elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afblotten

afblotten , afblotten , 1) schors verwijderen; 2) bladderen (van verf).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
afblotten , afblotte , vervellen , És ge lang in de zón héd gezeete, kan ‘n paor daog lôtter ‘w hûid afblotte. Als je lang in de zon hebt gezeten, kan een paar dagen later je huid gaan vervellen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
afblotten , afblotte , afschillen, pellen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
afblotten , afblotte , werkwoord , afschilferen, vervellen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; West-Brabant; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal