elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)

</
-a, a, Als open a achter geslachtsnamen, die op ing enz. uitgaan, en door van te verklaren, bv. Huizinga = aan het dorp Huizing of Huizinge (bij Middelstum) den naam ontleenende. Zoo is een tak der familie Bierema van Bierum afkomstig; die van Helwerda van Helwerd (zie aldaar). Zie Wiarda p. 3; ten Doornkaat p. 2, no 5; J. Huizinga (Stamboek) p. V. Hierbij dient opgemerkt, dat in de Ommelanden de a van geslachtsnamen op inga in het spreken veelal wordt weggelaten, bv.: Clevering, Lanting, enz. voor: Cleveringa, Lantinga, enz.
-aar, der, als uitgang voor: aar, (er): prötelder (pruttelaar); stutjeder (stotteraar); lasterder, zemelder, reukelder, leugender, haffelder, keukelder, rōnselder, metselder, teuverder, enz.
-elijk, êlk, als uitgang voor: elijk. Het kapje zal te kennen geven of liever: er aan herinneren dat de e zoo goed als in ’t geheel niet gehoord wordt; doodêlk = dood’lk; vreesêlk = vrees’lk; schandêlk = schand’lk, enz.
-en, ken, als uitgang van werkwoorden met den stam op sch. en s, bv.: visken, wasken, dörsken, plasken, vlasken, koeskasken, enz. Als verkleiningsuitgang o.a. in: pafken (rooken), proemken (pruimen, werkwoord); stippelken (stippen maken); druppelken (zie: druppeltjen); verstopken (verstoppen, versteken); trippelken (trippelen); sniederken (kleermaken); slōbberken (slobberen).
-en, jen, als verkleiningsuitgang bij werkwoord: anrantjen (aanranden), briktjen (= op brikken speulen, domineeren); druppeltjen; holtjen; kantjen; piepstoaltjen; houdjen; tiktjen (het tikspel spelen); druljen; groetjen; ofzoltjen; hotjen; genoatjen; koeltjen; ōppotjen (oppotten); mantjen; knipoogtjen; toentjen; martjen; viefgeliektjen; hinktjen (hinkspel); huppeltjen (huppen, als spel); snippeltjen (snipperen); koopmantjen; prietjen; mōndjen; strantjen; veltjen; mōrtjen; smantjen; dirtjen; stirtjen; pōrtjen, kloetjen; peertjen; vlötjen; slootjen (slooten graven); geutjen; potjen; hotjen, nietjen; piebezeidjen; diedeldantjen; bedotjen, koopmantjen (banken, en: koopmanschap drijven); trōmmeljten; kriegerantjen; bandjen; keuteltjen; fietjen; stutjen; vizietjen; houdjen; vakjen; jutjen; mōndjen; enz. (Evenwel: vlasken; verstopken, zweeptopken, sniederken, kifken, pōlsken enz. Het Oostfriesch heeft o.a.: bedudjen, begatjen, begroetjen, daljen, slotjen, hotjen, hutjen, insoltjen, enz.
-en, en, De herhaling van het werkwoord komt dikwijls voor om meer klem aan den zin te geven: hij dee niks as housten en housten, zooveel als: hij moest onophoudelijk hoesten; ik mōs proesten en proesten = ik moest een keer of wat niezen; hij kōn vluiken en vluiken; zij deeën niks as smoken en smoken, drinken en drinken, enz.
-en, en, Weglating van den uitgang der werkwoorden en hulpwerkwoorden wanneer deze door wie of ie (wij of gij) worden gevolgd: zel, mout, duur, ken, mag, huif (bv.) wie (of: ie) dat doun?; loop, voar, rais, vertrek, wandel, (bv.) ie mörn noa stad? zij, dou, wijt, keur, lees, schrief wie dat wel goud? doar loof, ken, verwacht, koop, heur, zij, roek, trek wie niks van, enz.
-en, en, wordt wel gevoegd achter eenlettergrepige werkwoorden in ’t meervoud: zij stoanen; ie zijnen, wie dounen, zij binnen = zij staan, gij ziet, wij doen, zij zijn. – Ook achter de namen van dagen, bij het bepalen van een deel van den dag, met verdubbeling van de g; zundaggennnacht = zondagnacht, enz.; zoaterdaggenoavend, enz. Voorts: altieden = altijd, steeds; hijltieden = onophoudelijk; mijstieden = meesttijds; datten voor: dat, enz.
-en, en, meervoudsuitgang onzer letters in plaats van s; oaen, beën, enz.
-enen, en, Staat voor: enen, als uitgang van werkwoord: reken (rekenen); tijken (teekenen); open (openen); vereffen (vereffenen); ofboaken (afbakenen); verorden (verordenen), enz.
-ening, en, reken = rekening, enz. – Wat de uitspraak betreft slinkt dit en tot n, en men zou wellicht juister zijn met te schrijven: lijn’n, tel’n, enz. doch dan zou men dit met alle woorden moeten doen die op en eindigen, wat ongetwijfeld de duidelijkheid zou schaden.
-er, kers, (achtervoegsel), in: dörskers, viskers, mouskers, vlaskers, enz. Vgl. ken.
-er, stêr, als 2e naamvalsvorming, van plaatsnamen, bv.: Lijnster tillen (letterlijk: bruggen van Leens); Aanster boeren (boeren uit Andel); Oethoester genoat (Uithuizer garnalen); Meister toren (toren van Uithuizermeeden); Lijkster stroekjes; Hoogezandster kerk; Sapmeester börgerschoul; Muntendamster scheepjoagers; zoo: Veendamster; Appingedamster = Damster; Oldehoofster; Neihoofster, Neilandster, Zandeweerster, Zandster, enz. Ook als zelfstandig naamwoord voor: bewoner van, of: afkomstig van; ’t is ’n Damster (ingezeten van Appingedam); ’n Breister = te Breede woonachtig, of: aldaar geboren, enz.
-er, mer, als 2e naamvalsvorming in sommige plaatsnamen, vooral op: wold; Midwolmer (Midwolder), Oostwolmer (Oostwolder), Feenderwolmer (Finsterwolder), Bennewolmer (Bellingewolder). Ook in samenstellingen, als: Oostwolmerpolder, enz.
-er, er, meervoudsuitgang van: kind of kiend, kinder, kiender, ook: kiener; hounder (van hen); kalver (van kalf); wichter (van wicht); lammer (van lam); aier (van: ai, ei). (Het Drentsch heeft ook knechter, enz.) Middel-Nederlandsch ei, meervoud eier en eieren.
-erig, êrg, als achtervoegsel voor: erig = ig, soms met d versterkt: meeldêrg = melig, kruimig; veendêrg (veenachtig); kloetêrg (kluitig); ploertêrg (ploertig); lankdroadêrg (langdradig); zoutêrg, zandêrg, windêrg, huvêrg, sloapêrg, gappêrg, rekkêrg, klaiêrg, roetêrg, (vol onkruid), swienêrg, schoapêrg, spekkêrg, enz. Vgl. bij v. Dale: stofferig en stoffig; weelderig en welig; winderig en windig; roeterig en roetig; zanderig en zandig, enz. waarvoor het Groningsch steeds den eersten vorm heeft.
-erij, erei, erij, voor: erij, arij, soms ook voor: age, versterkt met ingevoegde d; sukkelderei (sukkelarij); dwarsbōngelderei (dwarsdrijverij); bedelderei; swelderei, pangelderei, kantjederei, fiemelderei, spiekerderei, kletslulderei, riemelderei, enz.; zoo ook: toentjederei, timmerderei, koopmantjederei, vourmantjederei, boontjederei, enz. bv.: ’k heb wat toentjederei (warmoezerij), moar mit de boontjederei wil ’t niks, ’t is veuls te nat en te kold. Ook zonder de d: eterei, koumelkerei, housterei, linterei, naierei, vreterei, wonerei, teuterei, kanterei, sloaperei, liggerei, plakkerei, looperei, konkelfoezerei, zingerei, enz.
-ga, goa, in geschrifte ga, als uitgang van plaatsnamen, die vooral in Friesland veelvuldig voorkomen. Een enkel voorbeeld treffen wij hier aan in Noordhörnergoa. Het duidt laag land aan, met ondergrond van veen en derrie (darg). Zie ook: eet.
-ig, ig, achtervoegsel, voor: achtig, in: ketoenîg = katoenachtig, veel op katoen of: op zij gelijkend. zeidîg = zijdeachtig; doenîg = dronkenachtig: harfstîg = herfstachtig; kiddîg van een paard dat de knieën niet genoegzaam buigt om flink door te draven; vissig, bijsmaak van visch. Vgl. o.a. bij v. Dale: waterig = waterachtig; rossig = rosachtig, enz. Gevormd als: wollig, zandig, enz.; Invoeging er van in: loozîghaid (loosheid), slimmighaid (slimheid), drugîghaid (droogheid); sloffighaîd (slofheid); bangîghaid (bangheid); mooiîghaid (mooiheid, fraaiheid); ongeschiktîghaid (ongeschiktheid); fienîghaid (fijnheid); hoogîghaid (hoogte); dikkîghaid (dikte); dwarsîghaid (dwarsdrijverij); zinnighaid (koppigheid); bangîghaid (bangheid); grootsîghaid (trotschheid); geringîghaid (geringheid); doenîghaid (dronken toestand); minnîghaid (= kleinigheid); valsîghaid (valschheid).
-ij, ei, ij, als uitgang tot vorming van zelfstandig naamwoord: sloaperei (= bed, slaapplaats); liggerei (bed met toebehooren); swelderei (gezweer); timmerderei (timmerage); karnderei (het karnen, en: het karngereedschap); metselderei (metselarij); bloaderei, takkerei, duiskederei, linterei, schrieverei (schrijfgereedschap); naierei (naaiwerk), enz.
-ing, en, ing, als inkrimping van den uitgang ing; wonen (woning); lijnen (leening); leunen (leuning); vervelen (verveling); mijnen (meening); moalen (maling); tellen (telling); vailen (veiling); bedoulen (bedoeling); besmetten (besmetting); anlaiden (aanleiding); beloonen (belooning); achten (achting); behoezen (behuizing); bedijnen (bediening); keuren (keuring), enz. Uitgezonderd: keunînk (koning); zurîng (zuring); zuringzolt (zuringzout).
-inge, inge, als uitgang van plaatsnamen, o.a.: Groningen (groene inge), Ezinge, Tinallinge, Sellingen, Huizinge, Fezinge, Wetsinge (Westinge), Westingtange, Ellersinghuizen, enz., zooveel als: groene vlakte, weide, grasland. Oud-Hoogduitsch angar, Middel-Hoogduitsch, Hoogduitsch anger, Noordfriesch eng, inge. Oud-Noorsch engi, Noorweegsch enge, Deensch eng, Zweedsch äng, Angel-Saksisch inge, Engelsch ing, Walisisch inge; riding = district; Middel-Nederlandsch enge (eng) = weide, grasveld.
-je, ke, als verkleiningsuitgang voor: je, tje en: pje, vooral in de Ommelanden: lapke (lapje); kopke (kopje); dopke (dopje); dörpke (dorpje); kroagke (kraagje); kruudhofke (bloemtuinje); lepelke (lepeltje); pepierke, pampierke, pōmpierke (papiertje); uurke (uurtje); muurke (muurtje); hoarke (haartje); laike (laatje); meske (mesje); deuske (doosje); aike (aaitje, en: eitje); koarke (karretje); boerke (boertje); deurke (deurtje); boorke (boortje); lemke (lemmetje); boomke (boompje); zeumke (zoompje); roamke (raampje); kömke (kommetje); vlamke (vlammetje), enz.
tot vorming van vrouwlijke eigennamen: Knelske (van: Knels = Kornelis, dus eigenlijk = Kornelisje), Pijterke (van Pijter = Pieter, geschreven: Pieterke of: Pietertje), Janneke (= Jantje, van: Jan); Derkje (van: Derk); Kloaske (van: Klaas); Rinske (van: Rinze); Wilmke (van: Willem); Frouke (van: vrouw); Duurke (van: Duurt); Lijfke, geschreven: Liefke (van: lief), enz.
als verkleiningsuitgang van vrouwlijke eigennamen om als liefkoozingswoordje te dienen; Jannoake (= kleine of lieve Janna); Dinoake, Lienoake, Fennoake, Lauroake, enz. Vgl. poeke, en: mieke, voor: poesje.
wordt soms als verkleiningsuitgang achter bijvoeglijk naamwoord gezet, en zoo zelfstandig gebruikt: mooike, lutjeke, neike, (Ommelanden)
-je, je, Op het Hoogeland laat men den uitgang van vrouwelijke voornamen gaarne weg, vooral in den minderen stand; men zegt Ant voor Antje; Grijt, voor Grijtje = Grietje; Trien, voor Trientje; Jant voor Jantje; Brecht, voor Brechtje; Hil, voor Hilje, of Hillechien; Oal, voor Aaltje; Dien, voor Dientje; Swoan, voor Zwaantje, enz.
Eigenaardig is deze uitgang in: katjewinst, katjedans, katjejacht, katjevis, katjevlucht, hondjedraf, goldjebloum, landjebloumen, mondjetargen, hōrtjetou, enz., wellicht ter wille der welluidendheid achter het eerste deel gevoegd.
als verkleiningsuitgang in: eetjes, en in: drinkjes, alleen tegen zeer kleine kinderen: moeke zel hōm (of: heur) eetjes geven; wille ook nog ’n beetje drinkjes hebben?
-je, ien, (Stad-Groningsch), als verkleiningsuitgang (zie: je, en: dien). In ’t meervoud valt de n weg; dubbeldien, meervoud dubbeldies; husien meervoud husies; vlintien, meervoud vlinties; Jantien, meervoud Janties, enz.
-je, ie, als verkleiningsuitgang, voor je (Hoogezand, enz.), bv.: boompie, wurmpie, wichie, muchie, kerkie, enz. Zie ook: je, kie en pie.
-man, man, achter jongensnamen, wanneer die zich er maar eenigszins toe leenen, en geldt als liefkoozingswoordje: Janman; Hinneman (van: Hendrik; zie: Hin’); Rieksman (van Henderikus of Henricus); Koaiman (van: Klaas); Derkman; Freerkman (van: Freerk = Frederik), enz., ook Drentsch, Overijselsch, Oostfriesch, Westfaalsch; “Doe kwoaie hond, – Most toe mien gôie Geertman biet’n?”“Jamman (voor: Janman) loat doe de katte loop’n.” Ook wordt het wel achter meisjesnamen gevoegd, als: Grijtman, Hilleman, enz., en hoort men zelfs: mouderman (gelijk o.a. ook te Meppen); “’t Was ja moar gekhaid, mouderman!”
-pje, pie, (Goorecht) = pje: achtervoegsel ter vorming van verkleinwoord; bloempie, boompie, oompie, roampie, rijmpie, lampie, scheppie, enz.
-s, s, In vele gevallen wordt het meervoud der zelfstandig naamwoord door s gevormd, waar het Nederlandsch en, of en, en s beide heeft: appels, wortels, eerappels, darms, arms, wurms, karns, scharms, middels, burgemeesters, keunînks, generoals, enz. De deftiger vorm door en is het Groningsch geheel onbekend.
-s, s, wordt licht achter eigennamen gevoegd, bv.: bie Boumans, bie Diekemoas, Doomnies, enz., zooveel als: ten huize van Bouman, Dijkema, den Dominé, enz. Eveneens wanneer men eene vrouw naar haren man benoemt: vrou Dekkers, vrou Huusmans, vrou Rietemoas, enz. als de man Dekker, Huisman, Rietema heet.
-s-, s, De invoeging der s is zeer gewoon: alsgeval (in allen gevalle): evenswel, alste, alstemoal, volstrekst nijt, alstied, alstenduvel, hijlstied, (Westerkwartier); bijna algemeen is: veulste veul; mijnste (meeste); wilst, konst, mōst, duurst, huifst, lopst, schrifst, zöchst, zichst, rekenst, enz. (= gij wilt, of: wilt gij, enz.) Alsmede bij samenstellingen als: spelsknop, armsgat, spoarspot, klokswicht, kouswaide, schoulsduir, damspoal, putswater (Grijpskerk), boomswortel.
-se, ske, (= sche), als uitgang om vrouwelijk zelfstandig naamwoord te vormen; zie: musterske.
-st, st, achter den stam van werkwoord: letst = laat gij; duurst = durft gij; huifst = gij behoeft; magst = gij moogt; kōmst = komt gij, enz. Zie ook: ste.
-t, t, Achtervoeging der t als versterking der uitspraak: kraft (kraf, karaf); graft (graf); genōcht (genōg, genoeg); dezient (dezien, dozijn); mienent (’t mijne); allènt (alleen), enz.
-t, t, Weglating der t in den vragenden vorm van den 2den persoon: roup ie mie? (roept gij mij?); rijp ie mie? (riept gij mij?); dou ie dat? (doet gij dat?); dee ie dat? (deedt gij dat?); wil ie zoo goud wezen? (wilt gij zoo goed zijn?); ken ie ’t wachten? duur ie ’t woagen? loop ie doar? schrief ie mooi? zeg ie zoo? enz.
-tje, je, chie, dien, tje, je, in de Ommelanden voor: tje en: je bv. hoanje (haantje), loanje (laantje), kanje (kannetje), panje (pannetje), hoanje (haantje), hōnje (hondje), pōnje (ponnetje), moanje (maantje), poalje (paaltje), tunje (tonnetje), toenje (tuintje), moalje (maaltje), koelje, (kuiltje), velje rōlje (rolletje); boonje (boontje), hoolje (holletje), spulje (spelletje, enz), poalje (paaltje), koelje (kuiltje), stoalje (steeltje, en: staaltje), volje (vouwtje); olje (oudje), molje (molletje), kroanje (kraantje), doanje (aardappel), voolje (vooltje), schounje (schoentje), schōlje (scholletje), spoanje (spaandertje), stroalje (straaltje), rolje (rolletje), krōlje (krulletje); henje (hennetje), penje (pennetje), pinje (pinnetje), vinje (vinnetje), puilje (zakje), pestolje (pistoletje), knolje (knolletje), drolje (drolletje), jōnje (jongetje), bilje (billetje), blinje (blindetje), peulje (peultje), stoulje (stoeltje), schoulje (schooltje), bolje (bolletje), rōlje (rolletje), zunje (zonnetje), hoanje (haantje), klounje (kluwentje). Uit deze voorbeelden blijkt dat je steeds voorafgegaan wordt door l of n. Evenwel steeds: steveltje, kacheltje, kereltje, kussentje, enz. wellicht ter versterking van de uitspraak omdat de tweede lettergreep toonloos is. Zie verder k 1. – In de stad Groningen heeft men: ien, te Hoogezand, enz. ie, voor: je, bij eigennamen ook voor: tje.; Hinderkien, Derkien, Grijtien of Grietien, Rensien, Aaltien of Aaldien, enz., waarvoor te Hoogezand en omstreken: Hinderkie, Grietie, Geesie, enz., in de Veenstreken: Hinderkien, Grijtien, Geesje, Aaltje, enz., in ’t Oldampt, Westerwolde en Ommelanden Hindertje, Derktje, Grijtje, Renske, Oaltje, enz. Voorts: Stad-Groningsch en Veenkoloniën Marchien, Hoogezand Marchie, overal elders Martje; Stad-Groningsch tunnechein, koarechien, kannechien, Ommelanden tunje, koarke, kanje, enz.; Oldampt, Westerwolde tuntje, koartje, kantje, enz. Vgl. het Drentsch: Greetien, Lammechien, Oltien (Aaltje), Jantien, enz.; holtien, torvien, jonchien, touwgien, enz.; Drentsch, Overijselsch kouchien, mottien, Stad-Groningsch kuichien, mōttien, Ommelanden kouke, mōtje. Het Zuid-Holland heeft o.a. Margie, Janniggie, Willempie.
chie (Hoogezand) = chien (Stad-Groningsch); verkleiningsuitg. bv. aichie, spullechie, rellechie, rōllechie, kōmmechie, trōmmechie, kannechie, mannechie, koarchie, Hillechie, Marchie, enz.; aichien, enz.
dien (Stad-Groningsch) als verkleiningsuitgang voor: tje, bv. oaldien, je oaldien, moandien, moaldien, loandien, peerdien, hoandien, moedien, hoardien, enz. Of ien voor: je, als het woord op d of t eindigt.: bandien, geudien, (gootje), schoedien, kindien, mandien, (mandje, en: mannetje), pōddien (= pōtje, zuigeling), rödien (ratje), stroadien, enz.
tje. Zeer gewoon is de achtervoeging er van bij het opspelen eener kaart, inz. voor lagere kaarten; ’n schuppentje, ’n roetentje, enz. Zie: je. (tje, Nederlandsch je hoort men meest achter eene k, behalve te Groningen, Hoogezand en omstreken, waar men ien, en: ie gebruikt, in allen gevalle wanneer de woorden eenigszins duidelijk worden uitgesproken.)
-um, um, uitgang van plaatsnamen, voor: hum, heim, Hoogduitsch Heim, ook Oostfriesch. Zie: hijm.
-weer, weer, als uitgang van plaatsnamen: Mensingeweer, Garrelsweer, Borgsweer, Tjamsweer, Kiel-Windeweer, dorpen, en: Abbeweer, Geefsweer, Krangeweer, Menkeweer, Winneweer, buurtschappen of enkele boerderijen. In het ampt Emden, het oude Emsgau treft men er ook vele aan, uitgaande op: wêr, wer, wehr of werum. – Ten Doornkaat zegt: Het beteekent waarschijnlijk een tegen het water opgeworpen dam of vluchtheuvel, daar al die opgenoemde (Oostfriesche) buurtschappen en dorpen op hoogten, door de natuur of door menschenhanden opgeworpen, gebouwd zijn. – Daar dit niet het geval is met onze plaatsen, en de uitgang weer niet met werd gelijk gesteld kan worden, zal zijne bewering dat het ook één kan zijn met het Hoogduitsche Wehr, Middel-Hoogduitsch were, wer = dam in een water om voor overstrooming te beveiligen, wel de rechte wezen, en zou dan gebracht moeten worden tot het Gothische varjan, Oud-Hoogduitsch warjan, Oud-Saksisch werjen, waarvan ook het Oud-Hoogduitsch wari, weri, Oud-Friesch wara, wera, en wel in de beteekenis: iets dat tot tegenhouden, afweren, beschutten moet dienen, onverschillig of dit een door de natuur of door kunst opgeworpene hoogte of eenig waterwerk is. Zie aldaar art. wêr 3. Vgl. ook: Driessen Mon. Gron. bl. 70 en 245, alsmede: weer 3, bij v. Dale.
a, oa, Deze klank, die de open a moet vertegenwoordigen, wordt in de Ommelanden het minst volmondig uitgesproken en grenst soms bijna aan de o in los, enz. – Niet altijd echter is die a door oa te vervangen; uitzonderingen hierop zijn: De onvoltooid verleden tijd. meervoud der werkwoorden: eten, geven, lezen, zitten, vreten, breken, steken, bevelen, bidden, begeven, vergeven, halen, klagen, komen, liggen, meten, stelen, maken (Grijpskerk moek), praten, treden, zijn. – Voorts: aardappel (eerappel, eerdappel); aalbes (albeer met de samenstellingen) adres (addres); aan (an, in alle samenstellingen) aanvaarden (anveerden); academie (akkedemie); abrikoos (appelkoos); agurkje (augurkje); anijs (annies); aarde (eerde, eer, soorten van aarde); April (Appril); apotheek (aptijk); apart (appart); begrafenis (begraffenis); barak (brak); balans (belans); balein (belien); braken (breken, vomeeren); damast (demast); familie (fermilie); gaat (gait); gaatje (gatje); gapen (gappen); gaarn (geern); glaasje (glaske; glassie, glassien); haar (heur); haard (heerd); japon (jepon); kanaal ( kenoal); kanarievogel (kenarrievogel); Kaakheem, (Kokhijm, Kokhaim); kanon (kenon); kapitein (kaptain); katoen (ketoen); katrol (ketrol); kazerne (kezern); koralen (krallen), kaas (kees, keeze); klateren (klettêrn); kapittelen (kepittêln); kapitaal (kaptoal); kaars (keers, keerse); karel (kerel); kameraad (kamroad); kaneel (kenijl, kenail); kapelaan (kappeloan); kapuitsmuts (kepoetsmuts); kapittel (kepittel); kajuit (kejuut); karaf (kraf, kraft); kabaal (keboal); laag (leeg); lagerwal (leegerwal); laars (leers); lantaarn (lanteern); lawaai (lewai); Latijn (Letien); magazijn (maggezien); matras (metras); matroos (metroos); mama (màmmà); madeliefje (melijfke); manier (menijr); Maart (Meert); Maarten (Meerten, Marten); naald (nal); navel (naffel, navvel); nachtegaal (nachtegal); opzamelen (opsammelen); paars (pèrs); paard (peerd); papier (pampier, pōmpier); praten (Oldampt proten); papa (pappe); papegaai (pappegoai); patroon (petroon); patent (petent); pokdaal (pokdel); plateel (plàtijl); paleis (pelais); patrijs (petries); rapalje (repalje); parel (perel); paadje (padje); raadje (radje); satijn (setien); schateren (schattêrn; schottêrn); schavot (schevot); Spaansch (Spaas); staat (stait); smalen (smeelen); staart (steert); tapijt (tepiet); twaalf (twalven, twalm); vaars (veers); vacantie (verkansie); vaardig (veerdig); vagen (vegen); verlagen (verleegen); zwaluw (swalfke); zwavel (swevel); zwaard (sweerd); zamelen (sammeln); waden (wadden); waard (weerd); zwavel (swevel); zwavelen (sweveln). In enkele woorden neemt het Groningsch dien klank aan voor de onvolkomen a, e, enz.: koar = kar, kruikar; anvoaten = aanvatten; Lijwoarden = Leeuwarden; te voat komen = vat krijgen; woat = wrat; oakster = ekster; stoal = steel; koap = kobbe; sproa = spreeuw. In den tweeklank aai behoudt de oa dien klank in: toai, soai, (bijvoeglijk naamwoord), poaien; overigens wordt hij: ai; zie: ai 2.
a, a, vóór l klinkt bij velen als o: al luidt als ol, als als ols, enz. Dit zelfde wordt in West-Vlaanderen opgemerkt.
a, a, vóór n = ai gevolgd door je of ke: mainje, kainje, panje, painje, prainje, enz. waarvoor ook geschreven wordt: maanje, kaanje, enz. = mannetje, kannetje, enz.
a, a, De onvolkomen a wordt in sommige deelen onzer provincie met eenige wijziging, zweemende naar aa, uitgesproken. Dit is o.a. het geval in ’t Oldampt (met name in de Veenkoloniën), in ’t Westerkwartier en op ’t Hoogeland. In het tooneelstuk: Oneerlek kregen (Hoogeland) komt o.a. voor: wat van aan (= wat van an); verstaand; aalgemijn; aallijn; aalmaal; waas (= was); aarm (= arm); aagste (achtste); belaang (belang); ’t laand (’t land); aalles (alles); laast (last); haals (hals); U. Wierda schrijft: sneibalen (sneeuwballen); walen (wallen); ale (alle). In het tooneelstuk: ’n Olle rōt in de vaal (Westerkwartier): haalve (halve); tongvaal; harbaarg; ofstaand (afstand); aal (al); Haarm (Harm); maarken (merken); haart (hart); daank (dank); aandere (andere); haalf (half); kaalm (kalm); staark (sterk), Goudschaal (Oldampt): kaaiern (kaiern, wandelen); schaande (schande); Hazewinkel (Veendam): staark, waark. Reinkingh: aan koop (= an koop). – Daar deze aa geenszins met de Nederlandsche open a gelijkluidend is, maar alleen door eene langzame, slepende, lijmige, eenigszins door den neus voortgebrachte uitspraak ontstaat, zou a met een teeken wellicht beter aan het doel beantwoorden; H. Bouman maakt in zulke gevallen gebruik van het kapje. Daar de lengte dezer a zeer afhankelijk is van de volgende letter, moeten wij die uitspraak tot de min zuivere rekenen; in ’t Goorecht en Fivelgoo wordt zij niet gehoord. Eene vergelijking met de Friesche â, die echter meer door den neus wordt uitgesproken, zou niet ongepast zijn. In sommige streken van Drente, alsmede in Noord-Brabant en Zuid-Nederland neemt men deze klankwijziging waar.
a bah, àbà!, zooveel als: dat is vuiligheid, blijf er af! tegen kleine kinderen gezegd. Zie: à 3.
à propos, apperpo!, ’t Fransche a-propos; Amsterdamsch apperpo, Limburg apperpoä.
a-b-boek, oabébouk, abcboek. Vergelijking: wangen as’n oabébouk = schraal, mager, hoekig van gezicht.
aai, ai, (zelfstandig naamwoord) = aai; zie: aien.
aai, oai, Deze klank komt alleen voor in: oaie, boai, soai, toai, voai, froai, poaien. Zie ook: oaie.
aai, ai, voor Nederlandsch aai; maien (maaien); draien (draaien); naien (naaien); kraien (kraaien); praien (praaien); zaien (zaaien); haien (haaien); waien (waaien); ai (aai, van: aaien); aien (aaien). Ook met alle afleidsels en samenstellingen.
aaien, aien, aaien, zacht streelen; spottend voor: niet sterk genoeg wrijven bij het schuren, enz. Oostfriesch eien, eijen = streelen, liefkoozen, aaien.
aal, oal, aal, en: paling; als verzamelwoord onzijdig. Vergelijking: hij ’s zoo glad as ’n oal = ’t is een gladde kerel, een bekwaam, kundig, knap man, vooral: hij heeft eene gladde tong, weet zich er altijd door te slaan. Oostfriesch: so glad as ’n âl, so glei as’n slange (in ’t verkeer met anderen); (v. Dale: aalglad = zeer glad; ook fig., en: hij is zoo glad als een aal = hij is doodarm.)
aalbes, albeer, (meervoud albeern, en: albeerns) = aalbes; albeernnat = bessennat; albeernwien = bessenwijn; albeernbōs, albeernboom = aalbessenboom Drentsch albeer, albeere; Hoogduitsch Beeren = bessen; Oostfriesch albêje = aalbes; Holsteinsch aalbesint = zwarte aalbes, Middel-Nederduitsch albere. Vgl. Gr.Wbk. en ten Doornk. i.v. aalbes, en: albêje. – bosch, voor: struik, heg; vgl. Richt. 6; 25; 9:15; Exod. 3:2.
aalbessenboom, albeernboom, zie: albeer.
aalbessenbos, albeernbos, zie: albeer.
aalbessennat, albeernnat, zie: albeer.
aalbessenwijn, albeernwien, zie: albeer.
aalkopaftrekkerij, oalkopoftrekkerei, zie: oaltrekkerei
aalstekel, oalstiekel, Scheeren, Kaarden, Stratiotes aloïdes; v. Hall Neerl. Plantensch. bl. 215.
aaltok, oaltoek, zie: toeken.
aaltokken, oaltoeken, zie: toeken.
aaltrekkerij, oaltrekkerei, vooral vroeger een zeer geliefkoosd, ofschoon zeer barbaarsch volksvermaak. “Om poask har we bie ons oalkopoftrekkerei had, en doar har’ ’k ’n maid besnoven!”
aambeeld, ambolt, aambeeld of het betere oanbeeld; Oostfriesch, Nedersaksisch, Noordfriesch, Deensch ambolt, Hoogduitsch Ambosz, Middel-Hoogduitsch anebôz, anbôz, Angel-Saksisch anfilt, Engelsch anvil, Kil. aenbold.
aamt, oam, gezwollenheid van den uier eener koe, wat vooral voorkomt kort na ’t kalven, bij v. Dale aamt. Samengetrokken uit: adem; oam in ’t joar hebben = aan die ongesteldheid lijdende zijn.
aan, an, term bij het dekken met stroo of riet. De dekker roept aan zijn helper, tegennaier, omdat hij moet tegennaien, nl. aan den binnenkant den draad bevestigen, enz.: an! wanneer de draad vast zit; is de schoof (of: zijn de schooven) naar eisch gelegd en wordt zij door den draad vast geknepen, dan roept hij: biezet! (bijgezet), en is de draad dan op nieuw vastgemaakt: weg! (ga verder).
aan, an, aan, ook in alle samenstellingen; ’t het ’r an, of: – wèl an (’t heeft er wel aan) = ’t zel zien bezijn hebben (’t zal zijn bezien hebben) = er valt wel iets op af te dingen, ’t is zoo zeker niet; ’t gelag is an = het bestelde, of: het bijeengebrachte geld is verteerd; ’t is ’t ’r altied op en an = – op en weg = zij hebben nooit iets bespaard, ook: geen goederen, bv. kruidenierswaren, in voorraad; is niks van an = ’t is niet waar, ’t is een leugen; ’k heb niks an mie = ik ben geheel zuiver van ongemak (luizen); ’t land is an, of: anboud = - uitgebouwd en heeft daarom behoefte aan mest of rust, enz.; de vreierei is an = de verkeering duurt nog voort; ’t wel an tied hebben = tijd genoeg hebben; zich ’t wel an tied doun = iets zonder overhaasting verrichten, er den tijd voor nemen; hest hōm nijt an west = gij hebt den knikker, noot, enz. niet geraakt; ie maggen narns ankomen = gij moogt niets aanraken; wie hebben narns an west = wij hebben nergens gepleisterd; ik heb hōm d’r over an west = heb hem erover gesproken; ook: - om verzocht; zij goan an ’t eten = zij gaan aan den maaltijd; goat moar an ’t eten = gaat maar aan tafel. Zoo ook: oan ’t schrieven, visken, swemmen, enz. goan. – hij ken hōm wel an = is sterker dan zijne tegenpartij; hij duurt ’t wel an (nl. zijn geld) = hij is niet spaarzaam, eerder verkwistend; altied an = onophoudelijk; hij zit ’r an = heeft proces-verbaal gekregen; ’t zit ’r nijt an = wij kunnen ons die uitgaaf niet veroorloven; ’t zit ’r wel an = zij kunnen dat wel doen, zij hebben geld genoeg (ook elders); bie ons an hoes = bij ons thuis; an de grond liggen = tegen den grond gesmeten zijn, en fig.: aan lagerwal zijn; dei kant an = dien kant op, of: uit; oostan = oostwaarts van ons; niks an (iets) hebben = niets daarvan in eigendom bezitten; nog ’n joar an hebben = nog een jaar huurder van het land zijn; is niks an = ’t bevalt niet, ’t is vervelend; hij komt mie an = hij raakt mij aan; an en van de stad (of: van ’t loug) wonen = wel buiten, maar toch in de onmiddellijke nabijheid van de stad (of van de kom van het dorp); an langs (of: lans), pleonasme voor: langs, in: an langs slieren; hij lopt ’r stoef an langs = onmiddellijk langs (bv.) dat huis; wie kennen d’r nijt an eten, bv. van vruchten in den tuin, zooveel als: wij hebben er te veel van, meer dan wij kunnen gebruiken; hij was mie an om geld = hij wilde geld van mij leenen; an kerk wezen = lid zijn van een kerkgenootschap; nijt an hebben = uit verkiezing weinig kleeren dragen, niet zooveel aan ’t lijf hebben om tegen de koude te beschutten, te dun gekleed gaan; hij wōl d’r nijt an = daartoe was hij niet te bewegen, en eig.: hij wilde niet bijten; zij ’s hoog an = zij is boven haren stand getrouwd, en ook: zij dient bij groote lui; de kinder bin altemoal goud an = zij zijn allen goed af, zij hebben een goed huwelijk gedaan; doar mout ’t moar op an = daar moeten wij ’t maar op aanhouden, dat, of: die moeten wij maar kiezen; an de gulden, enz. = bijna een gulden; hij ’s nijt an west = hij heeft geen deel genomen aan het Avondmaal; Spreekwoord: Zoo d’r an zoo d’r van = ’t Nederlandsche Zoo gewonnen, zoo geronnen. Zie ook aa, en: an tou; Middel-Nederlandsch an, aen, voorz. en bijwoord; West-Vl. an = aan, ook Saks. Hoogduitsch Friesch Oud-Hollandsch.
voor, in: doar hei geliek an; ’k heb d’r gijn zin an, enz.
(aan), overtollig in: veur kerktied an = vóór kerktijd.
an en van, voor: te huis en van huis: oom is gedurig an en van = oom heeft buiten ’s huis vele bezigheden.
aan toe, an - tou, tot aan, tot; an de hoanebalken tou = tot aan de hanebalken, an Midwinter tou = tot Kersttijd; wie zellen moar wachten an moandag tou = wij willen wachten tot maandag; ’k bin d’r nog nijt an tou = ik ben nog zoover niet, ook: kon het totnogtoe niet wachten; ’k heb t’r nog nijt an tou = ik heb er nog geene behoefte aan, bv. om te trouwen; t’r dik an tou hebben = sterk verlangen, hunkeren naar iets; an acht uur tou op ber liggen (of: leggen) = tot acht uur slapen; ’k bin an ’n paar neie schounen tou = ik moet nieuwe schoenen hebben; “hij wōs doarom vort wel woar ’t nō an tou was” = hij wist nu dadelijk waarom ’t mij te doen was; as ’t’r an tou is den is hij d’r nijt = als het op handelen aankomt dan trekt hij zich steeds terug; ook Drentsch.
aan toe, antou, (klemtoon op: an) = dicht aan toe; ’t is antou dat ze komen = zij komen aanstonds; ’t is antou tien uur = ’t is op slag van tien, kort bij tienen, Geldersch antoe, Oostfriesch anto = bijna. Vgl. bieof, bitou, bieveuren.
aanarbeiden, anarbaiden, Alleen het verleden deelwoord is in gebruik, behalve de gewone beteekenis van: aanarbeiden = doorwerken; ’k bin anarbaid = ’k heb mijne taak afgewerkt, eigenlijk: ik ben aan het einde van mijn’ arbeid. Vgl. anbraid.
aanbakken, anbakken, aankleven, kleven, (ook Oostfriesch, Holsteinsch, Westfaalsch, Hoogduitsch); ’t is anbakt, fig. = ’t is van vrijen tot trouwen gekomen; eig.: de snei bakt an; teer bakt an, enz.
aanbakkeren, anbakkern, aanslimmeren. Wordt gezegd van eene vrijage welke op een huwelijk schijnt uit te loopen.
aanbegin, anbegun, het eerste begin, bv. van kousen die men wil breien; ’k heb ’n anbegun.
aanbetalen, anbetoalen, (waarvan bijna alleen het deelwoord in gebruik is); hij ’s anbetoald = heeft het verschuldigde, belasting of huishuur, tot heden aangezuiverd.
aanbeteren, anbetern, toenemen in beterschap, herstellende zijn, bij voortduring; ’t betert mooi an, of: hij of zij betert mooi an. (v. Dale: aanbeteren = beginnen te beteren.)
aanbieden, anboden, aangeboden, verleden deelwoord van aanbieden, (dat in deze beteekenis niet voorkomt) = tot eene zekere hoogte bieden; hij ’s anboden = wil niet meer geven en scheidt daarom uit met bieden, nl. bij eene verkooping; hij ’s oarîg dicht anboden = is bijna de hoogste bieder geweest, ’t had weinig gescheeld of hij was kooper geworden. De klemtoon valt op bo, in: da ’s goud anboden = dat is een vriendelijk aanbod; ’t wordt ijn nijt alle doag anboden = de gelegenheid is te verlokkend om er geen gebruik van te maken. Spreekwoord: Anboden (klemtoon op an) dijnsten bin onweerdig, of: - wor’n nijt rekend, zooveel als (altijd schertsend): van mijne goedheid verkiest gij geen gebruik te maken, de menschen zijn toch ondankbaar. Friesch: Oanbeane tsjinsten binnen selden goed. Oostfriesch: Anboden denst is selden wârdig.
aanbiezen, anbirzen, hard, onstuimig komen aanloopen: doar komt de hond anbirzen. Zie: birzen.
aanbinden, anbinden, anbinnen, anbienden, anbienen, in: ’t vour anbinden, eig. ’t voer door middel van hooiboom en touwen samenpersen en zoodoende bevestigen; fig. = eene zaak op touw zetten en doordrijven, zooveel als, in goeden zin: de kat de bel aanbinden.
aanblijven, anblieven, brandende blijven van eene lamp, een vuur, enz.; ook = aanblijven van personen bij een’ wedstrijd, of van paarden bij eene harddraverij; hij ’s lank anbleven = behoorde tot de laatste mededingers, zonder echter prijs of premie te behalen.
aanboeien, anboiën, anbuien, Stad-Groningsch anbuien = kleeden, aankleeden; oetboiën = uitkleeden, ontkleeden. – anboiën wordt ook gebruikt in den zin van: gerieven, tegen betaling of vergoeding van het noodige voorzien. (Deze beteekenis wordt gemakkelijk uit de eerste afgeleid.) vgl. touboiën. (Swaagman schrijft: anboijen, oetboijen, boijen, touboijen. Wij voegen hierbij dat boiën tot ééne lettergreep wordt samengetrokken.) Bij Hooft: opboeien, van schepen = optuigen; v. Dale: boeien, opboeien = bekleden van een schip; v. Lennep: boeien, opboeien = het scheepsboord met planken hooger maken; Noordfriesch boje, tabojen, taboje = toebereiden, toerusten, opschikken, kleeden.
aanboeten, anbuiten, aanleggen van vuur aan den haard; ’k heb ’n vuur anböt = ik heb een turfvuur aangelegd; hij het ’t vuurtje anböt, fig. = heeft den twist opgestookt, of ook: is de aanlegger er van. (De ui klinkt als in: druif, gruis, enz.) Drentsch aanbeuten, Overijselsch anbuten, Oostfriesch anböten, Nedersaksisch böten, Westfaalsch anbaiten. Zie: buiten.
aanbreien, anbraiden, aanbreien, stukken aan kousen breien.
aanbreken, anbreken, beginnen met gebruik te maken van iets wat totdusver in zijn geheel was gebleven; wie zellen dat kistje sigoaren anbreken; zoo ook: ’n pot botter, ’n vles wien, ’n Edammer keeske, enz. Hiervan: anbroken kistje, vles, enz. De West-Vlamingen zeggen: aantrekken
aanbrengavond, aanbrengelavond, zie: aanbrengeldag.
aanbrengdag, aanbrengeldag, aanbrengelavond, een rechtsdag van 13 kerspelen of marken in Goorecht, waarop de misdrijven moesten worden aangegeven door de 13 achtsmannen. Reeds lang verouderd. Vgl. drinkeldobbe.
aanbrengen, anbrengen, aanklagen, aangeven bij de politie of justitie; ’t is anbrocht = het misdrijf zal vervolgd worden.
voor: volbrengen, uitvoeren; zij kennen ’t wark wel anbrengen = zij hebben het niet druk, met het oog op huiselijke bezigheden; hij het de rais weer anbrocht = is weer terug van de reis.
leveren, opleveren; disse regen brengt nijt veul woater an.
voor: opleiden, africhten, geschikt maken; die olle meester het al ’n hijlbult ondermeesters anbrocht; zij het dat dijnstmaiske anbrocht.
aandacht, andacht, in: gouie andacht! dat den kerkgangers wordt toegewenscht door de thuisblijvenden; ook OverijselschKil. aendacht, Hooft aandacht = godsdienstige of vrome overdenking, biddende overpeinzing; Middel-Hoogduitsch andâht, Hoogduitsch Andacht. Zie Ned. Hist. fol. 602, 7, 32. (In deze beteekenis wordt: aandacht, door Siegenbeek als plat Germanisme verworpen, maar door de Jager en Koenen verdedigd.) Taalk. Mag. 1855 p 43; Gr. Wbk. kol. 31.
aandienen, andijnen, aandienen. Vroeger, want het is wellicht thans geheel in onbruik, lieten de zoons van landbouwers en andere welgestelden, ’t andijnen bij de ouders van het meisje, dat zij tot vrouw wenschten, bij monde van een vertrouwd vriend. Dit was zooveel als verlof vragen naar haar te mogen vrijen; werd dit toegestaan dan mocht hij opkomen. Eigenlijk dus: ’t andijnen loaten = zich laten aandienen; ’t andijnen loaten, ’n verziete andijnen (eene visite aandienen), zooveel als: belet laten vragen, ongeveer in dezen vorm: groutenis van onze volk en as joe ’t schikte wôllen ze zöndagoavend bie joe komen; zij het ’t bie Bôrgman andijnen loaten = heeft zich aangemeld om daar te dienen. Oostfriesch andeenen = aanmelden van een bezoek.
aandij, andei, het grooter en dikker worden, van jonge runderen en ook van lammeren gezegd; men het de andei tou = het dier groeit en krijgt daardoor meer waarde; toudei noemt men dit als men op het: nog vetter worden, doelt; weldei = voorspoedige groei. Spreekwoord: Speiers bin deiers, bij Weil. Spugende kinderen, Dijende kinderen; Noord-Holland Spijers bin bedijers; Oostfriesch ’n Spêi-kind, – ’n dêi-kind, ook: ’n Spejend kind, – ’n dejend kind, en: Kinner, de spêen, pleggen to dêen, alsook: Spêikinner, Dêikinner; Holsteinsch Speekind Deekind; Ditmarssum Spiekind, Diekind; Aken Speie Kenger, gedeite Kenger. – deien staat voor: dijgen (Friesch dijen) als reien voor: rijgen; zeien, voor: zijgen, en = uitzetten, toenemen in omvang. (v. Dale: dijen = uitdijen, Groningsch oetdeien.)
aandobbe, andob, andobbe, begin, aanleg; aanleiding, gelegenheid; de andob, van eene boerderij, zooveel als: de aanleg van het geheele gebouw met den tuin; gijn andob kennen kriegen = geene gelegenheid vinden om iets ter sprake te brengen; hij’s t’r andob an (Langewold) = heeft er wat mede te maken; “Kiender haren nou andob om sneihoezen en sneikerels te maoken of kander mit sneiballen te gooien of ien te zaipen.” Spreekwoord: Andobd is ’n doalder weerd = ’n Goud begun is ’n doalder weerd = De eerste slag is een daalder waard (Harreb.), Nederlandsch Een goed begin is groot gewin. Oostfriesch andobb = de eerste stoot of aanleiding. Van het Oud-Friesche dubba = stooten, duwen.
aandoeken, andoeken, andouken, rusten van een kind tegen de borst of wang der moeder: doek mie moar an, lijvert (of doek mie moar an, laive), zegt zij tegen den kleine, en troetelend drukt zij het, onder den zachten uitroep van: doekedoekedoeke, tegen de borst. (Bij Auwen: andouken = vrijen, kussen.) Is: doeke hier zooveel als ’t Oostfriesch düke, dûke, dûk, ons doetje, Friesch tuutsje = kus, dan is: doeken (= doetjen) = kussen, en andoeken = tegen de wang kussen. Oostfriesch andoeken = aan eens anderen borst leunen, Nedersaksisch bibukken.
aandoen, andoun, (= aandoen) = doen stilstaan; hij het mie op stroat andoan = hij heeft mij op straat aangesproken; andoun van eene deur = ze op eene kier zetten.
aandonderen, andundern, (= aandonderen), in: ’t dundert de hijle dag an = het dondert den ganschen dag. Zoo ook: anregen (aanregenen), ansneien (aansneeuwen), enz.
aandraaien, andraid, (verleden deelwoord van: aandraaien), in: slap andraid wezen = wat sulachtig, onnoozel zijn, tegengestelde van flink, ferm. Ook van iemand, die geen stevigen, vasten gang heeft. – Aan eene schroef ontleend.
aandrinken, andrinken, zie: anëten.
aandurven, anduren, aandurven; d’r wel op anduren = den dood niet vreezen, van een stervende gezegd; ook Drentsch; op iets anduren (in ’t algemeen) = iets durven ondernemen; iemand anduren = hem durven staan, niet bang voor hem zijn; op iemand anduren = hem (of: haar) wel durven huren of in ’t werk nemen; iets anduren = het niet ontzien, er niet zuinig op zijn, nl. op geld en kleeren. Zie: an, en: duren.
aaneten, anëten, ook: ankauen (aankauwen) = niet treuzelen bij ’t eten; ie mouten wat anëten = ie mouten vôrtmoaken mit eten. Zoo ook: andrinken, anloopen, enz.
aanfleren, anfleeren, aanbrengen, verklikken. Zie: fleeren.
aangaan, angoan, leven maken, razen, tieren; ie mouten nijt zoo angoan, voader slept = gij moet u wat stil houden, vader slaapt; zij goan d’r tegenan (Westerkwartier) = zij (de kinderen) maken een helsch leven; angoan op iemand (of op iets) = in zijne afwezigheid op hem razen, vloeken of kwaad van hem spreken. Vergelijking: angoan as ’n ketelbuiter.
beginnen; de kerk gait bie ons om 9 uur an = de godsdienstoefening begint bij ons te 9 uur; ook Noord-Brabant; ’t ken nog krekt angoan = er is nog juist tijd genoeg voor; mörn zel ’t angoan = morgen zal men er mee beginnen; mie dunkt ’t mōs moar angoan = (de reis, de koop, enz.) moest maar doorgaan; dat mout angoan = dat moeten wij doen, dat moet uitgevoerd worden. Middel-Hoogduitsch angân; Angel-Saksisch anginnan, Gothisch anginnen = beginnen.
(= bezoeken); bij iemand angoan = hem ter loops een bezoek brengen, even bij hem ingaan om hem te spreken, enz.; ook Oostfriesch Vgl. aanloopen bij v. Dale.
voor: schelen, deren; ’t is hōm guster angoan = hij is gisteren ziek geworden; ook Drentsch: wat gaitie an? (wat gaat u aan) = wat scheelt je toch! zegt men tegen iemand die iets zonderlings zegt of doet. In ’t Nederlandsch zoo goed als verouderd, en te vergelijken met: ’t komt hōm an.
in: ’t gait altied an = daar komt geen eind aan, ’t houdt niet op, als het nl. iets is dat ons last aandoet of verveelt.
in: ongewoonte angoan = in minder aangename omstandigheden komen. Minder algemeen komt het in gunstigen zin voor; doar ken ’t best angoan = daar is eene goede gelegenheid.
overgaan, van eene bel; schel is nijt angoan.
voor: bezitter er van zijn; dei winkel gait hōm an = hij is eigenaar van dien winkel.
aangapen, angappen, aangapen; wat dut dei kerel mie zoo an te gappen!
aangeboet, anböt, aangelegd; zie: anbuiten.
aangebonden, anbōnnen, zie: verbōnden.
aangebonden, anbōnden, anbōnnen, zie: verbōnden.
aangebouwd, anboud, (aangebouwd); zie: an. Het werkwoord is niet in gebruik.
aangebreid, anbraid, (het werkwoord anbraiden is niet in gebruik), in: ’k bin anbraid = ik heb al het breiwerk af, er valt dus voor het oogenblik niets voor mij te breien. anbraide hoos, hoze, kous, waarvan het onderste deel vernieuwd is; fig. voor: weduwe, mits er van een huwelijk sprake is; ’k wōl gijn anbraide hoze hebben, moet de vrijer dan wel eens hooren.
aangebroken, anbroken, in gebruik gesteld, enz. in: ’n anbroken vles, enz. Zie: anbreken.
aangedobd, andobd, verleden deelwoord van het niet gebruikelijke andobben. Zie: andob.
aangehaald, anhoald, wezen met iets wat ons last veroorzaakt = aangehaald zijn bv. met kiespijn, hoofdpijn, zinkings, enz. Zooveel als: daaraan dikwijls lijden. – ankled heeft de ongunstigste beteekenis: hij is t’r moar mooi mit ankled = is er maar leelijk mee opgescheept. Oostfriesch anhaalt, anhâld = verlegen zijn met iets. Zie ook Gr.Wbk. art. aanhalen. Zie ook: biekomen.
aangekeurd, ankeurd, (verleden deelwoord van het niet gebruikelijke ankeuren); ankeurd wezen = goedgekeurd zijn als dekhengst, toen nl. die keuring nog eene provinciale instelling was.
aangekleed, ankled, zie: anhoald.
aangenaaid, annaid, aangenaaid; ’k bin nooit annaid, zegt de ordelijke huismoeder, zooveel als: altijd is er overvloed van naaiwerk in eene huishouding. Vgl. anbraid.
aangenomen, annomen, aangenomen; hij het ’t weer annomen = hij heeft het weer op ’t lijf, heeft zulk eene bui, bv. om te schreien, pruilen, pruttelen, gekscheren, plagen, enz.; annomen wark hebben, zegt men ook schertsend van iemand die iets te haastig doet, als wilde hij zich er afmaken; hij ’s in annomen wark = hij heeft dat werk aangenomen. “Dei kerel mit zien leutje fioul fiedelde en zaogde net of he ien annomen wark was.”
aangeschoten, anschoten, (= aangeschoten) = een weinig dronken. Van: aanschieten, eig. = licht kwetsen door een schot.
aangestoken, anstoken, voor: onhandelbaar, redeloos, als bezeten. Zie ook: doen.
aangetrokken, antrōkken, gekleed; ik bin d’r op antrōkken = ik heb mij daarop dat is naar de gegeven omstandigheden gekleed. – Verleden deelwoord van: aantrekken = aandoen, kleeden, dat in die beteekenis niet gebruikt wordt.
aangeven, angeven, voor: ophouden, staken, uitscheiden met werken; wie zellen ’t’r moar angeven = wij willen maar ophouden met het werk; hij het zien winkel d’r angeven = hij heeft zijn winkel van de hand gedaan. Staat voor: opgeven. (Bij v. Dale: ik geef het er aan = ik houd er mede op. Evenwel niet: aangeven, in die betekenis.)
(zich) aanmelden als loteling; ’n kind angeven = de geboorte van een kind bij den burgerlijken stand opgeven; ook als doopeling bij den predikant of koster. Staat voor: opgeven ter inschrijving.
voor: inspannen, zich beijveren om iets te leeren: de jong het zōk goud angeven = de jongen heeft ijverig gewerkt.
aangewassen vet, anwōssen vet, (aangewassen vet) = het vet van een stuk rundvleesch ter onderscheiding van dat der nierbedden.
aangezet, anzet, (alleen is het deelwoord in gebruik), voor: een weinig aangebrand (v. Dale: zich aanzetten = licht aanbranden van spijzen.)
aangloeien, anglennen, beginnen te gloeien, Nederlandsch aanglimmen, aangloeien. Vgl. glen.
aangluipen, angloepen, zie: gloepen.
aangrenzende familie, angrenzende femilie, angrenzende fermilie, verre familie door aanhuwelijking; dei grenzen nijt an ons = zij zijn ons geheel vreemd.
aangrijpen, angriepen, aangrijpen; ’t gript mie an, zegt de huisvrouw, als er veel werk ongedaan blijft of niet naar haren zin wordt verricht.
aanguizen, angoezen, zie: goezen.
aanhalen, anhoalen, ook: anroupen (aanroepen) = afhalen, om bv. mee te gaan wandelen. (v. Dale: aanroepen = afhalen in het voorbijgaan; weinig gebruikelijk.)
(een ander) tot zich trekken door vriendelijke bejegening, enz.; ’t kind wil anhoald wor’n = het kind verlangt dat men zich met hem bemoeit, hem aanhaalt.
verkrijgen, bekomen; is gijn biekomen an = ’t is voor ons te duur, dat kunnen wij niet koopen. (Staat voor: bijkomen, in de beteekenis van: tot zoover kunnen reiken.) Vgl. bekomen. (v. Dale: er is geen aankomen aan.)
aanhaling, anhoalings, meervoud van anhoaling = aanhaling; onze kemiezen hebben van nacht weer twei anhoalings doan.
aanharen, anhoaren, scherpen van de zeis. Zie: hoartuug.
aanharken, anharken, de paden in den tuin harken, bij v. Dale afharken; soaterdags mout de toen anharkt wor’n.
aanheling, anheling, bij Halsema: dichtmaking van pannen aan den gevel.
aanhemelen, anhemmeln, anhimmeln, zie: hemmeln.
aanhemelen, anhemmeld, (deelwoord van: anhemmeln), in: ’k bin d’r mooi mit anhemmeld = daar zit ik mooi mee opgescheept, bv. met een persoon of met een lastigen arbeid; ’k bin d’r de hijle dag mit anhemmeld = aan dat werk moet ik den geheelen dag besteden, ik kan niets anders uitrichten; ’k bin anhemmeld = ik heb geen geld meer in den zak. Zie: hemmeln.
aanhitsen, anhissen, zie: hissen.
aanhoorder, anheurders, toehoorders, bij eene predicatie, uitmakende eene commissie eener vacante gemeente; bin anheurders ien kerk west = er zijn vreemden uit eene vacante gemeente in de kerk geweest om onzen predikant te hooren; ook Drentsch.
aanhoren, anheuren, (klemtoon op: heu) = toehoren. Ook = terugkomen om nadere berichten of besluiten te vernemen: ie mouten moar ijs weer anheuren. (klemtoon op: an).
aanhoud, anholt, (aanhoud) hebben = onder vreemden een huis hebben waar men altijd welkom is, waar men zich thuis kan gevoelen; ’k heb doar ’n bult anholt had = in dat huis heb ik veel vriendschap genoten; ook DrentschHooft aanhoudt = toef, wijk- verblijfplaats; zonder huis, zonder hof, zonder aanhoudt.; Friesch oanhâld = gastvrije woning; steun, gezelligheid. – aanhoud, vroeger = rustplaats, wijkplaats, thans verouderd – Ook in de beteekenis van: steun, hulp, gezelligheid: hij is zien anholt kwiet, zegt men bv. als de man zijne vrouw heeft verloren, of omgekeerd.
aanhouden, anhollên, (pleisteren) = op reis eene herberg ingaan of er met rijtuig stilhouden. Zie ook: oethollên.
(aanhouden) = aanfokken van vee, en zooveel als: niet verkoopen of mesten van kalvers.
iemand zóó behandelen dat hij spoedig terugkomt; synoniem met anhoalen 2; zie aldaar.
aanhouden; zij hebben lank anhollên = dat feest, die vergadering, enz. heeft lang geduurd, ’t is laat geworden; ’t ken nog wel wat anhoalen = het duurt wellicht nog eenigen tijd, bv. eer zij komen.; Vgl. oethollên.
duren, Nederlandsch aanloopen.
in: ’t vuur anhollên = ’t vuur brandende houden, ter onderscheiding van: het laten uitgaan.
aanhouder, anholder, iemand die aanhoudt, volhardt, in het Spreekwoord: De anholder wint, inzonderheid met betrekking tot een verzoek, en zooveel als: aanhouden doet verkrijgen.
aanjenzen, anjensen, aanjensen, (Hoogeland) = aansjorren, iets stijver vastbinden door het aantrekken der touwen waarmede iets gebonden is; ook spreekt men van: wiggen anjensen.
aanjuk, anjuk, het kortste eind van den spoorstok (zie aldaar) bij boerenwagens, waaraan de strengen geknoopt worden, zoodat het werkt als de kortste arm eener balans. Het paard dat aan dien kant loopt heeft het anjuk, moet het anjuk trekken; – ’t anjuk mouten droagen, fig. = het grootste deel van den last dragen, het moeilijkste werk verrichten. Zie De Bo art. bategat.
aankalken, ankalken, beboeten. Ook: iemand bij een ander ankalken = hem eene smet aanwrijven, hem zwart maken; ook Oostfriesch (Noord-Brabant aankalken, kalken = aanschrijven, in rekening brengen.) Vgl. v. Dale onder het woord.
aankauwen, ankauen, zie: anëten.
aanketelen, anketeltjen, aanketeltjen, (Hoogeland) anpiepen = aansteken van de pijp; mag ’k even bie joe anketeltjen? (v. Dale: aanpijpen = zijne pijp aansteken.)
aanketsen, ankitsjen, aandrijven van paarden door zekeren tongslag. Zie: kitsen 1.
aankeuteren, ankeutern, zie: keutern.
aankeuteren, ankeutêrn, zie: keutêrn.
aankijk, ankiek, bekijks; veul ankiek hebben, bv. van buitengewoon lange menschen, van een prachtig gebouw, enz. gezegd.
aankijken, ankieken, (aankijken), van ’t weder = afwachten wat er van het weder wordt. – Ook voor: komen kijken, ingaan om te zien hoe het de vrienden maken: ie mouten moar ijs weer ankieken.
voor: het oog op iemand vestigen en daarbij overdenken en besluiten hoe men zich tegenover hem gedragen zal; dei koopman zigt zien volk (of: ) an. Vgl.: zonder aanzien des persoons.
aanknijpen, ankniepen, voor: knijpen, van eene schroef, aanschroeven.
aanknopen, anknuppen, aanknoopen; fig.: ie mouten d’r nog moar ’n dag bie anknuppen = gij moet maar besluiten om een dag langer te blijven dan het plan was.
aankoeveren, ankouvern, met zijn handel of bedrijf vooruitgaan, geld opleggen. Zie: keuvern.
aankomen, ankomen, ’t komt hōm an = hij wordt aanhalig, krijgt eene verliefde bui. Ook: ’t komt mie an = ik word er door aangedaan.
ter loops bezoeken, daar eene boodschap brengen of halen; ie mouten even bie mie ankomen as ie noa stad goan.
= an ’t gewas komen = beginnen te groeien, niet in den grond verstikken of verrotten, en, van jonge planten of boomen, uitgaan.
van een vuur of eene kachel = aan den gang komen, beginnen te branden; ’t vuur is ankomen, ter onderscheiding van: uitgegaan na ’t aanleggen; hou is’t ankomen? = hoe is die brand ontstaan? hou is dei vreierei ankomen? hoe hebben die beiden kennis gemaakt? “Hou ’t an kwam? Och, – ’k Wijt der zulf nijt hijl veul van, Ze holl’n ’t veur zok, mien lijve man!”
aanraken; koom mie ijs an! = raak mij niet aan! zeggen twistende knapen; Oostfriesch ankamen; koom moar an! = kom maar op als gij durft! Ook = kom maar hier; zij zijn joe ankomen! = zij helpen u niet wanneer gij een’ dienst vraagt. Ook: gij zult het, indien gij iets volstrekt noodig hebt, duur moeten betalen; (bij Lindo: zij zouden me zien komen!); dat komt ’r op an = dat is zwaar werk, ook fig.; ’t komt ’r nijt op an = dat is geen vermoeiende arbeid, ’t kost weinig lichamelijke inspanning; meer volledig luidt het:’t komt nijt op ’t lichoam an; ’t komt mie d’r nijt op an = dat bevalt mij niet, daar ben ik niet op gesteld. Vgl. bij v. Dale: aankomen = aangrijpen, overvallen.
aankomend, ankôm, (zie: ankoom); ook Drentsch
aankomend, ankoom, ankōm, ankomende, het meer ouderwetsche toukoom, toukomende = toekomende, aanstaande, eerstvolgende; ankoom week, ankoom joar, ankoom harst, ankoom veurjaar, ankoom zömer, ankoom winter, Mai (de tijd van Mei); moandag, enz. Oostfriesch tokum, token, Hoogduitsch zukünftig; Overijselsch tóòkomwêke = de volgende week.
aankomend, ankomende, ankomend, het volgende: (Zie: anvoarend, en: ankoom.)
aankoppelen, ankoppeln, langzamerhand tot een koppel (troep) aangroeien; ’t koppelt mooi an; zij hebben al vijr kinder = de troep wordt steeds grooter.
aankrammen, ankramd, (verleden deelwoord van: ankrammen); zie: kramdroad.
aankrijgen, ankriegen, (aankrijgen); term bij het tikspel: ik krieg an! = let op, ik kom er aan! doe mōst ankriegen! zooveel als: gij moet ons zien te tikken, dat is met de hand aan te raken. – Ook = krijgen, aanvatten met het doel om ’t aan een ander over te reiken: krieg dat mest ijs even an.
aankunnen, ankennen, de baas zijn; hij ken hōm wel an = hij is de sterkste; ook Drentsch, zij ken ’n bult an = die vrouw is veel noodig, niet zuinig.
aanlangen, anlangen, ter loops, in ’t voorbijgaan afgeven van een’ brief, enz. Het veronderstelt dat men alsdan van eene bijzondere gelegenheid gebruik maakt; een’ vriend verzoekt men het voorwerp bij iemand an te langen; den bode gelast men het of te langen (af te geven); iemand die rijdt spreekt steeds eigenaardig van: oflangen. (Weil. aflangen = afreiken, van boven toereiken.) De gauwdief zegt: lang of! = geef over, geef op. Voorts: toulangen = overreiken, toereiken, aanreiken; oetlangen, ook = afgeven, maar dan moet er iemand zijn die het afhaalt, bv. een boek; sloag oetlangen = slaag uitdeelen; oplangen = toereiken van beneden naar boven, bv. van korenschooven; overlangen = toereiken, bv. van een kopje koffie, den tabakspot, enz. aan de om den haard zittenden, en daarvoor ook: overhoaken. Zeeland langen = aanreiken; Maastrichtsch langen = reiken, overreiken; euverlangen = overgeven, overreiken; Oostfriesch langen = reiken, toereiken, overreiken; offlangen = afgeven; tolangen = toereiken; Deensch lange til = toereiken.
aanlaten, anloaten, laten branden, van lamp, kaars of kachel, ter onderscheiding van: oetpoesten (uitblazen), enz. – Ook: de deur anloaten = niet dicht doen maar op een kier laten. Vgl. aanlaten bij v. Dale.
aanleg, engelse anleg, (engelse aanleg); zie: engelse toen.
aanliggen, anliggen, slecht anliggen, hijl gemijn anliggen, leeg anliggen, zeer gevaarlijk ziek zijn. – slecht ook = ziekelijk, lijdend. Bij Laurm. slecht = onwijs. Zie: slicht.
aanliggen, anliggen, in: leeg anliggen = in slechten toestand verkeeren, weinig hoop op herstel hebben, van een zieke.
aanlijven, anlijven, zie: anlaiven.
aanlijven, anlaiven, anlijven, (elkander) steeds meer lief krijgen, aanwakkeren van de liefde tusschen twee personen. Meestal schertsend.
aanloop, anloop, (= aanloop) = bezoek; veul anloop hebben = dikwijls bezoek krijgen. (v. Dale: aanloop = herhaald, lastig bezoek, en: veel uitloop hebben = veel bezoek krijgen.) – Ook voor: toevloeiing van water van hooger gelegen bodem komende, bv. wanneer men op de helling eener wierde woont: wie hebben groote anloop van woater.
aanlopen, anloopen, aan de teeldrift voldoen door wijfjes van schapen, honden, varkens, konijnen, en van geiten; ook Oostfriesch; anloopen loaten = die dieren daartoe de gelegenheid geven, door ze bij het mannetje in ’t zelfde hok te brengen of bij elkander in het land te laten loopen.
aanstappen, den pas versnellen; ie mouten wat anloopen, ans koom wie te loat. Vgl. anëten.
blijven staan, van uurwerken; mien allozie, (de pendule), enz. is anloopen, hij mout opwōnnen wor’n; ’t land loaten anloopen = zóó behandelen, dat het geen goede vrucht meer kan voortbrengen, het land uitputten.
voor: bedragen, beloopen; ’t lopt nogal wat an = de kosten worden nogal aanzienlijk.
aanloper, anlooper, luis die men van een ander krijgt, en: anloopers, voor de nakomelingen er van.
aanloten, anlöten, (aanloten) = vasttrekken = een dienstplichtig nommer trekken. Meestal het deelwoord: hij ’s anlöt = hij het zōk vastlöt, ook: hij het zōk vasttrōkken. Drentsch anneloten, en: annelöt.
aanmaning, anmoanens, aanmaningen. Zie: en 6.
aanmeerderen, anmeedêrn, (aanmeerderen) = steeds vermeerderen.
aanmennen, anmennen, per as naar eene bepaalde plaats voeren, bv. steen, grint, enz., dus = aanvoeren met wagens.
aanmerking, anmarkens, aanmerkingen; “moak nooit anmarkens over ’t eten” Zie: en 6.
aanneembaar, anneemboar, aannemelijk; ik vroag joe, is zoo’n veurstel wel anneemboar?
aannemelijk, annemêlk, (aannemelijk), voor: innemend, sympatiek; ’t is niks gijn annemêlke kerel = die man neemt de menschen niet voor zich in.
aannemen, annemen, van vee in de weide = voor eene overeengekomen som beesten van anderen in de weide nemen; dat bin dei boer zien koien altemoal nijt, drie d’rvan het ’e annomen.
in een vonnis berusten; ’t nijt annemen = ’t hooger verzuiken, ook: ’t hooger opgooien = in appèl komen. Vgl. abbelijrn, en: inleggen.
annemen! sedert eenige jaren in koffiehuizen in gebruik om een bediende te roepen; vroeger riep men: Jan! en elke koffiehuisbediende werd met dien naam aangeduid. Uit Holland overgewaaid. (Van velen hoort men hiervoor ook: annemer!)
aannemerskleed, annemersklijd, het dorschkleed dat aan het hoofd van eene ploeg raapzaaddorschers behoort; op ’t annemersklijd wezen = tot die ploeg behooren, welke bij de boeren rondgaat om het raapzaad te dorschen.
aanpaarden, anpeertjen, aansporen, aandrijven, aanporren. Eigenlijk zooveel als: een paard onophoudelijk aanzetten, aandrijven, jagen. Zie: peertjen 2.
aanpeuzelen, anpeuzêln, zie: peuzêln.
aanpietsen, anpietsken, aandrijven met de zweep. Zie: pietsken.
aanpietsen, anpietsken, zie: pietsken.
aanpoesten, anpoesten, aanblazen, van vuur. Zie: poesten.
aanprijzen, anprietjen, pressen om iets aan te nemen of te koopen, opdringen, ook in den handel.
aanpullen, anpúlen, dooreten. Zie: púlen.
aanragen, anragen, (Niezijl, enz.) = rijden, anrijden = zelf garen spinnen voor linnen en vieschaft (zie aldaar)
aanragen, anragen, zie: anreden.
aanraken, anroaken, geholpen, gereven worden; wie kennen in dei winkel anroaken = wij vinden daar van onze gading; dei arbaiders bin nijt anroakt = hebben geen werk gekregen; zij ’s goud anroakt = zij heeft een goeden dienst gekregen, ook: zij heeft een goed huwelijk gedaan, eigenlijk zooveel als: zij is goed aangeland. – Ook = eene gerechtelijke straf beloopen; hij ken d’r nog wel lelk mit anroaken = zulke handelingen kunnen hem nog wel in de gevangenis brengen; doar ken nog ijn anroaken = daar is nog eene betrekking open; daar is nog eene huwbare dochter te huis, enz.
aanranden, anrantjen, aanhouden, op straat staande houden, al is ’t ook alleen om een praatje te doen. Ook = aanranden van de eerbaarheid. Middelnederlandsch ranten = spreken; aanransen (17e eeuw) = aanranden, aangrijpen; Hooft aanranden = aanspreken, toespreken; Oostfriesch anranzeln, anranden = onbeschaamd aanspreken.
aanrecht, anricht, toestel van latwerk waarop het schoongemaakte keukengereedschap te drogen wordt gezet of gehangen. Eigenlijke anrichten zijn gewoonlijk buiten ’s huis; in huis zijnde heet het schuddelbank (zie aldaar). Zuid-Nederlandsch anricht = potrik, buiten huis; Oostfriesch anrigt = kasttafel ten dienste der keuken. (v. Dale: aanrecht = aanrechtbank, aanrechttafel), Hoogduitsch Anrichtbank.
aanrecommanderen, anrekemedijêrn, aanbevelen, recommandeeren; ik ken joe hōm, of: dat wel anrekemedijêrn.
aanreden, anrijden, anraiden, zie: anreden.
aanreden, anreden, (Niezijl, enz.) = rijden, anrijden = zelf garen spinnen voor linnen en vieschaft (zie aldaar)
aanreden, anred, (verleden deelwoord van: anrijden); ’t zulf anred hebben = van zelf gesponnen garen, dat men van wol of vlas heeft bereid of laten bereiden, linnen en vieschaft laten weven. Vgl. ijgenred.
aanregenen, anregen, (aanregenen); zie: andundêrn.
aanrekenen, anreken, aanrekenen. Bij Hooft aenreken, aanrekenen, op rekening stellen. – reken ijs an = oordeel zelf maar, ga nu zelf eens na. Ook in den zin van: in aanmerking nemen, er rekening mee houdem; reken ijs an, de man is al tachentig joar.
aanrennen, anrunnen, aanrennen, van menschen gezegd; hij kwam mit ’n voart over de stroat anrunnen. Zie: runnen.
aanrijden, anrieden, leelijk te pas komen, er in loopen; hij ken d’r wel mit anrieden, als hij bv. een haardstee te min aangegeven heeft.
aanrijgen, anreien, aanrijgen, iets met wijde steken aan iets anders vastnaaien. Hoogduitsch anreihen = rijgen aan.
aanrijpen, anriepen, (aanrijpen) = in rijpheid toenemen, van veld- en tuinvruchten gezegd; in disse donkere doagen riept de garst nijt hard an.
aanrijten, anrieten, aanscheuren, forsch aantrekken, rukken. Vgl. rieten.
aanroepen, anroupen, (aanroepen) = afhalen, om bv. mee te gaan wandelen. (v. Dale: aanroepen = afhalen in het voorbijgaan; weinig gebruikelijk.); zie ook: anhoalen.
aanroeren, anruiern, (klemtoon op: rui) = (aanroeren); mōst mie d’r nijt anruiern = gij moogt het zelfs niet met de toppen uwer vingers aanraken; ik duur hōm nijt anruiern, zoo gevoelig is hij.
aans, aansch, oansch, (Pekela, Duurswold) = stijfhoofdig, koppig, eigenzinnig. Elders zegt men hiervoor: zinnig (zie aldaar). Oostfriesch aansch, ânsk = verdrietig, ongemakkelijk, bloode, verlegen. Van het Hoogduitsche ahnen, waarvan Ahnung, en dan zooveel als: met eene soort van waan of zin behept.
aanschaffer, anschaffer, (Hoogeland) = utîgstbedijnder = bedienaar, helper bij eene begrafenisplechtigheid. Veluwe schafanten. Zie: útîgst, en: schaffer. (Het woord anschaffer begint sterk te verouderen.)
aanscheren, anscheren, in: iemand de gek anscheren = de gek ansteken = veur ’t lapke hollen = veur ’t zooltje hollen = op de koar (of: koare) nemen (of: kriegen) = voor den gek houden, den draak met hem steken; Oostfriesch de gekk an schären = foppen. Middel-Nederlandsch scheernen = schertsen, scerzen (zelfstandig naamwoord) = scherts; gek anscheren dus = gekkend schertsen, en evenals: gekscheren, een pleonasme.
aanscherpen, anscharpen, eene spitse punt aan een potlood (of: griffel) maken, aanpunten.
aanscherpen, anscharpen, begin van het maken van koeken door de bijen.
aanscheutel, anschudel, anschötel, vrijlustig en daardoor indringend. Van een jongeling die door eene verliefde bui wordt overvallen en daardoor een naast hem zittend meisje niet met rust kan laten heet het: hij ’s anschudel. Ook voor: eene buitengewone aanhaligheid van kinderen jegens de moeder, wanneer zij zich, voor ’t oogenblik althans, door vleien en kussen van hare gunst willen verzekeren, en synoniem met: eels (zie aldaar) Oostfriesch anschetelik, anschötelik, anschȫtelig, anschȫtelk = indringend, zich opdringend; sükk anschudeln = door mooi praten opdringen; Nedersaksisch anschötelk, anschuudlig. Vgl. schudeln.
aanscheuvelen, anscheuvêln, met de voorvoeging van: wat, fiks, hard, enz. en dan zooveel als: vlugger schaatsenrijden; wie mouten wat anscheuveln as wie bie lichten in hoes wezen willen. Vgl. aangloeien, aanjagen, enz., anëten, enz.
aanschieten, antjeschijten, zie: antjen.
aanschijten, anschieten, komen = al talmende eindelijk komen; doar komt hij nō eerst anschieten = daar komt hij eindelijk aandrentelen. (Niet van het Nederlandsche aanschieten = aankomen, toesnellen, maar van an, en: schieten (=schijten). Vgl. schietert.
aanschooien, anschōnten, anschōntjen, anschōnten (Hoogeland) = anschōntjen, anschōrtjen (Oldampt) = langzaam komen aanloopen, aanschuiven, aanscharrelen. Men zegt het vooral van kinderen die nog maar gebrekkig loopen en van oude vrouwen die niet vlug meer ter been zijn. Zie: schōntjen.
aanschopperij, anschōpperei, maken of beginnen = het pogen van een jonkman om met een meisje, met wie hij in gezelschap is, op goeden voet te komen en met haar te vrijen; eig. = haar onder de tafel met de voeten aanraken; da’s anschōpperei mit dei baiden = die beiden zijn elkander niet vreemd, dat is vrijerij.
aanschorten, anschōrtjen, zie: anschōnten.
aanschrijven, anschrieven, (= aanschrijven) = het schrijven op de kerkborden van den tekst en ’t geen er gezongen zal worden; meester is an ’t anschrieven; ’soaterdags mout hij de kerklaien anschrieven. Zie ook: schouzool.
aansjorren, ansjōrren, aantrekken, aanhalen. Zie ook: sjōrren.
aanslaan, ansloagen, in: ’n vrou ansloagen = gaan trouwen, vooral van niet jeugdige personen gezegd. Zuid-Holland ze slaat en vent an = zij trouwt. Holsteinsch: He sleit bi eer sinen haken an = speelt den vrijer bij die dame; ansloagen wezen, de geboden hebben, in ondertrouw staan.
(= aanslaan), in: nat ansloagen, van een fijnen stofregen, bij aanslag van een mist.
ontkiemen van zaden en granen in den grond, zóó dat de spruitjes zichtbaar worden; ’t zoad is nijt ansloagen, bv. door langdurige droogte. (v. Dale: aanslaan = vatten, op nieuw beginnen te groeien, van boomen en heesters, die verplant zijn.)
aanslag, ansloagen, (zelfstandig naamwoord alleen het meervoud), in: roare ansloagen hebben = wonderlijke invallen hebben, zonderlinge, belachelijke fratsen maken, enz. In deze beteekenis het werkwoord ansloagen; wat ken hij dōl ansloagen! = wat heeft hij gekke praatjes! Hiervan de vergelijking: ansloagen as ’n blinde vink = zotte, uiterst dwaze redeneeringen voor den dag brengen; slacht die ’t mal (het malle) an? ’t is net of die’t mal anslacht. Holsteinsch hünnigputsansläge = luchtkasteelen.
aanslag, anslag, voor: werk, bezigheid; iemand anslag geven = aan het werk zetten en houden, voortdurend bezigheid verschaffen; da’s van zien anslag = dat is eene bezigheid die hem bevalt; ook: iets dat hij graag lust. Drentsch anslag = bezigheid; Oostfriesch anschlag = stof, voorwerpen tot arbeid. – Zal zooveel zijn als: voorwerpen (of zaken) die men aanvat, waaraan men de handen slaat, die ons bezigheid verschaffen.
aanwas, aanslibbing buiten den zeedijk waardoor de kweldergronden ontstaan en tegengestelde van ofslag = wegspoeling van een’ reeds aangeslibden bodem, of van de duinen van Rottumeroog. Zoo is bv. achter Ulrum en Uithuizen veel anslag, achter Eenrum ofslag. Ommel. Landr. V, titel XI: Van alluvie ofte anslagh, en art. 51: Alle angeslagen Landen sullen wesen der genen, die an haer Landen anslaen, gelijk dat van oldes is gewoontlijck.
(aanslag) van thermometer en barometer; een hooge anslag hebben = steeds hoogere graden aanwijzen dan met de werkelijkheid overeenkomt; omgekeerd spreekt men ook van een lagen anslag.
aansluitingsdijk, aansluitingsdijk, (in geschrifte) = zeedijk, die aan een ouderen dijk aansluit.
aansneeuwen, ansneien, (aansneeuwen); zie: andundern.
aanspannen, anspannen, met een ander = elk een paard leveren en samen uit rijden gaan; zij hebben mit ’n kander anspand. (v. Dale: met iemand aanspannen = samenspannen, zich vereenigen.) Vgl. Verdam art. aanspannen.
aanspelden, anspellen, aanspelden, met spelden vasthechten.
aanspelen, anspeulen, van eene kaart; goud anspeulen = in de kaart van den maat spelen, bij ’t kruisjassen.
aanspitsen, anspitsen, zie: anscharpen.
aanspraak, ansproak, bezoek, vooral bij ziekte. Zie: anspreken.
aanspreken, anspreken, bezoeken van zieken en kraamvrouwen; ook Overijselsch, Noord-Holland, Drentsch kraamspreken = een bezoek bij eene kraamvrouw afleggen; Oostfriesch anspräken = bezoeken, in ’t Hoogduitsch verouderd. Kil. aenspreken = bij iemand aangaan om met hem te spreken; Nederlandsch aanspraak = bezoek. Ingeval van ziekte of overlijden in een huisgezin zegt men hier: wie hebben veul ansproak, wat in gewone gevallen veul anloop heet, zonder dat dit juist als een last gerekend wordt. Vgl. anloop.
aanstaan, anstoan, aandringen, met aandrang vragen of verzoeken; hij het ’r bōt op anstoan om mit hōm te goan. Hooft: aanstaan = aanhouden, dringen. (Bij v. Dale: aanstaan (verouderd), aandringen bij iemand om iets van hem gedaan te krijgen.)
van een deur = op eene kier staan; loat de deur moar anstoan = doe haar niet geheel dicht; de deur stait wied an = de deur is nagenoeg half geopend. (v. Dale: aanstaan = half geopend zijn (van eene deur.))
aanstalten, anstalte, (meervoud anstalten) = toebereidselen. Van: aan, en: stellen. Hoewel op de lijst der Germanismen geplaatst, is het toch door v. Dale opgenomen; hier is het een zeer gebruikelijk woord. Deensch, Hoogduitsch Anstalt = toebereidselen.
aansteken, ansteken, opsteken, van eene pijp of sigaar; wi’j ijs ansteken? = wilt gij niet eene pijp opsteken? Zie ook: anscheren.
aanstellen, anstellen, zich, zich gedragen; hij stelt zōk (of: hōm) nijt goud an = heeft geen goed levensgedrag; zich met iets (of iemand) niet goed anstellen = het voorwerp niet naar behooren hanteeren, er niet goed mee omgaan. – In Sivelgoo, enz. ’n vrou anstellen = eene vrouw aanschaffen, dat is trouwen; “Lank har’d er al om docht om zulf ’n wief an te stellen, moar och doar kwam nijt van.” Vgl. anzetten 1. Vgl. v. Dale art. aanstellen.
aanstellerij, anstellerei, zich maar zoo houden, het zoo doen voorkomen, zich aanstellen (bv.) of men erg ziek is, veel pijn heeft, enz. (Men hoort het echter alleen van meer ontwikkelden.)
aanstengelen, anstengeln, zie: stengeln.
aanstiefelen, ansteveln, zie: steveln.
aanstikken, anstikken, zie: anturen.
aanstokelaar, ansteukelder, belhamel, opstoker, oorzaak van den twist. Zie: opsteukeln.
aanstokelen, ansteukeln, eig. = aanstoken, harder doen branden; ’t woater ansteukeln, voor: het vuur onder den ketel aanstoken; fig. = opstoken, ophitsen, bij een twist. Zie: steukeln.
aanstonds, anstōns, anzent, anzens, aanstonds, dadelijk; Zuid-Nederlandsch: aanstaans.
aanstoten, ansteuten, (= aanstoten) = klinken met de glazen; loa’w ’s ansteuten = laat ons eens klinken. ’t Hoogduitsche anstoszen.
aanstoten, anstutjen, komen = komen aanstrompelen, zacht, al stootende gaan met een stokje, van oude menschen gezegd. Van kinderen hoort men: hij stutjet mie an, meester! bv. onder ’t schrijven zacht en met opzet aanstooten, eene verzachtende uitdrukking voor: stooten. Zie: stutjen.
aanstuiven, ansteuven, zie: steuven.
aantal, antal, aantal, het Hoogduitsche Anzahl, Deensch, Zweedsch antal. Verdam: Niet Middel-Hoogduitsch of Middel-Nederduitsch doch in de Oud-Germaansche talen moet een werkwoord bestaan hebben, waarvan het Nederlandsche en Middel-Nederduitsche aantal, Hoogduitsch anzahl, is afgeleid.
aantalen, antoalen, aanspreken, als is ’t ook maar met een enkel woordje, bv. met een simpelen groet, wat als blijk van vriendschap geldt bij eene toevallige ontmoeting; zij toalde (hierop den nadruk) mie nijt an = zeide niets tegen mij, zij behandelde mij dus zeer onbeleefd. Nederlandsch aantalen = aanspreken (16e eeuw); = aanspreken, in rechten betrekken (17e eeuw), beide verouderd. Ommel. Landr. V, 21: angetaeld, Old. Landr. IV, 50: angetaelt = aangesproken, aangemaand; Kil. aentale, aenspraeke; Middel-Nederlandsch tale maken = iemand over iets aanspreken; Zweedsch tala, Oud-Friesch tale = spreken, praten. Verdam: aentalen, Middel-Nederduitsch antalen = aanspreken; het woord richten tot iemand. Ghi hebt mi soe vrindelijc anegetaelt met hoveschen woorden ende met sconen.
aantekenen, antijken, anteiken, aanteekenen, en: aanteekening.
aanteren, anteerd, zie: anteren.
aanteren, anteren, (waarvan bijna alleen het deelwoord anteerd in gebruik is), zooveel als = ten einde teren; wie bin anteerd = wat wij te verteren hadden is verbruikt, en = ’t gelag is an; – hij is anteerd = hij heeft zijn geld opgeteerd, bezit niets meer. Oostfriesch wî sünt d’r mit antärd = de voorraad is op; hê is gans antärd = hij heeft alles doorgebracht of opgeteerd.
aantijgen, tú an, trek an = trek aan, alleen in: tu an Jan, ʼt is ʼn bōlkalf, (zie: bōl 1), ook Oostfriesch, en aldaar: antêën, antîën, antûën, Holsteinsch anteen, Oldenburgsch tii an, Oud-Friesch ontia, Angel-Saksisch onteen = aantrekken, tot zich trekken.
aantippen, antippen, zich reppen, voortmaken; tou, tip wat an! = maak toch wat voort! Vooral in betrekking tot loopen, en zooveel als: anloopen 2. (zie aldaar)
aantje, oantje, enz. (Hoogeland) De meisjes aldaar hebben, wanneer zij elkander het touwtje springen leeren, den deun: oantje, bieboantje, stapstoantje, spring op! Bij ’t laatste woord moet de leerlinge opspringen, terwijl twee der leermeesteressen het touw draaien. In ’t Westerkwartier heeft men hiervoor: oalje bie boalje, bie potjebuul, spring op!
aantjen, antjen, (Oldampt); een spel waarbij de knikkers in een’ driehoek worden gezet. Van: aan, en: schieten, bij verkorting: antjen.
aantokken, antoeken, de gaten of scheuren van een kleedingstuk dicht naaien, zonder daarbij net of zorgvuldig te werk te gaan; toek ’t moar wat an, ’t is ’n old ding.
aantrekken, antrekken, in: de klok antrekken = beginnen te luiden, vooral bij brand. Eigenlijk zooveel als: aan het klokketouw trekken, dus eene poging doen om de klok tot zich te trekken; ’n stoul (of: stoule) antrekken = een stoel nemen en zich bij het gezelschap voegen; “Ze trok ’n stoul aan en gong noast Pait zitten.”
aantrouwen, antrouen, (= aantrouwen) wordt alleen in de onbepaalde wijs gebruikt: deur antrouen bin zij riek wor’n. Meer echter wordt het deelwoord gebruikt: zij ’s riek antroud = haar man is rijk, of: behoort tot eene rijke familie. (Bij v. Dale is: aantrouwen bedrijvend, ons woord is onzijdig)
aantuieren, antuurd, (deelwoord van: anturen) = aan een touw gebonden. Zie: anturen.
aantuieren, anturen, aan een touw, vastgemaakt aan eene pin (stik) laten weiden bij den weg of in den hof; ook wel van koeien en stieren in het land. Zulke dieren zitten an (of: in) tuur = bin antuurd, dat is aan het tuurtou gebonden; verturen = op eene andere plaats anturen, gelijkstaande met verweiden; vastturen, fig. = vastraken, eene verbintenis aangaan, ook: zich verwarren in een touw. Oudtijds tui = touw; vertuyen = vastmaken, hechten, verbinden, waarvan het frequentatief tuyren (ons (an)turen); Oostfriesch tüddern = het vee door een tüdder vastbinden; Nedersaksisch tider, tier, Holsteinsch todder, tüdder, Noordfriesch tjuder, IJslandsch tiudr, Iersch tead = band, touw, zooveel als ons: tuur. In Holsteinsch tödderpaal = een paaltje waaraan het touw bevestigd wordt, ons: stik, en: tödderseil, ons: tuurtouw. – turen van ’t Oud-Friesche tia, thia, teia = trekken. Vgl. het Nederlandsche optuigen (van een schip), en: zich tooien, optooien (van menschen), enz.
aanuieren, anuren, zie: uren.
aanvaarden, anveerden, aanvaarden, ’t land anvarden, als eigenaar of pachter. Middel-Nederlandsch aenvaerden, aenverden, aenvarden. Vgl. Verdam art. aenvangen 2 en aenvaten 2.
aanval, anval, in: zij hebben doar heur anval = wanneer zij (bv.) in de stad komen nemen zij daar eerst hun intrek, ’t zij in eene herberg of bij een particulier; wie hebben de eerste anval = de menschen komen het eerst bij ons.
aanvallen, anvallen, onverwacht een bezoek brengen; zij kwammen moar zóó anvallen = wij waren op hun bezoek niet voorbereid. Vgl. anval.
aanvechten, anvechten, aanvechting, sterke trek naar iets; ’k heb d’r gijn anvechten van, bv. om iets te eten of te drinken wat de dokter mij verboden heeft, mij daarvan te onthouden kost mij geen moeite. (Het werkwoord is niet in gebruik.)
aanvergen, anvargen, (klemtoon op: var); ’k mag hōm ’t nijt anvargen = dat mag ik niet van hem vergen. Vgl. v. Dale art. afvergen.
aanvliegen, anvlijgen, zie: vlijgen.
aanvoeren, anvuren, anvouern, anvuiern, aanvoeren, met wagens.
aanvoeren, anvuren, (Grijpskerk) = een stoot geven, aanstooten; Jan vuurt mie an, meester!
aanwaaisel, anwaisel, nagenoeg alle met de beteekenis van: klap, opstopper, opdonder, vuistslag, enz.; men geeft een abbabbel, drai, draier an de ooren; ’n wai, ’n anwaisel an de kop; ’n drai, ’n draier an de hals; ’n fleer an de bek; de overige zooveel als slag met hand of vuist in ’t algemeen; koantje ook voor: schop, opneuker voor: stomp; allen worden in ernst uitgedeeld.
aanwallen, anwallen, de wallen (boorden) eener sloot, enz. eene bepaalde glooiing te geven door de kanten met een scherp voorwerp af te steken vóór men het graven begint, en is alleen op oude slooten van toepassing.
aanwas, anwas, de groei, het voortdurend groeien van planten en menschen; hij het karseboomen op anwas = zijne kerseboomen zijn nog jong, dragen nog geen vrucht; hij het ’n zeun op anwas = zijn zoon is reeds zoo oud dat hij hem na korte jaren in zijn bedrijf behulpzaam kan zijn, of ook: kan opvolgen; zij hebben drei kinder en ijn op anwas.
aanwezen, anwezen, in: met aanwezen (Niezijl, enz.) = lidmaat der Hervormde kerk zijn.
aanwezen, an wezen, aan ’t einde zijn met iets; ook: niet meer kunnen van vermoeidheid. Zooveel als: het einde, de uiterste grens bereikt hebben.
aanwijs, anwies, aanwijzing, bv. bij eene aanbesteding; ook Oostfriesch.
aanwijzen, anwiezen, (klemtoon op: wie) = met den vinger naar iemand wijzen; men duurt hōm nijt anwiezen, of: men ken hōm mit gijn hand of vinger anwiezen = hij is zeer kleinzeerig, pijnlijk, en fig. hij is zeer lichtgeraakt.
aanwillen, an willen, aanvallen, plagen; zij willen hōm altied an = zij laten hem nooit met rust; hij wil d’r nijt an = heeft er geen zin aan, men kan het niet van hem gedaan krijgen. Middel-Nederlandsch aenwillen = te lijf willen.
aanwinnen, anwinnen, toenemen, in krachten, in beterschap, van een zieke; ook: melk geven; kou is oarig anwōnnen = geeft meer melk dan voor eenige weken of dagen.
aanwording, anworden, anwoddîng, aanwenst, gewoonte, hebbelijkheid in min gunstigen zin, bv. kuchen, spuwen, vloeken, dus: eene leelijke gewoonte; ’t is niks as ’n anworden. ’t is eene gewoonte en geenszins een lichamelijk gebrek; anwoddîng, zie: en 6.
aanzeggen, anzeggen, bekend maken van ’t overlijden; ’t is nijt anzegd = zijn (of: haar) dood is niet aan de huizen bekend gemaakt; ’t is anzegd om te volgen = zijn dood is ons bekend gemaakt, tevens met verzoek den overledene de laatste eer te bewijzen door achter den lijkwagen te gaan.
aanzet, anzet, in: ’t is moar ’n anzet (of: anzetje) = ’t is maar eene kleinigheid om te doen. ’t vereischt maar een oogenblik van inspanning, en synoniem met: moar ’t biegoan, of: moar biegoan, wat de minste inspanning in zich sluit als men er zich maar toe verdedigen wil; ’t is moar ’n anzetje mit ’t spoor = het reizen kost weinig tijd. Engelsch onset = aanval, begin; Oostfriesch bigaan = te doen met er bij te gaan. Stam van anzetten 6 (zie aldaar)
aanzetten, anzetten, met eenigen spoed tot ons komen, of: met eenige drift, voortkomende uit verlangen; doar kōmt’e anzetten! kōmst d’r anzetten, mien jong? = zijt gij daar, mijn jongen? Vgl. v. Dale art. opzetten, en: aanzetten.
voor: groeien; ’t zet nijt hard an, ’t is te kold = de vruchten groeien niet snel; daarvoor is het weder te koud.
voor: verzetten, in: zich er tegen anzetten, nl. tegen zwaarmoedigheid, droefgeestigheid, enz., zooveel als: tegenstand bieden, daartegen in verzet komen; doar mout ie joe tegen anzetten = aan de droefheid moet gij niet te veel toegeven. (v. Dale: zijn droefheid verzetten = verdrijven, uit het hoofd zetten.)
voor: licht aanbranden, bij v. Dale: zich aanzetten.
met een hevigen ruk aantrekken, van paarden die eene zware vracht in beweging moeten brengen; de peerden willen nijt tegeliek anzetten, de woagen blift in de mōdder zitten.
aanzetten, anzetten, aanschaffen, koopen en voor eigen gebruik in werking stellen; ’n peerd, ’n woagen, ’n piep, ’n brik, ’n kachel anzetten (Westerkwartier, Hoogeland), en tegengestelde van: deurzetten (zie aldaar) Drentsch aanzetten = aanfokken; Overijselsch, Noord-Brabant = vermeerderen. Vgl. anstellen.
aanleggen van turven door ze overeind bij het vuur te zetten; vuur anzetten = vuur aan den haard leggen. Aan den vuurhaard zet men de turven steeds rechtop.
aanzien, anzijn, (klemtoon op zijn); van anzijn ken ’k hōm wel = het wezen is mij niet onbekend.
aanzien, anzijn, voor: het oog op iemand vestigen en daarbij overdenken en besluiten hoe men zich tegenover hem gedragen zal; dei koopman zigt zien volk (of: ) an. Vgl.: zonder aanzien des persoons.
aanzien, anzijn, aanzien; “Om dei dijfstal mōs ik veur de Rechtbank as getuge, doar ’k ijwig tegen an zag” Zegswijs: tegen anzijn is ’t mijste = begin maar, ’t is niet te moeilijk voor u. (v. Dale: tegen iets aanzien, nu: tegen iets opzien.)
aanzitten, anzitten, hij zit’r an, elliptisch voor: hij zit er aan vast, hij is door eigen wil gebonden, bv. om eene belofte te vervullen. Zie: an 1.
aanzoeten, anzuiten, zie: ofzuiten.
aanzwenk, anzweng, answeng, soort van zweer of puistje aan een ooglid, hordeolus. Neder-Betuwsch padoog, elders: windje; Zuid-Limburg war, Friesch stieg, Zuid-Holland weegscheet, elders strontje; West-Vlaamsch weeroog, zwijnpuistje; Oostfriesch wressem, stiger, Kil. stijghe, weerooghe, Hoogduitsch Gerstenkorn auf dem Auge, Engelsch styan, sty, stian, Nedersaksisch stige, stieg – Oud-Friesch sweng, swing = slag; swarta sweng = een slag waardoor het verwonde deel zwart of blauw wordt. – stiek, voor: stieg, stige, van: stijgen, in den zin van: zwellen.
aanzwetten, anzwetten, answetten, aangrenzen; zie: swet.
aap, oap, Spreekwoord: Oapen bie oapen en meerkatten bie meerkatten = soort bij soort, of: soort zoekt soort. Zegswijs: in de oap lozijrd wezen = (in den aap gelogeerd zijn) = in een moeilijken of lastigen toestand geraakt zijn, in het nauw gebracht, bv. bij het spel, zóó, dat men ’t verliezen moet. West-Vlaamsch = een voorwerp zijn van schimp.
aard, oart, (Westerwolde) = vrij wat, aanzienlijke hoeveelheid; ook = tamelijk; “’t Wör al aort duuster dou ’k er kwam.”“Veur da’ we sukkeloa dronken, mus’ we eerst nog aort klok mit ’n tikkel zeut hebben oet ’n half-oort.”
aard, oard, voor: soort, vooral met betrekking tot granen en tuinvruchten, wat de hoedanigheid betreft. Men zaait soms een weinig uit om in den oard te komen; dat is om er zaaizaad of pootgoud van te krijgen. Zie ook: bijssien.
voor: genoegen, behagen, levensgenot; as kerels gijn oard in (of: ien) hoes hebben loopen ze d’r oet (of: uut); hij oardt (oart) doar nijt = hij het doar gijn oard = hij woont daar niet gaarne, ’t is hem daar niet naar den zin. Wordt ook van dieren en planten gezegd die ergens niet welig groeien of tieren.
aardappel, eerappel, eerdappel, eertappel, eerappel (Ommelanden) = eerpêl = eerdappel (spreek uit: eer-dap-pel), eertappel (Oldampt, Westerwolde), waar men de d of t bij de tweede lettergreep trekt = aardappel; meervoud: eerappels, eerpêls; eerdappels, eertappels. – Vergelijking: ’n kleur hebben as ’t bloud van ’n eerappel, ook: kleur as eerappelbloud = eene bleeke gelaatskleur hebben, tegengestelde van: eene kleur as ’n roos; eerappels, of: eerdappels as aierdolen = aardappelen, geel van kleur en zeer kruimig zonder uit elkander te vallen. West-Vlaamsch eerappel = aardappel. Spreekwoord: ’n Mens is gijn eerappel, of: eerdappel = ieder wil wel wat genot hebben, de mensch is geen ongevoelig wezen, en meer bepaald: men kan niet vergen dat een jong mensch onverschillig is omtrent het andere geslacht. – Drentsch aerpels, Zuid-Nederlandsch eerpel; eerappels mit ’t bloode gad, aardappelen als middagkost, zonder spek, vleesch of visch; graustamde eerappels, zie: graustammen.
neiskookte eerappels = aardappels die gekookt zijn, ter onderscheiding van: opsteufde eerappels, en: opbroaden eerappels = gestoofde, en: gebakken aardappelen; wie eten van middag neiskookte eerappels, dei d’r overblieven broad wie t’oavend weer op.
smoorde eerappels = aardappelen die ongeschild met eenig vet in eene pan worden gedaan, en onder gedurig omschudden gaar worden gestoofd.
aardappelbal, eerappelballen, zie: eerdappelknoppen.
aardappelbloed, eerappelbloud, zie: eerappel.
aardappelbult, eerdappelbult, eerappelbult, zie: bult 1, alsook: eerdappel.
Aardappeldoggen, eerdappeldoggen, schimpnaam der inwoners van Wagenborgen.
aardappeldollen, eerappeldollen, aardappelen rooien; ook = eerdappeljassen; zie aldaar alsmede: dollen.
aardappelfabriek, eerdappelfoabriek, fabriek waar uit aardappelen moutwijn, jenever of meel wordt gestookt.
aardappelgort, eerappelgört, gort met aardappelen, opgewarmd en dooreen gemengd, op het Hoogeland uitsluitend onder den geringen stand.
aardappelhouwen, eerappelhauen, den grond rondom de aardappelstammen los maken. Ook meervoud van het werktuig waarmede zulks verricht wordt. Zie ook: hou 2.
aardappeljassen, eerpeljassen, zie: eerdappeljassen.
aardappeljassen, eerdappeljassen, (Zuidelijk Westerkwartier) = eerpeljassen (Westerwolde) = de aardappelen van de schil, de jas (fig.), de huid ontdoen; Drentsch aerpeljassen, Twente eerpeljassen. – dollen zooveel als: de dellen = de steken = de putjes uit den aardappel verwijderen. (v. Dale: jassen = schillen, van aardappelen.)
aardappelkleien, eerdappelklaien, eerappelkleien, zie: eerdappelruden.
aardappelknop, eerdappelknoppen, (Oldampt) = eerappelballen (Ommelanden); de vrucht, het zaadhulsel van den aardappel.
aardappelkrabben, eerappelkrabben, zie: eerdappelruden.
aardappelkrabber, eerdappelkrabber, iemand, meestal eene vrouw, die aardappelen rooit. Aldus omdat dit werk zich bepaalt tot opzamelen. “Wegens vermindering van loon hebben de aardappelkrabbers te Sappemeer bij eenige landbouwers het werk gestaakt.” (Prov. Gron. Cour. 7 sept. 1895.)
aardappelland, eerappelland, eerdappelland, land, bestemd voor het verbouwen van aardappelen. West-Vlaamsch: aardappelland = land dat goed is voor aardappelteelt.
aardappelpekel, eerappelpekel, pekel waarin een (ongekookte) aardappel kan drijven. Vgl. aispekel.
aardappelrooien, eerdappelruden, eerappelreuden, rooien van aardappelen. – klaien staat hier voor: krauwen, krabben, Nedersaksisch klaien, kleien; kleikatte, Groningsch krabkatte.
aardappelrooster, aardappelrooster, (in geschrifte); de houten rooster eener aardappelzeef. Zie: eerappelzeef.
aardappelschillen, eerdappelschillen, eerappelschillen, zie: eerdappeljassen.
aardappelschiller, eerappelschilder, eerdappelschilder, mesje dat men gebruikt voor het schillen van aardappelen; ’t eerste ook: die dat werk verricht.
aardappelzamelen, eerpelzammêln, aardappelen opzamelen bij ’t rooien. Zie: zammêln
aardappelzeef, eerappelzeef, aardappelzeef, in geschrifte aardappelzeef, ook: aardappelrooster; werktuig om aardappelen te ziften. Daarvoor heeft men: de mödderzeef, de guldenszeef en de rieksdoalderszeef.
aardappelzomer, eerdappelzömertje, (Oldampt) = kraizömerke (Hoogeland) = schoone nazomer. “Het regent uit den treuren en toch zou een min of meer lange reeks van zonnige herfstdagen, een zoogenaamd aardappelzomertje, zoozeer gewenscht zijn. Want voor vele handen is er nog werk op den akker; menige kamp aardappelen wacht nog op de krabbers en krabsters.” (Prov. Gron. Cour. 1893, no 242.)
aardbei, eerbeien, eerbaien, eertjebeien, irdjebêie, eerbaien (Ommelanden) = eertjebeien (Oldampt, Westerwolde) = irdtjebêie = aardbeien, aardbeziën, Oostfriesch ërdbêjen, Hoogduitsch Erdbeeren.
aardbult, eerbulten, de hoopen aarde die met eene soort van kar over het land worden verspreid. Zie: bult 1.
aarde, eerde, eer, (aarde); dood boven eerde stoan = in de kist liggen tot de begrafenis, West-Vlaamsch: over eerde liggen. (Voor: Aarde als wereldbol, steeds: Oarde.)
eer (Ommelanden) = eerde = aarde, klei, modder. Hoogduitsch Erde; eer over ’t land brengen; eer op wal gooien. Vgl. duneerig.
aardemennen, eerdemennen, eermennen, klei, in ‘t algemeen aarde, inzonderheid slootaarde, de eerwallen (zie aldaar), over het land brengen. Zie: bult 1.
aardhakken, eerhakken, het meer fijn maken der kluiten van de aardhoopen, wanneer die voorloopig bij dikke brokken over het land zijn verspreid. Zie: eerbulten.
aardig, oarig, (= aardig), voor: vrij wat, tamelijk veel; d’r was oarig volk; de neie dokter het al oarîg wark = vrij veel drukte in zijn vak; ’t dut mie oarîg zeer; zij bin oarîg zunig; onze appels begunnen oarig te röten; de arfenis is oarig touvallen; oarig geld hebben = een mooi kapitaaltje bezitten. (Overijselsch aorig = heel wat); – Ook = tamelijk (ook Drentsch) in: ’t is oarig goud mit heur = ’t is vrij goed met de zieke, in Langewold: vrijwat aardig, waarvoor in Hunsegoo, enz.: vrijwat nuver, of: oarig nuver; – hij schrift oarig goud = hij schrijft vrij goed. (Op ’t Hoogeland kan slim als vergr. trap van: oarîg = vrij veel, enz. aangemerkt worden.) – Ook = raar, zonderling. Zegt men tegen iemand in afkeurenden zin: da’s oarîg, dan is dit zooveel als: dat is niet mooi van u, – waarop dikwijls geantwoordt wordt: oarîg is mooi, een bewijs dat het woord hier ook in de gewone beteekenis gekend en gebruikt wordt, en te vergelijken met uitdrukkingen als: da’s wat moois! of: da’s wat lekkers! = dat is wat fraais! (ironisch); oarîg weer = zeer veranderlijk weder; oarîge proat = zonderlinge beweringen; da’s jà oarîg doun = dat is mislijk doen; in Langewold: ’t is wat ’n aardig man, hij ’s zoo’n beetje nuver = ’t is een wonderlijk man, een zonderling. – Veluwsch, Zuid-Hollandsch aardig = raar, vreemd; ook op Marken heeft het woord eene ongunstige beteekenis; Oostfriesch arig = zeldzaam, wonderlijk, zonderling; bij Klaus Groth: orri = tamelijk.
aardig, eerîg, in: eerîge kleur = geelbleeke, teringachtige gelaatskleur, eigenlijk: op de kleur der aarde gelijkend.
aardig, aardîg, (Grijpskerk), in: met een zieke is ’t vrij wat aardig = zijne ziekte staat vrij gunstig. Zie: oarîg
aardigheid, oarîghaid, aardigheid; gijn oarîghaid an hebben = geen lust, zin, behagen in of aan iets of iemand hebben; Drentsch aordigheid; oet oarighaid iets doen = het voor de grap, of: uit tijdverdrijf doen; doar heb ’k mien oarîghaid an = dat zie ik graag, daar kan ik hartelijk om lachen, enz.: doar heb ’k oarighaid an = daarmede houd ik mij gaarne bezig; hij het oarîghaid an ’t leeren, timmêrn, bakken, enz.: zij het oarîghaid an ’t braiden, enz.
aardkar, eerdkoar, soort van voertuig op drie wielen, met één paard bespannen, waarmede aarde over het land wordt gebracht. Zie: eerdemennen.
aardmietje, eerdmietje, (Ommelanden), voor: klein, schraal, mager manneke; ook voor: aardmannetje, kaboutermannetje, en = heremiet.
aardrat, eerdröt, zie: grondröt.
aardrijk, eerdriek, (aardrijk), voor: bodem, grond die iets voortbrengen kan: ’t eerdriek is vruchtboar deur dei regen en warmte. Het is eene min of meer deftige uitdrukking.
aardrijk, oardriek, (= aardrijk) voor: grond, kleibodem; de vorst het ’t oardriek vruchtboar moakt.
aardvat, oardvat, (Woltersum); soort van schop om losse aarde te verwerken.
aardwal, eerwal, (Ommelanden); soort van dijkje aan den kant der sloot bestaande uit slootaarde; olle eerwallen zijn zulke die daar langer dan een jaar hebben gelegen. Vgl. wörke.
aardzaam, oardsoam, (aardzaam); eigenschap van een jong beest, vooral van een rund, dat goed wil groeien, dat veel aanleg tot vet worden heeft.
aars, moars, moarze, neers, achterste, aars, Hoogduitsch Arsch; Oostfriesch mârs, plomper en ruwer dan nä̂rs. (Zie ook lōkst.) – moarze ook voor: cunnus. Te Vlachtwedde zegt men: Holpiep en drijfblad, Moakt de kou de moarze glad, (Teenstraʼs Alman. 1848 bl. 53). (Kan het van het oude: maar = paard, komen, en van bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord geworden zijn?) West-Vlaamsch maars, uitspraak maas = aars, achterste. Kil. maasdarm = aarsdarm. (De Bo).
neers, achterste; ook voor: cunnus. Zegswijs: mit de neers onder d’ arm loopen, wordt van vrouwspersonen gezegd, die achteloos daarheen gaan; ook Nedersaksisch, Nederlandsch: met zijn ziel onder den arm loopen; ’n stumper het gijn neers, wordt als terugslag gehoord op het beklagende: bist ’n stumper, of: och doe stumper! wanneer men niet beklaagd wil zijn; gijn zittende neers (= gijn zittend gad) hebben, zooveel als: niet lang kunnen stilzitten, zich niet bij zittende bezigheden kunnen bepalen; zit de neers nog vast? of: ’t is goud dat de neers nog vast zit, zegt men tegen de personen, die dikwijls iets verliezen, of ook vergeten iets mede te nemen; de neers dichtkniepen, of: toukniepen = sterven; zien neers, of: gad schuren mit bikstijn = overdreven zindelijk zijn; natuurlijk alleen op vrouwen van toepassing. Schertsend dreigt de moeder het kleine kind met: den kōmst mit de noakende neers op ber; ook, wanneer het zich over oudere broeders of zusters komt beklagen, zooals in Oost-Friesland, waar men zegt: Wacht, de sal water in ’t kôl hebben un met nakende nêrs to bedde! Op de vraag van een nieuwsgierig kind: woar gaist hen? (waar gaat gij heen?) luidt wel het antwoord: neus achternoa, waarvoor ook: olle wieven neers tounaien, doe zelst de droad ofbieten (Westerwolde) Spreekwoord: ’n Wilde kop, ’n makke neers, zooveel als: die grootsche plannen in het hoofd heeft komt zelden tot de uitvoering er van. – Kopke noa ’t noorden en ’t neerske noa Jan Pijtershoes, zooveel als, bij eene terechtwijzing: gij moet het niet zóó, maar op deze wijze doen. Wordt alleen van vrouwen gehoord. – As kinder tegen olle mensen kakken willen, Den barst heur de neers of zij glieden deur de brillen, (wellicht vrije navolging van: Als apen hooge klimmen willen, enz.) – Radneersde mouders, lankneersde dochters = vlugge, werkzame moeders, trage dochters. In dien zin, dat de moeder zoo mogelijk zelve alles wil doen, dat zij hare dochter het werk te veel uit de handen neemt. Friesch: Lichtgatte memmen meitse swiergatte bern. – Oudtijds schreef men ook: naars, voor: aars, verkeerdelijk door voorvoeging der n, als in: noom, narm, nelleboog, navegaar (voor: avegaar), neerkauen, enz. Bij Huyghens (Costelick Mal en Voorhout, bl. 98): Die moy is ist in ’t hemd, ick toon je naers om naers. – Overijselsch, Geldersch, Westfaalsch nuren (Groningsch, Oostfriesch uren); Middel-Hoogduitsch nalles = alles: nëter, ëter = omheining, enz. West-Vlaamsch nars = eers, aars. (De Bo) Oostfriesch nërs, nêrs. Vgl. heuker, en: mōnd.
neerzen opgang in: doe huifst alle neerzen opgang nijt te wijten (Goorecht) = gij behoeft ook niet alle nieuwtjes te weten.
aarskerf, neerskarve, neerskalve, scheiding tusschen de billen. (v. Dale: keep = uitsnijding, kerf.)
aarslings, eerslings, achterste voor, in: eerslings ofkalven, zooveel als: stuitgeboorte, als wanneer de achterste pooten eerst komen, Friesch eärsling; Kil. eers, aers, aars; Middel-Nederlandsch eers = achterste; eerselen = achteruitgaan (in eig. beteekenis), en hiervan aarzelen = besluiteloos zijn. Zuid-Nederlandsch eerselings, eesselings = achteruit, achterwaarts.
aas, oas, schimpwoord tegen een vinnig, bits meisje. – Nedersaksisch lütje oas = een klein, neuswijs meisje. – Spreekwoord: Bin altied veul honden om ’t oas = voor elke openstaande betrekking zijn er tal van mededingers.
aasnek, oasnek, zie: oas.
aasnekker, oasnekkertje, zie: oas.
aat, oat, wilde haver, Avena, Noord-Brabantsch, Noord-Hollandsch oot; Engelsch oats = haver. Zuid-Nederlandsch ate, wilde ate = wilde haver, avena fatua, ook: avena strigosa: Ate vult schure noch mate. West-Vlaamsch ate, ook = wilde haver.
ababbel, abbabbel, labbabbel, lebabbel, kebabbel, nagenoeg alle met de beteekenis van: klap, opstopper, opdonder, vuistslag, enz.; men geeft een abbabbel, drai, draier an de ooren; ’n wai, ’n anwaisel an de kop; ’n drai, ’n draier an de hals; ’n fleer an de bek; de overige zooveel als slag met hand of vuist in ’t algemeen; koantje ook voor: schop, opneuker voor: stomp; allen worden in ernst uitgedeeld; Oostfriesch babbel, Holsteinsch baps = oorveeg. Zie: anwaisel.
Abeltje, Oabeltje, geschreven: Abeltje, meisjesnaam, van: Abel, en: tje; oabeltje wiedgad, eenigszins schimpend voor: meisje (of: vrouw) dat bijzonder wijde rokken draagt.
aber, aber, oaber, (voegwoord) = echter, evenwel; alleen in Westerwolde en op de Friesche grens in gebruik, ’t Hoogduitsche aber.
aber, oaber, zie: aber.
aber, aber, oaber, oabers, ondertusken (tusschenwerpsel), als uitroep voor: maar! ’k wōl ’t wel doun, aber! zooveel als: ik vrees voor de gevolgen; “moar oabers as ze bie ’n nander binnen” (maar – wanneer zij bij elkander zijn!); “moar aober men mout maor zwiegen.” ’t Laatste woord wordt meestal voorafgegaan door: ja, moar, nou ja, moar.
abraham, oabram, (= Abraham) = kiep, eene soort van mand, die op den rug gedragen wordt, om er waren mee te venten, inzonderheid wittebrood en beschuit, zooals in de Ommelanden de bakkersknechten doen; oabram op de rug kriegen, in ’t algemeen: zijn kost zoeken te verdienen met bij de huizen waren te venten; inz.: het venten van wittebrood. Van vrouwen gezegd noemt men het, ook in ’t Oldampt enz.: mit de stoetkörf loopen, nl. met één of twee hengselkorven.
abrikoos, appelkozen, abrikozen; Zuid-Limburg appelkools.
absoluut, absluut, apsluut, opsluut, omsluut, noodzakelijk, volstrekt; hij wil absluut nijt langer blieven = hij wil absluut weg; ik wil ’t absluut nijt lieden; ’k mout anders absluut nog ’n peerd hebben. Zuid-Nederlandsch obsoluut; Oostfriesch abslût = onvoorwaardelijk, ook Noordfriesch – ’t Latijnsche absolutum.
absurd, absört, apsört, ōpsört, afzonderlijk, en: afgezonderd; vervolgens: zich zonderling gedragen, een zonderling zijn; elks absört (= appart) eten = niet dooreengemengd; hij ’s absört = hij leeft afgezonderd, op zich zelf. Oostfriesch absört, van ’t Latijnsche absurdus; appart, ’t Fransche apart.
abt en voogd, abt en voogd, het doen en laten; de ziel, het factotum eener corporatie of van een collegie; hij (of: zij) is doar abt en voogd = heeft daar alles te zeggen, oefent daar een onbeperkten invloed uit; dei burgemeester is doar abt en voogd = zet allen naar zijn hand. Synoniem met: schepper en schriever, en: stuurwold.
abuis, abbuus, abuis, vergissing. Middel-Nederlandsch abuus, Fransch abus, Latijn abusus. Vgl. oa.
accorderen, akkedijern, (accordeeren), voor: overeenstemmen, harmonieeren; zij (bv. man en vrouw) kennen niks akkedijern = zij hebben een oneenig leven; levertroan en stroop akkedijert nijt. – Ook voor: abonneeren, en zooveel als: eene bepaalde som betalen om de potvertering van een zanggezelschap, waarvan men geen lid is, te kunnen bijwonen. (Westerkwartier)
accuraat, akkeroat!, ook pleonastisch krekt akkeroat! = juist! zóó is ’t! Het basterdwoord accuraat = nauwkeurig, stipt, zorgvuldig; Latijn accuratus = nauwkeurig, geschikt, beschaafd; accuratio = zorgvuldigheid, nauwkeurigheid, omzichtigheid, enz.
acht dagen, achdoag, achdoage, (acht dagen), voor: week; mit ’n groote achdoage is ’t mart; mörgen over achdoag is ’t poask. Middel-Nederlandsch achdage, ook achtage, samenkoppeling van acht dage. (In plaats van: twee weken zegt men steeds: vijrtien doag.) Vgl. achste, alsook het West-Vlaamsch: achtdage werk = een uurwerk dat eenmaal in de week wordt opgewonden (De Bo).
achtentachtig, achtentachentîg, zie: kōnd, en: snöttêrij.
achtentwintig, achtentwintîg, zie: klop.
achter, achter, in: iemand achter zitten (Westerkwartier) = achter hōm heer zitten (Oldampt, Westerwolde) = achterna zitten, achtervolgen. Oudtijds: achter = na; achterdeel = nadeel; wij nog: achtermiddag = namiddag, ook Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch; iemand achter de vodden (ook elders), (of: veeren) zitten = achter de broek zitten, vervolgen om hem te arresteeren; achter pet zitten = bidden of danken bij ’t eten; ’t brijdste is achter = het beste komt nog; mien allozie gait achter = is bij den werkelijken tijd ten achteren; achter sloapen = achter in ’t bed slapen, ter onderscheiding van: veur sloapen. Zuid-Nederlandsch: achter iemand of iets zitten = naarstige poging doen om te krijgen. Zie ook: wand.
achter – veur, in: zij mout achter en veur wezen = zij moet voor de geheele huishouding zorgen, alles moet zij beredderen.
achter elkaar aan, achternkander an, eene rij maken bij ’t schaatsenrijden; zij ken best achternkander an = voor een voorrijder rijdt zij gemakkelijk.
achter stad, achter stad, zie: bovenstad.
achteraanbengelen, achteranbōngêln, achteranbungêln, zie: bōngêln 1.
achteraankijken, achterankieken, in: doar ken je achterankieken (of: zijn) = dat ken je achternoakieken (of: zijn) = die schuld zult gij niet betaald krijgen.
achteraankomen, achterankomen, (achteraankomen), in de zegswijs: achterankomen as ’t darde lam = door gebrek aan voortvarendheid de laatste zijn, achteraankomen: Aan de veeteelt ontleend.
achteraanlopen, achteranloopen, zie: noaloopen.
achteraansteken, achteransteken, verliezen; hij het ’r honderd gulden bie achteranstoken = zooveel heeft hij er bij ingeschoten, bij verloren, schade bij geleden.
achteraanstuk, achteranstōk, achteranstuk, blok hout, veelal stuk van een boomstam, dat men achter aan den vuurhaard legt en waartegen dan turven worden gevlijd. “Hij butte ’n nei vuur aan mit ’n fiks achteraanstuk van ’n bongel ol holt.”
achteraanzitten, achteranzitten, werk van iets maken, onderzoeken, bij v. Dale: achterheenzitten.
achterafblazen, achterofbloazen, hoorbaar een wind laten. (klemtoon op: of.)
achterafdeel, achterofdijlen, (klemtoon op: of) = schollen = schalen, schaalhout, in bestekken, enz. = achterdelen. Hierop volgen latdijlen, die te smal zijn voor planken, en eindelijk: planken, en: delen.
achterafstraat, achterofstroat, (klemtoon op: of) = afgelegene straat, straat in eene afgelegene buurt.
achterbaan, achterboan, achterboane, het achterstuk van een vrouwenrok. Zoo spreekt men ook van: veurboan, veurboane, en zieboanen.
achterbaks, achterbaks, in de uitdrukking: achterbaks blieven = terugblijven, achterblijven; iets achterbaks schoeven = laten rusten, of: op de lange baan schuiven; achterbaks eten = in ’t geniep snoepen, nl. van groote menschen. Aldus ook in Noord-Holland waar het begint te verouderen, en Oostfriesch – Als bijvoeglijk naamwoord = terughoudend, niet openhartig. Oud-Friesch back, bek, Deensch bag = rug (nog in ons: bakboord), en zoo: achterbaks = achter den rug, in het geheim. Vgl. v. Dale. art. achterbaks, en: achterbaksch.
achterbinde, achterbinde, achterbien, achterbiende, touw waarmede de bindstok of hooiboom aan het achterste deel van den wagen wordt bevestigd; zoo: veurbinde, of: veurbien, een dergelijk touw, waarmede genoemde boom aan het voorstel van den wagen wordt vastgesjord (Ommelanden), pōnnîng, pōnnînk (Oldampt, Westerwolde). Vgl. het Hoogduitsch en zie: ie.
achterborst, achterborst, achterste, achterwerk, podex; Oostfriesch achterkastêl.
achterdeel, achterdeel, kouhoes (Ommelanden) = kougange, kouhoesdele (Oldampt) = koehuis, de ruimte achter de stallen, Friesch boethuus. (achterdeel heeft den klemtoon op: deel.)
achterdeur, achterdeuren, (zonder enkelvoud, met den klemtoon op: deu) = de deuren in het achterste deel eener boerenschuur; veur de achterdeuren (eener boerderij) = het plein of de ruimte achter de schuur (of: schuren).
achterdocht, achterdocht, nadenken (ook Oostfriesch); gijn achterdocht hebben = zonder erg zijn en dientengevolge onvoorzichtig, onverstandig spreken of handelen. Veronderstelt gebrek aan nadenken, of aan menschenkennis, of wel aan beide. (Oudtijds: achterdocht = bekommering, angst, vrees.) Vgl. omdenken.
achtereinde, achterèn, achterende, achtereinde. Vergelijking: zoo dom as ’t achterèn van ’n kou = aartsdom. Middel-Nederlandsch achterende = het achterste einde, het achterste gedeelte. Zie ook: binhoes.
achteren, achtern, in: noa achtern mouten = achterlast krijgen, eigenlijk = het privaat moeten opzoeken. Aldus omdat zulk eene gelegenheid in ’t achterste gedeelte van een huis gevonden wordt; hij komt in ’t achtern = wordt achterlijk, komt ten achteren, ook als het geldzaken betreft. Zie ook: binhoes; in ʼt achtêrn, ten achteren. Vgl.: in’t veuren, en zie Gr. Wbk. I, 661
achterhek, achterhek, het sluithek van een boerenwoagen (zie aldaar); ook Drentsch.
achterherzitten, achterheerzitten, achtereerzitten, ijverig werk van iets maken, tijd noch gelegenheid verzuimen om iets in orde te maken of tot stand te brengen. Ook = trachten te bereiken, machtig te worden. (Bij A. Fokke: achterherzitten = achternazitten, vervolgen.) Vgl: achteranzitten.
achterhuis, achterhoes, achterhuus, het achterste gedeelte van een burgerhuis, buiten kamers, keuken en kelder en dienende tot werkplaats voor de meid en tot bergplaats. (Hunsegoo, Fivelgoo, Oldampt, Westerwolde hoes; Goorecht, Westerkwartier huus = huis.) Zie: oe.
achterkasteel, achterkastijl, achterste, achterwerk, podex; Oostfriesch achterkastêl; zie: achterborst. (kastijl = kasteel).
achterkwartier, achterketijer, achterkwartier, de billen, het achterste; ik vōl op mien achterketijer, netter dan: op mien gad.
achterlastig, achterlastig worden, zijn gevoeg moeten doen = achterlast kriegen.
achterlegger, achterlegger, damlegger; zie aldaar.
achterling, achterling, (Stad-Groningsch); eene soort van wittebrood.
achtermeid, achtermaid, zie: kamermeid of koamermaid.
achternaam, achternoam, geslachtsnaam, van; Drentsch, Noord-Holland achternaam.
achternagaan, achternoa gaan, navolgen, ook wat de gevolgen betreft; hij gait zien voader achternoa = volgt zijn vader na, ook: ondervindt het lot van zijn vader.
achterom, achterom, (klemtoon op: ach), in de uitdrukking: achterom is ’t kermis! wat men hoort als iemand voorslaat achterom te gaan, zooveel als: o ja, laten wij dat doen, dat zal pleizieriger zijn.
achteromstraatje, achteromstroatje, pleonastisch voor: achterom; een zijstraatje dat men inslaat om de wandeling te rekken. Vgl. v. Dale art. achterom 2.
achterop, achterop, ten achteren zijn wat werkzaamheden, betaling, enz. betreft. Veronderstelt dat het verzuim moeilijk valt in te halen.
achterrad, achterrad, (klemtoon op: ach), voor: rijksdaalder, zoo: veurrad, guldenstuk.
achterrad, achterrad, (klemtoon op: rad) = achtereen, telkens hetzelfde (Oldampt) Wanneer kinderen elkander foppen door een hunner driemaal hetzelfde te laten uitspreken, hoort men hen spottend uitroepen: dreimoal achterrad! heb’k die doar nijt eerêlk had? zooveel als: wat heb ik ie daar beet gehad!
achterrek, achterrik, zie: achterhek.
achterschudder, achterschudder, een raapzaaddorscher die voor ’t laatst het gedorschte schudt, opdat er geen korrels in de peulen blijven.
achterstallig, achterstallêge schulden, gelden die men te vorderen heeft, oude schulden; ’k heb nog veur doezend gulden achterstallêge schulden in ’t bouk.
achterste poten, achterste pooten, achterpooten. Zegswijs: op zien achterste pooten stoan goan = zeer boos worden.
achteruit, achteroet, achteruut, (klemtoon op oet) = ten achteren in ontwikkeling en beschaving; tegenovergestelde van: veuroet = vooruit; hij ’s lang nijt achteroet = hij kan best meedoen, is goed bij de hand, laat zich niet beet nemen. – Men zegt ook van personen en rijtuigen: zij bin nog achteroet, zooveel als: zij moeten nog komen, zijn nog achter ons; Pijt achteroet = Pieter langzaam. Zie: Goliat.
achteruitboeren, achteroetboerken, zie: boerken.
achteruitleren, achteroetleeren, niet meer zooveel voor iets kunnen krijgen als er vroeger reeds voor geboden is, dus fig. voor: teruggaan, achteruitgaan. Vooral hoort men het in den veehandel.
achteruitruggelen, achteruutruggeln, (fig.) = pogingen aanwenden om eene gedane belofte weder in te trekken, zich terugtrekken, en = achteruutkrabben. Zie: rōggeln.
achteruitstaan, achteruutstoan, achteroetstoan, teruggeven; ’t geld dat zijne studie gekost heeft moet hij, bij de verdeeling der ouderlijke nalatenschap, achteruutstoan, ook: terugstoan.
achterverrel, achtervörl, achtervierendeel, van eene geslachte koe, enz., bij v. Dale ook achterviertel. Vgl. vörl.
achterwerk, achterwark, zie: achterborst.
achterwijk, achterwieken, in geschrifte achterwijken. “Dit wegens de vele bruggen kostbaar een kanaalsysteem werd weldra door het systeem der achterwijken veranderd, en in de laatste jaren volgt men het “twee kanalen systeem”, waarbij twee groote kanalen parallel op 100-200 M. afstands gelegd worden.” (N.G. Cour. September 1884). Vgl. binnenwiek.
achtig, achtîg, Een afwijkend, maar toch veelvuldig gebruik van dit achtervoegsel hoort men inzonderheid in ’t Westerkwartier: loatachtig = laat; grootachtig = aan den grooten kant, groot; vōlachtig = vol; koldachtig = koud; lankachtig = lang; slechtachtig = in slechten toestand, van een zieke; beswiemachtig = zwijmelend; zoo: dikachtig, kloagachtig, minachtig, gauachtig, lastigachtig, moagerachtig, natachtig, enz. = dik, enz. – Ook = veel houdende van ’t geen het hoofdwoord uitdrukt: mouderachtig = de moeder aanhangend, zoepenbreiachtig, proatachtig (praatziek), gekscheerachtig, kōffieachtig, enz. (Het Zuid-Nederlandsch en West-Vlaamsch heeft o.a.: fruitachtig, kerkachtig, Hollandachtig, Napoleonachtig, bedachtig, meestal vergezeld van eene ontkenning; het Noordfriesche brydagtig, orkelagtig, daikagtig, snelagtig, enz.)
achtkant, achtkant, stevig gebouwd, breed geschouderd; lomp: ’n achtkante boer = stevige kerel, ook = onbehouwen, plomp mensch. (Zie de legende: De Achtkante boer in den Gron. Stud. Alm. 1888, Mengelwerk, blz. 86).
achtsman, achtsman, aanklager; thans verouderd Zie: aanbrengeldag.
achtste, achste, achtste. uitvallen der t.
achtste part, achtste part, in de zegswijs: dei komt om de achtste part = die man (enz.) is een bedelaar. Zooveel als: – om een duit, als achtste part van een stuiver.
achtwintigste, achtentwintigsten, de 28 Augustus, als wanneer het ontzet van Groningen (1672) jaarlijks sedert 1840 aldaar herdacht en feestelijk gevierd wordt: noa d’achtentwintigsten goan = dat feest bijwonen.
actie, aksie, voor: eene wonde, een ongemak, bv.: ’n aksie an’t bijn hebben. Voor: boete, in: aksie kriegen = bekeurd, beboet worden. Ook: ’t het gijn aksie = ’t heeft geen nood, maak u daarover maar niet bezorgd. ’t Latijnsche actio, basterd: actie.
adam en eva, oadam en evoa, Aldus noemt men de voelhorens der garnaal; ook de beide honigdoozen van de monnikskap en de zaaddoozen eener pion.
adderkruid, adderkruud, adderkruid, volgens v. Dale in Groningen adderkruid = het pijlkruid, ook serpentstong genoemd. Zie: snoekeblad.
adderloof, adderloof, Onder dien naam worden vele varens bedoeld. (v. Hall.).
adderruit, adderroet, soort van mannetjes boschvaren, welker wortelstok als een middel tegen den lintworm wordt ingezameld, wordt bij Winschoten aangetroffen. (v. Hall.).
Ade, Oate, Ate, jongensnaam, doopnaam van mannen. Zie: atte.
adem, asem, (Niezijl, enz.) = adem; ik heb geen asem meer = ik word spoedig kortademig.
adem, oam, adem, Noordfriesch ohme; achter oam wezen = buiten adem zijn, bv. door hard loopen; oamophoalen = diep ademhalen, ademen; ’k was zóó achter de poest, ik kon hoast gijn oamophoalen; zōk achter de oam schreeuwen = uit alle macht schreeuwen, roepen.
ademophalen, oamophoalen, zie: oam 2.
advocaat, afkoat, affekoat, avvekoat, advocaat. Drentsch affekaot.
advocaatse, afkoatske, voor vrouwlijke advocaat, zij is bespraakt en gevat, zij kon wel afkoatske wezen. Vgl. ske.
advocatenborrel, afkoatenbōrrel, (enz.) = advocatenborrel (v. Dale).
af, of, voor: aan; van kind of = van kindsbeen aan.
af, of, af, van het bed, van het land; zij is t’r nog nijt of = zij ligt nog te bed; koom d’r doch of, jong! = sta dan toch op, jongen! Zij hebben ’t zoad d’r of = het koren is gezicht. Zie ook: ofdraien.
af, of, af, en: of; Kil. of = af, ook Zuid-Hollandsch en Zuid-Nederlandsch; ’t is bie de duvel of = ’t wil maar niet lukken, ’t is duivelsch; hij (of: zij) is bie de duvel of = hij is slim, men kan hem onmogelijk foppen (of: vangen). – Zie ook: dussel.
af en toe, of en tou, of en tou loopen = gaan en komen; ’t lopt ’r of en tou = daar (op straat) loopen veel menschen heen en weder, naar en van eene bepaalde plaats; ook Noord-Brabant, OostfrieschZuid-Nederlandsch of en toe = gedurig aan. (v. Dale: af en toe = af en aan = heen en weder.)
afaccorderen, ofakkedijêrn, een akkoord aangaan, zoodat het niet tot een bankroet komt, accordeeren. Ook: bij verschil over geldzaken ’t in der minne schikken.
afarbeiden, ofarbaiden, (met den klemtoon op: ar), in: ik ken’t nijt ofarbaiden = ik ken d’r nijt tegen arbaiden = ik kan al mijn werk onmogelijk op tijd afdoen, daartoe heb ik het te druk en moet dus de hulp van anderen inroepen. Zie: ofrekken.
afbakenen, ofboaken, afbakenen; ofboakt = afgebakend.
afbakken, ofbakken, (klemtoon op: bak), in: hij ken’t nijt ofbakken = hij kan niet genoeg bakken om al zijne klanten te gerieven. Zie: ofrekken.
afbakken, ofbakken, (klemtoon op: of) = afdoen, bv. aan eene verplichting voldoen, iets uit den weg maken, een geschil uit den weg ruimen; ’k zel dat wel gau ofbakken = die samenkomst, of: dat zaakje zal ik spoedig hebben afgedaan; wie kennen dat mit ons baiden wel ofbakken. Oostfriesch ofbakken, Nedersaksisch afbakken = onderling overeenkomen.
afbeelden, ofbeelden, ofbeel’n, in: elk ken’t bie hōm zulf (of: zulm, zulms) wel ofbeelden (of: ofbeel’n) = elk kan zich zelven wel tot maatstaf nemen hoe het iemand in een bepaald geval te moede moet zijn, men heeft zich slechts in zijn’ toestand te verplaatsen; ook: men steke de hand in eigen boezem; ie kennen’t doar wel bie ofbeelden = gij moet het daarmede maar vergelijken om er eene voorstelling van te krijgen.
afbladderen, ofbladdêrn, (Ommelanden) = afblaren, van het verouderde afbladeren, blaren vormen en dan afschilferen; ook alleen voor afschilferen, loslaten, bv. van eene laag verf, op welke wijze dan ook; de pot, de muur bladdert of. Van eene huidziekte zegt men steeds: ofschilfêrn.
afbladeren, ofbloadêrn, ontbladeren, van bladeren berooven.
afblauwen, ofblauen, schertsend voor: lucht van zich geven door ’t laten van een wind.
afbloeien, ofbluien, het einde van het bloeien van oliezaden, inzonderheid van raapzaad; de kool is mooi ofbluid = het raapzaad heeft lang gebloeid, zoodat de hauw zich goed kon ontwikkelen.
afbloeien, afbloeien, (in geschrifte) – ofbloien = het einde van het bloeien. Zie onder art. tweiriepig.
afborsen, ofbōrsen, zie: bōrsen.
afborstelen, ofbossêln, afborstelen; mien buffel mout ofbossêld wor’n. Zie: bossêl.
afbraak, ofbrek, voor afbraak, het afbreken; op ofbrek van ’t mart = bij het eindigen van de markt, ook van de veemarkt: bij v. Dale: bij het afgaan van de markt.
afbraak, ofbroak, afbraak; dat hoes wordt op ofbroak verkoft, bij v. Dale: voor afbraak.
afbreien, ofbraien, (klemtoon op: brai); zij ken’t nijt ofbraien = zij heeft te veel breiwerk. Eveneens met: ofnaien (afnaaien). Zie: ofrekken.
afbrengen, ofbrengen, afbrengen, in geschrifte afbrengen (Oldampt) = afvoeren van graan, enz. met den wagen, naar het schip dat het dan naar Groningen vervoert; de boeren bin an ’t ofbrengen.
als uitslag eener handeling; hij het’r goud ofbrocht = hij is goed weggekomen, hij heeft zijn doel wel bereikt. Vgl. ofredden.
afdak, ofdak, afdak; onder ’t ofdak wonen, zooveel als: in eene min aanzienlijke plaats, streek of buurt, in eene achterbuurt, of ook: in een vergeten hoek van ’t land wonen.
afdoen, ofdoun - toudoun, in: doar ken je zulf ’n bult an ofdoun en toudoun = dat hebt gij zelf hoofdzakelijk in uwe macht; doar ken ’k niks an ofdoun of toudoun = daar kan ik geen invloed laten gelden, daar kan ik niets aan veranderen.
afdokken, ofdokken, afsteken van geld, bij v. Dale: opdokken.
afdraaien, ofdraien, (klemtoon op: drai); de meuln (of: möln) ken ’t nijt ofdraien, ook: de meuln (of: möln) ken ’t nijt ofmoalen = de molen kan al dat graan niet vermalen, òf van wege de groote toevoer of doordien hij op te kleine schaal is gebouwd. – ofmoalen (klemtoon op: moa) zegt men ook van watermolens, als zij er niet aan malen kunnen om bv. een polder droog te houden. Zie ook: ofrekken.
afdraaien, ofdraien, afdraaien; stait ’n jong bie de drai om hōm of te draien; de drai is ofdraid, of: de drai is of¸ zooveel als: de schepen kunnen passeeren, de voetgangers niet.
afdracht, ofdracht, afloop, helling; dei toen het gijn ofdracht = die tuin heeft geene goede afwatering en ligt dus niet droog genoeg. Vgl. afdragen = afhellen.
afdrogen, ofdreugen, opdrogen, van den grond, droger worden van paden, wegen, enz., zóó dat zij spoedig begaanbaar zijn.
affeilen, offailen, afdweilen; de flour mout eerst offaild wor’n.
afgaan, ofgoan, afgaan, voor: wijze waarop iets verricht wordt; ’t is hōm doar (bv. in Amerika) goud ofgoan = ’t is hem daar gelukt, hij heeft er fortuin gemaakt. – dat gait hōm nijt goud of = die daad zal hij niet straffeloos gepleegd hebben, zoo iets is niet geoorloofd.
afgebruiken, ofbroeken, (afgebruiken). Zegswijs: al wat men d’r an ofbroekt is winst = zoolang het voorwerp (en men past het spottend ook op personen toe), dienst kan doen, behoeft men zich geen nieuw aan te schaffen.
afgedraaid, ofgedraid, (= afgedraaid), voor afgerazend, enz. Zie: ofgenaid.
afgedriedonderd, ofgedreidōnderd, zie: ofgenaid.
afgelazerd, ofgeloazerd, ofgeloasterd, verschrikkelijk, “en de lie moakten, tou ’t oet was zoo’n ofgeloazerden spektoakel,” enz.
afgeluizigd, ofgeluizîgd, (zie: ofgenaid); hier wellicht door onze militairen ingevoerd.
afgemieterd, ofgemieterd, zie: ofgenaid.
afgenaaid, ofgenaid, (eigenlijk afgestampt), als bijwoord van versterking; hij ken ofgenaid hard loopen, scheuveln; hij ken ofgerakkerd lijgen, enz. (v. Dale: afgedraaid, afgerazend, uitroep van verwondering.)
afgerakkerd, ofgerakkerd, zie: ofgenaid.
afgeren, ofgeeren, er iets afsnijden opdat het schuin zal loopen. Naaistersterm.
afgescheiden, ofgeschaiden, (zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord) = Christelijk Afgescheidene; hij ’s Ofgeschaiden = hij behoort tot die kerk; hij gait altied noa de Ofgeschaiden kerk.
afgestampt, ofgestamt, ofgestōmt, afgestamt, als bijvoeglijk naamwoord in: ’t is ’n ofgestamte leugen = allerstōmste dikke leugen, enz. = groote leugen. Als bijwoord: ofgestamte mooi, lelk, wred, enz.; ’t is ’n ofgestamte dikke, lange, enz. Zie ook: ofgenaid.
afgeval, ofgeval, zie: hutspot.
afgeven, ofgeven, voor: ten gevolge hebben; zie: noorderstof.
afglijden, ofglieden, afglijden. Zie: ofzakken 2.
afgooien, ofgooien, (klemtoon op: gooi) = een voorwerp tot een bepaald punt werpen, zoo ver gooien: dat ken’k nijt ofgooien = zoo ver kan ik met geen steentje werpen.
afgooien, ofgooien, (klemtoon op: of); met dobbelsteenen hooger oogen werpen dan een ander, zoodat deze geen kans meer op den prijs enz. heeft; hij het mie d’r ofgooid; ik har 38, en hij smeet 39 oogen, anders har ik de hoas (of: gans) wōnnen. – Ook met meetjen of streektjen, wanneer een der spelers nader bij de streek werpt dan een zijner voorgangers; ’k was eerstert, moar hij het mie d’r ofgooid en nō bin ’k tweidert. Zie ook: ofsnieden.
afgrabbelen, ofgrabbêln, (klemtoon op: grab); ik kon’t nijt ofgrabbêln = ik kon er niet tegen grijpen, bv. bij ’t appelschudden, of wanneer er eene menigte knikkers te grabbel worden gegooid. Zie: ofrekken.
afgrijs, ofgries, sterke afkeer, griezeling, afgrijzen. Middel-Nederlandsch afgrijs = afgrijzen, hevige schrik. (Verdam).
afgronden, ofgrōnden, (klemtoon op: grōn; Oldampt) = ofpunten (Ommelanden) = grōnden = rechtopstaande in een water den grond kunnen voelen, met de teenen kunnen bereiken; ’t ofgronden kennen beteekent zooveel als: het kunnen doorwaden, en in zulk een water mogen baden zonder te kunnen zwemmen. – Middel-Nederlandsch gronden, Middel-Hoogduitsch, Hoogduitsch gründen, Middel-Nederduitsch grunden. Peilen, eig. en vooral fig. (Verdam). Bij v. Dale (verouderd) = grond voelen. Hooft: gronden = peilen, grond voelen. Gothisch afgrundtha, Oud-Hoogduitsch aberunti = wat tot den bodem, de benedenste diepte reikt; Oostfriesch ofgrunden = den bodem aanroeren, de diepte peilen. Zie: ofrekken.
afgronderen, ofgrōndijêrn, beleedigen, affronteeren, Oostfriesch ofgrunderen. Vgl. ’t Fransche gronder = schelden.
afhalen, ofhoalen, (= afhalen), voor: afnemen; ’t eten ofhoalen = de tafel afnemen.
afhandig, ofhandîg, niet nabij, afgelegen, ongeschikt gelegen voor eigen gebruik; dat land ligt ofhandig = op een grooten afstand van de boerderij; de werkplaats is hem te ofhandîg = te ver van zijne woning verwijderd. Weil. afhandig = afwezig. Bild. gebruikt: afstandig = ofhandîg. Oostfriesch ofhandîg = afgelegen; Nedersaksisch afhändig = afwezig. Zie ook Oostfr. Landr. Bk. I, kap. 57. – Ook = niet in de richting van ons, zoodat men bv. door den wind het luiden eener klok of het fluiten eener locomotief niet hoort.
afhankelijk, ofhankelder, afhankelijker.
afhemelen, ofhemmêln, zie: hemmêln.
afhoren, ofheuren, (klemtoon op: heu) = ten einde toe hooren. Zie: ofrekken.
afhouwen, ofhauen, ofhouen, in stukken verdeelen van een geslacht dier; de kou hangt an de balk (of: ’t swien an de ledder), mör’n komt de slachter te ofhauen; bie ’t ofhauen mou’k bie wezen anders doun ze mie’t nijt noa’t zin.
afijn, afijn, afein, (Stad-Groningsch) = enfin, bij v. Dale = eindelijk, in het kort, kortom.
afjagen, ofjoagen, ofjachten (v. Dale); iemand ofjoagen en ofsnauen = hem een barsch, onvriendelijk antwoord geven.
afkalven, ofkalven, afkalven, fig. voor: afloopen; ’t zel mie beneien hou dat ofkalft = ’t zal mij benieuwen wat daarvan komt, waar dat op uitloopt, van een of ander plan gezegd.
afkennen, ofkennen, hij ken’t doar wel of = hij woont er goed, hij mag daar wel tevreden zijn, hij kan het daar wel stellen.
afkleden, ofklijden, (afkleeden), voor: afschutten door middel van een schot, van een’ muur, enz., en wordt alleen van het inwendige van gebouwen gezegd; hij het ’n koamerke op beun ofkled = hij heeft een kamertje op zolder gemaakt.
afkluwen, ofklounen, zie: kloun.
afknibbelen, ofknibbêln, met de toppen der vingers heel kleine stukjes van iets afbreken, bv. van een’ koek; wel het dei sukoade doar ofknibbêld? zoo’n ding mag je nijt beknibbêln.
afknoeien, ofknooien, (wederkeerend) = zich afsloven; ’k heb mie d’r van ’t winter genōg mit ofknooid = ik heb mij er dezen winter genoeg mede afgesloofd. – En met den klemtoon op: knooi: ik kon ’t hoast nijt ofknooien = ik moest altijd hard werken om het werk af te krijgen, om de boel in orde te houden, enz.
afkomen, ofkomen, voor: aankomen, in: ’t op hōm ofkomen loaten = ’t geheel op hem laten aankomen, alles aan hem overlaten, inzonderheid wanneer het geldzaken betreft; – niet van iemand kennen ofkomen, (als men betalen wil) = ’t niet kunnen passen. – ik koom zoo van de kōffie of = ’k heb zooeven koffie gedronken, (en bedank dus); zij mout ’r ofkomen = zij moet opstaan, eigenlijk: van het bed afkomen; ik koom d’r of = ik wil niet langer op bed blijven; ik was t’r om vijr uur al of = ik was om vier uur opgestaan; wat dou ie d’r zoo vroug of!? = waarom zoo vroeg uit het bed? (Hierbij dient opgemerkt dat de bedsteden voorheen nog vrij wat hooger waren dan nu, zoodat men een bankje gebruikte om er in te klimmen. Dit voorwerp prijkte des daags vóór de bedstede.)
afkopen, ofkoft, afgekocht, verleden deelwoord van: ofkoopen = afkoopen.
afkorrelen, ofkōrreln, afrollen, al rollende van de hoogte naar de laagte komen; wordt alleen van kleine, ronde voorwerpen gezegd. Zie: korrêln.
afkrijgen, ofkriegen, (=afkrijgen), van het hoofdhaar gezegd; ik heb’t hoar ofkregen en mag nijt in de kolle loopen = ik heb het haar laten knippen en moet mij te huis houden; de arbaiders hebben de garst ofkregen = het zichten der gerst, ook: het dorschen er van is afgedaan.
afkwellen, ofkwelen, zich ofkwelen met iets = zich daarmede alle moeite getroosten, zich er mee afsloven; Hoogduitsch abquälen.
aflangen, oflangen, afgeven, overgeven aan een ander, van iets vrijwillig of gedwongen afstand doen ten behoeve van een ander; ie mouten dat paktje bie Vos oflangen; zij wōllen de brijf nijt oflangen moar eerst geld hebben. Zie: anlangen.
aflaten, ofloaten, afgeven van geverfde stoffen of voorwerpen; ook = afblauwen van ijzeren potten, enz. Zie ook: ofblauen.
afleggen, ofleggen, een lijk in de kist leggen, kisten. Ook = aanranden en vermoorden.
afleider, oflaider, zie: dunderlaider.
aflenen, oflijnen, afleenen, schertsend voor: afstelen.
afleren, ofleeren, zie: achteroetleeren; ofleerd, verleden deelwoord van: ofleeren (afleeren), in: doar bin’k mit ofleerd = dat heeft de ondervinding mij afgeleerd. Ook met betrekking tot personen: ’k bin mit hōm ofleerd (= ’k heb ’t mit hōm doan kregen) = ik doe met hem geen zaken meer, enz. ook: ik leen hem niets weer.
aflichten, oflichten, (klemtoon op: lich) = ten einde toe lichten, bv. van eene straat door één lantaarn; dei lanteern kan ’t lang nijt oflichten, ’t èn is veul te lank. Zie: ofrekken.
aflonen, ofloonen, dienstboden binnenstijds ontslaan en naar den dag afbetalen of zes weken bovendien geven, (ook Drentsch, Geldersch); de knecht of meid zegt dan: boer het mie’t geld geven = hij het mie ofloond. De bedreiging: geef mie ’t geld, (of: mien geld) moar, zoo veel als: loon mie moar of. ’t Hoogduitsch ablohnen.
aflooien, oflooien, zie: looien.
aflopen, ofloopen, (bedrijvend) = iemand in een wedstrijd op schaatsen of bij eene harddraverij overwinnen; no 3 het no 4 ofloopen (bij paarden ook: ofreden), nō mouten no 3 en no 8 tegen kander loopen (of ook: rieden); Zoo gebruikt men ofspeulen (afspelen) bij een wedstrijd op het biljart.
aflopen, ofloopen, (klemtoon op: loo) = den weg loopend afleggen; dat ken wie nijt ofloopen, den mou’ve moar mit snik goan. Zie: ofrekken.
aflopen, ofloopen, in: iemand ofloapen loaten = ofrōffeln = afsnauwen, een bits antwoord geven en daardoor beschaamd maken; Kil. yemanden afloopen, Oostfriesch êne aflopen laten = grof behandelen. – eerappels ofloopen loaten = het water onder de pas gekookte aardappelen laten wegloopen. – den is ’t ofloopen, zooveel als: nu is er niets meer aan te doen, aan te praten, wij moeten er nu maar in berusten.
aflullen, oflullen, afbabbelen; “Zij hebben weer ’n hijle lap ofluld in de gemijnteroad.”
afmalen, ofmoalen, zie: ofdraien 2.
afmesten, ofmissen, zie: missen.
afmeuten, ofmuiten, zie: muiten.
afnaaien, ofnaien, zie: ofbraien.
afnasjen, ofnasken, ofnarsken, ofnarzen, ofnastjen, ofnastêrn, zie: nasken.
afnemen, ofnemen, voor: vorderen, eischen, voor het verrichten van eenig werk, hij het mie d’r niks veur ofnomen, hij wōl d’r niks veur hebben = hij wilde er geene belooning voor ontvangen; hij het mie d’r te veul veur ofnomen = hij heeft mij (voor die waar, enz.) te veel laten betalen; – botter ofnemen = de boter uit de karn nemen als het karnen is afgeloopen. – Ook: het overdragen van een werk van een aannemer aan den lastgever; ’t wark (het gebouw, de spoorweg, enz.) is ofnomen = goedgekeurd, en zooveel als: uit de handen van den aannemer overgenomen, als bewijs dat hij zijne verplichtingen is nagekomen.
aforten, oforten, aoforten, (Hoogeland) = het voeder dat de koeien op den stal verspreid hebben laten liggen bij elkaar zamelen en weer voor den kop brengen. Vóór de knechten naar bed gaan, gaan ze nog even bie’t goud lans om aof te orten.
afpakken, ofpakken, het afnemen van één of meer kaarten door den rechterbuur van den kaartgever en de overblijvende kaarten daarop leggen, een gebruik dat bij het jassen en whisten nooit mag verzuimd worden.
afparten, ofparten, zie: parten.
afpegelen, ofpegêln, fig. voor: afloopen; “Kerels dei opstopte vremde vizzen en vogels en goud zain laiten, pegelden ’t land aof.” Zie: pegêln.
afpennen, ofpennen, afschutten van het water door middel van een dam: zij hebben dei sloot ofpend, dat is dus ’n bepende sloot. Vgl. ’t Engelsche to pen = tegenhouden, en zie: pendam.
afpennen, ofpennen, (klemtoon op: pen); ik ken’t nijt ofpennen = dat schrijfwerk maakt het mij te druk, daarom neem ik een hectograaf; ook: hij dicteert zoo vlug dat ik er niet aan schrijven kan. Zie: ofrekken.
afplukken, ofplōkken, ofplukken, ’t met plukken afdoen; (met den klemtoon op plōk, of: pluk); ik ken’t nijt ofplōkken = het plukken duurt mij te lang, ik zal mijne toevlucht tot schudden nemen. Zie: ofrekken.
afpoesten, ofpoesten, afblazen. Zie: poesten.
afpompen, ofpōmpen, (klemtoon op pōm); wie kennen ’t nijt ofpōmpen = wij kunnen de pomp niet lens krijgen, het lek (in het schip) is te groot. Zie: ofrekken.
afportretteren, ofpotterlijêrn, de beeltenis van iemand maken, portretteeren; ook = photografeeren.
afpreken, ofpreeken, (klemtoon op: pree): de vacatures in dien Ring zijn zoo vele, dat de andere predikanten die kerken niet kunnen ofpreeken, dat is niet kunnen rondkomen, de gewone beurten niet kunnen vervullen. Zie: ofrekken.
afpuilen, ofpulen, de korst of de huid met de toppen der vingers verwijderen, bv. de roof van eene zweer, het eelt van een eksteroog, de schil van een sinaasappel, de dop van een ei, mits zulks bij kleine gedeelten plaats heeft. Het woord zal een bijvorm van: afpellen, kunnen heeten. Zie ook: pulen.
afpunten, ofpunten, zie: ofgronden. (Klemtoon op: pun.) Vgl. puntjen.
aframmelen, zich oframmêln, uitputten, evenals het Oostfriesch en Westfaalsch sik oframmeln = immodice coire.
afredden, ofredden, hij het ’r goud ofred = hij heeft zich er goed uitgered, hij is er goed afgekomen, ’t is nog goed voor hem afgeloopen; hij het ’t leven d’r ofred = dat ongeluk had hem bijna het leven gekost. Synoniem met: ofbrengen 2; zie aldaar.
afreizen, ofraisd, (verleden deelwoord van: ofraizen), in: ’k bin ofraisd = ik ben zeer vermoeid ten gevolge der reis. Vgl. verraisd (v. Dale: zich afreizen = zich erg vermoeien, afmatten, door reizen.)
afrekenen, ofreken, afrekenen, en: afrekening.
afrekken, ofrekken, (klemtoon op: rek) = met de hand kunnen bereiken, de arm zoo ver uitstrekken dat men het voorwerp kan aanraken of naar zich toe halen; op dei trappen ken ’k ’t nog nijt berekken = op die trap staande kan ik nog niet aan den zolder reiken om dien (bv.) te verven; mien pōlstok ken ’t nijt ofrekken = mijn pols is te kort om over die wijde sloot te springen; dei plank ken’t nijt ofrekken = is te kort om over dat water te kunnen leggen, zooveel als: reikt niet tot den anderen wal. – Hoewel het woord niet als onscheidbaar is aan te merken wordt het toch bijna uitsluitend in de onbepaald wijs gebruikt. Dit is ook op de volgende reeks van werkw. van toepassing. – Van Dale zegt: “Men vindt afreiken ook vermeld in den zin van: iets (op zekeren stand) bereiken, als in de uitdrukking: ik kan het nauwelijks afreiken, dat is zoover reiken. Doch die beteekenis is eene Hoogd. opvatting, in ons taalgebruik niet bekend.” Zie art.: afreiken. Van den klemtoon spreekt hij niet. Bovenbedoelde werkwoorden zijn: ofbakken, ofbraien, ofdraien, ofgooien, ofgrabbêln, ofgrōnden, ofheuren, oflichten, ofleggen, ofloopen, ofmoalen, ofnaien, ofpennen, ofplokken (of: ofplukken), ofpreeken, ofpunten, ofrieden, ofrunnen, ofschrieven = ofschrijven (of: ofschreeuwen), ofspaiten (of: ofspuiten), ofspannen, ofspinnen, ofstappen, ofspringen, ofstoan, ofswieren, ofswoaien, ofswemmen, ofstroomen, ofvoamen, ofvreten, ofwarken, ofzitten, ofzijn.
afrepelen, ofrepêln, door ravotten, stoeien, klimmen, glijden, enz. afgebruiken van kleederen. Zie: repêln.
afrepen, ofrepen, ofreupen, (Hoogezand enz.) = ofreupen (Fivelgoo) = wegrooven, wegkapen. Zie ook: ofrepêln.
africhelen, ofriggêln, door eene houten schutting, riggel, omheinen en afsluiten: Oostfriesch ofricheln. Zie: riggel.
afrijden, ofrieden, (klemtoon op: rie) = zekeren afstand rijdend afleggen; van Warfêm over Zoltkamp en zoo wieder deur de Bildstreken noa Harlingen ken we best in ijn dag ofrieden, zooveel als: met twee paarden kan men die reis best in één dag doen. Zie: ofrekken en: ofloopen.
afrijden, ofrieden, (klemtoon op: of) (= afrijden) = in de hardrijdersbaan overwinnen, zoodat het overwonnen (het ofreden) paard van de lijst kan worden geschrapt; Goliath het de Nette ofreden. Gewoonlijk wordt alleen het deelwoord gebruikt. Zie onder art. leden [en ook] ofloopen.
afroffelen, ofrōffêln, afsnauwen. (v. Dale: afroffelen, fig. = hem eene ferme schrobbeering geven wegens gepleegd verzuim of verkeerd gedrag. Zie: rōffêln.
afrunnen, ofrunnen, (klemtoon op: run); de boodschaplooper ken ’t nijt ofrunnen = kan zoo hard niet loopen, dat hij (of: zij) ’t op tijd gedaan heeft. Zie: ofrekken.
afsabelen, ofsoabêln, ruw afweren, echter niet zonder gegronde redenen: Zij het hōm ofsoabelt, dat beloof’k joe. Synoniem met: ofhauen, en: ofsnauen.
afscheiden, ofschaiden, afscheiden, nl. in kerkelijke zaken, hij het zōk ofschaiden = hij is tot de Christelijk Afgescheiden gemeente overgegaan.
afscheiding, ofschaiden, afscheiding, nl. in kerkelijke zaken.
afschemeren, ofschammeraiern, verbergen, bedekken, afsluiten, bv. van voorwerpen of vertrekken die men liefst voor het oog van vreemden wil verborgen houden, o.a. door middel van een gordijn.
afscheuren, ofscheuren, aofscheuren, iets mede aan verdienen, veelal op min loffelijke wijze.
afschieten, ofschijten, (= afschieten), voor: afsteken van een vuurwerk, bv. van zwervers: swarms ofschijten.
afschijnen, ofschienen, voor: warmte van zich geven; de kachel schient oarîg of = de kachel brandt fel.
afschilferen, ofschilfêrn, het afvallen der opperhuid, bv. bij een negenoog, bij mazelen, roodvonk, enz. Vgl. v. Dale art. afschilferen.
afschol, ofschol, hellend, afhellend, van den bodem gezegd.
afschonen, ofschoonen, van de lucht = afbuien; de locht (of: lucht) schoont of = de buien verdwijnen en de lucht wordt helder. (v. Dale: afschoonen = opklaren van het weder.)
afschreeuwen, ofschrijven, ofschreeuwen, ofschrijven (Oldampt) = ofschreeuwen (Ommelanden), met den klemtoon op de 2e lettergreep; ik ken’t nijt ofschrijven = ik kan zoo hard niet roepen of schreeuwen dat men het hoort, of: dat men mij verstaat (wanneer men het bv. met een doof mensch te doen heeft); v. Dale: afschreeuwen = zoo hard schreeuwen, dat het geluid op zekeren afstand reikt, op dien afstand gehoord wordt. – Van den klemtoon spreekt hij niet.
afschrijven, ofschrieven, (= afschrijven); door eene formaliteit verdrijven; bezweren van de koorts; doe mōst de koors (of: koorse) ofschrieven loaten = gij moet door een persoon, die daarvoor de gave bezit, de koorts laten bezweren. Dit geschiedt o.a. door het maken van kerven in een’ boom; gewoonlijk is dit zeggen niet gemeend. Oostfriesch ofschrieven = door een schrift wegtooveren; dat feber ofschrifen = ên de kolle ferdrifen. Holsteinsch en fieber afschrieven = aan de zoldering (waar de koortslijder zich bevindt), schrijven: Fieber, bleib aus, N.N. ist nicht zu Haus. – Ook met den klemtoon op: schrie, en dan zooveel als: zoo snel kunnen schrijven; ik ken’t nijt ofschrieven = ik kan u niet bijhouden, gij moet langzamer dicteeren.
afschuin, ofschuun, afhellend, in ’t algemeen. Vgl. ofschol; zie: ofschunen.
afschuinen, ofschunen, afschuinen, inzonderheid schuin maken van een dijk, wal, muurwerk, enz.; ook Oostfriesch Vgl. v. Dale art. afschuinen.
afslaan, ofsloagen, afslaan. Zegswijs: men mout niks ofsloagen as lankbijnde muggen = men moet geen geschenk of eenig goed aanbod van de hand wijzen. Woordspeling met de fig. beteekenis van het woord. – Ook = afschuren, wegspoelen van gronden door stroomingen, bij v. Dale: afslijten, en: afslaan. – En = afgieten; zie: sloagen.
afslag, ofslag, (onzijdig); vroeger, vóór 188., de overdekte plaats bij de voormalige Kranenpoort, waar de van Zoutkamp aangevoerde visch bij afslag verkocht werd. Zie: visbanken, en: ofsloagen.
afslag, ofslag, afschuring, afkabbeling van aangeslijkten grond achter den zeedijk, alsook van de duinen op Rottumeroog. Zie: anslag.
afslepen, ofsleepen, zie: ofstrieken.
afslijten, ofslieten, sloopen; de börg wordt ofsleten; zij mōssen dat olle hoes neudig ofslieten. Vgl. v. Dale: art. slijten; ofsleten (verleden deelwoord van: ofslieten) = gesloopt.
afslikken, ofslikken, likken, aflikken. Zie: slikken.
afslodderen, ofslōddêrn, afslonzen, van kleederen, door ze achteloos en slordig te dragen en te behandelen.
afsmijten, ofsmieten, zie: ofsnieden.
afsnijden, ofsnieden, schrappen als lid der Christelijk Afgescheiden Kerk; zij hebben hōm ofsneden = hij ’s van kerk ofsmeten (of: ofgooid) omdat hij noa ’t Warfemer mart west het.
afsnuisteren, ofsnuustêrn, doorsnuffelen, doorzoeken. West-Vlaamsch ofsnuisteren.
afspannen, ofspannen, (klemtoon op: span) = een zekeren afstand door het uitspannen van duim en middelvinger bereiken; ik ken de lengte van dat potlood nijt ofspannen. v. Dale: span, spanne, ruimte, die de span eener hand beslaat; afspannen = door het uitspannen der hand meten. Van den klemtoon spreekt hij niet. Zie: ofrekken.
afspelden, ofspellen, (afspelden) = door het steken van spelden aanduiden welke veranderingen eene naaister in een kleed moet aanbrengen.
afspelen, ofspeulen, afmaken, vrijmaken, van ontslaan (van iets of iemand); ’k heb mie d’r mit ’n mooi proatje ofspeuld. Zie: ofloopen.
afspinnen, ofspinnen, (klemtoon op: spin); dat ken ik nijt ofspinnen = ik kan het niet af, ik heb te veel te spinnen.
afspringen, ofspringen, (klemtoon op: sprin); ik ken’t nijt ofspringen = zoover kan ik niet springen en moet dus op eene andere wijze trachten aan den overkant te komen.
afspuiten, ofspaiten, ofspuiten, (klemtoon op de 2e lettergreep) = tot een zeker punt spuiten, het water door middel eener spuit tot op zekeren afstand, of tot zekere hoogte brengen.
afstaan, ofstoan, (klemtoon op: stoan) = blijven staan, wanneer dit met groote moeite gepaard gaat; het schip slingerde zoo geweldig dat de matrozen ’t niet konden ofstoan = zij moesten zich aan het touwwerk vasthouden; het woei zoo geweldig dat ik ’t niet kon ofstoan = het niet op de been kon houden. – “Hei’n weg of woagenpad dei liek lopt mit ’t spoor, dei mouje wel verleggen, want as ie an ’t mennen bin en de train ridt joe van achtern in, den is t’r gijn peerd dei ’t ofstoan ken,” dat is dan moeten de paarden wel aan ’t hollen gaan; as de wegen ofschuun bin en glad den kennen ’t de peerden zunder iezers nijt ofstoan. – ik kōn’t nijt ofstoan, ook zooveel als: het staan vermoeide mij te veel, omdat (bv.) de rede te lang duurde. – Vgl. v. Dale: afstaan (verouderd) (van aanvallen, gevaren, kwellingen, moeilijkheden, enz.) ze ten einde toe standvastig verduren, ze uithouden zonder te bezwijken: de Zwitsers stonden de aanslagen der bondgenooten af.– Hooft: Binnen laaghen vijf vendels, – die twee stormen afstonden, verslaande veel Fransoyzen. (Ned. Hist. 606. 19). Zie: ofrekken.
afstaan, ofstoan, niet meer over het vuur hangen; de eerappels hebben al ’n toer ofstoan, zij wor’n stief en kold. Vgl. opstoan.
afstappen, ofstappen, voor: schoonmaken, van de voeten, wanneer men van buiten komt, door te stampen het stof, de sneeuw, enz. van de schoenen of klompen verwijderen; ie mouten de vouten goud ofstappen, d’r ligt ’n mat in de gang.
afstappen, ofstappen, (klemtoon op: stap); hij ken’t nijt ofstappen = met één stap kan hij dat punt niet bereiken, niet over dien greppel, waterpoel, enz. stappen, dus moet hij een aanloop nemen om een sprong te doen. Zie: ofrekken.
afsteken, ofsteken, in zekere richting gaan; hij is ’t ’r op ofstoken = hij is op weg gegaan, bv. naar den brand; zij is t’r mooi en wel op ofstoken, bv. naar de kermis.
afsteken, ofsteken, leegdrinken; hij het zien borrel ofstoken = hij heeft zijn glas uitgedronken. Synoniem met: oetsteken.
van geld = opdokken, schenken; hij het niks ofstoken = hij heeft geene fooi gegeven, of: ’k heb niets van hem, bv. van mijn oom gekregen. Swaagman: ofsteken = betalen.
afsteker, ofsteker, zie: steker.
afstellen, ofstellen, van zich zetten; ie mōssen moar zijn of ie dat nijt wat van joe ofstellen kōnnen = gij moet uw best doen om (bv. die akelige gedachte) van u te zetten.
in de zegswijs: oetstellen is ofstellen = oetstel is ofstel. Vooral hoort men het bij hartelijk gemeende uitnoodigingen tot een bezoek, en zooveel als: gij moet er maar spoedig werk van maken, stelt gij het uit dan vrees ik dat het veel te lang duurt. (v. Dale: uitstel is geen afstel = wat uitgesteld is, is daarom nog niet verloren. Hooft: afstel = afschaffing, schorsing.)
afstraffen, ofstraffen, iemand overwinnen in eenʼ wedstrijd; ʼk heb hōm ofstraft = ʼk ben hem de baas geweest. – Ook = bekennen, concumbere.
afstrijden, ofstrieden, zie: strieden.
afstrijken, ofstrieken, voor: opsteken, in den zak steken, van woekerwinst; hij wil dʼr wat ofstrieken = hij wil er geld aan zien te verkrijgen, ofschoon hij er geene aanspraak op heeft.
afstromen, ofstroomen, (klemtoon op: stroo); de ziel ken ʼt nijt ofstroomen = de sluis kan het overtollige water niet spoedig genoeg loozen, daarvoor is de toevoer te groot. Zie: ofrekken.
afstropen, ofstrupen, afstroopen, van het vel van dieren. Ook: tuinboonen en doperwten van de draden ontdoen. Zie: strupen.
afstruinen, ofstrunen, zie: strunen.
afstruiver, afstruiver, (J. Auwen); iemand die een ander meer afneemt dan billijk is. Volgens Dr. A. de Jager zooveel als: afstrooper, van stroopen, Hoogduitsch strupfen, streifen.
afstruiver, ofstruver, zie: afstruiver.
afstubben, ofstubben, afstoffen; Oostfriesch ofstübben. Zie: stubben.
afstuiten, ofstuiten, (Stad-Groningsch) = door te stuiten het evenwicht verliezen; pas op dajʼ nijt van ledder ofstuiten!
aftakelen, oftoakêln, zie: oftakken, en: oftiggeln.
aftakken, oftakken, eig. = lager hangen aan een getakt haal of heugel, tegengestelde van: optakken = hooger hangen, opschuiven; fig. voor: naar beneden gaan, afdalen; de uitveiler takt of bij daalders of dukaten; de koopman takt of met den prijs zijner waar. – Ook = zichtbaar zwakker worden, afnemen door ouderdom of ziekte; voor ʼt eerste ook: oftoakêln, eigenlijk zooveel als: als vanzelf onttakelen; Oostfriesch oftakeln. (Bij v. Dale: aftakelen ook = achteruitgaan, in verval komen.)
aftellen, oftellen, (= aftellen). Bij eenige kinderspelen bepaalt men door het opzeggen van een rijmpje, enz. de beurt van spelen; elk krijgt één woord (of één lettergreep); wiens het laatste ten deel valt is ook de laatste naar volgorde. Zoo gaat men voort tot er één overblijft die numero één is. Daarvoor heeft men o.a.: Toavelbretjerond, sikketoarîs asʼn hond, Hond sprong in de zee, ʼt Woater spoelde mee; If, kif, kaf, Doe bist eerst af. – En: Ik zel tellen wel dat ʼt wordt, Ik of doe of Pijter Port (of: Pot), IJn menuten, Tempeltuten, Doe bist eerst of. Zie o.a. ook: ijnemijnemoe, en: toavelbretjerōnd.
afteppen, ofteppen, plukken, afplukken. Zie: teppen.
aftichelen, oftiggêln, slaan, eene dracht slagen geven, afrossen, aftroeven. Vgl. Nedersaksisch, Holsteinsch tagel, Angel-Saksisch taegl, een gevlochten strafwerktuig van riemen of touwen, of alleen: een eind touw om te slaan, en daarvan: tageln, aftageln, dörtageln.
aftokken, oftokken, aftroonen, aftroggelen, zooals kinderen doen door tikken, aanstooten, onophoudelijk aanporren om iets af te geven. Overijselsch tokken, oftokken = afhalen, aftroonen; Noord-Brabantsch tokken = zachtjes kloppen; Zeeland tokken = het stooten der bokken en geiten met de horens. Kil. tocken, tucken = aanraken, aanstooten; Oostfriesch oftokken = aftroonen; Nedersaksisch tokken = lokken. (Volgens Weil. bezigt men hugen in Groningen van kinderen die een lekkerbeetje van andere kinderen met vleiende woordjes afvragen. Hierover zie: hugen. Zie: tokken.
aftreden, oftreden, (klemtoon op tre) = door het aantal schreden een afstand of de afmetingen van (bv.) een stuk land te bepalen. West-Vlaamsch ofstappen.
aftrek, oftrek, de toestel eener hanglamp waarmede zij op en neder kan gelaten worden.
aftrekken, oftrekken, photografeeren. Zie: ofpottertijern, en: scheuvel.
aftroefelen, oftroefêln, slaan, eene dracht slagen geven, afrossen, aftroeven. Vgl. Nedersaksisch, Holsteinsch tagel, Angel-Saksisch taegl, een gevlochten strafwerktuig van riemen of touwen, of alleen: een eind touw om te slaan, en daarvan: tageln, aftageln, dörtageln.
aftrouwen, oftrouen, (aftrouwen), voor: gerechtelijk scheiden van man en vrouw; ook Drentsch; zij bin oftroud; zij kennen nijt oftrouen.
afvademen, ofvoamen, (klemtoon op: voa), in: ik ken ʼt ofvoamen = ik kan de uiteinden van het voorwerp met de toppen mijner vingers bereiken als ik de armen zoover mogelijk uitstrek. – Een voam (vadem) eigenlijk een lengtemaat van 6 voet; afvademen = hout bij den vadem meten. Gewoonlijk rekent men de lengte van een gewoon man op 6 vt, en dus ook die der armen plus de breedte der borst. Vgl. omvoamen, en zie: ofrekken.
afvallen, ofvallen, tegenvallen, ongunstig of onvoordeelig uitvallen; of: uit de hand vallen. “Er is niet zooveel stroo op het land als ʼt vorige jaar, doch het schudden zal niet afvallen”, enz. (v. Dale: iemand afvallen = hem minder behagen dan waaraan hij vroeger gewoon was, of minder dan hij verwachtte; zijne hoop of zijne verwachting teleurstellen. Ook van zaken.) Spreekwoord: Dat valt of, zee de hond, dou ʼe zag dat de wōrst nijt veur hōm was. Zie ook: touvallen.
afvaller, ofvallertje, ofvallerke, zie: touvaller.
afverrelen, ofvörrêln, (afvierendeelen) = bij koeien de verlossing bewerkstelligen door het kalf in stukken te snijden, enz.; de peerdokter mout ʼn kou ofvörrêln.
afverven, ofvarven, zie: ofblauen.
afvoeren, ofvouêrn, (afvoeren, afvoederen) = het voor ʼt laatst op een dag voederen van vee, dat meestal bestaat in het geven van een weinig hooi, vóór men naar bed gaat; onze volk bin an ʼt ofvouêrn. Overijselsch ofvooren, Oostfriesch affooren; Deensch fore af = vóór den nacht voeder geven. (v. Dale: afvoederen (in de volksspraak veelal samengetrokken tot afvoêren) bw. zw. = ze zooveel voederen als noodig is, ze van het noodige voeder voorzien.)
afvorken, ofvörken, hooi, stroo of korenschooven van den wagen met de vork afsteken, hetzij in de schuur of daarbuiten in hoopen gezet.
afvorker, ofvörker, iemand die ofvörkt; zie: ofvörken.
afvreten, ofvreten, (klemtoon op: vre); zij kennen ʼt nijt ofvreten, zegt men wanneer de weide zoo overvloedig is dat de beesten het niet kunnen afgrazen, daardoor veel vertrappen en waardoor er bossen blijven staan. Zie ook: oetbossen.
afwateren, ofwoatêrn, zie woatern.
afwateringstocht, afwateringstogt, (in geschrifte); eene togt of tocht die tot afwatering dient, eigenlijk een pleonasme. Zie: tocht.
afwegen, ofwegen, (zonder enkelvoud), voor: afleiding, drukte, vooral ook buiten ʼs huis; te veul ofwegen hebben = zich met velerlei zaken bemoeien die met zijn beroep niets te maken hebben, maar die hem van zijne gewone werkzaamheden aftrekken; onze snieder het te veul ofwegen, hij het gijn zittend gad; boerenzeuns hebben veul te veul ofwegen met de boerderei om te leeren. (De ongunstige beteekenis van: zijpad, verkeerde weg, enz. (v. Dale) heeft het woord niet.)
afwelven, ofwōlven, een wolvedak afwerken, zooveel als: afwelven. Vgl.: gewelf, met het Groningsche gewölfHoogduitsche Gewölbe, en zie v. Dale artt. welven, en: afwulven.
afwinnen, ofwinnen, toewenschen, in: iemand ʼt neijoar ofwinnen = hem een gelukkig nieuwjaar toewenschen, hem persoonlijk den nieuwjaarsgroet brengen. Oorspronkelijk zooveel als: het eerst nieuwjaar wenschen en ʼt dus van den ander te winnen; vooral kinderen zijn er op uit om in dezen elkander en ook de overige huisgenooten vóór te zijn. (Men zegt: ʼk heb hōm al zien buusgeld ofwōnnen (klemtoon op of), en: ʼk heb hōm ʼt neijoar ofwōnnen (klemtoon op: wōn).
afzakken, ofzakken, ofsakken, naar beneden glijden van een kleedingstuk, bv. van kousen, vrouwenrokken, enz.; de bōksen sakt hōm of, hij moutʼr hulpzeelen an hebben.
afnemen, verminderen, bv. van de koorts, van pijn, van de maan, enz.; ʼt is an (ook: in) ʼt ofzakken = er is beterschap te bespeuren; ʼt is nogal gau ofzakt = die hevige pijn is nogal spoedig dragelijk geworden. Oostfriesch ofsakken = afnemen.
afzeggen, ofzeggen, verzeggen, zich plechtig verbinden iets niet te doen. Zegswijs: ie mouten niks ofzeggen as de neus (of: neuze) ofbieten, zooveel als: men mag alleen het onmogelijke verzeggen, niemand weet waar hij toe komen kan. – Ook = afslaan, weigeren; dat wiʼk nijt ofzeggen (in ʼt Nederlandsch verouderd.); een vrijer ofzeggen = de aangeknoopte verkeering van de zijde van het meisje opzeggen, in ʼt Nederlandsch (volgens v. Dale) weinig gebruikelijk. – En = afkondigen, aflezen van den kansel: doomnie het vleden zōndag ofzegd dat ʼt mit vijrtien doagen nachtmoalsdag was. (zou zijn).
afzetsel, ofzetsel, takje of loot die men afzet om in den grond wortel te laten schieten; als bv. van den wijnstok en de moerbezie. bij v. Dale: aflegger.
afzetten, ofzetten, vóór den tijd werpen, van koeien en paarden; onze kou het ʼt kalf ofzet; ook Drentsch Zie: verteien. –zich ofzetten, zooveel als: bij ʼt springen of schaatsenrijden de spierbeweging uitvoeren om eenʼ sprong te doen, of om de vaart te versnellen. Ook: drukken bij het loozen van eenʼ wind, enz. Zie ook: ofstellen.
afzichten, ofzichten, met een zeissen of sikkel afslaan. Met het bijdenkbeeld dat de vrucht (van ʼt geen men ofzicht) niet tot volkomen wasdom komt, maar bv. tot veervoeder zal dienen. “Men laat het zoolang opgroeien tot het eene behoorlijke lengte heeft gekregen, waarna het nog in hetzelfde najaar afgezicht wordt”, enz. Vgl. zichten.
afzien, ofzijn, (= afzien) = in de verte zien, veraf zien; nijt kennen ofzijn = kortzichtig, bijziende zijn; ook wanneer mist het zien in de verte belet. – Met den klemtoon op: zijn; zooveel als bij v. Dale: afzien = van eene uitgestrektheid in de ruimte, ze tot het einde toe doorzien, van voren tot achteren met de oogen doorloopen: eene beukenlaan die men bijna niet kan afzien. Zie: ofrekken.
afzijgen, ofziegen, vocht door eene teems laten wegvloeien, Nederlandsch afzijgen, laten doorzijgen; Hoogduitsch abseigen, abseihen.
afzijgen, ofzeien, afnemen; van den room: ofroomen. West-Vlaamsch ofzien. Maerl. afsyen, Middel-Nederduitsch afsien, afsijen. Zie ook: zei.
afzitten, ofzitten, (klemtoon op: zit); ik konʼt nijt ofzitten van de takken = van wege de aambeiën kon ik zoolang niet zitten. Zie: ofrekken.
afzoedelen, ofsoetêrn, van kleederen, zooveel als: slordig behandelen, al dragende verslorderen.
ofsoetêrd (verleden deelwoord van: ofsoetêrn, dat, in dezen zin, weinig voorkomt), zooveel als: door veel waken, vermoeienis, enz., er ongedaan, afgemat en bleek uitzien. Zie: soetêrg.
afzoeten, ofzuiten, ( = afzoeten) – afnemen van den lust tot iets, minder zoet worden op iets. Men zegt bv. van iemand die veel van hazardspel houdt, maar meestal verliest: ʼt mōs hōm wel ofzuiten. Ook van iemand die gaarne helpt maar dikwijls met ondank beloond wordt: ʼt zel hōm wel ofzuiten = hij zal de aardigheid er wel afkrijgen. Tegengestelde van: anzuiten = zuiter, of: hijter op worden. – In ʼt Nederlandsch is: afzoeten, verouderd, en te vergelijken met het eveneens verouderde afscherpen = minder scherp worden; afzouten, van: zout; afscherpen, van: scherp. Daarentegen: afkoelen, afkorten, afplatten, enz. rechtstreeks van de werkwoorden: koelen, korten, platten, enz. Zie v. Dale ert. afzoeten.
afzouten, ofzoltjen, ofzolten, (afzouten) = een kind op Sint-Nikolaas een papieren zakje met zout op het bord leggen, met of ook zonder eenig suikergoed, als teeken dat het niets meer van den goudhailigman te wachten heeft, (aan wien hij dan trouwens ook niet meer gelooft.) – v. Dale: afzouten (gew. in Frieschland en Groningen (van kinderen) ze op ʼt Sinterklaasfeest met een zakje zout afschepen. (Voor rekening van dat Woordenb. blijft het slot van het art.: In sommige dorpen van Groningerland komen de jongelieden vóór eene bruiloft aan het jonge paar in optocht hunne geschenken brengen en bieden daarbij “de solte koek” aan, een gebak, dat er lekker uitziet, maar oneetbaar is door overmaat van zout. Het is als ʼt ware een afscheid voor hen, die nu rijp zijn om den huwelijken staat in te gaan.)
afzwaaien, ofswoaien, (klemtoon op de 2e lettergreep) = zóó rijden dat men de geheele breedte van eene ijsbaan noodig heeft; dokter Krythe kon ʼt hijle Beemerdijp ofswoaien. Zie: ofrekken.
afzwemmen, ofswemmen, (klemtoon op; swem) = een afstand met zwemmen afleggen; dat ken ik nijt ofswemmen = zoover kan ik niet zwemmen, daarvoor is het water mij te breed. Zie: ofrekken.
afzwetten, ofswetten, door eene grens afscheiden, bv. door eene heg of sloot, of door paalwerk, enz. Verkooping van: “De beklemming van een tuin, waarin een fraaie koepel met riant uitzigt; … benevens een onmiddellijk daaraan gelegen stuk tuin, van het vorige niet afgezwet”, enz. (Appingedam 1874). Middel-Nederlandsch beswetten = begrenzen, afperken. (Verdam). Zie ook: swetten.
afzwieren, ofswieren, zie: ofswoaien.
agrement, argement, aggement, garneersel. (v. Dale: agrement, sieraad op kleedingstukken, boordsel.)
ah, à, waarschuwing tegen kleine kinderen om iets vuils niet aan te raken, zooveel als: dat is drek, waarmede men eigenlijk menschelijke uitwerpselen bedoelt; à doun, in de kleinekinder-taal = zijne behoefte doen; ook Oostfriesch, Nedersaskisch; Westfaalsch aá dauen. (Vgl. v. Dale art. ah.)
ah, à, ah, tusschenwerpsel, verwonderend; kan ook schertsend zijn: à! = wel wel! en: juist begrepen! à, nō begriep ik ’t; à, zit dei zoak zoo! Ook: à zoo! = wel zoo. hé! (Vergl. v. Dale art. ah.) Volgens Gr. Wbk. wordt thans vooral in Vlaamsch België ah! gebezigd, terwijl in Noord-Nederland veelal het bijna gelijkluidende ha wordt geschreven.
aha, àhà!, (beide onvolkomen a) = a ha! voor wel wel! enz.
Aise, Aise, Aiso, Eise, mannennaam, zooveel als: de groote, de machtige, eigenlijk: de vreeselijke, de verschrikkelijke, van ’t Gothische agis, zie: aisch. Op ’t Hoogeland luidt de Sint-Maartensdeun: Aise Sunte Meerten, Kouien droagen steerten, Ossen droagen horens, Kerken droagen torens, Torens droagen klokken, Mooi meisjes droagen rokken, Ol wieven zitten ien houken, Bakken dik spekpannekouken, Drei vinger dik, Al zunder schik, Hier woont’n rieke man, Dei ons wel wat geven kan; Zuumt nijt lank, zuumt nijt lank, Of mien keerske is oetgebrand, Ai’ wat geven den wor j’ bedankt, – of: Geef mie ’n appel of ’n peer, ’k Koom van ’t hijle joar nijt weer. Ook: Sunte Sunte Meerten, Kouien droagen steerten, Ossen droagen horens, Kerken droagen torens, Hier woont ’n riekman, Dei ons wel wat geven kan, Veul kan hij geven, Lank zal hij leven, Zoalig zal hij starven, ’t Koninkriek bearven, of: ’t Kerkhof zal hij arven. Een soortgelijke deun luidt in de Veenkoloniën: Pinksterboog mit lange tippen, Wil je nijt geven den loat ’t moar slippen, Appel of peer, Koom van ’t hijle joar nijt weer; Hier woont ’n rieke man, Dei ons wel wat geven kan, Appel of ’n peer, Koom van ’t hijle joar nijt weer. Te Groningen zingt men: Sunte Martinus Bisschop, Roem van onze landen, Dat wij hier met luggies loopen Is voor ons gein schande. Hier woont, enz. Het slot luidt: Geft ’t ook wat? ’n cent of wat? ’n Appel of ’n peer? Dan koom we ’t heele jaar nijt weer. Te Nieuwe Schans, enz. luidt het: “Kip, kap, kogel, Sunte Meertes vogel. Hier woont ein rièke man Dei veul geven kan, Veul kan hie geven, Lang zal hie leven, Kiek over diek, kiek over dam: Daar komt een schip mit appels an, Mit soeren, mit suiten, Wie kennen der nijt tegen muiten; Geef mie ein appel of ’n peer, Ik koom in ’t heile jaor nijt weer.” Bij ’t vallen van den avond loopen de kinderen met lampions van verschillende aard, à la giorno, gekleurde lantaarntjes, uitgeholde beet- of mangelwortels, enz. bij de huizen rond, onder het zingen van bovenstaande rijmpjes. Het Oostfriesch heeft o.a.: Kip-kap-kögel – Sunter Martens fögel – Sunter Martens dikke bûk, – Stekt sin närs to ’t fenster ût. – repe repe berge, – dürd sîn fader ’t nêt segge, – dürd sîn moder ’t nêt klage, – krigt ’n pukkel ful slage. – hîr wând de rîke man, – de uns wol wat gäfen kan, – fȫl kan he gäfen, – lank schal hê läfen; – wen hê kumd to starfen, – schal hê de hemmel arfen. – God schal hum lonen, – mit hunderddûsend kronen, – mit hunderddûsend klokjes d’r an; – dâr kumd sünt-Martin bischup an. – Ook: sunner Martens fȫgel, – kip-kap-kȫgel, wul’ so wîd flêgen, – al afer de rîn, – al afer de rîn, – heb’ ji sünt Martens fö̂gel ôk sîn? – sunte Martens göse, – bünt ôk al to böse, – bîten de olde wîfe, – de titten fan de lîfe, – braden ’s up de röster, – smekken as ên körster. – d’r flogen twê rubîntjes na ’t papenhûs to, – dat papenhûs was d’r ferslaten, – de hemmel stun’ spêrwîd apen. – as Josêp ût de schole kwam, – hê had’ d’r gên botter, – hê had’ d’r gên brôd, – hê legde sîn kop in Marê hör schôt. – Marê de had d’r ên gordel an, – dâr hungen wol dûsend klokjes an, – de klokjes fungen an to pingeln, – lêfe Engelkes fungen an to singen: – fan hîr an, fan dâr an, – bâfen wând de rîke man, – de alle minsken gâfen kan; rîke man to përde, – unse lêfe hëre, – de lett wassen, – gôd koren un gôd flassen, – gôd koren un gôd lînsâd, – frôke! is dat gên gôd hûsgerâd? (ten Doornk. art. kip-kap-kögel.)
ajuus, àjuus, vaarwel; ’t Fransche adieu. “Ajuus boas, groutenis an Pijtje!”
akelig, oakêlk, (akelijk) = akelig. Kil. ackelick, Hooft akelijk = ijselijk. Zie ook: missêlk.
aker, oaker, soort van ketel; een waskoaker is eene gewone koperen ketel, onderscheiden van schuddelketel, doordien de laatste òf vertind is, òf van binnen blank gehouden wordt; een melkoaker is van blik en dient om er melk, enz. in te halen, (Ommelanden) – Op de Veluwe, aker = een koperen ketel, in Noord-Brabant eene soort van koperen melkemmer; Oostfriesch âker = vat van koper, blik of messing, bij Kil. = watervat, bij v. Dale: kleine emmer om water te scheppen of te putten. – Weil.: Om de gelijkheid in uiterlijke gedaante met de vrucht van den eikenboom; draagt een watervat of emmer, om water te putten, ook den naam van: aker = eikel.
akkefieterij, akkefietjederei, kleinigheden betreffende: mit dei akkefietjederei ken ’k mie nijt ophol’n. Zie: akkefietjes.
akkefietje, akkefietjes, hakkefietjes, wisjewasjes, kleinigheden. Ook = geringe posten, betrekkingen, opdrachten die weinig of in ’t geheel geen voordeel opleveren, iets wat men ook ironisch ’n hapje noemt; “dat hakkefietje mōs ie mie den ook zijn tou te stupen.” Van aqua vita = levenswater, zooals in ’t eerst de brandewijn werd genoemd, toen die nog slechts als medicijn werd gebruikt en alleen in de apotheken verkrijgbaar was. Het Gr. Wbk. schrijft: akefietje, akkefietje, akevietje, akkevietje en acht bovenstaande afleiding, voorkomende in den Konst- en Letterb. 1836, p. 267 e.v. Mag. v. Nederl. Taalk. I, 46, waarschijnlijk. Zie aldaar art. akefietje.
akker, akker, gedeelte van een stuk land ter wille van eene goede afwatering door middel van ploegen in smalle strooken verdeeld; die bewerking heet: ’t land in akkers leggen; ook: akkern; akkerland = bouw-, ook: weiland, dat in akkers ligt, ter onderscheiding van gedraineerd, dus: effen land. – Ook: land, dat bij strooken, zoo lang als het stuk en 10 á 12 voet breed, ten dienste van den tuinbouw verhuurd wordt. Ook zulk bouwland heet akkerland, en de uiterste akkers, walakkers, omdat zij de slootwallen grenzen.
akkeren, akkern, zie: akker.
akkerhuur, akkerhuur, de huur van land dat bij akkers wordt verhuurd. Zie: akker.
akkerland, akkerland, zie: akker.
akkermannetje, akkermantje, (Hoogeland) = baumantje, boumantje (Oldampt) = baumannechien (Stad-Groningsch) = witte kwikstaart, Motacilla alba; een trekvogel met zwarte en witte tinten en een blauwgrijzen rug (Schlegel p. 73). Oostfriesch akkermantje, wipstert. Zie ook Gr. Wbk. art. akkermantje.
akkersloot, akkerslooden, greppels in akkerland, elders ook spuiten, en: middelslooden geheeten.
akkerstudent, akkerstudent, leerling der voormalige landbouwschool te Haren. “Hij studijrde tou boer, zee e altied, moas as tei kerel boer worden is, den zel ’t ook wel net ’n boer wezen as al dei akkerstudenten boeren an dis tied tou bin.”
akkoord, akkoord van Putten!, wij zijn ’t eens, dus: afgesproken! “Akkoord van Putten! Zet deur Godschalk!” Vgl. Gr. Wbk. art. akkoord.
akkoorden, akkoortjen, een akkoord aangaan, een vergelijk treffen met een schuldeischer, accordeeren.
aksbijl, heksebiel, heksebiele, groote, zware bijl. Eigenlijk een pleonasme: aaks, aakse, aks = bijl; Nedersaksisch ekse, Holsteinsch exe, ext, Hoogduitsch Axt, Deensch öxe, Zweedsch yxa, Engelsch axe. Zegswijs: d’r mit de heksebiel insloagen (of: inhauen) = de zaak op eene ruwe of ook ruime wijze behandelen, tegengestelde van: voorzichtig, zuinig, met overleg zulks doen. (v. Dale: er met de (ruwe) bijl inhouwen = ruw te werk gaan.)
al, als, voor: al, in: als te groot, als te mooi, enz. Vgl. veuls te mooi, enz.
al, al, als voegwoord voor: als, bv. in: al goan ’k noa stad, ze’k den ’n kouke mitbrengn? Verdam: al, ook alle = als, indien, nog in Groningen gewoon (Swaagman 49) In dezen zin wordt al terstond door het werkwoord gevolgd, niet door het subject! (art. al, kol. 327.)
al, al, als algemeen telwoord: ’t gait al zien doagen goud = ’t loopt tegen verwachting goed af; ik mijnde al mien best = verkeerde in de stellige meening; ’t regent al an (al en an met gelijken nadruk) = zonder ophouden; in al dat weer (onweder, storm, enz.) en dergelijke uitdrukkingen zijn zeer gewoon en vindt men menigvuldig bij onze Ouden; (Drentsch aol mis = geheel, glad verkeerd.); ’t is al wat beter = ’t is wel iets beter; da’s al zoo goud = die maatregel verdient de voorkeur, zóó is het beter; ’t gait (Westerkwartier ’t geit) àl zoo goud van doage; ’t is àl wat slim = ’t is eene moeilijke zaak, een leelijk geval, ook: ’t is erg; ’k was àl bang dat ’t begunde te regen = ik was bang dat het zou beginnen te regenen (klemtoon op àl); ’t is àl roar = ’t is wel zonderling; ’k wōl al zeggen = ik dacht bij mij zelf; hij ’s nijt al te goud (niet al te goed) = een weinig ongesteld, ook: niet wel bij ’t hoofd; bist nijt al te goud? = bist wel goud? schertsend voor: zijt gij wel goed bij ’t verstand? (al te wordt hier genomen in de verouderde beteekenis van: zeer); ’t is lichtmoan en al = er komt nog bij dat de maan schijnt; hij ’s olderling en al en doch, enz. = niettegenstaande hij ouderling is, enz.; ’t is al zoo goud, om, enz. = ’t is beter om, enz.; ook Oostfriesch – Algemeen bekend is de zegswijs: al weer van veuren of an! met de toevoeging: net as de köster van Garrelsweer (in Westerwolde: – as de köster van Loo = Vriescheloo), wanneer men met iets niet op streek (zooals hij op de wijs) kan komen, en ’t dan telkens op nieuw beproeft.
al, al - nog, in uitdrukkingen als: ’k heb lijver al wortels as nog wortels, enz., dat is peenen smaken ’t best als zij pas gerooid zijn, in ’t voorjaar lust ik ze niet meer.
al, al, voor: niettegenstaande, alhoewel: al hou zeer mie ’t ook dee = in weerwil van de pijn die ik uitstond; al hou geern’k ook wōl = hoe gaarne ik het ook zou doen; al hou drok wie ’t hebben = niettegenstaande wij ’t zeer druk hebben;’t bin eerlêke mensen, al hou arm dat ze ’t hebben; “Al hou bliede Kloas ook was om ’t postje hom beschoren.”
al, al, voor: alles, in: ’t ken al wel wezen, of: - wel waar wezen (klemtoon op: al) = dat alles kan waar zijn, dat wil ik niet betwisten.
al, al, voor: wel, tegengestelde van: niet; zij zeggen van al, wie zeggen van nijt (ook Stadsfriesch); ’t is al = ’s al = ’t is wèl, verkorting van: ’t is wèl waar; hij het ’t al tegen mie zegd, moar ’t is mie weer deurwaid = hij heeft mij die boodschap wel opgedragen maar ik heb ze vergeten.
al in een, al in ijn, al ien ain, al in ein, (al in een) voor: zonder ophouden, gestadig; zij zong al in ijn deur. In Rein. de Vos (Jonckbloet, r. 1255) komt voor: iemand die wel meneghen slach, al in een had ontvangen, dus in de zin van: aanhoudend, voortdurend. Bij Kil. = al-en-een, voortdurend, enz.
al waar, alwoar, (klemtoon op al) = wèl waar, nl. wanneer een ander het beweerde ontkent of tegenspreekt. Oostfriesch alwâr; Middel-Hoogduitsch alwâr = volkomen waar. Zie: al.
alaan, alan, (al aan) = bij herhaling, wat spoedig terugkeert; wie hebben alan regen = ’t regent bij kleine tusschenpoozen; hij komt alan bie mie om geld. (Noord-Holland allan, ollan, Marken alan = steeds, voortdurend. v. Dale: alaan, bijwoord zonder meer. Vgl. al. al is hier tot versterking; Middel-Hoogduitsch al = geheel, alles te zamen, inzonderheid vóór bijvoeglijk naamwoord, bijwoord en tegenwoordig deelwoord, ook in: alleen, Hoogduitsch alleine = al een, Groningsch allèn, en in: algedurig, en allerdeegs.
alarm slaan, allarm sloagen, leven maken, tieren, luidruchtig zijn. Zie: kantoor.
albast, albaster, albast. Volgens ’t Gr. Wbk. verouderd, ofschoon dichters het nog somwijlen gebruiken. – Ook = een knikker van marmer.
albasten, albastern, van albast of marmer. In ’t Nederlandsch verouderd Zie: albaster.
albegeer, albegeer, in de kinderwereld iemand, die begeerlijk, hebzuchtig is.
Albert, Albert, Aldert, kwalificatief in: mal Albert, ook: mal Aldert, schertsend voor: malle vent.
Albertien, Albtien, Albertien, Albertje, meisjesnaam, gevormd van: Albert.
albestel, albestel, albeschik, moeial. Het gebruik er van is beperkt tot de kindertaal en den huiselijken kring. Nedersaksisch albesteller.
aleer, alleer, weleer, in vroegeren tijd. (Staat voor: aleer, bij v. Dale bijwoord in: voor en aleer = alvorens.) alleer joaren = vóór vele jaren, lang geleden.
alert, allart, bij de hand, wakker, scherp, gevat. Sluit in zich eene zekere mate van gestrengheid en heerschzuchtigen aard en wordt alleen van vrouwen gezegd. Oudtijds alart = vaardig, wakker, lustig, o.a. in eene Klucht (17e eeuw): hij stoeide alart met haar. (v. Dale: alert = vlug, behendig, levendig, handig, ’t Fransche alerte.) klemtoon op: lart.
alerte scheuvel, allartenschevel, naam voor een lomp, forsch gebouwd vrouwspersoon, mits zij flink kan werken. Vgl. allart, en: schevel.
alexandernoten, aleksanderneuten, een soort van stroopgebak als mōkken en doemkes, dat te Delfzijl gemaakt wordt en vroeger eenige vermaardheid had.
algedurig, algedurîg, wat zich zeer dikwijls herhaalt, eene versterking van voak; hij vragt mie algedurîg hou dat ’t mit mie is; hij het algedurig de koors (of: koorse).
algelijk, allieke, lieke, gelijk, in: ’t is mie alliekeveul = - liekeveul = - netteliek = ’t is mij om ’t even, ’t kan mij niets schelen; alliekeveul d’rom, wie blieven gouje vrunden. (Vgl. ’t Hoogduitsche gleichviel = evenveel, om het even, onverschillig.); wie kriegen alliekeveul = even veel. allike, Middel-Nederlandsch en Middel-Nedersaksisch = gelijkelijk, evenzeer, zonder verschil (Verdam art. allike.) Zoo ook: alliekewel, liekewel = evengoed, enz. Spreekwoord: Allieke (of: Gelieke) veul om ’n knikker, ’t spul mout zien gerechtighaid hebben, zooveel als: ’t is maar een kleinigheid, maar elk het zijne. Kil. lycke veel, gelycke veel; lijcke wel = gelycke wel; Hooft allijkwel = evenwel; Weil. lijkeveel, lijkewel = evenveel, evenwel, verouderd; Friesch allike folle = evenveel; allijkewel, lijkwel = al evenwel, ten minsten; Middel-Nederlandsch alyc = geheel, volkomen. Uit ael, bijvorm van al, met den volkomen ạ klank. Vgl. Middel-Hoogduitsch allich, alligh, en Kil. allick, allicken j. algheheelijck. In de 17e eeuw niet alleen als bijwoord mar ook als bijvoeglijk naamwoord gebruikt. (Verdam art. alyc.) Oostfriesch alliekevöhl = gelijke veel. (Vgl. ’t Hoogduitsche gleichwohl = toch, niettemin, niettegenstaande, evenwel, echter.
algelijk goed, alliekegoud, evengoed, Middel-Nederlandsch allikegoet,
algelijk veel, alliekeveul, evenveel. Middel-Nederlandsch allikeveel. Zie ook: allieke.
algelijkwel, alliekewel, evenwel, desniettemin; evengoed. Middel-Nederlandsch allikewel. Bij Kil. al-lijcke-wel, thans verouderd Zie ook: allieke.
algemeen, algemijn, (algemeen), voor: gemeenzaam, minzaam, populair; hij ’s ’n algemijn man, hij ’s algemijn = een man van stand die den minderen man minzaam bejegent, een vriend des volks. Drentsch gemeen = gemeenzaam; Overijselsch gemein = gewoon; Oostfriesch: hê is zo’n regt gemên man, de alle lüde grött. Zie ook: gemeijn 2.
alhier, alhier!, allier!, wordt voor de toonbank geroepen als er niemand ter bediening aanwezig is.
alias, oalias, voor: iemand die veel houdt van gekscheren, plagen, sarren; ook voor: die gaarne een ander fopt, tot op de grens van bedriegen. (v. Dale: alias = vreemde, wonderlijke, aardige knaap of kerel.)
aliassen, oaliassen, gekscheren; zij zatten doar te oaliassen = zij waren aan ’t gekscheren, zij staken elkander den gek aan en lachten daar dan hartelijk om. Geldersch aliasserije = jokkernij. Zie: oalias.
alignement, alliement, in: met iets op ’t alliement komen = iets op het tapijt, ter tafel brengen, met iets voor den dag komen. Verkorting van ’t Fransche alignement = gezichtslijn, dus eigenlijk = in ’t gelid treden.
aling, oalênk, oalîng, alîng, zeer nabij; oalênk in: oalênk de leste = de allerlaatste van eene lange rij huizen, boomen, enz. oalênk in de verte = tot zoover het oog reikt; op ’t oalênkste endje = op ’t uiterste eind; oalênk an = drongan = stoef an = zoo dichtbij mogelijk. (In Klein-Garnwerd), bij het volk: de Houk, om dat het in eene bocht van het oorspronkelijke Reitdiep is gelegen, hebben de eigenaars der aanzienlijke boerderij Minghehuizen haar omgedoopt in Altingahuizen, omdat men dit mooier vond!) Geldersch aŏling, Noord-Brabantsch oäling, alling = geheel; Oostfriesch alenk = heel, volkomen; alenk baven, achter, enz.; Oud-Friesch along, alang; Oud-Hoogduitsch alang, along, alonk, Middel-Hoogduitsch alene, alinc; Middel-Nederlandsch alinghe Verdam: alinc, aelinc, aellinc, later ook allinc = geheel, gansch. Oud-Hoogduitsch alanc, Middel-Hoogduitsch alinc, Middel-Nederduitsch alink. Van al met den gewonen a klank, als in aelwezig, enz. en het nog heden bekende aaloud. – Vooral in oude oorkonden is alinc een zeer gewoon woord. (art. alinc); bij Hooft aallijk = geheel. Ommel. Landr. III, 69, Dr. Landr. (1608) III, 15: alinge erfenisse = de geheele erfenis. Kil. ael = uiterste. – oalênk, oalîng, van: al, en: eng, welke uitgang, als: ing, ung, een toestand, een zijn, uitdrukt; dus iets zonder tusschenruimten, een volkomen geheel uitmakende. Zie ten Doornk. art. alenk.
oalîng an; bijwoordelijke uitdrukking voor: dicht bij, dicht aan, in de onmiddellijke nabijheid, elkander bijna rakende. Zie: drong an.
alkannawortel, arkeneerwortel, alkanna-wortel (radix alcannae); wordt vooral gebruikt om wrijfwas te kleuren. Wisseling van l en r. Vgl. karmswortel, enz.
all right, oal rait!, gereed! klaar! in navolging van het Engelsche all right. (Het wordt alleen van meer ontwikkelden gehoord en geldt meer als aardigheid.) Zie ook: fertieg!
alla, allà, bepaald gebiedend, ’t Fransche allez. Zuid-Nederlandsch alla = allons; den Haag allon! = kom! Vgl. allé! West-Vlaamsch alah, ala. tusschenwerpsel om iets te verbieden; alah! daar af! Fransch holà (De Bo)
alle, alle, in: alle doagen, alle week, alle oogenblik, enz., voor: elken dag, elke week, elk oogenblik; “Rainder drinkt alle oogenblik ’n goie klōk oet zien glas”; de schuddel ligt in alle stukken; op ’t Hoogeland - ien alle brijten, zooveel als: in duizend stukken. Vondel (Lucifer): alle oogenblik.
allebei, albaid, albaide, beiden, beide; zij bin albaid troud = zij zijn beiden getrouwd. Drentsch aalbeid. Zie: al.
allee, allé, soort van tusschenwerpsel; aansporend en ook gebiedend, zooveel als: spoedig! rep je! Zuid-Limburg allee, alloa = kom aan, ’t Fransche allez, allons. Vgl. allà.
alleen, allèn, allènne, allènnîg, allènt, allìjn, allìjne, allein, alleen; Drentsch alleenig, Hoogduitsch alleinig, Zuid-Nederlandsch alleenig. Triene ken et bot schoon allende aof (Stad-Groningsch) Zegswijs: allèn is allèn (met den nadruk op is), zooveel als: geheel alleen te wonen is niet zoo mooi als ’t lijkt, ook dat heeft zijne bezwaren. (v. Dale (gewestelijk) alleenig, thans weinig meer in gebruik.) Middel-Nederlandsch allene = eenig, onverzeld. Van personen of zaken, als op zich zelve staande beschouwd; allene sterven = zonder geslacht te worden, van dieren gezegd. Verdam (art. allene II, 2); allènt, ook Oud-Drentsch.
allegaar, altegoar, allen, alle; altemoal regen! = het regent onophoudelijk; altemoal gekheid! altemoal leugens! enz. Zuid-Nederlandsch altemaal.
allemaal, altemoal, almoal, altmoal, allen, alle; altemoal regen! = het regent onophoudelijk; altemoal gekheid! altemoal leugens! enz. Zuid-Nederlandsch altemaal; zie: altegoar.
allemaal, altemoal, (zelfstandig naamwoord), voor: A-al-tolletje, zijnde een draaitolletje met zes zijvlakken, waarop L = legger ijn; K, krieger ijn; A, altemoal, enz. Zie ook: altegoar.
allemaal, allemoalent, altemoalent, allen, alle; alles te zamen. Drentsch alemaol.
allemieter, altenmieter, (Marne, enz.) = allen, alles te zamen, maar van gehalte als: al den duvel, enz.; “as ’t er op aankomt, geef ’k om joe altenmieter niks.”
allenthalve, alshalve, allenthalve.
aller, alder, aller, in: aldermooist, aldernoarst, enz. Bij de Vries (M.Nederl. Wbk.) alderstarest; ook bij de schrijvers der 17e eeuw komt het veelvuldig voor.
allerakeligst, alderoakêlst, allerakeligst. Zie: oakêlk.
allerbarmhartigst, alderbarmhartîgst, in: hij schreeuwde (of: schrijfde) alderbarmhartîgst = hij huilde verschrikkelijk.
allerbenauwdst, alderbenaust, (allerbenauwdst) = verschrikkelijk, vreeselijk. Zie onder art. hougen, als ook; alder.
allerbestig goed, alderbestiggoud, allerbest. Zie: goud, en: alder.
allerbovenste, alderbovenste, = alderbovenste beste = de uitgelezenste; zie: bovenste.
allerdeegs, allerdeegs, alderdeegs, (klemtoon op: deegs) = zelfs; hij ’s allerdeegs in Californië west. Bestaat uit den 2e naamvalsvorm van al, en: deeg, nog in: ter dege. Drentsch allerdeegs, Oostfriesch allerdägs, Nedersaksisch allerdegst, allerdögst, aldeger, Westfaalsch allerdegelikes, Hoogduitsch allerdings (Volgens het Gr. Wbk. is het woord vroeger in gebruik geweest in de beteekenis van geheel en al, ganschelijk, maar is thans verouderd. De s is adverbiaal.)
allereeuwigst, allerijvîgst, alderijvigst, zie: alderstōmst. Synoniem met: allerjouelîkst, stōm, stombōt, swiet, enz.
allergekst, aldergekst, versterkend bijwoord; zie: alderstōmst.
allergloeiendst, alderglenst, alerglenst, meest in ongunstigen zin, zooveel als: alderstōmst; zie aldaar “alhouwel ’t mie alerglenst kwam te begrooten van ’t geld” (Hoogeland).
Allerheiligen, Alderhilgen, Allerhilgen, (Allerheiligendag), als tijdsbepaling, de 1e November; ook Drentsch.
allerijselijkst, alderieselkst, sterker dan: ieselk; zie aldaar.
allerjauwelijkst, allerjouelîkst, buitengewoon veel, ook: onjouelîk veul, bv.: op dei bouldag was ’n allejouelîksten goud = werd ontzaglijk veel goed ten verkoop aangeboden.
allerlaatst, alderlest, allerlaatst; zij ’s op ’t alderleste = zij kan elken dag bevallen.
allerliefst, alderlijst, allerliefst; alderlijste mooi, alderlijst wicht, enz.
allernaarst, aldernoarst, versterking tot den hoogsten graad; aldernoarste geern; - mooi, - duur, enz.; ’t begroot mie aldernoarst van heur. Inzonderheid in de Ommelanden is dit woord in zwang.
allernodigst, alderneudîgste, zie: neudîgste.
allernuverst, aldernuverst, alleraardigst; hoogste graad van: nuver; zie aldaar zij ken aldernuverst zingen, enz.; ’t is ’n aldernuverst kind.
allerstomst, alderstōmst, allerstōmst, (bijwoord en bijvoeglijk naamwoord). Versterking van: stōm, als bijwoord; alderstōmste mooi.
allervreselijkst, aldervreesêlkst, sterker dan: vreesêlk; zie aldaar. In de Ommelanden, waarvoor elders (bv. Oldampt): álderijvîgst.
allerwegen, alderwegens, allerwegen, samenstelling in den 2den naamval Zie: al.
alles, aals, alles. Zie: a 5.
alles, alles, allens, voor: wat begeerlijk is, in: da’s nijt alles = dat is een bedroefde toestand, zoo iets veroorzaakt moeite en zorgen; op zien ol’n dag gebrek mouten lieden is nijt alles; mit ’n kerel troud te wezen dei drinkt, is nijt alles.
alles en alles; allens en allens, alles, zoo mogelijk met versterking van het begrip, alles te zamen genomen, volstrekt alles wat tot een ding of eene zaak behoort; alles en alles mout hij tachentîg gulden betoalen; zij zeggen alles en alles van hōm, dat is al wat maar leelijk is. Ook in tegengestelden zin: da’s alles en alles = da’s alles en nog wat = dat is voortreffelijk, dat is niet genoeg te roemen. Middel-Nederlandsch als ende als = ten eenemale, geheel en al, in ’t geheel, al te zamen.
allo, allo!, tusschenwerpsel ter opwekking, zooveel als: vooruit maar! Vgl. den jachtroep: hallo! en het Fransche allons, en: allez.
almachtig, almachtig, allemachtîg, zie: almeugend.
almachtig jongens, allemachtjōns, almachtjoans, zie: almeugend.
almanak, almenak, in de zegswijs: mien kop is gijn almenak, zooveel als: gij moet niet meenen dat ik alles kan onthouden. Friesch: Hij het in kop as in almenak (weet alles). Ook: Mienst dat myn holle in almenak is? Spreekwoord: Almenak is ’n leugenzak, wanneer het op de weersvoorspellingen doelt, en zooveel als: de almanak is een valsche weerprofeet.
almangs, altmangs, (Westerwolde) = somtijds, nu en dan; altmangs al, altmangs nijt = soms al, soms niet. Drentsch smangs, mangs, Twente mangs, manges, Geldersch mangs, Nedersaksisch allmangs, allmangst. Vgl. mank.
almogend, almeugend, tusschenwerpsel van verwondering. Ook bijwoord: hij ken almeugend hard loopen, - lijgen, - vluiken, enz. ’t is hier allemachtjōns stille. - almeugend, uit: al, en: mogen (= kunnen), en letterlijk = almogend, alvermogend.
als, as, sommigen schrijven ook: an’s, ân ’s, dat wij als eene onzuivere uitspraak beschouwen; = als, en = dan; Drentsch, Friesch, Noord-Brabant as, Zuid-Holland, Limburg es, Zuid-Nederlandsch as; West-Vlaamsch ols, as, os; Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Westfaalsch, Noordfriesch, Oud-Friesch as; Engelsch as = als, even als. Dus geene verbastering van: als. “Het gebruik van als na een comperatief, voor dan, dat in de tweede helft der 16e eeuw in zwang kwam en nog in onze spreektaal gewoon is, was mnl. nog onbekend. Men bezigde uitsluitend dan.” (M. de Vries, MNed. Wbk. Kol 208.) In ‘t Middel-Nederlandsch werd na een vergrootenden trap nooit als gebruikt. (Verdam) Middel-Nederlandsch als, als, as, bijwoord en voegwoord, Middel-Nederduitsch alse, als, as. Verzwakte vorm van also, ons alzoo, en daarmede in betekenis gelijkstaande. Hoewel de eigenlijke kracht van also in so ligt, werd door het verleggen van den al de laatste lettergreep toonloos en verzwakt tot een stomme e die ook allengs wegviel. Thans is als alleen nog maar als voegwoord in gebruik. Also is de oudste en meest gewone Middel-Nederlandsche vorm, later werd als meer algemeen. (Verdam art. alse.) – as voor als komt Middel-Nederlandsch meermalen voor, en is in onze tegenwoordige spreektaal even gewoon als in de Engelsche schrijftaal. (Verdam, art. alsdan, asdan.) – Vooral in de Marne hoort men ook: as was ik’r moar! = was ik er maar! as kwam hij nō ’s nait! = indien hij eens niet kwam! as is’t ook moar ’n half uur = als ware ’t ook maar een half uur; “as ’k ies deur dik en dun kom’n was.” Komt iemand met veel zwarigheden voor den dag, met: as en: moar, dan hebben kinderen de woordspeling bij de hand: as komt in (of: bie) de meuln te pas, zooveel als; uwe onderstellingen zijn ongegrond. Vgl. het Nederlandsche Asch is verbrande turf, en het Nedersaksische Wennik is een underrok. Spreekwoord: As de lōcht valt bin wie altemoal dood = As de hemel valt bin alle musken dood, ook: – blift’r gijn pispot hijl. Zie ook: of, aske en: ijs, en vgl. Laurill. p. 73, alsook het Friesch: As de mounle gjin as koed er net mealle; As de hele wrâld delfoel wieren alle potsjes en pantsjes stikken; As de loft delfoel hiene wij allegarre in blauwe krage.
als, aals, als. Zie: a 5.
als du, aste, als gij; aste zóó dust = als gij ’t zoo doet; ’t is zoo aste zegst = het is zoo als gij zegt. – Staat voor: as toe = as doe.
als ertoe, astertou, (bijwoord) = buitengewoon, zeer; ’t regent astertou; ’k bin zoo bliede astertou; dank joe astertou (= – dat ’t zoest), zooveel als: ’k zou je danken! “Schel’n en rag’n op Remko as ter tou!” Het woord komt altijd achter het werkwoord of bijvoeglijk naamwoord Samengetrokken uit: als daaraan toe, eigenlijk zooveel als: tot aan dat ver verwijderd punt, dat is tot de uiterste grens, in dezelfde opvatting bij Marnix: als daar en toe. Overijselsch astrantoe, Geldersch, Noord-Brabant, Zeeland astertoe, Zuid-Holland, Noord-Holland asterantoe = zoo erg mogelijk, in den hoogsten graad; Oostfriesch as d’r to, Nedersaksisch asserto, as dar to, Kleef asterantoe.
als het is, as ’t is, zie: as ’t was.
als het was, as ’t was, bijaldien, indien, ingeval; as ’t was dat de dokter nijt thoes is (of: weg is), enz. = indien de dokter afwezig mocht zijn, enz. Zoo ook: as ’t is, bv.: as ’t is dat hij nijt betoalen wil, enz. Staat in beide gevallen voor: als het zijn mocht.
als hij, asse, as’e, als hij. Eveneens: datte, dat’e = dat hij; wille, wil’e = wil hij; kenne, ken’e = kan hij, enz.
als ik, as’k, als ik. Zie ook: as.
als jij, ai, áj, als gij, en bij uitbreiding: als wij, als men, onder kinderen en weinig ontwikkelden (Hoogeland, enz.); ook Drentsch. Staat voor: als ie (- gij); ai ien hoes komen = als gij (wij, men) te huis komt.
als zij, asse, als zij; asse komen den zij wie heur = als zij komen dan zullen wij ze wel zien en vooronderstelt dat hunne (of: hare) komst niet zeker is.
alschoon, alschoon, ofschoon, hoewel.
alsjeblieft, as joe blijft!, (als ’t u belieft) = zoo als gij zegt, of het! waar is ’t! enz., en bevat eene geheele toestemming. Oostfriesch as et di bleeft.
alst, wilde alst, vlookruud; zie: als 1.
alst, als, alse, alst, alsem, zeker bitter kruid. Zie Spreuk. 5:4; Jez. 9:15 alssen; wilde alst = vloozoad = vlookruud, eene plant die o.a. op den Noordpolder groeit en waarvan het aftreksel der bladeren koortswerend is.
altemet, assmis, admes, asmets, assmits, atmis, atmits, smets, smes, assmis (Stad-Groningsch, Oldampt, Westerwolde) = asmis (Veenkoloniën) = admis = astmis, atmiss, zelfs hoort men apmis, apmits = assmits (Oldampt), smes (Hoogeland), smets, asmets = misschien, wellicht; soms, wel eens; as hij asmis nijt in hoes is = indien hij niet te huis mocht zijn; hij dait asmis ijs ’n raiske = hij doet soms een reisje. Drentsch altemet, asmets, smes = somtijds, zelfs, ja zelfs; Over-Betuwsch as mins, Zuid-Nederlandsch allemet, altemets, altemetsen, altemêe, Oostfriesch altmetts, alsmetts, ’s metts = somwijlen. (Bij v. Dale: altemet, altemets (gewestelijk), somtijds, soms, nu en dan.) Vgl. ook aldaar temet.
smets = smis (Oldampt) = smes (Ommelanden) = soms.
alteratie, alteroatsie, ontroering, ontsteltenis; tautologie: deur schrik en alteroatsie = door schrik en daardoor teweeggebrachte ontsteltenis en verwarring. Zuid-Nederlandsch alteratie = ontsteltenis door schrik; bij v. Dale = ontsteltenis, schrik, ontroering. Latijn altereratio = verandering, verwisseling, verbloeming; Fransch altération = ontroering.
altijd, altied, altieden, aid, ait, bij Bolland altītn = altijd, en dikwijls, vooral in ’t Westerkwartier tot aid, ait samengetrokken; da’s altied zoo = dat moet wel waar zijn; ’t ligt altied an mie, zooveel als: het ligt niet aan het voorwerp, enz., maar aan mijn’ smaak, behandeling, enz.; mōst (of: mōzze) altied noa hōm tougoan = gij moet niet verzuimen hem een bezoek te brengen. In zulke uitdrukkingen heeft al den nadruk, en men wil er eigenlijk mee zeggen: ’t is regel en daarom moet het zoo zijn; wijtje wat ’t altied is? = weet gij wat er in den regel de gevolgen van zijn? “O dou ie dat aans altieden van Pruussen?” (In de oorspronkelijke beteekenis van: steeds, ten allen tijde, valt de klemtoon op: tied); altieden vgl. hijltieden.
altied an; zie: jummeran.
altied nijt = niet altijd; da’s altied nijt zegd = dat is geen vaste regel; ’t komt altied nijt oet = ’t past mij (enz.) niet altijd. – Een dergelijke afwijking ten opzichte der woordschikking in de onbepaalde wijs: liggen -, zitten -, loopen -, heuren - (enz.) loaten, voor: laten liggen, zitten, loopen, hooren, enz. Aldus ook: eten -, liggen -, sloapen -, kaiern -, (enz.) goan, voor: gaan eten, liggen, slapen, wandelen, enz., evenals in ’t Hoogduitsch.
aluin, alloen, alluun, aluin.
alloen! alloen! alloen! Waarschuwingsroep van kinderen, wanneer er dieven, nl. kwâjongens, in den tuin zijn. Hierbij behoort: bin dijven in joen toen! (er zijn dieven in uwen tuin!) Oostfriesch alûn, alûn! ’n dêf in de tûn. Carl Dirksen heeft: alûn’ = maak leder met aluin gaar, fig. sla er maar op! (Parzival 279:5: einen âlûnen mit einer stabe). 1 Heft no. 5. – Zou men hier ook te denken hebben aan het Hoogduitsche Hallunke = onmensch, schurk?
alweg, alweg, omophoudelijk, zonder tusschenpoozen, al door; hij lacht alweg; ik mout alweg housten, gappen, proesten, enz.; hij flept alweg.
amandel, mantels, mandels, amandelen; zij gaf heur ’n puiltje (of: puutje) mit mantels; kroakmantels = kraakamandelen; bittermantels = bittere amandelen. Kil. mandel, amandel. (Italiaansch mandole), mandola, Oostfriesch mandel, Hoogduitsch Mandel; v. Dale (gemeenzaam) mangel.
ambachtslui, ambachtslú, (ambachtslieden); een kinderspel (Hoogeland).
ambt, amt, ampt, handwerk, samengetrokken uit: ambacht; op ’t amt komen = in de leer komen bij een handwerksman. – Ook voor: bediening, eerepost; in amten wezen = een of meer eerepostjes of eereambten bekleeden, bv. lid van Kerke- of Gemeenteraad zijn. Spreekwoord: Alle amten bin smerîg = elk postje geeft voordeel; ook Nedersaksisch; Hoogduitsch Amtchen tragen Käppchen. – Hoogduitsch Amt, Middel-Hoogduitsch ambaht, amt, ambt = bediening, ambt, beroep. Vgl. Zeeman p. 40. Middel-Nederlandsch ambacht, soms reeds ambt = bediening, beroep, werkkring, handwerk, nering, broodwinning, dagelijksch bedrijf.
ambtslui, amslú, ambslú, zie: amsman.
ambtsman, amsman, ambachtsman, handwerksman; meervoud amslú, ambslú (ambachtslieden); Oostfriesch amtsman, ambachtslüe, amtslüe. Zie: amt.
amelen, aimeln, emêln, ijmêln, zie: dwelmen. “En zoo aimelde hai maor al ien ain boksem en wams ien ain taim vōt.” (Hoogeland)
Amerikaan, Oamerikoanen, (Ommelanden); personen die naar Noord-Amerika verhuizen.
Ami, ammie, hondennaam, ’t Fransche ami. (De klemtoon op de eerste lettergreep bewijst dat het volk de herkomst niet kent. Zoo hoort men in de Ommelanden: Moarioa (Maria) met den klemtoon op Moa.
Amiens, oamias, ommias, zie: mesester.
amme, amme, voor: voedster, min; zoo goed als verouderd. Holsteinsch, Hoogduitsch, Middel-Hoogduitsch Amme.
amper, empel, ampel, empel (Westerwolde) = ampel (Hunsegoo) = enkel, alleen: hij komt empel om heur. Vgl. ten Doornk. art. empelt, empeld = eenvoudig, enkel, zelden.
amper aan, amperan, amper, nauwelijks, ternauwernood; bijna; hij ken amperan van zien intresten leven = – amper van zijne renten leven; ’t is amperan twalf uur. Zeeland amper = nauwelijks; Noord-Brabant aamper = bijna; Scheveningen = ternauwernood.
Amsterdams, Amsterdams, in: op zien Amsterdams! zooveel als: bij ’t kruisjassen eene tien voorspelen.
Amsterdamse slag, Amsterdamse slag, noemt men in het damspel zekeren voordeligen slag bij ’t begin van ’t spel, waarbij men twee schijven opoffert en drie terugkrijgt.
Andel, Andel, den Andel, kerkdorp behoorende tot de gemeente Bafloo. In Oost-Friesland is: andel, eene fijne, zoutdeelen bevattende grasplant (Glyceria) die voornamelijk op de Hellern, dat is aanwas der zee (Groningsch kwelders) groeit. Ook het hooi, daar van gewonnen, wordt aldus genoemd. Daar de bodem van genoemd dorp bestaat uit aangeslijkten grond, zal het zijn’ naam aan deze plant ontleend hebben. (De oude schrijfwijs den Nandel ontstond door voorvoeging van den neusklank.) Zie ook: törken.
ander, ander, in: op ’n ander goan = veranderen van beroep, ’t met iets anders beproeven om aan den kost te komen; om ’t ander = beurt om beurt, beurtelings (van twee personen), en ook: telkens een van de rij overstaande; boomen (van eene rij) worden om ’t ander kapt; – van ’t ijn ien ’t ander = van ’t een op ’t ander; en zoo ’t ijn noa ’t ander = daarmede overeenkomstig, niet beter en niet minder, meestal in gunstigen zin wanneer het meubelen betreft; d’ijn veur d’ander duurde ’t nijt doun = niemand durfde het doen, de een zoo min als de ander.
om ʼt ander, in: ʼt gait om ʼt ander = van twee is nu de eene en dan de andere aan de beurt. Hetzelfde wordt van winnen en verliezen gezegd.
op’n ander, in de uitdrukking: op ’n ander willen, of: – goan = een ander beroep kiezen, veranderen van vak of ambacht.
anderdaags, anderdoags, (des anderen daags) = vóór eenige dagen, kort geleden, onlangs; ook Noord-Holland; anderdoagse koors (of: koorse) = koorts die geregeld om den anderen dag terugkomt; Zweedsch annandags frossa.
anderdaagsavond, anderdagsoavens, de avond van den volgenden dag.
anderdaagsmorgen, anderdagsmörns, de morgen van den volgenden dag, Westerkwartier anderdag’s murgens.
anderen, andern, voor: veranderen; zōk anderen = zich veranderen, zich verbeteren. Hoogduitsch ändern = anders worden. Middel-Hoogduitsch andern, Kil. anderen, vetus. Vgl. beteren, en: verbeteren; dragen, en: verdragen, enz.
anderhalf, anderhalf, In ’t Oldampt en Westerwolde: anderhalve stuver = Ommelanden achtalve cent, ’n uur anderhalf = ongeveer anderhalf uur. – Voor zeer weinig personen, bv. op eene vergadering, zegt men spottend: (er waren) anderhalf man en ’n perekop (paardenkop). Aan Tijl Uylenspiegel ontleend.
andermans, andermans, eens anderen, wat aan een ander behoort; andermans goud, andermans kinder, andermans zoaken, enz. Oostfriescch andermanns good = eens vreemden eigendom. Spreekwoord: In andermans veen is goud törf groaven = Van een andermans leder is het goed riemen snijden (v. Dale); Al te goud is andermans gek = Nederlandsch: Al te goed is buurmans gek; Beter andermans goud as gijn goud, zegt men, wanneer men van eens anders goed in gebruik heeft, en zooveel als: dat is zoo erg niet, men moet zich maar zien te behelpen. Dr. Landr. (1712) III, 87: over een ander Mans bezaaide Rogge-land; id. (1608) IV, 35: in eens ander mans huis.
anders, ans, anders; ook Drentsch; is ’t ans nijt! = dat beteekent niets, dat is geene zwarigheid; niks ans! = zóó is het, als volledige instemming, stellige overtuiging; ’k heb ans genōg = ofschoon ik genoeg heb gedronken, zal ik, op uw verzoek, toch nog een kopje nemen; hij het ans niks leerd as (bv.) bakken = hij heeft niets anders geleerd dan het bakkersbedrijf; is’t ans nijt woar? = dit zult gij mij toch toestemmen. – Hierbij dient opgemerkt dat de n soms bijna niet gehoord wordt. Vgl. anders. Holsteinsch ans, anners. (Sommigen schrijven: ans (= als, indien); ook: an’s, zelfs an ’z ien = als zij in.)
anders, anders, voor: echter, evenwel, niettegenstaande dat; as ie anders nog wat blieven willen, den, enz. = mocht gij echter besluiten uw vertrek uit te stellen, dan, enz.; ’t smoakt anders lekker (ofschoon gij er niet van eet); ’t is anders mooi weer (hoewel het koud is). Vgl. ans.
anders, anders, in: doar wōr ’k anders van = ik werd er door getroffen (fig.); doar wordt ’t anders van = dat verandert (het oordeel over) de zaak; mooi is anders! zooveel als: gij hebt gelijk, dat is allesbehalve mooi gehandeld; ook eig. = dat is leelijk; as ’t anders nijt is! = is ’t ans nijt! = wat praat gij, dat heeft immers niets te beteekenen! Vgl. ans.
anders, anders, op andere plaatsen, bij anderen, elders; hij komt anders narns = bij niemand anders, alleen daar; dat hei’e anders narns zoo = overal elders is dat anders.
anders wat, answat, (anders wat) = geheel iets anders, juist het tegengestelde; da’s answat as mooi weer! zegt men bv. als het stortregent; wil ie nijt lijver answat hebben? = verkiest gij wellicht iets anders? Vgl. anders wat.
anders wat, anders wat, in: da’s anders wat! = dat is iets beters, mooiers, grooters, enz., dat overtreft het andere ver; da’s wat anders! = dat is iets anders, dat verandert de zaak (eigenl.: de beoordeling er van). Vgl. answat.
andersom, andersôm, omgekeerd, en: het omgekeerde; ’t is net andersôm = juist het tegengestelde is waar; zich andersôm leggen = zich omkeeren, op de andere zijde gaan liggen.
anderswaar, anderswoar, op eene andere plaats; as ie anderswoar wark vinnen (of: vienen) kennen; ’k bin anderswoar west doar nog meer armoude was. Middel-Nederlandsch anderswaer = op of naar eene andere plaats. Middel-Hoogduitsch anderswâ, Hoogduitsch anderswo, Nedersaskisch anderswôr, anderswâr.
andert, andert, andertje, naar de rij af de tweede aan beurt bij het spel. Oud-Groningsch, Kil., Hooft, Friesch anderde, Oostfriesch andert = de tweede. Middel-Nederlandsch anderde = de tweede, van twee personen, van welke te voren de eerste genoemd is, Latijn alter. (Verdam.)
anderweegs, anderwegens, elders. Van samenstelling als: mijnsterwegens, veulerwegens, alderwegens.
anen, oanen, in: dat oan ik nijt = dat tel, dat reken ik niet. Vgl. ’t Hoogduitsch ahnen.
angel, angel, hengel, vischtuig; angelgar = angelstok = hengelroede, Overijselsch anggarde; angelhoaktje = haakje van den hengel; angelsnour = hengelsnoer. Weil. angel, Kil. anghel, hengel, hanghel = vischhaak, Hoogduitsch angel, Engelsch angle = hengel. Zie ook: ang.
angel, ang, angel, meervoud angen, en: angels; de haren of stekels eener korenaar; ook Overijselsch, Nedersaksisch; Zweedsch agn. Kil. anghel van de aeren, arista (v. Dale: gerstangel, zonder meer); angen (zelfstandig naamwoord) = haren of haarwortels; “ien diz tied was ’t pien weerd om meerten te vangen omdat angen der nou vast ien zatten.” (Hoogeland)
angelen, angeln, hengelen. Kil. anghelen (Sax. angelen, Ang. angle) = hengelen. Hoogduitsch, Oostfriesch angeln.
angelgard, angelgar, zie: angel.
angelhaak, angelhoaktje, zie: angel.
angelsnoer, angelsnour, zie: angel.
angelstok, angelstok, zie: angel.
angeltje, angtje, anktje, voor: trek van overeenkomst, vooral wanneer het een ongunstigen karaktertrek geldt; hij ’s nijt zoo gierig as zien voader, moar hij het ’r doch ’n angtje van. Vgl. ang.
angen, angen, angeln, ’t laatste ook Nedersaksisch = hinderen, ergeren, krenken, verdriet aandoen; ’t angelt hôm dat hij nijt weer kozen is. Weil. angen (verouderd) = krenken, benauwen.
anker, anker, in: ’t ergens veur ’t anker gooien, ook: – ’t anker gooien = op reis een bezoek bij familie of een goed vriend afleggen en daar gast zijn. Bij v. Lennep: het anker laten vallen = zijn intrek nemen, – veur zien beste anker liggen (of: leggen) = op sterven liggen, bij v. Lennep: hij ligt voor zijn laatste anker = het is slecht met hem gesteld; Friesch: Hij leit foar ’t lêste anker; Holsteinsch vör ’t lezste anker leggen.
Antonius, Tönnies, Tonnis, Teunis, mansnaam. Zie ook: holten
antwoorden, antwoorden, (oefenen). Aldus noemde men vóór dezen de namiddaggodsdienstoefening, in welke de vragen van den Heidelbergschen Catechismus door een leek (in enkele gevallen ook door een vrouw) breedvoerig werden beantwoord. De predikant deed van den preekstoel de vragen, en de oufenoar, oufender of antwoorder, hij die het antwoorden deed, stond voor den lessenaar van den koster. Ook traden deze oefenaars wel zelfstandig op als voorgangers bij godsdienstoefeningen in kerken of andere lokalen. Sints een 60 tal jaren is een en ander bij de Hervormde kerk in onbruik gekomen. Drentsch oefender, oefener = antwoorder.
antwoorder, antwoorder, zie: antwoorden.
apart, appart, zie: absört.
apekool, oapekool!, gekheid! uitvluchten! da’s altemoal oapekool! Tessel: oapekool = zotternij; v. Dale: apenkool = zotternij. Zie: appelkouktjes.
apendriller, oapedriller, oapedrilder, spottend tegen een kleinen jongen die zich nogal wat inbeeldt; wat zōl toe oapedriller, zooveel als: wat wilt gij uitvoeren, kleine aap?
apenneuker, oapeneuker, zie: oapedriller.
apenrok, oaperok, kinderonderrok; aldus omdat deze korter is dan een bovenrok.
apocrief, abbekrief, (apocrief) = vreemd, ongelooflijk, bv. van een bericht: dat komt mie doch wat abbekrief veur.
apotheek, aptijk, apotheek.
apotheker, aptijker, apotheker. Middel-Nederlandsch apteker, apoteker = kruidenier, winkelier (Verdam).
appelbuis, appelbuus, appelbuutse, zie: buus.
appelhoede, appelhude, appelhuder, zie: hude.
appelhof, appelhof, (onzijdig) = boomgaard. Zie: hof.
appeljaar, appeljoar, jaar dat er veel appelen zijn; ook Zuid-Nederlandsch – Eveneens: karsejoar, proemejoar, boonejaor, enz. West-Vlaamsch appeljaer = een jaar rijk en vruchtbaar in appels. (De Bo.) Vgl. bij v. Dale: muisjaar, muizenjaar.
appelkoekjes, appelkouktjes!, zooveel als: gekheid! fopperij! uitvluchten! maak dat een ander wijs! en zooveel als: lak! of: lak mit ouweltjes! en, ofschoon minder algemeen: oapekool! en: oapekoolkwint!. Vgl. appelkokwint.
appelkolokwint, appelkokwint, oapekoolkwint, de kogelronde, laxeerende vrucht van de cucumis colocynthus. Van daar misschien: appel van coloquint, of: appelkokwint. Waarschijnlijker echter is het uit kolokwint (ook wel kwintappel genoemd), verbasterd. In het Fransch coloquinte. Daar dit geneesmiddel een bitteren smaak heeft wordt het wel op de tepels gemeerd ten einde zuigelingen van de borst af te wennen; zie [ook]: appelkoukjes.
appelleren, abbelijern, appelijern, appellijêrn, tegen iets = tegenpraten, zich tegen iets verzetten. Hetzelfde als het basterdwoord: appelleeren, ’t op eene hoogere rechtbank beroepen. In deze beteekenis bezigt men echter altijd: beroupen (zie aldaar)
appelpot, appelpot, pot met appels, (vermengd met aardappelen), voor den middag; de appelpot mout over. Zie ook: boonepot, boeskoolpot, wörtelpot, enz.
appelschudden, appelschudden, (zij bin, of: binnen an ’t); zoo ook: peren, en: proemen-schudden.
appelsien, appelsien, appelsiene, chinaasappel; ook Zuid-Limburg, Zuid-NederlandschZweedsch apelsin, Hoogduitsch Apfelsin. (Weil. appelsina; v. Dale: appelsina = Messinaasappel.)
appelsmots, appelsmōds, appersmōts, met de verbastering appersmōts (Veenkoloniën) = appeltjebrei = smōts = appelmoes. Stadsfriesch appelsmōts. Vgl.: smout.
appelsop, appelsop, zie: appelsmōds.
appeltjesbrij, appeltjebrei, zie: appelsmōds.
appelvos, appelvos, paard met eene gevlekte, geappelde, vossekleur. Zie: appeld.
april, Pril, April. Heeft men op den eersten April iemand gefopt dan heet het: pril! zooveel als: eene Aprilgrap! Prilmoand = gedurende de maand April; ook = April.
aqua pompa, ákwápompá, schertsend voor: pompwater, eigenlijk: drinkwater. Latijn aqua; pompá voor: pomp, dus: water uit de pomp.
arabische knol, oaroabîse knollen, zie: koolraap.
arbeiden, arbaiden, (= arbeiden), meestal voor: dagloonerswerk verrichten. Middel-Nederlandsch arbeiden, aerbeiden, enz. = arbeiden, werken in bijzondere toepassing, veldarbeid verrichten. (Verdam.) Spreekwoord: Arbaiden is veur de dōmmen, dat men spottend luiaards en bedelaars in den mond legt. Zegswijs: men ken nijt meer as arbaiden, zooveel als: wij hebben hard gewerkt, dat wij niet gedaan hebben gekregen is onze schuld niet; arbaiden? doar ’s gijn reuk of smoak an, zegt de onwillige werkman; ook Friesch.
arbeider, arbaider, daglooner; arbaidersmensen, arbaismensen, arbaidersmensken = tot de klasse van daglooners behoorende, huisgezinnen van daglooners; arbaidershoeske, arbaishoeske = huisje van een daglooner of daarop gelijkende; vaste ook: steevaste arbaiders zijn zulke, die ’t geheele jaar bij een boer in ’t werk zijn en er ook den kost hebben; lösse arbaiders, die werk zoeken bij wie zij ’t vinden kunnen, steeds op eigen kost; lösse vaste arbaiders, die wel het geheele jaar door werken bij één boer, maar voor eigen kost moeten zorgen; ook missen zij de bijzondere voordeelen van den vasten arbaider; arbaidersdaghuur = wat een daglooner gewoonlijk daags verdient; “Voader arbaidde bie Jan Knels as steevaste arbaider, hij verdijnde ’s zummers drei gulden en de andere tied van ’t joar zesendartig stuver en de kost in de week, en ’s oavens kreeg e altied pran mit, as ter wat overbleef.” West-Vlaamsch arbeider = werkman. Vgl. ook ‘t Middel-Nederlandsche arbeit = arbeid, werk, in bijzondere toepassing, ook veldarbeid. (Verdam.)
arbeidersdaghuur, arbaidersdaghuur, zie: arbaider.
arbeidershuisje, arbaidershoeske, zie: arbaider.
arbeidersmensen, arbaidersmensen, arbaidersmensken, zie: arbaider.
arbeidshuisje, arbaishoeske, zie: arbaider.
arbeidsmensen, arbaismensen, zie: arbaider.
arbeidsvrouw, arbaisvrou, werkvrouw; in ’t hoesschoonen neem ik altied ’n arbaiswief (netter: ’n arbaisvrou). (In beide woorden valt de klemtoon op de laatste lettergreep)
arbeidswijf, arbaiswief, zie: arbaisvrou.
archangel, archangels, zekere aardappelsoort.
arend, dubbelde oarend moaken, met de ruggen tegen elkander gaan zitten of liggen.
arend-kruip-uit, oarend-kroep-oet, oarend-kroep-uut, huisjesslak, (Goorecht). Aldaar het kinderrijmpje: Oarend, oarend kroep uut, Steek dien lange bijnen uut, Anders zel toe starven, ’t Zel dien husie bedarven. Elders zegt men: Slak, slak, kroep oet dien horen, Of ik zel dien wief vermooren. Zie ook: horendoren.
arendploeg, oarendploug, arendploeg, in geschrifte arendploeg; eene soort van ploeg, hier voor omstreeks 40 jaren uit Amerika ingevoerd. Sedert zijn deze ploegen door onze smeden nagemaakt en verbeterd, en in de kleistreken algemeen in gebruik gekomen.
arendsklauw, oarendsklauen, voor: handen, wanneer iemand een voorwerp tegen onzen zin wil betasten of aanvatten; blief d’r mit dien oarendsklauen of, zeg ik die!
arenzamelen, oarenzammeln, aren lezen.
arenzoeken, oarenzuiken, zie: oarenzammeln.
arenzoeker, oarenzuikers, arenlezers.
arguatie, argewoatsie, ergernis. Zie: argewijern. West-Vlaamsch arguwacie = gekijf, twist. Latijn arguo, Fransch arguer = twisten, kijven (De Bo). Middel-Nederlandsch argueren, arguweren, ergeweren = redetwisten, iets betwisten, iemand terechtwijzen, berispen, bestraffen. Oud-Fransch grouer, Fransch arguer, van ’t Latijnsche argutare. (Verdam).
argueren, argewijern, woelen, leven maken, inzonderheid van kinderen. Zuid-Nederlandsch argueeren = redeneeren, twisten, kijven, harrewarren; West-Vlaamsch arguweren Oostfriesch argueren = (het iemand) lastig maken. ’t Fransch arguer = berispen, tegenspreken; Latijn arguo = berispen, beschuldigen, enz.
arkeneel, arkenijl, arkenijltje, arkenail, zolderkamertje met een uitstek, dus uitgebouwd in het dak. Oostfriesch arkenêl, arkenel, arknêl = vooruitspringend deel van een huis, ook ûtstek genoemd, Westfaalsch alkenai, Kil. arckel, arckener, erckel = verhevenheid, balkon, het vooruit gebouwde. “Erker, thürähnlich überbauter Vorsprung an einem obern Stock eines Gebäudes mit Fenstern zum Ausschaun. Middel-Hoogduitsch ärker, Middeleeuwsch Latijn arcora, von arcus, Bogen.” (Dr. Daniël Sanders Wörterb. i.v. Erker.) Verdam: Middel-Nederlandsch arcter, boogvormig uitbouwsel in vestingmuren, wachttorentje, rondeel. Waarschijnlijk van een Middeleeuwsch Latijn arctarium. Vgl. Middel-Hoogduitsch ärker, Middel-Nederduitsch arkeners, arkenel, erkener, erker, Hoogduitsch Erker. – Ook de bocht die men in het vak maakt, wanneer het koren in de schuur wordt opgehoopt, en wel om ruimte voor den omloop van het dorschblok over te laten. – Te Groningen: de uitstekende balk op een’ zolder, om goederen op te hijschen, hijsbalk. (Auwen).
arks, harst, arks, harks, harkens, ast, harst (Oldampt, Westerwolde) = boog (Westerkwartier) = harks, harkens, arks, ast = vel papier. Ommel. Landr. I, 29: Ende de schrijver behoort van dertich regulen op yederen zijd’ oft pagine half Arckest formaat te schrijven. Drentsch harst, harrest, Overijselsch arksel, Geldersch arksel, harksel; Middel-Nederlandsch erc, erric = een vel, nl. papier. Latijn arcus, (arculus), Middel-Nederduitsch arkel. (Verdam). Oostfriesch arsel, assel, Deensch, Zweedsch, IJslandsch ark. Vgl. het Latijnsche arcus = boog, en ’t Hoogduitsche Bogen (vel papier). Een vel of blad perkament kon door op te rollen, licht een gebogen vorm aannemen, iets gebogen worden; de een ontleende hieraan den naam, terwijl de ander er de Latijnsche vertolking voor in de plaats stelde. Bij het Nederlandsche vel heeft men natuurlijk aan: huid, te denken; het perkament toch werd bereid van de huid van hamels, kalveren, geiten, bokken, ezels en varkens. (Hierom wijzen Stürenb. en ten Doornk. op asinus en asellus, en willen alzoo aan ezelsvel gedacht hebben.)
ast, door ’t uitvallen der r = harst (vel papier)
half arrets (Marne) = half vel schrijfpapier.
arm, arm, meervoud arms; doar stekt ’n arm oet = daar is eene herberg, aan het uithangbord te zien, zooveel als: daar kunen wij pleisteren. – De zindelijke boerin zegt, dat zij gijn arms en bijnen in de boter gedoogt, dat is zij zorgt er voor dat er geene vliegen in de boter komen; ’n slag om de arm hollen = niet ronduit spreken, zich niet duidelijk verklaren. Oostfriesch ’n slag um de mau hollen; Meiderich: enn schlag achter denn arm hole; arms - bijnen (= armen – benen), in: zij het ’t lief vōl arms en bijnen = zij het ’t lief vōl = zij is zwanger. Wordt bijna uitsluitend van ongehuwden gezegd.
arm, arm, voor: zwak, lijdend, ziekelijk, gevoelig; ’n arm kintje = een teer en zwak kindje; ʼt jōng is zoo arm, ’t het niks gijn moud = de kleine is lijdende en heeft nergens lust in; zij was zoo arm en jeuzelachtig = zij deed niets dan klagen en jammeren; da’s ja ’n arm gedounte (spul, of: spil, ook: kruus) = dat is eene verdrietige omstandigheid; da’s ’n arm geloop, gegiebel, enz. = een vervelend loopen, giegelen, enz.; ook: ’n arm gods spul, geknooi, gevroag, enz.; da’s ’n arm gemoal = een verdrietig, vervelend gezeur. Middel-Nederlandsch arm = ellendig, ongelukkig, rampzalig, en van onstoffelijke zaken: gering, slecht, ellendig, beklagenswaardig. (Verdam.) Kil. herm = droevig, bedroefd; Jutland arm = mager; Noordfriesch harm = bekommerd, verdrietig; Deensch, IJslandsch harm = verdriet, smart, Hoogduitsch harm = verdriet, hartzeer, smart, droefheid. Vergelijking: arm as Job, alleen schertsend.
arme, arm’, voor: armen, arme lieden; wie hebben mit onze ijgen arm’ genōg te doun, vrömden ken wie nijt geven.
armenhuis, armhoes, armhuis, armhuis; Oostfriesch gasthûs. Te Groningen is: gasthuus, of: gasthoes = godshuis, proveniershuis; te lande worden deze niet aangetroffen. Zegswijs: ’t is nog vroug in ’t gasthoes = ’t is nog niet laat; ook elders; Zie ook: warkhoes.
armenkamer, armkoamers, (armenkamers, alleen in ’t meervoud), voor: armhuis. De lagere klasse zegt schertsend voor: in de armkoamers opnomen worden, koamerheer worden.
armenlast, armlasten, (armenlasten) = gelden die tot onderhoud der armen, nl. der bedeelden, moeten opgebracht worden.
armenrecht, armrecht, het recht of de vergunning der rechtbank om gratis te procedeeren; hij het ’t armrecht anvroagd en da’s hōm toustoan.
armhartig, armhartîg, karig, hoogstzuinig; veronderstelt niet zoo zeer een gierigen aard als wel eene tijdelijke kleingeestgheid, een zuinige bui; om ’n neie mantel te koopen is ze te armhartig tou. Synoniem met: krinsêlg, krintêrg, wat meer op den aanleg ziet.
voor: schraal, mager; ook = kleingeestig, kleinzielig, voortkomende uit gebrek aan geestvermogens.
armkracht, armkracht, spierkracht van den arm; Zweedsch armstark.
armoede, armoude, (= armoede), voor: vermoeidheid, afmatting; ’t kind dat geruimen tijd in de wieg lag te schreien is eindelijk van armoude in slaap gevallen. Spreekwoord: Dei zōk nijt wijt te behelpen (of: te redden) is nijt weerd dat’e armoude lidt (die zich niet weet te behelpen is ’t niet waard dat hij armoe lijdt), zegt men wanneer men zich met iets moet en ook kan behelpen.
armoede, armoede, (Friesche grens) = twist, oneenigheid. Vgl.: in arren moede = is met een toornig, gram gemoed.
armslag, armslag, ruimte om den rechterarm, of: om beide armen vrij te bewegen; ’k heb zóó gijn armslag genōg, zegt men, als men bij eenigen arbeid, ook bij ’t eten, de armen niet vrij kan uitslaan, als deze geen vrij spel hebben. Vgl. Friesch: Hy het to min earmslach (te weinig geld om zijne zaak naar behooren te drijven).
armvol, armvōl, meervoud armsvōl. West-Vlaamsch armvullen, armvuls.
armzerig werk, armzeerîg wark, een arbeid die, meestal door ongewoonte, spierpijn in de armen veroorzaakt.
ars-kars-mars, ars-kars-mars!, arrebarremars, ars-kars-mars! (Marne, Westerkwartier); hartstochtelijke, schreeuwende uitroep als aandrijving om te loopen zoo hard men kan; onder knapen en dan vooral bij een wedloop; elders arrebarremars! o.a. te Woltersum.
artikel, artiekels, (= artikelen), in: ’t bie artiekels hebben = bie stoeken = bie numen, zooveel als: nukkig, grillig, luimig van aard zijn en daaraan toegeven. Ook = zich nu en dan aan eene verkeerdheid overgeven.
as, aske, (Oldampt, Westerwolde), as (Ommelanden) = asch. Zegswijs: mit de toonen in de aske zitten = boven op ’t vuur zitten = zeer dicht bij ’t vuur zitten, als verkleumd zijn; fig. = in verlegenheid verkeeren; fig. ook elders, o.a. in Zuid-Nederlandsch van bedrogen meisjes gezegd. hij (of: zij) duurt gijn vinger in de aske steken = hij is lang niet vrij in zijn doen en laten; hij moet in zijn handel en wandel uiterst voorzichtig zijn; ook wel omdat de politie er zeer gestreng is.
asbak, askebak, aschbak, vuilnisbak. Zegswijs: ’t bin dien askebak nijt = wat gij overlaat, dien ortjes, wil ik niet opeten.
asdobbe, askedob, askedobbe, asdob, haardkolk, Oostfriesch askedobbe.
asgat, askegat, aschput, kuil in den grond om de haardasch te bergen.
aspot, aspot, (aschpot), eene der spelen bij het quadrilleeren wanneer er rondgepast wordt. Die kaart geeft deelt aan elk der anderen drie zijner kaarten uit, die hem dan drie naar keuze teruggeven.
assen, asken, assen, zich onder de asch verbergen, wegkroepen, van gloeiende kolen gezegd; dei törf ast zoo = de kool verschuilt zich al spoedig onder de asch.
assiette, assjet, vleeschschotel. Fransch assiette = bord, tafelbord.
aster, aster, schimpwoord voor: ondeugend kind; aster van ’n luk jōng!
astrant, astrant, scherp, bits, vinnig; streng; brutaal; ook Drentsch; ’t is ’n astrant wief = tegengestelde van: eene vrouw met een’ zachten, vrouwelijken aard. Friesch astrant = vrijpostig; Zuid-Nederlandsch asserant, astrant = onvervaard, koen; West-Vlaamsch astrant = onvervaard, koen, stoutmoedig; Oostfriesch astrant = trotsch, bits, kortaf; Nedersaksisch asserant, astrant = scherp, strijdlustig, grof, lomp. Latijn astringere = strak aangebonden, Fransch astreindre.
astrantigheid, astrantighaid, bitsheid; da’s heur astrantighaid = zoo scherp en brutaal is zij. Overijselsch astrantigheid = vrijpostigheid; Noord-Brabant astrant, astraant = stout, brutaal; Zeeland astrantigeid = vrijpostigheid, moed. Zie: astrant.
ate, oaie, oai, in de kindertaal = vader; zie: pappe
ate, oate, vader; zie: tatte.
augurk, augurken, augurkjes, ougurken, ougurkjes, augurgies, bij Weil. agurkje, kleine soort van komkommer; Kil., v. Dale agurk, kleine komkommer; v. Hall augurken, eene verscheidenheid van de komkommers. Oostfriesch augurken, Lubeck agurken, Hoogduitsch Gurken. Van het Grieksch aggouron = watermeloen.
avance, avans, voor: gelegenheid, vooral in zake vrijerij. Fransch avance = vooruitgang.
aveel, awijlen, oawijlen, Van Hall: Aveelzaad (Brassica campestris), houweelzaad, de Rübsen der Duitschers, van het koolzaad te onderscheiden doordien de jonge wortelbladen meer behaard en groener zijn, de hauwen langer gesnaveld en het zaad iets kleiner Neerl. Plantensch. p. 18. Volgens v. Dale is het aveelzaad een der drie hoofdvormen waarin de raap in Nederland gekweekt wordt. – De awijlen komen slechts in het Oldampt voor, zijn twee of drie weken vroeger rijp dan het koolzaad (raapzaad) maar leveren minder kwantiteit en kwaliteit.
aveelzaad, awijlzoad, oawijlzoad, aveelzaad, plant en vrucht; zie: awijlen. Oostfriesch aweel, aweelsaat; Holsteinsch houweelzaad. – Van: hauw, soort van peul.
avers, affers, (klemtoon op: fers) = afkeerig; zij ’s affers van hōm = zij mag hem niet lijden. ’t Fransche adverse.
avond, toavênd, heden avond, ook: als de avond zal gevallen zijn; wie zellen dat toavênd wel doun = dat kan best tot van avond wachten; wie wachten an toavend = wij wachten tot den avond; ook: zoolang als de avond duurt, dat is tot wij naar bed gaan. Drentsch ’t aovend. Staat voor: te avond. Middel-Nederlandsch tavont, Middel-Nederduitsch tavent, tavende, to avent; West-Vlaamsch tavent, tavond, ’t avond = van dezen avond.
avond, oavens, (Ommelanden) = avonden, en: des avonds; wie bin wel oavens dat ’t alan lopt = er zijn wel avonden dat wij veel bezoek krijgen; bin oavens genōg dat wie om negen uur noa ber goan. – oavens verveel wie ons; – oavens zit boer bie ’t vuur te noagelsdreugen. Zoo ook: mörns = des morgens, en: morgens; middêgs = des middags, en: middagen; winters = des winters, enz. Gevormd als in ’t Hoogduitsch.
avond, oavend, oab’nd, (Veenkoloniën) = avond; d’oavend thoes brengen = met het vallen van den avond thuis komen; ’t oavendt (het avondt) = de avond valt. Zegswijs: ’t is nog gijn oavend, zee Kraivanger, zooveel als: wij hebben ’t einde nog niet, ’t kan nog verkeeren. Friesch, Noord-Brabantsch, Kil. Zuid-Nederlandsch avend, Nedersaksisch, Holsteinsch avend, Hoogduitsch Abend. Oudduitsch aven = vertrekken, ontwijken, dus = heengaan, afnemen, ontwijken van den dag; Middel-Hoogduitsch âbenden = avond worden; âben = dalen van de zon.
avond, ’n oavend, (Veenkoloniën) = goeden avond. Zie ook: gounoavend.
avondlucht, oavendlōcht, oavendlucht, oab’ndlucht, avondlucht. Zegswijs: hij het lank in de oavendlōcht loopen, wanneer iemand verkouden is. Ook: wanneer een persoon een kaal hoofd heeft, en dan zooveel als: hij heeft in zijne jeugd te rad geleefd.
avondprater, oavendproater, voor: dikke kool in de stoof, kool die lang strekt, die lang in de praat houdt.
avondreden, oavendreden, Spreekwoord: Oavendreden en mörgenreden komen voak nijt mit ’n kander, (of: mit ’n ander) overijn (avondpraat en morgenpraat komen vaak niet met elkander overeen) = des avonds gedane beloften of uitgesproken voornemens worden zelden uitgevoerd. Inzonderheid heeft dit betrekking op het zeggen vroeg te willen opstaan; Ook Nedersaksisch, Oldenburgsch, Holsteinsch.
avondrood, oavendrood, Spreekwoord: Oavendrood brengt mooi weer an boord; Mörgenrood brengt woater in de sloot = avondrood is een voorteeken van schoon weder, morgenrood voorspelt regen. Ook nagenoeg aldus in Oostfriesch, Holsteinsch, Westfaalsch, enz.
avondschooljongen, oavendschouljōnges, (Marne) = uitgedopte groote tuinboonen, pronkerboonen. Wellicht omdat de avondschool door grootere leerlingen werd bezocht.
avonturen, oaventuren, aan het lot overlaten, genoegen mee nemen zoo als het valt; dat ze we moar oaventuren; hij duurt ’t nijt oaventuren om bie mie te komen; de bedelaar oaventuurt ’t nijt om eene aalmoes te vragen. Zooveel als: wagen, in den zin van: ondernemen, zich aan onzekere kansen blootstellen. Bij v. Dale: avonturen = wagen, op het spel zetten, Noord-Brabantsch aventuere, Zeeland aventuren, ’t Fransche aventurer.
avonturier, oaventurijers, (= avonturiers) noemt men in de Ommelanden zulke personen, die door huren van landerijen en het drijven van handel in vee, schapen, enz. daarin een bestaan zoeken.
avontuur, oaventuur, voor: kans, (ook Drentsch); doar wi ’k mien oaventuur veur hebben = daarvoor heb ik dan ook de kans om te winnen, bv. om een’ prijs uit de loterij te trekken; doar zit oaventuur in = dat geeft uitzicht op voordeel, daarmede valt iets te verdienen; op ’t oaventuur wi ’k nijt mit hōm ruilen (of: railen) = mijne vooruitzichten acht ik beter dan de zijne; ik wensch niet in zijne plaats te treden, ik wil niet met hem ruilen, (ook als het voorwerpen betreft); oaventuur mit hebben, zeggen de jongens, wanneer zij zich met dingen vermaken, bv. met een vlieger, en ook met zulke die genot en voordeel geven, bv. door het fokken van konijnen, enz.; is nijt veul oaventuur op, dat hij nog komt = de kans, dat hij nog komt, is zeer gering.
azeling, eiseling, eesling, eiseling (Ommelanden); gedeelte, klomp, wat van eene klamp hooi wordt afgestoken. (van Halsema: eesling, een afgedeelde stapel ofte hoop (wordt gezeid van hooij en koorn in de schuir.)).
baadje, boantje, mannenborstrok; ook: kort baaien hemd zooals de schippers dragen; in ’t boantje = in ’t bloode boantje loopen = zonder jas of jak, hetzij in ’t borstrok (hemdrok), of daarover een boezeroen = groot overhemd = engelshemd, of zoo iets dragende. Voorheen noemde men eene soort van korte jassen, zooals de Friesche kaasboeren droegen, en die van eene bonte of blauwbonte stof gemaakt waren, bontje of baantje. Ons woord zal komen van ’t Maleische bâdjoe, met invoeging der n. Zie prof. Veth, Gids voor Maart. 1867. – Oostfriesch bântje = hemdrok; en: kortjak zonder schoot of armen. Vgl. v. Dale art. baaitje.
baaierd, baierd, in: ’t is al in de baierd = alles is hier in de war, ’t ligt hier alles overhoop en door elkander; evenwel slechts tijdelijk zooals bij overgroote drukte, bv. bij de jaarlijksche schoonmaak kan plaats hebben. (Te Leeuwarden heette het vertrek in het St. Antoni-Gasthuis, waar vele menschen samenwoonden, de beier of: beijer.)
baaivanger, baaivanger, boaivanger, een jongen die er wezen durft, een haantje de voorste. (v. Dale: baaivangen = sierlijk schaatsenrijden; baaivanger = een vlug en sierlijk schaatsenrijder; ook: groenlandsvaarder; v. Lennep: baaivanger = zwierbol, doordraaier; Oostfriesch baaifanger = twistziek mensch, ruziemaker.)
baakster, boakster, onder de lagere klasse, voor: baker, (dat staat voor: bakervrouw.)
baan, boan, in het zeggen: zij mout ’n boan in de rok hebben = de rokken zijn haar te nauw, van een manziek meisje, dat zich niet kan of wil intoomen.
baan, boan, boane, harddroavers- of hardrijdersbaan; dat peerd is nog nooit in de boan west; hij mout mör’n in de boan = hij doet morgen mee in een wedstrijd op schaatsen. Ook zegt men het van onderwijzers die aan een vergelijkend examen deelnemen.
baancent, boancenten, de centen die men in den zak steekt voor de baanvegers; ’k heb veur ’n kwartje boancenten bie mie stoken; ’t boangeld begroot mie nooit, as ze moar goud vegen. (v. Dale: baangeld, zonder meer.)
baander, banzer, zie: banzerdeure
baanderdeur, banzerdeure, in een gedeelte van ’t Oldampt en Westerwolde de grootste der schuurdeuren; in andere deelen dezer provincie hoort men hiervoor: de groote schuurdeure, in de Ommelanden de schuurdeur. Aldaar voorts nog: peerstaldeur, de middelste der drie deuren, zijnde die van buiten leidt tot den paardenstal, en: koudeur = deur van de achterdeel of ’t kouhoes. Drentsch bander, baander, banzer, bandser, voor; de groote, dubbele schuurdeur ter onderscheiding van: zijdeur; Overijselsch baandeldeuren, bansdeuren, de groote deuren eener schuur; Friesch de banders. Middel-Hoogduitsch, Hoogduitsch banse, gedeelte eener schuur waar het graan geborgen wordt, Nedersaksisch eene schuur. – Het woord moet tot binden, in den zin van vlechten, gebracht worden; bandse werd tot: banse, banze verzacht. De oudste huizen toch bestonden uit wanden van gevlochten teenen, met leem of klei dicht gestreken. Vgl. vōldeur.
baangeld, boangeld, zie: boancenten.
baanvegen, boanvegen, schoonvegen van ijsbanen; de arbaiders verdijnen ’s winters wat mit boanvegen. Van een schaatsenrijder die valt, zegt men schertsend, dat hij de boan veegt = boanveger worden is.
baar, barve, (Oldampt) = dragbarg, droagboar = lijkbaar; Drentsch barve, Oostfriesch barfe, barf, berve, berrie; Maastrichtsch berie, Zeeland baere, berrie = draagbaar, ook = lijkbaar; Zuid-Limburg burg; Kil. berf, berve, berie = berrie. Van ’t oude: beren = dragen.
baard, board, in de zegswijs: iemand in de board speien (spuwen) = hem harde woorden teruggeven, hem scherp beantwoorden; de board in de keel hebben = in het tijdperk verkeeren dat de kinderstem in de mannenstem overgaat; Oostfriesch hê hed de bârd in de hals. Eigenlijk zooveel als: de sporen van den baard zijn kenbaar aan de stem. Vergelijking: ’n board hebben as ’n Switser = een zeer langen baard dragen. Wanneer iemand in eenige dagen niet geschoren is zegt men: ’n board hebben as ’n olle jeud. Spreekwoord: ’n Man zunder board is as ’n ai zunder zolt (zout). ’n Man mit ’n board Is ’n vrou bie bewoard.
baardgulden, boardguldens, bordguldens, boatgulden, boatgul’n, en door uitlating der boatguldens; eene soort van tafelappel. Ook voor den boom.
baardpoetser, boardpoetster, zie: boardschrabber.
baardschraper, boardschrabber, meestal boardscheerder = barbier. (v. Dale: baardschraper.)
baardtarwe, baardtarwe, (alleen in geschrifte) = eene soort van tarwe.
baardworm, boardwurm, zwering der huid rondom de haarwortels van den baard; hij het last van boardwurm, doarom let hij zien knevel stoan. West-Vlaamsch baardplaag, Fransch mentagre.
baars, boas, door uitlating der r = baars.
baas, boas, in: hij (of: zij) wordt ’r boas over = krijgt het werk op tijd af; ook: eet den schotel leeg, enz. Wordt ook achter den doopnaam van handwerkslieden gevoegd, bv. Elleboas, Janboas, enz. – da’s de boas = dat is het beste wat wij in dit geval kunnen doen; ’t is de boas om moar noa hoes te goan. Zie ook: boaske.
olle boas, zie: olle.
baasachtig, boasachtîg, (klemtoon op ach), voor: meesterlijk, uitnemend knap gemaakt, ook: boazîg, wanneer men zulk werk niet verwacht had van personen van dien leeftijd. Eigenlijk zooveel als: gelijk een baas, een meester in het vak zulks kan doen. Oostfriesch baaszig, baasig = meesterlijk, voortreffelijk.
baasje, boaske, baasje; ’t is ’n boaske, zegt men van jongens of meisjes, die vlug en levendig zijn, die er wezen durven; echter nooit met ongunstige beteekenis; ’n luk boaske = ’n lutje boas, voor: flink, aardig knaapje. (v. Dale: baasje, fig., mannetje, ventje.)
baaskerel, boaskerel, schertsend zegt men tegen knapen: hij is ’n boaskerel, zooveel als: gij zijt een baas van een jongen. Drentsch baos preeker (nadruk op: boas) = flink redenaar.
baasvent, boasvent, zie: boaskerel.
baat, boat, Spreekwoord: Alle boat helpt, zee de mug, (of: de schipper) en piste in de Rien (of: in de zee) = Nederlandsch Alle baat helpt. Hetzelfde spreekwoord vindt men min of meer woordelijk in bijna alle Nederduitse dialecten. (Bij Fritz Reuter: All Bött helpt, säd de Mügg, un spukt in den Rhein).
boate, in: de noatuur te boate hebben = zeer levenslustig zijn; van jonge menschen gezegd.
Baatjeborg, Batjebörg, in geschrifte Baatjeborg of Batenburg; eene soort van buitenplaats bij Winsum.
babbelbek, babbelbek, babbelaar, en: babbelaarster; synoniem met: kekelbek. ’t Woord heeft echter niet die ongunstige beteekenis; men zegt het vooral van meisjes en vrouwen die druk spraken, dei de mōnd nijt stil stait.
babbelguigjes, babbelguugjes, babbelguchies, (zonder enkelvoud); gekheden, vooral bestaande in ’t maken van bewegingen en trekken van gezichten, voortkomende uit dartelheid. Ook: kwinkslagen van een’ grappenmaker; in ’t algemeen dus: grappenmakerij om te doen lachen. Drentsch babbelgoechies = malligheden; Oostfriesch babbelgütjes = gekheden, narrenstreken. Zeeland babbelguesjes = kwinkslagen, gekheden om iets bespottelijk te maken; ook = tegenspraak. (v. Dale: babbelguigjes = ijdele praat, zotte kuren. Vgl. guchel 1.
baden, baaien, boaien, boien, baden, zwemmen; Friesch baaien. Vgl. ’t Hollandsche laaien (laden), braaien (braden), raaien (raden), enz.
badjer, badjed, badjerd, badkerd, batje, bōdjed, bōdjerd, (Oldampt) = bōm, bōmmel (Ommelanden), dōddel, dōrrel, dōdjerd, kuierd (het eerste in Fivelgoo) = badkerd (Westerkwartier) = bōs (Appingedam) = koelknikker, bōster (Hoogezand), ook bōsterd = steenen balletje, dat de meisjes bij het bikkelen, koten, gebruiken; Friesch bakker, bakkerd, Hollandsch stuiter. Te Groningen werden te koop aangeboden: bōmmels of bikkelknikkers. (Advert. blad, 1875).
Bafloo, Baffelt, Bafloo; ’n gezicht van Baffelt = een leelijk gelaat. Zegswijs: d’r van pas komen as Krien te Baffelt, zooveel als: ergens te onpas komen. (Omtrent den oorsprong dezer zeer gewone zegswijs vertelt men op het Hoogeland het volgende: Krien, een boerenknecht van Uskwerd, moest te Bafloo eene geeseling ondergaan. Na afloop der executie verwijdert hij zich met spoed en geeft aan nieuwsgierigen, die hem bij Raskwerd ontmoeten op de vraag, of zij nog vroeg genoeg kunnen komen, ten antwoord: dou ik t’r kwam was ’t net van pas.)
baggel, baggel, bagel, turf die gebaggerd is, ter onderscheiding van lange törf, steekturf. Ook voorwerpsnaam Dus zooveel als: baggerturf. Friesch baggelaar. ’t Zelfde wat bij v. Dale onder sponturf verstaan wordt.
baggelaar, baggelder, zie: baggel.
baggelaarsturf, baggeldertörf, zie: baggel.
baggelbak, baggelbak, baggel, voorwerpsnaam.
baggelen, baggeln, den veengrond onder het water weghalen, geschreven: baggeren. Dus verwisseling der r en l.
baggelgat, baggelgat, meervoud baggelgoaten, en: baggelputten, nevens baggelpetten = waterplas, ontstaan door uitbaggering van het veen. Men heeft ze onder anderen te Westerbroek, Scharmer, Harkstede, enz.
baggelgebak, baggelbaktjes, eene soort van kleine Groninger koek.
baggelput, baggelput, meervoud baggelgoaten, en: baggelputten, nevens baggelpetten = waterplas, ontstaan door uitbaggering van het veen. Men heeft ze onder anderen te Westerbroek, Scharmer, Harkstede, enz.
baggelturf, baggeltörf, baggerturf, ook voorwerpsnaam, in geschrifte: bargerturf, baggelturf, of alleen baggel, of bagger; zie: baggel; ’k heb ’n stōb baggel kregen van 42 gulden; zet ’n poar baggeltörven (of: baggels) bie ’t vuur (of: an ’t vuur.)
bah, , bah, (onvolkomen a); tusschenwerpsel dat een sterken afkeer, zelfs walging te kennen geeft (ook Drentsch), en zooveel als: harregat, enz. = ajakkes; ’k bin d’r bà van = ’t staat mij geweldig tegen; sterker dan: ik ben er beu van. In de kleinekinder-taal = vuiligheid: zit bà an! Vgl. a 3. (v. Dale: ba = foei! kom kom!)
bajes, bais, voor: toren (Winschoten), voor: gevangenis. Daar de toren aldaar tot 1848 als gevangenhok dienst deed om voor eene cellulaire gevangenis plaats te maken, zei men: hij komt in de bais (= hij komt in toren of: in ’t hondegat) = hij moet gevangenisstraf ondergaan. Amsterdamsch; in de dieventaal: baies = gevangenis.
bak, bag, bagge, bage, bij Auwen bage = drukkend, zwoel, tegengestelde van: frisch, van het weder gezegd. (Drentsch bagge warm = drukkend warm). wat legs doar bag = wat ligt gij daar lui en lodderig als iemand die niets beters te doen weet (Marne). Hoogduitsch bähen = verwarmen, bakeren, roosteren, enz.; Nedersaksisch bähen, bäen = koesteren, warm maken. Van den stam: bak = warmte, hitte, waarvan ook het Nederlandsche baker, en: bakeren. Duurswold = lui, lodderig. Zie ten Doornk. art. bâker.
bak, bak, in: de bak omkeeren = eene miskraam houden. – Zegswijs: as de swienen an de bak goan = aan den maaltijd gaan zonder te bidden.
het vierde deel van een hectoliter of zak (= mud), en = vier spint, of: spient. Zegswijs: om ’n bak zoad ’n möln bouen, zooveel als: om eene kleinigheid, of om iets dat geringe winst oplevert, een grooten of kostbaren toestel maken, gelijk men ook zegt: een voorhamer nemen om een ei stuk te slaan. Zie: bakjegooien, alsook: scheel 3.
zeker vertrek in het Stadhuis te Groningen, waarin de politie dronken lieden opsluit. Van daar: in de bak komen, en, bij uitbreiding = in de gevangenis komen, gevangen gezet worden.
zie bakwoagen, alsmede vlijsbak.
bak, bak, bakke, in de kleinekinder-taal voor: twijbak = beschuit. Friesch bak = beschuit; bakkenbrug = boterham met beschuit, of ook: eene met boter gesmeerde beschuit. Zie ook: kastje.
bakbeest, bakbijst, (bakbeest); werktuig, in zijne soort buitengewoon groot, zwaar, lomp en daardoor moeilijk te hanteeren; ’n bakbijst van ’n woagen, toavel, kast, kachel, tange, schōp, enz. Oostfriesch bakbêst = groot, lomp dier of eenig ander voorwerp. – bakbeest, eig. een lastdier, fig. een scheldwoord waarmede men een grof, lomp vrouwspersoon aanduidt, die alleen tot zwaren arbeid geschikt is. – In Noord-Holland begint het woord te verouderen; v. Dale: bakbeest = log, lomp gevaarte; v. Lennep bakbeest = bijnaam, dien men aan zware ankers geeft. Bij Bredero (Moortje) komt voor: “Dat groote back-beest, dat verlaan was met ses hondert Spaenjaerden, was terstont vervoert en gheplondert, Gepluystert en geplockt van gelt en kostlijckheen, enz.
bakemmer, bakemmer, emmer die bij het drenken van het vee wordt gebruikt. Vergelijking: ’n bek as ’n bakemmer hebben = een wijden mond hebben. Het woord wordt ook gebruikt voor: een emmer om daarmede water uit den regenbak op te halen.
baker, baakster, baker (Auwen).
bakgoed, bakgoud, schakels lijm. Zie: bakken 1.
bakje, baktje, bakje, (Stad-Groningsch), voor: rijtuigje; ’n open bakje = rijtuig zonder kap, pleizierrijtuig in den zomer, bv. een landauer.
bakjegooien, bakjegooien, (Westerkwartier); een jongensspel, waarbij een baksteen wordt opgezet en een kleinere steen daarop gelegd, dien men, op een bepaalden afstand staande, er af moet zien te werpen, zonder dat de bak, de baksteen, omvalt. Vgl. boerbakjen.
bakjongen, bakjōng, bakjongen, in geschrifte bakjōngen (Stad-Groningsch), jongen die het paard ment dat den bakwagen (zie aldaar) trekt. Vgl. jōng.
bakkelen, bakkêln, heen en weer bewegen van zeilen, vlaggen, opgehangen linnengoed, enz., eene zwakkere beweging dan: wapperen; ganzen en eenden bakkêln = slaan met de vleugels op het water; zoo ook bakkêln kippen in het mulle zand, in turfmolm, enz. Vgl. Zuid-Nederlandsch bakeln = bakeren in de zon. Oostfriesch bakkern = slaan, stooten, zich met geruisch heen en weer bewegen, klapperen, bv. van luiken: wat bakkerd dâr so? – dat deit de wind. (Weil: “In Groningerland gebruikt men een woord wakkelen, in den zin van bewogen worden.” Dit behoort wellicht bakkeln te zijn.) Vgl. waggen, en: flōttern.
bakkelen, bakkeln, talmen, treuzelen, ’t van den eenen tot den anderen tijd uitstellen; trouen ze nijt? dat bakkelt al om; wat zel dat gebakkel beduden!
bakken, inbakken, ienbakken, ʼt baktʼr in = het vriest streng, zooveel als: eene dikke laag ijs wordt in ʼt water gebakken. Vgl. bij v. Dale: bakken, en: koek.
bakken, bakken, voor: afwinnen; “dij ken ’t hōm bakken” = dat paard loopt harder. (Gron. Volksalm. 1838, 88.)
bakken, bakken, voor: bakkersbedrijf; bie ’t bakken wezen = ’t bakken leeren = dat ambacht leeren; fig.: hij zel dat wel bakken = wel klaar spelen, door slim overleg wel in orde brengen; mōst (of: mōzze) mie dat nijt weer bakken = dat moogt gij niet weer doen, en ook: zulk eene kool moogt (of: moet) gij mij niet weer stoven.
bakken, bakken, kleven, hechten; de snei wil nijt bakken, zeggen de knapen als zij er geene ballen van kunnen maken, en voor hen een bewijs dat het nog vriest; zij bakt = zij kleeft van smerigheid, als men haar aanraakt. Middel-Nederlandsch backen = vastkleven, vooral van kleederen aan wonden. (Verdam art. backen 2.) Oostfriesch, Westfaalsch bakken = kleven. (Het werkwoord bakken wordt in alle beteekenissen zwak vervoegd.)
in: loat ze bakken! = laat ze loopen, ga (of: doe) niet mee. Vgl. bakkeln 1.
klappen, slaan; elkander in de handen bakken = in de handen slaan, bij den veehandel in gebruik. Zie: handjebakken.
bakkenbrugge, bakkênbrug, bak’nbrug, zie: bak 1.
bakker, bakker, Vooral de boeren noemen bakkers, kuipers, smeden, schippers en kooplieden (waaronder ook de kruideniers en manufacturiers) bij dien naam, en spreken ook de vrouwen er van aan met: bakkerske, koeperske, smitske, schipperske en koopmanske. Toch slijt ook dit reeds meer af.
bakker-an, bakkeran, (met den klemtoon op: an), in: hij ’s bakkeran = hij is door de politie betrapt en moet boete betalen. Ook = de beest geworden, in ’t kaartspel. Zooveel als: bak-er-an, en dus zooveel als: hij is er aan gebakt, zit er aan vast = zit ’r an, ondervindt de gevolgen zijner handeling. Ook elders in ons land, zie Laurillard, Bijbel en Volkstaal bl. 34. Friesch: Hij is bakker-oan (geverbaliseerd). Zie: bakken 1.
bakkerig, bakkêrg, kleverig. Zie: baks en ook: bakken 1.
bakkerse, bakkerske, zie: bakker, en: meesterske.
bakkersmeid, bakkersmaid, meid van een’ bakker die op gezette dagen ook wittebrood en beschuiten bij de huizen moet venten, dat is ’t körfloopen doun mout; as ’t ’r ’n bakkersmaid komt mout ie veur ’n dubbeltje tweibakken koopen; hier komen bie ons in de week wel vief bakkersmaiden. Zie: stoet.
bakkersoven, bakkersoven, in de zegswijs: dat gapt as ’n bakkersoven = dat verschil is te groot, dat zou hoogst onbillijk zijn; “En veur zien dood zuk weg te geven, Eer men noa berre gait te sloapen Zōk oet te klijden!’t Zol ja goapen Geliek en bakkersoven!” Zie ook: oetklijden.
bakkersteek, bakkerstieken, (Stad-Groningsch) = kakkerlak. Aldus omdat zij menigvuldig in bakkerijen voorkomen. (Dit insect zal hetzelfde zijn als: ijmerke (zie aldaar), ofschoon bij v. Dale kakkerlak, en: heimpje twee afzonderlijk artikels zijn.)
bakkersturf, bakkerstörf, de gemeenste soort van lange törf of steekturf, fabrieksturf. Aldus omdat zij door bakkers, bierbrouwers, enz. gebruikt worden. Zie ook: mal.
bakkes, bakkes, voor: aars, achterste.
bakpan, bakpannen, soort van dakpannen, ter onderscheiding van: smoorpannen.
bakpannen, bakpannen, (werkwoord), voor: praten, babbelen, kletsen; wij zaten daar lang te bakpannen (Grijpskerk) Bij Auwen = dralen, lang uitblijven.
baks, baks, baksk, kleverig. Kleeft eenig voorwerp (of eenige stof) aan een ander, met name aan de handen, dan noemt men dit baks; indien de deelen onderling, in plaats van los samen te hangen sterk aan elkander kleven, dan spreekt men van klijms. Zoo is niet droog vernis, slechte verfolie, enz. baks, een gebak dat niet goed uitgerezen of niet gaar is, klijms. Evenwel zegt men evengoed: baks brood, als: klijms brood. – baks, van: bakken 1; klijms, van kleimen, uit den frequentatief vorm van: kleven, samengetrokken, met achtervoeging der adverbiale s. Holsteinsch bakkig = aanklevend, van iets waarvan men niet los kan worden. Zie ook: pikkêrg.
bakseieren, bakseiern, (Stad-Groningsch) = kwâjongensstreken uithalen (Reinkingh).
baksel, baksel, Spreekwoord: Alle baksels en brousels besloagen nijt gelieke goud = niet elke onderneming valt naar wensch uit. Zeeland Alle bakken en brouwten zijn niet eender; Friesch: Alle bakten en brouten bislaen net allike goed (van huwelijken, enz. gezegd). Nedersaksisch Bakken en brouen misradet wol ins; Holsteinsch All bakken en broen geraad niks; Osnabrück Figgen un back geräth nich jummer; Keulen Bakken un bräue geriht nit alle zicks.
bakstaf, bakstaf, op iets worden, zooveel als: iets zat wezen, met tegenzin gebruiken of verrichten, omdat men er meer dan genoeg van heeft, ook in fig. zin; hij is bakstaf op het eten van de eene of andere spijs, omdat het oude, dus vervelende kost is geworden, of omdat men er vroeger overmatig van genoten heeft, en zij daarom tegenstaat. Zoo ook ten opzichte van de eene of andere bezigheid die geene afwisseling genoeg aanbiedt. Drentsch bakstallig = balsturig; Oostfriesch bakkstaff = met tegenzin tegen eene spijs vervuld. – Van: bakken = wangen, nog in: kinnebakken, en dus eigenlijk: stijfheid van de onderkaak door het vele kauwen. Vgl. staf 1, en: verstrengen.
bakstallig, bakstallig, tegenstrevend, zich verzettend; de jōng wordt ’r bakstallig tegen; ook Drentsch Vgl. bakstaf.
baksteen, bakstijn, klinker, stof- en voorwerpsnaam (Weil., v. Dale: baksteen = gebakken steen.) Men onderscheidt hier: boeregrauwe, grauwe, gare, en klinker baksteen, benevens bruinroode en mooikleurige baksteen. – Heeft het ’s nachts sterk gevroren, dan men daarvoor de dikte van een bakstijn tot maatstaf: ’t het ’n bakstijn dik vroren. Begint men in den voorwinter reeds hard te stoken, dan zegt de huisvrouw: dat huift zóó nijt, ’t vrust nog gijn bakstijn. Ook zegt zij het, wanneer men haar eene dikke kool in de stoof geeft. (Bij niet felle vorst is de dikte van een ester (zie aldaar) de maat.)
bakvat, bakvat, zie: halfmudvat. Drentsch schatvat.
bakwagen, bakwoagen, in geschrifte: bakwagen, in de stad Groningen wagen voor het vervoeren van turf, die een bak turf = 30 HL. bevat, en waarvan er elf op een vuur (turf) gaan. Daar wordt de turf altijd bij de bak verkocht. – Zal zijn: wagen met eene soort van bak.
bal, bal, in de zegswijs: ’t mōg ’n ol bal (Hoogeland) = er is niets van aan, ’t is glad mis, dat mocht wat! Middel-Nederlandsch bal, als een voorwerp van weinig waarde, eene nietigheid die men wegschopt. – niet een bal = geen bal, en bij uitbreiding = geen zier. (Verdam.) Vgl. het Friesche: for in houten balstien! (= keisteen) = voor den drommel!
(van de hand) = handpalm; zoo ook: bal van de vout = voetholte; ook Friesch. Afzonderlijk wordt het woord in deze beteekenis niet gebruikt. Kil. bal van de hand, metacarpium; bal des voets = voetzool, het onderste van den voet.
ballen, de zaadknoppen van de aardappelplant. Aldus naar hun vorm. (De knapen steken ze wel aan de punt van een’ wilgen tak om ze dan voort te zwiepen.)
ol bal, in: dat mōg ʼn ol bal! of: dat mōg ʼn ol veter! = dat mocht wat! dat lijkt er niet naar! enz.; dat is ver mis, gij vergist u deerlijk.
bal, bal, in: ’t is bal = de poppen zijn aan den dans, daar is de boel in de war; doar is ’t bal = in dat huisgezin is men boos, daar wordt berisping of straf uitgedeeld, daar is men hevig aan het twisten. Oud-Friesch bael, bal = kwaad, boos (nog in ’t Nederlandsche baldadig, baloorig, enz.)
balans, belans, balans; iemand of iets in belans hol’n = zorgen dat het niet erger wordt met zijn gedrag, bewerken dat het binnen de palen blijft; dat iets zijn gewonen, goeden gang gaat; in belans blieven = zóó, dat men niet noemenswaardig wint of verliest, ook wat de gezondheid, enz. betreft.
bald, bold hier, bold doar, balhier - baldoar, nu hier, dan daar, van iemand die veel reist en trekt of dikwijls van woonplaats verandert. Kil. bald (Germ. Sicamb.) = rasch, snel, Oostfriesch bold, Hoogduitsch bald. Van personen die geen vaste woonplaats hebben zegt men: zij bin balhier, baldoar. Staat voor: bald hier, bald daar. Zie: bold.
balderboks, balderbōksen, balderbōksem, bōlderbōksen, bolderbōksem, bij Weil. bulderbas, een mensch die schielijk raast en vloekt; v. Dale bulderaar, bulderbast = die raast en tiert, schreeuwer; Oostfriesch ballerbükks, die veel praat, tegenspreker, dwarsdrijver; ook = klapbus; Mecklenburgsch ballerbükks, ballerbüss = klapbus; Holsteinsch bullerbrook, polterhans; Deensch bulderbasse = onstuimig, driftig mensch; Zweedsch bullerbas = woestaard. – Saterlandsch balle = spreken; Hooft bolderen = bulderen. In ons woord ligt nog de beteekenis, dat zoo iemand het niet zoo kwaad meent als hij zich uitdrukt.
balderen, baldêrn, bōldern, met vloed van woorden en forsche stem, menigmaal daarbij vloekende en tierende, iemand bestraffen. (v. Dale: bulderen fig. razen, tieren, vloeken); de kerel baldert; de wind bōldert. Hooft afbalderen = losbranden van het geschut; Nedersaksisch, Holsteinsch ballern = klappen met de zweep; Westfaalsch ballern = bulderen van den storm; Noordfriesch bullern = donderen; Deensch baldre = gedruisch, leven, rumoer maken. (v. Dale: balderen = leven -, getier -, geraas maken, bulderen.)
balein, belien, bêrlien, balein; zoowel voorwerps- als stofnaam.
baleinen, belienen, bêrlienen, van balein; stoffelijk bijvoeglijk naamwoord Zie: belien.
balie, boalie, (= gerecht); hij mout veur de boalie = hij moet zich verantwoorden; “Dij wat op reken har, âin of ander poedel hollen har, dij kon verwachten, as hij doar (in de herberg) kwam, dat ’e veur de boalie mös, en hai mög hoog springen of leeg, ien regel om roak wat van toart kreeg.”
balie, boalie, boalje, in de Ommelanden = wasketōbbe = waskeboalie. Beide benamingen worden daar dikwijls verwisseld; bie de boalie stoan = aan ’t wasschen zijn. In ’t Oldampt is: boalie eene soort van ondiepe tobbe, waarin melk te roomen wordt gezet, ook: melkboalie. Weil. balie = scheepstobbe, eene kuip, doorgezaagde ton; v. Dale balie = tobbe, scheepstobbe; Oostfriesch balje, bâlje = ondiep vaatwerk; Nedersaksisch balje, eene badkuip, kuip, tobbetje, de helft eener doorgezaagde ton; Holsteinsch balje = kuip, tobbe, en: tobbe = balje zonder handvatsel; Engelsch pail = emmer; tub = balie; Noordfriesch, Deensch balje, Zweedsch balja = waschvat, tobbe; ook: ondiep melkvat ter onderscheiding van: tiene, een dieper melkvat. – boalie, meervoud boalies, boaljes; bij v. Dale: baliën.
baljaren, baljoaren, baljooren, leven maken, schreeuwen, vloeken, tieren, twisten. Zaansch baljaren = schreeuwen, meestal: schreeuwen en baljaren. Zie: baloor.
balk, balk, in: ’n kou an de balk hebben = eene koe geslacht, aan den haak hebben. Bij de boeren worden geslachte koeien, ossen of stieren aan een balk van den zolder der achterdeel opgehangen. Zegswijs: ik wil om de keur nijt van de balk ofvallen, of: ik wil om de keur nijt van dikke balk ofvallen, als men tusschen voorwerpen moet kiezen die vrijwel gelijk zijn of dezelfde waarde hebben; Oostfriesch: ik wil um de kȫr nêt fan de böne (zolder) fallen. Staat voor: koubalk, of: peerstalbalk; zie aldaar. Geldersch balk = zolder. Zie ook: balkeduuster.
vonder, van waar de naam Kuzemerbalk, voor een gehucht bij Grootegast, waar een vonder over het Wolddiep ligt.
golden balken, in: dat hoes het golden balken, zooveel als bij Harreb.: Hij heeft zilveren balken in zijn huis = het is met hypotheek bezwaard. Zuid-Limburg Dat hoes sjeet op papiere zoale (zuilen). Zie: golden.
Is het ijs sterk en volkomen vertrouwd dan zegt men: d’r liggen (of: leggen) balken onder, Friesch Der komme balken onder ’t iis. ’t Heet dat de Joden niet eerder op het ijs gaan of d’r mouten balken onder liggen. In Holstein zegt de Jood: Mozes heeft er geene balken onder gelegd, – en hij gaat niet op het ijs der Elbe. Het Woordenb. (1800) voegt er bij: thans echter meer dan voorheen. – Dit is zeker ook in deze provincie van toepassing, ofschoon ’t olle volk zich ook hier niet aan waaghalzerij schuldig maakt. Vgl. lijgen.
balkenduister, balkeduuster, stikdonker, zóó dat men geen hand voor oogen kan zien. Oostfriesch balkedüster, Westfaalsch balkendüster = zoo duister als op een’ ouderwetschen korenzolder, in verschillende streken balke genoemd. Drentsch, Nedersaksisch balken = schuurzolder. Zie: koubalk, en vgl. balkhoas.
balkhaas, balkhoas, voor: kat, omdat zij gaarne op den zolder haar verblijf houdt. Drentsch balkenhaose, Overijselsch balkhêske, Westfaalsch, Oostfriesch balkhâse. Vgl. balkeduuster.
ballast, ballast, een kind dat ongezeglijk, lastig, bijzonder woelig is: ’t is ’n rechte ballast, zoo’n jōng. Ook = allerlei tuig: wat legt ’r weer ’n ballast op stroat; ie mouten dat ballast wat oprumen. Vgl. ombalgen. (Eigenlijk een pleonasme, daar bal = kwaad, is); Zie ook: gast.
ballastig, ballastîg, lastig, van kinderen. Zie: ballast.
ballengooien, ballengooien, een wedstrijd in het werpen van ballen op het ijs; ook wel op graslanden als de aardkorst bevroren is. Gewoonlijk vereenigen zich verscheidene personen tot twee partijen; de verliezers moeten het gelag, niet zelden bestaande in eenige kannen hijtbijr (zie aldaar), betalen. (Het schijnt dat dit ballenspel geheel in onbruik raakt, wellicht door het meer en meer verdwijnen van waterplassen en flakten (zie aldaar)
balletje, baljes, ballechies, balletjes, in: soep mit baljes (Oldampt) = soep mit ballechies (Ommelanden Goorecht)
baloor, baloor, baloar, baloorn, baldoar, (klemtoon op: bal, bij baldoar op: doar) in: ’t is ’n baloor van ’n jōng = het is een ongezeglijke, weerspannige knaap, een baloorige jongen. Voor grooteren heet het: bungel, dwarsbungel (Zie ook: baljoaren). Van ’t oude bal = kwaad, boos, en: oor waarvan: baloorig. Vgl. dōdoor, mietoor, alsmede het Nederlandsche wijsneus, goedhals, stijfkop, enz.
balsem-peru, balsemperie, Perubalsem. Eigenlijk verstaat men onder dien naam de knoppen der vrucht van dit balsemhout, die op boomolie worden gezet.
balsturig, balsturîg, baloorig; ook Stadsfriesch, Drentsch balsturig = woest, onstuimig, Holsteinsch = bandeloos. (v. Dale: balsturig = koppig, weerspannig, halsstarrig, hardnekkig.)
balvlees, balvlijs, balvlais, (balvleesch); het dikke van een stuk vleesch, ter onderscheiding van ’t geen om de ribben zit.
balvlint, balvlinten, balvlenten, zie: vlint.
bamboes, bamboes, forsch, zwaar behaard, woest uitziend persoon die daarbij ruw is in zijne uitdrukkingen; ’t is ’n bamboes van ’n kerel; ’t is ’n rechte bamboes. Bij ten Doornk.: wambuse = een wild, woest mensch; boeze, hetzelfde als in: roezeboezen, enz. met wan (wam, hier Groningsch bam) versterkt.
band, band, bindstroo, dat is roggestroo waarmede veldvruchten tot schooven worden gebonden. Spreekwoord: ’t Ken beter van de schoof as van de band = die het meeste heeft kan ook het best betalen; ook Drentsch en Friesch.
bandig, bandîg, druk, zóó dat er geen ledig oogenblik overblijft; bandig wark, zooveel als: werk waaraan men de handen vol heeft, en ziet zoowel op gemakkelijke als op moeilijke bezigheden, bv. eene moeder met kleine kinderen heeft het bandîg; ’t is zoo’n bandîg goudje (die kinderen) = zij binden de handen, nemen u geheel in beslag. Kil. bandigh = aan banden gelegd.
bandijzen, bandiezen, pandiezen, razen, tieren, vloeken, schelden; gewoonlijk de tautologie: vluiken en bandiezen bv.: dei bamboes van ’n kerel dut niks as vluiken en bandiezen. – Kil. (noot): niemandt en sal op de wacht moghen vloecken, bannen ofte sweeren; baanen = vloecken ende schenden. Drentsch plandiezen = de beest spelen; Zweedsch banna = iemand schelden; Deensch bande = vloeken, zweren; Noordfriesch bannje = vloeken.
bandrekel, bandrekel, bandrepel, met de verbastering bandrepel; scheldwoord voor: onverschillige, luie, kwaadwillige, bandelooze knaap. Eigenlijk = kettinghond. v. Dale: bandrekel = kettinghond, en fig. = luiaard. Wij zeggen hier ook: legst (of: ligst) doar as ’n bandrekel. Kil. bandhond = herdershond. Oostfriesch bankräkel, bankrekel (= kettinghond, en: luiaard). Vergeleken met het Oostfriesch hebben wij hier eene wisseling der d (of: t) en k, als bv. in klak, en: klad, smik en smet, enz.
bandvoet, bandevout, in: op eigen bandevout. (Auwen) = op ijgen man en vout = op eigen houtje, zonder daartoe gerechtigd of gemachtigd te zijn. Zie: man.
bang, bang, beschroomd, schroomvallig, tegengestelde van: driest, dōmdriest; hij ’s zoo bang as ’t hōndje = hij durft in het minst geen tegenstand bieden, men brengt hem spoedig in verlegenheid; bang in ’t loopen wezen = vreesachtig zijn om bij avond alleen te gaan, vooral buiten het dorp; ’k bin d’r bang veur = ik vrees er voor, bv. dat iets niet lukken zal, en ook = ik betwijfel het; ’k bin bange van nijt (’k ben bang van niet), is het antwoord op eene vraag, wanneer men aan eene gunstige verwachting of afloop twijfelt. (Vgl. het Fransche: il a peur d’avoir peur, en: il a peur d’avoir en peur.) Zegswijs: hij ’s bang dat ’e bang wor’n zel = ’t is ’n bange schietert = ’t is een groote durfniet, hij vreest voor elk denkbeeldig gevaar. Limburg bangeschiët = bange schietert; bin ’k bang, vrees ik; ’t mooie weer zel nijt lank duren, bin ’k bang; “dei tramwaai brengt hier nog ’n hijlbult lewaai, bin ’k bang.” Staat voor: daarvoor ben ik bang, en steeds aan het eind van den zin.
bangboks, banbōksêm, bangbōksêm, (Hoogeland), in: hij het de banbōksem an = hij is bevreesd voor iets, hij is door vrees overvallen. Staat voor: bangbōksêm, letterlijk: bangbroek. Vgl. narbōksen, flōdderbōksen, enz.
bangighied, bangîghaid, bangheid, vreesachtigheid; ook West-Vlaamsch bangigheid.
bangmakerij, bangmoakerei, vreesaanjaging; da’s niks as bangmoakerei = die bedreigingen zijn niet ernstig gemeend.
bangschijter, bange schietert, bangschieter, (bange schijter) = bangschieter = iemand die niets durft wagen. Schimpnaam tegen een durfniet. Zie: bang en: schieten.
bangte, bangte, (Goorecht) = bangheid.
banjeren, bantjen, bantjern, banjern, in: ’t bantjet ’r om = ’t zel d’r om bantjen = ’t slingert ’r om = ’t lopt ’r om = ’t dingt ’r om = ’t is zóó of zóó = het scheelt maar heel weinig, als het een’ tijd betreft; ’t bantjede d’r om of hij was vallen; ’t bantjede d’r om of hij har de pries wōnnen, enz. Er kan hier gedacht worden aan een band (of koord), die, als een slinger in beweging gebracht, zich ovaalsgewijze beweegt om één punt. Drentsch banjern, beiern = slingeren.
bank, bank, donkere lucht aan den horizon, boven door eene rechte lijn begrensd, eene wolkenbank, die hier dikwijls des avonds wordt waargenomen en als voorteeken van regen beschouwd; in ’t westen zit ’n bank. Ook in Noord-Holland waar het begint te verouderen. Zuid-Nederlandsch bank op de kimme = lange, platte wolk ook balke genoemd. – Aan den noordelijken horizon was eene balk of wolkenlaag zichtbaar, die echter niet scherp begrensd was.” (Gron. Cour. 1870) Zie ook: banket.
deur de bank = deur de bank weg = deurbanks, en nog erger verbasterd deur de ban = doorgaans, gewoonlijk, in den regel; deur de bank bin ik zōnd; deur de bank verlust hij; deur de bank komt ’r moar ’n beetje volk in de kerk; deur de bank bin ik vroug wakker. Drentsch deurbanks, Noord-Brabant deur de baank; bij van Effen: – dat ik door de bank Zaterdags ’s middags en Zondags met sommige hupsche kameraads mij wat verdiverteer. (Weil.: door de bank = zonder onderscheid, het eene zoowel als het andere, goed en kwaad door elkander; iets door de bank verkoopen; v. Dale: door de bank (beter: door den band) = het een door het ander gerekend, gemiddeld.) “De uitdrukking door de bank (dore die banke) is ontleend aan de zetting, dat is den door de overheid vastgestelden prijs van brood of vleesch en beteekent oorspronkelijk: naar de verordening (door de bank) der schepenen. De tegenwoordige beteekenis van: door de bank is: in den regel, gemiddeld, gewoonlijk.” (G.v. Willigen, in School en Studie 1885 no 12.) Synoniem met: deurntied; zie aldaar.
banket, banket, (Oldampt zonder meervoud en met den klemtoon op: ket) = bank; de verhooging aan de kanten op den bodem van een kanaal, omdat het daar niet zoo diep is uitgegraven ten einde het inglijden te beletten. Vgl. v. Dale art. banket.
banketletter, banketletter, eene letter van letterbanket; ik kreeg om Sunderkloas ’n hijle banketletter.
bankje, banktje, zie: muntje.
barg, barg, gesneden mannetjesvarken; Drentsch borg, Overijselsch barg, birg, borg; Friesch baerch = varken; Kil. barg = gesneden varken, Nedersaksisch borg, Middel-Hoogduitsch barc, Angel-Saksisch bearg, Oud-Friesch barch. – Ook voor: big van het manlijk geslacht, ter onderscheiding van: mōt of: mōtte (v. Dale: barg = gesneden mannetjesvarken.)
barge, berzie, barzie, eene jaagschuit, vooral voor personenvervoer ingericht, grooter, netter en geriefelijker dan de ouderwetsche snik (schuit), en sedert een dertigtal jaren in deze provincie ingevoerd. Oostfriesch barse, Nederduits barse, basse. (v. Dale: bargie = trekschuit.)
bark, bark, run, gemalen eikenbast, Zweedsch barkmjöl, Hoogduitsch Baumrinden mehl; Drentsch bark = eikenbast; Osnabrück, Deensch, Zweedsch bark = boomschors; Kil. berck, barck, borck. Niet gemalen eikenschors heet hier steeds; ijkenbast. – Bij Groningen, aan het Reitdiep staat de barkmeul’n; die stee dient nog steeds tot plaatsaanduiding. Oostfriesch barkmölen, Deensch barkmölle, Hoogduitsch Lohmühle, Friesch eekmolen. West-Vlaamsch bark, bork, het kurkachtige buitendeel van de boomschors dat dikwijls met eene gebarsten en verdorde korst overdekt is. Volgens Ten Kate is het woord verouderd.
barkmolen, barkmeul’n, zie: bark.
barkoender, barkoenders, in den houthandel, soort van gezaagd hout. Men annonceert o.a.: “eiken noordsche barkoenders.” Wellicht uit het Noorsch.
barm, barmkes, bermkes, eene zeer kleine soort van zangvogel, die vooral in ’t laatst van Maart en in ’t begin van April wordt gevangen. (v. Dale: steenbarm, zeker vogeltje.)
Barman, Barman, familienaam. Oudduitsch bar = man, dus pleonasme.
barmhartig, barmhartîg, voor: jammerlijk, in: hij begunde zoo barmhartîg te reeren = hij begon zoo jammerlijk te schreien. (’t Woord heeft hier de beteekenis van versterkend bijwoord)
Barnegaten, Barnigoaten, in geschrifte Barnigaten, buurtschap aan het Reitdiep onder de gemeente Leens. Eigenlijk: Barnjegat = dijkgat = gat of opening in den dijk, verbasterd van baierm, barm, berm = dijk, nog over in: barmsloot, of: bermsloot = dijksloot. Achter Godlinze wordt een weg, die van den overouden dijk noordwaarts naar de Kwelderlanden loopt, Barnjeweg = dijkweg, of dijksterweg geheeten. (Dr. R. Westerhoff, Kwelderkwestie, Aanteekeningen p. 20.).
Barnflair, Barnvlair, (reeds in de 16e eeuw als Barnvledder voorkomende, was oorspronkelijk de naam van eene streek lands, thans officieel, van een gehucht bij ter Apel. Vgl. Barnigoaten, en Barnwerd bij Oldehove, alsmede De Barn, en Barneveld (beide Geldersch, benevens Barndegat (Noord-Holland)
baron, beron, baron. Zie ook: bram.
barrebiesjes, barbiesies, in de schertsende verwensching: loop noa de barbiesies! = loop naar de maan! enz. Staat voor: Berbice, eene der West-Indische eilanden.
barries, barries, bōrries, gewoonlijk met: dikke, voorop = dikke, stevige knaap, een dikkerd. Nedersaksisch dikke borjes = een kort, dik mensch. Vgl. Barman; bōrries wordt, volgens Swaagm., door sommigen van den duivel gebruikt.
barst, bōrst, barst, spleet, scheur, in den vinger, de lip, enz. Kil. berst, borst = breuk, wat gebroken is.
barst, barst, in: mit ’n barst wat doen = in grooten haast iets verrichten; “ien ’n barst vōtvlaigen”= zich plotseling en snel verwijderen. Zie onder art. kōrrewoagen.
barstend, barstend, in: ’t barstende drok hebben = ’t geweldig druk hebben. Drentsch barstend laote = heel laat. Vgl. barst.
bast, bast, voor: rug, lijf, lichaam; iemand wat op zien bast geven = hem een pak slaag geven. Zie ook: schin.
baster, basterd, boesterd, = koelboesterd (Duurswold) = stuiter van albaster; ook Westfaalsch Zie: euliebasterd.
bastje, bastje, kort, gedrongen kereltje.
bat, bat, batte, (meervoud batten, en: battens) = smal, horizontaal, vast bruggetje zonder leuning over eene wiek (zie aldaar) voor voetgangers en rijtuigen, in de Veenkoloniën. Is zij draaibaar dan heet zij draibat, in geschrifte draaibat. – Eene andere soort zijn lösse batten, welke de landbouwers over slooten leggen ten einde een’ omweg te vermijden om met paard en wagen op het land te komen; tilbat = batterei (Westerkwartier) = een van leuningen voorziene brug over een tocht (afwateringskanaaltje), of over een moar (vaart); koubat (Weil. koebrug) = bruggetje waarover koeien, enz. in een schip (kouschip) worden geleid, en die ook dienst kan doen voor schaatsenrijders om van den wal op het ijs te komen; in dat geval zijn er latjes dwars overheen gespijkerd. Oostfriesch batte; battens, zekere stukken hout. In advertenties worden zij gewoonlijk in een’ adem genoemd met ellens, kolders en juffers.
batje kleine of smalle soort van zoldering om er iets op te kunnen zetten.
batje, batje, een bram (zie aldaar), een sinjeur.
Batjeverlaat, Batjeverloat, eene sluis in Veendam. Zie: verloat.
bats, bastje, bassien, (Stad-Groningsch) = bil van een geslacht dier, boutje Zuid-Limburg bats = runderbil.
bats, bats, batsk, zwierig, in ’t oog vallend rijk gekleed; ’n batse maid (of vrou) = een meisje dat het er op schijnt gezet te hebben om uit te blinken, en zoo hecht zich aan het woord licht de beteekenis van: trotsch, stout, zooals bij Camphuysen voorkomt; v. Dale batsch = trotsch, trotschelijk, overmoedig; Drentsch bats, Overijselsch batsch = trotsch, hoogmoedig, bij Hooft = trotsch, spijtig; norsch, hevig; weerbarstig, hardnekkig; Kil. batsch = loos; Weil. (1826) zegt dat het begint te verouderen; Zuid-Nederlandsch batsch = stuursch (’t Fransche brusque); West-Vlaamsch betsch = batsch = trotsch, enz. Oostfriesch battsk = ijdel, pronkzuchtig, eigenlijk = trotsch, hoogmoedig; Hoogduitsch batzig = hoegmoedig, onbeschaamd. De algemeene beteekenis van het woord zal zijn: zucht om zich boven anderen te verheffen, waaruit allicht ontstond: het laag op anderen neerzien. – Moet tot den stam: bat (goed) gebracht worden. (Bij Swaagm.: bats, aanmatigend, enz., van het oude batten = stooten; een batsch mensch, eigenlijk een mensch bereid tot stooten, om anderen te beleedigen.)
batterij, batterei, een toestel van planken, voor schaatsenrijders om van den wal op het ijs te komen en omgekeerd, meestal van ééne leuning voorzien. Vgl. bat, dat eene kleine batterei kan genoemd worden.
batterij, batterei, (batterij), in: iets op batterei brengen = op ’t tapijt, te berde, ter tafel brengen; “dei blied was dat er vort wat nâis op batterij komen kon”; zóó is ’t proatje op batterei komen = zoo is het praatje in de wereld gekomen; iets op batterei kriegen = voor den dag halen, bv. om het te laten zien, ook: om er van te gebruiken; op batterei komen van iemand = voor ’t licht, voor den dag komen, optreden. Ook: in een gezelschap het onderwerp van ’t gesprek worden. Minder algemeen zegt men in ’t laatste geval: op ’t alliement komen; verandern van batterei = veranderen van plan, van gevoelen, van beroep, gezindte, enz.
batterijgracht, battereisgrafte, de gracht rondom de batterij (geschutwal) aan den Ganzedijk (gemeente Finsterwold), daar in den Franschen tijd aangelegd.
bauke, bauke, in: zij ’s bauke van de hut = zij is de baas geworden, heeft het gewonnen, zij kan nu zeggen: hier ben ik!
bazen, boazen, bazen, (Marne) = ijlen; bij Steenwinkel: bazen = ijlen, onzinnig of dol zijn. (v. Dale: bazelen = ijlen, razen, onsamenhangende taal spreken. (Bij Swaagm. = delirare, errare; vgl. Wassenb. i.v. Kil. baesen sax. Fris. delirare, errare, oberrare, vagari. Hiervan ons: verbazen, en: verbaasd.)
bazerij, bazerij, ijlhoofdigheid (Auwen). Vgl. boazen.
bazig, boazig, voor: machtig; dat ken ik nijt boazig wor’n, eigenlijk zooveel als: daar kan ik geen baas of meester over worden.
bazin, boazinne, vrouw die er wezen durft, die de broek aanheeft. Zie: boasachtig.
be, be, (tusschenwerpsel), met diepe stem en gerekt uitgesproken; met den klank als in: de. Holsteinsch boe. Zie: piepen 2.
, , (met den klank als in: bel, maar lang gerekt), nabootsing van het geblaat van schapen, dus tusschenwerpsel – Vgl. voor het blaten van lammeren.
be-, bie, als voorvoegsel = be. Op het Hoogeland hoort men van oude menschen: biegroaven (begraven), bieveuren (te voren), bietoalen (betalen), biedenken, biegrooten, biedoeren, biegunnen (beginnen), biehépt, bietuun, enz. “Wie zollen, mijn ik, nou bieproaten, Hou dat heur hauwlik dijnt beschreven te worden.” (Mr. Reynders.) Vgl. bie 1.
be-, be, voorvoegsel met frequentatieve kracht; wat beloop, bearbai, beschrief, enz. ie doch! = wat beoogt gij toch met al uw heen en weer loopen (in huis); met uw werken (kleinigheden betreffende); met al al dat schrijven, enz.; Weglating van dit voorvoegsel in: bouen, bauen (bouwen) = bebouwen; hoagen = behagen, naar den zin zijn; gijten (gieten) = begieten, van bloemen, enz.; heuren (hooren, ook bij v. Dale) = behooren, toekomen; noodig zijn; passen; huiden (hoeden) = behoeden; kappen = bekappen, van boomen; klimmen = beklimmen, van den hengst; misten, missen = bemesten; rijden = bereiden, van linnen, enz.; spiekern = bespijkeren, bv. met latten; flouêrn = bevloeren; bloard = beblaard, van bladeren voorzien; hollen (houden) = behouden; roadsloagen = beraadslagen; huiven = behoeven; seffeloos = beseffeloos, enz. Het Nederlandsch heeft o.a. dijen, bedijen; loonen, beloonen; merkbaar, bemerkbaar; minnen, beminnen; minnaar, beminnaar; naasten, benaasten; ruiken, beruiken, enz. Bij Kil. hoeven (ook bij v. Dale), behoeven; gheeren, begheeren; gheerig, begheerig; lofte, belofte, enz. Vgl. ge.
bebliksemd, bebliksêmd, beduiveld. Zie aldaar v. Dale.; bist bebliksemd? = zijt gij bezeten? enz.
beboekweiten, beboekweiten, ook: boekweiten (in geschrifte) = met boekweit bezaaien. In annonces leest men bv.: “De eigenaar van den grond wil voorts zich het recht toegekend zien om den grond te beboekweiten.” Te verhuren: “Min of meer 50 B. veld om te boekweiten.”
bebrommen, bebrōmmen, berispen, beknorren.
bebruiken, bebroeken, bebruken, bebroekt, bebruukt (verleden deelwoord van: bebroeken, bebruken, gewoonlijk alleen: broeken, bruken = gebruiken), zooveel als: gebruikt; dat ding is nog al wat bebroekt = dat voorwerp heeft nogal dienst gedaan, ’t is aan dat werktuig of meubel wel te zien. Vgl. belukken, en: gelukken; bedijen, en: gedijen, enz.
bed, ber, berre, bed; in ’t warm ber liggen = in de kraam zijn; Friesch: Hja leit yn ’t waerm bêd; eerappels (enz.) onder ’t ber hebben = de aardappelen (en ook anderen wintervoorraad) in de ruimte onder eene bedstede bewaren. Spreekwoord: Doar gait ’t hen, zee schietopber, alle nachten geliek, spottend van eene vertooning enz. gezegd die vervelend wordt, bv. ook, wanneer met gewone boerenpaarden eene harddraverij wordt gehouden. (Wegens wisseling der d (of: t) en r vergelijken: har = had; klar = klad; moaren = maden; pōr = pad; schar = schadde = schaduw; kirrêln = kittelen; veurmirrîg; van mirrîg (Hoogeland) = veurmiddêg; van middêg = voormiddag, enz.) – Ook = tuinbed. Westfaalsch berre, Ditmarssum berr = bed. Zie ook: oetklijden, en: an kant, alsmede: spot.
warm ber = kraambed; zij ligt in ’t warm ber (of: berre) = zij is kraamvrouw.
bedanken, bedanken, niet meer willen gebruiken, bv. van koffie of thee, wat men te kennen geeft door het leege kopje in het schoteltje om te keeren, of ook, minder ouderwetsch, op zij te leggen: alsdan heeft men bedankt. Eigenlijk zooveel als: bedankt voor meer. Ook = niet gunnen, voor het bod bedanken; de lijfhebbers worden bedankt! = de bieders worden geen koopers, het goed blijft dus onverkocht, wordt ingehouden. Zie de uitdrukking: bedanken doun, art. doun.
bedankje, bedankje, bedanktje, (zelfstandig naamwoord); da’s wel ’n bedankje weerd; ik kwam mit ’n bedankje vrei; ie kennen mit ’n bedankje volstoan = men eischt daarvoor geene belooning.
bedankt, bedankt, zie: bedanken, en: ten hoogste.
bedapperen, bedappêrn, (wederkeerend) = inhouden, intoomen, bedwingen, zwijgen; ’k mōs mie bedappêrn = ik kon mijne drift, of: mijn lachlust den vrijen teugel niet vieren.
bedaren, bedoaren, belanden, van een in beweging gebracht voorwerp, woar zōl de bal bedoard wezen? eigenlijk zooveel als: tot rust gekomen zijn? van personen, die naar elders vertrokken zijn, zegt men: woar zōl hij (klemtoon op: hij) bedoard wezen? = waar zou hij nu wonen? Eveneens aan de Zaan en op Marken, bv. waar is mijn mes of mijne pet bedaard? = waar is mijn mes, enz. gebleven? Oostfriesch bedaren, ook = te lande, tot rust komen.
(wederkeerend) = bedaren; hij zel hōm (Ommelanden) bedoaren, hij zel zōk wel bedoaren (Oldampt, Westerwolde) = zijne drift zal wel tot bedaren komen; ook: hij zal wel van zijne dwaze plannen afzien; hij ken zōk nijt bedoaren, bv. van pijn, van drift, enz. = hij kan zich niet inhouden, hij barst uit, moet zich lucht geven. Middel-Nederlandsch hem bedaren, wederkeerend Nederduits bedaren = zijne hartstochten bedwingen, zich zelven beheerschen. (Verdam.) Vgl. bedappêrn, en: bienens.
beddeel, bertielens, zie: tielens.
beddenbuur, berbuur, (beddebuur) = beddetijk, de stof waarvan de beddetijk, het eerste overtrek van een bed, wordt vervaardigd; ook: berstreept goud = dat op beddebuur gelijkt. Vgl. kussentijken. Oostfriesch bure = beddetuig, de overtrek om de veeren; Nedersaksisch büren, een overtrek, waarvan: bedsbüren, en: kussenbüren; Holsteinsch bürenwark = beddetijk, als stof. Fransch bure, eene grove stof voor overtrek van lessenaars, daarvan: bureau.
beddendeuren, bersdeuren, (klemtoon op: deu) = deuren eener bedstede; dou mien bersdeuren dicht.
beddengoed, bergoud, beddegoed, (beddegoed) = wat tot een bed behoort; wie hebben bergoud genōg; ’t bergoud mout ijs oetlucht wor’n; in geschrifte: beddegoed.
beddenlucht, berlucht, berrelōcht, de muffe lucht eener bedstede, vooral wanneer het stroo vochtig is geworden.
beddenpan, berpan, berpanne, beddewarmer, vuurpan, soort van koperen pan met gaten voorzien deksel en steel; Oostfriesch beddpanne. (Zuid-Nederlandsch bedpan = ondersteekbekken.) Kil. bed-panne, Fransch bassionoire.
beddenplank, berplank, bedsplank, door invloed van het Friesch ook bedsplank = beddeplank.
beddenstok, berstok, een stevige stok, dien de vrouwen bij het opmaken van een bed gebruiken om het stroo te schudden en de lakens, enz. terecht te leggen.
beddentijk, bertijk, berteek, tijk, beddetijk.
bedeesd, bedesd, (de uitspraak der e als in: pèrs (paarsch), alleen als bijwoord = bescheiden, schroomvallig, met zacht geluid sprekend; ook: zacht, zonder gedruisch gaan, uit schroomvalligheid. Wordt vooral van meisjes gezegd van wie men weet dat zij voor geen kleintje vervaard zijn, maar zich zich soms zeer verlegen en schroomvallig aanstellen. (Weil. bedeesd = verschrikt, ontsteld, bij v. Dale = zedig, beschroomd, verlegen.) Vgl. bekweem.
bedegen, bedegend, besloagen (Oldampt, Westerwolde) = belukt (Ommelanden) = gelukt, uitgevallen, van een baksel, enz.; dei pōffert is goud bedegend = zooveel als: is voldoende gerezen. Ook van eene handeling: ’t is goud bedegend dat wie nijt op rais komen bin = ’t is goed dat wij thuis zijn gebleven; hou ken ’t zoo belukken! (of: besloagen) = hoe is ’t mogelijk dat het die gevolgen kon hebben, zoowel ten kwade als ten goede van eene werktuigelijke handeling gezegd; hou kōn ’t zoo besloagen! (klemtoon op: kōn) = hoe is het mogelijk, dat het ongeluk geen slechter gevolgen had! ’t kon slimmer besloagen wezen = ’t kon erger gevolgen gehad hebben; ook Friesch. (Het werkwoord bedegenen = gedijen, is niet in gebruik; besloagen staat voor: beslaan; belukken, voor: lukken, gelukken, in den zin van: gevolgen hebben.) Middel-Nederlandsch bediën, bedien, (verleden deelwoord bedegen), vooruitkomen, slagen, vorderen, goede zaken maken. Vgl. ons werkwoord gedijen. – bat bedien = betere gevolgen hebben. (Verdam art. bediën).
bedelarij, bedelderei, bedelarij, gebedel.
bedeldeken, bedeldeken, deken, overtrokken met lapjes van bont katoen, in den vorm van rechth[oekige] gelijkb[enige] driehoekjes geknipt en netjes aan elkander gezet. Die lapjes worden van de kennissen bijeen gescharreld en dus gebedeld. Hierom noemt men ook iets, wat uit een groot aantal niet bij elkander passende deelen is samengesteld, een bedeldeken; o.a. bestempelt Prof. Lulofs daarmede de Engelsche taal. Oostfriesch bädeldäken, een uit bonte, gewoonlijk driehoekige stukken samengevoegde deken. (v. Dale: bedelaarsdeken = veelkleurige, kunstig gestikte sprei.)
bedenk, bedenk, als zelfstandig naamwoord voor: bedenking: ’t komt mie in gijn bedenk! = ik behoef mij er niet op te bedenken, ’t behoeft niet eens tijd van beraad; is gijn tied van bedenk = wij moeten terstond een besluit nemen; in bedenk hol’n, geven, stoan, komen = in beraad houden, in bedenking geven, in beraad staan, in bedenking komen.
bedenken, bedenken, voor: (zich) herinneren; ’ken ’t nijt weer bedenken al is ’t ook nog zoo, (ook: al stoa ’k ook op kop) = ik herinner het mij niet, hoe graag ik dit ook wil; ik kon nijt bedenken wel mie dat zegd har; “ik kon geinent bedenken, dei dat doun zōl.” – Ook = anders besluiten, van een vroeger plan afzien, bij v. Dale: zich anders bedenken; hei’joe ook bedocht? = blijft gij bij uwen eisch, bij uw voornemen, bij uw besluit, enz.
bedenking, bedenkêns, bedenkingen, bezwaren; hij moakt’r bedenkêns tegen = hij oppert bezwaren, heeft bedenkingen tegen het plan of voorstel.
bedenksel, bedenksel, zie: opbedenksel.
bederven, bedarven, bederven; onvoltooid verleden tijd bedurf, voltooid deelwoord bedurven.
bedgaanstijd, bergoanstied, gewone tijd waarop een huisgezin te bed gaat; ’t wordt bergoanstied = wij moeten ons gereed maken om naar bed te gaan.
bedgestreept, berstreept, (zie: berbuur.) = zoo gestreept als beddebuur.
bedgordijn, bergedienen, bedgordijnen. Zie: ber, en: gedienen.
bedijkt, bediekt, in geschrifte bedijkt = ingepolderd; bediekt land = ingedijkte, door dijken omgeven landerijen.
bedingen, bedingen, in iemand bedingen = op den prijs dien hij stelt, afdingen, dingen; ik mag zoo’n arme kerel nijt geern bedingen.
bedisselen, bedussêln, iemand met wenken, gebaren of bedreigingen tot zwijgen bewegen, evenwel zóó, dat het niet door anderen wordt opgemerkt of begrepen; ik kōn hōm zoo gau nijt bedusseln = hij vertelde het vóór ik zulks kon beletten; ik wōl heur bedussêln, moar ’t was net of ze mie nijt begriepen wōl. – Ook = bedisselen in eig. beteekenis = met den dussel (dissel) bewerken. Oostfriesch betüsseln = beteugelen, tot rust brengen. (Weil.: eene zaak bedisselen = bij voorraad gereed maken; bij v. Dale: in orde, ten uitvoer brengen.)
bedlichter, berlichter, zie: baier.
bedmaken, bermoaken, bed opmaken; maid is an ’t bermoaken = de meid maakt de bedden op; zij ken ’t bermoaken nog nijt goud doun. Middel-Nederlandsch een bedde maken = een bed opmaken, in de Middeleeuwen het werk van mannelijke en niet van vrouwelijke bedienden. (Verdam art. bedde).
bedmantel, bermantel, zie: schōldermantel.
bedonderen, bedōndêrn, overbluffen; loat die nijt bedondêrn = laat u door bluf, dikke woorden, enz. niet van ’t stuk brengen, en ook: laat u niet foppen; binj’ bedōnderd!?, ook: mit lotje bedōnderd (of: mit lotje betikt, en: mit lotje bezeten)? = ben je gek, mal, dol? Friesch bedondernj = overbluffen. (v. Dale: bedonderen = foppen, misleiden.) Spreekwoord: Hol die an ’t elfde gebod, loat die nijt bedōndêrn; ook Friesch, Nedersaksisch.
bedongen, bedōnken, bedōngen, (Langewold) = bedōngen = vuil maken met mest. Zie ook: dōng.
bedotten, bedotjen, foppen, verschalken. Het heeft niet de ongunstige beteekenis van: bedriegen, maar is eene verzachting van: bedotten, met den verkleiningsuitgang als in: vlötjen (vlotten), stutjen (stooten; stameren), potjen (potten), mantjen, bantjen, kantjen, enz.
bedoven, bedogen, bedoven, bedōnken (Duurswold) = met water bedekt, ondergedompeld, bv. van de wasch gezegd; ’t goud mout’r goud onder bedogen wezen, of: ’t goud mout’r goud bedogen wezen = goed onder water staan; eerdappels mouten nijt bedogen wezen. Het woord komt alleen voor met betrekking tot huishoudelijke zaken. Bij Hooft, Camphuysen, enz. bedoven; Weil.: voor gedompeld is bedoven in gebruik geweest; v. Dale: bedoven, voltooid deelwoord = gedompeld, van het verouderde werkwoord beduiven. Engelsch to dive = dompelen. Middel-Nederlandsch beduven, Angel-Saksisch bedûfan, immergere; Middel-Nederduitsch beduven. Indompelen, in het water dompelen. Alleen voorkomende in het verleden deelwoord bedoven, ingedompeld. In de 17de Eeuw nog veelvuldig in gebruik. (Verdam art. beduven).
bedragen, bedroagen, wat reeds veel gedragen is en daarvan de sporen vertoont; ’t let zōk goud bedroagen = de stof wordt onder het gebruik niet leelijk.
bedrijf, bedrief, (= bedrijf), voor: boerderij; ’n groot bedrief hebben = eene boerderij met veel land, vooral bouwland, bezitten; ’n klain bedrief = eene kleine boerderij. Zuid-Nederlandsch bedrijf = hofstede, molen, mijn, het goed dat men bestuurt. Eigenl. = landbouwbedrijf.
bedrijven, bedrieven, (= bedrijven); ’t land bedrieven (Ommelanden) = bewerken, ploegen en eggen; wie kennen ’t land nijt bedrieven, ’t is veulste nat. Zie: drieven.
bedrinken, bedrinken, drinken en klinken ter eere van iemand of iets; ook: zooveel drinken dat een ander zijn deel niet kan krijgen.
bedrogen, bedreugen, bedrogen, (bedrogen) = droog, of: droger worden; goat bie de kachel zitten den zel joen goud wel gau wat bedreugen. (Van wegen en paden zegt men: ofdreugen (afdrogen)); bedrogen (onzijdig werkwoord) = bedreugen = droger worden, van natte voorwerpen; het linnengoed is al wat bedroogd (Westerkwartier) = bijna droog. Wisseling van: be, en ge.
bedrongen, bedrōngen, bedrōngd, bedringd, als ineengedrongen, op elkander gepakt; men zit hier zoo bedrongen, ie mouten wat opschikken. Middel-Nederlandsch bedrongen, voltooid deelwoord van: bedringen, Middel-Hoogduitsch bedringen. In eig. zin = dringen, drukken, verdringen, tegen iemand aandringen. (Verdam art. bedringen). Nog heden wordt in dezen zin in gewestelijke taal, bv. in Overijsel het woord bedrungt gebruikt, (Verdam art. bedrongen.) Nedersaksisch drange sitten, Hoogduitsch gedrange sitzen. Vgl. benopen. (v. Dale: gedrongen zitten, staan, liggen, enz.)
bedrukt, bedrukt, zie: bedrōngen.
bedstee, berstee, bedstede; wie hebben drei bersteeën.
bedsteeschonen, bersteeschoonen, het reinigen, schoonen, meestal daarin bestaande dat er versch stroo in wordt gebracht, een deel der groote schoonmaak; wie bin an ’t bersteeschoonen en den mōs ’t neudig nijt regen’.
bedstro, berstroo, bedstroo, beddestroo. Zegswijs: mit berstroo betoalen, nl. de huur, dus: de woning verlaten zonder de huur te betalen. Friesch: Hij betellet de húshier mei ’t âld bêdstrie.
beduiden, beduden, bedoun, (= beduiden); ’k zel die ’t wel beduden = ’t u wel leeren, ’k zal u er wel toe noodzaken als gij ’t niet vrijwillig doet; bedee (Hoogeland), voor: beduidde; echter niet algemeen, veelal: bedudde. Van: bedoun, voor: beduiden: wat zel dat nō bedoun? = waartoe zal dat dienen! Meer hoort men: wat dat nō bedee!; bedut = beduidt, van beduiden; ’k wijt nijt wat dat bedut = ik weet niet waar dat toe dienen moet, wat plan men er mee heeft.
beduizeld, bedoesd, bedoezeld, bedwelmd: “’k Was heildal bedonderd en bedoezeld,” alliteratie (v. Dale: beduizeld (verouderd) = duizelig.) Zie: doezîg.
bedunken, bedōnken, Zie: bedogen.
beduren, bedoeren, biedoeren, (bedoeren Oldampt, Westerwolde, Veenkoloniën) bij Swagm. bidoeren, wederkeerend = bedroeven; ’t bedoert mie van dat wicht = ’k heb medelijden met dat meisje; ’t mout ijn kant bedoeren = men moet zich daarover wel bedroeven, ’t is te betreuren, bv. van een persoonlijk ongeluk. Oostfriesch, Nedersaksisch beduren = spijten, betreuren; Hoogduitsch bedauern, dauern = beklagen, betreuren. Vgl. begrooten. Zie ook: bie 2.
been, bijn, been; ’t gait as ’n bijn, ook: ’t gait as ’n tuut = ’t loopt goed van stapel, van werktuigelijke handelingen gezegd; Oostfriesch ’t geid as ’n bên. Eigenlijk zooveel als: het loopt als een been loopt, en: het loopt vlug als eene kip; dat het hij an zien zeer bijn, ook: dat krigt hij op zien zeer bijn, fig.: hij moet de kosten dragen, ’t gelag betalen; ’t beste bijn mout veur (of: veuran) = alle krachten moeten worden ingespannen; ook Oostfriesch; hij het mie bie ’t bijn had = hij heeft mij (in geldzaken) beet genomen; ook Oostfriesch; hij kon gijn bijn an de grond kriegen = hij bleef ver achter, nl. in een wedstrijd; ik ken ’t nijt oet de bijnen snieden, op bitsen toon uitgesproken: ik kan’ter niet geven, gij verlangt het onmogelijke van mij; ook Oostfriesch; ’t zakt mie in de bijnen, ook: ’t zakt mie iene schounen = ik zie er tegen op en laat daarom het plan varen, wat vooral betrekking heeft op reizen en uitgaan; ’t schut mie in de bijnen, of: ’t schut mie iene beenen = de schrik schiet mij in de beenen; ’t ijne bijn nijt veur ’t ander kennen kriegen = van zwakte of vermoeidheid niet kunnen loopen, waarvoor men elders hoort: geen voet meer voor den anderen zetten kunnen; de bijnen (ook: de vouten) onder ’t lief hebben, fig. = de voeten in den stijgbeugel hebben, zoogoed als er bovenop zijn; ’t nijt langer op de bijnen hollen kennen = door ongesteldheid naar bed moeten; hij ’s mit ’t verkeerde bijn van ’t ber stapt, bij v. Dale: hij is met zijn linkerbeen uit bed gestapt, ook Friesch, Oostfriesch = hij is verdrietig, knorrig; op ìjn bijn ken men nijt loopen = met één kopje koffie, of: met één glas jenever, enz. mag men zich niet tevreden stellen (meent de gastvrouw); ook Oostfriesch’k zel die bijnen moaken! = maak dat gij wegkomt! (beenen maken = vluchten, wegloopen); de bijnen (ook: de hakken) oetsteken = eenigszins spottend voor: sterven. Zie ook: bōnk.; hooge bijnen (hooge beenen), in: op hooge bijnen ergens heengaan, zooveel als: er zich met drift naar toe begeven, bv. om rekenschap van iemand te eischen, om iets te beredderen, enz.; lange bijnen, in: lange bijnen (of: beinen) moaken (Stad-Groningsch) = hard loopen.
op’n bijnen, voor: op de been; as’k op ’n bijnen koom (dat is als ik van mijn stoel opsta), ze ’k tie drinken hoalen; pas op as ’k op’n bijnen koom, doe loeder! zij bin nog nijt op’n bijnen = zij liggen nog te bed. Is het de Hoogduitsch vorm: auf den Beinen sein, dan behoort het tot art. n 7; zie aldaar.
golden bijnen, zie: piepen, en vgl. golden.
beenbonk, bijnbōnk, scheenbeen; ’n bijnbōnk (in ’t algemeen) = een bot van een been van mensch of dier. Zie: bōnk.
beender, bijndert, voor: lang jongmensch, iemand die zeer lange beenen heeft. Wordt vooral gezegd van jonge meisjes die, naar hare jaren, sterk zijn gegroeid. Vgl. elpenbijn.
beenig, bijnig, bainig, (beenig); zij ’s weer bijnîg = zij is bedlegerig geweest, maar inzooverre hersteld, dat zij over den vloer kan verkeeren, dus: zij is weer op de been.
beentjewippen, bijntjewippen, zie: strikbijntjen.
beer, beer, in: de beer snieden = het privaat leegmaken; beresnieder, schertsend voor iemand die zulk een werk verricht. Woordspeling met: beer = drek, en zooveel als: den beer onschadelijk maken.
ol beer = secreetmest, menschelijke uitwerpselen. Zie: masterbatje.
beer, beer, bere, in: ’t is ’n beer van ’n kerel, zooveel als: een grof, zwaargebouw, ook: lomp, ruw man, een ongelikte beer; ’n beer van ’n jōng = een wilde, ruwe knaap.
beerenburger kruiden, berenbörger kruden, in geschrifte: Berenborger kruiden = gedroogde kruiden die op jenever, enz. worden gezet; ook Drentsch; berenbörg drinken = jenever drinken, op die kruiden getrokken. “Berenbörgse kruden bin hom al te raode geven, en mit peitereulie is ’e ân de gânge west, maor ’t hōlp niks.”
beeruil, beeroel, beervlinder. Zie: oel.
beest, kwoade bijst, kwoaie bijst, (of: kwoade baist), in: ik bin ’t kwoade bijst = ik krijg de schuld van alles, bv. omdat ik de kat de bel heb aangebonden. Vgl.: de hardste man.
beest, beet, bait, bijt, bijst, beest, in ’t kaartspel, wanneer men geen trek haalt en daarom betalen moet, zooals bij ’t kloppen en lantern; Deensch beet, ’t Fransche bête. Aardigheidshalve zegt men voor: ik bin bijt: ik bin gebeten. Zie ook: biet.
beest, bijsten, baisten, bijssies, (Stad-Groningsch) = hoornvee. Zie: bijssien.
beest, bijst, (= beest, fig.), in: de bijst stellen = Nederlandsch: de beest spelen; de bijst speulen = de hoer spelen; ik geef mie bijst = ik geef mij gewonnen, ik beken mijn ongelijk; zeg ie d’r wat van den bin j’ ’t lelke bijst = maakt hij aanmerkingen dan wordt men boos op u en wordt gij uitgescholden, de zondebok. Friesch: Hy is altyd ’t lilke beest; ik wil ’t lelke bijst ook nijt wezen = ik wil de kastanjes niet uit het vuur halen. Schuld is ’n kwaad bijst = elk schuift gaarne de schuld van zich af. As de bijsten op stal zet wor’n den kriegen ze de bok vōrt in ’t kamnet = op stal staande kosten de beesten (waaronder ook de paarden) veel geld. Zie ook: swien. Friesch: Skild is in lilk beest. ’t ijne bijst ken ’t ander = soort zoekt soort; ook Friesch. Vgl. beet, bijt. Zie ook: Openb. 13:1-9; 17:3, enz.
beestelijk, bijstêlk, (beestelijk, zooveel als: beestachtig), alleen in de uitdrukking: van ’t gijstêlke in ’t bijstêlke = van ’t geestelijke in ’t beestachtige, dat gezegd wordt wanneer een godsdienstig gesprek plotseling overgaat in vuile taal; ook OostfrieschKil. beestelick = beestachtig.
beestemarkt, bijstemark, bijstemart, baistemark, baistemart, beestenmarkt, veemarkt; tot 1892 was de bijstemark op de Ossemart.
beestje, bijssien, (Stad-Groningsch) = beestje, dier of diertje; ’n jōnk bijssien = eene jonge koe. Zegswijs: da’s de oard van ’t bijssien = dat is hem nu eenmaal eigen, dat ligt zoo in zijn aard, meestal met ongunstige beteekenis, ook elders in zwang. – Elders: bijst; baist, inzonderheid voor: koe; bijsten = hoornvee; de boeren zetten de bijsten op stal; hij het ’n stal van ’n groote dartîg bijsten (koeien, twenters, enters en hokkelings); koubijst = koe; jonkbijsten = kalvers en hokkelingen, wat nog geen koe mag heeten, Drentsch, Geldersch bijsten = koeien; Zeeland beest, koebeest = rund, koe; Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch beest, kohbeest; Latijn bestia = dier. Ons: bijst = het dier bij uitnemendheid. Zegswijs, soort van raadsel: boeren binnen bijsten en dat stait in de biebel, ’t welk verklaard wordt door: de boeren binden de beesten en (het woordje) dat staat in den bijbel, zoodat men, zonder hatelijk te zijn, durft zeggen: boeren zijn beesten. Oostfriesch bûr is ’n bêst, Groningsch: boeren bin bijsten. Vgl. bin.
beet, bieten, beten, meervoud van: beet = hap. Zegswijs: iemand de bieten in de mōnd tellen = er naar zien als hij eet. (Dit wordt voor zeer hinderlijk en onhebbelijk gehouden.)
beet, biet, beet, beet hebben = het bijten van den visch aan het aas van den hengel, wanneer zulks aan den dobber zichtbaar is; ’k heb biet = de visch bijt; ’t wil nijt bijten = de visch wil niet bijten.
beet, biet, klein stukje, brokje, streepje, lapje; ’n bietje klōntje = een heel klein stukje kandij; ’n bietje brood, koek, vleesch, enz. = een brokje, enz. – bietje, en: beetje zijn synoniem; ’t eerste ziet op de hoegrootheid, het andere op hoeveelheid of gewicht; wij zeggen (als in ’t Nederlandsch): ’n beetje water, eten, enz., maar: ’n bietje brood, zooveel als: beet, afgebeten stukje, dus = beetje, hapje; Zuid-Nederlandsch beetje = klein stukje; Oostfriesch bît = beet, afgebeten brokje; Zweedsch biet = brok, beet. Met gijn (geen) voorop = niet het geringste, niets; “doar leuf ik gijn biet van”; “hij is doch gijn biet groots”; gijn biet = gijn griezel, of: griezeltje; - knibbel, - knibbeltje, - körrêl, - körreltje, - groantje, - sikkepitje, krömmel, - krummel, - krömmeltje, - krummeltje, - drup, - ooggroot, - snippel, - snippeltje, - hoar, - cent, - doit of duit, - roaband. Zoo zegt men ook: ’k heb geen biet törf meer; ’k wil d’r gijn biet van leuven (of: loven); hij zegt gijn biet; hij geft mie gijn biet; ligt mie gijn biet an gelegen; ’k heb d’r gijn biet onder te doun. Op zich zelf voor: zeer weinig, of: niets, hoort men het in: mijn ie da’k’er ’n biet van heurt har?, enz. Zeeland bitje = beetje, weinig; Hoogduitsch bissen, eig. zooveel men in eenmaal afbijten of in den mond nemen kan; bischen eig. een kleine beet, fig. een weinigje.
beetje, beetje, bietje, beedien, voor: poosje; wacht ’n beetje; veur ’n beetje is hij hier nog west, Ook voor: hoop, massa; ’n mooi beetje = een vrij aanzienlijke hoop, een betrekkelijk groot getal, enz. En voor: weinigje; ’n beetje tied, geld, zand, suiker, enz.; hij ’s veur ’n beetje tieds zijk west; beedien (Stad-Groningsch) = beetje, weinigje: “’k Har ’t lijfst en beedien anders had!”; bietje, zie: biet 1.
beetwortel, bijtwortels, bijtwōrtels, zie: roobijten.
bef, bef, soort van gemetselde kraag boven een’ vensterraam, aan den buitenkant; Oostfriesch beffe, bef.
befommelen, befōmmêln, verbergen, wegstoppen.
befuusd, befoesd, befoezeld, beteuterd, verlegen, bedremmeld, als wezenloos. Zal eene verbastering zijn van: confuus = verward, verlegen, beschaamd, verbluft. Zie: konkelfoezerei.
begaan, begoan, (= begaan), in: ’k zel die deugnijt begoan! = deugniet, ’k zal u afrossen! de katte het hōm goud begoan = zij heeft (bv.) van de worst een goed deel opgegeten. (Vgl. betrekken.); is nijt veul eer an te begoan = niet veel eer af te halen, bv. door iets te poetsen of op te knappen dat er toch onooglijk blijft uitzien; ’n ongeluk begoan = een ongeluk houden. Middel-Nederlandsch begaen = behandelen, in een toestand brengen. (Verdam art. begaen, vgl. ook art. begaden.)
begapen, begappen, zie: gappen.
begeerlijk, begeerêlk, (= begeerlijk), voor: inhalig, schraapzuchtig; ook = gulzig, schrokkig. Staat voor: begeerig.
begeren, begeeren, voor: verlangen, wordt steeds van afgestorvenen gebruikt; hij (of zij) het ’n ijken (eiken) kist begeerd; ’n bekledde kist en ’n zark op heur graf was altied heur begeerte. (ook: begeeren).
begeven, begeven, (wederkeerend) = bezwijken, de kracht verliezen om datgene te dragen, waarvoor het bestemd is. West-Vlaamsch begeven = niet stevig blijven, buigen, wijken, doorzinken, inzakken van ’t gewicht; die plank, zolder, enz. begeeft zich. (v. Dale: begeven = verlaten: zijne vrienden, zijne krachten begeven hem.)
in: hij ken hōm d’r nijt tou begeven = heeft er niet veel lust in ziet er tegen op om er mee te beginnen; hij het hōm tou de sloap begeven = is in slaap gevallen. Eigenlijk zooveel als: hij heeft zich aan den slaap overgegeven.
begaffen = begaven, onvoltooid verleden tijd van: begeven, in de beteekenis van: gaan, en: verlaten. Vgl. stakken = staken; zatten = zaten; atten = aten, enz.
begieren, begieren, bezuinigen uit gierigheid; begieren en begroapen, tautologie, versterking van: begieren, Zie: gieren en groapen.
begijnen, begienken, een kinderspel. Zie Brem. Nieders. Wörterb. I, 72.
begijnenbrood, begienebrood, (Stad-Groningsch), Begijnenbrood; eene soort van tarwebrood, Friesch sukerbollen. (De Begijntjes zijn door hunne zindelijkheid op woning en huisraad bekend.)
begin, begun, begin, ook in de afleidsels en samenstellingen.
beginnen, begunnen, beginnen. Vervoeging begunde, begund = begon, begonnen; ’t begunde te regen; hij begunde te vluiken, enz.
begleren, begleeren, met vet of eenigszins vetachtige stof bestrijken, bemorsen. Zie: gleeren.
begluipen, begloepen, beloeren, begluren, bespieden, niet met de beste bedoeling. Vgl. gluipen.
begosseld, begosseld, door ondervinding slim geworden en snel iets bevattend. Zie: gossel.
begrafenis, begraffenis, begraftenis, begrafenis; ’k bin noa de begraffenis van mien oom west = ik kom van die begrafenis terug; ik bin op de, enz. west = ik heb die plechtigheid bijgewoond. – Hooft begraffenis.
begrapen, begroapen, zie: begieren.
begraven, begroaven, inkuilen, van aardappelen, wortelen, enz.; dubbeld begroaven = met eene dubbele laag van stroo en aarde bedekken.
begreppelen, begreppen, begruppen, (in geschrifte) = begruppen, van land = in een stuk land de noodige greppels maken: “Door het begreppen der kweldergronden vordert de opslibbing goed,” enz.
begrijmen, begrijmen, begreimen, begraimen, begremen, beslōddêrn (Veenkoloniën), (wederkeerend werkwoord) = bemorsen met eten, inzonderheid van lepelkost, bij v. Dale: beslabberen, beslabben. Friesch begriemen = met vuile vingers iets betasten; West-Vlaamsch begrimen = met rookzwartsel bevlekken of bevuilen, Middel-Nederlandsch begrimen = zwart maken, met pek besmeren, bevlekken, bezoedelen (Verdam); Kil. begremen, begriemen, begremelen = bemorsen, bezoedelen, enz. Zie: grijmen.
begrijpen, begriepen, (= begrijpen), in: dat ken j’ begriepen! = nu nog mooier! zou ik (of men) zóó dwaas zijn? ’ken mie ’t nijt begriepen! = ik begrijp niet bv. hoe hij zoo kan handelen, hoe is ’t mogelijk! Evenwel: ik ken ’t nijt begriepen = het gaat mij te hoog; mou’j’ begriepen! = denk eens! (Terecht wordt de ook elders gebruikelijke uitdrukking: zich iets niet kunnen begrijpen, door v. Lennep veroordeeld.)
begrepen (voltooid deelwoord van: begrijpen); doar het hij ’t nijt op begrepen = dat bevalt hem niet, zoo iets heeft of doet hij niet gaarne; ’k heb ’t nijt op hōm begrepen = ik houd niet van hem. (Beide uitdrukkingen ook elders, ofschoon niet bij v. Dale.) Zegswijs: begrepen Post!? – joa Dientje, wanneer iemand zegt: begrepen? (Dit zeggen is van Delfzijl tot Zoutkamp zeer gewoon. Vóór eenige jaren woonde te Warfum zekere Post met zijne schoonzuster Dientje. Of zij die tweespraak hebben uitgevonden betwijfel ik, maar zeker is het dat de vraag soms gold voor eene waarschuwing, soms voor een bevel.)
begrijpzaam, begripsoam, begripsōm, vlug van bevatting, spoedig iets begrijpend; ’t kind is hijl begripsoam = het kind is vlug, kan best leeren. Middel-Nederlandsch begrijpsaem, bnw. Van begripen in de tegenwoordige beteekenis, in de uitdrukking begrijpsaem der reden, voor rede vatbaar, verstandig oordeelende (Verdam) Vgl. vatbaar, en vervolgens de wisseling van: zaam, en: baar.
begrotelijk, begrootêlk, in: begrootêlk geld = uitgaven waarvoor men eigenlijk niets ontvangt, waarvan men geen genot of voordeel heeft. – Ook = bedroevend. Zie: begrooten.
begroten, begrooten, (onpersoonlijk werkwoord), voor: spijten, bedroeven; ’t ken mie begrooten, ook: ’t is begrootêlk van dei mensen = het spijt mij van hen, ’k heb medelijden met hen, en inzooverre = bedoeren; – ’t geld begroot hōm = hij zou het wel graag bezitten, maar het kost hem te veel, hij heeft er zooveel niet voor over; ’t kwam mie te begrooten = ’t begrootte mie = ’t was mij te duur; “– want Wilm begrootte ’t, nō ’t zoo mooi ging dat Tebeis (Tobias) deur zien veurboarighâid boudel bedarven zōl.” – Ook elders, doch meestal alleen van geld. Overijselsch begrooten = bezwaren; Friesch begraote, Oostfriesch begroten = bedroeven; moeilijk afstand van iets kunnen doen. Vgl. belutjen.
begruiten, begroetjen, op eene slordige wijze behandelen, bij de schoonmaak; wat dei mensen niet al begroetjen! Zie: groetjen.
begunstigen, begunstîgen, (grenzen van Friesland) = een’ last opdragen. (Laurm. p. 131)
behalsteren, behelstêrn, eig. = aan den halster leeren gewennen, van jonge paarden, dresseeren; fig. van een meisje (of: jongeling) dat voor den eersten keer een vrijer (of: vrijster) heeft gehad zegt men: zij (of: hij) is behelstêrd = zij het ’t helster ankregen = zij is van ’t mal ofvlogen = zij heeft hare eerste les in ’t vrijen ontvangen. Van den vrijer zoude men het kunnen verklaren door: hij is ontgroend. Verlaat een vrijer zijne vrijster (of: omgekeerd) vóór de pret is afgeloopen, dan zegt men: dat hij heur ’t helster ofstrikt, eigenlijk zooveel als: haar laat loopen. – Holsteinsch haltern = aan den teugel gewennen.
behalve, behalm, behalven, behalve.
behang, behang, behangselpapier; ’k heb behang oetzöcht; in dei koamer is allèn gijn behang = in dei koamer is nijt behōngen = alleen die kamer is niet behangen. West-Vlaamsch behang = behangsel.
voor: de manen van een paard; dat peerd het ’n mooi behang. Zuid-Nederlandsch behang = de ooren van een jachthond; die hond heeft een schoon behang.
beharden, beharden, in een ongelukkigen toestand of betrekkelijk het lijden van anderen, zooveel als: daarvoor min of meer ongevoelig worden; ’k bin d’r al in behard = het doet mij niet meer zoo aan; dokters mouten d’r wel in beharden, ans was ’t nijt om mens te blieven. Synoniem met: gehard = ten gevolge van oefening, opvoeding, gewoonte, enz. sterk geworden en daardoor bestand tegen, geschikt tot het verduren van ongemakken, alsmede van: verhard = ongevoelig, onaangedaan, ten opzichte van zedelijke handelingen.
behaspelen, behaspêln, met veel moeite en drukte iets in orde brengen.
behelpen, behelpen, in: zich met iets kennen behelpen = er goed mee kunnen omgaan, er zich handig van bedienen; hij ken hōm mit zōkke gebroeken nijt behelpen = die gewoonten of manieren wil hij niet navolgen, daarnaar kan hij zich niet voegen. Er ligt eenige ironie in, ook wanneer men (bv.) zegt: mit ’n runderbroa ken ’k mie best behelpen, zooveel nagenoeg als: bij gebrek aan brood eet men korstjes van pastijen. Zegswijs: dei zōk (of: hōm) nijt wijt te behelpen is nijt weerd dat ’e armoude lidt, schertsend voor: ik moet met dat oude (of: gebrekkige) werktuig weten klaar te komen, zoo goed als ’t kan zal ik mij er mee behelpen. Middel-Nederlandsch behelpen (zich) = zich zelven verzorgen, in zijn onderhoud voorzien, genoegen nemen, zich schikken in.
behemelen, behemmeln, rein houden, schoonhouden; iemand behemmeln sluit niet alleen in zich: hem bewasschen, maar ook: het schoonhouden en in orde houden van alles waarvan hij dagelijks gebruik maakt.
behendig, beheng, behèn, (behendig), in: hij ken ’t beheng doun = hij doet het zóó dat men ’t haast niet of in ’t geheel niet merkt, veronderstelt list en behendigheid beide; hij ’s t’r beheng mit (Oldampt) = hij verbergt het zorgvuldig, is er geheim mee. – Ook = handelbaar: “hai worde zóó behèn en zoo bekweempjes, jie konnen hom wel mit razien hals oetsnieden.” Hoogduitsch behende = snel, gezwind, op de geschiktste wijze, van: hand, waarvan Oud-Hoogduitsch henti, Middel-Hoogduitsch hende = handig; Middel-Nederlandsch behendich = listig, slim; behendicheit = list, slimheid. Middel-Nederlandsch behende, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord Min of meer duitsch gekleurde vorm voor het zuiver Middel-Nederlandsch behendich en in oorsprong één met onze uitdrukking bij de hand. Middel-Hoogduitsch, Middel-Nederduitsch behende. (Verdam).
behoed, behut, (Oldampt) = onbeholpen, onhandig, onredzaam. Ook: verheerd, verhilderd; zie aldaar.
behonen, beheunen, (wederkeerend werkwoord) = zich bekommeren, (zie: heun). – Ook = bedroeven, naargeestig maken: ’t vermoagerde gezicht van ’t kind beheunde mie.
behoorlijk, beheurêlk, (= behoorlijk) = tamelijk, vrij wel; ’t is nō beheurêlk goud mit heur = het gaat haar nu tamelijk goed. Zie ook: fersounêlk.
behouden smeer, behollen smeer, zuivere winst; da’s behollen smeer = zooveel heb ik er aan verdiend (of: op gewonnen) na al mijne onkosten er afgetrokken te hebben; ’n behollen stuver = overgespaard geld. Deensch beholden = wat overgehouden is. – Vgl. ook Middel-Nederlandsch beholden = behouden; beholt = behoud.
behoudzaam, beholdzoam, zuinig: ’t bin beholdzoame mensen = ’t zijn zuinige, oppassende lui.
behuisd, behoesd, behuisd, in geschrifte behuisd = land, of: landerijen waar eene behuizing, eene boerderij op staat, heet behoesd land. Zie ook: behoezen 1.
behuizen, behoezên, behûizen, in geschrifte behuizen = (op dien grond) een huis bouwen. Zoo verkoopt men grond met het recht om te behuizen.
behûizen (van Halsema) = in de doodkist leggen.
behuizing, behoezên, in geschrifte behuizing = gebouw als woning, bv. het bewoonbare deel eener boerderij; ’t is ’n slechte behoezên = het bewoonde deel van die boerderij is in slechten toestand, of: onvoldoende. Zie: en 6.
behulp, behelp, behulp, noodhulp, iets waarmee men zich voor ’t oogenblik behelpen moet, bv. met een min geschikt werktuig, een klein huisje, enz. Middel-Nederduitsch behelp, behulp, Middel-Hoogduitsch behelf = hulp, bijstand, onderstand.
behulpzaam, behulpsoam, zich goed kunnende behelpen; onbehulpsoam (dat meer gebruikt wordt) = onbeholpen, onredzaam noemt men iemand die elk oogenblik hulp inroept, kleine diensten vraagt, bv. bij ’t kleeden; ’t is zoo’n onbehulpsoam man! (klacht der vrouwen). Nederlandsch behulpzaam = geneigd te helpen. Vgl. redsoam.
bei, beien, (Vredewold) = aalbessen. Zuid-Nederlandsch beier = bezie, Fransch baie.
beide, baiden, zie: tweibaiden.
beide, baid, (Ommelanden) = baide, albaide = alle beiden, beiden te gader; ook Zaansch.
beidegaar, baidegoar, zie: baid. Kil. beydegaders. Middel-Nederlandsch beidegader, onbepaald telwoord = alle twee, beiden te zamen (Verdam.)
beidjes, baitjes, in: mit heur baitjes, ook: mit heur tweibaitjes; vriendelijke uitdrukking voor: met haar, of: hun tweetjes. Zie ook: tweibaiden.
beier, baier, beddekwast, eigenlijk: koord (of touw), van onderen met een kwast of handvat voorzien, die van den zolder neerhangt, en dient om zich daarmede in het bed op te lichten; ’t is ongemakkelk as ie gijn lichter in ’t ber hebben, benoam as ie zijk bin; – baier is meer een kinderwoord; zij spelen gaarne met de baier. Drentsch, Overijselsch, Oostfriesch lichter. (v. Dale: beddekwast, oudtijds kwast van de zoldering, eener bedstede afhangende.) baier, van: baiern = slingeren.
in de baier = an de bōmmel, in de lorum (of: loerōm) wezen = boemeln = zwieren, rinkelrooien. Zie: baiern.
beieren, baiern, beieren, slingeren. In Hunsegoo o.a. hoort men: de moan baiert, of: beiert, Oldampt: de moane ontzit, zooveel als: ’t is na volle maan, zij komt dus later op. Eigenlijk zooveel als: de maan wiegelt (zich), omdat zij schijnbaar als in den rug ligt. Geldersch beiern, Zuid-Limburg beyeren = bengelen; Oostfriesch beiern, beijern, beijeren = bengelen, luiden tot een feest; Nedersaksisch beiern = kleppen met de klok; Noordfriesch baiern, Hoogduitsch beiern. (v. Dale: beieren = de klok bespelen; loshangen, slingeren.) Middel-Nederlandsch beiaerden = de klok luiden, van beiaert, bij Kil. = klokgelui, eig. de klepel, die het geluid voortbrengt. (Verdam.) Zie ook: bantjen.
beis, bijze, (van Halsema) = een schalk.
beiteleg, baitelaid, in geschrifte beitelegge en: truffelegge = eene nieuwe soort van egge, en aldus genoemd om de overeenkomst der tanden met beitels en truffels (troffels). Zie: aid, alsook: Verslag Tentoonstelling Scheemda 31 juli 1890.
bejacht, bejacht, gelegen, in: is nijt veul an bejacht = ’t heeft weinig waarde en daarom kan mij dit verlies weinig schelen; is nijt veul an hōm bejacht = ’t is ’n kerel van niks = hij is een niets beteekenend persoon. Aan de jacht ontleend en eigenlijk zooveel als: het is de moeite niet waard er jacht op te maken, er is niets aan te bejagen.
bejegenen, bejegên, bejegenen, behandelen; ook = bejegening, behandeling. Zie: en 6.
bejeuzelen, bejeuzêln, beklagen; zie: jeuzêln.
bek, bek, onder de laagste klasse steeds voor: mond; op bek vallen = met het aangezicht op den grond vallen; ’n bek opsnieden = ruwe uitvallen doen onder een vloed van woorden: “Moar gommes, o, no moi je ais heuren, Hou ’n bek dat dou de boer opsnee”; hij stōn net of ’e mit de lul om bek sloagen was = hij stond geheel beteuterd; iemand ien bek zitten = brutaal tegenpraten; ook van kinderen of jonge personen die zich in een gesprek mengen, die willen meepraten, het zeggen van een ander willen verbeteren of aanvullen; ’n bek as ’n slop hebben, fig. = een grooten mond hebben; hij wōl heur veur de bek goan, moar zij wōl ’t nijt lieden = hij wilde haar kussen maar zij weerde hem af; ’t was bie bek of = bie bek om of (= bie de noad of) = het scheelde maar heel weinig, of, enz. de bek in baide hann’ (handen) hebben = voorbarig en aanmatigend zijn in ’t spreken, vooral van kinderen; zooveel als bekgau (zie aldaar), meest echter van groote menschen; Friesch: ’n bek hebben as ’n slagsweerd = as ’n scheermest = ook: – as ’n scheernslieper. Friesch: Hje het in bek as in skearmês. ’t Oostfriesche ’n snut as ’n schêrmest hebben, Meiderich: enn Schnûtt äsz en Schlachtschwerdt hewwe = zeer gebekt en scherp zijn. Vgl. Ps. 52: 4, zie ook Laurill. p. 86. (v. Dale: zij heeft eene tong als een scheermes = eene bitse, snijdende tong.) – Algemeen is: de blui in de bek hebben, van planten die den bloeiknop vertoonen. Zegswijs: doomnie, bran ’joen bektje nijt, ’t is kōffie van eerguster, spottend van lauwe koffie gezegd. Vgl.: grootbek = grootsnoete = iemand die onbeschaamd zijn meerdere tegenspreekt, of altijd brutaal is in ’t beoordeelen van anderen, alsmede: lafbek. Zie ook: an zetten, en: bekje, alsook Zeeman bl. 436.
bekanen, bekoanen, foppen, misleiden, om den tuin leiden; “as jongelu ’t mit ’n kander ijns binnen, dei kennen de ollen jà zooveul bekoanen as ze willen.” Zal staan voor: bekaaien, en dit van: bekaden = bedriegen. Vgl. koanen.
bekarnen, bekarren, (= bekarnen); = dat ken wie d’r nijt oet bekarren = de melk te verkoopen, bv. voor zes centen de kan is voordeeliger dan er boter uit te bereiden.
bekendstaan, bekend stoan, in: hij wil ’t nijt bekend stoan, zooveel als: hij wil niet dat men hem als zegsman noemt, hij wil er niet voor bekend staan iets gezegd te hebben, of: in ’t bezit zijn van iets, enz. Hooft: iets bekend staan = voor iets uitkomen.
bekennen, bekennen, voor: bespeuren; is gijn wōlkje an de lōcht te bekennen = er is geen wolkje aan de lucht te zien, de lucht is volkomen helder, bie dei roezie was gijn veldwachter te bekennen = was nergens een veldwachter te bespeuren.
beker, beker, het blikken of tinnen kelkje waarmede men bij het raapzaaddorschen rondgaat om jenever uit te deelen, en dat de plaats van een glas vervult. “Omda’k vreigezel was mos ik mit de beker mit jenever noa dat wicht tou, drinken heur tou en geven heur ’n doetje.”
bekermen, betjirmen, (Niezijl, enz.) = verteren of verkoopen tot op een weinigje.
bekeukelen, bekeukêln, in: iemand de oogen bekeukêln = begoochelen; ook Drentsch. Zie: keukêln.
bekeuren, bekeuren, bekoren, (Westerwolde) = term bij zekere kinderspelen. Houdt er een daarbij een mispas dan zegt een ander: ik bekeur die! zoodat deze aan de volgende de beurt moet laten; worden die woorden niet uitgesproken dan kan hij voortvaren; bekoor mie nijt! geldt als verontschuldiging bij ’t overtreden van zekere regels bij ’t krijgertjespelen.
bekgauw, bekgau, (mondgauw), zooveel als: zeer voorbarig zijn in ’t spreken, gauw met een oordeel klaar staan, tegengestelde van: bescheiden zijn.
bekje, bekkien, bekje, bektje, voor: kus. “Goud, zee ’k, goud, geef mie nou ’n bekje. (Swaagm.: bekkien, kus, van bek, op dezelfde wijze als in het Hoogduitsche Mäulchen van Maul, en in het Latijn osculum van: os.)
bekje, bektje, veelal: lutje bekje, lutje bek, snoetje; liefkoozingswoordje voor zuigelingen. Zie: bek.
bekken, bekken, smaken, lusten; ’t bekt hōm nijt = ’t mondjet hōm nijt = hij lust het niet graag.
bekken, bekken, voor: doopbekken; ’t bekken zetten = het doopbekken plaasten bij eene begrafenis, opdat de volgers daarin ten bate van de armen hunner kerk hunnen gift kunnen leggen (gooien). Dit collecteeren geschiedt door de diakenen der gemeente waartoe de afgestorvene behoorde, en wel bij den ingang van het kerkhof.
bekkensnijden, bekkesnieden, elkander met messen te lijve gaan wat op sommige plaatsen op de grenzen van Friesland de gewoonte was (of nog is), wanneer het bij gelegenheid eener kermis, enz. tot eene kloppartij komt. Ook gebruikt men daartoe oude, bijna versleten dubbeltjes, die men tusschen de beide voorste vingers knijpt om zoo het gezicht te kerven, zonder te diepe insnijdingen te maken. Zulk een voorwerp heet dan ook: bekkesnieder.
bekkensnijder, bekkesnieder, zie: bekkesnieden.
bekker, bekkert, schimpwoord voor een vrouwspersoon dat zeer gebekt is en zich als een vischwijf verweert; dat wicht (of: wief) is ’n eerste bekkert!
bekladden, beklarren, (= bekladden) = met inkt bemorsen.
bekleien, beklaien, bekleien (in geschrifte), den ondergrond, als die nl. uit vette klei bestaat, in eene dunne laag over den schralen bovengrond brengen, wat men vóór een vijfentwintig jaren in de omstreken van Woltersum met uitstekend gevolg is begonnen, en daardoor den landbouw aldaar tot grooten bloei brengt. Van hier het zelfstandig naamwoord beklaien, bekleien, in geschrifte bekleiing. (Staring zegt: “Op de diepte van 1 à 2 meter vindt men een zeer vruchtbaren kleigrond die allen schijn heeft van in overoude tijden op gelijke wijze als thans de Dollardklei te zijn gevormd, en ten bewijze daarvan zelfs nog zeeschelpen bevat. De kleigrond die boven deze vruchtbare laag ligt is door langdurig gebrek aan afwatering verzuurd en hoogst onvruchtbaar geworden.” Bodem van Nederland.) Vgl. woulen.
met klei bemorsen, vuil maken.
bekleiing, bekleiing, zie: beklaien.
beklembrief, beklembrijf, in geschrifte beklembrief = koopakte van den beklemden meier. De Ontwerp-Beklembrief van Mr. H.O. Feith, o.a. te vinden in zijn: Handboekje over het Beklemrecht, p. 73, wordt thans door alle (Groninger) Notarissen gevolgd. Sommigen voegen er aan toe, waar dit kan en mag, om ook het goed te mogen vermaken of aan iemand naar goedvinden zijne rechten over te dragen. Zie: beklemrecht.
beklemd, beklemd, met eene vaste, onopzegbare huur bezwaard, ter onderscheiding van eigen en vrij; wordt alleen van landerijen gezegd; erven (hemen) betalen heemhuur, de bezitter van beklemd land, landhuur; het eerste verschijnt op 1 Mei, het andere op Midwinter; zwoar beklemd noemt men land waarop eene hooge, licht beklemd wanneer daarop eene lage vaste huur ligt; deze huur gaat van p.m. drie gulden tot twintig gulden het bunder. Zie: beklemming, en: beklemrecht; beklemde maier, in geschrifte: beklemde meijer; zie: beklemrecht.
beklemming, beklemming, “De naam Beklemming schijnt het verband tusschen ’s meiers huis en ’s eigenaars land aan te duiden. De landen, zeide men, waren onder ’s meiers behuizing beklemd. De naam bleef, ofschoon er thans niets vreemds in is, dat er eene beklemming op den grond wordt gevestigd, zonder dat er een gebouw op geplaatst is of wordt. (Mr. D. de Ruiter Zijlker, Acad. Proefschr. p. 85). Mr. Haakma Tresling zegt: Door de huizingen door de meierlieden zelve te laten zetten en daaronder de landen te betrekken met dezelve aan hen onder die huizen voor zekeren tijd te verhuren, – ziedaar het oorspronkelijke beklemmen. Verhandeling, enz. – Eene advertentie van 1892 luidt: “In het laatst dezer maand zal publiek worden verkocht: Eene kapitale boerenplaats (enz.), bestaande a in: een boerenbehuizing enz.), met de vaste, altoosdurende, onopzegbare en in alle liniën verervende beklemming van 27 HA. 81 A. 43 cA. binnen- uiterdijks- en polderland, doende ’s jaars op Midwinter tot vaste huur f 89. (alsmede) c de volle eigendom van het gerechte aandeel in perceel polderland,” enz.
Om het hooge gewicht van dit artikel, in maatschappelijken zin, alsmede door de omstandigheid dat bijna niemand buiten Groningen een juist begrip dezer zaak heeft, is het woord zoo uitvoerig behandeld; eenvoudige beklemming, zie: geschenk.
beklemrecht, beklemrecht, recht van beklemming. Mr. De Ruiter Zijlker geeft in zijn Acad. Proefschr. daarvan de volgende bepaling: “Het recht van beklemming is een zakelijk recht, om altoosdurend en erfelijk te gebruiken landerijen aan een ander toebehoorende tegen betaling van eene vaste en onveranderlijke huur; van vaste sommen bij verkoop, vererving of anderen rechtsovergang; van alle op het land liggende lasten en belastingen; gewoonlijk onder eene op het land staande en den meier toebehoorende behuizing en schuur – en wel tot zoolang niet des meiers erven ontbreken, of eenige andere bij de overeenkomst onderstelde oorzaak van caduciteit plaats vindt. (p. 70). De rechten van den beklemden meier omschrijft hij aldus: 1o Hij heeft het erfelijk gebruik der landerijen; 2o Hij heeft de behuizingen en gebouwen op het land staande in eigendom; 3o In geval van caduciteit ontvangt hij de waarde daarvan als van hout en steen overhoop liggende. Zoo ook die der boomen door hem geplant naar den prijs dien zij omgehakt zouden gelden; 4o Hij mag het recht van beklemming en zijne gebouwen daarop staande met hypotheek bezwaren; 5o Hij behoeft de huur enz. alleen dan te betalen ter woonplaats des eigenaars, wanneer deze binnen de provincie is gevestigd; 6o Hij kan zijn recht verkoopen, verwisselen, of op elke andere wijze overdragen zonder toestemming des eigenaars; 7o Hij kan zijn’ echtgenoot nevens zich bij den eigenaar doen inboeken; 8o Minderjarige of minderjarige en meerderjarige erfgenamen van den meier hebben het recht zich onder den collectieven naam van kinderen te boek te doen brengen tot de meerderjarigheid van het jongste kind of vroegere scheiding en uitwijzing (p. 79, 80). De verplichtingen: 1o Hij moet den eigendom overnemen der gebouwen op de beklemde landerijen staande; 2o Hij betaalt jaarlijks eene vaste onveranderlijke som, die nog steeds huur genoemd wordt; 3o Hij betaalt buitengewone sommen onder den naam van geschenken: a, bij verkoop, verwisseling of andere overdracht; b. bij trouwen of hertrouwen; c. bij vererving; d. bij te boek brengen van zijn echtgenoot; e. bij het te boek brengen van erven onder den collectieven naam van kinderen, f. bij meerderjarigheid van den jongsten dier kinderen, of vroegere scheiding of uitwijzing; 4o Hij betaalt de huren en geschenken ter woonplaats van den eigenaar, mits deze binnen de provincie woont; 5o Hij draagt alle lasten en belastingen zonder uitzondering; 6o Hij mag den uitwendigen vorm der stukken land niet veranderen zonder toestemming des eigenaars; 7o Hij mag geene boomen kappen, ook niet die hijzelf plantte; 8o Hij mag geen turf graven dan voor het gebruik van zijn huisgezin; 9o Hij mag noch gebouwen zetten, noch de bestaande vergrooten zonder ’s eigenaars toestemming; 10o Hij mag geene erfdienstbaarheden op het land leggen; 11o Hij heeft geen recht van aanwas. – De schrijver erkent dat de laatste vijf punten aan bedenkingen onderhevig zijn, en er voor het tegendeel veel te zeggen valt (p. 80, 81). – Rechten van den eigenaar: 1o Hij vordert de huren en geschenken bij den titel bepaald; 2o Hij behoudt de rechten van jacht en visscherij. (Ook dit punt zou niet uitgemaakt zijn); 3o Hij behoudt de zijl-, dijk- en heerlijke rechten; 4o Hij behoeft slechts éénen meier te gedoogen. (Uitzonderingen, zie boven); 5o Hij behoeft geen gebruiker te gedoogen dan die tegen betaling van alle achterstallige huren en geschenken bij hem is te boek gebracht; 6o Hij herneemt het gebruik van het land in geval van caduciteit (p. 81, 82). Verplichtingen: Hij moet bij het ophouden van het recht van beklemming den meier voldoen de waarde van de behuizing geschat als hout en steen overhoop liggende. Hetzelfde geldt van de boomen door den meier geplant; hunne waarde wordt betaald naar den prijs van omgehakte (p. 82). Het recht van beklemming gaat te niet: 1o Door het overlijden des meiers zonder te boek staanden echtgenoot of erven in de nedergaande, opgaande of zijdlinie; 2o Wanneer de meier het land verlaat; 3o Wanneer hij het land niet oorbaarlijk gebruikt; 4o Door wanbetaling van huren en geschenken, maar alleen in dat geval, wanneer de meier onder de macht zijner schuldeischers geraakt; 5o Door vermenging (consolidatie), dat is wanneer eigendom en beklemming in ééne hand komen (p. 83, 84). Van erfpacht verschilt het recht van beklemming in de volgende punten: 1o Het genot van den meier is alleen uitgestrekt tot landgebruik; 2o De meier mag zonder toestemming geene gebouwen stellen of de bestaande vergrooten; 3o De meier mag geene servituten vestigen; 4o mag alleen turf graven tot huizes nooddruft. (Deze drie laatste punten zijn te betwisten.) 5o Hij kan in geen geval vrijstelling vorderen van uitkeering van huren en geschenken; 6o Hij moet de gebouwen op het land staand bij caduciteit aan den eigenaar laten tegen zekere waardeering; 7o Hij betaalt in bepaalde gevallen geschenken; 8o Het recht van beklemming is altijddurend; (dit zelfs is betwist); 9o Het geldt (met twee uitzonderingen) alleen voor één bepaald persoon; 10o De beklemming is onopzegbaar; 11o Wanbetaling van huur is dan alleen een grond voor de caduciteit der beklemming, als de meier onder de macht zijner schuldeischers geraakt, (p. 85, 86). En ald. p. 74: Het recht van beklemming is een eigenaardig, en met name bijna alleen in de provincie Groningen (in Friesland aan de Groningsche grenzen, alsook, en meer, in Drente) bekend recht, en wordt geregeld door zijne eigene bepalingen, bedongene voorwaarden en plaatselijke gebruiken.” – Een uit Onderdendam aan de NRotterd. Courant ingezonden stuk bevat het volgende: “Opmerking verdient het welken eigenaardigen invloed het Groningsche beklemrecht uitoefent op den toestand van het grondbezit en de wijze van mutatie. Men weet dat het recht van beklemming – een zakelijk recht om land, dat in eigendom aan een ander toebehoort, te gebruiken onder verplichting tot betaling eener jaarlijksche vaste huur – uitsluitend eigen is aan de provincie Groningen, en uit de middeleeuwen afkomstig. De wisselvalligheid van den oogst, ten gevolge der toenmalige overstroomingen, maakte eene verhuring voor eenige jaren ondoelmatig. De eigenaren vonden in een afstand van het genot voor onbepaalde tijd tegen jaarlijksche betaling eener onveranderlijke huur het geschiktste middel, om zich van alle risico te ontslaan. Van daar de uitgifte in onopzegbare en eeuwigdurende beklemming, eene overeenkomst, die, schoon zij nog heden veelvuldig voorkomt, niet door den wetgever is geregeld, evenmin als het zakelijk recht dat daaruit, in verband met de overschrijving in de openbare registers, voortspruit. Alleen is in het burgerlijk wetboek verwezen naar de gemaakte bedingen en de plaatselijke gewoonten. De landgebruiker, meier genoemd, kan naar goedvinden over het genot van den grond beschikken. Hij mag zijn recht aan anderen overdragen, in welk geval zoowel door hem als door den nieuwen meier aan den eigenaar onder de benaming van geschenk eene geldsom moet worden betaald, in den regel gelijkstaande met een jaar beklemhuur. Ook bij trouwen van den meier en in geval van vererving zijn dergelijke geschenken aan den eigenaar verschuldigd, die onder gelijktijdige voldoening daarvan verplicht is den nieuwen meier te boek te brengen. Vóór deze inboeking is laatstgenoemde niet tot de uitoefening van zijn recht bevoegd. Het recht van beklemming is, uit zijn aard, zonder de toestemming des eigenaars, niet splitsbaar. Mocht het belang van den meier medebrengen zijn recht op een gedeelte van den grond te vervreemden, of het bv. in perceelen te verkoopen, dan zou hij, om den eigenaar tot toestemming te bewegen, zich in den regel, hetzij eene aanzienlijke verhooging van de vaste huur, hetzij eenige andere vergoeding moeten getroosten of vooraf het recht van den eigenaar aankoopen, waartoe veelal geene mogelijkheid bestaat. Daar verreweg de meeste boerderijen in de provincie Groningen onder beklemming worden bezeten, valt gemakkelijk het verschijnsel te verklaren, dat die bezittingen hier gewoonlijk in ééne hand vereenigd blijven, terwijl in de naburige gewesten, vooral in Friesland, de landerijen meer en meer worden gesplitst. De gedrukte toestand van den landbouw met de daaruit voortgevloeide vermindering der prijzen, die voor landhoeven worden besteed, heeft in Groningen niet kunnen teweegbrengen, zooals in Friesland, dat de boerderijen, om hoogere opbrengst te verkrijgen, werden versnipperd en in perceelen verkocht aan zoogenaamde “gardeniers”, die den grond meestal voor tuinbouw aanwenden. Het feit dat men in Groningen veel minder huurboeren heeft dan in Friesland, schijnt mede grootendeels zijne oorzaak te vinden in den toestand door het recht van beklemming in het leven geroepen. Immers de aankoop van eigendommen van in beklemming uitgegeven land levert, als geldbelegging, belangrijke voordeelen op. De stipte betaling der vaste huren en geschenken is door de waarde van het goed voldoende verzekerd, daar bij gebreke van betaling het recht van den meier kan vervallen worden verklaard. Voorts draagt de meier en niet de eigenaar, de grondbelasting en alle andere lasten, die van het land mochten geheven worden. Uit een en ander volgt dus onmiddellijk, dat de eigendom een groot deel van de waarde van het land vertegenwoordigt en het recht van beklemming nagenoeg zooveel minder waard is dan vrij en eigen land. Dientengevolge zijn dus vele landbouwers met een matig vermogen in de gelegenheid zich in Groningen eene boerenplaats aan te koopen, terwijl bv. in Friesland, waar dat rechts-instituut niet bestaat, de uitgestrekte bezittingen alleen kunnen worden verkregen door grootere kapitalisten, die veelal het land niet zelven exploiteeren, doch het aan landbouwers verhuren.
Zijn vroeger van enkele zijden stemmen opgegaan, om aan den meier het ercht te geven, naar een zekeren maatstaf den eigendom aan te koopen, evenals de schuldplichtige van grondrenten of tienden steeds tot afkoop bevoegd is, het heeft ongetwijfeld zijne goede zijde, dat deze regeling niet tot stand gekomen is. Wanneer men toch in aanmerking neemt dat verbrokkeling van belangrijke bezittingen evenmin bevorderlijk kan zijn aan den bloei van den landbouw als telkens terugkeerende verhuringen aan de verbeteringen van den bodem, dan zal dat stellig weinig tegenspraak ontmoeten.” (20 December 1888).
De laatste zinnen dienen nader opgehelderd te worden; daartoe strekke het volgende. Algemeen wordt erkend, dat het Beklemrecht den grond heeft gelegd tot den rijkdom en de welvaart dezer provincie. Wegens voorkomende procedures over enkele punten er van, en de belemmeringen, die het de vrije ontwikkeling en de productiviteit van den landbouw in den weg legde, schijnt zich voor weinige jaren de overtuiging te hebben gevestigd, dat het zijn recht van bestaan heeft verloren, en of geheel uit den weg dient geruimd, of aan eene radicale wijziging op den ouden of op geheel nieuwen grondslag dient te worden gevestigd. In 1877, toen de prijzen der landerijen tot eene ongekende hoogte waren gestegen, werd door de vereeniging Belastingstelsel, gevestigd te Leens, een adres aan de Staten van Groningen gericht om zich de zaak ten opzichte eener betere regeling van het Beklemrecht aan te trekken en te bevorderen. Bij Besluit van den 12 Juli d.v. werd door dit Collegie eene commissie benoemd, “om te overwegen of er middelen kunnen worden beraamd, waardoor de onzekerheid, die omtrent verschillende punten van het Beklemrecht heerscht, kan worden weggenomen, en zoo ja, welke?” Deze commissie was den 10 Juli 1878 met haar rapport gereed, en hierin geeft zij de middelen aan de hand om genoemd recht in hoofdzaak te codificieeren en de meest voorgekomene punten van twijfel op te heffen. Als noodwendigheid van zulk een maatregel wordt daarin o.a. aangevoerd: dat de rechtsgeldigheid der Staatsresoluties wordt betwist; dat men ’t vooral ook omtrent de inboeking van aangehuwden niet eens is; dat het geenszins is uitgemaakt, of iemand bij testament over zijne rechten als beklemde meier mag beschikken; dat een beroemd rechtsgeleerde (Mr. S.M.S. Modderman) de leer is toegedaan, dat vereeniging van beklemming en eigendom door opzage, caduciteit of vrijwillige overdracht de vernietiging van de hypotheek op de beklemming ten gevolge heeft. (Rapp. p. 6). Er wordt in voorgesteld art. 1654 B.W. te vervangen door de achtergevoegde bepalingen (p. 19-23), waaronder afkoopbaarheid der jaarlijksche vaste huur en der geschenken eene voorname plaats inneemt. De Commissie stelt de Staten voor, de zaak in ernstige overweging te nemen en zich met het verzoek om eene nieuwe regeling tot de Hooge Regeering te wenden. Inmiddels zaten ook de landbouwgenootschappen niet stil; vooral dat van Nijverheid, opgericht te Onderdendam, lokte zeer belangrijke antwoorden der respectieve commissiën uit. Gesteund door de publieke opinie drongen bijna alle op wettelijke bevestiging van het bestaande Beklemrecht, of op afkoopbaar stelling, bij de Wet, van den eigendom aan. Wantrouwen in onze rechtspraak, als afwijkende van het costumierecht, zat bij die uiting voor. Den 3 December 1878 benoemden de Staten eene commissie om het aangevangen werk van de Centrale Afdeeling, rakende de Beklemming, ten einde te brengen. Den 3 Mei 1879 diende deze haar rapport in, vergezeld van twee Ontwerpen, met voorstel aan de Staten “onder indiening van het tweede ontwerp, bij eerbiedig adres aan Z.M. den Koning te verzoeken, dat een daarmede overeenstemmend voorstel van Wet worde gedaan.” De Centrale Afdeeling stelde evenwel aan de Staten voor, geene voordracht overeenkomstig dit ontwerp in te dienen, op grond dat zij de zaak niet zou bevorderen, het doel niet zoude bereikt worden. Den 1 November 1879 kwam de Heer H.W. Wierda, lid der Staten, met het voorstel, om een Ontwerp van Wet bij de 2o Kamer in te dienen, strekkende om het Eigendomsrecht ten behoeve van het Beklemrecht, afkoopbaar te stellen, en de afkoopsom door eene Staatscommissie in ieder voorkomend geval te doen bepalen. De Centrale Afdeeling bracht ook hierover Rapport uit en adviseerde den 18 November 1879 den Staten, “te besluiten een adres te richten tot de Hooge Regeering met verzoek, dat eene Wet worde voorgesteld, waarbij de afkoopbaarheid der Eigendommen van onder beklemming gebruikte gronden worde geregeld en wel in dier voege, dat de rechter met het oog op alle zich in elk speciaal geval voordoende omstandigheden de som zal vaststellen waarvoor de meier, die zich met verzoek om afkoop tot den rechter zal hebben gewend, den eigendom der bij hem in beklemming bezeten gronden van den Eigenaar zal kunnen afkoopen.” Dit aangenomen zijnde, hebben de Staten zich tot Z.M. den Koning gewend om eene regeling bij de Wet in verlangden zin uit te lokken (11 Juni 1880). Hierop is den 12 Mei 1881 door de Ministers van Waterstaat, enz, en Justitie, namens Z.M. den Koning eene beschikking genomen, “dat er tegen de bij het adres voorgestelde diep ingrijpende verandering in den tegenwoordigen rechtstoestand bij de Regeering overwegende bezwaren bestaan, maar dat ook naar het oordeel der Regeering op sommige punten nadere wettelijke voorziening noodig is en dat dan ook het adres met de bereids bij deskundigen ingewonnen adviezen is gesteld in handen der Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, ten einde aan de Regeering zoodanige voorstellen te doen als zij zal meenen te behooren.”
bekletsen, bekletsen, zie: belullen.
beklijfelijk, bekliefêlk, (beklijfelijk) = besmettelijk (Oldampt, Westerwolde), niet alleen met betrekking tot inwendige kwalen maar ook van pokken, roodvonk, mazelen en schurft gezegd. Eigenlijk zooveel als: de smetstof door overplanting doen beklijven. Drentsch bekliefelk = besmettelijk. Zie ook: spruten.
beklinken, beklingen, beklinken, (Stad-Groningsch) = ienlakijern, lekaiern = inkrimpen, door koken, enz. van spijzen gezegd, bv. van groenten, daar deze meest uit waterdeelen bestaan. Men zegt het ook van natte turf die droogt en kleiner wordt. – beklingen of beklinken zegt men ook van personen die er zeer welgedaan uitzagen maar door ziekte vermagerd zijn; ook Friesch. – Oostfriesch inklingen, inklinken, beklingen = indrogen, inkrimpen, kleiner worden, verschrompelen, slinken. Kil. lacken = verminderen, inkrimpen (van Dale: Bij meest alle aardewerken is de lichamelijke inhoud van het uitgegravene zeer verschillend van dien van het opgeworpen werk; dit verschil noemt men de inklinking of beklinking der aardstoffen (art. inklinking); inklinken, en: beklinken, in die beteekenis, heeft hij niet.)
beklodderen, beklōddêrn, zie: begrijmen.
bekneuteren, beknutêrn, iets door knutern (zie aldaar) in orde brengen.
beknibbelen, beknibbêln, een voorwerp aan de kanten ofknibbêln (zie aldaar), zooals bv. kinderen wel een koek doen.
beknoeien, beknooien, door tobben en sloven tot stand brengen; zij mout alles allèn beknooien = zij moet bv. al het huis- en tuinwerk alleen doen.
beknokkelen, beknokkêln, door knoeierij bewerken, bij v. Dale: bekonkelen; zij hebben dat moar zoo stil beknokkeld.
beknopen, beknopen, benopen, te nauw sluitend; niet ruim genoeg, ook van woningen; ook = te dicht opeengedrongen; de jas zit benopen = is te eng, te nauw; een benopen hoeske = een al te klein huisje; benopen = bedrongen zitten = opeengepakt. – benopen van (be) nijpen; beknopen, van (be) knijpen, waarvan ook: beknopt.
bekocht, bekoft, bekocht, steeds met eene ontkenning: doar bin ’k nijt an bekoft = dat heb ik niet te duur gekocht, ik heb het goedkoop gekregen; van voorwerpen gezegd. (v. Dale: ik ben er aan bekocht = ik heb het te duur betaald.)
bekoeren, bekuren, met aandacht bezien. Zie: kuren.
bekoken, bekookt, (van: bekoken); doar is zolt (sukker, enz.) in bekookt = dat heeft men met zout, enz. laten koken.
bekorten, bekörten, bekorten, (Westerkwartier) = beknibbelen; ’k wil die nijt bekörten = ik zal u geven wat u toekomt; as ’k joe nijt bekört (geef mij dan maar een kopje), zegt iemand die binnenkomt als het huisgezin aan het koffiedrinken is. (Het spreekt als van zelf dat de uitnoodiging nooit achterwege blijft.)
bekpraten, bekproaten, bekproten, vleien, flikflooien. Zie ook: mōndjeproaten.
bekprater, bekproater, mondjeproter (Oldampt, Westerwolde) = vleier, flikflooier; hij proat hōm noa de bek; doe bist jà ’n bekproater (Ommelanden).
bekrabben, bekrabben, den ongunstigen, verkeerden indruk van een gezegde zoo mogelijk weer wegnemen, verzachten of onschadelijk maken; zij wōl ’t weer bekrabben = zij wilde haar zeggen ongedaan maken door bv. een anderen uitleg aan hare woorden te geven. Kennelijk aan zekere gewoonte der katten ontleend.
bekrevelen, bekrijveln, bekraiveln, door krijveln (valsch spelen) in zijn bezit krijgen. Zie: krijveln.
bekruipen, bekroepken, bekruupken, (Niezijl, enz.) = bestoppertje, wegkruipertje spelen. Zie: piebeziedjen.
bekruipen, bekroepen, (= bekruipen), voor: bewogen worden; ’t bekrōpt mie as ’k dei arme mensen zij = het gevoel bekruipt, overmant mij als ik zooveel armoede zie. Ook voor: leed doen, spijten: dat het mie bekropen.
beksmeerder, beksmeerder, zie: bekproater.
bekstuk, bekstōk, bekstuk, schimpwoord voor een vrouwspersoon dat gaarne kijft, ruw, rad van tong en zeer brutaal is; ’t is ’n bekstōk, dat wicht; zij het ’n bekstōk, dat beloof ’k joe! = zij kan de woorden vinden, geloof dat maar, nl. bij een’ twist. Vgl. bekkert.
bekulpen, bekulpen, beloeren, bespieden. Zie: kulpers.
bekwaam, bekwoam, geschikt, van bouwland gezegd; ’t land is bekwoam = de grond is geschikt ter bewerking, nl. droog genoeg; ook Over-Betuwsch; hoast nooit bekwoam wezen = bijna altijd dronken zijn; tot alles bekwoam wezen = tot alles in staat zijn, in ongunstigen zin. Zie: onbekwoam.
bekwaam, bekweem, voor: bedaard, ingetogen, tegen gewoonte fijn, van vrouwen of meisjes gezegd; synoniem met bedesd, dat meer gemaaktheid veronderstelt. – Ook: zich, na terechtgezet te zijn, welvoegelijk gedragend. Nedersaksisch bequem = verdraagzaam, vreedzaam; bekwümtjes = deemoedig, niets te zeggen hebbende; Hoogduitsch bequem = passend, wat geschikt, gemakkelijk is; Deensch bequem = geschikt, zich gaarne voegende; Zweedsch bequüma = zich schikken, voegen; Middel-Nederlandsch bekwaam = aangenaam, behagelijk, bevallig.
bekwaampjes, bekweemtjes, bekweempjes, zie: bekweem.
bekwengelen, bekwengêln, zie: begrijmen.
bel, belle, bel, smerige, of ook oude doek, weinig beter dan een vod. (De gerekte uitspraak der e als in: pèrs = paarsch).
(uitspraak als in: belle 1) = lellebel, voor: slordig vrouwspersoon met een walgelijk voorkomen; schimpwoord voor een nietswaardig vrouwmensch. (v. Dale: lel = loshangende lap; lellen en bellen, tautologie (ook hier in gebruik). Ook = ontuchtig vrouwspersoon. (lellebel is dus een pleonasme).
belabberd, belapperd, naar, ellendig, beroerd; ’t is ’n belapperde boudel, – kerel, enz. Vgl. lapperd.
belakschouwen, belakschauen, bespieden. Zie: lakschauen.
belang, belang, in: ’t regent van belang nijt = het regent niet veel; hij het van belang gijn koors meer = hij heeft maar weinig koorts, zijne koorts is niet van belang. (Een ander voorbeeld van ’t achteraanplaatsen der ontkenning: ’k heb noa mien zin gijn houd vōnnen; ’k kōn noa mien zin gijn kou kriegen, voor: ’k heb geen’ hoed naar mijnen zin kunnen vinden, ’k heb geene koe naar mijn’ zin kunnen krijgen.)
belappen, belappen, kleeren verstellen. Boerenknechten die geene ouders hebben nemen personen aan voor benaien, belappen en bestoppen, die dus voor het dagelijksch onderhoud hunner kleederen hebben te zorgen.
belastingpapier, belastîngspampier, belastîngspōmpier, aanslagbiljet in de belastingen; ook het invullingsbiljet voor de personeele belasting. Zie ook: pampier.
belazerd, beloazêrd, beloasterd, [ook] belotjêt, enz., in: bist’ beloazêrd?! = ben je gek! ook: bin je beloazerd, zuurkool?! Neder-Betuwsch: zijde belaozerd? Limburg belazert = melaatsch, scheldwoord Middel-Nederlandsch belasert = met melaatschheid behept, melaatsch. Thans nog in de platte spreektaal in gebruik. (Verdam). (Zie v. Dale art. lazarij.)
beleg, beleg, (meervoud beleggen) = belegsel; timmermanswoord.
beleg, beleg, plan; ’t is zien beleg (klemtoon op: zien), zooveel als: hij heeft zulks bedacht en is er mee begonnen, de gevolgen komen dus ook voor zijne rekening, hij heeft het zoo gewild. Staat voor: toeleg. Middel-Nederlandsch belegghen = toeleggen; Kil. belegh = regeling, schikking. Vgl. beleggen, bij Verdam. Komt overeen met: ’t is zijn beleid, deelwoord van beleggen.
beleggen, beleggen, maken, aanleggen; “As men ’t zoo beleggen kon dat er niks beschreven wuir, Hou zōl joe dat toulieken bruir?”
beleren, beleeren, dresseeren van paarden voor het harddraven.
beleerd, zie: onbeleerd.
belet, belet doun, ongelegen komen; ik dou joe doch gijn belet? zooveel als: ik wilde u een bezoek brengen als het u past, ik hoop toch niet dat ik u ongelegen kom.
belgerij, belgeraide, het tuig eener arreslede. Zie: geraide.
believen, blijven, belijven, believen, behagen aan; as ’t in joen blijven is, ’n cent? van bedelaars als zij om eene aalmoes vragen, zooveel als: indien het u mag believen, behagen. Er ligt nog meer onderdanigs in dan wanneer men zegt: as ’t joe blijft. – blijft die ’t of blijft die ’t nijt? = zeg op, wilt gij het al of niet doen (voor mij); blijft, fatsoenlijker: blieft = als het u belieft, als gij zoo goed wilt zijn; blijft die ’t of blijft die ’t nijt = zeg, wilt gij het doen of wilt gij het niet doen? moe blieft ’n appel? meester blieft mien pen sputtert. juffrou blieft! bij ’t overreiken: als het u belieft het aan te nemen; wil meneer blieft ’n beetje oet zied goan? zoo goed zijn, enz.
belijden, belieden, zich, zich behelpen, vergenoegen; doar mōstoe die mit belieden. Bij Hooft: zich te lijden nevens de geenen die zich leden om zijnen dienst.
bella, bélá, (zelfstandig naamwoord), voor: schoonheid, meestal echter schertsend; ’t is ’n bélá van ’n maid = eene mooie, lieve, knappe meid. Wellicht van ’t Fransche belle.
bellen, bellen, (uitspraak als in belle 1) werkwoord; wanneer een kleed zoo haveloos is dat er lellen bij neerhangen, zegt men: ’t belt, ’t is bellêrg. Zie: lellebel.
bellerig, bellêrg, zie: bellen. Wordt ook van vet gezegd.
belochemd, belochêmd, (gesloten o) = bewalmd. Zie: lochêm.
belopen, beloopen, voor: door loopen verkrijgen; men ken de warmte wel beloopen = door loopen kan men wel warm worden (of: blijven); ik ken hom nijt beloopen = op schaatsen inhalen, en zooveel als: hij rijdt harder dan ik. Ook van knapen bij het tikspel, enz.; oploopen, door collecteeren bij de huizen verkrijgen; de kemissie het honderd gulden beloopen. Zooveel als: door loopen verkrijgen; het te spoedig rijpen van koren of zaad door fellen zon; de garst is wat te gau beloopen.
(verleden deelwoord), voor: door elkander loopen van kleuren ten gevolge van het nat worden van een kleedingstuk. Ook: wanneer de wasch niet gelijkelijk opdroogt, wat vooral bij eene vochtige lucht het geval is, en er gele kringen door het linnen en katoen komen. Wordt ook van vensterglazen gezegd, die, gewasschen zijnde, door de zon te spoedig opdrogen; de gloazen bin beloopen; effen, plat getreden; dat pad is nog nijt beloopen (nadat men er zand op heeft gebracht; of van een pad gezegd dat over bouwland loopt); bereden; ’t ies noa Onder’ndam ken nijt beloopen wor’n;
belot, belotjed, belotjêt, zie: beloazerd.
beloven, beloven, verzekeren, de verzekering geven; ’k beloof joe dat ’t hard wait = gij kunt er op aan dat het hard waait; dat wi’k joe beloven! = dat durf ik u met nadruk verzekeren, òf dat waar zal zijn!
belslee, belslee, belslede, in geschrifte belslede = arreslede; ook Friesch; – Oostfriesch bellenschlä. Aldus om de narrenbellen (klunen), die aan weerszijden van het paard hangen, en die dus tot het tuig eener zoodanige slede behooren. Alzoo is: bellenslede, te verkiezen boven: belslede (v. Dale) Kil. bellen = schellen; v. Dale: bel = schel.
belster, belster, zie: eelsk.
beluisteren, belustêrn, in het Goorecht beluustêrn = beluisteren. Zie: lustêrn.
belukken, belukken, zie: bedegend.
belukt, belukt, zie: bedegend. Oudtijds slagen = slaan; beslaan = slagen, gelukken; Hooft beslaaghen = uitvallen, wel slagen, wel gelukken. (v. Dale: beslaan = gelukken.)
belullen, belullen, druk pratende behandelen, inzonderheid bij een borrel; wat belul ie doar doch mit ’n kander?
belusten, belusten, benieuwen; ’t zel mie belusten, ook: – beneien wat’r van komt = ik ben nieuwsgierig omtrent dien afloop. Vgl. v. Dale art. belusten.
belutten, belutjen, uit de hand vallen, wanneer het blijkt dat eene hoeveelheid bij ’t gebruik niet zoo toereikend is als men dacht; ’t belutjede mie dou ik onze törfbult zag = ik meende dat wij meer turf hadden. Er ligt eene kleine teleurstelling in opgesloten. Zie: luttîk en vgl. begrooten.
bemand, bemand, in: goud (of: slecht) bemand wezen = voor een werk een voldoend aantal werklieden hebben zoodat dit geregeld kan uitgevoerd worden, bv. bij ’t hooien, raapzaaddorschen, enz.; zwak (of: slecht) bemand wezen = één of meer mannen te weinig in het werk hebben. Aan de zeevaart ontleend.
bemerken, bemarken, bemerken. Wordt sterk vervoegd: bemōrk, bemōrken.
bemesten, bemissen, bemesten; zie: mis.
bemeten, bemeten, voor: meten; ie mouten ’t goud bemeten of ’t ’r oet ken = nauwkeurig meten of bv. de lap voldoende is voor een kleed.
bemiegen, bemiegen, bepissen; fig.: zich bemiegen van lachen = zich ziek lachen. Zie: miegen.
bemieteren, bemietêrn, kwellen, plagen. Ook = bedriegen (Marne): “Dat Oarend mie bemieterd het, dat heb ’k zegd.” Vgl. mietert, en: mietêrg.
bemoeienis, bemuienis, berouw, spijt; van dei koop heb ’k gijn bemuienis. Zie: muien.
bemontering, bemundêrn, (bemontering), voor: bewustzijn; hij kon heur nijt in bemundêrn kriegen = niet tot bewustzijn brengen. Vgl. monter.
ben, ben, doorhaler, voor pijpen.
ben je me, benjemin, verbastering van: ben je me. Als men iets beschrijven of aanduiden wil, dat buitengewoon groot, enz. is, zegt men bv.: ’t was ijn (een visch) van wat benjemin; doar kwam en scheur in ’t ies van wat benjemin. “hij vangt mie doar ’n snouk van wat benjemin!” In het Goorecht zegt men hiervoor: welbemie, of: welbimie.
benaaien, benaien, (iemand) = het naaiwerk verrichten om zijne kleeren in orde te houden. Zie ook: belappen.
benaderen, benoadêrn, voor: krijgen, pakken, bemachtigen; “den nam ik weer ’n neie oet ’t land en ieder bot ’t beste peerd dat ik moar benoadern kon.”
benauwd, benaud, benoud, benauwd, naar, ellendig, bedroefd; zuinig, ’t is ’n benaud spul = ’t is eene verdrietige omstandigheid, als het kleinigheden betreft; ’n benaude kerel = een kleingeestig man, in geldzaken; wat is ’t doch benaud (of: noar) = men moet zich er over bedroeven, nl. over iemands wangedrag, domheid, kleingeestigheid, of: zijne ongelukken, enz.; joa benaud! zooveel als: dat ken j’ begriepen! = ik geloof er niets van; ’n benaud luk bietje = een onnoozel klein stukje; ’n benaud beetje = heel weinig. Noord-Brabant benauwd = zuinig, karig; Oostfriesch benaud = gierig, armzalig; Nedersaksisch nauigkeit = karigheid. Hooft: zich benaauwen = zich bekrimpen.
benetten, benetjen, net, of: netter maken; dat ken ie nog wel wat benetjen.
beneuzelen, benussêln, langwijlig, peuterig werk verrichten; wat benusselt zij doch? zooveel als: krijgt zij het niet af? komt daar geen eind aan?
bengel, bōngel, bungel, een houten blok, elders kluister geheeten, dat men den paarden aan een der voorpooten hecht om ze in de weide te houden; fig. voor: klein kind, zuigeling, of ook: lastige vrouw; ʼn bōngel an ʼt bijn hebben = niet vrij kunnen uitgaan, wanneer en waarheen men wil, aan banden liggen. – Voorts een houten voorwerp, soms in den vorm van een kruis, dat den jachthonden om den hals wordt gehangen volgens art. 24 der Jachtwet van 1852, en aldaar kruisbungel, Groningsch kruisbōngel, kruusbungel, genoemd. Zie: bōngeln en kwel.
bengel, bōngel, bungel, bengel, kwâjongen; zooʼn bungel van ʼn jong dut net wat ’e wil. Ook voor: dwarsdrijver. Zie: dwarsbungel.
bengel, bengel, zie: bengeln.
bengels, bingels = oorbellen; zij het golden bengels in d’ooren kregen.
bingels (Auwen) = oorringen.
bengelen, bōngêln, bungêln, dwarsboomen, dwarsdrijven, den voortgang eener zaak beletten door tegenwerking = de bōngel d'r in gooien; – ʼt bōngelt (of: bungelt) ʼr zoo wat langs (of: lans) = ʼt is er wel niet mee zooals ʼt behoort maar de huishouding of de zaak gaat toch haren gang, zij sleept zich voort; ʼt bongelt ʼr bie an, eigenlijk: ʼt hangt er zoogoed als los bij aan en sleept zoo mee; – bōngeln, bungeln, in eig. beteekenis: hangende heen en weer bewegen; Van vrouwen die achter den man loopen, zooals bij daglooners en in ʼt algemeen bij boersche lieden de gewoonte is, zegt men: dat zij dʼr achteranbungelt. Zuid-Nederlandsch bongelen = slingeren. Hoogduitsch baumeln, Geldersch, Oostfriesch bungeln = schommelen; Oostfriesch dwasbüngeln, dwarsbüngeln. Drentsch bōngeln = plagen, tergen. (Bij v. Dale: bungelen, onzijdig en bedrijvend; genoemde werkwoorden zijn alle onzijdig)
bengelen, bengeln, luien met den bengel, klokje bij de voormalige A-poort en Kleine poortje te Groningen, als waarschuwing dat de schuit met vijf minuten zal vertrekken. Op sommige plaatsen wordt van zulk een’ bengel gebruik gemaakt, (ge)bengeld, om het werkvolk aan te kondigen dat het schafttijd is; ook voor het luien op onze stoombootjes en bij de stations; lúden (luien) doet men hier alleen met de torenklok. In Amsterdam wordt gebengeld vóór het afvaren der schuiten en het sluiten der poorten; in Noord-Brabant verstaat men er onder het luiden van de kleine klokken bij begrafenissen; eveneens in Holsteinsch waar het eigenlijke luiden op zon- en feestdagen geschiedt; Oostfriesch bingeln, pingeln = luien met eene kleine klok, zijnde geene kerkelijke verrichting. (v. Dale: bengelen = luien).
benieuwd, beneid, benieuwd; zie: beneien.
benieuwen, beneien, beneeën, bij Swaagm. ny doun = benieuwen; ’t beneit mie slim = ’t dut mie nei as vlijgen = ’t verwondert mij ten hoogste; ’t zel mie neien wat hij zeggen zel; ’t zōl mie neidoun as hij kwam; doar keek ik nei van op = daar zag ik vreemd van op; dat huift joe zoo nei nijt te doun. Spreekwoord: ’t Zel mie ijs beneien wel mie krigt, har ’t wicht zegt. Vgl. nei 2.
benjamin, benjemin, Ook voor: de jongste der kinderen in een huisgezin, het troetelkindje, bij v. Dale Benjaminnetje. Vgl. Zeeman, p. 72.
benoemen, benuimen, benoemen, bij de geboorte naar iemand noemen; nog nijt benuimd wezen = geen lid in de familie hebben die naar zoo iemand genoemd is. In deze provincie is het de gewoonte om het eerste kind naar een zijner grootouders van vaders zijde, het tweede naar die van moeders zijde te benuimen; alsdan komen de ooms en tantes aan de beurt. Oostfriesch benömen. (v. Dale: benamen = een naam geven (verouderd))
bent, piōnt, bunt, piōnt (Oldampt, Westerwolde) = bunt (Fivelgoo) = afgesneden veengrashalm, bentgras. Zij worden hier algemeen gebruikt om de pijp er mee door te halen, ook wel om tot een bos gebonden, er eene soort van bezem, een piontbessem, van te maken en dien als haardveger te gebruiken. In ʼt Oldampt, enz. vraagt men om eene piōnt, in de Ommelanden om eene roai, of: pieproai, wanneer de pijp verstopt is; in beide gevallen zal men u zulk een halm toereiken. Oostfriesch piünte, pieunt, biunt, bente; Drentsch bent, Zwolle bentgras, de halm van de blauwe Eenknoop, Nijmegen smeeltjes, Engelsch bent, Oud-Hoogduitsch pinuz, binuz, Middel-Hoogduitsch binz, Hoogduitsch Binse, Oud-Nederlandsch biendse, bindse. – Beide woorden moeten tot: binden, gebracht worden.
bentbezem, piōntbessem, zie: piōnt.
bentspier, piontspier, zooveel als: piont, zoolang zij op het veld staat, maar alleen in het Spreekwoord: Schoel, zee de vos, dou kroopʼe achter ʼn piontspier (Oldampt) = Lei, zee de vos, en kroop achter ʼn raitspier (Ommelanden), schertsend wanneer men zich achter iets verbergt wat daartoe volsterkt niet kan dienen, of: wanneer verschuilen niets baat. Oostfriesch Schûl, säʼ de fos, do satt hê achter ʼn benthalm; Oldenburgsch Hier is schuul, sä de vosz, un kroop achter ʼn bänthalm.
benul, benul, besef, zelfbewustheid; de zieke het gijn benul meer = ligt bewusteloos neer; hij het ’r gijn benul van = hij beseft het niet, heeft er geen denkbeeld van; ook: begrijpt het niet; oaverei an ’t benul hebben = half krankzinig zijn. Geldersch benul = verstand; Oostfriesch benül, Osnabrück vernull. (v. Dale: belul (= benul); Weil. belul = doorzicht, besef, een woord hetwelk voorheen zeer gebruikelijk was, doch thans niet zeer sticht; in den lagen spreektrant alleen nog in zwang.) – benul zal de ware spelling zijn, en tot het Oud-Hoogduitsch nal, nul = het hoofd, nuilla = de schedel; Oud-Friesch holla, Friesch holle, Engelsch noll, noddle, Middel-Hoogduitsch nulle, nol, Angel-Saksisch hnol = hoofd, schedel, gebracht worden. Vgl. v. Dale artt. onbenul, en: onbenullig.
beorderen, beoddêrn, (beorderen) = in orde brengen, orde op iets stellen, de noodige schikkingen maken, beredderen. Deensch beordre, Hoogduitsch beördern = met iets belasten. Vgl. om de uitspraak: odder = orde, en: order; vöddern = vorderen; vōt = voort; slōddêrg = slordig, enz.
bepaald, bepoald, (modewoord), voor: zeker, waarlijk; ’t is bepoald woar; da’s bepoald zoo; ik koom bepoald; ’t is bepoald kold. Ook alleen: bepoald! zooveel als: gij kunt er vast op rekenen, en = waarachtig!
bepaald, bepoald, gesteld; hij ’s t’r op bepoald om ’n nei hoes te zetten; ik bin op dat broene peerd bepoald = dat paard is mijne keuze; ik kon mie nijt bepoalen (bij eene keuze) = ik wist niet wat ik zou kiezen.
bepaapt, bepoapt - bepist, (alliteratie); hij stōn doar as bepoapt en bepist = hij stond daar beteuterd, verlegen.
bepakken, bepakt en bezakt, zie: gepakt en gezakt.
bepalen, bepoalen, in: hij ken zōk nijt bepoalen = hij kan zijne gedachten niet op één punt houden gericht, hij is dikwijls verstrooid; eigenlijk zooveel als: tot één ding of ééne zaak beperken.
bependen, bepennen, door dammen afsluiten, van slooten, enz. Zie: pendam.
beportlanden, beportlanden, bepoortlanden, zie: portland.
bepoten, bepoten, het poten (bv.) van aardappelen, boonen in den tuin of op den akker; hij het de halve toen mit eerappels bepoot. Zie: poten.
beppe, bep, beppe, beb, bebbe, grootmoeder; begint ook bij de lagere klasse in onbruik te komen; mit beppes hand (Oldampt) = mit mems hand (Ommelanden) = met de linkerhand doen wat men gewoonlijk met de rechterhand verricht; noa beppes kelder goan = fig. = naar den kelder gaan, (zie: zank) Drentsch beppe, böppe; – Overijselsch böppe = grootvader; beppe, bessien = grootmoeder; Friesch beppe, Geldersch bebbe. Oostfriesch beppe. (Op Marken bappe, Zuid-Holland beb = grootvader.) (Te Uskwerd staat een oud gebouwtje, onder naam van Beb- of Bepschuur bekend, ook in Notarieele akten. “Verkooping van eene behuizing met Bebschuur.”)
bepreken, bepreeken, zóó preeken dat hij (de predikant) op alle plaatsen in de kerk goed verstaan kan worden; dei doomnie het ’n zachte stem, hij ken dei groote kerk nijt bepreeken.
dei doomnie mout twei kerken bepreeken, zooveel als: hij heeft eene gecombineerde gemeente.
bepruttelen, bepruttêln, berispen; doe mōst mie nijt bepruttêln = – nijt op mie prutteln; zie aldaar.
bepuinen, bepunen, bepuinen, in geschrifte bepuinen = een weg verharden door er eene laag puin, stukken baksteen, op te brengen.
beraad, beroad - berou, (alliteratie); in beroad en berou stoan = in beraad staan, besluiteloos zijn. Oostfriesch in beraat en berau nämen.
beraasd, beroasd, berispt, bestraft. Zie: roazen.
(Marne) = gekneusd, ontstoken, een leelijk gekwetst voorkomen hebbende, bv. van appelen gezegd.
beraden, beroaden, een besluit nemen; ’k heb mie d’r op beroaden (=– op bedocht) = ik heb er ernstig over nagedacht, en ook: ik heb mij er nader op bedacht en ben van besluit veranderd. Middel-Nederlandsch wel beraden, zelfde als wel bedacht = verstandig, wijs; het tegendeel van ons tegenwoordig onberaden = onverstandig. (Verdam kol. 907).
berapen, beroapen, zie: besmieten.
berappelen, berappêln, berabbêln, in grooten haast eenige huiselijke bezigheid verrichten; ’kon ’t zoo gau nijt berappêln; ’k mout zijn of ’k dat nog tegen dei tied berappêln ken. Oostfriesch berappen, Hoogduitsch beraffen (ofschoon niet bij Akveld.)
berde, te borde brengen, te berde brengen.
beredden, beredden, waarvan: bered, (bijna alleen dit voltooid deelwoord), voor: beredderd; ’t is bered = ’t is in orde, ’t werk is gedaan. Zegswijs: hij’s t’r mit bered = hij is er ook, zelfs nog meer mee behept. Zooveel als: bereed (= bereid), aangekleed, hij steekt in ’t zelfde pak. Vgl. rijden.
berekenen, bereken, berekenen, en: berekening; fig. dat is gijn bereken = dat is eene onderneming die op schade moet uitloopen.
berekening, bereken, berekenen, en: berekening; fig. dat is gijn bereken = dat is eene onderneming die op schade moet uitloopen.
berekken, berekken, bereiken, in eig. beteekenis, den arm zóóver in de hoogte uitstrekken, dat men een voorwerp kan grijpen, bv. van eene plank nemen. Vgl. ofrekken.
beren, beren, (over iets) = misbaar maken, ophef hebben met nietigheden. Ook in Noord-Holland waar het begint te verouderen; zich beren = zich houden, aanstellen; gebeer (= het beren) = misbaar, aanstellerij, ook Noord-BrabantDrentsch beren = roepen, schreeuwen; Friesch beare = gieren, huilen. Het oude: baren, beren = een sterk geluid voortbrengen, Angel-Saksisch berian, Oud-Friesch baria, Oostfriesch, Nedersaksisch baren, bären = luid roepen, schreeuwen, een klagend hulpgeschrei aanheffen; gebaar, geschreeuw, gehuil; Friesch beren, baren = zich gedragen, aanstellen, voordoen, Noordfriesch da beere, Holsteinsch beeren. Vgl. Hoogduitsch die Gebehrden, en ten Doornk. art. bären, bêren. (v. Dale: beren = schreeuwen als de olifant en rhinoceros; gebaar, oudtijds = geklag, geschrei, rumoer, leven, gedruisch, van voorwerpen.)
berenbijt, berebiet, beerbiet, in: hij zit altied in de berebiet = – ien beerbiet = hij heeft altijd twist, schijnt een beminnaar van gehaspel en gekijf, zelfs van procedeeren, te zijn. Zooveel als: tusschen een beregebit, tusschen de tanden van beren.
berensnijder, beresnieder, zie: beer 2.
berevet, berevet, zie: mōddervet.
berg, barg, berg; koopmans- en schipperswoord (Stad-Groningsch), in: ’k heb de barg kregen = het uiterste, den hoogsten prijs gekregen. – Onze huisvrouwen spreken allicht van barg als zij een hoop bedoelen; zij hebben ’n barg naien, als zij veel naaiwerk onder handen hebben, van bargen, ook: stoapels mangelgoud, enz. Zie ook: boonakker.
Berg van Clavaria, Berg van Clavaria, naam eener herberg te Roodeschool, zooveel als: kruisheuvel. “In Katholieke landen noemt men elke hoogte en kapel, waar een kruis, of, met het oog op de kruisiging van Christus tusschen de beide moordenaars, en waarheen men in den vastentijd bedevaarten doet, Calvariënberg, van ’t Latijnsche calvaria, schedel.” (Convers. Lexik. art. Golgotha.) Het burger-hospitaal te Maastricht, in de Abtstraat, heet: Gesticht Calvariënberg.
bergen, bargen, (werkwoord) = bergen; ik wōs mie nijt te bargen van pien = ik was radeloos van pijn. Onvoltooid verleden tijd (Oldampt, Westerwolde) bōrg, bōrgen, Ommelanden burg, burgen.
berm, barm, berm, wat door gisting op het bier komt en waarvan gist bereid wordt; ook het bezinksel, de droesem, ’t welk tot hetzelfde doel dient. Oostfriesch barm, Hoogduitsch Bärme, Sleeswijksch bärm, Engelsch barm, Deensch baerme, Noordfriesch barm, berme = vloeibare gist; Angel-Saksisch bearma, beorma, Middel-Nederlandsch barm, berm. – Van het oude: baren, beren, Nedersaksisch bären, opheffen van het Gothische bairan = dragen.
berm, barm, berm, walrand, berm; meervoud barms; de barms van de weg. Hoogduitsch Berme, bijna verouderd; Bram, Bräme = rand, Fransch berme. Vgl. ’t Hoogduitsche verbrämen = omzoomen.
beroeden, beruden, zich in iets, bv. in eene bezigheid beruden, ook: betoestêrn = er mede in verbiestêrn (verbijstering) komen; in ’t spreken zooveel als: den draad van eigen redeneering verliezen, de kluts kwijt raken. Synoniem met: vertoezemoezen.
beroepen, beroupen, beroepen; hij het ’t beroupen = hij heeft zich van een vonnis op eene hoogere rechtbank beroepen. Vervoeg.: doe beropst, hij beropt, enz.; ik berijp, doe berijpst, hij berijp, ook: ik beruip, doe beruipst, enz.
beroerd, beroerd, wat onaangenaam en afkeurenswaard is; da’s beroerd doun = dat is eene lage handeling; ook = eene gemeene behandeling; ’n beroerd geval = eene misselijke zaak; da’s jà beroerd! = dat is zeer onaangenaam, lastig, enz. Ook voor: ongesteld, onpasselijk; ’k bin zóó beroerd! = ik gevoel mij lang niet wèl; beroerde vent, enz., scheldwoord voor: ruziemaker, valschaard, enz. (v. Dale: beroerdeling = ellendeling, beroerde kerel.)
beroerling, beroerling, enz., scheldwoord voor: ruziemaker, valschaard, enz. (v. Dale: beroerdeling = ellendeling, beroerde kerel.)
berouwen, berauen, berouen, berouwen; in eig. zin: rouw dragen over iemand; ik begeer nijt beraud te wor’n = het is mijn wensch dat de familie geen rouw aanneemt.
berzie, berzie, barzie, birzie, voor: menigte, troep, van kinderen, koeien, enz. gezegd; komt ’n hijle birzie an. Moet tot: birzen gebracht worden daar men er altijd eene bewegende, woelige hoop mee bedoelt.
bes, beren, (Niezijl, enz.) = bessen. Hoogduitsch Beeren = bessen, beziën.
bes, bes, besse, grootvader, evenals bep, alleen bij de lagere klasse in gebruik, en = besje. De e wordt gerekt uitgesproken. (Weil. bes, in den gemeenzamen spreektrant voor: grootmoeder; v. Dale: bestje = grootmoeder, en: best = bestemoeder, oude vrouw.) Marken: bestje = grootmoeder. Ons woord staat voor: bestevader.
besaaksemd, besoaksêmd, bebliksêmd; zie aldaar. Alleen het deelwoord is in gebruik.
beschapen, beschoapen, meer ouderwetsch bieschoapen = geschapen, gesteld; dei zoak stait zóó beschoapen = het is met die zaak aldus gesteld. Alzoo wisseling van ge, en: be.
bescheid, beschei, zie: vrei.
beschelmen, beschelmen, (Hoogeland), in de kinderwereld voor: bedotten, foppen, bedriegen bij het spel.
bescheten, bescheten, in: bescheten wegkomen = d’r bescheten ofkomen = bedrogen uitkomen, naar verdienste teleurgesteld worden. Van: schijten.
beschikken, beschikken, vorderen, beschieten, voorzoover dit zintuigelijk merkbaar kan zijn; ’t beschikt nijt = het werk vordert niet naar wensch; hij beschikt nijt = zijn arbeid vordert weinig, en ook: hij komt niet vooruit omdat hij korte beenen heeft, of omdat hij langzaam gaat. Vgl. hōrtjen, en zie ook: schikken.
beschooien, beschōntjen, beschōnten, door veel geloop, gevraag, gebedel iets zien te verkrijgen; wat beschōntjet hij doch! = wat wil hij toch met al dat geloop? zij het al ’n hijle bult beschōntjet (of: beschōnt) = zij heeft al heel veel centen, levensmiddelen, enz. bij de huizen opgehaald. Dit laatste ziet alleen op ingezetenen. Oostfriesch beschundjen = stelen, enz. Zie: schōnten, en: schōntjen.
beschot, beschot, zie: schudden. (Komt van: beschieten, in de beteekenis van: vorderen, vooruitkomen.) “Nu de beschotten het ook al niet verder kunnen brengen dan tot middelmatig, brengt de aardappelcultuur al weinig zoden aan den dijk en maakt de positie van menig landbouwer wankelend.” (Slochteren 17 October 1895).
beschreppen, beschrippen, met veel moeite eenig werk afgedaan krijgen; de huisvrouw ken ’t hoast nijt beschrippen, bv. dat het eten op tijd gereed is, enz. Zie: schrippen.
beschrijven, beschrieven, (= beschrijven), in den zin van: iemand een schrijven doen toekomen; wie kennen hōm nijt beschrieven, zooveel als: wij kennen zijne verblijfplaats, weten zijn adres niet.
beschuittrom, beschuuttetrōm, (meervoud beschuuttetrōmmen) = beschuittrommel.
beseibels, beziebels, besiebels, besiebies, (bijwoord) = in ’t geniep; “Besiebels mos het vrijen goan, – Bie nacht en bie ontieden.” Behoort tot het Bargoensch.
besibd, besibt, besipt, (bevriend) = tot de familie behoorende, verwant, bloedverwant zijn; hij is mie noa besibt = hij is een naaste bloedverwant van mij. Old. Landr. IV, 15 besibbet; Oostfriesch besibbt, Hoogduitsch besippt = verwant. Middel-Nederlandsch besibbeteekenis Van sibbe, dat is familiebetrekking; verwant, door bloedverwantschap verbonden, Middel-Nederduitsch besibbet, Middel-Hoogduitsch besippe. Sonder onsen raet ende onser vrienden, die ons besibbet syn. (Cron. v. Vlaend. I, 134. (Verdam.) Zie: sibbe.
besisseren, besistêrn, beet nemen, foppen, bedonderen, vervaard maken, zooveel als: met een sister bang maken. Zie: sas.
besjacheren, besjaichêln, besaichêln, beschaichêln, in kleinigheden bedriegen, foppen, dat dan ook gewoonlijk niet erg wordt opgenomen. Kil. beseycken = bepissen. Vgl. beschijten (fig.).
besjacheren, besjachêrn, bedriegen; ook: door schacheren verdienen. Van: schacheren, en dit van het Hebreeuwsche sachar, rondgaan, bepaaldelijk om handel te drijven, handel drijven; Jodenduitsch saucher, socherer = koopman. (R. Dozy, Oosterlingen, bl. 81.)
besjouwelen, betjauêln, betjouêln, al babbelende overleggen, zottepraat houden; wat betjauêl ie doar doch? Wordt alleen van vrouwen gezegd. Zie: tjauêln.
beslaan, besloagen, beslaan; iets mit de gek besloagen, ook: “doe wil ’t weer mit de grap besloagen” = eene beschuldiging, bitse aanmerking, enz. met scherts of een kwinkslag beantwoorden, waarin ligt opgesloten: hij toonde er zich niet boos om. Vgl.: beslag op iets leggen. Het doel is gewoonlijk om de lachers op zijde te krijgen en er zich zoo uit te redden. Friesch: hij bislôoch it mei de gik = stak er den draak mee. (v. Dale: met den gek besluiten = aan eene zaak, die in ernst behandeld is, met gekheid of scherts een einde maken.)
beslabberen, beslabben, in: hij zel hōm d’r nijt an beslabben = hij zal er niet veel van krijgen, bv. bij eene uitdeeling, of: als er wat te deelen valt. (v. Dale: beslabberen, beslabben = bemorsen bij het eten van dunne spijzen.)
beslag, beslag, alles wat tot het bedrijf van den landbouwer behoort, paarden, vee en landbouwgereedschappen; ook van arbeiders, vast dienstvolk wat de boer noodig heeft; boerenbeslag = de landbouwwerktuigen die een boer moet aanschaffen; dei smid het ’t mijste boerenbeslag = heeft het meeste boerenwerk. In annonces leest men o.a. “Boeldag van een compleet boerenbeslag.” – “Boeldag van eggen en verder boerenbeslag, karn- en melkgereedschappen.” – “Verkooping van 5 wipkarren en verder boerenbeslag, karn- en melkgereedschappen;” – ’t veibeslag = het vee (de veestapel) dat een landbouwer noodig heeft. – Ook wel = beschot; ’n goud beslag = wat veel oplevert. (Behoort tot: besloagen 2.) Kil. beslach, vulsel = datgene waarmede iets aan- of opgevuld wordt. In Zuid-Nederland: bekleeding van eene hofstede = al het roerend goed, vee, werktuigen.
beslagen, besloagen, zie: bedegend. Oudtijds slagen = slaan; beslaan = slagen, gelukken; Hooft beslaaghen = uitvallen, wel slagen, wel gelukken. (v. Dale: beslaan = gelukken.)
beslagen, besloagen, in: ’t land is te zwoar besloagen = er loopt te veel vee in het land om in gewone omstandigheden den geheelen zomer voldoende weide te hebben. Vgl. beslag.
in: dat wicht is besloagen mit gold, zooveel als: dat meisje is omhangen en bedekt met gouden sieraden. (Dat hier van overlading, dus ontsiering sprake is behoeft nauwelijks gezegd te worden.)
beslagpot, beslagspot, pot waarin men meel beslaat; ook: mengselpot.
beslanteren, beslantêrn, zie: begrijmen. Stadsfriesch slanteren = morsen.
besleten, besleten, de sporen van het slijten dragend, van kleederen gezegd; dat klijd is al wat besleten.
beslodderen, beslōddêrn, zie: begrijmen.
beslommering, beslōmmêrn, (beslommering); ’n groote beslōmmêrn hebben = een bedrijf waaraan vele en veelsoortige werkzaamheden zijn verbonden en dat veel bedrijfskapitaal eischt, bv. eene boerderij van honderd of meer bunders. Eene zaak dus die veel hoofdbreken kost. (v. Dale: beslommering = zorg; Weil. zich beslommeren = zich in allerlei verwarde zaken steken; een beslommerde = een verwarde boel.)
beslot, beslōt, beslut, voor sluiting; d’r is gijn beslōt in (of: an) = ’t is te wijd, zoodat het niet sluit, of niet past; gijn beslōt in de mōnd hebben, schertsend = onophoudelijk babbelen, niet weten te zwijgen of het woord aan een ander te gunnen.
besluiten, besloeten, (= besluiten), voor: zonder opzet in eene kamer of kast opsluiten; ik bin hier bie mien goud, ie mouten mie nijt besloeten, dat is de deur niet dicht doen.
besmijten, besmieten, (besmijten) = beroapen = bepleisteren met kalk of Portland-cement; muren besmieten, enz.
besmikkelen, besmikken, bemorsen, bezoedelen. Deensch besmitte. Vgl. Nederlandsch besmetten. Zie: smik.
besmoezeld, besmoezeld, niet zuiver schoon, bv. van glaswerk; besmoezelde brille (Wildeboer.)
besnuiten, besnuten, (besnuiten) = beletten; beperken; iemand besnuten = hem verhinderen zijn plan uit te voeren. Ook: hem minder loon, vrijaf, enz. te geven.
besnuiven, besnoeven, (= besnuiven). Wanneer een jongen met een meisje heeft gevrijd, zegt men: zij hebben kander al besnoven, zooveel als: besnuffeld, dat is: zij hebben nadere kennis gemaakt, zij zijn elkander niet zoo geheel vreemd meer.
bespatteren, bespōttêrn, bespattêrn, besputtêrn, bespattêrn (Goorecht) = bespatten, inzonderheid met weeke of natte modder, en water. Zuid-Nederlandsch bespatteren.
bespelden, bespellen, afzetten door het steken van spelden. Zie: spel, spelle.
bespieren, bespieren, voor: stuiten, alleen in: de geboden bespieren = den voortgang van een huwelijk stuiten, beletten; ook Drentsch, Overijselsch, Friesch: de geboden spieren; Old. Landr. III, 14: die renteniers mogen dat met rechte besperen (nl. het afbreken hunner huizen beletten); Ommel. Landr. VII, 25: Dat Recht behoort zijn voortgangh te hebben, sonder eenige private bespeeringhe. Middel-Nederlandsch bespieren, besperren, besparren = belemmeren, verhinderen, iemand de uitoefening van zijn functiën beletten. (Verdam, art. besperren.) En: bespieringe, besperringe, Middel-Nederduitsch besperinge = belemmering, verhindering, tegenwerking. (Verdam art. besperringe.) – Nedersaksisch: het verouderde bespeer = versperring, hindernis, beletsel. – Zal zooveel zijn als door eene spier (spar) iets af te sluiten, een slagboom te plaatsen op een’ rijweg, enz. (Zie Gr. Wbk. II, 38, art. Akte van sluiting.)
bespreken, bespreken, bezweren; ’n hond bespreken, zooveel als: van de geheime gave gebruik maken om de kwaadste honden oogenblikkelijk te beheerschen, zoodat zij zoo ienand niet durven bijten, zelfs niet tegen blaffen. – Ook: bespreken van een verstuikt lid, door onder het strijken eenige woorden, een tooverformulier, uit te spreken, te prevelen. Voor het bespreken van een bijenzwerm (om die nl. bij honk te houden) heeft men een zeer vroom formulier, waarbij Vader, Zoon en Heilige Geest worden te pas gebracht. Middel-Nederlandsch bespreken = een tooverformulier over iets uitspreken, het betooveren. (Verdam kol. 1088). Oostfriesch bespreken = beheksen; een geweer bespreken = beheksen, zoodat het niet afgaat. Ook hierbij worden eenige tooverwoorden gemompeld. In Westfalen ook: bespreken van eene kwaal. In Holstein heerschte (of heerscht) het bijgeloof, dat oude vrouwen en ook andere personen, door bespreken, dat is door het aanroepen van zekere dingen den wasdom kunnen beletten.
best, best, in: ’t is best meugêlk = ’t is licht mogelijk, ’t kan best waar zijn; ’t is nog ’n man op zien best = een man nog in de kracht van zijn leven, op het beste van den leeftijd; ook Holsteinsch..
al zien best, zie: al. – Ook = uit alle macht; hij begunt al zien best te roupen = hij begint te roepen zoo hard hij kan. Drentsch hij begunt zien best te rèrren (schreien).
uut best, uut gouder best, met eene goede bedoeling; ik zee (of: dee) ’t nog uut best = mijn goede raad (of: daad) werd niet op prijs gesteld; ook: men nam mij zulks kwalijk.
uterste best, in: wie willen ons uterste best, ook: – ons stiefste doun = wij zullen al onze krachten inspannen, zoo hard mogelijk werken.
’t beste, in den afscheidsgroet: nō, gezondhaid en ’t beste! ook: ik wens joe ’t beste! of alleen: ’t beste! (= al wat wensêlk is!) waarop als wedergroet volgt: insgelieks! of: ook zoo’n porsie! “Nou, ’t beste Harm. De groutnis! Koom d’r ook as uut.”
best goed, bestgoud, (pleonasme); zie: goud.
best zo, bessoo, (voor: best zoo) = goed zoo, heel wel, als uiting van tevredenheid met, of over iets, waarvoor men in een ander geval of tegen een ander: dank je, zou zeggen. Vgl. goedzoo.
bestaan, bestoan, in: ’k bin d’r niks op bestoan = ’k heb ’t’r niks op begrepen = ik ben er in ’t geheel niet op gesteld, ik verlang niet dat mij zulks ten deel valt, ik wensch daarvan verschoond te blijven.
bestaan, bestoan, geldig zijn, in rechten kunnen gehandhaafd worden; dat testement ken nijt bestoan = dat testament is ongeldig. Zie: mensdōm.
bestand, bestand van weer, stand van weer, bestendig weder, mits na een’ regenachtigen tijd, of vele buiige dagen; overigens zegt men: vast weer, tegengestelde van: lös weer.
besteden, besteden, voor: verhuren, van dienstboden; zij is nog nijt besteed = zij heeft nog geen dienst voor ’t volgende jaar; bodenbesteder = verhuurder van manlijke, – bodenbesteedster = verhuurster van vrouwlijke dienstboden; Oostfriesch bestäden; Zuid-Nederlandsch besteden = verhuren. Op het Hoogeland is het gebruik dat knechten en meiden zich vóór den nieuwjaarsdag besteden. Wordt een dienstbode vóór dien dag niet gevraagd om te blijven dan is dit een teeken dat hij (of: zij) met Mei moet vertrekken. – Als deftige uitdrukking voor: begraven, geldt: ter oarde besteden, bij Kil. besteden ter aerden, Nederlandsch ter aarde bestellen.
besteigeren, bestaigêrn, oprichten van eene steigering; de Martinitoren wordt bestaigerd.
bestek, bestek, voor: maat, nl. van turf. Men spreekt van een groot, of klain bestek, naar mate een dagwark, of stōbbe meer of minder tonnen oplevert; – ’n klain bestek = eene kleine ruimte, waar alles wat men volstrekt noodig heeft, bijeen moet zijn, bv. in de kajuiten van kleine schepen; alles noa bestek hebben = – zooas ’t heurt = naar behooren, waarvoor men elders zegt: naar den aard, wat nl. de inrichting eener huishouding, de meubelen, enz. betreft; ’n sneu bestek = teleurstelling, als men zich, en met reden; vrij wat van iets voorstelt, en dit geheel mislukt of zeer tegenvalt; ’n schoadêlk bestek = misrekening, eene handeling die ons schade berokkent, in plaats van voordeel op te leveren; dit natte weer is veur boer en arbaider ’n schoadêlk bestek. Zie: sneu.
voor: regel, leefregel, inrichting eener huishouding; wat hebben dei mensen ’n roar bestek, zij eten om vijr uur, enz., zooveel als: zij voegen zich niet naar het gebruik, zij wijken geheel van de plaatselijke gewoonten af.
plan, voornemen, afspraak; ’t bestek is dat wie mör’n noa stad zōllen; ’t bestek is zoo, as ’t weer moar goud blift.
bestekamer, beste koamer, ’t arbeidersvolk zegt schietgemak, en: schiethoes = privaat.
besteld, bestelde, vastgestelde, afgesprokene; ’t is ’n bestelde verziete = een vooraf onder de vrienden bepaald bezoek.
bestellen, bestellen, gebieden, order geven, besturen; de vrouw bestelt de meid wat zij doen moet; ’t is mie nijt besteld, zooveel als: ik ben er niet mee belast en behoef het dus niet te doen; zij bestelt alles (ofschoon zij ziek is) = zij regelt alles.
besterven, besturven, (= bestorven) voltooid deelwoord van bestarven (besterven), in: dat is hōm in de mōnd besturven = daar spreekt hij telkens over, ook: die uitdrukking bezigt hij tallooze malen, iets wat zeer vervelend wordt.
bestig, bestîg, voor: goed, best; mien vrau is nijt te bestig = zij is wat ongesteld; ook Zuid-Nederlandsch.
bestig goed, bestiggoud, (pleonasme); zie: goud.
bestoppen, bestoppen, verbergen, op eene verborgene plaats bergen of met iets bedekken; zich bestoppen, ook verstoppen = wegkruipen, bij een spel. Hooft bestoppen = omwoelen, bewinden; Middel-Nederlandsch bestoppen = omhullen, rondom bedekken, Zie ook: belappen.
bestoten, bestöt, (voltooid deelwoord van: besteuten (= bestooten) dat zelden gehoord wordt), in: ’t is bestöt = dat werk is (met eenige moeite) klaar gekomen, is in orde gebracht, en zoo: wij hebben ons doel bereikt.
bestrijken, bestrieken, bezweren van een pijnlijk verstuikt lid, (Laurm.) Het bezetten van lichaamsdeelen, door den beet van een’ adder opgezwollen, bestaat in het strijken van dat deel tot aan de plaats, waar de zwelling zichtbaar wordt. Volgens Prov. Gron. Cour. (15 Augustus 1861) werd “te Peize een meisje door een adder in de hand gestoken, die dadelijk pijnlijk werd en geducht opzwol; dadelijk ging zij naar een persoon die den arm bezette bij den elleboog, tot welke hoogte het venijn en de opzwelling reeds gevorderd waren. Dadelijk hield de zwelling op”. Vgl. knöffeln.
bestrijken, bestrieken, (Ommelanden) = inroakeln (Oldampt Westerwolde) = inrekenen, vuur met asch bedekken, voor den volgenden morgen. Zie ook: bezetten.
bestrikken, bestrikken, kinderen op hun verjaardag een stuk koek, enz. met linten op den rechterarm binden. Den jonkman, die met de sjees, zal het rijk staan, met de beugelsjees, van zijn meisje komt, indien hij het joawoord heeft gekregen, doet men de eer aan zijn paard (of de paarden) met linten aan kop en staart te tooien. Ook wordt een bruidegom bij het trouwen in het Gemeentehuis eene bestrikte dat is met bonte linten omwoelde pijp aangeboden, die hij mee naar huis neemt en dikwijls jarenlang bewaart. Eindelijk nog bestrikt men den koffiepot waar bruidegom en bruid een bezoek brengen; ook eene vette koe, enz. wanneer men die, vóór ’t slachten, door de gemeente rondleidt.
bestuurd, bestuurd, gedaan, afgedaan, ten einde gebracht; ’t eten (of: de moaltied) is bestuurd; zie zoo, dat is bestuurd = zie zoo, daar zijn wij mee klaar. (Het werkwoord wordt in deze beteekenis niet gebruikt.)
betakt, betoegd, wel voorzien van zakgeld. Zal zooveel zijn als: van toegen (takken met bladeren) voorzien, dus: niet kaal, niet armoedig.
betalen, betoalen, voor: sloag geven; ’k zel die betoalen, doe deugnijt! zooveel als: ik zal met u afrekenen, uw loon aan u uitbetalen. Middel-Nederlandsch betalen = Als krijgsterm: enen betalen = iemand raken, hem met slagen ontvangen, duchtig onthalen. In ironieke opvatting. (Verdam). (v. Dale: iemand eene betaling geven (gewestelijk) = hem een frisch pak slaag geven.) Vervoeging betoalde, betuil, en: betoul; doe betuilst, en: betoulst = gij betaaldet; wie betoalden, betuilen, of: betoulen. Vgl. droug, vroug, joug, enz.
beteergisteren, beteerguster, zie: betovermörgen.
betelen, betelen, alleen in geschrifte, voor: bezaaien of beplanten van landerijen, daarop vruchten verbouwen; “Een groot aantal bunders wordt met koolzaad beteeld.”
beter, beter, voor: hersteld, genezen; bin ie weer beter? = zijt gij weer gezond? “lest ben ’k ’n beetje kepot west, moar nou ben ’k toch weer zoo goud as kloar.” Oostfriesch beter, bäter = genezen, genezen, gezond. – In de Ommelanden: beter worden, bv. door een handel, door ruiling, enz. = er voordeel van hebben; doar bin ’k nijt beter van wor’n = daar heb ik geen zijde bij gesponnen; “Wie kinder worren der beter van” = stijgen in aanzien (indien hun vader lid van den raad werd); hij het t’r nijt beter mit moakt = zijne handeling of zijn praat heeft den toestand verergerd. Neder-Betuwe, er bèter aaf worre = in beteren doen komen.
beter weten, beter wijten, (beter weten), in: as ’k nijt beter wijt woont hij in Beem of dei kontrain = ik meen wel te weten dat hij te of in de omstreken van Bedum woont; ’k mōs jà nijt beter wijten! = (als ik dat deed) zou ik een groote dwaas, een domkop, moeten zijn.
beteren, betêrn, herstellen, van eene ziekte; hij betert weer = hij is herstellende; zij ken nijt weer betêrn = die kwaal brengt haar in het graf. Lingen: der kranke bessert, Hoogduitsch der Kranke bessert sich.
beteren, betêrn, helpen, gebeteren; “hij kon het niet beteren, meester!” (v. H. Bosch); ik ken ’t nijt betêrn = ik ben er onschuldig aan; ook: ik heb het niet met opzet gedaan, en: die zaak gaat mij in ’t geheel niet aan, ik ben er geheel buiten. ’t zel wel betêrn eer dat toe ’n old wief bist, schertsende troost voor jonge meisjes die over kleine ongemakken klagen; ook Friesch. Spreekwoord: Hij ken ’t nijt betern dat de oorlog zoo lang duurt = hij zal geen twist of tweedracht in de wereld brengen, hij is een goedbloed. Oudtijds beteren = boeten, boete betalen om zwaarder straf te ontgaan. Middel-Nederlandsch beteren = beter maken, verbeteren, goed maken, herstellen, in orde brengen; beter worden, zedelijk beter worden, vooruitgaan. (Verdam) Holsteinsch De schaden deit, mut schaden betern = – moet er voor boeten. Dordsch gebeteren, Oostfriesch betern.
beteuten, beteuten, door teuten, door babbelzucht iemand belasteren; zij hebben heur beteut. Zie: teuten.
betijen, betijn loaten, laten begaan; zie: betein. Kil. betijen = voortgaan, voortvaren; ook = aanklagen bij het gerecht.
betijen, betein, betijn, laten = laten begaan; loat betijn = laat het (of: hem, enz.) geworden, meng er u niet in, stoor u er niet aan. Van: tijen = tijgen, trekken. Friesch betien laten. Oudtijds betijden = voortgaan. (Zuid-Holland betein laten = doe het niet.)
betijgen, betien, beteien, betijen, beschuldigen; hij wordt doarmit beteid = beticht. Ook = in rechten betrekken, als het Middel-Nederlandsche betijen = betichten, intensief van tiegen, tijgen, met gewijzigde beteekenis. Verdam: betiën, betyen = betichten, beschuldigen. Ook = begaan, betijen.
betjoecht, betoegd, betoefd, loos, slim, leep, geslepen, bij v. Dale (gewestelijk) betjoegd, betjoekt, Noord-Holland betjoegd, betoegd.
betoefd, betoefd, voor: bezeten, enz.; “bist nou hijlendal mit Lotje betoefd?” Zie: betoegd, en: lot.
betoesteren, betoestêrn, (wederkeerend) = zich in iets verwarren. Zie: beruden, en: toeze.
betovermorgen, betovermörgen, de dag volgende op overmorgen; zoo: beteerguster = de dag vóór eergisteren. Indien men nog een dag verder of terug wil gaan hoort men ook wel: betbetovermörgen, en betbeteerguster. Oostfriesch betaovermörgen, en: betehrgustern. (v. Dale: betovergrootvader, -moeder = overovergrootvader, -moeder.) – bet, ook hier de stellende trap van: beter, heeft in deze woorden de beteekenis van den vergroot. trap.
betrachten, betrachten, bedenken, overdenken: hij mōs dat moar wat meer betrachten, bv. wat hij hem te danken heeft. Ook = beproeven, wederkeerend gebruikt: elk mout hōm (of: zōk) zulm (of: zulf) betrachten = elk moet zich zelf beproeven, ieder steke zijne hand in eigen boezem; ook: elk moet zich zelven kennen en zorgen dat hij zich fatsoenlijk gedraagt, elk moet in dezen voor zich zelven toezien. (Bilderd. betrachten = overdenken, bij Kil. = overdenken, bepeinzen; in deze beteekenis wordt het door velen als Germanisme verworpen.)
betrekken, betrekken, voor: foppen, beetnemen door iemand iets te ontfutselen; doe mōst mie nijt betrekken = gij moogt er niet van snoepen; de kat (of: katte) het mie betrōkken = de kat is bij de melk geweest; doar vlōgt ’n droager, ken dei joe ook betrekken? enz.; hij het heur betrōkken = zij moet van hem in de kraam. Drentsch betrekken = foppen. Vgl. v. Dale onder het woord, alsmede: begoan.
betrekking, betrekken, betrekkêns, (= betrekking) hebben op iemand of iets) = bijzondere genegenheid voor hem koesteren; meestal behoort die persoon dan tot de familie. Zoo: zwak op of voor iets; “omdat zij d’r zoo’n noar’n betrekkens op har” = er zoo innig aan gehecht was, nl. omdat het een familiestuk was dat vroeger om schulden verkocht moest worden.
betsjoend, betjoend, behekst, betooverd, Friesch bitsjôend. Zie: tjoender.
betuin, betuun, bietuun, bituun, schaarsch, weinig in voorraad; de melk is (in den winter) betuun; de aier, appels (enz.) bin betuun = door schaarschheid moeilijk te bekomen; “Huifst nijt bange veur te wezen: de doalders binn’ tegenswoordig al zóó betuun, dat ze ons gein geld sturen zellen.” Drentsch beteun, betuen, betuun; Overijselsch betuun; Geldersch betön, Utrechts betönne; Oostfriesch betün, bitün = wat zeldzaam, gezocht en duur is. – betuun eigenlijk zooveel als: betuind, met een tuin of gevlochten rikwerk omzet, afgesloten, omheind, en daarvan de fig. beteekenis: niet ruimschoots maar beperkt voorhanden. Kil. Hos. 2:5 betuynen = omheinen, beperken, insluiten; Nedersaksisch betünen = met een hek omgeven, omtuinen; Engelsch to thin, Angel-Saksisch tynan = insluiten. Middel-Nederlandsch betunen, Middel-Hoogduitsch bezinnen, Middel-Nederduitsch betunen = omtuinen, met eene heining of hek omringen; betuninge = omheining, heining. (Verdam). – tuin beteekende vroeger: afsluiting of heining en kreeg later de beteekenis van: het afgeslotene, het omheinde; bituun (Swaagm.)
betunteld, betunteld, in de war gemaakt, van garen, touw, enz.
betuntelen, betuntêln, zie: betoestêrn.
beugel, beugel, werktuig, soort van net met langen steel, om modder en veen uit vaarten en plassen op te halen; daarvan: oetbeugêln.
beugelen, beugeln, fig. in: “hai beugelde moar deur” = hij werkte maar door, ging, zonder zich aan iets of iemand te storen, zijn’ gang. Vgl. beugel.
beugelsjees, beugelseeze, beugelsees, beugelchais, in annonces ook: beugelchais = sjees met twee paarden bespannen; Drentsch beugelsjees. – Aldus, omdat elk dier paarden een beugel onder het lijf door gegespt wordt.
beuken, buiken, (de ui kortaf) = beuken, boom en vrucht, en zoo ook in alle samenstellingen. Drentsch, Overijselsch beuk. Van: boeken- of: beuke(boom) komt boek (ook in: boekweit, om de groote overeenkomst der korrels), dewijl men in oude tijden op den geschilden bast van boomen, inzonderheid van beukeboomen, placht te schrijven. (bouk = boek; buik = beuk.)
beuker, beuker, zie: beutel.
beun, beun, beune, zolder; beun van de mōnd = het gehemelte. Zegswijs: op ’t onderste beuntje komen = voor een ander moeten onderdoen, ’t verliezen bij een wedstrijd. Oostfriesch he word upp ’t underste bööntje settd = hij wordt vernederd, verlaagd, gestreft. – hij (of: zij) het beter boonen op beun as verschimmelde grouarten (hij heeft betere boonen op zolder dan beschimmelde grauwe erwten), zooveel als, eenigszins spijtig: hij kan ander gezelschap krijgen, ook: een ander meisje dat hem beter bevalt, of dat rijker is, enz. Drentsch beun, Oostfriesch böön, Nedersaksisch, Holsteinsch bön, Noordfriesch bân; Zuid-Limburg gebun = vloer. Vgl. ’t Hoogduitsche Bühne, Middel-Hoogduitsch büne, Middel-Nederduitsch bone. Zie ook: mous; verkleinwoord beuntje.
beungat, beungat, opening in den zolder om door middel van eene ladder daar toegang te hebben.
beunhaas, beunhoas, zie: balkhoas.
beunnagel, beunnoagels, zie: tingnoagels.
beunweg, beunweg, (v. Bolhuis) = een weg door zand- of veenlanden, die in het midden hoog en diep van spoor is.
beurstrein, beurstrain, zie: marttrain.
beurt, beurt, in: ’n beurt kriegen = schoongemaakt, gepoetst worden, van meubelen, enz. gezegd; de toavel het ook ’n beurt kregen = de tafel is gewreven; de linnenkast het ’n goie beurt had = is bijzonder onder handen genomen.
beurtschipperse, beurtschipperske, vrouw van een beurtschipper; ook: eigenares van een beurtschip. In advertenties o.a. “Heden overleed onze geliefde moeder …, beurtschipperske van Groningen op Amsterdam.” (1867).
bevallen, bevallen, vermageren, alleen van menschen gezegd; zij is t’r van bevallen = ten gevolge eener ziekte, enz. ziet zij er niet zoo goed uit als vóór dien tijd. – Komt overeen met: vervallen, evenals: bemaken, en: vermaken (legateeren); beweren, en: verweren; bewissing, en: verwissing; bezuiken, Hoogduitsch versuchen, enz.
bevōl, zie: gevil.
bevertien, bevertien, eene katoenen stof, Engelsch beaverteen, Zuid-Nederlandsch, West-Vlaamsch bevertein. In eene advertentie (1868) komt voor: “– eene groote partij manufacturen, waaronder ook bevertien.” Vgl. tierentain.
bevertienen, bevertienen, stoffelijk bijvoeglijk naamwoord = van bevertien (zie aldaar) gemaakt.
bevinden, bevienên, (Ommelanden) = bevinnên (Oldampt Westerwolde) = bevinden; ik bevien, ik bevin = ik bevind. Zoo: bienen; binnen = binden; ik bevōn = ik bevond; ik bōn = ik bond, enz
bevoeden, bevouden, (bevoeden, bevoederen) = door mesten de waarde verhoogen, van ossen en koeien; eigenlijk: door voeding vet aanbrengen; ik ken d’r nijt veul an bevouden (Ommelanden) = door mesten weinig voordeel behalen. Oostfriesch biföden, beföden = aanfokken, mesten, enz.
bevoelen, bevuilen, (= bevoelen), voor: gevoelen (wederkeerend); zij ken zōk best zulf bevuilen = zij weet zelve ’t best hoe zij zich gevoelt, kan er ’t best over oordeelen of zij het bed kan verlaten, enz.
bevoeren, bevouêrn, zie: bevouden.
bevorens, bieveuren, beveuren, (bijvoren) = te voren, voorheen, de tijd waarvan het tegenwoordige geslacht geene heugenis heeft; bieveuren drougen de vrauen van dei hullen; bieveuren raisden de boeren van Warfêm noa stad op peerd mit de vrau achterop; ’s hars beveuren, of bieveuren = in den herfst die voorafging. Middel-Nederlandsch bevoren, Middel-Nederduitsch bevoren, Middel-Hoogduitsch bevor, bevorne, bevorn, Hoogduitsch bevor, Engelsch before. Voorheen, te voren. (Verdam.) Oostfriesch bifören. (Nederlandsch bevorens = te voren, vroeger; eerdat, vóórdat.)
bevrediging, bevrediging, (alleen in geschrifte), voor: afsluiting, afschutting. In: Mededeelingen van B. en W. van Groningen nopens de wenschelijkheid van stichting van gemeentewege van een abattoir (September 1893) komt voor: “De kosten van een abattoir als het hierbedoelde met inbegrip van den aankoop van den benoodigden grond en van bevrediging, rioleering en verharding van het terrein worden door den directeur der gemeentewerken globaal geraamd op ƒ 273.000. Vgl. vreding. Middel-Nederlandsch bevreden = afsluiten, afperken, omheinen, afzetten. Vgl. ’t Hoogduitsche befriedigen, einfriedigen. (Verdam).
bevreten, bevreten, het voeder met den bek naar zich toehalen dat voor een ander dier is bestemd, bv. van paarden die gezamenlijk uit ééne krib vreten; ook Drentsch.
bevriend, bevrund, (bevriend) = tot de familie behoorende, verwant, bloedverwant zijn; hij is mie noa besibt = hij is een naaste bloedverwant van mij. Old. Landr. IV, 15 besibbet; Oostfriesch besibbt, Hoogduitsch besippt = verwant. Middel-Nederlandsch besibbeteekenis Van sibbe, dat is familiebetrekking; verwant, door bloedverwantschap verbonden, Middel-Nederduitsch besibbet, Middel-Hoogduitsch besippe. Sonder onsen raet ende onser vrienden, die ons besibbet syn. (Cron. v. Vlaend. I, 134. (Verdam.) Zie: sibbe.
(Ommelanden) = verwant; hij ’s bevrund tou mie = ik bin fermilie tou hōm = ik ben met hem bevriend, hij is een bloedverwant van mij. Vgl. besibt.
bevrijen, bevreien, vrijen, als het tot een huwelijk komt. Eigenlijk: door vreien tot vrouw krijgen; hij het heur nijt, moar zij het hōm bevreid = zij heeft hem weten tot man te krijgen.
bewaarhuis, bewoarshoes, in den kinderdeun: Vōt ol peertje, enz. Zie: kroes.
bewaren, bewoar!, bewoare, als tusschenwerpsel; Hoogduitsch bewahre Gott! Zweedsch bewars!
bewarmd, bewarmd, in: arms bewarmd wezen = ergens goed gezeten zijn, er een goed bestaan hebben. (Vgl.: er warmpjes zitten = welgesteld zijn.)
beweging, bewegen, (beweging), voor: zaak, zaakje; dat’s ’n schiere bewegen = dat is een goed zaakje, een meevallertje, eene verrassing, enz.
beweiden, bewaiden, beweiden, voordeelen trekken uit het weiden van rundvee, waidegeld moaken; an dei kou heb ’k sestig gulden bewaid, zooveel als: ik heb het beest in den herfst zestig gulden duurder verkocht dan zij mij ’s voorjaars kostte. In geschrifte beweiden, bv.: “Zoo werd op de voorjaarsmarkt te Mensingeweer eene koe gekocht voor ƒ 110 en nu (10 Nov.) weer verkocht voor ƒ 260, zoodat aan dat ééne beest ƒ 150 beweid werd.” (1875).
beweren, beweren, voor: uitvoeren; hij ken niks beweren = hij ken niks oet stroo zetten = hij heeft weinig spierkracht en kan dus geen zwaar werk verrichten. Ook: hij kan zich bijna niet verroeren; bv. door de jicht. Vgl. verweren.
beweren, beweeren, door het weder genoodzaakt zijn ergens te overnachten; wie bin bie mien swoager beweerd = wij konden dien dag de terugreis niet aanvaarden.
bewieren, bewierd, voltooid deelwoord van bewieren, met wiergrond (zie aldaar) overdekken, ten einde daardoor den grond vruchtbaarder te maken. Zoo leest men o.a. van “lichtere bewierde gronden”, en van “zandgronden die goed bewierd en bemest zijn.” Vgl. beklaien.
bewijs, bewies, bewieske, kwitantie, schriftelijk blijk van betaling. Ook = obligatie, schuldbekentenis. – Ook voor: kleinst mogelijk gedeelte of stukje van iets. Eigenlijk dus: slechts zooveel er van, dat men kan zien wat het is, of: dat het zoo is. (v. Dale: bewijsje = gering blijk.)
bewijven, bewiefken, Valt de vergelijking van eene, nog niet lang gehuwde vrouw, die één of meer kinderen heeft, met hoe zij er als vrijster uitzag, in haar voordeel uit, dan zegt men dat zij zich goud, of: mooi bewiefket, dat zij den naam van: mooie vrouw eerder verdient dan zij voorheen dien van: knappe meid, kon dragen.
bewissing, bewissing, zekerheid, in den zin van: zwart op wit; hij wil d’r bewissing van hebben = hij verlangt eene geldige schuldbekentenis. Old. Landr. IV, 55: Die enich roerlick goedt, tot verwissing van schuld, verpandet, enz. Friesch bewisje = zich verzekeren, vergewissen, Oud-Friesch bewîssia; Middel-Nederlandsch bewissen = zich overtuigen, zich zekerheid verschaffen.
bezem, bessêm, bezem; ook Drentsch, Noord-Brabant, Limburg, Hooft, Zuid-Brabant; Kil. bessem, besem; Middel-Nederlandsch en Middel-Nederduitsch bessem; Oostfriesch, Westfaalsch bessem, Hoogduitsch Besen, Angel-Saksisch besm. Zegswijs: zien hoar krōlt (of: is zoo kroes) as ’n bessêmstoal (of: bessêmstok), ironisch van iemand die sluik haar heeft, ook Holsteinsch; hij lopt zoo stief of ’e ’n bessemstok deursloken het (hij loopt zoo houterig stijf of hij een bezemsteel heeft doorgesloken), waarvoor het Oostfriesch elstok, heeft. Spreekwoord: De Oldste bessêms mouten ’t eerst of, het tegengestelde van: de jongste ezel moet het pak dragen. Vgl.: riezenbessêm.
bezembinder, bessêmbinder, bessêmbiender, bezembinder.
bezemrijs, bessêmriet, rijs waarvan men riezenbessêms (zie aldaar) maakt. (v. Dale: bezemrijs = dunne teentjes waarvan men boenders, enz. maakt.)
bezemsteel, bessêmstoal, bezemsteel. Zie ook: bessêmstok, en: rechtveerdîg hoar.
bezemstok, bessêmstok, bezemsteel; zie: bessêm.
bezestigd, besestîgd, in: bist besestigd!? = zijt gij gek? bij v. Dale: zijt gij zestig?
bezet, bezet, in ’t jassen zooveel als: de nel met een kleinen troef, of: buiten troef een heer met eene lagere kaart van dezelfde soort; ’k har de nel bezet. (v. Dale: verzet = kaart, waarmede eene hoogere bedekt of bezet wordt gehouden.)
bezette tijd, bezette tied, het uur bij Gemeenteverordeningen vastgesteld dat de herbergen en tapperijen moeten gesloten worden; hij het boute kregen omdat hij noa bezette tied in de harbarg west is. (In het N. v. d. Dag 7 juni 1894 komt voor, onder rubriek Rechtzaken: “Hem was ten laste gelegd het maken van burengerucht en het hebben van bezoekers in zijn bierhuis, na bezetten tijd.”)
bezetten, bezetten, in ongelegenheid brengen of teleurstellen door het niet nakomen van eene belofte; doe mōst mie nijt bezetten, ik reken d’r op. Middel-Nederlandsch besetten = in het nauw brengen, benauwen.
betrekken; de lucht bezet.
bedriegen; as ze joe bezetten kennen loaten ze ’t nijt = het zijn eerste schacheraars.
kans zien, als het een tijd betreft; as ’k ’t moar ijts bezetten ken, koom ik mörgen = als ik het niet te druk heb kom ik morgen; bij Weil.: als ik het maar eenigszins kan bijbrengen; ’kon ’t nijt bezetten = ik kon niet zoo spoedig gereed komen.
bezweren van een pijnlijk verstuikt lid, (Laurm.) Het bezetten van lichaamsdeelen, door den beet van een’ adder opgezwollen, bestaat in het strijken van dat deel tot aan de plaats, waar de zwelling zichtbaar wordt. Volgens Prov. Gron. Cour. (15 Augustus 1861) werd “te Peize een meisje door een adder in de hand gestoken, die dadelijk pijnlijk werd en geducht opzwol; dadelijk ging zij naar een persoon die den arm bezette bij den elleboog, tot welke hoogte het venijn en de opzwelling reeds gevorderd waren. Dadelijk hield de zwelling op”. Vgl. knöffeln.
bezien, bezijn, bezien; ’t zel zien bezijn hebben = dat staat nog te bezien, zooveel als: ’t moet de proef nog doorstaan; ’k zel dien gad ijs bezijn! luidt de waarschuwing of bedreiging der moeder tegen een kleinen jongen die wat uitgevoerd heeft of op ’t punt staat het te doen, zooveel als: ik zal u wat voor de billen geven; doarmit (bv. mit ’n dreigulden) ken ’k ’t wel bezijn = meer dan drie gulden behoeft het niet te kosten, bv. het herstellen van een meubel of kleedingstuk; hij het hōm lelk bezijn = is t’r lelk west = heeft zich erg bezeerd of deerlijk gekwetst. Zie ook: bezuiken.
bezig, bezîg, voor: druk; ie hebben ’t bezig, zij ’k wel = gij hebt het druk, zie ik.
bezijden, bezied, biezied, beziede, ter zijde, op zij, op eene verborgene plaats; bezied stoppen = verbergen, weg stoppen; bezied kroepen = wegkruipen, zich verschuilen. Meisjes hebben een verstoppertjespel dat zij: kiewiet – nustjebezied noemen. Eén verstopt bv. een doek in het vertrek, en als zij het bovenstaande geroepen heeft, treden de overigen binnen en beginnen te zoeken. De verstopster is verplicht voor en na vet, of: moager te zeggen, al naardat de zoeksters dichtbij of veraf van het te zoeken voorwerp zijn.
ook: beziede. biezied zitten in iets = als ingesloten, er geheel door omringd zijn; in ’t wark –, in de bouken –, in ’t goud –, in de pampieren (enz.) beziede zitten, alles teeken van groote drukte; in ’t goed beziede zitten = met gouden sieraden als beladen, bedekt, zooals nog voor een dertigtal jaren velen onzer boerinnen; in ’t bloud beziede liggen (Oldampt, Westerwolde), ien bloud bezied leggen (Ommelanden), zooveel als: badende in (zijn) bloed. Middel-Nederlandsch besiden, beside, Middel-Hoogduitsch besît, enz. (Verdam). Friesch bisiden. Oostfriesch besiet, beside; gans in booken besiet.
ien beziedjes, bieziedjes = in ’t geheim. Voor: bezijden, ter zijde. Vgl. besiebels.
bezinnen, bezinde, bezon; ik bezinde mie = ik bedacht mij. Eigenlijk zooveel als: ik kwam tot bezinning.
bezitten, bezitten, intoomen, zijne drift beheerschen, kalm blijven; ’k heb mie bezeten = niet laten merken dat ik boos was. Luc. 21:19: Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid. Vgl. bienens.
bezoedelen, besoetêrn, = soetêrg moaken = bemorsen, door bv. iets met vuile vingers betasten. 3 Esdra 8, 84; Tob. 3, 18 besoetelen = bemorsen. Vgl.: bezoedelen.
bezoeken, bezuiken, = bezijn (Ommelanden) = pebijêrn, pêrbijêrn = beproeven. Hooft besoeken, Hoogduitsch versuchen = beproeven. Middel-Nederlandsch besoeken = aanzoeken, beproeven, polsen; beproeven, probeeren. (Verdam.) In Kluchten der 17e eeuw komt het woord voor in de beteekenis van: ondervinden, en van: beproeven. Drentsch bezijn, bezien = beproeven, Friesch besiikje.
bezwaar, bezwoar, beswoar, = swoarigheid = verband op vaste goederen, hypotheekschulden, Drentsch zwarigheid; hij het ’n groot beswoar over zien ploats = hij zit ’r oarig beswoard; zōl hij ook swoarighaid over zien hoes hebben?
bezwaard, bezwoard, beswoard, zie: bezwoar.
bezwalken, bezwalken, beswalken, zie: swalk.
bezwet, bezwet, (in geschrifte) = beswet = begrensd. Zie: swet.
bezwetten, bezwetten, (in geschrifte) = beswetten = begrenzen. Zie: swet.
bezwijmachtig, beswiemachtîg, bijna bezwijmend, flauw; “ze worde zoo wit en beswiemachtig da’k heur vasthollen mos”.
bibberig, bieberîg, zie: bamberîg.
bidden, beden, bidden, Hoogduitsch beten; Middel-Hoogduitsch bêten, Middel-Nederduitsch beden, Middel-Nederlandsch beden = een gebed doen, bidden. (Zie Verdam art. beden). tautologie: beden en smeeken = ernstig, aanhoudend en met sterken aandrang iets verzoeken; ’k wil d’r nijt om beden en smeeken = er niet om bedelen; ’k heb hōm d’r al zoo voak om bidt (of: beden) en smeekt dat hij ’t zoepen zōl loaten = ’k heb hem er al zoo dikwijls om gesmeekt om met drinken op te houden; ook Oostfriesch en Friesch; ’k beed hōm de ijne god om d’ander, om, enz. = ’k smeek er hem zoo vaak om, de weeskinder zellen wel veur ons beden, zegt men als verontschuldiging wanneer men niet bidt vóór men begint te eten. (Eene uitzondering is: Nood leert bidden.)
biechten, bichten, biechten; Kil. bichten, biechten, Oostfriesch bigten. Uit biechten of bijechten, welke vorm in ‘t Middel-Nederlandsch ook gevonden wordt. Middel-Hoogduitsch bîhten, Middel-Nederduitsch bichten. (Verdam.)
bieden, bijden, baiden, bieden; doe budst = gij biedt; hij budt = hij biedt.
biefstuk, biestōk, biestuk, biefstuk, Engelsch beefsteak.
bieleman, bielmantje, bijleman, sapeur.
biels, biel, eene soort van paal, meervoud biels. Annonce: Verkooping van: “eene groote partij biels, bijzonder geschikt voor wierpalen.”
bier, bier, bijer, bijr, bier (Westerkwartier, Hunsegoo) = bijer, bijr (Oldampt, Westerwolde, Fivelgoo). Hier vermelden wij een gebruik, dat vroeger algemeen, nog in enkele dorpen van ’t Westerkwartier in eere wordt gehouden, nl. dat, wanneer dienstboden, en ook anderen, in de vrijweek hunne rekeningen aan schoen- en kleermaker betalen, zij als dan op bier onthaald worden; sterke drank wordt door de jongelui zelve aangeschaft. Dit feestje noemt men schoumoakersbier. – Zoo spreekt men ook van: richtelbijr (– of: bier), zooveel als: feest bij het richten (zie aldaar) van een huis. Samenstellingen – hijtbier; kluunbier; windbijer; bijerpulle; bijergeld, enz. Drentsch bier = feestmaaltijd. Alle groote maaltijden bij bijzondere gelegenheden droegen daar den naam van: bieren, omdat eertijds het bier bij plechtige samenkomsten de algemeene volksdrank in Drente is geweest. Zoo zijn daar bekend: kinderbieren of kraambieren, bruiloftsbieren, dood-, leed- of groevebieren, enz. Overijselsch een bier of biermaal = boerenfeestmaal; Geldersch een bier = eene boerendanspartij. Voorheen kende men: vastenavond- of Gregoriebieren, gildebieren, kindelbieren (bij ’t doopen), lovelbier (verlovingsfeest), troostelbier of doodbieren. Kil. troostelbier = gastmaal; Mecklenburgsch ausbier = oogstfeest; Holsteinsch kindelbeer = doopmaal. Oudtijds zeide men als de maan zich achter de wolken verschool: de maan gaat te bier = vertoeft in de herberg. Zegswijs: bier (of: bijer) en barmhartighaid komen bie’n kander (of: bie’nander), van iemand die in dronken toestand weekhartig wordt, of ook: braakt. Oostfriesch beer un barmhartigkeit = troebel bier; Nedersaksisch beer un barmhartigkeit kaamt bi em tosamen, en: de barm liep hem over ’t harte = hij werd tot medelijden bewogen; Holsteinsch: dat gait wedder na ’n den barm to = het gaat weer zijn ouden gang; Strelitz wat to letzt kümmt is barm. – Van barm wordt de gist bereid, maar beteekent ook: bezinksel, droesem van bier. Sleeswijksch bärm, Deensch baerme, Noordfriesch barme, berme, Hoogduitsch Hefe = gist, en moet tot: beren, baren = dragen, voortbrengen, gebracht worden. De zegswijs bevat dus eene woordspeling.
biergeld, bijergeld, bijrgeld, biergeld, het geld, de som welke jaarlijks door den landbouwer aan bier voor het werkvolk wordt besteed. Zie: boerenswijt.
bierpsalm, bijerpsalms, baierpsalms, liederen die bij de flesch worden gezongen of uitgegalmd.
bierpul, bijrpulle, bierpul, soort van tinnen bierkan met klep in herbergen op de vuurplaat werd gezet om het bier (kluunbier) te verwarmen.
Bierum, Bairêm, Bierum.
bies, birs, in: hij lopt of ’e birs ien staart, of: birs in de start het = hij loopt zeer hard. Zie: birzen, en: birzeln.
bies, buizems, buisems, buizen, buisem, biezen (zonder enkelvoud); in ’t Goorecht: buisem = bies.
biesgras, biesgras, zie: moorke.
biest, bijst, biest (v. Dale), door landhuishoudkundigen ook geschreven: bist (colostrum), de eerste melk eener koe nadat zij gekalfd heeft. Drentsch buust, West-Vlaamsch. bynst, bünst, bieste, bienste, Westfaalsch baist, bais, bast, bissemelke; Noordfriesch bjest, Hoogduitsch Biestmilch, Middel-Hoogduitsch biest, bienst. Van: bijzig = onstuimig, opbruisend, omdat zij geen koken kan lijden.
biestepannenkoek, bijstpankouk, biestepannekoek (v. Dale). Zie: bijst 1.
biestpot, bijstpot, eene zekere hoeveelheid biest, die de boerinnen aan enkele burgers ten geschenke geven; wie hebben ’n bijstpot kregen, nō ken wie mör’n bijstpankouk eten. Dit komt alleen in Maart of April voor.
biezelen, birzêln, driftig, met groote drukte heen en weer loopen, zoowel van enkele personen als van troepjes kinderen, enz. gezegd. Zie: birzen.
biezen, birzen, birsen, wild rondloopen door dik en dun, van vee en menschen gezegd. Hiervan de iteratief birzeln, en: gebirzel. Spreekwoord: As ijn kou an ’t birzen gait den begunnen ze altemaal te loopen, eig. en fig.: in dolligheden is het voorbeeld aanstekelijk. Bij Harreb.: Als de eene koe bist, zoo bissen ze allen; Keulen: Wann ein Koh der Stääz op hivv dan havven se inn all op. Hetzelfde woord als (bij v. Dale) biezen = loeiend rondloopen van koeien in de weide. Drentsch bissen, birzen = rennen en springen van vee in de weide; ook wordt het gebruikt van menschen die zich vroolijk aanstellen; zoo: birzig = haastig, driftig. (Friesch duynjen, razen, tieren, woeden, in het bijzonder van runderen gezegd, wanneer ze tochtig door het land rennen). Oostfriesch birsen, bisen = wild heen en weer draven, inzonderheid van vee in de weide; Holsteinsch bissen, birsen = heen en weer loopen, in ’t bijzonder van koeien die in den bronsttijd onrustig zijn, ook van vrouwvolk dat in huis heen en weer loopt en draaft, en zoo den schijn aanneemt dat er veel uitgevoerd wordt; Nedersaksisch bissen, eig. gezegd van koeien die met onstuimige drift, uit bronstigheid of bij buitengewone warmte de weide op en neer loopen. (Hier ziet men dit vooral wanneer er storm op til is); Westfaalsch biesen, bissen = rennen van vee. Oudtijds byzig = onstuimig; byze = noordenwind, storm, onweer; Overijselsch, Friesch, Maastrichtsch bys, Hoogduitsch Biese, Fransch bise = scherpe wind, en hiermede verwant: vijsten, en: veestwind. Bij Antonides: biezen = blazen; Zwitserland bise = storm, orkaan; Deensch bisse, Hoogduitsch bisen, biesen = onrustig rondloopen van vee; Zuid-Nederlandsch bijzen, van koeien die driftig in de weide loopen met den staart in de lucht; ook van menschen die driftig komen aanloopen; bijzig, birzig = buiig; Kil. bijsen, biesen = bruisen, opbruisen, hitsig zijn, branden van begeerte; Middel-Hoogduitsch bisen = rennen als vee dat door vliegen geplaagd wordt. Middel-Nederlandsch bissen, Oud-Hoogduitsch pisôn, Middel-Hoogduitsch bisen, Hoogduitsch bisen, biesen, Nederduits bissen, Nederlandsch bissen, biezen, bijzen. Wild rondloopen, van vee dat door vliegen of andere insecten gestoken is. (Verdam).
biezenjager, biesjoager, biezejoager, (Stad-Groningsch) = veldwachter en opziener van de jacht; thans zoo goed als verouderd. Drentsch biezenjager, biezejager = veldwachter, ook politiebediende tot wering van bedelaars; Friesch bysjager = gerechtsdienaar te platten lande; Oostfriesch biesejager = politiedienaar, gendarme, een persoon die bij dag en bij nacht jacht maakt op alles wat vagebondeert, bij den weg birst, Oostfriesch biszd. Zie: birzen.
big, big, bigge, (onzijdig), verkleinwoord biktje, bigtje; letiense biggen, schertsenderwijs voor: leerlingen eener Latijnsche school; franse biggen = op eene zoogenaamde Fransche school gaande leerlingen; biggen moaken = kotsen. Vgl. het Nederlandsche kalveren, Hoogduitsch kälbern. Zie: an de gang.
biggen, biggen, (werkwoord) = biggen krijgen; de mōt het bigt = biggen gekregen.
bij, bie, Stad-Groningsch bij (met den klank tusschen ei en ai); doar bin ’k zulm bie = doar wi’k zulm bie wezen, of: doar wi’k bie wezen (met den klemtoon op: bie), zooveel als: ik laat mij niet foppen, laten ze dat maar eens beproeven; doar bin ’k zulf bie = ik zie goed uit mijne oogen, geloof dat maar; doar heb ’k niks bie = dat bevalt mij niet, en ook: daar is niets bij van mijne gading; bie heur is niks bie, en nog sterker door toevoeging van: godsterwereld niks! = men heeft in ’t geheel niets aan haar, er zit geest noch leven in; hij ’s t’r bie = hij moet betalen, zooveel als: hij is bij de verliezende partij; dei is t’r altied bie = die persoon lijdt bij elke gemeenschappelijke onderneming schade; doar bin ’k goud bie wegkomen = daar ben ik goed afgekomen, ik heb zelfs meer gekregen dan mij toekwam; as hij d’r bie komt (klemtoon op: bie) = als hij er eenmaal den smaak van heeft weet hij zich niet te matigen: ’k wōl wel even bie joe wezen = ik zou u wel even willen spreken. Gothisch bi, Oud-Hoogduitsch pî, bi, Middel-Nederduitsch bi, Angel-Saksisch bë, bi, big, Oud-Saksisch bî, be. (Verdam).
bie - ōm; bie Helpen ōm = in de omstreken van Helpman; hier bie om is gijn vlas, bin gijn bouldoagen, enz. Zoo ook: doar bie om = in den omtrek van. Dit ook zooveel als: ongeveer zooveel.
bij, bei, (Ommelanden) = bij (zelfstandig naamwoord); ook = korf met bijen, ook Drentsch. Vergelijking: vlug as ’n bei (Ommelanden) = vlōgge as ’n iem (Oldampt, Westerwolde) = volkomen gezond en tevens opgeruimd. Zie: iem.
bij af, bieof, bijna, zóó of zóó; ’t was t’r bieof of ’k was vallen = ’k was haast gevallen; ’t was bie ’t sloagen of = het scheelde weinig of zij waren handgemeen geworden, zóó hoog liep de twist; da’s jà bie de duvel of! zooveel als: des duivels! wanneer iets bij herhaling mislukt, als men zijn zin niet kan krijgen, enz.
bij elkaar, bie’nander, bie’n kander, bie’n kanner, bie mekoar, wezen = gepaard zijn; ook: één gezelschap uitmakende; bin ’n hijle bult jōngs en wichter bie’nander (Oldampt) = bin ’n hijlbult venten en maiden bie’nkander (Westerkwartier); Jan is bie Grijtje (zeggen de jongelingen); Grijtje is bie Jan (zeggen de meisjes); zij hebben ’t hooi bie’n kander (Ommelanden) = zij hebben ’t heu bie’nander (Oldampt, Westerwolde) = zij hebben ’t hooi in opper = zij zijn zoover met het hooien gevorderd dat het in groote hoopen op het land staat; “as ze op ander ploatsen ien harbarg hâil dreug bie’n kanner zitten” (weinig praten, geen levendig gesprek voeren).
bij mij, bie mie, (bij mij) = mijns bedunkens, volgens mijn oordeel; doar ’s niks an, bie mie = daar houd ik niet van; bie mie mōs dat zóó wezen = ik zou het zóó wenschen; da’s bie mie gijn behandêln = ik noem dat eene gemeene behandeling; hij ’s bie mie nijt te vertrauen = ik vertrouw hem niet.
bij name, benoam, (bij Swaagm.: jobinoam, bij Reddingius: jobenōm, verbastering jodenoam) = vooral, voornamelijk, in ’t bijzonder, inzonderheid; in Grönen bin ’n bult mooie winkels, benoam an de Vismart; de boeren in Grönen bin riek en tröts, benoam in ’t Oldampt en op ’t Hoogeland; in de klaistreken verbouen ze veul winterzoad, benoam garst en wait. Staat voor: bij name, en: ja bij name = wat als voorbeeld in de eerste plaats genoemd moet worden. Drentsch benamens, Overijselsch benaamd, bename, bijnaeme, benaeme, Friesch benamen, binamen, Noord-Brabant bename, Oostfriesch benâme, binâme, jobinâm, Nedersaksisch bename. Middel-Hoogduitsch benamen, binamen = werkelijk, wezenlijk. Bij onze Ouden, o.a. Brederode bename. Middel-Nederlandsch benamen, Middel-Nederduitsch binamen. In den vollen zin van het woord, zonder uitzondering, Latijn nominatim. (Verdam) Ook ald.: binamen, eig. bi namen, Middel-Hoogduitsch binamen, benamen, Middel-Nederduitsch binamen. Met name genoemd, uitdrukkelijk. Kil. naemen = noemen; Ruth I, 4: namen = noemen; Oud-Friesch onbinaemd = ongenoemd.
bij toe, bietou, (bij toe) = op den koop toe, nog bovendien, er bij, en = vandaan; wie eten mous mit spek en eerappels t’r bietou (aardappelen als toespijs); ’t is goud bietou = doet goeden dienst als aanvulling bv. van een maaltijd, een inkomen, enz.; dat komt doar nijt bietou = dat komt daar niet vandaan, eigenlijk zooveel als: het moet buiten rekening blijven omdat het niets met de zaak heeft uit te staan, men haalt er dus eene overtolligheid bij.
bijbaan, bieboan, in geschrifte bijbaan; de zijbaan die voor de betalende toeschouwers, bijna allen schaatsenrijders, naast de harddroaversboan (zie aldaar) wordt aangelegd. Waar overvloedige ruimte is maakt men aan weerszijden er van zulk eene baan.
bijbel, biebel, bijbel, en in ’t algemeen voor: dik boek; wat ’n dikke biebel! Ook voor: spel kaarten = de biebel van 32 bloaren; in de biebel lezen = kaartspelen. (G.A. Brederode noemde reeds de bijbel een spel van 52 bladen. Vgl. Zeeman p. 84).
bijbelkundig, biebelkundîg, heet iemand te zijn die vele schriftuurplaatsen van buiten kent en gaarne te pas brengt.
bijbelletter, biebelletters, de Duitsche drukletter.
bijbeloefening, biebeloufên, (= bijbeloefening), zooveel als: bijbellezing; onze doomnie het biebeloufên = onze predikant behandelt des zondagsavonds geregeld het een of ander verhaal uit den Bijbel, inzonderheid uit het Oude Testamant.
bijboeten, biebuiten, bijleggen van turven aan den haard; Oostfriesch bîböten. Zie: buiten.
bijbrengen, biebrengen, bijdragen; hij ken nijt veul biebrengen = kan geene levendigheid aan het gesprek geven, weet niet te praten. Veronderstelt gebrek aan levendigheid of ook aan algemeene kennis.
bijdehand, biederhand, (= bij de hand) = flink, gevat, tegenwoordigheid van geest bezittend. Vergelijking: biederhand as ’n olle schoubossel (schoenborstel), schertsend en wanneer het kleinigheden betreft. (v. Dale bijdehand, bijderhand = slim, vlug, gevat; bij de hand = dicht bij.) De vergelijking bevat dus eene woordspeling.
bijdehandje, biederhantje, zie: biederhante.
bijdehante, biederhante, (zelfstandig naamwoord), voor: die bijderhand is; van vrouwen gezegd. Van kleine meisjes heet het: ’n biederhantje.
bijdoen, biedoun, bijdoen; term in het knikkerspel, wanneer men met knikkers in een kuiltje stort; wel dut mie vijr bie? (Oldampt). In de Ommelanden wint oneven en telt men die buiten het kuiltje komen; in ’t Oldampt en Westerwolde wint even, en worden de knikkers in het kuiltje geteld. Komt er niet één of komen alle in ’t koeltje dan heeft de speler het ook verloren. – hij het al zien geld t’r biedoan = bij dien handel heeft hij al zijn geld verloren.
bijdraaien, biedraien, (= bijdraaien) = inschenken = toegeven, Oostfriesch biedreien. Het eerste is aan de zeevaart; het tweede aan het gebruik om een’ twist af te drinken, ontleend. (v. Dale: bijdraaien = fig. zijnen toon lager stemmen, zoete broodjes bakken, water in zijnen wijn doen.)
bijenboer, beiboer, zie: beiker.
bijenjaar, beijoar, jaar dat er veel honig gewonnen wordt. Lichtmis helder en kloar Geft ’n goud beijoar. Zie ook: opzetsel.
bijenkap, beikap, zie: iemkap.
bijenkorf, beikörf, bijenkorf.
bijenstal, beistal, zie: stal beien.
bijgaan, biegoan, uit nieuwsgierigheid of snoeplust in handen krijgen of wegnemen; magst mie d’r nijt biegoan, heurste!? = gij moet er afblijven, de handen thuis houden; zij (de meid) gait narns bie = snoept nooit.
bijgaan, biegoan, ’t is moar ’t biegoan, of: ’t is moar biegoan = ’t is zooveul as niks = dat heeft men dadelijk klaar, ’t kost weinig moeite en tijd. Synoniem met: anzet. Voorheen zeide men: ’t is moar een aangaan.
bijgebracht goed, biebrocht goud, noemt men de voorwerpen die door anderen op een boeldag worden bijgebracht, die dus niet aan den verkooper van het boelgoed behooren; dat peerd en dei drei schoapen is biebrocht goud.
bijgelijk, bijliek, bailiek, zie: bijgooi.
bijgeven, biegeven, zijne krachten met ijver aan eenigen arbeid besteden; hij het hōm d’r goud biegeven = dat werk is hem ernst geweest, daar heeft hij zich zeer voor ingespannen.
bijgezet, biezet, zie: an 2.
bijgooi, bijgooi, baigooi, (Hoogeland); term bij een noten- of knikkerspel, het potjespul. Doet de speler een worp en stoot zijne noot (of knikker) tegen een levend voorwerp, dan roept hij: gooi! en heeft dan het recht nog een gooi te doen. Is de tegenpartij er echter vlugger bij met: bijgooi! te roepen, dan moet hij haar laten liggen. In een ander knikkerspel, paskemeten, komt: liek en bijliek, bailiek te pas. Zegt de medespeler het eerst bijliek, dan mag zijn makker niet van plaats veranderen, maar moet van de stee gooien waar zijn knikker was beland.
bijgooien, biegooien, bijgeven, bijleggen, van eene kaart; hij het kloaveroas biegooid; opgooien = eene kaart uitspelen; ik heb ’t heer opgooid, en zij hebben d’r troef biegooid.
bijken, beiken, (werkwoord) = de werkzaamheden van den bijenhouder verrichten, bijen houden; ’t beiken doun (= ’t iemken doun) = bijenhouder zijn.
bijker, beiker, bijenhouder, Nederlandsch ook: bijker en aardigheidshalve: beiboer. Drentsch beiker, Overijselsch bijker, immeker. Zie: iemker.
bijkomen, biekomen, verkrijgen, bekomen; is gijn biekomen an = ’t is voor ons te duur, dat kunnen wij niet koopen. (Staat voor: bijkomen, in de beteekenis van: tot zoover kunnen reiken.) Vgl. bekomen. (v. Dale: er is geen aankomen aan.)
bijkomen, bekomen, biekomen, (klemtoon op: ko) = door koopen in ’t bezit stellen; zij kennen ’t wel bekomen = zij kunnen ’t wel betalen, en synoniem met: ’t mag heur beuren. Vgl. biekomen.
bijlangs, bielangs, bijlangs, in geschrifte, ook officieel, bijlangs = langs; stoan boomen bielangs de wegen; wie komen d’r bielangs. Ook = bij rond; alle oavens goa wie bie ’t vei langs = elken avond gaan wij de stallen rond; wie mouten overal bielangs, bv. al de voorwerpen eener tentoonstelling bekijken, ook: bij een’ maaltijd van alle gerechten iets proeven; kan overal nijt bielangs komen = kan alles niet afdoen, kan niet alles schoonmaken. (zegt de werkvrouw). dat gait’r bielangs = dat gaat er nog op den koop toe bij verloren.
bijloops, bieloopsk, noemt men, wanneer zich naast eene waterleiding of eene gemaakte opening, bv. in eene waterkeering zich een tweede heeft gevormd waardoor het water kan ontwijken. Oostfriesch bilö̂psk, bilöpsk; de dam in de flôt is bilôpsk, un wen jî hum nêt êrst maken, den löpdt uns ’t water all’ weg; de spund is bilöpsk.
bijlopen, bieloopen, in: slap bieloopen loaten = zijn beroep of zijn post niet met nauwgezetheid en ijver waarnemen, zijn plicht verzuimen.
bijlslag, bielslag, het ijzer of mes van eene bijl.
bijmaken, biemoaken, bijverdienen, bv. door het geven van privaatlessen; fig. hij moakt’r wat bie = hij overdrijft, bij dat verhaal is wat bij van eigen vinding.
bijna, benoa, (in: hen of benoa); zie: hen 1.
bijnaasten, benoasten, binoasten, bienoasten, tennaastebij, bijna, ongeveer.
bijpassen, biepassen, zie: bieschoustern.
bijpoten, biepoten, door poten aanvullen. Is het gepote, bv. boonen, slechts gedeeltelijk opgekomen, zóó, dat er leege plekjes zijn, dan zegt men: zij mouten biepoot wor’n = de opengebleven plaatsen moeten door opnieuw te poten worden aangevuld.
bijschikken, bieschikken, aanschikken, zich nevens de reeds aanzittenden aan den disch plaatsen: “as onze knecht ’n beetje loater in huus kwam mog ’e nijt meer bieschikken”; schik moar bie de toavel = verschuif uwen stoel tot bij de tafel. Drentsch bijschikken.
bijschoesteren, bieschoustêrn, zie: bieschōntjen.
bijschooien, bieschōntjen, bijleggen, bijpassen, bijbetalen, gezamenlijk het ontbrekende aanvullen. De beide eerste worden alleen op de vertering van een gezelschap toegepast, het laatste ook op de betaling van grootere sommen; bieschoustern behoort wellicht tot het Bargoensch. Vgl. schōntjen.
bijschuur, bieschuur, in geschrifte bijschuur = kleinere schuur naast de schuur eener boerderij gebouwd. Annonce: Te verkoopen, “eene kapitale boeren behuizing en schuur, met bijschuur, stookhut”, enz. (1877).
bijslaap, bieslep, (bijslaap) = concubine; ook als het Zaansch: de persoon met wie of wien in één bed slaapt, bijslaper, bedgenoot.
bijspul, biespul, toespijs, bijschotel van groenten, appelmoes, enz., zooveel als nagerecht, ofschoon het juist niet tot het laatst gespaard wordt. Zoo worden bv. aardappelen met vleesch en rijst of rijstenbrij na elkander, maar met roode kool wordt het gelijkelijk gegeten. Overijselsch bijspullechies = toespijzen.
bijstaan, biestoan, uitzien, zich in zekeren toestand bevinden; ’t stait ’r roar bie = ’t ziet er niet mooi uit, ’t is een rare, verwarde boel; hou stōn ’t ’r bie? = hoe zag het daar uit? hoe hebt gij het daar bevonden? zij stait ’r goud bie mit jurken, schounen, hozen, enz. = zij is daarvan zeer voldoende voorzien. dat stait ’r bie! = dat is een schoon vooruitzicht, nu zult gij pleizier hebben! dat stait bie de man = die kost is zeer voedzaam; de eerappels hebben al ’n zetje biestoan = de aardappelen hebben (na gekookt te zijn) al eene poos af gestaan, zij staan nu bij, hangen dus niet meer over het vuur.
bijster, biester, (bijster) = verdwaald, op een dwaalspoor zijn; op ’n biester = op ’n bilder = op ’n biesterboane = op ’n biesterweg = op ’n onzin = in de regel van verbiestêrn wezen, alle uitdrukkingen voor: zich vergissen, dwalen.
bijster, biester, (bijster), als bijwoord van versterking, voor: zeer, buitengewoon; biester veul, drok, klain, gezond, vroolîk, enz., ook Oostfriesch; da’s biester (Oldampt) = da’s slim (Ommelanden), geldt als eene volkomen instemming, waarvoor ook: in ’t groote. Noord-Holland biester = zeer, ook ZweedschKil. bijster = onmetelijk, reusachtig, ontzaglijk; Drentsch biester, Zeeland büster, Zuid-Nederlandsch bijster, Hoogduitsch biester = wild, woest, verdwaald, enz.
bijsterbaan, biesterboane, dwaalweg (fig.); zie: biester 2. Geldersch: in de biesterboane = in de war.
bijsterbaarlijk, biesterboarêlk, hoort men ook voor: biester 1.
bijsterweg, biesterweg, dwaalweg (fig.); zie: biester 2.
bijt, bit, bijt; eendebit; ijndebit, ijnebit = eendenbijt; ook Friesch; brandbit = bijt of opening in het ijs, uit voorzorg ingeval van brand; Oostfriesch brandbitt; zoo: aantjebitt = een groot gat in eene ijsvlakte. – meervoud bitten. Middel-Nederlandsch bit = bijt, gehakte opening in het ijs. (Verdam.)
bijten, beetên, boterham; zie: brug. Vgl. ’t verouderde inbijt = ontbijt.
bijter, bieterke, bieter, voorwerp van zilver, ivoor of bot, dat men kleinen kinderen vóór het tanden krijgen als speelgoed in handen geeft, waarop zij dus kunnen bijten; ook Oostfriesch.
bijterig, bietêrg, (bijterig), zegt men van erwten die door insecten verbeten zijn; de arten bin bietêrg van’t joar.
bijtijds, bietieds, bijtijds; wie bin bietieds op rais goan = wij zijn vroeg in den morgen op reis gegaan.
bijts, biets, bietsk, geneigd tot bijten, bijtlustig, van honden gezegd. Spottend zeggen kinderen van een’ makker, die gebruik van zijne tanden wil maken om zich te verweren of te wreken: hij ’s biets. Overijselsch bitsch, Nedersaksisch betsk, Deensch bidsk.
bijverdienen, bieverdijnen, zie: touverdijnen.
bijvoet, bijvoet, wilde balsem, Artemisia vulgaris.
bijzetten, biezetten, voor: aanbrengen, bijbrengen: hij ken nijt veul biezetten = niet veel hulp verleenen, hij heeft weinig kracht; ook: hij is niet bemiddeld, dus: hij kan er niet veel toe bijdragen om iets tot stand te brengen. Zal aan de zeevaart ontleend zijn, immers: de zeilen worden bijgezet.
bijzetten, biezetten, gelijk zetten van een uurwerk met een ander waarnaar men zich gewoonlijk regelt; mien allozie gait achter, ’k wil hōm biezetten. Drentsch bijbrengen.
bijziend, biezijnd, (klemtoon op: zijnd) = bijziende, kortzichtig.
bijzitter, biezitter, afgetreden ouderling of diaken, wanneer hij nog een of meer jaren zijne zitplaats in de bank van den kerkeraad blijft behouden. Oudtijds bestond de Gemeenteraad uit Schout, Assessoren en Bijzitters. Hooft bijzitter = raadslid, raadsman. Dr. Landr. (1712): de Drost met zijnen bijzitter (= assessor)
bijzonder, bezunder, biezunder, (= bijzonder), in: bezunder mooi, enz. = buitengewoon mooi of schoon. Kil. besonder, besunder = zeldzaam.
bik, bik, (Westerwolde) = haak eener zeis.
bikbes, bikberen, (Oude Pekela) = blijkens (Duurswold) = bleeken = blauwe boschbes, de boschbes, Geldersch bikberen. Zie Neerl. Plantensch. p. 140.
bikkelknikker, bikkelknikker, zie: bōm.
bikken, bikseln, eten, zich te goede doen, zich vergasten: doar is wat te bikseln = daar is volop voedsel; ie mouten van ’t zömer komen as t’r in toen wat is te bikseln, dat is als er vruchten rijp zijn. Frequentatief van: bikken (pikken).
bil, bil, dij, deel van het menschelijk lichaam tusschen de knie en de bil, ook: ’t dikke van ’t bijn; ook in Zeeuwse zegswijs: ’t lood in de billen hebben = niet meer kunnen werken, af zijn; aan de jacht ontleend. – wie zellen ijs zijn wel de blankste billen het, eene zeer gewone uitdrukking voor: nu zal het blijken wie van ons de baas zal zijn; vooral wanneer het de twee laatste mededingers in een wedstrijd betreft.
bilder, bilder, biller, gejaagd, wild, verwilderd (Marne). Vgl. biester, en: verbillerd.
bilderen, bildêrn, loopen of men gejaagd wordt.
billen, billen, bikken, scherpen van molensteenen. Hoogduitsch billen, en: Bille = bilhamer (Akveld).
billenwagen, bilwoagen, voor: de beenen, in: mit (of: op) de bilwoagen raizen = de reis te voet doen; Friesch bilwein. Hetzelfde als: per pedes apostolorum reizen, Nedersaksisch de Apostel-Peerde anspannen. Zie ook Laurill. p. 19.
billijk, billêk, billijk; da’s ’n billêke pries = een matige prijs, Hoogduitsch ein billiger Preis. ’t Woord wordt in deze beteekenis als Germanisme verworpen, hier is het zeer gewoon. Holsteinsch billig = tamelijk, vrij goed.
binden, binnen, bienen, bienden, binden, door uitlating der d, als in vinnen, kōnnen, bōnnen, winnen, enz.; ’k heb vleden week drei gul’n mit bienen verdijnd; bienen, bienden (Ommelanden) = binden; in ’t bienden = in den tijd van schooven binden.
bōn = bond, van: binden. Vgl. vōn, stōn, verslōn, bin, vin, voor: vond, stond, verslond, bind, vind, enz.
bindgat, bindgoaten, vetergaten; bindgoaten letters = holgewerkte merkletters.
binding, bienens, biendens, binnings, in: bienens van doun wor’n, of: van nooden hebben (Hoogeland) = zich moeten bedwingen, intoomen, zijn ongeduld of drift overwinnen; ’k worde bienens van doun, ’k wōl zoo geern vōt, en ze lijten mie moar wachten; ’k was bienens van nooden, dou ’t jōng tegen mie opspeulde = – toen de jongen (of: het meisje) zich tegen mij verzette; iets bienens van doun (of: van nooden) hebben = het broodnoodig hebben, zich er niet buiten kunnen redden. Friesch ynbine = zich intoomen, eigenlijk = inbinden.
bindster, biensters, binsters, bindsters, vrouwen die het afgesneden graan tot schooven binden; de biensters mouten vōt achter de zichters an; zie: bienen. Kil. saedbinster.
bindstok, bindstok, biendstok, (Ommelanden) = pōnterboom, pōnter (Oldampt, Westerwolde) = hooiboom. Zie: pōnterboom, en: teimen.
binnen, binnen, voor: binnengekomen, ter bestemder plaatse aangekomen, van schepen en scheepsvolk. Zijn zij echter eene andere haven, bv. eene vluchthaven binnengeloopen, dan wordt de plaats of het land er bij genoemd; stait in de scheepstiedens dat ze binnen bin; echter: zij bin binnen arns in Noorwegen.
binnenbeurt, binnenbeurtje, binnenbeurdien, binnenbeurdien (Stad-Groningsch) = boetenbeurtje = buitenkansje, als het ’t verlof om uit te gaan betreft. Het eerste wordt inzonderheid gebezigd wanneer er van beurt sprake kan zijn, bv. met het vrijaf van dienstboden, wanneer hun dit binnen bepaalde tijden ten deel valt. – Ook = gelukje, fortuintje.
binnenbrief, binnenbrijf, (binnenbrief). Volgens Auwen noemen de schippersvrouwen den brief van hare mans, bevattende het bericht dat zij binnen zijn, aldus. Zie: binnen 3.
binnenbuis, binnenbuus, binnenbuutse, binnenzak. Zie: buus.
binneneind, binende, binèn, zie: binhoes.
binnenhuis, binhoes, in geschrifte boveneind, en: voorbehuizing = het bewoonbaar gedeelte eener boerderij; ook ter onderscheiding van het overige van het gebouw, dus het huis buiten de schuur of schuren, ook achterèn of achterende geheeten.
binnenkoortsig, binnenkoorsîg, het gevoel hebbende als van iemand die aan binnenkoortsen, sluipkoortsen, lijdt.
binnenland, binnenland, (Hoogeland); landerijen gelegen binnen de oudste zeedijken, ter onderscheiding van uterdieksland en polderland; alzoo spreekt men o.a. van de binnenlanden van Hunsingoo.
binnenmeid, binnenmeid, (in geschrifte); meid op eene boerderij die geen veld- of karnwerk behoeft te verrichten. Advertentie (1872): “Er wordt gevraagd: Eene flinke Binnenmeid, om dadelijk in dienst te treden bij,” enz.
binnenpalmen, binnenpalmen, inpalmen, in de fig. beteekenis van: zich op eene min loffelijke manier van iets meester maken.
binnenschot, binnenschot, een deel der waterschapslasten. “Schotgaarder van het Oosterstadshamrik verwittigt de belanghebbenden, dat hij tot ontvangst van den tweeden termijn zijl-, diep- en binnenschot zal vaceren.” (1869).
binnentijds, binnentieds, vóór de diensttijd verstreken is; hij (of: zij) is binnentieds wegkomen = in den loop van het dienstjaar òf weggezonden of weggeloopen.
binnentuin, binnentoen, binnentuun, zie: boetentoen.
binnenvet, binnenvet, vet in een dier, de nierbedden, enz.; ’t binnenvet van jonge koien altied of.
binnenwijk, binnenwiek, kanaal ter breedte van 6 meter, hetwelk in eene rechte lijn, aan de linker- of rechterzijde van het hoofdkanaal uitgegraven, dient tot het afgraven van turf. Zij liggen 80 – 100 M. van elkaar verwijderd. (N. Gron. Cour. 1884).
binnenwind, binnenwiend, binnenwind, Wanneer de wind bezuiden het westen is zegt men dat hij binnen is, dat wij een binnenwiend hebben; benoorden ’t westen is hij boeten (buiten), dat heet een boetenwiend. De uitdrukking: wiend is te veul binnen, boeten, beteekent zooveel als: buiten den zeedijk, op de Wadden, is de wind te veel zuidwest, west of zelfs noordwest, om het water door de sluizen te Zoutkamp te kunnen loozen.
biscuit, biskwie, een suikergebak; ook = theebeschuit. Eigenl. het Fransche biscuit.
bit, bit, het gebit van een toom, Zweedsch bett.
bit, bit, bitje, mondstuk, het deel eener pijp, waarvan men het eind in den mond neemt, waarop men dus bijt. Oostfriesch bit, Noordfriesch batt, Deensch bid, Hoogduitsch Pfeifenspitze.
bitter, bitter, (bijwoord); ’n bitter beetje = zeer weinig, een klein weinigje; ’t is bitter neudîg = ’t is hoognoodig; ’t scheelde moar ’n bitter beetje; ’t zel hōm bitter opbreken = ’t zal hem zuur opbreken, hij zal er zwaar voor boeten.
bitter, bitter, (zelfstandig naamwoord, meervoud bitters). Bij v. Dale: bitter, geen meervoud; zekere drank van jenever; bittertje = borreltje bitter. – Hier verstaat men er onder: eene soort van bittere likeur gestookt uit alcohol en kruiden; ook aftreksel van citroenschillen, van den kalmuswortel, gentiaan, enz., waarvan men een weinig in den jenever, ook wel in den brandewijn, doet; ’n glas bitter = ’n glas jenever mit bitter = ’n glas bitterjenever = bitterbōrrel = bittertje; Ieder klōkje dat ze kregen, maist bitterjenever, want ’t mōs, noa heur zeggen, ook zoo bitter verdaind worren.” (Bij v. Dale: citroenbitter, zonder meer.) Zie ook: opbreken.
bitteramandel, bittermandels, bittermantels, bittere amandelen. Zie: mantels.
bitterborrel, bitterbōrrel, zie: bitter 1.
bitteren, bittern, jenever met bitter drinken, nl. vóór den middagmaaltijd, en in gezelschap of in eene herberg.
bitterfles, bittervles, (bitterflesch); de bittervles op toavel kriegen = de jeneverflesch, alsmede een klein fleschje met bitter op tafel zetten.
bitterkers, bittelkars, bitterkers, tuinkers. (Wisseling van l en r.)
bitterrood, bitterrod, de groote Malva (v. Hall.)
bittertje, bittertje, zie: bitter 1, en: botter-en-brood.
bittertong, bittertōng, Waterpeper of scherpe Duizendknoop, Polygonum Hydropiper. (v. Hall.) “Deze landen (te Bellingewolde en Omstreken) zijn meestal los en mul en hebben veel last van onkruiden, als bittertong en waterwilgen, op zijn boers gezegd.” Gron. Cour. 1869.
bitterzoethout, bitter zoethout, bitter zuitholt, Bitterzoet, Solanum Dulcamara. Groeit veel aan de kanten der slooten. (v. Hall).
blaadje, bladje, blaadje. Onder ’t bladje verstaat men op het Hoogeland de Ommelander Courant, die tweemaal ’s weeks te Uithuizermeeden wordt uitgegeven; krieg ie ’t bladje of ’t bokkekrantje?
blaar, bloaren, meervoud van: blad, en: blaar; ’k heb bloaren in de hand; bin twei bloaren oet mien bouk.
blaar, bloarke, maar meer als eigennaam. Zie: bloarde kou.
blaar, bloar, (= blaar). Spreekwoord: Ongewoonte moakt bloaren = ongewone arbeid veroorzaakt ongemak, eig.: die het arbeiden niet gewoon is krijgt blaren in de handen. Nedersaksisch Ungewennte makt bulen.
blaas, blas!, als tusschenwerpsel, verkorting van: bloas mie wat in ’t gat! enz., zooveel als: gij kunt mij niets doen, ik lach u wat uit! en gaat gewoonlijk met het slaan op de billen gepaard.
blaas, bloas, bloaze, in: ’n groote bloas hebben = een groote zwetser, een pochhans zijn, vooral wanneer iemand zich op kracht beroemt; veur ’n bloas mit boonen op de loop goan = bloohartig zijn. Hooft. blaes = bluf, grootspraak, snorkerij.
blaasbalg, bloasbalk, zie: poester.
blaaskont, blaskontert, bluffer, zwetser, blaaskaak. Staat eigenlijk voor: blaaskond. Vgl. blas 2.
blaasnat, bloaskenat, voor: foesel, smokkelbrandewijn. Aldus omdat het in blazen wordt binnengesmokkeld. “ – zag hij in de verte eene bende smokkelaars, belast en beladen met het zoogenaamde “bloaskenat” aankomen.”
blaaspoepen, bloaspoepen, schimpnaam voor de Duitsche muzikanten die hier de dorpen afloopen. “Haast zou ik vergeten hebben, dat eenige “blaospoepen” hun best deden om de feestvierenden stokdoof te maken.” – “– in eene ververschingstent waarin vijf “bloaspoepen” dienst deden als priesters van Euterpe.” Zie: poep.
blabber, blabbert, (Stad-Groningsch) = onnoozele jongen, stumper.
blad, bloaren, meervoud van: blad, en: blaar; ’k heb bloaren in de hand; bin twei bloaren oet mien bouk.
blad, blad, (meervoud bloaren = bladen, en: bladeren); trillen as ’n blad = beven als een riet; ’n maid (of: wicht) as ’n blad = eene gezonde, blozende, flink gebouwd meisje. Ironisch wordt er achter gevoegd: brijt van schōlders en smal van gad.
bladheng, bladhengen, zie: bōchtkenijêrn.
bladmoes, bladjemous, bladjemoes, de kost die men bereidt van de bladeren van jonge boerenkoolplanten (mousplanten), zoodra men deze kan afplukken zonder de plant, die reeds verpoot is, te benadelen. Ook: “Het blad van het gewoon koolzaad (zomer en winter) is tot menschenvoedsel niet ongeschikt. Althans bij Groningen wordt het, zoo lang de plant niet al te oud is, dikwerf afgesneden en onder den naam van bladjemoes, ten gebruike even als spingie, verkocht.” v. Hall. Neerl. Plantensch. p. 17. Zie: mous, en vgl. sniemous.
blaffen, blaffen, voor: zwetsen, een hoogen toon aanslaan en daarbij hard roepen; blaffen van honger = grooten honger hebben.
blaffer, blaffert, zwetser, bluffer, schreeuwer. Ook: die een groot woord voert om anderen vrees voor hem in te boezemen. Spreekwoord: Blaffers bin gijn bieters, Nederlandsch blaffende honden, of: Blaffers bijten niet. Vgl. blaffen.
blak, blak, blik, leggen van kaarten = ze open en bloot op tafel leggen: hij gooit zien koaten blik = hij laat zijne kaart aan allen zien. Noord-Brabant blak = open, openbaar. Oudtijds zeide men: blak, voor: blank, en het Fransche blanc zou eens: blak, geweest zijn. Angel-Saksisch blac, Middel-Hoogduitsch, Hoogduitsch bleich, Engelsch bleak, bleach, Deensch bleg, Zweedsch blek = bleek; Nedersaksisch blekken = schijnen, lichten, bliksemen. Vgl. blak, blik met: blijken, en: blaken.
blakstil, blakstil, bladstil. Marken blak, Friesch blak-stil = geheel stil, van den wind en het weder. (v. Dale: blakstil, bladstil = doodstil.) Wellicht moet hier aan eene wisseling van d en k gedacht worden.
blast, blas, blast, hebben = an de wind wezen = aan trommelzucht lijden, van koeien en schapen. “Daar er nu en dan wel eens koeien zijn die door blast worden aangetast, en dikwijls aan de gevolgen dezer ziekte bezwijken”, enz. Landb. Kroniek (1870). Oostfriesch blas, Engelsch blast. 4 Esdra 13.10, 27 = blazing, wind; Deensch bloest = wind, storm.
blastig, blassîg, opgezet in het aangezicht. Zie: blas 1.
blauw, blou, bloo, bleu, eene ziekte onder de koeien. Particulieren genezen ze door een stukje uit de tong te bijten of op andere wijze eene bloeding der tong te bewerken. “Recht duidelijk is het mij nooit geweest wat het volk onder dien naam verstaat. Naar ’t mij is voorgekomen is het een collectief naam voor alle acute ziekten bij het rundvee en wel voornamelijk congestiën naar hersenen en longen. In andere gevallen zag ik dat men dien naam gebruikte voor hevige krampkolijk. De ooren moeten er dikwijls erg aan gelooven (afgesneden, om verbloeding) of aderlatingen zijn eveneens bij zulke zaken zeer in zwang.” (K. Lameris)
blauw, blaue zes week, wordt die tijd van het jaar genoemd, waarin aardappelen, knollen, wortelen, enz. of opgeteerd, of smakeloos geworden zijn, en de nieuwe vrucht nog niet gegeten kan worden.
blauw, blou, blau, blou (Ommelanden) = blau (Oldampt, Westerwolde) = blauw. Spreekwoord: Bloue doeven, bloue jongen, zooveel als: De vrucht valt niet ver van den stam.
blauw lint, blau lintje, Als eene aardigheid onder kleine meisjes geldt de vraag: wilt wel ijs ’n blau lintje zijn? waarop de vraagster de tong dubbel slaat, zóó dat de onderkant zichtbaar wordt, en zich dan adertjes als twee blauwe streepjes vertoonen.
blauwbloei, blauwbloei, (in geschrifte); soort van vlas met blauwen bloei. Te Zuurdijk te koop aangeboden (1876): “3 Hectares uitmuntend vlas, (blauwbloei.)”
blauwe bliksem, blaue bliksem, schimpnaam voor: potjebuul; zie aldaar. Wordt alleen door het boerenvolk gezegd.
blauwe Jan, blaue Jan, afgeroomde of dunne melk bij de koffie.
blauwgrashooi, blauwgrashooi, (in geschrifte); hooi van blauwgraslanden; zie aldaar.
blauwgrasland, blauwgraslanden, (in geschrifte) = land waarop het zoogenaamde blauwgras groeit. In 1876 schreef men uit het Westerkwartier: “En de lagelandster verheugt zich dat hij nu land heeft, waar in vroegere jaren om dezen tijd des jaars (21 Dec.) de baren rolden. Sommigen twijfelen wel of de blauwgraslanden, die gewoonlijk onderliepen, er bij zullen winnen”, enz.
blauwkarper, bloukarper, (klemtoon op: blou) = karper.
blauwmees, bloomaiske, blaumaiske, blauwmaiske, bloumastje, blauwe mees, bijenmees, een vogeltje dat op bijen aast.
blauwmees, blaumaiske, zie: bloomaiske.
blauwpaardje, bloupeertjes, blaupeerties, bloupeertjes (Ommelanden), blaupeerties (Stad-Groningsch), seespeerdjes, peerdmantjes (Oldampt Westerwolde) = kleinere soort van glazemakers, elders juffertjes, Agrigons.
blauwpeul, bloupeulen, eene soort van grauwe erwten die op het land verbouwd worden.
blauwsangen, blousangen, zie: sangen.
blauwtje, blauke, blouke, klein voorwerp dat eene blauwe kleur heeft: dat blauke bv. dat blauwe doekje.
blauwverver, blauvarver, iemand die het blauvarven verstaat, die eene blauvarverei heeft, dat is die linnen en wollen stoffen blauw of zwart verft. (v. Dale: blauwververij = werkplaats waar men blauw verft.) Middel-Nederlandsch blaeuvarwer = blauwverver.
blazen, gebloazen, zie: poesten 2.
blazen, bloazen, een wind laten, veesten. Zegswijs: ik zōl hōm wat bloazen! = ik hoest hem wat, ik doe zijn zin niet. Verzachtend voor: – wat schieten. Vervoeg. ik bloas, doe blast, hij blast; ik bluis, – blous, – bloasde; wie bluizen, – blouzen; wie hebben bloazen, enz; blous, bluis = blies. Vgl. betoul.
bloazen! met sterken en gerekten nadruk op zen, uitroep van den schipper als bevel aan den snikjōng om op den hoorn te blazen.
blebber, blebbert, zie: blerren.
bleek, blijk, zie: blespeerd.
bleekgoed, blijkgoud, (bleekgoed); waschgoed dat op de bleek ligt; ’t blijkgoud mout nog in hoes hoald wor’n.
bleekwater, blijkwoater, West-Vlaamsch bleekwater, chloorkalkwater. (De Bo).
blei, blaai, (Westerwolde) = platvisch, bliek of blei; Duurswold slei; zie aldaar.
blèrbek, blerbek, zie: blerren.
blèrder, bledder, voor: tong; hij stekt zien bledder oet; hij let zien bledder zijn. Staat voor: blerder, waarmede men blert (zie: blerren.) Vgl. ’t Hoogduitsche Plärre = de mond, alsmede: blerren.
blèren, blerren, bler’n, (met gerekte e) = laten; ook = huilend schreien, en: schreeuwend zingen; gebler = geblaat; geschreeuw; geschrei. (v. Dale: geblaar, gebleer, geblaat, gebleet.) Hiervan de schimpwoorden: blerbek, blersnoete = blebbert, schrijfbek, schrijfsnoete, hoelbek, liepgat, mōlfert, gōlfert = schreeuwleelijk, huilebalk. Weil. v. Dale: blaren = blaten, loeien, balken; Neder-Betuwsch blère = blaten; Kil. blaeren (Sax.); Oostfriesch blarren, blären, bleren = huilen; loeien, balken; Nedersaksisch blarren, Engelsch to blare = huilen, weenen; Westfaalsch blaeren, Noordfriesch blarre = blaten; schreeuwen van kinderen; Middel-Hoogduitsch blêren, blerren = blaten, schreeuwen; Latijn balare, Hoogduitsch plärren, vroeger: blärren, geschreven. Middel-Nederlandsch bleren, Middel-Hoogduitsch blêren. Hoogduitsch blarren, Nederlandsch blêren. Schreeuwen, van een ezel gezegd, balken. Thans bij ons uitsluitend van kinderen in gebruik. (Verdam).
blèrsnoet, blersnoete, schreeuwleelijkerd, huilebalk, Nederd. blarrboks, blarschnute, Hoogduitsch Plärrmaul. Zie: blerren.
bles, bleske, meerkoot, waterhoen.
blespaard, blespeerd, (klemtoon op: peerd) = paard met eene bles, dat is eene langwerpige witte plek van het haar tot den neus. (Vgl. kol.) Spottenderwijs zegt men van iemand, die een wit voorhemdje (wit overhemd) draagt met open vest: hij blest. Valt dit nogal in het oog, dan heet het: hij het de blijk bestolen. Kil. bles, oudtijds ook: blas = kaal; bij Bild. bles = wit. Vgl. ’t Hoogduitsche blass, en: kielbles.
blessen, blessen, een wit overhemd met uitgesneden vest dragen. Zie: blespeerd.
blessure, blezuur, (onzijdig) = wonde, ’t Fransche blessure = wonde, kwetsuur. Genezen zijnde kan zij dienst doen als weerprofeet: “dei vrouger ’n slim blezuur kregen haren, veurspelden oet doovighaid ien ’t littaiken da’we nog meer omballing kriegen zollen.”
bleu, bleu, bloode, schroomvallig. Zuid-Holland bleu, Westfaalsch blöe; tautologie bang en bleu, bij Tollens bloo en bang. (v. Dale bleu = bloode). Zie: blou 1.)
blibben, blibben, de lip laten hangen. Rijmpje: Wie blibben mit de lippen En voaren mit de schippen, Moar as ie Drenten vroagen, Dei voaren mit de woagen. Zie: voaren.
blibber, blibbert, iemand met dikke lippen en een dom en lomp uiterlijk. Vgl. ten Doornk. artt. blubber, en: blubbern.
blidderig, bliddêrg, zie: blikkêrg.
blier, blier, flauw, flets van kleur, tegengestelde van: helder; van eene stof gezegd.
blij, blied, (Ommelanden) = opgeruimd, vroolijk, zonder luidruchtig te zijn; hij ’s altied blied = hij is altijd vergenoegd, heeft steeds schik in ’t leven; ’t is ’n blied kind = ’t heeft altijd een lach op het gelaat; zij het zoo’n blied gezicht = zij ziet er zoo tevreden en welgemoed uit; wat bin ’k joe (voor dien dienst) schuldig? – niks as ’n blied gezicht. Algemeen is: ’k bin blied (of: bliede) da’k (bv.) weer thoes bin, enz.; mit blieder harten = volgaarne, met volkomen instemming. Synoniem met: blijde = verheugd, Oldampt Westerwolde bliede. Tautologie blied en vlug, ook: vlug en blied = opgeruimd, welgemoed, blij gestemd. Vergelijking: blied as ’n engel. Vgl. Laurill. p. 66. (Bij v. Dale: blij, blijd, blijde.) Middel-Nederlandsch blide, blijt, Middel-Hoogduitsch blide, Gothisch bleiths, Oud-Noorsch blidhr, Engelsch blithe. Vroolijk, lustig, opgewekt, hem blide maken = zich vroolijk maken, zich vermaken.
blijdschap, bliedskōp, blijdschap. Zie: ie 1, en: schōp (= schap).
blijven, bleven, bleeb’n, (Veenkoloniën) = gebleven; hij ’s bleven = hij is omgekomen op zee; ’t schip mit al ’t volk is bleven = het is met man en muis vergaan. Eigenlijk zooveel als: gebleven op zee. Hooft, Vondel, enz. blijven = sneuvelen.
blijven, blif, blief, blijf; blif’r of! = blijf er af! blifst’r of? = wilt gij er wel van afblijven? – blief is meest in gebruik. Vgl. zig.
blik, bleeken, blijkens, blauwe boschbes, ook waldbes, krakelbeziën, postelbeziën, blauwbes, boschbes, bikberen (Oude Pekela, ook Geldersch), walbessen, walberen, keutelberen = vaccinum myrtyllus; Drentsch bleeken. ( v. Hall. Neerl. Plantensch. p. 47); zie: bikberen.
blik, blik, zie: klip.
blik, blik, (bijwoord) = hel, blikkerend; de zun schient zoo blik, en dan is dit een voorteeken van regen. Kil. blick (verouderd) = blanck. – Kan men van buiten naar binnen in een vertrek zien wat daar voorvalt, dan zegt men: ’t is t’r zoo blik (= gaps, gapsk.) Zie ook: blak, en: blikschōp. – Vergelijking: zoo blied as blik (ook: as kwik).
blikgat, blikgad, blikaars. – Ook basterdvloek als tusschenwerpsel en bijwoord; dei blikgad! dei bliksloager! dei blitsekoater! dei blitsikat! dei blikkoater! verzachtend voor: bliksem. Hiervan: blikgads, blikkies mooi, enz. Zie ook: gommes.
blikgats, blikgads, zie: blikgad.
blikken emmer, blikken emmer!, zie: blikken Pijter!
blikken jasje, blikken jaske, aardigheidshalve voor: jasje van lustre. Aldus om den glans, het glimmen dier stof.
blikken pan, blikken panje, blikken pannechie, in: zij ’s net as ’n blikken panje, gau hijt en gau kold, fig. voor: zij is zeer veranderlijk, nu vroolijk en in ’t volgende oogenblik droefgeestig.
blikken Pieter, blikken Pijter!, uitroep van verwondering als: wel wel! sakkerloot! enz., eigenlijk: bliksem Pieter!
blikkeren, blikkêrn, flikkeren, zwak weerlichten, waarbij geen donder gehoord wordt, als bv. bij warme zomeravonden; ook Oostfriesch Ter onderscheiding van weerlichten = bliksemen.
kenmerken vertoonen van vermoedelijke hengstigheid.
blikkerig, blikkêrg, flikkerend, van de zonnestralen, inzonderheid bij regenachtig weder tusschen de buien. Zie: blik.
blikschop, blikschōp, verkleinwoord blikschōppie (Goorecht), ook enkel blik = motschup; zie: motschōp. Eigenlijk zooveel als: schopje van blik; menigmaal is het ook van koper.
bliksem, bliksemtje, schertsend = bliksemskind (zie: bliksem); doe bliksemtje, ’k zel die d’r wel weer veur kriegen! zooveel als: gij duiveltje! ’k zal het u wel betaald zetten.
bliksem, bliksem, als scheldwoord; doe bliksem! (ook: bliksemskind); bist ’n bliksem! (= duvel); zóó’n bliksem! (of: bliksemskind) = zoo’n verdoemeling! wat zee den bliksem? = (bv.) wat zei de galgestrop? Spreekt men met veel klem dan is de uitgang niet toonloos. West-Vlaamsch bliksem, bleksem = schurk, schelm, guit. Die bliksem heeft weerom al mijn appels geplukt; een bliksem van een jongen. (De Bo); hijte bliksem, zie: roodspek.
bliksem, al den bliksem, de heele boel, allen en alles, niemand uitgezonderd.
bliksem, blaksem, als vloekwoord verzachtend voor: bliksem. Zie: gommen.
bliksems, bliksies, bliksie, zie: blikgad.
bliksemskind, bliksemskind, bliksemskiend, zie: bliksem.
blikskaters, blitsekoaters, blitsekoater, zie: blikgad.
blikslagers, bliksloagers, bliksloager, zie: blikgad.
blikslaperig, bliksloapêrg, zie: dunsloapêrg.
blind, blinde, blin, (vrouwlijk) meervoud blinden, blinnen en: blindens = vensterluik; “Eerst mossen de gedienen deele en de blinnen hijlendal digte.” In ouderwetsche huizen vindt men ze nog aan den buitenkant, thans worden ze alleen aan den binnenkant aangebracht. Om in ’t geheel geene blinden meer te gebruiken, vindt op het land nog weinig navolging. Men zegt: blinden veur de vensters, maar: roamkes veur de gloazen hebben; blinnen, blinn’, in blinden = in blindjes; = met gesloten oogen; dat ken ’k in blinden wel vinnen (vinden); braiden ken ’k in blindjes wel deun.
blind, blind, Kinderen waarschuwen elkander om niet door de bril van een privaat te kijken, omdat zij dan blind zullen worden.
blindalarm, blindallarm, horloge waarmede kinderen spelen, jongensspeelgoed. Aldus omdat het niet kan gaan. In navolging zegt men het ook van andere voorwerpen die voor het gebruik ten eenemale ongeschikt zijn.
blinde, blinde, voor: slok, teug, in: ’n blinde nemen = eene teug uit de jeneverflesch zooals op de jacht en bij ’t visschen. Aldus omdat men dan niet weet hoeveel men krijgt, of: zooveel kan nemen als men verkiest, en zooveel als: drinken in den blinde.
blinde dag, blinde dag, is voor de bewoners van het Pelster Gasthuis een dag, waarop hun bij het middageten geen vleesch, spek of visch gegeven wordt, te weten maandag en donderdag.
blinder, blinder, (van Ankum); uitroep van verwondering.
blindgeboren, blindgeboren, voor: phosphorus, zooveel als: wat bestemd is om blindgeborenen, ratten en muizen, te dooden.
blindhond, blindhond Siementje!, blindhond Siementje! wie mouten vōt! aansporing om haast te maken.
blindslag, blinslag, elk draaibaar deel van een vensterluik, (blindeslag). Zie: slag, en: blinde 2.
blindstok, blinstok, lat of ijzeren roede waarmede de vensterluiken verzekerd worden. Staat voor: blindestok. Zie: blinde 2.
blink, blinkje, (Hoogeland); eene plek, een meer of min afgezonderd gedeelte van een stuk grasland, een kampje. Ook een groen plekje gronds waar drie wegen samenkomen. Te Uithuizen heet de ruimte, eene soort van plein aan het einde der vaart, de blink. Vgl. brink.
blits, blits, zie: gommes.
bloed, bloud zöcht bloud, (bloed zoekt bloed) = het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
bloed aftappen, bloud oftappen, aderlaten; dokter zel mie wat bloud oftappen. Vóór een vijftigtal jaren kon men nog zeggen: de boardscheerder mōs mie acht onc bloud oftappen. (Stad-Groningsch)
bloeden, blouden, bluiden, blouden (Ommelanden) = bluiden (Oldampt, Westerwolde) = bloeden; vervoeging bludde, blud; blödde, blöd. Zegswijs: da’s moar ’n doukje veur ’t blouden = – een verzinsel om iets goed te maken, te herstellen; bij v. Dale: dat is slechts een doekje voor het bloeden = eene uitvlucht, een verzinsel.
bloedpissen, bloedpissen, zie: wei.
bloeds, bloudse, bloudske, (bijwoord en bijvoeglijk naamwoord) zooveel als: bloedsch, voor: buitengewoon, verbazend; ’t dait bloudse zeer (Oldampt) = ’t doet erg pijn; ’t is bloudse duur, van boter en brood gezegd = verschrikkelijk duur; ’t is bloudse kold; ’k wōl ’t bloudse geern; ’t het mie ’n bloudsen wark köst; ’k heb ’n bloudsen honger, dörst, verlangst, enz. Nedersaksisch blootsken koolt = streng koud.
bloedspuwing, bloudspeien, (zelfstandig naamwoord) = bloedspuwing, bloedbraking; hij het al tweimoal bloudspeien had = hij heeft reeds twee malen bloed gebraakt. Men zegt niet: hij speit bloud, maar: hij geft bloud over, of, minder sterk: hij geft bloud op. Zoo ook: hij het bloud overgeven, of: opgeven, niet: hij het bloud speit.
bloedwateren, bloedwateren, zie: wei.
bloedworst, bloudworst, fig. voor: sul, sukkel, te goedaardig mensch, woordspeling met: bloed (bloud) = onnoozele hals; ’t is ’n bloudworst van ’n vent = men ken hōm mit ’n metworst de hals oetsnieden. (Vgl. worst.) Ook liefkoozingswoord: mien bloudworst, nevens: mien bloud, zooveel als eigenlijk: mijn hulpbehoevend schepseltje.
bloei, blui, bloei; zie: blösem. – ’t zoad het de blui in de bek = het raapzaad vertoont reeds de bloemknop.
bloeiboter, bluibotter, (bloeiboter); boter in het voorjaar, die geen stalboter en ook geen grasboter kan genoemd worden.
bloeien, bluien, bloeien, en: bloesems. Wanneer zich donderwolken aan den horizon vertoonen die zich al meer ophoopen en een onweer doen voorspellen, zegt men: de lōcht bluit = is bluiêrg. – Wordt ook van het water in onze regenbakken gezegd, dat soms, vooral in Augustus, een walgelijken reuk krijgt.
bloeier, bluiers, in geschrifte bloeiers; eene soort van aardappelen. “Het verschijnsel wordt opgemerkt vooral onder die variteit, welke de landbouwers “bloeijers” noemen.”
bloeierig, bluiêrg, (uit: bloeien, en: ig); zie: bluien.
bloeiknop, bluiknop, (bloeiknop) = bloemknop.
bloem, bloum, bloem, voor: foelie van de muskaatnoot; ook Friesch.
bloemen, bluimen, zie: bluimîg.
bloemen, bloumen, (bloemen, als werkwoord) = bloumd wezen; de witte kroepers begunnen al te bloumen. Zuid-Nederlandsch: bloemen, blommen = witachtig worden en de gedaante van meel krijgen, ook: melen; het zijn goede aardappels die bloemen. Zie ook: bluimîg. (Bij De Bo: openvallen = meelbloem.)
bloementuin, bloumtoene, bloumtoen, tuintje, alleen voor bloemen en heesters. Zie: kruudhof.
bloemig, bluimîg, troebel, in: ’t woater bluimig moaken (Westerwolde); bluimen, bloumen = met den pols in ’t water plonsen en roeren; bij ’t vischen. Zal wellicht staan voor: bloemig maken, kleuren.
bloempje, bloumke, bloumpie, voor: pluimpje, lof; hij kreeg nog ’n bloumke van meneer.
bloempjesgoed, bloumkegoud, gebloemde katoenen stof; bloumkede jurk = gebloemd kleed.
bloesem, blösem, (Oldampt, Westerwolde) = blui (Ommelanden) = bloesem, de bloem eener bloeiende plant, meervoud blösems, en: bluien; zit blösem = zit blui genōg an dei boom.
blok, blok, op eene soort van paal goed verzegeld kastje in vele kerken, waarin des zondags de collecten worden gestort; ook bestaat het geheel wel uit één stuk hout; ’t blok lichten = de gelden er uithalen, ’t geen door de diakenen op gezette tijden gedaan wordt. Zuid-Nederlandsch, West-Vlaamsch blok = bus in eene kerk of in een gesticht voor de aalmoezen. (Van Dale: offerblok, kistje voor aalmoezen, in de kerken opgehangen); de blok wordt de kast genoemd, waarin op het stadhuis te Nijmegen de bewijsstukken der Privilegiën, door de Duitsche keizers aan die stad geschonken, bewaard worden. Middel-Nederlandsch bloc. Eene kist. (Offerblok; Doodkist). Ook: een door eene gracht of heining afgesloten akker. (Verdam). Zie ook: blokploatse. Vgl. ’t Fransche tronc, Hoogduitsch Opferstock.
voor: log, lomp, dom vrouwspersoon, ook godsblok, gorsblok. (Conscience: Zie de dochter eens, dat gaat blok weg en komt juffrouw terug.)
een houten blok, elders kluister geheeten, dat men den paarden aan een der voorpooten hecht om ze in de weide te houden; fig. voor: klein kind, zuigeling, of ook: lastige vrouw; ʼn bōngel an ʼt bijn hebben = niet vrij kunnen uitgaan, wanneer en waarheen men wil, aan banden liggen. – Voorts een houten voorwerp, soms in den vorm van een kruis, dat den jachthonden om den hals wordt gehangen volgens art. 24 der Jachtwet van 1852, en aldaar kruisbungel, Groningsch kruisbōngel, kruusbungel, genoemd. Zie: bōngeln; blok an ’t bijn, zie: bōngel.
in geschrifte dorschblok; werktuig om graan, raapzaad, enz. te dorschen. Het heeft den vorm van een’ afgeknotten kegel en wordt door een of twee paarden in eene rondwentelende beweging gebracht. Gewoonlijk zegt men: wie dörsken mit ’t blok. In advertenties biedt men te koop aan (bv.) “koolkleed met blok en toebehooren.” En zoo leest men ook: “– hoe weinig nog heeft de langzaam werkende dorschrol (dorschblok) voor goede dorschmachines plaats gemaakt.”; bij verkorting voor: dörsblok; zie aldaar;
blok hooi (Ommelanden) = heubult (Oldampt) = hooiklamp, hooimijt, hooihoop buiten ’s huis, Noordfriesch klomp. Ook spreekt men van een blok stroo wanneer dat in zulk een vorm is opgezet.
blokhuis, blokhoes, een huis waarvan het bewoonbare gedeelte nagenoeg een vierkant vormt. Ook voor: gevangenis.
blokland, blokland, zie: blokploatse.
bloklichten, bloklichten, zij goan hen te bloklichten = zij ledigen het blok in de kerk. Zie: blok 2.
Bloklichters, bloklichters, Schimpnaam voor de inwoners van het dorp Warfum. Aldus omdat daar het blok in de Hervormde kerk vóór een zestigtal jaren bestolen werd.
blokloop, blokloop, de ruimte in de schuur waar het dorschblok rondwentelt; ook voor de strook die dat werktuig beschrijft en op den dorschvloer zichtbaar is.
blokmaker, blokmoaker, in geschrifte blokmaker; iemand die masten, stengen, katrollen, enz., al het houtwerk van het staand want van een schip vervaardigt. Advert.: “Heden overleed …, in leven blokmaker bij de Poelepoortenboog.” Uit Veendam schreef men (1876): “Dit sleepte de totale vernietiging van onderscheidene bedrijven na zich; van zeil- en blokmakers, van touwslagers en diergelijke handwerkers is weinig sprake meer.”
blokplaats, blokploatse, in de Veenkoloniën het land tusschen twee wijken (vaarten). In die beteekenis zegt men de kleistreken van het Oldampt: opstrekkende heerd, land dat eene meerder of minder breede doch zeer lange strook vormt. Zulk land heet in eerstgenoemde streken blokland. Advert. Te verkoopen: “Eene blokplaats land gelegen op no 38” (dat is aan het Oosterdiep te Wildervank). “– zelfs is er 6 deimt haver op eene blokplaats te Kibbelgaren verbouwd.” (1876). Zekere moerassige streek tot Bremen behoorende, draagt den naam Blokland; in het Nedersaksisch komt het in oude oorkonden voor als: stuk bouwland. v. Dale: blokland = verzameling van akkers; Kil. block-lands = omheind, afgesloten land, en dit (volgens Kil.) van belock, van luyken = sluiten. Oostfriesch blokland = door slooten en wallen omringd land. Volgens ten Doornk. zou het oude: blok = laag, moerassig, samenhangen met: broek = laag, vochtig land, door wisseling van r en l. Zie ook: blok 3.
bloktong, bloktongen, het voorwerp aan een’ wagen dat het voorstel aan den disselboom verbindt. Advertentie: Boeldag van eene lading gesneden eikenhout “bestaande uit stelhouten, bloktongen,” enz.
bloot, bloots, bloot, in de beteekenis van: alleen, enkel, slechts; ’t is bloots veur de oarîghaid = alleen voor de aardigheid; ’k dee bloots in zien belang. ’t Hoogduitsche bloss.
bloot, bloode, bloote; mit bloode kop = met ongedekt hoofd; op bloode voeten = blootvoets; mit bloode gad = ontkleed, naakt. Vgl. hozevötels.
bloot, bleuten, blooien, (zelfstandig naamwoord); de wasstof waarmede de bijen naar de korven vliegen, ook Drentsch.
bloten, bleuten, blooien, (werkwoord); de wasstof waarmede de bijen naar de korven vliegen tusschen de pooten verzamelen en er mede naar de korven vliegen; ook Drentsch.
bluf, bluffen, (zelfstandig naamwoord alleen meervoud); zie: bodjes.
bobbekop, bōbbekop, schimpwoord voor iemand die een onmatig dik hoofd heeft, en sluit in: domheid en plompheid. Moet vergeleken worden met: bobbel = waterbel, en komt overeen met het Nederlandsche bobberd. (Niets maakt een Fries boozer dan de kwalificatie vrijze bōbbekop.)
bobbelen, bōbbeln, niet effen, bobbelig zitten; naaistersterm.
bobbeltjesblazen, bōbbeltjesbloazen, bellen blazen: dei kinder vernuvêrn zök mit bōbbeltjesbloazen = zij vermaken zich met bellen blazen.
bobbeltjesblazer, bōbbeltjesbloazer, bellenblazer.
bochel, bōchel, bōggel, (= bult); zök ’n bōchel lachen = zich te bersten lachen (v. Dale). – Ook voor bult en deuk beide: mien houd was in in alle bōchels en boelen (alliteratie) Ook zoo van tin- en blikgoed gezegd.
bochelarij, bōchelderei, zie: bōchêlg.
bochelen, bōcheln, niet effen zitten; van een kleedingstuk, wanneer dat uit een dikke stof gemaakt is. Zegswijs: dat ken mie nijt bōcheln, bij v. Dale: ik bochel er wat in.
bochelig, bōchêlg, (bochelig), van kleeren, die niet effen zitten. Naaistersterm. Hiervan: bōchelderei = het oneffen zitten, in vouwen vallen, krom trekken, enz. van vrouwenkleeren.
bocht, bōchten, zekere stukken hout voor den scheepsbouw. Advertentie: Te Hoogezand te verkoopen: “Twee ladingen buitengewoon mooi en gaaf eikenhout, bestaande in balken, stoothouten, knies, krommers, bochten en bestekhout.”
bocht, bōcht, in: iets oet de bōcht kennen = eene kunst of een handwerk grondig verstaan, een meester in ’t vak zijn. Drentsch oet de bucht = ter dege. – de bōcht omgaan = den hoek omgaan, sterven aan eene ziekte; de bōcht om d’arm hebben = reeds welgesteld zijn en daardoor de mededinging kunnen doorstaan, ook Oostfriesch; Friesch: Hij het de bocht om ’e earmtakke (elleboog); de bōcht hebben = dronken zijn, de hoogte hebben.
bochten - boelen, alliteratie; dat ding stait (bevindt zich) in alle bochten en boelen (builen) = is niet effen zooals ’t behoort, maar scheef (of gedeukt) in alle opzichten. Vgl. bōchel.
bochtknier, bōchtkenijêrn, soort van hengen met gekromde veeren, zooals men aan deuren en vensterluiken gebruikt; kenijern = scharnieren hengen. Voorts onderscheidt men: veerhengen (hengen met even lange veeren); bladhengen (hengen met ééne korte veer, die men ook aan deuren gebruikt), en: vlinderhengen (die korte veeren hebben en aan kleine deuren te pas komen).
bod, bod, (meervoud botten) = aanbod, aanbieding; bod! zooveel als: ik neem het bod, nl. zooveel als de uitveiler het laatst uitgesproken heeft; twei an bod! zegt de uitveiler wanneer twee personen tegelijk bod! hebben geroepen, en begint weer met het vóórlaatste bod; an bod wezen = het hoogste bod hebben; in bod wezen = zooveel er voor geboden is, bv.: ’t kamnet is in bod veur 100 gulden. In deze provincie gaat alles bij opbod, en ook is het er gebruikelijk om bij de tweede veiling van vaste goederen bij dukaten (vijf gulden) te verhoogen en van elken dukaat een kwartje aan den bieder te geven. De formule luidt: Lijfhebbers! dat land (bv.) is bie K. in bod veur, enz.; dei ’t mit honderd dukoaten verhoogt, 100 viefstuvers, 90 –, 80 –, 70 –, 60 –, 50! dei ’t mit vieftig dukoaten verhoogt, vieftig viefstuvers; 40 –, 30 –, 20 –, 10! dei ’t mit tien, enz. tot hij op één komt. Alsdan begint hij weer met tien, en eindelijk, wanneer niemand meer biedt, besluit hij met: ijnmaal! – andermoal! – wèl beroaden, wil bedocht? (zie: beroaden). – bie perviezie; ’t laatste zooveel als: uw bod zal door den verkooper in overweging genomen worden, voorloopig is de verkoop afgeloopen. Bij verhuring van landerijen handelt men op dezelfde wijze, maar zet niet zoo hoog in, en in plaats van dukaten rekent men dan bij daalders. Bij ’t verhuren van akkers geeft men bij de tweede veiling voor elk kwartje verhooging een dubbeltje.
in bod, voor: aan bod; dat peerd is in bod veur, enz. = voor dat paard is geboden, enz.; dei kou is in bod bie de Boer veur, enz. = hij is de hoogste bieder op die koe, enz. Aanmerking: ook nevens in leze men: ien, ook in de samenstellingen, indien het woord althans in de Ommelanden in zwang is.
bode, bode, dienaar van eene vereeniging, bv. van een Waterschap, van eene Kerkvoogdij, van een Plaatselijk Nut, Leesgezelschap, enz.; vroeger sprak men ook van Bode van ’t Stadshoes. – Vóór de nieuwe postregeling een man die er zijn beroep van maakte om brieven, pakjes, enz. naar eene andere plaats te bezorgen, bv. naar Groningen, Winschoten of Appingedam, en verder alle boodschappen te verrichten. – Ook nog zegt men wel: bode, voor: postbode. (v. Dale: bode = zendeling, afgezant, boodschapper.)
bodebesteden, bodenbesteden, het werk van den bodenbesteder (zie aldaar), enz.; hij (of: zij) dut ’t bodenbesteden.
bodebesteder, bodenbesteder, in annonces: verhuurder, en: verhuurster van dienstboden, bij v. Dale: besteder, en: besteedster. Zie: besteden.
bodebesteedster, bodenbesteedster, zie: bodenbesteder.
bodeloop, bodeloop, de weg die een postbode dagelijks heeft af te leggen, bv. van Warfum naar Uithuizermeeden. (Het woord komt echter wel voor in de verslagen der Posterijen.)
bodgeld, bodgeld, zie: striekgeld.
bodinse, bodinske, vrouw, die er een bestaan in zoekt boodschappen te doen van de eene plaats naar de andere, een vrouwelijke bode, bodin. Vgl. jeudinske.
bodje, bodje, in: ’n bodje op nemen = er aanmerkingen op maken.
bodje, bodjes, (Oldampt) = bluffen (Hunsegoo) = piekjes, puukjes zetten, in de Marne driestjen, ook oefke zetten; in de taal der schoolknapen zooveel als: uittarten om een of ander waagstukje na te doen, bv. om over eene sloot te springen. “’t Was een wedstrijd, “bodjezetterij”, d.w.z. wie het meest durfde wagen, wie zich op de hoogste plaats (van eene draaiende molenwiek) durfde loslaten was de bolleboos.” (Midwolde, Oldampt – De Telegraaf 1895 no 961.) Zuid-Nederlandsch baks, tikie, mat, bleune, West-Vlaamsch bleune steken.
bodschoot, bōdschoed, (Ommelanden) = schoed (voorschoot) van blauw linnen, ’t welk de meiden voordoen als zij morsig werk moeten verrichten. Zie: bōdder.
bodsteken, bodsteken, De uitdrukking: hij (of: zij) stekt gijn bod = hij durft alles ondernemen, wagen, hij deinst voor niets terug. Tegengestelde van: uiterst voorzichtig, schroomvallig zijn.
boea spelen, boeà speulen, (klemtoon op: à) kotsen, overgeven; ook Drentschboeà is klanknabootsend.
boeba, boebà, (klemtoon op: boe), in: ’t is ’n boebà van ’n kerel = ’t is ’n rechte boebà, zegt men van een man die geen behoorlijk bescheid geeft, die kortaf en brommend of grommend antwoordt, (van wien men ook zegt: hij ’s zoo vrundêlk as ’n oorwurm); ook Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch met bijvoeging van: grimmig, lomp, oploopend, toornig. Samengesteld uit de tussenwerpsels: boe, en: , klanken om schrik aan te jagen.
boede, budje, soort van spanen doos, gewoonlijk door onze schippers uit den vreemde als geschenk meegebracht.
boede, boe, Bij van Bolhuis: de boe = een afdak waaronder men stookt, een snuiver. Vgl. bij Verdam: boede, bode, buede, Middel-Hoogduitsch buode, Hoogduitsch Bude. Verkleinwoord boedekijn, samengetr. boeikijn, boyken. Een klein huisje, meestal een houten gebouwtje; loods, schuur, keet; hutje, huisje.
boedhorn, buithörn, zie: kebōf.
boeg, boug, boeg; ’t is hōm tegen de boug = ’t is tegen zijn’ zin; ’t stuit hem tegen de borst; iets oet de bougen doun (Hoogeland) = een werk verrichten met inspanning van alle krachten. – ’t Eerste van: boeg, voorste deel van een schip; het laatste van: boug = borst van een paard; beide van: buigen. Vgl. hies.
boeghijs, boughies, zie: hies.
boeien, boiën, boeien, zie: anboiën.
boek, olle bouk, zie: olle.
boekelbakkel, boekelbakkel, een woord om kleine kinderen af te schrikken om iets wat vies is aan te raken: à bà! boekelbakkel! nijt doun!
boekerij, boukerei, (boekerij), voor: eenige boeken, die bv. in de vensterbank liggen; barg dei boukerei doar vandoan; dei boukerei ligt mie in de wege.
boekje, boukje, bouktje, boekje; ’n boukje koopen = vijf kaarten koopen bij ’t lantern (lanterluien). Ook meisjesnaam = Bouke.
boekoe, boekou, in de kleinekinder-taal = koe. Nedersaksisch buko, en ook: buos,
boekstaven, boukstoaven, spellen, nu verouderd evenals: boekstaven. – Ook = de letterteekens. Kil. boeckstaven (werkwoord); boeckstave (zelfstandig naamwoord); Hoogduitsch Buchstabe = klank- of letterteeken; buchstabieren = spellen. Middel-Nederlandsch boecstaef, boucstaef, enz. Vooral of uitsluitend in het meervoud in gebruik. Middel-Hoogduitsch buochstap. Middel-Nederduitsch bokstaf, Hoogduitsch Buchstabe. Tegenwoordig is slechtst het werkwoord boekstaven in gebruik en wel vooral in het deelwoord geboekstaafd. (Verdam).
boekweit, boukwait, boekweit. Zie: ou (= oe), en ai (= ie).
boekweitegort, boukwaitengört, gort van boekweit, gepelde boekweit; wie eten van middêg boukwaitengört (of: boukwaitengörte).
boekweitemeel, boukwaitenmeel, boekweitmeel (v. Dale).
boekweiten, boukwaiten, (bijvoeglijk naamwoord); boukwaiten gört, boukwaiten meel, boukwaiten pankouk = gort, enz. van boekweit. (Bij v. Dale: boekweiten, bijvoeglijk naamwoord Dit woord zal wel zelden voorkomen.)
boekweiten, boekweiten, zie: beboekweiten.
boekweitkleed, boukwaitklijd, boekweitkleed, in advertenties boekweitkleed = kleed waarop de boekweit, op het land, wordt gedorscht.
boekweitmaalderij, boukwaitmoalderei, boekweitmaalderij, in advertenties boekweitmaalderij = grutterij.
boekweitmolenaar, boukwaitmulder, (boekweitmolenaar) = grutter.
boel, bedel, zie: al den bedel.
boel, boudel, (boedel) = boel; ’t is t’r ’n boudel (ook met de toevoeging: van Jan Stijn) = ’t is daar een verwarde boel, eene onordelijke huishouding; een rommel; ’t is ’n boudel! = ’t is eene zeer lastige zaak; da’s ’n beste boudel = dat staat mij (of: ons) goed aan, daarvan of daarmee kunnen wij pleizier hebben; ook = die menschen zijn rijk; ’n knappe boudel = nette en ordelijke huishouding, winkel, enz. In samenstellingen kan het niet altijd door: boel, kraam, vervangen worden, als in: regenboudel, als het een regenachtige tijd is; sneiboudel = de hoopen sneeuw die op wegen en straten ligt, een sneeuwrommel; zandboudel = de zandige bodem, waarin men moeilijk kan voortkomen, en ons dus zeer hinderlijk is; stofboudel = wat met stof bedekt is, en ook het stuiven zelf; schoulboudel = schoolzaken, zaken, het onderwijs betreffende; gemijnteroadsboudel = de verkiezing voor den gemeenteraad; loezeboudel = kleeren met ongemak, enz. Men zou er voor kunnen zeggen: dat geregen, dat gesneeuw, dat gestuif, of: al dat stof, enz.
massa, hoop, menigte: ’n boudel knikkers; d’r starven ’n hijle boudel mensen, enz. Meer echter gebruikt men: bult; zie aldaar. Oostfriesch bûdel, bôdel, bûl, bôl, boul = hoop, enz.
boedel, al het bezit; ’n goude boudel hebben = welgesteld zijn; ’n dikke (of: beste) boudel hebben = veel geld bezitten. Zie Verdam, art. boedel.
massoale boudel = gemeenschappelijk bezit; ’t gait oet de massoale boudel = het wordt betaald uit zulk een bezit, al is het ook slechts ten bate van één of meer, niet van alle, dier bezitters, bv. de kosten zijner studie worden door allen, broeders en zusters, gezamenlijk gedragen. Latijn massalis = tot ééne massa behoorende.
boel, al den bedel, de heele boel, allen en alles, niemand uitgezonderd. De uitdrukking ziet alleen op personen, en dikwijls eene verzachting der volgende; altijd echter in ongunstige beteekenis. Oud-Friesch bodel = roerend goed; bedel = landerijen, landgoederen, vaste bezittingen; bo, boo = het geheele bezit; bodel = inboedel, Groningsch inboedel.
boeldag, bouldag, boeldag, boeldag; boulgoud = boelgoed; boulgeld, bouldagsgeld, boulpenningen, in annonces: boelpenningen = het bedrag van het verkochte plus vijf procent voor den notaris; boelgoedsconditiën (in annonces), een enkelen keer leest men boeldagsvoorwaarden = de voorwaarden van verkoop, die vóór de veiling worden voorgelezen; boerenbouldag = veiling van den inboedel, het vee en de gereedschappen van een’ landbouwer. Deze boeldagen worden o.a. in de Ommelanden nog sterk bezocht, zonder dat er, gelijk vroeger, een volksfeest van wordt gemaakt. Vgl. bedel.
boeldagsconditie, boeldagsconditiën, zie: bouldag.
boeldagsgeld, bouldagsgeld, zie: bouldag.
boeldagsvoorwaarde, boeldagsvoorwaarden, zie: bouldag.
boelgeld, boulgeld, zie: bouldag.
boelgoed, boulgoud, zie: bouldag (Middel-Nederlandsch boedelgoet, bodelgoet, buedelguet. Goed tot iemands uitzet behoorende.)
boelgoedsconditie, boelgoedsconditiën, zie: bouldag.
boelhuis, boulhuus, (Stad-Groningsch) = boelhuis, venduhuis. Middel-Nederlandsch boedelhuus, boelhuys. Verkooping van roerende goederen in een sterfhuis. (Verdam.)
boelpenning, boulpenningen, boelpenningen, zie: bouldag.
boem, bōms, bams, klanknabootsend tusschenwerpsel om het geluid van een slag of val aan te duiden, maar zwakker dan: bons. Oostfriesch bumms, Nedersaksisch bams, Deensch bums = getroffen! daar ligt het! Holsteinsch bumsen = stooten dat het een slag geeft, zoodat het klinkt.
boemel, boemel, an de boemel roaken = niets uitvoeren aan de Hoogeschool, pieren, of op andere manieren den tijd zoek brengen. Studentenwoord. Zie ook: boemêln.
boemelen, boemêln, den tijd aan de Hoogeschool doorbrengen met niets-doen en te zwieren. Studentenwoord. Hoogduitsch bummeln = drentelen, slenteren, lanterfanten.
boennap, bounnap, nap die men gewoonlijk bij het boenen gebruikt.
boenplank, bounplank, de plank, ook woaterplank, die op eene vaststaande ladder in de gracht rust, waar o.a. het boerengereedschap, vorken, schoppen, spaden, enz. wordt geboend. De geheele inrichting noemt men ’t woaterkret, en wordt bij de achterdeur aangetroffen.
boenpost, bounpost, de deel, post of dikke en breede plank bij eene boerderij waar de meiden het keuken- en melkgereedschap schoonmaken, boenen, enz.; deze bounpost vindt men bij de stookhut. “’k Wol da’k maor schrobben en plasken kon net as Aanje, karnbounen, tienen schuren, potten schoonen, tellers wasschen, mit dikke klompen op ’e bounpost stoan.”
boer, boer, De knechten, meiden en vaste arbaiders spreken den landbouwer, bij wien zij in dienst zijn, aan met: boer; ook als zij van hem spreken; boer, wat mou ’k doun? boer is zijk; – de boerin is: vrau; vrou. Sedert kort begint ook dit op ’t Hoogeland en in ’t Oldampt te veranderen door het noemen bij den familienaam; nog zelden zegt men meneer en juffrou, en dan nog alleen in den zoogenaamden grooten boerenstand. De handwerksman, bakker en schipper noemt den boer, wien hij geheel bedient: mien boer. Zoo wordt ook bv. eene bakkerij of smederij mit de boeren verkoft, zooveel als: de koopprijs is voornamelijk afhankelijk van het aantal boeren, welke vaste klanten van dien bakker of smid zijn. – ik mout ook boer kennen blieven = ik mag niet te goedgeefsch zijn. – Daar boer, Hoogduitsch Bauer, oudtijds ook: bouwer, luidde, van: bouwen (Gothisch bavan, Oud-Hoogduitsch biuwen, buwen = wonen, bewonen), is het niet te verwonderen dat het woord in geslachtsnamen veelvuldig voorkomt, bv.: Boer; de Boer; Boerma; Boerema; Boerhuis; Boerkamp; Hooiboer, enz. Het enkelvoud geldt ook voor het meervoud als soortnaam: hij dijnt bie boer, of: bie de boer; ie mouten moar op boer of: gij moet maar bij de boeren werk (of: hulp, enz.) zien te krijgen). Vgl. ’t Nederlandsche boer en burger. In Drente is: boer, ook zooveel als: de gezamenlijke bevolking van een dorp of gehucht. Spreekwoord: Wat ’n boer nijt ken dat et’e (of: vret’e) nijt, wat een boer niet kent, eet hij niet, dat is, een ander spijtig toegevoegd: gij wilt of durft die spijs niet proeven omdat gij ze nooit gegeten hebt, gij zijt dus een stijfkop en een domkop, iemand die van alles wat nieuw voor hem is, niets weten wil. Hetzelfde, soms met geringe wijziging, in Oostfriesland, Nedersaksen, Holstein, Oldenburg, Strelitz, Munster, Paterb., Recklinghausen, Meurs, Düren, Soest, Siegerland, Aken, Ritscheinburg (Stiermarken); Hoogduitsch Was weiss der Bauer von Gurkensalat, en Oldenburg voegt daarbij: den frett he mit de meszfork. – Is eene spijs of drank zeer heet, dan zegt men bij wijze van waarschuwing: da’s boer, bran joen bek nijt! (boer, brand uw’ mond niet!) – De boer op de edelman zetten = iets minder smakelijks het laatst eten (of: drinken); Oostfriesch bûr up de edelman setten; Nedersaksich den Buren up den Eddelman setten = na wijn, bier drinken; ook Holsteinsch’t Is ’n boer nijt wies te moaken hou ’n sêldoat an de köst (aan jenever) kōmt, schertsend zooveel als: hoe ik er aan gekomen ben, het fijne daarvan weet gij niet, en als ik het zei zoudt gij het toch niet begrijpen. Friesch: It is in boer net wys te meitsen he ’t in soldaet oan ’e kost komt. – Van dei boer gijn ganzen! = met dien man doe ik geen zaken, van zulke lui moet ik niets hebben. Friesch: Fin dy boer gjin carte! (Spreek mij daar niet van). Twalf boeren en ’n hōnd bin dartien rekels, kwaadaardig schimpend, zooveel als: elke boer is een rekel (hond), een buffelachtig mensch; ook Oostfriesch’n Boer is ’n boer, of: ’n Boer blift ’n boer = een boer is onvatbaar voor beschaving, hij is onverbeterlijk. – Trekt iemand een pijnlijk gezicht, dan zegt men: Hij lacht as ’n boer dei koespien het, Oostfriesch: lacht as ’n bûr, de mit de mesförke kiddeld word; Meiderich: de meck’n gesich äsz enn bur den tannpien heet. – Hij stait op zien woord as ’n boer op zien klōmpen = hij is stijfkoppig. – ’t Ligt gijn boer in ’t venster, met de toevoeging: en gijn edelman in de deur = laat dat ding daar maar liggen, niemand heeft er toch hinder van. Friesch: Hij sit gjin boer yn ’t finsterbank. – ’t Is ’n slechte tied! Wordt deze klacht geuit, dan hoort men allicht de toevoeging: de boer moakt zien kinder zulf. Zie: rekel, bijsten, bölken, en: lantern.
dikke boer = rijke landbouwer, ter onderscheiding van: groote boer, die groot boer is = boer die eene groote boerderij (ploats of ploatse) heeft; ’n dikke boer an tou (touw) hebben, zooveel als: een vermogenden boer tot klant hebben, of van hem nu en dan hulp of dienst ontvangen. Marken: diknek = rijkaard; Oostfriesch ’n dikken bûr = rijke, vermogende boer. Zie: bölken, en dik.
boerbakken, boerbaktjen, zie: kaiboeren.
boerboek, boerbouk, zie: möllen.
boerderij, boerkederei, boerkerei, boerderij; wat boerkederei hebben = het landbouwbedrijf in ’t klein uitoefenen, bv. waartoe men slechts één paard noodig heeft. Drentsch wat boerkerei of boerkederei hebben = wat bouwland in gebruik hebben; Oostfriesch bûrekerê, bûrkeiê.
boeren, boerken, boertjen, het bedrijf van landbouwer uitoefenen. Kil. Weil. v. Dale boeren = bouwen; goud boerken = eene boerderij flink besturen en daardoor winstgevend maken; in ’t algemeen: door ijver, enz. in zijn beroep, vooruitgaan, geld overhouden. “Doar kenste nijt van boerken, kind! ’n Ploatse dei kost daiten.” Oostfriesch buhrken = boerderij houden, landbouwbedrijf uitoefenen; Drentsch boerken. Zie ook Gr. Wbk. art. achteruitboeren.
boerenanje, boerenanje, lomp, boersch vrouwpersoon, als het nl. eene vrouw of dochter van een boer is; letterlijk: boersche Anje. Zie: trut.
boerenarbeider, boerenarbaider, daglooner; arbaidersmensen, arbaismensen, arbaidersmensken = tot de klasse van daglooners behoorende, huisgezinnen van daglooners; arbaidershoeske, arbaishoeske = huisje van een daglooner of daarop gelijkende; vaste ook: steevaste arbaiders zijn zulke, die ’t geheele jaar bij een boer in ’t werk zijn en er ook den kost hebben; lösse arbaiders, die werk zoeken bij wie zij ’t vinden kunnen, steeds op eigen kost; lösse vaste arbaiders, die wel het geheele jaar door werken bij één boer, maar voor eigen kost moeten zorgen; ook missen zij de bijzondere voordeelen van den vasten arbaider; arbaidersdaghuur = wat een daglooner gewoonlijk daags verdient; “Voader arbaidde bie Jan Knels as steevaste arbaider, hij verdijnde ’s zummers drei gulden en de andere tied van ’t joar zesendartig stuver en de kost in de week, en ’s oavens kreeg e altied pran mit, as ter wat overbleef.” West-Vlaamsch arbeider = werkman. Vgl. ook ‘t Middel-Nederlandsch arbeit = arbeid, werk, in bijzondere toepassing, ook veldarbeid. (Verdam.)
boerenbehuizing, boerenbehoezen, boerenbehuizing, in geschrifte boerenbehuizing, of: boeren-behuizing, bij v. Dale boerenhofstede, boerenhuis. Ter onderscheiding van het land dat er bij behoort.
boerenbengel, boerenbōngel, boerenbungel, zie: boerenkaffer.
boerenbeslag, boerenbeslag, zie: beslag.
boerenboeldag, boerenbouldag, zie: bouldag.
boerenboenpost, boerenbounpost, zie: bounplank.
boerenboter, boerenbotter, boter van boeren, ter onderscheiding van fabrieksboter.
boerenbreipens, boerenbreipens, schimpwoord voor boerenknecht of boerenmeid. Aldus omdat er veel zoepenbrei (karnemelkspap) gegeten wordt door het boerenvolk. Zie aldaar.
boereneieren, boerenaier, eieren die de boeren wekelijks ter markt brengen. Vgl. pazaier.
boerengemaal, boerengemaal, wat de boeren op den molen laten malen; is ’n bult boerengemoal bie dei meuln (of: möln).
boerenhout, boerenhout, Wellicht zooveel als: hout dat gading is voor landbouwers. Het komt o.a. voor in eene advertentie (1877): “Te Kolham boeldag van boomen, zeer geschikt voor scheepsbouwers, schillers en tevens voor boerenhout.”
boerenjongens, boerenjōnges, (Ommelanden) = brandewijn met rozijnen, de algemeene Nieuwjaarsdrank; ook Neder-Betuwsch, Utrechts boerenjongks.
boerenkaffer, boerenkaffer, schimpwoord als: boerenlummel, boerenkinkel.
boerenknul, boerenknul, boerenkinkel. Zie: knul.
boerenopzet, boerenopzet, soort van kap op een korrewoagen. – Advertentie: Te Scharmer te verkoopen (1873): “– een zoo goed als nieuwe korrewagen met afzonderlijk boerenopzet”, enz.
boerenplaats, boerenploats, boerenploatse, in geschrifte boerenplaats = boerderij, landhoeve, zoowel de woning met schuur of: schuren afzonderlijk als deze met de daarbij behoorende landerijen; bie Warfum is ’n groote boerenploats ofbrand; dei boerenploats is in 1876 verkoft veur honderdfieftîgdoezend gulden. Zie ook: ploats.
boerenpot, boerenpot, zie: hutspot.
boerenslachter, boerenslachter, slager, die bij de boeren en burgers de runderen en varkens slacht.
boerentrut, boerentrut, boerentrutte, zie: boerenanje.
boerenvent, boerenvent, zie: vent.
boerenvolk, boerenvolk, voor: werkvolk van den boer; boerenvolk het lijver spek as vlees. Zegt men echter: is veul boerenvolk in de stad, dan staat het voor: landvolk, landlieden. v. Dale: boerenvolk = landlieden.
boerenwafel, boerenwoafel, = wentelteefien (Stad-Groningsch) = beschuit, in eieren en melk geweekt en zoo in boter gebakken, dus eene soort van omelet.
boerenwagen, boerenwoagen, in geschrifte ook veldwagen = dikke woagen als er van personenvervoer sprake is = wagen voor het landbouwgebruik, en om turf te vervoeren, en wel ter onderscheiding van: koetswoagen, en: rietuug; dou wie noa ’t ailand wert bin wōr we op dikke woagen van ’t schip hoald; ’t voart nijt zacht op zoo’n boerenwoagen.
boerenwerk, boerenwark, al de arbeid die op eene boerderij te verrichten valt. Ook: het werk dat wagenmakers, smeden, enz. voor de boeren doen; die smid het ’t mijste boerenwark.
boerenzweet, boerenswijt, (boerenzweet); eene soort van dunbier, de zomerdrank voor het boeren-werkvolk, inzonderheid bij ’t raapzaaddorschen. De brouwerijen te platten lande vonden hierin een groot gedeelte van haar bestaan, want de boeren sloegen dat bier bij okshoofden op. Onder den naam windbijer (of: windbier) werd het in de herbergen bij mengelsgloazen verkocht met toevoeging van een weinig suiker en notemuscaat.
boerkas, boerkas, “Daar de landerijen der Westerwoldsche landbouwers zeer verspreid liggen, is het moeilijk te bepalen welk deel van den gemeenschappelijken weg ieder heeft te onderhouden. Vandaar dat men het gezamenlijk doet. Al naar de grootte van het grondbezit moet ieder mannen zenden, om mede te werken aan de instandhouding der gemeenschap. Eén is het hoofd en leidt de werkzaamheden, het is de boerrichter. Hij beheert tevens de gelden van de boerschōp, dat is de vereeniging van boeren. Vele landerijen in de Westerwoldsche dorpen waren tot vóór korten tijd, of zijn nog onverdeeld. De opbrengst daarvan komt terecht in de boerkas en wordt ten deele of geheel, al naardat de middelen toereikend zijn, besteed ten voordeele der boerschōp. In die kas vloeien ook de verschuldigde boelen, wanneer men de werkzaamheden niet mede verricht.”
boerknecht, boerknecht, (klemtoon op: boer): knecht die eene boerderij bestuurt bij eene weduwe.
boerling, boerlingen, (Westerwolde) = boeren, eigenlijk zooveel als: tot den boerenstand behoorende.
boermens, boermensen, (Veenkoloniën) = boerenmensen = boerenlu (Fivelgoo) = boeren, inzonderheid menschen uit den kleinen boerenstand. “– doar kennen Wie boerenlu moar nijt an wennen.”“Want roowien dus in dei doagen nog ’n boerenmens nijt vroagen.” Drentsch boerenmensk, Hoogduitsch Bauersleute.
boerrecht, boerrecht, (Westerwolde) = verordening, keur ten opzichte van wegen, dijken en wateren, die voor alle ingezetenen van een kerspel verbindende kracht heeft; ook Drentsch.
boerrechter, boerrichter, (Westerwolde); opzichter van wegen, dijken en wateren, zooveel als: lid van een waterschapsbestuur, waarvoor in ’t Oldampt diekrichter, en: zielrichter, in de Ommelanden schepper. Ommel. Landr. I, 1 buyrrichters; IV, 1 buyrrechter.
boers, boers, (boersch); op zien boers = zooals het bij eenvoudige landlieden gebruikelijk is; “Börgemeester zee op zien boers weg”, enz. = in ’t Groningsch. (v. Dale: boersch = als een boer; fig. lomp, dom.)
boertje, boerke, boertje, boer die weinig land bezit, klein boer, keuterboer is.
boerwerk, boerwark, (steeds met het bep. lidwoord); alles wat tot de werkzaamheden van het landbouwbedrijf behoort, zoowel in de schuur als op het land; ’t boerwark leeren = de praktische opleiding tot landbouwer ontvangen; ’t boerwark moeten de boeren, ’t boerenwark moeten de boerenknechten leeren.
boerwerken, boerwarken, (Westerwolde). Wanneer de wegen hersteld moeten worden of van sneeuw ontruimd, roept de boerrichter, op aanschrijving van den Burgemeester, de belanghebbenden, dat is die daartoe verplicht zijn (de pandplichtigen) bijeen door middel van klokgelui, Die arbeid noemt men boerwark, en het werken zelve: boerwarken. Drentsch boerwerken = het gemeenschappelijk arbeiden door de ingezetenen van een dorp of van een gehucht; Westfaalsch bûrwerken. Vgl. mijntewark.
boesapper, boesappert, boeshappert, boesoppert, boesap, voor: kinderschrik, bangmaker, en: schrik; iemand ’n boesappert anjoagen (of: ofjoagen) = ’n boeze ofjacht geven = ’n boeze op de hoed joagen = verschrikt maken, een schrik op het lijf jagen. Kil. boesman = bietebauw; Drentsch boezekerel, boezeman, Friesch boesman, Gijsb. Japix buwseman, Overijselsch boesekerel, Noord-Brabant boeman, Noordfriesch busseman, Deensch busseman, Nedersaksisch boeman, buze = momaangezicht, soort van masker waarmede men kinderen schrik aanjaagt. Vgl. scherbelskop.
boeten, buiten, bouten, (ui kortaf) = boeten; hij mout ’r veur buiten = hij moet de slechte gevolgen ondervinden; hij mout ’t buiten = de boete betalen, dus eigenlijk: de zaak goedmaken, verbeteren. Vgl. ketelbuiter.
boeten, buiten, (de ui kortaf) = vuur aanleggen, stoken; an de heerd buiten = op den haard stoken, ter onderscheiding van: in eene kachel; Nederlandsch boeten, oudtijds ’t vuur boeten. Drentsch beuten, Veluwe bueten, anbueten, Oostfriesch, Holsteinsch, Ditmarssum böten, Westfaalsch baiten = vuur aanleggen. Vgl. ’t Fransche boute-feu = stokebrand. (ten Doornk. art. böten, acht dit woord niet hetzelfde als boeten = baten, verbeteren, goedmaken maar brengt het tot de eerste beteekenis van ’t Oostfriesche böten = stooten, steken; en vervolgens van: steken, stoken, opstoken, van het Oudhoogduitsch bôzan, pozan, Angelsaksisch beâtan = stooten, slaan.) Middelnederlandsch boeten, bueten, Middelhoogduitsch binzen, Middelnederduitsch boten, buten, Hoogduitsch bueten. Van daar ook het verouderde Fransche bouter en het gewone boute-feu, stokebrand. Uitsluitend van vuur gezegd, welk woord ook wordt weggelaten, waardoor boeten schijnbaar intransitief wordt. Aanleggen, aansteken, in welken zin het in sommige dialecten nog voortleeft. (Verdam.) Vervoeging: buiten, bötte, böt, en: buiten, butte, but.
boeze, boeze, boes, voor: schrik; zie: boesappert.
boezem, bossem, borsem, bos’m, borsum, borsum (Niezijl, enz.) = schoorsteenmantel; Drentsch bossem, borsum; Zuid-Nederlandsch boezem, boesem, Friesch bozem, boosem (’t laatste in eene Publicatie van 1792). – bossemklijd, bossemklaid, eene strook, meestal van blauwbont katoen, dat van den rand des mantels neerhangt. Zij worden nog in ouderwetsche woningen en in dagloonershuisjes aangetroffen. – bossemstōk, bossemstuk = schilderwerk of schilderstuk boven den schoorsteenmantel. Oostfriesch bossem = de rondloopende balken en rand van den schoorsteen in de keuken. – Oud-Hoogduitsch buosam, Middel-Hoogduitsch buosem, buosen, Hoogduitsch Busen, Oud-Friesch bosme, bôsem, Angel-Saksisch bôsom, Engelsch bosom, Westfaalsch boosen = boezem, zoodat ons bossem iets gebogens zal te kennen geven.
boezemkanaal, boezemkanalen, (alleen in geschrifte) = kanalen die het water naar zee voeren.
boezemkleed, borsemklijd, bossemklijd, zie: bossem.
boezemstuk, bossemstōk, bossemstuk, borsemstōk, borsemstuk, zie: bossem.
boezeroen, boezeroen, zooveel als: wijd kamizool, en = overhemd; in ’t bloode boezeroen loopen = zonder jas of andere bovenkleeding. Advert. (1870). Te verkoopen: “– beddekleedengoed, dubbeldraads en regattas voor boesroenen”, enz. – “Aan het politiebureau te Groningen zijn inlichtingen te verkrijgen aangaande een blauw gestreept boezeroen.” (1873). Oostfriesch buseruntje = jak van linnen of katoen; Zuid-Nederlandsch boezeron, Fransch bergeron. Vgl. v. Dale art. boezeroen.
bof, bōf, opzetting van het hoofd gepaard gaande met moeilijkheid in het slikken, eene lichte soort van belroos. “Vroeger noemde men haar (nl. de bof) varkenseuvel. Toen wendde men een aardig huismiddeltje aan om de kwaal te bestrijden. Men liet nl. den lijder een enkelen keer met het varken uit den bak eten en dan was de ziekte geweken.” – “Volgens een deskundige is het eene ontsteking van de oorklieren, waardoor de keel en ’t hoofd aan beide zijden dik wordt en opzet.” Neder-Betuwsch bof: eene niet gevaarlijke maar aanstekelijke kinderziekte, bestaande in pijnlijke zwelling van den hals.
boffen, bōffen, een gelukje hebben; hij bōft altied = ’t geluk dient hem steeds.
boffer, bōffer, boffērd, voor: gelukje bij ’t spel, als ’t op den wilden bof gespeeld wordt en dan gelukt. Zie: bōffen.
bofferd, pōffert, gebak van gerezen meel, soort van podding, en zoowel voorwerpsnaam als soortnaam; de pōffert is goud rezen; wie eten van middag pōffert. (Het meervoud zou pōffers luiden, indien het mocht voorkomen.) Oostfriesch, Westfaalsch puffert = pudding van gerezen meel. Vgl. pōffen 2.
bogen, bogen, (werkwoord), in de eig. beteekenis van: een boog maken, zooveel als: niet eene bocht loopen wat recht moest zijn. Naaistersterm.
bok, bōk, bok, en: geit; de mijste arbaiders hebben ’n bōk; bōkken bin gek op jōnge wilgenbloaren; wie kriegen doags van de bōk ’n kan melk. Oostfriesch buk, voor het mannetje, voor ’t wijfje sége. Zegswijs: mag mie de bōk steuten! = mag ’k ’n boontje wezen! zooveel als: ik sta voor de waarheid er van in; van de bōk dreumen = eene berisping of straf beloopen; aanzienlijke boete betalen, tot iets gedwongen worden dat hoogstonaangenaam is. (’t Laatste is aan het zeewezen ontleend.) (Het Friesch heeft: Dou seilst fen ’e bok drome ast tsjin ’t heilige heiske oanpisteste. Gij zult van den bok (duivel) droomen, als gij kerk en geestelijkheid minachting betoont). – dei bakker het de bōk in d’ovend = zijn oven is koud, de nering is geheel verloopen. Ook hoort men hierbij als toevoeging, wat tevens voor eene soort van verklaring moet dienen: en de horens bin d’r achter zitten bleven.
bokje, bōktje, (= bokje), in: hij (of: zij) lacht as ʼn bōktje dei op kroamverziete gait, wanneer een kind wordt geplaagd, die toch, door zijne tranen heen, moet lachen.
bōkje, in: hij ’s op ’n bōkje = hij is op de flesch, hij is bankroet. (Hoogduitsch auf den Hund.)
bōktje an tau (bokje aan touw); zie: doen.
bokkanis, bokkanis, (Marne) = bok, lomperd.
bokkenbaai, bōkkeboai, in geschrifte bokkebaai; eene grove soort van baai, blauw, ook wel rood van kleur. Advertentie (1873): “Aan het bureau van politie te Groningen zijn inlichtingen te verkrijgen omtrent twee lappen bokkebaai”, enz.
bokkenblaadje, bōkkebladje, (Hoogeland) = bōkkekrantje (Westerkwartier) = het advertentieblaadje dat te Winsum wordt uitgegeven. Aldus omdat er dikwijls kleinigheden, bv. bōkken in aangeboden of aangevraagd worden.
bokkenkrant, bōkkekrantje, zie: bōkkebladje.
bokkenmelk, bōkkemelk, geitenmelk. Zie: bōk.
bokkenpruik, bōkkeproek, in: de bōkkeproek op hebben = koppig zijn en dientengevolge pruilen, van kinderen gezegd. “Jan heeft vandaag weer de bokkepruik op.” Schimmel De Kapitein van de Lijfgarde, Dl. 2 p. 314.
bokkensprong, bōkkesprōngen, fig. = kromme sprongen, zonderlinge, dwaze handelingen om slecht staande zaken weer in orde te brengen. Vgl. kōmsprōngen.
bokking, bukken, bokking; ’n bukken zunder groat, fig. voor: klap, oorveeg, en ook: steek onder water; iemand bukkens geven = met enkele woorden hekelen. Zuid-Limburg bokken, bukken = bokking, Kil. bocking, buckingh; bukken i á sai ioe!! (bukken as aier, ioe) = bokking als eieren, ioe! uitroep van de vischvrouwen te Groningen. Vgl. schellevioe; meervoud bōkkens.
boklam, bōklammer, zie: schoaplammer.
boks, bōksên, bōksêm, bōksên (Oldampt, Westerwolde), bōksêm (Ommelanden) = brouk, wat niet zoo plat schijnt, = broek. Aldus, omdat onze voorouders hun beenbekleeding van bokkeleder zouden gemaakt hebben; later zijn broek en kousen afzonderlijke kleedingstukken geworden. Zoo is het Groningsche hozen = kousen, het Hoogduitsche Hosen = broek. Vgl. het Engelsche buckskin, eigenlijk: bokkehuid. Kil. bockse = broek, ook: een kleed, tevens rok, broek en kousen. Hooft bokse = broek; Levit. 6:10 onderboxen = onderbroek; Drentsch boksem, boksen, boks, Friesch boksen, Geldersch, Noord-Brabant, Zuid-Limburg boks, Belgisch Limburg bokse West-Vlaanderen brouk; Oostfriesch bückse, bücks, büksen, Nedersaksisch boxe, Holsteinsch büx, buks, Westfaalsch bückse, Deensch buxer, Zweedsch byxor, IJslandsch boxen, Saterlandsch bokse, Noordfriesch boksen. – bōksemwam = bōksen en wams = broek en wambuis inéén, eigenlijk: boksem met wams als één kleedingstuk, zooveel als het Indische baaitje, komt voor in de zegswijs: ʼt gait in ìjn boksemwams (= in ìjn boksem en wams) vōrt = hij leest of spreekt al in denzelfden toon door; “En zoo reutelde hij moar al in ijn boksen en wams vört”; ʼt is ìjn bōksem en wams = zij trekken ééne lijn; ook: de een is niet beter dan de ander; “Ai kom, vroulu ain boksen, ain wams. ʼk Wil trouen, ʼk mout trouen, zee ʼt wief”, zooveel als: alle meisjes zijn trouwlustig. Oostfriesch: dat is all ên büks un ên wams. – holten bōksem, voor: preekstoel, Westfaalsch hültene bükse. Voorts: narbōksen = narpot = brōmpot = knorrepot, brombeer; kwetelbōksen = man die gewoon is te kweteln (zie aldaar); van eene vrouw heet het: kwetelscheet, enz. (= babbelkous), van beiden: kwetelkōnd, of: kwetelder; – teutjebōksen zegt men van en tegen een kind dat pas begint te praten; ook spottend van manspersonen die alles verklappen; flōdderbōksen = man of jongen die zijne kleeren, naar ʼt oordeel der vrouwen, niet genoeg ontziet. Zegswijs: mit bōksem om kop (of: mit de bōksen op de kop) thoes komen = met de kous op den kop te huis komen; hōnderd en ʼn bōksem (of: bōksen) vōl = honderd en een mandje vol, vrijwat meer dan honderd, bij ʼt kruisjassen; iemand de bōksen (of: bōksem) opbinden (opbienen) = hem tot zijn plicht brengen, hem mores leeren; dʼr tot an de bōksenbanden (of: tot an de toeten) deurgoan = zeer losbandig leven en zoo veel geld zoek brengen; iemand achter de bōksem zitten = tot spoed aandrijven; ook: achtervolgen, vervolgen, met het doel hem gevangen te nemen; oet de bōksen mouten = zijn gevoeg moeten doen, bv. in het land. Spreekwoord: Al mit de tied komt Jan in de bōksen (ook: Harm in ʼt wams), Nederlandsch: Al met den tijd. Met geringe wijziging ook Oostfriesch, Nederduitsch, Westfaalsch enz.
bōksêm (Ommelanden), kuit van schelvisch, schol en tarbot; aldus omdat zij, uitgespreid eenigszins den vorm van een’ broek heeft. Men zegt: lever en bōksêm, ook lever en kōm.
boksband, bōksenband, broeksband. Zie: bōksem, of: bōksen.
boksbofferd, bōksenpōffert, vriendelijke benaming voor een kleinen jongen die zoo pas in de broek is gekomen, Nederlandsch broekmannetje. Zie: bōksen, en: pōffert.
boksbuis, bōksembuus, bōksenbuutse, bōksembuus (Ommelanden), bōksenbuutse (Oldampt, Westerwolde) = broekzak. Zie: bōksen.
bokselen, bōksêln, zwaar werken, zich sterk inspannen, zwoegen; hij bōksêlt ʼr tegen = hij scharrelt er tegen, vooral van schaatsenrijders die hun best moeten doen om mee te komen. – Zal zijn een frequentatief van: bōkken (= bukken), als praksêln, van: prakken; hakseln, van: hakken; bikseln, van: bikken, enz., en zooveel als: met gekromden rug, al bukkende voortgaande naar iets streven. Oostfriesch bucheln = overijverig arbeiden. Vgl. pōkkêln.
boksklep, bōksenklap, bōksemklap, broeksklep. Vgl. klap.
bokspringen, bōkjespringen, het knapenspel: bokjestavast of haasjeover; ook Nedersaksisch; Zuid-Limburg bukske springen; zij bin an ’t bōkjespringen.
bokstaan, bōkjestoan, bōktjestoan, in de eig. beteekenis: iemand op zijne schouders helpen om hooger te kunnen reiken of hooger te klimmen, bv. in een’ boom te klimmen, zooveel als: te bok staan, tot bok dienen. De sterkste jongen gaat alsdan met den rug tegen den boom leunen, vouwt de handen zoo stijf mogelijk samen en houdt ze eerst zoo laag dat zijn makker er in kan stappen en als eerste trede gebruiken om zich dan op de schouders en zoo verder omhoog te werken; fig. in de zegswijs: ’k stoa die bōkje = ik wil u bijstaan, het gevaar met u deelen, wij zullen ʼt gezamentlijk ondernemen. Oostfriesch bukstân = krom gaan staan opdat een ander op de schouders kan klimmen.
bokswambuis, bōksemwams, zie: bōksen.
bol, bol, ballon, eener lamp; de bol van de lamp is scheurd; wie mouten ʼn neie bol op onze lamp hebben.
bol, bol, bolle, een tarwebrood van ronden vorm; men koopt bv. ʼn dubbeltjes bol (Stad-Groningsch) Verkleinwoord bollechie, en: bolje. Te Niezijl, enz. bolje = stoetje (zie: stoet) van onderscheidene gedaante en grootte. Zie ook: krintebol, en vgl. ʼt Friesche bollemand, ʼt Groningsche stoetkörf.
bolk, bōlk!, roepen de vischvrouwen te Groningen voor: kabeljauw; hij het ʼn bōlk (of, bij verbastering bōl, en ook: snouk) vōngen, zegt men spottend van iemand die een nat pak heeft gehaald door in ʼt water te vallen of door ʼt ijs te zakken. In onze zegswijs wil men er mee te kennen geven: een groote visch, nl. zijn eigen persoon. – bolk is eigenlijk eene soort van schelvisch, ook wijting geheeten. Middel-Nederduitsch bulk, Middel-Hoogduitsch bullich, Hoogduitsch Bolch. – Kil. bollinck, bolck, kabeliau, kableau.
bolkvangen, bōlvangen, zie: bōlk.
bolkvanger, moltje, zie: molvanger.
bolkvanger, molvanger, moltje, kort jasje, soort van zeemansjas, in Langewold met minachting moltje. Drentsch molvanger, Overijselsch bolkesvanger, Noord-Hollandsch bolvanger. (Vondel zegt van dit kleedingstuk: Een dracht, die sterven zal, wanneer de schipvaert sterft.)
bollebuis, bōmbaiske, bōmbuisie, bōlbaisie, bōlbuisie, bōlbuisje, broedertje, poffertje. Noord-Holland bollebuisjes; Oostfriesch belbeusken, bollbeusken, bullbeusken; Westfaalsch borboͤsken. (Zuid-Nederlandsch, West-Vlaamsch ballebuize, bollebuize = een appel rondom in deeg gewenteld en alzoo in den oven gebakken en gebraden.) Bij Rotgans: bollebuisjenskramen.
bollebuisjespan, bōmbuisiepan, bōlbaisiepan, enz. = pan waarin men bōmbuisies bakt. Zie: bōmbaiske.
bolstaart, bolstart, bolsteert, bolstaart. – Zoo worden ook peenen genoemd die nagenoeg cilindervormig en dan ook kort zijn; Drentsch molstarten.
in de kindertaal voor: luis.
bolwerken, bolwarken, (bolwerken) = met inspanning arbeiden, hard werken; ook Oostfriesch; hij ken dʼr nijt tegen bolwarken = al zijne inspanning en vlijt is ontoereikend, hij kan het werk niet af; ook: hij kan niet genoeg verdienen om zijn talrijk gezin te onderhouden; hij mout ʼr tegen bolwarken = er met alle kracht voor werken. Friesch: Dêr is gjin bolwirken tsjin (daar is niet tegen te werken). Nedersaksisch, Holsteinsch bollwarken = gedruischmakenden arbeid verrichten; ook: met gedruisch arbeiden. (Weil. v. Dale: bolwerken = klaar maken.)
bom, bōm, in de zegswijs = hij het de bōm hangen zijn = hij heeft het gevaar ingezien en de noodige maatregelen genomen.
bom, bōm, voor: groot glas jenever of brandewijn; ook van eene tamelijk goed gevulde flesch zegt men: is nog ʼn fikse bōm in (of: ien). Oostfriesch bumme, groote blikken drinkkan met deksel en tuit; Engelsch bumper = volle beker. (v. Dale: bom = een groot stuk.) Zie ook: badjed.
bombam, bōmbam bōmbam!, soort van tusschenwerpsel het gelui der klok nabootsend; Oostfriesch bum-bam.
bombammen, bōmbammen, heen en weer slingeren van een voorwerp dat aan eene koord hangt; ook bij Kil. Kinderen, spelende met den baier (beddekwast) hebben den deun: Bōmbambaier, De kat dei lust gijn aier; Wat lust hij dan? Spek in de pan, Hou lekker is ons katje dan! Ook aldus in Holsteinsch waar de laatste regel luidt: Ei, wo lekker is unse madam. – Fig. in de uitdrukking: ʼt bōmbamt ʼr zoowat langs = ʼt gaat met horten en stooten, met vallen en opstaan, nu is het wat beter, dan gaat het weer minder.
bombarie, bōmbarie, (Auwen) = getier, opschudding. (v. Dale: bombarie (volkstaal), beweging, beslag, getier, opschudding.)
bombazijn, boomziede, bōmmezien, (klemtoon op: zie) = bōmmezien (Stad-Groningsch) = bombazijn, zekere katoenen stof. Van ʼt Latijnsche bombycina, zijden kleeding, en dat van: bombyx = zijdeworm. De latere Latijnen noemden die zijde bombacium, welke benaming later op die van boomwol is overgegaan. Kil. bombasijn = boomwolle, boomsije. Oostfriesch boomsiden, stof uit katoen en wol vervaardigd, met zijden glans. (v. Dale: boomzijde (oudtijds) eene soort van bombazijn.)
bombazijnen, boomzieden, bōmmezienen, van bombazijn; ʼn bōmmezienʼn bōksen (Reinkingh). klemtoon op: zie. Zie: boomziede.
bombeerde wieg, bōmmedeerde wijge, zie: bōmmelwijge.
bomber, bōmmels, zie: bōmmelwijge.
bomberen, bōmberen, (Auwen) = razen, tieren. Vgl. beren, en: bamberig.
bomberig, bamberîg, bōmberîg, lichamelijk teergevoelig, kleinzeerig, over kleinigheden, met name lichte ongesteldheden, veel drukte makend; ook bieberîg, en wieberîg. Drentsch wamberig = veel getier makend; Oostfriesch bibärig, wibärig = luidruchtig bij een weinig pijn, enz., Nedersaksisch biberig. Holsteinsch pramperen, bramberen = alarm maken. Zie: beren.
bomberwieg, bōmmelwijge, meervoud bōmmels, de mooiste soort van wiegen der mandenmakers te Groningen; aan het voeteneinde loopen zij rond. Men zegt hier ook voor: bōmmedeerde wijge. (Stad-Groningsch mandenmakerswoord.)
bomen, boomken, (werkwoord) = boomen; dei schipper mōs dat hijle end boomken.
bomerij, boomerei, geboomte; daʼs ʼn koale ploats, is niks gijn boomerei om ʼt hoes.
bomijs, bōmies, zie: bōnkies.
bommel, bōmmel, zie: badjed, en baier 2.
bommerossen, bōmmerossen, veel leven maken; ook: lastig vallen met vragen.
bonaf, bōn of, wezen = goed af zijn, ten gevolge van zekere omstandigheden in een goeden toestand verkeeren. ʼt Fransche bon = goed.
bond, bōnd, In het Westerwoldsche wordt de heide voor bezems in Maart of vroeger gesneden en bij ʼt bōnd verkocht; een bōnd is zooveel als een man omvatten kan en levert gemiddeld zes bezems op. (v. Hall Neerl. Plantensch. p. 142.)
bonderpaal, Bōnderpoale, de grenspaal tusschen Pruisen en Nederland in de nabijheid van Nieuwe Schans. Zegswijs: achter de Bōnderpoale weg wezen = een Oostfries, ook in ʼt algemeen: een vreemdeling zijn; hij ʼs an de andere kante van de Bōnderpoale = hij is over de grenzen en dus buiten bereik der Nederlandsche justitie.
bonen-bij-rijen, boonen-bie-riegen, zie: riege.
bonenas, boonask, asch van boonenstroo. Vóór het gebruik der soda algemeen werd verbrandde men genoemd stroo om er booneloog uit te trekken. Men nam een houten bak, van gaten voorzien, vulde die met asch en goot daarop water; wat er uitlekte noemde men lekloog. In plaats van een bak gebruikte men ook een linnen zakje.
bonenband, boonband, boonenband, stroo waarmede veldboonen tot schooven worden gebonden. Advertentie: Te bekomen: “Beste roggegroeden, zeer geschikt voor boonband.” – “Wordt aangeboden: Best versch roggestroo tot boonenband.”
bonenbraden, boonenbroaden, het roosteren van paardenboonen tot zij bersten. Men doet dit gewoonlijk op de vuurplaat door op een klein hoopje gloeiende kolen te leggen.
bonenbreker, boonenbreker, zie: breken.
bonenbrij, boontjebrei, soep van tuinboonen. Vgl. brei.
bonenbrood, boonbrood, brood van paardenboonen gebakken, als paardenvoedsel. Zoowel voorwerpsnaam als stofnaam. (v. Dale: boonenbrood, boonbrood, geen meervoud)
bonenbult, boonbult, groote ronde hoop van netjes opgestapelde boonenschooven bij de schuren, als deze ze niet meer kunnen bergen; stoan twei boonbulten boeten. Zie: bult.
bonenjaar, boonejoar, zie: appeljoar.
bonenklont, booneklōnt, (Hoogeland) = aardappelen en veldboonen dooreengemengd en opgewarmd; uitsluitend arbeiderskost. Zie: klōnt.
bonenland, boonland, (boonenland) = land, geschikt en bestemd er dat jaar paardenboonen op te verbouwen. Eveneens spreekt men van: garstland, hoaverland, waitland en koolland.
bonenloog, booneloog, zie: boonask.
bonenmeel, boonmeel, boonenmeel.
bonenmes, boonemeske, zie: boonensnippêln.
bonenmolen, boonmölntje, zie: boonemeulntje.
bonenmolen, boonemeulntje, boonmölntje, boonensnijder, werktuigje om snijboonen of pronkers in zeer dunne schijfjes te snijden, bij v. Dale: snijboonenmolen. Vgl. boonensnippêln.
bonenpot, boonepot, pot met tuinboonen welke den volgenden middag gegeten zullen worden; de maid moakt de boonepot kloar.
bonensnipperen, boonensnippêln, (boonensnipperen); het snijden van boonen (prōnkers en snieboonen) in zeer dunne schijfjes voor den inmaak (om in te zetten). Men doet het uit de hand met gewone, of met mesjes die een dubbel lemmet hebben, boonemeskes geheeten. Sedert een dertigtal jaren verricht men dit werk met boonemeulntjes, die voor een dubbeltje in het uur verhuurd worden. Zie: snippêln.
bonensoep, boontjesoep, zie: boontjebrei.
bonenstropen, boonenstrupen, boonenstreupen, de tuinboonen van de draden ontdoen; zij is an ʼt boonenstrupen, wie zellen mörn boonen eten. Zie: strupen.
bonenvat, boonevat, vat met ingemaakte snijboonen (meestal pronkerboonen). Zoo ook: boeskoolvat = vat met ingelegde kool, zuurkool; de boon- en boeskoolvoaten mouten op tied verschoond worden. (Veelal is het zuurkoolvat een weerprofeet. Wordt ʼs winters geen nat op de kool bespeurd dan beduidt dit vorst; komt het vocht terug dan zal het dooien.) – doe zitst doar ja net of toe die verhuurd hest veur vlint op ʼn boeskoolvat; zien neus lopt as ʼn boeskoolvat; hij dijnt narns veur as tou ʼn vlint op ʼn boonevat.
bonjour, bezjoer, goeden dag, en ook = goeden avond. ’t Fransche bonjour. (bonsoir is niet bij het volk bekend.)
bonk, bōnken, in geschrifte bonkaarde = het nietswaardige veen dat afgegraven in den reeds gemaakten veenkuil wordt geworpen; Drentsch bonkaarde, ook wel bolster, veennerf en tonkaarde geheeten; de schop waarmede dat veen wordt afgestoken heet daar: bonkijzer. Oostfriesch bunken = de bovenste steek der heide.
bonk, bōnk, bot, been, voorwerpsnaam en stofnaam Kil. bonck (Sax. Fris.) = been, Westfaalsch bonke, Oud-Friesch buncke. Van een zeer mager beest zegt men: ʼt is niks as hoed en bōnk; – van de bōnken vallen = sterk vermageren; Zegswijs: doar vind ʼe gijn bonken in = dat bezwaart zijn geweten niet, daarvoor deinst hij niet terug; ʼk heb ʼn bōnk in ʼt bijn, zegt men tegen kleine kinderen als men niet bij hen wil komen of opstaan om iets voor hen te doen; ook Oostfriesch, Holsteinsch; ʼt zit hōm in de bōnken = ʼt zit hem in merg en been, ʼt is bij hem diep ingeworteld. Spreekwoord: Hij het ʼn hondegeloof, ʼt vlais lijver as de bōnken = om het kerkgeloof bekommert hij zich niet, maar zijn eigenbelang weet hij wel te behartigen. Friesch: Hij het in honnegeloof, it flêsk ljeaver as de bonken. – Dei zōk (of: hōm) veur hond verhuurt mout de bōnken kloeven = de dienstbare moet zich het werk getroosten. Vlaamsch: Die hond is moet de beenen knagen. v. Dale: honden moeten botten knagen (of: kluiven) = de geringe moet zich met het geringe vergenoegen. (Zie v. Dale art. bonk, en: been.)
bonkaarde, bōnkeerde, bōnkaarde, zie: bōnken 1.
bonken, bōnken, (bijvoeglijk naamwoord) ook bōtten = van been; ʼn bōnken hecht, lepeltje, rinktje, bieterke, enz.
bonkenzoeker, bōnkezuikers, meestal haveloos gekleede jonge menschen die overal rondsnuffelen, zoo ʼt heet, om beenderen machtig te worden. Zij stonden in zeer slechten reuk omdat zij niet schroomden de tuinen binnen te dringen en op de erven ook andere dingen in hunne groote zakken weg te moffelen. Aan dit onzedelijk bedrijf en aan het smokkelen moet het ontstaan eener dievenbende worden toegeschreven die zich omstreeks 1850 in hutjes, ware Trogloditenwoningen, op de Polder te Muntendam had genesteld en een tijdlang een goed deel onzer provincie onveilig maakte. Vgl. puntjen.
bonker, bōnkêrt, zie: bōnkêrg.
bonkerig, bōnkêrg, (beenderig) = mager, van oude paarden en koeien gezegd; van een mensch zegt men: ribbert, moager ribbert (pleonasme), van een dier: ʼn bōnkêrt. Nederlandsch bonk. Oostfriesch, Holsteinsch bunkerîg, bunkerig.
bonkijs, bōnkies, (Oldampt) = bōmies (Ommelanden) = ijs, waaronder het water is weggeloopen; bij v. Dale bomijs, zonder meer. Oostfriesch bunkîs, bummîs, Noordfriesch bommeris, Hoogduitsch Hohleis, Windeis. – bōnkies = ijs, hol als een bonk; bōmies, naar den klank.
bonten, bōnten, het op ongelijken tijd rijp worden van het graan, nl. van dezelfde soort op hetzelfde stuk land. Het woord komt slechts in geschrifte voor. “– daar het opkomen der korrels op verrena niet gelijktijdig plaats heeft, een later bewijs zien we in het zoogenaamd “bonten” van ʼt koren, zoodat bij het zichten, binden, hokken en in huis halen niet zelden de eerste – meestal de beste – korrels verloren gaan, terwijl vele korrels niet tot rijpheid komen.” Landb. Kron. (1885). Vgl. tweiriepîg.
bonter, bōntjer, koopman in bōntgoud. (zie aldaar) Ook familienaam.
bontgoed, bōntgoud, (bontgoed) = bōntjes = gekleurde katoenen stoffen; mit bōntgoud, of: mit ʼt bōntpak loopen = katoenen stoffen bij de huizen verkoopen. Spreekwoord: Bōntgoud is strōntgoud = zulke stoffen zijn niet degelijk. Oostfriesch buntgood = bont katoen, bont lijnwaad.
bontje, bōntjes, zie: bōntgoud. Annonce: “Van af heden opruiming van alle aanwezige Bontjes.” (Warfum, Juni 1894).
bontpak, bōntpak, zie: bōntgoud.
bontwinkel, bōntwinkel, manufactuurwinkel, winkel waar ellewaren verkocht worden; Oostfriesch buntwinkel.
boodschap, bosschōp, bodskip, bosschōp (Oldampt) = basschōp (Westerwolde) = bodskip (Langewold, Friesche grens) = boodschap (Westerkwartier) = boodschap; Ook voor de waar die men gehaald heeft: de maid het de bosschōp in de körf. Drentsch bosschup, Friesch bodskip, Oostfriesch böskup, Westfaalsch boskop; Oud-Friesch = boodschap; handel. – ʼk heb doar gijn bosschōp = daar valt niets voor mij te verdienen; ook: daar ben ik liefst niet. Men zegt evengoed: om ʼn bosschōp, als: op ʼn bosschōp wezen. Zegswijs: oppassen is de bosschōp! (het Oostfriesch: dat is de böskup hier = daarom is men hier, dat moet hier verricht worden), ook: gij moet u goed gedragen, hoor! – Bij ʼt jassen: ʼn kind op ʼn bosschōp sturen = met eene lage kaart aftroeven als er nog een achter de hand zit. Spreekwoord: Dei kinder op ’n bosschōp stuurt krigt kinder thoes = men moet geene belangrijke boodschappen of werkzaamheden aan hen, die daarvoor niet berekend zijn, opdragen of aanvertrouwen.
boog, boog, steenen brug, in Groningen en ook die te Winsum. In Groningen, vóór weinige jaren nog: Ebbenpoortenboog (zulk eene brug tusschen Oude- en Nieuwe Ebbingestraat); Botternpoortenboog (tusschen Oude- en Nieuwe Boteringestraat); Kiekentjesboog (tusschen beide Kijk-in-ʼt Jat straten); voorts: Poulpoortenboog, Stijnpoortenboog, Droapoortenboog, Heerpoortenboog, Oosterpoortenboog. Behalve de beide laatste, door demping van het Zuiderdiep vervallen, zijn de overige door ijzeren draaibruggen vervangen.
papier (Westerkwartier) = vel papier; Hoogduitsch Bogen. Zie: harst 1.
pampieren boogtje (Hoogeland) noemen de meisjes bij het toutjespringen, als er zóó gedraaid wordt dat het touw den grond niet raakt.
boom, boom, boomke, boompien, in: ʼn boom jassen = één spel kruisjassen, ook smousjassen. Bij het eerste telt een boom voor elke partij vijf streepjes, bij het tweede vijfhonderd punten; ʼn boom winnen = één spel winnen. Zulk een boom bestaat uit vijf loodrechte streepjes met eene dwarsstreep er in ʼt midden door; ook Zuid-Nederlandsch en West-Vlaamsch waar men vier streepjes neemt. (v. Dale: boompje (gewestelijk): zullen wij een boompje kaarten?) Zie ook: kerel 1.
boom, boom, in de zegswijs: van de hooge boom of teren = het kapitaal aanspreken voor dagelijksch onderhoud zonder moeite te doen om op andere wijze de uitgaven te dekken, dus: het kapitaal verteren, opmaken. (v. Dale: van den hoogen boom (van den hoogen bodem) leven = verkwistend leven.) Zie ook: verpoten, en: kerel.
boomlopertje, boomloopertje, boomlooperke, een grijs vogeltje met spitsen bek, iets kleiner dan de musch, dat veel om den stam der boomen loopt. Vgl. v. Dale: artt. loopertje, en: boomkruipertje.
boon, boonen, in de boonen wezen = zich vergissen, in de war, de kluts kwijt zijn. Hier zegt men daarvoor ook: hij ʼs in de boonen en plōkt arten. Ter verklaring dezer zegswijs heeft men hier m.i. aan eene gemengde vrucht van boonen en erwten te denken, welke verbouw in de kleistreken zeer oud zal zijn. Gewoonlijk heeft zulk een stuk land op eenigen afstand het aanzien of er alleen boonen groeien, maar gaat een niet deskundige het van nabij bezien, dan weet hij niet wat er van te maken, hij komt er mee in de war, want het is geene vrucht van erwten, evenmin als eene van boonen. Friesch Hy het yn ʼe beane wist om eartepoellen to siikjen = hij is in de war geweest. Oostfriesch Man weet nich recht of mʼ mit hüm in de arften of in de boonen is = – hoe men met hem staat, of men vriend of vijand van hem is. Meiderich: hells (helsch) in de bohnen, Oostfriesch: he kumd dʼr mit in de rösen (ruiven). Meurs: Ek bönn en de bohnen on komm en de erten uut. – veur spek en boonen (ook: veur spek en brood, en: veur spek en ʼn metworst) mitloopen = bijlooper zijn, (bij Harreb.: Hij loopt er voor spek en boonen, of: – voor spek en appels; Zuid-Nederlandsch – voor spek en appels); – ʼt woater, enz. kookt as boonen = kookt as de zee = kookt fel. (Bij Reijnders: Och wat zat zij in de boonen! = wat was zij verlegen! – v. Dale: in de boonen = in verlegenheid.) Vgl. proemen.
broaden boonen = paardenboonen op eene plaat geroosterd. Gewoonlijk legt men eene laag op de vuurplaat en bedekt ze met gloeiende kolen. Heeft men eenige malen het knappend geluid gehoord dan rekent men dat dit voldoende is.
stinkende boone, in de zegswijs: doar lopt ’n stinkende boone onder (Stad-Groningsch) (= da’s gijn zuvere kōffie) = die zaak is niet te vertrouwen, dat gaat niet eerlijk in zijn werk toe.
boonakker, boonakker, in: iemand de boonakker (ook: de barg = berg) oplaiden (of: oplezen) = hem dwingen om zijn plicht te doen en daartoe strenge maatregelen nemen, bv. door eene harde behandeling. Wordt alleen gezegd wanneer men het met luie, onverschillige of wederspannige personen te doen heeft. Oostfriesch de boonakker upgaan = zich ten gevolge eener misdaad op de vlucht begeven; ook: in het tuchthuis komen. – boonakker staat hier voor: galgenveld. Zie: boontje, alsook onder art. pietske.
boonderij, boontjederei, de verbouw van tuinboonen, dit gedeelte van het tuingewas; mit de boontjederei wil ʼt niks, ʼt is veul te kold en te nat.
boonerwt, boonarten, eene soort van doperwten die in onze tuinen gekweekt worden bij rijzen. Zij zijn grooter van stuk en langwerpiger dan de gewone doperwt.
boonstoppel, boonstoppel, land waarop veldboonen gegroeid zijn, ʼt zij de stoppelen er nog staan of reeds ondergeploegd zijn; op dei boonstoppel zel garst zaid worʼn, zooveel als: op boonen laat men liefst gerst volgen. In denzelfden zin spreekt men van: garststoppel, koolstoppel, hoaverstoppel en waitstoppel.
boontje, boontje, Zegswijs: ʼk mag ʼn boontje wezen as ʼt nijt woar is, of: as ik tʼr ʼn steek van begriep, enz., bij v. Dale: ʼk ben een boontje als ’t waar is. Spreekwoord: Boontje krigt zien loontje = hij krijgt zijn verdiende loon, hij heeft die straf verdiend; ook Oostfriesch (v. Dale: boontje komt om zijn loontje.) Oud-Friesch bana, bona, buna, Zweedsch baneman Gothisch bane = moordenaar; bona ook = groot misdadiger.
boor, boor, (Ommelanden) = geut (Lageland.) = stek; eene soort van spade waarmee vochtige klei wordt gestoken. Zij is een weinig uitgehold (inhol), en niet zoo breed als de gewone schōp, die gebezigd wordt om den grond om te spitten.
boorachtig, boorachtîg, (klemtoon op: ach) = geboortig; ook Drentsch; ik bin boorachtig van Euvelgunne.
boord, boor, boordje, halsboordje. Ook: boord van een vrouwenrok. Vgl. koor = koord; de boor van heur rok gait lös; meervoud booren; verkleinvorm boortje.
boorden, booren, (werkwoord) = boorden, omboorden.
boordevol, boorendvōl, boorndevōl, boornstevōl, boordevol. Ook gescheiden: boorende emmervōl, zakvōl, enz.
boordlint, boorlint, (alleen soortnaam) = boordlint. Zie: boor 1.
boordsel, boorsel, boordsel. Zie: boor 1.
boos, beus, boos, driftig, kwaad. Voor: buitengewoon, geweldig, in: hij ken beus eten, vluiken, enz.; beuze (= booze), in: hij ’s ’n beuze smooker, hij ’s ’n beuze eter, hij ’s ’n beuze stoker, enz. = hij is een sterke rooker, enz. Er ligt iets overdrevens in het woord. – Ook = kwade: “En hom ploagde doarover geweldig ’et beuze geweiten.” Zie ook: olle wief, en vgl. voel 2.
boratten garen, bratten goaren, eene fijnere soort van garen dan het gewone sajet; puuks (puiks) eene nog fijnere soort. Zooveel als: garen, waarvan borat, brat geweven wordt; ook Oostfriesch.
bord, bret, bred, bord, etensbord; presenteerblad; uithangbord; schoolbord; plank in eene kast; Wordt aan een boerenknecht gevraagd wat hij verdient, enz., dan kan het antwoord zijn: honderd vieftig gulden en goud wat op bret, dat is een goeden kost, vooral veel spek; ’t bretje omlangen = ’t blaadje met suikergebak, enz. presenteeren; meester schrift wat op ’t bret = op het bord; de kōffiepot stait op ’t onderste bret (in de kast); meester stait veur ’t bretje (of: bordje) = voor den lessenaar, in de kerk; theegoudsbret = toavelbret; blad van blik waarop de koffiepot met toebehooren wordt geplaatst, theeblad; schenkbret = schenkbord, presenteerblad. De dienstboden der boeren eten nog altijd van houten breden. – lelk bret (fig.) = mal schip = luimig, lastig vrouwmensch. Overijselsch bret, bord = uithangbord; Zuid-Holland borden = planken in eene kast; Nedersaksisch bret, Hoogduitsch Brett, Middel-Hoogduitsch brët, door metathese van: berd; Kil. bred (Germ. San. Sicamb.), berd, en: bord, in de beteekenis van: tafel, nog in: te berde, (Groningsch te borde) brengen. Meer voorbeelden van metathese bij Kil.: beterden, betreden; drost, dorst; druft, durft; bron, born; frist, virst (vorst); vorchten, vruchten; perse, presse; gars, gras; gasp, gaps, enz. Zie: bōlbret, en: schriefbret alsook bij v. Dale boord 2, en: bord. Meer voorbeelden van metathese: druppel, kerdiet, perfester, perfiet, persenten, perbijern, pelzijr, glup, dirtjen (Oostfriesch dritjen), lobse, weps, (berg van) Clavaria, enz.
bord, bordje, voor: lessenaar in de kerk; de meester stait al veur ʼt bordje, zooveel als: de godsdienstoefening is reeds aangevangen.
bordenrek, brederik, toestel van latwerk buiten ’s huis, soort van rek, waarop de breden (borden) worden te drogen gezet. Zie: bret, en: emmerik.
borduren, beduren, gebrekkige uitspraak voor: borduren. Middel-Nederlandsch beduren, andere vorm voor borduren. (Verdam.)
borg, zelfschuldige borg, (in geschrifte), tautologisch voor: borg, of: borgtocht. “Alle bieders moeten van soliede zelfschuldige borgen voorzien wezen.” (Veendam 1877.)
borg, börg, landelijk heerenhuis; ook = burcht, slot, kasteel. De eerste verklaring past voor de Breister börg, de andere voor: de börg van Menkema (te Uithuizen). Van zulke burchten bestaan er slechts enkele meer in deze provincie; de meeste er van zijn gesloopt en hebben van lieverlede plaats gemaakt voor meer nieuwerwetsche gebouwen die hier en daar den naam börg hebben overgeërfd. De plaats waar eene burcht gestaan heeft, heet börgstee. – an de börg wezen = daar aanwezig zijn: an de börg wonen = daar het geheele jaar verblijf houden. – Is eene börg als heerenhuis niet meer dan een knap burgerhuis, echter steeds een blokhoes (zie aldaar) zijnde, dan noemt men het börgje of börgtje. Drentsch borg, burg = heerenhuis; Middel-Nederlandsch borch, Deensch, Zweedsch borg = slot.
borg, börg, börge, borg, persoon die zich verantwoordelijk stelt. In Notarieele acten wordt gesproken van zelfschuldige borgen, wat eigenlijk een pleonasme zal zijn. – hij ken niks meer te börge kriegen = men wil hem niets meer borgen. Zie ook: zoepen 2.
Borgercompagnie, Börkōmnei, Borger-Compagnie, behoorende tot de gemeenten Wildervank, Veendam en Muntendam.
Borggreve, Borggreve, uitspraak Börggreve, familienaam. Middel-Nederlandsch borchgrave, borchgreve = Middel-Hoogduitsch burcgraaf = burggraaf, Fransch châtelain. Zie Verdam.
borgleer, börgleer, leertje aan het tuig waarmede men het kret kan bevestigen. Aldus omdat het een waarborg zal zijn tegen ongelukken bij ʼt breken der riemen.
Borgman, Bōrgman, uitspraak Börgman, familienaam. Middel-Nederlandsch borchman, boorchman, Middel-Hoogduitsch burcman, Middel-Nederduitsch borchman = man tot de bezetting van eene burcht behoorende. (Verdam.)
borgriem, börgrijm, (borgriem); zie: börgleer.
borgstee, börgstee, zie: börg 1.
borrel, bōrrel, glas sterke drank, inzonderheid: glas jenever; hij is an de bōrrel (= hij drinkt) = hij is een drinkebroer; wie bin an de bōrrel = wij drinken samen een borrel, eigenlijk: wij zitten bij de jeneverflesch; bitterbōrrel = glas jenever met bitter. Overijselsch boddel = borrel; v. Dale: borrel = slok sterke drank. (De uitspraak van dit woord verschilt met die in Holland; hier luidt de o als in: stom, daar als in: tor.)
borrelen, bōrreln, jenever met bitter drinken, nl. vóór den middagmaaltijd, en in gezelschap of in eene herberg.
borrelen, bōrrêln, bōrrêltjen, jenever drinken; hij komt bie mie te bōrrêln (nl. vóór den eten). Zie ook: bittêrn.
veel sterken drank gebruiken, zonder daarom als een zuiper bekend te staan; hij bōrrelt oarig moar men zōcht hōm nooit onbekwoam.
borrelsteek, bōrrelsteek, Studentenwoord. Een klein feestje bij een student, die een examen heeft gedaan en dan een borrel schenkt.
borrie, bōrrie, (Laurm.), tjaske, tjasker = kleine watermolen zonder kap. (Kapit. J.P. Koster); Friesch tjasker.
borsen, bōrsen, verslorderen; ofbōrsen = door slordigheid een kleedingstuk bederven.
borst, borsie, (van Ankum) = jak, kort vrouwenkleed.
borstel, bossel, borzel, borstel, schuier; ook Oostfriesch. Ook in samenstellingen.
borstelen, bossêln, borzêln, borstelen, schuieren; fig. hij mout ’r tegen bosseln = er tegen werken, al zijne krachten inspannen; ook Drentsch; hij ken d’r nijt tegen opbosseln = hij moet den strijd verliezen; oet de loog bosseld wezen = goed gereinigd en gekleed zijn, netjes voor den dag komen; ook: uit den brand, uit de verlegenheid zijn. Oostfriesch uut de loge bösseln = ter dege schoonmaken. (v. Dale: iemand uit de loog borstelen = hem in een nieuw pak kleeren steken.) In de beide eerste voorbeelden moet aan het Middel-Hoogduitsche bôzen = slaan, kloppen, Hoogduitsch boszeln, bosseln, gedacht worden. Vgl. het Nederlandsche botsen, en: bots = stoot, slag.
borsten, borstjen, opborstjen; zie aldaar.
borstig, bröstig, (Oldampt, Westerwolde) = de borst hoog dragend, met vooruitstekende borst. Veronderstelt eene zekere mate van trots of hooghartigheid, die zich in de houding openbaart. Vgl. het Hoogduitsche sich brüsten.
borstig, borstig, de borst vooruitstekend, bv. in: borstig loopen, zoowel uit trotschheid als van nature. Oostfriesch brüstig = eene hooge borst zettend, zich in den rug werpend; ook = brutaal.
borstklont, borstklōntjes, zie: klōntjes.
borstrok, borstrok, (manlijk); zie: hemdrok.
bos, bōs, (bosch), in: rozebōs = rozestruik; albeernbôs = aalbessenboom; krudoornbōs = kruisbessenboom; brōmmelbōs = braambeziënstruik; fledderbōs = vlierboom; wiendroefbōs; eerbeibōs = aardbeiplant; van ʼt bos eten = de vrucht al plukkende opeten. Wanneer eene plant dicht bij den grond reeds eenigen omvang verkrijgt, zegt men: ʼt is al ʼn hijle bōs, maar meenen dan te moeten denken aan: bos = bundel, samenvoeging van gelijksoortige dingen. Zoo spreekt men van: ʼn hijle bōs kinder (= groot toom kinder) = een groot getal. Voorts nog: ʼt vlōgt ʼr bie hijle bōssen oet, zegt men van iemand die veel en buitengewoon rad spreekt; ʼn bōs wiend = eene windvlaag; ʼn dik stuk wiend = een harde wind; ʼn bōs licht = veel zonlicht, zooveel als: een bundel zonnestralen of lichtstralen. Zegswijs: hij komt zóó oet ʼt bōs (bosch) = hij is geheel onbeschaafd. Spreekwoord: Hij stait op zien woord as ʼn boer op ʼn bos wōrtels (Hij stait op zien woord as ʼn bōk op keutel, of: keudel) = hij is niet gewoon zijn woord te houden. – Met de toekenning van: bōs (bosch) aan eenig geboomte is men hier even scheutig als elders in ons land met den naam: berg. Zoo spreekt men ʼt Breisterbōs, Pijterboersterbōs, Eeksterbōs, enz. Ook zegt men: dei ploats (of: ploatse) stait hijlendal in ʼt bōs, wanneer die boerderij door eene rij boomen omringd is.
bosbeer, bōsbeer, bōsbere, (boschbeer), voor: ruw, woest uitziend man met lang haar en zwaren baard; ook zegt men het tegen een knaap die zijn haar niet uitkamt: zōgst ʼr oet as ʼn bōsbeer, nog sterker: zōgst ʼr oet as ʼn bōsduvel, of: as ʼn bōsdōnder. Veronderstel dat de jongen (ook het meisje) lang en dicht, ʼn bōs hoar, op ʼt hoofd heeft. Vgl. Laurill. p. 90, en: boschduivel = eene soort van aap.
bosdonder, bōsdōnder, zie: bōsbeer.
bosduivel, bōsduvel, zie: bōsbeer.
bosje, bōssie, bosje, en: boschje; bie bōssies = bij troepjes, vooral schertsend van menschen gezegd.
bōsjes, troepjes; zij loopen bie bōsjes bie stroat; wichter bin hier genōg, bie bōsjes.
bosschage, bōskoazie, laag geboomte, heesters en struikgewas dat in ’t wild is opgegroeid. (Weil. boschagie, boschaadje; v. Dale boschage = boschje, klein bosch; de Vries en te Winkel bosschage.)
bosserij, bōskerei, bōsserei, (bosch-erij), voor: geboomte; wat bōskerei om hoes hebben = eenig geboomte, zij ’t ook alleen staande boomen, hier en daar een. Zweedsch buske, Hoogduitsch Busch, Strauch = kreupelbosch; Zweedsch buskar, Deensch busk = struikgewas.
boster, bōster, bōsterd, zie: batjed.
bot, bōt, (bijwoord) = zeer, ten zeerste, op ’t zeerst, erg, hevig, enz., in: bōt kold, bōt mooi, bōt groot, bōt verkleumd, enz.; bōt verlangen, bōt lijgen, bōt regen (regenen), bōt muien (spijten), enz.; bōt bie hoes (= drong an hoes, stoef an hoes, stief an hoes, stōmp an hoes) = dicht bij, zoo nabij mogelijk ons huis. – Als bijvoeglijk naamwoord; ’n bōtten regen, ’n bōtten kolle (koude), ’n bōtten geld, ’n bōtten muite (moeite), ’n bōtten pelzijr, enz. Weinig gepast zijn voorzeker koppelingen als: glen bōt kold (gloeiend erg koud); stōm bōt mooi, stōm bōt lui, enz. (= aldernoarste mooi) = verbazend mooi; biester bōt onneuzel, enz. = zeer onnoozel, enz.; vreesêlk bōt best, enz. Drentsch bōt an = dicht bij; Friesch bot = erg, hard, krachtig; Zuid-Nederlandsch bot = uitermate, geweldig; bot veel menschen, bot duur, enz. West-Vlaamsch: uit der mate, geweldig: dat kost bot veel geld. (De Bo). Vgl. stōm.
bot, bod, (Oldampt) = draeklien (Ommelanden) = het touw van een vlieger, (droak, droake); bod geven, eig. het touw vieren; iemand bod geven, fig. (= roemte geven) = meer vrijheid van handelen toestaan, bv. bij het bieden niet tot eene vaste som beperken; ook Holsteinsch; de diek het nog twei meter bod = het water staat nog twee meter van de kruin; ik heb niks gijn bod meer = ik kan niet opschikken of uitwijken; iederbod (Oldampt, Westerwolde) = telkenmale, iedere keer, (Oostfriesch elk bot); daar ook: bod op bod, waarvoor op ’t Hoogeland slag op slag. Middel-Nederlandsch bot, ook Middel-Hoogduitsch = eene partij van een of ander spel; eig. de mededeeling van den inzet of inleg. (Verdam art. bot I, b). – Van Dale: bot (gewestelijk) het touw van den vlieger; Marken bot, Oostfriesch bott, drakebott. Hooft bot = viering, vrije loop, ruimte.
boter, botter, butter, op de Friesche grens butter (onzijdig veelal) = boter, ook in alle samenstellingen Ommel. Landr. III, 9 botter; Middel-Hoogduitsch buter, Hoogduitsch Butter, Oostfriesch botter, Friesch butter, Middel-Nederlandsch botter, Zuid-Nederlandsch beuter, butter, Engelsch butter. Zegswijs: as de botter op schuttel danst den ken je de arbaider wel onder de houd vangen = in den winter (als wanneer de boter hard is) hebben de daglooners menigmaal geen werk en willen dus graag wat verdienen, zij zijn alsdan zeer handelbaar;
botter en brood smieten, botter en brood gooien, botter en broodje gooien (Oldampt) = flistern, fliestern (Ommelanden) = flittern (Stad-Groningsch) = bottertjen, en ook: bittertje-bottertje-brood gooien = zóó een plat steentje in het water werpen dat het minstens tweemalen opspringt; Weil. kitsen, v. Dale kitsen, keilen, plisjeplasje gooien, stipstappen; Dordrechts pleijen, pleijeren, Zuid-Holland schurrewitselen, sliggern, Zuid-Limburg flietsje laote, Zuid-Nederlandsch botsen, West-Vlaamsch beuterplas, butterplas maken, Kil. botten op d’water; Oostfriesch botter un brôd smiten, Aurich britzen, Westfaalsch ne juffer smîten, in den Harz. wasserjungfern werfen.
boterdrup, botterdruppen, (boterdroppen); de groote regendroppels die op een warmen dag in Mei vallen. Friesch: Der fâlle bûterdrippen.
boteren, bottertjen, zie: botter en brood gooien.
boteren, bottern, boteren, lukken; ook: hij bottert = hij verheugt zich, bv. in eens anders ongeluk. (In de eerste en eig. beteekenis alleen met: niet, voorop: ’t wil nijt bottern = het wil niet vlotten. Friesch buttern = lukken.) Kil. boteren = karnen. Friesch: It wol net büterje.
botergeld, bottergeld, het geld dat de boerin beurt door den verkoop van boter. Vgl. aiergeld, en het Drentsche stroogeld.
boterham, botram, boterham, boteram, samengetrokken uit: boterham, (eene minder botte benaming dan: brōgge, brug, brugge); ook in Oostfriesland op de Groningsche grens, Zuid-Limburg botram. – ham hier zooveel als: deel, stuk. Vgl. brōgge, en: ōmstuk; meervoud: boterhams.
boterhambord, boterhamsbordje, bordje dat men bij het eten van een boterham gebruikt, kleiner dan een etensbord, tafelbord.
boterheks, botterheks, zie: botterklitse.
Boteringepoort, Botternpoort, Botternpoorte, (Stad-Groningsch) = Boteringepoort.
Boteringestraat, Botternstroat, Botternstroate, (Stad-Groningsch) = Boteringestraat.
boterklep, botterklip, soort van tinnen kan met klap om boter in te doen. (Zie: klip). – Ook voor iemand die veel boter gebruikt (Auwen).
boterklits, botterklitse, = roomslak = oele = botterheks (Duurswold) = botervlieg, een gevleugeld insect dat gaarne om de kaars vliegt. Oostfriesch bottervögel, Engelsch butterfly, Hoogduitsch Schmetterling. Vgl. bottervogel.
botermolletje, bottermolje, liefkoozingswoordje van moeders tegen zuigelingen: mien bottermolje, wat zooveel zal zijn als: mijn zacht, poezel, mollig schepseltje, mijn molletje als van boter. Zie ook: bottermol.
botermouw, bottermol, bottermolle, bottermolje, in annonces botermol; soort van vaatwerk, bestaande uit een uitgehold stuk hout, waarin de boter bewerkt wordt (Oldampt), en die overeenkomen met de melkmollen (Ommelanden), en het Friesche: aard. West-Vlaamsch beutertubbe, beutertibbe. Zie: mol.
boterpekel, botterpekel, het vocht dat op gezouten boter komt; botterpekel is lekkerder bie ’n ai as zolt.
boterstoppen, botterstoppen, een vat of pot vullen met boter; de boer zien vrou is an ’t botterstoppen. Zie: stoppen 2.
botervat, bottervat, botervat. Zegswijs: mit ’t gad (of: mit zien achterste) in ’t bottervat vallen = een goed heenkomen vinden, bv. door een rijk huwelijk te doen; Friesch: Hja falt mei ’t gat yn ’e bûter (van een meisje dat een rijk huwelijk doet). Oostfriesch mit de maars in ’t bottervat to sitten kamen.
botervlek, botterflekken, (Westerkwartier). Wanneer de huid door een gat in de kous zichtbaar wordt, zegt men: hij het botterflekken op zien hozen.
botervogel, bottervogel, zie: zundvogel.
boterzaad, botterzoad, boterzaad, “boterzaad, eene verscheidenheid van aveelzaad, Brassica campestris var. trimestris. Voorzoover ik weet wordt Boterzaad alleen gekweekt in Drente en Groningen, in het laatste gewest vooral veel in Westerwolde op gebranden darggrond.” v. Hall Neerl. Plantensch. p. 18.
botgal, bōtgal, eene ziekte onder de schapen, galligheid, waarbij zich kleine diertjes, gelijkende op botjes, in de maag vertoonen.
botgrond, bōtgrond, zekere grondsoort waarop de bot zich bij voorkeur schijnt op te houden. Uit Schouwerzijl schreef men in 1873: “De bot schijnt zich in den herfst steeds op zekere grondsoort op te houden, en het gezegde van oude botprikkers, dat hiervoor bepaalde grondsoort (botgrond) bestaat, pleit nu ook weer voor hunne bewering.”
botjevaren, bōtjevoaren, zich laten glijden op schaatsen, ter onderscheiding van: de beenen bewegen en streken maken. Zal komen van de botten, ribben, die men oudtijds voor schaatsen gebruikte, zooals die menigvuldig in de wierden worden aangetroffen. Zooveel dus als: zich op glijbeenen op het ijs voortbewegen. – Ook = stotteren. Zie: stutjen.
botprik, bōtprik, werktuig om bot te vangen op de Wadden en ook in het Noordpolderkanaal. Het bestaat uit eene lange houten steel met eene rij ijzeren punten die van weerhaken zijn voorzien; ook Oostfriesch.
botprikken, bōtprikken, bot vangen met de bōtprik (zie aldaar); de arbaiders hebben an ’t bōtprikken west; zij kennen nō’n daghuur mit bōtprikken verdijnen.
botprikker, bōtprikker, iemand die aan ’t bōtprikken (zie aldaar) is; dei bōtprikkers hebben nijt veul vōngen, van nacht.
botte, bōd, bōdde, soort van sleeptuig om lasten langs een weeken kleiweg te vervoeren. In ’t Oldampt wordt zij ook gebruikt voor het ofmissen, dat is den stalmest naar de mestvaalt sleepen, ’t geen men in de Ommelanden met den kruiwagen (koar) verricht; bōdpad eig. het spoor dat de bōdde achterlaat, zoowel bij de schuur als op den weg; fig. spottend voor dat, ’t welk de snot op de bovenlip laat zien. Oostfriesch budde, Holsteinsch drekbutte. Zie ten Doornk. art. budde.
bottegat, bōdgat, zie: buusgat.
bottel, bōddel, bōrrel, voor: flesch, hoort men op ’t Hoogeland nog van oude menschen; bij van Bolhuis en van Halsema borrel = vlesch. –Oostfriesch, Holsteinsch buddel, Engelsch bottle, Fransch bouteille; v. Dale bottel = flesch, waarvan: bottelen, en: bottelier. Oostfriesch buddeln = drinken (van sterken drank). Algemeen is nog: de borrel op toavel zetten, of: kriegen = de flesch met jenever (of brandewijn) voor den dag krijgen. (Wisseling der d of t en r).
botten, bōtten, (bijvoeglijk naamwoord); zie: bōnken.
botten, bōdden, poeren (Oldampt) = pooren (Ommelanden) = peuren, aal vangen met eene poer = troest = kloester = poor = knoestje, ook oas genoemd = wormentroetel; Nedersaksisch aleparen, Holsteinsch aalpöddern, pöddern, van pödder = lokaas.
bottepad, bōdpad, zie: bōd.
botter, bōdder, (Ommelanden), zooveel als: boerenmeid die het vuilste en ruwste werk moet doen, of ook bij voorkeur verricht. Friesch bodden = arbeiden; bodder = arbeider; Gijsb. Japix boddjen = arbeiden; bodders aef aerbeiders; Noordfriesch bodd = arbeid; boddje = arbeiden.
botterd, bōtterd, lomp, bot, onbeschaafd mensch, vooral in ’t spreken de bescheidenheid uit het oog verliezende. (v. Dale: botaard = botterik.)
bout, bolt, bout, ook bij Kil.Deensch, Hoogduitsch Bolzen. – Ook een driehoekig stuk ijzer dat men, gloeiend gemaakt, in een strijkijzer gebruikt, en ter onderscheiding van gewone bouten, boltiezer, boltiesder genoemd. Oostfriesch boltîsder. – Wat den vorm betreft, vergelijke men: holt, en: hout; hollen, en: houden; gold, en: goud; kold, en: koud; molt, en: mout; scholder, en: schouder; verkollen, en: verkouden; stolt, en: stout; wold, en: woud; zolt, en: zout; schōlte, en: schout; wōl, en: wou; zōl, en: zou; spolten = splijten = spouden; Wolter, en: Wouter; vollen (= valten, valden, Hoogduitsch falten) = vouwen, enz. Vgl. Middel-Hoogduitsch en Hoogduitsch holz, golt, gold, kalt, malz, schulder, schulter; Noord-Brabant schoud = schuld; Kil. soud, sold, soudaet, soldaet; soudenaer, soudenier, soldenaer;
bolten, zie: vliegende garnalen.
boutijzer, boltiesder, boltiezer, zie: bolt.
boutstoof, boltstoof, boltstove, eene houten, met ijzer gevoerde soort van houten kruik, waarin eene gloeiende bout wordt gestoken, om tot bedwarmer te dienen; ook Oostfriesch
bouw, bou, (bouw) = verbouw, teelt van veldvruchten; kool is gijn veurdijlege bou meer, de pries is te leeg. Vgl. ooftbouw, tuinbouw, vlasbouw, enz.
bouwboer, bouboer, (bouwboer); zie: greideboeren.
bouwmannetje, baumannechien, baumantje, boumantje, baumannechien (Stad-Groningsch); zie: akkermantje.
bouwstelsel, boustelsel, bouwstelsel, in geschrifte bouwstelsel = de vaste regelen voor de vruchtopvolging; zie aldaar.
bouwstreek, boustreek, (bouwstreek); streek op de klei waar landbouw hoofdzaak, de zuivelbereiding bijzaak is; as ie mit de train van Warfêm noa Oethoezen raizen den koom ie deur ijn van de beste boustreken van de provincie.
bouwte, boute, baute, (bouwte), meervoud bouten, bauten; de bouwgrond bij dorpen waar ook laag weiland of veen wordt gevonden. Men zegt: op de boute, maar: in de venne, daar de eerste hooger gelegen gronden zijn die des winters niet onder water komen, zooals het lage grasland. In ’t Oldampt en Westerwolde onderscheidt men zand- en veenbouten. (Hier zij opgemerkt dat in genoemde kwartieren de ou sterk naar de Oostfriesche au trekt.)
boven, boven, voor: het woonvertrek van het gezin van een landbouwer; bie de groote boeren komt ’t volk nooit boven, dat is het dienstvolk wordt daar niet toegelaten; goa moar noa boven (in burgerhuizen: noa veuren), dat is ga maar naar den boer, gij behoeft hier (achter) niet op hem te wachten. – Staat voor: bovenhoes; zie aldaar – Als voorz.: boven stoof zitten = zitten met eene warme stoof onder de voeten, van vrouwen; hij zit boven op de kachel (of: op ’t vuur) = er dicht bij.
boven stad, bovenstad, beteekent in ’t Oldampt: benoorden Groningen, en daartoe moet geheel Hunsegoo en een deel van Fivelgoo gerekend worden; ook zegt men hiervoor: achterstad. Op ’t Hoogeland verstaat men er onder de streken ten zuiden van Groningen. Deze uitdrukkingen hoort men vooral van onze binnenschippers.
bovenbak, bovenbak, minder gebruikelijk bovenbeschuut, en alleen bij hen die beschuut in plaats van: twijbak, twaibak, tweibak zeggen, = beschuit met de bruine korst; van: het bovenste deel van het bolletje, waarvan de beschuiten worden gemaakt; ook zegt men voor beide: bovenkörst, en: onderkörst (Oldampt)
bovenboks, bovenbōksên, bovenboksêm, pantalon, ter onderscheiding van: onderbōksen.
bovendat, bovendat, bovendien, Drentsch bovendat.
bovendien, bovendijn, bovendien, Drentsch bovendat.
boveneinde, bovenèn, bovenende, boveneind, in geschrifte boveneind, en: voorbehuizing = het bewoonbaar gedeelte eener boerderij; ook ter onderscheiding van het overige van het gebouw, dus het huis buiten de schuur of schuren, ook achterèn of achterende geheeten; (zie: binhoes). “Niettegenstaande de spoedig aangebrachte hulp kon men het niet verder brengen dan het “boveneind” te behouden.”
bovengang, bovengang, gedeelte van den gang aan den kant der voordeur.
bovenhands, bovenhands, bovenhans, in: bovenhands arbaiden, bv. verven van eene zoldering of daaraan stukadoorwerk verrichten; bovenhands gooien (Oldampt vlōchtjen) met een steentje of bal = de hand zoover mogelijk in de hoogte brengen en dan gooien, ter onderscheiding van: onderhands (Ommelanden onderhandjes) gooien. – bovenhands peerd = het rechtsche, bijdehandsch paard; onderhands peerd = het linksche, vandehandsch paard.
bovenhuis, bovenhoes, het voorste, het bewoonbare gedeelte eener boerderij, van buiten beschouwd. Men zegt: ’t bovenhoes mout omgooid wor’n, moar: wie wonen in ’t binèn (of: binende). Vgl. boven, en: binhoes.
bovenhuis, bovenhoes, in geschrifte boveneind, en: voorbehuizing = het bewoonbaar gedeelte eener boerderij; ook ter onderscheiding van het overige van het gebouw, dus het huis buiten de schuur of schuren, ook achterèn of achterende geheeten.
bovenknecht, bovenknecht, (in annonces) = bovenvent = de opperste knecht op een koren- of pelmolen.
bovenkorst, bovenköst, bovenkörst, zie: onderköst.
bovenland, bovenlanden, Hou is ’t in de bovenlanden? vraagt de onontwikkelde den courantlezer. Wat hij er onder verstaat weet hij niet en wij weten het ook niet, maar waarschijnlijk moet hier aan Duitschland gedacht worden. – Kil. Overland = Germania Superior; (overland, tegenover: nederland.)
bovenlander, bovenlander, paard uit Noord-Duitschland, bv. Oldenburg, afkomstig. (v. Dale: bovenlander = die hoogere of bergstreken bewoont; in Holland Westfaler, Oostfriesch; bovenlandsch = van hoogere streken, in Holland Westfaalsch, Oostfriesch.)
bovenlands, bovenlands, zie: bovenlander.
bovenmeester, bovenmeester, hoofd der school, als het ter onderscheiding van: ondermeester, zal dienen. Thans zoo goed als verouderd, liefst zegt men: hoofdonderwiezer.
bovenmeid, bovenmaid, ter onderscheiding van achtermaid; (zie: koamermaid). Noord-Brabant bovenmeid = keukenmeid. Zuid-Nederlandsch bovenmeid = de meid die niets met de keuken te maken heeft.
bovenmouw, bovenmau, bovenmou, (bovenmouw); dat gedeelte eener mouw dat boven zit, ter onderscheiding van ondermau (ondermou), het andere stuk, onder den arm. Naaistersterm.
bovenop staan, bovenopstoan, uit nieuwsgierigheid er zoo dicht mogelijk bij staan om alles goed te kunnen zien. Zie: boven.
bovenspul, bovenspul, voor: het bovenkleed, vooral van vrouwen. Ook = het gelaat, het hoofd; ’t bovenspul is goud, moar ’t onderspul deugt nijt = zij heeft wel een knap gezicht maar zij gaat mank. Ook: hij (of: zij) heeft een goed verstand.
bovenste, bovenste, voor: beste, edele, voortreffelijke; alderbovenste, ook: alderbovenste beste = zoo voortreffelijk mogelijk, in zijne soort, van menschen en vee gezegd; bovenste ook: de eerste op de rij van de koeien die op stal staan, altijd van het bovenhuis af gerekend; bovenste ber = het bed dichtstbij den haard; het andere noemt men: achterste ber. Drentsch bovenste best, Neder-Betuwsch boves besz = allerbest, opperbest; Zeeland bovenst, bovest = uitstekend; Friesch: Dat is fen ’t boppeste boerdtsje (het allerbeste, allerfijnste, allerlekkerste). Holsteinsch: dat is vunt böverste boort, (Nederlandsch van de bovenste plank) = van het bovenste vak = dat is eerste kwaliteit.
bovenvent, bovenvent, zie: boerenknecht.
boy, buie, bui, buit, boet, bij ’t aanspreken van kleine jongens, voor: mijn jongen, jongetje, kleine man, kereltje, enz. (Oldampt), hetzelfde als bij Laurm.: boet, een kindernaam voor: jongetje, en: buit = jongen; mien buit = mijn jongen; kleine stoute buiten. – Wel hoorden wij: olle (of: oue) buit, schertsend en zeer vertrouwelijk voor: beste vriend, ouwe jongen, enz. Oostfriesch boy, boi, (Engelsch boy) = jongen, knaap, bijna alleen voor ’t vertrouwelijk toespreken en zoo goed als verouderd, Noordfriesch paike faike. Zuid-Holland beut = broer, als bruier; Friesch boike = jongetje, Zweedsch poike = knaap.
braad, broa, stuk rundvleesch uit de korte ribben. Overijselsch bra = gebraad, een stuk rundvleesch dat bij de slacht afgezonderd wordt om voor het slachtmaal gebraden te worden. Oostfriesch brade, brâ, alsook: mörbra, hâsenbrâ, rinderbrâ; Nedersaksisch braden, braen, braad. Zegswijs: an de broa zitten, fig. zooveel als: die dicht bij ’t vuur zit warmt zich het best. Vgl. runderbroa.
braaf, broaf, bij Auwen in: hij brengt zijn goed braaf door = hij is een doorbrenger, verkwister.
braak, broak, (zelfstandig naamwoord) = zömervalg = braakliggend land. Vlaanderen Westfalen braak = de toestand zelf van het braakliggend land. Middel-Nederlandsch brake, Middel-Hoogduitsch brâche = omgeploegd, braakliggend land. (Verdam). Men onderscheidt, althans op ’t Hoogeland: broak = een geheel jaar van rust voor den grond, en: halve broak; zooveel als één seizoen rustens. In Vlaanderen kent men: halve braak, blinde braak, winterbraak en zomerbraak. Zie: zömervalgen.
halve broak = Sunt Joap-valgen (Hoogeland), zooveel als: ongeveer in ’t midden van den zomer het land braakleggen. Meestal geschiedt dit door het omploegen van eenjarige klaver, ook wel van eene vrucht die als mislukt wordt beschouwd. Aldus zóó genoemd omdat het land dan niet meer kan behandeld worden als bij eene gewone, volledige braak plaats heeft.
braak, braak, broak, “Een braak is een werktuig, van vorm als een groot scheermes ter lengte van ruim een halven meter, waarvan mes en lemmet beide van hout zijn. Dit mes is door een tweebeenigen standaard (aan beide zijden van het mes een been) ter hoogte van ongeveer een halven meter boven den grond vastgesteld, zóó dat het lemmet in het hecht kan draaien. Naast dit werktuig staat een tweede van dezelfde constructie, maar grootendeels van ijzer dat de slijp genoemd wordt. Beide bevinden zich gewoonlijk in een hok, lang 2 à 3 meter, breed 1½ meter en vaak nog geen 2 meter hoog. Bovendien behoort tot de werktuigen van den braker nog een groote houten hamer met langen steel. Het eerste werk dat de arbeider doet is nu het beuken. Hij spreidt een hoeveelheid vlasstengels over den grond uit en slaat daarop aanhoudend met den hamer, waardoor de houtachtige deelen van den stengel gekneusd worden. Is dit in voldoende mate geschied, dan begint het eigenlijke braken. De werkman neemt een bundel gekneusde vlasstengels in de eene hand en het lemmet van het houten scheermes in de andere. Het lemmet wordt nu aanhoudend snel op en neer bewogen en komt telkens in aanraking met den bundel vlasstengels, die tusschen hecht en lemmet worden doorgetrokken, natuurlijk onder aanhoudend schokken, wat tegelijkertijd een eigenaardig ratelend geluid voortbrengt. Het gevolg van deze snelle schokken is dat de houtachtige deelen, die reeds gekneusd waren, in kleine stukjes worden verdeeld, welke door het uithalen van den bundel tusschen mes en lemmet door, aan den voet van den standaard neervallen, terwijl de braker langzamerhand de vezels alleen in de hand houdt. Nu wordt dezelfde bewerking op het ijzeren scheermes, de slijp herhaald, tengevolge waarvan ook de kleinere houtdeeltjes en de overblijfselen van de bast verwijderd worden, zoodat de vezels in volkomen zuiveren toestand overblijven en de grondstof voor het linnen, het vlas verkregen is.” (Vragen des Tijds, 1892.)
braam, brōmmels, brummels, braambeziën; brōmmelbōs, brummelbōs = braambeziënstruik. Drentsch brommels, brummels; Oostfriesch: brummelbêe, Nedersaksisch brummelberen, bromberen, Hoogduitsch Brombeere, Deensch bramboer, bromboer, brambaere, Engelsch brambles. (v. Dale: brommelbezie (gewestelijk), en: brummel, van het verouderde brom = braamstruik.)
braambos, brōmmelbōs, Deensch bramboerbusk. Zie: bōs, en: brōmmels.
Brabantse cent, Broabandse centen, zie: hōndecenten.
brabel, braggel, bragel, brabbel, bribbel, ook hoort men brabbel en: bribbel (Veendam) = brits, britse = weeke modder, slijk; uit slooten komt bloue braggel; de kinder loopen nijt op de riep moar altied in de braggel; zien stevels zitten vōl braggel.
brabelkoekje, brabbelkouktje, soort van gebak van meel en suiker. (Hier wèl bekend maar geen Groningsch product.) – Ook = mislukt baksel, een gebak dat te week gebleven is.
braden, broaden, gebraden. Weglating van het voorvoegsel; zie: ge 1.
bradend, broadend, voor: brandend; hij stait te slootgroaven in de broadende zun; toen ligt in de broadende zun.
Brader, Brader, (familienaam). Middel-Nederlandsch brader = houder eener gaarkeuken; braderie = gaarkeuken. (Verdam).
braderig, broadêrg, verlangend om zijn toorn te luchten of zijne wraak te koelen. (Zie: sangêrg.) Ook = driftig, voortvarend.
braken, broaken, in geschrifte: braken; v. Dale: braken = breken van vlas en hennep. Zie ook: valgen.
braken, braken, (alleen in geschrifte) = valgen = braak leggen. West-Vlaamsch braken = braak liggen.
braken, breken, braken, overgeven. Vervoeging: brook, broken.
bram, bram, in: ’t is ’n hijle bram = ’t is ’n broanie, zegt men van iemand die den grooten heer uithangt, die zich een zeker air aanmatigt, die de borst hoog draagt, (zonder juist een windbuil te zijn). Heeft hij daarbij een trotschen blik, dan zegt men ook: ’t is ’n hijle beron (baron). – bram = bramzeil = het zeil boven het marszeil, vroeger het hoogste zeil op een mast: “dat men de schepen maekt mars boven mars, bramseyl boven bramseyl, alles streckende om syraet en oppronck.” (v. Lennep art. bram). Daar ook: hij is een rechte bram = hij is een windmaker, een bluffer. Friesch brame, Gijsb. Japix prange, Hoogduitsch prangen, Middel-Hoogduitsch brangen, prangen, Noordfriesch bremmje, Deensch bramme = pralen, pronken; Angel-Saksisch breme = hoog, groot, verheven.
bramstagloper, bramstagloopers, voor grauwe erwten; matrozenwoord.
bramzeil, bramsêl, zeggen onze zeelui voor: bramzeil, evenals: topsêl, voor: topzeil. Vgl. middêg = middag; elger = aalgeer; kromstert, voor: kromsteert; hansel = handzeel; het Overijselsche lanter = landheer, het Nederlandsche leisel = leizeel; dorpel = deurpaal, enz.
Brand, Brandje, (mannennaam) = Galbrand, Gerbrand, Hilbrand, IJsbrand, enz.
brand, brand, zie: vuur 2.
brand, brand, ontsteking, (zie: vuur). Vergelijk.: zolt as de brand (brandend zout), veel te zout, van spijzen; moager as de brand; zunîg as de brand; zindêlk as de brand = brandzindêlk; zie aldaar. Zegswijs: ’t is nijt in de brand! (of: ’t is nijt ien brand) = wees maar kalm, er behoeft niet zoo’n haast gemaakt te worden. – de muur (of: ’n boom) in brand steken = er tegen staan te wateren. West-Vlaamsch: brandt het dan? zegt men aan iemand die met ongeduld iets vraagt.
Eigenschap van den bodem dat hij geen goede vrucht of in ’t geheel geen vlas meer wil voortbrengen. Dit heeft plaats wanneer op hetzelfde land te dikwijls vlas geteeld wordt. Dit woord heeft men waarschijnlijk van Belgen overgenomen. In Vlaanderen beteekent: brand, ziekte van jonge akkergewassen die verdorren en vergaan; de brand is in het vlas; de brand komt er in. Bij uitbreiding zegt men dit ook van ’t land waarop vlas geteeld wordt. –
brandbijt, brandbit, zie: bit.
brandbrief, brandbrijf, (= brandbrief); brief aan een schuldenaar waarin op eene spoedige betaling wordt aangedrongen en geene bedreigingen worden gespaard; ’k zel dei kerel ’n brandbrijf sturen.
branden, brannen, brann’, branden. Uitlating der d. Ook West-Vlaamsch
brander, brander, in: hij het ’n brander op dat wicht = heeft op haar een goed oog, letterlijk: wil haar in liefde doen ontbranden; hij krigt ’n brander = eene ernstige aanmaning om eene schuld te betalen. Vgl. brandbrijf.
branderig, brandêrg, (= branderig), voor: driftig, overdreven voortvarend, ongeduldig, van landbouwers den bekwamen tijd niet kunnen afwachten. – Ook = brandig, in: brandêrg in ’t gezicht wezen, zooveel als: eene roode kleur hebben door warmte of koortsigheid; ’n brandêrge reuk = een reuk alsof er iets smeult. Oostfriesch brannerig, brannerg.
branderij, branderij, (Auwen) = brand; men heurt nou niks as van branderij.
brandewijnskop, brandewienskop, branwienskop, een, soms antieke, zilveren kop, kom of schaal, waaruit op Nieuwjaarsdag brandewijn met rozijnen wordt gehapt. Ook een gewone kop (of kommetje) waarin men brandewijn met rozijnen heeft gedaan; de branwienskop gōng bie de rieg rond.
brandewijnslepel, brandewienslepel, branwienslepel, de ouderwetsche, gedreven zilveren lepel, met twee menschelijke figuren aan het einde van den steel, behoorende bij den brandewienskop, en gewoonlijk geschenk bij het huwelijk van personen uit den aanzienlijken boerenstand.
brandgevel, brandgevel, muur tot den nok opgetrokken tusschen het voor- en achtergedeelte eener boerderij, om het voorgebouw in geval van brand te kunnen behouden. “De brand verbreidde zich in het dak van de schuur tot aan den brandgevel, maar hier werd hij gestuit”, enz. “Het is nog niet te voorzien of de voorbehuizing behouden zal blijven, wijl de zoogenaamde brandgevel het zwaar te verantwoorden heeft.” (In Noord-Brabant noemt men aldus den trapgevel van ouderwetsche huizen.)
brandhoutmager, brandholtmoager, mager als een brandhout (v. Dale).
brandkast, brandkast, brandkas, verzekeringskas tegen brandschade, en: brandkast; wie bin mit ’t lösse goud in de Ynrömmer brandkast (of: brandkaste).
brandmeester, brandmeester, het hoofd van de werklieden eener steenbakkerij, die jaarlijks uit Lipsland overkomen.
brandnetel, branekkel, brandnetel; doove branekkel = makke branekkel: doove netel, Lamium album, in Oldehove bloeiende branekkel; v. Hall Neerl. Plantensch. p. 168. (De oude en nieuwe Germaansche talen hebben geene k in ’t nagenoeg als: netel, luidende woord; door den invloed der n is de t hier in k overgegaan). Spreekwoord: Hou stiller hou beter, har ’t wief zegd, dou har ze mit ’t gad in de branekkels zeten; Friesch: Ho stilder ho better, sei ’t âldwief en hja siet mei ’t gat yn ’e brânnettels. Oostfriesch nêt mit de nêrs in de brannettels sitten.
brandrijst, brandries, brandrijst, (Auwen) = brandkoren, brand, bij de graankoopers smettarwe, Uredo Caries, eene inwendige ziekte van de korrel, inzonderheid van tarwe, welker binnenste geheel in een donkerbruin, stinkend, kleverig poeder is overgegaan, terwijl de huid der korrel, hoewel verkleurd, gaaf is gebleven. Moet onderscheiden worden van het Zwart, of de stuifaren, Uredo Carbo, dat zich vertoont als koolzwart poeder, waarin de geheele aar of pluim, zoo als bij de gerst en haver, als het ware verteerd is. Van Hall Neerl. Plantensch. p. 285. Oostfriesch brandrîs = de stuifaren bij de haver.
brandschuur, brandschuur, de schuur bij eene steenbakkerij, waarin de steen gebrand wordt. Aanbesteding: “Het daarstellen van eene brandschuur, waarin 2 ovens, kamer en drie treeddelen er achter.”
brandsel, brandsel, bransel, eene hoeveelheid steenen, pannen of draineerbuizen die in eenmaal gebrand worden, één ovenvol. – Ook: het aangebrande in den pot; ook Oostfriesch (Gr. Wbk.: aanbrandsel = het aangebrande.)
brandzindelijk, brandzindêlk, zoo zindelijk mogelijk, van vrouwen gezegd. Vgl. het oude: brand = slagzwaard. (v. Dale: zoo helder als een brand = er rein, zindelijk uitzien.)
brandzuinig, brandzunîg, hoogstzuinig, zoo zuinig mogelijk; wordt van mannen en vrouwen gezegd, waarvoor ook: zoo zunîg as de brand.
branie, broanie, bromnie, zie: bram.
braskorf, braskörf, in geschrifte braskorf; eene soort van sluitmand met handvatsels aan beide zijden en een boven. In zeker vrachttarief komt voor: “Een braskorf naar rato der grootte ƒ 0.10.” Zal zooveel zijn als: korf waarin men allerlei dingen, kleinigheden bergt. Vgl. v. Dale art. bras.
brassen, brösken, (Goorecht) = zwetsen, pochen, snoeven. Vgl. broasken.
brassen, broasken, grootspreken, bluffen en daarbij hard roepen. Oostfriesch bräsken, Middel-Nederduitsch brâschen, brâsken, brêschen; Noordfriesch braaske, braske = alarm maken, sterk roepen, schreeuwen; Nedersaksisch braasken, van het buitengewoon gebulk van vee gezegd, en fig. voor: razen, tieren, leven maken, Deensch braske = te luid spreken, schreeuwen; Mecklenburgsch braasch = razend, scheldend, vloekend; Holsteinsch bräsig = trotsch. Vgl. het Nederlandsche brieschen.
brasser, broasker, broaskeder, pochhans, zwetser, Oostfriesch brâsker. Zie: broasken.
breed, brijd, (= breed), voor: ruim, rijkelijk, overvloedig; ook Noord-Brabant, Oostfriesch, Nedersaksisch; hij het ’t nijt te brijd = hij heeft een sober bestaan, Oostfriesch hê hed ’t nêt to brêd; ’t roem en brijd hebben (tautologie) = een ruim bestaan hebben, welvaart genieten; hij het ’t brijd moakt = is zeer mild geweest, bv. bij ’t geven van aalmoezen of fooien; ’t is heur brijd noa ’t zin = zij is (of: zij zijn) er uitstekend mede (of: over) tevreden; ’t stait ’r brijd veur = de vooruitzichten zijn schoon; ’t brijdste is nog achter = het moeilijkste komt nog, wel eens met de toevoeging: zee ’t wief, dou har ze ’n pankoukspan in ’t gad; hoog en brijd wezen = hoog zwanger zijn. Spreekwoord: Dei ’t brijd het, let ’t brijd hangen, ook met de toevoeging: en dei ’t nog brijder het let ’t slepen, meestal spottend of spijtig voor: die geld heeft kan ’t er van nemen, kan vertooning maken, enz.
Breede, Brei, de Brei, Breede, dorpje onder de gemeente Warfum. (Eigenlijk zooveel als: breede Ee.)
breedte, brette, breedte; in de brette; brette van ’t goud, enz. Vgl. brijd.
breedvoerig, brijdvouêrg, (= breedvoerig), in: d’r brijdvouêrg zitten = eene breede plaats innemen, te veel ruimte in beslag hebben.
brei-eikel, braiekkeltjes, voorwerpen van goud, zilver, ivoor of been, in den vorm van een eikel, om de breipriemen in te steken wanneer het breiwerk is opgerold.
breidopje, braidopkes, zie: braiekkeltjes.
breien, braiden, braien, breien. Zegswijs: proten (of: proaten) en braiden! zooveel als: verbabbel den tijd niet, wilt gij praten, goed… maar de handen mogen niet rusten, het werk moet er om voortgaan; “Wie kennen wel proaten en braiden, lees mie ’t moar oet de krande veur.” in ’t geliek braiden = inbreien, bij ’t neerleggen van het breiwerk eene der naalden, tegenover het naadje half te breien, ten einde het werk te kunnen vouwen, (bij v. Dale gelijkbreien, in ’t gelijk breien). – Ook = breiwerk; zij het heur braiden mitnomen; ’t braiden ligt bie heur; zij stekt ’t braiden in de buutse (Oldampt) Als bijvoeglijk naamwoord: braiden hemdrok, braiden ōnderbōksen, enz.; braiden goud = gebreide goederen
breilap, brailap, (breilap) = lap met verschillende steken, enz., voor leerlingen in ’t breien.
breimeesterse, braimeesterske, breivrouw; vrouw die in haar huis onderwijs in het breien geeft, die een braiwinkel (zie aldaar) heeft.
brein, broagen, bragen, broasems, bregen, hersenen. Drentsch bragen, braegen = is hersenen, en: verstand; Middel-Nederlandsch bregen, Kil. breghe, breghen (Sax. Lic.) = de kleine hersenen (Hollandsch) breyne, brijne; Nederlandsch brein = hersenen als zetel van ’t verstand; Levit. 14:9 wijnbrauw, Kil. wimp-brauwe = wenkbrauw, ons: wienbroagen; Oostfriesch, Nedersaksisch brägen, Angel-Saksisch brägen, broegen, Oud-Friesch brein, brin, Noordfriesch brayen, Deensch broene, Engelsch brain = hersenen. – Bij Verdam: Middel-Nederlandsch bragen. Angel-Saksisch brägen, bragen, bregen; Hoogduitsch Bregen, Oud-Engelsch brain, brein, Engelsch brain. Oud-Friesch, Nederlandsch brein, Schott. brayn, brane. Hersenen. In broasems is de g uitgevallen en de s voor het meervoud achtergevoegd. In fig. zin gebruikt men steeds: harsens: hij het gouie harsens; hou krigstoe ’t in de harsens! = hoe krijgt gij dat in het hoofd!
bregen (Westerwolde) = hersens, van een varken; bregenworst = darmen waarin de hersens van een varken gestopt zijn; wil ie de bregen ook hollen? vraagt de slager.
breinpan, broagempanne, (Westerwolde) = hersenpan. Selwerd. Landrecht V.II bragempanne, (ook Oostfriesch); Ommel. Landr. VI, 18 bragenpanne. Zie: broagen. Middel-Nederlandsch bragenpanne, Middel-Nederduitsch bregenpanne. Hersenpan (Verdam).
breinworst, bregenworst, zie: bregen.
breischede, braischei, breihout, hol voorwerp met dunne houten staafjes gevuld, om er eene der breinaalden in te zetten. Staat voor: breischeede. Vgl. schei.
breistop, braistop, maas; braistop moaken = mazen. Het woord zal welhaast beginnen te verouderen.
breiwicht, braiwichter, (alleen meervoud) = breimeisjes. Zie ook: braiwinkel.
breiwinkel, braiwinkel, zeide men vroeger, toen er van onderwijs in vrouwelijke handwerken nog geen sprake was, van eene gelegenheid waar meisjes onderricht in het breien konden krijgen; zij het ’n braiwinkel = zij het braiwichter.
breken, breken, in grove stukken malen van boonen voor het vee. Dit geschiedt gewoonlijk op den korenmolen, maar vele landbouwers hebben er ook een werktuig voor, dat zij boonenbreker noemen. Zuid-Nederlandsch breken = malen met de tanden. Vervoeging als: breken 1.
brekvallig, brekvallîg, licht breekbaar, wat door ouderdom zwak is geworden, vooral van gereedschappen gezegd. Drentsch brekvallig = bouwvallig; Groningsch bouvallig van menschen en gebouwen; Oostfriesch, Westfaalsch brekvällig = breekbaar, bouwvallig.
Bremen, Bremen, in: zij is zoo wies as ’t schiethoeske van Bremen, met de toevoeging: dat van zulf leeg lijp, schertsend van iemand, meest onder kinderen, die een nieuw kleedingstuk heeft gekregen en daarmee pronkt. Het Oostfriesch heeft het met de bijvoeging: dat för lûter wîsheid inful. – ’k zel die Bremen ijs wiezen, zegt men tegen een kind en tilt het, door de handen tegen het hoofd te drukken, van den grond; ook Oostfriesch, en: ên de Bremer gosen wisen; te Meiderich: sal ’k dë esz Köln wiese? (Terecht wordt deze soort van aardigheid door ten Doornkaat sterk afgekeurd.)
Bremer, Bremer, in de zegswijs: mien voader het gijn Bremer west, die te pas wordt gebracht, wanneer iemand ons een werk uit de handen wil nemen, in de meening dat hij het beter kan doen, dus zooveel als: hou uwe handen thuis en laat mij begaan. Het Brem. Nieders. Wb. heeft: ik bin keen Bremer, en zoekt de reden dezer zegswijze in de eenvoudigheid van zulke Bremers die nooit buiten de grenzen hunner stad zijn geweest, en zich licht door de vrijpostigheid van andere lieden uit het veld laten slaan. Ook ten Doornkaat denkt hierbij aan de stad Bremen. (I, 226). Bij v. Dale: “Mijn vader is geen breeuwer = ik laat mij het werk niet uit de hand nemen. In dit spreekwoord is breeuwer verbasterd tot bremer.” – Deze verklaring lijkt wel niet onaannemelijk, maar wij kunnen toch kwalijk gelooven dat de Noord-Duitschers, waaronder ook Bremen, dit spreekwoord van ons hebben overgenomen. Is het omgekeerde waar, dan kan van deze woordwisseling geen sprake zijn.
bremervloer, bremerflour, voorwerpsnaam en stofnaam; ligt bremerflour in de gang = de gang is met Bremer vloersteenen belegd, nl. met de groote vierkante bruinsteenen, welke in Bremen glad geslepen worden; ook Oostfriesch.
bremmen, bremmen, het keelgeluid dat iemand voortbrengt wanneer schorheid in de keel eene prikkeling veroorzaakt, als om de keel glad te strijken; ook: om iemand een teeken te geven, bv. om terug te komen, hemmen. Hooft Kil. bremmen = brullen, loeien, bij Kil. ook: eenig geluid laten hooren; Drentsch brammen, geluid van paarden als zij naar voedsel verlangen; Middel-Hoogduitsch brimmen = brommen, brullen.
brems, bremster, paardenvlieg, tabanus oestrum. – In ’t Westerkwartier fig. een meisje dat opgedirkt is. – Kil. bremse, bremme, oestrus; v. Dale brems, bremze, Nedersaksisch bremse, Deensch brems, Hoogduitsch Bremse.
bremsterig, bremstêrg, schor; bremstêrg in de hals wezen = schor in de keel wezen, zoodat men onophoudelijk bremt. Zie: bremmen.
bremzenvleugel, bremstervleugel, Vergelijking: zoo dun as ’n bremstervleugel (Hunsegoo) = Zeer dun. zie: bremster.
brengen, brengen, in: ’k heb mie brengen loaten = ik heb een rijtuig gehuurd om hier te komen, men heeft mij hier gebracht.
brochst in: doe brochst = gij bracht. Uitvallen der t, als in: zigst, wijst, dust, kenst, enz.
breuk, breuk, boete; breuk kriegen = beboet worden; verbreukt = verbeurd, aan boete schuldig zijn. Ommel. Landr. VI, 1: boete en breucke; Old. Landr. V. 1, 2 e.v. I, 43, 49 broeke. Middel-Nederlandsch broke, broeke, breuke, broecke, Middel-Nederduitsch broke = boete. (Verdam). Drentsch breuke = overtreding, en: boete ten gevolge overtreding eener verordening. (Ingevalle rechterlijk vonnis zegt men niet: breuk, maar: boete.) Zie: breuken.
breuken, breuken, beboeten, boete opleggen. Ommel. Landr. I, 12, 14, 25; II, 7, 10: breuken = boeten, poene laten betalen; II, 2b: breken, in boete vervallen zijn; II, 13: brekt = verbeurt; I, 10: sullen sy so menich Marck verbroken hebben. Oud-Drentsch breken; ook: verbreken, en: gebroken, Landrecht (1712) I, 2, 11, 13. – In eene keur van Graaf Albrecht (26 juni 1401) komt het volgende voor: (Amsterdamsche) Poorters zal nog mag men niet bezetten, bekommeren nog aanspreken, nergens in de landen benoorden de maze, van eenige breuken, dan binnen de Stede van Amsterdam te berechten, ende aldaar ten einde na vonnisse der Schepenen, ten ware dat men bevonde vechterhand, ofte met dieffelijke goederen drijvende ofte dragende, behoudelijk dat onze dienstluyden, Poorters in onze Stede Amsterdam voornoemd, als bailluwen, Rentmeesters, Tollenaren ende Schouten, deze vrijheden niet en zullen genieten, als van puncten die zij tegen ons in dien dienste breukten, maar breukte eenige poorter van Amsterdam ergens anders binnen onze vrije Stede, dien zoude men in dier breuke van der breuk te mogen beletten ende bekommeren. –
breukmeester, breukmeester, breukmester, penningmeester van eene vereeniging, bv. van eene gilde, een zanggezelschap; thans zoogoed als verouderd. Aldus omdat hij de breuken (boeten) moest invorderen.
breukrijgen, breukriegtjen, zie: dikdunnen.
brief, leeren brijven, (lederen brieven) = perkamenten, oude stukken op perkament geschreven. Zie Gron. Volksalm. 1892 bl. 73.
brief, pampieren brijf, pleonastisch voor: brief; “hij har ʼn pampieren brijf kregen van zooʼn kerel oet stad
brief, brijf, brief, aardigheidshalve voor: boterham. Een kind vraagt men: Kenstoe dei brijf wel lezen? = Kunt gij die boterham wel opeten? Zie ook: oldste, olste.
briefloper, brijflooper, brievendrager, brievenbesteller.
briek, briek, breek, gevaarlijk, in slechten toestand; ’t stait ’r briek (= schijf) veur = ’t staat er scheef voor, ’t ziet er slecht uit; ’n brieke mond = een scheeve mond. “– wel honderd gull’n Mos’k neudig hebb’n kreeg ’k mien liek, Maar ’t is wat nijs, en doarom vroag ik Moar fieftig, dàs toch nijt te briek.” Op de Friesche grens ook breek, breke (zie: jem). Drentsch briek = verkeerd; Friesch bryk, briek = scheef, krom, gebogen, verkeerd, enz. Van: breken, Gothisch brikan.
brij, brei, brij, in sommige gevallen voor: soep, gewoonlijk voor: zoepenbrei = karnemelkspap; mouskebrei (ook: körtmous), boeskoolbrei, krintjebrei, boontjebrei, riezenbrei, enz. Zegswijs: ken de kat ook appelbrei koken?! = beeldt gij u in dat te kunnen doen?! – da’s ’n stōk botter in de brei = dat is een fortuintje; ik ken die de brei wel van de kop eten = ik ben immers veel, wel een hoofd grooter dan gij; deur dei brei hen eten = zich die moeilijkheden of onaangenaamheden getroosten om het doel te bereiken. Spreekwoord: Als ’t brei regent bin mien schuddels omkeerd = Als ’t brei regent heb ik mien koeme altied ondersteboven (Oldampt) = ’t loopt mij altijd tegen, is er een voordeeltje te behalen, ik ben er nooit bij. Friesch: As ’t brij reint lizze myn skûtels altyd omkeard. Oostfriesch bree, Hoogduitsch Brei = brij, pap. Zie ook: brei mit boonen.
brij met bonen, brei mit boonen, zie: boerenjōnges.
brijhapper, breihapper, bijnaam van den bewoner van ’t Hoogeland.
brijkom, breikoeme, groote en diepe tinnen schotel; ook = zulk een schotel met zoepenbrei; Friesch brijkom.
brijschotel, breischöttel, breischuddel, zie: breikoeme.
brijsleef, breislijf, brijslijf, breislaif, brijslaif, groote houten lepel om de brij om te roeren en op te scheppen. Zie: slijf.
brijtijd, breitied, brijtied, de tijd wanneer het werkvolk van den boer des morgens 7 uur eet, welke maaltijd bestaat in karnemelksbrij en roggebrood met boter, (ook Oostfriesch) De knechten en arbeiders die om 4 naar het land gaan moeten zorgen dat zij tegen breitied weer thuis zijn; om 8 uur gaan zij weer aan ’t werk.
brik, brikje, briktje, brik, schijfje van hout of bordpapier om welke men garen windt. Het meervoud luidt steeds brikjes, briktjes. Hiervan: brikjegoaren = garen dat om stukjes carton gewonden, in den handel voorkomt. Elders: een kaartje garen.
brik, brik, meervoud brikken = schijven van het dambord; de steenen van het dominospel; de toetsen van een orgel of piano; op brikken speulen = briktjen = domineeren. Drentsch brik = schijf, en: steen; Kil. Hooft bricke = schijve; Oostfriesch, Nedersaksisch, Deensch brik, brikke = schijf, houten schijf; Zweedsch bricka = schijf van het dambord; Engelsch brick, Fransch brique = blokje, metselsteen = baksteen; Middel-Nederlandsch bricke = tichelsteen, brik (Verdam). Ald.: britse. Van Friesch briche, dialectische bijvorm van brique, schijf. Damschijf, gewoonlijk bric genoemd. Vgl. brikje of: briktje, en zie ook: brijten 1.
brikgaren, brikjegoaren, zie: brikje.
brikken, brikjen, briktjen, domineeren; zie: brik.
brikkenspel, brikkenspul, dominospel. Zie: brik.
bril, bril, in: iemand ’n bril veur de neuze (of: neus) zetten = zijn uitzicht beletten, bv. door het zetten van eene schutting, het timmeren van een gebouw, dus een voorwerp woar hij tegenanbrillen ken. (v. Dale: iemand eenen bril op den neus zetten = misleiden, bedriegen, teleurstellen, en: brillen = foppen misleiden.
briljant, briljant, (bijvoeglijk naamwoord) = uitstekend, prachtig; hij leeft’r briljant van; hij het ’n briljant hoes; wie hebben ’n briljant örgel. (v. Dale: brillant = schitterend; heerlijk.)
brillen, brillen, voor: lang, tot vervelens toe op den uitkijk staan, of uitkijken; ook Oostfriesch Vgl. bril.
brillenhuis, brilhoeske, (= brillehuisje) = brilledoosje.
brink, brink, brinke, in Westerwolde een plein, meestal in de kom van dorpen of gehuchten, veelal met gras begroeid en langs de huizen met boomen beplant; vooral in Drente zijn zij menigvuldig. In oude stukken komt nog voor: Helpmerbrink. De dorpen, enz. waar zij worden aangetroffen zijn van Saksischen oorsprong. v. Dale: brink (gewestelijk) = met gras begroeid marktplein, gemeentekom. Overijselsch, Geldersch, Nedersaksisch brink, een groene heuvel. In Deventer heet een marktplein: brinke. Veluwe: brink, de met gras begroeide ruimte om en bij eene hoeve; Oostfriesch brink, blink = brink; Holsteinsch brink, een plein met gras begroeid; Westfaalsch brink = heuvel, helling eens heuvels; Zweedsch brink = hoogte. – ’t Woord is ook in ’t Oud-Nederlandsch bekend. Bilderd. leidt het af van: be, en: ringen = begrenzen, omringen, en gebruikt het in de beteekenis van: rand, boord. In het Nedersaksisch beteekent brink ook: eene smalle strook om de akkers, die niet geploegd wordt en tot scheiding dient. Deensch, Zweedsch bryn = de uiterste rand van een voorwerp, zoom, oever. Middel-Nederlandsch brinc. Middel-Nederduitsch brink. Engelsch brink. Rand, grasrand, ook grasveld. Een nederduitsch (saksisch) woord, dat in onze taal slechts voortleeft in familienamen als: Ten Brink, van den Brink e.a. en als plaatsnaam nog in sommige steden bekend is voor een met boomen beplant (eig. met gras begroeid) plein. Zoo kent men den Brink te Deventer, den Kerkbrink te Hilversum, enz. (Verdam art. brinc.) – Hier zijn o.a. de familienamen Brinker, Brinkman, Brinkhuis, Hurrelbrink bekend. Vgl. blinkje.
brit, brijten, brijdje, brijtjes, kluitjes turf. Eigenlijk bedoelt men er de platte stukjes mee die van de steekturf afvallen, dus brokjes van lange turf; ook Oostfriesch Is turf brokkig of verbrokkeld dan zegt men: ’t bin niks as stōkken en brijten. Friesch briet, brit = brok, kluit turf; Meyers Woordensch. breeta, breete, stuks turfs. Vgl. Kil. brete, breste, zode, brok eener zode. R. Bijenk. (Kil. i.v. spon): Nu en is ’t ghene tijdt meer dat men het volk britten voor turven telle, ende wijs maecke dat de katten ganseneyeren legghen. Engelsch brittle = broos; Oud-Friesch britsen = verbreken; Zweedsch bryta = breken. Vgl. brete, brette = aardkluit. Kil. brete, brette, j. britte, frustum cespitis. Hij wil al breten voer torven tellen (Verdam). Zie: piek.
brit, brijten, vooral: olle brijten (Hoogeland), zooveel als: oude kleeren, meubelen, werktuigen, enz.; in de Ommelanden meer algemeen voor: de scherven, stukken, overblijfselen van een voorwerp; ’t ligt in alle brijten = in duizend stukken. (Bij v. Bolhuis: brikken = brokken, stukken: het ligt in brikken.) Vgl. brijten 2.
brits, brits, britse, (Oldampt, Westerwolde); zie: braggel, en: britsen.
britsen, britsen, “Deze plechtigheid heeft plaats, wanneer iemand die zich als vervener vestigt, het eerst hiervan blijk geeft door het koopen van een stuk veengrond, het laten graven van eene wijk of iets dergelijks. Op eene bijeenkomst van arbeiders, waarbij tevens de nieuwe vervener tegenwoordig is, wordt hij, die zijne gedachten het best in woorden weet te brengen, afgevaardigd om den nieuweling namens allen geluk te wenschen. Wanneer deze niet goed tracteert, maakt hij kennis met de brits. Ook wanneer een oningewijde, die er toevallig bij tegenwoordig is, de vaak lachverwekkende redevoering met ongedekten hoofde aanhoort, wordt hij gebritst, dat is hij wordt door een paar stevige arbeidersvuisten voor zijn achterste geslagen. Dat eene dergelijke vestiging den nieuwen vervener somtijds nogal iets kost, moge blijken hieruit, dat eenige dagen geleden door zoo iemand niet minder dan f 100 in gelag werd gegeven.” (Vrag. v. d. Dag 1892.)
brobbelen, brōbbeln, borrelen; “’t woat’r broblt in de teeketel.”
broddel, bröddel, bruddel, wat verbroddeld is, een mislukt iets, bv. een pannekoek, die stukken uit de pan komt; ook zegt men wel: misbrudsel = misbaksel. Vgl. bruddellap.
broddelen, bruddêln, brödêln, broddelen.
broddellap, bruddellap, bröddellap, brödellap, brullap, eene lap waarop meisjes hare eerste proeven, bv. in het letternaaien, afleggen.
broed, brud, brut, bröd, broed, broedsel, minachtend overgebracht op menschen, bv.: de hijle brud komt in ’t warkhoes = het geheele huisgezin wordt in ’t armhuis opgenomen; de hijle brud gait noa Oamerikoa. Hiervoor ook: brudje, brutje. Vgl. ten Doornk. art. brads, brats.
bröd voor: hoop, boel, massa; wie mouten moandag wasken en ’t is ’n dikke bröd.
brudje, brutje, boeltje; ’t hijle brudje = ’t heele boeltje, zoowel van menschen als van dingen gezegd, maar altijd met minachtende beteekenis.
broeden, brouden, bruiden, broeden; brouden, brudt; bruiden, brödt, enz.; brödt ze? of: brudt ze? = moet zij in de kraam? alleen van getrouwde vrouwen.
broeds, bröds, bröts, bruds, broedsch, broeiziek; dei henne is al weer bröds = dei hen is al weer bruts.
broeien, bruien, zie: schruien.
broeiig, bruiig, (broeiig) = broeiend, drukkend warm, alsof er een onweer broeit.
broeilok, bruilokken, dichte bosjes gras die bij ’t uiteenslaan van het gemaaide samengepakt blijven, zoodoende niet genoeg drogen en oorzaak worden van ’t hooibroeien.
broek, brouk, zie: bōksen. Middel-Nederlandsch brouc, broec, Middel-Hoogduitsch bruoch, Middel-Nederduitsch brôk, Oud-Hoogduitsch bruchha, Angel-Saksisch brôc, Oud-Friesch brôk, brêk, Engelsch bruches, Hoogduitsch Dialectisch bruch, Latijn bracca. (Verdam).
broel, bruil, broil, bruil (Woltersum) = eigenwijs, ook: praalziek. Bij van Bolhuis: bruil of broil = fier, stout, trotsch. Vgl. Broils.
Broels, Broils, manlijke doopnaam. Zie: bruil.
broer, bruier, bruir, breur, breuer, brouder, broeder; ook zooveel als: vriendje, goede vriend, mijn waarde, enz., onder personen die vertrouwelijk met elkander omgaan; hou is ’t olle bruier?Kōm bruier, wie goan noa hoes, bv. tegen iemand die te veel gedronken heeft; zij leven as bruiers = zij zijn boezemvrienden; hij ’s ’n gezonde bruier = hij ziet er zeer welgedaan uit. Van iemand die een hekel aan ’t arbeiden heeft zegt men: doar het ’e ’n bruier an verloren. – bruier, enz. wordt: brouder, in: hij ’s ook gijn beste brouder = hij heeft geen eerlijk karakter, hij is niet braaf, in navolging van het Plat-Duitsche: Du bist de beste brouder auch nicht, enz. – Drentsch breur. Zuid-Nederlandsch broeder, in: vroolijke, lustige, ook: gezonde broeder = hij is een vroolijke klant, snaak, kluchtig mensch; – hij is de broeder niet = hij is niet gezond, en ook: de rechte persoon er niet voor.
brokkel, brokkel, trotsch, aanmatigend en daardoor lichtgeraakt. Drentsch brokkelig, Oostfriesch brûkel = onvriendelijk, verstoord, norsch, verdrietig; Engelsch brisk, Jutland brösig = zwetserig, en ook = strijdlustig; Zweedsch brushane = kemphaam. (Weil. brusk = opvliegend, onbescheiden; v. Dale = norsch, barsch). – brös, brösk (verward met: broos, en daarvan: brokkel), het Fransche brusque. (Vgl. het Hoogduitsche spröde, dat ook twee beteekenissen heeft.)
brokkel, brok, brokkel, broos, licht breekbaar, dat licht verbrokkelt of afbrokkelt.
brokschop, brokschōp, eene soort van spade. Zie: schōp.
brokstuk, brokstuk, (Hunsegoo), voor: gedeelte, wanneer het een overblijfsel is van een voorwerp waarmee nog iets gedaan kan worden. (Het woord wordt in ’t Nederlandsch als pleonasme verworpen.)
brol, brōl, (ten Boer) = drukte, lawaai, verwarde boel.
brom, brōm in hebben, zie: doenighaid.
brommel, brōmmels, (Stad-Groningsch) = pruttels, brommen.
brommen, brōmmen, = zitten = in de gevangenis zitten, hij mout vief joar brōmmen = hij is veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf; ook Overijselsch en elders.
bedelen langs de huizen.
brommer, brōmster, (Oldampt, Westerwolde) = brōmmer, huller (Ommelanden) = hummel (Goorecht); een gevleugeld insect, wel iets op eene bij gelijkend, maar veel grooter. Aldus genoemd om zijn sterk gonzend geluid. Het leeft in ’t wild, nestelt in den grond en verzamelt daar eene soort van honig; brōmmersnust = brōmsternust = hullernust = hōmmelnust (Hoogeland) Vgl. hommel bij v. Dale.
brommer, brōmmer, in: ’t is ’n dikke brōmmer = een rijke boer, of boerin. (Weil. v. Dale: brommen = snoeven, pochen, grootspreken.)
brommersnest, brōmmersnust, brōmsternust, (Ommelanden) = brōmsternust (Oldampt). Zie: brōmster.
bromslaan, brōmkesloagen, een brommend geluid geven en tegelijk met den vinger over de lippen strijken zooals zeer kleine kinderen doen, ’t welk meestal op schreien uitloopt. Het Noordfriesch heeft hiervoor: bäbeln, böbble.
bromzwerm, brōmswarm, (bromzwerm) = de eerste zwerm uit een korf.
brood, sneden brood, gesneden brood. Zegswijs: da’s sneden brood = dat is iets wat men gemakkelijk kan doen, bv. het oplossen van een gemakkelijk vraagstuk), van eene opgaaf op het schaakbord, of op het biljard, dus iets waarbij men zich weinig behoeft in te spannen, wat men volkomen in zijne macht heeft.
brood, brood, Als voorwerpsnaam verstaat men hieronder een achtponds roggenbrood (brood van 4 KG.); de algemeene kost der lagere klassen is brood mit reven kees (of: keeze); ook welgestelden maken er veel gebruik van. Zegswijs: eet joen brood nijt dreug! schertsend spottend voor: neem het er maar van, lijd maar geen gebrek. Vergelijking: sloag kriegen as brood = dikwijls afgerost worden.
brood börgen (brood borgen). Van iemand die gekromd staat zegt men spottend: ’t is net of ’e brood börgen wil; ook Oostfriesch.
brood droagen, Kan iemand niet uitstaan dat men zijne knie tusschen de vingers drukt, dan zegt men plagend: hij ken ins nog gijn brood droagen. Deze aardigheid wordt alleen onder jongelingen vertoond. Nadat de vraag tot een der jongsten onder hen is gericht: Kenst wel’n brood droagen? Knijpt de vriend hem in de knie. Staat hij die proef goed door dan heet het, dat hij eene kinderachtigheid meer heeft afgelegd. (Zou in deze uitdrukking ook de beteekenis kunnen schuilen overeenkomende met: steken u de broodkruimels ook?) Oostfriesch: kanst du al ’n brôd dragen? Wordt deze vraag door een kind met ja beantwoord, dan vat men het om den hals en drukt het bovenlijf naar beneden. Dit zal dan gelden voor zijne goede lichamelijke ontwikkeling.
brood leggen, in: iemand iets op brood leggen, fig.: hem van iets beschuldigen, met iets betichten, altijd in zijne tegenwoordigheid, op den man af; eigenlijk zooveel als: hem wat te slikken geven; hij lag mie dat op brood = dat verweet hij mij; ook Oostfriesch.
brood vreten, in: ’t vret gijn brood, wat men zegt van iets dat men zich heeft aangeschaft zonder er gebruik van te maken, en als dan eene verdediging inhoudt van zulk eene, soms dwaze handeling. Men erkent dat het voorwerp eene overtolligheid is, maar wil het toch niet van de hand doen, ’t is immers geen huisdier dat gevoed moet worden.
broodbakkerse, broodbakkerske, in annonces: broodbakkersche = eigenares eener broodbakkerij, in den regel weduwe van een’ bakker.
broodjager, broodjoager, in geschrifte broodjager; iemand die het jachtbedrijf uitoefent om den broode.
broodkoek, broodkouktjes, soort van gebak. Alleen voorwerpsnaam (v. Dale, broodkoek, zonder meervoud).
broodkoren, broodkoorn, voor: rogge. De landbouwers hebben de gewoonte om rogge, van eigen verbouw of aangekocht, naar den bakker te brengen. Van elken hectol. krijgen zij 22 brooden van 4 K.G. terug; maal- en bakloon wordt den bakker vergoed; met nieuwjaar wordt alles verrekend. Dus zooveel als: het koren waarvan hij brood laat bakken. Kil. broodkoren = graan, vooral tarwe, in Nedersaksisch en Holsteinsch = tarwe en rogge. (In eenige plaatsen van West-Vlaamsch koorn voor: rogge, te Poperinge = tarwe.) (De Bo).
broodsnijden, broodsnieden, de werkzaamheid van den oppersten knecht in eene boerderij, nl. aan de tafel der dienstboden.
broodspinde, broodspien, (Westerkwartier, Hunzegoo) = broodkas, etenskas. Zie: spin.
bros, brös, brösk, zie: brokkel.
brouwen, breien, de r niet duidelijk kunnen of willen uitspreken, Zwolsch spreken. Van Dale: brijen, brouwen, de letter r slecht uitspreken, stamelen. (breier, bij v. Dale brijer, brouwer, wordt hier niet gehoord). Zuid-Holland brijen, Oostfriesch brêen, brêjen; Nedersaksisch: hij sprikt as wen he brij im mund het. Vercoullie: zoo spreken dat men aan ’t gerucht van ’t brij roeren doet denken. (Wij geven aan de Nedersaksische verklaring de voorkeur).
brouwhuis, brauhoes, deel van een huis waar gebrouwd wordt, de brouwerij. Middel-Nederlandsch brouhuus = brouwerij, Hoogduitsch Bräuhaus.
brug, brōkje, brōktje, brukje, bruktje, bruggetje, dat toegang tot eene boerderij, enz. verleent. Dikwijls is het de eenige toegang tot het erf, en meestal met witgeverfde leuningen en een hekje voorzien.
brugge, brōgge, brugge, brug, brugge (Oldampt, Westerwolde) = brug (Ommelanden) = botram = boterham; Swaagm. brugge, dikke boterham. Samenstellingen: keezenbrōgge = snede roggebrood met boter en reven kees (geraspte kaas); twijbaksbrōgge, en: stoetbrōgge, of: bakkenbrug, en: stoetbrug = brood met beschuit of wittebrood in plaats van kaas; melkoavensbrug = melkoavendsbrōgge, de boterham die kinderen, ook wel meiden om melkenstied (plusminus 4 uur) krijgen. Van schoolkinderen, die des middags niet naar huis kunnen gaan eten, zegt men dat zij heur bruggen mitnemen, en hun bruggen hebben, bv. bij een smid, zooveel als: dat zij die daar opeten. Drentsch, Overijselsch brugge, en: brukkien; Geldersch brug, brugge, Oostfriesch brügge, botram = boterham van roggebrood. brōgge, enz. zal hier staan voor: brok, stuk. (In Drente en Noord-Brabant ook: stuk; dikwijls hoort men ook hier: wie willen ’n stōktje (of: stukje) eten, mits buiten den gewonen etenstijd. Bij ten Doornkaat (art. brügge) komt het volgende Spreekwoord voor: ’t Is jo ’n mal land, dat Friesland! dâr ätensê de brüggen, lopen sê op mülen un stäken se de schâpen in de taske); verkleinwoord brōkje, brōktje, brukje, zooveel als botramke = boterhammetje; brug (= boterham), in: “eet bruggen met ons; neem ’t beeten met ons; toe neem ook ’n stuk eten” (Westerkwartier) = ontbijt met ons.
bruid, broed, bruud, bruid. Spreekwoord: Dei ’t geluk het gait mit de broed noa berre = wien ’t geluk dient bereikt zijn doel, ook Nedersaksisch; het Oostfriesch voegt er aan toe: al is hê d’r ôk nêt mit trôed. – ’n Doode en ’n broed dei mouten thoes oet (een doode en eene bruid moeten spoedig het huis verlaten), ook Oostfriesch’n Broedsdoalder is moar ’n gulden weerd = het kapitaal van een meisje, dat de bruid is, wordt meestal vergroot; Middel-Nederlandsch bruut, bruyt = bruid, Middel-Hoogduitsch, Middel-Nederduitsch brût, Hoogduitsch Braut. (Verdam).
bruidegom, breugen, breugman, breuman, bruidegom; hij is de breugen = hij is verloofd; ’t is ’n breugman = ’t is iemand die verloofd is, de verloofde. Drentsch breugeman, Friesch breegman; Nedersaksisch, Holsteinsch brögam, Hoogduitsch Bräutigam. (Het tweede deel van het woord: gam, gom, van het Latijnsche homo, is in: breugen tot een achtervoegsel geslonken. Vgl. bramsel.)
bruidegomspijp, breugmanspiepe, breugmanspiep, bruidegomspijp, eene Goudsche pijp met kleineren kop en geheel met figuren bedekt. Bij elk gros wordt gewoonlijk zulk eene pijp geleverd. De eerste benaming komt van de gewoonte om zulk eene pijp, met lintjes bestrikt, den bruidegom bij het trouwen aan te bieden.
bruiloft, bruloft, brulof, bruiloft, meervoud bruloften, en: bruloffen. Middel-Nederlandsch brulocht, brulochte, brullocht, bruuslocht, bruudlocht, bruutlucht, brulucht, bruloft, brulloft. Middel-Hoogduitsch brutlouft, brûlocht. Middel-Nederduitsch brutloft, bruloft. Eig. de locht (loop) der jonggehuwden naar de woning van den man; vervolgens in ’t alg. huwelijksfeest, trouwplechtigheid, bruiloft. (Verdam). Spreekwoord: Van ’n bruloft komt ’n bruloft. Friesch Fen brilloftsjen komt brilloftsjen. Vgl. winkōp.
bruin, broen, bruun, bruin, ook in alle samenstellingen.
bruine, brōn, eene keelziekte. Kil. bruyne (Sax.) = keelontsteking, keelvernauwing, kroep; Oostfriesch brunne, Hoogduitsch Bräune, angina, Kehlsucht. Ten Kate: brum, dialectisch bruine, brengt het tot: branden.
bruinewater, brōnwoater, eene soort van gorgeldrank, op ’t Hoogeland bekend als geheim, maar ook als onfeilbaar middel tegen de brōn; zie aldaar.
bruis, broes, goede gekruimelde, losse bouwgrond.
bruis, broes, brösems, broesems, (Hoogeland) = brösem (Oldampt) = schuim, bruis; de broes stait hōm van hellighaid op de mōnd = het schuim staat hem van drift op den mond. “Kop diende hom op en brösems stonnen hom om mond van kwaodens.”; brösem zie ook ten Doornk. art. wrösen; broesems (alleen in ’t meervoud).
brunswijkerworst, brunswickerworst, brunswickerwōrst, saucys, ’t Fransche sausisse = worst, braadworst. Hier maakt men zulke worst door vermenging van varkens- en rundvleesch, dat fijn gehakt, in de wijdste darmen dezer dieren wordt gestopt en eenigen tijd te drogen wordt gehangen. In Holstein zegt men van een dik en lang scheepstouw: dat ’s ’n Brunswicker wurst.
brusselen, brusseln, (Auwen) = rumoer of twist, tweedracht of opstand maken. Hoeufft: ik geef er de brus van = ik geef er de brui van, en zou tot bruien = slaan, gooien, kwellen, enz. kunnen gebracht worden.
brutaal, brijtoal, pertoal, p’rtoal, brutaal; ’n brijtoal gewas = een bijzonder weelderig en veelbelovend gewas. Vgl. de metathese in: perbijern, perfester, perfiet, kerdiet, enz.
brutaligheid, brutoalighaid, lompheid, grofheid, brutaliteit; ’k heb hōm om zien brutoalighaid wegjagt.
buffel, buffel, dikke wollen stof waarvan men, vroeger algemeen, ook nu nog jassen en overjassen draagt; ook het kleedingstuk zelf: ’k zel mien buffel antrekken. Weil.: buffel, een zeker grof en harig kleed, overrok, Fransch bufle, dewijl dezelve eertijds van buffelsvel gemaakt werd. – v. Dale: buffel, stof die op buffelsvel lijkt: buis van buffel, en: duffel, eene soort van de grofste wollen stof, die waarschijnlijk haar naam ontleent aan het Zuid-Nederlandsche dorp Duffel. Het Neders. Wb. heeft: duffel, eene soort van de grofste wollen stof en leidt het af van: dubbel, Latijn duplex. – Thans wil hier het gebruik meest: duffel; de lagere klasse houdt zich aan: buffel. (v. Dale heeft beide ook als voorwerpsnaam)
buffelen, buffêln, zeer plompe uitdrukking voor: eten, veel eten, van groote menschen.
bui, dreuge bui, (droge bui), voor: tijd tusschen twee regenbuien; kōm, ik mout weg, ’t is net ’n dreuge bui.
buierig, buiêrg, buiig: de lōcht is buiêrg.
buig, beuge, voor: geschiktheid tot buigen, lenigheid, buigzaamheid; is gijn beuge in = hij kan zich, of: laat zich niet buigen, eig.: hij kan geene buiging maken, fig.: hij is onbuigzaam, stijfhoofdig. (Overigens luidt: buigen, en: buiging, boegên.)
buigen, boegen, buigen, verhollandscht bugen; Kil. beughen, booghen.
buik, boek, buuk, buik; meer gewoon is echter lief (lijf); de burgemeester heeft ’n dikke boek; die vrouw ’n dik lief; boekpien, gewoner liefzeerte; zie aldaar.
buikberrie, boekberries, de onderste of draagplanken van een boerenwagen. Vgl. barve.
buikboor, boekboor, zie: kezoan.
buikdenning, boekdellên, (meervoud boekdellêns); buikdelling, de bodem van een schip; v. Dale: buikdenning. Zie v. Lennep art. weger.
buiken, boeken, (werkwoord) = buikig, bol uitstaan, van kleeren, waar dit effen, slecht moet zijn. Naaistersterm.
buikerig, boekêrg, buikig, buikachtig. Naaistersterm. Zie: boeken.
buikriem, boekrijm, (Niezijl, enz.) = buikriem, van een paard, Drentsch gordel. Zie: liefbuiden. Vgl. Verdam art. gorde, en v. Dale art. gord.
buikslaan, boeksloagen, (buikslaan); de beweging van den buik van vee, honden, enz. door warmte of vermoeidheid. In Overijsel en Gelderland zegt men het van koeien en paarden, in Oostfriesland bûkslân, vooral, van paarden; Westfaalsch bukslâgen, Holsteinsch buukslagen = kort en sterk ademhalen, zooals na sterke beweging plaats heeft; wordt van paarden en honden gezegd.
buikziek, boekzijk, (buikziek) = aangestoken, half verrot, beursch, van appelen en peren gezegd. Overijselsch, Geldersch boekziek; bij v. Dale: buikziek (gewestelijk), beursch. Kil. buyck-siekte oft buycsuchtige peyre, pirum fracidum. West-Vlaamsch buukzuchtig. Wordt gezegd van overrijpe peren die van binnen week zijn. (De Bo).
buil, dûil, (van Halsema) = buil.
buil, boel, boele, buil; d’r komt ’n boel op = er ontstaat eene buil op de huid. bv. door stooten of vallen.
buil, buul, buultje, kerkezakje; mit de buul (of: ’t buultje) omloopen = met het kerkezakje collecteeren in de kerk. Samengetrokken uit: buidel (en: buideltje). Drentsch buul = geldbeurs; kerkezakje; Noord-Holland buul, buultje = zak, beurs, Veluwe = geldbeurs; Marken, Noord-Brabant, Limburg buultje = zakje met geld; Oostfriesch bûl = buidel, zakje, geldzakje, Westfaalsch bûl = buidel, Middel-Hoogduitsch biutel, Hoogduitsch Beutel. – ook testiculie, als het Oostfriesch. Zie ook: streekiebōssen.
builcent, buulcent, cent bestemd voor het kerkezakje.
builen, bulen, (builen) = niet effen zitten maar als tot builen samentrekkende. Naaistersterm.
builkist, buulkist, buulkiste, eene soort van groote kist, in welke het werktuig besloten is waarmee het meel gebuild wordt; Oostfriesch bûlkist. (Weil. meelbuil; v. Dale: buidel, buil, een werktuig, bestaande uit eene groote cylindervormige zeef, besloten in eene houten kast, waardoor de bakker in het groot de verschillende soorten van bloem (blom) en de zemelen uit het meel scheidt.) Zegswijs: deur de ledder buuld wezen (door de ladder gebuild zijn) = zich een plomp, ruw mensch toonen. Oostfriesch he is dör de bü̂lkist kamen, en: he is dör de leddergâten buld.
buils, buuls, wordt van gordijnen gezegd die niet effen zijn, die eene bultige oppervlakte vertoonen.
buining, bunîng, buining, in officieele stukken buining; houten of steenen beschoeiing bij eene vaart, waar schuiten en schepen kunnen aanleggen. “Dat ligt hier ijvig an de buning” (nl. de schuit. ’t Behelst eene klacht dat zij niet op tijd afvaart.) Hoogduitsch Buhne, Buhne, soort van hoofd aan den oever eener rivier om den stroom af te leiden; ook = kade. Nedersaksisch bune, eene soort van dam welken de landlieden aanleggen aan of in de oevers van rivieren, om bij het afvloeien van het water de visschen tegen te houden. Vgl. beun.
buis, buus, buutse, buus (Ommelanden) = buutse (Oldampt, Westerwolde, Stad-Groningsch) = zak, zakje, in het kleedingstuk der mannen genaaid, door de vrouwen afzonderlijk onder het opperkleed gedragen; buusdouk, te Niezijl buusdoek = zakdoek; buuswarm noemt men voorwerpen, inzonderheid appelen, die door het dragen in den zak warm zijn geworden; buusgeld = zakgeld; festjebuus, festjebuutse, fessiebuus = vestzak; bōksembuus, bōksenbuutse = broekzak; binnenbuus = binnenzak; boetenbuus = zak aan de buitenzijde van een jas; op de appelbuus zitten = aan den linkerkant van het meisje, teeken van onhandigheid in zake vrijerij; zōk de buus (of: buutse) oetlachen, Stad-Groningsch, Hoogelandde buus oet de bōksen (of: bōksem) lachen = hartelijk lachen, waarvoor men in Holland zegt: zich ziek lachen; an de buus mouten = in den zak moeten tasten, geld moeten uitgeven; dat klinkt in de buus = dat kost veel; bie buus goan = in den zak tasten, geld uitgeven; ’n schoot in de buutse hebben (Oldampt), zooveel als: bij ’t ballengooien (op het ijs, ook wel op weidelanden) een schot, gooi, smeet ingewonnen hebben; die dan aan de beurt is wordt overgeslagen, doch kan later, des noodig, dien gooi doen. Zegswijs: gouije vrunden, moar ’n kander oet de buus blieven! = ’t Oostfriesch man kan wol fründe wesen, man man mut ’n ander ût de taske blieven; hij (of zij) is vroom veur de lu en het de duvel in de buutse = is een huichelaar. – buus = buis, om den daarmee overeenkomstigen vorm; Drentsch buse, buus, buusse = broek- of jaszak; buutje, buus = vrouwen-zijzak; Friesch bûse = zak; Overijselsch buusse = broekzak, vrouwenzak; Oostfriesch bü̂s = zak in rok of broek.
buizen; meervoud van: buus; zie aldaar.
buis, boeze, boes, betrekkelijk groote hoeveelheid eener vloeistof; zoo noemt men bv. eene groote kom vol koffie: ’n boeze kōffie; ’k wil zoo’n boeze nijt ien ’t lief hebben. Vgl. ’t West-Vlaamsche boezeron; een blikken maatje dat ruim een borrel inhoudt, Fransch boujaron, verkleinwoord van bouchée (mondvol.) Zie De Bo, en vooral ook Verdam: busen = sterk drinken, zuipen, slempen. Van buse, dat is beker. Kil. buysen, largiter potare.
buis, bais, buis, bais (Stad-Groningsch) = baiske (Oldampt, Westerwolde) = buis (Ommelanden); jak door vrouwen uit den lageren stand algemeen gedragen. – buis, ook de dracht onzer binnenschippers en Friesche kaasventers. Friesch. baitske, baitke, baitsje = buis, wambuis.
buis vol, buusvōl, buutse vōl, zak vol; meervoud buzenvōl, buutsen vōl. Zie: vōl 1.
buisdoek, buusdoek, buutsdouk, zakdoek, ook Drentsch Zie: buus.
buisgat, buusgat, buutsgat, de sleuf in kleed of bovenrok der vrouwen om toegang tot den zak te verleenen. Is dergelijke gleuf aan de linkerzij of achter aangebracht dan noemt men het handgat. Zegswijs: de vlam slacht heur tou ’t buusgat oet = dat meisje is manziek. – mōtgat, eigenlijk = mouwgat. (v. Dale: mot = mouw). Vgl. Middel-Nederlandsch boesemgat. De opening in een kleedingstuk voor aan den boezem, split, Latijn sinus, welke ook als bergplaats diende, waarvoor later onze zakken in de plaats zijn gekomen. (Verdam).
buisgeld, buusgeld, buutsgeld, zakgeld. Zie: buus.
buiskool, boeskool, (voorwerps- en soortnaam) = kabuiskool, zoo roode als witte kool. Gewoonlijk verstaat men echter onder boeskoolen de gewone witte kool, en in plaats van roode boeskoolen zegt men ook: rooie kool, (ook als stofnaam). Als spijs wordt het woord onzijdig gebruikt: dat boeskool komt kepot. Kil. kabuyskoole = kool; v. Hall: kopkool (Brassica oleracea capita), sluitkool, kabuiskool, of (bij verbastering in Groningen), boeskool geheeten. (Neerl. Plantensch. p. 15.) Drentsch, Overijselsch boeskool, boesekool, Oostfriesch buuskohl, in Noord-Duitschland busschelkohl = Kopfkohl, de gewone witte of keukenkool. Spreekwoord: Hol je gesloten as ’n boeskool van drei bloaren, schertsend voor: pas op en praat niet te veel, klap niet, vooral wanneer men ’t liefst anders wil.
inzette boeskool = zuurkool. Zie: inzetten 1.
buiskoolblad, boeskoolblad, blad van eene sluitkool = boeskool; zie aldaar.
buiskoolbrij, boeskoolbrei, zie: brei.
buiskoolkop, boeskoolkoppen, in de uitdrukking waarmede men bloode redenaars moed inspreekt: ie mouten alle mensen veur boeskoolskoppen anzijn. In Drente: boeskoolskop! voor: droomerige meid!
buiskoolplant, boeskoolplanten, jonge boeskool (zie aldaar) die bestemd is om verplant (verpoot) te worden; ’k heb tweihonderd boeskoolplanten koft; as t ’r regen komt wil ’k mien boeskoolplanten verpoten.
buiskoolsoep, boeskoolsoep, soep, waarin boeskool de plaats van (veel) groente nl. peterselie, vervult. Vroeger was het een zeer algemeene kost.
buiskoolvat, boeskoolvat, zie: boonevat.
buiskoolzaad, boeskoolzoad, het zaad van boeskool; zie aldaar.
buiskwantig, boeskwantig, van ruw weder gezegd: ’t is boeskwantig weer = het regent en stormt.
buit, buut, buit; ook = ruil; buut bijden; buut om buut; Zie: buten.
buitel, beut, zie: beutel.
buitel, beutel, (Oldampt, Westerwolde) = beuker (Ommelanden), in Hunsegoo ook: beut = kleine jongen, veelal met lutje voorop; dei lutje beutel wōl nijt noa schoule; ’t was nog moar ’n beutel dou kon’e al lezen. Eigenlijk = kleine bengel, (bungel). Swaagm. beutel = spring in ’t veld. Oostfriesch bötel, schertsend voor: kleine knaap, Westfaalsch beukeslag; Nedersaksisch boetel, een korte knuppel (Groningsch bungel , kruusbungel), die den honden wordt aangehangen, en daarvan: een bötel van jungen, Nederlandsch (gemeenzaam.) kleine peuter. Daar het Engelsche to beet = slaan, is, kan beut, enz. zijn: een jongetje dat er op klopt. Wat de beteekenis betreft is beuker daarmee in overeenstemming; ’t komt mij voor dat wij hier aan eene verbasterde uitspraak hebben te denken; door de verandering der t in k, werd de l met r verwisseld.
buiten, buten, ruilen, als handelsdaad; ombuten, ook = verwisselen van het eene voorwerp tegen een ander, maar ook bv. van beurten, zitplaatsen, enz.; weer ombuten = nogmaals ruilen, zoodat elk het zijne weer terug bekomt; ik wil wel buten mit messen, maar: zel wie ombuten mit ploatsen? verbuten = een oud tegen een nieuw voorwerp verruilen, natuurlijk onder zekere voorwaarden, wat bijna alleen van gouden en zilveren voorwerpen wordt gezegd: ’k heb mien golden flöt verbut (Oldampt), verbuut (Ommelanden); buutgeld = het geld dat men toegeeft bij eene ruiling; butenschōp = buut = ruil, ruiling; ik ken dei butenschōp wel tugen = ik heb een’ voordeeligen ruil gedaan; ’t gait buut om buut = wij ruilen zonder elkander iets toe te geven; iemand buut bijden (Ommelanden) = den voorslag doen om te ruilen; kuutjebuten = ruilen (in de kindertaal); wie hebben an ’t kuutjebuten west = wij hebben geruild. Het Drentsch heeft: buten, buiten, ombuiten, buterij en butenschap; Overijselsch ombuten = omruilen, verwisselen; Middel-Nederlandsch buten = ruilen; butinge = ruiling. (Verdam). Oostfriesch büten, in büten, ombüten, ferbüten; Nedersaksisch büten, verbüten, ombüten, en: büte = ruil; Holsteinsch büten, Westfaalsch bûten = ruilen; Noordfriesch büte, bütenschoap, en: kütebüten; Deensch bytte = ruil; Zweedsch byta = ruilen; byte = ruiling; ombyta = omruilen; utbyta = omwisselen, uitwisselen; Middel-Hoogduitsch biuten, bûten = ruilen, handelen. Zal zooveel zijn als: boeten, in den zin van: baten, beteren, als wederkeerige handeling waarbij beide personen gebaat worden. (Vgl. buitelen, van het ongebruikelijke: buiten, voorheen = wisselen.) Zie ook: kuutjebuten. – buten = boeten (bijwoord en zelfstandig naamwoord) = buiten.
buiten, boeten, verhollandscht buten (= buiten, ook als zelfstandig naamwoord) De Groningers zijn gewoon de ligging der dorpen in deze provincie te bepalen door de poort te noemen, welke men uitgaat om er te komen? Zoo ligt bv. Delfzijl boeten Stijnenpoorte (Steentilpoort); Winschoten boeten Klainpoortien (’t Kleine poortje); Haren boeten Heerepoorte; Grijpskerk boeten Droapoorte (de A-poort); Winsum boeten Botternpoorte (Boteringepoort); Warfum boeten Ebbenpoorte (Ebbingepoort). (Eene schippersvrouw vertelt hare vriendin dat haar man behouden te Riga is binnengekomen. Deze vraagt: Riga? wat poorte is dat oet?) – Ook na de ontmanteling der stad zullen de stedelingen zich nog lang aan dergelijke uitdrukkingen houden. Op ’t Hoogeland: in boeten = buiten, buiten de school; en = naar buiten; ook Oostfriesch; Jan is in boeten; mag ’k even in boeten, meester? Ook = buiten, op het veld, ter onderscheiding van: in de schuur; de baonen bin nog boeten; wie hebben nog vief juk garst boeten; arbaiders kennen nijt boeten wezen in al dei regen. Spreekwoord: Van boeten bestendîg, mit knepen inwendîg, zegt men, meestal schertsend, van jonge lieden die zich heel deftig weten te houden, maar de kat in ’t donker knijpen. Oostfriesch Van buten beständig, Knäpen inwendig. Zie ook: binnen.
ien boeten (Ommelanden) = buiten de deur; ’k heb nog nijt ien boeten west; meester let de kiender ien boeten = hij laat de kinderen spelen.
boeten = boeten kennis = i = boetensporig wezen = ijlen, ijlhoofdig zijn, buiten westen, ingeval van ziekte. Zie ook: binnenwiend.
buiten dat, boetendat, boetendes, buitendien, bovendien, dat daargelaten; hij ’s boetendat al ongelukkîg genōg; maor boetendat, zij het van ’t zömer ook al ’n nei klijd kregen; boetendes mōs hij ’t nijt zegd hebben, dat, enz.; = boetendes, wat zōl heur voader d’r wel van zeggen! “Boetendat was boer ook nijt zeker, of hij wel op hōm stemd har.” des, voor: dies, bijwoord 2e naamval van het aanwijzend voornaamwoord: die. Drentsch boetendat, butendat. (Vgl. v. Dale: onderdies, ook: onderdes (weinig gebruikelijk) = ondertusschen, intusschen.)
buiten en behalve dat, boetenenbehalve dat, pleonasme voor: boetendat = buitendien, behalve dat.
buitenbeentje, boetenbijntje, boetenbaintje, butenbijntje, (buitenbeentje), voor: natuurlijke zoon of dochter. Bij Rotgans: “Hoe Joris was betigt een kind bij Tames Grietjen te hebben buiten beens,” enz.
buitenbeurt, boetenbeurtje, buitenkansje. Zie: binnenbeurtje.
buitenblokschudder, boetenblokschudder, de man die aan den buitenkant van de leg onder het dorschen het stroo opschudt. Vgl. oomeluut.
buitenduins, boetenduuns, voor: in zee (de Noordzee), letterlijk: buiten de duinen van het eiland Rottumeroog, vooral ook ter onderscheiding van: in ’t Wad = op de Wadden, (binnen de duinen).
buitengewonigheid, boetengewonîghaid, afwijking van het gewone gebruik, iets buitengewoons, wat men zelden ziet.
buitenheen, boeten hen, zie: boeten tou, en vgl. ’t Hoogduitsche umhin.
buitenloeger, boetenlougsters, buiten de kom van het dorp wonenden. Zie: loug.
buitenom, abuterom, een uitroep van kinderen, waarmede zij bij het vinden van iets hun recht op het bezit er van willen waarborgen. Oud-Friesch abuta = van buiten; abuterom dus zooveel als: van buiten om, onverziens, zonder de waarde er van te kennen en zonder van den eigenaar iets te willen weten.
buitenom mijne, abuterommienent, zie: abuterom.
buitenspelen, boeten speulen, (buiten spelen) = geen troef spelen, bij ’t kruisjassen.
buitensporig, boetensporîg, zie: boeten 1.
buitentoe, boetentou, buiten, zonder; ’k mout alle middêg sloapen, doar ken ’k nijt boeten tou; ik kon der nijt onder hen, ik mōs wel blieven te kōffiedrinken.
buitentoe kunnen, boeten tou kennen, niet mogen nalaten of weigeren, ʼt Hoogduitsch umhin; doar ken we nijt onder hen, bv. om die menschen ten eten te vragen, om eene uitnoodiging aan te nemen, om op eene lijst te teekenen, enz., Nederlandsch: ik kan er niet van tusschen, Hoogduitsch nicht umhin können; – ik kan er niet omheen noemt v. Dale een plomp Germanisme.
buitentuin, boetentoen, boetentuun, butentuun, tuin, geheel afgezonderd van het erf gelegen. Slechts ter onderscheiding daarvan spreekt men van binnentoen, binnentuun, wanneer iemand twee zulke tuinen heeft.
buitenwerk, boetenwark, (buitenwerk), voor: veldarbeid; “’t boetenwark was ofloopen, arbaiders lijpen bie de weg”, enz.
buitenwind, boetenwind, boetenwiend, zie: binnenwiend.
buitgeld, buutgeld, zie: buten.
buitschap, butenschōp, zie: buten.
buizedrie, boezedrei!, in de kleinekinder-taal zooveel als: een-twee-drie! Zoo zegt de moeder als zij de kleine op den schoot tilt: ijn! twei! boezedrei!
buizen, buizen, (Auwen) = jeneverdrinken. Kil. buys = dronken; buys wezen, oudtijds = een roes hebben, dronken zijn; v. Dale: buis = dronken. Zie ook: buizig.
buizig, buizîg, verstoord, brommig, boos; hij ’s buizig = de muts staat hem scheef, als dit nl. blijkt uit woorden en handelingen. – buizig weer = onstuimig weder, harde wind met regen. Kil. biesen, bysen = bruisen, opbruisen, naderhand van koeien die tochtig zijn. Vgl. birzen, bijst, en: roezeboezig. Zie ook: Herroem n° 443, West-Vlaamsch buischen: slaan dat het buischt; ’t waait en buischt; buischen en ruischen = veel gedruisch maken; de drinkebroers buischten en ruischten tot diep in den nacht. (De Bo).
bukken, bōkkên, bukken
bul, bōl, in: Lijkster bōl; vrachtschip van Leek op Groningen. Zie: bōlschip.
bul, brullen, in de alliteratie: brijven en brullen, waaronder men verstaat: oude documenten, koopacten, brieven, enz., die voor den bezitter geene waarde hebben. Vgl. “breven en bullen” = de gezamenlijke decreten van den Paus.
bul, bōl, bōlle, stier; bōlos = gecastreerde springstier, Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch buloss; West-Vlaamsch bulos = gesneden stier die reeds dienst heeft gedaan. (De Bo). bōlkalf = kalf van het manlijk geslacht, ter onderscheiding van: kuikalf (Ommelanden), ook enkel bōl, en: kui, in ʼt Oldampt en Westerwolde: bōlle, en: veerze; – kaspelbōl, met dezelfde beteekenis als het Nedersaksisch en Holsteinsch stadtbulle, fornicator = stadsbōl (Stad-Groningsch), bij Cats gebuerstier. Vergelijking: (hij kreeg) ʼn kop as ʼn bōl = een dik, opgezet hoofd, inzonderheid door drift. Zegswijs: trek an Jan, ʼt is ʼn bōlkalf! spottenderwijs, wanneer er iets te trekken valt waarbij weinig kracht noodig is, doch waarbij men zich toch schrap zet; Oostfriesch tüh an Jann, ʼt iss ʼn bullkalf. (Heeft betrekking op de verlossing van koeien); hij vlōgt ʼr op an as de bōl op de hooiopper = hij schiet er op toe als een razende, gaat er op los, blindelings en met heete drift. – Drentsch bul, Friesch bolle, Kil. bolle, bulle, Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Westfaalsch, Hoogduitsch, Engelsch bulle, bull, Ditmarssum böl, Noordfriesch bôll, bü̂̂ll, IJslandsch boli. Van het verouderde Duitsche bullen = brommen, dat nog in Zwitserland gebruikelijk moet zijn; Middel-Hoogduitsch bullen, büllen = blaffen, huilen, brullen; Hoogduitsch bullochs, Brummochs = stier. (v. Dale: bul = stier, inzonderheid springstier.) Zie ook: bōlk, en: bōlschip.
bulderbak, bōlderbak, bulderbast. Vgl. balderbōksen.
bulderbast, bōlderbast, zie: balderbōksen.
bulkalf, bōlkalf, zie: bōl 1.
bulken, bölken, belken, bulken, in de beteekenis van: luid schreien, huilen, en ook: schreeuwend zingen, alsmede: uit alle macht roepen; bölkerd = huilebalk, schreeuwleelijk, vooral van jonge knapen gezegd; ook Oostfriesch – Ook in de beteekenis van: bulken (Weil. v. Dale), boeren, oprispingen loozen. Wij zeggen het alleen wanneer zulks luide plaats heeft, en bestraffend heet het dan wel: daʼs ʼn dikke boer; opbölken, minder plat opkörken = oprispen, mits hoorbaar; bölkriek, of: belkriek wezen = bölken, belken van geld = zeer rijk zijn, bij v. Dale: bulken van het geld. Oostfriesch bölken = huilen, bulken; Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch bulken, bolken, bölken, en: upbulken, upbölken. Al deze woorden zijn evenals het Nederlandsche balken, bulken, klanknabootsend;
luid schreeuwen, roepen, en ook = huilen. Ook = bulken, loeien van het vee. Nederduits bölken, Deensch belke.
bulker, belkert, bölkert, bölkerd, schreeuwer, huilebalk, onder kinderen. zie: bölken.
bulkrijk, belkriek, bölkriek, zie: bölken.
bullenbord, bōlbret, bollebret, een houten bordje (bret) dat men een stier voor den kop hangt, opdat hij niet voor zich uit kan zien en zoodoende geen kwaad kan uitrichten. Holsteinsch bullenbrett, eene soort van doek, dien de boerinnen, over hare mutsen gebonden, dragen. Zegswijs: ʼn bōlbret (ook alleen: bret) veur de kop hebben = in de hoogste mate onbeschaamd zijn, bij v. Dale: een bord voor het hoofd hebben. Ontleend aan den maatregel om stootsche ossen een bordje voor den kop te hangen opdat zij niet voor zich uit kunnen zien.
bullenpees, bullepees, duthoamer; zie aldaar.
bullenpees, bōlpies, bōlpieze, bullepees, Friesch bollepiest, bollepijst, Oostfriesch bullpase, bullpiese, (bij Bomh. bullepees, teellid van een bul, hetwelk gedroogd en als straftuig gebezigd wordt; bij v. Dale: pees uit een bul gesneden, (oudtijds) strafwerktuig op het platteland en in de scholen.) De bepaling van Bomhoff past bij ons woord, en het dient opgemerkt dat er nog in ʼt begin dezer eeuw in deze provincie een ruim gebruik van gemaakt werd.
bullenschip, bōlschip, eene soort van praam, klein, onoverdekt scheepje met platten bodem, om graan, steen, modder, enz. te vervoeren. Friesch bolle, bollepraam, een plat, wijd vaartuig, geschikt om bullen, vervolgens ook ander vee te vervoeren, (Wassenb.) – Oostfriesch bulle = eene vlakke sterk gebouwde zeilboot tot het overzetten van menschen en vee over de Eems. – woaterbōl heet het vaartuig waarmede het zeewater voor de zoutkeet te Groningen wordt aangevoerd; bōlsloot, eigenlijk eene kleine vaart, niet meer dan eene breede sloot, waar zulke vaartuigen kunnen passeeren ten einde koren, zaad en andere goederen te vervoeren. Te Finsterwold, te Wirdum enz. vindt men zulk eene bōlsloot.
bullenschipper, bōlschipper, schipper die met eene bōl (zie: bōlschip) koren, enz. vervoert, om in grootere schepen overgeladen en naar Groningen vervoerd te worden. Annonce (1876): “De ondergeteekende bolschippers te Beerta brengen ter kennis van het publiek, dat zij den prijs van het koren afbrengen hebben verhoogd,” enz. (Zie: ofbrengen.)
bullensloot, bōlsloot, zie: bōlschip.
bullenstal, bōlstal, achterste gedeelte van ʼt schip, de stuurplaats, stuurstoel; Friesch bollestal.
bullenwagen, bōllewoagen, veldwagen met hooge ladders om springstieren te vervoeren.
buller, bōlkedêrs, aanvoerders van klei voor steenbakkerijen, eigenlijk: mannen die met de bōl varen, er hun brood mee verdienen. Zie: bōlschip.
bulos, bōlos, zie: bōl 1.
buls, bōls, bōlsk, (Ommelanden) = spilsk (Oldampt) = willîg = tochtig, bronstig, van koeien; ʼt laatste ook van paarden. Drentsch bolsch, spillig, Overijselsch boltig, West-Vlaamsch bollig, Kil. bolle, bulle = stier. Oostfriesch spillig, spilsk, spölsk; Nedersaksisch bullen = naar den stier verlangen, ook Holsteinschspilsk staat voor: speelsch, in den zin van: dartel. Zie: bōl.
bult, bult, bulte, bulde, bulde (Marne). hoop, stapel, en ook: kleine hoogte; hooibult, heubult = hooihoop, hooiklamp, en zoo ook: stroobult; zoadbult of: korenbult = hoop ongedorscht graan, groote, ronde schelf in de nabijheid der boerderij, daar opgetast wegens gebrek aan ruimte in de schuur. de boeren bin an ’t bulten mennen (of: zetten). Ook voor: een hoop gedorscht graan. (Zie ook: boonbult); eerappelbult = hoop aardappelen in de schuur, of ook buiten ’s huis in kuilen gelegd en met stroo en aarde bedekt; misbult = mesthoopje, en: mestvaalt; zandbult = zandhoop; molbult = molshoop; strōntbult = schietbult = hoopje drek, van mensch of dier; törfbult = hoop turf in het veen of bij huis, en: de voorraad turf die men in huis heeft; de törfbult krigt ’r wat om, zooveel als: de voorraad vermindert snel; eerbult = aardhoop, inzonderheid die over het land gebracht worden tot bemesting, en als woordspeling met: eer, eere, in de uitdrukking: iemand in zien eerbulten komen, spottend voor: zijn eergevoel kwetsen; sneibult = sneeuwhoop; stempelbult = hoop puin; voorts: garstbult, stijnbult, holtbult, grindbult, enz. Bij Rottumeroog wordt eene der zandbanken Krintbult genoemd, alsdus omdat te dier plaatse in 1846 een schip met krenten is gestrand. bulten effen = bulten slichten = de molshoopen over het grasland werpen, overal gooien; ’t over de bulten joagen, voor: stotteren, door te snel praten; geld hebben bie bulten, of: geld hebben bie de bult = rijk zijn. Kinderen, met name de jongens, hebben een spel: bultje bultje ken nog meer op! dat zij op zangerigen toon uitroepen en dan een stapel van hunne lichamen maken om vervolgens over en door elkander te buitelen. Van kleine kinderen, wier beenen nauwelijks in staat zijn het lichaam te dragen, zegt men: ’n bultje van ’n jong; ook Oostfriesch – Een enkelen keer is het ons voorgekomen dat men in de kleistreken dezer provincie onder bult ook verstaat een weinig land, mits hoog gelegen, waarvan één huisgezin leeft, eene kleine keuterei. In: Hinderk en Maike (Blijspel) komt voor: “joa, ’n best bultje” = die kleine boerderij bestaat uit best land; “’n aigen bultje kriegen” = eigenaar van eene kleine boerderij worden. In de Westervalg, bij Warfum, ligt een huis met 2½ bunder land, dat de bult heette; de eigenaar kreeg den bijnaam van Bultje, en zoo zijn eene soort van aardappelen naar hem bultjes genoemd. Spreekwoord: Duvel (of: de duvel) schit altied op de dikste bult, zooveel als: de fortuin begunstigt de rijken. (Vgl. Zeeman bl. 226). Friesch: De divel skyt altyd op ’e greate heap. Overijselsch bult = hoogte, heuvel, heuveltje, bij Halbertsma belt; Drentsch belt = hoop (bij v. Dale belt = hoop, tas; vuilnisbelt = vuilnishoop); Oostfriesch bült, bülte, met al onze beteekenissen, ook die van het Nederlandsche bochel; Nedersaksisch bult = heuvel, opgehoogd land, en: alles wat op een hoop te zamen geworpen is. In het Hollerland heeten alle hooge plaatsen in de lage weiden, bölt, die, daar zij zandig zijn, bebouwd worden. Vgl. de Bult, buurtschap aan de Westerwoldsche A, waarvan de eigenaam Bultena.
buil, huidopzetting, Kil. bult.
veel, groote hoeveelheid, menigte, boel; hij het ’n bult geld, hij het ’n bult schoapen, hij het ’n bult kinder, hij het ’n bult verdrijt, hij het ’n bult verstand, enz.; ’n bult koffie, wien, enz. drinken; hij verdijnt geld bie bulten = hij verdijnt ’n bult geld = heel veel geld, geld bij hoopen. De beteekenissen van: hoop, en: menigte, vallen hier samen; dik bult blift ’r nijt over, ’t scheelt gijn dik bult. Spreekwoord: Kennen ’n bult makke schoapen in ìjn hok, met de toevoeging: moar nog meer wilden = wanneer men zich maar voegen wil kunnen vele personen in eene beperkte ruimte plaats vinden. – Ken nog ’n bult woater deur de Rien loopen = er kan inmiddels nog veel gebeuren, er bestaat groote kans dat onze plannen verijdeld worden. Drentsch bult = menigte, overvloed, Friesch = hoop, menigte, Overijselsch = veel, heel wat.
bultje, in: in ’n bultje zitten = ineengedoken, zooveel mogelijk voorover gebogen zitten, bv. van pijn, van koude, enz.
mal bult = zeer veel. Zie: mal.
bulten, bultjen, zie: schietbultjen, en: poortjen.
bulten, bulten, (werkwoord) = tot een bult, een hoop worden; ’t bult = het vormt spoedig een grooten hoop; ’t wil nijt bulten, zegt men, als bv. korrels, aardappelen, schooven, enz. zeer klein zijn. (Drentsch, Oostfriesch bulten, bülten = in hoopen zetten.)
bulterig, bultêrg, oneffen; bultêrg land = tegenovergestelde van effen, slichs, ijngoal, land; (ook Oostfriesch, Nedersaksich, Holsteinsch); de weg is hulterg en bultêrg (tautologie) = hobbelig, hol en bol. (Vgl. hulterdebulter). – bultêrg wordt ook van de lucht gezegd als zich veel stapelwolken vertoonen; zie ook stukkêrg.
bultoom, bōltoom, toom met langere en dikkere stang om een wild paard met harden bek beter te kunnen regeeren.
bun, bun, aalkaar. Overijselsch aolbon, Oostfriesch bünne, bünn, Middel-Nederduitsch boene.
Bunde, Bōnde, Bunde, dorp in Oost-Friesland. Zegswijs: zuks koft men in Bonde (zoo iets koopt men in Bunde), als schertsende aanmerking op een bluf, als men bv. iets laat zien om er mee te pronken.
bundel, bendel, (onzijdig) = bundel, bondel (manlijk); alleen van vlas gezegd, dat gewoonlijk bij ’t bendel = 3.2 KG. wordt verkocht; Friesch bunder. Middel-Nederlandsch bindel = bondel, bundel, vooral van touw gebruikt, streng. (Verdam).
bunder, bunder, (= hectare), enkelvoud en meervoud; ijn bunder is 480 rou; hij het 60 bunder land.
bundertal, bundertal, de grootte eener boerderij in bunders, thans in hectaren, uitgedrukt, het aantal bunders land bij eene boerderij behoorende. Gewoonlijk rekent men bij jukken, daimten en groazen; men spreekt van bundertallen als men de grootte nauwkeurig, volgens kadastrale meting, wil opgeven.
bunzelig, bunsêlg, (bunselig) = onvergenoegd, ontevreden, pruttelend, gebelgd, synoniem met buizig, en: malkopt. – hij ’s t’r bunsêlg om = boos, enz., en ook: hij ’s bunsêlg.
bunzig, bunzîg, (Hunzegoo) = bevreesd, bang, angstig, (ook Dordtsch); “’k Moak mie aorig bunzig da ’k mien luk nustje geld, daor wie alle daogen zoo om schrippen en knooien mozzen, kwiet worren zol.”
bunzing, bunsel, brōnzels, bunsel (Oldampt, Westerwolde) = meert (Ommelanden) = urk (Stad-Groningsch) = brōnzel = bunzing, bonzing. Drentsch, Overijselsch, Geldersch, Bremen ulk; Noord-Brabant vis, Friesch mud, murd; Kil. ulck, ullick (Sicambr. Holl.; Fris. visse), bonsinck, bontsinck, buntsinck; Oostfriesch bünsel, ülke, Nedersaksisch ulk, ilk (verouderd), Noordfriesch ölk, Oud-Friesch ulke. Zegswijs: hij stinkt as ’n ulk (Oldampt) = hij stinkt as ’n bunsel (Ommelanden), bij v. Dale: hij stinkt als een bunsing. – bontsing zal zijn: bont, met den uitgang: ing, met tusschengevoegde s als 2 naamval vorm; door verwisseling met: sel, verbasterd tot bunsel. – ulk, urk (zie: ulk). Hoogduitsch iltis. Vgl. meert.
burgemeester, burgemeester, burgemester, börgemester, in: zij moaken mie (die, of: joe) d’r gijn burgemeester om = daar kunnen ze mij niets om doen, daar zal mij geen kwaad van overkomen. Vergelijking: ’n lief as ’n burgemeester = een dikke buik, alleen van mannen, Oostfriesch en bûk as ’n amtsman; börgemester (Auwen).
burgerklok, borgerklok, zie: börgertied.
burgerlijk, borgêlk, burgerlijk; börgêlk armbestuur = burgerlijk armbestuur.
burgermeid, börgermaiden, (zonder enkelvoud) = dienstmeiden van burgers, ter onderscheiding van: boerenmeiden.
burgerpot, börgerpot, zie: hutspot.
burgerschooljongen, börgerschooljonges, leerlingen eener hoogere burgerschool.
burgertijd, börgertied, (burgertijd) = börgerklok, in: ʼt is börgertied, of: mooi börgertied, zooveel als: ʼt is tijd om naar huis te gaan. Vgl. ruumstroatskloktje.
Burghard, Börgert, eigenlijk een jongensnaam, Borgerd. Zie: Lijndert.
busgort, busgört, grutten die in een busje worden gekookt. Eigenlijk zijn het twee busjes die in elkander sluiten; de grutten worden dus gaar door stoom; hij et alle mör’n busgört mit melk veur zien gezōndhaid.
buszalm, buszalm, zalm in hermetisch gesloten busjes, inzonderheid ter onderscheiding van: gerookte zalm.
buur, boeren, officieel buren, in plaatsnamen als: Kloosterboeren; Pijterboeren; Kroddeboeren; Aiberboeren; Siddeboeren; Bovenboeren; Uterboeren
buurmanse, buurmanske, buurvrouw. Zie: ske.
buurtschap, boerschōp, boerschip, (boerschap), in Westerwolde de boeren die tot één waterschap behooren. Zij vergadert eenmaal in ’t jaar, om Lichtmis (2 Februari); alsdan doet de boerrichter rekening. Drentsch boerschap = de ingezetenen van een dorp of gehucht = de boer; Oostfriesch buhrskupp, Hoogduitsch Bauerschaft = alle boeren van een dorp, Zweedsch burskap = burgerrecht. Vgl. noaberschōp, en: buurtschap.
buut, buut om buut!, zie: liek om liek!
cacheron, kesjoun, (onzijdig); eene soort van dun touw, zooals men bv. tot gordijnen gebruikt, ’t Fransche cacheron.
campagne, kampanje, werkseizoen eener fabriek, bv. van aardappelmeel, sago, enz. Men schrijft bv.: de kampanje aan die fabrieken is begonnen, voorzeker eene navolging van: campagne = speelseizoen, tooneeljaar van een schouwburg, enz. (Wordt eveneens in andere provinciën gebruikt, doch komt in die beteekenis niet bij v. Dale voor.)
campagnejaar, kampanjejoaren, eig. jaren die men in Oost- of West-Indië in landsdienst, met name als militair heeft doorgebracht, vooral omdat die, met betrekking tot het pensioen, enz., dubbel tellen; fig. jaren waarin het lichaam door uitspattingen in jeugdigen leeftijd, veel heeft geleden; dei man het nō al ’n koale kop, dat komt van de kampanjejoaren. Vgl. campagne = veldtocht.
capabel, kōmpoabel, in den zin van: in staat zijn tot iets; hij is kōmpoabel genōg om ’n moord te doun = hij zou niet voor een’ moord terugdeinzen. – Sarrend zegt men: bist kōmpoabel en dus’t mie niks = gij kunt mij geen kwaad doen, uwe bedreigingen tel ik niet; ook Drentsch. – Nedersaksisch de maagd is kumpabel un stritt mi dat af = zij verstout zich mij tegen te spreken. – Het basterdwoord capabel, ’t Fransche capable.
captie, kapsie, aanmerking; kapsie moaken op iets = aanmerkingen hebben bij het ontvangen van iets, het niet gaaf aannemen; iets afkeuren, als zijnde niet volgens overeenkomst of afspraak. (Bij v. Dale: captie = tegenstribbeling, chicane.)
carambole, krambal, (klemtoon op: bal) = carambole; meervoud krambals. – ʼt is krambal = door ééne der partijen moet nog eene carambole gemaakt worden, dan is het spel uit.
carolienkraal, kêrlienkrallen, (carolienkoralen) = soort van roode koralen.
catechisatie, kezoatsie, kêrzoatsie, kattegezoatsie, kaddezoatsie, catechisatie; zij gait geregeld noa de kezoatsie; doomnie het van de week gijn kezoatsie.
Cato, Kato, (klemtoon op: Ka), jongensnaam;
Cecilia, sesielieoa, (= Cecilea), in: lijve secielieoa! = wel wel! hé! och kom! enz. Uitroep van verwondering als het kleinigheden betreft.
ceel, sedel, (= cedel) = vervoerbiljet; ook voor een papier of papiertje met of zonder schrift; Oostfriesch sedel. – sedeltje = een papiertje; tekstsedel = tekstbriefje; kundîgsedel (zie aldaar); vroeger ook moalsedel. – iemand op ’t sedel hebben, zooveel als: in de rekening zijn, van jonge vrouwen; ook van personen die naar eene betrekking dingen, die men op het lijstje heeft. Zweedsch sedel, Hoogduitsch Zettel = briefje, biljet. Zegswijs (Stad-Groningsch): Witkop was ’n goud man, moar hij slachtte twei kalver op ijn sedel. Zie: mal; verkleinvorm sedeltje voor: rekening, nota; ’t sedeltje kloar moaken = de rekening uitschrijven; hei’t sedeltje ook bie joe? = hebt gij de rekening ook in den zak?
cent, centen, zenten, in bepaalde gevallen een weinig kleingeld; de meid vraagt bv. hare mevrouw om centen, als zij eene boodschap moet doen. – hij het centen (ook: daiten) – hij heeft duiten (v. Dale) Vgl. lösse centen; Hoogeland zenten, zinten; ook voor: geld, in’t algemeen.
cent erin Paul, sentripaal, zie: ruter-op-peerd.
centimeter, centimeter, noemen de naaisters het lint dat zij als maat gebruiken. Aldus omdat het in centimeters is verdeeld.
centkoper, centkoper, rood koper, bij meiden alleen onder dien naam bekend. Het koper van akers en melkemmers noemen ze aldus naar de oude centen die van zulk koper waren gemaakt.
centrum, sentrum, sentrōm, (centrum), in: hij ’s goud bie ’t sentrum = hij is goed wakker, niet slaapdronken, ook: goed bij ’t verstand, wèl bij de zinnen, niet ijlend, dus eigenlijk zooveel als: hij dwaalt niet af, weet zich tot de zaak te bepalen. Zuid-Nederlandsch: nie van zijne center = niet van zijn verstand.
centsbom, centsbōm, de gewone stuiter die de meisjes bij het bikkelen gebruiken; een tweicentsbōm is ongeveer tweemaal zoo groot. “Den 11 dezer (Mei 1874) zijn hier (Warfhuizen) aardappelen gerooid waarvan de zwaarsten de dikte hadden van een cents bom.”– “Uit Kloosterburen schrijft men ons, dat daar reeds nieuwe aardappelen zijn gegeten die de grootte hadden van eene tweecents–bom.” (23 Mei 1874).
centse, centzen, (zelfstandig naamwoord); ʼt is ʼn centze = dat ding kost één cent, bv. van een bom, een stoetje, enz. gezegd. Zoo ook: twei- en dreicentzen, enz.
centsstoet, centsstoetje, broodje van één cent; as ie van de bakker ʼn brood hoalen krieg ie dʼr ʼn centsstoetje op tou. Zoo ook: tweicentsstoetje. Zie: stoet.
ch, k, De aanhechting der k achter de s heeft plaats in: mensk, mensken; vis, visken (werkwoord); vlaisk; musk, musken; rusk, rusken; dörsken; tusken; wask (zelfstandig naamwoord); wasken; wōsken, plasken, lasken, bōsk, bōsken, dörsk, dörske. Uitlating der k in: Kloas Tjars = Klaas Tjarks, enz.
chagrijnen, sàchrienen, sechrienen, zwaar tillen, zich aan hypochondrie overgeven en zoodoende zich voortdurend ergeren, verdrietig zijn; hiervan sàchrienêrg, sechrienêrg, Synoniem met: iepkōntêrg wezen. Van ’t Fransche ook Engelsch chagrin, ons basterdwoord chagrijn = verdriet, hartzeer; kwade luim.
challe, gallechies, gallen, (Stad-Groningsch) = galletjes (Veenkoloniën); eene soort van wittebrood, meer langwerpig dan kedetjes (zie aldaar) Ook voor grootere wittebrooden, waarvan de uiteinden puntig zijn. Ze zijn sierlijk van vorm en van ’t fijnste tarwemeel gebakken.
chapiter, sjanpijter, sjampijter, alleen in: op ʼt sjanpijter brengen = op het tapijt, te berde, ter tafel brengen. Fransch chapitre = onderwerp van het gesprek.
charmant, schêrmant, flink, fiksch, ferm, degelijk. Fransch charmant = bekoorlijk, bevallig, fraai; (v. Dale: charmant = schoon, bekoorlijk, innemend, bij uitstek fraai.)
chercher, sarries, schimpwoord, ook klootensarries, nagenoeg voor: lomperd, stoffel, domkop, ezel, enz. Van ’t Oudfransche cercheor (latere vormen: cerchier, cercheur, chercheur, ook wel gespeld: sarchier. (Godefroy, Diction. de l’ancienne langue française.) De oorspronkelijke beteekenis is: ambtenaar, met een onderzoek belast. Het woord chercher komt reeds omstreeks 1650 voor in de “Ordonnantie op ’t Ghemael”, waarvan art. XV luidt:”Bij een yder Molen in Stadt ende Lande staende, sal een Huys bij de Provincie ghetimmert, ende een Cercher bij de Heeren Gedeputeerden gestellet en geeedight worden.” Daarna volgt de “Instructie voor de Cerchers ofte Opsichter van de Meulens in Stadt ende Lande,”en verder de “Instructie voor Cherchers ofte Collecteurs ofte Collecteurs op Delfzijl, Termunterzijl ende de Soutcamp” van 1684, alles te vinden in: “Placcaat enz. op de Generale Middelen,” enz. gedrukt te Groningen in 1661 en later. De spelling cercher is de oudste daarna komt chercher ’t eerst voor in 1676. Bij Stallaert. “Gloss. v. veroud. termen, enz. komt voor cerchers = tolkommiezen, tolbeambten; Placc. v. Brabant 1622.” In Zuid-Nederland was het dus ook in gebruik, doch overigens nergens hier te lande, zelfs niet in Friesland en Drente. Dus, met beperkte beteekenis van’t Fransche chercheur. Vgl. het Engelsch searcher = belastingambtenaar, en inz. visiteur van schepen, enz.
cherchershut, sarrieshutte, oorspronkelijk het wachthuisje bij een’ molen, een gebouwtje waar vroeger de rechercheur den accijs op het gemaal ontving. Zie: sarries.
chocolade, sōkkeloa, sukkeloa, sukeloa, chocolade; melksōkkeloa = koekjes chocolade in melk gekookt, ter onderscheiding van: woatersōkkeloa. Vooral het eerste wordt in de huisgezinnen gedronken en als feestelijk onthaal aangemerkt; poeiersōkkeloa = chocolade die in den handel als poeder voorkomt.
chosefrik, sjoozeflik, zie: frik, en vgl.ʼt Fransche chose.
christene zielen, kristenzijl!, als uitroep van verbazing, evenals kristjoan-piepenbakker! eigenlijk een basterdvloek.
christenslachter, kristenslachter, Daar verreweg de meeste vleeschhouwers in deze provincie Israëliten zijn, gebruikt men dit woord ter onderscheiding van: jeudenslachter.
Christiaan pijpenbakker, kristjoan-piepenbakker, zie: kristenzijl.
christuskerel, kristeskerel!, uitroep van verwondering, waarin afkeuring of schrik ligt opgesloten; kristeskerel, dou dat doch nijt! zooveel als: in Christus naam, doe dat toch niet! ook Drentsch.
cichorei, sōkkerai, sukkerai, (Goorecht) = krai (Marne, enz.) = cichorei, bij Weil. suikerei, v. Dale suikerei of suikerij; sōkkeraibrander = cichoreifabrikant; sōkkeraitrōm = trommeltje met cichorei, in eene huishouding. Zoo: sōkkeraifoabriek, sōkkeraibranderei, sōkkeraiwortel, sōkkeraiwoater.
cichoreibrander, sukkeraibrander, zie: sōkkerai.
cichoreibranderij, sukkeraibranderei, sukkeraibranderij, sichoreifabriek.
cichoreiwater, sōkkeraiwoater, spottend voor: slappe, onsmakelijke koffie.
circa om, sirkōm, sirkum, sikkōm, silkōm, bijna; ʼt is sirkōm vief uur; ʼk was sirkōm vallen; “joa wil ie wel leuven, ik ken sirkom gain ketairke meer loopen”. Latijn circa = dicht bij, omtrent, nabij. (v. Dale: circa = ongeveer, omstreeks, tennaastebij.); silkōm (Nieuwe Pekela, enz.);
citroenbok, sitrounbōk, zie: goele.
coeur de pigeon, körpesjōns, de roode coeur de pigeon, eene fijne appelsoort.
cokesig, kooksîg, zie: kookslucht.
cokeslucht, kookslucht, kookslōcht, reuk die de gaskolen (cokes) bij het stoken van zich geven; hier is zoo’n kookslucht in de koamer = ’t rōkt hier zoo kooksîg.
collateraal, kloateroal, voor: ongelden bij een koop, vererving, enz., te voldoen; mout kloateroal van betoald wor’n. Eigenlijk = recht van successie, collateraal.
collatie, keloatsie, (= collatie) = het recht van collatie; Meneer Menkemoa het de keloatsie van Uskert; in B hebben de kerfoogden van Warfém de keloatsie koft veur … gulden. Het arrest van den Hoogen Raad van den 13 Februari 1885 bevat o.a.: “Overwegende dat (bij art. 24 der Staatsregeling van 1798) alle eigenlijk gezegde heerlijke rechten en tituls, waardoor aan een bijzonder persoon of lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrent het bestuur van zaken in eenige stad, dorp of plaats, of de aanstelling van deze of gene ambtenaren binnen dezelve, voor zooverre die niet reeds met de daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige schâevergoeding, voor altijd worden vernietigd; Overwegende, dat deze bepaling niet van toepassing is op het Groninger collatierecht; dat toch dat collatierecht oorspronkelijk toekomende aan de grondeigenaren, als de eenige machthebbenden in Staat en Kerk, niet kan gerangschikt worden onder de elders bekende eigenlijk gezegde heerlijke rechten.”
collector, klekter, voorheen zooveel als: ontvanger van gemeente- en waterschapslasten, nu zoogoed als verouderd. Vóór een 60 jaren vond men nog personen die in den wandel klekter en kleksterske genoemd werden. Verbastering van: collector.
collectorse, klekterske, vrouw van den klekter, zie aldaar en vgl. ke 5.
collerette, kolleretje, soort van halskraagje van een kinderhemdje. Fransch col (hals), daarvan: collier (halsband, halssnoer), en kolleretje hiervan ’t verkleinwoord
comfort, kōmfer, nachtstoel, bij v. Dale kakstilletje, kaksulle, waarvoor elders: stelletje. Vgl. ’t Engelsche comfort, en: comfortable; wat dus tot de gemakken van het huiselijk leven kan dienen. Zie: ondersteker.
commanderen, kōmdijêrn, (kommandeeren), in den zin van: bestellen, eischen of vragen in eene herberg; hij kōmdijrt ’n glas bijr (of: bier); hij har naulick ’t gad an stoul of hij kommedijrde ’n glas jenever. Zegswijs, als antwoord, wanneer men op bevelenden in plaats van op verzoekenden toon wordt toegesproken, bv.: dou de deur dicht! dan hoort men den terugslag: komdijr dien hond en blaf zulf (ook: ’k bin dien hond nijt!); ook Oostfriesch.
commandeur, kōmdeur, (= kommandeur); naam of titel bij het volk van den opzichter of beheerder der Stadsbezittingen te ter Apel.
commissie, kemissie, voor: zaak, iets wat men ten uitvoer heeft te brengen; ’t is ’n lastige kemissie = het is lastig te doen of te laten doen, het gaat met moeite, pijn, enz. gepaard; verschoonen is ’n holle kemissie; loopende kemissies hebben, zegt men van iemand die veel heen en weer loopt zonder iets van belang uit te voeren, die bv. niet rustig bij een gezelschap kan zitten praten. – Ook = commissie, opdracht, eigenlijk in navolging: lijgen in kemissie = iets navertellen wat later blijkt onwaarheid te zijn; as ik lijg den lijg ik in kemissie = (wat ik vertelde) hoorde ik van een ander, ik zuig het niet uit mijn duim, maar voor de waarheid er van wil ik niet instaan.
commissiekoper, kemissiekooper, commissionair in granen te platten lande. “En vragtig weer kwam ’k te zitten naast ’n flinke lottige boerenvrouw, tegenover ’n kemissiekooper, die zoo’n zak mit stoalputen vol koorn noast zick stoan har.”
compact, kompakt, assurantiemaatschappij tegen totaal verlies van zeeschepen. Deze provincie telde nog vóór eenige jaren de kompakten: Groningen, Veendam, Wildervank, Pekela, Sappemeer en Delfzijl. Ook voor: zieken- of begrafenisfonds. (compact = vast aaneensluitend, samengedrongen.) Zie ook: olderman 1.
Compascuum, kōmpas, bij onze turfschippers voor: Compascuum, onder de gemeente Emmen (Drente); eigenlijk = gemeene weide.
compeer, kōmpeer, (klemtoon op: peer), ook: kompeerske; vrouw die zich in een of ander opzicht wat zonderling gedraagt; wat ’n roar kompeer is dat! (Goorecht, Stad-Groningsch) Van ’t Fransche compère.
compeerse, kōmpeerske, zie: kōmpeer.
complaisant, kōmpelzant, beleefd, wellevend, hoffelijk; ’t Fransche complaisant.
compleet, kōmpleet, kōmplijt, in alle opzichten; er volkomen op gelijkend, aldus kunnende heeten; ’t is kōmpleet ’n oarighaid, – ’n lust, – ’n kemedie = wij vinden dat ding, die zaak wezenlijk aardig, vermakelijk; ’t lijkt wel wat op, ’t heeft veel van eene komedie; ’t is waarlijk een lust (om te zien, enz.) “’k nam ’n klain mondje vol klad – over was ’t! (de kiespijn) komplijt ’n miroakel!” Synoniem met kant 2. (v. Dale: compleet = volledig, voltallig, ongeschonden.) Zie onder art. verzin.
compliment, kōmpelment, = grout’nis = compliment, groet. Dienstmeiden zullen zeggen: de kōmpelment van mevrou, en, enz., voor: compliment van, enz., hetwelk weer staat voor: het compliment van, enz.
complotje, kōmplötje, voor: gezelschapje; “’n kōmplötje van ’n man of vijr, vieve.” Ook voor: troepje; bie komplötjes kaiêrn ze noa ’t stoatsion.
concubine, kōnkelbiene, bijzit, boel, ’t Latijnsche concubina.
conditie, swiegende kōndietsie, voorwaarden, bepalingen, door gewoonte wet geworden; wie schaiden om 6 uur oet, dat is ’n swiegende kondietsie; hij mout ronde moat geven, dat is swiegende kondietsie = dat behoeft niet bedongen te worden. West-Vlaamsch eene zwijgende conditie. Fransch condition tacite, stipulation sous entendue (De Bo).
conduct, keduks, in: iemand onder keduks (Oldampt) = onder konterbuutsie (Ommelanden) hebben, zooveel als: onder den band, onder de plak hebben, streng toezicht over hem uitoefenen. Nedersaksisch duks = slagen; kaduk (’t Latijnsche caducus) = vergaan; Fransch caduc = zwak, broos, vergankelijk. Letterlijk: door slaan tot onderwerping of gehoorzaamheid dwingen, hem steeds zijne zwakheid doen gevoelen.
conduite, kōndewieten, (Stad-Groningsch) = gedrag, levenswandel; aard, imborst; “doe mit dien gemeine kōndewiett’n!” Verbastering van: conduite = gedrag.
constitutiekoord, kōnstituutsiekoor, zie: triepkoorn.
consuleren, konselijêrn, overleggen; “ik konselijrde mit Hilje, mien vrouw, om”, enz. (v. Dale: consuleeren = raadplegen.)
contentement, kontantement, voor: genoegen, bekomst, bv. van een maaltijd; ’k heb mien kontantement. Fransch contentement, Engelsch contentment = tevredenheid, vergenoegzaamheid, berusting.
contrarie, kōntroarie, het tegengestelde, zoowel in gunstige als ongunstige beteekenis; jantje kontroarie noemt men iemand die altijd tegenpraat of dwarsboomt (v. Dale: contrair, contrarie = tegengesteld, tegenstrijdig.)
contreie, kōntrain, kōntrein, streek, omstreek, landstreek, oord; in Warfêm en dei kontrain wordt veul vlas verboud = te Warfum en nabijgelegen dorpen, enz. “Elders, op het Hoogeland en in het Westerkwartier reizen dusgenaamde opkoopers de contreinen af of laten lammeren opkoopen, bij tallooze troepen,” enz. (1872). “dei vent oet Osterhōrn, Heerskes of dei contraine”, enz. Kil. kontreye, Noord-Brabant conterije, Zeeland contry, Oostfriesch kuntrai, Fransch contrée, Engelsch country = landschap, v. Dale contrei, contreie.
contributie, kōnterbuutsie, (Westerkwartier) = contributie, in: iemand onder kōnterbuutsie hebben = onder den band hebben, streng toezicht over hem houden; onder kōnterbuutsie stellen = onder voogdij brengen. Vgl. keduks.
contusie, kōntoezie, verwarring, hinderpaal, belemmering; ’t was ’n hijle kōntoezie dou zij dat touval kreeg, zooveel als: dat was eene stoornis, dat bracht groote verwarring te weeg. Vgl. ’t Latijnsche contusio, Fransch contusion = stooting, kwetsing, kneuzing.
coram, koram komen, ad koram komen, over de brug komen, betalen, met gereed geld betalen. Zal Bargoensch zijn, van het Latijnsche coram.
Cornelia, Knelske, Kornelia, of: Cornelia. Zie: Knels.
Cornelis, Knels, (Westerkwartier) = Kornelis of Cornelis; hiervan, en dit algemeen: Knelske (vrouwennaam); fuut Knels! = lach hem uit! Zie ook: ke 2.
Cornelisoom, Knelsoom, zie: oom, en onder art. kiek 3.
correctiehuis, kreksiehoes, (correctiehuis) = huis van arrest, de voormalige gevangenis voor correctioneel veroordeelden te Groningen. Zie: spinhoes.
corruptie, krupsie, kripsie, schripsie, (Ommelanden), voor: verdrietige drukte, iets dat last, moeite veroorzaakt; ook voor dien last zelf genomen. Noord-Brabant krupsies = hindernissen. West-Vlaamsch kripse, kripsie = ongezondheid, lichamelijke kwelling, krankte. ’t Leven van den mensch is al kripsen en ellenden. (De Bo). Verbasterd van corruptie = lichaamskwaal, enz.
schripsie (Ommelanden) = drukte, moeite; ’t is ’n schripsie = ’t is ’n geschrip = ’t is ’n zwoegen, sloven, enz.
Corzaan, kezoan, kezoun, Corzaan, in: iemand veur kezoan, of jankezoan laten loopen, zooveel als: voor den mal hebben, voor gek laten loopen. Vrouwen hebben nl. bij de slacht dikwijls de aardigheid om een’ onnoozelen bloed bij de buren rond te zenden om de onmogelijkste dingen ter leen te vragen, met het doel dat de een hem naar den ander zal verwijzen, bv. om een worstpetroon, rōlpetroon, groupfail, boekboor, schampeljoun veur rōlvellen, klōntbiel (bijl voor zakkoek), enz.; zoo iemand loopt dan voor: kezoan, in geschrifte Corzaan, wat met Kerzaan eigenlijk een geslachtsnaam is.
couvert, kōmfort, kōnvort, kōnfortje, kevort, (= couvert) = enveloppe.
creperen, kêrpijêrn, krappijêrn, niet van eene ziekte of (bv.) van een val herstellen = sterven. Hoogduitsch crepieren = omkomen; v. Dale: crepeeren, ellendig omkomen, sterven van gebrek. Van ’t Latijnsche crepere, crepitare = bersten, splijten, scheuren.
crimineel, kriemenijl, krimmenijl, (crimineel), in: hij ʼs kriemenijl bezopen = hij is smoordronken; hij kon kriemenijl lijgen = erg liegen.
crimineren, krimmenijêrn, brommen, pruttelen, vloeken, zijne ontevredenheid sterk luchten. Latijn criminare = bedillen.
Curaat, kroate, Omstreeks 1840 nog de benaming van het armhuis te Finsterwold. Vgl. kroaters.
curator, kroaters, (curators) = promoters (promotors) = voogden over minderjarigen, enz.
cureren, kerijêrn, genezen, cureeren.
custos, kussies, (Oldampt, Goorecht) = ondermeester; nu verouderd. Oostfriesch kustjus, kusjes = helper in de school. (Vgl. kark.) Latijn custos = wachter, bewaarder, oppasser.
d, r, Wisseling der r voor d (t); ber (bed); har (had); pōr nevens pōd (pad); klar (klad); dōrrel, naast dōddel; kirrêln = kittelen; slōddêrg (slordig); roar (raad); veurmirrîgs (voormiddags).
d, t, Als verscherping der d, inzonderheid in de Ommelanden, in: kamroaten (kameraden), moaten (maden); moanten (maanden); mōtter (modder, slijk); schuttel nevens schuddel (schotel), enz.
d, d, Wisseling van d en r, in: har = had; klar = klad; pōr = pad; kiddeltjes (Westerkwartier) = kereltjes, poppetjes, bv. op prenten; kirrêln = kittelen; sirrêln, nevens siddeln; böddel = borrel, enz.
d, d, Zeer gewoon is het uitlaten der d voorafgegaan door l, n of r; spellen, (door snelle uitspraak spelʼn) = spelden; nallen (nalʼn) = naalden; vollen (volʼn), Hoogduitsch falten; wōllen (wolʼn) = wilden; mel, melle = melde; kolle = koude; hannen (hanʼn) = handen; tannen (tanʼn) = tanden; brannen (branʼn) = branden; glen, en glende (= gloeiend); vinnen (vinʼn) = vinden; worren (worʼn) = worden; booren (boorʼn) = boorden; kooren (koorʼn) = koorden, enz. Voorts bij samenstellingen, bv.: handouk, hōnhok, blindouk, rōnōm, spelkussen, olmens, schandekker, branholt, enz. Ook wanneer de t gevolgd wordt door de d vanʼt volgende woord: kenstoe, wiltoe, magstoe, enz = kunt gij, wilt gij, moogt gij. – Weglating der d aan het eind van een woord: vōn = vond; stōn = stond; bōn = bond; vin = vind; spin, spien = spind, spinde; wor = word; boor = boord; koor = koord; flar = flard; schel = scheld; spel = speld; nal = naald, enz.
Invoeging der d, na n en l in: alder, voor: aller, in samenstellingen, bv.: alderwegens, aldernoarst, aldermooist, enz; ijnder goud; in gijnder geval; dijnder; winder (winnaar); mulder = muller; klainder; holder = holler; dōlder = doller; bijndert (staat voor: beenert); Windeweer = Winneweer, enz. Aanhechting der d (of: t) tot versterking der uitspraak: enkeld; dubbeld; drōnkend; kikkert; mienent; zienent; onzent; heurent; dienent; gijnent; dezient; hebbent; blufferd; schrijwerd; hoelderd; bedrijgerd; roegerd; zoeperd; klinkerd; lulderd; rakkerd; motterd; gloeperd, enz.
daad, doad, voor: weldaad; ’n doad, of: ’n hijle doad an hōm (of: heur) doun = hem eene weldaad, of: eene groote weldaad bewijzen, vooral wanneer dit gepaard gaat met veel zelfopoffering. Zegswijs: de wil veur de doad nemen = de goede wil of goede bedoeling van iemand op prijs stellen, ’t zij men er al of niet zijn voordeel mee doet; eveneens wanneer de poging om te helpen door de omstandigheden is verijdeld. Oostfriesch De wille is mêr as de gafe. – zij komen nijt tot de doad = zij praten, of beloven, veel, maar het komt niet tot uitvoering, daden blijven uit. Vgl. doadzoaken.
daadzaak, doadzoaken, (meestal het meervoud) = feiten. – Dit woord, als Germanisme (’t Hoogduitsche Thatsachen) onvoorwaardelijk verstooten, leeft hier in den mond des volks voort, en er wordt bijzonder de nadruk op gelegd als men wil te kennen geven, dat het bewijs aanwezig is; ’t bin doadzoaken = ’t zijn feiten, er valt niet tegen te redeneeren, tegenspraak of twijfel is onmogelijk. – Ook voor: daden; ’t komt nijt tot doadzoaken = ’t blijft bij ’t praten, bij beloften, enz. wie willen doadzoaken zijn; doadzoaken mouten ’t moar bewiezen = zooveel als: gij moet ons door daden toonen dat het u ernst is. Vgl. doad.
daags, doags, dagelijks, en: elken dag; dat wief gait doags noa ’t land = zij gaat elken dag naar het land te wieden, enz., en ook: des daags werkt zij op het land. – Ook bijvoeglijk naamwoord in: doagse koamer = het gewone woonvertrek, ter onderscheiding van vreie koamer, waar men bezoek ontvangt.
daai, dai, daai, (Westerkwartier, Hunsegoo) = dai = warm. Friesch. daije = uithouden van de warmte. Zie: daien.
daaien, daien, in de kleinekinder-taal, voor: warmen, verwarmen; de handjes en voetjes daien; de kruik is zoo dai!dai dai dai! zegt de baker. Ook hoort men het van groote menschen: dai, daai voor: warm, maar dan willen zij zich in de kindertaal uitdrukken. – daai is eigenlijk Friesch, in het Oud-Friesch daia = dulden, verdragen, lijden moet hier o.i. in aanmerking komen. Wanneer de moeder toch zegt: dai dai! dan is dit vaak zooveel als: houd u maar stil, laat het maar begaan, spartel niet tegen, want uwe voetjes worden er warm van.
daaiigheid, daaiigheid, (Laurm.) = warmte. Zie: daien.
daal, deel, in samenstellingen als: omdeel, enz.; zie: del.
daal, doale, (Westerwolde), in: noa doale = naar beneden; hij kwam d’r doale = hij kwam te vallen. Vgl. del.
daal, del, (Westerkwartier); del, deel (Hoogeland), doale (Westerwolde), overigens deel = neer, (naar) beneden, in samenstellingen: delloop = weg of pad van de hoogte naar de laagte leidend; in delloop van stroat kwammen peeren op loop; – delvallen = neervallen; de stijn vōl stoef bie mie del = de steen viel dicht bij mij neer; delgooien = delsmieten = op den grond werpen; ook Drentsch; delzetten = neerzetten, op de tafel, op den grond, enz. delkwakken = met een zwaren slag op den grond vallen, neerploffen; deldrukken = deeldrōkken = neerdrukken; ook Oostfriesch ’t land op en del loopen = de boerderij in alle richtingen afloopen; ook één of meer stukken land afloopen, bv. op de jacht; Middel-Nederlandsch ende te dale, op ende tale = op en neder. Verdam art. dal, kol. 44). zij ken nijt op of del = zij kan gaan noch staan, moet het bed houden of op een’ stoel zitten wegens zwakte, rheumatiek, enz.; omdel goan = naar de laagte gaan, dalen; de konterleur gait omdel (= zakt) = de controleur daalt; omdel komen = afkomen, afdalen, bv. van den zolder, van eene steigering, enz.; Koksioanen loopen altied mit kop omdel = de christelijk afgescheidenen loopen altijd met gebogen hoofd. – Ommel. Landr. I, 27: in de opgaande en de deelgaande Linye; III, 48: Linea descendens, dat is daelgaende Linie. Drentsch daal, deel, daol = neder; daole vallen = gaan zitten; op en daele (of: daole) = op en neer; Friesch del, Overijselsch Geldersch daele, daole; smiet oe daole = ga zitten; Kil. delle = dal; dellen (vet.) = dalen; Middel-Nederlandsch dale = neder; te dale = naar beneden; Melis Stoke: in ’t dal = op den grond. Oostfriesch dâl, dä̂l = beneden, nederwaarts; dâl leggen, smîten, enz.; bidâl = naar beneden; Holsteinsch daal, dal = naar beneden; bargdaal = bergaf; bavendaal = van boven naar beneden; Westfaalsch del = naar beneden; Oud-Friesch delfal = val, neerkomen; Noordfriesch ap en dähl = op en neer; dählfallen = nedervallen. – De oorspronkelijke beteekenis van: del, deel is = dal, Hoogduitsch Thal = laagte; Middel-Hoogduitsch gên tal = naar de laagte, van hooger naar lager. Vgl. Engelsch dell = dal. kuil, hol, bij v. Dale: del, delle, delling (verouderd) = laagte, dal, vallei; nevens pokdalig ook: pokdaal zelfstandig naamwoord). Zie ook: dellen, en: deel.
daalbatsen, deelbatsen, neerkwakken, neerploffen; “ʼt Waoter gait ellen hoog tegen kander opstaon en ploft en batst weer deel,” (nl. in de Fingalsgrot.)
daalder, doalder, Wordt nog veel gebruikt bij het uitdrukken van grootere en kleinere geldsommen, echter niet hooger dan duizend; ’k heb honderd doalder veur dei kou geven; dat hoes het doezend doalder opbrocht; moud hebben as’n peerd van’n doalder, ironisch. Zie ook: bodgeld, en: andob, en vgl. diktun.
daaldersgaren, doaldersgoaren, de beste soort van zwart gekleurd garen, dat, wat de dikte betreft, het midden houdt tusschen het vetjesgoaren en sajet.
daalleggen, deelleggen, bijleggen, van eenʼ twist. (Het Oostfriesch daalleggen = neerleggen, alleen in eig. beteekenis.)
daalsmijten, deelsmieten, neersmijten, neerwerpen, tegen den grond gooien; dei groote bungel het zooʼn lutje jōng dʼr deelsmeten.
daar, dèr, , kort en nijdig uitgesproken, in: dèr! of: dèr den! zooveel als: daar hebt gij het! zijt gij nu tevreden? als men iemand nijdig iets toewerpt. ’k zeg ’t nō nijt weer, dèr! = ’t is mijn laatste woord, daar blijf ik bij, enz. “– al krigt ze Albert Oosterdiek den ook – dè! Zuid-Holland: ik mag het leie, der! Zuid-Nederlandsch daar! = ziedaar, Fransch voila. Vgl. siedoar.
daar ergens, doararns, (bijwoord) = daar ergens, in die streek of in dat oord van de wereld; hij mout in Stitswerd of doararns wonen.
daar niet voor, doar nijt veur, (daar niet voor); gewone term om eene dankbetuiging van de hand te wijzen; Oostfriesch dâr nich för.
daar waar ergens, doarwoararns, zie: woararns.
daaraan, doaran, daaraan, bijwoord
daaraan toe, doarantou, (daaraan toe), in: da’s doarantou = dat laat ik daar, dat laat ik in ’t midden; ook: dat mag zoo zijn, dat kan nog door de vingers gezien worden. Ook elders. Oostfriesch darento, daranto.
daarbij, doarbie, (bijwoord) = daarbij.
daarheen, doarhen, daarheen; Middel-Nederlandsch daerhen; Hoogduitsch dahin, Middel-Hoogduitsch dâ hin, Deensch derhen. (Verdam).
daarher, doarheer, zie: heer.
daarlaten, hoarloaten, (Westerwolde) = heerhollen = toegeven; ondergaan, verdragen, dulden. Zie: heer 1.
daarmee, dommit, domt, dommie, doamee, dommee, dammee, damet, damt,, [ook] strakkies (toekomende tijd); damt en damet in Vredewold = terstond. Drentsch damee, mettertijd, weldra; Overijselsch tammee, tamee, Noord-Hollandsch damee = terstond, dadelijk; Zuid-Hollandsch demee, demeechies = meteen, flusjes; Markensch deemit = aanstonds; Neder-Betuwsch te mee, te meetjes = straks, aanstonds; Oostfriesch damê = terstond. Staat voor: daarmede, Hoogduitsch da = daar, en: mit (ook Groningsch) = mee, mede, damit, doch met geheel andere beteekenis. Deze zou door: straks, te verklaren zijn in de beteekenis van: zoo aanstonds (zie v. Dale art. flus), maar op het woord: strakjes, straks leest men: = aanstonds, dadelijk, oogenblikkelijk, maar dan kan het woord hier niet van dienst zijn. Want: dommit, enz. is zooveel als: niet terstond, maar bv. met een half uur of met een kwartier, of met eenige minuten of seconden; op ’t oogenblik ken ik nijt, ’k zel dommit wel komen; wie goan dommit noa hoes; dommit kōmt de train, ie mouten joe moar kloar moaken; de tram komt ’r an, dommit holt hij stil; dommit gait de kerk an, de köster gait al hen ’t luden. – In dommit en dommee valt de klemtoom op de eerste lettergreep wanneer eene handeling binnen kort iets ten gevolge moet hebben, bv: hij waagt zich op het zwakke ijs, dómmit zakt hij er erdoor; hij is genoeg gewaarschuwd, dómmit is het te laat; op de tweede lettergreep wanneer men bv. vraagt: wanneer wilt gij naar bed? is het antwoord: dommít of dommée.
daarna, doarnoa, daarna, en: daarnaar. Zie: noa.
daarom, doarom, (klemtoon op: om), als soort van uitroep, en zooveel als: juist! dat is de reden! daarop doelde ik! dat was mijn doel! Zie ook: woarom.
daaromtoe, doaromtou, bijwoord van plaats en van tijd, voor: daaromstreeks, en: daaromtrent; ’t was tien uur of doaromtou; hij woont in Pekel of doaromtou.
daartoe, doartou, (bijwoord) = daartoe.
daaruit, doaroet, doaruut, (bijwoord) = daaruit. Zie: oet.
daarvan, doarvan, wat dat betreft; doarvan, doar huif ie nijt om in hoes te blieven; doarvan, wie kennen nō jà mit spoor goan.
daarvandaan, doarvandoan, daardoor; doarvandoan is hij zoo arm.
daarvoor, doarveur, (bijwoord) = daarvoor.
daarzo, doarzoo, daar; woar ligt dat ding? – doarzoo, terwijl de herhaalde vraag luidt: woarzoo? Zie ook: hierzoo, en goudzoo.
dadelijk, doalk, doalkies, doalkjes, daalkies, dolkies, doals, doal, [ook] strakkies, dommee; ik zel doalkies wel komen = ik zal al heel spoedig bij u komen, lang zal ik u niet laten wachten; ik bin doalkies bie hōm west = het is nog maar heel kort, bv. een half uur geleden dat ik bij hem was. Staat voor: dadelijkjes Drentsch dôlkies = aanstonds, terstond, straks. Zie: strakkies.
dadingen, degen, (werkwoord degenen), voor: verdedigen, voorstaan, beschermen; hij degent veur heur = hij treedt (ongevraagd) als zijn verdediger op; de hen degent heur kukens; ook Oostfriesch, NedersaksischOmmel. Landr. II, 32; IV, 2: verdegenen; Oostfriesch, ofdägen = afweren, verweren. Vgl. degensman.
dadingsman, degensman, dedigsman, = moaksman = veurvreier; iemand die uit naam van een jonkman bij de ouders verlof komt vragen, of deze bij haar mag komen vrijen, die dus voor hem een voorlopig aanzoek doet om hare hand, uit naam van een ander. Wordt dit toegestaan dan mag de vrijer opkomen, en de moaksman (het meest gebruikelijke woord) gaat de eerste maal mee als wegbereider. Om zijn vriend eenigszins in te leiden geeft hij het meisje eerst een kus; vandaar de naam veurvreier. In: Hou Jan an zien Soar kwam (door Mr. S.Reinders, notaris te Appingedam, en daarom in de taal van Fivelgoo geschreven) komt voor: Want mien olle het roare kuren, Ie moutʼn moar ʼn moaksman sturen, Want hij is tʼr op gezet, Dat hij wijt van endʼ en zwet. – Hieruit blijkt dat de geldelijke aangelegenheden reeds vooraf moesten besproken worden; de naam degensman (pleitbezorger) was dus niet ongepast. Gelukten de onderhandelingen, dan kreeg de moaksman een hoogen hoed tot belooning; ook werd hij op de bruiloft verzocht. – In Drente heet zulk een tusschenpersoon of makelaar: koddesleeper, Overijselsch koezenslepper (stokdrager); ʼt heette dat deze dan een nieuwen hoed of ook wel een ooischaap verdiende. – Hier zij opgemerkt, dat dit, onder de voorname boeren vroeger zoo algemeen gebruik om huwelijken tot stand te brengen thans niet meer in zwang is, en die woorden dus welhaast als verouderd beschouwd zullen worden. – Vgl. het Oostfriesch förfrêer, alsook het Nedersaksisch degedingen = verdrag sluiten.
dedigsman (van Halsema) = scheidsman.
dag, dag, als groete, voor: goeden dag, doch alleen onder kinderen en bij de lagere klasse in gebruik. In de kleinekinder-taal: daggoan = oetjedaggoan = uitgaan, wandelen gaan; dagmitʼnkander! (Ommelanden) = dagmitn’ander! (Oldampt) = dagsoam (in ʼt algemeen) = goeden dag! als het meer dan één persoon geldt; goundag! Samengetrokken uit: goedendag! dagzeggen = groeten bij ʼt weggaan, van kinderen; verouderd is het voor: de groete overbrengen; zeg moar dag, zegt men tegen kleine kinderen, wanneer men met hen de deur uitgaat. Tegen één persoon hoort men nog veel van eenvoudige lui: dagsoam, en wanneer zij twee personen ontmoeten: dagiebaiden! steeds, wanneer ʼt bekenden zijn. Neder-Betuwsch dagsoam; Holsteinsch goden dag se twee, en zijn er meer: goden dag tosamen. – overdag = des daags, ter onderscheiding van: ʼs avonds of ʼs nachts; over (of: bie) kloarlichtdag = bij dag, zoolang de zon niet onder is. (Bij Hooft: – ʼt boetsel der hoofsche beveinstheeden met klaarder dagh te beschamen); veur dag en veur doage = veur dag en doage = ontijdig vroeg, vóór het opgaan der zon, ook: veur dag en dou (of: dau); Oostfriesch för dag un för dage. (Vgl. het Zweedsche dagg = dauw). – dag en deur = dagelijks, gewoonlijk, doorgaande, in den regel; zoo dag en deur is tʼr niks mit hōm te doun = zijn doorgaand levensgedrag is onberispelijk, of: bv. van krankzinnigen: gewoonlijk is hij te leiden; zoo dag en deur drink wie koffie = gewoonlijk drinken wij koffie, slechts in buitengewone gevallen thee; dag op dag = dag aan dag, (zoo: week op week, joar op joar); hij stait om vief uur op, dag of gijn dag = – onverschillig of het dan licht of duister is, elken tijd van ʼt jaar. – bie winterdag, bij v. Dale: winterdags; zoo ook: bie harfstdag, veurjoarsdag, zömerdag; komen meer doagen an de lucht = morgen komt er weer een dag. Zie ook: mörgen.
Spreekwoord: Komt dag komt road, ook: den is tʼr dag en road; Nederlandsch komt tijd, komt raad; zooveel als: wat nu slechts voorloopig in orde is gebracht kan later beter geregeld worden.
dommelijke dag (van Halsema) = alle dagen.
doag, doage, voor: dagen, als een telwoord voorafgaat; alle doag, tien doag; hij het ’n gezicht as drei doag slecht weer. Eveneens met: uur, week, moand, joar; maar: alle doagen die God komen let = geregeld elken dag, steeds in ongunstigen zin; ook = veul, mennig doagen enz.
al zien doagen, zie: al. Ook eene soort van tusschenwerpsel van ververwondering, het tegengestelde van: helaas! (ook Drentsch) joa, al zien doagen! doar zat zij spits en wel! Bij v. Dale = ooit: wie heeft dit nu al zijn dagen gezien?)
dag met elkaar, dagmitnʼkander, zie: dag.
dag samen, dagsoam, zie: dag.
daggaan, daggoan, zie: dag.
daggeld, daggeld, geld dat de getuigen van den rechter ontvangen, ook: getuigengeld
daggelen, driggêln, kleine stappen doen en zoo niet snel vooruitkomen; wordt vooral van vrouwen en kinderen gezegd. Zie: dauêln.
daggelen, draggeln, zie: poazen.
daghuur, daghuur, dagloon; ter onderscheiding van: in annomen wark, in daghuur arbaiden; dʼr zitten ʼn bult daghuren in = dat gebouw, dat werk, enz. heeft veel aan arbeidsloon gekost; ʼn daghuur verdijnen, in ʼt algemeen: iets verdienen met werken, dat bij den dag betaald wordt; de dikste daghuren mitnemen, van lösse arbaiders gezegd, zooveel als: zulk werk bij den boer verrichten waarmede het meest verdiend wordt, bv. zichten, maaien, enz. Zuid-Nederlandsch dagheure, daghuur = dagloon.
dagkleed, dagklijd, zie: zoadklijd.
dagleggen, dagleggen, voor: dreigen, bedreigen met iets; ook: een voornemen opvatten; ʼk har hōm ʼt al lank daglegt = sedert lang het plan gehad hem (bv.) een pak slaag te geven; ’k heb heur al daglegt, nl. met een bezoek. Vgl. ʼt Nederlandsch: aan den dag leggen = toonen, blijken geven, doen blijken. Middel-Nederlandsch: enen dach leggen, enen enen dach leggen = iemand dagen. Zoo ook: dach setten, nemen, stellen, maken = een termijn voor eene rechtshandeling bepalen; ook = eene vergadering beleggen. – dach geven = iemand een termijn van uitstel geven. – dachleggen; als één woord opgevat = dagen; dagvaarden. “De beteekenis dagen breidt zich uit tot die van bescheiden, bestellen in het algemeen. Deze beteekenis van de uitdrukking dach leggen, enz. nl. die van iemand tegen een bepaalden dag en op eene bepaalde plaats oproepen, dagen ging over tot die van iemand bescheiden, bestellen, laten komen in het algemeen: de uitdrukking werden in dezen zin als één geheel opgevat, zoodat dachleggen, dachsetten, dachstellen ook als transitieve werkwoorden en in het passief voorkomen.” (Verdam art. dach 4b.) dagmitʼnander; zie: dag.
dagmaat, deimt, daimt, dijmt, deimt (in geschrifte) = daimt, ook zijn er die dijmt schrijven, in ’t Oldampt en de Veenkoloniën de gewone landmaat, groot nagenoeg een half bunder. In Duurswold noemt men de grootte van bouwland bij daimten, van grasland bij matten (zie: mat). Oostfriesch diemath, dimt, deimt, dagmet, dagm’t = 400 Rijnl. roeden 450 roeden Emdermaat of Eiderl. roeden van 16 voet; Nedersaksich demat, diemat; Holsteinsch deemt, deemat; drie deemt = één morgen; Noordfriesch daimet demeth, deimeth, deimth; Ditmarssum dehmt, dichmat; Oud-Friesch deymath, dagmath, demat, deimat, demt, deimt, Hoogduitsch Diemath, Middel-Hoogduitsch tagemat, Middel-Nederlandsch dachmaet. – Oud-Friesch dey (Engelsch day) = dag, en: meta = maaien, dus deimt, daimt samengetrokken uit: dagmat = zooveel land als een man in één dag kan maaien. (v. Dale): deimt, deimat, oudtijds Nederlandsche vlaktemaat; dagmat (oudtijds), Overijselsch vlaktemaat. Middel-Nederlandsch deimt, deymt, deympt, deemt, deymd, demat, Middel-Nederduitsch dêmt, Hoogduitsch Diemat, Oud-Friesch deiemth, demitte, dimeth. Benaming van een landmaat, waarvan de oorspronkelijke vorm is dagemât; Middel-Hoogduitsch tagemât, nl. zooveel land als iemand in één dag kan afmaaien. Een deymt is groot 400 rijnlandsche vierk. roeden, of ⅔ morgen. In ons land werd vooral in Waterland (West-Friesland) bij het deimt gerekend. (Verdam art. deimt.)
dagregen, dagregen, regen, die een’ geheelen dag aanhoudt; ʼt wordt ʼn dagregen = de lucht zal wel niet opklaren, de regen zal aanhouden.
dagwerk, dagwark, dagwerk, in geschrifte dagwerk, maat voor lange turf, steekturf. Voorheen rekende men het dagwark op 9000 turven; thans telt het van zeer harde turf 8640, van lichtere soorten omstreeks 6000. In de Ommelanden rekent men het dagwark op 6 vouer (voer) = 12 wagenvrachten of zoogenaamde halve voeren, nl. met drie turven boven de ladders en = 36 korven = 18 Hectol., de korf op 20 turven geschat. In ʼt Westerkwartier is een dagwark = 100 Kub. meter, elk van 100 turven; te Zevenhuizen telt de wisse 128 turven; te Stads–Kanaal = 40 stok = 80 ton, de ton = 100 lange turven; in Drente 104 Kub. meter op een dagwark = 40 stok = 12000 stuks. In Friesland rekent men ook de baggerturf bij dagwerken; in Overijsel is een dagwerk = 240 ton. In Oost–Friesland is dagwerk ook eene landmaat; Nedersaksisch, Holsteinsch dagwark hooi = zooveel hooi als één man in één dag afmaaien kan. Ons dagwark eigenlijk een werk dat eenʼ geheelen dag arbeids vereischt, dus: eene hoeveelheid turven die op éénen dag door éénen man kunnen gestoken worden. – Zegswijs: asʼk dat doun wōl har ʼk wel dagwark, ook elders, en waarvoor ook: den kōn ʼk wel an de gang blieven, en zooveel als: daartoe ontbreekt mij de tijd.
dagzeggen, dagzeggen, zie: dag.
dak, dak, rogge- en tarwestroo, waarmede gebouwen, inzonderheid schuren, gedekt worden, (Ommelanden); ook Oostfriesch De bundels waar in zulk zuiver en lang stroo, dakstroo (Oostfriesch dakstrô) wordt gebonden, heeten dakschooven; meest wordt zulk stroo verkregen door met vlegels te dorschen. Uit Grijpskerk werd te koop aangeboden (1880): “p.m. 1000 dakschooven, weitdak.” Nedersaksisch, Holsteinsch dak = stroo of riet waarmede de boerenwoningen gedekt worden. – hij krigt wat op zien dak, Stad-Groningschdakkement (= opʼt jak = – op zien kop = – op zien lepels = – op ribben = op hoed = – op fel (vel) = – op nek = – op pōkkel = – op pens (de e als in: mère) = – op zien dōnder, ook: – dōnderment = – op zien mieter = – op zien verdommenis, enz.) = hij krijgt een pak slaag; – ʼt weert op zien dak = de omstandigheden zijn hem gunstig; onder dak wezen = een goed heenkomen hebben; inʼt spel niet verloren hebben. Spreekwoord: Vreier en vreister onder ijn dak Is veur baide ʼn groot gemak, te Aken: Wan zwei sich freien onger een daag, Dat brengt kleng ihr (weinig eer) en grusz gemach. – Dʼr is te veel dak op ʼt hoes, ook: Bin te veel pannen op ʼt dak, zooveel als: wij kunnen niet vrijuit spreken, ook: zijn niet vrij in ons doen. (West-Vlaamsch: er zijn latten aan ʼt huis.) (Wordt gezegd wanneer de overigen de uitdrukking niet begrijpen, bv. als er kinderen in de kamer zijn.) Oudtijds o.a. bij Hooft komt: dagh, voor in stede van: licht; v. Dale: dagen = schijnen, van zonlicht; aan den dag brengen = aan het licht brengen; Hoogduitsch Tag, ook voor: het zonnelicht; an den Tag bringen = ons Licht brengen; Middel-Hoogduitsch tagen = schijnen, lichten. Middel-Nederlandsch dach = het daglicht, het licht in het algemeen, het zonnelicht. (Verdam art. dach 2) Alzoo zou dan de uitdrukking kunnen ontleend zijn aan het licht dat door dakglazen wordt aangebracht, en zooveel als: ʼt is hier te licht, men kan ons hier bespieden. (v. Dale heeft hiervoor: er zijn ratten op het dak). – dak (van een huis of schuur) heeft in ʼt Westerkwartier en Hunsegoo tot meervoud dakken, evenals: vat, vatten, smid, smitten; schip, schippen; lid (deksel), litten, enz. Vgl. dalland, en zie: lappen.
onder dak met iets wezen = er mee in ʼt gereede zijn, den boel klaar hebben, met het sluiten van een koop of den afloop eener zaak, ook van een spel, tevreden kunnen zijn; ik bin dʼr mit onder dak = ik behoef geen schade te lijden, ik kom er schadeloos af, enz.
dakgoot, dakgeut, zie: geut.
dakkement, dakkement, zie: dak.
daklat, daklat, zie: lat, alsook v. Dale art. daklat.
dakraam, dakroam, dakvenster.
dakschoof, dakschoof, zie: dak.
dakstro, dakstroo, zie: dak.
dal, dal, voor: laagte in het veen, door vergraving ontstaan. In: Conditiën van verhuring der zoogenaamde Ter Apelervenen, art. 13: “De huurders zullen de dallen van het vergraven veen moeten slichten en met mest zooveel mogelijk tot land maken.” Vgl. dalland.
dallen, zonder enkelvoud Steeds zegt men: in de dallen. Zie: dalland.
dalig, dollig, doalig, tamelijk vet, van runderen gezegd die niet bijzonder groot zijn.
dalland, dalland, laag veenland in de Veenkoloniën; de dallen = het uitgestrekte veld tusschen Wildervank en N. Pekela, waar van den Bosch de eerste kolonie van Weldadigheid wilde stichten. In de laatste 50 jaren is Wildervankster Dallen een dorp geworden. Drentsch dalgrond = de ondergrond van afgegraven venen, voor den landbouw geschikt gemaakt. Hooft: dallen = dalen.
dalles, dalles, zoo goed als niets, ook: volstrekt niets. Zie: figge mit ’n dalles. van het Hebreeuwsche daloesch = gebrek.
figge mit ’n dallês, niets; hij kreeg ’n figge mit ’n dalles, spottend voor: hij kreeg hoegenaamd niets. Zal tot het Bargoensch behooren. Hiermede gelijk is: twei platten mit ’n dunne.
dam, dam, smalle verbinding tusschen twee stukken lands die door slooten gescheiden zijn. Op die dammen worden tot afsluiting vringen, draaihekken of schutten geplaatst. Zij zijn zoo breed dat er een wagen door kan. In Langewold beteekent het woord: hek op zulk een dam. Ook: die toegang met rijtuigen tot het erf verleent: “vrouw brocht ons tou dam oet”, (zij bracht de boer met de koe buiten het erf); op dammen passen (Ommelanden) = op vringen passen (Oldampt) zooveel als: bij het inhalen van het koren, waar men over weideland met vee moet rijden, zorgen dat die dieren niet uit het land gaan, daar de vringen enz. worden opengezet. Meestal wordt dit aan kleine jongens opgedragen, die dan bij de dammen wacht moeten houden; hij ken al op dammen passen, zooveel als: dat jongetje kan daarmee al iets verdienen; “en de jongs gongen hier en doar op dammen passen bie de boer as ze an ʼt mennen wassen.” – fig.: ʼn dam zetten (nl. tegen den honger) = eten tot men bijna verzadigd is en dan met de toespijs beginnen. Zoo heet men een goed stuk klōnt een damlegger. Zie: klōnt, en: koukhouen.
damast, damast, wittevrouwen-nachtviooltje, Hesperis matronalis; Oostfriesch damaste, Engelsch damask. Aldus omdat het van Damaskus afkomstig is.
damelen, doameln, drentelen, zacht loopen, langs de straat of bij den weg slenteren wanneer men ergens heen moet, bv. van kinderen gezegd die te laat op school komen; zij hebben doamelt, meester. Oostfriesch dameln, dämeln = droomen, gedachteloos en droomerig rondloopen, rondslenteren; dom en zonder na te denken babbelen; damelig = slaapdronken, half bewusteloos; dom, langzaam, traag; dämel, damel = een gedachtenloos, sufferig, dom, beuzelend mensch; Westfaalsch dåmelig = dom, droomerig; Nedersaksich, dameln = uit verveling onnutten arbeid verrichten. Zie: dauêln.
damlegger, damlegger, stuk hout dat tot steun der draaihekken, enz. op dammen dient door er de palen (damspoalen) aan te bevestigen. Advert. Te Wehe te verkoopen: “600 beste eiken palen, geschikt voor draadpalen, damleggers”, enz. Vgl. bij v. Dale: legger, ligger, onderlegger, onderligger. Zie: dam.
dampaal, dampoal, damspoal, paal op een dam, waarop of waartegen de afsluiting draait. Vergelijking: stief as ʼn dampoal = stijf, bv. van jicht, en fig. = houterig, onbeholpen. Zie: dam.
damperig, dempêrg, (demperig) = kortademig van paarden; aamborstig; ook van menschen gezegd. Weil. dampig; v. Dale dampig, dempig; Noord-Brabant dempig; Zuid-Limburg dempig = kortademig; Kil. dempigh, kortborstigh; Middel-Nederlandsch dampig = aamborstig, dampte, aamborstigheid, beklemdheid van adem, asthma. Vgl. Middel-Nederduitsch dampich, dempich. Middel-Hoogduitsch dampfe en dampfte, depmfic, dümpfec, Nederlandsch dialectisch dempig. Hoogduitsch Dampf; Oud-Hoogduitsch dempho, damfo; West-Vlaamsch dampig (van paarden); Hoogduitsch dempfen = aan aamborstigheid lijden. (Verdam). Oostfriesch dempig, demprig, dämpig, Nedersaksisch demstig = kortademig (van paarden).
dampig, dempîg, (Niezijl) = kortademig, van menschen gezegd. Vgl. dempêrg.
dampost, dampost, dikke plank, welke ter inheiing bij het maken van dammen wordt gebruikt. Te Groningen te verkoopen (1877): “ribben, damposten, lang 5 meter, dik 8 centimeter”, enz. Id. te Delfzijl: “Boeldag van vuren en greenen damposten”, enz. Zie: dam.
damsteeg, damsteeg, koppig, onwillig; van paarden die weigeren dammen te gaan; ook: om van ʼt erf af te rijden. (Weil. v. Dale: “steeg = halsstarrig, koppig, stug.” (In de Ommelanden is dit woord veel in gebruik, maar alleen van menschen.))
damvaarder, damvoader, (onvolkomen uitspraak voor: damvoarder) = landjevoader (landvaarder) = vrachtscheepje uit sommige dorpen van Fivelgoo, dat wekelijks op Appingedam vaart. Oschoon dit vlek in den wandel ʼn Dam heet, zal het toch hetzelfde zijn als: damlooper, soort van binnenlandsch platboomd vaartuig, bijlander, van bijlandig = naburig; damlooper zal eigenlijk zooveel zijn als: lichterschip, wanneer het grootste vaartuig door eene waterkeering of dam wordt gestuit. – Vgl. snikkevoader, koat, vōt, enz.
dan, den, (bijwoord) = dan; den is hij hier en den is hij doar = hij is nu hier, dan daar; den en den willen ze komen = omstreeks dien tijd; de pêrfecter is van den tot den te spreken, bv. van 10-2 uur; van den tot den is hij oet stad, bv. van den 10 den tot den 20 sten. Van gehalte als: zus en zoo, en wordt alleen in den verhaaltrant gebruikt wanneer de juiste tijdsbepaling den hoorder onverschillig is. – Na zulk eene bepaling wordt het woord overtollig in: mör’n den gait’e vōt; zöndag den komen ze bie ons; in Mai den bin ’k joarîg; ankoom harst den is ’t tien joar leden dat mien mouder sturven is; mit drei week den is ’t mart. – Ook wanneer bij eene vraag het woordje: toch, wordt weggelaten of er voor in de plaats kan gesteld worden. wat wiltoe den? = wat wilt gij (dan) toch? wat zee hij den? = wat zei hij toch? wilt gijn kōffie hebben den? zooveel als: gij wilt toch wel een kopje koffie gebruiken? “Woar bin joen volk den?Dij bin noa toen te arten teppen”, (Vredewold); ie komen den? = gij komt dus? wenneer komt hij den weer? = wanneer komt hij terug? sloap wie den zoo lank? = meent gij dat wij zoo lang slapen? hou den? = hoe meent gij dat zoo? woar den? (met sterken nadruk op: den), waarop als antwoord kan volgen: (het voorwerp) ligt in de bovenste lade, rechts, en dus zooveel als: waar dan toch moet ik het zoeken? Vgl. het Hoogduitsch: wo ist er denn? = waar is hij dan toch? wie is denn? = hoe dat? hoe zoo? wie ist ’s möglich denn? enz. –
danig, danîg, doanîg, bijwoord van versterking: ʼt muit mie doanig = het spijt mij geweldig; hijʼs doanîg verlegen = in groote verlegenheid; doanig zijk wezen = erg ziek zijn; heur doanig lijf hebben = haar innig lief hebben. Ook alleen: ʼt is doanig = ʼt is in ʼt groote = ʼt is gansch bijzonder, buitengewoon. Drentsch daonig de les lezen; Friesch danig = veel, zeer, bv. danige mooi, het deed mij danige nij (het benieuwde mij zeer); Overijselsch, Noord-Brabant danig = zeer, veel, sterk; Zuid-Holland daonig = erg; Maastrichtsch daonig = zeer, uitermate; Zuid-Nederlandsch, West-Vlaamsch wordt dagelijks gebezigd. (De Bo) danig = geweldig, zeer veel, zeer groot, uitermate; ik heb danigen honger, het duurt danig lang; danig duur, neerstig, enz.; danig luid zingen, enz. Oostfriesch dane, döne, Hamburgsch dannig = sterk, vermogend, krachtig. (Weil. noemt: danig, een uitgang; bij v. Dale: danig, bijwoord = buitengemeen, zeer. Bij Schimmel: waarom was die beitel zoo danig afgedwaald? – Toch meenen wij het woord niet als echt Nederlandsch te mogen beschouwen. Swaagman denkt aan eene afkorting van het Nedersaksisch averdanig, bv. een averdanig mensch = een mensch die meer doet den hij behoeft te doen (bij de Gelderschen een overdoensk mensch), en: overdadig, wat buiten de maat gaat, meer dan geoorloofd is, bv. een verkwister of te goedgeefsch mensch; averdanig groot, rijk, ziek, enz.) Het woord zal in allen gevalle tot: doen moeten gebracht worden.
dank je, dainje, in de kindertaal voor: dankje; mōit dainje zeggen, of: zeg gau dainje = gij moet er voor bedanken door dainje te zeggen.
dankbaar, dankboar, in: ʼk bin dankboar, ook: dankboar! voor: ik dank u, zegt de geringe man wanneer hij voor iets dankt of beleefd iets afwijst; in ʼt eerste geval menigmaal: ten hoogsten dankboar. “Ten hoogsten dankbaor, ten hoogsten; – och Heere, ie hebben altied omdenken om ʼn ârm mens.”
danke, danke!, dank joe! = ik dank u! schertsend: dank joe, ʼt is net zoo goud of ʼk ʼt had heb. als men iets afwijst waarvan men niet gediend wil zijn. (Hoogduitsche vorm, Nederlandsch dank!)
danken, danken, zie: koekoek, en: astertou.
dapper, dapper, flink, levendig, vlug; ʼn dapper kereltje = een vlug jongetje. Zegt men van iemand dat hij (of: zij) klein van persoon is, dan luidt het wederwoord: jà, klain moar dapper; – zijʼs dapper, zegt men in ʼt bijzonder van vrouwen die door kleeding, houding, gang zoowel als in ʼt spreken toonen den moed niet te laten zinken. Veronderstelt eene eenigszins zwierige kleeding en flinken tred, echter altijd in gunstigen zin, en synoniem met moudîg = naar haren opschik te oordeelen, vol levenslust en levensmoed. Oud-Nederlandsch dapper = preutsch; Nehem. 11,6 = vermogend, sterk, kloek; Zuid-Nederlandsch = spoedig, snel. Middel-Nederlandsch dapper = snel, vlug, flink, kloek, sterk, kloek gebouwd; dapperlike = flink, op eene flinke wijze, krachtig, met kracht. (Verdam).
dar, doare, dörm, verdreven hommel; Hoogduitsch Drohne = hommel.
dörm, darre; dikke dörm, spottend voor: dik persoon die slecht ter been is.
dar, doare, daar, doare (Oldampt) = daar (Ommelanden en uit te spreken als het Fransche d’or) = dare, de a gerekt = eest, droogzolder voor mout. Middel-Nederlandsch darre = droogoven, eest (Verdam). Kil. dare, ast = droogplaats; daren = dorren = drogen; Oostfriesch dare, dâr, en: daren = uitdrogen, Hoogduitsch darren, dörren; Nedersaksisch dare, plaats waar het mout gedroogd wordt; daren, dörren = door de warmte droog maken; Holsteinsch daarn = eene soort van schoorsteen tot drogen van vruchten en mout; Middel-Hoogduitsch darre, derre = droogtoestel. Hoogduitsch darren, Oud-Fransch tharran, Fransch tarir = drogen; Latijn torridus = heet, waarvan: dor, en: drogen.
darm, darm, Zegswijs: ʼn snieder het moar ìjn darm, plagend voor: gij behoeft maar weinig eten te hebben want uw arbeiden beteekent niet veel. – Vergelijking: geel as ʼn darm, van linnen, enz. gezegd, dat slecht gebleekt is; ook van de huid van menschen die veel op het veld verkeeren.
darmworst, darmwōrst, zie: puilwōrst.
dartel, darten, levenslustig, moedwillig, plaagziek; ʼt is ʼn darten schōbbert, van een meisje dat zich gaarne onschuldige plagerijen veroorlooft; ook van kleine kinderen; ʼt jōnkgoud is darten. eigenlijk: het jonge vee, veulens en lammeren dartelen in de weide; en verder: ʼt jonge volkje, de jeugd is speelsch, brooddronken, houdt veel van dartelen, dus zonder de ongunstige beteekenis van het Nederlandsche dartel = weelderig, brooddronken, loszinnig, baldadig, wulpsch. Oostfriesch dartel, darten = bandeloos, wulpsch, enz.; Kil. dertel = onbeschaamd, dartel weelderig, wellustig, vroolijk, enz., Friesch derten = onbezonnen, driest, verdwaasd; Oud-Friesch derten = onwijs. Middel-Nederlandsch derten, Middel-Nederduitsch derten, darten, naast dertel, dartel; Oud-Friesch derten. Kil. kent slechts den vorm dertel = dartel, wulpsch, wellustig, wuft, lichtzinnig. (Verdam)
vervreten darten = brooddronken; eigenlijk: buitengewoon darten; ook Oostfriesch. Zie: mal.
dartelheid, dartenhaid, zie: darten. Middel-Nederlandsch dartenheit = weelderigheid. (Verdam). – Zal verwant zijn met het oude: darren = en door wisseling van n en l één met: dartel.
dat, dat, Wordt dikwijls als aanwijzend voornaamwoord overtollig gebruikt: zien hoes dat is guster ofbrand; ons wichtje dat het de messels; mien mest dat is hen ʼt sliepen. Vgl. dei 1.
dat, als stopwoord in: sōltat? (zou het dat?) = zou het? dunkt u? och, sōltat?! = ach, ook: och, zou dat waar zijn?
datte, dat, in den uitroep: jà datte! zooveel als: juist! zoo is ʼt! Ook voor: dat, zonder ʼt zelfstandig naamwoord: wat magstoe ʼt lijst lieden? (wat moogt gij het liefst lijden?) antwoord: datte (= die stof, dat ding). Ook bij de Ouden in gebruik. Vgl. ditte, voor: dit; watte? = wat?
datten, verlenging van ʼt voegwoord dat; “ik geleuf datten ze zeik bin” (Stad-Groningsch) Zal eigenlijk een meervoudsvorm zijn, evenals: kwijt watten ze willen, alsmede de ook elders gebruikelijke vormen: wie goannen, joe dounen, enz. Zie: en 3. Zie: ditten en datten.
da’k, samengetrokken uit: dat ik; ook Over-Betuwsch; ʼk heb niks verloren (of: vergeten, enz.) da’k wijt = voozoover ik weet, heb ik niets verloren, enz.; hij wees mie hou daʼk dat doun mōs, ʼk wis wel daʼk nog wat vergeten har. Zegswijs: daʼk wijt, wijʼk zoo goud as pestoor (wat ik weet dat weet ik zoo goed als onze predikant), zooveel als: ik weet het zeker, uw twijfel komt hier niet te pas. Zuid-Nederlandsch en West-Vlaamsch dak = dat ik. Vgl. da’s, en wa’s.
dast, daste, dat gij, die gij; kwoajong dast bist (Stad-Groningsch) = kwâjongen, die gij zijt; ʼt verwondert mie daste dat woagen duurst = het verwondert mij dat gij dat durft wagen. Eigenlijk: datʼs toe, voor: datʼs doe (gij, je), met ingevoegde s en uitgestooten t. Limburg das te = dat je.
dai, da’j, dat gij; dai nog zoo slicht bin (Hoogeland) = dat gij nog zoo onnoozel zijt; ook Overijselsch, Geldersch; Zuid-Nederlandsch daje: West-Vlaamsch dajje, daje, door assimilatie = dat ge, dat je. (De Bo.)
dawe, dawwe, dat wie, dat wij; “ʼk wol dawwe ʼt moar in hoes harren.” Zoo ook: zoodawe, omdawe, noadawe, veurdawe, deurdawe (= doordien we); mitdawe (= met, dat wij).
da’s, dat is; daʼs ʼn, eenigszins gerekt hoort men: dassen = dat is een; daʼs mooi; daʼs ʼn molbult = dat is een molshoop.
dat is wel, ’sal, zie: ’salwoar, ook: ’t is wèl.
dat is wel waar, ’salwoar, ook bij verkorting ’sal = (dat) is wèl waar, en wederwoord op: nijt woar! Zie: al 1.
datgene, datgenege, dat, datgene; datgenege waʼk tʼr van wijt wiʼk joe wel vertellen. ʼt Hoogduitsche, dasjenige.
dauwelen, dauêln, dauwêln, langzaam gaan, drentelen; dauêln, ook, maar min algemeen = weinig of niets uitvoeren, treuzelen. Oostfriesch daueln = rondslenteren, bij de straat loopen, lediggaan; Nedersaksisch daudeln, daueln = den tijd verspillen, niets goed aangrijpen; Holsteinsch daueln, davelen, Engelsch dawdle. (Weil.: dauwelen = traag en langzaam met alles omgaan, zich onhebbelijk gedragen; dauwel = traag en onhebbelijk vrouwmensch; Noord-Brabant dauwel = traag vrouwspersoon.) – daueln, dauweln zal tot dolen, dwalen moeten gebracht worden.
dauwen, dauen, douen, dauwen, zegt men van wonden, als de huid in den omtrek er van vochtig is, evenals of er kleine zweetdroppels op staan. – zoolank as ʼt zoo daut verlangt de boer nijt noa regen, zooveel als: het regent hard.
dauwnetel, dinettel, dauwnetel, Westerkwartier en elders, verschilkleurige hennepnetel, Galeopsis versicolor. v. Hall. Neerl. Plantensch. p.169.
dauwrijp, dauriep, (dauw) = geheel, volkomen rijp, van aalbessen, kersen, pruimen, enz. gezegd.
dauwtrappen, dautrappen, Aldus noemt men een overoud gebruik van Groninger ingezetenen uit de lagere klassen om in den vroegen morgen van den tweeden Pinksterdag buiten de (voormalige) Heerepoort te wandelen en zich daar in ʼt volle genot van vrijheid en blijheid te ontspannen, welke gewoonte den eerzamen burger steeds, en niet ten onrechte, veel stof tot ergernis heeft opgeleverd. Zie Prov. Gron. Cour. 1876 no 132, en vgl. ter Gouw.: De volksvermaken, bl. 219-223.
dauwtreden, dautreden, zie: dautrappen.
David, doavied, (= David), in: ’t gait as ’n doavied = ’t gaat flink, ’t gelukt uitstekend; van eenige werktuigelijke handeling gezegd.
de, ’e, voor: de, of: den, vooral samengesmolten met een voorzetsel, waarvan dan vaak de eindmedeklinker verzacht wordt: ienne = in de, of: in den; ōppe of: ōbbe = op de, of: den; mette, of: medde = met de, of: den. (Westerkwartier); zij ston d’r op ’e neuze bie; van ’e vlowe; “as de nood an ’e man komt”; “’t Geld op’e kant zetten huift nijt.” (Stad-Groningsch)
de, den, voor: die (aanwijzend voornaamwoord), alleen in: dat het den donder wel wijten! wat zee den bliksem? (Vgl. veur den duvel! en ook: veur den soatan! veur den bliksem! Zij wor’n al den bliksem Koksioans. Zoo hoort men ook steeds: den Andel, den Hoorn, ’n Dam. Zal zijn versterking der uitspraak).
de, de, In de Ommelanden wordt dit lidwoord dikwijls weggelaten waar men in andere streken onzer provincie nooit verzuimen zal het te laten hooren. Voorbeeld: ien buus steken; noa mart goan; miezîg ien hoed wezen; krig sweep moar (Marne); mit zooʼn stoalpuil ien hand; omdat peeren geweldîg swijten; dicht bie deur; ʼn bult last op wereld hebben; om vring klimmen; wat ien stad omloopen; melk van kou; woagens van bijnen; klink van deur; ʼt hoar van kop; ʼt peertje van toren; blad van toavel; binnen ien jachtwaid mit kop an beun, enz. Ook in Drente heeft de weglating van het lidwoord plaats en eveneens vindt men bij onze Ouden daarvan voorbeelden. Onder anderen bij Vondel: Noit kraeide haen, teghens ondeught; of hut in brand te steecken; Die oit tyran bedacht; aen geen zij Sloterdijck; – bij Tollens: opdat ze aan schuilplaats komen. Vóór een klinker wordt de e weinig gehoord; men zegt o.a.: hijʼs dʼachterste; hij zit op dʼezel; oet dʼemmer drinken; hij ropt dʼingelanden op; dʼondervinden het mie leert, dat, enz.; ik hebʼt op dʼoogen; dʼolde man is zijk; ʼt brood is in dʼoven; dʼuren tellen; dʼiemen vouern; dʼeulie verbranden; dʼaiber vlijgen zijn, enz. – Voorts: het lidwoord wordt niet verbogen; voor de naamvallen heeft men: de, van de, an de, en de, en wel voor beide geslachten, mannelijk en vrouwelijk.
wordt soms gebezigd in plaats van het aanwijzend voornaamwoord deze: van de week bin ʼk nog ien stad west = deze week ben ik nog te Groningen geweest; de dag is mie lank vallen = deze dag is mij lang gevallen; doar ken we de oavend wel slieten = daar kunnen wij dezen avond met genoegen doorbrengen. Vgl.: vanʼt joar = dit jaar.
dederzaad, dederzaad, zie: dōdderzoad.
deeg, deeg, dege, ter dege; iemand deeg ankieken = brutaal aanzien, uit nieuwsgierigheid; deeg zijk, verlegen, ongerest, enz. wezen = zeer ziek zijn, enz.; nijt goud deeg (of: dege) wezen = niet wel bij ʼt hoofd, of: idioot zijn; ʼt is nog nijt deeg mittie (mit die) = gij zijt nog niet volkomen hersteld, daar hapert bij u nog iets aan; bij v. Dale: ʼt is nog geen deeg met u. – Voor: degelijk, in waarheid, in: ʼn deeg mensk, schertsend zooveel als: geen kind meer zijnde, tegengestelde van: die niet geteld wordt; dit is dege zoo goud as dat = (het eerste) is beter; hij was dege doen = hij was zeer dronken. – Ook = genoegen, bekomst; zien deeg (of: dege), ook: zien nucht (of: nōcht) hebben = er van verzadigd zijn; hij past wel op dat hij zien dege krigt = dat hij tot zien part komt = dat hij zijn deel krijgt. Bij Swaagman: deeg of dege = volkomen, genoeg, geheel, zeer.– Spreekwoord: ʼt Is eerder nijt deeg eer dat ʼt ondeeg is, zooveel als: meisjes zijn niet eerder tevreden vóór zij getrouwd zijn en bedenken niet wat ellende haar deel kan zijn. Kil. seghe en deghe = overwinning en voortreffelijkheid; dege = heil, voorspoed, bijna geheel verouderd. Middel-Nederlandsch te deghen = naar behooren, in orde, juist. (Verdam art. dege, kol. 102). Oostfriesch däge, dege = degelijk, goed, braaf; ook = wel bij de zinnen: hê is nich recht däge = hij is half gek; Holsteinsch däge = goed, best; Pruisen: dage = goede, degelijke; Noordfriesch däg, degh = goed.
deegs, deegs, in: wat deegs = wat goeds, wat degelijks; ʼt is wel wat nijs, maar nijt veel deegs = ʼt is geen goed nieuws, geen verblijdend bericht (voor u of mij) dat ik u kan meedeelen; ʼt is wat deegs! spottend zooveel als: ʼt heeft niets omʼt lijf, ʼt is de moeite niet waard; zeg moar op asʼt wat deegs is, zooveel als: is ʼt maar een nietig praatje dan kunt gij den mond wel houden.
deel, tielens, de losse planken waarop het bed rust; Oostfriesch tiling, meervoud tilings, de uit delen bestaande onderlaag van het bed; Noordfriesch täling = losse planken of latten welke op de balken over de vakken in de schuur worden gelegd voor het bergen van hooi, stroo, enz.; Angel-Saksisch thiling = zoldering, van het Oud-Noorsch thil, thili = bord, plank; thilja = tafel; Oud-Hoogduitsch dil, thil, dil, dilla, Middel-Hoogduitsch dile, dil, dille, tille = bord, wandbekleeding, vloering, vloer; dille = grond, bodem, fondament, en verwant met het Latijnsche tellus = de aarde, de grondvesten van iets, die alles draagt, alsmede met: dal, til (brug), deel (vloer), delen (planken), ’t Hoogduitsche Diele, enz. Zie ten Doornk. art. däle, en: tiling. Vgl. loanings.
deel, dijl, deel, gedeelte; ook voor: vrij aanzienlijke hoeveelheid, vrij groot getal; doar was ’n dijl goud = daar (bv. op dien boeldag) was eene tamelijk groote partij goederen; ’n dijl mensen, volk, muite, enz = veel menschen, volk, moeite, enz.; hij het ’n dijl geld = hij bezit een vrij aanzienlijk kapitaal. Limburg hêl dêl = zeer veel; Bremensch, Hamburgsch: een ganz, of: groot deel geld, Hoogduitsch en Haufen Geldes, (Groningsch ’n hoopen geld); Engelsch a great deal = eene groote menigte; Holsteinsch groot deel = menigte. Deensch en heel deel = een tamelijk groot aantal, eene menigte. – gijn part of dijl aan eenig vergrijp of eenig misdrijf hebben = er geheel onschuldig aan zijn, bij v. Dale: ik heb er deel noch part aan. Drentsch Landrecht (1712) III, 70: die geene die in dat Goet part en deel heeft.
deel, deel, dele, vloer der woonkamer of van het woonvertrek; holten, stijnen, lijmen, eeren deel = vloer van hout, steen, leem of aarde; zand over deel strooien (Hoogeland) – over dele streuen (Oldampt) = wit zand over den vloer strooien; dörsdeel = gedeelte van de schuur waar gedorscht wordt, en in zooverre = schuurdeel (klemtoon op deel), maar dit ook voor den geheelen vloer van en de ruimte in de schuur, de koe en paardenstallen er buiten gerekend; dei olle rieke boer woonde sömers altied mit zien vrau op de schuurdele; met iemand over deel wezen = samenwonen, over den vloer zijn, (ook Oostfriesch); “wie hemmen dokter dou wel ʼn week of zös over deel had.” Zie ook: achterdeel. – Vergelijking: dicht asʼn deel (of: dele). Drentsch dele, Overijselsch dele, delle; Deventer deil = leemen vloer in de woningen; Noord-Brabant dele = planken vloer; Geldersch daele = dorschvloer; Kil. dele, vloer; Hooft deel = houten vloer; Oostfriesch däle, dele, dül, Hoogduitsch Diele = vloer van het huis; Nedersaksisch deel, dale, dele, Holsteinsch dêl, Middel-Hoogduitsch dille, dil = houten vloer (ook: zolder), Oud-Hoogduitsch dilla = vloer.( v. Dale: deel = plank van gezaagd hout, en = dorschvloer, evenals bij Kil.) zie: del.
deelaanveger, deelanveger, voorwerp waarmede men den vloer veegt; dei bessêm bruuk ik altied tou deelanveger.
deelloos, deils, deiels, deiloos, deils (Grijpskerk) = boos; deiels (Vredewold) = oneenig. Van Halsema: deijls = on eens; Laurm. deyloos, Friesch deylis = twist, verschil hebben onder elkander, vooral bij scheiding en boedelzaken; deiliskip = verdeeldheid, oneenigheid.
deerne, deern, (v. Halsema) = een jong meisje, – Overijselsch deeren, Hoogduitsch Dirne = meisje, jonge dochter, meid. (Weinig meer in gebruik.)
degelpan, degelpan, koperen pan met ijzeren handvat en pooten. Vgl. ʼt Hoogduitsche, Tiegel = pan, smeltkroes, en: diggel.
degene, degenege, degene, ʼt Hoogduitsche derjenige. Vgl. datgenege.
deinen, dienen, opzwellen, uitzetten, van eenig vleezig gedeelte van het lichaam. Friesch. dynen, Gysb. Japix tynen, Middel-Nederlandsch dynen = uitdijen; Oostfriesch dinen, Hoogduitsch sich dehnen = opzwellen, Nedersaksisch dunen = opzwellen, zwellen. Verwant met het verouderde: deinen = golven; deiningen = het op- en nedergaan der golven, bij Kil. dyninghe, deyninghe, alsmede met: dons, (Groningsch duun, doen.) Vervoeging: diende, diend (Oldampt, Westerwolde) = dōn, dōnnen (Ommelanden)
deinerig, dienêrg, opgezet, gezwollen; dienêrg om ’t gezicht wezen = ’n dienêrg gezicht hebben, zegt men als de wangen opgezet zijn; is die toestand van eenigen duur dan noemt men het plōdzîg of plōrzîg. Ook: ’n dienêrge lōcht = lucht met dampen vervuld en naar regen staande. – Van: dienen (zie aldaar). Vgl. diezig.
dek, dek, Zegswijs: hij ’s ’n kerel an dek, eig.: hij is een echte zeeman; fig. = hij durft er wezen, hij staat zijn man, (en schertsend) ook met eten en drinken. Oostfriesch kerel up dek. Eigenlijk een zeemansterm.
dekenlammergeld, dekenlammergeld, Op zes boerderijen te Breede rust nog het servituut onder den naam van bonghaver en dekenlammergeld jaarlijks te betalen aan Jhr. van Menkema te Uithuizen. Bij Laurm. leert men: “dekenlammer, zoo genoemd omdat dezelve een gedeelte uitmaakten van de inkomsten van de Dekens of Proosten van Loppersum, Usquert,” enz. Zoo werd ten jare 1602 door Gedeputeerden geadviseerd “hoe vole de E. Doede van Amsweer wegen sijn tractament als Proost te Usquert solde behoren te geneten, is tor presentie van sijn G. geresolvert, dat hij de huren, enz. bij provisie sal mogen ontfangen: mit de bongehaver, deekenlammer ende anders darto gehorich.” – bōnghoaver zal zooveel zijn als: gedorschte haver ter onderscheiding van : te velde staande, dus ongedorscht. – bōng, voor: pōng; zie aldaar.
dekgeld, dekgeld, wat betaald moet worden voor het laten bespringen van eene merrie of koe; ook Oostfriesch Zie ook: dekken 1.
dekken, dekken, voor: het overdekken van de doodkist, en vervolgens van de hekken op de graven met dezelfde sprei van zwart laken, doodeloaken of doodklijd geheeten. Zulk een kleed is het eigendom van de diaconie der Hervormden, en het dekken het werk van den onderwijzer-koster. De welgestelden laten dat eenige zondagen achtereen doen, en het dekgeld (voor elke maal 30 cents) werd tussen den koster en de diaconie gelijkelijk verdeeld. In sommige dorpen zorgen (of zorgden) de aanzienlijkste ingezetenen zelve voor zoodanige sprei en laten (of lieten) daarop den naam van den doode met witte koord stikken. Over-Betuwsch dôdenlaken = laken over de doodkist. – (Wordt in de Ommelanden het lijk eener kraamvrouw grafwaarts gevoerd dan legt men bovendien eene servet op hare doodkist.)
behoeden voor den ondergang, bv. voor gevangenisstraf of voor een bakroet; zij hebben hōm dekt = eigenlijk zooveel als: zijne schuld is door bemiddeling van anderen gedekt; ’t is dekt = door bekooping of voorspraak is de zaak in den doofpot gedaan. Middel-Nederlandsch decken = dekken, verborgen houden, geheim houden. (Verdam).
bij sommige spelen, o.a. jassen en het 66 spel zooveel als: de kaarten neerleggen als de speler weet of meent het vereischte getal punten behaald te hebben. Alsdan legt men bij ’t jassen de kaart of kaarten die men nog in de hand heeft, en bij het andere spel, evenals bij ’t smousjassen, de troefkaart, die open op tafel ligt, om, en zegt: ik dek.
dekpost, dekposten, planken voor het dek van een schip, bij v. Dale dekplanken. Op Rottumeroog te verkoopen (1877): “Eene partij wrakhout, waaronder rondhouten, dekbalken, dek- en huidposten”, enz.
deksel, al den deksel, enz. = alles te zamen, en: allen.
deksel, deksel!, dei deksel!, als tusschenwerpsel = drommels! – ei ei! – sakkerloot! enz. Over-Betuwsch wel deksels! Oostfriesch deksel, deuksel, duker, enz. voor: de duivel, de booze. Zoo zegt men ook: om de deksel nijt!dat dankt joe de deksel! Eigenlijk een basterdvloek. Zie: duufker. (v. Dale: (gewestelijk): wat deksel is dat! deksels wat is het koud! alsook: dekselsche jongen = drommelsche, duivelsche jongen!)
deksel hale, dekselhoal!, zie: deksel! Verzachtend voor: de duivel hale!
deksel nog toe, dekselnogtou!, zie: deksel!
deksels, deksels, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord: dei dekselse jong! (kerel, kat, hond, enz.); deksels mooi (hijt, duur, enz.), hiervoor ook: verdekseld; ook Oostfriesch zooveel als: duivelsch, en: verduiveld. Zie: deksel, en vgl. gommes.
del, dellên, del’n, laagten, poelen, kuilen; kuiltjes, putjes. Van een stuk land dat uit laagten en kleine kuilen bestaat bezigt men de tautologie, tevens alliteratie: ’t bin altemoal dobben en dellen; ’n del, op de wang, enz. = een kuiltje door verzwering achtergebleven; zij het ’r hijle dellen van overhollen = zij is door de pokken geschonden; pokdellig = dellîg (= mottig in ’t gezicht) = pokdalig. (’t Gewone kuiltje in wang of kin heet steeds: koeltje of deukje, deuktje.) Kil. dellen (verouderd) = dalen; “En blasen over duin en del.” (Vondel) = over heuvels en dalen, hoogten en laagten. Middel-Nederlandsch delle, del. Middel-Hoogduitsch telle. Oud-Friesch del. Oud-Noorsch dael, Hoogduitsch Telle, Engelsch dell. Verwant met dal, laagte, del, delle, vallei (Verdam art. delle). Oostfriesch delle, dell’ = laagte, dal, kuil. Vgl. Dollert, en: dole.
delen, dijlen, deelen, verdeelen. Bij de boeren beteekent dijlen ook zooveel als: toedeelen van spek op de borden der dienstboden en vaste arbaiders; vrau mout nog dijlen, den ken ie begunnen; dat dijlen ’s middêgs is mien minste wark. Zie ook: spek.
dellig, dellig, pokdalig; zie: dellên.
delling, dellinge, (Laurm.) = laagte, poel. Oostfriesch dâlte; dä̂lte = laagte; delling = laag weideland. Kil. dellinghe = laagte. Zie: dellen.
Delt, Delt, vroeger een riviertje, thans eene vaart van Scheeftil naar Uskwerd. Een gedeelte er van maakt de grensscheiding uit tusschen genoemde gemeente en de gemeente Warfum. ’t Ol-Delt (de Oude Delt) is het noordelijkste en onvergraven deel er van en loopt nog tot Zijlemaheerd; vóór eeuwen was daar hare uitmonding; thans is zij niet wijder dan eene breede sloot. Het woord wordt altijd onzijdig gebruikt. Kil. delte = grens.