elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aling

aling , aalling , aling , voor geheel, gansch, ongeschonden, doch schaars voor te zamen. Zie aalling enz. Men hoort het hier dagelijks en is een verouderd woord. Ik las het in , een aallinge gulden, een allinge boom. Als (bijwoord) hoort men dit minder.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
aling , [geheel] , aling , (bijvoeglijk naamwoord) , [weinig gebruikelijk] geheel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
aling , [geheel] , aling , (bijvoeglijk naamwoord) , geheel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
aling , oalênk , oalîng, alîng , zeer nabij; oalênk in: oalênk de leste = de allerlaatste van eene lange rij huizen, boomen, enz. oalênk in de verte = tot zoover het oog reikt; op ’t oalênkste endje = op ’t uiterste eind; oalênk an = drongan = stoef an = zoo dichtbij mogelijk. (In Klein-Garnwerd), bij het volk: de Houk, om dat het in eene bocht van het oorspronkelijke Reitdiep is gelegen, hebben de eigenaars der aanzienlijke boerderij Minghehuizen haar omgedoopt in Altingahuizen, omdat men dit mooier vond!) Geldersch aŏling, Noord-Brabantsch oäling, alling = geheel; Oostfriesch alenk = heel, volkomen; alenk baven, achter, enz.; Oud-Friesch along, alang; Oud-Hoogduitsch alang, along, alonk, Middel-Hoogduitsch alene, alinc; Middel-Nederlandsch alinghe Verdam: alinc, aelinc, aellinc, later ook allinc = geheel, gansch. Oud-Hoogduitsch alanc, Middel-Hoogduitsch alinc, Middel-Nederduitsch alink. Van al met den gewonen a klank, als in aelwezig, enz. en het nog heden bekende aaloud. – Vooral in oude oorkonden is alinc een zeer gewoon woord. (art. alinc); bij Hooft aallijk = geheel. Ommel. Landr. III, 69, Dr. Landr. (1608) III, 15: alinge erfenisse = de geheele erfenis. Kil. ael = uiterste. – oalênk, oalîng, van: al, en: eng, welke uitgang, als: ing, ung, een toestand, een zijn, uitdrukt; dus iets zonder tusschenruimten, een volkomen geheel uitmakende. Zie ten Doornk. art. alenk.
oalîng an; bijwoordelijke uitdrukking voor: dicht bij, dicht aan, in de onmiddellijke nabijheid, elkander bijna rakende. Zie: drong an.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aling , ólling , [Gr.: olos] helemaal.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aling , éngel , heel ’nen éngele weg/mik zie: ólling (Een heel brood), intact, werkend, niet kapot. [Ove]; èngele hele, volle ’nen éngele zak vol Een hele zak vol. [Mill]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aling , aling , gâns.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
aling , aling , bijvoeglijk naamwoord , (wb, veroud.) = geheel De alinge erfenisse
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aling , [heel; helemaal] , aoling , heel, helemaal. Hèdde gij dè aoling alléén gemakt?, heb jij dat helemaal alleen gemaakt?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
aling , ôlleng , gaaf, heel , Nie te gléúve dé die aauw flès nog ôlleng was, tuun ge ze ût d’n hof spaojde. Niet te geloven dat die oude fles nog gaaf was, toen je ze uit de tuin spitte.
Vur dé éndje worst dé gi hét, wul ik gin ôlleng váéreke in bèd. Voor dat stukje worst dat jij hebt, wil ik geen heel varken in bed. Huwelijksaanzoek afgewezen, de voordelen wegen lang niet op tegen de nadelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aling , ôlleng , helemaal , Ze zit vórt ôlleng óp d'r aojge. Ze woont voort helemaal op zichzelf. Ze woont helemaal zelfstandig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aling , ôlling maake , verstellen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aling , ’n ólling wèèk , een hele week
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
aling , [geheel] , òlling , álling , helemaal, geheel , Hèij zât òlling ónder de bulte. Hij zat helemaal onder de bulten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
aling , [in de lengte] , èèling , in de lengte, in tegenstelling tot: dwars
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
aling , [in de lengte] , èling , èlings , in de lengte
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
aling , alleng , elleng, elling, angel, engel, ólling , bijwoord , geheel, heel (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland); elleng; enige, enkele (Eindhoven en Kempenland); elling; heel, geheel (Land van Cuijk); angel; geheel (Helmond en Peelland); engel; heel, geheel (Land van Cuijk); òlling; geheel, heel (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal