elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: angel

angel , angel , zegt men gemeenlijk voor eenen vischhaak.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
angel , angel , (mannelijk) , hengel, stekel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
angel , angel , hengel, vischtuig; angelgar = angelstok = hengelroede, Overijselsch anggarde; angelhoaktje = haakje van den hengel; angelsnour = hengelsnoer. Weil. angel, Kil. anghel, hengel, hanghel = vischhaak, Hoogduitsch angel, Engelsch angle = hengel. Zie ook: ang.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
angel , ang , angel , meervoud angen, en: angels; de haren of stekels eener korenaar; ook Overijselsch, Nedersaksisch; Zweedsch agn. Kil. anghel van de aeren, arista (v. Dale: gerstangel, zonder meer); angen (zelfstandig naamwoord) = haren of haarwortels; “ien diz tied was ’t pien weerd om meerten te vangen omdat angen der nou vast ien zatten.” (Hoogeland)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
angel , angel , Vischhoek. Ook in samenst. b.v. Snôkangel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
angel , angel , (mannelijk) , Vischhoek. Ook in samenst. bv. Snôkangel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
angel , ångel , mannelijk , hengel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
angel , angl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , angls , anglken , 1 angel, 2 vishaak, 3 hengel, 4 schutblad van graankorrel, 5 slechte karaktertrek
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
angel , angel , 1. hengelstok. 2. wrok. 3. karakter
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
angel , angel , zoa scheif wie en angel, hiël scheif.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
angel , angel , hangel , angels , Ook hangel (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = hengel, soms vishaakje Hij zit de huile dag met de angel bie het deip (Erf), Ik gooi de angel oet (Exl), Ie hebt de angel nog an de wieke liggen (Ker), (fig.) Ik mag graog ies een angelie oetgooien om wat gewaor te worden (Vri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
angel , angel , de , angels , 1. steekorgaan As een bije je stek verlös hij zien angel, mar een wapse stek wel vaker (Koe), Een angel van een imme meuje der veurzichtig oetstrieken (Nsch) 2. vervelende klier Wat een angel van een vent (Git), ...een angel van een maai (Hgv), 3. spriet aan de korenaar Garst hef lange angels (And), Bij het garven smieten kreeg hij de haanden vol angels (Dwi), Ik heb een angel in het oog (Exl) 4. haartje of fijn streepje van afwijkende kleur Een mooi jurkien, blauw mit een gries angeltien (Die), Ain zwaart pak mit ain wit angeltje (Vtm), Daor zit een mooi angelie deur (Anl), Det peerd hef een wit angeltien (sa:Rui) 5. glans over huid van dier (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Der ligt een mooie angel op dat pèerd het ziet er goed verzorgd uit (Rod), Hij hef een mooie angel over de hoed (Een) 6. karakter Der zit een kwaoie angel in (Pdh), Der zit een verkeerd angeldie in (Dwi), Hie hef een angeltien van zien moetje (Bui), Hij het er wel een angel van hij heeft iets van die aard (Row), Hij kan dat best edaone hebben, hij hef wel een angeltien van zoks (Bro), Hij hef een hoge angel in de kop verbeeldt zich wat (Bco) 7. in Een angeltien onder het riet er is sprake van achterbaks gedrag (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
angel , angel , angel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
angel , ângel , ângeltien , angel. An de ângel van de bieje zit ’n weerhaoke.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
angel , angel , zelfstandig naamwoord , de; glans op het haar van een dier, vooral van vee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
angel , angel , zelfstandig naamwoord , de 1. hengel, 2. kafnaald of uitstekend puntje anderszins bij planten 3. kern van een ettergezwel 4. steekorgaan van bijen, wespen e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
angel , angel , zelfstandig naamwoord , haal, waaraan de kookketel boven het vuur hangt (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
angel , angel , angels , engelke , angel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal