elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aker

aker , aker , *aker, een yzeren pot, die diepachtig is, wat naauw van boven om in te koken. Ook wordt deze naam aan zeker soort van koperen ketels gegeven, die uit één stuk geslagen zijn.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
aker , aker , wordt hier ook genaamd eene soort van koperen ketel of melk-emmer.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
aker , aker , (mannelijk) , èker , emmertje, keteltje.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
aker , oaker , soort van ketel; een waskoaker is eene gewone koperen ketel, onderscheiden van schuddelketel, doordien de laatste òf vertind is, òf van binnen blank gehouden wordt; een melkoaker is van blik en dient om er melk, enz. in te halen, (Ommelanden) – Op de Veluwe, aker = een koperen ketel, in Noord-Brabant eene soort van koperen melkemmer; Oostfriesch âker = vat van koper, blik of messing, bij Kil. = watervat, bij v. Dale: kleine emmer om water te scheppen of te putten. – Weil.: Om de gelijkheid in uiterlijke gedaante met de vrucht van den eikenboom; draagt een watervat of emmer, om water te putten, ook den naam van: aker = eikel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aker , aakĕr , ketel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
aker , aker , zelfstandig naamwoord de , 1. Eikel (verouderd). 2. Bloesem van de hazelnootboom (verouderd). Zie voor de etymologie → N.E.W. onder aker (2).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aker , aker , zelfstandig naamwoord de , Putemmer(tje). Uit Latijn aquarium. Zegswijze de aker in de bak valle leite, (ongewenst) vader worden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aker , aker , aeker, aoker, aanker , akers , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook aeker (Zuidwest Drenthe, noord), aoker (Noord-Drenthe), aanker (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. aker. De kleine werd gebruikt voor brij, melk, pap etc., maar ook voor pannekoeken, stroop, boter en brood. Bij brood was het een soort trommel met ronde hoeken Een grote aoker wur bruukt om het wasgooud in op te koken of um weckflessen dicht te maoken. Een klein aokerie wur metnummen hen het laand. De inhold was ongeveer veer kan. De middagpot zat er vaok in; van boven en van under was het ding even wied; vaok maokt van stört of blik; an het hengsel kuj het ding vastholden (Eex), Der waren keupern akers, die van binnen vertind waren (Bei), As der een kleine geboren was, gungen de buurvrouwen een akertien beschutenmelk brengen (Ndo), Wij namen eerder een aker met soepenbrij met hen het wark (Zwin) 2. eertijds de kookpot met veevoer die boven het vuur werd gehangen. Deze had drie kleine pootjes (Zuidoost-Drents zandgebied)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aker , aeker , zelfstandig naamwoord , de; aker, nl. bep. emmer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aker , aeker , zelfstandig naamwoord , aekers , aekertie , aker, putemmer aan touw
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aker , aker , 1. (koperen) kookpot die boven het open vuur gehangen werd; 2. klein melkbusje (2 liter).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
aker , aoker , zelfstandig naamwoord , putemmer (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal