elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afvallen

afvallen , ofvallen , tegenvallen, ongunstig of onvoordeelig uitvallen; of: uit de hand vallen. “Er is niet zooveel stroo op het land als ʼt vorige jaar, doch het schudden zal niet afvallen”, enz. (v. Dale: iemand afvallen = hem minder behagen dan waaraan hij vroeger gewoon was, of minder dan hij verwachtte; zijne hoop of zijne verwachting teleurstellen. Ook van zaken.) Spreekwoord: Dat valt of, zee de hond, dou ʼe zag dat de wōrst nijt veur hōm was. Zie ook: touvallen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afvallen , ofvallen* , tegenvallen, ook sub “afvallen” bij v. Dale, zie ook: touvallen .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
afvallen , ofvaln , werkwoord , tegenvallen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
afvallen , ofvalle , werkwoord , Tegenvallen. Hoewel afvallen = tegenvallen, ook Nederlands is, gebruikt de Westfries vaker ‘ofvalle’ dan ’teugenvalle’. Vgl. Fries ôffalle.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afvallen , ofvallen , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. afvallen Hij is vief pond ofvallen (Pdh), Hij is van de preekstoule ofvallen zijn huwelijk is aangekondigd (Bov), De zörgen vulen van hum of (Oos) 2. tegenvallen Dat valt mij smèrig van je of (Sle), Het valt je of, aj zo’n stuk met zo’n koffer lopen moet (Emm), Naolaotenschappen vallen vaok of (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afvallen , ofvalen , werkwoord , 1. naar beneden vallen 2. losgaan en vallen 3. vermageren 4. niet meer meetellen, niet meer rekenen, niet meer mee kunnen of mogen doen 5. in de steek laten, laten vallen 6. teleurstellen 7. niet bep. gemakkelijk, aangenaam zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afvallen , ofvalle , werkwoord , [Wms] uitvallen van electriciteit (alleen gebruikt in voltooide vorm: De strôôm is t’r ofgevalle De electriciteit is daar uitgevallen)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
afvallen , [neervallen; vermageren; tegenvallen] , ofvallen , tegenvallen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
afvallen , afvalle , werkwoord , heimwee hebben (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
afvallen , afvalle , sterk werkwoord , afvalle - viel aaf - afgevalle , flink tegenvallen; gewicht verliezen; V 'van oewèège afvalle' - in onmacht vallen, flauwvallen; R Et zal oe wèl afvalle daor. - Het zal je daar wel tegenvallen .R Et wèèrke viel wèl aaf .V Hij valt gereegeld van zenèègen(aaf); WBD III.1.1:24 'afvallen' = mager worden; wBD III.1.4:277 'afvallen' = heimwee hebben; Door progressieve assimilatie van stem wordt de v geabsorbeerd .Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) – AFVALLEN, Het fruit is met den wind afgevallen; hij viel van de leer af; lichamelijk vervallen; Hij is de laatste jaren fel afgevallen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal