elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afhanger

afhanger , afhanger , zelfstandig naamwoord , afslager, veilingmeester. De man die bij een openbare verkoping of verpachting de opslag regelt. De oude heer Kies was daar een meester in. Zijn zoon Herman stak hem naar de kroon. Zijn gewiekstheid en zijn kwinkslagen maakten een verkoping tot een publieke vermakelijkheid.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
afhanger , afhanger , zelfstandig naamwoord , veilingmeester (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
afhanger , [hangplant] , aafhenger , (mannelijk) , aafhengers , aafhengerke , hangplant , De aafhengers aan de rame in Thoear staon sjoean.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal