elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achtereen

achtereen , achterein , de een achter de ander gaan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
achtereen , âchterén , achter elkaar D’ éndjes kùîerden âchterén. de wég ôver De eendjes waggelden enz.; meteen Vör ow doe ’k dè toch zeker âchterén! Voor jou doe ik dat toch zeker meteen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
achtereen , achterien , achtereens , Ook achtereens (ti) = 1. zonder tussenpozen, aan één stuk door Zij hebben jaoren achteriene armoede eleden (Mep), Het gung aachtereen deur (Bal), ...an ien stuk achterien (Wei), Zij zat mij aal achterene um de kop te zeuren (Hijk), Het hef al jaoren achterien een nat zummer west (Bor), As wij is wat mèer achtereens ofdoen kunden? (N:ti) 2. achter elkaar aan Ze lopen achterien (Dal), Wie fietst achtereine, ...achter’n eine (Bov), Tot honderd achtereen tellen (Die), Die kiender hebt wel twintig keer achteriene det padtien of elopen (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achtereen , achterèn , meteen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
achtereen , aachterin , meteen , Nie trakke, ge moet'ter aachterin ôn begiene, ik hé nie veul tiid um te wochte. Niet treuzelen, je moet er meteen aan beginnen, ik heb niet veel tijd om te wachten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
achtereen , aachterien , bijwoord , achtereen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
achtereen , aachterèn , meteen, onmiddellijk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
achtereen , aachterin , achter mekaar, meteen
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
achtereen , âchterin , 1. achtereen, achterelkaar; 2. achterin , Bèts wón driej kirres âchterin d’n uurste prijs. Betsie won drie keer achtereen de eerste prijs.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
achtereen , achtereen , bijwoord , binnenkort (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
achtereen , achterein , 1. achtereen, achter elkaar 2. zo meteen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
achtereen , achterein , achtereen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal