elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ambras

ambras , ambras , ophef , Zód’de nie bedaore, duu nie zó nippeg én môk’ter nie zóó’nen ambras af. Zou je niet kalmeren, doe niet zo kortaf en maak er niet zo’n ophef van.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ambras , ambras , zelfstandig naamwoord , [O, Fra, embarras] drukte Waddun ambras, houwie maor een bietjie kuust Wat een drukte, houd je maar een beetje koest
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ambras , ambras , zelfstandig naamwoord , herrie, ruzie, problemen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ambras , ambras , (mannelijk) , trammelant, misère, zie ook miserie , Maak toch neet zoeaväöl ambras om zoean bietje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ambras , ambras , zelfstandig naamwoord , Frans Verbunt: heibel, problemen; WBD III.3.1:305 'ambras' = bluf; WBD III.1.4:382 'ambras' = drukte; van Fr. 'embarras'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal