elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afkomen

afkomen , [naar beneden komen, thuiskomen ] , afkomen , "zegt men hier als iemand van eene reis of een verwijl weder terugkeert, bijv. hij zal vanavond wel afkomen; zij komt eindelijk af."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
afkomen , [zich van een plaats verwijderen om ergens anders te komen] , afkomen , ofkomen , zie: komen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
afkomen , ofkomen , voor: aankomen, in: ’t op hōm ofkomen loaten = ’t geheel op hem laten aankomen, alles aan hem overlaten, inzonderheid wanneer het geldzaken betreft; – niet van iemand kennen ofkomen, (als men betalen wil) = ’t niet kunnen passen. – ik koom zoo van de kōffie of = ’k heb zooeven koffie gedronken, (en bedank dus); zij mout ’r ofkomen = zij moet opstaan, eigenlijk: van het bed afkomen; ik koom d’r of = ik wil niet langer op bed blijven; ik was t’r om vijr uur al of = ik was om vier uur opgestaan; wat dou ie d’r zoo vroug of!? = waarom zoo vroeg uit het bed? (Hierbij dient opgemerkt dat de bedsteden voorheen nog vrij wat hooger waren dan nu, zoodat men een bankje gebruikte om er in te klimmen. Dit voorwerp prijkte des daags vóór de bedstede.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afkomen , ofkomme , werkwoord , 1. Aflopen, eindigen. | As dat maar goed ofkomt. 2. Uitkomen. | ’t Kwam persies zô of as ik zoid had.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afkomen , ofkommen , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. afkomen Woj wel even van dat dak ofkommen? (Klv), Hie is achterneers van de zolder ofkommen (Sle) 2. er vanaf komen Ik bin met het pèerd op de loop west, maor ik bin der goed ofkommen (Hoh), Die zit zo dik in de schulden; daor komp e nooit weer of (Eke), Hoe koom ik van die zweren of? (Ruw), Aj met die man an de praot kommen, dan kom je der haost niet weer of (Eri), Hai is der goud ofkommen mit dai kou de verkoop is nog gunstig uitgevallen (Vtm), Dat pèerd is hum doodgaon, hie is der sneu ofkommen (Sle) 3. komen De vergunning is ofkommen (Klv) 4. op iets of iemand afkomen Op zo’n wicht, wel komp daor non op of (Emm) 5. overlijden A’k der nog ies ofkome, meuj oe zölf kunnen redden (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afkomen , afkomme , afkomen , Dôr moet'te nouw nie meej afkomme, dé's vurbè én dé wies'te van tevurre, plékbroek. Daar moet je nu niet mee afkomen, dat is voorbij en dat wist je van tevoren, zeurkous. És’ser nen hónd óp’pew afkömt én ge moet dé nie, dan zèg’de wél’les ‘foert’. Als er een hond op je afkomt en je moet dat niet, dan zeg je wel eens ‘ga weg’
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
afkomen , ofkommen , ofkoemen , werkwoord , 1. van iets af gaan, een bep. plaats verlaten 2. naar iets toe gaan: om te bereiken, te verkrijgen, om te weten 3. officieel bekend gemaakt worden, uitgevaardigd worden 4. het genoemde kwijt raken, van iets bevrijd raken 5. wegvliegen van een zwerm bijen 6. voltooid worden, tot voltooiing komen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afkomen , afkomme , werkwoord , bezoeken (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
afkomen , aafkómme , 1. naar beneden komen 2. aan komen zetten met , Kóm van ’t daak aaf!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afkomen , aafkómme , afkomen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal