elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanrijden

aanrijden , anrieden , leelijk te pas komen, er in loopen; hij ken d’r wel mit anrieden, als hij bv. een haardstee te min aangegeven heeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanrijden , ánréêje , wegrijden As g’op tied wilt zien motte nou ánréêje Als je op tijd wilt zijn moet je nu wegrijden.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aanrijden , hai rit aan , hij komt op de koffie
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
aanrijden , anrien , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. opschieten met rijden Ie mout wat anrieden, het is al zo laot (Ros) 2. aanrijden Hij hef mij anreden, toen ik stille stund (Geb), Hij kwam der zo mooi veurzichtig anrieden(Bov) 3. inrijden, beleren (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Det jonge peerd mut goed an erene wurden, want hij kent nog niks (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanrijden , ônréije , wegrijden , We zulle mér'res ônréije meej diejen óngedóópte anders kunne we nie van plak. We zullen maar eens wegrijden met die nieuweling anders kunnen we niet van huis.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aanrijden , anrieden , werkwoord , 1. aanrijden: sneller rijden, opschieten met het rijden, schaatsen 2. tegen een persoon of dier rijden in het verkeer 3. naar een bep. plaats vervoeren door te rijden 4. rijdend langskomen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanrijden , [met een voertuig tegen iets of iem. stoten] , anriejen , anrieden, anri’jen , (werkwoord) , aanrijden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
aanrijden , ènrèèje , èngereeje , vertrekken , Ik wâr al um vier uure èngereeje. Ik was al om vier uur vertrokken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
aanrijden , ònrééje , werkwoord , vertrekken (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal