elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanladen

aanladen , aanlaaie , kleven, b.v., het roet kleeft aan den ketel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
aanladen , anlaan , sterk, zwak werkwoord , 1. opschieten met laden Wij meut anlaan, want aans dan kriew er nog règen ien (Rui) 2. volladen Ie meur dei wagen nich zo anladen; hij wordt veuls te zwoor (Bov), Nog even een paar zakken vol en dan bin ik anladen vol (Exl), als bijvoeglijk naamwoord Die kerel was zo anlaon, dat hie kun niet meer lopen erg dronken (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanladen , ônlaoje , aanbakken , Panne die ônlaoje moet'te nie vatte és ge strûif wult bakke, dé wèrkt nie. Pannen die aanbakken moet je niet nemen als je pannenkoeken wil bakken, dat werkt niet.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aanladen , anlaeden , werkwoord , 1. sneller gaan met het laden 2. geheel vol laden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanladen , anlaaie , werkwoord , aankoeken (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal