [brief], lèzebrief, lèzebreef, z. br(i)eef.
leest, leeste, (vrouwelijk), leest.
leeuwerik, leefrik, (mannelijk), leeuwerik.
leger, léger, (onzijdig), légers, ook lèger (Lochem) leger, ligplaats van een haas.
leiden, leiden, (zwak werkwoord), leiden.
lek, lek, (onzijdig, bijvoeglijk naamwoord) , lek.
lekken, lekken, (zwak werkwoord), lekken.
lelijk, leelik, lelk, lellik, (bijvoeglijk naamwoord), leelijk, ook lillik (Lochem).
lemmer, lemmer, (onzijdig), lemmer.
lemmet, lemmet, (onzijdig), (accent op met) katoen in eene olielamp.
lempe, [sloddervos], lempe, (vrouwelijk), sloddervos, die achteloos is in haar gang.
lende, lende, (vrouwelijk), lende; zie brao.
lenen, leenen, (zwak werkwoord), leenen.
leng, [deel van een schort], lenge, (vrouwelijk), het stuk goed, dat boven aan den boezelaar zit, die meestal uit twee stukken bestaat.
lepel, leppel, (mannelijk), leppels, lepel.
lepelspijs, [voedsel dat met een lepel gegeten wordt], lepelspîze, (vrouwelijk), dunne kost, vloeibare spijs.
leren, leeren, lèrn, (zwak werkwoord), lezen; ik zat te leeren in dat bôk, ik zat te lezen, bidden (in de taal der R.K. Kerk).
les, lesse, (vrouwelijk), lessen, les.
letten, letten, (zwak werkwoord), verhinderen; wat let mi? wat verhindert mij?
leugen, lögen, (vrouwelijk), lögens, leugen.
leuk, lök, lü̂kes, lük, (bijvoeglijk naamwoord), gesloten, grappig; ’n löken kèrel, hé zeg n(i)eet völle; leuk; weinig; kom es lük kuieren, kom eens wat praten.
leupen, [melkemmer], löpen, (onzijdig), houten melkemmer met handvat.
leur, löre, (vrouwelijk), slons.
leus, löze, (vrouwelijk), leus.
leven, lèven, (zwak werkwoord), leven.
lever, lèver, (i)eets op de lèver hebben, iets op ’t hart hebben; üm lö̀p de lü̂se òver de lèver, hij wordt kwaad.
lezen, lèzen, (sterk werkwoord), lezen.
lichaam, lichame, (onzijdig), lichaam.
licht, licht, (bijvoeglijk naamwoord), licht.
licht, lichte, (bijwoord), licht, wellicht.
lichter, lichter, (mannelijk), lichters, bretel.
Lichtmis, lichtmisse, St. Maria Lichtmis. 2 Febr.
lichtvaardig, [zonder overleg], lichtveerdig, (bijvoeglijk naamwoord), lichtvaardig, bw. licht; ’t kan lichtveerdig gebören.
lid, [beschutting], lee, (vrouwelijk), beschutting; ik ligge in lee, ik lig beschut.
lid, lid, lée, (onzijdig), lid.
lied, lied, leed, lieder, leeder, lied.
lieden, lü̂j, (meervoud, mannelijk), lieden.
lief, lief, leef, (bijvoeglijk naamwoord), lief.
liefhebben, liefhebben, leefhebben, Onze l(i)eeve Heer hef üm zoo l(i)eef ehad, hij is gestorven.
liegen, liegen, leegen, (sterk werkwoord), lòg, elògen, liegen.
lier, lîre, (vrouwelijk), lier.
liespel, [deel van de balken van een schuur], liespel, leespel, (onzijdig), die balken in de schuur, welke zich tusschen de voor- en achterbalken bevinden (Ov.).
liggen, liggen, (sterk werkwoord), lag, elègen, liggen.
lijden, lîden, (sterk werkwoord), leed, elèjen of eléden, 1) lijden, hé is daor n(i)eet erg elèjen, hij is er niet bemind. 2) voorbijgaan, ’t leed n(i)eet lange.
lijdensgraag, [zeer graag], lîdensgeerne, (bijwoord), zeer gaarne.
lijdensveel, [zeer veel], lîdensvölle, (bijwoord), zeer veel.
lijf, lîf, (onzijdig), lichaam, leven.
lijfzeerte, [buikpijn], lîfzeerte, (vrouwelijk), buikpijn.
lijk, lîk, (onzijdig), lijk.
lijken, lîken, (sterk werkwoord), leek, eléken, lijken.
lijkstee, lîkstee, (vrouwelijk), litteeken.
lijkweg, [weg naar het kerkhof], lîkweg, de weg, waarlangs een lijk van eene hoeve naar het kerkhof vervoerd moet worden, is bij overlevering vast bepaald; hiervan mag niet worden afgeweken, al zijn er later kortere wegen gekomen; groote weg, zoo breed dat twee wagens elkaar kunnen passeeren
lijm, lîm, (mannelijk), lijm.
lijmgarde, [stok om vogels te vangen], lîmgarde, (vrouwelijk), lijmroede.
lijmstang, [stok om vissen of vogels mee te vangen], lîmstange, (vrouwelijk), vischstok.
lijmstrik, [val voor lijsters], lîmstrikke, (vrouwelijk), lîmstrikken, strik voor lijsters.
lijn, lîn, (onzijdig), lijnzaad, linum.
lijn, lîne, (vrouwelijk), lînen, leidsel der paarden.
lijn, lîne, (vrouwelijk), lînen, lijn, streep.
lijn, lîn, (bijvoeglijk naamwoord), langzaam, traag.
lijnzaad, lînzaod, (onzijdig), lijnzaad.
lijpen, [huilen, schreeuwen], lîpen, lippen, (zwak werkwoord), schreien.
lijst, lîste, (vrouwelijk), lijst.
lijster, lîster, (vrouwelijk), lîsters, lijster.
lijsterkraal, [lijsterbes], lîsterkralle, (vrouwelijk), lîsterkrallen, lijsterbes.
likdoorn, lîkdoorn, (mannelijk), likdoorn.
likken, likken, lekken, (zwak werkwoord), likken.
linde, linde, (vrouwelijk), linden, linde.
lindebloeisel, [lindebloesem], lindeblö̂jsel, (onzijdig), lindebloesem.
linker, linke, (vrouwelijk), linkerhand.
linnen, linnen, (onzijdig), linnen.
lip, lippe, (vrouwelijk), lippen, lip.
lis, lü̂sch, (onzijdig), lisch.
lis, lü̂̂sch, (onzijdig), carex acuta.
lobbes, laobes, (mannelijk), onverschillige kerel.
loden, looden, (zwak werkwoord), een geslacht dier van lood (bewijs van betaalde belasting) voorzien.
loeder, lûder, (onzijdig), loeder, kreng.
loeg, [buurtschap], lûg, (mannelijk), buurtschap (Drenthe en Overijssel).
loenen, [behagen, lijken], lûnen, (zwak werkwoord), behagen, lijken; dat lûnt em, dat lijkt hem.
loens, lûnsch, (bijvoeglijk naamwoord), nukkig, valsch, niet oprecht.
loer, lûr, (mannelijk), loer, en lur drèjen.
loer, lûr, (vrouwelijk), uitkijk, op de lûre liggen.
loerangel, [valsaard], lûrangel, (mannelijk), valschaard.
loerderig, [loom], lûrderig, (bijvoeglijk naamwoord), loom, droomerig.
loeren, lûren, (zwak werkwoord), op den uitkijk zijn; ’t weer lûrt, ’t kan règenen, ’t kan vr(i)eezen, het weer is onzeker.
lof, lòf, lóve, (mannelijk), lof.
logeren, lozeeren, (zwak werkwoord), logeeren.
lok, lòk, (mannelijk), lö̀kke, lok.
lollen, lòllen, (zwak werkwoord), schreeuwen, zaniken.
lompen, [vodden], lompen, (zwak werkwoord), onbehoorlijk behandelen, beetnemen; laot uw n(i)eet lompen.
lonen, loonen, (zwak werkwoord), beloonen, loon geven.
long, longe, (vrouwelijk), longen, long.
loochenen, lögnen, (zwak werkwoord), loochenen; ook straffen.
lood, lood, (onzijdig), loode, lood; ’t gezichte gôd in ’t lood hebben, een regelmatig gezicht hebben.
loof, loof, (onzijdig), loof (dorre bladeren); loofharken, dorre bladeren harken.
loog, looge, (vrouwelijk), loog.
loog, looge, sneelooge, (vrouwelijk), gesmolten sneeuw.
look, look, (onzijdig), uien, prei, enz.
loon, loon, (mannelijk, onzijdig), loone, loon.
loopgaren, loopgaren, (onzijdig), loopgaren spinnen, heen en weer loopen.
loops, löpsch, (bijvoeglijk naamwoord), loopsch.
loos, loos, (bijvoeglijk naamwoord), looze, loos.
lopen, loopen, (sterk werkwoord), l(i)eep, eloopen, snel loopen.
lopertje, löperken, z. boomlöperken.
lor, lòrre, (vrouwelijk), lorren, lor.
los, lö̀s, (bijvoeglijk naamwoord), 1) los; lö̀sse verkeering, vrijage die alle oogenblik kan afgebroken worden, b.v. met een kermisvrijer, d.i. voor ééne kermis. 2) open; de döre is lö̀s, de deur is open.
loshoesten, [hoesten met als gevolg dat iets loskomt (bijv. slijm)], lö̀shôsten, (zwak werkwoord), den kan lö̀shôsten, hij kan het goed doen.
lossen, lözen, (zwak werkwoord), den tongriem snijden bij vogels.
lot, lòt, (onzijdig), lot.
loten, lòten, (zwak werkwoord), loten.
louter, lûter, (bijwoord), louter, zuiver.
loven, lóven, (zwak werkwoord), prijzen.
loven, löven, glöven, (zwak werkwoord), gelooven.
lucht, locht, (vrouwelijk), lucht.
luchten, lüchten, (zwak werkwoord), luchten.
luchter, lüchter, (mannelijk), kandelaar.
luchterhand, lüchterhand, (vrouwelijk), linkerhand.
lui, lüj, (bijvoeglijk naamwoord), lui.
luier, lü̂re, lure, (vrouwelijk), luier.
luis, lü̂s, lü̂ze, (vrouwelijk), luis; gin lü̂s wèrd, niets waard.
luisteren, lü̂steren, (zwak werkwoord), luisteren.
luizenbos, [onverzorgd persoon], lü̂zebos, (mannelijk), scheldnaam, vuile kerel.
luning, [mus], lü̂nink, lü̂ninge, (mannelijk), musch (Winterswijk).
luns, lünze, (vrouwelijk), pin die voor het rad wordt gestoken.
lus, lüs, lisse, (vrouwelijk), strik.
lust, lüst, (mannelijk), lüste, lust.
lut, [klein iets; weinig], lüt, (bijvoeglijk naamwoord, onzijdig), klein; ’t is maor lüt, ’t is weinig; en lüt wèrd wèzen, weinig waard zijn; lütje, kleintje.
maag, maog, (mannelijk), mäoge, jongen (veelal in mv. voor ondeugende jongens).
maag, mage, (vrouwelijk), magen, maag (lichaamsdeel).
maaien, mèjen, (zwak werkwoord), maaien.
maal, maol, (onzijdig), maal; maal, in samenstelling: slachtmaol, onthaal na ’t slachten; mestmaol, onthaal voor ’t mest brengen; buurtmaol, onthaal van de buren; bèdelmäoltjen, als ieder genoodigde een gift in eetwaren, mest, enz. mede moet brengen.
maal, maol, (onzijdig), merkteeken.
maal, maole, rund van 1½ à 2 jaar.
maal, male, maaldag, (vrouwelijk), geerfden dag der mark; maalsté, vergaderplaats.
maalder, maolder, (onzijdig), de hoeveelheid koorn, die in eens gemeten wordt.
maalkalf, [kalf van een koe], maolkalf, (onzijdig), koekalf.
maalster, maolster, (onzijdig), schep uit den zak als maalloon, vroeger 1/16 van het gemalene.
maaltje, mäoltjen, (onzijdig), feestje, onthaal op jenever.
maan, maone, (vrouwelijk), maan.
maand, maond, (vrouwelijk), maonde, maand.
maar, maore, mére, (vrouwelijk), maar, tijding.
maar, mèr, (vrouwelijk), maar (spook), z.o. kòlde.
maar, man, men, (voegwoord) , maar.
maart, Meert, (mannelijk), Maart; Meert rö̂rt zîn steert, Maart roert zijn staart.
Maarten, [eigennaam], Meerten, Marten, (mannelijk), Maarten, Martijn.
maat, maot, (vrouwelijk), maote, mäote, maat; te maot kommen, te pas komen. De oude maten waren: en maolder, een zak, die zes schepel inhield, hetgeen in eens gemalen werd. Een mud (malt) staat ongeveer gelijk met vier oude schepels; en schepel bevatte vijf en twintig kop, vroeger vier spind; en spind was vijf kop; Voor maten van bouwland werd meest als maat de hoeveelheid zaad genomen. Deze verschilt naar de soort. In een Werdener Register uit de 10e eeuw (Lacomble Archiv I, 208) staat o.a. in uno iugere hollandico seminantur circa unum maldrum siliginis vel duo maldra ordei. De gewoone maat in deze streek is naar rogge: en mudde gezèj = ± 45 are, en schepel gezèj = + 10 are, en spind gezèj = bijna 2 are, vlg. Sloet van Als, 206; onder de maten voor weiland zijn te noemen: en kôweide, op het zand omstreeks een morgen of 600 Rijnl. roeden, op de klei de helft hiervan; en dag mèjens of een dag wark, omstreeks 40 are.
made, maot, (vrouwelijk), weide.
mager, mager, (bijvoeglijk naamwoord), mager; hé is zoo mager dat üm de hûd op de bütte is vastewassen.
maggelen, maggelen, (zwak werkwoord), knoeien.
making, [voorwaarden voor een erfenis], makinge, (vrouwelijk), de voorwaarden, waarop (vooral in Twenthe) de oudste zoon het vaderlijk goed kreeg. De andere kinderen kregen legaten en hadden het recht bij ziekte in het ouderlijk huis verpleegd te worden.
malen, malen, (sterk werkwoord), malen.
malen, malen, (zwak werkwoord), malen, spreken, zeuren; dé ’t eerste op den brink kümp, maal(t) ’t eerste, die eerst komt die eerst maalt.
man, man, (mannelijk), mans, manslüj, man (verklw. menneken).
mand, mande, (vrouwelijk), mand; in de mande dôn, voor gezamenlijke rekening iets doen.
mandelig, [gemeenschappelijk], mandeelig, (bijvoeglijk naamwoord), wat onder meer personen gedeeld wordt.
manen, manen, (vrouwelijk, meervoud), manen van een paard.
manen, manen, (zwak werkwoord), aanmanen.
manks, [soms, inmiddels], manges, mangs, (bijwoord) , somtijds, onderwijl.
mannetje of lettertje, [kop of munt (spel)], menneken of letterken, kop of kruis, kruis of munt.
mare, mére, (vrouwelijk), verhaal, mare.
mark, mark, (vrouwelijk), mark (geldstuk).
mark, mark, (vrouwelijk), mark, onverdeelde grond; markengronden, markenwègen; markenrichter.
markt, markt, markte, mart, mat, (vrouwelijk), de markt.
mars, mars, mas, (vrouwelijk), mars (korf).
mars, mars, mas, mersch, (vrouwelijk), marsch, lage weide; lage, drassige grond.
marsen, [venten, drukte maken], marsen, masen, (zwak werkwoord), drukte maken, venten.
marter, marte, (vrouwelijk), wezel.
marter, [marteling, foltering], marder, marde, maorter, maoter, (mannelijk), marter.
massen, [drukte maken, venten], massen, zie ma(r)sen.
maten, [soort zaad], maten, Bij Terborgh zegt men: schèpels zaod, maolderszaod, spindsgezèj.
mede, mee, (vrouwelijk), mede, drank.
medicijnen, middelcîne, mellecînen, medicijnen, speciaal drankjes.
meel, mèèl, (onzijdig), meel.
meel, [grashalm], meele, meelspiere, (vrouwelijk), lange grashalm.
meelbuil, [zak voor meel], mèèlbü̂le, (vrouwelijk), meelzak.
meenspraak, [belediging], meenspraoke, (vrouwelijk), beleediging (verouderd).
meent, meene, meente, (vrouwelijk), gemeene weide of heidegrond.
meepenning, [cijns], meepenning, meedpennink, (mannelijk), godspenning, huurpenning.
meerkol, marklauwe, (vrouwelijk), Vlaamsche gaai (Overijssel).
meerkol, meerkol, markol, meerkòl, (mannelijk), garrulus glandarius, Vlaamsche gaai; markolf (Grolle).
meers, mòrsch, (mannelijk), moeras.
mees, meeze, (vrouwelijk), meezen, mees.
meester, meister, (mannelijk), dokter of schoolmeester.
meesteren, [meester zijn; geneeskundig behandelen], meisteren, (zwak werkwoord), dokteren of leeren; hé meistert mit üm, hij heeft hem als dokter; hi meistert daor, hij is er schoolmeester.
meet, méte, (vrouwelijk), streep, die ’t begin eener baan bij spelen aanwijst, van meet af beginnen.
mei, Mei, (mannelijk), den olden Mei, de 10e Mei.
meid, meid, (vrouwelijk), meiden, meidens, meid.
meihuisje, [prieel], meihü̂sken, (onzijdig), prieel.
meisje, mèken, (onzijdig), meisje.
meizoentje, meizö̂ntjen, (onzijdig), madeliefje.
melde, melde, melle, (vrouwelijk), melde, atriplex hortensis.
melde, [bladluis], melle, melde, (vrouwelijk), bladluis.
melk, melk, (vrouwelijk), melk.
melkrek, [latwerk om melkemmers op te laten drogen], melkerik, (onzijdig), latwerk, om de melkemmers op te laten drogen.
mem, mem, memme, (vrouwelijk), moederborst (mem); moeder, speen van een koe (memme).
memmentrut, [opgeblazen uier van een koe], memmetrüt, opgeblazen koeuijer, dien de jongens als speeltuig gebruiken.
mendeur, méndeure, (vrouwelijk), groote schuurdeur.
menen, meenen, (zwak werkwoord), meenen.
mengkokerijen, [groenten en aardappels die samen gekookt worden], mankkòkerije, (vrouwelijk), groente en aardappels onder elkaar gekookt.
mengzaad, mankzaod, (onzijdig), gemengd zaad voor beestevoer.
menig, mennig, (telwoord), menig.
mennen, mennen, (zwak werkwoord), aan den leidsel leiden.
mennengat, [doorgang in een dijk ], mennegat, (onzijdig), doorrijweg.
mens, mensche, minsche, (mannelijk, onzijdig), menschen, minschen, mensch.
merg, marg, (onzijdig), merg.
merken, marken, (zwak werkwoord), merken.
merrie, mère, (vrouwelijk), merrie.
mes, mes, (onzijdig), messe, mes.
mesjogge, sjûks, (mannelijk), sukkel van een man.
mest, mes, (mannelijk), mest.
met, med, mee, (voorzetsel, bijwoord) , met, mede.
met, met, (onzijdig), gehakt vlees.
meten, méten, (sterk werkwoord)
meubraad, [runderhaas], möbrao, (vrouwelijk), runderhaas.
meug, möge, (vrouwelijk), zin; elke zin möge, ieder zijn eigen zin.
meuk, mü̂k, (bijvoeglijk naamwoord), meuk, zacht.
meuten, mö̂jten, (zwak werkwoord), tegenhouden.
middel, middel, (onzijdig), enen onder de middelen nemen, iemand de les lezen.
midden, midde, (vrouwelijk), midden.
midwinter, [tijd midden in de winter; de kortste dag van het jaar], middewinter, (mannelijk), kersttijd.
miegelen, miggelen, (zwak werkwoord), motregenen.
miegen, mîgen, (zwak werkwoord), wateren.
mier, mîre, (vrouwelijk), bloedpissing (van koeien).
mier, mîre, (vrouwelijk), de mîre der an hebben, een hekel aan hebben; de mîre op (i)eemand hebben.
mierenstrootje, [strootje om door de pijp te steken], mîrenströken, (onzijdig), strooitje om door de pijp te steken.
mieterig, [aangetast door mijten; huiverig], mîterig, (bijvoeglijk naamwoord), huiverig; mîterig in de hûd, koortsig.
miezelen, mîzelen, (zwak werkwoord), fijn regenen.
miezen, [polsmoffen], mizen, (meervoud), polsmofjes.
mijden, mîen, mîden, (sterk werkwoord), mijden.
mijt, mîte, (mannelijk, vrouwelijk), mijt, stapel; boschmîte, höjmite, hòltmîte, mîte roggen, mîte steenkoalen.
mik, mikke, (vrouwelijk), brood met zemels.
mikje, [kapje van een brood], mikske, (onzijdig), kapje van een brood.
mild, milde, (bijvoeglijk naamwoord), mild.
milt, milte, (vrouwelijk), milt.
min, min, (bijvoeglijk naamwoord), min, verachtelijk; ’t is mi te min; ’n minne kèrel.
min, minne, minnemôr, (vrouwelijk), min.
min, [vrouwelijke duif], minne, (vrouwelijk), wijfjesduif.
miserabel, miserabel, (bijwoord), erg, zeer, veel; ’t was miserabel mooi.
misgund, [niet welgeschapen], missö̂n, missü̂̂n, (bijvoeglijk naamwoord), mismaakt.
misgunnen, [mismaakt maken], missö̂nen, missü̂̂nen, (zwak werkwoord), mismaakt maken.
miszaken, missaken, (zwak werkwoord), loochenen.
modder, modder, (mannelijk), modder, drek (zand en water).
moe, mö̂j, (bijvoeglijk naamwoord), moede.
moed, môd, (mannelijk), moed.
moeder, môder, (vrouwelijk), moeder.
moedwil, môdwille, (mannelijk), moedwil.
moei, möje, (vrouwelijk), tante.
moeilijk, mö̂ilik, mö̂jlek, (bijvoeglijk naamwoord), korzelig, droevig; moeilijk.
moeite, mö̂jte, (vrouwelijk), moeite.
moes, môs, (onzijdig), gehakte kool.
moet, môt, (mannelijk), vlak; litteeken.
moet, mö̂te, in de mö̂te kommen, te gemoet komen.
moeten, mö̂ten, (zwak werkwoord), ontmoeten.
mof, moffe, (vrouwelijk), mof (verklw. müfken).
mogelen, [werk verrichten waarbij men niet goed kan zien], mogelen, (zwak werkwoord), een werk verrichten waarbij men niet goed zien kan.
mogen, mögen, (werkwoord), mogen.
mokkelen, [kussen], mòkkelen, (zwak werkwoord), kussen.
molen, mö̀lle, (vrouwelijk), molen.
molenas, [as van de molen die de wieken of het waterrad draagt], mö̀llenasse, (vrouwelijk), molenas.
mond, mond, (mannelijk), mond (verklw. mündjen).
mondig, mündig, (bijvoeglijk naamwoord), meerderjarig.
mondjevol, [mondvol, borrel], mündjenvolle, hi hö̀ld wel van en mündjenvolle, hij drinkt wel eens te veel.
montuur, montûre, (vrouwelijk), kleed; wi wilt üm nuw ens de frische montûre annetrekken, het doodskleed aandoen.
mooi, mooj, (bijvoeglijk naamwoord), mooi.
moot, moote, (vrouwelijk), mooten, moot.
morgen, margen, (mannelijk), morgen.
mos, mòs, (onzijdig), mos.
mossel, mossel, (vrouwelijk), mossel.
mot, [zeer (bijwoord van graad)], mot, (bijwoord), zeer; hi was mot slim, hij was erg ziek.
mot, mot, (mannelijk), mist.
mot, mòtte, (vrouwelijk), zeug.
mot, motte, (vrouwelijk), motten, mot.
mot, mot, (onzijdig), fijne afval.
mothol, [kuil waarin eten wordt bewaard], mothòl, (onzijdig), bewaarplaats voor eetwaren.
motregen, motrègen, (mannelijk), stofregen, fijne regen.
mots, [draaitol], motse, (vrouwelijk), draaitol.
mots, motse, (vrouwelijk), korte afgebroken pijp, vroeger een kort aarden pijpje.
motslecht, [zeer slecht], motslecht, (bijvoeglijk naamwoord), zeer min (van zieken).
mottenkuren, [jongensspel], mottekü̂ren, (werkwoord), jongensspel.
mouder, mòlder, vierkante houten bak, voornamelijk voor de wasch.
mud, müdde, (onzijdig), mud.
mug, mügge, (vrouwelijk), mug.
muil, mü̂l, (mannelijk), muil.
muil, mü̂le, (vrouwelijk), mü̂len, stof, muil.
muis, mü̂s, (vrouwelijk), mü̂ze, muis.
mul, mül, (onzijdig), stof; türfmül.
mulder, mülder, molenaar
mulder, mülder, (mannelijk), mannetje van den meikever.
mummelen, mümmelen, ter sluiks eten, kauwen.
munne, münne, (vrouwelijk), groote voren (visch).
mus, müsche, (mannelijk, vrouwelijk), musch.
muur, mîre, mü̂re, (vrouwelijk), een soort onkruid (stellaria); muur, muurbloem.
na, nao, (bijwoord), näoder, näost, näogest, na, naar.
naad, naod, näo, (mannelijk), näode, naad.
naaf, navel, (mannelijk), navels, naaf.
naaien, nèjen, (zwak werkwoord), naaien.
naaister, nèister, (vrouwelijk), naaister.
naald, naolde, (vrouwelijk), näolde, naald.
naam, name, (mannelijk), namen, naam.
naar, naar, (bijvoeglijk naamwoord), akelig, naar.
naar, naor, nao, (voorzetsel), naar; zie nao.
naast, naost, näogst, naast; zie nao.
naaszak, [zak in een kledingstuk], naoszak, (mannelijk), zak in een kleedingstuk.
nabijheid, [het dichtbij zijn], näogte, (vrouwelijk), nabijheid.
nabuur, naober, (mannelijk), buur.
nabuurplicht, [verplichting van de buren], naoberplicht, (mannelijk), verplichting van de buren.
nacht, nacht, (mannelijk, vrouwelijk), nächte, nacht; ’s nachtens, des nachts.
nachtegaal, nachtegale, (vrouwelijk), nachtegalen, nachtegaal.
nagel, nègel, (mannelijk), nègels, nagel.
nagelbloem, [plant], nègelblôme, (vrouwelijk), dianthus carryophyllus.
nagelen, nègelen, (zwak werkwoord), nagelen.
nagelhout, [rookvlees], nègelholt, (onzijdig), rookvleesch.
nakend, nakend, (bijvoeglijk naamwoord), naakt.
nakend aarsje, [sneeuwklokjes], nakeneerskes, (onzijdig), sneeuwklokjes.
nat, nat, nette, (bijvoeglijk naamwoord, vrouwelijk), natte, nat (nat); nat, water, urine (nette).
nauw, naw, (bijvoeglijk naamwoord), nouwe, nauw.
navel, naffel, (mannelijk), naffels, navel.
neb, nebbe, (vrouwelijk), neb.
nee, nee, (bijwoord), neen.
neef, nève, (mannelijk), nèven, neef.
neer, neer, (bijwoord), neder.
neetoor, neetoor, (mannelijk), neetoor.
negen, négen, negene, (telwoord), negen.
negentig, tnégentig, (telwoord), negentig.
nek, nokke, (mannelijk), nek.
nemen, nemen, (sterk werkwoord), nemen.
nerf, nerve, (vrouwelijk), nerf.
nergens, niwers, (bijwoord), nergens.
nerig, [ijverig, met lust], nèrig, (bijvoeglijk naamwoord), met lust; nèrig etten, met graagte eten.
nering, nèring, (vrouwelijk), nering.
nes, nesse, (mannelijk), lage, waterachtige streek.
nest, nö̀st, (onzijdig), nest.
nestdotje, nestdöddeken, laatst uitgebroed kuiken, jongste kind.
nestel, nestel, (mannelijk), tooverkransje, bv. van bedveeren.
net, nette, (onzijdig), net.
netel, nettel, (mannelijk), nettels, netel.
neuden, [zaniken], nöden, (zwak werkwoord), zaniken.
neulen, näolen, (zwak werkwoord), zaniken.
neus, nöse, (mannelijk), neus.
neusterbroer, [praatgrage man], nòsterbrö̂r, (mannelijk), praatvaar, die op alles wat te zeggen heeft.
neusteren, nòsteren, (zwak werkwoord), knorren, aanmerkingen maken.
neutelig, [verdrietig], nötelik, nölik, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), verdrietig.
neuzen, nûzen, (zwak werkwoord), onderzoeken, doorsnuffelen.
nevel, nével, (mannelijk), nevel.
nicht, nichte, (vrouwelijk), nichten, nicht.
niedendeur, niendöre, (vrouwelijk), kleine lagere deur in of naast de groote bansdöre, schuurdeur; (nien = nidan), ook naam voor de deur achter aan het huis.
niefelen, nîfelen, (zwak werkwoord), ongemerkt wegnemen; zie afnîfelen.
niemand, nieman, neeman, nüms, nümmes, (voornaamwoord), niemand
nier, niere, (vrouwelijk), nieren, nier; hé hef ’t vör de nieren, hij gaat dood.
niet, niet, neet, (bijwoord), niet.
niet, niet, neet, (vrouwelijk), niet, nagel.
nieuw, nîj, (bijvoeglijk naamwoord), nieuw. Hiernaast komt ook voor: en nî hûs.
nieuwplichtig, [benieuwd, verlangend], nijplichtig, (bijvoeglijk naamwoord), benieuwd, verlangend.
nieuwsgierig, [verlangend naar nieuws], nîsgierig, (bijvoeglijk naamwoord), nieuwsgierig.
nijd, nîd, (mannelijk), nijd.
nijds, [krachtig, driftig], nîdsch, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), krachtig; met ijver.
niknakken, [schouders], nikkenakken, (meervoud), (i)eets op de nikkenakken nemen, iets op de schouders nemen.
niks, niks, (onzijdig), niets.
nimmer, nümmer, (bijwoord), nooit.
nirtig, nirtig, (bijvoeglijk naamwoord), nurksch, vooral van menschen en paarden gezegd.
noch, nòch, (bijwoord), noch.
nodig, [vereist], nödig, (bijvoeglijk naamwoord), noodig.
nodiger, nöger, (mannelijk), zie brûdsnögers.
nodigkommetje, [kopje thee of koffie waarvoor men uitgenodigd is], nögekümmeken, (onzijdig), kopje thee of koffie, waarvoor men zich heeft laten uitnodigen.
noemen, nö̂men, (zwak werkwoord), noemen.
nog, nòch, (bijwoord), nog.
nok, nòkke, (vrouwelijk), nok (van het dak).
noks, [ijverig], nòks, (bijwoord), ijverig; den kèrel warkt nòks.
non, nonne, (vrouwelijk), non.
nood, nood, nöde, (mannelijk), nood.
nood, nöde, (vrouwelijk, mannelijk), nood; van nöden hebben, van noode.
noodweg, [weg die voor begrafenissen gebruikt wordt], noodweg, (mannelijk), lijkweg.
noot, noot, (vrouwelijk), noten, muzieknoot.
noot, nö̀tte, (vrouwelijk), nö̀tten, noot.
notenboom, [walnotenboom; hazelaar], nö̀ttenboom, (mannelijk), noteboom; en ézel, en kwézel en en nö̀ttenboom, dé mot kwispelen. Spreuk naar aanleiding van het gebruik om de jonge takken van den notenboom stuk te slaan om het rijkelijk dragen te bevorderen.
nu, nuw, (bijwoord), nu.
nuchter, nüchtern, (bijvoeglijk naamwoord), nuchter; daor bl(i)eev i nüchtern bij, dat gaat uw neus voorbij.
nuk, nükke, (meervoud, vrouwelijk), nuk.
nut, nüt, (onzijdig), nut.
oer, ûr, (onzijdig), ijzererts.
oerdommig, [lichtgeraakt], ördömig, (bijvoeglijk naamwoord), licht geraakt.
oeteren, [morsen], òteren, (zwak werkwoord), morsen bij het eten.
oever, ôver, (mannelijk), oever.
of, òf, (voegwoord), of.
ogenklaar, [zonneklaar], oogenklaor, (onzijdig), stinkende gouwe, chelidenium maius.
oker, óker, (mannelijk), oker.
oksel, òksel, (mannelijk), oksel.
olie, ö̀lli, (mannelijk), olie.
olijk, oolik, (bijvoeglijk naamwoord), ziek, guitig.
om, ümme, (bijwoord, voorzetsel), om.
ombuiten, [omruilen], ümmebü̂ten, zie bü̂ten.
omzien, [ogenblik], ümmezieen, ümmezeen, (onzijdig), oogenblik; wacht en ümmez(i)een, ’t is en ümmez(i)eens wark, het werk van een oogenblik; hej en ümmez(i)eens gedüld, heb ge een oogenblik geduld.
omzonst, ümsons, (bijwoord), vergeefs.
onakel, [lomperd], onakel, (onzijdig), lompert.
onbandig, [uitbundig], onbendig, (bijvoeglijk naamwoord), uitbundig.
onbeidig, [ongeduldig], onbîïg, (bijvoeglijk naamwoord), ongeduldig.
onbenullig, [onverstandig, onhandelbaar], onbenüllig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onhandelbaar.
onbesmet, [niet besmet; niet met een hypotheek belast], onbesmet, (bijvoeglijk naamwoord), niet met hypotheek bezwaard.
onbespierd, [onbetwist, onbelemmerd], onbespîrd, (bijvoeglijk naamwoord), onbetwist.
onbesuisd, onbesûsd, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), zeer onbesuisd
onbocht, [vuil], onbocht, (onzijdig), vuil.
onboel, [rommel], onbôl, (mannelijk), groote rommel.
ondeugd, [zedelijke slechtheid], ondòcht, ondögd, (mannelijk, vrouwelijk), ondeugd (ondòcht m., vr.; ondögd vr.).
ondeugend, ondögend, (bijvoeglijk naamwoord), vertoornd, boos.
ondier, [monster], ondier, ondeer, groot dier; ! wat hej daor en d(i)eer van en hond, ’t is en ond(i)eer.
ondoemelijk, [onbetamelijk], ondômelijk, (bijvoeglijk naamwoord), onbetamelijk.
ongel, ongel, (mannelijk), rundervet.
ongemak, [last, kwaal; ongedierte], ongemak, (onzijdig), ongedierte; hé hef ongemak in ’t hûs, hij heeft ongedierte in zijn huis.
ongevoelig, [zeer gevoelig], ongevö̂lig, (bijvoeglijk naamwoord), teergevoelig.
ongroot, [zeer groot], ongroot, (bijvoeglijk naamwoord), zeer groot.
onguur, onhü̂̂er, onü̂̂r, onhü̂̂r, ongü̂̂r, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onaangenaam; niet pluis, gevaarlijk.
onhout, onhòlt, (onzijdig), hout, dat geen timmerhout is, niet veel waarde heeft.
onlastig, onlastig, (bijvoeglijk naamwoord), zeer lastig.
onmondig, [minderjarig], onmündig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), minderjarig; verschrikkelijk, sterk.
onmondig sterk, [zeer sterk], onmündig stark, zeer sterk
onnozel, onnözel, (bijvoeglijk naamwoord), onnoozel, bw. zeer, bizonder; onnözel ha(r)d loopen.
ons, ûze, ünze, onze, (bezittelijk voornaamwoord), onze.
onschadelijk, [slecht], onschadelik, (bijvoeglijk naamwoord), slecht; bv. dé schüttink mot meneer ewegbrekken, dé wordt zoo onschadelik, zoo erg slecht.
ont, ont, (bijvoeglijk naamwoord), vuil.
ontdacht, [ontschoten], ontdacht, (verleden deelwoord), ’t is mij ontdacht, het is mij ontschoten.
ontdoen, [ontlasten; van streek maken], ontdôn, (werkwoord), ontstellen.
ontheit, ontheit, (onzijdig), bericht.
onveranderlijk, [zeer veranderlijk], onveranderlik, (bijvoeglijk naamwoord), zeer veranderlijk.
onverlaat, onflaat, (onzijdig), vuilnis.
onvernuftig, [redeloos; zeer (bijwoord van graad)], onvernoftig, (bijwoord), zeer onvernoftig groot (in slechten zin).
onvernullig, [onverstandig; ontzettend], onvernüllig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), onverstandig; ontzettend.
onverschillend, [zeer verschillend], onverschillend, (bijvoeglijk naamwoord), veel verschillend.
onverschillig, onverschillig, (bijvoeglijk naamwoord), geen verschil makend.
onwetend, [geen kennis bezittend; zeer (bijwoord van graad)], onnewettend, (bijwoord), zeer; onnewettend groot.
onwijs, onwîs, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), dwaas; erg; onwîs hard jagen, erg hard rijden.
onzalig, [vuil; slaperig], onzelig, (bijvoeglijk naamwoord), slaperig, vuil; onzelig in de hûd.
onzien, [vuil], onzün, (bijvoeglijk naamwoord), vuil, armoedig, schraal.
onzuur, onzûr, (bijvoeglijk naamwoord), zeer zuur.
oog, ooge, (onzijdig), oogen, oog.
oogbrauw, oogbraën, (meervoud, vrouwelijk), wimpers of wenkbrauwen.
oogst, oost, oogst, (mannelijk), oogst.
ooi, öje, (vrouwelijk), vrouwelijk schaap.
ooievaar, uiver, euver, heilöver, (mannelijk), ooievaar; wordt alleen aan de westgrens gebruikt.
ooievaarsbek, [plant uit de Schermbloemenfamilie], eiberbek, (mannelijk), scandix pecten veneris.
ooilam, öjlam, (onzijdig), wijfjeslam.
ook, ok, (bijwoord), ook (enclitisch).
oom, oome, öme, (mannelijk), ooms, ömen, (in samenstelling öme: Jan öme) oom.
oord, oord, (mannelijk), punt, begin (van een mes, van een stuk land, enz.)
oorlog, oorlòg, (mannelijk), oorlog.
oorzaak, oorzake, (vrouwelijk), oorzaak.
oost, oost, (mannelijk), het oosten.
oosten, [windrichting], oosten, oosten.
op stond, [terstond], op stonde, (bijwoord), terstond.
opbrengen, [opleveren, opvoeden], opbrengen, (zwak werkwoord), grootbrengen, opbrengen.
opdraaien, opdrèjen, (sterk werkwoord), zich wegscheren, opdraaien.
open, aopen, (bijwoord), open.
ophalen, [omhooghalen, afhalen], ophalen, (zwak werkwoord), halen; en peerd ophalen ût ’t land, een paard uit het land halen.
oplichten, [licht worden, verhelderen], oplüchten, (zwak werkwoord), verhelderen, het gemoed verruimen.
opper, òpper, (mannelijk), kleine hooistapel in het hooiland.
opperen, òpperen, (zwak werkwoord), het hooi aan oppers zetten.
oprellijken, oprelliken, (zwak werkwoord), verbeteren, opdroogen.
oprukking, [kortdurige of lichte beterschap], oprükking, (vrouwelijk), vleugje van beterschap.
opscheuteling, [halfvolwassen jongen], opschö̀ttelink, (mannelijk), aankomende knaap.
opschieren, [opklaren], opschîren, (zwak werkwoord), opklaren.
opstellen, [uitstellen], opstellen, (zwak werkwoord), uitstellen.
opstrijden, [tegenspreken], opstrîjen, zie strîjen.
opstropen, [in de hoogte stropen, door stropen verwonden], opströpen, (zwak werkwoord), opstroopen (bv. de mouwen).
opstuiken, [garven opstapelen], opstûken, (zwak werkwoord), de garven opzetten.
opsuikeren, opsü̂̂keren, (zwak werkwoord), omroeren van suiker in ’t gevulde glas.
opzeggen, [afzeggen, voordragen], opzeggen, (zwak werkwoord), afzeggen.
opzegging, [het beëindigen van een dienst; tegenbericht], opzage, (vrouwelijk), opzegging, tegenbericht; opzage van hü̂r, opzegging van huur of pacht.
order, òrder, òder, (mannelijk), order.
organist, ö̀rgelist, (mannelijk), organist.
orgel, ö̀rgel, (onzijdig), orgel.
os, òsse, (mannelijk), òssen, os.
otter, òtter, (mannelijk), òtters, otter.
oud, òld, (bijvoeglijk naamwoord), (Wintersw. óld) oud.
ouder, òlder, (mannelijk), leeftijd.
ouder, òlder, òlders en òldren, voorvader, ouder.
oudhuizer, [vroegere buur], òldhü̆ser, (mannelijk), die vroeger naast iemand woonde.
oudvuil, [zeer slim], òldvûl, bijvoeglijk naamwoord, zeer slim.
oven, aoven, (mannelijk), aovens, oven.
over, aover, aver, (voorzetsel, bijwoord), over; aver in geschreven stukken meest voor aover.
overdaad, aoverdaod, (mannelijk), overdaad.
overeenkomst, aovereenkomste, (vrouwelijk), overeenkomst.
overeind, aoverende, (bijwoord), overeind.
overeind blijven, aoverende blîven, opblijven, waken.
overleden, aoverlèjen, (bijvoeglijk naamwoord), wijlen, zaliger; min vader aoverlèjen.
paal, paol, (mannelijk), päole, paal: binnen de päole blîven, te huis blijven: ût de päole, buiten de grenzen.
paap, [paus, geestelijke, katholiek], pape, (mannelijk), paap.
paar, paar, (onzijdig), paar.
paard, péérd, (onzijdig), péérde, paard.
paars, peers, (bijvoeglijk naamwoord), paars.
paasbloem, [plant die rond Pasen bloeit], paoschblôme, (vrouwelijk), caltha palustris.
paasvuur, [vreugdevuur met Pasen], paoschvü̂̂r, (onzijdig), met Paschen worden op verschillende plaatsen vooral op enkele hoogten, z.a. de Lochemsche berg, Markelosche berg, enz. groote vuren ontstoken, waar omheen gedanst wordt, enz.
pacht, pachte, (vrouwelijk), pacht. Thans meestal geldpacht, vroeger garfpacht + hûspacht; op de garve bouwen, tegen garfpacht wonen. De garfpacht was: de zwaore garve, 2/5 voor den eigenaar, of de lichte garve, 1/3 voor den eigenaar. Zoodra het koren aan gast stond (gast = 4 of 6 garven verschillend naar het gewas) en de tîlen (rijen van 20 garven) gesteld waren, werd de eigenaar gewaarschuwd. Deze zond dan den teller, die de garf ûtstak, een groenen tak in de hem toebehoorende garf stak en het aantal tîlen telde en door kerven in een kerfstok, tîlstok, opteekende. Daarna haalde ieder, als het droog was, zijn koorn weg.
pad, pad, (onzijdig), pade, pad.
pad, padde, pedde, (vrouwelijk), padden, pedden, pad.
pak, pak, (onzijdig), pakke, pak; (i)eemand in ’t pak steken, iemand beet nemen.
paling, paolink, (mannelijk), paling.
palt, palten, (meervoud), lappen.
pan, panne, (vrouwelijk), pan.
pand, pand, (onzijdig), pande, onderpand, pand.
panvogel, pannevögel, (mannelijk), vlinder.
panvogel, pännevögelsken, (onzijdig), vlindertje.
pap, pap, (vrouwelijk), pap.
papier, pampier, (onzijdig), pampiere, papier.
parel, pèrle, (vrouwelijk), pèrlen, paarl.
part, parti, sommigen.
pas, pas, (mannelijk), doorgang, in bosch of veld; vandaar ook naam voor stuk land: Elzenpas, enz.
Pasen, paoschen, Paschen.
passen, passen, (zwak werkwoord), passen. Een veel gebruikt stopwoord is: now pas op voor ik doe het niet, ik geloof het niet, gij houdt mij voor den gek, enz.
peer, père, (vrouwelijk), peer.
pees, péze, (vrouwelijk), pees.
pek, pik, (onzijdig), pek.
pekel, pèkel, pekel, (vrouwelijk), zout water.
pel, pelle, (vrouwelijk), pellen, schaal, huid, (doppen van noten, aardappels, boekweit).
pellen, pellen, (zwak werkwoord), van de schaal ontdoen.
pellen, pellen, (onzijdig), linnen (fijn).
pellenwever, [iemand die linnen weeft], pellenwèver, (mannelijk), linnenwever.
peluw, pöl, (mannelijk), peluw.
pen, panne, (verbasterd uit penne), ’t hûs kümp an de panne, het huis komt te koop.
pen, penne, (vrouwelijk), pennen, pen.
pens, pense, (mannelijk, vrouwelijk), pensen, buik, maag (van een dier) overdr. lichaam van een mensch, ’k zal uw op de pense kommen, ik zal je een pak slaag geven.
peper, pepper, (vrouwelijk), peper.
persen, parsen, pasen, (zwak werkwoord), persen.
persijzer, parsîzer, pasîzer, (onzijdig), kleermakers strijkijzer.
pest, pest, (vrouwelijk), pest.
pet, pette, (vrouwelijk), petten, pet
peuk, pök, (mannelijk), klein eindje (wordt van een eind sigaar, van een kleinen jongen enz. gezegd).
peul, krompòllen, (meervoud), peulen.
peul, pöle, (vrouwelijk), peul (vrucht).
peuter, [klap, slag; staafje om een pijp schoon te maken], pöter, (mannelijk), slag.
peuteren, pö̀tteren, (zwak werkwoord), peuteren, met water spelen, morsen.
pezerik, pîrk, (mannelijk), pezerik, bullepees.
pieleend, [eend], pîlende, (vrouwelijk), pîlenten, eend, zie ente. Verkleinwoord pîlekes, eenden
piepen, pîpen, (sterk werkwoord), piepen, kussen (Gron. snûtepîpen). “Van pìpen üp de lippen / Kümp vründschap ünder de slippen.”
piepvogel, [vogel uit de familie Prunellidae], pîpvógel, (mannelijk), bastaard nachtegaal.
pier, pîre, pîrek, (vrouwelijk), pier.
pieren, pîren, (zwak werkwoord), beetnemen.
pierrotterig, [aangetast door wormen, rupsen of wespen], pîrròtterig, (bijvoeglijk naamwoord), pierstekig, van vruchten, ook van het uiterlijk van sommige zieken gezegd.
piets, [zweep], pîtse, (vrouwelijk), zweep.
pij, peie, (vrouwelijk), pij (kleed).
pijl, pîl, voor pijl, alleen voorkomende in samenstellingen als: pîlsteert of pîlstart, de naam voor den vlinder pijlstaart, en voor een kind, waarvan niet de vader, maar alleen de moeder van adel is; pîl op, recht naar boven; voor ndl. pijl is flitse of straole in gebruik.
pijn, pîne, (vrouwelijk), pijn, moeite; ’t is de pîne n(i)eet weerd, ’t is de niet moeite waard; lîfpîne, höfdpîne.
pijnkeutel, [kleinzerig, schriel persoon], pîne-köttel, (mannelijk), kleingeestig, schriel mensch.
pijnlijk, [pijn lijdend, pijn veroorzakend], pînlik, (bijvoeglijk naamwoord), pijnlijk, benauwd, erg zuinig, gierig.
pijp, pîpe, (vrouwelijk), pîpen, pijp.
pik, ûrpikke, pikke, (vrouwelijk), houweel
pikken, pikken, (zwak werkwoord), pikken.
pilo, pilo, (onzijdig), soort stof, waarvan de jas en broek van den boer meest gemaakt zijn.
pin, pin, pinne, (mannelijk, vrouwelijk), pen; (i)eemand en pin vör de nöze of op den sta(r)t zetten, iemand beletten om zich al te vrij te bewegen.
pingeneren, [hand- en spandiensten verlenen], pingeneeren, (zwak werkwoord), den weg in orde maken voor de schouw (eigenl. hand- en spandienst verleenen).
pink, pinke, (vrouwelijk), pink; bî de pinken, bij de hand.
pinksterbloem, pinksterblôme, (vrouwelijk), pinksterbloem, boterbloem.
Pinksteren, Pinkster, Pinksten, Pinksteren.
pip, pip, (vrouwelijk), ziekte der tong bij vogels, bij menschen voor de griep gebruikt.
pis, pisse, (vrouwelijk), urine; de kòlde pisse, stranguria.
pissen, pissen, (zwak werkwoord), zie mîgen.
pit, pit, pitte, (mannelijk), pitten, pit.
plaag, plaoge, (vrouwelijk), plaogen, plaag.
plaat, plate, (vrouwelijk), plaat.
plaats, plaatse, (vrouwelijk), plaats.
plader, [slag], pleer, (mannelijk), slag; ’n pleer an den kòp.
plag, plakke, plagge, (vrouwelijk), plakken, plaggen, heizode, die voor bemesting wordt gebruikt.
plagen, plaogen, (zwak werkwoord), plagen.
plak, plakke, (vrouwelijk), plakken, plak, vlak.
plank, planke, (vrouwelijk), planken, plank.
planketsel, [houten afscheiding], planketting, (vrouwelijk), schutting.
planketsel, [houten afscheiding], planketsel, (onzijdig), schutting.
plant, plante, (vrouwelijk), planten, plant.
plas, plas, plesse, (mannelijk), plas.
plat, plat, (bijvoeglijk naamwoord), platte, plat.
pleeg, [gewoonte], plége, (vrouwelijk), gewoonte.
plegen, plégen, (sterk werkwoord), gewoon zijn.
plegen, [verplegen], plégen, (zwak werkwoord), verplegen.
pleien, pleien, (zwak werkwoord), met centen spelen.
pleieren, [met water morsen], pleieren, plèren, (zwak werkwoord), met water morsen.
pleister, pleester, (mannelijk), pleister.
plekkig, [bevlekt], plekkig, (bijvoeglijk naamwoord), bevlekt.
plempen, plempen, (zwak werkwoord), een water vullen met zand.
pletten, pletten, pletteren, (zwak werkwoord), plat maken, pletten, kneuzen.
pletterdoos, [ratel], pletterdöze, (vrouwelijk), ratel, fig. van eene vrouw gezegd.
pleziervolk, [logeergasten], pleziervolk, logeergasten.
plicht, plicht, (mannelijk), plichte, plicht, taak, plaag.
plichtig, plichtig, (bijvoeglijk naamwoord), verbonden tot iets; met 4en nv.: hé is mi noch völle geld plichtig.
ploeg, plôg, (mannelijk), plôge, ploeg.
ploeteren, [plassen; zich wassen], plûteren, (zwak werkwoord), plassen, zich wasschen.
plof, plof, ploffen, (mannelijk), plof.
plomp, plompe, (vrouwelijk), witte plompe, nymphaea alba; gele plompe, nuphar luteum.
plooi, plöje, (vrouwelijk), plooi.
plooien, plöjen, (zwak werkwoord), plooien.
plots, plòts, (bijwoord), plotseling.
plotsig, plodzig, (bijvoeglijk naamwoord), opgezet, dik.
pluim, plûme, (vrouwelijk), plûmen, pluim.
pluk, plok, (mannelijk), pluk, hoop.
pluk, plükke, (vrouwelijk), afval van vlas; zie spît.
plukken, plükken, (zwak werkwoord), plukken.
plunder, plonder, (mannelijk), rommel, lap, kleed.
plunder, plongerije, (vrouwelijk), rommel.
plunderkamer, [rommelkamer], plonderkamer, (vrouwelijk), rommelkamer.
plundermelk, [gestremde melk], plondermelk, (vrouwelijk), gestremde melk.
podde, podde, (vrouwelijk), podden, vuile, waterachtige plek; fig. slechte toestand; hé is in de podde, hij is aan lager wal; hé is ût de podde, hij is netjes, opgeknapt.
podderik, [viezerik], podderik, (mannelijk), vuilik.
poddetje, [kleuter], püddeken, (onzijdig), klein kleutertje.
poedel, pûdel, (mannelijk), poedel.
poeder, pujer, (vrouwelijk, onzijdig), pujers, poeder.
poel, pôl, (mannelijk), poel.
poel, pûle, (vrouwelijk), pûleken, liefje.
poer, [onderdeel van een fundering, hakblok], pûr, (mannelijk, vrouwelijk), hakblok.
poes, pûs, (onzijdig), schimmel, uitslag.
poes, pûs, (vrouwelijk), poes.
poes, [gieter], püs, (vrouwelijk), blikken gieter.
poesten, pûsten, (zwak werkwoord), blazen; i künt n(i)eet pûsten en ’t mèl in den mond holden.
poester, pûster, (mannelijk), blaaspijp.
poet, [slag], pûte, (mannelijk), slag.
poet, pûte, (vrouwelijk), in de pûte kommen, in verval geraken.
poets, potse, (vrouwelijk), pots, grap.
poetsen, pûtsen, (zwak werkwoord), poetsen.
poffer, poffert, (mannelijk), podding.
pogge, pogge, (vrouwelijk), poggen, jong varken.
pok, pòkke, pòkken, kleine puist.
pol, pòl, (mannelijk), man; o.a. in het liedje: “en òch min l(i)eeve pòlleken / en wi hebt nog gin gebrèk.”
pol, pòl, pòlle, (mannelijk), pö̀lle, pol.
pols, pols, (mannelijk), pols.
pomp, pompe, pompen, pomp.
pond, pond, (onzijdig), pond.
ponder, pünder, (mannelijk), unster.
ponderen, [wegen], pünderen, (zwak werkwoord), wegen, op gevoel wegen.
pongel, pongel, (mannelijk), bundel.
pongel, püngel, (mannelijk), bloedbeuling.
pooieman, [liefkozende naam voor een veulen], pójeman, liefkozende naam voor een veulen.
pook, [klein kind], pook, ’t is zo’n pook, ’t is een kleine jongen of meid, die ouder is dan men zou denken.
poort, poorte, (vrouwelijk), poort.
poot, paote, (vrouwelijk), jonge boom, stek.
poot, poot, (mannelijk), pöte, poot.
pootbrink, [plaats waar men bomen mag planten zonder recht op de grond], pootbrink, (mannelijk), open hoek, waarop men boomen (doch niets anders) mag planten, zonder recht op den ondergrond te hebben of te verkrijgen.
pop, poppe, poppen, pop, verkleinwoord püpken.
populier, peppel, (mannelijk), populier.
pork, pòrk, pòdderik, (mannelijk), klein kind.
porken, [porren, poken], porken, (zwak werkwoord), poken, b.v. in de kachel.
pors, pòs, (vrouwelijk), myrica gale.
post, pòst, (mannelijk), pö̀ste, hé blif bî de pö̀ste, hij gaat niet veel van huis.
postelen, [zich verzetten], pòsteleeren, (zwak werkwoord), zich verzetten, niet toegeven; hé posteleerde, hij verzette zich.
pot, pòt, (mannelijk), pö̀tte, pot.
poten, paoten, (zwak werkwoord), poten.
potje, [klein kind], pö̀tjen, (onzijdig), potje, klein kind.
praal, praol, (mannelijk), praal.
praam, praome, (vrouwelijk), praam (vaartuig).
praam, prame, (vrouwelijk), klem; werktuig op den molen, waarmee het kamrad geklemd wordt, zoodat de wieken stil staan; in de prame zitten, in de klem zitten; praam (klem op den neus van een paard), onaangenaam mensch..
praan, pranje, (vrouwelijk), mengelmoes (van spijs).
praat, praot, (vrouwelijk), präotjes praat.
prak, [kribbig persoon], pragge, (mannelijk), kribbig wezen; zie kribbe.
prak, [tol, kribbig persoon], prakke, (vrouwelijk), klein kind.
praten, praoten, (zwak werkwoord), praten.
prauwel, präowel, (mannelijk), neetoor, lichtgeraakt mensch.
preek, prèke, (vrouwelijk), prèken, preek.
preken, prèken, (zwak werkwoord), prediken.
prengel, prengel, (mannelijk), ongemakkelijk man, neetoor.
preukel, [instrument om mee te wroeten of te porren (bijv. in een pijp)], prökel, (mannelijk), porker; pîpprökel, pijpporker.
preukelen, prökelen, (zwak werkwoord), porken.
prevel, [saai persoon], prèwer, prèwel, (mannelijk), draadnagel; saaie kerel.
priester, prieester, preester, (mannelijk), pr(i)eesters, priester.
prieteren, [op details letten; afdingen], prîteren, (zwak werkwoord), op kleinigheden zien, afdingen.
prieterig, [op details lettend; zuinig], prîterig, (bijvoeglijk naamwoord), op kleinigheden ziende, zuinig.
prietje, [kleinigheid], prîtje, (onzijdig), kleinigheid; ’n prîtjen der òf halen, een kleinigheid afdingen.
prijswaardig, [de vraagprijs waard zijnde], prîsweerdig, (bijvoeglijk naamwoord), waarde naar het geld hebbende.
prijzen, prîzen, (sterk zwak werkwoord), prijzen.
prik, [jonge eik], prikke, eikenprikke, (vrouwelijk), eikenkreeft, die bij de tweede verplaatsing met den top geplant wordt.
prikkelarij, [jeuk], prikkelderije, (vrouwelijk), jeukte.
proef, prôf, (vrouwelijk), proef.
proesten, prôssen, prôsten, prûsten, (zwak werkwoord), niezen.
proester, [knorrig mens], proster, (mannelijk), pruttelaar.
proeven, prö̂ven, (zwak werkwoord), proeven.
proever, [iemand die proeft; dronkaard], prö̂ver, (mannelijk), prö̂vers, dronkaard.
pronken, pronken, (zwak werkwoord), pronken, te pronk staan.
prop, pròppe, (vrouwelijk), prop.
pruilen, prûlen, (zwak werkwoord), pruilen.
pruim, prûme, (vrouwelijk), prûmen, pruim; ’t bünt maor prûmen, het zijn maar praatjes.
pruimensnoetje, [klein gemaakte mond], prûmesnü̂̂tjen, prûmesnü̂̂tjen zetten, een mondje van pruimpjes en prismas trekken.
prut, prüt, (onzijdig), koffiedik.
pruts, [iets kleins, iets wat niet bijzonder is], prüts, (vrouwelijk), nietigheid.
pruttels, [berisping], prüttels, (meervoud), berisping.
prutter, [spreeuw], pròtter, (mannelijk), spreeuw.
puil, pü̂̂l, (mannelijk), verkleinwoord pü̂ltjen (onzijdig) zak, zakje.
puin, pü̂̂n, (onzijdig), puin.
puist, pûste, (vrouwelijk), puist.
pukkel, pokkel, bult.
pulken, pülken, (zwak werkwoord), iets zachtjes naar zich toehalen.
pummel, pümmel, (mannelijk), lummel.
pungelen, püngelen, (zwak werkwoord), arenlezen.
punt, pünte, (vrouwelijk), punt.
put, patte, mest; pattegat, aaltengat.
put, pütte, (mannelijk), pütten, put.
putbus, [staande balk waarop de putschaar rust], pütbüs, (vrouwelijk), staande balk, waarop de “pütscheere” rust.
putschaar, [dwarsbalk boven een put], pütscheere, (vrouwelijk), dwarsbalk boven den put.
raad, raod, (mannelijk), raad.
raaf, rave, (mannelijk), raven, raaf.
raakkuil, [kuil onder de haardplaat], raakkûle, (mannelijk), haardkuil (Gron. en Drenthe rakeldobbe).
raam, raam, (onzijdig), rame, raam.
raam, raom, (mannelijk), sprong, en raom nemen, een grooten sprong doen.
raap, raap, rape, alleen in koolraap, anders rö̂ve.
raap, [knol], rö̂ve, röve, (vrouwelijk), rö̂ven, raap, herfstknol.
raapschotel, [gemene vrouw], raapschö̀ttel, (vrouwelijk), straatmeid, gemeene meid.
raaskloot, raoskloot, (mannelijk), bromtol.
raat, räote, (vrouwelijk), honingraat.
rad, rad, (onzijdig), rade, rad.
rafel, rèfel, (vrouwelijk), rafel.
rag, ragge, (vrouwelijk), slecht persoon.
rakelen, rakelen, (zwak werkwoord), rakelen.
raken, raken, (zwak werkwoord), raken, treffen.
raken, réken, (zwak werkwoord), ’t vuur ’s avonds bijeen schrapen.
rakken, rakken, (zwak werkwoord), schoonmaken.
rakker, rakkert, (mannelijk), rakkerts, deugniet.
ram, ram, (mannelijk), rammen, remme, mannetjes schaap, haas.
ramen, raomen, (zwak werkwoord), (bij Lochem ook ramen), mikken.
rammelaar, rammeler, remmeler, (mannelijk), mannetjes haas of konijn.
ramp, ramp, (mannelijk), rampe, ramp.
rand, rand, (mannelijk), rande, rende, rand.
rang, rank, (mannelijk), rang.
rank, rank, (mannelijk), renke, streek, list.
rank, ranke, (vrouwelijk), ranken, rank, scheut.
rap, rap, (bijvoeglijk naamwoord), niet goed sluitend.
rapen, rapen, (zwak werkwoord), rapen.
rappel, [niet sluitend], rappel, (bijvoeglijk naamwoord), niet sluitend.
rappelen, [rammelen; kletsen], rappelen, (zwak werkwoord), rammelen.
rappen, rappen, (zwak werkwoord), rammelend geluid maken.
rapzak, rabbezak, (mannelijk), schraper.
rasp, raspe, (vrouwelijk), rasp.
rat, rö̀tte, rotte, (vrouwelijk), rö̀tten, rotten, rat.
ratel, ratel, (mannelijk), ratel.
ratelen, räotelen, (zwak werkwoord), reutelen.
ratsen, [heimelijk wegnemen], ratsen, wegkapen.
rauw, rouw, (bijvoeglijk naamwoord), rauw.
razekater, [bromtol], raozekater, (mannelijk), bromtol.
razen, raozen, (zwak werkwoord), razen.
recht, recht, (bijvoeglijk naamwoord), recht.
rechtevoort, rechtevoort, (bijwoord), eigenlijk, thans.
rechtvaardig, rechtveerdig, (bijvoeglijk naamwoord), rechtvaardig.
rechtvaardige haren, [sluik haar], rechtveerdige häore, sluike haren.
rede, rède, rèë, (vrouwelijk), rede (verstand).
redelijk, rellik, (bijvoeglijk naamwoord), zindelijk, knap, redelijk.
reden, rèden, (vrouwelijk), reden (verhouding).
reden, reeën, (zwak werkwoord), kammen.
ree, , (vrouwelijk), réë, ree (hert).
reedkamer, [kamer voor voltooide weefsels], reidekamer, (vrouwelijk), kamers, waar de wevers de stukken brengen, die gereed zijn.
reek, reek, (vrouwelijk), onkruid.
reekam, [grote kam], reidekamme, (vrouwelijk), groote kam.
reep, reepe, (vrouwelijk), reepen, reep.
reerbek, [schreeuwlelijk], rèèrbek, (mannelijk), schreeuwlelijk.
reet, réte, (vrouwelijk), scheur, reet.
regel, régel, (vrouwelijk), regel.
regen, règen, (mannelijk), regen.
rei, rei, (bijvoeglijk naamwoord), goedgeefsch, spilziek.
reigersbek, reigersbek, (mannelijk), geranium.
reik, [schommel], reik, (vrouwelijk), schommel (Gron. en Drenthe).
reiken, reiken, (zwak werkwoord), reiken.
rein, rein, (bijvoeglijk naamwoord), zuiver.
reis, reize, (vrouwelijk), reis.
rek, [hek, afrastering; stok in het kippenhok], rik, (onzijdig), rikkens, hek, afrastering, de stok in het kippenhok. De rikkens an de weide. De hônder gaot op ’t rik.
rekel, rèkel, (mannelijk), rekel, kwajongen.
rekenen, reknen, rèkenen, (zwak werkwoord), rekenen.
rekening, rèkninge, (vrouwelijk), rekening; ’k heb et wal in de rèkninge, dat er règen kommen wil, ik denk wel, dat er regen zal komen.
rekken, rekken, (zwak werkwoord), rekken.
rekwerk, [heining, leuning], rekwark, (onzijdig), heining, leuning.
reling, reiling, (vrouwelijk), reeks latten om iets achter te zetten.
rementen, rementen, (zwak werkwoord), leven maken.
remmel, [mannetjeshaas of -konijn], remle, (mannelijk), mannetjes konijn of haas.
ren, ren, (mannelijk, onzijdig), zie hônderren, kalverren.
repel, reppel, (mannelijk), werktuig om het vlas van zaad te ontdoen.
repelen, [werken met een repel, stoeien], reppelen, (zwak werkwoord), klauteren (vooral van kinderen gezegd), het vlaszaad van de plant scheiden.
reppel, reppel, (mannelijk), paal, waaraan het vee op stal gebonden is.
reren, rèren, (zwak werkwoord), schreeuwen; ook van dierengeluiden gebruikt.
reu, , (mannelijk), röen, reu.
reufkoek, [raapkoek], rövekôke, (vrouwelijk), rövekôken, raapkoeken.
reugen, [bewegen, zich druk maken], rögen, sik rögen, (zwak werkwoord), zich bewegen.
reuk, röke, (mannelijk), reuk.
reuzel, rözel, (mannelijk), reuzel.
revelen, rèfelen, (zwak werkwoord), wauwelen, doorpraten over niets, boonen enz afhalen.
rib, ribbe, (vrouwelijk), rib.
ribbenlijk, [gezet, zwaarlijvig], ribbenlîk, (bijvoeglijk naamwoord), gezet (de ribben zijn gelijkelijk met vlees bedekt).
richel, riggel, richl, (mannelijk), regel.
richel, rigge, (vrouwelijk), dwarshout.
richten, richten, (zwak werkwoord), richten, recht stellen.
richtmaal, [maaltijd na voltooiing van de bouw van een huis], richtmaol, (onzijdig), maaltijd, wanneer een in aanbouw zijnd huis in zijn vierkant staat.
ridde, [onrust], rid, (vrouwelijk), haast; de rid in ’t lîf hebben, met zenuwachtige haast te werk gaan.
riem, rieeme, reeme, (mannelijk), r(i)eemen, riem
riet, rieed, reed, (onzijdig), riet.
rij, rîge, rége, (vrouwelijk), rij; de böme staot in de rîge, de boomen staan op eene rij.
rijden, rîden, (sterk werkwoord), rijden.
rijf, rîf, (bijvoeglijk naamwoord), rîve, overvloedig, verkwistend.
rijf, rîve, (vrouwelijk), kleine rasp (bv. voor notenmuskaat).
rijk, rîke, (bijvoeglijk naamwoord), rijk.
rijk, rîke, (onzijdig), rijk, gebied.
rijp, rîpe, (bijvoeglijk naamwoord), rijp.
rijs, rîs, (onzijdig), rîse, vr. tak.
rijsjes, [stuipen], rîskes, (meervoud), krîtende rîskes, stuipen. (Doetinchem)
rijstepap, [rijst in melk gekookt], rîstepap, (vrouwelijk), rijstenbrij.
rijten, rîten, (sterk werkwoord), rijten.
rijtensplijt, rîtensplît, (mannelijk, vrouwelijk), die gauw zijn kleeren scheurt.
rijvelen, rîvelen, (zwak werkwoord), diepploegen.
rijven, rîven, (zwak werkwoord), raspen.
rijzen, rîzen, (sterk werkwoord), langzaam vallen.
rijzen, rîzen, (sterk werkwoord), rijzen.
ril, rille, (mannelijk), ril, vore.
ring, ring, rink, rînk, (mannelijk), ringe, ring (ring); hoepel ( rink, rînk).
rist, risse, rîste, (vrouwelijk), rist.
ritsig, ridzig, (bijvoeglijk naamwoord), prikkelbaar.
rochelen, ròchelen, (zwak werkwoord), rochelen.
rodden, [snijden met een bot mes], ròdden, (zwak werkwoord), snijden met een bot mens.
roede, , (vrouwelijk), roede.
roef, rôf, (mannelijk), het inwendige boven onder den nok van het dak; bedekking eener doodkist.
roeien, rö̂jen, (zwak werkwoord), roeien.
roek, rôke, (mannelijk), rôken, corvus frugilegus, mantelkraai.
roekeloos, rökeloos, (bijvoeglijk naamwoord), onnadenkend, onbesuisd, roekeloos.
roem, rôm, (mannelijk), roem.
roemen, rö̂men, (zwak werkwoord), roemen.
roemer, römer, (mannelijk), roemer, drinkglas.
roepen, rôpen, (sterk werkwoord), roepen.
roer, rôr, rö̂re, (onzijdig), roer, pijproer, rietstengel.
roerdomp, roosdom, (mannelijk), roerdomp.
roeren, rö̂ren, (zwak werkwoord), roeren.
roes, rûs, (vrouwelijk), in de rûze, door elkaar, z. rûze.
roes, rûze, (vrouwelijk), bui, koude rilling: de kòlde rûze trek mij aover de hûd hen.
roest, rûst, (vrouwelijk, onzijdig), roest.
roesterig, [met roest bedekt, vlekkerig], rûsterig, (bijvoeglijk naamwoord), vlekkerig.
roet, rôt, (onzijdig), roet.
roezen, [schatten, gokken], rûzen, (zwak werkwoord), ramen; za’k es rûzen wô òld ij bünt, zal ik eens ramen hoe oud gij zijt.
rogge, rògge, (vrouwelijk), rogge.
roggenstoet, [roggebrood], ròggenstoete, (vrouwelijk), ròggenstoeten, roggenbrood van ’t fijnste meel.
rok, ròk, (mannelijk), rö̀kke, rok.
rol, rolle, (vrouwelijk), rollen, rol.
rolpatroon, [patroon voor het maken van rolpens, niet bestaand iets], rollepatroon, (onzijdig), eenen ûtzenden om ’t rollepatroon te halen; in den slachttijd werd dikwijls iemand, die hiermede onbekend was en dien men voor den gek wilde houden, uitgezonden naar de buren om het patroon te vragen, dat voor het maken der rolpensen noodig was. De eene buur zond hem of haar dan naar den ander, totdat eindelijk een goedige iemand hem mededeelde dat het niet bestond en niet noodig was.
rond, rond, (bijvoeglijk naamwoord), rond.
rondom, rondümme, (vrouwelijk), groot rond wittebrood.
rondsel, ronsel, rünsel, (vrouwelijk, onzijdig), rad dat rondgedraaid wordt.
rong, ronge, (vrouwelijk), rongen, rong, hout aan den boerenwagen, waartegen de zijkanten rusten.
ronken, ronken, (zwak werkwoord), ronken.
ronselig, [pokdalig], rünselig, (bijvoeglijk naamwoord), pokdalig.
rood, roo, (onzijdig), het roo, de eierdooier, d.i. het roode.
rood, rood, (bijvoeglijk naamwoord), rooë, rood.
roodborst, roodbòrstjen, roodbòstjen, (onzijdig), luscine rubicula.
roodolm, [grondsoort met veel ijzeroxyde], roodòlm, (mannelijk), roode kleur van den grond, die zich aan het er door stroomende water meedeelt.
roodstaartje, [zangvogel], roodstartjen, roodstatje, (onzijdig), luscinia thytis.
roof, roof, (onzijdig?), 1200 slagen garen van de haspel.
roof, roof, (mannelijk), roof.
roof, róve, raove, (vrouwelijk), róven, raoven, roof, korst.
rooi, rooi, rooi holden , de goede richting houden.
rooien, róën, (zwak werkwoord), rooien, wieden, delven.
rook, rook, (mannelijk), röke, rook.
room, room, (mannelijk), room.
roos, rooze, (vrouwelijk), roos (bloem); koorts, ontsteking.
roppen, ròppen, röpen, (zwak werkwoord), vogels plukken ( ròppen ); aftrekken; de bla van de böme röpen, de bladen van de boomen trekken.
rot, ròt, (bijvoeglijk naamwoord), rot.
rot, ròt, (onzijdig), rotte, afdeeling, wijk.
roten, röten, (zwak werkwoord), vlas laten rotten voor het braken. Door bijgeloovigen wordt hierbij een gesmeerde boterham gelegd, ten einde den duivel goed te stemmen, zoodat hij het vlas niet bederft.
rotmeester, [wijkmeester], ròtmeister, (mannelijk), wijkmeester.
rouw, rouwe, (vrouwelijk), rouw, zorg.
roven, rooven, (zwak werkwoord), rooven.
ruddetje, [klein persoon], rüddeken, (onzijdig), kleine kerel.
rug, rügge, (mannelijk), rüggen, rug.
ruien, rü̂̂en, (zwak werkwoord), opruien, aanstoken.
ruif, röpe, (vrouwelijk), ruif.
ruig, rûg, (bijvoeglijk naamwoord), ruig.
ruigijzel, [ijzel], rûgisel, (mannelijk), ijzel.
ruigijzel, ruwisel, (mannelijk), ijzel.
ruiken, rûke, rü̂̂ken, (sterk werkwoord), ruiken, rieken.
ruil, [schommel], ruile, (vrouwelijk), schommel.
ruim, rûm, (bijvoeglijk naamwoord), ruim.
ruimen, rü̂̂men, (zwak werkwoord), ruimen.
ruin, rûn, (mannelijk), gesneden hengst.
ruinen, rü̂̂nen, (zwak werkwoord), geheime samenspreking houden.
ruisterig, [onguur], rüsterig, (bijvoeglijk naamwoord), guur.
ruit, rût, rü̂̂t, (onzijdig), onkruid.
ruit, rûte, (vrouwelijk), ruit, vensterglas.
ruit, rü̂̂t, (onzijdig), schurft.
ruit, rü̂̂te, (vrouwelijk), schurft.
ruiter, rü̂̂ter, (mannelijk), ruiter.
ruitwagen, rûtwagen, (mannelijk), vierkant vischnet.
ruizig, rûzeg, (bijvoeglijk naamwoord), wild.
rups, rûpe, (vrouwelijk), rûpen, rups.
rust, rüste, (vrouwelijk), rust.
Ruurlo, [plaats in Gelderland], Rö̂rl, plaatsnaam Ruurlo.
ruw, ruw, ru, (bijvoeglijk naamwoord), ruw.
ruwbolt, ruwbolt, rubol, (mannelijk), equisetum. Deze plant groeit met de wortels diep in de wel, vandaar het sprookje dat aan de wortels een gouden ring te vinden is; onkruid.
saai, saoje, (vrouwelijk, onzijdig), saai, wollen stof.
sabbelen, sabben, (zwak werkwoord), kwijlen.
sabel, sabel, (mannelijk), sabels, sabel.
salie, zelve, (vrouwelijk), salie.
salie, selve, (vrouwelijk), salie.
samen, samt, zamen, (bijwoord), zamen, samen.
sangen, [paars], sang, (bijvoeglijk naamwoord), sangen, paars; en sangen jak.
schaaf, schave, (vrouwelijk), schaaf.
schaal, schaole, wègschaole, schale, (vrouwelijk), schalen, schäoltjen, schaal.
schaamte, schame, (vrouwelijk), schaamte.
schaap, schaop, (onzijdig), schäope, schaap.
schaapsschop, schaopsschö̀ppe, (vrouwelijk), schaapskooi.
schaar, schére, (vrouwelijk), schaar.
schaarde, schäorde, schäore, (mannelijk), schäorden, schäoren, scherf.
schaats, schövel, (mannelijk), schaats. “’t is is glad, zèj Harmen tègen Bartelt, / As ij geen scharpe schövels hebt, / Dan ròl ij dat ij spartelt.”
schaatsen, schaatsen, schaatsens, skövels, schaatsenloopen, schaatsenrunnen (Overijssel), schaatsen rijden.
schacht, schaft, zie vîfschaft.
schade, scha, (vrouwelijk), schade.
schaduw, schaë, schawe, (vrouwelijk), schaduw.
schaf, [iets van geringe waarde], schaf, gin schaf, niets; he’j ok eerpels, gin schaf.
schalk, schalk, (mannelijk), lat, welke onder aan de sporen van het huis wordt gespijkerd om de pannen lager te hangen.
schalm, schalm, (mannelijk), kettingring.
schamen, schamen, sik, (zwak werkwoord), zich schamen.
schampen, schampen, (intransitief, zwak werkwoord), overslaan
schap, schap, (onzijdig), vak, afdeeling in een kast; appelschap.
schaper, [schaapherder], schéper, (mannelijk), schaapherder; an schéperszîde is ter rechterzijde, dewijl de schéper rechts van de kudde loopt.
scharde, [stuk heidegrond dat gebrand wordt], scharde, (vrouwelijk), scharden, stuk heigrond, dat gebrand wordt.
schavelen, schavîlen, (zwak werkwoord), iets langzaam voortbewegen, ook ruimbaan maken.
schede, scheide, scheede, schee, (vrouwelijk), scheede.
scheef, scheef, (bijvoeglijk naamwoord), scheeve, scheef.
scheef, schéven, (vrouwelijk), afval van vlas, bast van ’t vlas.
scheef, schif, (onzijdig), afval van vlas.
scheel, schèèl, (bijvoeglijk naamwoord, schèle, scheel.
scheen, schenne, (vrouwelijk), scheen; stuk ijzer, waarom het rad van den boerenwagen draait.
scheerling, scheerlink, (mannelijk), conium maculatum of dolle kervel.
scheid, [grens], scheide, (vrouwelijk), grens; aover de scheide, over de grens.
scheiden, scheiden, scheeden, (sterk werkwoord), scheiden.
schelen, schèlen, verschèlen, (zwak werkwoord), schelen.
schelharst, [varkensrib], schelharst, (mannelijk), varkensrib.
schelling, schilling, schelling, (mannelijk), zes stuiver.
schemer, schemmer, (onzijdig), schemer.
schenden, schennen, (zwak werkwoord), schande aandoen.
schenk, [ham], schînke, schinke, (mannelijk), ham
schenk, schinke, (mannelijk), hout, waarop het ijzer bevestigd is, om hetwelk het rad draait; vgl. schînke.
schepel, schèpel, (onzijdig), schepel.
scheppen, scheppen, (sterk werkwoord), scheppen.
schepper, [iemand die schept; opzichter], schepper, (mannelijk), opzichter bij een werk.
scheren, schèren, (sterk werkwoord), scheren.
scherp, schârp, scharp, (bijvoeglijk naamwoord), scherp. Voor het stekelvarken wordt ook gezegd scharpen ase (d.i. scherpe haas); fel, lastig; ’n schârpen hond, een bijterige hond; schârp op (i)eets wèzen, fel zijn op iets.
scheuken, schuiken, (zwak werkwoord), zich jeuken; de schòrft hef mot schuiken, de schüld hef mot schuiken, die de schoen past trekt hem aan.
scheur, schöre, (vrouwelijk), scheur.
scheut, schöte, (vrouwelijk), scheut.
schichtig, schichtig, (bijvoeglijk naamwoord), schuchter, bang.
schier, schîr, (bijvoeglijk naamwoord), netjes, wit; schîre rogge (vrij van onkruid).
schier, schîr, (bijwoord), vlug, terstond.
schierei, [onbevrucht ei], schîrei, (onzijdig), vuil ei, doch niet verbroed.
schieren, schieeren, scheeren, 1)’t vü̂r insch(i)eeren, inrekenen; 2) eier sch(i)eeren, de verbroede eiers uitzoeken.
schierzwaluw, schîrzwaalver, (vrouwelijk), hirundo ripuaria, oeverzwaluw, deze is van onderen wit; of hirundo domestica. De naam wordt gegeven in tegenstelling met de hirundo urbica, huiszwaluw.
schieuw, [vogelverschrikker], schiw, schu, (onzijdig), vogelerschrikker.
schijnen, schînen, (sterk werkwoord), schijnen.
schijnvat, [lantaarn], schînvat, (onzijdig), lantaarn.
schijten, schîten, (sterk werkwoord), schijten.
schijterig, [aan de diarree zijnd; bang], schetterig, (bijvoeglijk naamwoord), van een paard of koe, die aan buikloop lijdt.
schijthak, schîthakke, (vrouwelijk), schîthakken, hiel van de achterpooten eener koe.
schijtpol, schîtpòl, (mannelijk), graspol in eene weide.
schik, schik, (mannelijk), genoegen; schik hebben, goede vorm, fatsoen; met schik kan ’t n(i)eet wal anders.
schikken, schikken, (zwak werkwoord), zenden; (i)eemand bod schikken, een boodschap zenden.
schil, schelle, (vrouwelijk), schil.
schillen, schellen, (zwak werkwoord), schillen.
schim, schemme, (vrouwelijk), schaduw.
schim, schimme, (mannelijk), schimmen, schim, schaduw.
schimmel, schimmel, schemel, (mannelijk, onzijdig), schimmel.
schimmen, [spel waarbij men probeert op de schaduw van een ander te gaan staan], scheme, spel, waarbij men trachten moet op de schaduw van een ander te treden.
schimmetjetreden, [spel waarbij men probeert op de schaduw van een ander te gaan staan], schemken trèn, zie scheme.
schin, schin, (vrouwelijk), stof, van de huid.
schinderhannes, [knecht van een vilder], schinnerhannes, (mannelijk), vildersknecht.
schinnen, [villen, huid afstoten], schinnen, (zwak werkwoord), de huid er af doen of afstooten.
schip, schip, (onzijdig), schépe, schip.
schob, schö̀ppe, (vrouwelijk), schuurtje.
schobben, [aren lezen], schobben, aren lezen.
schobben, schobben, (reflexief, zwak werkwoord), zik schobben, zich schuren.
schoen, schô, (mannelijk), schôë, schone, schoen.
schoer, schûr, (onzijdig), bui; donderschûr, règenschûr, windschûr.
schoffel, schóvel, (mannelijk), zaadschepper.
schoffel, schûfel, (vrouwelijk), graanschoffel, werktuig om uitgedorscht graan of peulvruchten van den dorsvloer op te nemen.
schok, schòk, (mannelijk), schòkke, schokke.
schok, schòk, (onzijdig), zestigtal.
schol, schol, (vrouwelijk), schol (visch).
schol, schòl, school, (bijvoeglijk naamwoord), ondiep (Dev. school).
schol, schòlle, (vrouwelijk), schòllen, graszode, ijsschol.
scholtenboer, [voorname boer], scholtenboer, (mannelijk), boer, aan wiens plaats verbonden was de verplichting van een kleine rechtspraak uit te oefenen, thans: voorname boer.
schoof, schoof, (mannelijk), schoove, schöve, schoof.
school, schoole, (vrouwelijk), school.
schoon, schoone, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), comparatief schoonder, schoon; volkomen, geheel; ’k bün der schoone met verlègen.
schoorsteen, schoorsteen, schoosteen, (mannelijk), schoorsteen.
schoorsteen, schòrnsteene, (vrouwelijk), schoorsteen.
schoot, schoot, (mannelijk), schoot.
schop, schüppe, (vrouwelijk), schüppen, schop, spade.
schoppen, schüppen, (zwak werkwoord), schoppen, een schop geven.
schoppendag, [dag van slecht weer], schö̀ppendag, (mannelijk), (Grolle) dag van ruw of buiig weer, waarop de boer in de schö̀ppe zit om zijn gereedschap te herstellen, daar hij buiten niet werken kan.
schopspaan, schüpspaon, op den schüpspaon (op schüpstôl) zitten, in onzekerheid zijn.
schors, schòrse, schòse, (vrouwelijk), eikebast.
schort, schòrte, schòte,schorteldoek, schoteldoek, boezelaar.
schot, schòt, (onzijdig), schöten, schot (van schieten).
schot, schòt, (onzijdig), schöte, schot.
schot, schòt, (onzijdig), schòtten, schö̀tte, schut, hok.
schotel, schö̀ttel, (mannelijk, vrouwelijk), schotel.
schotelmaal, [feest voor de buurt], schö̀ttelmaol, (onzijdig), buurtmaal, een feest dat gegeven wordt door den boer, die in de buurt komt wonen en waarop ieder der genoodigden hem een of ander geschenk meebrengt.
schots, schòtse, (vrouwelijk), schòtsen, schots.
schouder, scholder, (mannelijk), schouder.
schout, scholte, titel voor een boer; bv. scholte Hissink.
schouw, schouwe, (vrouwelijk), schouw.
schra, [overdwars], schrao, (bijwoord), overdwars.
schra, [gebraden stukjes vet], schraon, (meervoud), gebraden stukjes vet, die in het eten gebruikt worden.
schraag, schragen, (mannelijk), stelling, stut.
schraal, schraol, (bijvoeglijk naamwoord), schraal.
schraden, [wegnemen; schoonmaken (van water)], schraon, (zwak werkwoord), stelen, wegnemen, schoonmaken (van beken en vijvers gezegd); de beke schraon, de beek schoonmaken; vgl. schròën.
schram, schram, (onzijdig), varken.
schrammen, schrammen, (zwak werkwoord), schuren, schaven.
schrede, schré, (vrouwelijk), schrèn, schrede.
schreef, schreeve, (vrouwelijk), schreef.
schreeuwen, schreeuwen, schraw, eschrien, eschreeuwd, schreeuwen.
schreur, schrör, (mannelijk), kleermaker, snijder.
schreursgat, [splitgat], schrörsgat, (onzijdig), splitgat.
schrift, schrift, (vrouwelijk), schrift.
schrijven, schrîven, (sterk werkwoord), schrijven; en schrîvens, een geschreven stuk.
schrik, [ontsteltenis], schrik, (mannelijk), schrik.
schrikken, schrikken, (sterk werkwoord, zwak werkwoord)
schrimpelen, [schroeien], schrimpelen, (zwak werkwoord), schroeien.
schrips, schrips, (mannelijk), klein, onaanzienlijk man.
schrobben, schrobben, (zwak werkwoord), schrobben.
schroef, schrûve, (vrouwelijk), schroef.
schroeien, schrö̂jen, (zwak werkwoord), schroeien.
schroet, schrûte, (vrouwelijk), wilde schrûten, kraanvogels, trekvogels (weinig meer in gebruik).
schroeven, schrûfen, (zwak werkwoord), benauwd hoesten.
schrol, [kuur, grol], schròl, (mannelijk), kuur, gril, dwaze inval.
schrooi-ijzer, schraoîzer, schròìzer, (onzijdig), ijzer om den bast van boomen mede af te krabben om er een cijfer op te kunnen zetten.
schrooien, [snoeien, afschuren], schròën, (zwak werkwoord), afsnijden, gras en onkruid wegnemen, schoonmaken, vgl. schraon.
schrooier, [beitel gebruikt door smeden], schrör, wigvormig ijzer, dat de smeden gebruiken om ijzeren staven door te slaan.
schrot, schròt, klein goed.
schub, schübbe, (vrouwelijk), schübben, schub (van vissen).
schuchter, schüchter, (bijvoeglijk naamwoord), schuchter.
schudden, schüdden, (zwak werkwoord), schudden.
schuif, [sluiting of afscheiding], schûve, (vrouwelijk), schuif.
schuifkar, schûvekaore, (vrouwelijk), kruiwagen.
schuiker, schuikert, (mannelijk), scheldnaam, beroerde slungel.
schuil, [beschutting], schûle, (vrouwelijk), in de schûle staan, beschut staan.
schuilen, schûlen, (zwak werkwoord), schuilen.
schuim, schûm, (vrouwelijk, onzijdig), schuim.
schuimen, [schuim vormen, roven, stelen], schûmen, (zwak werkwoord), schuimen.
schuit, schü̂̂te, (vrouwelijk), schü̂ten, schuit.
schuiven, schûven, (sterk werkwoord), schuiven.
schuld, schüld, (vrouwelijk), schülde, schuld.
schunnen, [aanhitsen], schünnen, (zwak werkwoord), aanhitsen.
schunnig, schünnig, (bijvoeglijk naamwoord), armoedig, haveloos.
schuren, schûren, (zwak werkwoord), schuren.
schurft, schòrft, (vrouwelijk), schurft.
schurk, schö̀rk, (mannelijk), schö̀rke, schurk.
schutschot, [omheinde plaats voor vee], schütschòt, (onzijdig), omheinde plaats, waar het in de mark geschütte (opgevangen) vee gebracht werd.
schutter, schö̂tter, opzichter in de marke; boschschö̂tter, zandschö̂tter (voor de jacht); weideschö̂tter (voor het vee).
schuur, schûr, (mannelijk, onzijdig), beschutting, zie îmenschûr.
schuur, schü̂̂re, (vrouwelijk), schü̂ren, schuur.
schuw, schee, (bijvoeglijk naamwoord), schuw, meest van paarden, zie kopschee, scheelappen.
schuwlap, [oogklep], schee-lap, (vrouwelijk), oogklep.
secuur, sekûr, (bijwoord), zeker.
seddetje, [dwaas], seddeken, (mannelijk), kwast, dwaas.
siepel, sipel, (vrouwelijk), sipel, ui.
sijpelen, sîpelen, (zwak werkwoord), sypelen.
sijsje, sîsken, (onzijdig), sijsje.
sik, sikke, (vrouwelijk), geit.
sikkeneurig, sikkenörig, (bijvoeglijk naamwoord), vitziek.
sinds, sinds, (bijwoord), sedert.
sint-juttemis, st. jüdtenmisse, (vrouwelijk), St. Judith. Op St. jüdtenmisse as de kalver op ’t îs danst, iets ad kalendas graecas verschuiven.
Sint-Pieter, [22 februari (naamdag van de apostel Petrus)], Péter, St, 22 Febr. ümme Sünte Péter kümp de pachte lö̀s, 22 Febr. eindigt het pachtjaar.
sirrel, [lichtgeraakt], tirrel, tirrelig, (bijvoeglijk naamwoord), licht geraakt.
sjapsen, [plezier hebben], sjapsen, (zwak werkwoord), plezier maken.
sjoecht, [troep], sjûcht, (vrouwelijk), troep.
sjokken, sjoksen, (zwak werkwoord), schokkend voortgaan.
slaan, slaon, (sterk werkwoord), slaan.
slaap, slaop, (mannelijk), släope, slaap (de zijde van ’t voorhoofd), slaap (rust).
slab, slabbe, (vrouwelijk), servet, tafellaken, voorspelddoekje van een kind.
slabben, slabben, beslabben, (zwak werkwoord), bemorsen.
slacht, [soort], slachte, (vrouwelijk), slacht, soort.
slacht, [palissade, molendam], slacht, (vrouwelijk, onzijdig), paalwerk, molendam; zie slag.
slag, slag, (mannelijk), slége, slag, hoefslag, wagenspoor.
slag, [deel van een molendam], slag, (onzijdig), de sperplanken in een molendam (zie slacht).
slag, [perceel, deel van een akker], slag, slége, (mannelijk), afdeeling van een akker.
slaghout, [deel van een molendam], slagholt, (onzijdig), slaghö̀lter, sperplank in den molendam.
slak, slak, (bijvoeglijk naamwoord), lui, traag.
slak, slekke, (vrouwelijk), slak.
slakkendoppen, [slakkenhuizen], slekkedö̀ppe, (mannelijk), mv. slakkenhuisjes; zie sniggenhü̂̂sken.
slang, slange, (vrouwelijk), slang.
slangenkruid, slangenkrü̂d, (onzijdig), echium vulgare.
slank, slank, (bijvoeglijk naamwoord), dun, buigzaam.
slap, slap, (bijvoeglijk naamwoord), slap.
slapen, slaopen, (sterk werkwoord), slapen.
slat, slat, (onzijdig), broekband.
slat, slat, (mannelijk?), groote waterplas in de heide.
slateren, slateren, (zwak werkwoord), morsen met water of soep; zik beslateren, zich bemorsen.
slaterkont, [iemand die morst], slaterkont, slaterbasse, (vrouwelijk), morsebel.
slauw, [luw], slauw, (bijvoeglijk naamwoord), luw.
slecht, slecht, (bijvoeglijk naamwoord), ziek; slechte beene, open beenen.
slecht, slechte, slechtweg, (bijwoord), eenvoudig.
slee, slee, (vrouwelijk), sleën, slede.
sleedoorn, sleedoorn, (mannelijk), prunus silvestris, ook sleebes genoemd.
sleef, sleef, (mannelijk), houten lepel.
sleep, [werktuig of kledingstuk dat over de grond gesleept wordt], slep, slépe, (mannelijk), slepe, sleep (het gesleepte) naoslep; sleep van een kleed, zie slépe, vrouwelijk.
sleep, [werktuig of kledingstuk dat over de grond gesleept wordt], slepe, slèpe, (vrouwelijk), sleep, werktuig, dat gesleept wordt om molshopen gelijk te maken, sneeuw te ruimen enz.
sleets, sleets, (bijvoeglijk naamwoord), snel zijn goed verslijtend.
sleeuw, slee, (bijvoeglijk naamwoord), stomp (van een mes, van de tanden en van een doorn gezegd).
slegel, slégel, arm van een pomp.
slepen, sleppen, (zwak werkwoord), slepen.
sleuren, slören, (zwak werkwoord), verwaarloozen.
sleuren, slûren, (zwak werkwoord), slepen.
sleutel, slö̀ttel, (mannelijk), slö̀ttele, sleutel.
sleutelbloem, slö̀ttelblôme, (vrouwelijk), sleutelbloem, primula elatior.
slieren, slîren, glijden; hi lö̀t den bôl slîren, hij beheert zijn goed slecht.
sliert, slîrt, (mannelijk), slîrte, rij; daor kümp en heelen slîrt an; ze bünt daor met heele slîrte an ’t rîjen.
sliet, slieete, sleete, (vrouwelijk), sl(i)eeten, ribbe, balk, hout voor afsluiting geschikt.
slijk, slik, (onzijdig), slijk.
slijm, slîm, (onzijdig), slijm.
slijpen, slîpen, (sterk werkwoord), slijpen.
slijten, slîten, (sterk werkwoord), slijten.
slim, slim, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), sluw; erg, zeer; slim z(i)eek.
slingeren, slingeren, (zwak werkwoord), slingeren.
slinken, slinken, (sterk werkwoord), slinken.
slip, slippe, (mannelijk, vrouwelijk), slippen, slip (van een kleedingstuk).
slodderig, slòdderig, (bijvoeglijk naamwoord), slordig.
sloerig, [mat, laks], slûrig, (bijvoeglijk naamwoord), mat; he zö̀t zoo slûrig ût de oogen.
slof, slof, (bijvoeglijk naamwoord), slof weer, half mistig half regenachtig weer.
slofhak, [iemand die nalatig is; onkruid dat tussen rogge groeit], slofhakke, (onzijdig), onkruid op den roggenakker.
slok, slok, klok, klokke, (mannelijk), slokken, slükke, slok; dat schèlt ’n klok op ’n bòrrel, dat valt heel wat mee.
slok, slòk, (bijvoeglijk naamwoord), slap, los; de hòzebende zit üm slòk.
slokken, slûken, (zwak werkwoord), slikken.
slokrepen, [slabakken], slòkreepen, (zwak werkwoord), (met losse reepen rijden) slabakken.
slomp, slomp, (mannelijk), groote hoeveelheid.
slonde, slonde, (vrouwelijk), groote schort van grof goed.
sloof, slóve, (vrouwelijk), sloof.
sloop, sloop, (vrouwelijk), slope, sloop.
sloor, slóre, (vrouwelijk), slons.
sloot, sloot, (vrouwelijk), slöte, sloot.
slot, slòt, slö̀t, (onzijdig), slö̀tte, slot; zie beslö̀t.
sloven, slóven, (zwak werkwoord), moeite doen. beslö̀t
sluipen, slûpen, slü̂̂pen, (sterk werkwoord), sluipen.
sluis, slûze, slü̂̂s, (vrouwelijk), sluis.
sluiten, slûten, slü̂̂ten, (sterk werkwoord), sluiten
smaad, smaad, (mannelijk), smaad.
smaak, smaak, (mannelijk), smaak.
smak, smak, (mannelijk), smakke, slag.
smak, smakke, (vrouwelijk), ijzeren schop naar den steel omgebogen.
smakken, smakken, (zwak werkwoord), werpen, slaan.
smakken, smekken, (zwak werkwoord), smakken.
smakkerd, [slecht persoon; iem. die smakt; plof], smakkert, (mannelijk), gemeene kerel.
smal, smal, (bijvoeglijk naamwoord), smale, smalle, smal, dun.
smalen, smèlen, (zwak werkwoord), smalen.
smart, smarte, (vrouwelijk), smarten, smart.
smeden, sméën, (zwak werkwoord), smeden.
smeer, smèr, (onzijdig), smeer.
smeet, smedde, (vrouwelijk), smeet; en smedde wegs, een steenworp ver, een eind weegs.
smeken, smeekelen, (zwak werkwoord), smeeken.
smelten, smelten, (sterk werkwoord), smelten.
smeren, smèren, (zwak werkwoord), smeren.
smet, smet, (mannelijk), smette, smet.
smet, smitte, (vrouwelijk), smet.
smetten, smitten, (zwak werkwoord), smetten, vuil maken.
smeu, smöj, smö, (bijvoeglijk naamwoord), buigzaam, week, zacht.
smeugel, smögel, (mannelijk), oolijkert, bedrieger.
smeugeltje, smögeltjen, (onzijdig), kort pijpje.
smid, smid, (mannelijk), smids, sméën, smid.
smidse, [smederij], smidse, (vrouwelijk), smederij.
smiecht, smîgt, smiegt, (mannelijk), bedrieger (vgl. smûgen).
smiesterd, [viezerik, gemeen persoon], smîstert, (mannelijk), gemeene vent.
smijten, smîten, (sterk werkwoord), werpen.
smodde, smodde, (vrouwelijk), keteltje om koffie in te koken, eigenlijk een soort blikken beker met langen steel.
smoel, smûle, smûl, (mannelijk), mond.
smoezeltje, [grap, praatje], smü̂zeltjes, (meervoud), laffe grappen.
smok, smok, smüksken, (mannelijk), kus.
smoken, smooken, (intransitief, zwak werkwoord), rooken.
smoken, smöken, (zwak werkwoord), dampen, rooken.
smokerig, [rokerig], smökerig, (bijvoeglijk naamwoord), rookerig.
smook, smook, (mannelijk), rook.
smoor, [koffiekan], smóre, (vrouwelijk), tinnen koffiekan met tuit.
smoren, smören, (zwak werkwoord), smoren, gaar maken zonder lucht er bij te laten.
smos, [vroeger], smos, (bijwoord), (Westfaalsch smaos uit ’s maols?) vroeger.
smotsig, [vuil], smotsig, (bijvoeglijk naamwoord), vuil.
smuigen, smûgen, (sterk werkwoord), iets ter sluik doen, oneerlijk handelen; zwijgend bedenken. 2e pers. ij smîgt (smiegt) (de andere personen komen zelden voor; de eerste nooit) gij doet oneerlijk. Wat zit ij daor te smûgen, wat zit gij daar zwijgend.
smuigerd, smuigert, (mannelijk), bedrieger.
smuisteren, [mompelen, fluisteren], smü̂̂steren, smünsteren, (zwak werkwoord), fluisteren.
snaai, [voordeel], snaai, (mannelijk), voordeel; en gôjen snaai maken.
snaar, [schoonzus], snaarske, (vrouwelijk), zwagersvrouw.
snakken, snakken, (zwak werkwoord), praten.
snater, [snavel], snater, (mannelijk), snavel.
snavel, snavel, (mannelijk), snavel.
sneb, snebbe, (vrouwelijk), snavel.
snede, snee, (vrouwelijk), snede, een snee in ’t oor hebben, dronken zijn.
snedig, snége, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), vlug bij de hand.
snees, snéze, (vrouwelijk), stok waar vleesch in de w(i)eeme aan hangt; zöven is en snéze volle.
sneeuw, snee, (vrouwelijk), sneeuw.
sneeuwen, [vallen van sneeuw], snijen, (zwak werkwoord), sneeuwen.
sneeuwklokje, sneeklö̀kjen, (onzijdig), galanthus nivalis.
sneu, snö, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), snood, bekaaid, spijtig, hij kümper snö af; hij kik snö.
snibbig, snibbig, (bijvoeglijk naamwoord), snibbig.
snig, snigge, (mannelijk, vrouwelijk), slak.
snijden, snîën, (sterk werkwoord), snijden.
snijder, snîjer, (mannelijk), kleermaker.
snik, snok, (mannelijk), hik.
snip, [witte plek], snip, (vrouwelijk), kleine witte plek op den kop van eene koe.
snip, snippe, (vrouwelijk), snip.
snit, snit, (onzijdig), snit.
snoeien, snö̂jen, (zwak werkwoord), snoeien, hout stelen.
snoek, snôk, (mannelijk), snö̂ke, snoek.
snoer, snôr, (mannelijk, onzijdig), snoer.
snor, snòrre, (vrouwelijk), knevel.
snorken, snòrken, (zwak werkwoord), snorken.
snot, snòt, snòtter, (onzijdig), snot.
snotterbes, [plant uit de taxusfamilie], snòtterbèze, (vrouwelijk), snòtterbèzen, taxus baccata.
snotteren, [huilen], snòtteren, (zwak werkwoord), huilen.
snuit, snût, (mannelijk), snuit.
snuiten, snü̂̂ten, (sterk werkwoord), snuiten.
snuiven, snûven, (sterk werkwoord), snuiven.
sobben, sobben, sòppen, (zwak werkwoord), morsen.
soep, zûpen, (onzijdig), soep, room, melkspijs enz. ; dik zûpen, dikke melk, het zûpen vör de köne.
soepel, söpel, (bijvoeglijk naamwoord), gevoelig: söple vö̂te; flauwachtig, bv. als men zich erg gestooten of geklemd heeft, ’k bün der gans söpel van.
sok, sòkke, (mannelijk, vrouwelijk), sòkken, sok.
sop, sòp, (vrouwelijk), sap.
soppen, sòppen, (zwak werkwoord), de koeien nat voeder geven.
spaan, spaon, (mannelijk), späone, spaan.
spalterbras, [wildebras], spalterbrasse, (vrouwelijk), wildebras.
spalteren, spalteren, (zwak werkwoord), krimpen en slaan van pijn (van dieren).
span, span, (onzijdig), span, tweetal.
spanriem, [riem waarmee een te bewerken voorwerp wordt vastgezet], spanrieem, spanreem, (mannelijk), spanriem.
spar, sparre, spaore, (vrouwelijk), balk, lat, spar; daksparre; spaore (Overijs. Heino) spar, dakspar.
sparen, sparen, (zwak werkwoord), sparen.
spat, spat, (mannelijk), spatte, spat (van een paard).
spatje, [borrel], spatjen, (onzijdig), borrel.
specht, spechte, (mannelijk), specht.
spee, [ongewenst zichtbaar, te kijk], spee, (bijwoord), te kijk; ij zit daor zoo spee, gij zit daar zoo te kijk.
speek, speeke, (vrouwelijk), speeken, speek
speelman, [reizend muzikant], spö̀lman, (mannelijk), muzikant.
spek, spek, (onzijdig), spek
spekharst, [stuk spek in een pannenkoek], spekhas, (mannelijk), (z. schelharst), stuk spek in den pannekoek.
spel, spö̀l, spül, (onzijdig), spölle, spüllen, spel.
speld, spelde, (vrouwelijk), speld.
speldengeld, spilgeld, (onzijdig), speldegeld.
spelen, spö̀len, (zwak werkwoord), spelen.
spiegel, spégel, (mannelijk), spiegel.
spier, spîr, spîre, (mannelijk), spriet.
spieren, spîren, zie bespîren.
spijker, spîker, (mannelijk, onzijdig), heerenhuis, schuur, bergplaats van gereedschap of koren.
spijkermaat, [oude maat], spîkermaot, (vrouwelijk), een oude maat.
spijl, spîl, (mannelijk), spijl; zie spîle.
spijl, spîle, (vrouwelijk), spîlen, spijl, lat. de spîlen het latwerk tegen de balken, om iets in te hangen.
spijt, spît, (mannelijk), spijt.
spijt, spît, (onzijdig), uitgehekeld vlas, werk, minder soort, ook plukke genaamd; zie heet en sterthakke.
spik, spîk, (onzijdig), brugje van balken en bossen, met plaggen bedekt, zonder leuning.
spik, spikke, (vrouwelijk?), brugje.
spil, spille, (vrouwelijk), spil.
spilpenning, [geld voor consumpties op reis; speldengeld], spillepennink, (mannelijk), speldegeld.
spin, spin, (onzijdig), aan het hout, alburnum.
spin, spinne, (vrouwelijk), spin.
spinavond, [avond waarop jonge vrouwen bij elkaar komen om te spinnen], spinaovend, (mannelijk), avond, waarop de meiden bij elkaar komen om te spinnen.
spinde, spinde, (vrouwelijk), etenskast.
spinjacht, [spinmaal], spinnejacht, spinnejach, (onzijdig), zie spinmaol.
spinmaal, [bijeenkomst van jonge vrouwen om te spinnen, waar ook jongemannen langskomen], spinmaol, (mannelijk), maaltijd in de spinweek, aan de meisjes en vrijers gegeven door den boer; ook gespin genaamd.
spinnen, spinnen, (sterk werkwoord), spinnen.
spinnenkoppenjager, [ragebol], spinnekòppenjager, (mannelijk), raagbol.
spinstoom, [spinnerij met stoomaandrijving], spinstoom, (mannelijk), (Twenthe) stoomspinnerij.
spint, spint, (onzijdig), maat voor haver, enz. ¼ van een schepel; zie maot.
spinweek, [vakantieweek voor dienstboden], spinneweke, (vrouwelijk), de week, waarin de gehuurde meid voor zich uit spinnen mag gaan.
spit, [soort aambeeld], spit, (onzijdig), aanbeeld, waarop de zeis gehaard (gescherpt) wordt.
spits, spitse, (vrouwelijk), spits.
spleet, splite, (mannelijk), spleet.
spleeuw, splö, (bijvoeglijk naamwoord), taai, buigzaam.
splijten, splîten, (sterk werkwoord), splijten.
splinter, splitter, (mannelijk), splinter, kleinigheid.
split, split, (onzijdig), spleet, splitgat.
spocht, spochte, (vrouwelijk), veldduif.
spoelen, spö̂len, (zwak werkwoord), spoelen.
spons, spünze, (vrouwelijk), spons, zwam.
spook, spook, (onzijdig), spöke, spook.
spoor, spoor, (vrouwelijk), spoortrein: hé vôr met de spoor nao Arum, hij ging met den trein naar Arnhem.
spoor, spoor, (onzijdig), wagenspoor.
spoor, [timmerwerk], spóre, (vrouwelijk), sporen, spoor, getimmerte.
sporkel, spraokele, (vrouwelijk), rhamnus frangula.
sport, sportel, spotel, (mannelijk), sport van een ladder.
sport, spòrte, (vrouwelijk), spòrten, sport.
spot, spòt, (mannelijk), spot.
spraak, spraoke, (vrouwelijk), spraak.
spreeuw, sprao, (vrouwelijk), spreewen, spreeuw.
spreken, sprèken, (sterk werkwoord), spreken.
spreng, sprenge, (vrouwelijk), sprengen, wel.
spreu, sprö, (bijvoeglijk naamwoord), weerbarstig; ’t haor is sprö, staat rechtop, met barsten; spröhände, winterhanden; licht breekbaar, sprö stroo.
spreuk, spröke, (vrouwelijk), spröken, spreuk, sprook.
spriet, sprieet, spreet, (mannelijk), spriet, spruit.
sprik, sprik, sprikker, (vrouwelijk), rijshout.
spril, spril, (bijvoeglijk naamwoord), sterk in ’t oog vallend; sprille klören.
springen, springen, (sterk werkwoord), opspringen.
sprinkhaan, sprinkhane, (mannelijk), sprinkhaan.
sproeien, sprö̂jen, (zwak werkwoord), sproeien.
sprok, spròk, (bijvoeglijk naamwoord), droog, dor, bros.
sprokaas, spròkaos, (onzijdig), worm, die in hout en biezen zit, en waarmee gevischt wordt.
sprokkel, [dor hout], spròkkel, spròkke, dor hout.
sprong, sprong, (mannelijk), sprong.
sprot, spròt, (mannelijk), sprot.
sprotter, spròtter, (mannelijk), spreeuw.
spruit, sprûte, (vrouwelijk), sprûten, spruit, sproet.
spruiten, sprûten, sprü̂̂ten, (sterk werkwoord), spruiten.
spuit, spü̂̂te, (vrouwelijk), spuit.
spuug, spij, (onzijdig), spuug, speeksel.
spuwen, spijen, (sterk werkwoord), spugen, spuwen.
staak, stake, (vrouwelijk), staken, staak.
staak, staken, (mannelijk), stakens, staak.
staal, staal, (onzijdig), stalen, staal (monster).
staal, staol, (onzijdig), staal.
staan, staon, (sterk werkwoord), staan.
staander, [kei, iemand die hard is voor zichzelf], stäonder, (mannelijk), bikkel.
staart, start, (mannelijk), sterte, staart.
staarthakke, [afval van vlas], sterthakke, stethakke, (vrouwelijk), afval van vlas, minste soort, zie spît.
staarthakken, [iemand achternalopen], starthakken, stathakken, (zwak werkwoord), iemand naloopen.
staat, staot, (mannelijk), staat.
stad, stad, (vrouwelijk), stéde, stad.
stadig, stäodig, (bijwoord), gestadig.
staketsel, stanketsel, (onzijdig), schutting.
stal, stal, stalle, stelle, (mannelijk), stal
stam, stam, stamme, stemme, (mannelijk), stam.
stand, stand, (mannelijk), stand; gôd in stande, goed in staat.
stander, stender, (mannelijk), stander, groote ton om vleesch in te zouten.
standerdmolen, [soort molen], stendermö̀lle, (vrouwelijk), molen op een stander.
stap, stappe, vossestap, (mannelijk), stappen, toeslaande val.
stap, stappe, (mannelijk), stappen, hoogten van zooden in ondergeloopen land om den voet op te zetten.
stapel, stapel, (mannelijk), stapel.
stee, stè, (vrouwelijk), stede.
steeg, steege, (vrouwelijk), steegen, steeg.
steegreep, stégereep, (mannelijk), stijgbeugel.
steek, steek, (mannelijk), stèke, steek.
steek, [geheel, zeer], stèk, geheel; stèkeblind.
steekachtig, [jeukerig], stekachtig, (bijvoeglijk naamwoord), jeukerig.
steekbes, [bes uit het geslacht Ribes], stekebèze, (vrouwelijk), kruisbes, rubes grossularia.
steel, steel, (mannelijk), stéle, steel.
steen, steen, stieen, (mannelijk), steene, steen.
steenbreek, steenbrèke, (vrouwelijk), saxifraga.
steenzaad, [plant uit het geslacht Lithospermum], steenzaad, (onzijdig), lithospermum.
steggelen, stechelen, (zwak werkwoord), valsch spelen (bij kinderen).
steiger, steiger, (mannelijk), steiger.
steil, steil, stîkel, (bijvoeglijk naamwoord), steil (steil); steil (in fig. zin), koppig ( stîkel).
stek, stek, stikke, stik, (vrouwelijk), stikken, stek, struik; eikenstruik (zie kreeft), die, na verplant te zijn, later van den top beroofd wordt.
stekel, stèkel, (mannelijk), stèkels, stekel.
stekeling, [stekeltje], stekeling, stekkelink, (mannelijk), stekkelinge, stekeltje.
steken, steken, (sterk werkwoord), steken.
stekken, stekken, (zwak werkwoord), steken, stekken.
stelen, stèlen, (sterk werkwoord), stelen.
stem, stemme, (vrouwelijk), stem.
stengel, stengels, (meervoud), raapstelen.
ster, stèèrn, (mannelijk), stèèrne, ster.
ster, sterre, (vrouwelijk), stèrne, ster; zie stèèrn.
sterfelijk, [vergankelijk, op sterven], starfelik, (bijvoeglijk naamwoord), op sterven; hé is wal slim maor toch n(i)eet starfelik, hij is wel erg maar nog niet in doodsgevaar.
sterk, stark, (bijvoeglijk naamwoord), sterk.
sterke, [rund], starke, sterke, (vrouwelijk), vrouwelijk rund van één jaar.
sterrenhemel, [hemel waaraan zich sterren vertonen], stèrnhémel, (mannelijk), sterrenhemel.
sterven, starven, (sterk werkwoord), sterven.
steun, [ondersteuning], stö̀n, (mannelijk), steun.
steunen, stö̀nnen, (zwak werkwoord), steunen, stenen.
stevig, stévig, (bijvoeglijk naamwoord)
sticht, stichte, (onzijdig), sticht, gesticht.
stief-, [stiefvader, -moeder, -broer, -zus, etc.], stieef, steef, stief, st(i)eefvader, st(i)eefmôder, st(i)eefbrö̂r.
stiems, [stug, stijfkoppig], stîmsch, (bijvoeglijk naamwoord), stijf hoofdig.
stiepel, [druiloor, koppig persoon], stîpert, (mannelijk), druiloor, koppige vent.
stiepen, [pruilen], stîpen, (zwak werkwoord), pruilen.
stieperen, [koppig zijn], stîperen, koppig zijn.
stieren, [stijf worden], stîren, stijf worden (van vet).
stift, stifte, (vrouwelijk), stift.
stijf, stîf, (bijwoord), stîf volle, geheel vol. ’n stîve twee ü̂r, volle twee uur.
stijf, stîve, (vrouwelijk), stijfsel.
stijg, stîge, (vrouwelijk), twintig, vgl. het versje: Lange, lange rîge, / Twintig in de stîge, / Dartig in den rozekrans, / Veertig in den poppendans.
stijgbeugel, stîgbögel, (mannelijk), stijgbeugel.
stijven, [stevig maken], stîven, (zwak werkwoord), stijven.
stik, stik, (bijwoord), zeer, geheel, voluit: ’t was stikvol in de karke, ’t is nòg n(i)eet stik zöven ü̂r
stikken, stikken, (zwak werkwoord), stikken.
stil, stil, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), stille, stil.
stinken, stinken, (sterk werkwoord), stinken.
stip, stip, (mannelijk), stip.
stippen, [van stippen voorzien, indopen], stippen, (zwak werkwoord), stippen.
stobbe, stobbe, (vrouwelijk), boomtronk.
stoep, stôpe, (vrouwelijk), stôpen, stoep.
stoer, stûr, (bijvoeglijk naamwoord), groot, zwaar, moeilijk, krachtig.
stoet, stûte, (vrouwelijk), rond brood van weitenmeel; verkl. stü̂tjen; stûtenbrugge, boterham van eene stûte.
stof, stòf, (onzijdig), stof.
stok, stòk, (mannelijk), stö̀kke, stok.
stokboon, [snijboon], stòkkeboone, (vrouwelijk), stòkkeboonen, snijboon.
stoken, stòken, stö̀kelen, (zwak werkwoord), stoken (stòken ); kwaad stoken (stö̀kelen).
stolp, stö̀lpe, (vrouwelijk), stolp, deksel.
stom, stom, (bijvoeglijk naamwoord), stom, dom.
stom, stom, (bijwoord), zeer: stom mooi; geheel en al; ’k was et stomp vergetten; ’k bün stomp van den bôl af.
stoof, stòve, (vrouwelijk), stòven, stoof.
stookhok, stòkhôk, (mannelijk), hoek van den haard, waar het hout om te stoken ligt; dé in den stòkhôk zit mot stòken.
stootvogel, stootvógel, (mannelijk), roofvogel.
stop, stòppe, (vrouwelijk), stòppen, stop.
stoppelhaan, [feest aan het eind van de oogst; haan als symbool van vruchtbaarheid], stòppelhaan, (mannelijk), feest bij ’t eind van den oogst.
storen, stören, (zwak werkwoord), storen.
stork, stòrk, (mannelijk), ooievaar.
storksnavel, [plant uit de familie van Geraniaceae], stòrksnavel, erodium cicutarium.
storm, stòrm, (mannelijk), storm, poos; en stö̀rmken, een poosje.
stormpje, stö̀rmken, (onzijdig), oogenblik, zie stòrm.
stortkar, [kar waarvan de bak gewipt kan worden], stòrtekaore, (vrouwelijk), wipkar.
stoten, stooten, (sterk werkwoord), stooten.
stoten, stòrten, stòten, (zwak werkwoord), stooten.
straal, straol, (mannelijk), straolen, straal.
straal, straole, (vrouwelijk), pijl.
straat, straote, (vrouwelijk), straoten, straat.
strabant, strabant, (bijvoeglijk naamwoord), brutaal.
straf, straf, (bijvoeglijk naamwoord), scherp, krachtig.
straffen, straffen, (zwak werkwoord), straffen, ontkennen, dat straf ik u n(i)eet.
strak, strak, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), stijf, recht; hé lö̀p er strak op af, hij loopt er recht op af.
straks, straks, (bijwoord), later, aanstonds.
stramp, stramp, (mannelijk), strempe, tak.
strang, strank, strenge, lijn, strook, arm van een water.
strank, strank, (mannelijk), kwajongen.
stratenjammer, [mager persoon], straotenjammer, (mannelijk), mager persoon.
streek, streek, (mannelijk), strèke, streek, landschap.
streek, strik, (mannelijk), platte stok met modder besmeerd, waar langs de bouwzicht gestreken wordt om ze te scherpen. Samen met den hamer en het aambeeld, waarop de zicht gescherpt wordt, het haargerei genaamd.
streep, streep, strîpe, strépel, (mannelijk), streepe, streep; groote streek land; en strîpe land; strépel ook onz..
strekkel, [liniaal], strekkel, (mannelijk), liniaal.
streng, strang, (bijwoord), stijf; en peerd strang in toom holden.
streng, strange, (vrouwelijk), strenge, streng, van wol, enz.
striem, strîm, (mannelijk), striem, streep.
strijden, strîden, strîjen, (sterk werkwoord), strijden (strîden), de beenen gestrekt zetten; sterk tegenspreken ( strîjen), ook opstrîjen of ofstrîjen.
strijken, strîken, (sterk werkwoord), strijken.
strijkhout, [hout waarmee gestreken wordt], strîkhòlt, (onzijdig), het hout waarmede de koornmaat glad gestreken wordt.
strijkhoutje, [lucifer], strîkhö̀ltjen, lucifer.
strijkzwavel, [lucifer], strîkzwèvelken, lucifer.
strik, strik, (mannelijk), strik.
strips, [slaag], strîps, strîps gèven, slaag geven.
stro, stroo, (onzijdig), ströken, ströjken, stroo.
strobbe, [klein varken, borstelig haar (van varkens)], strübbe, (vrouwelijk), strübben, stijf, borstelig haar; (bij varkens).
stroe, [bos], strô, (mannelijk, onzijdig), bosch; zie strôte, vooral als plaatsnaam voorkomend, uit strôd ontstaan met afwerping van d.
stroef, strûf, (bijvoeglijk naamwoord), stroef, oneffen, stuursch.
stroet, [lage bosgrond], strôte, (vrouwelijk), stròten, lage boschgrond (eigenlijk dat. sg. van strôt voor strôd, zie Nom. geogr. Neerl. III, 354) vgl. strô.
stromen, [vloeien], stroomen, (zwak werkwoord), stroomen; water door het molenschut laten afloopen.
stronk, stronk, (mannelijk), strünke, stronk, worteldeel van planten.
stronkbraden, [lanterfanten], strünkebraon, lanterfanten; hi lö̀p te strünkebraon (eigenlijk koolstronken braden = nutteloos werk doen).
strooien, ströjen, (zwak werkwoord), strooien.
strooisel, ströjsel, (onzijdig), stroo, dat onder de koeien in den stal geworpen wordt.
strook, ströke, (vrouwelijk), strook.
stroom, stroom, (mannelijk), stroom.
stroopnagel, [nagel die van de vinger afstroopt], ströpnègel, nijdnagel.
strop, stròp, (mannelijk), strö̀ppe, strop; ook als scheldnaam = kwajongen.
stropen, ströpen, (zwak werkwoord), stroopen, afstroopen.
strot, stròtte, (mannelijk, vrouwelijk), stròtten, strot.
struik, strûk, strü̂̂ke, (mannelijk), struik.
struinen, strü̂̂nen, (zwak werkwoord), stroopen, stelen.
struip, [schuif], strûpe, (vrouwelijk), schuif.
struis, [fors, stoer; trots], strü̂̂s, (bijvoeglijk naamwoord), struisch, trotsch; strü̂s kiken.
stuif, [verrotte paddenstoel], stûve, stûvedampe, (vrouwelijk), vergane paddestoel.
stuiken, stûken, (zwak werkwoord), stooten; spelen met knikkers.
stuiven, stûven, (sterk werkwoord), stuiven.
stuiver, stü̂̂ver, (mannelijk), stuiver.
stuk, stükke, (onzijdig), stükke, stükker, stuk.
stulp, stülpe, (vrouwelijk), stulp.
stuntelig, [onhandig], stüntelig, (bijvoeglijk naamwoord), dom.
stut, [steun], stütte, (vrouwelijk), stut.
stutten, stütten, (zwak werkwoord), stutten.
stuur, stü̂̂r, (onzijdig), stuur.
stuw, stüw, (vrouwelijk), stuw, waterkering.
suiker, sü̂̂ker, (vrouwelijk), suiker.
suikerei, [plant uit de composietenfamilie], sü̂̂kerei, (vrouwelijk), cichorium intybus.
suizen, sûzen, (zwak werkwoord), suizen, soezen.
sukkelen, sükkelen, (zwak werkwoord), ziek zijn.
taai, taoi, (bijvoeglijk naamwoord), taai.
taal, taal, (vrouwelijk), taal.
tachtig, tachentig, (telwoord), tachtig
tafel, taofel, (vrouwelijk), tafel.
tak, tak, (mannelijk), tekke, tak.
tak, takke, (vrouwelijk), takken, tak.
taling, tèlink, (vrouwelijk), taling (krikènde).
tamper, tamper, (bijwoord), gematigd; tamper zûr, tamper zö̂te.
tand, tand, (mannelijk), tande, tand.
tang, tange, (vrouwelijk), tangen, tang.
tap, tap, (mannelijk), drop, ijspegel.
tappen, [door een kraan laten uitvloeien], tappen, (zwak werkwoord), drank in ’t klein verkoopen.
tapper, [degene die tapt], tapper, (mannelijk), tappers, drankverkooper.
tas, tasse, (vrouwelijk), kop.
tas, tasse, tesse, (vrouwelijk), tasch.
te-, [geheel], te-, in: tebreken, testören, geheel verbreken, vernielen.
teef, tève, (vrouwelijk), teef (hond).
teek, tek, tîk, (mannelijk, vrouwelijk), tekken, teek; schäopetek, schapeluis; tik vr., ixodes oricinus.
teems, tîms, (bijvoeglijk naamwoord), kieskeurig.
teems, temse, (vrouwelijk), zeef.
teen, teen, (vrouwelijk), teenen, twijg.
teer, tèèr, (onzijdig), teer.
tegel, tégel, tichel, (mannelijk), tegel; tichelhof, tichelhus, ticheleerde.
tegen, tögen, tégen, (bijwoord, voorzetsel , vrouwelijk), tegen.
teken, teiken, (onzijdig), teikens, teeken.
tekenen, teikenen, (zwak werkwoord), teekenen.
telder, telder, (mannelijk), bord, schotel.
telg, telge, (mannelijk), telg, twijg.
temen, témen, tjémen, (zwak werkwoord), temen.
temet, damé, tamé, bijwoord, zoo straks.
tent, tente, (vrouwelijk), tenten, tent.
tepel, tépel, (mannelijk), tippel, tepel, punt.
teren, tèren, (zwak werkwoord), teren.
tergen, targen, (zwak werkwoord), tergen.
teringachtig, [aan de tering lijdend], tèrachtig, (bijvoeglijk naamwoord), teringachtig.
termijn, [stuipen], termînen, (vrouwelijk), stuipen; krîtende termînen, schreeuwstuipen, vallende ziekte.
terugblijven, [achterblijven, wegblijven], terügge blîven, (sterk werkwoord), achterwege blijven.
teug, töge, (vrouwelijk), teug, toog.
teugel, tögel, (mannelijk), teugel.
teut, [hofzanger (vogel)], tö̀te, (vrouwelijk), hofzanger.
teutelen, tö̀tteln, (zwak werkwoord), teuten.
teutenest, [nest van hofzangers], tö̀tenö̀st, (onzijdig), hofzangersnest, (ook van een haarknoedel gezegd).
tevreden, tevrèjen, (bijvoeglijk naamwoord), tevreden.
tezen, tézen, (zwak werkwoord), plagen.
tibbe, tibbe, (vrouwelijk), oud wijf, kletskous; volgens Halbertsma, Ov. Alm., scheldnaam der Doopsgezinden (eigenlijk eigennaam, verkorting van Tibbege, en dit van Thiedburgis).
tibben, tibben, (zwak werkwoord), snateren, kwaken.
tichelwerk, [steenbakkerij], tichelwark, (onzijdig), steenbakkerij.
tielgat, tîlgat, zie îlgat, gat, waar de bijen uitvliegen.
tiepelen, tîpeln, (zwak werkwoord), met stokjes spelen.
tiepelzinnig, [met kleinigheden spelend], tîpelzinnig, (bijvoeglijk naamwoord), (Dr., Gron. & N. Ov.), met allerlei kleinigheden spelend.
tier, tîr, (mannelijk), wasdom, welige groei.
tieren, tîren, (zwak werkwoord), zich gedragen, drukte maken; zik z(i)eek tîren zich ziek houden, intr. ww. gedijen, welig groeien.
tieretein, [stof (half wol, half linnen)], tîrentein, (onzijdig), naam eener stof (half wol, half linnen).
tiet, titte, (vrouwelijk), tepel, vrouwenborst.
tijd, tîd, (mannelijk), tijd
tijdverveling, [verveling], tîdvervèling, (vrouwelijk), verveling.
tijgen, tijen, (sterk werkwoord), trekken.
tijk, teik, (vrouwelijk), tijk; beddeteik.
tijl, [soort bloem, herfsttijloos], tîle, (vrouwelijk), twintig garven.
tijloos, tîlooze, (vrouwelijk), narcis, colchicum autumn.
tilbaar, tilber, (bijvoeglijk naamwoord), tilber gôd, roerend goed.
timmeren, timmeren, (zwak werkwoord), timmeren.
timp, timpe, (mannelijk), hoek (van land), kap (van brood).
tin, tin, (onzijdig), tin.
tip, tip, (mannelijk), tippe, punt, spits.
tip, tipke, (onzijdig), kapje van brood.
tittel, tittel, (mannelijk), stip, tepel.
tjukselen, [ronselen, verkopen, ruilen], tjükselen, (zwak werkwoord), ronselen, verkoopen, tuischen; peerdetjükselen.
tobbe, tobbe, (vrouwelijk), tobben, tobbe.
tobben, tòbben, (zwak werkwoord), tobben.
toch, [overtrek], tog, (onzijdig), overtrek.
tod, tòdde, (vrouwelijk), tòdden, lap, tod, vod.
toddelen, [haspelen, slepen], tòddelen, (zwak werkwoord), haspelen, slepen met iets.
todden, tòdden, (zwak werkwoord), slepen; medtòdden.
toddevos, [iemand die sleept], tòddevòs, (mannelijk), iemand die alles wegsleept, van kinderen , van een ekster.
toe, , tow, (voorzetsel, bijwoord), der ümme tô gaon, er om heen gaan; der nao tô gaon, er heen gaan, enz.; toe, tow maor.
toe voortaan, [langzamerhand], tôverdan, (bijwoord), na eenigen tijd.
toe voortaan, [langzamerhand], toeversan, (bijwoord), van toeversan, langzamerhand.
toebaat, [toelage], tôbate, (vrouwelijk), toelage aan meiden en knechts boven hun loon.
toebrengen, [brengen naar, doen komen tot], tôbrengen, tôdrinken, vroeger dronk de boer niet voor de gastheer gedronken had, elk glas moest toegebracht worden; van daar: hi dronk gôd vör, ik heb het er royaal gehad. Nog niet lang geleden behoorde de bruidegom op zijne bruiloft elk der gasten het glas of het zilveren napje met genever of wijn gevuld toe te brengen, d.i. eerst zelf een slok te nemen en het dan aan zijn gast aan te bieden, die het behoorde te ledigen.
toef, [kuif], tûf, (mannelijk), kuif; en tûf trekken, boos worden.
toefvink, [soort vink], tûffinke, (vrouwelijk), slagvink.
toegaan, [gebeuren], togaon, (sterk werkwoord), geschieden; zó gink et tô.
toekomende, [volgend], tôkomende, (tegenwoordig deelwoord), tôkomende wèke, de volgende week.
toemaken, [sluiten], tômaken, (zwak werkwoord), sluiten.
toemaken, [zich bevuilen], tômaken, (zwak werkwoord), zik tômaken , zich bemorsen.
toemoeden, [vergen, eisen], tômôden, tômö̂den, (zwak werkwoord), vergen, iemand iets tomoden.
toen, , (bijwoord), toen.
toer, tûr, (mannelijk), tûrtjen, poos, oogenblik, moeilijk werk.
toeslaan, [toestemmen, een kans benutten], toslaon, (sterk werkwoord), toeslaan, toestemmen.
toest, [plukje van iets], tûst, (vrouwelijk), een plukje, bv. van haar.
toestellen, [aanschaffen, gereedmaken], tôstellen, (zwak werkwoord), aanschaffen.
toesterig, [knorrig, lusteloos, onvriendelijk], tôsterig, (bijvoeglijk naamwoord), grommig, sikkeneurig.
toetasten, [grijpen, nemen], tôtasten, (zwak werkwoord), toetasten.
toeter, tûtert, (mannelijk), blaasinstrument.
toevallen, [meevallen], tôvallen, (sterk werkwoord), meevallen.
toeze, tûze, (vrouwelijk), in de tûze wèzen, in de war zijn.
tol, tòlle, (vrouwelijk), tol.
tomig, [lui, werkeloos], tömig, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), lui, werkeloos; tömig gaon, ledig gaan.
ton, tonne, (vrouwelijk), ton
tondel, tündel, tondel, (mannelijk, onzijdig), tondel, zwam dat met staal en vuursteen wordt in brand geslagen.
tondeldoos, tündeldöze, tündelpòt, (mannelijk), tondeldoos.
tonen, toonen, tönen, (zwak werkwoord), toonen.
tong, tonge, (vrouwelijk), tongen, tong.
tonnetje, tünneken, (onzijdig), tonnetje.
toog, toog, (mannelijk), tóge, toog.
toom, [worp, nest], toom, (mannelijk), töme, toom; niet alleen van kippen maar ook varkens; en toom köne..
toon, toon, (mannelijk), töne, toon
toorn, tee, (vrouwelijk), teene, toorn.
top, tòp, (mannelijk), tö̀ppe, top.
toren, tóren, (mannelijk), toren.
tortelduif, tòrteldûve, (vrouwelijk), tortelduif.
touter, talter, (mannelijk), schommel.
touw, tow, (onzijdig), touw.
tovenaar, [iemand die tovert], tövenaor, (mannelijk), toovenaar.
toveren, töveren, (zwak werkwoord), tooveren.
traag, traog, (bijvoeglijk naamwoord), traag.
traan, traan, (vrouwelijk), traan (smeer).
traan, traon, (mannelijk), träone, traan (uit het oog).
traantje, [alcoholische drank], träontjen, (onzijdig), fig. droppel, geestrijke drank.
trachten, trachten, (zwak werkwoord), trachten.
tramp, tramp, trap.
trap, trap, (mannelijk), trap (m.).
trap, treppe, (vrouwelijk), trap (vr.).
trappelen, trampelen, (zwak werkwoord), trappelen.
trappen, trappen, trippen, (zwak werkwoord), trappen; o.a. in het kinderrijmpje: hip en trip, hip en trip, / hold mi achter an min slip.
trede, trè, (vrouwelijk), trèn, trede.
treden, trèën, (sterk werkwoord), treden.
trek, trek, trekken, trek.
trekken, trekken, (sterk werkwoord), trekken.
trempelen, [herhaald trappen], trempelen, (zwak werkwoord), herhaald trappen.
tremse, tremse, (vrouwelijk), centaurea cyanus, korenbloem.
treuren, trören, (zwak werkwoord), treuren.
treuter, [blaasinstrument], trö̀ter, (mannelijk), blaasinstrument.
treuteren, [blazen op een blaasintrument], trö̀teren, (zwak werkwoord), op de trompet blazen.
trijsel, [kring], trîsel, (mannelijk), kring.
trijshaan, [patrijs], trishane, trîshôn, (mannelijk, onzijdig), patrijs.
trisjakken, [sollen met iemand], trîsjakken, (zwak werkwoord), sollen met iemand.
troep, tròp, (mannelijk), troep.
troffel, troffel, trufel, (mannelijk), troffel.
trog, tròg, (mannelijk), trog.
trom, tromme, (vrouwelijk), trommen, trom; beschü̂tentromme.
trommel, trommel, (mannelijk), trom.
trommeltje, trümmeken, (onzijdig), trommeltjen.
troon, troon, (mannelijk), trónen, troon.
troost, troost, (mannelijk), troost; n(i)eet gôd bi trooste, niet bij ’t verstand.
troosten, [geestelijk steun geven], troosten, (zwak werkwoord), troosten.
trouw, trow, trowe, (bijvoeglijk naamwoord, vrouwelijk), trouw (trow bijv. nw., trowe z. nw.)
trut, trüt, zie memmetrüt.
tuffen, tüffen, (zwak werkwoord), kuchend spuwen.
tuien, tü̂̂ën, tü̂̂jen, (zwak werkwoord), trekken; da kan ’k n(i)eet tü̂jen, dat kan ik niet betalen.
tuier, tü̂̂r, tü̂̂der, (onzijdig), paal, waaraan het vee graast.
tuieren, tü̂̂ren, (zwak werkwoord), (uit tü̂̂deren), vee, aan een paal gebonden, laten grazen.
tuierhamer, tü̂̂rhamer, (mannelijk), hamer, om den tuurpaal in den grond te slaan.
tuierpaal, türnpaol, (mannelijk), paal, waaraan het vee vastgelegd wordt bij het grazen op een akker.
tuig, tü̂̂g, (onzijdig), trekzeelen en verbinding; alles samen wat tot de bespanning behoort wordt getü̂g genoemd.
tuimelen, tommelen, (zwak werkwoord), tuimelen.
tuin, tûn, tü̂̂n, (mannelijk), tü̂ne, tuin, omheining.
tuinen, [omheinen], tü̂̂nen, (zwak werkwoord), omheinen.
tuisen, tûsen, (zwak werkwoord), ruilen; ummetûsen, omruilen.
tuit, tûte, (vrouwelijk), tûten, hoek, puntzak; eene tûte met krenten.
tuit, [kip], tü̂̂te, (vrouwelijk), kip.
tuiten, tûten, (zwak werkwoord), blazen.
tuk, [zak], tük, (mannelijk), zak; tükdôk, zakdoék.
tukker, [zangvogel], tükker, (mannelijk), kneu.
turf, tòrf, (mannelijk, vrouwelijk), tö̀rve, turf.
turnen, türnen, (zwak werkwoord), heen en weer gaan, b.v. met eene koe.
tussen, tüssen, (bijwoord), tusschen.
tuttelen, tüttelen, (zwak werkwoord), zeuren.
twaalf, twaalve, (telwoord), twaalf.
twee, twee, twije, tweene, (telwoord), twee.
tweedeel, [tweederde deel], tweedeel, (onzijdig), tweederde.
tweedonker, [schemering], tweedonker, tweedü̂̂ster, (onzijdig), schemering.
tweernen, tweeren, tweernen, (zwak werkwoord), twijnen.
tweespraak, [gesprek, twist], twisprake, (vrouwelijk), twist.
twijfel, twîfel, (mannelijk), twijfel.
twijg, twîg, (mannelijk), twijg.
twijndraad, [uit meerdere draden samengevlochten draad], tweerndraod, (onzijdig), uit drie draden samengevlochten draad.
twintig, twentig, (telwoord), twintig.
twistig, [onenig], twiïg, (bijvoeglijk naamwoord), oneenig, twistend.
uieren, ü̂̂ren, nûren, (zwak werkwoord), opzwellen van de uiers der koe.
uil, ûle, (mannelijk), ûlen, uil, van iemand die slim is zegt men; den is n(i)eet bij den ûle ûtebròd.
uit, ût, (voorzetsel), uit. Ook in samenst.; ütbrekken, uitbreken, enz. Er naast hoort men ook ü̂t.
uitluchten, [aan de lucht blootstellen, in ongunstige zin bekendmaken], ûtlüchten, (zwak werkwoord), (i)eemand ûtlüchten, iemand in een minder gunstig licht stellen.
uitschrempen, [uitbraden], ûtschrempen, (zwak werkwoord), uitbraden (van vet).
uitstukken, ûtstükken, (zwak werkwoord), de les lezen: ’k hebbe üm ens raak ûtestükt.
uitvensteren, ûtvensteren, (zwak werkwoord), doorhalen; ’k zal üm wal zoo ûtvensteren, datte n(i)eet terügge kümp.
ulk, ülk, (onzijdig, mannelijk), bunzing.
ulk, [ruggenmerg], ülk, (mannelijk), het ruggenmerg.
unen, ü̂̂nen, (zwak werkwoord), trachten naar iets.
unster, ünster, (vrouwelijk), unster.
urmen, ü̂̂men, (zwak werkwoord), zeuren.
uur, ü̂̂re, (onzijdig), uur.
uw, uw, (bijvoeglijk naamwoord), uw.
vaak, faok, vaak, (mannelijk), slaap.
vaak, vaak, vake, (bijwoord), dikwijls, soms; zòl ě vaak wat willen hebben?
vaalt, vaalte, (mannelijk), meststal, vaalt.
vaan, vane, (vrouwelijk), vanen, vaan.
vaardig, veerdig, (bijvoeglijk naamwoord), gereed, vaardig.
vaars, veerze, vierze, verze, (vrouwelijk), vaars.
vaart, vaart, (vrouwelijk), vaart.
vaas, faze, (vrouwelijk), fazen, vezel.
vader, vader, (mannelijk), vader.
vak, vak, dak en vak onderhòlden, het huis en wat er bij behoort, in behoorlijken staat houden.
val, [betekenisloos, zonder gegronde reden], val, geen slòt òf val, geen slot of zin.
val, val, (mannelijk), valle, val (het vallen).
val, valle, (vrouwelijk), val (werktuig).
valk, valk, (mannelijk), valken, valk (ook de sperwer wordt veel zoo genoemd).
vallen, vallen, (sterk werkwoord), in tweeën vallen, in de kraam komen.
vals, valsch, (bijvoeglijk naamwoord), boos; hé wier valsch op mi, hij werd boos op mij.
van, van, (mannelijk), familienaam, de boeren zijn dikwijls minder bekend bij hun van, dan bij hun naam, d.i. dien van hunne boerenplaats.
vang, vange, (vrouwelijk), vang v. d. molen.
varen, varen, (sterk werkwoord), rijden in een wagen.
varen, varen, (mannelijk), varen, plantnaam.
varken, varken, (onzijdig), varkens, varken, zwijn.
vast, vaste, veste, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), zeker; vast.
vast in de mond, [tot de dood goed sprekend], vaste in den mond, van een zieke gezegd, die tot het laatst goed blijft praten.
vastkoppig, [een goed geheugen hebbend], vastkö̀ppig, (bijvoeglijk naamwoord), goed van geheugen.
vat, vat, (onzijdig), vate, vat.
vatten, vatten, (zwak werkwoord), vatten.
vedel, fidel, (vrouwelijk), viool, vedel.
vedelaar, fidler, (mannelijk), vioolspeler.
vedelen, fidelen, (zwak werkwoord), vioolspelen.
veeg, veege, (bijvoeglijk naamwoord), veeg, fig. ’t st(i)eet er veege met, de zaak staat slecht.
veeg, vège, (vrouwelijk), veeg.
veek, vèke, (vrouwelijk), gevlochten heining van boomtakken.
veel, vö̀lle, (bijvoeglijk naamwoord), veel.
veer, veere, (vrouwelijk), veeren, veer.
veer, vère, veer, (vrouwelijk, onzijdig), veer, overvaart.
vegen, vègen, (zwak werkwoord), vegen.
veilig, veilig, (bijvoeglijk naamwoord), veilig.
vel, vel, velle, vel.
veld, veld, (onzijdig), velde, veld.
veldgrond, [heidegrond, woeste grond], veldgrond, (mannelijk), heidegrond.
veldhoen, [patrijs], veldhôn, patrijs.
velg, velge, (vrouwelijk), velg., rand van het wiel.
ven, venne, (onzijdig), veen.
ven, venne, (vrouwelijk), klein meer in de heide.
venster, venster, (onzijdig), venster, glas.
vent, vent, (mannelijk), jongen.
ver, vér, veer, (bijvoeglijk naamwoord), vérre, ver.
verband, [contract, hypotheek], verband, (onzijdig), hypotheek.
verbijsteren, verbîsteren, (zwak werkwoord), verbijsteren.
verbranden, [in de as leggen], verbrannen, (zwak werkwoord), verbranden.
verbuiten, [verruilen, omruilen], verbü̂̂ten, zie bü̂̂ten.
verdoen, [verkwisten], verdôn, (werkwoord), verkwisten; ondömelik zîn geld verdôn, onnut zijn geld vergeven; zik verdôn, een zelfmoord begaan.
verdold, [stevigheid verliezend], verdòld, (bijvoeglijk naamwoord), vermolmd, (van hout en van tanden gezegd).
verdommeld, [verbijsterd], verdommeld, (bijvoeglijk naamwoord), verbijsterd.
verduld, verdüld, (bijwoord), waarlijk, inderdaad; wel verdüld, uitroep van verbazing of toorn.
verf, varve, (vrouwelijk), varven, verf.
vergang, [beweging], vergank, (onzijdig), geloop, beweging.
vergangen, [verleden, afgelopen], vergangen, (verleden deelwoord), vergangen wèke, verleden week.
vergasten, [teveel eten], vergasten, (zwak werkwoord), te veel eten.
vergeten, vergèten, (sterk werkwoord), vergeten.
vergif, vergif, (onzijdig), vergift.
verguizen, vergü̂̂zen, (zwak werkwoord), verguizen.
verhennekleden, [een lijk afleggen], verhennekleeën, (zwak werkwoord), een lijk afleggen.
verhitten, [zich in het zweet werken, zich ziek maken], verhetsen, (zwak werkwoord), zik verhetsen, zich verhitten (ziek maken) door arbeid, loopen, enz.
verhitting, [verkoudheid], verhetting, (vrouwelijk), verkoudheid.
verkerkenspraakt, [afgekondigd aan de kerk], verkarkenspraokt, (verleden deelwoord), afgekondigd aan de kerk.
verkeuring, verköring, (vrouwelijk), verkiezing.
verknuffeld, [verfrommeld], verknüffeld, (bijvoeglijk naamwoord), verfrommeld.
verkomen, [in de war zijn], verkommen, (sterk werkwoord), in de war komen met iets.
verkondigen, verkündigen, (zwak werkwoord), afkondigen.
verkuiering, [aanspraak, gebabbel], verkö̀jering, (vrouwelijk), verzet door een praatje te gaan maken.
verlangen, verlangen, (zwak werkwoord), verlangen.
verlept, [verwelkt, ellendig], verlept, zik verlept vö̂len, zich ellendig voelen.
verliezen, verlieezen, verleezen, (sterk werkwoord), verliezen.
verluiden, [de klok luiden op een significant moment], verlü̂̂jen, (zwak werkwoord), de klok luiden, voor een doode.
vermaken, vermaken, (zwak werkwoord), anders maken; refl. zich bezig houden.
vermoeid, [moe zijnd], vermö̂id, (bijvoeglijk naamwoord), vermoeid.
verneemstig, [bijdehand; slim], vernimstig, vernemstig, (bijvoeglijk naamwoord), bij de hand; vlug in ’t leeren.
verneuken, vernöken, (zwak werkwoord), bedriegen.
verpachten, verpachten, (zwak werkwoord), verpachten.
verplaksen, [zich verbinden], verplaksen, (zwak werkwoord), zik verplaksen , zich verbinden.
verplegen, verplègen, (zwak werkwoord), verplegen.
vers, varsch, vasch, (bijvoeglijk naamwoord), versch.
vers, vèèrs, (onzijdig), vers.
verschelen, verschèlen, (zwak werkwoord), schelen; ’t kan mij niks verschèlen.
verschoppeling, [iem. die verschopt of afgewezen wordt], verschòvelink, (mannelijk), verschoppeling.
verschot, verschòt, (onzijdig), verschot; bi verschòt, om beurten.
verslodderen, [verwaarlozen; slodderig worden], verslòdderen, (zwak werkwoord), veronachtzamen.
versmijten, [beneden zijn stand trouwen], versmîten, (sterk werkwoord), zik versmijten, zich mésallieeren.
verspelen, verspö̀llen, (zwak werkwoord), verliezen (in alle beteekenissen); de vörige wekke he ’k mîn vader verspöld; ’k hebbe vö̀lle geld verspö̀ld bi dat peerd.
verspochten, [door vocht bederven, verrotten], verspochten, (zwak werkwoord), door vochtigheid vergaan, verteren.
verstaan, verstaon, (sterk werkwoord), begrijpen; dat verstiet zik, dat spreekt van zelf.
verstoren, verstören, (zwak werkwoord), verstoren.
vertesteweren, [vernielen], vertesteweeren, (zwak werkwoord), vernielen.
vertijden, [afwijzen], vertîen, (sterk werkwoord), afwijzen; en arfenisse vertien.
vertrouwen, vertruwen, (zwak werkwoord), gelooven, vertrouwen.
vertuisen, [ruilen], vertûssen, (zwak werkwoord), ruilen.
vervangen, [ziek worden (van een koe)], vervangen, (sterk werkwoord), zik vervangen, ziek worden (van eene koe, geen boter geven).
vervelen, vervélen, (zwak werkwoord), vervelen.
verven, varven, (zwak werkwoord), verven.
vervlimd, [uitroep van teleurstelling of verbolgenheid], vervlimd, (bijwoord), uitroep van jammer.
verzachting, [het verzachten], zachting, (vrouwelijk), verzachting.
verzeggen, [toezeggen], verzeggen, (zwak werkwoord), zik verzeggen, zich verbinden.
verzet, verzet, (onzijdig), bî verzet, bij beurten.
verzetting, [hypotheek], verzetting, (vrouwelijk), hypotheek.
verzinnen, [zich bedenken, berouw hebben], verzinnen, (zwak werkwoord), zik verzinnen, zich bedenken, berouw hebben.
vet, vet, (onzijdig, bijvoeglijk naamwoord, vet; vruchtbaar; ’t is vet weer; uitroep in jongensspelen; ij bünt vet, gij scheidt er uit. Zie vetvangen.
vete, veete, (vrouwelijk), veete.
veter, véter, (mannelijk), veter.
vetlok, [boven de hoeven van een paard], vetlòkken, (meervoud), haarbos boven de hoeven der paarden.
vetprijzen, [een geslacht dier taxeren], vetprîzen, (zwak werkwoord), taxeeren hoe zwaar het geslachte rund is.
vettel, [lok], vettel, (mannelijk), lok, en vettel vlas.
vettik, vettik, (vrouwelijk), veldsla.
vetvangen, [krijgertje spelen], vetvangen, (sterk werkwoord), krijgertje spelen onder ’t roepen van: vet, vet, vet! / Haman, Dûman dikken spek / O, Jan de beddenmiger / vet, vet, vet.
veulen, vül, (onzijdig), vüllen, veulen.
vezel, vézel, (vrouwelijk), vezel.
vier, vieere, veere, (telwoord), vier.
vierde, [rangtelwoord, kwart], vieerdel, veerdeel, verrel, (onzijdig), kwart, vierde.
viezevazen, vîzevazen, (vrouwelijk), hé hef wat vîzevazen op zîn lîf, hij heeft veel vijven en zessen.
vijand, vijand, (mannelijk), vijand.
vijf, vîve, vîf, (telwoord), vijf.
vijfschaft, vîfschaft, kleedingstof met vijf schachten of kamhouten gemaakt.
vijgenboon, [lupine], fîkseboon, vîkseboon, (vrouwelijk), fîkseboonen, lupine
vijl, vîle, (vrouwelijk), vijl.
villen, villen, (zwak werkwoord), villen.
vim, vimme, vîm, (vrouwelijk, onzijdig), honderd en vier bos.
vin, vinne, (vrouwelijk), puist.
vin, vinne, (vrouwelijk), vin.
vinger, vinger, fikke, (mannelijk), vinger.
vink, vinke, (vrouwelijk), vinken, vink.
vinnig, vinnig, (bijvoeglijk naamwoord), scherp; en vinnig antwoord; bw. vinnig kòld.
vis, visch, (mannelijk), vische, visch.
visematenten, [praatjes], fîsematenten, (meervoud), praatjes.
visite, vesite, (vrouwelijk), dat zal en mooie vesite wèzen, dat zou wat moois zijn.
vissen, [vis vangen], vischen, (zwak werkwoord), visschen; vischen en jagen gif hüngrige magen.
vits, vitse, (vrouwelijk), bundeltje, kleinigheid.
vlaag, vlaoge, (vrouwelijk), vlaogen, vlaag.
vlag, vlagge, (vrouwelijk), vlaggen, vlag.
vlak, vlak, (bijvoeglijk naamwoord), vlak, ondiep.
vlam, vlamme, (vrouwelijk), vlam.
vlammetje, vlemmeken, (onzijdig), vlammetje.
vlank, [krachtig], vlank, (bijwoord), meest in uitdrukkingen als: hé smet et üm, vlank, in ’t gezichte, hij smeet het hem in het gezicht. De oorspronkelijke beteekenis was krachtig, overmoedig, vgl. osaks; wlank.
vlas, vlas, (onzijdig), vlas.
vlashekel, [werktuig om vlas te hekelen], vlashekel, (vrouwelijk), vlashekel
vlasvink, [soort vogel], vlasvink, (vrouwelijk), fringilla chloris.
vlecht, vlechte, (vrouwelijk), vlecht.
vleeg, [mak, volgzaam], vlège, (bijvoeglijk naamwoord), mak, gedwee.
vlees, vleisch, (onzijdig), vleesch.
vlegel, vlègel, (mannelijk), vlègels, vlegel.
vleien, vleien, (zwak werkwoord), vleien.
vlek, vlek, (onzijdig), vlekke, vlek.
vlek, vlekke, (vrouwelijk), vlekken, vlek.
vlerk, vlerk, vlerke, vlerk, vleugel.
vlet, vlet, (onzijdig), klein houtvlot.
vleugje, vlaögjen, (onzijdig), vleugje.
vlieden, vlieën, (sterk werkwoord), vlieden.
vlieg, vlieege, vleege, vliéegen, (vrouwelijk), vlieg.
vliegenvanger, [vleesetende plant], vlieegenvang, vleegenvanger, (onzijdig), drosera.
vlieger, vlieeger, (mannelijk), zie wèjer.
vlier, vlieerte, vleerte, (vrouwelijk), sambucus nigra.
vlies, vlü̂̂s, (onzijdig), vacht, van het schaap; vlies, en vlü̂s aover ’t water.
vlijen, vlijen, vlîjen, vlikken, (zwak werkwoord), (soms wordt ook vlee en evléjen geho, vlijen; samenvlikken, samenvoegen.
vlijm, flîme, (vrouwelijk), vlijm.
vlo, vloo, (vrouwelijk), vlooë, vloo.
vloed, vlôd, (mannelijk), vloed.
vloeien, vlôjen, (zwak werkwoord), vloeien.
vloeipapier, [papier om inkt te drogen], vlü̂s, (onzijdig), vlü̂spampier, vloeipapier.
vloek, vlôk, (mannelijk), vloek.
vloeken, vlôken, (zwak werkwoord), vloeken.
vloer, flûr, (mannelijk), flûre, vloer.
vloot, vloot, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), ondiep; vloot plôgen, ondiep ploegen.
vloot, vloote, (vrouwelijk), ondiep bord, bottervloot.
vloot, vloote, (vrouwelijk), vlote, vlöter, vloot.
vloten, [drijven, stromen; laten stromen], vlöten, (zwak werkwoord), water over ’t land doen stroomen.
vlotenmelk, [afgeroomde melk], vlötemelk, (vrouwelijk), afgeroomde melk.
vlucht, vlocht, (vrouwelijk), vlucht; en vlocht hônder een kluft patrijzen.
vlug, vlügge, (bijvoeglijk naamwoord), vlug; gezond, he is n(i)eet vlügge.
vod, vòdde, (onzijdig), vòdden, vod.
voeden, vôden, (zwak werkwoord), voeden.
voeg, [zonder moeite], vö̂ge, (bijwoord), zonder moeite, met voeg, ik kan uw vö̂ge effen helpen.
voegen, vö̂gen, voegen.
voelen, vö̂len, (zwak werkwoord), voelen.
voering, [bekleding], vûring, (vrouwelijk), voering; hi hef wal wat in de vûring, hij zit er warm in.
voet, vôt, (mannelijk), vö̂te, (3nv. mv. vôten) voet.
voetspoor, [voetafdruk], vôspers, (meervoud, onzijdig), voetsporen.
vogel, vógel, vögel, (mannelijk), vögel, vögels, vogel.
vogelen, vögelen, (zwak werkwoord), futuere.
vogelmelk, [soort plant], vógelmelk, (vrouwelijk, onzijdig), ornithogalum umbellatum, nutans.
vol, volle, (bijvoeglijk naamwoord), vol.
volgen, vòlgen, (zwak werkwoord), volgen.
volhandig, [dik, breed], volhandig, (bijvoeglijk naamwoord), daar men de handen vol aan heeft, fig. dik, breed: dé deern is nog al volhandig, het meisje is zeer gezet.
volk, vòlk, (onzijdig), vö̀lker, volk; in enkelv. familie: onze vòlk, onze vòlkshûs, het ouderlijk huis.
volleest, [hulp], volste, (mannelijk), ten volsten kommen, te hulp komen.
volte, [volheid, overvloed], vülte, (vrouwelijk), volheid, overvloed.
vonder, vonder, (onzijdig), vonder.
vonk, vonke, (vrouwelijk), vonken, vonk.
vonkenboks, [losbandige vrouw], vonkebokse, (vrouwelijk), wilde deern.
voogd, vóged, (mannelijk), voogde, voogd.
vooi, vö̀, (vrouwelijk), voedster, wijfjes konijn of haas.
voor, [ploegsnede], vóre, (vrouwelijk), voor (van den ploeg).
voor, vör, (voorzetsel), voor.
voord, vòrd, voorde, (vrouwelijk), voorden, doorwaadbare plaats, rijweg door een beek; o.a. in vele plaatsnamen aan beken: Hackfòrt, het Voorde, het huis te Vòrden (dat pl.), Vòrden.
voorn, vóren, (mannelijk), voorn.
voort, vort, (bijwoord), voort.
voortmeesteren, [(van een ziekte) afhelpen], vòrtmeisteren, (zwak werkwoord), (van eene ziekte) af helpen.
vork, vòrke, vö̀rke, (vrouwelijk), vork.
vorm, vòrme, forme, (vrouwelijk), vorm.
vorrig, [ongezond], vòrrig, (bijvoeglijk naamwoord), ongezond, vgl. gö̀rig.
vors, vòrsch, (mannelijk), vòrsche, loofvorsch.
vorst, vòrst, (vrouwelijk), dakspits.
vorst, vòrst, (vrouwelijk), koude.
vos, vòs, (mannelijk), vòssen, vos.
vraag, [tegenover antwoord], vraoge, (vrouwelijk), vraogen, vraag.
vragen, vraogen, vrieg of vreeg, evraogd, vragen.
vrede, vrè, (vrouwelijk), vrede.
vreden, [omheinen], vréën, (zwak werkwoord), omheinen.
vreemd, vremd, (bijvoeglijk naamwoord), vreemd.
vrees, vreeze, (vrouwelijk), vrees.
vreten, vrèten, (sterk werkwoord), vreten.
vrezen, [eisen], vreesken, (zwak werkwoord), eischen.
vriend, vrieend, (mannelijk), vrende, vriend.
vriendelijk, vrö̀ndelik, (bijvoeglijk naamwoord), vriendelijk.
vriendschap, vrö̀nschap, (vrouwelijk), vriendschap.
vriezen, vrieezen, vreezen, (sterk werkwoord), (vroos, evrózen), 1. vriezen. 2. (onpers.) koude voelen; mij vrös, ik heb het koud.
vrij, vrîj, (bijvoeglijk naamwoord), vrij.
vrijen, vrîjen, (sterk werkwoord), vrijen.
vrochten, [omheinen], vrochten, vrüchten, (zwak werkwoord), omheinen.
vroeg, vrog, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), vrogger, vroeg.
vroegjaar, vrogjaor, (onzijdig), vroege voorjaar.
vroegte, vrö̂gte, vrogte, (vrouwelijk), vroegte; in de vrö̂gte.
vrolijk, vrölik, (bijvoeglijk naamwoord), vroolijk.
vroom, vrom, (bijvoeglijk naamwoord), flink en goedig.
vrouw, vrouwe, (vrouwelijk), vrouwen, vrouw.
vrouwenhaar, [soort plant], vrouwenhaor, (onzijdig), cuscuta epilinum.
vrouwenoogjes, [plant uit de sleutelbloemfamilie], vrouwenögjes, (onzijdig), primula.
vrucht, vrücht, (vrouwelijk), vrüchte, vrucht.
vruchten, vòrchten, (zwak werkwoord), vreezen.
vrusterig, [kouwelijk], vrüsterig, koudelijk.
vuil, vü̂̂l, vûl, (bijvoeglijk naamwoord), smerig, vuil: en vûl ei.
vuil, vûl, (bijvoeglijk naamwoord), slim.
vuilaas, [slimmerd], vûlaos, (onzijdig), slimmert.
vuilboom, vûlboom, (mannelijk), lijsterbes.
vuilik, vü̂̂lik, vûlik, (mannelijk), listig persoon; kwade geest; vü̂likesbelt, hooge plaats, waar kwade geesten verblijf houden.
vuist, vûste, (vrouwelijk), vuist.
vuisten, [de hand geven], vûsten, (zwak werkwoord), de hand geven.
vuur, vü̂̂r, (onzijdig), vuur.
waag, waoge, (vrouwelijk), waag.
waaier, [vlieger], wèjer, (mannelijk), vlieger, z. vl(i)eeger.
waaks, waksch, (bijvoeglijk naamwoord), waaksch (van een waakhond).
waan, waon, (mannelijk), waan.
waar, WAAR, ware, (vrouwelijk), waar, koopwaar.
waar, waor, (bijwoord), waar.
waarborg, waarborg, waorborg, (mannelijk), waarborg.
waard, wèrd, (bijvoeglijk naamwoord), waard.
waarde, wèrde, (vrouwelijk), waarde.
waardschap, warschop, (onzijdig), bezoek.
waarheid, waorheid, (vrouwelijk), waarheid; de waorheid z(i)een, sterven.
waarnemen, waarnemen, (sterk werkwoord), waarnemen.
waarschuwen, waarschuwen, (zwak werkwoord), waarschuwen.
wablief, wallee, wat blieft?
wacht, wacht, (vrouwelijk), waakzaamheid; de wacht anzeggen, waarschuwen.
wachtel, wachtel, wachtele, wachel , (mannelijk, vrouwelijk), kwartel
wachten, wachten, (zwak werkwoord), wachten; refl. zich hoeden.
wafel, waofel, (vrouwelijk), waofels, wafel.
wagen, waogen, (zwak werkwoord), wagen.
wagen, wagen, (mannelijk), wagens, wagen.
wagenschot, wagenschòt, (onzijdig), in planken gezaagd best eikenhout.
waggelen, waggelen, woggelen, (zwak werkwoord), waggelen.
wak, wak, (onzijdig), wakke, zwakke plaats in het ijs, wak.
wak, wak, (bijvoeglijk naamwoord), lauw, vochtig (van het weer gebruikt) wak weer.
wakel, wakhòlder, wáakĕldĕr , wakel, (mannelijk), jeneverbes.
waken, waken, (zwak werkwoord), waken.
wakker, wakker, (bijvoeglijk naamwoord), wakker.
wal, wal, (mannelijk), walle, wal.
walen, walen, (zwak werkwoord), iemand in ’t hooiland onder het hooigras stoppen en rondwentelen.
walken, walken, (zwak werkwoord), reflex. zich wentelen.
walnoot, wannö̀tte, (vrouwelijk), walnoot.
wam, wamme, (vrouwelijk), vleesch op de onderrib.
wambuis, wammes, (onzijdig), wambuis.
wan, [vanwaar], wann, (bijwoord, vrouwelijk), vanwaar.
wan, wanne, (vrouwelijk), wannen, wan.
wand, wand, (mannelijk), wende, wand, muur.
wang, wange, (vrouwelijk), wangen, wang.
wanneer, wanneer, wôneer, (bijwoord), wanneer.
want, want, (mannelijk, onzijdig), muur van leem.
want, wante, (vrouwelijk), wanten, handschoen zonder vingers, alleen met een duim.
want, [wandluis], wante, wantjen, weegluis.
wanzien, [niet in aanzien, vuil], wanzü̂̂ne, wanzöne, (bijvoeglijk naamwoord), niet in aanzien, vuil.
wapen, waopen, (onzijdig), waopens, wapen.
war, warre, (vrouwelijk), war.
ware, [hoede, aandacht], ware, (vrouwelijk), hoede, aandacht.
ware, [stem in de mark], ware, (vrouwelijk), stem in de marke.
waren, waren, (zwak werkwoord), zik waren, zich hoeden.
warm, warm, waarm, (bijvoeglijk naamwoord), wermer, wermst,, warm.
warmen, [warm maken], wermen, (zwak werkwoord), warmen.
warmte, wermde, (vrouwelijk), warmte.
warren, warren, (zwak werkwoord), warren, verwarren.
was, was, (onzijdig), was (cera).
was, was, (vrouwelijk), groei, in de was wèzen (van kinderen) in de groei zijn.
wasdoek, [schoonmaakdoek], wasscheldôk, waskedôk, (mannelijk), vaagdoek.
wasem, wasem, (mannelijk), wasem.
wassen, wasschen, (sterk werkwoord), wasschen.
wassen, wassen, (sterk werkwoord), wassen, lang worden; dik worden is grôjen.
wat, wat, (voornaamwoord), eenigen, wat zekt zoo, wat zekt anders.
wat, watte, (vragend voornaamwoord), wat.
wat voor, [vraagwoord], wavür, watvoor.
water, water, (onzijdig), water.
wateren, [het vee voeren], wetteren, (zwak werkwoord), het natte voeder (zûpen) aan het vee geven.
waterleiding, [buisleiding voor water], waterleide, (vrouwelijk), waterleiding.
watermolen, watermö̀lle, (vrouwelijk), watermolen.
web, webbe, (onzijdig), web, weefsel.
wed, wedde, (vrouwelijk), weddenschap; in de wedde loopen, om het hardst loopen.
wede, [twijg of band om mee te binden], wéde, wéden, teen of band om mee te binden.
wede, weede, (vrouwelijk), weede, salix viminalis.
wede, wije, wee, (vrouwelijk), wijen, weeën, twijg. Salix. z. Nom. geogr. Neerl. III, 359.
weduwman, wédeman, (mannelijk), weduwnaar.
weduwnaarsbotje, [telefoonbotje], wédebütjen, (onzijdig)
weduwvrouw, wédevrouw, (vrouwelijk), weduwe.
weegbree, weegbree, wègenblad, (onzijdig), plantago maior.
week, week, (bijvoeglijk naamwoord), weeke, week.
week, weke, (vrouwelijk), weken, week.
week, [eend], wèke, (mannelijk), eend; hé is van en wilden wèke, hij is een bastaard.
weem, weeme, (vrouwelijk), pastorie.
weemgaarde, [tuin van de pastorie], weemgaorden, (mannelijk), tuin van de pastorie.
weep, [plant uit de rozenfamilie], wépe, wépedoorn, (vrouwelijk), doorn, rosa canina.
weeps, weeps, (bijvoeglijk naamwoord), schuw (van paarden gezegd).
weer, weer, (onzijdig), weder, weer.
weer, [bezitting], weere, (vrouwelijk), bezitting.
weerlichten, [bliksemen], weerlüchten, (zwak werkwoord), bliksemen.
wees, weeze, (mannelijk, vrouwelijk), weezen, wees.
weesboom, weezeboom, (mannelijk), houten paal boven op den hooiwagen om het hooi vast te houden, (ook soms wédeboom).
weg, weg, (mannelijk), wège, weg.
wegen, wègen, (sterk werkwoord), wegen.
wegge, wegge, (mannelijk), rond brood van grof weitenmeel.
weggen, weggen, (mannelijk), weggens, brood.
weggenbrug, [snede brood], weggenbrügge, (vrouwelijk), snede brood.
weide, wisch, (vrouwelijk), weide.
weit, weite, (vrouwelijk), weit.
weken, weiken, (zwak werkwoord), week maken.
wekken, wekken, (zwak werkwoord), wekken.
wel, kwelle, welle, (vrouwelijk), wel.
wel, wal, (bijwoord), wel.
wel, [wie], wel, (vrouwelijk, voornaamwoord), wie.
welen, wèlen, (zwak werkwoord), spoken.
welig, wellig, welig.
welter, welter, (mannelijk), klomp boter, een laag hooi op een wagen.
welteren, welteren, (zwak werkwoord), zik welteren, zich wentelen.
wemelen, wimmelen, (zwak werkwoord), wemelen.
wemelen, wiemelen, (zwak werkwoord), draaien; schommelen.
wen, [gezwel], wenne, (vrouwelijk), wennen, gezwel, uitwas.
wende, wende, (vrouwelijk), keer, draai in een weg.
wendeput, wendepütte, (vrouwelijk), de voor die ’t eerst uitgegraven wordt bij het omzetten van een akker.
wendezuil, [balk waaraan een ketel gehangen wordt], wendezûle, (vrouwelijk), balk, die gedraaid wordt om zoo den grooten ketel aan den haolketten op vuur te kunnen hangen.
wennen, wennen, (zwak werkwoord), wennen.
wens, wensch, wensche, (mannelijk), wensch.
wens, wenscht, (vrouwelijk), verlangen.
wensen, [verwonderen], wünschen, (zwak werkwoord), verwonderen.
wentelsuis, [haak waaraan een ketel hangt], wentelsûze, (vrouwelijk), haak, waar de ketel aan hangt.
weppel, [beek; waterleiding], weppel, (vrouwelijk), ondiep beekje; waterleiding.
wereld, wèreld, (vrouwelijk), wereld.
weren, wèren, (zwak werkwoord), weren.
werf, warf, warve, (mannelijk, vrouwelijk), werf, huis en erf.
werfhout, [boom uit de wilgenfamilie, hout van die boom], warfhòlt, (onzijdig), salix caprea.
werg, werg, (bijvoeglijk naamwoord), vlug, krachtig, hi züt er werg ût.
werk, wark, (onzijdig), werk.
werk, wark, (onzijdig), vlas.
werkdag, werkeldag, (mannelijk), werkdag.
werken, warken, (zwak werkwoord), werken.
wesp, wepse, (vrouwelijk), wepsen, wesp.
wespennest, [nest van wespen], wepsennö̀st, (onzijdig), wepsennest.
wet, wet, (vrouwelijk), wette, wet; nao d’òlde wette, volgens de oude mode.
weten, wéten, (sterk werkwoord), wist, eweten, weten.
wetten, wetten, (zwak werkwoord), scherpen.
weven, wèven, (zwak werkwoord), weven.
wezen, wèzen, (onzijdig, werkwoord), wèzens, was, ewest, wezen.
wibbelen, wibbelen, (zwak werkwoord), zingdeun bij het wippen: wibbelwübbel wipwap.
wicht, wicht, (onzijdig), wichter, kind
wideho, [vogel], widehò, (vrouwelijk), hop, upupa.
wieg, wieege, weege, (vrouwelijk), wi(e)g.
wiegen, wieeden, weeën, wieegen, weegen, (zwak werkwoord), wiegen.
wielewaal, wîlewale, widewale, (mannelijk, vrouwelijk), wielewaal.
wieme, wîme, (vrouwelijk), zolder van het vertrek, waaraan het gerookte vleesch hangt; ’t spek henk in de wîme.
wier, wîr, (onzijdig), wier.
wierborstel, wierbö̀rstel, (mannelijk), ruziemaker.
wierig, wîrig, (bijvoeglijk naamwoord), beweeglijk, vroolijk.
wiers, wîrs, (vrouwelijk), laag hooiland.
wierwinde, [plant], wîrwinde, (vrouwelijk), wilde convolvulus.
wig, wigge, (vrouwelijk), wig.
wigbold, [rechtsgebied van een stad], wigbòld, (onzijdig), plek waarover het rechtsgebied eener stad zich uitstrekt.
wijd, wîd, (bijvoeglijk naamwoord), wijd; wîd wage lö̀s, wagenwijd open.
wijd weg, wîdewège, heinde en veer.
wijden, wîen, (zwak werkwoord), wijden.
wijf, wîf, (onzijdig), wîve, vrouw.
wijk, wîk, (vrouwelijk), kreek.
wijk, wîk, (vrouwelijk), gedeelte eener gemeente.
wijken, wîken, (sterk werkwoord), wijken.
wijl, wîl, (vrouwelijk), tijd.
wijn, wîn, (mannelijk), wijn.
wijndruif, [wijnstok, druivenboom], wîndrûve, (mannelijk), wingerd.
wijs, wîs, (bijvoeglijk naamwoord), wijs.
wijsworden, [vernemen], wîs worden, vernemen.
wijten, wîten, (sterk werkwoord), wijten.
wijzemoer, [vroedvrouw], wîzemôr, (vrouwelijk), vroedvrouw.
wik, [lampenkatoen], wikke, wèke, (vrouwelijk), wikken, wèken, lampkatoen.
wikken, wikken, (zwak werkwoord), voorspellen, dreigen.
wiks, [schoensmeer], wiks, (onzijdig), schoensmeer.
wikwijf, [waarzegster], wikkewif, (vrouwelijk), waarzegster.
wil, wille, (vrouwelijk), genoegen; voldoening: wi had er vö̀lle wille van.
wild, wild, (bijvoeglijk naamwoord), wild; hé wier wild, hij werd toornig.
wilde scheerling, [plant], wilde scheerlink, cicuta virosa, ook anthriscus sylvestris.
wildewas, [struikgewas; wildvlees], wildewas, (onzijdig), struiken; wildvleesch.
wilg, wilge, (vrouwelijk), wilg.
willen, willen, wol, ewild, willen.
willig, willig, (bijvoeglijk naamwoord), bereid, gehoorzaam, geneigd tot, dartel.
willigheid, [gehoorzaamheid, goede wil; dartelheid], willigheid, (vrouwelijk), dartelheid (als ’t van meisjes gezegd wordt); gehoorzaamheid (van kinderen gezegd).
wilmoeds, [opzettelijk], willemö̂ds, (bijwoord), opzettelijk.
Wimpie, [eigennaam (vkw. van Willem)], Wimpien, vrklw. van Willem.
wind, wind, (mannelijk), winde, wind.
winde, winde, (vrouwelijk), convolvulus sepium.
winden, winden, (sterk werkwoord), zwachtelen.
windsnee, windsnee, (vrouwelijk), valwind, rukwind.
winkel, winkel, (mannelijk), hoek, verkoophuis.
winnen, winnen, (sterk werkwoord), winnen, vorkrijgen; he hef en kind ewonnen.
winst, winste, (vrouwelijk), winst.
winter, winter, (mannelijk), winters, winter.
wip, wippe, (vrouwelijk), wip.
wis, wis, wisse, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), wisse, zeker; jao wisse, ja zeker.
wis, wisch, (mannelijk), bos van hooi en stroo.
wissel, wissel, (mannelijk), wissel.
wissen, wisschen, (zwak werkwoord), vegen.
wit, wit, (bijvoeglijk naamwoord), witte, wit.
wittewijf, [spookverschijning; wetende vrouw, heidense priesteres], wittewîf, (onzijdig), thans voor spookverschijning in gebruik; oorspronkelijk wetende vrouw, heidensche priesteres; vgl. wittewivenkûl bij Lochem.
woe, [hoe], , , (bijwoord), hoe.
woede, wôd, (mannelijk), woede.
woede, wôde, (vrouwelijk), woede.
woel, wö̂le, (vrouwelijk), mol.
woelen, wö̂len, (zwak werkwoord), woelen.
woensdag, gônsdag, (mannelijk), woensdag.
woerd, wôrd, (mannelijk), woerd, waard, mannetjeseend.
woerd, wûrd, (mannelijk, vrouwelijk), begraafplaats.
woest, wö̂ste, (bijvoeglijk naamwoord), ledig, woest; en wö̂sten pòt, zonder vleesch of vet.
wol, wolle, (vrouwelijk), wol.
wolf, wolf, (mannelijk), wolve, wolf. Eene ziekte der koeien kenbaar door slappen staart, die dan ingesneden wordt.
wolfsmelk, wolfsmelk, (vrouwelijk), euphorbium.
wolfspoot, [soort plant], wolfspoot, lycopodium complanatum.
wolk, wolke, (vrouwelijk), wolken, wolk.
wond, wonde, (vrouwelijk), wonden, wond.
wonder, wonder, (onzijdig), wonder.
wonen, wónen, (zwak werkwoord), wonen.
woner, [arbeider], wóner, arbeider, die op een arbeidsplaatsje bij de boerderij behoorende woont.
woonte, [woning], wonte, (vrouwelijk), woning.
woord, waord, woord, (onzijdig), waorde, woord.
worden, worden, woden, (sterk werkwoord), worden.
worm, wòrm, (mannelijk), wö̀rme, würms, worm.
wormkruid, [soort plant], wòrmkrü̂d, (onzijdig), tanacetum vulgare.
worst, wòrst, wost, (vrouwelijk), wö̀(r)ste, worst.
worstelen, frôselen, (zwak werkwoord), worstelen.
worstelen, wö̀rstelen, wö̀stelen, (zwak werkwoord), worstelen; wi hebt wat te wö̀rstelen, wij hebben heel wat moeite om rond te komen.
worstenpin, [pen om een gestopte worst mee te sluiten], wòrstepin, wòstepin, (vrouwelijk), doorn die de worst aan ’t einde sluit.
wortel, wòrtel, wòtel, (mannelijk), wortels, wortel.
woud, wold, woold, (onzijdig), woud; boschstreek.
wraak, wraoke, (vrouwelijk), wraak.
wrang, [complex van holen of gangen in de grond], vrange, wrange, (vrouwelijk), loopgraaf van konijnen, vossen, enz.
wrang, vrange, (vrouwelijk), stremming in de melkgevende uier.
wrangpijp, [zijgang in een hol], vrangepîpe, (vrouwelijk), afloopende zijgang in een konijnenhol.
wrangwortel, [plant uit de ranonkelfamilie], wrangewortel, (vrouwelijk), helleborus viridis.
wrat, waorde, (vrouwelijk), wrat.
wreed, vreed, wreed, (bijvoeglijk naamwoord), wreed, hard, ruw; vreed vleisch, taai vleesch; ; wreed vlas, vreeje wolle.
wreef, wrîje, vrîje, vree, vrije, (vrouwelijk), wreef van den voet.
wrevel, vrével, (mannelijk), wrevel.
wring, vring, wring, (mannelijk), hek voor een weiland.
wringen, vringen, wringen, (sterk werkwoord), wringen.
wrochting, [schutting], vrochting, schutting.
wroegen, wrö̂gen, vrö̂gen, (zwak werkwoord), aanklagen.
wroet, [mol], wrö̂te, vrö̂te, (vrouwelijk), mol.
wroeten, vrö̂ten, (zwak werkwoord), vroeten.
wrongel, vronge, (vrouwelijk), gestremde melk.
wurgen, wö̀rgen, (zwak werkwoord), wurgen; braken; met moeite doorslikken.
wurster, [boender], wö̀rster, wö̀rsser, (mannelijk), boender.
zaad, zaod, (onzijdig), zaad.
zaadzaam, [verzadigend], zaodzaam, (bijvoeglijk naamwoord), verzadigend.
zaag, zage, (vrouwelijk), zagen, zaag.
zaaien, zèjen, (zwak werkwoord), zaaien.
zaak, zake, (vrouwelijk), zaken, zaak.
zaal, zaal, (mannelijk), zaal.
zaalverig, [verlept, tanig], zaalverig, (bijvoeglijk naamwoord), tanig.
zacht, zachte, (bijvoeglijk naamwoord), zacht, bw. zachte, slaopzachte, slaapgoed.
zachts, [gemakkelijk; tenminste], sachs, zachts, (bijwoord) , op zijn minst, ten minste; laot ik er sachs bij wèzen.
zadel, zaal, (onzijdig), zaals, zadel.
zak, zak, zakke, zak; w(i)ee ’t gat derin estòtten hef mot den zak lappen, wie het kwaad gedaan heeft moet het goed maken.
zalf, zalve, (vrouwelijk), zalven, zalf.
zalig, zaoleg, (bijvoeglijk naamwoord), zalig.
zalm, zalm, (mannelijk), zalmen, zalm.
zam, [zacht], samp, sam, (bijvoeglijk naamwoord), zacht, week, murw. (Doetinchem).
zand, zand, (onzijdig), zand.
zandoer, [harde grondlaag, soort ijzererts], zandûr, (onzijdig), slechte soort ijzererts.
zat, sadde, sadaos, (mannelijk), neetoor.
zat, zat, zattert, (bijvoeglijk naamwoord), voldaan, genoeg.
zauwelen, sauwelen, (zwak werkwoord), kieskauwen.
zavelboom, zavelboom, (mannelijk), sevenboom, juniperus sabina.
zee, zee, (vrouwelijk), zee.
zeeg, sége, zége, (vrouwelijk), geit, vgl. sikke.
zeegbok, [bok, geit], ségenbok, (mannelijk), bok.
zeel, zeel, (onzijdig), zeele, zeel.
zeelt, zelte, (vrouwelijk), zelten, zeelt.
zeep, zeepe, (vrouwelijk), zeepen, zeep.
zeeptrijn, [vuile vrouw], zeepetrîne, (vrouwelijk), vuil wijf (ook in zedelijken zin).
zeer, zeer, (onzijdig), smart, ’et zeer tinea capitis.
zeerte, zeerte, (vrouwelijk), zie höfdzeerte.
zege, zége, zege, overwinning.
zegel, zégel, (onzijdig), zegel.
zegeltjes, [plant], zégeltjes, (meervoud), polygonatum multiflorum.
zegen, zègen, (mannelijk), zegen.
zegen, zègen, zègens, zegen (net).
zeggen, zeggen, zee (zei), ezekt, zeggen.
zeil, zeil, (onzijdig), zeil.
zeisen, zeisen, (vrouwelijk), zeis om gras te maaien.
zeker, zéker, (bijvoeglijk naamwoord), zeker.
zelfegge, zelfegge, (vrouwelijk), zelfkant.
zemelen, zemmels, (vrouwelijk), zemelen.
zes, zesse, (telwoord), zes.
zet, [periode van tijd], zet, (mannelijk), tijdsverloop, ’t is en heelen zet eleen.
zetrecht, [regelmatig, altijd], zetrecht, (bijwoord), geregeld; he is zetrecht ’s aovens bezòpen.
zeug, zöge, (vrouwelijk), zeug.
zeven, zöven, (telwoord), zeven.
zevenboom, zévenboom, (mannelijk), iuniperus sabina.
zevenkruid, [plant uit de wolfsklauwfamilie], zévenkrü̂d, (onzijdig), lycopodium complanatum
zevensprong, zövensprong, (mannelijk), ouderwetsche dans, nauwelijks meer bekend dan bij name.
zeventig, tzöventig, (telwoord), zeventig.
zever, zeiver, (vrouwelijk), zeever.
zever, zeever, (vrouwelijk), speeksel.
zeveren, [kwijlen, zeuren], zeiveren, (zwak werkwoord), kwijlen.
zich, zik, (voornaamwoord), zich.
zicht, zichte, (mannelijk), zeis; bouwzichte, om koren te maaien; plakzichte, om heidezoden te maaien.
zichtvrede, [grond waarop bepaalde personen recht hebben om plaggen te maaien of te steken], zichtvree, (mannelijk), grond, waar bepaalde personen recht hebben om plaggen te maken.
zieden, zieen, zeen, (sterk werkwoord), zòd, ezòd, ezóden, zieden, koken.
ziek, zieek, zeek, (bijvoeglijk naamwoord), ziek.
ziel, zieele, zeele, (vrouwelijk), ziel.
zien, zieen, zeen, (sterk werkwoord), zoog, ezeen, zien.
ziften, ziften, (zwak werkwoord), ziften.
zij, sije, (vrouwelijk), wijfje van een vogel.
zijeind, [zijkant], zîdende, (onzijdig), zijkant. eersende zîdende schit / dé ’t verlüs is ’t kwît, / versje bij het eiertikken met Paschen in gebruik; vgl. eersende.
zilver, zülver, (onzijdig), zilver.
zinnig, [bij zinnen zijnd; mak], zinnig, (bijvoeglijk naamwoord), mak, (van beesten).
zinnigheid, [het zinnig-zijn; lust], zinnigheid, (vrouwelijk), lust; makheid.
zitten, zitten, (sterk werkwoord), zitten; ’t zit er n(i)eet an. ’t kan er n(i)eet af; blîf n(i)eet zitten as Jan van vér, schik naderbij; dé vör ’t vü̂r zit wermt zîn rügge, die bij ’t vuur zit warmt zich ’t best.
zode, zoo, (vrouwelijk), zooden, graszode.
zode, [vissoort], , (vrouwelijk), zode (visch).
zode, zòde, (vrouwelijk), koffiedik.
zoeken, zö̀ken, (zwak werkwoord), zoeken.
zoel, [vuil, ongezond], zûl, (bijvoeglijk naamwoord), ongezond, tanig, en zûle klör, een tanige kleur.
zoet, zö̀te, (bijvoeglijk naamwoord), zoet.
zog, zòg, (onzijdig), zog.
zogen, zü̂̂gen, zögen, zoogen (zögen van dieren meest gebruikt.).
zomen, zömen, (zwak werkwoord), zoomen.
zomer, zommer, (mannelijk), zomer.
zomp, zompe, (mannelijk), drink- of voederbak voor ’t vee.
zon, zünne, (vrouwelijk), zon.
zonde, zünde, (onzijdig), zonde.
zonder, [iem. die zondigt], zünder, (vrouwelijk), zonder.
zondig, [aan zonde overgegeven], zündig, (bijvoeglijk naamwoord), zondig.
zonnedauw, zünnendouw, (vrouwelijk), drosera-soorten.
zool, zòle, (vrouwelijk), zòlen, zool.
zoom, zoom, zòme, (mannelijk), zoom.
zoon, zö̀nne, (mannelijk), zö̀ns, zoon.
zoor, zoor, (bijvoeglijk naamwoord), zoore, dor; verdroogd.
zorg, zòrge, (vrouwelijk), zorg.
zout, zòlt, (onzijdig), zout.
zucht, zücht, (mannelijk), zucht.
zucht, zücht, (vrouwelijk), ziekte.
zuid, zü̂̂d, (bijwoord), zuid.
zuiden, zü̂̂den, zuiden.
zuigen, zûgen, (sterk werkwoord), zuigen.
zuiger, [plant], sü̂k, (vrouwelijk), kamferfoelie.
zuigmemmetje, [speen van een zuigfles], ségememmeken, (onzijdig), elastieke speen op een zuigflesch.
zuimen, zü̂̂men, (zwak werkwoord), zuimen.
zuipen, zûpen, (sterk werkwoord), zoop, ezòpen, zuipen.
zuivel, zü̂̂vel, (mannelijk), zuivel.
zuiver, zü̂̂ver, (bijvoeglijk naamwoord), zuiver, rein.
zulk, zük, (voornaamwoord), zulk.
zulle, zülle, (vrouwelijk), drempel.
zullen, züllen, (werkwoord), zòl, züllen, zullen.
zult, zült, (onzijdig), gezouten spek of hoofdkaas.
zuring, zü̂̂ring, (vrouwelijk), zuring.
zuster, züster, (vrouwelijk), zuster.
zuur, zûr, (bijvoeglijk naamwoord), zuur.
zwaan, zwane, (vrouwelijk), zwaan.
zwaar, zwaor, (bijvoeglijk naamwoord)
zwad, zwadde, (vrouwelijk), de zwaai: ’t höj lig in de zwadde, d.i. zooals het gemaaid is.
zwager, zwaoger, (mannelijk), zwager.
zwak, [lenig, vlug], zwak, (bijvoeglijk naamwoord), lenig, vlug; zwak in de beene, vlug ter been.
zwaluw, zwaalve, zwaalver, (vrouwelijk), zwaalven, zwaluw (ook zwaolewen Dev.)
zwam, zwam, (onzijdig), zwamme, zwam.
zwart, zwat, zwat, (bijvoeglijk naamwoord), zwart.
zwavel, zwèvel, (mannelijk), zwavel.
zweem, zweem, (mannelijk), zweem.
zweep, zwepe, zwö̀pe, (vrouwelijk), zweep; ook zwep o.a. in het liedje: Jan span an, de katten vör den wagen / Had ik een zwep ik zòl der met jagen.
zweer, zwère, (mannelijk), zwèren, zweer.
zweet, zweet, (onzijdig), zweet.
zwemmen, zwemmen, (sterk werkwoord), zwemmen.
zwen, [snede koren of gras], zwenne, (vrouwelijk), de zwaai; ’t gres in de zwenne laoten liggen.
zwengel, zwengel, (mannelijk), zwengel van de pomp.zwengel van de pomp; stok, waaraan de puthaak zit, waarmee de emmer wordt opgehaald.
zwepig, [buigzaam, lenig], zweppig, (bijvoeglijk naamwoord), buigzaam, lenig; en zweppige kerel.
zweren, zwèren, (sterk werkwoord), zweren.
zwerven, zwarven, (sterk werkwoord), zwerven.
zweten, zwéten, zweiten, (zwak werkwoord), zweten.
zwetsloot, [grenssloot], zwetsloot, (vrouwelijk), grenssloot.
zwezerik, zwézerik, (mannelijk), pezerik.
zwijd, swît, (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord), zeer goed, zeer mooi; ’t was ter swît, het was er uitstekend.
zwijdslaan, [bluffen], swîtslaon, bluffen, groot vertoon maken.
zwijgen, zwîgen, (sterk werkwoord), zwijgen.
zwijmel, [duizeling], zwîmel, (mannelijk), duizeling.
zwik, zwik, (mannelijk), spon in een vat.
zwikkel, [wit], swikel, (bijvoeglijk naamwoord), (verouderd) in het rijm: swikle zwane, wit; zie krûn.
zwikstelling, [omloop om een molen], zwikstelle, (vrouwelijk), werktuig om de wieken van den molen te verdraaien.
zwil, zwil, (onzijdig), eelt, kant van het spek.
zwilk, zwilk, (onzijdig), wasdoek.
zwoeksen, [heen en weer bewegen]
zwoerd, zwaord, (onzijdig), zwäorde, zwaard van het spek.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal