elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen

a-ru-tuut!, a-ru-tuut!, kreet bij ’t verstoppertje-spel, zoodra degeen die zich verstopt heeft door een der anderen is gezien. (Vroeger te Heiloo: Uusje-, of ulesje gezien!).
aankomen, aankomme, Je mot ’es aankomme, as je voorbij bint; ik hep noch ’en potsje zure knolle veur je staon! Om iemand aan zijn verstand te brengen, dat men op zijn bezoeken niet gesteld is. Verg. (elders gehoord): ik heb een ijzeren knyn voor je in ’t zuur.
aars, maars, aars. - Lik me maars! (wanneer men iets met kracht weigert of afwijst).
Achter Twijnstraat, Achter Twyestraet, Rek. Claeskerk, 1586, bij Dodt, Archief 6, 348a. - Verg. Broers-Wagenaar, Utrecht, 198.
achterlaat van gedachten, achterlaat van gedachten, onvermogen om iets met het geheugen vast te houden; vergeetachtigheid. (Uit mijn Vaders mededeelingen uit zijn wijkbezoek als predikant).
af, of, Mifferlof, Men broek zāk of.
afdekken, [bedekken, slaag geven], afdekken, iemd. Hem een pak slaag geven. Kom hier, ik zeije afdekke! (v. Schoth.: ofdekke).
affikken, affikken, afhandig maken. Verg. fikken, handen. - De grootste porsie hadde de mooie messies ’em afgevokke, Verl. Z. (Gerhardt), v. 13.
afgeluizigd, ofgeluizig, Maar òf tie liep! Ofgeluizig! wattie liep, V. e. Vl. 237 - ’8.
afslag, [verkoping], offslech, ofslag van den visch. Van den offslech op die Vismarct, Rechtsbronnen v. Utrecht, I. 326.
agent, regenten, (van pelisie), agenten (van politie): Broers, Utrecht 1ste dr. 42; In h. en op str. 20; 59.
alsdat, asdat, astat, Astat-ter een Koning zou gebore zijn, In h. e. op str. 115.
altijd, [tenminste], altijd, voor: ten minste. - Ie zee dattie van deuzen aovet noch komme zou; altijd astie-der tijt veur had.
altoos, altoos, altijd, steeds.
arme jongen, arme jongen, Gerecht van meel en water gekookt. Elders: Slinger-om-de-trap.
armoede, erremoei, ’t Is erremoei mit ’em: - ellende, narigheid. Ironisch: ’t Is erremoei mitsje! = och, wat ben je toch te beklagen! of: Ja zeker, je bent te beklagen (maar nou jok ik).
asboer, aschboer, Eer. - Wat een eer overkomt me dochter! ze loopt met een aschboer! Volksgezegde om iets waarvan het eervolle twijfelachtig is, te karakteriseeren en te kritiseeren.
balgentreder, balgentreders, de orgeltrappers in de kerken (Te Leiden: windmakers). Mnl. blaser (Rek. Buurk. 155, 172), blasen (die organen), 61, 62, 67.
balletje, [snoepgoed], Ballechies, kokinjes, babbelaars.
Bart, [persoonsnaam], Bart, Toen de koe Bart heette, en de karnemelk over de onderdeur keek (of: liep?), de dagen van olim, de oude tijd. ‘Praten over den tijd, toen de koe enz.’. Verg. D’n auwen tijd, toen de koei Bart hiette en de weg over de knutwillige liep, Betuwe (Zetten). Verg. ook Korrespondenzbl. Ver. Niederd. Sprachf. XXII. 1901. 25.
bedanken, bedansen, Wanneer men iemand voor iets bedanken wil wordt, voor de grap, in plaats van ‘wel bedankt!’ gezegd: Wel bedanst en besprongen! Verg. te Leiden de wensch: Goeje reis (rijs) en beste grutte!
bedeling, [uitreiking van giften aan armen], bedeeling, Hij (zij) loopt men zen (der) kop noa de bedeeling, hij (zij) heeft een scheeven hals. Verg. nekkie-balsem.
begrijpen, begrĕp, Begrĕp nou ’es an! denk je dat nu eens in!
beklagen, bekloagen, iemand, hem aanklagen, verklagen (bij ’t gerecht). - Of ie ze al bekloagt (de studenten, bij ’t gerecht), (zij krijgen tòch gelijk). Gedenkschr. 1839. I. 20.
bekomen, bekommen, Als iemand, bij ’t aanbieden van drinken, zegt: Wel bekommetje, wordt wel geantwoord: ik heb geen kommetje, wel een glas.
berrie, burrie, berrie, draagbaar der timmerlieden. Borryen, Buurk. 198; borrytgen, Claesk. 1488 (Dodt 6, 323a).
bes, bessen, waar ’t algem. Nederl. -beien zegt. - Aardbessen, moerbessen, Utr. Placaatb. 3, 885 b. Verg. moerebessen.
bestaan, [het zijn, kostwinning, geslachtsdeel], bestaan, Een groot bestaan hebben, een groote mannelijkheid hebben; ‘groot geschapen zijn’.
beuren, beuren, innen, ontvangen. Ik mot van aovet noch beuren = mijn weekloon nog ontvangen.
bidden en smeken, bidden en smeken, Zen vaar het’em er om gebid en gesmeek(t), maor enz. Verl. Z. - v. d. Monde.
bierstel, bierstel, wagen voor ’t vervoer van biertonnen. Verg. melkstel.
bijgeslagen, bijgeslagen, verzwakt; slap. - Wat ben je bijgeslagen! wat zie je er slecht uit.
bijkans, bijkans, bijna, zoo goed als. - Ik (ben) altijd een man geweest, die nooit lui was voor zijn broot. Maar nou verdien ik bijkans niks, Gedenkschr. 1838, blz. 24.
bijthok, bijthok, arrestantencel in ’t politiebureau.
bikkelspel, bikkelspel, Namen van de vier zijden der bikkelkootjes: Staandertjes, Ruggertjes, Essertjes, Puttertjes. Stille bonk, als men den stuiter niet op den grond laat tikken, maar eerder opvangt. Verg. Wdb. III, 357. Kanker, als een bikkelkootje niet zuiver op een van zijn kanten terecht komt, maar bijv. schuin tegen een ander aangeleund staat.
blazen, bloaze, blaze, Ik zou je blazen! ik bedank er lekker voor! - Wil jij dat wel effetsies veur me doen? Ikke? Ik zou je bloaze; veur geen kwartsie! Blazen! dat kun je (net zoo) denken! fluiten! - Maor, jawel, blaze hoor! In h. en op str. 23.
bloed, bloed, Potje met bloed, Eigen speelgoed! roept een kind om zich van iets dat het vindt of waarvan het zich eerst meester maakt, te verzekeren. Verg. Potje met bloed, alle dagen mijn goed, bij Brusse, Boefje 43.
bloeden, [bloed laten vloeien], bloeie, Zegsw. Bloeie-n-as ’en meelzak = niet bloeden. Hij het gebloeid as ’en meelzak, b.v. van een soldaat die niet in ’t gevecht is geweest. Verg. vergelijkingen als: zoo grauw als bloed zien (rood zien), Ogier, Sev. Hoofts. 167; Dat is zoo wit als een kave (schoorsteen); Zoo helder als waterchocola, enz.
blouwen, blouwen, de armen over elkaar slaan om warm te worden; beuken (Leiden), vuur slaan (Rotterdam).
boer, boer, boeren, boeren, kom in! Dit ‘zei’ volgens de Utrechtsche jeugd de klok in den Buurtoren (de ‘banklok’) waarmee de kermis werd ingeluid. Was het niet eigenlijk(?): Hoeren en boeven kom in!
bokking, bukkem, bukkempie, bokkem, bokking (V. en Vl. 220; 221).
bonk, bonk, Gereformeerde bonk! De duivel staat op honk! Scheldrijmpje van Roomsche kinderen tegen Protestantsche.
borstig, borstig, kortademig, aamborstig, asthmatisch.
bouwen, bouwe, een praatje maken. - Ik zie je nooit! ‘Wel nou nog schoonder! ik wit nie-waor je woont! ‘In de Angenietestraot, ’et eerste huissie! ‘Bes hoor! ik kom ’es bij je bouwe!’ geh. 1886). - Verg. beŭwsch: Kom ’es anbouwe! (Cremer).
brandhoed, brandhoei, Brandhoei! roepen (riepen) de jongens iemand na die een bijzonder hoogen, of grooten, in ’t oog loopenden hoed op heeft. De pijpvoerders der brandspuiten hadden vroeger, en bij mijn heugenis, groote hooge geelwit-geschilderde cylinderhoeden op. Ik breng: brandhoei! daarmee in verband.
breien, breie, Vlechies breien = vlechtjes in (meisjes)haar maken. Verg. breistêrten, haarvlechten, Aardenburg (O. Volkst. 2, 138).
briefkaart, [poststuk], brievekaort, brievekaortsje, Je mot me tussebeije ’es ’en brievekaortsje schrijve.
broes, broes, druif, sprui van een tuingieter.
brood, braod, mv. braoie, verkl. brǒchie.
bul, bul, En graote bul; ’en bul van ’en hond, een groote (gevaarlijke) hond.
bulsterhout, bulsterhouten, kortelingen (steigerhout der metselaars). Verg. Bulster dair men mede steygert, Rek. Buurk. 149.
cholera, kleera, de cholera.
crucifix, crucifix, crucifix, geeft niks! Kinderbezwering, om den schoot of den slag van de tegenpartij te doen mislukken, waarbij over de plek waar, of het voorwerp dat geraakt moet worden, een kruisje wordt gemaakt. - Verg. Kruisken bid Dat er den duivel overschi(e)t, Volk en Taal V (1893), 154; en ook Museum 18, 112.
daar, dèr!, Dèr nou! = daar heb-je ’t nŭ! nŭ zie-je ’t zelf! (b.v. dat ik je niet vergeefs gewaarschuwd had, enz.), als een kind iets vallen laat, de meid iets breekt, enz.
daarzo, daarzoo, daar. Verg. hierzoo, en: waarzoo?
denken, dinke, denken; ik dink, hij dink; dink ’es an!
deppen, deppen, met een doek of spons vocht (ergens) opbrengen (betten). afdeppen, deppende vocht afnemen; opdeppen, deppende vocht opnemen.
dichtjes, ‘dichies!’, bij ’t knikkeren: raak! (dicht er bij of er aan). Ook wel tot vrijende personen, die wat dicht tegen elkander aankruipen.
dief, dief!, Op den beleedigenden toeroep: ‘Dief!’ wordt geantwoord: ‘Dief? - Heb de kruumeltjes van me kont lief!’
Dom, Dom, de Domtoren. - De Dom is uit de stad, als de Domtoren door dikke mist niet te zien is. (Jaarb. v. Oud-Utr. 1926, blz. 178). Als de Dom omvalt, dan valt-ie in de Zaliestraat (de Zadelstraat). Wordt zoo lang als de Dom, zoo dun als een stopnaald, en dan hol! Schertsende verwenschingen, niet in ernst als: Ik mag lije dat je met een kop as den Dam de Halsteeg in moet draaien (geh. te Amsterdam, 1874), of: Trek de honderdduizend uit de loterij en verpap ze aan steenpuisten! Hij wil den Dom ompissen, bij Harrebomée, in Utr. Volksalmanak voor 1864, blz. 227. Eenige andere daar vermelde ‘Utrechtsche Spreekwoorden’, betrekkelijk op den Dom, hebben meer den schijn van maar verzonnen te zijn, wat in de Spreekwoordenverzamelingen van Harrebomée geen zeldzaamheid is. H. deed, bij zijn schooljongens, navraag naar spreekwoorden; vroeg b.v., of ze meer spreekwoorden kenden van dit of dat type, en dan werden hem vaak, om er met veel aan te komen, eigen verzinsels aangebracht. Een mijner medestudenten (G. J. van Hemert, Theol. Stud. 1881) had, als scholier van Harrebomée te Gorkum, dezen zóó menig eigen maaksel als een echt spreekwoord opgegeven.
Domtoren, Domstoren, De wijsders van de klok van den Domtoren, b.v. (Vermeulen), Utr. i. h. j. 1813, blz. 30.
dons, [trommel], dons, De groote dons = de Turksche trom.
doodbidden, doodbidden, Laat jij je eigen maar doodbidden in het Weeshuis! (gehoord te Utrecht, 1880). Zooveel als: van mijn part kun je dood gaan. Zachte manier om te zeggen: stik! of: verrek! [Voor Roomschen die op hun uiterste liggen laat de familie de ‘onschuldige’ kinderen in het Weeshuis wel voorbeden doen, ‘om al wat hem (den stervende) zalig is’ (’t zij dood, ’t zij levend).]
drempel, drumpel, drempel. Pāssop dat drumpeltsie!
drijten, drieten , drîten, kakken, drijten (Wdb.). Nu nog? (gehoord omstreeks 1870). Verg. ‘den buik ontlasten; Alias in goed Amersfoorts dryten, id est schyten’, Gem. Parnasl. 2de dr., 36. - ‘Dritters’ = Amersfoorders (1661), zie Utr. Volksalm. 1855, 103 (of Wdb. op: Keientrekker).
drol, drol, Een drol op je lippen! dat kun je denken; verbeeld-je dat niet, enz.
drol, drul, zwakke, slappe man. - Zo’n ouwen drul! mot-tie (= moet die) nou noch trouwe?
duit, duit, Het is zoo zeldzaam als een Uitersche duit (Harrebomée, Utr. Volksalm. 1864, 229): het is in ’t geheel niet zeldzaam.
duwen, duiven, doof, gedoven, duwen, duwde, geduwd: Ik duift mit krach en mach mee teuge de hol op, Broers - Wagenaar, Utrecht, 25. Een duifkar, duifpaard, duifslee, duifwagen, duwkar enz. uitduiven, uitduwen, uitdrukken. ‘Als sy dan eens wouden kakken, So sogten sy geen huis gemakken, Maar doovent in die vaatjes (halfvaatjes) uit,’ Oorl. d. Philos. 24.
eekhoorn, inkhoren, eekhoren. (N.B.! ink-horen).
eer, eer, Zie bij aschboer.
egaal, eengaal, ingaal, Die ingaal rooie (pieren), V. en Vl. 255.
egelantier, [dier], egelantiertje, egel, egeltje (‘stekelvarkentje’).
eigen, eiges, Dat sprik van eiges, dat spreekt van zelf. Hebbie dat eiges gedaon? heb je dat zelf gedaan? Ik hep ’et eiges gezien.
einde, end, eind. - Bid voor den man die aan zijn end komt! (Wanneer een man of jongen staat te wateren).
elkeen, elk-end’een, iedereen.
elkendurig, elkendurig, telkens, gedurig. (Is. V. Rennes, in N.R.Ct. 5 Febr. 1890, I, A, ten Uitvaart).
en, [negatieve partikel], en, negatieve partikel. ’K en zou-t-uwe niet kenne zegge. Asdat ik ’t nie’-en-weet, - niet en doei, enz. Asdat ie niet kommen-en-kan. Hij zee dattie ’t niet en dee.
er, aar, Aar is verlore! (omroeper).
erf, erf, korst van mos of ander aangroeisel op een boomstam. (Verg. erf, eczema impetiginoides, Volksk. 26 (1920), 122).
erg, ărech, erg, 1. er op verdacht zijn, het bemerken of opmerken. Altijd in een ontkennenden zin. Ik had der heelemoal gên ărech in, ik had er niets van gemerkt, bespeurd. - Die goejen sul Heeft ’er weinig erg of list in, Gew. Weuw., 15. 2. boos opzet, kwade bedoeling. Altijd in een ontkennenden zin. Ik deej’ et zonder erg, ik bedoelde er niets kwaads mee; ik deed het niet opzettelijk, niet ‘expres’. Verg. zonder erg of list.
ergens, ievers, Ik hep ’et ievers neergeleid, maar ik kan ’et nievers vinden.
ergje, errechie, kier. De deur op ’en errechie zette, - loate = de deur ‘aan’ zetten, ‘aan’ laten (staan).
eten, eten, Een mensch kan geen handen of voeten eten, een mensch moet op de een of andere manier aan den kost zien te komen. Zie in de woordenlijst bij murf.
eten voor de wacht, eten voor de wacht, weinig smakelijk eten (kost, spijs). Vermoedelijk een soldaten-, kazerne- of matrozenterm.
expres, omspres, expres, opzettelijk. (Vonk en VI. 242).
fikken, fikke, handen. blef-ter of mit je fikke! Ook in ’t rijmpje: Slaai, stokvis en andijvie, / Blijf met je fikke van me lijfie!
fleer, fleer, klap. - En fleer om-ie kop, een slag, klap om je ooren.
fleer, [lichtzinnige vrouw], fleer, vadsige, slordige, lichtzinnige vrouw (Wdb. III, 4531).
fleppen, fleppen, geluidnabootsend: klokken, smakken of iets derg. Ik hoorde zo’n geflep.
fluit, fluit, ‘Fluitje verkopen?’ vragen (vroegen) de straatjongens te Utrecht als zij een ‘heer’ op straat zien of hooren fluiten.
fluiten, fluite, wateren. Ik mot ’es effe fluite. Ie ston te fluite. (men fluit om een paard, of zich zelf, te doen wateren).
gaal, hal, dunne stee in een weefsel; gaal. (Als ik goed gehoord heb. Aanteekening uit Juli 1819).
gading, gaodens, gadens, gading (gadenis). - Dat er niks van derlui gaodens is, Gedenkschr. 1839. V. 20.
garen, garenen , gaarne, gaarnen, van garen. Witte gaarne kousen.
garibaldi, garrebaldi, ronde bolhoed. Mit en garrebaldi op zen kop. [Ik herinner mij: garibaldi-kettingen, horloge-kettingen met een rond kogeltje er van afhangende].
garnaal, genee-genaole, gernee-gernaole, ge(r)nee-ge(r)naltsjies = garnalen. Als straatroep (Vonken en Vl., 220), maar óók als de gewone naam: motsje gin genee-genoale vandaog?
gat, gat, Bij de gaten dicht, grappige zegswijze, toegepast op iets (een kledingstuk b.v.) dat bijna ‘helemaal gat’ is (alleen in de buurt van de gaten is het dicht). Van een huisnaaister, 1890.
gauw, gauw, Op de vragende aansporingen: Toe, doe dat eens gauw! Loop daar eens gauw naar toe! Toe, kom nou, gauw! kan men als, meer of minder vriendelijk, antwoord krijgen: ‘Gauw? Gauw is dood, maar langzaam leeft nog.’
gedurig, gedurig, voortdurend, aldoor. Hij zat me moar gedurig an te kijke.
gek, gek, ‘Je bin gek!’ - ‘Bin ik gek? Voel es in me mondsje, of ik gek bin!’. Dat wil dus zeggen: als ik gek ben, zal ik je niet bijten (en je kunt er op rekenen dat ik je bijten zal!). Het omgekeerde bij Cats (1, 618a): Steeck geen vinger in eens dwasens mont. ‘Je hoort op de Lange Nūstraot‘ (waar ’t krankzinnigengesticht - vroeger het Dolhuis - is).
gele kluit, gele kluit, de vlasvink of putter.
geloof mij, gelōme, geloome, geloof-mij. - ’t Is gelōme de waarheid. - ‘Ze ken nooit der mond houwe. En das verkeerd, meneer! geloome,’ In h. en op str. 59.
geloven, loove, looven, loof, gelooven. - Hij kent mij … niet, loof ik, Gew. Weuw. 2, 38. - Nu nog zoo. Ik loof dattie (enz.), en: ‘loof-ik‘, als tusschenzin. (Gew. Weuw. 2, 38).
gemak, gemak, gemacht, de mannelijkheid. - Draagt mijnheer zen gemak ook links? vraagt de kleermaker die de maat voor een broek neemt.
gemoeiig, gemoeijig, moeijig, soepel, buigzaam, gedwee, smijdig. Het leer van nat schoeisel weer gemoeijig maken. De blaasbalgen van een orgel, die ‘blaffen‘, met traan ‘gemoedich‘ maken, Rek. Claeskerk, 1561 (Dodt, Archief 6, 337b en 6, 340a).
gerst, gerst, Iemand voor gerst en keneelwater laten loopen, doen alsof hij er niet was -, niet bestond. Gehoord van G. van Rijn.
gerust, gerus, zeker, vast, sekuur. - ’t Is gerus waor. Isset waor? Liegieniet? ‘Gerus!’
geschapen, geschapen, Groot, klein geschapen zijn: een groote of een kleine mannelijkheid hebben.
ginds, gunt, ginder. Gunt bij de brug.
gisteren, gustere, gisteren. (Gedenkschr. 1839. IV. 84).
gleuf, gloof, gleuf. Verg. sloof, sleuf.
goedkeer, goedkeer!, Bij ’t knikkeren. Roept een speler bij een twijfelachtigen scheut: Goedkeer! vóór nog de tegenpartij ‘Kwaadkeer‘ heeft kunnen roepen, dan is de ‘keer’ geldig. Anders niet.
goothoertje, geuthoertjes, of: krioelkereltjes, zekere in stilstaand vuil water, b.v. van een zinkput, voorkomende, krioelende diertjes.
greep, griep, mestgreep, of ‘riek’.
groefbidder, groefbidder, stads groefbidder, Elders: Lijkbidder, Noodiger ter begrafenisse, Aanspreker. verg. Achterhoeksch grôveneuger. Zie Wdb. V. 798.
hawaar, hawaar!, pak aan! hou vast!
hechten, hechten, kort en moeilijk ademhalen, van een vermoeiden hond, een asthmalijder, enz. - ’t Stomme dier lee te hechte, dajje der gelōme meejelij mee kreech.
heen, hêne, heen. Lôp hêne. Waar gao je hêne?
helegaar, heelegaar, heelegansch, geheel en al. - De minse, zelle nog net zoolang an ’t uitvinde blijve, datter heelegans geen minse meer noodig binne, In h. en op str. 118.
hemel, hemel, ‘Onze lieve Hemel’. - Vajer, ik ’eb jouw en onze lieven ’emel te kort gedaon, Verl. Z. - v. d. Monde (Tekst: ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u).
herberg, herberg, ‘De nieuwe herberg, daar Het Glaasje uithangt‘. Op iemand met een droppel aan zijn neus.
herkauwen, eerkauwen, (klemt. op eer-), herkauwen. Witsje wat die geit nou doet? Hij eerkauwt.
hesp, hups, mv. hupsen, been uit het achterbeen van een varken, als kluif in erwtensoep (geh. October 1900). Verg. hips, hespe, bij Van Schothorst 143.
hierzo, [hier ter plaatse], hierzoo, hier; te dezer plaatse.
hoed, hoei, hoed, mv. hoeie, hoeden. De stedente dat zijne de Heere, Ze draoge de hoeie mitte veere! (wijze: Io vivat). ‘De straatjongens roepen tegenwoordig (de aanteekening is van omstreeks 1840) de menschen na: Geef hier je hoei en laat hem ijken! Ook hoorde ik eens vragen: Mijnheer is je hoed al geijkt?’, Aanteekeningen van P. J. Vermeulen, indertijd Archivaris van Utrecht.
hoeden, heuje, hoeden, de verrekes heuje (Verl. Z.). Zie opheuje.
hol, hol, oploopend en daarna weer afhellend, gedeelte van den weg. Te Rotterdam voor de afhelling van een dijk. - De hol bij de Heerenstraat, bij ’t Geerte-kerkhof. ‘Aan de Wittevrouwpoort, zuidzijde, reeden ze (Napoleon en zijn gevolg) de hol van de wal op en vervolgden zoo alle wallen’, Navorscher, 55, 605 (Napoleon te Utr. in 1811). ‘De cavalcade aan de Noordzijde van de Wittevrouwepoort de hol afkomende’, Ald.
hoofd, hof, hoffie, Pas op-ie hof. - Mit zen bloote hof, V. en Vl. 242. Hof van de Gie! - Hoffie van de Geertepomp, gezichie van de Gie op een ‘gezicht van oude lappen’ (verg. van Dokkum, in Jb. (jaarb. OudUtr. 1926, 182). ‘Zeere hoofdjes‘, de koekjes die elders: ‘kletskopjes‘ heeten. Men leest (las) den naam op de trommels in de bakkerswinkels: Spaansch brood: Allerhande (of: Klein Goed). Zeere hoofdjes, enz.
hoorn, horen, doffer, mannetjesduif. (Wdb. VI, 1097).
hort, hortsie, ’En hortsie, klein poosje. (Verl. Z. - Gerhardt).
houder, houwer, bij vogelaars: lage, lange traliekooi voor vogels van allerlei slag, van boven met het been van een kous gesloten.
hovenier, hovenier, Moet vroeger de naam voor de warmoeziers en tuinders zijn geweest, blijkens: Hoveniers (of Hoveniersche) Maandag, de eerste dag van de voormalige Utrechtsche kermis, die met den Boerenzaterdag eindigde.
huilhoed, huilhoed, huilebalkshoed, groote slappe hoed der koetsiers van de ‘rouwkoets’ (lijkwagen).
husje, hutsje, zoodje, partijtje, portietje.
iedereen, iederendeen, iedereen, elkeen. - Dat kan iederendeen gebeuren, V. en Vl. 256.
ijzer, ijsder
ijzig, [akelig], ijzig, akelig, naar, griezelig, om bang voor te zijn; ‘eng.’ - Een ijzig gezicht, b.v. van een gapende wonde. IJzige jongens! nare jongens!
ijzigheid, ijzigheid, (persoon): narigheid, ‘engerd’. - IJzigheid, schei uit! Gao toch hêne, ijzigheid!
immers, ommers, immers.
Jezus Christus, jeechie kreechie!, Uitroep van verbazing, enz. Verg. Limb. Jézemers Krézemers!
juffergort, juffergort, parelgort.
Jutjesdag, Jutjesdag, de Zaterdag in October, waarop de boerenmeiden zich tegen November komen verhuren, Wdb. VII, 581. Verg. Lijsjesdag in Middelburg: de eerste Donderdag in October, einde van een dienstperiode, begin van een nieuwe (N. Rott. Cour., 7 Oct. 1915, Avondbl. A).
kanarievogel, [soort vogel, bijzit], kenaorievogel, bijzit. (In huis en op str. 21).
kant, kant, Deuze kant den boom, de brug enz. = aan dezen kant van den boom, van de brug, enz.
kar, ker, kar, 1. aschker, stortker, strontker, vullesker. Er, er, er! Drie boeren op ’en strontker! roepen de straatjongens een arreslede zingend na. 2. Zij heeft de kar gewipt, zij heeft een miskraam gehad.
keen, kêne, kloof, barst; in winterhanden. - Diepe kêne.
kegel, kegel, kiezelsteen(tje); kegels, kegelsteenen, grint. Den weg opkegelen, begrinten.
keizer, keisder, keisder.
kelderzeug, kelderzog, pissebed. (Wdb. VII, 2096).
kennis, kennis, Met kennis, wetende wien men voor zich zag, wetende (Gew. Weuw. I, 40) wie het was. Verg. met bekende oogen.
kers, korse, Heef u van ’t jaor al korse gegete? Meikorse.
kerstavond, korsavet, In deuze korsavende, In h. en op str. 115; Korsavond, Gew. Weuw. 3, 21; mitte korsemis.
kezeling, kezeleenen, kezelingen, kiezels. Alleen bij Winkler, Dial. I, 358.
kind, kijnt, kind, kindje, (Broers, Utr. 1ste dr., 12). Niet altijd. Kind van minne, liefkoozingsterm. liefje (Wdb. IX, 746). Kom hier, kintsje van minne, laat ik jou ’es helpen.
kippig, kipperig, kippig, bijziend. - Kipperige oochies.
klapbot, klapbot, Zoo mager als een klapbot. Gehoord te Utrecht, 1909: klapbot zou beteekenen: klepper, klepperhoutje, waar de jongens in den ‘kleppertijd’ mee klepperen. (Uit klaphout?).
klep, klep, De verkeerde klep, sloegen de kleppers, ‘klapwakers’, bij brand of onraad.
kleppen, kleppe, gaan, loopen; met verachting of verontwaardiging gezegd. Nou ken ik van avet noch heelemaol nao de Baon (Maliebaan) kleppe, om de juffrou te hale! (een oppasser spreekt). Verg. v. Schothorst 153.
klets, kletsje voor de kat, klein toegiftje van den melkboer.
kliemen, [kliemen en klagen], klieme, in de verbinding: kliemen en klagen. Ze zit altoos maor te klieme en te klaoge (geh. 1907).
kluis, kluis, de kluizen. Naam voor de overwulfde - ‘bekluisde’ - kelders en onderwoningen langs de Utrechtsche grachten. Verg. die cluse van der brantwere, Rek. Buurk. 100, uter cluse an der brantwere, 118, uter cluse onder rodenburger brug, 118.
kluit, kluit, Dat ’s een kluitje (onderversta: boter) uit de pap! dat is een tegenvaller.
kluwen, kluiven, (van garen, breikatoen, touw, enz.). Nog maar uit den mond van eene oude dienstbode gehoord, omstreeks 1880.
kneukelvet, kneukelvet, Straf voor oneerlijkheid bij ’t knikkeren: over de knokkels van de gebalde vuist van den overtreder worden de knokkels van den bestraffer zoo hard mogelijk heen en weer gewreven. Te Sliedrecht: knok eten (Taal en Letterbode 5, 193.)
knoeien, kneie, knēje, knoeien, morsen. - Lech niessoo te kneie (knēje) mit dabbraod!
kolder, kolder, platte vlieger, niet over een ‘boog’ gespannen, als de ‘pijleboog‘ (zie ald.). Verg. winddrijver. Nu verdwenen?
komedie, kemedie, ‘Je kent ’er ’en kemedie van oprichte‘, zei onze kindermeid als wij de eene of andere dwaasheid zeiden of deden. - Verg. Spullen soumer wel of speulen, Bredero 3, 225.
kont, kont, Iemand op zijn kont komen, hem een afstraffing toedienen. - Ajje ’t weer doet, zekkie mitte herrekesteel opie kont komme!
kool, kool, Kinderen komen ‘uit de roode kool‘, Utr. Volksalmanak voor 1853, 22. Zie echter: Munnike(n)boom.
kortademig, kortaosemig, kortademig.
korteling, kortelingen, (steigerhout der metselaars): bulsterhouten.
kous, kous, ‘Daar heb je haar óók met haar zijje kouse‘, daar komt zij, waarlijk, óók nog aan! ‘Dan motte zij der eige kouse maar rolle‘, dan moeten zij ook zelf maar weten wat ze doen (als ze naar geen goeden raad hooren willen).
krabben, krabben, ‘Ik krab me kop, en ’t jeukt me niet‘, ik sta verlegen; ik weet niet hoe, of wat ik er mee aan moet; - hoe ik de zaak aan zal pakken.
kreen, kreen, kieskeurig, precies, puntig. Kreen op iets zijn, b.v. op boter, eieren, de zindelijkheid van vaatwerk, enz.
krem, krem, valkachtige roofvogel. (Wdb. VIII, 151).
kriepje, kriempje, kleinigheidje, kriezeltje, ‘kriepje’. - ‘Zoo’n kriempje notemuskaat werkt zoo voortreffelijk in den brandewijn,’ Vonken en Vl. 195.
kroel, kroel, bocht, kromming, omweg. Een nieuwe kroel (spiraalveer) aan de huisbel. Wat maakt die weg daar een kroel! Met een kroel-om = omweg, omtoer: Van het Academie rije de koninginne mit een groote kroel (kroel-om) na ’et Stadhuis (geh. Juni 1892). ’Kroel om, een boschje of een blok huizen om, Winkler, Dial. I, 358; Achter den Dom, Het kroeltje om, Driem. Bl. 6, 47. Verg. Kroelen, Woordenb. VIII, 303.
kruiwagen, kruiwagen, Zoo scheef als een kruiwagen‘ (staan, zitten, hangen, enz.), van meubels, ornamenten, kleeren.
kuif, kuif, studentenwoord: jong meisje. ‘Mooie kuiven‘. ‘Aardige kuifjes‘. ‘De kuiven‘, de jonge meisjes, jonge dames.
kul, kul, studentenwoord (ook in mijn Vaders studententijd te Leiden), onstudentikooze student; een ‘Pieter Stastok’, Gedenkschr. 1840, IV. 6. - Verg. Wdb. VIII, 535.
kwaadkeer, kwaadkeer, Zie bij goedkeer.
kwartier, ketier, kwartier. Ketier over ellĕve.
kwijlbaard, [loodgietersterm], kwijlbaardje, (loodgietersterm), zie Wdb. VIII, 781.
laat, laat, Hoe laat is het? Antw. Dik voor dunschijt; als je hard loopt kun je nog mee flodderen! Verg. (elders gehoord): Kwart over de rand van de pispot; als je je hand er in steekt, loopt-ie over.
laatst, laos, onlangs, verleden. Verg. onderlaos.
laesie, leezie, lézie, onaangenaamheid, treiterzucht, enz. - De lézie en de aveluinigheit stont em op zen gezig te leze. Broers, Utrecht 1ste dr. 12.
lang, lānk, (in den nominatief). Nou is ’t lānk genoch! nu heeft het lang genoeg geduurd; nu uitscheiden! We zijnne zo laenk sonder ’em gewist, Verl. Z. - v. d. Monde.
lap, [klap, slag], lap, klap, slag, fleer. Een lap voor me kop, Vonken en Vl. 9.
lastpak, lāspāk, lastig persoon. Och lāspāk, schei uit! Jullie zijne lāspākke! (kindermeisje tot kinderen).
lazerstenen, lazerstêne, zeuren, zaniken. Leg niet te lazerstêne! Verg. Wdb. VIII, 1197.
leed, lee, onaangenaam, afschrikkend, terugstuitend. Een leeje jonge. ’En lee gezich (aangezicht, gelaat). ’En lee werk. Da fond ie en erg lee werk (varkenshoeden), Verl. Z. - Gerhardt. Verg. v. Schothorst 165, Wdb. VIII, 1232 - 1234: Leed (I).
leejas, leejas, léejas, onaangenaam, naar, treiterig persoon. - ʼEn leejas veur zen evenmins; altoos kwelle en hindere. - I was en rechte léejas, Verl. Z. - Gerhardt.
leis, leiste, leisten, leidsels, stuurriemen of stuurkoorden aan een paarde-toom. Zie Wdb. VIII, 1499, op Leis (I). Als kinderen spraken we ook wel van ‘de leisteposten‘ voor de leidsels. Waarom?
lijmer, lijmer, soort van gereedschap om vogels te vangen, lijmstokje. Het is verboden knippen of zoogenaamde lijmers te zetten of op eenigerlei wijze te trachten vogels te vangen. Verorden. o. d. Straatpolitie, Utrecht, 19 Mei 1881, a. 4.
lijs, lijs, suffe, onbeduidende, trage (man of) vrouw (Wdb. VIII, 2375). Hier die gekke lijs, die wil nou niet geloove (enz.), Gedenksch. 1839. IV, 83.
Lijs-Eénarm, Lijs-Eénarm, de pomp. - Ik het dors; ik gaat ʼes nao Lijs-Eénarm.
linksboerenwijfjes, linksboerenwijfjes, ‘kunststuk uit de hoogere vliegschool’ (Is. van Rennes) met een vogel op de kruk: zie In huis en op str. 105 vlg.
lint, lint, bandvorming weefsel. Garen en lint, garen en band. Eenstukje‘, eenviezellint.
loopschuit, loopsschuit, persoon (meisje) die veel uitloopt, veel van den een naar den ander loopt. Wdb. VIII, 2869, Draaijer; v. Schothorst, blz. 168.
luis, luis, Ik schiet op als een luis in een teerton, ik schiet in ’t geheel niet op. Verg. Wdb. VI, 1222, op Huik.
manshoofd, manshoofd, man (echtgenoot). Mijn manshoofd, Gew. Weuw, 1, 13. Nu nog zoo. Zie Wdb. op het woord.
Mariaplaats, Máriplaos , Mérrieplaos, Mérriestraot, (Wdb. Dl. IX, kol. 239) = ‘Maria’-plaats enz., de pedante en bureaucratische vormen, die de historische volksnamen bezig zijn te verdringen.
Mariawater, Mérriewaoter, water uit de ‘Mérriepomp’, dat vroeger naar Amsterdam ging: In h. en op str., blz. 10 en 11; zie voorts jaarb. Oud-Utr., 1926, blz. 160 vlg.
mars, massie, As je-n-em zoo hoorde missen ouwe looppies vant Jerosemusschool of van ’t Akkedemie, zouwie zegge dattie heul veul geleerdheid in zen massie had, maor enz. - Uit Broers, Utr., 1ste druk, 11.
medelijden, leejemijje, omzetting van meejelije, medelijden (niet voor de grap). - Och, juffrou, het leejemijje mitten ārrem mins! (bedelares).
meerkol, maarkolf, meerkol, Vlaamsche gaai.
meisje, messie, Voor dat messie mettat lieve wipneusie, In h. en op str. 7 (Afslag). De jonge messies, V. en VI, 243. De mooie messies, de lichte vrouwen, Verl. Z. - Gerhardt, v. 13.
melkstel, melkstel, De naam voor de eigenaardige wagentjes waarmee in Utr. de melkboeren de melk rondbrengen (rondbrachten?): twee regels op een stel wielen, waarop de tonnetjes liggen; vooraan hangt een emmer.
menen, menen, van plan zijn, denken, willen. Ik meende nog naar u toe te komen. Ik meende nog te zeggen. Enz.
mengel, mingele, (Wdb. IX, 521, Mengelen), anderhalf pintje, of drie kan (liter).
mep, mep, klap. - Ie kreeg ’en mep om zen kop.
merensje, merensjes, zoogenaamde ‘lange beschuitjes’, ‘penningbeschuitjes’, naar den mageren Ds. Merens (den ouden), die later heel zwaar geworden is. Gehoord 1885.
mest, messe, mest (Wdb. IX, 603). Lange messe, stalmest met stroo vermengd (van vee dat op strooiing staat), korte m. - van dieren op de groep. ‘Op de lange messe staan‘. Mnl. messen, voor Utrecht: Dodt, Archief 7, 102b.
mietkop, mietkop, scheldwoord: onaangenaam, nurksch, kribbig, dwars persoon. Gelijkbet. met netekop, neetoor.
mimen, pieë, fratsen, kunsten, grimassen. - Pieë maoke, malle standen aannemen, gekke gezichten trekken, enz.
moeder, moejer, moerkonijn, wijfjeskonijn. - Zijn ze (die jongen) van die moejer?
moerbei, moerebessen, moerbeien. Verg. Moerbessen, N.-Betuw (Cremer, 12. 34: Pauweveerke).
mondje, montsje, mondjevol, hapje. - Ik hep-ter maor en montsje van gehad.
monnikenboom, munnikeboom, Te Utrecht komen de kindertjes uit den ‘munnikeboom’, een lindeboom in den tuin van het klooster Chartroyse, aan den Zeedijk. Zie Utrechtsche Volksalmanak voor 1853, blz. (1), 2, en verder (16) en 22.
moord, moord, Stik de moord! (verwensching). Verg. Wdb. IX, 1108.
muizekoppen, muizekoppe, stil neuriën. Utrecht? Amersf.? Gelderl.?
mul, mul, molm, in: turfmul. (Wdb. IX, 1228).
mullen, mulle, onbeduidend werk verrichten; niet met den juisten ijver of het rechte begrip iets verrichten; den tijd met het een of ander werk dooden. Mullen in den tuin. Ergens aan zitten te mullen. - Ook: teuten, zeuren, zaniken. Leg niet te mulle! maal mij niet langer aan het hoofd! Verg. Van Schothorst, 175: molen. Zie ook Wdb. IX, 1232-’33.
murf, murf, murref, mond (Wdb. IX, 1256). Hij stook ʼet in zen murref. - Da’r en mins geen ʼaende of voete ken ete, mostie sen murf wel volstoppe met de varrekeskost, Verl. Z. - v.d. Monde.
mus, mors, mv. morse. Verg. v. Schothorst 175: mos of mors.
naald, naald, Knoopen, die aan het goed maar losjes zijn aangezet, zijn er ‘met een gloeiende [die haast niet te hanteeren is] naald‘ aangezet.
nakend, naoken, naakt. - Naoken en bloot.
nap, [hoofddeksel, tafellaken], nappie, mutsje, kalotje, rond hoofddeksel zonder klep. - Kèkke die stedente der ʼes lollig uitzien mittie nāppies opter koppe!
narooier, naroojer, collectant voor de Kerk; collectant ‘met het kerkzakje’, die nà de collecte voor de diakonie - het ‘armenzakje’ -, komt. ‘Een dubbeltje voor de diakonie, en een cent voor de naroojers‘ (Is. van Rennes). Verg. Van Schothorst, 175.
natuurlijk, natuurlijk, in de uitdr. Dat sprik natuurlijk! dat spreekt van zelf!
nee, nên, neen (de vorm nee is niet bekend). Aach, nên!
nek, nekkie, Nekkie-balsem, persoon met een scheeven hals; mij bekend, uit omstreeks 1865, als naam voor een bepaalde vrouw (fruitvrouw).
nergens, nievers, nergens. - Ik heeftet nievers niet gezien. I kon niewers terech, Verl. Z, - Gerhardt. I bin nievers gewis (geweest)Ik hep ’et ievers neergeleid, maar ik kan ’et nievers vinden.
neus, neus, Eer je je neus veegt, eer je je omdraait; eer je ’t weet. Begin je der mit één, eer je je neus veegt zijn der duzend, Gedenkschr. 1839. I. 20 (over ’t ruzie maken met studenten).
neutelig, nuttelig, nutterig, nietig, onbeduidend. - Ze hebbe me angeraoje om en paor tortelduifies in de kaomer te hānge bij me kind dat vol dauwworm zit; nou zou je zegge, wat ʼen nuttelig ding? maor ʼet het toch gehollepe.
nietwaar, nuwaor?, Wij kenne mekaor wel, nuwaor? In h. en op str. 3.
nieuw, , nūw, nuuf; onz. nuut. De Lānge Nūstraot. De Nūwe (nūve, nūfe) Brug, nú de Willemsbrug. Nūven hering (Gedenkschr. 1839. IV. 83), ook als straatroep. De nūwe tillegramme! (b.v. oorlogsbulletins). De nūwe wegwijzérs! (voor een optocht, een serenade). Nūwerwessigheid (V. en VI. 31). - Een nuen riem, Rek. Claeskerk, Dodt, Archief 6, 343b.
niks niet, niks niet, niets. Verg. Nooit niet. - Ik gĕf-ter niks niet om!
nonnengaten, nonnegaote, het triforium in de Domkerk. (Verg. de nonnendeurtjes, in den Briel, de nonnenkamertjes te Brouwershaven). - ’t Was met de intree van den nūwen domenee zóó vol; de minse zatte-n-in de nonnegaote (vermoedelijk nooit gebeurd, maar wèl verteld).
nood, nȏde, In de uitdr. Wat het dat nou van nȏde? Waartoe is dat nu noodig? Waarom doe je dat nu? - Wat hettat nou van nȏde? Blefter toch āf! - Bij van Schothorst 178: dat het niks fan nȏ ǝden. Verg. Nood, Wdb. IX, 2073.
nooit niet, nooit niet, nooit. Zeer gewone verbinding.
o crimineel, o krémeni!, uitroep. Verl. Z. - v. d. Monde.
of, ovve , grammat. verbind. voegw. Mevrouw laat vrage, ovve de kindere meegane. Ovve we dat nou begrijpe, of niet, dat is zoo.
ofschoon, alschoon, ofschoon, alhoewel. - ‘Alschoon ik het toch zoo zeker nie(t) en weet’. - ‘Alschoon dit alles overwegende’, Navorscher 55, 606 (Napoleon te Utrecht, in 1811); ook (Vermeulen), De St. Utr. i. h. j. 1813, blz. 18.
ogenblikkelijk, [voorlopig], ogenblikkelijk, voor ʼt oogenblik; op dit moment. - Ik zouʼt u oogenblikkelijk niet kunnen zegge. ʼt Kan zijn dat hij ʼt oogenblikkelijk niet wist.
om, omme, om. - keer je-n-es omme!
omlaag, [naar beneden], omleeg, omlaag. - Ze hebbe-n-enen ander motte neme (als balgentreder, op ’t orgel), want hij kon de balleke niet omleeg krijge.
onderlaatst, onderlaos, laatst, onlangs, verleden. - Toe-n-ik ʼem onderlaos nog ʼes teugekwam. Ik hep-em onderlaos nog gezien. - Verg. Onderdaags, Wdb. X, 1256.
onderslaan, onderslaon, ‘toucheeren’ (verloskunde): Wdb. X, 1464. - De dochter (dokter) hebmen onderslaoge.
onderweg, onderweges, onderweegs, onderweg. - Hij bleef onderweges staon.
opdoffen, opdoffen, zonder bepaling (zie Wdb. bij Opdoffelen). - Ik zal je-n-es opdoffen, je eens opknappen (ironisch).
opdrogen, opdroge, In de zegsw. Ik zal ʼem wel opdroge! ik zal hem wel geven wat hem toekomt (aan straf, afstraffing), wel zorgen dat hij zijn portie krijgt; hem wel vinden. Als ik ʼem te pākke krijgt, dan zal ik ʼem wel opdroge!
opheuen, opheuje, opheujen, opjagen, aenjagen, voortdrijven; eigenlijk van vee.
opperman, upperman, opperman. Mijn man is upperman, ʼt Zit er van de week niet an! (Rijmpje). – ‘As ze maar niet ongelukkig wordt mitter hoogerop! Voor mijn part krijgt ze-n-een upperman of‘ enz., V. en VI. 256. Verg. Rek. Buurk. 58 (en op veel andere plaatsen) upperknecht.
opsluiting, opsluiting, Geen opsluiting hebben, geen vermogen hebben om iets met zijn geheugen vast te houden. (Gehoord van mijn Vader, die de uitdr. als predikant bij zijn werkbezoek had opgeteekend).
orthodox, otterdoks, Een otterdokschen domenie, V. en Vl. 255
overeind komen, overend kommen, opstaan (uit het bed komen). - Zeg, kommie nou eindelijk is overend?
overhuizen, overhuizen, (hoofdtoon op óver-), verhuizen. Zijne jullie al overgehuisd?
pan, pan, (dakpan). - Onder de pannen zijn, geborgen, veilig, binnen: ‘onder dak’.
pannendiefje, pannediefje, (spel). - Twee partijen waarvan de eene de ‘pannen’ (potscherven of stukjes hout) binnen een bepaald vak bewaart, en de andere trachten moet de ‘pannen’ te bemachtigen, bestrijden elkaar. Kan de verdedigende partij een der ‘dieven’ vangen (of omgekeerd), des te beter. De partij van welke alle spelers gevangen zijn, moet vervolgens trachten de gevangenen weer te verlossen.
papenstoel, papestoelen, de paardebloem. (Heukels 250).
penningbeschuitje, penningbeschuitjes, lange, smalle, met wat suiker en kaneel bestrooide thee- of chocoladebeschuitjes. Schertsend: merensjes (zie boven).
pestkop, peskop, lastig, onaangenaam, plaagziek persoon. - ʼt Is zon peskop! Verg. v. Schothorst 183.
peuter, [niet pluis, niet zuiver], peuter, met een ontkenning: Niet peuter, niet zuiver, niet pluis, niet ‘frisch’. Daar is ʼt óók niet peuter. Die (t.w. die persoon) is óók niet peuter. Verg. Wdb. XII, 1449.
pied, pie-éé, Pie-éé springe, haasje-over springen of spelen. (De jongen die als bok staat, gaat telkens, bij iedere nieuwe ronde der springers, de breedte van en voet (voetzool) vooruit. Riep men hem toe, om zijn voet (voeten) te verzetten: pied! (Fransch) en is dit de oorsprong van dezen naam voor ’t spel?).
pijl-en-boog, pijleboog, vlieger waarvan het dwarshout als een boog gekromd is. (Verg. Wdb. III, 388; 390 en XII, 1620). In eene Verordening op de straatpolitie te Utrecht van 25 October 1881, art. 8 spreekt het bureaucratische pedantisme van: ‘pijlstaarten‘, voor zulke vliegers. Een (zijn) pijleboog in den wind zetten: een (zijn) vlieger oplaten.
pijpenrooier, pijperoder, pijpewroeter. Verg. pijpenroeijer, Algem. Politieblad 1855, bl. 461. als gestolen te Kamerik.
pinkelen, pinkelen, Spel met een aan beide einden aangepunt stokje en een slagplankje.
pint, pintje, een halve kan (halve liter).
plaats, plaas, plaas van, in plaats van. - Plaas van nou ʼes netsjes ʼen hāndsje an meheer te geve, kijk-je nou zoo lillik!
plukken, plokke, Plokke, heef geplokke (appels, peren).
polder, polder, streek gewest. - In die vremde polders, in die vreemde landen. Verl. Z. - v.d. Monde.
pratten, pratten, Staan pratten, staan zeuren, b.v. van een plant, die niet dood is, maar niet uitloopt. - Ook voor: zachtjes staan te koken.
prous, prous, spel. Zie roerop.
pruikenmaker, pruikemaker, Zegsw. Ik heb het zoo druk als een pruikemaker met één klant. Gehoord van iemand die het niet druk had, maar wel veel omslag maakte, spottend van zich zelf.
psalm, pĕsálm, pĕsállĕm
puls, puls, schepemmer aan een steel.
put, put, (beerput) - Een put verlaten, een (beer)put ledigen, schoonmaken. De putverlaters, de nachtwerkers; met een middeleeuwsch eufemisme te Utrecht ‘die syndaelsniders’ geheeten. (Door Verdam 7, 1143, en evenmin door Overvoorde en Joosting, Gilden v Utr. II, 252 - is deze verbloeming begrepen. Van der Monde (Beschr. V. Utr. I, 130 – 131) begreep die wel.- Verg. een heymelycheit verlaten, Rek. Buurkerk 200.
raap, raap, lichaam. - Hij stook ʼem (schoot ʼem, enz) dwe(r)s deur zen raap. - Verg. een stuk in zen raap, bij van Schothorst 188.
ragebol, raagshoofd, ragebol.
ram, ram, mannetjeskonijn. - De moer (moejer) bij de ram zetten.
rapklomp, rapklomp, gebarsten klomp, en vandaar voor een gebarsten of beschadigd voorwerp van sieraad enz., een ‘mispronk’ (Leiden). - Da’s je ook ʼen rapklomp (b.v. die gebarsten vaas); zouwe die maar niet ʼes in de vullesbak doen?
recht, richt, recht, vandaar: kort. De richtste weg; deze weg is richter. (Winkler Idiot. I. 358). Verg. v. Schothorst 190.
rechtdoor, reiduur, reidurig, voortdurend, gedurig. (Verl. Z. - Gerhardt).
rechtevoort, rechtevoort, eigenlijk, welbeschouwd, ronduit gezegd; om zoo te zeggen; als ik ʼt zeggen zal (of moet); en derg. ʼt Is rechtevoort jammer. Verg. v. Schothorst 189.
reet, reet, (aarsspleet; achterste). Amme reet! Likme reet! Verg. bij Van Schothorst 190: Op je reet!
reetjagen, reetjagen, strafoefening onder schooljongens: twee grijpen een derden bij de armen, nemem hem, achterste-voren tusschen zich in, en dwingen hem dan, zoo snel mogelijk achteruit te loopen. - Wille we hem ʼes reetjaoge?
regenen of sneeuwen, regenen of sneeuwen, ‘t Zal mij benieuwen of het regenen of sneeuwen zal: welken keer of loop die zaak nemen; hoe dat zal afloopen, uitvallen.
riek, riek, mestvork; griep. (Wdb. XIII, 108).
rijding, rijding, broodzetting (WDB. XIII, 221)
roerop, roerop!, Uitroep bij, en vandaar ook de naam voor het spel: prous (Utr.), ‘schaar’, of ‘châine’; te Rotterdam: herrieprous. Twee jongens moeten, hand aan hand, andere jongens trachten te tikken met de vereenigde handen, en daardoor te vangen; ieder die gevangen wordt moet zich aansluiten en in den keten meelopen, tot eindelijk allen gevangen zijn.
rollen, rollen, ‘Een potje rollen‘. Zeker knikkerspel, waarbij niet ‘geschoten’ wordt.
roosteren, roostere, klaren, leveren, lappen, opknappen. - Ik zal ʼem dat wel roostere, dat zal ik wel opknappen.
rotsen, rotsen, ravotten, stoeien, van kinderen. (Wdb. XII, 1454).
rottig, rottig, besmeurd, bemorst, smerig, vuil. - Moar i kon niewers terech omdat i dʼr zoo rottig uetzag, Verl. Z. – Gerhardt. Blĕf van me lijf, met die rottige vingers! Een rottige boel, een smerige boel. Rottige taal, vuile taal, vuilbekkerij.
rotzak, rotzak, (Wdb. XII, 1476). Ook voor deugniet: Voor zooʼn rotzak maok i zooʼn stantsi, Verl. Z. - Gerhardt.
rouwkrakeling, rouwkrakelingen, zeer grooote krakelingen - ‘de Enakskinderen van hun geslacht’ (van Rijn, Tekantjes 36) -, welke vroeger bij begrafenissen, na terugkomst in ’t sterfhuis, genuttigd werden (V. en Vl. 229) en - door huisbedienden in een baliemand - aan sommige personen (‘met name aan de Geestelijken’: Mr. Jacobus Scheltema, Geschied- en Letterk. Mengelwerk IV. II. 202) aan huis rondbezorgd. Dit laatste, t.w. dat bij mijn Vader, toen nog predikant, rouwkrakelingen werden bezorgd, herinner ik mij persoonlijk, doch ook maar van één enkelen keer (begrafenis Mr. C. W. J. Baron van Boetzelaer v. Dubbeldam, 1872). Verg. Broers-Wagenaar, Utrecht (1909), blz. 160.
rug, rug, Op zijn dooie rug liggen, dood zijn. - Toe die daar op zen dooie rug in de kis lag, Vonk. en Vl. 241.
ruit, ruit, Een mooi gezicht door een kapotte ruit! Van (en tot) een huilend kind, of in toepassing op iemand die van nature niet mooi is.
rukken, rokke, rukken. - Rokke, rokte, heef(t) gerokke.
salieflik, salieflik, zekere drank op het ijs, saliemelk. (V. en VI. 22).
schadelijk, schaojelek, teleurgesteld, sneu, spijtig. Wat zet jij ʼen schaojelek gezich? Ben je je messie mit ʼen ander teugegekomme?
schandaal, schandaol, persoon aan wie(n) ieder zich ergert. (verg. Schandaal, 6), in Wdb. XIV, 256). - Myn breur, die as en schandaol al sen goed mit ʼoeren en snoeren opgemaokt ʼeit, Verl. Z. - v.d. Monde.
scharmaaien, scharremaaien, Muilvechten en scharremaaien, Broers, Utrecht1, 10. Verg. Wdb. XIV, 285: Scharmaaien.
scheef, scheef, Een beetje scheef dat juffert wel. Ook wel als onderschrift van een brief, om scheef schrift te verontschuldigen. Verg. Wdb. VII, 493 en XIV, 327. Zoo scheef als een kruiwagen (staan, zitten enz.). Van meubels, ornamenten, kleeren.
scheid, schei, scheiding in het haar. De schei is uit je haar gegaan. Een nieuwe schei, een mooie schei maken.
schelen, schollen, schelen, 1. verschillen. - Wat schol-die? Wat schol-ĕt? ʼt Schol niks! Bij ʼt knikkeren, gooien enz., overal waar iets geraakt of getroffen moet worden. 2. Dat kan mij niet schelen, zegt iemand. Wederwoord: Scheelen zijn de mooiste niet. Ook bij Van Schothorst 194.
scheut, scheut, Op scheut, op streek, op gang, op slag. Goed scheut, mooi op scheut zijn. Een heel end op scheut zijn.
schil, schel, schil, van aardappels, appelen, enz. Aarpelschelle.
schillen, schelle, schillen. - Appels schelle, aor(ĕ)pels schelle. Verg. v. Schothorst 194. Afschellen (kerkpilaren: afschrapen), Rek. Claeskerk, bij Dodt, Archief 6, 304a.
schokken en schenden, schokken en schenden, schimpen en schenden. Verg. Wdb. XIV, 779: schieten of schimpen en schokken.
schommelen, schuppelooie, schommelen. Wikkie ʼes schuppelooie? Verg. Schoppelooten, v. Vloten, Baker- en Kinderr. 4e dr., 132.
schoon, schaon, Wel nou nog schaonder! wel nu nog mooier!
schop, schup, schop (met den voet).
schoppen, schuppe, schoppen (met den voet).
schuimer, schūmer, sjūmer, De sjūmers, de straatjongers, bepaaldelijk, bij de jongens der andere, betere scholen, de jongens van de (voormalige) Havelooze School Achter Sint Pieter. Daor komme de sjūmers! waarschuwingskreet bij de onderlinge vechtpartijen der scholen.
schunnig, schūmerig, schundig, 1. armoedig, schunnig. ʼEn schūmerig jasje. 2. schunnig.
serenade, senaode, (optocht der studenten bij avond met fakkellicht).
sering, singeringen, seringen (bloemen).
Singel, Singel, onz. Hij woont erreges op ʼt Singel. - Hy sprak my op ʼt cingel aan. Gew. Weuw. 3,3. Verg. op ʼt Steenwech, op ʼt Springwech.
sjek, sjek, sjekkie, vrouwen-(nacht)jakje. Zon sjekkie, zoo as die vrouwe anhebbe. - Een kort sekkie, bij De Vries, West-friesche W. 29. Verg. in Wdb. VII, 1912: Casiacq, kezjak (?)
sleeuw, sleesch, bot, stomp, slee, van tanden. Men tande zijne zoo sleesch. Van zuring wor-je sleesch an je tande. Verg. Slēj, bij v. Schothorst.
sloeg, sloeg, slag, snaai, slaatje, winst. Een mooie sloeg, een belangrijke winst (bij ʼt spel, in een onderneming enz.).
slokkerd, slokkers, met de schil gekookte aardappels. (V. en Vl, 22).
sloof, sleuf, Verg. gloof, gleuf.
smiecht, smiek, gemeene vent; smiecht. Zon smiek! Zulleke smieke! Gemêne smiek!
snierken, snierken, ‘grissen’ bij ʼt vliegeren. Door mij nooit gehoord, doch vermeld in N. Rott, Cour. van (30 of 31?) Augustus 1893. Daarbij Snierker, grisser.
snuffen, snoffe, Ergens van snoffen, er van lusten, er zijn bekomst van krijgen. - Daor hepze an gesnof! Daor zal-die an snoffe! (dat zal hem berouwen!).
somwijlen, sewijle, (b.v. In h. en op str. 59).
spakerig, spakerig, heiïg, droog in de lucht, b.v. bij veenbrand. ʼt Is spakerig in de lucht. - Ook met betrekking tot een drogen mond: Ik bin zoo spakerig imme mond! Spakerigheid, heiïgheid, droogte van de lucht.
span, span, de driehoek van touw aan een vlieger, waar het vliegergaren aan bevestigd wordt; ‘toom’ (Amsterdam). Is je span goed?
speetjespaling, spitjespaling, speetjespaling: mootjes gebakken paling aan een stokje (speetje).
speldenvis, speldevischjes, jonge stekeltjes, zoo als men ze uit de grachten met groote hoeveelheden opschept.
sponde, sponze, voor: sponde. ‘Als ik op mijn laatste sponze lig‘, vrouwtje, tot mijn Vader bij ʼt wijkbezoek als predikant.
spugen, spoegen, spugen. Spoeg maor uit. - Men vreesde …… Dat hij de kaamer zou …… Tot aan de zolder spoegen onder, Gem. Parnasl. 2de dr., 298.
stadskelder, [kwaliteitsaanduiding], stadskelder, jenever uit den ‘stadskelder’, de beste Schie-dammer (Gedenkschr. 1840. IV. 5 en 12). Thans zeker niet meer bekend. Verg. Wdb. VII, 2097.
standje, stantsie, drukte, beweging. - Vor hum, die al zen leve nie cheduch het, in die al je geld bij de hoere gebroch heit, voor zooʼn rotzak maok i nou zooʼn stantsi, Verl. Z. - Gerhardt.
steen, steen, Wanneer men te Utrecht bij een oploopje vraagt: Wat is er te doen? krijgt men ten antwoord: Er wordt een oud wijf van den steen gesneden (gehoord 1881). Verg. Harrebomée, Utr. Spreekw., in Utr. Volksalm. voor 1864, In Leiden is ’t antwoord: Der is een klein kindje door een peurschuitje overreden: allebei zijn handjes verbrand!
stel, stel, verg. bierstel, melkstel. - Een stel dair wy onse hout mede plegen te vueren, Rek. Buurk. 112.
stijg, stijgje, strontje op het oog: paddescheet, wegescheet.
stijgbeugel, stiebeugel, stîbeugel, stijgbeugel: v. Schothorst: stigbögel.
stik de moord, stik de moord!, Verwensching.
straathand, straathanden, schertsend voor: de voeten. Ook bij Cremer 13, 58-59 (De Betuwsche Neef).
strijdig, [onvriendelijk], strijig, tegensprekerig, onvriendelijk. - En strijige vent. - Verg. strijen, tegenspreken, bij v. Schothorst.
stroelen, stroelen, inhalen, opstrijken van de winst bij ʼt spel: knikkers, centen enz. Ik stroel ze! ik strijk mijn winst op. Ook wel voor: goede zaken doen, geld verdienen. Jij stroelt ze maar! Jij bent maar aan de winnende hand, en ook wel voor: Jij verdient maar; jij wordt maar rijk!
strontartillerie, strontartillerie, Benaming voor de ‘nachtwerkers’ of ‘putverlaters’ (ook wel gezegd: strontdieven) met hun voormalig apparaat van pompmachine, karren en tonnen. Het oud-Utrechtsche eufemisme syndaelsniders was beschaafder.
stuik, stuik, waschstamper met drie of vier stompe pooten of punten. - Stuiken, de wasch met zulk een instrument behandelen.
suikerboon, suikerboonen, heerenboonen of princesseboonen, slaboonen of sperzieboonen.
taps, tapsch, conisch. - Een tapsche kraan. Verg. taps bij v. Schothorst.
teen, tee, teen, toon. – ’En zweer an ze graote tee. Trap me niet op me teeje! Hij was lillik op zen teeje getrap.
tegenspartelen, tegensporten, tegenspartelen, zich verzetten. - Niet tegensporten! laot je nou zoet in je keeltsie kijke!
temet, temee, temeechies, straks, aanstonds, zoo dadelijk. - Ik zel het zoo-temee doen. Ik kom zoo-temeechies. Verg. temēj, bij v. Schothorst.
teruguit, teruguit, achteruit, achterwaarts. Teruguit! b.v tot een paard voor een kar. Verg. ruggesuut, bij v. Schothorst 191.
teugel, teugel, Op ééne teugel loopen, met het hoofd eenigszins scheef naar één kant.
timp, timpje, smal, langwerpig naar beide kanten spits toeloopend broodje; timpjes, vier, vijf of zes zulke broodjes aanelkaar gebakken (gelijk ze verkocht worden). Verg. bij v. Schothorst timpjen.
toen, toe, toen - ʼEn wat zee-die toe?
tolstok, tollestokkie, grappige benaming voor penis.
trek, trek, tocht, trekking van wind. - Op den trek staan, zitten. Trekkerig, tochtig. Ik vin ʼet hier trekkerig.
trekmuts, trekmuts, de vleugelmuts der Utrechtsche boerenvrouwen. Ook in toepassing op een persoon (dienstmeid) met een trekmuts in de stad. - Zoo, trekmus! (tot de dienstbode).
trietoog, trietoogen, druipoogen, leepoogen. (Geld. siepoogen).
troost, troos, koffie. - ʼEn bakkie troos. - Verg. bij v. Schothorst: ʼen kommetje troost.
tuffen, tuffen, spuwen (speeksel verwijderen). - Iemand op zijn vestje tuffen, hem de waarheid zeggen; hem beschaamd zetten. - Domenee hepem lillik op zen vessie getuf!
turfmul, turfmul, turfmolm.
turftonster, turftonsters, turfvulsters, Verg.: Aleyt die den torf te vullen pleecht, Buurkerk 87.
tuut, tuut, politie-agent. In mijn Utrechtschen tijd nog geheel onbekend. Naar ’t geluid (‘tuut’) van latere signaalhorentjes? Te Rotterdam: hoed, te Leiden: luis.
Twijnstraat, Twijestraot, (twij-e-, tweelettergrepig), Achter Twijestraot. Is de Utrechtsche bevolking dit blijven zeggen, of heeft het onhistorische, op stadhuisbureauʼs uitgedachte Twijnstraat , van het hedendaagsche straatbordje ingang gevonden? De beteekenis van den naam (waarnaar op allerlei wijzen is getast en gezocht: verg. ook de schrijfwijs: ʼt Wystraat en ʼt Weistraat), t.w. dubbele straat; aan beide zijden met huizen bebouwde straat (langs een gracht) heeft de oud-burgemeester C. Booth al aangewezen in een geschrift (ongedrukt), waar Van der Monde (Straten enz. v. Utrecht I, 285) uit aanhaalt: ‘Die Twistraete, de Twystraet, quasi Tweestraat, omdat het dʼoudste en de eerste dubbele strate is op dʼoude Gracht.’ Verg. ook A. van Buchell, Traiectie Batavorum Descriptio in de opnoeming der voornaamste straten: Via Larga (vel gemina), met een noot in ʼt hs. Twyestraat; van B. twijfelt dus triszles, wijde straat en dubbelstraat; zie Bijdr. en Meded. Hist. Gen. Utr. 27, 222. - Van der Monde, a. w. 3, 163 gebruikt ‘tweestraat’ als nom-appellat.: ‘De zoogenaamde dubbele of tweestraten, waarvan er vier binnen deze stad aanwezig waren’ (t.w. de Lijnmarkt, Snippevlucht, Donkere Gaard en Twijstraat). Verg. het tegenovergestelde in Enkelstroth, een nederd. geslachtsnaam.
uil, uil, Ik zit hier als een uil voor een geutgat, t.w. ongelukkig, verlaten (gehoord van een oud man - grootvader - die in een familie zoo wat overschoot). Verg. grijnzen als een nicker veur een geutgat, bij Bredero I, 277.
uiten, uiteren, uiten, uitspreken. Het ʼet ha(r)t es! Uitert dat woord (b.v. een scheldwoord) nog êns!
vademen, vaojeme, vamen, 1. de naald van een draad voorzien, een draad in de naald steken; ‘de naald insteken’; noordholl. (Heiloo) neeldooge. - ʼt Wor-te donker; ik kan nie-meer vaojeme. Verg. een naalde veemen, De Bo 1076. mul. vessemen. 2. de beenen (wijd) strekken, van een paard: Hij vaamt mooi, maakt mooie, wijde schreden.
valsigheid zal bovendrijven, valschigheid zal bovendrijven!, Uitroep bij betrapping op valsch spel. Leiden: Eerlijkheid drijft boven! Westland: Onneuze zal kabele!
varken, varken, stoffer, vloerveger, ‘stofvarken’.
vast, vas, zeker, secuur. - Daʼ wit ik vas. Vas niet, secuur niet.
vasten, vastene, Je hebt de boter vergeten‘. ‘Gên botter op toafel? ʼt is toch nie-in de vastene!’ (een dienstbode. 1891).
veel, veul, Veul is nie(t) genoch, met veel is de stof niet uitgeput; de stof is onuitputtelijk. ‘Nou, veul is niet genog, wat zekkie meer zegge‘, Gedenkschr. 1839 I. 20. Vaak bij Cremer, Overbet. Nov.: Veel niet genoeg.
verbeuren, verbeuren, vertillen. Verbeur je niet!
verkleding, verkleejing, (studenten)maskerade, Gedenkschr. 1839. IV. 84.
verlaten, [reinigen van beerput], verlaten, een put (beerput): ledigen, reinigen. Verg. Putverlaters. Van een heymelicheyt te verlaten in die Zaelstraet, Rek. Buurk. 200.
verneuren, verneure, voor den gek houden, verneuken. - Stao me nou nie-te verneure! Jong, laot je-n-eige nie-verneure! Zeg, verneur me niet! Ik lame niefferneure!
verrel, vierel, verrel, kwart-el (verrel). Een vierel lint, katoen, enz.
vers, vorsch, Versche vis; vorsche ge(r)naole.
verschenen, verschêne, verleden. - Verschêne Maondag, verleden Maandag, Maandag laatstleden.
vinden, vinden, Als iemand klaagt: ik kan het niet vinden! krijgt hij (zij) te hooren: Steek dan je oogen in je zak, en kijk door de gaten! Verg. Coster, Teeuwis, vers 263.
vreet, vreet, gezicht, gelaat. - Een zuur vreet, een zuur, onaangenaam gezicht. Verg. nhd. Frässe, Fresse, Gefräsz(e); (afrik.?) gevreet, bij Hesseling, Afrikaans, 2de dr. 80.
vrijwoning, vrijwoninkje, vrije woning (oud-Utrechtsch: ‘kamer’) in een der stichtingen voor arme lieden. Moeite doen voor een vrijwoninkje. Een vrijwoninkje in Stevensfundatie.
vuilnis, vulles, vuilnis. Doet dammaar bij ʼt vulles. De vullesbak; de vullesman. - Van die vullens … wech te voeren bi den duytschen huze, Rek. Buurk. 111.
waar, waor, is ʼt niet waar? immers? Zoo is ʼt immers. Je hep je(n) eige ommers geen pijn gedaon? waor liefie? (tot een kind).
waarheid, waorheid, in ‘een woord van waarheid‘, een plechtige verzekering, bevestiging. Zeget) ʼes met ʼen woord van waorheid, of enz. ik zeg ʼet je met ʼn woord van waorheid, ik verzeker het je plechtig, heilig. (Een woord van waarheid, eigenlijk: een eed? een eedsformule? dus: doe er eens een eed op?).
waarom, waorom dat, worom dat, in de algemeene taal: waarom, om welke reden; reden waarom; weshalve; Zeg ʼes waorom dat je gustere nie chekommen-en bint? - Zen ouwste zeun … ʼoorde in de veerte zon gelol en gedaens, worom datti an een van de knechts vroeg, wat dut te beduijen ʼad, Verl. Z. - Van der Monde.
waarzo, waarzoo, waar?
wachtel, wachtel, kwartel (vogel).
wade, waai, de holte onder (aan de tegenovergestelde zijde van) de knie. - In de waai vamme bên. Verg. wōj, bij v. Schothorst 224.
wanschapen, [misvormd], wansjaapen, Gew. Weuw. 1, 115. Voor š verg. sjūmers.
weegscheet, wegescheet, paddescheet, strontje op het oog; ‘stijgje’; men krijgt het door bij den weg zijn gevoeg te doen. Verg. paddescheet en padpieser (Kampen).
wees, [prieel], wees , weesje, tuinprieel. - Ze zitte-n-in de wees. Verg. bij v. Schothorst wēšen. Verg. ook wingerdweesje (Hoenkoop, Lopikerwaard), bij De Man, Het wassende water, 2de dr., 10.
weit, weit, tarwe; rooje weit, roode tarwe. Weitebrood, tarwebrood, wittebrood. - Weit, Rek. Buurk. 120. - Weytenbroit, Rechtsbronn. v. Utr. 1, 328.
wenken, wenken, Ik heefem) gewonke.
wielewaal, wiewaal, wielewaal.
Wijde Watersteeg, Wijewaotersteech, Hij hef teugeswoordig ’en kak op zen lef; de Wijewaotersteech is ’em nog niet wijd genoch!
wijzer, [van een klok], wijsder, wijzer (van de klok): De wijsders van de klok van den Domstoren. De graote, de kleine wijsder.
wind, wind, Een pijleboog in de wind zetten, een vlieger oplaten.
winddrijver, winddrijver, platte vlieger (waarvan het dwarshout niet als een boog gekromd is); kolder (omstreeks 1868).
wreef, wreech, vreech, wreef van den voet.
Zadelstraat, Zalestraat, Zaliestraot, de Zadelstraat. Zalestr. b.v. bij (Vermeulen), De Gt. Utr. v. h. j. 1813, bl. 73.
zak, zak, (scrotum), in woordspeling. Raadsel: Waarom jongens bij de geboorte zwaarder zijn dan meisjes? Antw. Omdat een jongen de zak meebrengt. Schampere grap onder de kleine burgerij te Utrecht: op den morgen na den bruidsnacht, als de man op zijn werk is, door een krullenjongen b.v., bij de jonge vrouw laten vragen ‘om de(n) leege(n) zak’.
zebedeeïg, zebedeeïg, zedig, bedeesd. Een zebedeeïg gezicht (zetten). Ook te Leiden. Uit ‘zedig’, vermengd met: ‘bedeesd’?
zeiken, zeiken, pissen. Hij (een kat op een zoldering) zeek ʼem net op zen kop.
zere hoofdjes, zeere hoofdjes, de koekjes die elders: kletskopjes heeten.
zijn eigen, zen eige, der eige, zich. Hij wasch zen eige. Hij het zen eige te kort gedaon, zich verdronken of verhangen.
zitten, zitte, Gaot zitte! Uitroep van verbazing enz., wanneer men iets verwonderlijks enz. verneemt: hoe is ʼt mogelijk? Kan het waar zijn? wat zeg-je? - Ik denk dat het een verzachte, vermomde uitroep met ‘Gods’ is.
zout, zout, bnw. - Zoo zout heb ik het nog nooit gegeten! zoo kras heb ik het nog nooit gehoord!
zuigpapier, zuigpapier, vloeipapier. (ʼEn zuuchien, Deventer).
zwaniken, zwaniken, omzwaniken, naaistersterm: preveiliën, ompreveiliën (Utrecht, 1892). Te Houten is (was omstreeks 1880) een familie Zwanik (of Swanik). Verg. den geslachtsnaam Preveilie, in de Camera Obscura (Antwoord op een brief uit Parijs), aldaar misschien gefingeerd(?) maar ook werkelijk voorkomende (Provily).
zwengel, zwengel, beweegbare arm van de pomp, pompslinger (Slinger, Leiden; Slager, Kampen).
zwilwrat, zwielwrat, eeltwrat aan de pooten der paarden. Verg. zwil, eelt, bij v. Schothorst.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal