elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.

aal, oal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oal, ùele, ùelken, aal
aalbes, oalbeaze, zelfstandig naamwoord, zwarte bes
aalschaar, oalskeare, zelfstandig naamwoord, tang om aal te vangen
aan, an, voorzetsel, aan, tegenaan, tegen, vlakbij. Eenn an n kop houwn, iem. aan ’t hoofd slaan; biej eenn an t hoes, bij iem. thuis
aan, an, bijwoord, waar, zeker. eenn wier an wean, iem. weer ingehaald hebben; zoo an goan, zo vanzelf overkomen; wat geet oew an, wat bezielt je; wat an loopm, wat vlugger lopen; groot an wean, erg bevriend zijn; dr is niks van an, er is niks van waar; noa an, op 't nippertje; dr is wat van an, 't is tamelijk erg
aanbeteren, anbetrn, werkwoord, genezen
aanbetreffen, anbetràfn, werkwoord, onpersoonlijk, betreffen
aanbeunen, anbeunn, werkwoord, rommel op ’t land bij elkaar werken
aanbieden, anbeen, werkwoord, aanbieden
aanbinden, anbeenn, werkwoord, vastbinden van dieren
aanboeten, anbeutn, werkwoord, sterk, tegenwoordige tijd: bòt, verleden tijd: botn, verleden deelwoord: anebòt, aanmaken, van vuur. Vuerks beutn, vuurtjes stoken.
aanbranden, anbraann, werkwoord, aanbranden. t Braandt oe wan de panne, je krijgt het lid op de neus
aanbreken, anbrekng, werkwoord, ontginnen van grond
aandacht, andach, Goon andach, wordt gesticht!
aandoen, andoon, werkwoord, aandoen. Zik wat andoon, zelfmoord plegen; anedoan, (dlw), ontroerd
aandrijven, andriewn, werkwoord, aansporen
aaneen, aneene, bijwoord, aan elkaar vast
aangaan, angoan, werkwoord, 1 bij iem. binnengaan, 2 drukte en lawaai maken, 3 aanbelangen. Goat an!, Kom op! Vooruit!
aangelegenheid, angeleangnhaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zaak, geval, omstandigheden
aanglooien, anglouwn, werkwoord, zwak, aangapen
aangrauwen, angrouwn, werkwoord, aangrommen
aanhalen, anhaaln, werkwoord, aanhalen. Wat haal iej an?, waar laat je je mee in?
aanhalerig, anhaaldereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, overdreven vriendelijk
aanhankelijk, anhaanklek, bijvoeglijk naamwoord, aanhankelijk
aanhitsen, anhiskn, werkwoord, zwak, aanhitsen
aanhogen, anhueng, werkwoord, ophogen
aanhoren, anhuern, werkwoord, bij iem. langs gaan om bericht
aanhouden, anhòoln, werkwoord, 1 lang duren, 2 niet wegdoen of prijsgeven. Kot anhòoln, niet veel speelruimte laten; anhòoln dut vekrienng, de aanhouder wint; dat hòole viej an, dat is afgesproken
aankap, ankàpken, zelfstandig naamwoord, houten driehoekje boven aan rieten geveldak
aankauwen, ankawn, werkwoord, zwak, opschieten met eten
aankeren, ankearn, werkwoord, schoonvegen
aankijken, ankiekng, werkwoord, 1 aankijken 2 het bekijken waardig keuren. ’t Woark kik miej an, ik zie tegen ’t werk op
aankleden, ankleen, werkwoord, mooi aankleden, uitdossen
aankomen, ankomm, werkwoord, groter worden, groeien. Ankomm wekke, volgende week
aankrijgen, ankrieng, werkwoord, vastpakken, in ontvangst nemen. Krieg an!, bedien je! tast toe
aankuieren, ankùjrn, werkwoord, aanpraten
aanlangen, anlangn, werkwoord, zwak, aanreiken
aanlaten, anloatn, werkwoord, meer melk gaan geven
aanleggen, anleg’ng, werkwoord, aanpakken, op touw zetten, weten te sturen. ’t Met eenn anleg’ng, met iem. aanpappen; de rogge anleg’ng, de rogge op de dorsvloer uitspreiden
aanliggen, anlig’ng, werkwoord, aan de borst liggen
aanlijken, anliekng, werkwoord, effenen
aanmaken, anmaakng, werkwoord, 1 voortmaken, 2 voor gebruik gereed maken, ook van grond; Met wat anemaakt wean, ergens mee opgescheept zijn
aannemen, annemm, werkwoord, 1 voor waar aannemen, 2 in godsdienstige gemeenschap opnemen, 3 mee accoord gaan, 4 nw. o. aannemingsplechtigheid in de kerk
aannemersbank, annemrsbaanke, zelfstandig naamwoord, kerkbank voor die aangenomen worden in de kerk
aannemershoed, annemrshood, zelfstandig naamwoord, hoed voor die aangenomen worden in de kerk
aannemersjak, annemrsjak, zelfstandig naamwoord, jak voor die aangenomen worden in de kerk
aannemerskleed, annemrskleed, zelfstandig naamwoord, japon voor die aangenomen worden in de kerk
aannemerspak, annemrspak, zelfstandig naamwoord, pak voor die aangenomen worden in de kerk
aanpakken, anpakng, werkwoord, 1 beetpakken, in ontvangst nemen, 2 aanranden, 3 gaan ontginnen, 4 op touw zetten, 5 aanvaarden, 6 beginnen, met werk in loondienst
aanpreken, anpreakng, werkwoord, door indrukwekkend toespreken tot iets nadeligs bewegen
aanpunten, anpuentn, werkwoord, aanspitsen
aanraken, anraakng, werkwoord, aanraken met vijandige bedoeling, te na komen. Raak miej ’s an!, Kom es op als je durft!; ik wol um nog neet aanrakng, ik wou niets met hem te doen hebben
aanredderen, anrellkn, werkwoord, opdrogen
aanreiken, anrekng, werkwoord, aanreiken
aanrekenen, anreknn, werkwoord, toerekenen
aanroeren, anruern, werkwoord, ter sprake brengen
aanruiken, anroekng, werkwoord, vluchtig bezoek brengen
aanscherpen, anskoarpm, werkwoord, zwak, scherper maken
aanschikken, anskikng, werkwoord, aan tafel gaan
aanschrijven, anskriewn, werkwoord, 1 schriftelijk kennisgeven, 2 als schuldenaar boeken
aanschrijving, anskriewege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, officieel schriftelijk bericht
aanslag, anslag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 verkeer met medemensen, 2 neerslag, afzetting
aanspraak, ansproake, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 toespraak, 2 iem. om mee te keuvelen
aanspreken, ansprekng, werkwoord, bezoeken van een zieke
aanstaan, anstoan, werkwoord, 1 bevallen, behagen, 2 bij elkaar komen staan. Goat ees anstoan, nu moet je es horen!
aanstekelijk, anstekkelek, bijvoeglijk naamwoord, besmettelijk
aansteken, anstekng, werkwoord, 1 besmetten met ziekte of bederf, 2 driftig worden
aanstellen, ansteln, werkwoord, wederkerig, zich aanschaffen
aanstijven, anstiewn, werkwoord, sterk, opdrogen van de veenpap voor turfmaken
aanstoten, anstootn, werkwoord, 1 door een duwtje iem. ergens attent op maken, 2 klinken, met glazen, 3 hakkelen. Stoot ees an de weege!, drink eens uit!
aanstrepen, anstreepm, werkwoord, met nadruk op iets wijzen
aanstrijken, anstriekng, werkwoord, besmeren met verf
aantasten, antasn, werkwoord, slopen, door ziekte. Vuur n antas, voor ’t grijpen
aantijgen, antieng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tiege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t, aanrekken, van kleren en derg.
aantijgen, antieng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tiege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t, beschuldigen
aantonen, antuenn, werkwoord, bewijzen
aantreffen, antràfn, werkwoord, aantreffen, vinden. k’Eb um nog noojt vekeerd anetrùfn, ik heb hem nog nooit uit zijn humeur gevonden
aantrekken, antrekng, werkwoord, aantrekken, wed. zich aankleden. Oarns noar anetrùkn wean, voor iets in de stemming zijn
aanvaarden, anvoarn, werkwoord, zwak, aanvaarden, in bezit nemen
aanvallig, anvalleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, innemend, lief
aanvaren, anvoarn, werkwoord, aanrijden
aanvertrouwen, anvetrouwn, werkwoord, toevertrouwen
aanwassen, anwasn, werkwoord, groeien
aanwinnen, anwinn, werkwoord, vooruitgaan
aanworden, anwordn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aanwensel
aanwrijven, anwriewn, werkwoord, onder de neus wrijven
aanzachten, anzachn, werkwoord, zwak, genezen, van wond
aanzeggen, anzeg’ng, werkwoord, 1 nadrukkelijk berichten, 2 bericht doen van overlijden
aanzegger, anzegr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, anzegrs, vrouw, die overlijden bericht, paarsgewijze
aanzegging, anzeg’ngge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nadrukkelijk bericht
aanzien, anzeen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aanzien
aanzien, anzeen, werkwoord, eenn t kùnn anzeen, 1 ’t iem. kunnen aanzien, 2 afwachtend aanzien
aanzoek, anzeuk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, anzeuke, trouwaanzoek
aanzoeking, anzeukng, werkwoord, uitnodigen voor ambt of eervolle plaats
aanzoeten, anzeutn, werkwoord, zwak, tot een begeerte worden
aap, aap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, àepe, àepken, aap. Gekken aap, drommelse kwajongen
aar, oare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oarn, ùerkn, aar
aard, oard, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 karakter, 2 soort. In n oard bliewn, zaad- of pootgoed bewaren voor volgend jaar; op zonnen oard, zo bekeken, in die geest; neet oet n oard eslaang wean, van ’t zelfde slag zijn
aard, oart, bijwoord, enigszins
aard, oart, onbepaald voornaamwoord, een beetje
aardappel, earpl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, earpl, earplken, aardappel; earpl moal, sober maal, aangeboden aan de gevers van aardappelen aan iem. die geen wintervoorraad had; earpl met knoopsgeatr, stamppot van snijbonen
aardbei, earbeaze, zelfstandig naamwoord, aardbei
aarde, oarde, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klei voor pottenbakken
aarden, oardn, werkwoord, zwak, aarden. t Oart of t roazet, ’t valt heel goed of helemaal verkeerd
aardig, oareg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vreemd, raar. Nen oaregen, een zonderling
Aäron, oaron, hee vrùg noar oaron zinne mùlle neet, hij vraagt nergens naar, alles laat hem onverschillig
aars, ears, zelfstandig naamwoord, mannelijk, earze, earsken, aars
aas, oas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ùeze, ùesken, aas, lokaas
aas, oas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ùeze, ùesken, aas, in kaartspel
acht, ach, zelfstandig naamwoord, acht. ach geewn op, letten op; Geewt ees ach, let maar eens op!
acht, achte, telwoord, 8
achten, achn, werkwoord, zwak, achten, blijk van achting geven
achter, achtr, bijwoord, achter; dr achtr hen, 1 er achter vandaan, 2 er achter omheen; dr achtr hen kiekng, een bezoek brengen; t geet’r oe achtr hen, ’t gaat je neus voorbij; dr achtr daal komm, achter ’t net vissen; dr achtr hen doon, de deur
achter, achtr, voorzetsel, achter
achteraan, achtran, bijwoord, achteraan
achteraars, achtrears, bijwoord, achterstevoren
achterbeen, achtrbeen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, achterpoot
achterberen, achtrbearn, werkwoord, zwak, tochtig zijn, van varken
achterboks, achtrbokse, zelfstandig naamwoord, riem achter om ’t paard in ’t tuig. De achtrbokse antrekng, terugkrabbelen
achterdeur, achtrduure, zelfstandig naamwoord, deur van de keuken naar buiten
achtereind, achtreane, zelfstandig naamwoord, achtereind
achterhout, achtrhòolt, zelfstandig naamwoord, dwarsbalk om 2 paarden aan te spannen
achterin, achtrin, bijwoord, achterin. Hee slùp achtrin, de vrouw is de baas
achterkant, achtrkaante, zelfstandig naamwoord, achterzijde
achterkeuken, achtrkùkng, zelfstandig naamwoord, bijkeuken
achterna, achtrnoa, bijwoord, achterna
achterover, achtrouwr, bijwoord, achterover
achterste, achsn, bijvoeglijk naamwoord, achterste
achterstel, achtrstel, zelfstandig naamwoord, achterradstel, van boerenwagen
achteruit, achtroet, bijwoord, achteruit
achterzeel, achtrzeel, zelfstandig naamwoord, touw, om een voer hooi of graan op de wagen te houden, overlangs
achttien, achteene, telwoord, 18
adem, oam, oasm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, adem. In n oam skeetn, op adem komen; loa’k n oam bewoarn, waarom zou ik me druk maken; Oetgoan van n oasm, de laatste adem uitblazen
ader, oare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oarn, ùerkn, ader
adjudant, adjuudant, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iem., die altijd ’t woord wil hebben
af, of, bijwoord, af, vanaf, van. n Muejsn dr of, de mooiste die er bij is
afbeunen, ofbeunn, werkwoord, een pak slaag geven
afbreken, ofbrekng, werkwoord, de zang onderbreken, van vogels
afdragen, ofdreang, werkwoord, wegdragen van de uit leem gevormde stenen, naar het droogveld
afgaan, ofgoan, dr zal un nog nen pier ofgoan, het zal hem nog lelijk opbreken
afgaand, ofgoand, bijvoeglijk naamwoord, verlopen, minder wordend
afgang, ofgaank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ontlasting
afgaren, ofgadrn, werkwoord, aframmelen
afgunstig, oawrguensteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afgunstig
afhouden, ofhòoln, werkwoord, 1 ten onrechte de wind van voren geven, 2 behoefte laten doen, van kind
afhouwen, ofhouwn, werkwoord, geslacht dier in stukken hakken
afjacht, ofjach, ofjach geewn, laten voelen niet welkom te zijn
aflaten, ofloatn, werkwoord, minder melk gaan geven
afleiden, oflaejn, werkwoord, wegleiden
afmeten, ofmetn, eenn neet ofmetn kùnn, iem. niet bereiken kunnen, om te slaan
afniefelen, ofniefln, werkwoord, afhandig maken
afrasteren, ofrastrn, werkwoord, afrikken
afreden, ofreen, werkwoord, ontdraden, van bonen
afrepelen, ofrepln, werkwoord, wederkerig, zich afbeulen
afschijnen, ofskienn, werkwoord, warmte geven
afschotelen, ofskùtln, werkwoord, misdelen, het goede onthouden
afslaan, ofsloan, zik zo neet loatn ofsloan, zich zo maar niet gewonnen geven
afslobberen, ofslobrn, werkwoord, van ’t voer wegdrukken
afsteken, ofstekng, werkwoord, bovenlaag van veen weghalen
afstorten, ofstùtn, werkwoord, afgieten
afstraffen, ofstrafn, werkwoord, ontstrijden
afstrijden, ofstrien, werkwoord, met woorden betwisten
aftokken, oftokng, werkwoord, door listig praten afhandig maken
aftreden, oftrean, werkwoord, met voetstappen afmeten
aftrekken, oftrekng, werkwoord, 1 afdruipen, 2 bleek worden, 3 aftreksel maken, 4 stukken tot turf gesneden veen overeind zetten
afvallen, ofvaln, werkwoord, tegenvallen
afvliezen, ofvleuzn, werkwoord, zwak, afromen
afzetten, ofzetn, werkwoord, ontijdig werpen
al, al, bijwoord, voor een medeklinker en bij sterke klemtoon vaak: a, 1 reeds, 2 wel. Da’s a!, dat is wel waar!; dat he’j a!, dat heb je wel
al te, altee, bijwoord, al te erg
algerak, algerak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zeldzaamheid
alleens, allees, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, meervoud: alleeze, volkomen aan elkaar gelijk
allemaal, allmoale, bijwoord, allemaal
allenig, alleeneg, bijwoord, alleen. Neet alleeneg wean, sterke drank gedronken hebben
aller-, aldr, bij overtreff. trap bv. nm. aller-
alles, alls, bijwoord, alles. Op eenn alls neet oetdoen, van iem. niet alles zo maar aannemen; alls op alls zetn, alles aan iets wagen
als, as, voegwoord, 1 indien, wanneer, 2 bw. als, zoals, 3 dan, bij vergrot. trap bn.
als ertoe, astetoo, bijwoord, als ik weet niet wat
alstublieft, astoebleef, als ’t u belieft
altijd, aajt, bijwoord, altijd; aajt nin, niet altijd
amandel, maandl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maandls, maandlken, 1 amandel, 2 zeurpiet
amper aan, aampr an, bijwoord, nauwelijks
ander, aandr, bijvoeglijk naamwoord, ander; aandre gedachn krieng, de zinnen verzetten; ’t eene net as t aandre, zo is het met alles; de aandre wekke, volgende week; ’s aandr daangs, de volgende dag; n aandr spil, iets heel anders
anderdaags, saandrdaangs, bijwoord, de volgende dag
anderdaagsavonds, saandrdaangssoawns, bijwoord, de volgende avond
anderdaagsmorgens, saandrdaangssmoarns, bijwoord, de volgende morgen
andermaal, aandrmoal, bijwoord, andermaal. Eénmoal, aandrmoal, doardemoal! Uitr. bij veiling
andermans, aandrmans, aandrmans beuke zeent duustr te leazn, het valt niet mee zich in de gedachten van een ander te verplaatsen
anders, aans, bijwoord, anders. Non wordt’r aans, nu zijn er grote gebeurtenissen op til; aans worn, een andere gemoedsstemming krijgen; zik aans antrekng, zich verkleden, zich netjes kleden
andersom, aans umme, bijwoord, andersom
anderwegen, aandrweangs, bijwoord, ergens anders, ergens anders heen, ook aandr weches
angel, angl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, angls, anglken, 1 angel, 2 vishaak, 3 hengel, 4 schutblad van graankorrel, 5 slechte karaktertrek
apart, ampat, 1 bw. afzonderlijk, 2 bn. eigenaardig. Nen ampatn, iem. met een eigen afwijkende mening
appel, apl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aple, àplken, appel
arend, oarnd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ùernde, ùerndjen, mannetjesduif
arm, oarm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oarme, ùermken, arm. Ze houwt mekaandr as oarme deers, ze zijn goed slaags
arm, oarm, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, arm
arme, oarmen, de oarmen, het armbestuur
armejusterig, oarmejùestereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, jammerlijk
armezier, oarmezeer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oarmezeers, diaken
armijzer, oarmiezr, zelfstandig naamwoord, stang aan de arm van de laankwaage
armoede, oarmood, zelfstandig naamwoord, armoede, ellendigheid; oarmood hebm ouwr, ongerust zijn over; van oarmood ne nieje bokse munn hebm, door vergaan van een nodig ding, tot aankoop van een nieuw komen
as, as, zelfstandig naamwoord, mannelijk, àsse, àsken, as
as, aske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, asch
as, asse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, asn, S-haak in paardegebit
avanceren, avanseern, werkwoord, voortgang maken
avond, oawnd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oawnde, oawndjen, Genoawnd, goeden avond
avond, soawns, bijwoord, ’s avonds
azen, ùezn, werkwoord, zwak, azen, zoeken in afval. Nen ùezn op de basse krieng, erg mager worden, van paard
baaienganger, boajngengr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boajngengrs, leegloper
baak, boake, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boakn, Paasvuur
baan, baane, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, baann, bàentjen, droogveld voor gevormde stenen. Glatte baane, schoon schip!
baar, boar, bijwoord, louter
baar, boarve, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boarvn, draagplank om leem bij het steenbakken van de kruiwagen op de vormtafel te gooien
baard, board, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùere, bùerdjen, baard. N board dr of krieng, klappen krijgen; wat vuur n board, iets te eten
baars, boars, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùerze, bùersken, baars
baas, baas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baaze, baasken, baas
baasman, baasman, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baasmenne, 1 mannetjesputter, 2 erg groot dier of ding
baat, boat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boatn, voordeel
baden, baan, werkwoord, zwak, wederkerig, een bad nemen. Baagat, plaats waar gebaad wordt
baggeren, bagln, werkwoord, zwak, in ’t zand zitten, wroeten
baker, baakstr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, baakstrs, baker
bakeren, bàkng, werkwoord, zwak, bakeren
bakken, bakng, werkwoord, zwak, bakken
bakkerij, bakkerieje, zelfstandig naamwoord, bakkerij
baksel, baksl, den ha n baksel mear munn hebm, den is goar zoondr kuste, die is niet voor vol aan te zien
bakslagerij, bakslaagerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gekheid, kwinkslagen
bal, bal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bàlle, bàllken, bal
balderen, bàeldrn, werkwoord, zwak, heftig bewegen, bruisen
balg, balg, zelfstandig naamwoord, bàlge, bàlgjen, 1 buik, 2 robbedoes
balgen, balgn, werkwoord, zwak, wederkerig, 1 ravotten, 2 zich omrollen, van dieren
balgplager, balgploagrs, zelfstandig naamwoord, aardappels
balk, balkn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, balkns, bàlksken, 1 balk, 2 middengedeelte van de zolder. Op n balkn, op zolder
ballast, ballas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brooddronken jongen. Oet ballas, voor de grap
ballastigheid, ballastegaejd, zelfstandig naamwoord, brooddronkenheid
ballen, baln, werkwoord, zwak, leer slaan onder klompen
balmondig, belmueneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wankelbaar, bouwvallig
balnagel, balnealken, zelfstandig naamwoord, spijkertje voor baln
band, baand, zelfstandig naamwoord, beane, beannken, 1 m. 1 band, 2 binding, gebondenheid, 3 o. lint. Eenn in n baand hebm, iem. in bedwang hebben; oet n baand springn, zich uitvieren, wild worden
bandel, baandl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baandls, baandlken, hoepel, als kinderspeelgoed
bandelen, baandln, werkwoord, zwak, met hoepel spelen
bandeloze, baandeloozn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onvruchtbare koe
bandhond, baandhoond, zelfstandig naamwoord, wilde jongen
bandpol, baandpùlle, zelfstandig naamwoord, samenhangende zoden
bang, bange, bijvoeglijk naamwoord, ow. bang
bangen, bangn, werkwoord, zwak, wederkerig, bang zijn
banjeren, bàjrn, werkwoord, zwak, rondslenteren
bank, baanke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, baankn, beankn, bank; in de beankn, op rijen, van turf
barg, borg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, burge, gesneden mann. varken
barmsijs, boarmsiesken, zelfstandig naamwoord, barmsijsje
barst, bùs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùste, bùsjen, barst
barsten, barsn, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: ebùrsn, barsten
barstens, basns, bijwoord, heel erg
bast, bas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bàste, bàsjen, bast, schil. Oet de bàste doon, uit de doeken doen; eenn op t bas wiln, iem. te lijf willen
Batavier, battleveer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opschepper
batje, batjes, zelfstandig naamwoord, aardappels, kindertaal
bats, basse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, basn, bassken, dij, dijbeen
bats, batse, zelfstandig naamwoord, batsn, batsken, schop met opgebogen randen
beankeren, beanketeern, werkwoord, zwak, verblijf houden, gevestigd zijn. Doar kan de duuwl nog neet beanketeern, daar is ’t niet om uit te houden
bed, berre, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bedn, bedken, bed. In berre wean, in de kraam liggen; a’j den geleuwst en t berre velloatt, kom iej met ’t gat in t stroo, die helpt je van alles af; eenn noazitn tot in berre, iem. achtervolgen door dik en dun
bedaard, bedoard, bijwoord, on. bedaard
bedacht, bedach, bedach wean oarns op, ergens op attent zijn
bedachtzaam, bedachzaam, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voorzichtig
bedaren, bedoarn, werkwoord, zwak, kalmeren
beddenlaag, berreloage, zelfstandig naamwoord, plankenlaag onder strobed
beddenpan, berrepanne, zelfstandig naamwoord, beddepan
beddenplank, berreplaanke, zelfstandig naamwoord, plank voor de bedstee langs
beddentijk, berretiek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, omhulsel van veren bed
beddentoch, berretoch, zelfstandig naamwoord, onzijdig, omhulsel van matras
bedenken, bedeankn, werkwoord, 1 een geschenk geven, 2 wed. van meening veranderen
bederf, bedoarf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bederf
bederven, bedoarvn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: bedùrf, verleden tijd: bedùrven, verleden deelwoor, bederven
bedienen, bedeenn, werkwoord, bedienen. Ik zal um wal’s aans bedeenn, ik zal hem de les wel eens lezen, op zijn nummer zetten
bedoelen, bedooln, werkwoord, zwak, bedoelen
bedoeling, bedoolege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bedoeling
bedragen, bedreang, werkwoord, belopen
bedriegen, bedreeng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: bedreege, 2e persoon: bedreengt, 3e persoon:
bedrijf, bedrief, zelfstandig naamwoord, onzijdig, opzettelijk drijven, tot iets minder goeds. dat is zin bedrief, daar zit hij achter
bedrijten, bedrietn, werkwoord, bedrijten. Bedretn, bedremmeld, uit het veld geslagen; zi’j bedretn?, ben je van Lotje getikt?
bedroefd, bedroowd, bijwoord, bn. droevig, zorgwekkend. n bedroowd spil, een nare boel; ’t is bedroowd, ’t is treurig
bedstee, berrestea, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, berrestean, berresteakn, bedstede
beduiden, beduun, werkwoord, zwak, 1 betekenen, beduiden, 2 door teken te kennen geven, 3 opstapeling van stenen in de oven ter weerszijden van de vuurganger
bedunken, beduenkn, noar min beduenkn, mijns inziens
beek, bàkke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bàkn, bàksken, beek
been, been, zelfstandig naamwoord, beene, beentjen, 1 been, met voet, 2 poot van dier of ding. Met twee beene in eene hoaze loopm, eenzelfde doel nastreven; van de beene, omver; van de beene, dat rùst, zittend kan met uitrusten; iej kùent de beene neet in n noasek hòoln, bij ’t
been, been, zelfstandig naamwoord, beentjen, bot
beënigen, beëengn, werkwoord, zwak, tegen komen
beentjeshout, beentjeshòolt, zelfstandig naamwoord, talhout
beer, bear, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 beer, 2 nachtwaker, De bears, de mannen tegenover de vrouwen
beer, bear, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, natte stalmest
beeros, bearosn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schreeuwlelijk
beest, bees, ma’k n bees wean, ma’k n bees en n peard wean, ik mag sterven, als ’t niet waar is
beet, bette, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bete
beet, bette, bijwoord, beet
bef, bàfken, zelfstandig naamwoord, slabbetje
begaden, begoa, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ’t dolle begoa, varkensziekte
begapen, begaapm, den wil ook alls begiern en begaapm, die wil alles naar zich toehalen
begatten, begatjn, werkwoord, zwak, te lijf gaan, op gemene manier
begeerlijk, begearlek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, inhalig
begengelen, begegnln, werkwoord, zwak, slaag geven
begeren, begearn, werkwoord, zwak, begeren. Dat zo’k ook neet begearn, dat zou ik ook niet willen hebben
begerig, begeareg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, begerig. Nen begearigen hoond, een hebzuchtig iem.
begerigheid, begearegàejd, zelfstandig naamwoord,vrouwelijk, hebzucht
begeven, begeewn, werkwoord, wederkerig, 1 bezwijken, 2 zich begeven. doar kù’j oew betr neet in begeewn, begin daar niet aan, bemoei je daar niet mee
begin, begin, zelfstandig naamwoord, onzijdig, begin. n begin maakng, oarns met, iets aanvatten
beginnen, beginn, werkwoord, sterk, 2e, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: begeent, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: , beginnen
beglooien, beglouwn, werkwoord, zwak, met grote ogen bekijken
beheer, behear, zelfstandig naamwoord, onzijdig, behear op de hoed, drukte op het lijf
behelpen, behelpm, werkwoord, behelpen. behelpm is gin zat etn, men moet roeien met de riemen die men heeft
behoefte, behoofte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, levensbehoefte
behoud, behòold, zelfstandig naamwoord, onzijdig, behoud, ook van tradities
behoudend, behòolnd, bijvoeglijk naamwoord, gehecht aan traditie
beitel, bàejtl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bàejtls, bàejtlken, beitel. Dat mut op n bàejtl komm, dat moet te berde gebracht worden
bek, bek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bekke, beksken, bek. n bek too hòoln, de mond houden; aan n bek houwn, in ’t gezicht slaan; n bek geet oew as ne leg’nde henne t gat, je ratelt aan één stuk door; nen plear, nen striekrt, nen lik, nen smear an n bek, n bekmoal, een muilpeer; <
bekaaien, bekaajn, werkwoord, zwak, lichamelijk letsel toebrengen
bekend, bekeand, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, bekend. Oarns met bekeand wean, ergens mee op de hoogte zijn
bekijken, bekiekng, werkwoord, bekijken. t Kùnn bekiekng, er voordeel in kunnen zien
bekken, bekng, werkwoord, zwak, een grote mond op zetten. Bekkebaas, schreeuwerd
bekkerij, bekkerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, scheldpartij
beklag, beklag, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beklag hebm met, medelijden hebben met
beklijfelijk, bekliefelek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, besmettelijk, van stof
bekoren, bekoorn, werkwoord, zwak, bekoren, behagen. Wat gin ooge zut, bekoort gin hatte, wat ’t oog niet ziet, bekoort het harte niet
bekrompen, bekruempm, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, armoedig, klein
bekschaar, bekskeare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kijfachtige vrouw
bekuieren, bekùjrn, werkwoord, 1 bepraten, 2 door praten overhalen
bekwaam, bekweem, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, soepel, van handen bij werk
bekwaam, bekwoam, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, geschikt, bevoegd. Oarns too bekwoam wean, ergens toe in staat zijn
belasting, belastege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 belasting, fiscaal, 2 zware, hinderlijke last
beleven, beleawn, werkwoord, zwak, beleven. Nog nooit zo’n spil beleawnd, nog nooit zoiets meegemaakt; doar beleawn iej wat met, daar zul je nog wat mee beleven
belezen, beleazn, werkwoord, onttoveren, door prevelen genezen
beliegen, beleeng, werkwoord, wat voor liegen
believen, beleewn, noar oew beleewn, zoals ’t je belieft
belijdenis, beliedenisse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, belijdenis
beloven, belouwn, werkwoord, zwak, verleden deelwoord ook: ebelouwd, beloven
belt, bealt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bealtn, bealtjen, hoogte, in grond
beltbakersspul, bealtbakrsspil, zelfstandig naamwoord, zaak waaraan te weinig zorg besteed is
bemerking, bemoarkngge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bemoarknggen, opmerking, berisping
bemoeien, bemùejn, werkwoord, wederkerig, bemoeien
ben, benne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bennken, mand. Eenn in de benne doon, iem. te grazen nemen; in de benne doon, van de hand doen
benaads, benaads, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 harde slag, 2 groot exemplaar
benemen, benemm, werkwoord, 1 ontnemen, 2 wed. zich gedragen
bengel, beazl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beazls, beazlken, knuppel. Met n beazl krieng, slaag krijgen
benieuwen, beniejn, werkwoord, zwak, interesseren
benijden, benien, werkwoord, zwak, benijden
benkramer, bennkreemr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, marskramer
bent, beante, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buntgras
bepalen, bepoaln, werkwoord, zwak, vaststellen, bepalen. Oarns neet biej bepoald wean, ergens niet aan denken
beppe, beppe, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beppn, bepken, grootmoeder
beproeven, beproown, werkwoord, zwak, op de proef stellen
beraad, beroad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 bespreking, 2 voorbehouden tijd voor beslissing. In beroad hòoln, ter overdenking houden; oars beroad op hòoln, zich voorbehouden over iets nog te beslissen; in beroad en berouw stoan, wikken en wegen; in beroad wean, beraads
beraden, beroan, werkwoord, wederkerig, sterk, zich beraden
bereiden, beràejn, werkwoord, zwak, terechtmaken
beren, bearn, werkwoord, zwak, hard schreeuwen, te keer gaan
beren, bearn, werkwoord, zwak, tochtig zijn, van dieren
berg, boarg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boargn, berg
bergen, boargn, werkwoord, sterk, bergen
berk, boarke, zelfstandig naamwoord, boarkn, bùerksken, berk
berm, boarm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, berm
beroep, beroop, zelfstandig naamwoord, onzijdig, uitnodiging voor predikantsambt. Op n beroop kùjrn, praten met een bedoeling
beroersel, beruersl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beslag
beroerselpot, beruerslpot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beslagkom
beroerte, beruerte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beroerte
bes, beaze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beazen, bes
beschaduwd, skaa, bijvoeglijk naamwoord, bewolkt
beschamen, beskaamm, werkwoord, zwak, beschaamd maken
bescheid, beskeed, zelfstandig naamwoord, onzijdig, antwoord, wederwoord; beskeed geewn, antwoorden; wies beskeed krieng, op een redelijke vraag een eigenwijs of bits antwoord krijgen
bescheren, beskearn, werkwoord, doorhebben
beschikken, beskikng, werkwoord, zwak, 1 regelen, bepalen, 2 de macht hebben
beschrijdens, bestrieds, bijwoord, schrijlings
beschrijven, beskriewn, werkwoord, een akte opmaken van. Dat hef wat te beskriewn, dat beskrif oew wat, dat heeft voeten in aarde
beschrijving, beskriewege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, opmaken van de akte
beschuit, beskuute, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beskuutn, beskuutjen, beschuit
beslaan, besloan, werkwoord, 1 bewasemen, 2 zich uitstrekken over
beslabben, beslabm, werkwoord, zwak, bemorsen. Van den beslabm iej oew neet, van die krijg je niet veel
beslag, beslag, zin beslag krieng, beslist worden
besluiten, besloetn, werkwoord, 1 eindigen, 2 een besluit nemen
besnijden, besnien, werkwoord, met mes bijwerken, van klompen
bespotten, bespolkng, werkwoord, zwak, bespotten
bestaan, bestoan, werkwoord, 1 er zijn, 2 uithouden, verdragen
bestaan, bestoan, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 levensmogelijkheid, 2 karakter
besteden, bestean, werkwoord, zwak, besteden
bestelen, besteln, werkwoord, bestelen
bestellen, besteln, werkwoord, opdragen. Heel wat te besteln hebm, een hoop drukte op zijn lijf hebben
bestemmen, bestemm, werkwoord, zwak, bestemmen
bestemming, bestemmege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bestemming, doel
bestendig, besteandig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, standvastig, bestendig
betalen, betaaln, werkwoord, zwak, betalen
betamen, betaamm, werkwoord, zwak, betamen, ook wed. behoren
betijen, betiejn, werkwoord, zwak, beschuldigen
betrekken, betrekng, werkwoord, op laaghartige wijze te lijf gaan. Eenn betrekng met t mes, iem. steelsgewijze toetakelen met een mes
betrouwen, betrouwn, werkwoord, door huwelijk verkrijgen
betuin, beteun, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, schaars
beugel, boagl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boagls, boaglken, ereboog
beuk, book, zelfstandig naamwoord, beukenoten
beukenboom, bueknboom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beuk
beun, bùn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, harde laag in de grond
beun, bùnne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bùnn, bùnnken, zoldergedeelte, lager liggend dan ’t overige
beunderig, beundereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wild, rumoerig
beunen, beunn, werkwoord, zwak, 1 wild doen, stoeien, 2 wegjagen
beur, buure, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buurn, buurkn, draagbaar
beuren, buurn, werkwoord, zwak, tillen
beurt, buurte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buurtn, buurtjen, beurt. Ums te buurtn, om de beurt
bevallen, bevaln, werkwoord, behagen. De hoed bevalt miej, ik voel me bekaf
beven, beewn, werkwoord, zwak, beven; beewn as n ries, beven als een riet
bevind, beveend, noar beveend van zaakn, gezien de omstandigheden
bevinding, beveendege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bevinding
bevragen, bevroang, werkwoord, door vragen te weten komen
bevreemden, bevrùmn, werkwoord, zwak, onpersoonlijk, vreemd toelijken
bewaren, bewoarn, werkwoord, zwak, bewaren, behoeden
bewegen, beweang, werkwoord, bewegen
beweging, beweangge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beweging
bewilligen, bewillegn, werkwoord, zwak, toestemmen. Oarns in bewilleged wean, zich met iets kunnen verenigen
bewinteren, beweentrn, loatn bezomrn en beweentrn, nog eens van alle kanten bekijken
bezem, besm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, besms, besmken, bezem
bezien, bezeen, werkwoord, beschouwen
bezoeken, bezeukng, werkwoord, bezoeken, met kwaad
bezoeking, bezeukngge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bezeuknggen, bezoeking, onheil
bezondigen, bezuenegn, werkwoord, zwak, zich bezondigen
bezwaar, bezwoar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bezwoar, bezwaar, last. Op n groot bezwoar zitn, op hoge lasten zitten
bezwaarlijk, bezwoarlek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 lastig, 2 bn. zwaar te verteren
Biddag, beadag, Biddag
bidden, bidn, werkwoord, zwak, bidden
bidman, birreman, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zwerver, landloper. Ginnen birreman in de duure zitn, niemand in de weg zitten; doar zo’j nen birreman met oet de heele lokng, daar komt zelfs een zwerver voor uit zijn rustplaats
bidwijf, birrewief, zelfstandig naamwoord, schooiersvrouw
bieden, been, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: bee, 2e persoon: beet, 3e persoon: bùt, bieden Wee bùt’r geald?, Wie doet een bod?
biegel, biegls, met de biegls, met de vingertoppen, bij ’t spannen van afstanden bij ’t spel “op ’t meertjen”
bier, beer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bier
bies, beuze, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beuzn, beusken, bies
bies, bis, bis op de hoed hebm, drukte op ’t lijf hebben
biestmelk, beestemelk, zelfstandig naamwoord, eerste melk na het kalven
biezen, bizn, werkwoord, zwak, met de staart omhoog door de wei rennen, van koeien. A’t de eene koo biznt buurt n aandrn n stat op, de een steekt de ander aan
big, big’n, zelfstandig naamwoord, mannelijk, big’n, bigsken, big. A ’t big’n reangt, heb iej t skot too, van de beste kansen maak je geen gebruik
biggenschot, big’nskot, zelfstandig naamwoord, varkenshok
bij, biej, voorzetsel, bij. Dr biej hen, meer dan erg; noars wat biej hebm, zich nergens wat van aantrekken; weat’r biej, pas op je tellen; biej da’j, biej o’j, vergeleken met, als je
bij, bieje, zelfstandig naamwoord, biejn, biejken, bij
bij name, benaamd, bijwoord, namelijk, vooral
bijbel, biebl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, biebls, bieblken, Bijbel
bijbelsteentje, bieblsteentjes, zelfstandig naamwoord, tegels met bijbelse afbeeldingen
bijblijven, biejbliewn, werkwoord, in ’t geheugen blijven
bijboeten, biejbeutn, werkwoord, meer vuur maken
bijdraaien, biejdreejn, werkwoord, 1 met een voertuig langszij komen, 2 bijdraaien
bijgeval, biejgeval, bijwoord, soms, mogelijk
bijl, biele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bieln, bielken, bijl. Met de groote biele, met geweld
bijleggen, bijleg’ng, werkwoord, beëindigen, van twist
bijlopen, biejloopm, werkwoord, puntig toelopen
bijmees, biejmeeze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 zwartkopmees, 2 bedrijvig, levendig iemand
bijpassen, biejpasn, werkwoord, bijbetalen
bijplank, biejplaanke, zelfstandig naamwoord, plank om de zijwand van boerenwagen mee te verhogen
bijsoes, bezoeze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grote komvol
bijstaan, biejstoan, werkwoord, steunen, helpen
bijster, biestr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, buiïg en nat. Dr met op de biestrbaane wean, met iets in de bonen zijn; in n biestrn, op een waalspoor; nen biestrn, iem. waarvan men niet weet wat men er aan heeft
bijsteren, biestrn, werkwoord, zwak, nat, buiig weer zijn
bijstuk, biejstukke, zelfstandig naamwoord, houtschilfers, om bij ’t klompenmaken, de klomp in de praam te zetten
bijten, bietn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: bit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: beet, bijten
bijtijds, biejtieds, bijwoord, vroeg
bijzinnig, biejzinnig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onnozel
bijzonder, bezuendr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 eigenaardig, 2 bw. erg
bikaars, bikears, zelfstandig naamwoord, kapotgelopen aars
bikgat, bikgat, zelfstandig naamwoord, bijt, in het ijs
bikkel, bikl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bikls, bikkel, meisjesspel
bikkelen, bikln, werkwoord, zwak, bikkelen
bil, bille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, billn, billken, bil. Wee’t de blaankste bill’n hef, wie de baas is, wie ’t hoogst kan bieden
billijk, billek, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, goedkoop, redelijk
binden, beenn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: beent, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: buenWat hef den wat vuur ’t gat te beenn, wat heeft die een noten op zijn zang
binnen, binn, bijwoord, binnen. Den mag wa twee keer binn komm, vuur da’j n één keer zeet, wat is die vermagerd
bissinge, bizzege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 tijd waarin de koeien “bizn”, 2 bepaalde jaarmarkt
blaar, bloare, zelfstandig naamwoord, bloarn, blùerkn, blaar
blaas, bloaze, zelfstandig naamwoord, bloazn, blùeskn, blaas. Knapbloaze, varkensblaas
blaasbaas, bloazebaas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, druktemaker, opschepper
blaaspijp, bloazepiepe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 pijp om haardvuur aan te blazen, 2 opschepper
blad, blad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blaan, blàekn, blàekens, blad
bladeren, bladrn, werkwoord, zwak, afbladeren. Dr alls oet bladrn, er alles uitflappen
blank, blaank, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, blank, glimmend
blas, blas, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vaal
blauw, blaaw, bijvoeglijk naamwoord, blauw
blazen, bloazn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: blùs, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: bleus
bleek, bleeke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grasveld, om te bleken
blekken, blekng, werkwoord, zwak, 1 blaffen, 2 geluid maken van vergenoegde biggen
blekken, blekskens, zelfstandig naamwoord, mazelen
blij, blàj, bijwoord, willens en wetens
blij, bliej, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verheugd
blijdschap, bliejskop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, blijdschap
blijken, bliekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: blik, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: bleek
blijven, bliewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: blif, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: bleef
blikoortje, blikuerkn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, heel klein paardenras
bliksem, blaksem!, uitroep, bliksems
blind, bleend, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bleendn, raamschot
blind, bleend, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, blind
blinde, bleenn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bleenn, 1 blinde man, 2 grote, bijtende vlieg
blinken, bleenkn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: bluenk, verleden deelwoord: ebleunkn, blinken
bloed, blood, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onzijdig, bleute, bleutjen, bloed. Biej blood komm, zich herstellen
bloeden, bloon, werkwoord, zwak, 1 bloeden, 2 schade lijden
bloedkoek, bloodkooke, zelfstandig naamwoord, worst v. bloed en roggemeel
bloedkoek, bloodkookn, zelfstandig naamwoord, 1 bloedkoek, 2 sul
bloeien, blùejn, werkwoord, zwak, bloeien. De loch blùejt, er zitten witte wolkjes onder de donkere
bloeisel, blùejsls, zelfstandig naamwoord, bloesem
bloem, bloome, zelfstandig naamwoord, bloomn, bleumken, bloem. Ne bloome vuur ’t gat krieng, zonder moeite welgesteld worden; dr ne blomme van vuur ’t gat krieng, er ook nog een voordeeltje aan hebben
blok, blok, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blukke, bluksen, blok, brok
blond, bloond, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, blond. Nen bloondn, een blauwtje
bloot, bloot, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 bloot, onbedekt, 2 bw. alleen maar
bloten, bluetn, werkwoord, zwak, 1 ontbloten, 2 zand van leemlaag afgraven
bluisterig, blùejstereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, winderig
bobbelen, bobln, werkwoord, zwak, bobln in t zoepm, door weinig eetlust in ’t natte voer snuiven; Hoe boblt in t zoepm, hij heeft er geen zin in
bod, bod, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bod. Iedr bod, ieder keer
bodem, boam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùeme, bùemken, bodem
boeba, boebaa, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boebaas, iem. die luid en onnodig tegen anderen spreekt
boedel, boodl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boodls, boodlken, boedel
boeien, boojn, werkwoord, zwak, 1 regelen, schikken, met mensen, 2 voor elkaar houden
boek, book, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beuke, beukn, boek
boekweit, bookwàejte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boekweit. In de weelde boekwàejte, in ’t wilde weg
boer, boer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boern, boertjen, boer. De domste boern hebt de dikste earpl, in het boerenbedrijf brengt dom werken vaak meer vrucht voort dan vertrouwen op wetenschap; nen boer an de stroate weet van gin moate, als een boer in de stad komt wonen, overdrijft hij alle steeds
boerderij, boerderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boerderiejn, boerderiejken, boerderij
boeren, boern, werkwoord, zwak, een boerenbedrijf hebben
boerendeerne, boerndeerne, zelfstandig naamwoord, boerenmeisje
boerenspul, boernspil, boerenbedrijf
boete, boote, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, booten, boete
boeten, bootn, werkwoord, zwak, boeten
boewis, bowisse!, uitroep, vast zwaar!
boezem, boosm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boosms, schoorsteenkap in boerenkeuken
bok, bok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bukke, buksken, bok. A’t de bukke de kùppe teeng bekaandr zett, bliewt de sikke gus, bij strijd tussen de mannen, kan er niet vruchtdragend gewerkt worden; n bok rien, in een lastig parket komen; eenn biej n bok doon, iem. er tussen nemen
bokken, bokng, werkwoord, zwak, bokkig zijn
bokkensprong, boknsproonk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hinkspel
bokkensteen, boknsteentjen, zelfstandig naamwoord, afgebroken voetje van kom of glas
bokking, bukngge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buknggen, buknggkjen, bokking
boks, bokse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boksns, buksntjen, 1 broek, 2 achterriem van paardetuig. Eenn de bokse op beenn, iem. goed de waarheid zeggen; t an de bokse krieng, het verspelen; doar geet ne bokse me n bùejs alleeneg, daar loopt iem. vel over been; oet de bokse munn, zijn beh
boksbier, boksnbeer, zelfstandig naamwoord, feestmaal bij ’t inschrijven van een trouwend jaar, waarbij door een in een boom opgehangen broek geschoten werd
boksmaal, boksnmoal, zelfstandig naamwoord, feestmaal bij ’t inschrijven van een trouwend jaar, waarbij door een in een boom opgehangen broek geschoten werd
bol, bòl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rond, bol
bol, bòl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùlle, bùlken, stuk, gedeelte. An bùlle, kapot; an twee bùlle, in tweeën, doot’r nen bòl of, doe er een stuk af
bolderachtig, booldrachteg, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, luidruchtig
bolderbaas, booldrbaas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, druk, lawaaierig kind
bolderen, booldrn, werkwoord, zwak, leven maken
bolglas, bòlgleasken, zelfstandig naamwoord, glas waar de voet af is
bolhen, bòlhenne, zelfstandig naamwoord, kip zonder staart. Trekt ne bòlhenne n stat ees oet! Pluk eens veren van een kikker!; bolhennspil, eindeloze vrijage
bolknoop, bòlknup, zelfstandig naamwoord, bepaalde knoop in de zweep
bolpeter, bòlpeetr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bòlpeetrs, bòlpeetrken, lisdodde
bolstaart, bòlstat, zelfstandig naamwoord, 1 dier met afgekapte staart, 2 erg korte staart of vlecht
bom, bom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bomn, bons
bom, bomme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bomm, bumken, ontploffend ding
bondig, buendeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, stevig. n buendeg spil, een stevig bouwsel
bonnet, benette, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kop. Wat op de benette op krieng, op zijn kop krijgen
bons, bongs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geluidgevende slag. Nen bongs loopm, een blauwtje lopen, ergens niet mee slagen; n bongs krieng, afgewezen worden na verkering
bont, boont, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bont
boodschap, boskop, zelfstandig naamwoord, boodschap. Den breg de boskop ouwr, die borrel is flink sterk
boom, boom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bueme, buemken, 1 boom, 2 zware paal, met bepaald doel
boomlapper, boemlapr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boemlaprs, onverschillige slungel
boomloper, boomluepr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boomlueprs, boomlueprken, eekhoorn
boon, boone, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boonn, buentjen, boon
boonakker, boonnakr, zelfstandig naamwoord, bonenakker. Eenn n boonnakr op jaang, iem. ’t huis uitjagen zonder middelen van bestaan
boontjes, boontjes, zelfstandig naamwoord, bijeengebonden gelezen aren
boor, bòor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bòorn, bòortjen, boor
boord, boord, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buere, buerdjen, boord
bord, brùt, zelfstandig naamwoord, brùtte, brùtjen, houten bord. n brùt vuur n kop hebm, een harde kop hebben
boren, bòorn, werkwoord, zwak, boren
borens licht, bòorns lich, vinkenslag
borg, borg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, burge, borg
borst, boas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùeze, bùesken, zwezerik
borstel, bùsl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùsls, bùslken, borstel. Nen bùsl trekn, een boos gezicht zetten
borstelen, bùsln, werkwoord, zwak, borstelen
bos, bos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buske, busken, bos. Oet n bos komm, voor den dag komen; eenn duur n bos haaln, iem. die zelf begonnen is, goed onderhanden nemen; an buskes, ligging van koren na ’t maaien
bos, bòs, bijwoord, blut, op zwart zaad
bos, bòs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùste, bùsjen, stop, plug
bosbes, bosbeaze, zelfstandig naamwoord, blauwe bosbes
bosjager, bosjaagr, zelfstandig naamwoord, veldwachter
boskat, boskatte, zelfstandig naamwoord, boskat. Ne weelde boskatte, een furie
bossen, boskn, werkwoord, zwak, 1 iets in heen en weer gaande of schuddende beweging brengen. Ne weege boskn, een wieg schommelen; dr hen boskn, met grote lompe passen lopen; t boskn van t hatte, het hevig kloppen van ’t hart; dr op boskn, er op slaan bij vec
bosserig, boskereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afgemat
bot, bot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, butte, butjen, bot. De butte, ’t menselijk lichaam, als arbeidswerktuig; ‘k hebbe dr de bot nog neet noar stoan, ik heb er nog geen zin aan; de bot in berre en t vlaejs op n stool, die is vel over been; de butte oarns met ploang, een voor ’t
boter, bòtr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boter
botervloot, bòtrvluetjen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, houten bakje voor boter
bots, bots, bijwoord, onverwacht, plotseling
bout, bòoltn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bòoltns, bùeltjen, bout
bouterbats, booltrbats, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stuntelig iemand
bouteren, booltrn, werkwoord, zwak, ergens af vallen
bouterig, bòoltereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wankel
bouwen, bouwn, werkwoord, zwak, omploegen ter bezaaiïng of bepoting
bouwgrond, bouwgroond, zelfstandig naamwoord, grond, geschikt voor akkerbouw
bouwmeestertje, bouwmàestrken, zelfstandig naamwoord, kwikstaart
boven, bùewtn, bijwoord, boven
braad, broa, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rooster van draad met handvat en pootjes, om iets boven ’t vuur te braden
braak, braake, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ne oale braake, een oud vervallen huis
braam, broam, zelfstandig naamwoord, wakelgroen
braam, bruml, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brumls, brumlken, braam
braden, broan, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: broa, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: br, braden
bradertjes, brùedrkes, zelfstandig naamwoord, heel kleine aardappeltjes, in de schil gebraden
braken, brakng, werkwoord, zwak, breken, van vlas
brand, braand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bràennken, 1 brand, 2 brandstoffen
branden, braann, werkwoord, zwak, 1 branden, 2 scherp smaken, schrijnen, 3 blussen, van kalk. t Braant um net vuur t gat of, hij heeft het er net afgebracht
branderig, breandereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 koortsig, 2 hardlijvig, 3 ongeduldig, gehaast, 4 hevig begerend
brandkast, braandkaste, in de braandkaste, in de brandverzekering
breedte, breedte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, breedte. t Zit um in de leangte of in de breedte, ’t moet toch ergens aan liggen
breien, bràejn, werkwoord, zwak, breien
breken, brekng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: brekke, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , breken. Breknd heete, ontzettend heet; zoo kòold, da’j t brekng kùent, heel erg koud
brengen, brengn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: breg, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: brag
breuk, brùkke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, breuk. Ne brùkke as n dreejskuutjeen, een erge breuk
brief, breef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, breewe, breefken, 1 brief, 2 geschrift, akte, 3 winkelzakje, 4 bankbiljet, vklw. Hee hef t breefken velùern, hij komt te laat, van kind; koopbreewe, skaejdbreewe, koop-, scheidingsakten
bril, brille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brilln, bril
brodden, brodn, werkwoord, zwak, steken laten vallen
broeden, breun, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: brot, verleden deelwoord: ebrod, broeden
broeds, bròds, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, broeds
broer, bruer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bruers, bruerkn, broer
brommen, bromm, werkwoord, zwak, 1 brommen, 2 een standje maken
brommer, bromrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 knorrepot, 2 bromvlieg, 3 bromfiets
bromworm, bromworm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meikever
brood, brood, zelfstandig naamwoord, onzijdig, brue, bruedjen, roggebrood. Good zin brood hebm, een behoorlijk bestaan hebben; dat et gin brood, daar hoeft niet dadelijk wat aan gedaan te worden; a’w oew neet hadn en gin brood, dan mo’w van oarmood stoete vretn, we zijn dankbaar voor je hulp, maa
bros, bròs, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, blut; bròs stoan, niks meer hebben
brouwen, briejn, werkwoord, zwak, de “r” niet goed uitspreken, brouwen
brug, brugge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brug’ng, brug’sken, 1 brug, 2 bankje om achter ’n koe te zetten bij ’t kalven
brugge, brugge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brug’ng, brug’sken, boterham
bruid, broed, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bruudjen, bruid
bruiken, broekng, werkwoord, zwak, wederkerig, zich in willen spannen. Um broekng, pootaan spelen
bruiloft, brulfte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brulften, bruiloft
bruiloftsnodiger, brulfnnuegr, zelfstandig naamwoord, iem. die voor ’n bruiloft uitnodigt
bruin, broen, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bruin. Ze broen bakng, het bont maken
bruis, broes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, schuim
bruisen, broezn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: broest, bruisen
bruistig, brùsteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 blakend van gezondheid of krachten, 2 door onvolledige bekleding lichamelijke welgedaanheid tonend
brullen, bruln, werkwoord, zwak, luid schreien
buffel, bufl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bufls, lomperd
bui, bùe, zelfstandig naamwoord, mannelijk, long en lever van geslacht dier
buigen, boeng, bueng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: boege, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: b, buigen
buigen, buung, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: buuge, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: b, 1 doorbuigen, 2 toegeven, zich schikken
buik, boek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buuke, buuksken, buik. Zik lellek in n boek bietn, zich zelf een strop bezorgen
buiks, buuks, bijwoord, bolle kant van de bikkels
buikslaan, boekslaang, werkwoord, zwak, hijgen
buikzeerte, boekzearte, zelfstandig naamwoord, buikpijn
buil, buul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buule, buulken, zakje. Met n toon buul betaaln, bij verrekening voldoen; n lesn slag dut n buul net zoovulle as t geald, wie vertrouwen geniet, komt daarmee soms even ver als met geld
buis, bùejs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bùejzn, bùejsken, 1 kort jasje, jekker, 2 lastige, ondeugende jongen. Dat slit of as Borrewiek zin bùejs, dat gaan vanzelf langzamerhand over; eenn zoo good kenn as zin daagse bùejs, iem. door en door kennen; n toa bùejs, iem. die lichamelijk veel verd
buishand, buishand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schelm
buiskool, boeskool, zelfstandig naamwoord, kabuiskool
buiten, boetn, voorzetsel, 1 buiten, 2 behalve; boetn dat, dat buiten beschouwing gelaten, bovendien
buizen, boezn, werkwoord, zwak, druisen, van de wind
bukken, bokng, werkwoord, zwak, bukken
bukker, bùkr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùkrs, groot, fors mens of kind
bul, bolle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bolln, bulken, stier
bul, bul, bul van nen keal, forse, sterke man
bulken, belkng, werkwoord, zwak, hinderlijk schreeuwen of drukte maken
bulken, bùlkng, werkwoord, zwak, 1 loeien, 2 luid boeren; bùlkng as ne koo, erg boeren; t bùlket miej op, ik moet boeren
bullen, boln, werkwoord, zwak, tochtig zijn. Wee bolt, mut weetn te stoan, wie geluk heeft, moet er zich naar gedragen
buls, bols, zelfstandig naamwoord, bijwoord, tochtig, van koe
bunder, buendr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buendrs, Hectare
bungel, bungl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bungls, bunglken, schommel
bungelen, bungln, werkwoord, zwak, schommelen, slingeren, hangen. Dr biej bungln, er bij aan hangen
bungelsijs, bunglsieskes, zelfstandig naamwoord, mezen die in de dennen voedsel zoeken
bureau, beroa, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, berùekn, bureaukastje
burgemeester, bùrgemàestr, borgemàestr, zelfstandig naamwoord, burgemeester
burger, bùrgr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bùrgrs, inwoner van de stad, niet boer
bus, busse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bussn, busken, bus
buurt, buurte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buurtn, buurtjen, nabijheid
buurtschap, boerskop, boerengehucht
canaille, knaalie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knaalies, lastpost
capabel, kompaabl, bijwoord, in staat
caveren, kaveern, koveern, werkwoord, zwak, eenn dr vuur kaveern, iem. er voor instaan
cent, seant, zelfstandig naamwoord, mannelijk, seantn, seantjen, cent; seantn, geld
chemisette, zummezetjen, zelfstandig naamwoord, lijfje, alleen uit rug- en borststuk bestaande
chocolade, suukelaa, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, chocolade
cichorei, suukeràj, zelfstandig naamwoord, cichorei
cito, sietoo, bijwoord, dadelijk
commotie, kemoosies, komoosies, zelfstandig naamwoord, buitengewone dingen, aanstellerige kunsten
confusie, konfuuzie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, verwarring, tramalant
consorten, kesjotn, zelfstandig naamwoord, trawanten
contreien, kontraejnn, zelfstandig naamwoord, streken, buurt
couvert, kevak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kevàkke, kevàksken, envelop
daags, daangs, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1 overdag, 2 op werkdagen, bn. daags
daai, doaje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doajn, dùejken, niet nette vrouw
daaien, dàjn, werkwoord, zwak, doelloos lopen
daal, daal, daale, bijwoord, omlaag. Smiet owe daal, ga zitten!; daal skeetn, neerschieten; de rogg’is daal, de rogge is gemaaid; dr achter daale komm, achter ’t net vissen
daar, doar, bijwoord, daar. doar mut t hen, die kant moet het uit
daar, dùertn, van hiertn tot (de) dùertn, van hier tot daar
daar dan, dardan!, uitroep, Ziezo dan!
daarbij, doarbiej, bijwoord, bovendien
daarginder, doargentr, bijwoord, daarginds
daarom, doarumme, voegwoord, daarom
dabbelen, dabln, werkwoord, zwak, uit de school klappen
daden doen, doatn doon, werkwoord, zijn best doen
daf, daf, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, doodmoe
dag, dag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, daage, dagjen, De daage, Kerstmis, Pasen of Pinksteren; de daage hebt non mer kop en stat, we hebben de donkere dagen voor Kerstmis; zinnen dag hebm, een goede dag hebben; oarns ginnen grootn dag van hebm, ergens geen vertrouwen in hebben;
dagdurig, dagduureg, bijwoord, in de dagelijkse loop der dingen
dagwerk, dagwoark, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dagwoark, 32 are
dajak, doajakke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sloddervos
dak, dak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, daake, daksken, dak. Dr was miej te vulle dak op t hoes, er waren me te veel mensen omheen
dalles, dals, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nen dals, niemendal; t wordt nen dals, ’t wordt niks
dalschacht, dalskach, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dalskachte, deugniet
dam, dàm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dàmme, dàmken, dam
damp, daamp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deampe, 1 damp, 2 rook, 3 mist. t in daamp jaang, zich ergens mee haasten; daamp op reang kan de loch neet verdreang, damp in de lucht, na regen, voorspelt nog meer regen; nen kòoln daamp, een koude mist
damp, deampken, zelfstandig naamwoord, trek aan sigaar
dampen, daampm, werkwoord, zwak, damp of rook afgeven
dampig, daampeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mistig
dampig, deampeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, asthmaties
dan, dan, bijwoord, voegwoord, dus dan. Neet dan? Is ’t niet?
dan, dan, bijwoord, op die tijd
danig, doaneg, bijwoord, terdege
dank, daank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dank
danken, daankng, werkwoord, zwak, 1 bedanken, 2 een dankgebed doen
dankenswaard, daanknsweard, bijvoeglijk naamwoord, waard om voor te bedanken, wel bedankt
dansen, daansn, werkwoord, zwak, dansen
dar, dorre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dorrn, dùrrken, 1 mannetjesbij, 2 futloze of haveloze man
darm, doarm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doarme, dùermken, darm
dat, dat, da, at, a, voegwoord, dat
dat, dat, aanwijzend voornaamwoord, dat. dat min vaa was, mijn overleden vader
dauwelen, dàwln, werkwoord, zwak, stoeien
de, n, bepaald lidwoord, vrouwelijk de, onzijdig: h, meervoud, de
deeg, deege, deege hebm, goed aarden kunnen, het naar de zin hebben
deel, deel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, deele, deelken, gedeelte
deel, delle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, delln, deel, van boerenhuis Op de delle, in de ruimte van de deel
deerne, deerne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, deerns, deerntjen, jongedochter, meid
deftig, dàfteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 aanzienlijk, 2 bw. In flinke mate. n dàftig spil, een voornaam huishouden; ne heele dàftegaejd, een op ’t oog aanzienlijke dame
degene, dengennegen, vrouwelijk: degenneg, onzijdig: datgenne, degenen
deken, dekn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dekns, deknkjen, deken
dekken, dekng, werkwoord, zwak, bedekken
dekking, dekngge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dekking
deksels, deksls, bijvoeglijk naamwoord, drommels
dekseltaters, deksetaatrs, uitroep, wel drommels!
dekseltaters nog aan toe, deksetaatrsnogantoo!, uitroep, wel drommels!
del, delle, dille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, delln, dellken, laagte in ’t land. dr is um n gat in de delle vùln, hij heeft een geldelijk verlies geleden
delen, deeln, werkwoord, zwak, verdelen
deling, deelege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boedelverdeling
dellig, delleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lammenadig
den, danne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dann, dannken, denneboom. In de dann, in de dennebossen
denken, deankng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: dech, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: dacht Ha’k edach, dat dacht ik ook!; oarns an deankng, ergens om denken
dennenschraapsel, dannskraapesl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, afgevallen dennenaalden
dennentukker, danntukr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, danntukrs, danntukrken, kneu. Roon danntukr, koperkneu; griezn danntukr, heidekneu
denzen, denzn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: denzet, 1 op en neer schudden, 2 stuiten
denzig, denzeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, hobbelig, oneffen
derderwegen, doardrweangs, langs drie wegen, op drie manieren
deren, dearn, werkwoord, zwak, schade doen
dertien, datteene, telwoord, 13
dertig, datteg, telwoord, 30
detta, dettaa, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dettaas, detjen, grootvader
deugen, dueng, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: duege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: d, deugen. Den duegt neet in de wos, die mag er niet bij
deuk, duk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dukke, duksken, deuk
deuken, dukng, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: edok, indeuken
deun, deuntjes, dr deuntjes an hebm, er plezier aan hebben; op de deuntjes wean, in zijn schik zijn
deun, duene, op de duene wean, goed gemutst zijn
deur, duure, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, duurn, duurkn, deur. Achtr de duure hen doon, ’t huis uit gooien; eenn de waage vuur de duure skoewn, iem. in ’t nauw drijven
deze, disn, aanwijzend voornaamwoord, vrouwelijk: disse, onzijdig: dit, me, deze
dezelfde, denzeln, vrouwelijk: dezelfde, onzijdig: tzelfde<, dezelfde
dicht, dichte, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 dicht op elkaar, 2 dicht, afgesloten
die, dee, aanwijzend voornaamwoord, vrouwelijk enkelvoud en meervoud, die. Van dee dr …, van zodanige …; … en dee, … en de zijnen
die, dee, betrekkelijk voornaamwoord, vrouwelijk enkelvoud en meervoud, die, vaak met ’t
die, den, aanwijzend voornaamwoord, mannelijk enkelvoud, die
die, den, betrekkelijk voonaamwoord, mannelijk enkelvoud, die
dienen, deenn, werkwoord, zwak, 1 een dienst bewijzen, 2 als dienstmeisje werken
dienst, diens, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dienst. Eenn nen diens doon, iem. een dienst bewijzen
diep, deepe, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, diep. Dr deepe duur goan, diepzinnig redeneren
dier, deer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, deers, deerkn, dier; n deer van n …, een hele grote …
diermens, deermeanske, zelfstandig naamwoord, beestmens
dijk, diek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dieke, dieksken, wat opgehoogde weg
dik, dik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dik. Zoo dik as ne perre, volgevreten
dik, dikke, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dronken. Zoo dikke as doeznd man, n driethoes, nen Malàjr, ne oele, Mestrich, erg dronken; knon dikke, stomdronken; dikkeboeksaownd, Oudejaarsavond
dille, dil, zelfstandig naamwoord, mannelijk, diln, dilken, deel van de schop dat de steel omsluit. t In n dil hebm, ’t in ’t kruis hebben
ding, deenk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dinge, dingsken, ding. … en dinge, … en zo meer; Weetn van dinge, geen groentje meer zijn; wat wee-r iej van dinge, wat weet jij daar nou van
dingen, dingn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: deengt, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: dung<, meedingen
dinsdag, deenksldag, zelfstandig naamwoord, Dinsdag
dissel, disl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, disls, dislken, disselboom
disselhamer, dislhaamr, zelfstandig naamwoord, ijzer waar het achterhout van een wagen mee op de disselboom zit
distel, diesl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, diesln, dieslken, 1 distel, 2 timmermansbijl
disteren, distrn, werkwoord, zwak, redetwisten. Distbruer, twistziek iem.
dobbelen, dobln, werkwoord, zf. t doblt dr umme, ’t zal er om gaan
dobben, dobm, werkwoord, zwak, in schudding raken of kunnen raken
dochter, dochtr, zelfstandig naamwoord, dochtrs, dùchtrken, dochter. N eenn kuemp um de dochtr, n aandrn um de moo en n doardn um alle baejde, de een wil dit, de ander dat en sommigen alles
doddig, doddeg, doddereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ziekelijk, zwak. Lange neet doddeg, lang niet mis, prima
dode, doon, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dode
doek, dook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deuke, deuksken, 1 doek, 2 luier. Oet de deuke doon, uiteenzetten, verklaren
doek, dook, zelfstandig naamwoord, onzijdig, doek, als stof
doel, dool, zelfstandig naamwoord, onzijdig, uiteindelijke bedoeling. Gin dool hebm, geen zin, geen reden hebben
doen, doon, hulpwerkwoord, om het bezig zijn van iets uit te drukken
doen, doon, zelfstandig naamwoord, onzijdig, manier van doen
doen, doon, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: doo, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: dut, 1 doen, 2 geven, 3 kosten, 4 in werking komen. Met te doon hebm, 1 medelijden hebben met, 2 te maken hebben met; met eenn doon, iem. raadplegen over iets; oarns ouwr doon, iets ter sprake brengen; t is tr um te doon, het is bij
doeskop, doeskop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kop met slordig lang haar
doesterig, doestereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 ongekamd, 2 soezerig
doesterik, doesterik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doesterikke, iem. die zijn uiterlijk verwaarloost
dokter, doktr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doktrs, doktrken, arts. Doktr Dul, eigenwijze praatjesmaker
dol, dòl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dùlle, dùlken, handvat van zeis
dol, dol, dul, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 wild, 2 duizelig, draaierig, 3 niet meer passend, van schroef. Nen doln keal, een wildebras; zoo dol as n eanekuukn, erg draaierig
dolbotter, dolbotr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dolbotrs, dolbotrken, wildebras
dollen, doln, werkwoord, zwak, 1 wild en gek doen, 2 ijlen
dom, dom, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dom. Zoo dom as n buentjen, oliedom; eenn dom kùjrn, iem. door praten van de wijs brengen; zoo dom as ne oele, as nen osn, als de duuwl, erg dom
dominee, doomie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doomies, dominée
domineren, dommeneern, werkwoord, zwak, tieren en vloeken
dompelig, doompeleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, miezerig, van weer
donder, donder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, man dien men iets verwijt
donder, doondr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, donder
donderbes, doondrbeazn, zelfstandig naamwoord, vruchten van de wilde sering
donderen, doondrn, werkwoord, zwak, 1 donderen, 2 met lawaai vallen. Doondrt dood, Loop naar de bliksem!; doondrn in de kaale bueme gef n nat vuurjoar, onweer in de winter voorspelt een regenachtig voorjaar
donderij, doonderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 malligheid, 2 voor de gekhouderij, 3 onenigheid, getwist
donderjagen, doondrjaang, werkwoord, gekheid, keet maken
donderkraal, doondrkraln, zelfstandig naamwoord, vruchten van de wilde sering
donderpad, doondrpàrre, zelfstandig naamwoord, doondrpàrren, doondrpàrreken, 1 grote pad, 2 zwaarlijvige, onvriendelijke vrouw
donders, doondrs, bijwoord, heel erg
donderschoer, doondrskoer, zelfstandig naamwoord, doondrskoers, doondrskoerkn, 1 donderbui, 2 plant: hanepoot
donderworm, doondrwùrmkes, zelfstandig naamwoord, kleine mugjes, die vóór onweer vliegen
donnen, dùnn, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: edùend, uitpuilen. De oong dùnt oew in n kop, de ogen puilen er van uit; zitn te dùnn op n stool, ongans zijn van ’t veel eten
dood, dood, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dood, sterven
dood, dood, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 dood, 2 doods
dooddoen, dood doon, werkwoord, slachten
doodhouwen, doodhouwn, werkwoord, doodslaan
doodjager, doodjaagr, zelfstandig naamwoord, racefiets
doodleggertje, doodlegrken, zelfstandig naamwoord, hen, die veel eieren legt, maar dan sterft
doof, doof, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, doof. Zoo doof as ne skarre, stokdoof
dooi, doo, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dooi. dooi hòoln, tegen vorst beschermen
dooier, doorn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duerne, duerntjen, dooier
door, duur, bijwoord, verder, voort
door, duur, voorzetsel, door. duur t al hen, gemiddeld, gewoonlijk; dr duur sprekng, de zaak goed uitleggen, opspreken
doordacht, duurdach, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, weloverwogen
doordoen, duurdoon, werkwoord, 1 doormidden doen, 2 doorschrappen, er niet meer op rekenen
doordrijver, duurdriewr, zelfstandig naamwoord, drevel
doorgaan, duurgoan, werkwoord, 1 werkelijkheid worden, 2 doorbarsten, 3 de schijn wekken, 4 onp. vergeten worden; t geet r um duur, hij denkt er niet meer aan
doorgang, duurngaank, zelfstandig naamwoord, deuropening
doorgang, duurgaank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 mogelijkheid om voort te gaan, 2 deuropening; duurgaank hebm, werkelijk gebeuren, verwezenlijkt worden
doorgronden, duurgroonn, werkwoord, doorgronden
doorkoken, duurkokng, werkwoord, als stamppot koken
doorkook, duurkok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stamppot
doorn, duern, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duerne, duerntjen, doorn. n duern dr met oet n voot hebm, het ergste achter de rug hebben
doorschemeren, duurskemrn, loatn duurskemrn, een goed verstaander duidelijk maken
doorschieten, duurskeetn, werkwoord, verder gaan in een bepaalde richting
doorslag, duurslag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 overwicht, 2 vergiet
doorstaan, duurstoan, werkwoord, verdragen, lijden
doorzetten, duurzetn, werkwoord, volhouden
doos, dueze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, duezn, duesken, doos
dop, dop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dùppe, dùpken, 1 dop, 2 klein, rond deksel. De dùppe, de ogen, minachtend
dopen, duepm, werkwoord, zwak, dopen
doppen, dùpm, werkwoord, zwak, van de dop ontdoen
dorsen, dùskn, werkwoord, zwak, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: dùsket, verleden deelwoord: edùsket, dorsen. Eenn hen waatr dùskn hebm, niet goed bij ’t hoofd zijn; dùskn um t hoes, lawaai maken bij huis; dr hen dùsken, hard weglopen
dorsstok, dùskestok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dorsstok
dorst, dùs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dorst
dovenetel, dauwnetl, zelfstandig naamwoord, dovenetel
draad, droad, zelfstandig naamwoord, drùe, drùedjen, 1 m draad, 2 o metalen draad, 3 draadafrastering. Oarns met vuur n droad komm, ergens mee op de proppen komen
draadnagel, droadneagl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 spijker, 2 iem. die een goede kans niet benut, of niet tot iets opgewekt kan worden, Jan Salie
draai, dreej, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dreejn, draaiïng, wending, bocht. Um n dreej, voorbij de bocht
draaiangel, dreejangl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, twistzoeker
draaien, dreejn, werkwoord, zwak, 1 draaien, 2 wenden, van voertuig of dier, 3 onoprecht praten. Oarns t gat biej in dreejn, zich op slinkse wijze een goede plaats bezorgen
draaihaal, dreejhoal, zelfstandig naamwoord, als hefboom gebouwd hoaliezr
draaischuit, dreejskuutjen, zelfstandig naamwoord, draaimolen. Zoo dol as t peard van t dreejskuutjen, vreeselijk duizelig
draaistuit, dreejstuutn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dreejstuutns, dreejstuuttjen, iem. die niet oprecht zijn mening zegt, maar zo praat, dat hij een ander door ergernis of uitlokking er toe brengt wel openhartig te zijn
draaiwervel, dreejwoarvl, zelfstandig naamwoord, draaibaar stuk in het paardeleidsel
drabbig, drappeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kwabberig
dracht, drach, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drachn, drachjen, 1 klederdracht, 2 sterkte in weefsel. Dr zit drach in, het is sterk
drachtig, drechtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, drachtig
draderig, drùedereg, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, draderig
dragen, dreang, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: dreage, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , dragen
dram, dram, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nen dram op t lief hebm, aldoor zeuren en malen
drammen, dramm, werkwoord, zwak, zaniken
drammer, dramrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zeurpot
dramtiet, drammetitjen, zelfstandig naamwoord, fopspeen
drang, drang, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dringende klacht
drank, draank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sterke drank
drankje, druenkn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, drankje
draven, draawn, werkwoord, zwak, draven
dreet, driete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, weke mest
drek, dràk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 modder, 2 uitwerpselen. In n dràk sloan, n dràk trean, 1 beroddelen, 2 afkammen
dremelen, dremln, werkwoord, zwak, dralen
dreps, drepse, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wilde haver
dreutelen, drùetln, werkwoord, zwak, aarzelen. Drùetlgat, weifelaar
dreutig, drùeteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, teuterig
dreuzel, druezl, in n druezl, onbewust, in sleur
drie, dree, dreeje, telwoord, 3; dree leangtn dree breedtn, op zijn elf en dertigst
drieklezoor, dreeklezoor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dreeklezoors, dreeklezoortjen, baksteen van ¾ van de gewone dikte
drieknop, dreeknop, zelfstandig naamwoord, grasachtig onkruid
drielas, dreelaske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dreelaskn, okselstukje in ondergoed
drieling, dreeleenk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drieling
driest, drieste, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mooi aangekleed, hups
driestikken, dreestikng, werkwoord, zwak, stekelige dingen zeggen
driestikker, dreestikr, zelfstandig naamwoord, iem. die “dreestikt” (zie dreestikng)
drietand, dreetaand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drietandige greep
drietje, dreekn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 15-cent stuk
drievoet, dreevoot, zelfstandig naamwoord, drievoet, om ketel op boven de haard te zetten
drift, drif, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 aandrijvende kracht, jachtlust, 2 sterke stroming
drijten, drietn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: drit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: dreetDat loat hen drietn, bekommer je daar niet om; eenn wat drietn, op iemands gezegden niks uitdoen; a’j huegr weelt drietn a’j t gat hebt zitn, dan bast oew n ears, wie zich voornamer wil voordoen, dan hij is of iets
drijthuis, driethoes, zelfstandig naamwoord, WC
drijven, driewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: drif, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: dreef
drijver, driewr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, driewrs, driewrken, drijver, bij de jacht
drikusman, driekesman, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bep. boerendans
dril, dril, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geleiachtige massa
dril, dril, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blauw katoen voor rokken
drilhak, drilhakke, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanstellerige, fatterige man
drillen, driln, werkwoord, zwak, vlug rondwentelen. Hee drilt van gekkegaejd, hij weet van inbeelding niet wat hij doen zal
driller, drildrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanstellerige, fatterige man
drilpiet, drillepietjen, zelfstandig naamwoord, draaitolletje
dringen, dringn, werkwoord, sterk, verleden tijd: 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: dreenk, 1e persoon enkelvoud verleden, dringen
drinken, dreenkng, werkwoord, verleden tijd: druenk, verleden deelwoord: edruenk, drinken. Iej kùent r met miej wal oet dreenkng, dat is tussen ons wel te regelen
droes, dreuze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwoa dreuze, kwade droes.
droesem, dreusem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwade droes
drogen, drueng, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: edruengnd, drogen
drolletje, drollies, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sufferd
dromen, druemm, werkwoord, zwak, 1 dromen, 2 in dwaling verkeren
dromerij, druemerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gedroom
droog, druege, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, droog. Eenn dr nen druege druengn hen doon, iem. een lik uit de pan geven; n dr druege of krieng, een schrobbering krijgen
droogte, druegte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, droogte
droom, druem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drueme, druemken, droom
droosjes, droosjes, droosjes maakng, gekke dingen doen
drubbel, drobl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drobls, droblken, hoeveelheid bij elkaar, tros
druif, droef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, druuwe, druufken, druif; tros, hoopje
druifje, droefken, zelfstandig naamwoord, rozetje aan de pet, ten teken van rouw. n droefken an de pette hebm, terneergeslagen zijn
druk, drok, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, veel te doen hebbend
druk, druk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, verdrukking
drukken, drukng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: drukke, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , drukken
drukte, drokte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 ruzie, verwikkelingen, 2 haast
druktemaker, droktemaakr, zelfstandig naamwoord, lefmaker
drupje, drupken, zelfstandig naamwoord, onzijdig, druppel
dubbel, dubld, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dubbel
duchten, duchn, werkwoord, zwak, vrezen
duchtig, duchteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, flink, erg
duiden, duun, werkwoord, zwak, uitleggen, verklaren; duun op, een teken zijn van …
duif, doewe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doewn, duufken, duif. Ne oale doewe, een dame van middelbare leeftijd
duiken, doekng, werkwoord, zwak, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: doeket, verleden deelwoord: edoeket, 1 bukken, hurken, 2 omhelzen
duiken, duukng, werkwoord, sterk, verleden tijd: duek, verleden deelwoord: edùkn, duiken
duiker, duukr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duukrs, duukrken, duiker
duim, doem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doemn, duumken, duim
duimegge, duumek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 duimlapje, 2 scharnierhengsel
duimstok, duumstok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duimstok
duister, duustr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, donker. In duustrn, in het donker; t zut’r duustr oet, het lijkt niet rooskleurig
duit, dùejte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dùejtn, dùejtjen, duit
duivel, duuwl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duuwls, duuwlken, duivel. Woer’t de duuwl drit, doar drit e biej huepe, niet eerlijk verdiend geld valt toe aan die al veel hebben; in tied van nood vret de duuwl vleeng, nood breekt wet; duuwl dag!, drommels!; de duuwl oontkrùpn wean op healdrlechn
duivels, duuwls, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 duivels, 2 allerverschrikkelijkst erg
duivenbeun, doewnbùnne, zelfstandig naamwoord, duiventil
duivenschoer, doewnskoers, zelfstandig naamwoord, duizendschone
duizel, duuzl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, in n duuzl, bezwijmd
duizelen, duuzln, werkwoord, zwak, duizelen
duizend, doeznd, telwoord, 1000
duizendbener, doezndbeenr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duizendpoot
dun, dunne, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 smal, 2 goed vloeibaar. t Lop dunne biej, ’t valt tegen
dunken, duchn, werkwoord, zwak, onpersoonlijk, dunken; miej duch, miej duch, Nou, nou!
dunnege, dunegge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, duneg’n, slaap, van het hoofd
dunnen, dunn, werkwoord, zwak, uitdunnen
duppie, dupjen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dupjes, dubbeltje. Zoo gek as n dupjen, helemaal mal; wee’t gin dupjen weet te verzoepm, weet’r ook gin te vedeenn, wie geen goed gebruik van geld weet te maken, zal ook wel niet handig zijn om het te verdienen; wal op n dupjen kùnn driln, zw
durabel, dueraabl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kostbaar
duren, doern, werkwoord, zwak, duren. t neet doern kùnn, het niet kunnen houden; t kan neet doern, ’t is niet duurzaam
durf, dùrf, dùrve, zelfstandig naamwoord, durf. Vol dùrf zitn, veel moed hebben
durven, dùrvn, werkwoord, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: dùrf, durven
duur, doer, gin doer hebm, onrustig worden
duur, duer, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, duur. An de duerste moark wean, de hoogste prijs moeten betalen
duwen, doewn, werkwoord, zwak, dreunen
duwneurig, doewneureg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eigenzinnig, onhandelbaar
dwaal, dwàl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oarns met in n dwàl wean, van iets een verkeerde voorstelling hebben, iets niet kunnen vatten
dwaas, dwoas, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dwaas
dwalen, dwàln, werkwoord, zwak, 1 lopen zonder de weg te weten, 2 doelloos of onzinnig rondlopen. t dwàlt miej nog wa, er staat me nog wel iets van voor
dwalerig, dwàldereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verstrooid, vergeetachtig van ouderdom
dwalm, dwàlle, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dwàlln, dwàllken, beginselloze vrouw
dwars, dwas, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 dwarsliggers, 2 tegenwerkend, ongezeggelijk
dwarsbengelarij, dwasbonglderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dwarsdrijverij
dwarsbengelen, dwasbongln, werkwoord, zwak, door niet meewerken hinderlijk zijn
dwarswagen, dwaswaage, zelfstandig naamwoord, dwarsdrijver, tegenwerker
dwingen, dwingn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: dweenk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: dwung, dwingen
dwinger, dwingrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kind dat altijd zijn zin wil doorzetten
dwingerig, dwingereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, precies eigen zin willende doen
dwingerij, dwingerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pogingen om eigen zin door te drijven
eau de cologne, klonnie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eau de Cologne
echt, ech, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, echt
edik, àttek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, azijn. Wa kan dr non an àttek zoer wordn?, Wat is daar nou aan te bederven?
eek, eek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 afkooksel van bonen, 2 vocht uit hout
een, een, telwoord, 1
een, nen, onbepaald lidwoord, vrouwelijk: ne, onzijdig: n, een
eend, eane, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eann, eend
eenloos, eenleus, bijwoord, eenzaam
eensgebonden, eengsgeboond, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, met onderling vertrouwen
eenwegs, eenewegges, bijwoord, naar één plaats
eerdanig, eardoaneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, op eerbewijs gesteld
eerder, ear, bijwoord, eerder. ’k Leuwe a’w mekoar ear ezeen hebt, waar je nu op betrapt, heb ik van jou ook wel gezien
eerst, eers, bijvoeglijk naamwoord, mannelijk, vrouwelijk, onzijdig en meervoud: ee, eerste
eerst, eers, bijwoord, eerst; van n eersn, binnenkort
eeuwigheid, eewegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eeuwigheid
eg, eage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eang, eagsken, eg
eg, egge, biej egge, op zijn gemak; in eigennamen: stuk in cultuur gebrachte grond; t spil neet an de egge hebn, de boel niet voor elkaar hebben
egaal, eegaal, bijwoord, gelijkmatig
eggen, eg’ng, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: egge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: eg, eggen
ei, àj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, àjr, àjken, ei. Paosàj, Paasei; op àjr loopm, voorzichtig lopen; a’t àj brek, zù’j s zeen wo steenkn, als die opzet mislukt, komt er wat los; den kù’j wal n àj in t gat kokng, die is vreselijk bang; àjr met hùeke, iets dat niet best
eigen, eeng, bijvoeglijk naamwoord, eigen; eeng in t hoes, als kind aan huis
eigenwijs, eengwies, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eigenwijs, klemt. op ee
eigenwijzigheid, eenwiezegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eigenzin
eik, eekn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eekn, eeksken, eikeboom
eikel, eekl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eekls, eeklken, eikel
eiken, eekn, bijvoeglijk naamwoord, eikenhouten
einde, eane, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eannken, einde. Wat biej n eane hebm, ergens mee bezig zijn; dat kuemp op eenn eane oet, dat komt op ’t zelfde neer; aejt wat biej n eane hebm, altijd streken uithalen; t eannken too, de blinde darm;…en gin eane, … nog aan toe; <
eisen, eesken, werkwoord, zwak, eisen
eismannetje, eezemennken, op oew eezemennken, dat zou je wel willen
ekster, eakstr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eakstrs, eakstrken, ekster. A’j eakstr stuert, krie’j boonte vuegl wier, wie wind zaait, zal storm oogsten
el, elle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ellemaat
elastiek, ellstiek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, elastiek
elastiekslinger, eelstiekslingr, zelfstandig naamwoord, katapult
elleboog, ellboang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ellboang, elleboog
els, eals, zelfstandig naamwoord, mannelijk, elzeboom
emmer, emr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, emrs, emrken, emmer
emtenstaart, eampnstat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lichtgeraakt persoon
emterig, eampereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, prikkelbaar
ene, eenn, onbepaald voornaamwoord, 1 iemand, 2 een zekere
eng, enge, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, nauw
engel, engl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, engln, englken, engel
enig, enneg, bijvoeglijk naamwoord, enig
enkel, eankl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 bn. enkel, 2 bn. bw. dun, tenger, gering
enkel, eanklt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eankls, eanklken, enkel
enkel, eanklt, bijwoord, een enkele keer
entegen, inteeng, bijwoord, tegemoet
eren, eare, werkwoord, zwak, eren
erf, oarf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oarvn, erf
erfenis, oarfenisse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, erfenis
erfgoed, oarfgood, zelfstandig naamwoord, ergoed
erg, oarg, zelfstandig naamwoord, erg, vermoeden. Zoondr oarg, zonder er bij te denken; dr oarg in hebm, er op bedacht zijn, het dóór hebben
ernst, earns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reden, goed voorwendsel
erwt, oarfte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oarfn, ùerfken, erwt
es, es, zelfstandig naamwoord, mannelijk, esn, es, hoog bouwland. In n es, op de es
es, eske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eskn, esseboom
ester, estr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bijdehand persoon
estimeren, àstemeern, estemeern, werkwoord, zwak, erkennen, achting betuigen
eten, etn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, etns, etntjen, maal eten; at t op is, is’t etn gedoan, als er niet meer is, houdt alles op
eten, etn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: ette, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: et, eten; etn as nen dùskr, erg veel eten; k dee-r leewr teeng um etn as teeng um houwen, men kan met hem beter eten dan vechten; al egetn en edruenken hebm, er al de buik vol van hebben
eter, etr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, etrs, etrken, mee-eter
etgaarde, etgarre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, groen
etter, àtr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, etter
euvelen, uevrn, werkwoord, zwak, sarren
even, eawn, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, even, van getal
even, eawn, bijwoord, eventjes
evenduvel, eawnduuwls, bijwoord, desondanks
evenmens, eawnmeanske, zelfstandig naamwoord, gelijke, naaste
evenouder, eawnoaldr, zelfstandig naamwoord, iem. van gelijke leeftijd
eventjes, efkes, bijwoord, eventjes
Evert, eawrtjen, eawrtjen hef um te pakng, hij is lui
ezel, eezl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eezls, eezlken, ezel
fatsoen, fesoen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fatsoen
fatsoenlijk, fesoenlek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, fatsoenlijk
fazant, fezaante, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fezaantn, fezaantjen, fazant
fazel, vaazl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geslachtdeel van koe
feil, vàele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vàeln, vàelken, dweil
fel, fàel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, begerig. Nen fàeln hoond, een al te begerig mens; fàel op, begerig naar; oarns fàel op wean, iets erg graag lusten
fidderen, fidrn, werkwoord, zwak, hevig beven. De bokse fidrt miej an t gat, ik sta te rillen
fiemel, fiml, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fimln, fimlken, knoop van wit bot
fiemelen, fimln, werkwoord, zwak, wriemelen, mieren
fiets, fietse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fietsn, fietsken, fiets
fietsenmaker, fietsnmaakr, zelfstandig naamwoord, rijwielhersteller
fietspet, fietsepetjen, zelfstandig naamwoord, pet, oude benaming
fietsstoeltje, fietsnsteulken, zelfstandig naamwoord, kinderzitje op een fiets
fijn, fien, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 niet grof, 2 godsdienstige voorschriften nauwgezet volgend; fien op n taand, kieskeurig
fijt, fiet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fijt
fiks, fiks, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, krachtig, flink
finaal, fenoal, bijwoord, helemaal
flakkeren, flokrn, werkwoord, zwak, flikkeren
flank, flaanke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flaankn, flank
flansen, flaansn, werkwoord, an mekoar flaansn, flansen
flantuten, flantuutn, zelfstandig naamwoord, nieuwmoodse kunsten
flard, vlardn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vlardn, vlàrken, vin
flauw, flauw, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 niet zout, 2 zwak
fles, vlàske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vlàskn, vlàsken, fles
flets, flàts, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, flets
fleurboom, fluurboom, hee zoch fluurboom, mer heen krig truurboom, hij zoekt zolang het fijnste, dat hij met wat slechts blijft zitten
fleurig, fluureg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, fleurig
flink, fleenk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, flink
flinter, flistr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flistrs, flistrken, dun plakje
flisteren, flistrn, werkwoord, zwak, slissen
flodderboks, flodrbokse, zelfstandig naamwoord, zieltje zonder zorgen
flodderen, flodrn, werkwoord, zwak, flodderen
fluisteren, flustrn, werkwoord, zwak, fluisteren
fluit, flùejte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flùetjtn, flùejtjen, fluit
fluiten, flùejtn, werkwoord, zwak, fluiten. Flùejtekeal, iem. die vaak fluit
foeken, foekng, werkwoord, zwak, speelruimte geven, van doek of derg. In mekaandr foekng, in eenzijgen, in elkaar slaan, van doek en derg.
fommelen, fomln, werkwoord, zwak, frunniken. Kaj in mekoar efomld, helemaal verkreukeld
fots, fosn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fosns, fusken, bosje hoeveelheid. Nen fosn weend, een rukwind
fotserig, fostereg, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, ropperig, van planten
fotsig, fosseg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, hier en daar verspreid. Nen fossegen weend, een wilde buiïge wind
foulard, foelaa, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, foelaas, foelaakn, gebreide donkere omslagdoek
fraai, froaj, bijwoord, tamelijk
framboos, frambooze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, framboozn, frambuesken, framboos
frank, vraank, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, vrijmoedig
Frans, fraanse, dr komt nog fraanse daage vuur oe, je zult er nog wel van lusten
fris, fris, friske, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, fris onbedorven
fronselen, froonsln, werkwoord, zwak, fronselen
fuik, foeke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, foekn, fuuksken, 1 uitholling, 2 fuik; foekn in de kennebakke krieng, oud worden
futselaar, fusldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fusldrs, 1 knutselaar, 2 trage werker
futselen, fusln, werkwoord, zwak, 1 knutselen, 2 mieren
gaaf, geewe, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gaaf
gaai, goaje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, goajn, forse meid
gaan, goan, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: goa, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: gee, 1 gaan, lopen, 2 weggaan, 3 rondwaren; goan met, verkering hebben met; den geet doar toch, die heeft toch niks te doen; hee gung miej, ik was bang; hen goan, niets van komen; dr of goan, er van langs gaan; dr achtr he
gaar, goar, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gaar. Eenn wat goar kùjrn, iem. iets zo voorstellen, dat het hem toelacht; de kàje goar hebm, het hoofd toegetakeld hebben; goar maakng, de steenoven stoken; good goar, goed bij
gaard, goarn, goorn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, guerne, goorne, guerntjen, tuin, niet bij ’t huis
gaarne, gearne, bijwoord, graag
gadergoed, gadrgood, zelfstandig naamwoord, rommel, voor ’t oprapen liggend goed
gaffel, gafl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gafls, gaflken, dubbel tweetandige vork op lange steel, om vlees mee van de wieme te halen
gaffeltand, gafltaand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oorworm
gagel, goagl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, goaglken, gehemelte
gal, galle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gal. De galle stek miej, ik word woedend
galg, galge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, galgn, galgjen, dwarsbalk van kruiwagen, bij ’t rad, 2 draaibare arm boven ’t haardvuur
gallig, gelleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ziekelijk, van schaap
galmen, galmm, werkwoord, zwak, 1 galmen, 2 golven van gras of graan
galpen, gàlpm, galpm, werkwoord, zwak, piepen van kuikens; schooien om eten; gàlpm van hongr, hunkeren naar eten
gang, gaank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gànge, gàngsken, 1 gang, 2 manier van lopen, 3 het gaan. In de gaank, in heel korte tijd, terloops; t is mer net de gaank, ’t is maar heel even
gangs, gangs, bijwoord, 1 aan de gang, 2 langzamerhand. t Spil gangs hebm, de boel aan ’t draaien hebben, gangs goan, aangifte gaan doen van voorgenomen huwelijk; zoo gangs, zodadelijk
gans, gaans, gaanske, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1 bw. helemaal, 2 bn. gaanske, heel
gans, gaanze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gaanzn, gàensken, gans. Op n gàensken valn, op een voordeeltje uitlopen
ganzenbloem, gaanzebloome, zelfstandig naamwoord, margriet
ganzenei, gaanznàj, zelfstandig naamwoord, ganze-ei. Hee kon wa meann at ne katte gaanznàjr lear, hij ziet zeker de zon aan voor een edammer kaasje
gapen, gaapm, werkwoord, zwak, 1 gapen, 2 dom kijken, staren. Teeng t peard kù’j neet gaapm, er is altijd baas boven baas; teeng nen heetn ouwnd kù’j neet gaapm, tegen een machtige kan men geen grote mond opzetten
gaping, gaapege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gaping, tussenruimte
gaps, gapse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gapsn, gàpsken, handvol
gard, gàrre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gàrrn, gàrrken, twijg. Net o’j met ne gàrre in t waatr houwt, dat is allemaal drukte voor niks, dat geeft toch niks
garen, gadrn, werkwoord, zwak, 1 graaien, 2 door grijpen verzamelen. Oarn gadrn, aren lezen
garf, goarve, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, goarvn, gùerfken, garf
garibaldihoed, geballieheudjen, zelfstandig naamwoord, bolhoedje
garstig, gastereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 onverzorgd, 2 ranzig
garstig, gas, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ranzig
gasser, gastrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, viezerik
gast, gas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gàste, jonge man. De gàste, jongelui, smalend
gast, gas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gaste, gasjen, hok van 6 schoven
gast, gas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gàste, 12-tal
gastok, goastok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wandelstok
gat, gat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gàtte, gàtjen, achterste. Wel keant min gat i aandrmans stad, wat zou ik me in den vreemde aan de mensen storen; t an t gat krieng, het spel of de strijd verliezen; a’j t gat neet vaste hadn zitn, veleus iej dat ook nog, jij kunt ook nergens op pass
gat, gat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geatr, geatjen, gat; slag geatr, kuilen in wagenspoor aan één kant
gateinde, gateane, zelfstandig naamwoord, mannelijk, achtereinde
gauw, gaauw, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gauw
gauwdief, gawdeef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gawdeewe, gawdeefken, dief
gebaar, geboar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geboarn, gebùerkn, gebaar
gebeente, gebeente, zelfstandig naamwoord, gebeente. t Kort gebeente, de kinderen
gebeuren, gebuurn, werkwoord, zwak, gebeuren. t Mut nen keer gebuurn, ’t wordt nu zachtjes aan tijd
gebieden, gebeen, werkwoord, bevelen
gebint, gebeentn, zelfstandig naamwoord, gebinten
geblek, geblek, zelfstandig naamwoord, gekef
gebloed, gebleute, in t gebleute zitn, in ’t bloed zitten
geboste, geboskete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gewemel, druk gedoe
gebraad, gebroad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebrùedjen, vleesbraadsel
gebrek, gebrek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebrek, ook van karakter
gebrekkelijk, gebrekkelek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, aan een breuk lijdende
gebruik, gebroek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebruik. Zin gebroek oarns van nemn, zich iets ten nutte maken, de vruchten van iets genieten
gebruiken, gebroekng, werkwoord, zwak, gebruiken
gedaan, gedoan, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wild van verlangen, dartel. Gedoan wean op, erg gesteld zijn op
gedaante, gedùente, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gedùentn, gestalte
gedachte, gedachte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gedachn, gedachte, Mv: geheugen. In de gedachn komm, zich herinneren; oarns gin gedachn op hebm, ergens niet aan denken; zik oarns gedachn ouwr maakng, ergens over piekeren; in de gedachn skeetn, voor de geest komen; noarns gin gedac
gedag, gedag, goeden dag! Gedag zeg’ng, bij aankomst of vertrek groeten
gedanigheid, gedoanegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wilde begeerte
gedegen, gedeang, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gedegen
gedenken, gedeankng, werkwoord, herdenken
gedijen, gediejn, werkwoord, groeien
gedoe, gedoo, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedoe
gedoekseme, gedooksemie!, uitroep, wel voor den drommel!
gedraaidharig, draejdhùereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 onoprecht en verward in het praten, 2 weerspannig
gedram, gedram, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gezeur
gedrinkte, gedreankte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, iets te drinken
geduld, gedueld, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geduld
geduldig, gezul, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mak, rustig, geduldig
gedurig, geduureg, bijwoord, voortdurend, telkens
gee, gee’n, in gee’n, ligging van gras na het maaien
geel, gel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, geel, bruin. Nen geln, iem. met bruine huidskleur
geelgors, gelguurdr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gelguurdrs, gelguurdrken, geelgors
geest, gees, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geesn, geestverschijning
geeuwen, giwn, werkwoord, zwak, blijk geven van begerigheid naar eten of drinken
geil, gàel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, weelderig; gàel in t wasn, in de groeijaren
gek, gek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, raar, krankzinnig
gekheid, gekaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, scherts. Duur gekaejd, uit gekheid
gekkigheid, gekkegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 onwijzigheid, 2 verwaandheid
gekluister, gekloestr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gescharrel in en om huis
gekuierte, gekùjrte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gepraat
geld, geald, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gealdjen, geld. Hee’s zoo gedoan op t geald as de duuwl op ne zeele, geld gaat bij hem boven alles; woer t geald is zee’j woondrn, woer t neet is hue’j t doondrn, rijkdom geeft macht, armoede ruzie
gelden, gealn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: gealt, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: gùel
gelijk, geliek, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, gelijk. Bool geliek, groot gelijk!
gelijk, liek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gelijk, glad; liek wean, over en weer niets te vorderen hebben
gelijkelijk, geliekedekies!, gelijk op!
gelijken, geliekng, werkwoord, gelijkenis hebben
geloof, geloowe, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geloof
gelte, gealte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gealtn, varken, vóór de eerste worp
geluk, gelukke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gelukkige omstandigheid
gemacht, gemàchte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mann. geslachtdeel
gemak, gemak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gemakkelijk zijn. Zin gemak dr van nemn, het zich gemakkelijk maken
gemakkelijk, gemaklek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 gemakkelijk, 2 gemakzuchtig
gemakstoel, gemakstool, zelfstandig naamwoord, leunstoel
gemoed, gemood, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gemoed. t Gemood skùt miej vol, ik word tot tranen toe bewogen; wat op t gemood hebm, innerlijke drang hebben over iets te praten
gemul, gemul, zelfstandig naamwoord, onzijdig, houtafval van klompenmakerij
genade, genoa, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, genade. Zik duur de genoa hen etn, van het geschonkene onbehoorlijk veel eten
genadig, geneereg, bijwoord, genadig. t Dr geneereg of brengn, er genadig af komen
gene, genn, aanwijzend voornaamwoord, vrouwelijk, onzijdig en meervoud: genne, ginds
genegen, geneang, bijwoord, genegen. Eenn geneang wean, iem. wel mogen
genegenheid, geneangnhaejd, zelfstandig naamwoord, genegenheid
geneugte, genuechn, zelfstandig naamwoord, genoegens
gengelbaas, genglbaas, zelfstandig naamwoord, iem. die zijn tijd verdoet
gengelen, gengln, werkwoord, zwak, rondslenteren
genoeg, genog, bijwoord, genoeg
genoegen, genuengn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, genoegen. t Genuengn is um nog neet ebùrsn, hij heeft er nog wel trek in
gent, geante, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geantn, geantjen, gent
gerak, gerak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rechtvaardig aandeel
gerei, geràj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 benodigdheden, 2 paardetuig, 3 soort goed. Mooi geràj maakng, een goede uier krijgen, van koe
geren, gearn, werkwoord, zwak, schuin toelopen
gerfkamer, goarfkaamr, zelfstandig naamwoord, uitdeling door de diakenen
gerief, gereef, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gerief, nut
gerieven, gereewn, werkwoord, zwak, van dienst zijn
gering, geringe, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, weinig, onbetekenend
gerst, garste, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gerst
gerust, gerus, bijwoord, gerust
gerustigheid, gerustegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rustig gevoel
geschieden, geskeen, werkwoord, onb. w. gebeuren
geselen, gaejsln, werkwoord, zwak, hard lopen. De luuze gaejslt um ouwr n kop, hij zit onder ’t ongedierte
gesem, geesn, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, beroerd door lege maag
geslacht, geslachte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 kunne, 2 geslacht, 3 stam
geslonste, gesluenste, gesluenstrte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 afval bij ’t slachten, 2 nageboorte
gesp, gaspl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gaspln, gàsplken, gesp
gestand, gestaand, gestaand doon, gestand doen
gestrit, gestrit, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gestritte, gestritjen, kruis van de broek
getal, getal, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aantal
getouw, getùw, zelfstandig naamwoord, onzijdig, weefgetouw
getrampel, getraamplte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, getrappel
getrouw, getrouw, zelfstandig naamwoord, onzijdig, huwelijk
getrouw, getrouw, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, trouw aan
getuige, getuuge, zelfstandig naamwoord, mannelijk, getuugng, getuige
getuigen, getuung, werkwoord, zwak, naar waarheid bevestigen
gevaar, gevoar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gevaar
gevel, geewl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geewls, geewlken, gevel
geven, geewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: gif, gef, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: gaf, geven
gevoel, geveul, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gevoel, tastzin
gevoelen, geveuln, geveuln vuur, liefhebberij hebben voor
gevreet, gevret, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gevrette, gevretjen, tronie
gewaad, gewoad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bekleedsel voor mensen
gewag, gewag, zelfstandig naamwoord, onzijdig, melding; gewag maakng van wat, ergens opmerkzaam op maken; gewag geewn, antwoord geven; gewag krieng, bescheid krijgen
gewas, gewas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gewasn, 1 oogst te velde, 2 gekweekte plant
geweld, geweald, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wilde kracht
gewelf, gewulfte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gewulfn, gewelf
gewemel, gewemlte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gewemel
gewicht, gewechte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gewechn, gewechjen, 1 gewichtmaat, 2 zwaarte. Skroa nàw gewechte, niet de volle maat
gewin, gewin, zelfstandig naamwoord, onzijdig, voordeel, winst
gewisse, gewisse, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geweten
geworden, geworn, werkwoord, all. onbep. w., met goed gevolg verder werken, opschieten. Non kù’j geworn, nu kun je je gang gaan; loa geworn, laat dat aan zichzelf over
gezelschap, gezealskop, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bijeenkomst bij een bekeerde, na de preek
gezicht, gezichte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gezichn, gezichjen, 1 aangezicht, 2 droombeeld
gezindte, gezeente, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gezeentn, gezindte
gezond, gezoond, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gezond. A’w gezoond bliewt, bij leven en welzijn
gezondheid, gezoondhaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gezondheid. Biej gezoondhaejd, bij leven en welzijn
gieteling, geetleenk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geetleenks, merel
gieten, geetn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: gùt, verleden tijd: geut, verleden deelwoord:, gieten
gietklomp, geetekloomp, zelfstandig naamwoord, klomp aan lange stok om wasgoed te begieten
gif, gifn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opvliegende man
giftig, gifteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, venijnig. Nen giftegn oard, een gemeen karakter
ginder, gentr, bijwoord, ginds
gissen, gisn, werkwoord, zwak, raden
gissing, gissege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, begroting
gist, ges, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gist
gisteren, gistrn, bijwoord, gisteren
glad, glad, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 glibberig, 2 leep, 3 verrekend, 4 helemaal. Glatte baane, schoon schip, afgedane zaken); glad van de wieze, helemaal verbouwereerd; t glad hebm, ’t werk af hebben; glad wean, er netjes uit zien
gladdigheid, gladdegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gladheid
glans, glaans, zelfstandig naamwoord, mannelijk, glans
glanzen, glaanzn, werkwoord, zwak, glimmen
glas, glas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, glaaze, gleasken, glas
gleien, glàjn, werkwoord, zwak, glimmen
gleiïg, glàjeg, glàjereg, glaejstereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, glazig
glijbaan, glierbaane, zelfstandig naamwoord, glijbaan
glijden, gliern, werkwoord, zwak, verleden deelwoord ook: egleen, glijden
glim, gliem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, glieme, gliemken, kier, naad. Aejt duur t gliemken van de duure wiln kiekng, altijd proberen achter geheimen te komen
glimmen, glemm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: gleamp, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: glum<, glinsteren. De panne gleamp nog, er zit nog hypotheek op ’t huis
glimmig, glemmeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, glinsterend, blinkend
glimsmeer, glemmsmear, zelfstandig naamwoord, schoensmeer
glip, glib, zelfstandig naamwoord, mannelijk, glibken, gleuf
gloed, glood, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gloed
gloeien, gleujn, werkwoord, zwak, gloeien
gloeiendig, gleujndeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 bn. gloeiend, 2 bw. heel erg
gluipen, gloemp, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: glop, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: gleup
gluiperd, gloeprd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gloeprs, gluiper
gluips, gloeps, bijwoord, allerverschrikkelijkste, bij bn.
goed, good, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geudjen, 1 geweven stof, goederen, have
goed, good, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 deugdelijk, bruikbaar, 2 goedaardig. A’t good is, mu’j t good loatn, men moet het goede niet willen overdrijven
goed, goo, zelfstandig naamwoord, onzijdig, het goede. Vuur t goo wean, zich in dienst stellen van het goede; zik goo (ehùeln) hebm, zijn kosten terug hebben
goedenacht, genach, goedennacht
goedenavond, genoawnd, goedenavond
goedigheid, gooëgaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, goedigheid. k Zeg t oew oet gooëgaejd, ik zeg het je omdat ik het goed met je meen
goedje, geudjen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kinderen of mensen, als minderwaardig beschouwd
goedsmoeds, goosmoods, bijwoord, zonder reden
gofferd, gofrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gofrs, gufrken, grote zwaargebouwde man of kind
gooien, goojn, werkwoord, zwak, gooien
goor, goor, in namen, drassige grond
goot, gotte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gotn, gùtjen, goot
goot, gùete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gùetn, bijkeuken in boerenhuis
gootgat, gotngat, zelfstandig naamwoord, gootsteengat
gordijn, gedien, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedienn, gedientjen, gordijn. Woer t kuemp, hangt ook gen gedientjes, wees niet te kieskeurig
goud, gòold, zelfstandig naamwoord, onzijdig, goud; gòold waang éénbeen, kinderspel
graaf, graawn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, graawns, gràewntjen, sloot
graat, groate, groat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grùete, grùetjen, graat
grabbel, grobl, in de grobl, te grabbel
graf, graf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, graawe, gràfken, graf. Gin òale graawe opgreawn, geen oude koeien uit de sloot halen
gransgat, graanzegat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zeurkous
granzen, graanzn, werkwoord, zwak, dreinen
granzer, graanzrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dreinerd
grap, grappe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grapn, gràpken, grap
graperig, groapereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, inhalig
gras, grùs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gras
grasgrond, grùsgroond, zelfstandig naamwoord, grasland
grasje, grùsken, zelfstandig naamwoord, 1 grashalmpje, 2 oud 6-centstuk
grasspier, grùsspierkn, zelfstandig naamwoord, 1 grashalmpje, 2 oud 6-centstuk
grastukker, grùstukr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grùstukrs, grùstukrken, grasmus
grauw, grauw, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, grijs
grauwel, gràwl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, onvriendelijke man
grauwelen, gràwln, werkwoord, zwak, grouwen
graven, greawn, werkwoord, sterk, verleden tijd: greuf, greuwn, verleden deelwoord: egreawn, graven
grazen, grùezn, werkwoord, zwak, groenvoer eten
greep, greepe, greppe, zelfstandig naamwoord, greepn, greepken, greep. De greepe too hòoln, vijandig tegemoet komen; ne greppe doon, een greep doen
greeps, greps, oarns greps op wean, iets erg graag willen hebben
grendel, gruendl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gruendls, gruendlken, grendel
grendelen, gruendln, werkwoord, zwak, grendelen
grep, gruppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grupn, grupken, 1 greppel, 2 mestgoot, achter de koeien
greppen, grupm, werkwoord, zwak, greppels maken
gribbetje, griwken, zelfstandig naamwoord, 1 beetje, 2 suikerklontje
griebel, griewl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, griezel. De griewl gung miej ouwr de hoed, ik kreeg er kippevel van
grienerig, griendereg, bijvoeglijk naamwoord, venijnig koud, van weer
griezelen, groezln, werkwoord, zwak, griezelen
grijpen, griepm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: grip, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: greepgriepm op, een aanval doen op
grijper, grieprd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, inhalig mens
grijpijzer, griepiezr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tang om hete pan mee van ’t haardvuur te nemen
grijs, gries, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, grijs. Zoo gries as ne doewe, erg grijs
gril, griln, zelfstandig naamwoord, meervoud, griezel
gril, grel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, fel
grim, grim, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spook
grind, greante, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grint
groei, greuj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, groei
groeien, greujn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: grùejt, verleden deelwoord: egrùjd, groeien
groen, greun, zelfstandig naamwoord, onzijdig, knolgewas, op ’t land
groen, greun, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, groen
groenigheid, greunegaejd, zelfstandig naamwoord, groente
groente, greunte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peterselie, soepgroente
groeve, groowe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, groown, begrafenis
groevehoed, groownhood, zelfstandig naamwoord, hoge hoed
groevenodiger, groownnuegr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iem. die voor begrafenis uitnodigt
groffelen, grofln, werkwoord, zwak, zoekend grabbelen
grommelen, gromln, werkwoord, zwak, rommelend geluid maken
grommen, gromm, werkwoord, zwak, knorren, mopperen
grommer, gromrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knorrepot
grommig, grommeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, knorrig
grond, groond, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grond. Vuur de groond, op de grond
grond, groons, van groons of an, van ’t begin af
grondhout, groondhòolt, zelfstandig naamwoord, balk op de grond, die de koeienstallen van de deelruimte afscheidt. Vuur t groondhòolt zitn, geen uitweg meer weten, alle middelen uitgeput hebben
grondijs, groondies, zelfstandig naamwoord, bomijs
grondlasten, groondlasn, zelfstandig naamwoord, grondbelasting
gronsen, gruenzn, werkwoord, zwak, kreunen
gronzelen, groonzln, werkwoord, zwak, een goed maal nemen
groot, groot, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, grùtr, grùtst, groot; groot wean met, goed bevriend zijn met; t is nen grootn of nen blootn, ’t zal grote winst geven of een strop worden; groot nuereg wean, erg nodig hebben; zol dr wat van groot komm?, zou het iets worden?; oarns ginnen
groots, gruets, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, trots. Ne gruetse strotte, een verwaande gek
grootsigheid, gruetsegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoogmoed
grossen, groskn, werkwoord, zwak, knarsen, stroef gaan
gruis, gruus, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gruis
gruisbaas, grùezebaas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iem. die graag vruchten en noten eet
gruit, groete, da’s nog oale groete, 1 dat zit nog in ’t bloed, 2 oud zielsverdriet
grummetje, grùmken, zelfstandig naamwoord, heel klein deeltje; n grùmken vaalt aaltied in t ooge, een kleine hindernis trekt toch veel aandacht
grut, grut, grut, oo grut!, Wel heb ik van mijn leven!
gudderen, gudrn, werkwoord, zwak, onpersoonlijk, doen rillen
gudderig, guddereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rillerig
guichelbek, goechlbek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lachebek
guichelen, goechln, werkwoord, zwak, ginnegappen
guilen, gùln, werkwoord, zwak, huilen
guilensgemoed, gùlnsgemood, bijwoord, na aan ’t huilen toe
guillip, gùllippe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, huilebalk
guizen, goezn, werkwoord, zwak, suizen
gul, gul, bijvoeglijk naamwoord, mager, van leem
gulden, gueln, zelfstandig naamwoord, mannelijk, guelns, gulden
gulzig, guelzeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gulzig
gunnen, gunn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: goont, verleden tijd: goonn, verleden deelwoo, gunnen
gunst, guens, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, guensn, 1 gunst, weldaad, 2 productieve kracht van grond
gunzen, guenzn, werkwoord, zwak, steunen
guren, guurn, werkwoord, zwak, stromen, van fijn verdeelde vaste stoffen
gust, gus, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, niet drachtig. Ne guste koo; nen gusn pot; nen gusn earpl, een maaltijd zonder vlees of vet
gutsen, guskn, werkwoord, zwak, gudsen
haag, heage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, heang, heg’sken, heg
haagmees, heagemeesken, zelfstandig naamwoord, heggemus
haagscheerder, heageskeardr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrijgezel
haak, hoakn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoakns, hùekn, haak. Zit oet n hoakn skreewn, zich hees roepen; wo’t n hoakn an n steln zit, hoe de vork aan de steel zit; zik t gat oet n hoakn loopm, zich erg druk maken
haal, haal, zelfstandig naamwoord, aandrijfkracht. Daor zit haal achtr, dat gebeurt met animo; wat nen haal geewn, iets goed doen opschieten
haal, hoal, zelfstandig naamwoord, onzijdig, reep ijzer boven ’t haardvuur om pannen aan te hangen. Eenn ourw t hoal komm, iem. ter verantwoording roepen; t hoal skoern, het naarste werk doen; wat ouwr t hoal krieng, er van langs krijgen
haal, hoal, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lange, magere vrouw
haal, hoal, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 hologig, mager, 2 schraal, van weer
haalboom, hoalboom, zelfstandig naamwoord, horizontale balk in de schoorsteen, waar ’t hoal aan hing
haalijzer, hoaliezr, zelfstandig naamwoord, hoal
haalketting, hoalketne, zelfstandig naamwoord, ketting om de pan hoger of lager te hangen
haalvuist, hoalvoes, zelfstandig naamwoord, knop aan ‘t hoaliezr
haan, haann, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haann, haantjen, haan. Zukke haann he’k wal ear huern kreejn en ’s moarns learn ze dood oondr t rik, door grootspraak wordt niets bereikt
haar, hoar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hùere, hùerkn, haar. Hoar van n hoond wiln hebm, iets zeker willen weten; dat geet um neet noar t hoar, dat staat hem niet aan; hoar op n taand hebm, haar op de tanden hebben; de hùere, het haar; noar t hoar goan, goedgaan; as hoar
haar, hoar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hùere, hùerkn, zandrug in veengebied
haar, uer, ùer, persoonlijk voornaamwoord, 3e persoon meervoud, hun, hen, haar
haar, uer, ùer, bezittelijk voornaamwoord, 3e persoon meervoud, hun, haar
haard, heard, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heardjen, plaats voor ’t haardvuur
haardekking, hoardekngge, zelfstandig naamwoord, ligging van ’t stroo van dakbedekking, met de aren naar beneden
haardijzer, heardiezrken, zelfstandig naamwoord, metalen knop bij de haard om dingen aan te hangen
haarhamer, hoarhammr, zelfstandig naamwoord, hamer voor het scherpen van de zeis
haarop, haarop!, uitroep, links! tegen paard
haarspit, hoarspit, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pen om een zeis te scherpen
haas, haazn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haazn, hàesken, haas. Kù’j n haazn a zeen zitn? heb je de aardappels al gerooid?
haast, hoas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haast
haast, hoaste, bijwoord, bijna
haasten, hùesn, werkwoord, zwak, wederkerig, haasten
haasten, hasn, werkwoord, zwak, 1 in de laatste maand van de dracht zijn, 2 melk onderzoeken in verband met te verwachten kalven
haastpink, haspeenke, zelfstandig naamwoord, jonge koe, kort voor ’t kalven
hachel, achiel, wat vuur n achiel krieng, wat te eten krijgen
hagedis, eawrdasse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eawrdasn, eawrdàsken, hagedis
hagel, haagl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hagel; n haagl slùt’r noa, het roept om wraak
hajassen, hoajasn, werkwoord, zwak, ruw afschaven
hajasser, hoajasr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoajasrs, hoajàsrken, blokschaaf
hak, hakke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hakn, hàksken, 1 hak, 2 trekschoffen, 3 stompe hoek van het zeisblad, 4 ijzer om vuur in de vuurgang te halen in de steenoven. Zinne hakke hebm, zijn draai hebben; wat biej de hakn ehad hebm, iets verkeerds gedaan hebben; n gat vuur de hakke, een ga
haken, hùekng, werkwoord, zwak, vasthaken, blijven haken
hakkelen, hàkln, werkwoord, zwak, stamelen
hakkerdekrik, hakrdekrik, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, braadsel van leverbloed en derg. bij slachten
hakkerdekrik, hakrdekrik, uitroep, Ja, louw!
hakmes, hakkemes, zelfstandig naamwoord, mes om bij ’t klompenmaken de hakholte uit te snijden
haksel, hàksl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fijngesneden stroo als beestevoer
halen, haaln, werkwoord, zwak, halen
hals, dàlle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dàlln, dàllken, achterhoofd
hals, haals, zelfstandig naamwoord, haalze, hàelsken, hals, keelholte. t In n haals hebm, ’t in de keel hebben; eenn n eane in n haals hangn, iem. wat op de mouw spelden; klokn duur n haals, klokken door de keel; eenn aejt um n haals hangn, iem. aldoor tot last zijn; o’j de wea
halsdoek, haalsdook, zelfstandig naamwoord, das, voor de warmte
halverwege, halvrweangs, bijwoord, halverwege
hamer, haamr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haamrs, hàemrken, hamer
hamerslag, haamrslag, zelfstandig naamwoord, schapewolkjes
hand, haane, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haann, heannken, hand. In de haane doon, aangeven; de haane geet noa binn too, ieder is zichzelf het naast; eenn ouwr de haane wean, iem. in de weg zitten bij iets; ouwr de haane houwn, 1 een terechtwijzing geven, 2 geluk geven bij koop; nen
handelen, heandln, werkwoord, zwak, handigen
handschoen, haanske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haanskn, heanskn, handschoen
handtam, haantam, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, al te vrij
hanengebijt, haanngebiet, zelfstandig naamwoord, hanengevecht
hanenhout, haannhùeltr, zelfstandig naamwoord, hanebalken
hanenschreeuw, haannskreew, zelfstandig naamwoord, mannelijk, afstand waarover een haan gehoord kan worden
hangen, hangn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: haank, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: hung
hangijzer, hangiezr, zelfstandig naamwoord, ijzeren hengsel voor de pannekoekspan boven ’t vuur
hangzolder, hangzòoldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, galerij
hanig, heaneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 langzaam aan, 2 niet te groot; heaneg an!, kalmpjes aan; nen heanegen, een kalm persoon; zoo heaneg ofzakng, zo ongemerkt verdwijnen; heanege jongs, jongens van ongeveer 10-14
hapschaar, hapskeare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bijdehand persoon, brutale vrouw
hard, hard, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, hard
hardhorig, hardhuereg, bijvoeglijk naamwoord, hardhorig
hardlijvig, hardlieweg, bijvoeglijk naamwoord, hardlijvig
hardloper, hardluepr, zelfstandig naamwoord, hardloper
haren, hoarn, werkwoord, zwak, scherpen van de zeis
haren, hùern, werkwoord, zwak, haar verliezen
harig, hùereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, huiverig, bang
haring, heareng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hearenge, hearengkjen, haring
hark, hoarke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoarkn, hùerksken, hark
hars, has, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hars
harsmannetje, hasmennken, zelfstandig naamwoord, harsknobbel aan dennentakken
hart, hatte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hart. Woer ik t hatte hebbe, hef hee ginnen steen, ieder heeft menselijk gevoel; eenn n hatte in t lief kùjrn, iem. moed inspreken; hatjen, vlieger in hartvorm; gezond van hatn, goede eetlust hebbend; op t hatte trekng,
hartenbloed, hatteblood, zelfstandig naamwoord, allernaaste bloedverwanten
hartverschietme, hatveskùtmiej, uitroep, o wee, o wee!
hartzeer, hatzear, zelfstandig naamwoord, onzijdig, verdriet
haver, haawr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haver. Eenn de haawr n betjen huegr leg’ng, het iem. eens wat moeilijker maken
hawaar, awoar!, uitroep, Vooruit!
hazelnoot, haazlnùtte, zelfstandig naamwoord, hazelnoot
hebben, hebm, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: hebbe, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: h, 1 hulpww, ook bij “wean”, 2 ww. hebben, 3 wed. iets voor elkaar maken. Zik rap hebm, iets vlug doen; zik hebm, zich iets te doen maken; t hebm met, last hebben van; t nog wal an de hoed wiln hebm, wel willen; in hebm, te
hecht, hech, wat biej t hech ehad hebm, iets vaker gedaan hebben
hechten, hechn, werkwoord, zwak, 1 vastmaken, 2 nauw verbonden zijn
heel, heel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 gans, geheel, 2 bw. erg, 3 volkomen, 4 stroef in de omgang; t heele spil, de hele boel; n heel spil, een heel gedoe; nen heeln, een ongenaakbaar iem., iem. van wie men niks gewaar wordt
heen, hen, bijwoord, 1 heen, weg, toe, 2 vandaan, 3 bij onbep. w.: om te. Zoo mut r hen, daar moet het naartoe; dr biej hen, meer dan erg; dr vuur hen, er voor langs; t geet hen, er komt niks van; dr achtr hen kiekng, op bezoek komen; no
heen-en-weer, hen’twier, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ogenblikje
heenkomen, henkomm, zelfstandig naamwoord, onzijdig, henkomms, heenkomen
heep, iep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iepe, iepken, hakmes
heer, hear, zelfstandig naamwoord, hearn, heartjen, heer. Nieje hearn nieje hekn, andere heren, andere wetten
heerschap, hearskop, zelfstandig naamwoord, onzijdig, meneer, heerschap
hees, hees, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, hees
heet, heete, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, heet; t heete waatr, zuurbranden
heibei, hàejbàej, zelfstandig naamwoord, mannelijk, te redderen boedel. De hàejbàej te groot hebm, de boel niet af kunnen
heide, heed, zelfstandig naamwoord, onzijdig, heide
heiden, hàejn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hàejns, hàejnken, zigeuner
heidewisser, heedwuskr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heiboender
heimpje, heemltjen, zelfstandig naamwoord, krekel
heisteren, hàejstrn, werkwoord, zwak, aandrijven, haasten
hek, hekke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hekn, heksken, hek, latwerk v. wiek, achterschot wagen
hekel, eekl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hekel
hekelen, hàkln, werkwoord, zwak, hekelen, van vlas
hekelen, aakln, werkwoord, zwak, heftig tegenstaan
hekelen, hekln, werkwoord, zwak, kammen, van vlas
hel, helle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hel. Met den mu’j aaltied de helle bouwen, tegen die moet je altijd eerst erg te keer gaan; de duuwl oet de helle vleukng, allerverschrikkelijkst vloeken
helder, healdr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 schoon, 2 doorzichtig, 3 duidelijk. Healdr op!, hurry up!
helendal, heeldal, bijwoord, helemaal
helf, helf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, helfn, helfken, steel van bijl
helft, helfte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, helftn, helft. Um de helfte, half om half
helken, hàlkng, werkwoord, zwak, garven binden met stroo er van
helkzeel, hàlkezeel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bosje halmen om graan tot een garf te binden
hellig, helleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, boos
helligen, hellegn, werkwoord, zwak, toornen
helligheid, hellegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boosheid
helligkop, hellegkop, zelfstandig naamwoord, driftkop
helpen, helpm, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: hulp, verleden deelwoord: ehùlpn, helpen
helzen, helzn, werkwoord, zwak, pootaan spelen
hem, um, persoonlijk voornaamwoord, hem, haar
hem, ne, persoonlijk voornaamwoord, 3-4 naamval, hem, haar
hemd, hemd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hemdn, hempjen, hemd
hemdrok, hemdrok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, borstrok
hemdslip, hemdslippe, zelfstandig naamwoord, 1 hemdslip, 2 wilde wingerd
hemel, heeml, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hemel. At n heeml vaalt, brekt alle boonnstùkke, as is verbrande turf
hen, henne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, henn, hennken, hen. As nen boer ne henne slacht, is de vrouw zeek of de henne, een boer verbruikt niet graag wat hij te gelde kan maken; de henne de àjr oet te gat krabm, door begerigheid zijn weldoener onaangenaam worden
heng, henge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hengn, hengsken, hengsel
hengel, hengl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hengls, henglken, hengel
hengst, hengs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hengsn, hengsjen, hengst
hennekleed, hennekleed, zelfstandig naamwoord, doodskleed
hennenloop, hennloop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kippenren
hennep, hannep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hennep
hennepzeel, hannepzeln, zelfstandig naamwoord, zeel van hennep
hens, dens, zelfstandig naamwoord, mannelijk, denzn, densken, opdonder
herberg, hoarboarge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, herberg. Iej munn van ne hoarboarge gin skoapnskot maakng, een herberg is er om even wat te drinken
herenleven, hearnleawntjen, zelfstandig naamwoord, heerlijk leventje
herfst, hoarfs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, herfst
herinneren, hereenrn, werkwoord, zwak, herinneren
hermelijn, hùermken, zelfstandig naamwoord, wezel
hersenen, hasns, zelfstandig naamwoord, meervoud, 1 hersenen, 2 schedel. Eenn vuur de hasns houwn, iem. tegen ’t hoofd slaan; wat teeng de hasns krieng, iets tegen zijn hoofd krijgen
hert, hatte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hert
hespbeen, hepsnbeen, zelfstandig naamwoord, dijbeen met vlees, van varken
het, het, bepaald lidwoord, onzijdig enkelvoud; persoonlijk voornaamwoord, ook: voor vrouw, die men een ander wil aanduiden zonder naam te noemen, in verband met beider belang
heten, heetn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: het, verleden tijd: hetn, verleden deelwoord:, heten; heetn leeng, loochenen
heubel, hùebl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slungel
heugen, hueng, werkwoord, zwak, onpersoonlijk, heugen
heukeren, hùekrn, werkwoord, zwak, wedlopen, hard lopen
heul, heele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, heeln, deelruimte boven de koeiestallen. Van de heele voorn, een kaal hoofd krijgen
heup, huppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hupn, hupken, heup
heupje, huupken, huupken sliern, gehurkt glijden
hevig, heeweg, bijwoord, erg
hierop aan, hier op an!, bijwoord, hierheen
hij, hee, persoonlijk voornaamwoord, hij, ook voor vrouw
hijgbalgen, hàggebalgn, werkwoord, zwak, heftig hijgen met ’t hele lijf
hijgen, hàgn, werkwoord, zwak, hijgen
hijmen, hiemm, iemm, werkwoord, zwak, piepen, in de borst
hinder, heendr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, last, hinder
hinderen, heendrn, werkwoord, zwak, hinderen
hinderhout, heendrhòolt, zelfstandig naamwoord, beletsel. Dr kùm heendrhòolt tusken, er kwam een kink in de kabel
hinken, heenkng, werkwoord, zwak, hinken
hitsig, hetseg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vurig
hitte, hette, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hitte
hoe, wo, woer, vragend voornaamwoord, hoe. Wo’n, hoe een, wat voor een?; wo dat, hoe dat zo?
hoed, hood, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heu, heudjen, hoed. Geballie heudjen, bolhoedje
hoedanig, wodoaneg, wodùeneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 hoe, op welke manier, 2 bn. hoe’n, wat voor soort?. Weetn wodoaneg, stuur weten, uitsluitsel hebben
hoeden, heun, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: hot, verleden tijd: hodn, verleden deelwoord:, in ’t oog houden, hoeden
hoef, hoof, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heuwe, heufken, hoef
hoek, hook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heuke, heukn, hoek. Nen hook groond, een stuk grond; de heuke, hoeken van een akker, die ongeploegd blijven
hoen, hoondr, zelfstandig naamwoord, meervoud, kippen
hoenderbloem, hoonebloome, zelfstandig naamwoord, paardebloem
hoest, hoos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoest
hoesten, hoosn, werkwoord, zwak, hoesten
hoeven, hoown, werkwoord, zwak, hoeven
hof, hof, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hùewe, hùfken, tuin
hof, hof, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hùewe, hofhouding. Groot is t hof, mer vulle mut r of, wie een grote staat voert, komt op zware lasten
hogen, hoewn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, griep
hogen, hueng, werkwoord, zwak, een bod verhogen
hok, hok, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hukke, huksken, hok. Eenn in t hok doon, iem. in ’t cachot stoppen
hokken, hòjkng, werkwoord, zwak, ergens bedachtzaam langs lopen
hol, hol, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 hol, 2 op een kier. Hol of bol, kruis of munt, door middel van pet opgooien
holligheid, hollegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, holte
hommel, honnepe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, honnepn, hommel
hommel, homl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, homls, domme man
hond, hoond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, huene, huennken, hond. Wo slimr n hoond, wo mear vloon, hoe minderwaardiger iets is, des te meer wordt het bezocht door belagers; nen loopndn hoond, krig wat in n moond, wie overal komt, heeft kans op voordeeltjes
hondengeloof, hoonngeleuwe, zelfstandig naamwoord, t hoonngeleuwe, t vlàjs leewr as de butte, het geloof van de hond, die vlees liever heeft dan bot
hondenhaar, hoonnhoar, t hoonnhoar dr in goojn, ruzie verwekken
honger, hongr, zelfstandig naamwoord, honger. De hongrkoele, de maag; te hongr bette op kùnn, met gemak op kunnen
hongerbeet, hungrbette, te hungrbette op kùnn, met gemak op kunnen eten
hongerhals, hongrhaals, zelfstandig naamwoord, armoelijder
honing, honneg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, honing. Dr is honneg in de bloomn, er is iets te verdienen of te krijgen
hoofd, huewd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, huewde, huewdjen, hoofd, als orgaan
hoog, hooge, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, huegr, huegst, hoog; hooge loopm, erg worden
hooi, huej, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hooi. Zett dat beesjen mer an t huej, geef dat dier maar wat hooi; tusken huej en grùs, tussen de bedrijvigheid door
hooien, hòjn, t wi dr neet hòjn, ’t is nog niet zoals ’t wezen moet
hooien, huejn, werkwoord, zwak, hooien
hooigaffel, huejgafl, zelfstandig naamwoord, 2-tandige hooivork
hooijan, hoojan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koe, in kindertaal
hooimot, huejmot, zelfstandig naamwoord, hooiafval
hooiopper, huejupr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, huejuprs, huejuprken, hooihoop
hoop, hoop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, huepe, huepken, hoop, stapel. An nen hoop goojn, opstapelen; biej huepe, bij massa’s; te hoope, gemeenschappelijk
hoop, hoppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoop, verwachting
hoopbeestje, hoppebeesjes, zelfstandig naamwoord, dingen waarop men hoopt. Hoppebeesjes dreangt lange, op vervulling van wensen valt het wachten lang
hoorn, hoorn, zelfstandig naamwoord, hoorns, huerntjen, hoorn, voor muziek
hoorn, hoorn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, huerne, huerntjen, horen. Eens de huerne too hòoln, iem. onvriendelijk ontvangen
hoorntje, horte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hortn, horentje
hoos, hoaze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoazn, hùesken, kous. t Zakt in de hoaze, er komt niets van
hop, hoppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hop, vogel
hop, hoppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fluitje van roggehalm
horen, huern, werkwoord, zwak, 1 horen, 2 gepast zijn, 3 toebehoren. Oarns noar huern, ergens naar informeren; op huern, aan de weet komen; of huer iej neet?, of ben je soms doof?; wat r neet oet wi, dat huert dr in, wat van nature bij elkaar hoort, late men
horloge, alloozie, zelfstandig naamwoord, onzijdig, alloozies, alluezieken, horloge
horp, horpe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, horpn, horzel
horribel, onriebl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, door ’t dolle heen
hosmannetje, hosman, zelfstandig naamwoord, mannelijk, varken
hossen, hosn, werkwoord, zwak, hossen
hot, hotte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, onkruid
houden, hòoln, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: hùet, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: hùelVaste hòoln!, Houvast!; t oarns op an hòoln, ergens op aan sturen; dr vuur hòoln, lang duren; zik hòoln biej, in ’t leven genoegen nemen met
hout, hòolt, zelfstandig naamwoord, hùeltr, hùeltjen, stuk hout, balk
hout, hòolt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hout. Vuur mekaandr hòolt zaang, elkaar over en weer van dienst zijn
houten, hùeltn, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 van hout, 2 houterig. Nen hùeltn Jan Kloasn, een stijve hark
houten, hòoltn, net doon as achtr hòoltn, doen zoals ’t het beste uitkomst
houw, hùw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hùwwe, hùwken, vlies over ’t oog
houwen, houwn, werkwoord, sterk, verleden tijd: hùw, verleden deelwoord: ehùwn, 1 slaan, 2 trappen, van groot dier, 3 hakken. Ze houwnt mekaandr, ze zijn slaags
houwpijp, houwpiepe, zelfstandig naamwoord, dawlplug
hovaardig, hoveerdeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, trots
hozenvorser, hoaznfoskr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sloddervos
huën, huuwn, werkwoord, zwak, stilhouden
hui, hùj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wei van de melk
huid, hoed, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, menselijk lichaam. Zearte in de hoed, pijn in ’t lichaam; de hoed an hebm, uitgeput zijn; eenn teeng ne hoed loopm, 1 tegen iem. aan lopen, 2 toevallige ontmoeting; t in de hoed hebm, niet goed in orde zijn; t wal an de hoed
huidig, hoedeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, fors gebouwd
huif, huuve, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, huuwn, huufken, 1 huif, 2 kap van de iemker
huig, hoek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, huig
huis, hoes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, huuze, huusken, huis; in t hoes, thuis; t hoes zoo t lùs en too geet, ’t huis met alles er in; dat huusken geet um ook niet noa, aan dat tehuis zal hij nog wel eens terugdenken; de hatste woarkers wont in de klàenste huuskes, de hardste werker
huisjansvet, hùsjansvet, zelfstandig naamwoord, raapolie
huisje, huusken, zelfstandig naamwoord, onzijdig, WC
huiskomen, hoeskomm, gin hoeskomm hebm, geen onderkomen hebben
huiskundig, hoeskunneg, bijwoord, van huiselijke dingen op de hoogte
huisnaam, hoesnaame, zelfstandig naamwoord, boerenhuisnaam
huisnummer, hoesnomr, zelfstandig naamwoord, huisnummer. Den hef t hoesnomr vegetn, die wil niet weten dat hij van lagere afkomst is
huisplaats, hoesplaase, zelfstandig naamwoord, bouwterrein
huizeren, hoezeern, zelfstandig naamwoord, huishouden, rondkomen
hul, hulle, de hulle vol hebm, dronken zijn
hulp, hulpe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hulp, bijstand
hummes, hummes!, uitroep, op zij!
hurken, hoeke, op de hoeke, gehurkt
hurken, hoekng, werkwoord, zwak, op de hurken gaan zitten
husselen, husln, werkwoord, zwak, opschudden, hutselen
hut, hutte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hutn, hutjen, hut
hutspot, huspùtjen, zelfstandig naamwoord, vleesgeschenk aan goede bekenden na het slachten
ieder, iedr, onbepaaldvoornaamwoord, ieder; n iedr, iedereen; iedr en eene, iedereen, alleman; iedr bod, telkens weer
ieperon, iepron, zelfstandig naamwoord, mannelijk, roerdomp
ijs, ies, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ijs
ijsbloem, iesbloome, zelfstandig naamwoord, bloemen op de ramen
ijspil, iespille, zelfstandig naamwoord, ijspegel
ijveren, iewrn, werkwoord, zwak, alle inspanning vergen
ijverig, iewereg, bijvoeglijk naamwoord, de volle toewijding eisend, van werk
ijzel, giezl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ijzel. Nen giezl op de hoed hebm, gejaagd zijn
ijzelen, giezln, werkwoord, zwak, ijzelen
ijzer, iezr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 ijzer, 2 ijzeren onderdeel. Hee kan niks loatn lig’ng as heet iezr en mùlsteendr, hij pikt alles in
ik, ik, ikke, persoonlijkvoornaamwoord, ik
imker, iemkr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iemkrs, iemkrken, ijmker
immenkorf, iemkorf, zelfstandig naamwoord, bijenkorf
immenschuur, iemnskoer, zelfstandig naamwoord, afdak voor bijekorven
immer, jumr, bijwoord, jumr en aaltied, altijd en eeuwig
immers, jums, bijwoord, immers
in, in, voorzetsel, in; in wean, thuis zijn; dr in en d roet kùjrn, honderd uit praten; in t lange, overlangs
inbeelden, inbeeln, werkwoord, zwak, wederkerig, zich voorstellen. Zik wat inbeeln, een hoge dunk van zichzelf hebben
inbinden, inbeenn, werkwoord, zich matigen
inborst, impos, good van impos, goed van karakter
inenen, ineenn, in eenn, bijwoord, opeens
ingeeving, ingeewege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ingeving
ingetogen, ingetùengn, bijwoord, in bedwang
ingeven, ingeewn, werkwoord, 1 doen innemen, 2 te verstaan geven op voor anderen onmerkbare wijze
ingewand, ingewaande, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ingewaann, ingewanden
ingieten, ingeetn, werkwoord, iets te drinken inschenken
inhalen, inhaaln, werkwoord, op stal halen
inkeren, inkearn, werkwoord, zand in voegen of naden vegen
inkleden, inkleen, werkwoord, zwak, inkleden
inkt, eanklt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, inkt
inlaag, inloage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, inloang, inleg
inleiding, inlaejdege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, inleiding, uiteenzetting
inloop, inloop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zoete inval
inluisteren, inlustrn, werkwoord, zwak, influisteren
innerlands, ierlaans, bijvoeglijk naamwoord, binnenlands
innig, inneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lief karakter
inraken, inraakng, werkwoord, zwak, bij elkaar doen en toedekken met as, van ’t haardvuur. Non kùj oew wal inraakng, nu kun je je wel opzouten
inscharen, inskoarn, werkwoord, zwak, inscharen, van vee
inschieten, inskeetn, werkwoord, in de gedachten komen
inschuinen, inskuunn, werkwoord, zwak, mededelen aan iem. om deze in actie te brengen tegen een ander
inspan, eanspan, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eanspann, inspan, van boerenwagen
inspanlijn, eanspanliene, zelfstandig naamwoord, leidsel voor één paard
instippen, instipm, werkwoord, zwak, in saus dopen
invallen, invaln, werkwoord, toevallig gebeuren
inwrijven, inwriewn, werkwoord, inwrijvwen. Eenn wat inwriewn, iem. iets goed duidelijk zeggen
inzate, inzoate, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, inzet, bij publ. verkoop
inzetten, inzetn, werkwoord, stenen in de oven zetten
ja, joa, bijwoord, immers
ja, joa, uitroep, ja. Ba joa!, Jazeker!
jaar, joar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, joarn, joartjen, jaar. At de joarn komt blif de ploage neet oet, ouderdom komt met gebreken
jachtbot, jagbot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, adamsappel
jachterig, jachtereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gehaast, zenuwachtig
jachtschuit, jachskuute, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gejaagd persoon
jagen, jaang, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: jaage, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: j, 1 rijden, 2 op jacht zijn, 3 aandrijven, haasten
jak, jak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, jakke, jàksken, jak, bovenlichaamsbedekking voor vrouw
jas, jas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jàsse, jàsken, geklede jas
jauwsteren, joestrn, werkwoord, zwak, huilen, van hond
jenever, janeawr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jenever
jentig, jeanteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, jeugdig, speels
jeu, juu, bijwoord, prettig, lollig
jeuk, jùkke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jeuk
jeuken, jùkng, jukng, werkwoord, zwak, jeuken
jeukerij, jùkkerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jeuk
jicht, gich, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jicht
jij, iej, ieje, persoonlijkvoornaamwoord, jij; iej dan?, Wat jij?; non iej?, is ’t zo niet?
jodenboon, jùdnboone, zelfstandig naamwoord, pronkboon
jong, joonk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, jungr, jungst, jong; n joonk van t oale, een erg klein uitgevallen exemplaar
jongen, jongn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jongs, juenkn, jongen
jongen, jongn, werkwoord, zwak, jongen krijgen
jongen, oojonge!, O wee!
jongens, jeantes, zelfstandig naamwoord, jongens
jongkerel, jongkeal, zelfstandig naamwoord, jonge man
jonkheid, joonkhaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jeugd, jonge jaren
jood, jùrre, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jùdn, jùdken, jood
juffer, jufr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jufrs, jufrken, mejuffrouw
juist, juus, uitroep, zeker
juistement, juustemeant!, zeer juist!
jullie, iejleu, persoonlijk voornaamwoord, jullie
jullie, oeleu, persoonlijk voornaamwoord, 2e persoon meervoud, 3-4 naamval, jullie
jullie, oewleu, bezittelijk voornaamwoord, 2e persoon meervoud, jullie
jute, jutte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jute
kaak, koak, koak roopm, koak zeg’ng, zich gewonnen geven
kaal, kaal, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 kaal, 2 gespeend van alles, wat iets aantrekkelijk maakt. Nen kaaln keal, iem. die het er lelijk bij laat zitten
kaars, kearse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kearsn, kearsken, kaars. Kearsken springn, kinderspel op Oudejaarsavond
kaart, kaate, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaatn, kaatjen, kaart, landkaart, speelkaart. Van de kaate, aardrijkskunde, op school
kaart, kaatjen, bijwoord, hetzelfde, eender; kaatjen egaal, kaatjen koek, lood om oud ijzer
kaarten, kaatn, werkwoord, zwak, kaartspelen
kaas, keeze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keezn, keesken, kaas
kadee, kedaejd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, keurig, florissant
kadel, kadelle, zelfstandig naamwoord, kop
kak-in-de-pet, kak-in-de-pette, hoedjebal
kakelen, kùekln, werkwoord, zwak, kakelen; kùekln mer gin àjr leg’ng, veel geschreeuw, maar weinig wol; kùekln as n nuchtr kalf, praten als een kip zonder kop
kakement, kaakemeantn, zelfstandig naamwoord, kaakbeenderen
kakkerel, kakkerel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kakkereln, flink eind lopen
kalebas, kallebastrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kalebas
kalf, kalf, zelfstandig naamwoord, kalvr, kàlfken, kalf
kalmoeswortel, koarmswotl, zelfstandig naamwoord, kalmoeswortel
kam, koam, zelfstandig naamwoord, kùeme, kùemken, 1 haarkam, 2 hanekam, 3 smal reepje veen tussen uitgravingen, 4 richel
kameraad, kammeroad, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kammerùe, kammerùedjen, vriend, kammeraad
kameraadschap, kammeroadskop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vriendschap
kammen, keemm, werkwoord, zwak, kammen. Eenn keemm, iem. goed onder handen nemen
kamp, kaamp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keampe, keampken, stuk land als wei-, bouw- of bosland gereed gemaakt
kamp, kaamp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keampe, keampken, strijd. Kaamp geewn, de strijd op geven
Kamper molen, kaampr mùlle, nen slag van de kaampr mùlle ehad hebm, niet helemaal goed wijs zijn
kan, kanne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kennken, 1 kan, 2 1 liter
kans, kaans, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaansn, kàensken, kans
kant, kaant, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, goed afgewerkt. Kaant kloar, helemaal schoon; kaant woark, volkomen goed werk; kaant houwn, ruw terecht hakken
kant, kaante, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaantn, kàentjen, rand, zijkant. An de kaante, op zij; an de kaante maakng, in orde brengen; eenn an de kaante maakng, iem. om hals brengen; op de kaante, omver; kàentjes boord, op ’t kantje af; um n kaanthoakn, dichtbij, in de buu
kap, kap, kap en koogl opvretn, rijp en groen opeten
kap, kappe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kapn, kàpken, 1 muts, 2 kap, 3 huls
kapel, kapelle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kapeln, kapelken, vlinder
kapje, kaapjen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, werkmuts voor de vrouw
kar, koare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koarn, kùerkn, kar. Den is ook ginne koare an t gat ebunn, die is erg uithuizig
kardoes, kedoes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kedoesken, 1 ruwharige hond, 2 iem. met ’t haar wild om ’t hoofd; 3.iets lelijk zwarts
karig, karre, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 erg uitgebraden, van spek, 2 schraal
karig, koareg, bijwoord, zik koareg maakng, zich boos maken
karkas, karkas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gazen mal, om kanten muts over te maken
karn, kaarne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaarnn, kaarntjen, karntoestel
karnen, kaarnn, werkwoord, zwak, karnen
karnpols, kaarnpools, zelfstandig naamwoord, stok in de karnton
karnwaag, kaarnewoage, zelfstandig naamwoord, zwengel van ‘t karntoestel
kasjoen, kesjoentjen, zelfstandig naamwoord, touweind van de zweep
kaskenade, kaskenades, zelfstandig naamwoord, drukte, om niks
kast, kaste, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kastn, kàsjen, kast. Eenn de kaste oetkearn, iem. duchtig de waarheid zeggen
kat, katte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, katn, katjen, poes. Iej konn wa meann, dat de katte gaanznàjr lear, je kunt wel denken dat je neus van koek is
kats, kàts, bijwoord, volkomen, helemaal
kattengrijs, katngries, zelfstandig naamwoord, onzijdig, schemering
kattig, karreg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, boosaardig
kawipje, kawops, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kawupsken, sprong
kazen, keezn, werkwoord, zwak, schiften, van melk
keepen, kiepm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kip, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: keep, kiepen, bij voetbal
keer, kear, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wending
kei, kàje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kàjn, kàjken, kop
kei, kàj, bijwoord, in de ergste mate, helemaal
keierd, kàjrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kàjn, kàjken, kei; kàjken, keisteentje; hee zoch kàjkes, hij heeft het land en zint op wraak
keizer, kaejzr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaejzrs, keizer
kekelen, keakln, werkwoord, zwak, druk praten
kelder, kealdr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kealdrs, kealdrken, kelder. Waatr in n kealdr hebm, op ’t uiterste zitten
kemphaan, kaamphaann, zelfstandig naamwoord, 1 vechthaan, 2 eigenzinnige man
kennen, kenn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: keant, verleden tijd: keann, verleden deelwoo, kennen. Da kù’j neet kenn, men kan niet weten; wa wat kenn, wel wat meegemaakt hebben
kenschap, keanskop, zelfstandig naamwoord, kennis, aan mensen
kepen, keepm, werkwoord, zwak, een inkeping maken
kerel, keal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keals, kealken, 1 man, 2 echtgenoot. De keal, de man; kealswoark, mannenwerk
keren, kearn, werkwoord, zwak, schoonvegen
keren, keern, werkwoord, zwak, omwenden
kerk, koarke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koarkn, kùerksken, kerk
kermejanken, koarmejakng, werkwoord, zwak, jammeren
kermis, koarmse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kermis
kers, karse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, karsn, karsken, kers
ket, kirre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kirrn, kirrken, kedde
ketel, ketl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ketls, ketlken, ketel
keten, kàtne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kàtns, kàtntjen, ketting. Eenn van de kàtne doon, iem. zo verheerlijken dat hij wild wordt; kàj van de kàtne, helemaal overstuur
keu, kuerne, zelfstandig naamwoord, biggen, minder dan 6 weken oud
keukelarij, kueklderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, voor de gek houderij
keukelen, kuekln, werkwoord, zwak, 1 wankelen, 2 omwentelen
keukelkar, kueklkoare, zelfstandig naamwoord, woonwagen
keukelspel, kueklspil, zelfstandig naamwoord, kermisvertoning
keur, kuur, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kuurn, kuurkn, keur; kuur hebm, voorkeur hebben; oars kuur in hebm, wel onderscheid maken; in de kuur kùnn goan, te kust en te keur kunnen gaan
keuren, kuurn, werkwoord, zwak, keuren
keuring, kuurege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keuring
keutel, kùtl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kùtl, kùtlken, keutel. Iej hebt n kùtl biej t skoone eane, je doet mee aan een vuil zaakje, maar wilt jezelf in de waan laten van niet
kiel, kiel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kiele, kielken, kiel
kiel, kiel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kieln, kielken, wig. Met n eenn kiel n aandrn lùs houwn, met het eene kwaad het andere bezweren
kielen, kieln, werkwoord, zwak, kietelen; t kielt miej, het prikt me voortdurend; kieln kùnn lien, kietelen kunnen verdragen
kiem, kien, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kienn, kientjen, kiem
kiemen, kienn, werkwoord, zwak, ontkiemen
kienhout, keenhòolt, zelfstandig naamwoord, kienhout
kiep, kipse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kipsn, kipsken, zwarte hoge pet met klep
kies, kies, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kiesken, jonge koe; kieskes maakng, braken
kieuw, kiwwe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kiwn, kiwken, kaak
kieuwbot, kiwnbutte, zelfstandig naamwoord, onderkaaksbeenderen
kievit, kiefte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kiefn, kieviet
kievitsbloem, kiewitsbloome, zelfstandig naamwoord, pinksterbloem
kiezen, kiezn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kis, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: kues, kiezen
kiezentand, koezntaand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kies
kijken, kiekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kik, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: keek, kijken; kiekng op, verwonderd kijken naar
kikvors, kikvos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kikvùske, kikvùsken, kikvors. Good wear vuur laate kikvùske, dan kriengt ze statjes, ’t is vruchtbaar najaarsweer
kind, keend, zelfstandig naamwoord, onzijdig, keendr, keendjen, kind, met het oog op bloedverwantschap
kind, kinne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kinn, kinnken, kind, kindertaal
kinkhoest, iewskes, zelfstandig naamwoord, kinkhoest
kinnebak, kennebakke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kennebakn, kennebàksken, 1 kaak, 2 want
kispelen, kispln, werkwoord, zwak, betoveren
kist, kiste, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kisn, kisjen, 1 kist, 2 goal
kistentuig, kisntuug, zelfstandig naamwoord, Zondagse kleren van man
klaaien, klàjn, werkwoord, zwak, klauteren
klaar, kloar, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 gereed, 2 helder; kloar maakng, schoonmaken
klaarlouter, klaorloedr, bijwoord, louter
klabaf, kallebaaf!, uitroep, Pats!
klabats, klabatse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klabats, kletskous
klad, klarre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klarn, klàdken, kleine hoeveelheid; klàdken, maar weinig
klad, klarre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klarn, klarrken, braamsluiper
kladden snijden, kladn snien, werkwoord, van gevormde stenen de uitsteeksels afsnijden aan het vuur
kladderekster, kladreakstr, zelfstandig naamwoord, verregende ekster
kladderig, kladdereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, regenachtig, soppig
klagen, klaang, werkwoord, zwak, klagen
klak, klak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klàkke, klàksken, smak
klamot, klamotn, zelfstandig naamwoord, geld
klamp, klaamp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kleampe, klaampken, 1 hout dwars over planken om ze bij elkaar te houden, 2 houten trede in tredmolen of op schuine vloer; um de kleampe, er van langs; t vuur de kleampe hebm, het opgeven
klank, klaank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klank
klank, klaank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kink
klant, klaantn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klaantn, klant
klap, klap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klàppe, klàpken, klap. Moal klap, pak slaag; mear klàppe hebm ehad as ne legge rogge, erg veel slaag gehad hebben
klap, klappe, zelfstandig naamwoord, klapn, los voorstuk, rechthoekig, van ouderwetse broek
klare, kloarn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, borrel
klarigheid, kloaregaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zekerheid, zeker weten
klassineren, klasjeneern, werkwoord, zwak, redekavelen
klaterpopulier, klàtrpùpl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wilde populier
klauw, klauwe, zelfstandig naamwoord, klauwn, klauwken, 1 klauw, 2 hoef, van sik, schaap, koe, varken
klauw, klouwe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klouw, klàwken, 1 klouw, 2 metalen haakje, aan ploeg en derg.
klauwen, klouwn, werkwoord, zwak, ruw werk doen. Roet leart wa klouwn, dreigende ondergang dwingt wel tot aanpakken; da’kos nog was klouwn, dat werk valt nog niet mee
klauwer, klouwrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fors gebouwde man
kleden, kleen, werkwoord, zwak, wederkerig, zich netjes aankleden
kleed, kleed, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kleen, kleedjen, 1 japon, 2 kleed, 3 huif, van boerenwagen
kleedwagen, kleedwaage, zelfstandig naamwoord, boerenwagen met huif
klei, klàj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klei
klein, klàen, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, klein. Um n klàen, bijna
klem, klemme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klemn, klemken, klem
klemmen, klemm, werkwoord, zwak, klemmen
klemmer, klemrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klemrds, sperwer
klepel, klepl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klepls, kleplken, klepel
kleppen, klepm, werkwoord, zwak, aan komen lopen om iets te vragen
klepper, klepr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kleprs, kleprken, deurklopper
kleppermansspul, kleprmansspil, zelfstandig naamwoord, niet goed opgezette zaak
kleren, klear, zelfstandig naamwoord, kleare, kleren
kleumen, klomrn, werkwoord, zwak, kleumen
kleumerig, klommereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 kil, 2 niet goed bij
kleumig, klommeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, traag van begrip
kleur, kluure, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kluurn, kluurkn, 1 kleur, 2 blos. Ne kluure as n leg’nd hennken, een blozende gezonde kleur
kleuren, kluurn, werkwoord, zwak, 1 blozen, 2 bevallen, aanstaan, 3 harmoniëren in kleur
klier, kliere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kliern, klierkn, klier
klimmen, klimm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kleemp, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: klum<, klimmen
klink, kleenke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kleenkn, kleenksken, klink
klinken, kleenkng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: kluenk, verleden deelwoord: ekluenkn, klinken
klis, klisse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klisn, klisken, klit
klits, klitse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klitsn, vlotte vrouw
klodderen, klùtrn, werkwoord, zwak, bij stukjes en beetjes aangroeien. Dat klùtrt nog wal an, langzamerhand wordt het wel meer; hen klùtrn, langzaam voorbijgaan
klodderwerk, klùtrwoark, zelfstandig naamwoord, kleine karweitjes
kloek, klokke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klok, kluksken, kloek
kloek, klook, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verstandig. Nen klookn kookn, een mooie sufferd; nen klookn skutr, een sukkel, iem. die iets verkeerd doet; zoo klook a’j n meanske, niet al te snugger; zoo klook as root, erg verstandig
klok, klok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klokn, kluksken, grote slok
klok, klòkke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klòkn, klùksken, klok
klokken, klokng, werkwoord, zwak, een klokkend geluid geven; t klokngn um duur n haals, hij dronk met grote teugen
klomp, kloompe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kloompn, kluempken, klomp
klompen, kloompm, werkwoord, zwak, klompen maken
klomper, kloompr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kloomprs, klompenmaker
klompschoen, kloompskoon, zelfstandig naamwoord, houten zool met bovenleer
klontje, kluentjen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, klontje
klontjesas, kluentjesaske, zelfstandig naamwoord, soda
klontjesschaar, kluentjesskeare, zelfstandig naamwoord, schaar om klontjes te knippen
kloof, kluef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kluewe, kluefken, kloof
kloot, kloot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kluete, kluetjen, bal. Dannkloot, denappel; zettekloot, tol, die met touw gezet werd
klos, klos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klusse, klusken, klos. Dr met op n klos komm, er mee voor den dag komen; wat van op n klos komm, iets van tot stand komen
klotsen, klotsn, werkwoord, zwak, tegen elkaar stoten
kloven, kluewn, werkwoord, zwak, kloven
klucht, kloch, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klochn, kluchjen, koppel, troep, vlucht
klucht, kluch, de kluch is dr of, de fleur is er af
kluisteren, kloestern, werkwoord, zwak, in de buurt blijven van; kloestern um n heard, bij huis omscharrelen
kluit, kloetn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kloetns, kluutjen, kluit. Twee kloetns maakt éénn tùrf, veel kleintjes maken één grote; oet n kloetn kenn, precies kennen
klungel, klungl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klungls, klunglken, knot, kluwen
klungelarij, klunglderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geklungel
kluppel, klupl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klupls, kluplken, 1 dwarshout achter ’t paard, draaibaar op ’t eanspan, 2 balk, als eg gebruikt
knagen, knaang, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: knaage, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , knagen
knak, knak, dr nen knak van ehad hebm, er een knouw van gehad hebben
knap, knàppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knàpn, knàpken, 1 kap, van brood, 2 korst, van wond
knappen, knapm, werkwoord, zwak, knallen. Knapbloaze, varkensblaas
knapper, knaprd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knaprds, knal
knapworm, knapworm, zelfstandig naamwoord, kniptor
knar, knarre, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knarn, knàrrken, kwaadaardige mopperaar
knarpen, knoarpm, werkwoord, zwak, knersen, van hout
knarsbot, knastrbot, zelfstandig naamwoord, knastrbutte, knarsbot
knauwel, knàwl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tegenprater
knauwelarij, knàwlderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gekibbel, ruzie
knauwelen, knàwln, werkwoord, zwak, 1 kibbelen, 2 knouwen
knecht, knech, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knechn, knechte, knechjen, knecht
kneden, knean, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kneare, verleden tijd: knearn, 1 kneden, 2 lopen door zachte grond
knellen, kneln, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: knealt, verleden tijd: knealn, verleden deelw, knellen
knetteren, knàtrn, werkwoord, zwak, 1 knetteren, 2 met geraas vallen of zich bewegen
kneuren, knuern, werkwoord, zwak, 1 kreunen, 2 geluid en beweging maken van zuigeling
kneuteren, knùtrn, werkwoord, zwak, 1 kreukelen, 2 leegdrinken, opeten
kneuterig, knùttereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kreukelig
knibbelen, knibln, werkwoord, zwak, kibbelen, van kinderen of oude mensen
knie, knee, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kneene, kneekn, knie
kniehalster, kneehalstr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, touw om hoorn en poot van de koe
kniehalsteren, kneenhalstrn, werkwoord, kortwieken
kniewaag, kneewaage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kneewaang, knieholte
knijf, knief, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kniewe, kniefken, knipmes
knijp, kniepe, in de kniepe, in de knel
knijpaf, kniepof, zelfstandig naamwoord, onzijdig, cichorei
knijpen, kniepm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: knip, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: kneepA’t knip en wier knip, zin ik baas, als ’t er op aan komt, heb ik het toch te zeggen
knijperig, kniepereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, overdreven zuinig
knikken, knikng, werkwoord, zwak, knikken, kneuzen
knikker, knikl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knikle, kniklken, knikker. Zitt’r knikls in, zit je voor de mast?
knip, knippe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knipn, knipken, beurs. De knippe op de heage hebm hangn, op t hennhok hebm lign, geen geld meer hebben; biej de knippe, op de knippe wean, op de penning zijn
knipgat, knipgat, zelfstandig naamwoord, gat in de weg
knipmuts, knipmusse, zelfstandig naamwoord, Rijss. vrouwenmuts, zie ook: musse
knisteren, knistrn, werkwoord, zwak, zacht knarsen
knisteren, knaejstrn, werkwoord, zwak, knarsen
knob, knobn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bonk
knoeien, knoojn, werkwoord, zwak, knutselen
knoeier, knooianpel, zelfstandig naamwoord, prutser
knokkel, knùkl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knùkle, knùklken, kink
knol, knolle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knoln, knùlken, knol. met de knoln in eenn pot doon, over één kam scheren; wee’t ne knolle wil etn, mut St. Laurens neet vergetn, knollen moet men voor 10 augustus zaaien
knoldoek, knoldook, zelfstandig naamwoord, vierkante omslagdoek
knoop, knoop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knuepe, knuepken, knoop. Nen knoop doon, een vloek zeggen; eenn de knuepe van de kleare haaln, iem. geld afhandig maken; dr komt knuepe, het wordt ruzie; de knuepe, de heupbeenknobbels; de wichtr hòolt oew de knuepe wa van t bùejs, kinder
knoop, knup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knuppe, knupken, 1 knoop, in touw en derg., 2 stropdas; knup van n buull!, betaal op!; knup in n stat, pet met rand aan de achterkant
knoopdoek, knupdeukn, zelfstandig naamwoord, sierhalsbandje
knop, knop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knùppe, knùpken, knop
knopen, knuepm, werkwoord, zwak, knopen, ook kinderspel. Zik knuepm kùnn, zich geldelijk kunnen redden;
knorf, knorf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knùrve, groot zwaar exemplaar
knuif, knoef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knuuwe, knuufken, kluif
knuiven, knoewn, werkwoord, zwak, 1 kluiven, 2 zich versjagrijnen
koe, koo, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beeste, beesjen, koe. De koo weet neet dat e kalf ewes hef, die vergeet dat hij zelf ook jong geweest is; net t ne koo oet t gat vaalt, erg rad, van praten; ne koo met n paeregat, van achter brede koe; wee’t de koo huert, krig ne biej n stat, k
koeflenter, koofleanstr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koofleanstrs, koofleanstrken, stuk gedroogde koeienmest
koejongen, koojonge, zelfstandig naamwoord, jongen die men nog niks belangrijks kan laten doen
koek, kookn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koek. Nen klookn kookn, een mooie sufferd
koeken, kookng, werkwoord, zwak, met Oudejaar op bezoek gaan met krentebrood
koekijzer, kookiezr, zelfstandig naamwoord, ijzer of koekjes tussen te bakken
koelte, kùelte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kou; kùelte op de hoed, kou in ’t lichaam; de kùelte, verkoudheid
koelucas, kooluuks, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kooluukse, sul
koen, keun, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, flink, moedig
koets, koetse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koetsn, koetsken, 1 koets, 2 bedstee
kokkeren, kùkrn, werkwoord, zwak, scharrelen; kùkrn in t hoes, thuis omhangen; hen kùkrn, langzaam, ongemerkt weggaan
kol, kòlle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kòln, kùlken, witte plek voor de kop, bij vee
koler, kooldr, zelfstandig naamwoord, dikke rook
koleren, kooldrn, werkwoord, zwak, erg roken. Hee kan leeng, dat t um kooldrt oet n kop, hij kan ontzettend liegen
kom, komme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, komm, kumken, kom, kop
komen, komm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kuemp, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: kùmA’t kuemp, is t vroo genog, geen zorgen voor de tijd
kondigen, kunnegen, werkwoord, zwak, aankondigen van ondertrouw of huwelijk
kondschap, koondskop, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kennisgeving
konijn, knien, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kniene, knientjen, konijn
konijntjesleven, knientjesleawn, zelfstandig naamwoord, herenleventje
koning, koonek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuenege, kuenekjen, 1 koning, 2 mann. meikever
koning, kùnning, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kùnninge, koning, bij kaartspel
koningskakker, kunnekeskakr, zelfstandig naamwoord, klein kereltje
koningskop, kunnekeskop, zelfstandig naamwoord, pensmaag, van koe
konkelarij, koonklderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gekonkel
konkelfoezen, koonklfoezn, werkwoord, zwak, heimelijk bepraten
kont, koonte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koontn, kuentjen, achterste
kooi, kouwe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kouwn, kouwken, kooi
kookhuis, kòkhuusken, zelfstandig naamwoord, kookhuisje, bij boerderij, ’s zomer woning. Ne pette met n kokhoes, pet met rand aan de achterkant
kookpot, kòkkepot, zelfstandig naamwoord, fornuispot
kookpotje, kòkkepùtjen, zelfstandig naamwoord, potkachel
kool, kool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuele, kuelken, kool
koolduif, kooldoewe, zelfstandig naamwoord, houtduif
koopschap, koopmskop, zelfstandig naamwoord, koopwaren
kop, kop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kùppe, kùpken, 1 hoofd, als lichaamsdeel, 2 drinkkop, 3 halve liter. Nen zearn kop, hoofdpijn; t lop um op n kop, hij blijft er aan hangen, bij veiling; nen kop as nen toenhaamr, een dik, gezond uiterlijk; kop man, stijfkop, nen kop doar k
kopen, koopm, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: koch, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: koch
koper, kopr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, koper
koper, kuepr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kueprs, kueprken, iem. die koopt
kopkeukelen, kopkuekln, werkwoord, kopjeduikelen
koppelen, kopln, werkwoord, zwak, zich tot troepen verenigen. At de wiewe koplt, krie’j reang, als de vrouwen druk bij elkaar staan praten, komt er regen
kopvol, kofl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 7 kopjes, ong. halve liter
kordaat, kùrl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kordaat
korf, korf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kùrve, kùrfken, korf. Ouwr de kùrve goan, buiten de perken gaan; bouwn de kùrve goan, boven de macht gaan
korrel, kùrl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, harde kern van eikenhout
korst, kùste, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kùstn, kùstjen, korst
kort, kort, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kùrtr, kùrtst, 1 kort, 2 bw. kapot. korthouwn, stukslaan; t kort gebeente, de kinderen; kort, dichtbij; kortan, kortaf; kort op t mat zitn, dicht op de hielen zitten; kort doon, wisselen, van geld
korteling, kùtling, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kùtlinge, kùtlingsken, paal tussen muur en steigerpaal
kortelingspeer, kùtlingpeare, Dirkjespeer
kortelingstop, kùtlingtop, zelfstandig naamwoord, jongenskuifje
kortens, kortns, bijwoord, onlangs
kost, kos, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kost
kostkoper, koskuepr, zelfstandig naamwoord, kind, dat nog geen geld inbrengt
koud, kòold, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, koud. t Trekt miej kòold ouwr de hoed, ik huiver; t lùt miej zoo kòold as nen mispl, ’t is mij onverschillig; zoo kòold a’j n butjen, erg koud; nen kòoldn bruer, broer uit een eerder huwelijk
koudveester, kòoldfiestr, zelfstandig naamwoord, koukleum
kozijn, kezien, zelfstandig naamwoord, onzijdig, keziens, kezientjen, kozijn
kraag, kraang, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kraangs, kraag
kraai, kreeje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kreejn, kreejken, kraai
kraaien, kreejn, werkwoord, zwak, kraaien; t kreejt oew duurn haals, ’t is afschuwelijk zout
kraaienappel, kreejnapl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, galappel
kraaienkoren, kreejnkoorn, zelfstandig naamwoord, moederkoren
kraal, kralle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kraln, kràlken, 1 kraal, 2 klein rond vruchtje. Liestrkraln, lijsterbessen
kraam, kroam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krùeme, krùemken, 1 bevalling, 2 malle vertoning, 3 tent op de markt, 4 intrigant. Dr met op n kroam komm, er mee komen te zitten
kraamschudden, kroamskudn, werkwoord, met een krentebrood op kraamvisite gaan
kraan, kraann, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kraann, kràentjen, kraan
kraan, krùnne, zelfstandig naamwoord, krùnn, krùnken, 1 kraanvogel, 2 stoethaspel
kraankiel, kraankiel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dapper
krabben, krabm, werkwoord, zwak, krabben
krabber, kràbr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kràbrs, kràbrken, drietandige wiedvork
kracht, krach, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krachn, kracht
krakelingenmaal, kraakelingnmoal, zelfstandig naamwoord, eremaaltijd, gegeven door iem. die tot diaken of kerkvoogd benoemd was
kraken, kraakng, werkwoord, zwak, kraken. Rieke seantn kraakt aaltied, die het ’t beste missen kan, jammert ’t meest bij betalen
kramer, kreemr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kreemrs, kreemrken, marskramer, handelaar
kramerij, kroamerieje, zelfstandig naamwoord, snuisterijen
kramp, kraamp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kraampn, kramp
kramp, kraampn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kram; n kraampn op n nueuze krieng, in zijn bewegingsvrijheid belemmerd worden
kranenzomer, krùennzomr, zelfstandig naamwoord, nazomer
krang, krang, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verkeerd om. De krange hùere trekng, niet mee willen werken, zich verzetten; de krange skoone an hebm, de krange musse op hebm, krang in n ros wean, slecht geluimd zijn
krans, kraans, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kraansn, kràensken, krans. t Hele kraans lop tot vet, het is hem in alles meegelopen
krap, krappe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krapn, kràpken, klamp
krasborstel, krasbùsl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iem. die zonder blijkbare reden opeens onvriendelijk kan worden
krauwen, krouwen, werkwoord, zwak, krabben
krek, krek, bijwoord, net, precies
krenselen, kreansln, werkwoord, zwak, kronkelen. Doarme kreansln, darmen wassen
krent, kreente, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kreentn, kreentjen, krent; kreentnstoete, krentebrood; nen kreentnweg’n, groot feestelijk krentebrood
kreupel, krùpl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kreupel
kreupelgebint, kreplgebeent, zelfstandig naamwoord, laatste balkenstelsel bij de grote deeldeur in boerenhuis
kreus, krooze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kroozn, kruesken, rode bosbes
kribbe, krubbe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krubn, krubken, 1 krib, 2 kuip met water ten gebruike bij de vormbak bij het steenbakken
krijgen, krieng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kriege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , 1 krijgen, ontvangen, 2 grijpen, nemen, 3 te pakken nemen, 4 ergens op betrappen. Krieng an!, Tast toe!
krijt, kriet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, krijt
krijtei, krietàj, zelfstandig naamwoord, kalkei
krik, krikke, zelfstandig naamwoord, krikn, kriksken, taling
krikeend, krikeane, zelfstandig naamwoord, taling
krimp, kreemp, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebrek, tekort. Op n kreempn stokng, het laatste, op volle hitte stoken, in de steenoven
kring, kreenk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kringe, kreenksken, kring
kroes, kroes, zelfstandig naamwoord, bijwoord, netjes
kroezen, kroezn, werkwoord, zwak, plooien, rimpelen
krom, krom, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, krom. Doar mu’j hen met nen kromn oarm, daar is armoe en moet men wat meebrengen; met nen kromn stok nen rechn slag sloan, met een gebrekkig middel toch het doel bereiken
krombeel, krombeel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krombeeln, krombeelken, steunbalkje in de hoek van een gebint
kroon, kroone, zelfstandig naamwoord, kroonn, kruentjen, 1 kroon, 2 het mooiste van iets, 3 hoepel met pennen, bij ’t haspelen. De wichtr de kroone opzetn, zijn kinderen te schande maken door wangedrag
krop, kroppe, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krùppe, krùpken, krop
kroplap, kroplappe, zelfstandig naamwoord, jakje voor vrouw
kruid, kroed, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kruun, kruiderij.
kruiderig, kruudereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gekruid
kruidmoes, kroedmoos, zelfstandig naamwoord, soep van karnemelk, worst, gort, spek, rozijnen, stroop en kruiden. Min moo’s roetmoos smaakt miej betr as uer kroedmoos, ’t gewone eten thuis smaakt beter dan tractaties van vreemden
kruien, kruun, werkwoord, zwak, kruien. t Wief kan dr mear oet kruun as hee met de waage kan inbrengn, de vrouw kan met kleinere uitgaven toch meer opmaken dan de man met zijn bedrijf verdient
kruier, kruudr, zelfstandig naamwoord, degene die de leem aanbracht aan de vormer van de steen
kruihaspel, kruuhaspl, zelfstandig naamwoord, haspel van molen
kruik, kruuke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kruukn, kruuksken, kruik
kruimelen, krumln, werkwoord, zwak, verkruimelen
kruimelig, krummeleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 kruimelig, 2 onhandig, niet goed
kruimen, kroomm, werkwoord, zwak, kruimelen
kruimenkoker, kroomnkùkr, zelfstandig naamwoord, klein kind
kruipen, kroepm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: krop, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: kreup
kruis, kruus, zelfstandig naamwoord, kruuze, kruusken, 1 kruis, 2 benedenrug
kruisbes, kristebeaze, zelfstandig naamwoord, kruisbes
kruislijn, kruusliene, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leidsel voor 2 paarden
kruit, kroet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, buskruit; kroetpille, pijpje vol kruit, als vuurwerk
kruk, krukke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krukn, kruksken, kruk; krùkn op de huerne hebm, op jaren zijn
kuchen, knuchn, werkwoord, zwak, kuchen
kuierachtig, kùjrachteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, praatziek, loslippig
kuieren, kùjrn, werkwoord, zwak, praten. Kùjrdroad, telefoon; eenn dom kùjrn, iem suf praten; kùjrn bouwen zin natuur, gemaakt, opgeschroefd praten; achtr oet n haals kùjrn, vloeken; dr in en dr oet kùjrn, honderd uit praten
kuierij, kùjerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwaadaardig geklets
kuiervolk, kùjrvolk, zelfstandig naamwoord, bezoek
kuiken, kuukn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kuukns, kuuknkjen, kuiken. Gekken kuuk!, Kuukvetjuuk, Malloot!
kuil, koele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koeln, kuulken, kuil; koeln en geatr, woest onland
kuilen, kuuln, werkwoord, zwak, rollen. Loat mer kuuln, laat maar, ’t komt vanzelf in orde
kuiltjesbloem, kuulkesbloome, zelfstandig naamwoord, bolderik
kuip, kuuwn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuuwsn, kuuwntjen, tobbe. t In n kuuwn loatn stoan, verwend zijn
kuipen, kuupm, werkwoord, zwak, kuipen, van vat
kuiper, kuupr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuuprs, kuuprken, vatenkuiper
kuis, koeze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koezn, dom, dwaas mens
kuit, kuute, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuutn, kuutjen, kuit
kundig, kunneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 goed bevriend, 2 goed op de hoogte, goed thuis; kunneg wean met eenn, goed bevriend zijn met iem.
kundigheid, kunnegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 vriendschap, 2 bevriende mensen. Oòle kunnegaejd, vriendschap van jaren her
kunnen, kùnn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kan, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kùe, 1 hulpww. kunnen, 2 onp. ww. lijden, verdragen. Met eenn good kùnn, met iem. goed kunnen opschieten; t munn kùnn, van alles te verduren krijgen; slàch kùnn, niet goed in orde zijn; dr van kùnn, goed kunnen praten
kunst, koons, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kundigheid
kunst, kuens, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, het kunnen, bekwaamheid; kuensn, aanstellerij
kunstwal, kuenswal, zelfstandig naamwoord, muur langs de open zijde v.d. steenoven
kurk, kòrk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kòrke, kòrksken, kurk
kurkezijntje, kòrkezientjen, zelfstandig naamwoord, fluiter, tjiftjaf
kussen, kusn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, plank, met leer overtrokken, om stenen op te vormen
kwaad, kwoad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, slechte
kwaaddenkend, kwoadduenknd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, argwanend
kwaakaal, kwaakaaltjen, kwaakùele, zelfstandig naamwoord, loslippige vrouw of meisje
kwaal, kwoale, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwaal
kwab, kwap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwàppe, kwàpken, aalkwabbe
kwaken, kwaakng, werkwoord, zwak, onzin praten, overbodige dingen zeggen
kwaker, kwaakrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iem. die aldoor praat zonder reden of uit een waandenkbeeld
kwalijk, kwoalek, bijwoord, moelijk, kwalijk
kwant, kwaant, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwàente, vent
kwantig, kweanteg, kweantereg, bijvoeglijk naamwoord, onhandelbaar, van stobben
kwartier, keteer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, keteer, keteerkn, ¼ uur
kwast, kwas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwàste, kwasjen, kwast; kwasmajoor, rare kerel
kwastig, kwesteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, geblutst
kwattel, kwàtl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwàtls, kwàtlken, 1 wammen, 2 onderkin
kweekwee, kwekwe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kweegras, onkruid. In t kwekwebook stoan, schuld hebben bij vroegere Rijss. arts, die patiënten die niet konden betalen, de tuin liet wieden
kween, kwenne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwenn, kwennken, 2-slachtig zoogdier
kwellen, kweln, werkwoord, zwak, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: kwealt, verleden deelwoord: ekweald, kwellen, martelen
kwenen, kweenn, werkwoord, zwak, kwalsteren
kwetteren, kwàtrn, werkwoord, zwak, sjilpen zoals zwaluwen
kwijnen, kwienn, werkwoord, zwak, kwijnen
kwijt, kwiet, bijwoord, kwijt
kwispeltuk, kwispltuk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iem. die van de hak op de tak springt
laag, leege, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, laag. A’t neet huegr of leeger wi, als ik geen een kant meer uit kan; in de leege zied valn, de minste zijn, toegeven
laag, loage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, loang, loagjen, laag
laagte, leegte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, laagte. In de leegte, lager, in ’t lagere
laakpaal, loakepoal, zelfstandig naamwoord, grenspaal van de oude marke
laars, learze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, learzn, learsken, laars. De learze vol hebm, dronken zijn
laat, laate, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, laatr, lest, laat. Dat’r dan laatr lop, het nageslacht
laatst, les, bijwoord, laatst. Op t leste loopm, hoog zwanger zijn
Laban, loabaand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lummel
labbei, labbe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, labn, kwaadspreekster
labben, labm, werkwoord, zwak, kwaadspreken
labberij, labberàj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wat op t labberàj op krieng, een pak slaag krijgen
lachdeuntje, lachedeuntjen, zelfstandig naamwoord, gelach
lachen, lachn, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: elacht, lachen. Zik bloond lachn, zik van de beene lachn, heel erg lachen
ladder, ledr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ledrs, ledrken, ladder
laden, laan, werkwoord, zwak, 1 laden, 2 goed zaad zetten, van graan. Zwoar elaan, dronken
lak, lak, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, flauw
lakei, lakàj, t heele lakàj, de hele troep; gin lakàj metbrengn, geen anderen meenemen
laks, laks, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lakse, flauwe vent
laks, làkse, dr ne lakse van ehad hebm, er een klap van gehad hebben
laksen, laksn, werkwoord, zwak, overdreven vrijen, in bijzijn van anderen
lakserij, làkserieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flauw gedoe
lam, lam, zelfstandig naamwoord, onzijdig, làmr, làmken, lam
lam, lam, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lam
lammenadig, lammenoareg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lamlendig
lamp, laampe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, laampn, leampken, lamp. In de laampe, dronken
lampenpoetser, laampnpuustr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, laampnpuustrs, laampnpuustrken, borstel voor lampeglazen
land, laand, zelfstandig naamwoord, onzijdig, laann, leannken, land. Hee hef laand en zaand, hij heeft al wat hij nodig heeft; wat he’k an driete a’k gin laand hebbe, zonder de hoofdzaak zijn bijzaken tot niets nut
landaal, laandùele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, langzame vrouw
lang, laank, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lengr, lengst, lang
lang, lang, zie laank; lange taane krieng, ’t eten niet meer op kunnen
lang, lange, bijwoord, lang geleden
lange, lange, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, langn, worm in meel
langen, langn, werkwoord, zwak, aangeven
langs, langs, bijwoord, langs. In t langs, overlangs; dr langs hen, er langs
langwagen, laankwaage, zelfstandig naamwoord, balk, die de asstellen van een boerenwagen verbindt
lap, lappe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lapn, làpken, lap
lapel, lapel, eenn in t lapel griepm, iem. in de kraag pakken
lappen, lapm, werkwoord, zwak, 1 inzetten, bij kaartspel, 2 geld bij elkaar doen, om drank te kopen
lassen, laskn, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: elasket, lassen
last, las, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lasn, lasjen, gewicht, last, belasting, hinderlijk iets
lat, latte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, latn, latjen, lat. An de latte maakng, er door brengen; an de latte zetn, boeken als vordering, poffen
laten, loatn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: lùt, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: leut, 1 laten, niet doen, 2 hulp-ww. laten, 3 bergen, 4 aderlaten. Loa geworn!, Laat ’t op zijn beloop!; loat’t wean, praat er niet meer over; t hen loatn goan, het door de vingers zien; loa’w t loatn woer t de hearn van Deawntr biej loa
lattig, latteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, blut
lebendig, lebeandeg, bijwoord, in erge mate
leed, leed, zelfstandig naamwoord, onzijdig, verdriet
leed, leed, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verdrietig
leeg, lùeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, leeg
leem, leem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, leem
leemgrond, leemgroond, zelfstandig naamwoord, leemhoudende grond
leemkuil, leemkoele, zelfstandig naamwoord, leemgroeve
leemmolen, leemmùlle, zelfstandig naamwoord, balk met wiel op ’t eind om leem te kneden
leemstee, leemstea, zelfstandig naamwoord, plek waar leem in de grond zit
leer, lear, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lears, learkn, leder, stuk leer. Een op t lear wiln, iem. aan willen vallen
leer, leare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leer
leer, learn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, godsdienstonderwijs
leesboek, leazebook, zelfstandig naamwoord, leesboek
leeskerk, leaskoarke, zelfstandig naamwoord, kerkdienst met preeklezen
leeuwtje, leewken, zelfstandig naamwoord, onzijdig, leewkes, leeuwerik
leg, legge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leg’n, leg’sken, zoveel graan als in éénmaal op de deel gedorst kon worden
leger, leagr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, leagrs, leagrken, leger; t leagr krabm, bed opmaken
legeren, leegrn, werkwoord, zwak, gaan liggen
leggen, leg’ng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: legge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: l, leggen. Zik leg’ng, legeren; de beste àjr bouwen in n korf leg’ng, het mooiste bovenop leggen, zich mooi voor doen
lei, làje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, làjn, làjkn, lei
leiding, laejdege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, laejdengn, laejdengkjen, 1 leiding, 2 gegraven sloot
lekken, lekng, werkwoord, zwak, lekken
lekker, làkr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lekker
lelijk, lelk, lellek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 kwaadaardig, 2 lelijk. A’k non lelk wol wean, als ik van de gelegenheid misbruik wou maken; eenn lelk maakng, iem. ongunstig bepraten; lelk kùjrn, onbehoorlijk praten; zik lelk hebm, ergens een strop aan hebben
lelijkerd, lellekrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwaadaardig persoon; lellekrs trekng, lelijke gezichten trekken
lenen, leenn, werkwoord, zwak, lenen
leng, lenge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lengn, lengsken, 1 bovenstuk van schort, 2 verlengstuk, bij kleren
leng, lengn, zelfstandig naamwoord, meervoud, bederf in meel
lepel, lepl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lepls, leplken, lepel
lepelblad, leplblaan, zelfstandig naamwoord, schouderbladen
lepigheid, leepegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slimmigheid
leren, learn, werkwoord, zwak, leren
leugen, luengne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, luengne, luengkjen, leugen
leugenlammert, luengnelamrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jokkebrok
leunen, lùnn, werkwoord, zwak, leunen
leuning, lùnnege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leuning
leven, leawn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, leven. Oew leawn zoo neet, nog nooit van mijn leven; he’k van mijn leawn zo’n woark, zo’n manier van doen heb ik nog nooit gezien; a’w t leawn mangt, bij leven en welzijn
leven, leawn, werkwoord, zwak, leven
levenachtig, leawnachteg, bijvoeglijk naamwoord, in leven
levendig, leawndeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, levend
lever, leawr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leawrs, leawrken, lever
leveren, leawrn, werkwoord, zwak, leveren, aandoen
lezen, leazn, werkwoord, sterk, T2e persoon: least, T3e persoon: les, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: leus,, lezen.
licht, lech, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lechn, lechjen, licht, schijnsel
licht, lich, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, niet zwaar. Nen lichn voogl, iem. die godsdienstige geboden niet nauwgezet volgt; zoo lich as ne hoppe, erg licht
licht, lichte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lichn, 1 schouderband om kruiwagen aan te dragen, 2 bretels. Met de lichte krieng, slaag krijgen
licht, lùchte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lùchn, lùchjen, lantaarn, om mee te lopen of op te hangen
lichtbeeld, lechbeeln, zelfstandig naamwoord, toverlantaarn, bioscoop
lichten, lùchn, werkwoord, zwak, lichten, bij onweer
lichting, lùchtege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bliksem
Lichtmis, lechmesn, lechmesn kloar, gef n good iemnjoar, lechmesn nat, gef koorn in t vat, als ’t met Lichtmis helder is, wordt het een goed bijenjaar, als ’t nat en koud is, een goed korenjaar
lichtvaardig, lichveerdig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 ondoordacht, 2 gemakkelijk, licht
lid, lid, zelfstandig naamwoord, onzijdig, leen, lidjen, lid. Gin lid an de hoed dat um stille steun, hij bibberde over ’t heel lijf
lid, lit, zelfstandig naamwoord, onzijdig, litte, litjen, dop, deksel
lied, leed, zelfstandig naamwoord, onzijdig, leedjen, lieden
liedbrief, leedbreef, zelfstandig naamwoord, gedrukt vers
lieden, leu, zelfstandig naamwoord, lieden
lief, leef, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lief
liefde, leefde, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, liefde, mensenmin
liefhebberij, leefebrieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, t is leefebrieje, ’t is een lust
liegen, leeng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: leege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: l, liegen. Hee lùg dat t um daampt oet n kop, a’t waatr deep is, hij liegt allerverschrikkelijkst
lies, leeskn, zelfstandig naamwoord, lies, bij mensen
liespel, liespls, zelfstandig naamwoord, zolderruimten om het slòp
lievelui, leeveleu, beste mensen
liggen, lig’ng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: ligge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: l, liggen. Laand loatn lig’ng, grond niet weer inpachten
lijdelijk, liedlek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lijdelijk
lijden, lien, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: lie, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: lie, lijden, verdragen
lijdzaam, leezem, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, sloom
lijdzaam, liezem, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1 bw. onmerkbaar, tersluiks, 2 bn. stiekum
lijdzamerd, liezemrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stiekemerd
lijf, lief, zelfstandig naamwoord, onzijdig, liewe, liefken, onderlijf. n Zear lief, buikpijn; gin lief of zeele hebm, erg mager zijn
lijk, liek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, liekn, lieksken, lijk
lijken, liekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: lik, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: leek, 1 gelijkenis vertonen, 2 toelijken, aanstaan
lijm, liem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lijm
lijmen, liemm, werkwoord, zwak, 1 lijmen, 2 aan zich binden, uit winstbejag
lijmerig, liemereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, saai, vervelend
lijmgarde, liemgarre, belijmd twijgje, om vogels te vangen
lijn, lien, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vlas
lijn, liene, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lienn, lientjen, 1 lijn, 2 gespannen draad, 3 leidsel. An de lange liene hebm, niet streng in toom houden; de liene strak hòoln, de teugels strak houden
lijnstuk, lienstukke, zelfstandig naamwoord, vlasakker
lijpen, lipm, werkwoord, zwak, pruilen
lijst, lieste, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, liesn, liesjen, lijst
lik, lik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, likn, liksken, 1 lik, 2 pats
likbroer, likebruer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 drankliefhebber, 2 flikflooier
likkebaard, likkeboard, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snoeper
likken, lekng, werkwoord, zwak, likken
lindeboom, leennboom, zelfstandig naamwoord, lindeboom
linker, leenkr, bijvoeglijk naamwoord, linker
links, leenks, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, links, linkshandig
lip, lippe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lipn, lipken, 1 lip, 2 uiteinde van de tonge bij boerenwagen. De lippe loatn hangn, pruilerig worden; eenn ouwr de lippe wean, iem. een woord te veel zeggen
lips, lipse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lipsn, lipsken, houten vorm voor het steenbakken voor 2 stenen
lis, leus, leuze, zelfstandig naamwoord, onzijdig, slootonkruid, meest lis, gebruikt voor hooiberg af te dekken
loenen, loenn, werkwoord, zwak, onpersoonlijk, behagen, aanstaan
loerangel, loerangl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwaadaardige man
loeren, loern, werkwoord, zwak, loeren; t loert zoo, ’t is zo stil, met betrokken lucht of nevel, zoals aan vriezend weer voorafgaat; t loert um neet, ’t bevalt hem niet
loerpet, loerpette, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwaadaardige man
lok, lok, zelfstandig naamwoord, onzijdig, grasachtig onkruid
lollen, loln, werkwoord, zwak, lallen
lomp, loomp, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, plomp; loomp woord, oud, boers woord
lonen, loonn, werkwoord, zwak, 1 belonen, 2 wed. uit kunnen, zich bedruipen
long, longe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, longn, lungsken, long
loodje, luedjen, zelfstandig naamwoord, 10 Gr. gewicht
loods, looze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, loozn, luesken, loods
loog, looge, met ééne looge begùtn wean, met ’t zelfde sop overgoten zijn
loom, loem, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zoel
loop, loop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luepken, 1 loop, 2 diarrhee
loop, lùppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lopen. Op de lùppe, op hol; an de lùppe wean, uithuizig zijn
loot, lotte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lotn, lotjen, loot
lopen, loopm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: lop, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: leup, lopen; loopm o’j drueg huej hebt, hard lopen
loperij, looperieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geloop
los, lùs, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 niet vast, 2 open, 3 vrij, onbezet; lùs hoes, oud boerenhuis zonder afscheiding van ruimte; n lùs lief, goede ontlasting; lùs in n moond, ruw in de mond; dr met lùs wean, er goed mee af zijn; eenn lùs zetn, iem. bewegi
loven, loown, werkwoord, zwak, prijzen
lucht, loch, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 lucht, 2 hemelgewelf, 3 stank, geur. De loch leege hebm hangn, met afgezakte broek lopen
lui, lùj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lui. At de zunne steet in t wesn, zeent de lùjn op n besn, de luien voelen zich ’s avonds het prettigst; de lùjr is um baas, hef um oondr, hij heeft geen zin aan werken
luiden, luun, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: lot, verleden tijd: luun, verleden deelwoord:, luiden. Dr oet luun, de goede naam verspelen; wat huern luun, met neet weetn woer’t de klokke haank, de klok hebben horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt
luier, lùerekes, loopm um de lùerekes, de kantjes er af lopen
luik, loek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, loek, luuksken, luik
luis, loes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luuze, luusken, luis. Zik nen loes in n peals neejn, zich zelf een strop aandoen; a’j vitn weelt, kù’j in n skoon hemd wa nen loes veenn, wie vitten wil, kan altijd wel iets vinden
luisteren, lustrn, werkwoord, zwak, 1 luisteren, 2 gehoorzamen; lustrn met nueze en bek, met open mond luisteren
luizenmelde, luuzemealde, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, melde, onkruid
luizenrek, luuzerik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luuzerikke, luuzeriksken, stukje in het split van hemd
lukke, lùkke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lùkn, opgeschoten meisje dat zich kinderachtig gedraagt
lullen, luln, werkwoord, zwak, kletsen. Zoo mer wat vot luln, zo maar wat heen zeggen
lullerij, lulderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geklets
luns, luens, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luenzn, luensken, spie, in wagenrad
lus, lusse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lusn, lusjen, lus
luur, loere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, loern, loerkn, flanellen doek in kinderbed
luw, liw, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, luw
maag, maage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maangn, maag. Non lop de katte neet met ow maage vot, nu ben je dik gegeten
maag, mùege, zelfstandig naamwoord, makkers
maagd, meakn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, meaks, meisje. t Zeent allmoale mooie meaks, mer woer komt de hellege wiewe van an?, met de tijd verandert alles
maagschap, moagskop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, verwantschap
maagschap, maskop, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kameraad
maaien, meejn, werkwoord, zwak, maaien
maal, moal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moal, maal; moalklàppe, pak slaag
maal, moal, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mùelken, maaltijd
maalderij, maalderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maalderij
maan, moane, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moann, mùentjen, maan
maan, moane, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moann, mùentjen, papaver
maand, moand, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moand, maand
maandag, moandag, maandag
maart, meart, Maart
maas, maaze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maazn, maas
maat, moat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mùege, mùetjen, kameraad, helper
maatje, matjen, vuur n matjen, voor spotprijs
macht, mach, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, machn, macht. Ne mach, een heleboel
machtig, machteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, groots
maken, maakng, werkwoord, zwak, maken. Terechte maakng, toebereiden; wat maakng iej non?, wat doe je nu?; wat te doone maakng, last bezorgen
makkelijk, maklek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gemakkelijk
malen, maaln, werkwoord, zwak, 1 malen, 2 bij hanegevecht: weglopen, om de ander af te matten. Maalhaann, haan, die vaak “maalt”
malheur, mallèur, zelfstandig naamwoord, ongelukje, panne
mammeluk, mammeloeke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mammeloekn, dikke, onbeholpen vrouw
man, man, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mennken, man. Dr half man an wean, zijn inzet verdubbelen, aanwinst; mansklear, mannenkleren; eenn half man stoan, iem. halverwege tegemoet komen; te man, per man, ieder
mand, maane, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maann, meannken, mand. Dat maane hef gin bùemken, die vlieger gaat niet op
manen, maann, werkwoord, zwak, aanmanen
manier, maneere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maneern, manier
mank, maank, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mank; maank goan, verkering hebben
mankement, maankemeant, zelfstandig naamwoord, onzijdig, maankemeantn, gebrek, stoornis
mankeren, mankeern, werkwoord, zwak, mankeren; t mankeert um, hij is gek
manks, mangs, smangs, bijwoord, soms
mannig, menneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, fors, van vrouw of meisje
mansig, maanzeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mans genoeg
markt, moark, zelfstandig naamwoord, onzijdig, moarkn, markt
martelen, matln, werkwoord, zwak, zich afbeulen
mast, mas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, masn, masjen, mast
mat, matte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, matn, matjen, mat
meedoen, metdoon, werkwoord, meedelen, meegeven
meel, mel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, meel
meepenning, meepennek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, godspenning
meer, mear, bijwoord, meer
meerkol, moarkeloo, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moarkeloos, meerkol
meerpuit, mearepoete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mearepoetn, mearepoetjen, meerval
mees, meeze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meezn, meesken, mees
meet, meetjen, op t meetjen, kinderspel
meetodden, mettorn, werkwoord, meesleuren
mekaar, mekaandr, mekoar, onbepaaldvoornaamwoord, elkaar. Oet mekaandr maakng, delen, van boedel
melde, meln, zelfstandig naamwoord, bladluizen
melden, mealn, werkwoord, zwak, melden
melken, melkng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: mulk, verleden deelwoord: emùlkn, melken
mem, memme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, memn, memmken, speen
menen, meann, werkwoord, zwak, 1 menen, denken, 2 bedoelen, menen
menens, meanns, bijwoord, menens
menig, menneg, onbepaaldvoornaamwoord, menig. Wonn mennegsn?, de hoeveelste?
mening, meanege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mening. Met zonne meanege, met zo’n overtuiging
menkelaar, meankldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meankldrs, middenpaal van de grote deeldeur
mennen, menn, werkwoord, zwak, paard besturen en aandrijven. Dat kost menn, dat valt niet mee
mens, meanske, zelfstandig naamwoord, onzijdig, meanskn, 1 mens, 2 vrouwspersoon
mensenschuw, meansknskee, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mensenschuw
merelspier, meerlspier, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meerlspiers, meerlspierkn, buntgras
merg, moark, zelfstandig naamwoord, onzijdig, merg
merk, moark, zelfstandig naamwoord, onzijdig, moarkn, merk
merrie, meare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, merrie
merriepaard, mearnpeard, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, merrie
mert, màtte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, màtn, zeurkous. Oarns de màtte an hebm, ergens lak aan hebben
mes, mes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, messe, mesken, mes
mest, mes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mest
mesttreder, mestreadr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slecht soort varken, dat wroet
met, met, voegwoord, terzelfdertijd
met, met, voorzetsel, met
met, met, bijwoord, mee
met al, medel, bijwoord, toch nog
meten, metn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: mette, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: mat
metselaar, mesldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mesldrs, metselaar
metselen, mesln, werkwoord, zwak, metselen
metsnijden, metsnien, werkwoord, vlees met snijzomp stuksnijden
metworst, metwos, zelfstandig naamwoord, metworst. Met nen metwos goojn noa ne zieje spek, een spierinkje uitgooien om een kabeljouw te vangen
meun, munne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, munn, grove brasem
middel, midl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, midlken, middel
middel, midl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, midln, midltjen, hulpmiddel
middelkist, midlkiste, zelfstandig naamwoord, kistje, midden in boerenwagen om op te zitten
middelst, midl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ov. tr. middelste. Bange wean da’j t midl neet kriengt en de baejde eann, overdreven hebzuchtig zijn
midwinter, middeweentr, mirreweentr, zelfstandig naamwoord, eerste Kerstdag
miegel, michl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, michls, slungel
miegemt, miegeampe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, miegeampn, miegeampken, mier
miegen, mieng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: miege, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: m, wateren
mies, mieskes, de mieskes wier hebm, zich weer ziek houden
mijmer, miemrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, piekeren, ingebeelde zieke
mijmeren, miemrn, werkwoord, zwak, piekeren
mijmerij, miemerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, waanvoorstelling; miemerieje op de hoed, ingebeelde kwaal
mijn, minn, bezittelijk voornaamwoord, mannelijk: minnen, vrouwelijk, meervoud:
mijt, miete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mietn, mietjen, berg, van hooi, turf, hout of derg.
mijten, mietn, werkwoord, zwak, tot mijt opstapelen
milt, meelte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meeltn, meeltjen, milt
min, min, onbepaald voornaamwoord, meendr, minst, weinig
min, minne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, minn, minnken, vrouw. duif
min, min, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gemeen; n min doon, gemene streek
miniseren, meendrezeern, werkwoord, zwak, minderen
minnigheid, minnegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kleinigheid, klein beetje
misgelden, misgealn, werkwoord, ontgelden
misklaaien, misklaejn, werkwoord, zwak, iets slechts aandoen, kwaad berokkenen
mispel, misple, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mispl, misplken, mispel
misschien, mezeeks, bijwoord, Wel, wel!
misselijk, mislek, eenn mislek drukng, iem. platdrukken
misseun, misseun, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 onverzorgd en armoedig of ziekelijk, 2 teleurgesteld
modden, modn, werkwoord, zwak, turf maken uit het veen
modderen, modrn, werkwoord, zwak, vis vangen door het water troebel te maken
moe, meu, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vermoeid
moed, meute, te meute, in gemoede; te meute wean, van gevoelen zijn; te meute komm, geleidelijk steunen
moed, mood, zelfstandig naamwoord, mannelijk, levensmoed. De mood vearn loatn hangn, de moed opgeven
moeder, moo, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moeder
moedwillig, metwilleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, baldadig, uitgelaten
moei, meuje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meujn, meujken, tante. Dienemeuj, Tante Dina
moeien, mùejn, werkwoord, zwak, onpersoonlijk, medelijden opwekken
moeilijk, meujlek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 moeilijk, 2 droevig
moeite, mùejte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moeite. Ne minne mùejte, weinig moeite
moel, moele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moeln, moelken, ijzer om de naaf van een boerenwagenrad
moer, moor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moorn, muerkn, bijenkoningin
moer, muere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, muern, muerkn, vrouw. konijn
moeraar, mooroare, zelfstandig naamwoord, dubbele aar
moerbewaarder, moorbewoardr, zelfstandig naamwoord, kleine bijenkorf om een moor in te doen
moes, moos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boerenkool. Dat drit um t vet neet in n moos, dat brengt hem de welstand niet aan
moeten, munn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: murre, mut, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd:, moeten
mogelijk, mueglek, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1 mogelijk, 2 bw. misschien
mogen, mag’ng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: magge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: m, 1 mogen, 2 lusten
mogen, mueng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: magge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: m, 1 hulpww. mogen, mogen lijden
molen, mùlle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mùln, molen. Da’s waatr op zinne mùlle, daar heeft hij deugd van; wat in de mùlle hebm, iets onder elkaar hebben dat anderen niet weten mogen; dr is wat in de mùlle, er is iets ophanden; da’s nog in de mùlle, dat is nog niet beslist
molenmare, mùlnmeare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gepraat van de mensen
mom, momme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, momm, mommken, lapje met suiker er in, om zuigeling stil te krijgen
mommen, momm, werkwoord, zwak, voorkauwen
mond, moond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, muene, muennken, mond; n moond kan maakng, dat t gat klappe krig, ondoordacht praten leidt licht tot kastijding; t an n moond hebm, druk praten; ginnen moond van sprekng hebm, met de mond vol tanden staan
mondig, muendeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, meerderjarig
mondsteen, moondsteen, zelfstandig naamwoord, steen van het bovenste van de vuurgang, met verwarmde hoek, door de tocht
monsterklomp, muenstrkloompe, zelfstandig naamwoord, klompen met bewerkt vooreind, voor oudere mannen
mop, mùpken, zelfstandig naamwoord, mùpkes, koekje
morgen, moarn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moarns, morgen. Van oondr de moarnzunne, uit Enter afkomstig
morgen, moarn, bijwoord, morgen
mosterbaas, mostrbaas, zelfstandig naamwoord, mopperaar
mosteren, mostrn, werkwoord, zwak, tegenpruttelen
mot, morre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kluun
mot, mot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fijn afval; mot voarn, met paard en wagen mot wegrijden
mot, mòt, bijwoord, stellig
mot, motte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, motn, mutjen, zeug
motkuil, morrekoele, zelfstandig naamwoord, uitgraving in ’t veen om turf te maken
motvat, morrevat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kegelvormige houten emmer aan steel, om veen te scheppen
motveld, morreveald, zelfstandig naamwoord, stuk veen, waarvan turf gemaakt wordt
mouw, mouwe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mouw, mùwken, mouw. Dat ha’k um ook neet oet de mouwe ’skod, dat had ik helemaal niet van hem verwacht; dat zeent gemaakt mouwen, dat zijn drogredenen
mud, murre, zelfstandig naamwoord, onzijdig, murre, murken, mud; 32 are
mug, mugge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mug’n, mug’nsken, mug
muil, muule, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, muuln, muulken, muil
muis, moes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, muuze, muusken, muis
mulder, muldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, muldrs, muldrken, 1 molenaar, 2 lichte meikever
mus, muske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, muskn, mus
muts, musse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, musn, musken, muts. Tuulne musse, Zondagse knipmuts; dichte musse, muts voor rouw over naaste familie; holle musse, muts voor rouw over verdere familie; nachmusse, knipmuts, voor werk in huis; uendrmusse, zwarte muts onder de kanten m
muur, miere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, muur, plant
muur, muure, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, muurn, muurkn, muur
na, noa, bijwoord, 1 na, 2 dichtbij; na an, op ’t kantje af, kort aan de veren; eenn te na komm, iem. beledigen
na, noa, voorzetsel, na. Ze munn oew aaltied t gat na dreang, je bent niet met je gedachten bij wat je gaat doen; na komm, achterna komen
naad, noad, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nùe, nùedjen, naad. Wat ouwr de nùe krieng, een pak voor de broek krijgen; t an de nùe krieng, de partij verspelen; t geet oew um de nùe, je krijgt er van langs
naadzak, noasek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, noaseke, noaseksken, broek- of jaszak
naadzakdoek, noasekdook, zelfstandig naamwoord, zakdoek
naaf, naawn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naawns, naaf, van rad
naaien, neejn, werkwoord, zwak, naaien
naald, noale, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, noaln, nùelken, naald
naar, noar, bijwoord, erg
nabuur, noabr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, noabrs, noabrken, buurman, man uit de buurt
nabuurgelijk, noabrgeliek, bijvoeglijk naamwoord, gelijkgerechtigd, van gelijke rang
nabuurplicht, naobrplich, zelfstandig naamwoord, burenplicht
nabuurschap, naobrskop, zelfstandig naamwoord, 1 buurtschap, 2 geburen
nacht, nach, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nachn, nachjen, nacht; ’s naches, des nachts
nacht, snaches, bijwoord, ’s nachts
nachtragelaar, nachraaglr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nachraaglrs, nachtbraker
nagel, neagl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, neagls, neaglken, 1 nagel, 2 spijker. Ginnen neagl um t gat te krabm, geen rooie duit; eenn t zwatte oondr de neagl neet gunn, iem ’t licht in de ogen niet gunnen
nagelen, neagln, werkwoord, zwak, hard lopen
nagelhout, neaglhòolt, zelfstandig naamwoord, rookvlees van koe
nakan, noakanne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ontvangst van naaste buren en familie op de dag na de begrafenis
nakend, naaknd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bloot. Kaal naaknd, helemaal bloot
nameten, noametn, werkwoord, braken door drankmisbruik
namiddag, nomdag, nommedag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, namiddag
namiddag, snomdags, bijwoord, namiddags
nanemend, noanemnd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, licht geraakt
nat, nat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, jus. Nen natn dr ouwr hen, wat drinken na het eten
nat, nat, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, nat
natten, nàtn, werkwoord, zwak, vocht afscheiden, van wond
nattigheid, nattegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 vochtigheid, 2 regen, mist
nauwelen, nàwln, werkwoord, zwak, sabbelen
nauwtjes, nàwkes, bijwoord, ternauwernood
navel, nafl, afl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naflken, navel
neb, nebm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nebm, nebken, snavel
nedendeur, niengduure, zelfstandig naamwoord, grote poortvormige deur naar de deel van boerenhuis
nee, nea, nee. Po nea, welnee; nea dan?, is ’t soms niet zoo
neef, neawe, zelfstandig naamwoord, mannelijk, neawn, neef
neen, nin, bijwoord, niet. Da’s nin, dat is niet waar
neerkauwen, nearkouwn, werkwoord, herkauwen
negeen, egee, bijwoord, helemaal, met ontkenning; egee t neet, helemaal niet; egee ginn, helemaal geen; da’s dr egee ginne, die telt niet mee
negentig, tneengteg, telwoord, 90
neger, neegr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, neegrs, neegrken, neger
nek, nàkke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nàkke, nàksken, nek. Eenn in n nàkke springen, iem. aanklampen
nemen, nemm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: neamp, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: nùm
nest, nùs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, nùste, nùsjen, nest; t nùs lig oondr n boom, alles is mislukt, er komt niets van
netel, netl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, netl, netlken, brandnetel. De beste henne leg wal’s n a’j in de netl, ook de beste kan zich wel eens vergalopperen
netelkoning, netlkùnnek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, winterkoninkje
neulen, nùeln, werkwoord, zwak, zaniken
neuren, nuurn, werkwoord, zwak, in de laatste drie weken van de dracht zijn, van koeien
neus, nueze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nuezn, nuesken, neus
neusterig, neustereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ontstemd, mopperig
neusterpot, nostrpot, neustrpot, zelfstandig naamwoord, mopperaar
neutelig, nuerlek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wrevelig, lichtgeraakt
nevens, neews, voorzetsel, naast
nicht, nichte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nichn, nichjen, nicht
niefelbroer, nieflbruer, zelfstandig naamwoord, iem. die graag anderen dingen afhandig maakt
niemand, nums, onbepaald voornaamwoord, niemand. Vuur nums, voor niks
nier, niere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, niern, nierkn, nier
niet, neet, bijwoord, niet; neet wat, niks; neet good, niet goed wijs
nieuw, niej, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, nieuw
nieuwend, niejnde, bijvoeglijk naamwoord, nieuwsgierig, begerig
nieuwmelks, niejmelknd, bijvoeglijk naamwoord, pas gekalfd hebbende koe
nieuwmodisch, niejmoods, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, modern; niejmoodse flantuutn, moderne fratsen
nieuwplichtig, niejplichteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tuk op nieuwerwetsigheden
nijd, nied, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nijd
nijds, niets, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, vlug, overhaast, heftig, nijdig
nikken, nikng, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: nikke, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: n, knikken, knikkend bewegen
nikkoppen, nikkopm, werkwoord, zwak, knikken met hoofd
noder, nùedr, dr nùedr too wean, er eerder toe geroepen zijn
noderen, nùedrn, werkwoord, zwak, 1 opvorderen, van overheidswege, 2 tot zich nemen
nodig, nuedeg, nuereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, nodig. Groot nuedeg wean, erg nodig hebben; de nuedegste wichtr wordt t eerst in berre ’leg, voor ’t nodigste moet eerst gezorgd worden
nodigen, nueng, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: nuege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: n, uitnodigen
noemen, neumm, werkwoord, zwak, noemen; neumm van, gewagen van
noen, boole, bijwoord, tegen ’t middaguur
noest, noos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, neuste, neusken, oest. Op nen hardn noos komm, met iem. op een belemmering stuiten, die voor hem moeilijk op te lossen is; op nen noos zitn, niets verder kunnen, geen geld meer hebben
non, nonne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nonn, nunnken, non
nood, tenooj, zelfstandig naamwoord, eenn tenooj andoon, iem. kwaad of verdriet doen
nooddruftig, nooddrufteg, nooddrufteg woark, monnikenwerk
noodnabuur, noodnoabr, zelfstandig naamwoord, naaste buur, beiderzijds
noorden, noorn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, Noorden. t Noorn gef neet wat, mer t neamp ook neet wat, Noordewind is niet groeizaam, maar geeft ook geen gevaarlijke nachtvorst; t Noorn is de moo van t wear, in ’t Noorden kan men ’s morgens zien wat voor weer het wordt
noot, nùtte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nùtn, nùtjen, noot
nu, non, bijwoord, 1 bw. nu, 2 uitr. nou!. non iej, vind je ook niet?
nu toe voortaan, non toovedan, bijwoord, van nu af aan
nu voortaan, nonvedan, bijwoord, van nu af aan
nuchter, nuchtr, nuchtrn, oarns nuchtr van bliewn, iets niet kunnen
nuffelen, nofln, werkwoord, zwak, door de neus praten
nuks, nuks, bijwoord, erg
nurken, nùrkng, werkwoord, zwak, ronken
obstinaat, opstrnoat, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, tegenstribbelend, brutaal
oentje, oetjepaa, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onnozele hals, stuntel
oerbeer, oerbear, zelfstandig naamwoord, niet goed gesneden varken
of, of, voegwoord, of
ogenbegoochelarij, oongbekuekldrieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zinsbegoocheling, voor de gek houderij
ogenbegoochelen, oongbekuelkln, werkwoord, begoochelen
olie, ùllie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, olie
oliekannetje, ùlliekennekes, zelfstandig naamwoord, rozebottels
oliekrap, ùlliekrappe, zelfstandig naamwoord, oliebol
om, humme, humme goan, zich omwenden
om, um, voorzetsel, om. Dr um too, er om heen; um t aandr, om de aandere
om, umme, bijwoord, 1 omver, 2 om. Eenn dr umme doon, iem. beetnemen; oarns umme kùnn, ergens buiten kunnen; non noarns umme, niet om ’t een of ’t ander;(ww)umme(ww), (èn maar …); dr umme houwn, om de oren slaan; umme maakn
ombanken, ummebeankn, werkwoord, zwak, van te drogen staande turf de onderste lagen boven leggen
ombuiten, ummebuutn, werkwoord, zwak, omruilen
omdaal, umdaale, bijwoord, omlaag
omkranselen, ummekreansln, werkwoord, zwak, binnenste buiten keren
omkukelen, ummekuekln, werkwoord, omvallen
oms, ums, jums, bijwoord, ongeveer
omschikking, ummeskikng, werkwoord, van plaats verwisselen
omsgelijk, umsgeliek, bijwoord, nog al eens, wel gauw eens keer, allicht wel
omsteken, ummestekng, werkwoord, tegen elkaar ruilen
omtrent, umtreant, bijwoord, ongeveer
omwijl, umwiel, bijwoord, gewoonlijk, haast altijd
omzet, ummezetn, werkwoord, drogende turven
omzetten, ummezetn, werkwoord, omspitten
omzonst, umzùens, bijwoord, tevergeefs
onbocht, onboch, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rommel, bocht
ondenkelijkheid, ondeanlekhaejd, in ondeanlekhaejd, naar behoren
onder, oondr, bijwoord, beneden
onder, oondr, voorzetsel, onder
onder, uentn, bijwoord, beneden
onderbed, oondrberre, zelfstandig naamwoord, strozak, matras
onderdanig, oondrdùeneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onderdanig
onderdeur, oondrduure, zelfstandig naamwoord, benedenhelft van deur, zoals in boerenhuizen gebruikelijk
onderduims, oondrdoems, bijwoord, onderdehand
onderheen, oondrhen, bijwoord, onder vandaan. Dr oondrhen komm, er goed afkomen
onderlaag, oondrloage, zelfstandig naamwoord, rij planken in de bedstee
onderrichten, oondrrichn, werkwoord, zwak, leren, wegwijs maken
onderschil, oondrskel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, verschil, onderscheid
onderschoer, oonderskoer, zelfstandig naamwoord, ruimte voor de grote deeldeur, bij boerenhuis
onderstand, oondrstaand, zelfstandig naamwoord, ondersteuning
ondersteboven, tuenstebùeften, bijwoord, ondersteboven
ondeugd, ondeug’de, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ondeugendheid. Duur ondeug’de, met boos opzet
ondeugd, ondoch, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ondochte, ondeugende jongen
ondeugend, onduengnd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 ondeugend, 2 glad, op de grond
ongel, onge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, varkensvet
ongelboom, onglboom, zelfstandig naamwoord
ongeluk, oongelukke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oongelukn, oongeluksken, ongeluk. Boetn oongelukke, als er geen ongelukken gebeuren, behoudens onvoorziene omstandigheden
ongemak, oongemak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 hinder, 2 ongedierte. Dr is toch gin oongemak, er is toch niets aan de hand?
onmild, onmeel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 oneffen, 2 woest, van land
onmondig, onmeujneg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, nodeloos groot en onhandelbaar
onnoods, onnoos, bijwoord, ternauwernood
onrecht, onrechte, t’onrechte, kapot, van botten in het lichaam
ons, oons, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oons, uensken, ons
ons, oons, persoonlijk voornaamwoord, 3-4 naamval, ons
ons, oonzn, bezittelijk voornaamwoord, vrouwelijk, meervoud: oonze, onzijdig: o, onze
onvoorziens, onvezeens, bijwoord, 1 onverwacht, 2 zonder het eerst gezien te hebben
onvree, onvrea, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ruzie, ongenoegen
onwierig, onwiereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, nalatig in het huishouden
onwijs, onwies, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dwaas. Vuur gek en onwies, alle perken te buiten gaande
onwillens, onwilns, bijwoord, niet met opzet
onzalig, oonzeleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, duf, onfris
oog, ooge, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oong, uegjen, oog. Wat t ooge neet zut, bekoort gin hatn, wat het oog niet ziet, deert het harte niet; de oong nog neet vol hem, begerig zijn naar eten of drinken, dat met niet in goedens op kan, meer opgeschept hebben dan men op kan; de oong stekt mie
oogbrauw, oongbrùe, zelfstandig naamwoord, oogwimpers
ooglijk, ooglek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bekoorlijk voor ’t oog
oor, oor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oorn, uerkn, oor. Zett’r de oorn mer ees noa, steek je voelhorens maar eens uit; t um de oorn skudn, het verkwisten
oord, oort, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 0,4 liter
oosten, oosn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, Oosten
oostganger, oosgengr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oosgengrs, koloniaal
oostvink, oosveenke, zelfstandig naamwoord, keep, vogelsoort
op, op, bijwoord, op, omhoog
op, op, voorzetsel, op
op slag, opslag, bijwoord, terstond. In n eersn opslag, 1 in ’t eerste begin, 2 op ’t eerste gezicht
opbanken, opbeankn, werkwoord, zwak, gestoken turf op rijen zetten
opbeunen, opbeunn, werkwoord, de oogstafval op ’t land bijeenbrengen
opbinden, opbeenn, werkwoord, opbinden. Eenn de bokse opbeenn, iem. flink onderhanden nemen
opbod, opbod, zelfstandig naamwoord, tegenbericht. Biej opbod vekoopm, bij opbod verkopen
opbranden, opbraann, werkwoord, brandmerken van vee, voordat het in de gemeenteweide ging
opbreken, opbrekng, werkwoord, 1 berouwen, een nadeel blijken te zijn, 2 onp. boeren
opbrengen, opbrengn, werkwoord, grootbrengen. Oarns neet biej opebrach wean, iets niet als gewoonte geleerd hebben
opdraaien, opdreejn, werkwoord, op stang jagen
opgaan, opgoan, werkwoord, 1 wortel schieten en opgroeien, 2 naar de kerk gaan, 3 omhooggaan. Dat geet niet op, dat is niet goed zo, kan zo niet
opgaren, opgadrn, werkwoord, oplopen, opdoen
opgietsel, opgeetsl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, opgeetsls, slechte thee of koffie
opgooien, opgoojn, werkwoord, laten beslissen door opgooien van een geldstuk
ophoren, ophuern, werkwoord, door navragen aan de weet komen, opscharrelen
ophouden, ophòoln, werkwoord, 1 omhoog houden bij verkoop, 2 niet gunnen bij veiling, 3 wed. zich bevinden
ophuis, ophoes, zelfstandig naamwoord, rommelzooi, heksenkeuken
opkamer, opkaamr, zelfstandig naamwoord, kamertje boven de kelder
opkrijgen, opkrieng, werkwoord, oprapen
oplezen, opleazn, werkwoord, van ’t horen blazen
opmoeten, opmeutn, werkwoord, tegenhouden, van vee
opnemen, opnemm, werkwoord, 1 ingang vinden, 2 wed. zich verheffen van dieren, 3 zich goed inprenten
opper, upr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, uprs, uprken, 1 berg hooi, 2 stapel turf
oprelken, oprellekng, werkwoord, 1 opdrogen, 2 opklaren, van weer
opscheuteling, opskùttelink, zelfstandig naamwoord, opgeschoten jongen
opschuinen, opskuunn, werkwoord, opstoken tegen iem.
opslag, opslag, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vanzelf gegroeid boom- en struikgewas
opsuikeren, opsuukrn, werkwoord, de suiker in een drank omroeren
optrekken, optrekng, werkwoord, 1 omhoog trekken, 2 gebaggerde turf rechtop zetten. De melk wier optrekng, een gedane toezegging weer intrekken
opzeggen, opzeg’ng, werkwoord, afzeggen, opzeggen. Heel wat op munn zeg’ng, veel moeilijks te verwerken hebben
opzetten, opzetn, werkwoord, 1 overeind zetten, 2 uitstellen, 3 wed. zich verbeteren, van weer
orgel, ùrgl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ùrgls, ùrglken, orgel
os, osn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, osns, os. As nen osn vuur de biele, traag, met tegenzin
osdodde, osdodn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 klein min mensje, achterblijver, 2 jongste zoon uit een gezin
oud, òold, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ùeldr, ùelst, oud. t Biej t òole loatn, het laten zoals vanouds
ouder, òoldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, leeftijd. Um den òoldr, van ongeveer die jaren
ouder, òoldrs, zelfstandig naamwoord, ouders
oven, ouwnd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ouwnde, ouwndjen, oven. Teeng nen heetn ouwnd kù’j neet gaapm, tegen een machtige kan men beter niet tegenspreken
over, ouwr, bijwoord, overig
over, ouwr, voorzetsel, over; ouwr stoarvn, op sterven; wier ouwrbetrn, weer beter worden, weer overgaan
overal, ouwera, bijwoord, overal
overbrengen, ouwrbrengng, werkwoord, de boskop ouwrbrengng, koppig zijn, van drank
overdaad, ouwrdoad, zelfstandig naamwoord, weelde, te grote overvloed
overeens, ouwreans, bijwoord, als toegift, boven de waarde
overeensje, ouwreansie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ouwreansies, toegift, fooi
overgang, ouwrgaank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, besmetting
overjagen, ouwrjaang, werkwoord, 1 overrijden, 2 te erg aandrijven, 3 wed. te hard rijden
overoom, ouwruem, zelfstandig naamwoord, oudoom
overpad, ouwrpad, zelfstandig naamwoord, pad over een anders erf
overschrijven, ouwrskriewn, werkwoord, op een andere naam doen schrijven. Wier ouwrskriewn, overschrijven, nogeens schrijven
overslaan, ouwrsloan, werkwoord, leem met een houten schop opnieuw ophopen en gladstrijken
overtollig, ouwrtolleg, bijwoord, buitengewoon
overval, ouwrval, zelfstandig naamwoord, aanval van vallende ziekte
overwind, ouwrweend, zelfstandig naamwoord, luwte
paal, poal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pùele, pùelken, 1 paal, 2 fles jenever
paalmes, poalmes, zelfstandig naamwoord, krom mes om klompen te besnijden
paar, poar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, poarn, pùerkn, paar
paard, peard, zelfstandig naamwoord, onzijdig, peare, peardjen, paard. Te peare, te paard; t kuemp te peard en t geet te voot wierumme, ziekte komt opeens, maar betert langzaam; hàgn as n peard, erg hijgen; teeng t peard kù’j neet gaapm, alleen tegen een soortgenoot of gelijke kan men zich
paardenboon, peareboone, zelfstandig naamwoord, kleine soort tuinboon
paardengat, pearegat, ne koo, ne peenke met n pearegat, bepaalde soort onvruchtbare koe, of kalf
paardenvolk, pearevolk, zelfstandig naamwoord, ruiterij, cavalerie
paardenworm, peareworm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mestkever
paars, pears, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, paars
pacht, pach, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pachn, pachtsom
pad, pat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pàtte, pàtjen, voetpad
pad, perre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pern, perreken, 1 pad, 2 venijnige man
pak, pak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pàkke, pàksken, pakket
pak, pak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pàkke, pàkn, costuum. n Wich in n pak doon, een kind inwikkelen
pakken, pakng, werkwoord, zwak, opstapelen. Wat oarns too pakng, iets ergens oppakken, opstapelen
pan, panne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pann, pennken, pan. De panne, koperen pan van de stadsomroeper; is dr wat an de panne?, wordt er iets omgeroepen?; de panne wierumme brengn, het lid op de neus krijgen; eenn de panne oet springn, iem. te vlug of te slim af wezen
pannenkoek, pannekooke, zelfstandig naamwoord, pannekoek
pannenkoekspan, pannekookspanne, zelfstandig naamwoord, koekepan
pap, pap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pàpken, pap. A’t pap reangt, zitt oewe pùtte too, de prachtigste kansen laat je onbenut; hee keant wa pap etn, hij kent het klappen van de zweep
pardoes, pedoew!, uitroep bij jacht, voor dier op de grond
parforce, proofors, bijwoord, brutaal
pas, passe, good te passe, slach te passe, goed in orde, slecht in orde, van mensen; oarns niks ouwr te passe wean, ergens niet over te spreken zijn
Pasen, poaskn, Pasen. Te poaskn komm, slecht te pas komen
patat, petetr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, petetrs, petetrken, klap
patijn, petienze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, petienzn, damesschoen, van boven open, met riem
patrijs, patrieze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, patriezn, patriesken, patrijs
pee, pee, in de pee, netjes opgedoft
peer, peare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pearn, pearkn, peer
pees, peeze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peezn, peesken, pees
peg, peg’n, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wig
peilen, paejln, werkwoord, zwak, peilen
pekken, pikng, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: pikket, kleven
pelgerst, pellegàrste, zelfstandig naamwoord, gort
pellen, peln, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: pealt, verleden tijd: pealn, verleden deelwoo, pellen
pellies, peelis, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peelisse, dikke jekker of pelsjas. Wat op n peelis op krieng, een pak rammel krijgen
peluw, pùl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pùlle, pùllken, peluw
pen, penne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, penn, pennken, pen. Skreewn um penne en eanklt, moord en brand schreeuwen
pennen, penn, werkwoord, zwak, breien
penningsvriend, pennkesvreend, zelfstandig naamwoord, duitendief
pens, peans, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peann, peanken, buik, van dier
peper, pepr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peper
perceel, peseel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, peseeln, peseelken, perceel. Van t peseel, van zijn stuk
persen, pàrsn, werkwoord, zwak, persen
persoon, pesoon, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pesoonn, pesuentjen, 1 persoon, 2 soort mens
pet, pette, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, petn, petjen, pet. Wat op de pette kriengn, ergens de schuld van krijgen; doar kù’j de pette wal an goojn, die is vel over been; mear op hebm as de pette, in kennelijke staat zijn; met eenn wat an de pette hebm, met iem. iets te verhandelen
peul, pòlle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pòln, pùllken, peul
peuren, poern, werkwoord, zwak, 1 baggeren, 2 peuren. Duur mekoar poern, overhoop halen
pezerik, peezek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peezeke, pezerik
pieleend, pieleane, zelfstandig naamwoord, klein soort eend
piepen, piepm, werkwoord, zwak, overdreven jammeren om pijn
pieper, pieprd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pieprds, pieprken, kleinzerig iem.
pier, pier, zelfstandig naamwoord, mannelijk, piern, pierkn, regenworm. Doar wil um nog nen lelleken pier ofgoan, dat zal hem nog lelijk opbreken; zoo maagr as nen pier, vreselijk mager en krachteloos; zoo dun as nen pier, erg dun
pierkruid, pierkroed, zelfstandig naamwoord, plant: knopenkruid
piezelgaatje, pislgeatjen, zelfstandig naamwoord, etterend wondje, dat niet dicht wil
pijl, piele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pieln, pielken, pijl
pijlemt, pieleamken, zelfstandig naamwoord, onzijdig, draaitorretje
pijp, piepe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, piepn, piepken, pijp
pijpenporker, piepnporkr, zelfstandig naamwoord, piepnporkre, piepnporkrken, pijpestoker
pijppotje, piepùtjen, zelfstandig naamwoord, melkkannetje
pil, pille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, piln, pillken, 1 dokterspil, 2 spil, pegel. Ne pille, een flink stuk; ne pille stoete, een snee brood; eenn ne pille in n haals hangn, iem. een leugenachtige voorstelling van iets geven
pin, pinne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pinn, pinnken, pin. Oarns ne pinne vuur stekng, ergens een stokje voor steken; t is op de pinne, ’t staat op het punt; an de pinne roekng, zich erg inspannen; eenn te deep in de pinne zitn, iem. in iets dwars zitten; de pinne op n nueze kr
pingelen, pengln, werkwoord, zwak, mieren, frunniken
pink, peenk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peenke, peenksken, pink
pink, peenke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peenkn, peenksken, jonge koe die nog niet gekalfd heeft
pink, peenke, peenke houwn, kinderspel, waarbij stokjes weggeslagen worden
pinksterbloem, peenkstrbloome, zelfstandig naamwoord, korenbloem
pinnavel, pinnafl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pinnafls, gierig mens
pisboodschap, pisboskop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boodschap als voorwendsel
pit, pik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 pit van russen, als lampekousje gebruikt, 2 binnenste van horens; pik in de mouwe hebm, sterk zijn, lichamelijk; pik biej groad, te kust en te keur
pitjeskatoen, petisketoen, zelfstandig naamwoord, gebleekte katoen
pitlamp, pikleampken, zelfstandig naamwoord, ouderwets olielampje, snotneus
pitrus, pikruskn, zelfstandig naamwoord, russen, beschikt voor lampepitten
plaag, ploage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ploang, plaag, bezoeking. At de tied kuemp, kuemp de ploage, geen zorgen voor de tijd
plaat, plaate, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plaatn, plaatjen, 1 afbeelding, 2 plat, hard ding, 3 voorhoofd, 4 overlangs liggende balken onder het dak van een boerenhuis; plaatn, geld.
plaat, plàtte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plàtn, voorhoofd
plaats, plaase, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plaasn, plàesken, plaats
plag, plagge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plagn, plag’sken, zode; plagnhutte, van palen en heiplaggen gebouwde hut van leemgravers; eenn de plagn vuur de duure hen stekng, iem. ’t gras voor de voeten wegmaaien
plagen, ploang, werkwoord, zwak, 1 plagen, onprettige dingen aandoen, 2 wed. zich het lastig maken
plagerij, ploagerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, onprettige inspanning voor het lichaam
plakken, plakng, werkwoord, zwak, met de platte hand liefkozend slaan, van dier
plank, plaanke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plaankn, pleankn, pleanksken, plank
plank, plàenkn, zelfstandig naamwoord, plankje, aan de deurklink
plant, plaante, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plaantn, plàentjen, plant
plas, plàsse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plàsn, gulzige drinker
plat, plat, plat stukke, vlakke leemlaag
plat, platn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, laag op de smalle kant en met tussenruimten opgestapelde stenen ter afsluiting v.d. stenen in de oven
platbarrevoets, platjeboars, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, barrevoets
plemp, pleampe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grote hoeveelheid, smak
pleur, plear, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plears, plearkn, 1 knal, 2 klap, 3 stuk. Nen plear groond, een groot stuk grond; nen plear lùs, een opengelaten stuk
pleuren, plearn, werkwoord, zwak, 1 knallen, 2 neersmakken, 3 klappen geven. Dr alls oet plearn, er alles uitflappen; t dr too plearn, het er neer gooien
plezier, plezeer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, plezier
plezierig, plezeereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 prettig, 2 opgeruimd en goedaardig van karakter
plicht, plich, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plichn, plicht, verplichting; plich lien, gebrek lijden, iets verduren
ploeg, ploog, zelfstandig naamwoord, plong, pleugsken, ploeg. De ploog wa wier trekng kùnn, weer op krachten gekomen zijn; de ploogsteare, sterrebeeld, de Grote Beer
plooi, plooje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ploojn, pluejken, plooi. Wat oet de ploojn doon, iets duidelijk maken
pluche, pluus, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pluche
pluimerd, plùemrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slome werker
pluis, pluus, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pluuze, pluusken, pluis
pluisteren, pluustrn, werkwoord, zwak, nodeloos ver uitzoeken
pluit, pluutjen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, peukje
plunderen, ploondrn, werkwoord, zwak, plunderen
plunderkast, ploondrkaste, zelfstandig naamwoord, rommelkast
pluren, pluurn, werkwoord, zwak, 1 pluizen, 2 wed. zich de veren terecht strijken
pochel, pokl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pokls, puklken, bochel. Op n pokl, op de rug
poeh, poe!, poew!, uitroep, van afschuw
poelie, poelie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poelies, cylinder waar riem op loopt
poer, poer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poers, poerkn, 1 stuk van hout, steen, of derg. als voetstuk, 2 onhandelbaar brok van zware harde stof. Nen poer in de hoed hebm, te veel gegeten hebben
poesmommel, poesmuml, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hummeltje
poesten, poesn, werkwoord, zwak, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: pos, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: pues, blazen, door mens of dier. Niks as poesn ouwr t skùlken, en maar kletsen, aan éénen door; hef owe moo oe gin poesn eleard, heb je niet geleerd geduld te hebben; hee hef de laampe oete epùst, hij is overleden
poester, poostr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poostrs, puestrken, 1 brutale vrouw, 2 bijdehand kind
poesterig, poestereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 niet goed schoon, 2 donker, met lage wolken of nevel
poetser, puustr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, puustrs, puustrken, veger voor lampeglazen en derg.
pokkelen, pokln, werkwoord, zwak, zich afbeulen
pol, pòl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pùlle, pùllken, pol
polis, pools, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peulse, polis
pols, pools, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peulse, stok van het karntoestel
pols, pools, zelfstandig naamwoord, mannelijk, puelse, puelsken, pols
pomp, poompe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, puempken, pomp
pond, poond, zelfstandig naamwoord, onzijdig, poond, puendjen, pond
ponder, puendr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, puendrs, puendrken, klokgewicht
ponderen, puendrn, werkwoord, zwak, 1 op de hang wegen, 2 gewicht in de schaal leggen
pongel, pungl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pungl, punglken, gewicht. Nen pungl in n vleegr, iem. die een belemmering is bij werk of spel; nen pungl an t been hebm, een blok aan ’t been hebben
pook, pook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pueke, pueksken, 1 pook, 2 klein kind
poort, poorte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, poortn, puertjen, poort
poot, poot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, puete, puetjen, poot
pop, poppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, popn, pupken, pop
por, porre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rommel. In de porre zitn, in de lappenmand zitten; oet de porre wean, weer boven Jan zijn
por, porn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klein mensje
porken, porkng, werkwoord, zwak, porrend steken
porren, porn, werkwoord, zwak, porren
portie, possie, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aandeel
post, pòs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pùste, pùsjen, steunbalk. Binn de pùste bliewn, thuis blijven; nen pòs um zik an te skobm, iem. die men de schuld kan geven
postaap, pòsaap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dreumes
posten, poskng, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: posket, verleden deelwoord: eposket, stappen door rommel of op ruwe grond
postenbaas, poskebaas, zelfstandig naamwoord, iem. die eigenaardig of gebrekkig loopt
pot, pòt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pùtte, pùtjen, put. Dr met op n pòt komm, er door in onverkwikkelijkheden komen; nen roonn pòt, een Keulse pot
poten, pòtn, werkwoord, zwak, poten
potje, pùtjen, zelfstandig naamwoord, een tiende liter
potnoot, pòtnùtte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klein, min mensje
pots, potse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, potsen, grap
potsig, potseg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, grappig, eigenaardig
potstolp, pòtstùlpe, zelfstandig naamwoord, potdeksel
potuil, pòtoele, zelfstandig naamwoord, kind, dat niet naar bed wil
potuiltje, pòtuulken, zelfstandig naamwoord, vlieger in ruitvorm
praam, praame, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, praamn, dik stuk paal om klompen in vast te zetten bij de klompenmakerij
praat, proat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 gepraat zonder zin, 2 kwaadsprekerij
praatje, prùetjen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, babbeltje; prùetjens maakng, verwijtend toespreken, ten onrechte
praatjesmaker, prùetjesmaakr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, prùetjesmaakrs, 1 opschepper, met woorden, 2 vlotte, onderhoudend causeur, 3 iem. die onbehoorlijke dingen zegt
praten, plattaejn, plattaejn oet, bw. met zoveel woorden, met naam en toenaam
prauwel, pràwl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pràwls, pràwlken, eigenzinnige en dwarse man
prauwelig, pràwleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eigenzinnig
preek, preake, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, preakn, preaksken, preek
preimot, pràjmotte, zelfstandig naamwoord, dikke vrouw
prengel, prengl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, prengls, prenglken, onuitstaanbare, lastige jongen of man
prent, preante, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, preantn, preantjen, prent. Ne oarege preante, een rare snuiter
preuze, prooze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, proozn, pruesken, kliekje
priem, preem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, preeme, preemken, priem
priemelnaakt, priemenaaknd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, spiernaakt
prijs, pries, zelfstandig naamwoord, mannelijk, priezn, priesken, prijs
prijselijk, prieslek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, prijzenswaard
prijzen, priezn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: pris, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: prees
principaal, preenspoal, bijwoord, in hoofdzaak
prins, preens, zelfstandig naamwoord, mannelijk, preensn, preensken, prins
prinses, preensesse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, preensesn, preensesken, prinses
prinsje, preenskes, O.I. kers
procureur, prookeruer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iem. die aldoor ’t woord wil hebben en meent alles beter te weten
proef, preuwe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, smaakzintuig
proeven, preuwn, werkwoord, zwak, drank gebruiken
pronk, proonk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pronk; proonkstat, nuf
prop, proppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, propn, prùpken, prop
pruil, proele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, proeln, pruulken, sjagrijnige vrouw
pruim, proeme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, proemn, pruumken, pruim
pruimen, proemm, werkwoord, zwak, pruimen
pruimenmelk, proemmmelk, zelfstandig naamwoord, karnemelksap met pruimen, rozijnen, anijs, krenten en kaneel, voor kraamvrouwen
pruin, prùn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, prùnn, prùnnken, zwaarlijvige man
pruttel, prùtl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boel, rotzooi. n Prùtl op ne aandre koare goojn, een karwei waar men mee in de maag zit, nog eens op een andere manier proberen; nen grootn prùtl, een grote bende
pudding, porrek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, Jan in de zak. Goat noar oew beppe, loat’oe porrek kokn, loop rond!; porrek in n buul, meelpudding met rozijnen
puin, puun, zelfstandig naamwoord, onzijdig, puin
puist, poes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, puuste, puusjen, puist. Doar kù’j oe nen poes van in t lief etn, daar kun je je aan te barsten eten
punt, puente, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, puentn, puentjen, punt, spits
put, putte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, putn, putjen, put
put, patte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, patn, patjen, verzamelplaats van afvalwater of mest
putten, putn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: pot, verleden tijd: potn, verleden deelwoord:, putten
quidam, kwiedam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raar iemand, waar niets mee te beginnen is
raadslaan, roadsloan, werkwoord, overleg plegen
raaien, rùejn, werkwoord, zwak, zich uitbreiden, voortwoekeren
raak, raake, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, raakn, 1 vierkant gat, voor as en vuurresten in de haarstede, 2 ronde laagte om leem in te malen
raakkuil, raakekoele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 vierkant gat, voor as en vuurresten in de haarstede, 2 ronde laagte om leem in te malen
raam, raam, zelfstandig naamwoord, onzijdig, raams, ràemken, raamkozijn, omranding
raam, roam, zelfstandig naamwoord, nen roam doon, een slag slaan, een grap doen
raap, reuwe, dr reuwe van ekoch hebm, er al mee op de koffie gekomen zijn
raapolie, reufùllie, zelfstandig naamwoord, raapolie
raat, reute, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reutn, reutjen, honingraat
rabat, rabbat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eenn op t rabbat brengn, iem. ’t hoofd op hol brengen; op t rabbat wean, losbandig zijn
rabbelaar, ràbldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ràbldrs, mond, als spraakorgaan
rabbelkous, ràblkouse, zelfstandig naamwoord, babbelkous
rad, rad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, raan, ràekn, wiel. Den is n rad an de waage’lop, die is het meegelopen; op raan zetn, aan de gang maken, ontketenen; zo gek as n rad, erg jongensgek
rad, rad, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gezwind, vlot
raden, roan, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: rùt, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: rue,, raden. Umme roan doon, om iets raden
radkeukelen, radkuekln, werkwoord, zwak, een rad slaan
rafel, reefl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reefls, reeflken, 1 rafel, 2 draad, in boon
rafelen, reefln, werkwoord, 1 rafelen, 2 uitvoerig teuten
rafeltrien, reefltriene, zelfstandig naamwoord, kletskous
ral, ral, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, aren, van gewas
rand, raand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ràene, ràennken, rand
rank, raank, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, slank, smal
ranzig, raanzeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ranzig
rap, rap, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vlug. Zik rap hem, iets vlug doen
rapklomp, rapkloomp, met nen rapkloomp loopm, naar de vroedvrouw lopen
rappelen, ràpln, werkwoord, zwak, onrustig zijn, aldoor bewegen
rappen, rapm, werkwoord, zwak, een klepperend of gebarsten geluid maken
rappigheid, rappegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gauwigheid
rapplement, rablemeant, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mondelinge afstraffing
rapschotel, rapskùtl, zelfstandig naamwoord, kwebbel
rasp, raspl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raspls, rasplken, rasp
raspen, raspln, werkwoord, zwak, raspen
rat, ròtte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ròtn, rat. In de ròtte, in de kuil, van veenpap, om te weken; de oale ròtn weett de wrangn, lange ervaring bereikt het meest
ratelen, ràtln, werkwoord, zwak, lawaai maken
ratelen, rùetln, werkwoord, zwak, onbenullig praten, voor gek weg
razen, roazn, werkwoord, zwak, razen. t Oart of t roazet, ’t is heel goed of vierkant mis
rebbelen, rebln, werkwoord, zwak, druk praten zonder reden
rebbelgat, reblngat, zelfstandig naamwoord, klappei
rebellie, rebullie, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oproer
recht, rech, bijwoord, recht, rechtvaardig, echt
recht, rech, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rechn, recht
recht, rech, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, recht
rechtbraden, rechbroan, werkwoord, naar goede raad willen luisteren
rechtevoort, rechtevoort, bijwoord, in de tegenwoordige tijd
rechts, reks, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rechts
rechtslag, rechslag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rechslage, rechte lijn, begrenzing
rechttoe, rechtoo, mear as rechtoo, meer dan van rechtswege toekomt
rechtvaardig, rechveardeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rechtvaardig
redden, redn, werkwoord, zwak, voor elkaar krijgen
redelijk, rellek, reelek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tamelijk, wel goed, behoorlijk, netjes in orde gemaakt; rellek wear, opdrogend weer
redelijken, rellekn, werkwoord, zwak, in orde maken
reden, reen, werkwoord, zwak, kammen, van hoofdhaar
reekam, reekoam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fijne haarkam
reep, reepe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reepn, reepken, 1 reep, 2 trektouw voor paard. Duur de reepn goan, op hol slaan; hee houwt ouwr de reepn, hij overdrijft; wier op de reepn wean, het werk weer kunnen doen; de reepn rech hòoln, zich niet van de wijs laten brengen
reepscheen, reepskeen, zelfstandig naamwoord, leren buis om een trektouw
regel, reegl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reegls, reeglken, regel
regelen, riegln, werkwoord, zwak, wederkerig, op een rij of in een kring gaan zitten
regen, reang, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reangkjen, regen
regenboog, reangboang, zelfstandig naamwoord, regenboog
regenen, reangn, werkwoord, zwak, regenen. t Reangt grùs en eannàjr, ’t is erg groeizaam
regeren, regearn, werkwoord, zwak, regeren
rei, ràj, zelfstandig naamwoord, ràjn, ràjken, jongejufferskrans; ràj vuur kool snien, samenkomst van jonge vrouwen om kool voor de inmaak te snijden waarbij koffie gedronken werd
reis, raejze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, raejzn, raejsken, reis
rek, rik, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rikke, riksken, rek. Met de henn noar t rik, met de kippen op stok
rekenen, rekng, werkwoord, zwak, rekenen. Doar rekngt op!, hou daar rekening mee
rekening, rekngge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rekngkjen, rekngkjes, rekening
rekenschap, reknskop, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rekenschap
rekken, rikng, werkwoord, zwak, met draad omheinen
rekking, rikngge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, riknggn, rikngkjen, draadomheining
rekpaal, rikkepoal, zelfstandig naamwoord, paal, geschikt voor draadomheining
rem, remme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, remm, remmken, rem
rementen, rameantn, werkwoord, zwak, ravotten
repelen, repln, werkwoord, zwak, 1 vlas repelen, 2 niet rustig blijven staan, weerspannig zijn
reppel, repl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, repls, replken, paal in de stal waar de koeien aan vast liggen. Duur n repl vleeng, er hals over kop van door gaan; as z’oe an n repl beendt, he’j ook ne vaste plaase in t hoes, recht op inwoning betekent nog niet, dat men ’t daar goed heeft
resolveren, reezleveern, werkwoord, zwak, tot een besluit komen
reuk, rùkke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 reuk, geur, 2 ruikvermogen
reupen, ruepm, werkwoord, zwak, afstropen, aftrekken van plantendelen
reuzel, rùsl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rùsls, rùslken, reuzel
revanche, reveansie, reveansie haaln, ter verantwoording roepen
rib, ribbe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ribn, ribken, rib. Um de ribn, om ’t lijf; um de ribn krieng, slaag krijgen; ribn, repen veen om turf te steken
richt, rich, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, richtr, richst, kort, van weg
richten, richn, werkwoord, zwak, richten
richtig, richteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zoals ’t moet, in orde
richtmaal, richtemoal, zelfstandig naamwoord, feestmaal, als bij ’t bouwen van een huis de dakspanten gelegd waren
riek, riek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, perzikkruid
riem, reem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reems, reemken, riem
riet, reet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, reetjen, riet
rietmus, reetmuske, zelfstandig naamwoord, ringmus
riftig, rifteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, slank en krachtig
rij, riege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rieng, rij
rij, rieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, riejn, riejken, 1 rechte lat, 2 latje langs de muur om borden op te zetten
rijden, rien, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: rieje, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: r, rijden, op een dier. Wee’t vuur de veerteg rit, mut noa de veerteg loopm, wie zich in de kracht van ’t leven niet inspant en spaart, moet later armoe lijden
rijf, riewe, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verkwistend
rijgdraad, riejdroad, zelfstandig naamwoord, rijggaren
rijgen, riejn, werkwoord, zwak, rijgen
rijgnaald, riejnoale, zelfstandig naamwoord, rijgnaald
rijk, rieke, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rijk. Zoo rieke a’t waatr deep is, schatrijk; zoo rieke a’t belket, bulkend van ’t geld
rijm, riem, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rijm
rijmen, riemm, werkwoord, zwak, rijmen
rijmpje, riemken, zelfstandig naamwoord, versje
rijp, riepe, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rijp
rijs, ries, zelfstandig naamwoord, mannelijk, riezn, riesken, rijshout
rijsbezem, rieznbesm, zelfstandig naamwoord, bezem van twijgen
rijsbos, rieznbos, zelfstandig naamwoord, takkebos
rijst, ries, zelfstandig naamwoord, rijst
rijzen, riezn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: ris, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: rees, rijzen
ril, rille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, riln, rilken, 1 zandrug, 2 schuinliggende leemlaag, 3 wal van hooi. De haejdnse rille, woest grond, waar de zigeuners bivakkeerden
ring, reenk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ringe, ringsken, 1 ring, 2 ijzeren band om het haardvuur
ringduif, ringlduufken, vuur n ringlduufken, voor een krats; n ringlduufken skeetn, een buitenkansje hebben
ringstoet, reenkstoetn, zelfstandig naamwoord, ronde hoop, van skadde
ringvijlen, reenkevieln, werkwoord, zwak, luieren
riprap, ripràpken, zelfstandig naamwoord, vlot wijsje
rist, rieste, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, riestn, riesjen, aaneengeregen bundel
rist, ris, zelfstandig naamwoord, mannelijk, risn, risken, langwerpige tros
rist, ris, bijwoord, ris neet, niet helemaal
rister, raejstr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 ploegijzer, 2 vrouw die met iedereen mee gaat
rod, rodn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rodn, rudken, klein exemplaar
rodbaas, roddebaas, zelfstandig naamwoord, slordige werker
rodden, rodn, werkwoord, zwak, iets ruw doen, met gebrekkig gereedschap
rode biet, roobeete, zelfstandig naamwoord, roobeetn, roobeetjen, rode biet
rode geest, roogeeze, de roogeeze dr duur jaang, in brand steken
roebol, roebol, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paardestaart
roede, roo, zelfstandig naamwoord, mannelijk, roo, centiare
roede, roo, zelfstandig naamwoord, mannelijk, roon, 1 wiek, 2 tuchtroede. n Roo maakng vuur zin eeng gat, zelf in de kuil vallen die men voor een ander groef
roef, rof, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rufken, ommezien
roekeloos, ruekeloos, bijwoord, ongemerkt, onverwacht, vlug
roepen, roopm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: rop, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: reup, roepen
roeren, ruern, werkwoord, zwak, 1 roeren, 2 cokes en koolkorsten uit de vuurgang van de steenoven halen
roerijzer, rueriezr, zelfstandig naamwoord, ijzer, van ongev. 3 meter om slakken uit de vuurgang van de steenoven te halen
roes, roeze, in de roeze, ruw geschat; ne gekke roeze, een dwaze bui
roesten, roesn, werkwoord, zwak, roesten
roesterig, roestereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, roestig
roezemoezerij, roezemoezerieje, roezemoezlderieje, zelfstandig naamwoord, geroezemoes, druk gedoe
roezen, roezn, werkwoord, zwak, begroten
roffelen, rofln, werkwoord, zwak, hem van katoen geven
roggen, rug’n, bijvoeglijk naamwoord, van rogge
roggepeer, rog’npeare, zelfstandig naamwoord, St. Japikspeer
rok, ròk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rùkke, rùksken, rok. Eenn aejt an de rùkke hangn, iem. aldoor achterna lopen
rok, ròk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, te ruim, uitgesleten
roken, rookng, werkwoord, zwak, roken; t rookngt um in de oong, hij ziet dat het te duur wordt
roken, ruekng, werkwoord, zwak, roken, van voedsel
rol, rolle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rolln, rullken, rol
rolwagen, rolwaage, op de rolwaage brengn, op ’t slechte pad brengen
rommelkruid, romlkroed, zelfstandig naamwoord, piement
rommelpot, romlpot, zelfstandig naamwoord, foekepot
rond, roond, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 rond, 2 bw. rondom. In t roone, in de rondte
rondom, roondumme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rond brood
rong, ronge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rongn, rungsken, opstaande ijzeren stang aan de buitenkant van boerenwagen
ronniken, ronneken, werkwoord, zwak, hinniken
ronselaar, roonsldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, roonsldrs, ronselaar
rood, rood, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mannelijk: roodn, vrouwelijk roo, on, rood, roodachtig bruin, roodachtig oranje
roodbarm, rebarmken, zelfstandig naamwoord, barmsijsje
roodolmig, redolmeg, bijvoeglijk naamwoord, vervallen, vergaan
roodvin, roovinnken, zelfstandig naamwoord, voorntje
roof, rauwe, rouwwe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rauwn, rùefken, korst op wond
roofgoed, roofgood, zelfstandig naamwoord, t is gin roofgood, ’t hoeft niet meteen op
rooien, roen, werkwoord, zwak, wieden. Earpl roen, aardappels steken
rooien, roojn, werkwoord, zwak, 1 begroten, 2 betrappen, 3 klaarspelen
roos, rooze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, roozn, ruesken, roos
roppen, ropm, werkwoord, zwak, uittrekken, uitroppen
ropperij, ropperieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ropperig ding
ros, rosse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rossn, rusken, roskam
ros, ros, t in n ros mankeern, niet goed bij ’t hoofd zijn
rossen, ròskn, werkwoord, zwak, Roskammen; aardappels wieden met een drietand
rots, rotse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rotsn, rotsken, wasbord
rotsen, rotsn, werkwoord, zwak, wringen, bewegen en drukken. Zik oarns neet um rotsn, zich ergens niet druk om maken
rouw, rouw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 rouw, 2 berouw
rouwdoek, rouwdook, zelfstandig naamwoord, vierkante zwarte doek, voor vrouwen in de rouw
rouwdouw, roewdoew, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ruwe korst. Keart den roewdoew an, ruim die rommel op
roven, roown, werkwoord, zwak, roven
roze, rooze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lichte koorts
rozig, roozeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 koortsig, 2 erg
rozijn, reziene, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rezienn, rezientjen, rozijn
rug, rugge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rugn, rugjen, rug. Iej kùent um op de rugge nog neet sprekn, hij is te verwaand om naar iemand te luisteren; de rugge rech maakng, niet hard werken; eenn ouwr de rugge wiln, er op uit zijn iem. te plukken
ruien, ruun, werkwoord, zwak, in de rui zijn
ruif, ruepe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ruepn, ruepken, ruif. Wa duur de ruepe kùnn vretn, vreselijk mager zijn
ruigijzel, roegiezl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rijp
ruigijzelen, roegiezln, werkwoord, zwak, witvriezen. Betr woer t rookt as woer t roegiezlt, van twee kwaden moet men ’t minste kiezen
ruikbaas, roekebaas, zelfstandig naamwoord, spieder, iem. die overal achter probeert te komen
ruiken, roekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: rok, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: reuk, ruiken. Geroek um t hoes, ongewenste belangstelling van jongens wegens inwonende meisjes
ruilen, rùeln, werkwoord, zwak, ruilen
ruim, roem, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ruim
ruimen, roemm, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: eruumd, klomp van binnen meer uithollen
ruimmes, roemmes, zelfstandig naamwoord, mes voor het roemm bij ’t klompenmaken
ruisen, ruuskn, werkwoord, zwak, ruisen
ruisterig, ruustereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ruw, van weer of schil
ruit, roet, root, zelfstandig naamwoord, mannelijk & onzijdig, 1 onkruid, 2 waterplanten. Iej hebt ook wa roet in n hof, jij gaat ook niet vrijuit
ruit, roete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, roetn, ruutjen, ruit
ruitbeet, roetbette, zelfstandig naamwoord, beet, doordat de angel in waterplanten haakt
ruiter, ruutr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ruutrs, ruutrken, ruiter. Nen ruutr oet t zaadl kùnn kùjrn, erg goed kunnen praten
ruithak, roethakke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, roethakn, kwajongen
ruizelarij, ruuzlderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gedruis
rukken, rukng, werkwoord, zwak, rukken. Dr umme rukng, niet veel schelen; hee rukket en hee tukket neet, hij staat muurvast, er is geen beweging in te krijgen
ruppen, rulpm, werkwoord, zwak, met wortel en tak uittrekken
rups, roepe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, roepn, rups
rus, rùsk, ruske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ruskn, bies. Holle rùsk, bies in het water groeiend
rusten, rùsn, werkwoord, zwak, rusten. Zik rùsn, het zich gemakkelijk maken
ruw, roew, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ruw, slordig. Zoo roew as n skoap, erg ruw
ruw, ruuj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wild, balorig
ruwmoos, roewmoos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ruw, onverschillig maar niet slecht mens
sabbelen, zabm, werkwoord, zwak, 1 zabbelen, 2 zaniken
saliepol, zelvnpol, zelfstandig naamwoord, salieplant
schaal, skoale, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skoaln, skùelken, schotel
schaal, skoale, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skoaln, skùelken, weegschaal
schaamachtig, skaamachteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bleu van aard
schaamte, skaamte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beschaamdheid. De skaamte n kop ofbietn, zich over alle scrupules heen zetten
schaap, skoap, zelfstandig naamwoord, onzijdig, skoape, skùepken, schaap. n Drop skoap, een kudde schapen; da’s t begin van t skoape skearn, dan beginnen de moeilijkheden; a’j n drop skoape hebt, is dr aaltied wan en ruudegen tusken, bij een troep is altijd wel één belhamel
schaapshond, skoaphoond, zelfstandig naamwoord, herdershond
schaar, skeare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skearn, skearkn, 1 schaar, 2 putboom
schaarste, sezaansie, in de sezaansie zitn, armoe lijden
schaats, skaaske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skaaskn, schaats; skaaskn loopm, schaatsenrijden
schabben, skabm, werkwoord, zwak, afsteken met een schop
schabbig, skabbeg, skabbereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, sjofel, niet netjes
schabul, skabul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, leem met zand er door op de steenoven
schabullen, skabuln, werkwoord, zwak, skabul op de ongare stenen leggen
schacht, skach, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skachn, 1 onderbeen zonder voet, 2 deugniet; op de skachn goan, er van door gaan; de skachn dr in zetn, het op een lopen zetten
schacht, skach, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skàchte, skàchjen, lange den
schadde, skadde, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skadn, skaddken, heiplag
schaddenspaan, skadnspoan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smalle schop om heiplaggen te steken
schadderekster, skadreakstr, zelfstandig naamwoord, 1 grauwe klauwier, 2 schreeuwerd
schade, skaa, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, schade
schaduw, skaa, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beschaduwde plaats
schalk, skalk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skàlke, skàlksken, goedaardige schelm, gekaansteker
schalm, skalm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skàlme, skàlmken, schakel
schamen, skaamm, werkwoord, zwak, wederkerig, zich schamen
schande, skaande, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, schande. Vuur skaande loopm, er schandalig bij lopen; n skaandemoal doon, onbehoorlijk veel eten
schap, skap, zelfstandig naamwoord, onzijdig, skàppe, skàpken, 1 tapkast, 2 kastplank
schaper, skeepr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skeeprs, skeeprken, schaapherder
schappelijk, skaplek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, geschikt, redelijk
scheef, skeef, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, scheef; skeef en skel, schots en scheef
scheen, skenne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skenn, skennken, scheen
scheerbaas, skearbaas, zelfstandig naamwoord, barbier
scheffen, skàfn, werkwoord, zwak, 1 keffen, 2 heftig redetwisten
scheid, skaejd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grenslijn tussen grondstukken
scheiden, skaejn, werkwoord, zwak, scheiden
scheidpaal, skaejdpoal, zelfstandig naamwoord, grenspaal
scheidsteen, skaejdsteen, zelfstandig naamwoord, grenssteen
schel, skel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 scheef, 2 scheel, 3 verblindend
schel, skelle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skeln, skellken, bel
schelden, skealn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skùel, verleden deelwoord: eskùeln, schelden
schelen, skàeln, werkwoord, zwak, schelen. Dat skàelt wa nen slok op nen borl, dat scheelt nogal wat
schellap, skellappe, zelfstandig naamwoord, oogklep
schelling, skillek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skillege, skillekjen, 6 stuivers
schelmerij, skelmerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bedriegerij
schelms, skelmes, skelmes doon, oneerlijk, vals spelen
schelmstuk, skelmstukke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, schavuitenstreek
schemel, skeml, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skemls, skemlken, draaibare bovendeel van voorstuk van boerenwagen
schemelen, skemln, werkwoord, zwak, 1 flikkeren, 2 schaduwbeelden maken
schemelglas, skemlglas, zelfstandig naamwoord, stukje spiegelglas
schenden, skeann, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skuen, verleden deelwoord: eskuenn, schenden, beschadigen
schenk, skeenkn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skeenkn, ham, van varken
schepel, skepl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, skepl, skeplken, 1 8 are, 2 2,25 mud
scheren, skearn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skùer, verleden deelwoord: eskùern, scheren. t Op t skearn ehuerd hebm, voor de waarheid van een nieuwtje niet in willen staan
scherf, skoarf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skoarvn, skùerfken, scherf
schermutselen, skermezeern, werkwoord, zwak, twisten met woorden
scherp, skoarp, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, scherp. Zoo skoarp as nen vlim, vlijmscherp
schetteren, skàtrn, werkwoord, zwak, schreeuwen, krijsen, van dieren
scheuken, skuekng, werkwoord, zwak, wederkerig, zich wrijven aan iets. Zik oarns oondr hen skuekng, van iets de schuld van zich afschuiven; skorf en skoold mu’j of skuekng, van ongedierte en geldnood moet men verre blijven
scheuker, skuekrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schooier
scheur, skuur, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skuurs, skuurkn, scheur
scheuren, skuurn, werkwoord, zwak, 1 scheuren, 2 van grasland tot bouwland maken
schielijk, skielek, bijvoeglijk naamwoord, gauw
schier, skear, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lustig, dartel, begerig
schier, skier, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 knap, netjes, ook van mensen, 2 onvruchtbaar, van ei. t Kan skier lukng, ’t is mooi geweest
schieren, skiern, werkwoord, zwak, bebroede eieren uitzoeken
schierzwaluw, skierzwaalve, zelfstandig naamwoord, gierzwaluw
schieten, skeetn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: skùt, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skeutt Skùt miej in t lachn, ik schoot in de lach
schieuw, skiw, zelfstandig naamwoord, onzijdig, skiw(w)e, skiwken, spookverschijning,1 spook, 2 vogelverschrikker
schijf, skiewe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skiewn, skiefken, schijf
schijnen, skienn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skeen, verleden deelwoord: eskeenn, schijnsel geven. Oart oet n roon, geln skienn, een roodachtige, gelige tint hebben
schijthak, skithakke, zelfstandig naamwoord, achterhiel, van koe
schijthop, skiethoppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hop, vogelsoort
schik, skik, zelfstandig naamwoord, plezier, behagen. Oarns skik hebm, ’t ergens naar de zin hebben; dat t zin skik en oart hef, dat het een lust is
schikkelijk, skiklek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, inschikkelijk
schikken, skikng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skuk, verleden deelwoord: eskukn, 1 ordenen, 2 vooruitkomen; skikng as nen loes op ne teartonne, niks vooruit komen
schikking, skikngge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skiknggen, overeenkomst, dading
schild, skeeld, zelfstandig naamwoord, onzijdig, skeeln, skeeldjen, schild
schilder, skeeldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skeeldrs, skeeldrken, schilder
schilderen, skeeldrn, werkwoord, zwak, schilderen
schilderij, skeelderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ingelijste wandplaat
schillen, skeln, werkwoord, zwak, schillen
schim, skemme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skemm, skemken, 1 schaduwbeeld, 2 vluchtige verschijning, 3 erg mager mens
schimpen, skeempm, werkwoord, zwak, schimpen
schobben, skobm, werkwoord, wederkerig, scheuken
schobdaal, skobndaale, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skobndaaln, skobndàelken, broek met elastiekband om de middel
schobpaal, skobbepoal, zelfstandig naamwoord, 1 paal in het land waar het vee zich aan wrijven kan, 2 zondebok
schobpost, skobbepos, zelfstandig naamwoord, 1 paal in het land waar het vee zich aan wrijven kan, 2 zondebok
schoeks, skooks, bijwoord, bedachtzaam, verkennend. Den keant ook wa skooks, die houdt zich gedekt, maar weet wel wat hij wil
schoen, skoon, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skoone, skeuntjen, schoen
schoenklomp, skoonkloompe, zelfstandig naamwoord, klomp
schoer, skoer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, skoers, skoerkn, grote zware bui. Doondrskoer, onweersbui; n bes skoer in hebm, goed dronken zijn; n skoer duur de beene krieng, ’n flinke schrobbering krijgen; dr n skoer achtr zetn, ’n stevig maal naar binnen werken
schoester, skoestr, skoestrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schoenmaker
schoffel, skofl, skoofl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sko(o)fls, sku(e)flken, plat stuk hout met handvat om leem mee op de boarve te gooien, houten schop om leem op te laden, uit één stuk
schoffelen, skoofln, werkwoord, zwak, leem omwerken
schoft, skof, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skofn, 1 schafttijd, 2 een kwart dagwerk. Nen skof trekng, 1 een kromme rug hebben, 2 de haren opzetten
schoft, skobn, zelfstandig naamwoord, schouders
schol, skool, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ondiep
schommelen, skungln, werkwoord, zwak, klaplopen
schommelig, skungeleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, schooierachtig
schoof, skobn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heleboel. Nen skobn in de hoed, dronken
schooier, skoojrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bedelaar, landloper. t Is nen slàchn skoojrd, den um eenn boer neet kan, ook in het minder goede, moet men niet voor één gat te vangen zijn
schooierskar, skoojrskoare, zelfstandig naamwoord, woonwagen
school, skoole, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, school
schoon, skoon, skoone, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, skuendr, skuenst, 1 goed gewassen, 2 zindelijk. De hoed skoon hòoln, er zonder kleerscheuren afkomen; zelf t bùejs neet skoon hebm, boter op zijn hoofd hebben; zoo skoon as n kluentjen, brandschoon
schoonwel, skoonwal, voegwoord, evenwel
schoor, skoare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skoarn, skùerkn, steunbalk. Gin been te skoare kùnn zetn, geen stap kunnen doen; de skoarn dr in zetn, hard weglopen
schoorsteen, skosteen, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skosteene, skosteentjen, schoorsteen. Loatt biej oe mer’s eers n skosteen rookng, wacht maar tot je ook in dezelfde omstandigheden komt
schoorsteenvalletje, skosteenvàllken, zelfstandig naamwoord, kleedje over de schoorsteen
schoot, skoat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skùetr, skùetjen, scherf. An skùetr goojn, in diggelen gooien
schoot, skoot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schoot
schop, skuppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skupn, skupken, schop. De skuppe met ebrach hebm, niet meer elders beroepen worden
schop, skùppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skùpn, skùpken, boerenschuur
schoplengte, skupmsleangte, zelfstandig naamwoord, lengte van een schop met steel, als maat
schopper, skuprd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schop, trap
schoren, skoarn, werkwoord, zwak, 1 steunen, stutten, 2 kracht bijzetten, 3 krachtige streken doen met de schaats, 4 in snelle beweging rakelings langs iets gaan, 5 kuit schieten. Um skoarn, pootaan spelen; anskoarn, zijn best doen
schorremot, skorremot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, uitschot
schort, skùlk, zelfstandig naamwoord, skùlke, skùlksken, schort, in het algemeen; freesken skùlk, nette uitgaansschort
schort, skoetrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, werkschort
schorteldoek, skùldook, zelfstandig naamwoord, schort, voor netjes, bij jak en rok
schot, skot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, skùtte, skùtjen, door planken afgesloten ruimte, voor dieren
schot, skùtte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skùtn, 1 uithaal, 2 schot, 3 stekende pijn. Elke skùtte is ginnen haazn, niet elk schot is raak; ne skùtte doon, toeschieten
schotelgoed, skùetrgood, zelfstandig naamwoord, aardewerk
schoteltje, skùlken, zelfstandig naamwoord, schoteltje
schots, skùts, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, hoog opgaand
schotvork, skotvorke, zelfstandig naamwoord, hooivork
schouder, skooldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skooldrs, skueldrken, schouder
schra, skroa, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, schraal
schraam, skroam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skroamn, skrùemken, kaantje
schrabben, skrabm, werkwoord, zwak, schrammen
schraden, skroan, werkwoord, zwak, schoonmaken, van waterleiding
schram, skremken, zelfstandig naamwoord, mager mens of dier
schrank, skrange, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oet de skrange, 1 ontwricht, 2 naar buiten overhellend
schrankelen, skraankln, werkwoord, zwak, in de oven te bakken stenen, kruiswijze opstapelen voor en langs de oven
schreutel, skrùetlken, zelfstandig naamwoord, stukje lap
Schrift, skrif, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, H. Schrift
schrijfhark, skriefhoarke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skriefhoarkn, steel met evenwijdige bladen er onder aan om veen in turven te snijden
schrijnen, skrienn, werkwoord, zwak, schrijnen
schrijven, skriewn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, schriftelijk bericht
schrijven, skriewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: skrif, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skreef, schrijven. Zik loatn skriewn, heten, volgens de Burgl. Stand
schrijven, skriewn, werkwoord, zwak, de veenkoek in turven verdelen
schrijver, skriewr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skriewrs, skriewrken, kantoorbeambte
schrik, skrik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schrik
schrikken, skrikng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skruk, verleden deelwoord: eskrukn, schrikken
schrobben, skrobm, skrobln, werkwoord, zwak, krabben in de grond, van kippen
schrobber, skrobr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gierigaard
schrobberig, skrobbereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onregelmatig, oneffen, van grond
schrobsel, skrobsl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, afschraapsel
schroef, skroewe, zelfstandig naamwoord, skroewn, skruufken, schroef; skroewn dreejn, op stang jagen
schrollen, skroln, werkwoord, zwak, schelderig kwaadspreken
schronselen, skroonsln, werkwoord, zwak, verschrompelen
schroomvallig, skroomvalleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gemakkelijk bevreesd
schub, skobbe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skobn, skobken, schubje aan graankorrel, of derg.
schuchterig, skuchtereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rillerig
schudden, skudn, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: skurre, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , schudden. Zik oarns vuur skudn, ergens van walgen; de broedwaage skudn, een bruiloftstoet de weg versperren om een borrel te krijgen
schuffelen, skufln, werkwoord, zwak, schudden, van kaarten
schuim, skoem, zelfstandig naamwoord, onzijdig, schuim
schuimer, skuumr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skuumrs, skuumrken, schuimspaan
schuin, skuun, bijvoeglijk naamwoord, skuundr, schuin
schuinerij, skuunderieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, opstokerij
schuins, skuuns, bijwoord, schuin
schuit, skuute, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skuutn, skuutjen, schuit
schuiven, skoewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: skof, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: skuefSkoef vuur n doem, geld
schuiver, skuuwr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, skuuwrs, skuuwrken, plank om het droogveld van de steenbakkerij glad te maken
schuld, skoold, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schuldverplichting, geldschuld; skoold is n lellek deer, ieder wil graag de schuld van zich af schuiven
schuldbrief, skooldbreef, zelfstandig naamwoord, schuldbekentenis
schurft, skorf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, schurft
schuur, skuure, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, skuurn, skuurken, schuurtje bij huis
schuw, skee, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, schuw
schuwlap, skeelappe, zelfstandig naamwoord, oogklep, van paard
siepel, siepl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, siepls, sieplken, ui
siet, siet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rommel, bende
sigaar, segoare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, segoarn, segùerkn, sigaar
sijs, siesken, zelfstandig naamwoord, onzijdig, sijsje
sik, sik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sikke, siksken, 1. geit, 2 puntbaardje. Lachn as nen sik in de braadnetl, lachen als een boer die kiespijn heeft; nen sik tusken de huerne kùnn kusn, vreselijk mager zijn;zo niejskierig as nen sik, erg nieuwsgierig; veweann sik, verwend jonget
sinds, seent, bijwoord, sedert
Sint-Stefanus, suentestefn, 2e Kerstdag
sitsenkraam, sitsnkroam, zelfstandig naamwoord, bliksemse boel
sjakker, sjakr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sjakrs, sjakrken, grote lijster
sjanteren, saantrn, werkwoord, zwak, sarren
sjasbaas, sjaskebaas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boemelaar
sjassen, sjaskng, werkwoord, zwak, aan de boemel zijn, aan de drank zijn
sjoege, sjoemaa, oarns gin sjoemaa van hebm, ergens niks van weten of geen slag van hebben; dr vuur sjoemaa biej loopm, er voor spek en bonen bij lopen
sjoeres, sjoeres, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onbetrouwbare kerel
sjoksjakje, sjoksjàksken, zelfstandig naamwoord, sukkeldrafje
sjoksjakken, sjoksjàkng, werkwoord, zwak, sjokken
sjorren, sjorkng, werkwoord, zwak, zich haasten
sla, sload, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sla
slaan, sloan, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: slùt, verleden tijd: sleug, verleden deelwoor, slaan, van klok, bij dam- of schaakspel
slaan, slaang, werkwoord, zwak, aanstaan, bevallen; slaang op, aarden naar
slaander, sleandr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, met nen sleandr loopm, een eigenaardige gang hebben, met n sleandr krieng, slaag krijgen met ’n stok
slaap, sloap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slaap
slabben, slabm, werkwoord, zwak, morsen, bij eten. Doar beslabm iej oe neet van, dat brengt je geen belangrijk voordeel
slachterij, slachterieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slagerij
slachtmaal, slachtemoal, zelfstandig naamwoord, maaltijd bij het slachten
slag, slag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slaage, slagjen, 1 slag bij spel of strijd, 2 groep naast elkaar gelegen akkers, 3 soort. t In n slag hebm, er bedreven in zijn; slag ouwr slag, keer op keer
slager, sleagr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sleagrs, sleagrken, 1 zwengel, 2 slinger van klok, 3 ijzeren bout over vensterluik
slamier, slamiere, slemiere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vlegelachtige vrouw; slordige vrouw
slamik, sloamikke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sloamikn, slap op de benen
slang, slange, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slangn, slàngsken, slang
slapen, sloapm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: slùp, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: sleup
slaper, sloapr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slùeprs, slùeprken, in de lengte onder ’t dak liggende paal zonder verband met de muren
slappigheid, slappegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slapheid
slateren, slaatrn, werkwoord, zwak, knoeien. Oarns met hen slaatrn, aldoor verzuimen iets in orde te brengen; biej t slaatrngat, bij je eigen rommel; slaatrnbasse, slordige vrouw
slateren, sluetrn, werkwoord, zwak, gulzig of veel drinken
slaterig, slaatereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, nalatig, onzorgzaam
slauw, slauw, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, traag
slecht, slàch, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, slàchtr, slàchst; slimr, slimst, 1 slàchtr, slàchst, slecht, 2 slimr, slimst, erg ziek. Eenn slàch maakng, kwaadspreken van iem.
slecht, slich, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, plat; n slich voor, een klein voer
slechten, slichn, werkwoord, zwak, slechten
slechtigheid, slàchtegaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slechtheid, gemeenheid
slee, slee, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sleen, sleekn, vrucht van sleedoorn
sleep, sleppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slepn, slepken, 1 balk of ladder, als eg gebruikt, 2 zware vracht hooi of derg.
sleepplank, slepplaanke, zelfstandig naamwoord, door paard rondgetrokken plank om leem te kneden in de raake
sleet, slet, dr is gin slet of brùkke an, ’t is helemaal ongeschonden
sleeuw, slee, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 wrang, 2 stomp. Zoo slee, iej kùent’r wal op noar Deawntr, erg stomp
slepen, slepm, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: slep, slepen. Oarns met slepm, iets tot zijn last hebben
slet, slat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slàtte, slàtjen, oude grove lap; slàtjen, klein meelijwekkend diertje
sleuf, sluef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sluewe, sluefken, 1 gleuf, 2 kielspit
sleur, sluur, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sleur
sleutel, slùtl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slùtls, slùtlken, sleutel
slier, sliere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sliern, slierkn, 1 slingerende rij, 2 slede
slieren, sliern, werkwoord, zwak, 1 glijden, 2 baantje glijden. Doar kù’j op sliern, daar kun je op teren
sliet, sleete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sleetn, sleetjen, dunne boompjes voor zoldervloertjes en derg.
slij, slieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sliejn, sliejken, zeelt. Zoo vet as ne slieje, verbazend vet
slijm, sliem, zelfstandig naamwoord, onzijdig, slijm
slijpen, sliepm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: slip, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: sleep
slijten, slietn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: slit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: sleet
slijtig, slieteg, bijvoeglijk naamwoord, sleeds
slijtijzer, slietiezer, zelfstandig naamwoord, ijzerbeslag op plekken waar veel slijtage is bij boerenwagen en derg.
slikken, slikng, werkwoord, zwak, snoepen
slikkerij, slikkerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, snoepgoed
slim, slim, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 ondeugdelijk, 2 erg, slim valn, flauw vallen; slim worn, flauw vallen
slingeren, slingrn, werkwoord, zwak, slingeren. Slingerumdesloet, met de handen aan elkaar rondslingeren, kinderspel
slip, slippe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slipn, slipken, slip
sloerig, sloereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ziekachtig, landerig; sloereg in de hoed wean, zich niet lekker voelen; sloereg in n rakrt, niet fit
slof, sloffe, zelfstandig naamwoord, slofn, slufken, 1 pantoffel, muil, 2 bruinkoobriquet, 3 onachtzame vrouw, ook slofhakke
sloffen, slofn, werkwoord, zwak, de gaten van gepote aardappelen dichtschuiven, met de voeten
slofhak, slofhakke, zelfstandig naamwoord, onkruid, in rogge
slok, sloek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sloekn, sloeksken, slokdarm, keelgat. Oarns sloek op hebm, ergens zin aan hebben
slok, slok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slokn, sluksken, slok
slok, slòk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onvast, zwak, loszittend; slòk in de hoed, futloos; slòk op de beene, wankelig
slokhalzen, sloekhaalzn, werkwoord, zwak, gulzig slokken, begerig zijn
slokken, sloekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: slok, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: sleukWat de duuwl eslùkn hef, spiejt e neet mak wier oet, als iets slechts gebeurd is, valt het moeilijk alle kwade gevolgen te niet te doen
slokken, slòkng, werkwoord, zwak, losrakende, de stevigheid verliezen
slome, sloamàtte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slome vrouw
slomp, sloomp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sluempe, sluempken, grote hoeveelheid vocht of brij
slop, slòp, zelfstandig naamwoord, onzijdig, slùppe, slùpken, zoldergat boven de deel
sluiten, sloetn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: slot, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: sleut
smaak, smak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smaak
smak, smakke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, smakn, klein zeisje om plaggen te maaien
smallook, smallook, zelfstandig naamwoord, bieslook
smalproper, smalproopr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, smoezelig, niet helder
smeden, smeen, werkwoord, zwak, smeden
smeer, smear, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smears, smearkn, smerende beweging. Nen smear an n kop, een draai om de oren
smeer, smear, zelfstandig naamwoord, onzijdig, smeersel
smeerdodde, smeardodn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smeerpoets
smeerfots, smearfosn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smeerpoets
smeerkraam, smearkroam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vuile boel, onfrisse zaak
smeerplank, smearplaanke, ouwr de smearplaanke goan, failliet gaan
smelten, smealtn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: smuelt, verleden deelwoord: esmùeltn, smelten
smeren, smearn, werkwoord, zwak, 1 smeren, 2 de boel vuil maken
smeteweegs, smetteweangs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, steenworpafstands
smets, smets, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, goedgeefs, niet zuinig
smetsel, smitsl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zwarte aanslag, aan pannen en derg.
smetselen, smitsln, werkwoord, zwak, roet aanzetten
smeu, smee, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zacht, smeu
smeugel, smuegl, smuegldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smuegls, olijkerd
smid, smid, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smeen, smidjen, smid
smiesterd, smiestrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smiestrds, iem. die de boel smerig maakt
smiesterig, smiestereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 groot, smerig, 2 nattig, kil, van weer
smijten, smietn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: smit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: smeetSmiet oe daale, ga zitten!
smodde, smorre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, smorn, smurrken, busvormige koffieketel met steel
smodderig, smuttereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bespat
smoel, smoel, oarns gin smoel op hebm, ergens niet veel zin in hebben
smoes, smoes, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, overrompeld, terneergeslagen, perplex. Dat is smoes, dat is een smoesje
smoesterd, smoestrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smoestrds, vuilpoes
smoesterig, smoestereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 groezelig, 2 naar slecht weer lijkend
smok, smok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smokn, smuksken, kus
smokken, smokng, werkwoord, zwak, zoenen
smooraardappel, smoorearpl, zelfstandig naamwoord, kleine aardappeltjes, in de schil gebraden
smoorpoeper, smoapoepr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smoapoeprs, smoapoeprken, hagedoornbes
smout, smòolt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gesmolten varkensvet
smuts, smus, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verbouwereerd
snaar, snoare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, snoar, snùerkn, snaar. Good op de snoaren wean, goed gemutst zijn
snar, snarn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bitse man
snar, snarre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, snarn, snarrken, bitse vrouw
snarderig, snardereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, snauwerig
snarren, snarn, werkwoord, zwak, snauwen
snee, snee, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snede, inkerving
snee, snie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snie, sniekn, snede, afgesneden plak
sneeuw, snee, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sneeuw
sneeuwen, sniejn, werkwoord, zwak, sneeuwen. Kiekn of t oe in de oong sniejt, beteuterd kijken
sneeuwkerel, sneekeal, zelfstandig naamwoord, sneeuwpop
snibbe, snippe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, snipn, kwade vrouw, ondeugend kind
snibberig, snippereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, snauwerig
snijbonenmaal, snieboonnmùelken, zelfstandig naamwoord, maaltijd bij ’t inmaken van snijbonen aan alle helpers aangeboden
snijden, snien, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: snit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: snee
snijder, sniedr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sniedrs, sniedrken, kleermaker. Nen sniedr hef mer eenn doarm, een kleermaker kan met weinig eten toe
snijdig, snaejdeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, slank, lenig, van mens of dier
snijpaal, sniepoal, zelfstandig naamwoord, blok hout om klompen op te besnijden
snijzomp, sniejzoomp, zelfstandig naamwoord, bak om veevoer en derg. in te snijden
snik, snuk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hik
snip, snippe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, snipn, snip
snipper, snipl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snipls, sniplken, snipper
snister, snistr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snistrs, snistrken, vuurspuwend kruitpijpje, als vuurwerk. t Dr met nen snistr of brengn, er nog zonder kleerscheuren af komen
snisteren, snistrn, werkwoord, zwak, 1 sissen, 2 braden
snoeien, sneujn, werkwoord, zwak, snoeien
snoek, snook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sneuke, sneuksken, snoek
snoer, snoor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, snoorn, snuerkn, drijfriem
snor, snorn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snorn, snurrken, snor. Nen besn snorn op hebm, goed dronken zijn; t an t snorn hebm, het naar zijn zin hebben; nen snorn in de piepe hebm, dronken zijn
snorgoed, snorregood, zelfstandig naamwoord, snuisterijen
snorrebot, snorrebot, zelfstandig naamwoord, bot om aan touw rond te zwaaien
snorren, snorn, werkwoord, zwak, snel zich bewegen
snuffel, snufl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snufls, snuflken, snuit. Met n snufl vuuran, haantje de voorste
snuisterij, snuusterieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kleingoed, bij het slachten
snuit, snoetn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snoetn, snuutjen, snuit
snuiten, snuutn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: snot, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: snuet
snuitklomp, snoetnkloompe, zelfstandig naamwoord, puntige klomp
snuiven, snoewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: snof, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: snuefGood esnùewn hebm, aangeschoten zijn; oarns van snoewn, ergens van op de hoogte komen
sober, soobr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, karig
soes, zoeze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zoezn, 1 sloom persoon, 2 grote hoeveelheid
sok, zùkke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zùkn, zùksken, sok. Met baejde beene in eene zùkke loopm, stuntelen; de zùkke op de hakn hebm hangn, er slordig uitzien
sop, sop, zelfstandig naamwoord, onzijdig, sùpken, sop
sop, soppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, smeerboel
soppen, sopm, werkwoord, zwak, soppen, morsen met water
sopperig, soppereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, nattig
sopperij, sopperieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gesop, natte boel
spaak, speeke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, speekn, speeksken, spaak. Dan is dee speeke bouwn en dan den, ieder krijgt op zijn beurt van het goede
spaan, spaan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spaann, spàentjen, smalle schop
spaan, spoan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spoann, spùentjen, spaan
spadegreep, spoagreepe, zelfstandig naamwoord, greep met 5 platte tanden
spalken, spolkng, werkwoord, zwak, 1 gekke gezichten trekken, 2 door wild gezicht bangmaken
span, span, zelfstandig naamwoord, onzijdig, span, afstand van duim tot pink, gespreid
sparen, spoarn, werkwoord, zwak, onaangetast laten, ontzien
spatie, spoasie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ruimte
spats, spats, zelfstandig naamwoord, spats maakng, een hoge toon aanslaan
spekharst, spekhasjen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, spekhasjens, plak spek
spekspar, speksparre, zelfstandig naamwoord, Oostenrijkse den
speld, speale, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spealn, spealken, speld
spelden, spealn, werkwoord, zwak, spelden
spelen, spùln, werkwoord, zwak, spelen
spenderen, spandeern, werkwoord, zwak, ten koste leggen
speuren, spuurn, werkwoord, zwak, 1 merken, 2 aan ’t spoor volgen, 3 missen, ontberen
spiegel, speegl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, speegls, speeglken, spiegel
spiegelen, speegln, werkwoord, zwak, spiegelen
spier, spier, zelfstandig naamwoord, onzijdig, spiers, spierkn, sprietje. N spierkn, 1 klein scheutje, 2 klein borreltje
spier, spiere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spiern, spier
spijker, spiekr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spiekrs, spiekrken, stevige platte rechthoekige schop
spijkolie, spiekùllie, zelfstandig naamwoord, afval-olie van de Pelmolen, voor verlichting gebruikt
spijl, spiele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spieln, spielken, latje of stok, waaraan vlees in de wieme hangt, of honig in de bijenkorf aan zit, en derg.
spijt, spiet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, spijt
spijten, spietn, werkwoord, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: spit, verleden tijd: speet, verleden deelwoor, spijten
spik, spikke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spikn, spiksken, met geringe middelen gemaakte overgang over sloot of beek
spil, spille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spiln, spilken, spil, as
spinde, speene, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kast voor brood en toebehoren. Oarns t mesken bouwn in de speene hebm lig’ng, ergens kind aan huis zijn
spinmaal, spinnemùelken, zelfstandig naamwoord, avondmaaltijd voor spinnende jonge vrouwen
spinnen, spinn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: spun, verleden deelwoord: espunn, spinnen
spinnenjager, spinnjeagr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spinnjeagrs, spinnjeagrken, ragebol
spinnenvoeten, spinnevootn, werkwoord, zwak, stuiptrekken
spint, speent, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 2 are, 2 acht driekwart pond
spint, speent, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zacht bastgedeelte van hout
spintvat, speentvat, zelfstandig naamwoord, vaatje van 8 L
spit, spit, zie hoarspit
spitsgard, spitsgarre, vuur eenn duur de spitsgarre goan, voor iem. door het vuur gaan
spleet, spluete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spluetn, afgespleten reep
splijten, splietn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: split, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: spleet, splijten
splijten, spluetn, werkwoord, zwak, splijten, van dun hout
splinteren, spleentrn, werkwoord, zwak, splinteren
spoel, spoole, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spooln, speulken, spoel
spoelen, speuln, werkwoord, zwak, spoelen
spoelgrond, speulgroond, zelfstandig naamwoord, onvruchtbare grijze grondlaag
spoelhok, speulhok, zelfstandig naamwoord, bijkeuken in boerenhuis
sponning, sponnege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sponnegn, sponnekjen, spouw
spons, spoons, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spoonzn, spuensken, spons
spoor, spoer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, spoers, spoerkn, 1 spoor, 2 spoorbedrijf. Met t spoer, met de trein
spoor, spoore, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spoorn, spuerkn, schuin omhooglopende dakbalk
spoorkaartje, spoerkaatjen, zelfstandig naamwoord, treinkaartje
spoorkerel, spoerkeal, zelfstandig naamwoord, iem. die bij de spoorwegen in dienst is
spoorloper, spoerlueprken, zelfstandig naamwoord, kuif-leeuwerik
spoormand, spoermeannken, zelfstandig naamwoord, ouderwets reismandje met hengsel en aan elke kant een deksel
spraak, sproake, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sproakn, taal, spreekwijze
spreekbaas, sprekkebaas, zelfstandig naamwoord, 1 iem. die graag opspreekt om zich te doen gelden, 2 grootspreker
spreeuw, sproa, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sproan, 1 spreeuw, 2 uitgekouwde pruim tabak
sprei, spree, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, in de spree, verspreide ligging van gemaaid gras, voor het laden
spreidband, spreebaand, zelfstandig naamwoord, hoekbalkje tussen stiel en stekkerieje in boerenhuis
spreiden, spraejn, werkwoord, zwak, spreiden
spreken, sprekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: sprek, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: spreuk, spreken, het woord voeren.
spreker, sprekr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, t Is nen goon sprekr den’t nen zwiegr verbetrt, spreken is zilver, zwijgen is goud.
spreu, sprue, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, met kleine barstjes
spreuk, sprueke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spruekn, spreuk
springbaan, spreenkbaane, zelfstandig naamwoord, waterader in de grond
springen, springn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: spreenk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: spru, 1 springen, 2 openbarsten
sproeien, spreujn, werkwoord, zwak, sproeien
sprok, sprok, zelfstandig naamwoord, onzijdig, takjesrommel
sprokkel, sprikls, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sprikln, spriklken, dor takje
sprokkelen, sprikln, werkwoord, zwak, sprokkelen
sprong, sproonk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sprunge, sprungsken, sprong
spruit, spruute, lange spruute, middenbalk, van molen
spuit, spùejte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spùejtn, spùejtjen, spuit
spuiten, spùejtn, werkwoord, zwak, spuiten
spul, spil, zelfstandig naamwoord, onzijdig, spilken, spul, gedoe. Of t spil zoo sprak, of ’t zo weten moest; n oareg spil, een wonderlijke gang van zaken; n bedroowd spil, een treurige toestand, een hopeloze positie
spuwen, spiejn, werkwoord, zwak, 1 spuwen, 2 braken. Vak zik ofspiejn, zich verweren; spiejn ouwr ledrs en plaankn, erg braken
spuwpad, spiejpàrre, spiejperre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spiejpàrn, spiejpern, spiejpàrrken, spiejperreken, 1 padde, 2 venijnige man
staal, stoal, zelfstandig naamwoord, onzijdig, staal
staan, stoan, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: stoa, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: st, staan. Oarns vuur stoan, ergens voor instaan, de verantwoording voor op zich nemen; dat geet oe stoan, dat breekt je op, daar krijg je nog last mee; stoande beene, zonder te gaan zitten; dr good met stoan, er voldoende van hebb
staan, staane, te staane wean, op zijn gemak zijn
staander, steandr, nen dikn steandr hebm, een dik achterste hebben
staandertje, stùendrkes, zelfstandig naamwoord, voetstukjes van de bikkels
staart, stat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stàtte, stàtjen, staart. Votgoan as nen hoond zoondr stat, afdruipen; ze kùent nen krul in n stat krieng, ze kunnen naar de maan lopen; gin stat of stel, geen sikkepit
staartbollig, statbùlleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ongezeggelijk
staat, stoat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 staat, 2 uitdossing
staats, steats, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, koppig
stad, stad, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stean, stadjen, stad
stadig, stùedeg, stùege, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, regelmatig, bestendig, aanhoudend. De stùegste jaagrs vangt de meeste haazn, de aanhouder wint
stadskerel, stadskeal, zelfstandig naamwoord, gemeentearbeider
stal, stal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stàlle, stàlken, stal
stalmot, stalmotte, vol stalmotte zitn, van paard, dartel zijn door lang op stal staan
stam, stam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stàmme, stàmken, 1 stam, 2 afstamming
stand, staand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 stand, 2 het staan, houding, opstelling
standerdkast, steandrkaste, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, standaardmolen
stang, stange, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stangn, stàngsken, 1 stang, 2 bit, van ’t paard
stank, staank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stank
stap, stappe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stapn, stàpken, klem, om dier te vangen
stapel, staabl, zelfstandig naamwoord, reep stenen in de oven, tussen de vuurgangen en 15 tot 16 stenen hoog
stapelier, stabbeleerd, bijwoord, helemaal gek
stapelmuur, staablmuure, zelfstandig naamwoord, mannelijk, muur tussen keuken en deel in boerenhuis
stappig, stappeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kordaat
stee, stea, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stean, steakn, plek. Op de stea, op heterdaad; op stob en stea, zomaar opeens, opslag
steeg, steeg, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, steeng, steegjen, zijwegje met huizen er aan
steek, stekke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stekn, steksken, steek, bij handwerken
steekband, stekbaand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schuin steunbalkje tussen opstaande en daarop rustende balk
steekdraad, stekkedroad, zelfstandig naamwoord, prikkeldraad
steel, steln, zelfstandig naamwoord, mannelijk, steln, stellken, steel. Wo ’t n hoakn an n steln zit, hoe de vork in de steek zit; aejt op n steln stoan, niets uitvoeren
steen, steen, zelfstandig naamwoord, mannelijk, steendr, steentjen, 1 baksteen, 2 grafsteen, 3 pit, van vrucht
steen, steen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, steen, als stof
steil, stàel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 steil, 2 bw. helemaal, in de ergste mate
stek, stikke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stikn, stiksken, 1 stekje, 2 stikhoarke, 3 pen aan de stuetr om de volgende pootrij aan te geven
stekel, stekl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stekls, steklken, stekel
stekelharig, steklhùereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, met borstelig haar
steken, stekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: stek, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: steukDat stekng niks, dat doet er niet toe; zik dr tusken stekng, zich er mee bemoeien; t stekng um niks, ’t is hem onverschillig
stekrij, stekkerieje, zelfstandig naamwoord, balk langs de stallen, waar de repls in vast zitten
stekspaan, stikspoan, zelfstandig naamwoord, smalle schop om turf af te steken
stelen, stàln, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: stùl, verleden deelwoord: estùln, stelen
stellen, steln, werkwoord, zwak, verleden tijd: stealn, verleden deelwoord: esteald, stellen.
stelt, stùeltn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stùeltn, stùeltjen, stelt
stem, stemme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stemm, stemmken, stem
stenersmaal, steendrmoal, zelfstandig naamwoord, maaltijd door een huisbouwer aan alle steenbakkers, die stenen bijgedragen hebben, aangeboden
stengel, stengl, zelfstandig naamwoord, nen stengl moos, wat van een of andere groente
stengelmoes, stenglmoos, zelfstandig naamwoord, raapstelen
ster, steare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stearn, stearntjen, ster. Dr of weetn as de kate van n zuewnstearn, er helemaal niks van weten of begrijpen
sterfelijk, stoarfelek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, stervende
sterk, stoark, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 sterk, 2 ranzig. Wo stoark zi’w, met hoeveel man zijn we?
sterke, stoarkn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stoarkn, 1-jarige koe
sterkekalf, stoarknkalf, zelfstandig naamwoord, pasgeboren vrouwel. kalf
sterven, stoarvn, werkwoord, sterk, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: stoarft, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: stùr, sterven
steunen, stùnn, werkwoord, zwak, steunen, kreunen
stevel, steavl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, steavls, steavlken, laars. Gesteavld en gespoord, kant en klaar, om uit te gaan
stie, stiej, stuu op!, uitroep, rechtsom! tegen paard
stiefkind, steefkeend, zelfstandig naamwoord, stiefkind
stieken, stiekn, bijvoeglijk naamwoord, van elastiek
stiepel, stiepl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stiepls, stieplken, steunplaal van de grote achterdeur
stijf, stief, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, stijf; stief vuur zik oet kiekng, staren
stijfsel, stiesl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stijfsel
stijgen, stieng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: stiege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , stijgen
stijl, stiel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stiele, stielken, steunbalk
stijven, stiewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: stif, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: steef
stik, stik, bijwoord, 1 nauwelijks, van tijd, 2 steil
stikhark, stikhoarke, zelfstandig naamwoord, turfsteker
stikken, stikng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: stuk, verleden deelwoord: estukn, stikken
stikken, stikng, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: estikket, 1 repen veen in turven verdelen, 2 naaien, 3 net nog raken. Dat he’j nog wal estikket, dat heb je nog wel goed getroffen
stikziend, stikzeende, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bijziende
stil, stille, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, stil; stille wean, het gebed doen; stille zetn, overtroeven bij ’t slaan van vinken
stinken, steenkn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: stuenk, verleden deelwoord: estuenk, stinken
stinkolie, steenkùllie, zelfstandig naamwoord, petroleum
stippen, stipm, werkwoord, zwak, indopen
stipstappen, stiepstapm, bijwoord, stiepstapm vot goan, ongemerkt verdwijnen
stobbe, stobm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stobn, stubken, stobbe
stoel, stool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, steule, steulken, stoel
stoep, stoepe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stoepn, stuupken, 1 stoep, 2 ronde opstapeling van turf. Ring stoepe, stoepe van meer dan één laag
stoet, stoete, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stoetn, stoetjen, wittebrood
stok, stok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stùkke, stùksken, stok
stoken, stokng, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: estokket, 1 stoken, 2 opruien
stolp, stùlpe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stùlpn, stùlpken, deksel. Doar lopt t vet ook neet ouwr de stùlpe, daar hebben ze ’t ook niet breed; t geet uw bouwn de stùlpe, ’t gaat hem boven de pet
stolpen, stùlpm, werkwoord, zwak, vissen door een korf zonder bodem in de grond te drukken
stomp, stoomp, bijwoord, geheel en al; stoomp vegetn, helemaal vergeten; stoompe soep, soep van stukken snijboon en witte bonen; stoompvuur n voot, rijp en groen
stoof, stòowe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stòown, stùefken, stoof
stoom, stoom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, de jutefabrieken te Rijssen. Noar n stoom goan, in de jutefabrieken wekren; stoomgàste, fabrieksarbeider
stoot, stoot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stootn, stuetjen, stoot
stootkar, stotkoare, zelfstandig naamwoord, omkiepbare wagen op drie wielen
stoots, stots, zelfstandig naamwoord, stots maakng, 1 branie schoppen, 2 ruzie veroorzaken
stop, stob, zie stea
stoppeldekking, stopldekngge, zelfstandig naamwoord, ligging van ’t stro van dakbedekking met de aren naar boven
stoppelhaan, stoplhaann, zelfstandig naamwoord, het binnenhalen van ’t laatste van de oogst, gevierd met een paar borrels
stork, stork, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stùrke, stùrksken, ooievaar
storten, stùtn, werkwoord, zwak, storten
stoten, stootn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: stòt, verleden tijd: stòtn, verleden deelwoor, 1 stoten, 2 schoppen, trappen. Umme stootn, omspitten
stoter, stuetr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stuetrs, stuetrken, 1 stamper, 2 stok om gaten te maken bij aardappelpoten
stoven, stòown, werkwoord, zwak, stoven
straal, stroale, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stroaln, strùelken, straal
straat, stroate, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stroatn, strùetjen, straat. In de stroate, op straat; aajt biej de stroate wean, altijd op straat slingeren
straatmare, stroatmeare, praatjes van de mensen
strabant, strabaant, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, brutaal
strak, strak, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, streng
stralen, straaln, werkwoord, zwak, de keel uithangen
stramp, straampm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, straampm, stràempken, 1 gaffel, 2 gesplitste stok, om vee mee op de plaats te houden. Nen eenstraampm, tweestraampm, dreestraampm, hoofdtak met een, twee, drie zijtakken
strampharig, straamphùereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eigenzinnig
streep, striepe, zie strepl
strek, strekke, zelfstandig naamwoord, zinne strekke woarnemm, zijn kans waarnemen
streng, strange, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, strangn, strengsken, streng, knot
streng, strang, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, strak
streng, strenge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, strengn, strengsken, snoer
strepel, strepl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, strepls, streplken, strook
strepen, striepm, werkwoord, zwak, afschillen
streuvel, stroevelle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stroevelln, 1 struikgewas, 2 stuurse vrouw
strijd, stried, zelfstandig naamwoord, mannelijk, strijd. Dr nen stried op hebm, er tegenzin in hebben
strijden, strien, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: strit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: stree<, 1 vechten, 2 onp. tegenstaan, 3 de benen uit elkaar zetten. Dr zik vuur strien, er tegenzin in hebben; strien as nen stootrshaann, verwaandd rondstappen
strijken, striekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: strik, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: streek, 1 strijken, 2 ondiep ploegen, 3 met grote passen of vlug en met kracht zich verplaatsen, van mens of groot dier
strijker, striekrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klap, slag
strijkzwavel, striekzweavl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, striekzweavls, striekzwevalken, lucifer
strik, strik, zelfstandig naamwoord, onzijdig, strikke, striksken, slijpplankje voor zeis
strimpstramp, streempstraamp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, streempstraampe, iem. die onbeholpen loopt of werkt
strimpstrampen, streempstraampm, werkwoord, zwak, sukkelig lopen
stro, stroo, zelfstandig naamwoord, onzijdig, stro. Neet vulle me roet t stroo kùnn maakng, niet veel geld meer hebben; neet ouwr n stroo kùnn strien, doodop zijn
stroelen, struln, werkwoord, zwak, wateren
stromp, struempe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, struempn, struempken, beengedeelte van kous
stronk, stroonk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, struenke, struenksken, 1 stronk, 2 aardappelplant. Struenke broan, geen nut doen, de tijd verknoeien
strooien, streejn, werkwoord, zwak, 1 strooien, 2 strooisel in de stal gooien, 3 aaien. Good estreejn wean, goed gehumeurd zijn
strooihoop, streejnhoop, zelfstandig naamwoord, plaggenhoop
strooiing, streejege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stalstrooisel
strop, strop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, strùppe, strùpken, strik
strop, strupken, zelfstandig naamwoord, straaltje
stropen, struepm, werkwoord, zwak, stropen
stroppen, strupm, werkwoord, zwak, met onderbrekingen stromen
strot, strotte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, strotn, strùtjen, 1 strot, 2 keel. t In de strotte hebm, een zere keel hebben; ne gruetse strotte, een verwaand mens; de strotte oethangn, de keel uit hangen
struggelen, struugln, werkwoord, zwak, stoeien
struikelen, stroekln, werkwoord, zwak, struikelen
stuifbelt, stoefbealt, zelfstandig naamwoord, opgestoven zandhoogte
stuip, stoepe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stoepn, stuupken, stuip
stuit, stuutn, op stel en stuutn, hals over kop
stuiten, stùejtn, werkwoord, zwak, stuiten
stuiven, stoewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: stof, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: stuef
stuiver, stuuwr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stuuwrs, stuuwrken, stuiver. A’j vuur nen stuuvr in de weege zent, kom iej nooit an t dupjen, als je voor een dubbeltje geboren bent, bereik je nooit het kwartje
stuk, stukke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, stukn, stuksken, gedeelte; n stukke in t gat? dronken
sturen, stuern, werkwoord, zwak, sturen
stuur, stuer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, stuur. Gin stuer hebm, geen richtlijn, vast doel hebben
stuurs, stoers, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, doordrijverig
suiker, suukr, zelfstandig naamwoord, suiker. Dr eenn suukr an doon, iem. er tussen nemen
suikermom, suukrmomme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lapje met suiker er in, om zuigeling stil te krijgen
suizen, soezn, zoezn, werkwoord, zwak, 1 suizend geluid maken, 2 met suizend geluid bewegen. k Daank oe dat’t soeznt, heel erg bedankt
taai, toa, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, taai. Zoo toa as hoonnlear, verbazend taai
taainagel, toaneagl, zelfstandig naamwoord, 1 velpuntje bij de nagel, 2 niet kleinzerige man
taart, taatn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, taatns, taatjen, taart
tachtig, tachnteg, telwoord, 80
tafel, toafl, zelfstandig naamwoord, toafls, tùeflken, 1 tafel, 2 tafel om stenen op te vormen
tak, takn, zelfstandig naamwoord, vleesuitwassen
takegel, takeekl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, takeekls, takeeklken, egel
tam licht, tam lang, tam-lich, tam-laank, manier van slaan van een vink
tamper, taampr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 zachtzuur, 2 mooi
tand, taand, zelfstandig naamwoord, mannelijk, taane, tàennken, tand. Dan doot miej de taane neet mer zear, dan ben ik niet meer in leven
tandendokter, taanndoktr, zelfstandig naamwoord, tandarts
tandtergerij, taanntoargerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tantaluskwelling
tang, tange, zelfstandig naamwoord, tangn, tengsken, tang. Teeng ne tange kù’j neet strien, als ’t er alleen maar om gaat een zo groot mogelijke mond op te zetten, zeg ik niks meer
tas, taske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, taskn, tàeken, tas. t Haangt miej de taske oet, het hangt mij de keel uit
te, te, te. Zoovuls, zoovulle te (met vergrot. trap), des te …; te gloepe, tersluiks; te staane, op zijn gemak; Moandag te Poaskn, Paasmaandag; te Poaskn komm, op de koffie komen; te bassene, te barsten
te hoop, tehoope, bijwoord, gezamenlijk
teef, teewe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, teewn, teefken, teef
teek, tàkl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tàkln, tàklken, schapeluis
teen, teen, zelfstandig naamwoord, mannelijk, teene, teentjen, teen. Eenn biej n teen hebm, iem. beetnemen tot eigen voordeel; eenn op n teen trean, iem. aan zijn jasje trekken
teer, tear, zelfstandig naamwoord, mannelijk, teer
teer, tear, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, teder
teergeld, teargeald, zelfstandig naamwoord, reisgeld
teeuws, tiws, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zonder eetlust
tegen, teeng, voorzetsel, tegen. In teeng, tegemoet
tegengaan, teenggoan, werkwoord, bestrijden
tegenover, teengnouwr, voorzetsel, tegenover
tekst, tàks, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tàksn, tàkjen, tekst. Van n tàks of wean, de draad kwijt zijn; n tàks oarns op zetn, zijn zinnen ergens op zetten; op nen aandrn tàks komm, zijn zinnen verzetten; wo kom iej op n tàks, hoe kom je er bij; neet op n tàks kùnn komm, er ni
tel, telle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, telln, tellken, tel
telder, tealdr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tealdrs, tealdrken, tafelbord
tellen, teln, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: telle, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t, tellen
temee, tamee, bijwoord, zometeen
ten einde, teans, bijwoord, aan het einde van
tent, teante, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, teantn, teantjen, tent
terecht, terechte, bijwoord, 1 in orde, zoals ‘t moet, 2 met goed fatsoen. Terechte maakng, toebereiden; oarns neet met terechte wean, iets nog niet goed voor elkaar hebben
teren, tearn, werkwoord, zwak, met teer besmeren
teren, tearn, werkwoord, zwak, verteren, voor levensonderhoud gebruiken
tergen, toarng, werkwoord, zwak, treiteren. Iej kùent wa nen vis oet t waatr toarng, door tergen kan iemand buiten zichzelf raken
tering, tearege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tering, vertering
termijn, termientjes, zelfstandig naamwoord, kinderstuipen
terug, terugge, bijwoord, 1 achteruit, 2 weerom. Terugge loopm, in prijs dalen; terugge stoan, terugbetalen; terugge zetn, parten spelen
terugbeest, truggebeesjen, zelfstandig naamwoord, koe, die drachtig geworden is
tessellijk, tàsslek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kieskeurig
test, tàsse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tàsn, tàssken, test
teutelaar, tutldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tutldrs, kletskous
teutelen, tutln, werkwoord, zwak, kletsen
teuten, tuetn, werkwoord, zwak, kletspraat verkopen
teuter, tuetrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, praatjesmaker
teuterij, tueterieje, zelfstandig naamwoord, beuzelpraat
tevreden, tevreane, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tevreden
thee, teer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, thee
tichelaar, tichldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tichldrs, steenbakker
tichelen, tichln, werkwoord, zwak, steenbakkersbedrijf uitoefenen
tichelkerel, tichlkeal, zelfstandig naamwoord, arbeider op de steenfabriek
tichelwerk, tichlwoark, zelfstandig naamwoord, steenbakkerij
tien, tiene, telwoord, 10
tiend, teann, zelfstandig naamwoord, tienden
tiendhuis, teanthoes, zelfstandig naamwoord, huis waaraan een tiende betaald moest worden
tieren, tiern, werkwoord, zwak, wederkerig, zich druk maken, in actie komen
tiet, titte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, titn, titjen, tepel. An de leste titte lig’ng, de slechtste plaats hebben, het slechtste deel krijgen
tietertje, tietrken, zelfstandig naamwoord, dennenmeesje
tijd, tied, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tijdstip, tijdsverloop
tijd, tied, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tijd. Oet de tied wean, overleden zijn; oet de tied komm, overleden zullen zijn; op de tied, op tijd; t an de tied hebm, tijd genoeg hebben; nen dag de tied hebm, een dag tijd hebben; de tied geet hen, en dr wordt nee
tijdkorting, tiedkùrtege, zelfstandig naamwoord, tijdpassering
tijgen, tieng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tiege, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t, trekken
tijger, tiegr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tiegrs, tiegrken, tijger
tijl, tiel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, an n tiel, op rijen, van korenschoven
timmeren, timrn, werkwoord, zwak, een woonhuis bouwen
timpje, timken, zelfstandig naamwoord, timkes, cent
tip, tip, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tippe, tipken, driehoekig stuk, van grond of textiel
tipbrief, tipbreef, zelfstandig naamwoord, puntzak
tipklomp, tipkloomp, zelfstandig naamwoord, klomp met punt vooraan, voor vrouwen
tiro, tieroo!, uitroep, bij jacht voor vliegend wild
tjapper, tjapr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tjaprs, tjàprken, tjiftjaf
tjuiken, tjuukng, werkwoord, zwak, zang van een vink nabootsen om die aan ’t slaan te krijgen
toch, tog, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tùege, tùegjen, bedovertrek
tod, torre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 slechte vinkenslag, 2 oude lap, 3 slordige vrouw
todden, torn, werkwoord, zwak, een nest bouwen
toddig, toddeg, toddereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ropperig, verslodderd
toe, too, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, dicht gesloten; vuur de too duure komm, iem. niet thuis treffen
toe, too, bijwoord, 1 toe, tot, er op toe, 2 neer. t Dr too goojn, er de brui van geven
toe, too, uitroep, toe!
toe voortaan, toovedan, toozan, bijwoord, voortaan. Non toovedan, nou langzamerhand
toebaat, toobaate, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, extra-voordeel
toef, toef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tuuwe, tuufken, kuif. Nen toef trekng, boos worden; mekoar biej n toef hebm, handgemeen zijn
toegaan, toogoan, werkwoord, dichtgaan. De haane geet noar binn too, ieder is zich zelf het naast
toekomend, tookn, bijvoeglijk naamwoord, eerstvolgende, in tijd
toemalen, toomoaln, werkwoord, zwak, toemeten
toen, toew, voegwoord, toen
toer, toer, nen heeln toer, een hele tijd; an eenn toer vedan, aan één stuk door
toer, toertjen, zelfstandig naamwoord, pruik
toestellen, toosteln, werkwoord, wederkerig, zich aanschaffen
toetast, tootas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, werkje van een ogenblik
toeten, toetn, werkwoord, zwak, toeteren
toeter, toetrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oorveeg
toethoorn, toethoorn, zelfstandig naamwoord, den’t de heele weald hef, hef t gat tot nen toethoorn, al zou men de hele wereld bezitten, dan kan ’t geluk toch nog alleen maar daarin bestaan, dat men zich de dingen mooier voor kan stellen dan ze zijn
toetmem, toetememme, ééne toetememme, precies hetzelfde, één pot nat
tok, tokse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, toksn, grap
tokken, tokng, werkwoord, zwak, lokgeluid maken, van haan
tokken, toksn, werkwoord, zwak, grappen maken
tomig, tuemeg, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, zonder bezigheid. Tuemeg goan, werkeloos zijn
tomigganger, tuemeggengr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, leegloper
ton, tonne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tonn, tunnken, 1 vat, ton, 2 WC
tondeldop, tuentldop, zelfstandig naamwoord, dop van tondeldoos
tondelpot, tuentlpot, zelfstandig naamwoord, tondeldoos
tong, tonge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tongn, tungsken, 1 tong, 2 dunne einde van ’t eanspan dat in de gaffel van de wagen zit. Bange wean da’j de tonge ear vesliett as t gat, nooit een woord durven te zeggen; ziek achtr op de tonge loatn kiekng, zich helemaal laten uithoren
top, top, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tùppe, tùpken, top
topje, topken, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plukje; top umme! ruil zonder toegift
toren, toorn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, toorns, tuerntjen, toren
torenkauw, toonieka, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tooniekaas, torenkraai
tors, tosn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tosns, tùssken, zode. Wat vebouwn op n tosn, iets verbouwen op omgeploegd grasland zonder bemesting
toveren, tuewln, werkwoord, zwak, toveren
toverkerel, tuewlkeal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tovenaar
traag, troage, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, traag. t Kemp zo troage as biej nen osn de melk, er zit geen schot in
traan, troan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, troann, trùentjen, traan; n trùentjen, een paar druppels
trachten, trachn, werkwoord, zwak, trachn noar, streven naar; oarns neet noar trachn, ergens geen hand voor uitsteken
trad, trad, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 drie en een halve voet, 2 lopen. Nen goon trad an zik hebm, goed kunnen lopen; op n trad wean, op stap zijn, er op uit zijn
trallaat, trallat, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, lustig
trampelen, traampln, werkwoord, zwak, trappelen
trampelen, treampln, werkwoord, zwak, aarzelen
trant, traant, zelfstandig naamwoord, mannelijk, manier. In zonnen traant, op die manier
trap, trappe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, trappn, tràpken, trap
trapperen, trapeern, werkwoord, zwak, betrappen
trechter, tràchtr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tràchtrs, tràchtrken, trechter
trede, trea, zelfstandig naamwoord, mannelijk, trean, treakn, trede
treden, trean, werkwoord, sterk, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: treat, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t, 1 treden, 2 met passen afmeten, 3 paren, van vogels. Hee kan dr trean, hij hoeft niet te werken; trean as nen stootrs haann, verwaand rondlopen
tredmolen, treamùlle, zelfstandig naamwoord, tredmolen
treedwagen, treawaankjen, zelfstandig naamwoord, fiets
treffen, tràfn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tràf(fe), 1e persoon enkelvoud verleden tijd: trù, treffen
trekken, trekng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: treuk, verleden deelwoord: etrùkn, trekken. Wat oet t vebaand trekng, ten onrechte met iets geen rekening houden
trekmes, trekkemes, zelfstandig naamwoord, mes
trekstaal, trekstoal, zelfstandig naamwoord, magneet
treuren, truurn, werkwoord, zwak, treuren
treuter, trùetr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, trùetr, toeter
tril, trille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, triln, trillken, haspelrad
trip, trippe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tripn, tripken, leren muil met houten zool
troep, drop, zelfstandig naamwoord, onzijdig, drùpken, kudde
trom, tromme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tromn, trumken, 1 trom, 2 trommel
tronneken, tronnekn, werkwoord, zwak, met naald en draad in orde maken
troosten, truesn, werkwoord, zwak, troosten
trutmerrie, trotmeare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stinkerd
tuien, tuen, optuen, aan een paal gebonden, van vee
tuier, tuur, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hout met beugel, om een dier aan een paal te zetten, met bewegingsvrijheid, aan touw
tuieren, tuurn, werkwoord, zwak, een dier aan de tuurzetten
tuierhout, tuurhòolt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hout met beugel, om een dier aan een paal te zetten, met bewegingsvrijheid, aan touw
tuigen, tuung, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tuuge, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t, optuigen. Doar kan ‘k t neet vuur tuung, daar kan ik het niet voor doen
tuimelen, tomln, werkwoord, zwak, tuimelen, draaien
tuin, toen, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 omheining, 2 vlechtwerk aan oever, ter bescherming van de wal. t Gat vuur n toen trekng, de melk optrekken
tuinhamer, toenhaamr, zelfstandig naamwoord, zware houten hamer. Nen kop as nen toenhaamr, een kop als een ballon
tuinkruipertje, toenkruuprken, zelfstandig naamwoord, winterkoninkje
tuisbaas, toeskebaas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 iem. die overal thuis is en zich redden kan, 2 ronselaar
tuisen, toeskn, werkwoord, zwak, ruilen
tuiser, toeskr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, toeskrs, toeskrken, 1 iem. die overal thuis is en zich redden kan, 2 ronselaar
tuit, tuutn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, punt aan een zak
tuitbrief, tuutnbreef, zelfstandig naamwoord, puntzak
tuitmuts, toetmusse, zelfstandig naamwoord, oormuts, voor paard
tuiwerk, tuenwoark, zelfstandig naamwoord, prutswerk
tuk, tuk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, broekzak
tuk, tuk, bijwoord, tuk hebm, te pakken hebben, voor de mal houden
tukken, tukng, werkwoord, zwak, zachtjes lopen, van klein wild
tukker, tukr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tukrs, tukrken, 1 Twentenaar, 2 vogel: kneu
Tukkerland, tukrlaand, zelfstandig naamwoord, Twente
tullen, tuln, werkwoord, zwak, gretig drinken
tumult, tremul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, druk gedoe, heksenketel
tuntelaar, tuentldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, treuzelaar, langzame werker
tuntelbaas, tuentlbaas, zelfstandig naamwoord, iem. die vaak wat omgooit, brekebeen
tuntelding, tuentldinge, zelfstandig naamwoord, wiebelding
tuntelen, tuentln, werkwoord, zwak, wiebelen
tuntelig, tuentleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wankel
tuntelspul, tuentlspil, zelfstandig naamwoord, wrakke opzet
tureluur, toerloer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, toerloers, toerloerkn, leeuwerik; toerloer met toef, kuifleeuwerik
twaalf, twaalne, telwoord, 12
twee, tweeje, telwoord, 2
tweedonker, tweedonkr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, schemering
tweeërwegen, tweedrweangs, langs twee wegen, op twee manieren
tweernen, twearn, werkwoord, zwak, 1 twijnen, 2 niet voor- of achteruit gaan
twenter, tweantr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweantrs, tweantrken, 2-jarig paard
twijfelen, twiefln, werkwoord, zwak, twijfelen
twijg, took, zelfstandig naamwoord, mannelijk, teukr, grote tak
twijg, twieg, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rijs
twillbuur, twilbuure, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, twilbuurn, twilbuurkn, tijken omhulsel voor verenbed
twintig, twenteg, telwoord, 20
u, oe, persoonlijk voornaamwoord, 2e persoon enkelvoud, 3-4 naamval, je
uier, geer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geers, geerkn, uier
uil, oele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oeln, uulken, uil
uilenbord, oelnbrot, zelfstandig naamwoord, houten geveltje aan de nok met gat in hartvorm
uilenkop, oelnkùppe, zelfstandig naamwoord, Gotische letters
uilenveers, oelnvearske henn, zelfstandig naamwoord, kippensoort met gespikkelde grijze veren
uit, oet, voorzetsel, bijwoord, uit
uitdoen, oetdoon, werkwoord, schrappen als schuldenaar
uitduiden, oetduun, werkwoord, duidelijk maken
uitduitsen, oetduutsn, werkwoord, duidelijk maken
uitgezeten, oetezetn, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, uitgeslapen, slim
uitgooien, oetgoojn, werkwoord, veenpap uit de kuil op het droogbed gooien
uithuizig, oethuuzeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wild van gedachten, ijlend
uitkeren, oetkearn, werkwoord, grondig schoonvegen. Eenn de kaste oetkearn, iem. flink onderhanden nemen
uitlopen, oetloopm, werkwoord, ontkiemen, ontluiken
uitmodden, oetmodn, werkwoord, uitvenen
uitpluren, oetpluurn, werkwoord, uitpluizen, uitzoeken
uitreden, oetreen, werkwoord, uitkammen
uitrichten, oetrichn, werkwoord, tot stand brengen
uitscheiden, oetskaejn, werkwoord, uitscheiden
uitscheppen, oetskepm, werkwoord, de hakke oetskepm, de hakholte uitsnijden bij de klompenmakerij
uitstukken, oetstukng, werkwoord, 1 oplappen, 2 geducht de les lezen
uittrekken, oettrekng, werkwoord, wederkerig, zich uitkleden. Trekt oe neet oet vuu’j noa berre goat, doe geen afstand van je bezit zolang je nog in leven bent
uitvallen, oetvaln, werkwoord, zich plotseling uiten
uitvensteren, oetveanstrn, werkwoord, uitschelden
uitvigileren, oetviegeleern, werkwoord, uitzoeken, aan de weet komen
uitwerken, oetwoarkng, werkwoord, te weeg brengen, ten gevolge hebben
uitzetten, oetzetn, werkwoord, gebakken stenen uit de oven doen
ulk, ulk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ulke, ulksken, bunzing
ulken, ulkng, werkwoord, zwak, op bunzingvangst gaan
utkedut, utkedut, zelfstandig naamwoord, mannelijk, utkedutn, utkedutken, kwartel
uw, oewn, bezittelijk voornaamwoord, 2e persoon enkelvoud, vrouwelijk oewe, onzijdig: oew, meer, je, jou
vaak, vaake, bijwoord, vaak
vaaks, vaaks, bijwoord, misschien. t Moch vaaks wean, ’t zou kunnen zijn
vader, vaa, voar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vaas, vader
val, val, neet op den val kùnn komm, zich iets niet meer te binnen kunnen brengen; doar is gen val of slot an, daar is geen touw aan vast te knopen; n val dr op hebm, het in de gaten krijgen
val, valle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, valn, vàllken, kort gordijn
valg, vàlve, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grond, waaruit leem gegraven is
vallen, valn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: valle, 2e, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , vallen
valletje, valleken, gordijntje langs schoorsteenkap of -mantel
van, van, voorzetsel, van
vanaan, vanan, bijwoord, vandaan
vandehands, vandrhaands, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rechtse, van span paarden
vang, vaank, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vaanks, lies, bij dier
vangen, vangn, werkwoord, sterk, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vangt, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: v, vangen
varen, voarn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: vuer, verleden deelwoord: evoard, evoarn, 1 rijden met een wagen, 2 varen, op een schip
vast, vaste, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 vast, 2 bw. zeker. Zoo vaste as Muenstr, 1 stellig waar, 2 helemaal vast; eenn vaste zetn, iem. gevangen zetten; vaste in n kop, goed van geheugen; good vaste hòoln, lang blijven doordoen, doorgaan met iets, iets doorzetten
vast, vuste, bijwoord, alvast
Vastenavond, vasloawnd, Vastenavond
vat, vat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vaate, vaatjen, 1 vat, ton, 2 1 liter
vechten, vechn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vech, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vù, vechten
veeg, veage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, veang, snibbige vrouw
veel, vulle, onbepaald voornaamwoord, veel. Alls eawn vulle wean, alles om ’t even zijn
veel, vulle, bijwoord, veelal
veels, vuls te, onbepaald voornaamwoord, veel te
veelweegs, vullewegges, bijwoord, op veel plaatsen
veen, venne, zelfstandig naamwoord, onzijdig, veen
veenkroos, vennekrooze, zelfstandig naamwoord, rode bosbes
veenmus, vennemuske, zelfstandig naamwoord, roodborsttapuit
veenpluis, vennepluuzn, zelfstandig naamwoord, wolgras
veensik, vennesik, zelfstandig naamwoord, bokje, vogelsoort
veer, vear, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vear, overzetveer
veer, veare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vearn, vearkn, veer. Nen stork is zinne vearn net zoo good nuedeg as nen netlkùnnek, een grote heeft grote middelen even nodig als een kleine de kleine; t is ééne veare, ze zijn elkaar verwant, van ’t zelfde slag; eenn an de vearn komm, iem. te na k
veertien, veerteene, telwoord, 14. Veertn daage, 14 dagen
veertig, veerteg, telwoord, 40
veesteren, fiestrn, werkwoord, zwak, van vocht en kou lijden
veesterig, fiestereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, koud en nat
veet, vàtte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vàtn, vàtjen, 1 knot, 2 haarvlecht, lok
veilig, vaejleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, veilig
vel, vel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vel. n Vel vuur n kop hebm, dikhuidig zijn; n vel um n skearmes op an te zetn, rond glimmende huid
veld, veald, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vean, vealdjen, 1 akkertje op schrale grond, 2 stuk vlakke grond om stenen of turf te laten drogen. t Veald, de woeste gronden om Rijssen; veald lueprs, die daar rondliepen
veldekster, vealdaekstr, zelfstandig naamwoord, tapuit
veldgrond, vealdgroond, zelfstandig naamwoord, arme grond, waar vanzelf alleen hei of dennen zouden groeien
veldhoen, vealdhoondr, zelfstandig naamwoord, patrijzen
veldjits, vealdjitse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vealdjitsn, vealdjitsken, tapuit
velen, veeln, werkwoord, verdragen
venijn, veneent, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 1 vergif, 2 zeerte aan vingers
venijnblad, veneentblaan, zelfstandig naamwoord, sierdistel
venster, veanstr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, veanstrs, veanstrken, venster. Ginnen boer in t veanstr zitn, niemand tot last zijn
vensteren, veanstrn, werkwoord, zwak, onderhanden nemen
venten, veantn, werkwoord, zwak, venten
ver, vear, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ver. Van de veartn, uit de verte; ouwr vear, ver weg, van verre
veraltereren, veraldereern, werkwoord, zwak, in de war brengen
veranderen, veroarn, werkwoord, zwak, in wezen veranderen
verband, vebaand, zelfstandig naamwoord, onzijdig, verband, verbondenheid
verbazend, vebaajd, bijwoord, bij bn. heel erg. Vebaajd nen grootn, een hele grote
verbergen, veboargn, werkwoord, zwak, wederkerig, zich verstoppen
verbeunen, vebeunn, werkwoord, door wildheid kapot of in wanorde maken
verbieden, vebeen, werkwoord, verbieden
verblijven, vebliewn, werkwoord, zich ophouden
verbrand, vebraann keal, t is ginnen vebraann keal, men hoeft nog geen medelijden met hem te hebben wat goed betreft
verbreken, vebrekng, werkwoord, verbreken. t Wier vebrekng, een overeenkomst of toezegging te niet doen
verbrodden, vebrod, t verbrod hebm, ’t verbruid hebben
verchangeren, vesjanzjeern, werkwoord, zwak, verplaatsen
vercijnzen, vesiezn, wat neet vesiezn kùnn, zich ergens niet in bedwingen kunnen
verdestrueren, vetàsteweern, werkwoord, zwak, overhoop halen, in de war maken
verdivertering, vediffedeerege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, verzetje, afwisseling
verdoen, vedoon, werkwoord, verbruiken, verteren. Tot zin vedoon hebm, tot zijn verbruik hebben; t vedut nog a, ’t loopt er not al in
verdoenlijk, vedoonlek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onvoordelig, kostbaar
verdraaien, vedreejn, werkwoord, verdraaien. Vedreejn d kùjrn, praten om eigen mening te verbergen, maar een ander te bewegen openhartig de zijne te zeggen; eenn n kop vedreejn, iem. ergens op tegen maken; nen vedreejndn apostl, iem. die oneerlijk praat, met een bedo
verdrijten, vedrietn, werkwoord, voor veel te weinig van de hand doen
verdruisen, vedroeskng, werkwoord, verdrukken, achterstellen
verduld, vedùp!, verdùp, uitroep, verdraaid!, verdekseld
vereren, verearn, werkwoord, ten geschenke geven. Eenn met wat verearn, iem. ergens een plezier mee doen
verezelen, vereezln, dr op vereezln, er suf van worden
vergaffelen, vegafln, werkwoord, zwak, door praten tot accoord komen
vergalopperen, verablezeern, werkwoord, zwak, wederkerig, vergalopperen
vergang, vegaank, zelfstandig naamwoord, onzijdig, verandering. Vegaank in de hoed hebm, levendig van aard zijn; dr zit gin vergaank in, er zit geen schot in
vergangen, vegangn, bijvoeglijk naamwoord, verleden
vergankelijk, vegaanklek, bijvoeglijk naamwoord, voorbijgaand
vergaren, vegoarn, werkwoord, zwak, verzamelen
vergasten, vegasteern, vegastereern, wederkerig werkwoord, zwak, zich overeten
vergengelen, vegengln, werkwoord, zwak, verzuimen, niet benutten. Skoole vegengln, niet op school komen
vergeten, vegetn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: vegat; verleden deelwoord: vegetn, vergeten. t Is miej vegetn, ‘k heb ’t vergeten
vergrillen, vegriln, iej zoln dr oe op vegriln, ’t is om razend te worden
verguppen, vegupm, werkwoord, zwak, verknoeien, door te kort te schieten te niet laten gaan
verhelligen, verhellegn, werkwoord, zwak, wederkerig, zich boos maken
verjagen, vejaang, werkwoord, wederkerig, een verkeerde weg inrijden
verkeerd, vekeerd, vekeerd in n kop, slecht geluimd
verkleumen, veklomrn, werkwoord, zwak, door kou bevangen worden
verknapen, veknaapm, werkwoord, zwak, voor elkaar brengen
verknoeien, veknoojn, werkwoord, zwak, verprutsen
verknoppen, veknupm, werkwoord, zwak, vertikken
verkomen, vekomm, werkwoord, oarns met vekomm, iets nalaten in orde te brengen
verkoop, vekoop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vekuepe, vekuepken, verkoping. An n vekoop brengn, doen verkopen
verkouden, vekùeln, vekòoln, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verkouden
verkoudheid, vekùelnhaejd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, verkoudheid
verkuieren, vekùjrn, werkwoord, zwak, verkletsen, wed. zich verpraten
verkuiering, vekùjrege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aanspraak, gebabbel
verlabben, velabm, werkwoord, zwak, belasteren
verlakschouwen, velakskouwn, werkwoord, zwak, misprijzen, bespottelijk maken
verlegen, veleang, veleang zitn, geen geld voor iets hebben
verliezen, veleezn, werkwoord, sterk, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: veleest, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd:
verloop, veloop, t veloop oethangen, er van door gaan
vermallen, vemaln, werkwoord, zwak, verspillen. Wee t geald neet weet te vemaln, koch porselaejn en lùt t valn, wie geld niet op een prettige manier weet te gebruiken, besteedt het aan weelde en heeft een strop
vermoord, vemoord, bijvoeglijk naamwoord, vreselijk erg
verneemstig, veneamsteg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, schrander, goed bij
vernemen, venemm, werkwoord, door gevoel waarnemen
vernieuwen, veniejn, werkwoord, zwak, als nieuw vertellen, onp. benieuwen
veronzelen, veroonzln, werkwoord, zwak, vervuilen
verponding, vepoondege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, waterschapslasten
verrel, veeln, zelfstandig naamwoord, mannelijk, een vierde
verreppelen, verepln, werkwoord, zwak, in ’t honderd gooien
verruïneren, verinneweern, werkwoord, zwak, kapot maken
vers, vàrs, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vers, fris
vers, vàrs, zelfstandig naamwoord, vàrsjen, vers, lied; t vàrsjen opezeg hebm, afgedaan hebben
verschieten, veskeetn, werkwoord, mager en bleek worden
verschil, veskel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ruzie
verschillen, veskeln, werkwoord, neet kùnn veskeln, niet kunnen schelen
verschonen, veskuenn, werkwoord, verschonen. n Aandr veskuenn en zelf met de luuze votgoan, zich benadelen door een ander voort te helpen
verschot, veskot, op verskot of, in regelmatige volgorde, op de rij af
verschronselen, veskroonsln, werkwoord, zwak, verschrompelen
verslateren, veslaatrn, werkwoord, zwak, verslodderen, verknoeien
verslieren, vesliern, werkwoord, zwak, er door brengen
verspelen, vespuln, werkwoord, verliezen, van spel of strijd
verstrijden, vestrien, werkwoord, zwak, wederkerig, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vestrit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: vest, de benen te ver spreiden
vertimmeren, vetimrn, werkwoord, ten koste leggen aan het bouwen van een huis
vertodden, vetodn, werkwoord, zwak, verslepen. t vetodn kùnn, het verdragen kunnen, er tegen bestand zijn
vertost, vetossed, bijvoeglijk naamwoord, door plantengroei verstrengeld
vertreden, vetrean, werkwoord, wederkerig, zich te voet verplaatsen voor zijn genoegen
vertrouwen, vetrouwn, werkwoord, vertrouwen. Iej kùent oew eeng gat neet lengr vetrouwn, niks lijkt meer betrouwbaar
verwezen, veweezn, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ontdaan
verwinde, veweene, zie weene
verzeggen, vezeg’n, vzeg’n, werkwoord, wederkerig, zwak, zich verbinden
verzet, vezet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hypotheek
verzetten, vezetn, werkwoord, wederkerig, omslaan, van weer
verzoedeld, vezoedld, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, aan lager wal
verzwikken, vezwokng, werkwoord, zwak, verzwikken
vesperen, vespm, werkwoord, zwak, brood eten tegen 6 uur ’s avonds
vest, ves, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vesjen, vest. Een op t vesjen wean, iem. in de gaten houden om onder handen te nemen; een ouwr t vesjen spiejn, iem. duchtig de waarheid zeggen; hee hef t vesjen neet skoon, hij gaat niet vrij uit
vetboks, vetbokse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, smeerpoets
veulen, vul, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vuln, vulken, veulen. Iej kùent n vul krieng oet de nuezegeatr, je kunt naar de drommel lopen
vexeren, fakseern, werkwoord, zwak, dwingen
vier, veere, telwoord, 4
vierduiten, veerdùejte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tweeëneen halve cent-stuk
viertand, veertand, zelfstandig naamwoord, 4-tandige vork
vijfschacht, viefskach, zelfstandig naamwoord, zwartglanzende stijve stof voor vrouwenrokken
vijg, viege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vieng, vijg
vijgendadel, viegedaale, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, viegedaaln, dadel
vijl, viele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vieln, vielken, vijl
vijlen, vieln, werkwoord, zwak, langzaam iets doen
vijver, viewr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, viewrs, viewrken, vijver
vinden, veenn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: vuen, verleden deelwoord: evuenn, vinden
vink, veenke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, veenkn, veenksken, vink
vis, viske, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, viskn, visken, vis
visstok, viskestok, zelfstandig naamwoord, hengel
vits, fitsken, zelfstandig naamwoord, klein beetje
vitsel, fisl, zelfstandig naamwoord, toebereidsel van kwakzalversmiddel of volksgeneesmiddel
vitselen, fisln, werkwoord, zwak, toebereiden van kwakzalversmiddel of volksgeneesmiddel
vitselpot, fislpot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pot om iets in te fisln
vlak, vlak, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, plat
vlak, vlakn, op n vlakn, op de vlakte
vlam, vlamme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vlamm, vlàmmken, vlam
vlechten, vlechn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vlech, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: vlùch<, vlechten. Um munn vlechn, hard moeten lopen
vleermuis, vlearmoes, zelfstandig naamwoord, vleermuis
vlees, vlaejs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vlees
vleesbloem, vlaejsbloome, zelfstandig naamwoord, koekoeksbloem
vleesgaffel, vlaejsgafl, zelfstandig naamwoord, vleesvork
vlegel, vleagl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vleagls, vleaglken, vlegel
vlei, vliej, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vliejs, vliejken, vlies, op vloeistof
vlei, vlieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vliejn, laag van gevleide dingen
vleien, vliejn, werkwoord, zwak, regelmatig opstapelen
vlieg, vleege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vleeng, vleegsken, vlieg
vliegen, vleeng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vleege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , vliegen. t Vlùg um van de haane, hij werkt verbazend vlug
vlierbos, vlearbuske, zelfstandig naamwoord, vlierbomen
vlies, vleus, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vleuze, vleusken, 1 vlies, 2 gedroogd groen uit sloten om turf droog onder te krijgen
vlo, vloo, zelfstandig naamwoord, vloon, vluekn, vlo. Mekoar de vloon ofvangn, elkaar te vlug af wezen
vloeien, vluejn, werkwoord, zwak, vloeien
vloek, vlook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vlookn, vloek
vloeken, vleukng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vlok, verleden tijd: vleukn, verleden deelwoo, vloeken
vloekwoord, vlookwoord, zelfstandig naamwoord, vloek
vloer, vloere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vloern, vloerkn, vloer. An vloern, in stukken, om turf te steken
vlok, vlokke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vlokn, vluksken, vlok
vlosserig, flostereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zonder samenhang
vlotenmelk, vlootemelk, afgeroomde melk
vlotmoos, vlotmoos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zieltje zonder zorgen
vlucht, vloch, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vlucht
vluchtlam, vlochlam, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vleugellam
vlug, vlugge, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kunnende lopen, van jonge vogels
vluggerd, vlugtrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, woelwater
vod, vod, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vodn, vodjen, vod. An de vodn kùnn komm, te pakken kunnen krijgen
voegen, voong, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vooge, Tt2 voongt, verleden deelwoord: evo, voegen
voelen, veuln, werkwoord, zwak, voelen
voeler, veuldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, trage werker
voer, voor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, voortjen, vuerkn, wagen vol
voer, voor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, voer
voeren, voorn, werkwoord, zwak, te eten geven
voet, voot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, veute, veutjen, voet. Op eenn voot komm, tot overeenstemming komen over het uitgangspunt; oet de veute, afgedaan
voeten, vootn, werkwoord, zwak, de benen gebruiken
voetenbank, vootbaanke, zelfstandig naamwoord, plank aan ’t voeteneind van de bedstee
vogel, voogl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vuegl, vueglken, vogel. Vuegl van eenrlàj koplt biej mekaandr, soort zoekt soort
vogelvoet, vueglvoot, zelfstandig naamwoord, onkruid
volk, volk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mensen. Oonze volk, ons ouderlijk huis, de leden van mijn gezin of ’t gezin waar ik toe hoor; kùjr volk, praatvisite; oondr t volk, in militaire dienst
volleest, volsn, ten volsn komm, te hulp komen
vonder, voondr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, voondrs, vuendrken, voetbruggetje
vonk, voonke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, voonkn, vuenksken, vonk. A’j oe vuur de voonkn woart, he’j van de vlamme gin las, wie bij ’t minste teken van gevaar zich beveiligt, valt er niet aan ten offer
voogd, voog, zelfstandig naamwoord, mannelijk, voongn, voogd. voongn steln, voogden doen benoemen
voor, vòore, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vòorn, vòorkn, voor
voor, vuur, voorzetsel, voor. Vuur hebm, in ’t zin hebben; dr vuur hòoln, lang duren; een der vuur komm, iem. een pak slaag geven; dr vuur doon, in publieke verkoop doen
voorkist, vuurkisjen, zelfstandig naamwoord, kistje om op te zitten en reisbenodigdheden in te doen, voor in een boerenwagen
voormiddag, vumdag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, voormiddag. Van vumdag, vanmorgen
voormiddags, vumdaangs, zelfstandig naamwoord, voormiddags
voorspooksel, vuurspooksl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vuurspooksls, 1 droomgezicht, 2 dreigend voorteken
voorstel, vuurstel, zelfstandig naamwoord, voorstuk van boerenwagen
voort, voort, bijwoord, zometeen
voortaan, vedan, bijwoord, dóór, verder. Non vedan, van nu af aan
voorvallen, vuurvaln, werkwoord, gebeuren
voren, vuurtn, van de vuurtn, 1 van voren, 2 van tevoren
vork, vorke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vùrke, vùrksken, vork. Van de vorke valn, lelijk tegenvallen
vorken, forkng, werkwoord, zwak, stuntelig lopen met stijve benen
vorst, vos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vosn, vùsken, vorst, van dak
vorst, vos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vorst, vriezen
vort, vot, bijwoord, 1 weg, verdwenen, 2 in ’t wilde weg. Vot ‘r met! Weg er mee!; vot doon, weggooien; vot griepm, wegpakken; vot jaang, wegrijden; vot todn, wegslepen
vos, vos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vosn, vùsken, vos
vouw, vòole, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vòoln, vòolken, vouw
vouwen, vòoln, werkwoord, zwak, vouwen
vraag, vroage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vroang, vraag
vraagaars, vroagears, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nieuwsgierig persoon
vracht, vrach, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrachn, vrachjen, vracht
vragen, vroang, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vrùg, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: vreug
vrede, vrea, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rust, vredigheid
vredemaker, vreamaakr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fopspeen
vreemd, vrùmd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 niet eigen, 2 eigenaardig
vreetkist, vretntekiste, zelfstandig naamwoord, vreetzak
vreten, vretn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vrette, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , vreten. Vret(te) wolf, iem. die onbehoorlijk veel eet; de kùpkes van de goarvn vretn, het beste voor zich uitzoeken; iej vrett nog mear as Tjoonkbearndjen, jij eet bovenmatig
vriend, vreane, vreane wean met, verwant zijn aan
vriendelijk, vreandlek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vriendelijk
vriezen, vreezn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vrùs, 3e persoon enkelvoud verleden tijd: vreus
vrij, vriej, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 vrij, 2 ongegeneerd
vrijdag, vriejdag, zelfstandig naamwoord, vrijdag
vrijen, vriejn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: vree, verleden deelwoord: evreen, ook zw. vrijen
vrijer, vriejr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vriejrs, vriejrken, vrijer
vroedwijf, vreutewief, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vroedvrouw
vroeg, vroo, vrooge, bijwoord, vroeg
vroeger, vroogr, bijwoord, eertijds, vroeger
vroom, vrom, bijvoeglijk naamwoord, neet vrom, onbetrouwbaar
vrouw, vrouwe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vrouweleu, vrouweken, vrouw
vrouwluiraad, vrouwleuroad, Vrouwleuroad en bookwaejtnzoad lukt eens in de zeuwn joar, met raad van een vrouw en boekweit zaaien heeft men één op zeven keer succes
vrouwmens, vroms, vromeanske, vrumske, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vrouw, meisje boven de kinderjaren
vrucht, vruch, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vruchn, vruchjen, vrucht, opbrengst, veldvruchten
vuil, voel, bijvoeglijk naamwoord, 1 bedorven, van ei, 2 geraffineerd, van meisje. Nen voeln, een gehaaide; wee’t kuurboom zoch, voelboom koch, wie alleen ’t beste wil hebben, krijgt ten slotte wat minderwaardigs
vuilbes, foelbeazn, zelfstandig naamwoord, niet eetbare bessen
vuist, voes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vuuste, vuusjen, vuist. t Gat met vuuste houwn, zich vervelen; good wat in de leenkr voes, een goed stuk vlees bij ’t eten; nen voes vol, zoveel als in een dichte hand kan
vuisten, voesn, werkwoord, zwak, de hand geven
vuistroos, voesrooze, zelfstandig naamwoord, pioenroos
vurigheid, vueregaejd, vueregaejd in t blood, koortsigheid
vuur, vuer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vuern, vuerkn, vuur. Eenn t vuer in de heele goojn, iem. op stang jagen; toew ha’j t vuer in de heele, toen had je de poppen aan ’t dansen
vuurdrager, vuerdreagr, zelfstandig naamwoord, koperen bak aan stel om vuur over te brengen
vuurlepel, vuerlepl, zelfstandig naamwoord, lepel om metaal in te smelten
vuurmieg, vuermiege, zelfstandig naamwoord, in het veen voorkomende plant
waag, woage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, woang, 1 weegbrug, 2 ijzer waar de karnpols aan zit
waaien, weejn, werkwoord, zwak, waaien
waar, woar, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, waar, zeker
waar, woare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, woarn, koopwaar
waar, woer, bijwoord, waar. Hier of waar, hier of daar; van woer zi’j miej, van wat ben je me
waarachtig, wareanteg, wràsteg, bijwoord, waarachtig
waarachtig, waroajt, bijwoord, warempel
waard, weard, bijwoord, waard. Wat weard wean, wat aan gelegen zijn
waarde, wearde, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, waarde
waardig, weardeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, waardevol
waarwegen, woerdeweangs, waar ergens
waas, woas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, waas, sluier
wacht, wach, de wach anzeg’ng, dreigen, vermanen
wachtel, wagl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wagls, waglken, kwartel
wachten, wochn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wochet, verleden deelwoord: ewochet, wachten
wafel, woafl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, woafls, wùeflken, wafel
wagen, waage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, waangs, waangkjen, wagen. t Is zinne waage en plooge, ’t is zijn dagelijks werk; t op ne aandre waage laan, ’t over een andere boeg gooien; met waage en peard, met paard en wagen
wagen, woang, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: woage, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: w, wagen
wagenronsel, waangroonsl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wagensmeer
wagentrekker, waangtrekr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wagenmaker, insect
waggelen, wogln, werkwoord, zwak, waggelen
waken, waakng, werkwoord, zwak, nachtwacht houden
wal, wal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wàlle, wàlken, 1 wal, 2 zand en oude stenen voor afsluiting van de oven. t Mut biej t waln bliewn, ’t moet niet te gek worden; van n aandr zinne wàlle, ten koste van een ander
wan, wanne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wann, wannken, wan. Iej kùent met de wanne vuur t gat loopm, ’t is ontzettend warm
wandelen, waandln, werkwoord, zwak, wandelen
wanen, waan, werkwoord, zwak, wederkerig, zich wanen
wanneer, wonear, woenaer, bijwoord, 1 wanneer?, 2 laatst eens, een poos geleden, toen
wapperen, waprn, werkwoord, zwak, wapperen. Nen klàenn an loatn waprn, een draai om de oren geven
waren, woarn, werkwoord, zwak, wederkerig, oppassen, zich hoeden. Woard oe!, Pas op! Op zij! Uit de weg!; dan mu’j oe wa woarn, dan is het oppassen
warm, woarm, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, warm
warmte, wùermte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, warmte
was, was, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, was. Iej kùent van stroond gin was kouwn, van slecht materiaal kan men niets goeds maken
wasdoek, waskldook, zelfstandig naamwoord, vaatdoek
wasem, woasm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wasem
waskamer, waskaamr, zelfstandig naamwoord, was- en karnkamer in oude boerenhuizen
wassen, waskn, werkwoord, zwak, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wasket, verleden deelwoord: ewasket, wassen. Dat wasket oe gin waatr of, daar kun je je niet van vrijpleiten; hee kan zik in alle waatr waskn, hij is van alle markten thuis
wassen, wasn, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: ewasn, groeien, in de lengte. zoo’t de huene wasnt, wasnt de stùkr, tuchtmiddelen ontstaan naar behoefte
wat, wat, onbepaald voornaamwoord, sommigen
wat, wat, onbepaald voornaamwoord, vragend voornaamwoord, wat. Neet wat, niks; wat dat non, wat nou?; wat min vaa was, mijn vader; ma’k wat wean, mag ik een boon zijn; da’s ook nog mer neet wat zo dat, dat is ook geen peuleschil; wat wo’j toch, dat spreekt toch vanzelf;
wat, wat, war, betrekkelijk voornaamwoord, voor een klinker war. dat
wateren, wetrn, werkwoord, zwak, 1 kalf met melk opfokken, 2 vee ’s morgens ’t natte voer geven
waterkalf, wetrkalf, zelfstandig naamwoord, kalf, zolang het melk krijgt
waterleiding, waatrlaejdege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, waterafvoersloot
waterpot, wetrpot, zelfstandig naamwoord, ijzeren pot om veevoer in te koken
waterwolk, waatrwolke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wolk, die niet door luchtbeweging, maar door nachtelijke afkoeling ontstaat
watje, watte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, watn, watjen, wat
watwegen, watteweangs, wattewegges, bijwoord, op sommige plaatsen
wed, werre, in de werre, om ’t hardst
weduwkerel, werrekeal, zelfstandig naamwoord, weduwnaar
weduwvrouw, weddevrouwe, zelfstandig naamwoord, weduwe
weduwwijf, werrewief, zelfstandig naamwoord, weduwe
weefblad, weaweblad, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, weegbree
weefstoel, weawestool, zelfstandig naamwoord, handweefgetouw
weeg, weegte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, weegn, gangetje tussen twee huizen
week, weak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, weake, weaksken, mannel. eend
week, week, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 weemoedig gestemd, 2 weekhartig
week, wekke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wekke, weksken, week. De aandre wekke, de volgende week
weekzerig, weekzeareg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kleinzerig
weelde, wealte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, overdaad
weepijn, weepiene, zelfstandig naamwoord, pijn op een andere plaats dan de wond
weer, wear, zelfstandig naamwoord, onzijdig, weer. Biej t wear of, allervreselijkst; gin waer hòoln, geen stand houden; neet van de wear wean, er altijd zijn; joa, wa wear!, da’s nogal glad!
weer, wier, bijwoord, 1 weer, nog eens, 2 terug, weerom. Wier doon, teruggeven; dr wier wean, terug zijn; dr neet van wier huern, afgedaan zijn
weerboon, wearboone, zelfstandig naamwoord, koeienteek
weerkomen, wierekumme, wierekumme boln, niet drachtig worden van koe; wierekumme bokng, niet drachtig worden van sik; wierekumme bearn, niet drachtig worden van varken
weerlichten, wearlùchn, werkwoord, weerlichten
weerschaap, wearskoap, zelfstandig naamwoord, gesneden ram
weerwolf, wearwolf, zelfstandig naamwoord, iem. die altijd in de weer is om zich te verrijken
weesboom, weeznboom, zelfstandig naamwoord, paal over een voer hooi of ander gewas, om ’t op de wagen vast te houden. Van nen meerlspier nen weeznboom maakng, van een mug een olifant maken
weg, weg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wage, wegjen, weg. Op eenn weg wean, elkaar begrijpen, van ’t zelfde punt uitgaan; oet de weg maakng, tot oplossing brengen, in orde maken; iej munn biej de weg bliewn, alles met mate; weg en wier, hier en daar; da kan de weg neet in,
wegen, weang, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: weage, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: w, wegen. Doar mu’j de wùere nog wa weang, daar kun je maar niet zeggen wat je wilt
wegge, weg’n, zelfstandig naamwoord, mannelijk, groot brood. Kreentnweg’n, groot krente brood, vaak voor feestelijke gelegenheid gebakken
weide, waejde, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, waejdn, weiland
weiden, waejn, werkwoord, zwak, 1 weiden, 2 grazen
weigeren, waejgrn, werkwoord, zwak, weigeren
weinig, waejneg, bijwoord, weinig
weit, waejte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boekweit
weiten, waejtne, bijvoeglijk naamwoord, van weitenmeel
wel, welle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wel, wellken, bron
wel, wal, al, a, bijwoord, wel. Da’s al!, Wel waar!; Biej walwean, bij gezondheid
welgat, welgat, zelfstandig naamwoord, diepte, waarin groundwater opwelt
welheet, welheete, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, van stenen in de oven, zo heet dat ze smelten
welig, weeleg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, welig, ruim in ’t geld. t Zut’r neet weeleg oet, ’t lijkt niet best
welk, wel, vragend voornaamwoord, wie
welk, wonn, vragend voornaamwoord, vrouwelijk: wonne, onzijdig: wonn, m, welke. Non kù’j dr wonn, nou heb je voorlopig genoeg
wellen, weln, werkwoord, zwak, 1 vloeien uit als een bron, 2 half gaar koken
welloper, welluepr, zelfstandig naamwoord, Kleine vissoort, in sloten
welnu, benon!, uitroep, En óf!
welter, wealtr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, een heleboel
welteren, wealtrn, werkwoord, zwak, wederkerig, om en om rollen
welzand, welzaand, zelfstandig naamwoord, drijfzand
wemelen, wimln, wemln, werkwoord, zwak, wemelen. t Wimlt miej vuur d’oong,ik word er draaierig van
wen, wenne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wenn, wennken, gezwel
wendbrug, weanebrugge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plank tussen skeml en vuurstel van boerenwagen
wendel, weandl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, weandls, weandlken, draaistang om ketel of voerbak van ’t vuur naar de deel te draaien
wenden, weann, werkwoord, zwak, 1 wenden, 2 diep omploegen of spitten. Iej hebt t gat nog neet eweand, je hebt je hielen nog niet gelicht
wendzuil, weanezoele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rechtsopstaande stang waaraan de weandl draait
wenk staan, weank stoan, van repliek dienen
wenkwartieren, weanketeern, werkwoord, zwak, verblijf houden, gevestigd zijn. Doar kan de duuwl nog neet weanketeern, daar is ’t niet uit te houden
wennen, wenn, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: eweand, wennen. eweand wean, gewoon zijn
wens, wuens, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wuenske, wuensken, wens
wensen, wuenskn, werkwoord, zwak, 1 wensen, 2 zich verwensen
wereld, weald, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wereld
weren, wearn, werkwoord, zwak, 1 worstelen, tot vermaak of oefening, 2 zich verdedigen
werk, woark, zelfstandig naamwoord, onzijdig, werk. Den t mooi geet noar t woark, geet bedretn te koark, wie dagelijks zijn goed verspilt, komt te kort als ’t er op aan komt
werkdag, wùlkedag, zelfstandig naamwoord, werkdag. Wùlkedaangs, op werkdagen
werven, woarvn, werkwoord, sterk, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: woarft, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: wùrf<, werven
wesp, wepse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wepsn, wesp
westen, wesn, zelfstandig naamwoord, westen
weten, weetn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: wus, verleden deelwoord: eweetn, weten. Dr of weetn, er van weten; ik weet’r neet lenger of, ik begrijp er niks meer van; biej minne weete, voorzover mij bekend
weven, weawn, werkwoord, zwak, verleden deelwoord: eweawd, eweawn, eweawd (als handeling), eweawn (als door weven ontstaan)
weverij, weawerieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, weverij
wezen, wean, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zin, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zee, zijn. Wa’j dr wier?, Begin je weer?; oarns wa wean kùnn, het ergens naar de zin hebben; loat’t wean! laat het verder rusten; t zeent oe …, het zijn me …; in wean, thuis zijn; no aan wean, op ’t kantje af zijn;
wezen, weazn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wezen, karakter
wicht, wich, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wichtr, wichjen, kind. Wichtr groot, òoln weat mer dood, grote kinderen geven soms zoveel zorg en verdriet, dat de ouders het beter niet hadden kunnen beleven
wichtenklaas, wichtrkloas, zelfstandig naamwoord, kindervriend
wie, wee, vragend voornaamwoord, wie
wieg, weege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, weeng, weegsken, wieg
wieme, wieme, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gedeelte van de zoldering van een boerenkeuken, ingericht om de vlees- en spekvoorraad op te hangen
wierig, wierekeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, levendig
wierik, wierek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wierekke, wierekjen, mannelijke eend
wierstro, weerstroo, zelfstandig naamwoord, slecht stro, met onkruid er door
wiggelen, wigln, werkwoord, zwak, wrikken
wij, viej, persoonlijk voornaamwoord, 1e persoon meervoud, wij
wijd, wied, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 wijd, 2 bw. ver
wijdwagenslos, wiedwaangslùs, bijwoord, wijd open
wijf, wief, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wieve, wiefken, vrouw, wijf
wijfje, wiefken, wijfje, tegenover mannetje
wijken, wiekng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wik, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: week, wijken
wijl, wiele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, poosje
wijlieden, viejleu, persoonlijk voornaamwoord, 1e persoon meervoud, wij
wijn, wien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wijn
wijntappertje, wientàprken, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grauwe vliegenvanger
wijs, wies, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wijs. Oarns oet te wieze worn, ergens uit wijs worden
wijs, wieze, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wiezn, wijs, deun. Oarns wieze op steln, iets op de goede manier gebruiken; van de wieze, 1 verbouwereerd, 2 ziek
wijten, wietn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wit, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: weet, wijten, aanrekenen
wijvenmaal, wiewnmùelken, zelfstandig naamwoord, maaltijd wegens een geboorte, aangeboden aan de vrouwen van familie en kennissen
wijzemoer, wiezemoor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wiezemoors, vrouw, die ervaring heeft in het helpen bij bevalling
wijzen, wiezn, werkwoord, sterk, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wiest, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: w, wijzen, aantonen
wijzer, wiezr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, latje aan stikke om de volgende rij aan te wijzen
wiksie, wiksie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, werkingskracht, geestdrift
wikster, wikstr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wikstrs, wikstrken, waarzegster
wil, wille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 1 plezier, 2 zin. Eenn de wille doon, iem. zijn zin doen; eenn de wille loatn, iem. zijn gang laten gaan; met de wille, met genoegen; wicht en oale leu mu’j de wille loatn, kinderen en oude mensen moet men laten doen waar ze pl
wild, weeld, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wild gedierte
wild, weeld, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wild
wildwas, weeldwas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, peesachtig spieruiteinde
willen, wiln, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wi, wil, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: Oarns wiln wean, ergens graag zijn
wilmoeds, wilmoods, bijwoord, met opzet
wind, weend, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, weenn, weendjen, wind. De weend kuemp vuur t skoer, beroering kan de voorloper zijn van iets ergs; da’s um van de weend neet aneweejd, 1 zo’n goed uiterlijk krijgt hij niet dan door goed eten, 2 daar heeft hij heel wat voor moeten ploeteren; den kan de we
windboor, wienbòor, zelfstandig naamwoord, boor om de touwgaatjes in klompen te boren
winddoor, weendoare, zelfstandig naamwoord, windhoos
winde, weene, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, weenn, weennken, dommekracht
winden, weenn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wuen, verleden deelwoord: ewuenn, winden
windschuit, weendskuute, zelfstandig naamwoord, luidruchtige opschepper
windsnapper, weendsnapr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, weendsnaprs, weendsnàprken, windhappig paard
windveer, weendveare, zelfstandig naamwoord, plank langs de opstaande zijden van de houten voorgevel van huizen
winkel, weenkl, n weenkl, de Coöperatieve Winkel te Rijssen
winnen, winn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wint, weent, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: , winnen, aanwinnen
winst, weens, zelfstandig naamwoord, mannelijk, weensn, weensjen, voordeel
winter, weentr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, weentrs, weentrken, winter. Biej de weentrdag, ’s winters
winterrogge, weentrrogge, zelfstandig naamwoord, winterrogge. Den lit‘r neet mear an as de weentrrogge op t laand, die heeft daar niks onder te doen, lijdt er niet onder; den hef mear metemaakt as de weentrrogge op t laand, die heeft het zwaar te verduren gehad
wiphaal, wiphoal, zelfstandig naamwoord, hoaliezer dat door een hefboom werkt
wippelen, wipln, werkwoord, zwak, wippen
wipschink, wipskeenkn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 1 iem. die aldoor van de hak op de tak springt, 2 sprint in ’t veld
wipstaartje, wipstatjen, zelfstandig naamwoord, staartmees
wis, wisse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wisn, wisken, afveegdoek
wis, wisse, bijwoord, stellig. Da’s wisse, dat staat vast; boowisse, welzeker
wissen, wiskn, werkwoord, zwak, wissen, vegen. … dat t wisket, … dat het een aard heeft
wisser, wuskr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wuskrs, wuskrken, boender
wit, wit, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wit. Wit vuur, wit vuur n haals, met witte boord om; zoo wit as ne muure, krijtwit
woel, weule, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, weuln, weulken, mol
woelen, weuln, werkwoord, zwak, woelen
woelengang, weulngaank, zelfstandig naamwoord, mollegang
woensdag, goojndag, Woensdag
woest, weus, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, verwilderd. Doar blif ginne vòore um weus lig’ng, daar gaat alles zijn gang wel om; nen weusn keal, een rauwe klant
wol, wolle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wol. An de wolle komm, in bezit nemen, te pakken krijgen
woldoeks, woldooks, bijvoeglijk naamwoord, van wollen stof
wolk, wolke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wolkn, wulksken, wolk
wollen, wullne, bijvoeglijk naamwoord, wollen
wond, woone, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, woonn, wuendjen, wond
wonder, woondr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wonder
wonder, woondr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eigenaardig, wonderlijk
wonen, wonn, werkwoord, zwak, wonen
woning, wonnege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, woning
woonvertrek, wonvertrek, zelfstandig naamwoord, kamer, waarin men wonen kan
woord, woord, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wùere, wuerdjen, woord. Met eenn wùere hebm, een twistgesprek met iem. hebben; zegge wùere, mondelinge afspraak, niet op schrift; wùere as wùste, dom, lomp geredeneer; gin wùere wiln hebm, ergens geen gepraat over willen hebben; good van de
worden, worn, werkwoord, sterk, tegenwoordige tijd: worre, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: wùr, verleden deelwoord, worden. Kwiet worn, kwijtraken
worgelen, wùrgln, werkwoord, zwak, wederkerig, zich worgen, van dieren
worm, worm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wùrme, wùrmken, regenworm; worme, insecten, in ’t algemeen
worstelen, vroesln, werkwoord, zwak, worstelen
worstgek, wùstegek, zelfstandig naamwoord, langstelige vork om vlees mee uit de wieme te nemen
worstpannenkoek, wùstepannekooke, zelfstandig naamwoord, pannekoek met schijfjes worst er in
wortel, wotl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wùtl, wùtlken, wortel
wrak, wrak, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zwak van gestel. Wrakke waangs loop t lengste, krakende wagens lopen het langst
wrak, vrokke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vrokn, vruksken, wrakke plaats
wrang, wrange, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wrangn, wràngsken, hol, van konijn
wrangen, vrangn, wrangn, werkwoord, zwak, aan de uier lijden; brokkelige melk geven, van koe
wrangerig, vrangereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, uierontsteking hebbend
wrangerig, wrangereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wormstekig
wrant, vradn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nurks
wranterig, vraddereg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gemelijk
wrat, vrotte, verotte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vrotn, vrùtjen, wrat
wreed, wreed, vreed, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, akelig, bloederig
wreef, vrieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vriejn, vriejken, wreef
wrensen, freanskn, vreanskn, werkwoord, zwak, 1 hinniken, 2 grijnslachen; freanskn op t vul, praten op een beroep
wrijven, vriewn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vrif, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: vreef
wringen, wringn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: wreenk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: wrung, wringen
wroeten, vreutn, werkwoord, zwak, wroeten, woelen
wrok, vrokke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wrok
wulp, welpe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, welpn, welpken, wulp
zaad, zoad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zùedjen, zaad
zaadkraai, zoadkreeje, zelfstandig naamwoord, hee lop zoo stàel as ne zoadkreeje, hij loopt zo trots als een pauw
zaag, zaage, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zaang, zaagjen, zaag
zaaghaal, zaaghoal, zelfstandig naamwoord, hoaliezr dat werkt met een getande ijzeren band
zaaien, zeejn, werkwoord, zwak, zaaien
zaaischepel, zeejskepl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mand om uit te zaaien
zacht, zach, zachte, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 week, 2 niet luid, 3 bw. heel wel, zonder bezwaar, met goede kans van slagen. De zachste botr smeart op n besn, met zoet lijntje bereikt men meer dan met hardheid; nen zachn dood hebm, ongemerkt eindigen
zachten, zachn, werkwoord, zwak, genezen
zading, zùedege, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zaai- en pootgoed
zagen, zaang, werkwoord, zwak, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zaage, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: z, zagen
zak, zak, zelfstandig naamwoord, zàkke, zàksken, zak, baal. t Kan betr van n zak as van n baand, tekort moet men nemen waar ruim is, niet waar alles nodig is
zakken, zakng, werkwoord, zwak, zakken, dalen
zam, zam, sam, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mals; sappig
zand, zaand, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zand. Wat oet t zaand goojn, met iets op de proppen komen, dat niemand verwacht; zaandgat, zanduitgraving
zandzwaluw, zaandzwaalve, zelfstandig naamwoord, oeverzwaluw
zat, zat, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 verzadigd, 2 dronken 3 bw. genoeg. Zoo zat wean as gespuujn spek, tot walgens toe verzadigd zijn; oarns zat van wean, ergens mismoedig onder worden
zaterdag, zoatrdag, zelfstandig naamwoord, zaterdag
zeel, zeel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zeele, zeelken, 1 bindsel voor een schoof, 2 touw om de weeznboom aan de wagen vast te maken
zeel, zeln, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zeln, deel van het paardetuig, voor de borst van het paard langs
zeen, zenne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zenn, zennken, peesweefsel
zeer, zear, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ongemak, smart. Riekeleu’s zear rop vear, over tegenslag van aanzienlijken wordt veel gepraat
zeer, zear, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zeer, pijnlijk
zeeuwse, zeewsken, zelfstandig naamwoord, met zeewsken, soort vinkenslag
zegel, zeagl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zeagls, zeaglken, zegel
zegen, zeang, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zegen
zeggen, zeg’n, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zegge, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: z, zeggen. Zeg’t t u mees!, Neem hem er eens over onder handen; t is eare ezeg as eleg, gemakkelijk gezegd dan gedaan
zeggepol, sekpol, zelfstandig naamwoord, pol van harde grassoort
zegwoord, zeggewùere, zelfstandig naamwoord, alleen maar woorden, geen schriftelijk bewijsstuk
zeil, zàel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zàeln, zàelken, zeil
zeilwagen, zàelwaage, zelfstandig naamwoord, huifkar
zeis, zàejsl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zàejsls, zàejslken, grote zeis
zeker, zeekr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 bw. zeker, vast, 2 zemelig
zemel, zeml, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zeml, zemlken, zemel
zenuw, zeenewn, zelfstandig naamwoord, zenuwen, als kwaal
zes, zesse, telwoord, 6
zestien, zesteene, telwoord, 16
zestig, sesteg, telwoord, 60. Zi’j sesteg, ben je bezestigd
zet, zet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zette, zetjen, poos. Nen heeln zet, een hele tijd; biej zette, zo nu en dan, bij tussenpozen
zetten, zetn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zette, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: zatUm lùs zetn, alle krachten inspannen; ne henne zetn, een hen te broeden zetten
zeven, zuewne, telwoord, 7
zeveren, zeewn, werkwoord, zwak, kwijlen
zeverlap, zeewlàpken, zelfstandig naamwoord, slabbetje
zich, zik, wederkerig voornaamwoord, zich
zich, zik, bezittelijk voornaamwoord, 3e persoon enkelvoud, vrouwelijk zikne, onzijdig: zik, mee, zijn
zicht, zich, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zichn, zichjen, kleine zeis
zicht, zich, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zicht, helderheid
ziek, zeek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ziek
ziel, zeele, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zeeln, ziel
zien, zeen, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zut, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: zag,, zien
zij, zee, persoonlijk voornaamwoord, 3e persoon meervoud, zij
zij, zie, zelfstandig naamwoord, zie spek, zij spek
zijde, zied, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zijkant van het lichaam. In de leege zied valn, toegeven, zich gewonnen geven
zijde, ziede, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zijde
zijg, zieje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ziejn, ziejken, zeef
zijgdoek, ziejdook, zelfstandig naamwoord, doek om melk te zeven
zijgen, ziejn, werkwoord, zwak, zeven
zijger, ziegrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, draai om de oren
zilver, zulvr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zilver
zin, sinne, an t sinne wean, te veel van vergen
zingen, zingn, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zeenk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: zungHen zingn goan, in ’t cachot gestopt worden; de beene zingt miej oondr t gat, ik ben doodop
zinken, zeenkng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zeenk, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: zuenk<, zinken
zinking, zeenkns, zelfstandig naamwoord, het tranen en rood zijn van de ogen
zitten, zitn, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zitte, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: zatDr zitn kùnn, geen werk hoeven te doen; doar he’j t um zitn, daar zit hem de kneep
zo, zoo, bijwoord, 1 zo, zodanig, 2 zo meteen. Zoo te zeg’ng, zogezegd; zoo of zoo, op ’t kantje af; zoo wat hen, zulk soort dingen
zo, zoo, voegwoord, zoals. Doot zoo’j doot, mer ik krieg’oe, je kunt doen wat je wilt, maar ik krijg je wel
zodanig, zoodoaneg, zoodùeneg, bijwoord, 1 zo, op die manier, 2 dientengevolge
zodde, zorre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vochtig overblijfsel. In de zorre, in de nattigheid
zodden, zodn, werkwoord, zwak, 1 vochtig weer worden, 2 sopperig worden, van grond
zoddig, zorreg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vochtig, dras
zoeken, zeukng, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zeukt, zoch, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: , zoeken. Den kos t mear van zeukng as van knipm, die heeft niet veel haar meer op ’t hoofd; iej zeukt aejt met de oong, woe’j brood met ett, je zoekt met je neus
zoet, zeute, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 zoet, 2 braaf. Wa’j vear haalt smaakt zeute, waar veel moeite voor gedaan is en wat ongewoon is, geeft veel genot
zogen, zueng, werkwoord, zwak, zogen
zogenhaar, zoongnhoar, zelfstandig naamwoord, onkruid, in rogge
zolder, zòoldr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zòoldrs, zòoldrken, zolder
zoldertje, zùeldrken, zelfstandig naamwoord, voetje van hout onder het kabinet
zomer, zomr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zomrs, zomrken, zomer. Biej de zomrdag, ’s zomers
zomp, zoomp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zuempe, zuempken, 1 drink- of voerbak voor varkens, 2 oud zeilschip voor de Twentse riviertjes
zon, zunne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zunnken, zunnen, 1 zon, 2 met mos dichtgegroeid gat in het veen
zondag, zùendag, zelfstandig naamwoord, zondag
zonde, zuene, zùende, zuenen, zonde. Haalt miej de zuene neet oet n haals, maak me niet kwaad
zondekuiken, zuendekuukn, zelfstandig naamwoord, lieveheersbeestje
zondevrij, zuendevriej, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zonder zonde te doen
zondig, zuendeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zondig
zonst, zuens, um t zuens, voor niemendal
zooi, zojje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sloom, vuil persoon
zool, zòln, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zòln, zòllken, zool
zoom, zoom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zueme, zuemken, zoom
zoon, zùnne, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zùens, zoon
zoopje, zuepken, zelfstandig naamwoord, borrel
zorg, zorge, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zorg
zout, zòolt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zout
zoveel, zoovulle, onbepaald voornaamwoord, zoveel. Zoovuls te betr, zoveel te beter
zowat, zoowat, bijwoord, bijna
zo’n, zonn, zonnen, onbepaald voornaamwoord, vrouwelijk zonne, onzijdig: zon, mee, zo een, zulk een, zulke, dergelijke
zucht, zoch, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zochn, ziekelijke zucht
zuchten, zochn, werkwoord, zwak, waterzuchtig zijn
zuiden, zuudn, zelfstandig naamwoord, zuiden
zuigen, zoeng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zoege, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: z, zuigen
zuipen, zoepm, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zoepe, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: zeupZoepzak, zoeptodde, dronkaard; zoepm as nen otr, erg aan de drank zijn
zuipen, zoepn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, natte voer, voor vee
zuiver, zuuwr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zuiver
zulk, zuk, onbepaald voornaamwoord, zukke, zulk, zulke
zulle, zul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drempel. Oarns neet ouwr n zul komm, bij iem. niet in huis willen komen
zullen, zùln, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: za, zal, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd:
zullie, zeeleu, persoonlijk voornaamwoord, 3e persoon meervoud, zij
zuren, zoern, werkwoord, zwak, zuur worden
zut, zjiets!, uitroep voor iets vlug bewegends
zuur, zoer, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 zuur, 2 moeilijk. Nen zoern, een pessimist; zoo zoer as ne krooze, erg zuur
zuursteel, zoersteln, zelfstandig naamwoord, zuring
zwaai, zweej, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zwaai
zwaaien, zweejn, werkwoord, zwak, zwaaien
zwaar, zwoar, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1 zwaar in gewicht, 2 orthodox
zwagerse, zweewsken, zelfstandig naamwoord, vrouw van een zwager
zwak, zwak, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lenig. Zoo zwak as nen twieg, erg lenig
zwaluw, zwaalve, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zwaalvn, zwàelfken, zwaluw
zwamjanalbert, zwamljanalbrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kletsmajoor
zwart, zwat, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zwart, duister
zwatsen, zwàjtsn, werkwoord, zwak, lassen
zwavel, zweawl, zelfstandig naamwoord, zwavel
zweel, zwille, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zwiln, zwillken, wal van gemaaid gras. Oet de zwiln laan, het hooi opladen zonder eerst hopen gemaakt te hebben
zweeltiet, zwiltitte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, droogpruimer
zweep, zwùppe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zwùpn, zwùpken, zweep
zweer, zweare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zwears, zwearkn, zweer
zweernood, zwennoord, leeng as de zwennoord, allerverschrikkelijkst liegen
zwellen, zweln, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zwelle, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , 1 zwellen, 2 donderkoppen vormen, van lucht
zwemmen, zwemm, werkwoord, sterk, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zweamp, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: zwum<, zwemmen
zwengel, hasvengl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hasvengls, hasvenglken, 1 wiel aan de staart van de molen, 2 kenau
zweren, zwearn, werkwoord, zwak, zweren
zwerven, zwoarvn, werkwoord, zwak, zwerven
zwet, zwerre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, drinkebroer
zweven, zweawn, werkwoord, zwak, zweven
zwiebelen, zwiebln, werkwoord, zwak, wiebelen
zwijgen, zwieng, werkwoord, sterk, 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: zwiege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , zwijgen
zwijmelen, zwiemln, werkwoord, zwak, door duizeling wankelen
zwikgard, zwokgarre, zelfstandig naamwoord, zwieptwijg
zwikken, zwokng, werkwoord, zwak, doorzwikken
zwil, zwil, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eelt. Zwil in de oorn hebm, Oostindisch doof zijn
zwoel, zweul, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zwoel
zwoerd, zwoare, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zwoarn, zwùerkn, zwoerd
Zwols lang, zwols laank, vinkenslag
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal