elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanslag

aanslag , [bezigheid, werk; materiaal voor werk] , anslag , bezigheid, werk; ook Gron. – Oostfr. anschlag = stof, voorwerpen voor den arbeid.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aanslag , [omslag, wijdloopigheid] , anslag , omslag, wijdloopigheid.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
aanslag , ansloagen , (zelfstandig naamwoord alleen het meervoud), in: roare ansloagen hebben = wonderlijke invallen hebben, zonderlinge, belachelijke fratsen maken, enz. In deze beteekenis het werkwoord ansloagen; wat ken hij dōl ansloagen! = wat heeft hij gekke praatjes! Hiervan de vergelijking: ansloagen as ’n blinde vink = zotte, uiterst dwaze redeneeringen voor den dag brengen; slacht die ’t mal (het malle) an? ’t is net of die’t mal anslacht. Holsteinsch hünnigputsansläge = luchtkasteelen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanslag , anslag , voor: werk, bezigheid; iemand anslag geven = aan het werk zetten en houden, voortdurend bezigheid verschaffen; da’s van zien anslag = dat is eene bezigheid die hem bevalt; ook: iets dat hij graag lust. Drentsch anslag = bezigheid; Oostfriesch anschlag = stof, voorwerpen tot arbeid. – Zal zooveel zijn als: voorwerpen (of zaken) die men aanvat, waaraan men de handen slaat, die ons bezigheid verschaffen.
aanwas, aanslibbing buiten den zeedijk waardoor de kweldergronden ontstaan en tegengestelde van ofslag = wegspoeling van een’ reeds aangeslibden bodem, of van de duinen van Rottumeroog. Zoo is bv. achter Ulrum en Uithuizen veel anslag, achter Eenrum ofslag. Ommel. Landr. V, titel XI: Van alluvie ofte anslagh, en art. 51: Alle angeslagen Landen sullen wesen der genen, die an haer Landen anslaen, gelijk dat van oldes is gewoontlijck.
(aanslag) van thermometer en barometer; een hooge anslag hebben = steeds hoogere graden aanwijzen dan met de werkelijkheid overeenkomt; omgekeerd spreekt men ook van een lagen anslag.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanslag , aanslag , (anslag) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In de uitdr. anslag maken met iemand, een praatje met hem beginnen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aanslag , anslag* , Nederlandsch aanslag = begin, en vgl. “de handen aan ’t werk slaan.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
aanslag , anslag , ond. molen, 38.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
aanslag , anslag , zelfstandig naamwoord, mannelijk , 1 verkeer met medemensen, 2 neerslag, afzetting
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
aanslag , anslag , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze anslag make, 1. contact, verkering zoeken. 2. Vriendelijk bejegenen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanslag , anslag , de , 1. de aanslag van toetsen De typiste hef een vlotte anslag of: Die piano hef een zwaore anslag (Bro) 2. belastingaanslag e.d. Wat hebben wij een hoge anslag ekregen van ’t waterschöp (Mep), De anslag in de lasten wordt hoger (N:Sle), Wij hebt een dikke anslag kregen van de belasting (Dwi) 3. (moord)aanslag Het is een anslag op oen levend (Hol), Der is ain aanslag pleegd op de bankholder (Twe), Het is een anslag op de portemonnee van mij (Dwi) 4. het gereed hebben om te schieten Hij har het geweer al in de anslag (Bov) 5. drukte, veel werk Zij is nou etrouwd, mar zij hef ien heur neie huus neet veule anslag (Rui), We haren vandaege veule anslag, wij muzzen intrekken en kregen ok nog vesite (Die), Daor hej anslag met daar heb je veel werk aan (Sle), Dat café hef veul anslag (Dal) 6. gezelligheid, omgang (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Die tweie hebt heel wat anslag an mekaar (Bei), Zij har niet veul anslag omgang met andere mensen (Die), Bij de buren kuj wal anslag halen (Odo), De maais van onze buren hebt niet veule anslag kregen kregen niet vlot verkering (Koe) 7. overdrijving (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Daor is de neudige anslag bij, want dat biw wel van hum ewend (Wsv) 8. aangetimmerd hout, houten wand (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Die plaanken bint wel geschikt veur anslag an een schuur (And), De anslag van de aolde deur was niet te bried (Dal), Wij hebt er wat dunne anslag an espiekerd (Wsv) 9. aanslag op ruiten, in ketel, op tong etc. Mien regentönne zat vol aanslag (Erf), In melkbussen komp soms anslag (And), Hij hef anslag op de tonge (Dwij), Wat zit er een anslag op oen taanden (Zdw), Hij zaat onder de anslag het vuil op zijn hoofd (Dwi) 10. plankje met steel en gaatjes, waarmee de dakdekker het riet of stro aanklopt (Zuidoost-Drents zandgebied) 11. omslag, wijdlopigheid (wm, dva) 12. (Midden-Drenthe, wb), in met anslag met gebruik van buurmans paard (wb), Ik heb anslag op dat peerd recht op gebruik van dat paard (Eex) 13. tegemoetkomende houding (N) 14. (Zuidoost-Drents zandgebied), in Men hef hier de volle anslag van wind en regen vol in het gezicht (N:Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanslag , anslag , aanslag
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aanslag , anslag , aanslag. Wat zit er toch ’n anslag van dât smerege goed op de plaete.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
aanslag , anslag , zelfstandig naamwoord , de 1. aanslag 2. ondeugende streek 3. plankje aan één deur van een samenstel van dubbele deuren, waarmee de naad ertussen wordt afgedekt 4. vieze laag die ergens op is gaan zitten 5. bezigheid, werk 6. omgang met anderen, contact met anderen, aanspraak 7. verkering 8. instelling om goed met anderen om te kunnen gaan 9. belastingaanslag
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanslag , anslag , zelfstandig naamwoord , drukte (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
aanslag , aanslaag , (vrouwelijk) , aanslag
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
aanslag , ònslag , zelfstandig naamwoord , aanslag (i. a. b.); Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonslag'; WBD (II:738J ònslag - aanslag, het verlengstuk aan de zool dat onder de hak komt te zitten (niet vermeld); WBD III. 3. 1:340 'aanslag = belastingbrief
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
aanslag , aanslaag , aanslaeg , aanslag
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal