elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: akker

akker , akker , "Dit woord is het algemeen voor een stuk zaailand. Wanneer ze klein zijn zegt men akkertje of akkerke. Indien zulk stuk land met eene heg of wal omgev
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
akker , akker , (mannelijk) , akkers , akker.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
akker , akker , gedeelte van een stuk land ter wille van eene goede afwatering door middel van ploegen in smalle strooken verdeeld; die bewerking heet: ’t land in akkers leggen; ook: akkern; akkerland = bouw-, ook: weiland, dat in akkers ligt, ter onderscheiding van gedraineerd, dus: effen land. – Ook: land, dat bij strooken, zoo lang als het stuk en 10 á 12 voet breed, ten dienste van den tuinbouw verhuurd wordt. Ook zulk bouwland heet akkerland, en de uiterste akkers, walakkers, omdat zij de slootwallen grenzen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
akker , akker , ekker , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Een vrij stucke lant genaemt die lange ecker. Hs. T. 242, f° 148 r° (Wormer, a° 1624), prov. archief. Een stuck lants genaemt ’t eckertjen (onder Wormer), Hs. (a° 1642). prov. archief. Gerrit Reyersz. ekker (onder Jisp), de Ekker op Deukelsloot (onder Wormer), Hs. (a° 1769), prov. archief. De goutsbloemsekker, Hs. 18de e.), archief v. Wormer. De halve eckeren, noch d’eckeren half (te O. Zaandam), Polderl. Oostz. I (midden 17de e.). – De vorm ekker is Oud-Fries. Tegenwoordig spreekt men in Friesl. van eker en ikker (HALBERTSMA 890). – Vgl. bijlakker, Boekakker, Breenakker, Broodakker, Delfakker, Hemakker, Heubelen-akker, Hoefakker, Ilpakker, Kesakker, Kijfakker, Klampakker, Kruisakker, Leerenakker, Legerakker, Loetakker, Mierenakker, Moerakker, Mouwenakker, Paalakker, Padakker, Petakker, Rempke-akker, Scharpakker, Schotakker, Slieakker, Smalakker, Stekelakker, Stieropakker, Stolpakker, Twisakker, Veerakker, Velingsakker, Wallingakker, Wijnakker.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
akker , äkker , mannelijk , äkkers , akker
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
akker , akker , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze an ’t end van de akker weze, 1. Bek-af zijn. 2. Afgeleefd zijn. 3. Aan de bevalling toe zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
akker , ékker , bouwland algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
akker , äkkertie , 1. asperientje; 2. kleine akker (ook een veldnaam)
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
akker , akker , de , akkers , 1. stuk bouwland ’n Mooie akker rogge (Zdw), We gaon de akker maor weer op we gaan op het land aan het werk (Smi), Ie mut van aandermans akker ofblieven van andermans spullen (Nije), Hij döt het op zien akkerties (Hav), …op zien dooie akkertien hij doet het op zijn gemak (Mep), Hie is an het eende van de akker hij kan niet verder (Wap), Gods water over Gods akker laoten lopen het op zijn beloop laten (Oos), Gods zegen over Gods akker (Bui), Der of kommen as Gerriet-Jan van ’t akkertien iets op een sneue manier kwijtraken, iets net niet krijgen (Sle), Hij schit dwars aover de akker hij is aan de diarree (Nsch) 2. perceel van een bepaalde grootte, speciaal in veengebieden Een akker is een schepel laand (Pes), ...een kwart bunder (Vmu), Een daimt is vief akkers (Vtm), Twaalf akker is een bunder (Noo), 10 - 12 akker is een bunder (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
akker , akker , ekker , hoog gelegen bouwland, akker.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
akker , akker , akker
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
akker , âkker , âkkertien , akker. ’t Mut toch mâr van de âkkers en de weidn komm; Van dat iene âkkertien daor hef hie wel viefteg mudde eerpels ofehaeld.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
akker , ékker , akker , Diejen ékker lit'ter goed igaol bè, ge kunt zien dég'get dikker gedôn héd. Die akker ligt er goed vlak bij, je kunt zien dat je het vaker gedaan hebt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
akker , akker , zelfstandig naamwoord , de; stuk bouwland of weiland, veelal gedeelte daarvan tussen greppels, zo ook inzake bos
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
akker , èkkerke , akkertje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
akker , èkker , èkkers , akker
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
akker , [aspirientje] , äkkertien , (zelfstandig naamwoord) , aspirientje.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
akker , äkkertien , (zelfstandig naamwoord) , kleine akker. IJ löp op zien dooie äkkertien ‘hij loopt heel langzaam’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
akker , Èkker , Èkker , akker, akkers; zie ook Dèkker
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
akker , ekker , zelfstandig naamwoord , akker, boerenland (Helmond en Peelland; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
Akker , [straatnaam] , Akker , straat in Thorn , Oppen Akker woeane.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
akker , èkker , zelfstandig naamwoord , "akker, bouwland (ook volgens WBD); Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - “Ja, die jongens van Flaneur waren rakkers, maar wat ze zeker nooit aan “hullië pa"" hebben durven vertellen is, dat ze gingen “vuurke stooke"" in den “Ekker aachter moeder van Lierup"" waar de koeien in de „waai"" stonden (nu de Mariastraat) en dat ze dat “vuurke"" stookten met “solfter""... (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904); Cees Robben – ...de geur/ van ekker en bos (19551119); Cees Robben – D’ekkers en de waai (19570119); Cees Robben – de ekkers in de Vloed (19570704); Cees Robben – D’n ekker-gods die leej zô schôôn vol blommen... (19571102); De ròg was nòg nie van den èkker/ of menne vlieger stond al klaor. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vliegertèèd); WBD III.4.4:137 'akker' = veld; Weijnen, Dialectaltlas: met umlaut (kaart 51, blz.92)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal