elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanlopen

aanlopen , [ergens heengaan] , aanloopen , Er tegen aanloopen beteekent hier berispingen of ook wel schade beloopen. Op andere plaatsen zegt men er tegen aanrijden of eenvoudig aanrijden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
aanlopen , anloopen , aan de teeldrift voldoen door wijfjes van schapen, honden, varkens, konijnen, en van geiten; ook Oostfriesch; anloopen loaten = die dieren daartoe de gelegenheid geven, door ze bij het mannetje in ’t zelfde hok te brengen of bij elkander in het land te laten loopen.
aanstappen, den pas versnellen; ie mouten wat anloopen, ans koom wie te loat. Vgl. anëten.
blijven staan, van uurwerken; mien allozie, (de pendule), enz. is anloopen, hij mout opwōnnen wor’n; ’t land loaten anloopen = zóó behandelen, dat het geen goede vrucht meer kan voortbrengen, het land uitputten.
voor: bedragen, beloopen; ’t lopt nogal wat an = de kosten worden nogal aanzienlijk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanlopen , anloopen* , 1, vgl. tielen *; 2 = Nederlandsch “oploopen”; vergel. opnemen . Verder voor het afloopen van een uurwerk, vooral van een kettingklok, en dan meestal als deelwoord: klok is anloopen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
aanlopen , ánlope , aanlopen We zulle mar wér’s ánlope We gaan maar weer eens.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanlopen , anloupe , werkwoord , Aanlopen, mislopen, in de zegswijze ’t zel anloupe, de skeipe skreêuwe, het wordt slecht weer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanlopen , anlopen , even binnen wippen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
aanlopen , anlopen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. treffen, oplopen, (te pakken) krijgen Die is nooit gien kerel an elopen, ze zal wel blieven lopen (Wsv), Aj een vlo bij je hebben, vraogen ze: Waor loop ie die an? (Klv), Wat een aparte klokke, waor hej die an elopen? (Bro), Gaot toch niet uut mit dit hondeweer, ie zullen der een ziekte bij anlopen (Ruw) 2. aanlopen, schuren De ketting van je fiets lop an (Ass), As het rad van de wagen anleup, dan reupen wij: gierige boer of: luie smeerder (Odo) 3. bijhouden, inhalen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) Hij kan gien haos meer anlopen (Row) 4. weten, gewaar worden Ik bin het toevallig an eleupen (Flu), Ja, det weet ik al, det is mij gister an elopen (Pes), Die dee net, of hij nargens wat van anleup (N), O, bi’j dat niet an elopen? gewaar geworden (Hol) 5. meelopen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Daor zit er in de karke, die lange niet schone bint onder het vessie, en de doomneer lat ze maar zo mit onder de stok anlopen... neemt ze als een herder onder de hoede (ui) 6. duren (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) Dat löp nog wel even an, veur as het zowied is duurt nog wel een tijdje (Noo) 7. dekken (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Wij hebt die hond anlopen laoten (Sle), Het wicht was anlopen in verwachting geraakt (And), Daorum leuit e zien sigaret even anlopen bij die van Jopk (Eex), zie ook bokken 8. een kleur krijgen Hij leup helemaol rood an, toen de jongen hum met zien meid plaogden (Hijk) 9. op het eind zijn De startklokke is an elopen, ik hebbe vergèten de gewichten op te trekken (Hgv), Nou is het rad ok nog an elopen zit muurvast (Hol), (fig.) Ik ben der mit anlopen ik kan niet verder (Wtv) 10. binnenwippen Dokter komp geregeld even anlopen (Bal) 11. sneller lopen Ie moet anlopen, aans kooj te laete (Dwi) 12. oplopen Het lop tegenwoordig nogal wat an, aj wat doun laoten (Eel), Het volk lop aal nog wat an er komen steeds meer mensen (Bor), Het druppelde wat nao, zodat het nogal wat anleup (Schl), Dat akker lop schuun an loopt op (Coe) 13. in De wind lop hoger an, wij zult wel winter kriegen gaat naar het noorden (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanlopen , aonlópen , 1) beginnen te lopen; 2) ergens naar toe gaan.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
aanlopen , anlopen , 1. aangaan bij; 2. vlugger lopen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanlopen , anloopm , kort bezoeken. Komp mârgn is anloopm, wie bint de hele dag in huus.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
aanlopen , anlopen , werkwoord , 1. sneller gaan lopen 2. binnenwippen, terloops bezoeken 3. bij anderen onderdak zoeken en vinden (van huisdieren) 4. voortdurend binnenkomen, toelopen 5. opdoen, toevallig krijgen 6. inhalen, bijbenen 7. tegen iets aanlopen bij het draaien 8. zich ontwikkelen, uitlopen op 9. ten einde lopen 10. verkeerd aflopen 11. een bep. kleur krijgen, vooral: in het gezicht 12. snel boos, driftig worden 13. toenemen van de wind 14. groter worden van een bedrag, aantikken 15. nadruppelen, nog steeds komen, bijv. ’t Lopt nog de hieltied an op et gironommer 16. schuin lopen naar links, rechts 17. geleidelijk omhooglopen 18. een geleidelijk verloop hebben, in een geleidelijk lopende lijn gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanlopen , ônkomme loewepe , aan komen lopen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aanlopen , ôn loewepe , beginnen te lopen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aanlopen , ônloewepe , ergens aangaan
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aanlopen , anlopen , (werkwoord) , 1. aanlopen. Ik lope effen bi’j de buren an; 2. doorlopen. Ie mut wel een bettien anlopen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanlopen , ènloope , aanlopen , Ge moet is komme ènloope. Je moet eens komen aanlopen. Kom eens (onverwachts) op bezoek., Blèùw ènloope. Blauw aanlopen. Woedend worden.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
aanlopen , ònloope , werkwoord , beginnen te lopen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
aanlopen , ònlôope , sterk werkwoord , ònlôope - liep aon - òngelôope , aanlopen; duren; Komt nog mar is ònlôope. WBD III. 4. 4:120 'aanlopen' = duren; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLOOPEN – uitblijven: het zal nog een jaar – eer dat het werk gedaan is.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal