elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: altijd

altijd , aît , voor: altijd. Ook wel in Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
altijd , aaltîd , aait , (bijwoord) , steeds.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
altijd , altied , altieden, aid, ait , bij Bolland altītn = altijd, en dikwijls, vooral in ’t Westerkwartier tot aid, ait samengetrokken; da’s altied zoo = dat moet wel waar zijn; ’t ligt altied an mie, zooveel als: het ligt niet aan het voorwerp, enz., maar aan mijn’ smaak, behandeling, enz.; mōst (of: mōzze) altied noa hōm tougoan = gij moet niet verzuimen hem een bezoek te brengen. In zulke uitdrukkingen heeft al den nadruk, en men wil er eigenlijk mee zeggen: ’t is regel en daarom moet het zoo zijn; wijtje wat ’t altied is? = weet gij wat er in den regel de gevolgen van zijn? “O dou ie dat aans altieden van Pruussen?” (In de oorspronkelijke beteekenis van: steeds, ten allen tijde, valt de klemtoon op: tied); altieden vgl. hijltieden.
altied an; zie: jummeran.
altied nijt = niet altijd; da’s altied nijt zegd = dat is geen vaste regel; ’t komt altied nijt oet = ’t past mij (enz.) niet altijd. – Een dergelijke afwijking ten opzichte der woordschikking in de onbepaalde wijs: liggen -, zitten -, loopen -, heuren - (enz.) loaten, voor: laten liggen, zitten, loopen, hooren, enz. Aldus ook: eten -, liggen -, sloapen -, kaiern -, (enz.) goan, voor: gaan eten, liggen, slapen, wandelen, enz., evenals in ’t Hoogduitsch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
altijd , aid , zie altied * (bladz. 496), zoo ook haid voor hailtied of “hijltied en aluk voor aigentliek of ijgentliek.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
altijd , altieden , altijd; gevormd als hijltieden *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
altijd , haid , zie aid .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
altijd , [tenminste] , altijd , voor: ten minste. - Ie zee dattie van deuzen aovet noch komme zou; altijd astie-der tijt veur had.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
altijd  , altied , altijd.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
altijd , aaltied , ait , altijd
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
altijd , aajt , bijwoord , altijd; aajt nin, niet altijd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
altijd , âltied , âltiedig, âlt , altijd Och, zéj is toch âltied(ig) te laot! Och, zij is toch altijd te laat!; âlt altijd Dè hé ’k oe ummes âlt al gezét. Dat heb ik je immers altijd al gezegd. [Oef]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
altijd , ait , altijd
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
altijd , aalt , aalt.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
altijd , aaltitj , immer, altijd.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
altijd , aatè , bijwoord , altijd. Jantje Schijvens kwam aatè te laot òp ’t koor. Zie ook: altèd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
altijd , altèd , altij , bijwoord , altijd, steeds, in ieder geval. “Steeds” wordt in het dialect niet gebruikt. Hij kòmt altèd te laot. (Ook: altij). In combinatie met “niet” betekent het: dat is geen vaste regel. Dè’s altij nie gezeejd. Dat is niet altijd geldig, niet altijd waar. Ook: aatè.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
altijd , aait , altijd.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
altijd , altied , aait , altijd; * ie kiekt mà, dan kö’j altied nog zien wa’j doet: je ziet maar; hi weet zien mond altied wè te vinden: hij eet bijna de hele dag door; aait: *aait wat, nooit niks: je hebt ook altijd wel wat; een zittend gat
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
altijd , altied , aaltied, altiedink, altieding, altieten, altieden, , Ook aaltied (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), altiedink (Zuidoost-Drents zandgebied, bu), altieding (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuid-Drenthe), altieten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), altieden (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), altietig (Zuidoost-Drents zandgebied), aaid (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), aaik (Zuidoost-Drents zandgebied), eid (Eez) = altijd Hij is altied en eeuwig op stap (Wap), Dat is aaid nog niet zegd dat is geen noodzakelijk gevolg (Bei), Meng je der aaid niet maank (Gro), Mangs wal, aaid niet soms wel, niet altijd (Scho), Het binnen aaid dezulfden (Twe), Der komt aaltied wel wat van in ieder geval wel iets (Gie), Het zal aaid wel wat later worden as aans vast wel (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
altijd , alteit , alt , altijd. met de klemtoon op de eerste lettergreep: steeds, maar met de klemtoon op de tweede: minstens, ten minste, althans. ook aoltèd.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
altijd , altied , altijd. Ook: altoos
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
altijd , altied , aajt , altijd. Zeur toch niet altied aover zo’n kleinegheid!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
altijd , aalté , aaltéij , altijd , ‘t Lékt aalté schónder óp ‘n ander, mér ge moet nie zó gaauw sjeloers zén. Het lijkt altijd mooier op een ander maar je moet niet vlug jaloers zijn.
Ge moet aaltéij óp't fist komme want zonder èùw kunne we gin stukskes vurdraoge. Je moet zeker op het feest komen want zonder jou kunnen we geen sketches voordragen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
altijd , altied , aaid, altieten, altieden, aaltieden, aaltied , bijwoord , 1. te allen tijde, voortdurend 2. steeds, bij iedere gelegenheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
altijd , aalt , ààlt , altijd, steeds
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
altijd , eltè , aaltè , altijd
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
altijd , eltè ùit , altijd uit
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
altijd , altied , (bijwoord) , altijd.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
altijd , altij , altijd , da doetie altij = dat doet hij altijd-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
altijd , altij , aai, aalt, aatij, alt , bijwoord , altijd (West-Brabant); aai; altijd (Tilburg en Midden-Brabant); aalt; altijd (Helmond en Peelland; Land van Cuijk); aatij; altijd (Tilburg en Midden-Brabant); alt; altijd (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
altijd , altied , altijd
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
altijd , aaltij , aatij , bijwoord , altijd; tis aaltij wè - Er valt altijd wel iets op te merken; • Want liefde wordt onder innen schoonen boom aatij ’t irste en ’t gemakste verklaord. (Naarus - ca. 1940); Overal wit ze raod op, alles kent ze, en aatij staosse vur oe klaor, al is ’t midden in de naacht… (Naarus - ca. 1940); • Op de irste plots doe'k dè zoo omdè'k nie goed aanders kan, want ik zè zoo lomp as 't aachterste end van 'n vèrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej. (Kubke Kladder – 1929); • Want Jan Viool ha' aaltij lol; en streek mar tierelierelier......; z'n wange stonden peers en bol; van bier en van plezier! (Piet Heerkens – ‘D’n örgel’); • Woone in ´n rijkeshèùs; Is nie aaltij ´n genoege .Munne linksen buurman barbekjoet; de rèchtse is de muur ôn ´t voege. (Piet van Beers – ‘Woone in ´n rijkeshèùs’; 2004); • Ik vond wel aaltij dè de fraters gezelliger waren in lesgeven, dan misters. (Lodewijk van de Bredevoort – 2006); Bij et voetballen zakten die pèèpe van die broek aaltij op oew schoen. (Lodewijk van de Bredevoort – 2006); Ons moeder droeg aaltij un héél lang klééd tot op der voeten, in bed, as nachtjapon. (Lodewijk van de Bredevoort – 2006); ‘Lomperik dè ge zèèt, wè moet de buurt wel nie denken, gij aaltij meej oew gevloek en getier’. (Lodewijk van de Bredevoort – 2006); • Ik hèb toch iets meej Tilbörg; èn dè is gin schaand .Ik kan er zélf soms ok wèl oover maawe .Toch zal ik aaltij van der blèèven haawe .Et is vur mèn: de schonste stad vant laand. (Henriëtte Vunderink; 2007); • Ik hèb wèl es heure zègge; dè van unne koejenbist; de stront tòch wèl 't bist is...; Dès aaltij zôo gewist. (Piet van Beers; ?); • We hèbbe aaltij wè te maawe; mar koome èègeluk niks te kort .Eèn ding moete es goed onthaawe .Dè is: Dè ´t aaltij mèèrege wordt. (Piet van Beers; ?); • Cees Robben – Ik ben naa vèèf en dartig jaor bij de Reiniging en ik heb nog aaltij munne irste bissum... (19720310); Cees Robben – Wilde ’n schutje... [koffiemelk] Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rôôms... (19691017); Cees Robben – Meense dieter ginne eene hebbe.. hebben ’t aaltij over aander meense geld... (19850816); Cees Robben – [Vraag van een vriend aan een zieke] Hoe is ter meej bruur...  Nog aaltij deuzig war.. (19600212); Cees Robben – Ze haauwt aaltij d’ren pôôt stèèf... (19790518); Cees Robben – Den lompsten boer hee aaltij de grôôtste èèrepel... (19811218); Cees Robben – Ik heb aaltij goed gelimmeneerd... (19790202); Cees Robben – De goei gaon aaltij ’t irst... (19720519); Cees Robben – Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wèèrk... (19700329); Cees Robben – Den spulleman zit bij ons nog aaltij op ’t dak.. (19690815) [We zijn al op leeftijd, maar nog seksueel actief]; Cees Robben – Ze zeej aaltij wesse doe.. (19640403); • A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hij is aaltij teegen et regeur; • Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): alt - altijd; aatij; altijd; Dialectenquête 1887 Willems – aatij; Want liefde wordt onder innen schoonen boom aatij ’t irste en ’t gemakste verklaord. - Naarus - ca. 1940; Overal wit ze raod op, alles kent ze, en aatij staosse vur oe klaor, al is ’t midden in de naacht… - Naarus - ca. 1940; Op de irste plots doe'k dè zoo omdè'k nie goed aanders kan, want ik zè zoo lomp as 't aachterste end van 'n vèrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej. - Kubke Kladder – 1929; Piet Heerkens – ‘D’n örgel’ - Want Jan Viool ha' aaltij lol/ en streek mar tierelierelier.../ z'n wange stonden peers en bol/ van bier en van plezier!; Piet van Beers – ‘Woone in ´n rijkeshèùs’ (2004) - Woone in ´n rijkeshèùs/ Is nie aaltij ´n genoege./ Munne linksen buurman barbekjoet,/ de rèchtse is de muur ôn ´t voege .Ik vond wel aaltij dè de fraters gezelliger waren in lesgeven, dan misters. - Lodewijk van de Bredevoort – 2006; Bij et voetballen zakten die pèèpe van die broek aaltij op oew schoen .Lodewijk van de Bredevoort – 2006; Ons moeder droeg aaltij un héél lang klééd tot op der voeten, in bed, as nachtjapon. - Lodewijk van de Bredevoort – 2006; ‘Lomperik dè ge zèèt, wè moet de buurt wel nie denken, gij aaltij meej oew gevloek en getier’. - Lodewijk van de Bredevoort – 2006; Henriëtte Vunderink (2007) - Ik hèb toch iets meej Tilbörg/ èn dè is gin schaand./ Ik kan er zélf soms ok wèl oover maawe./ Toch zal ik aaltij van der blèèven haawe./ Et is vur mèn:/ de schonste stad vant laand .Piet van Beers: Ik hèb wèl es heure zègge / dè van unne koejenbist / de stront tòch wèl 't bist is... / Dès aaltij zôo gewist .Piet van Beers; We hèbbe aaltij wè te maawe / mar koome èègeluk niks te kort. / Eèn ding moete es goed onthaawe. / Dè is: Dè ´t aaltij mèèrege wordt .Henk van Rijen: tis aatij wè - 't is altijd wat; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bijw., 'aattij', altijd; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): Aatè - altijd ook: altèd; Koekoeloeris – Op bladzij 11 daor stao nog ’n schoon leuterlied over Kiske z’nne fietsenbaand, dè heet ie ok aatij zo’n schoon lied gevonden en telken keer asser in den orlog baande geplèkt mosse worre en dè was nogal dikkels dan stond ie dè lied wir te citeren. (in het voorwoord bij 'Brieven van een oud-Tilburger', door Naarus; CuBra)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
altijd , altie~d , altijd
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal