elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterwerk

achterwerk , achterwark , zie: achterborst.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achterwerk , achterwark , achtewark , (onzijdig) , Achterste, achterkwartier. H(i)ee krig wat vör zîn achterwark. O-Fr. achterkastèl.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
achterwerk , achtĕrwaark , podex.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
achterwerk , achterwark , achtewark , (onzijdig) , Achterste, achterkwartier. H(i)ee krig wat vö̂r zîn achterwark. O.-Fr. achterkastêl.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
achterwerk , achterwark , het , achterwerk Hij völ mit zien achterwerk in de modder (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterwerk , achterwârk , achterste. Hie had zien achterwârk vol modder zittn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
achterwerk , aachterwéérk , bips , Meej ‘n batterèèj, brats, fiejóól, krènt of aachterwéérk beduule ze’w kónt. Met een batterij, brats, viool, krent of achterwerk bedoelen ze je bips.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
achterwerk , achterwärk , (zelfstandig naamwoord) , achterwerk. Zie ook: achterende, konte.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
achterwerk , aachterwaark , aachterwèèrk , zelfstandig naamwoord , werkachterstand (West-Brabant; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
achterwerk , aachterwèèrk , zelfstandig naamwoord , dubbelzinnigheid: achterwerk van de mens, maar ook achter zijn met het werk dat verricht moet worden; meestal gebruikt met ‘zitten’; 1. achterstand in werkzaamheden; In oew aachterwèèrk zèèn = Achter zijn met werk; De Wijs – Eigenluk hekkut vuls te druk, ik zit flink in m’n aachterwerk (09-07-1967); Cees Robben – Ze zitte daor mee d’r allemolle flink in d’r aachterweèrek... (19671117); Cees Robben – Ge zit wir in oe aachterwèèrik... (19870911); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - te wèèd in zen aachterwèèrik zèèn - Te ver achter zijn met het werk .J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERWERK zelfstandig naamwoord  o. - In zijn achterwerk zijn - met iets ten achtere zijn; 2. kont, achterste; WBD III.1.1. lemma  achterwerk -  achterwerk, verspreid in  Tilburg; WBD III.1.1. lemma  bil c.q. dij – achterwerk, ook Tilburg; WNT ACHTERWERK: figuurlijke opvatting: Schertsende benaming voor het lichaamsdeel dat veelal het 'achterste' genoemd wordt.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal