elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afraffelen

afraffelen  , aafroefele , vlug doch slecht afmaken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afraffelen , ofroffele , werkwoord , Afraffelen, gehaast en slordig afwerken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afraffelen , afroffelen , roffelen of, of eroffeld , afraffelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afraffelen , ofraffeln , zwak werkwoord, overgankelijk , snel en slordig afwerken Zij mus det varsien wat röstiger opzeggen, zij raffelt het veul te gauw of (Hgv), z. ook ofroffeln, ofrabbeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afraffelen , òfraffelen , òfräffelen , in snel tempo een werk afmaken zonder te letten op de kwaliteit. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òfräffelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
afraffelen , ofroffeln , afraffelen. Aj dat wârk zo in de gauwegheid ofroffelt is ’t nooit goed.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afraffelen , afréffele , afraffelen , Ge moet dé vérsje bè ooma’s nie zó afréffele want dan verstis’ser niks af. Je moet dat gedichtje bij oma niet zo afraffelen want dan verstaat ze er niets van.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
afraffelen , ofraffelen , ofroffelen , werkwoord , 1. afraffelen 2. afrafelen 3. veel kletsen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afraffelen , [haastig doen] , ofraffelen , (werkwoord) , raffelen of, of-eraffeld , afraffelen, iets haastig afmaken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afraffelen , afrèffele , afraffelen , ’t Rozzenuujke wier dik afgerèffeld. Het rozenhoedje werd dikwijls afgeraffeld.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
afraffelen , afroefele , werkwoord , afraffelen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
afraffelen , aafraofele , aafraffele , afraffelen , D’n daeke haet vandaag ziene praek ouch mer aafgeraofeldj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afraffelen , afrèffele , zwak werkwoord , afrèffele - rèffelde(n) aaf - afgerèffeld , Pierre van Beek: afraffelen; Koen. haastig en slordig opzeggen of afmaken; Frans Verbunt: de roozekraans afrèffele - afratelen; Frans Verbunt: garen (van de klos af laten lopen); WBD (III.3.3:195) 'afraffelen' = afraffelen; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): afroefele - haastig en slordig werken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal