elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: alevenwel

alevenwel , [echter] , alevel , evel, el , In de beteekenis van evenwel, nochtans en desalniettemin. Wordt alevèl uitgesproken voor evenwel. In de praattaal zegt men veeltijds evel en zelfs nog , hij is el gekomen. Ik moest gaan, maar ik heb el geenen tijd.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
alevenwel , alevel , Evenwel; evel alleen is ook gebruikelijk; vergelijk W. J. van Zeggelen in: ‘Grietjes verzuchting:’ ‘Komt hij voorbij .... en sta ʼk voor ʼt raam, / Dat ligt gebeuren kan – / ʼk Doe dan maar of ik hem niet zie, / Dien Louw den timmerman. / ʼk Beken: het is wel niet beleefd .... / Neen meer: het is zelfs dom; / Maar Louw zegt evel goeijen dag / En .... ziet wel zesmaal om.’ (Keur van scherts en luim, II. 38.)
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
alevenwel , alével , bijwoord , Evenwel, echter (verouderd). De vorm is te herleiden tot al evenwel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
alevenwel , aleevel , tussenwerpsel , toch, nochtans, verdorie Lôôp toch niessôô te zeure, alleevel nog an toe! Loop toch niet zo te zeuren, verdorie nog aan toe! Bel donder allevel, daerom ken ’t eevel nog wel waer zijn Wel donders toch, daarom kan het toch nog wel waar zijn Zie ook eevel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
alevenwel , [hoewel] , alevel , allewel , alhoewel, desalniettegenstaande, desalniettemin.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
alevenwel , alivver , bijwoord , toch al (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal