elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanhoudend

aanhoudend , aanhaldend , aanhoudend.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
aanhoudend , ánhoûwend , aanhoudend, voortdurend Tot diêp in mért waar ’t d’n héllen tied mar ánhoûwend kwoi wéér. Tot ver in maart was het aanhoudend slecht weer.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanhoudend , ônhaauwend , geregeld , Dieje mèns is ônhaauwend ziek, és't nie verandert zie ik 't zó'mér dónker in. Die man is geregeld ziek, als het niet verandert zie ik het maar somber in.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aanhoudend , anholend , bijvoeglijk naamwoord , aanhoudend, voortdurend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanhoudend , anhouwend , bijwoord , aanhoudend, voortdurend
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aanhoudend , ènhèèwend , voortdurend, steeds weer , Hèij lupt mén ènhèèwend vur de voêwte. Hij loopt mij voortdurend voor de voeten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
aanhoudend , anhaawend , unhaawend , bijwoord , voortdurend (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
aanhoudend , [aanhoudend] , aanhaojendj , aanhoudend, steeds weer
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal