elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: appelprol

appelprol , appeldeprol , Appelmelk.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
appelprol , appelprol , zelfstandig naamwoord , appelmoes Zie ook prol
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
appelprol , appelentrol , zelfstandig naamwoord , appelmoes (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
appelprol , appelenpròl , zelfstandig naamwoord , stamppot van aardappelen, gestoofde appels of peren, spek; hete bliksem; – het lid 'prol' is een klanknabootsing; Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): appelenprol = heeten bliksem, appelstaamp; WNT PROL (I) - 1) a) znw. vr. (in Z.-Ned. m.). (...) Sterk femin. van denzelfden wortel als prollen; de oudste bet. zal zijn ”week lichaam, weeke massa die (bij het koken) het geluid ”prol” maakt”. Verg. prut, dat in bet. het nauwst verwant is (waarnaast pruttelen, dat verschillende bet. met prollen gemeen heeft), prul, dat in den vorm het meest overeenkomt, en zie verder bij PROLLEN .WBD III,2.3:122 – in Tilburg ook 'appelstamp' maar zeldzaam; 'appelenprol' ook in Veghel en Turnhout.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal