elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: algedurig

algedurig , algedurîg , wat zich zeer dikwijls herhaalt, eene versterking van voak; hij vragt mie algedurîg hou dat ’t mit mie is; hij het algedurig de koors (of: koorse).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
algedurig , aalgedureg , nu en dan
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
algedurig , allegedurig , algedurig , bijwoord , 1. Aldoor, voortdurend (verouderd). | Hai komt allegedurig te laat. 2. Zo nu en dan, nog al eens (verouderd). | Deer komt allegedurig vreemd volk over de vloer. Vgl. Fries algeduerich.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
algedurig , algedurig , aolgedurig, aalgedurig , Ook aolgedurig (Midden-Drenthe, Veenkoloniën), aalgedurig (Noord-Drenthe) = 1. steeds Algedurig hej hum der staon (Sle) 2. herhaaldelijk Ons kou mus kalven, ik gung aalgedurig even kieken (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
algedurig , algedurig , bijwoord , steeds
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
algedurig , allegeduurrege , bijwoord , aanhoudend (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
algedurig , allegeduureg , bijwoord , "voortdurend, doorlopend, steeds; contaminatie van ‘al’ en ‘gedurig’; komt ook in het Fries voor: ‘algeduerich’; Hij moes allegeduureg drinke; Hij vorderde weinig en zuchtte allegedurig... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun als opvoeder’; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 – 6-4-1940); ""En is et te verwondere, dè ge allegedurig in de kraant leest van ophangen en veur de kop schieten in de stad!?"" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun en de dames’; NTC 20-1-1940); De kapelaons keken allegedurig naor de klok... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938) ; ...allegedurig zaat ie er mee z'n vingers aon te plukken... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); ...en allegedurig dronk ie 'n glas waoter. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); Cees Robben – Hij is allegedurige ziek en blèèft vur elk hondsgezèèk thuis (19870320); A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bijw. gedurig, aanhoudend! Et wa's allegeduurigen te doewn; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ALLE GEDURIGEN - gedurig aan, alle oogenblikken: 't Is alle gedurigen zoo"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal