elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: appelsien

appelsien , appelsien , appelsiene , chinaasappel; ook Zuid-Limburg, Zuid-NederlandschZweedsch apelsin, Hoogduitsch Apfelsin. (Weil. appelsina; v. Dale: appelsina = Messinaasappel.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
appelsien  , appelesien , sinaasappel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
appelsien , appelesien , m , appelsientje , sinaasappel(tje).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
appelsien , appelsien , appelsien
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
appelsien , appelesien , zelfstandig naamwoord de , Appelsien, sinaasappel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
appelsien , appelsien , sinaasappel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
appelsien , appelesien , zelfstandig naamwoord , sinaasappel. D’appelesiene waare nèrreges zò zuut as bè Josse. Jos van de Wiel had een groentewinkel aan de Mèrt (thans Vrijthof 4). De leefkring was zo klein, dat men kon volstaan om bepaalde winkeliers alleen maar bij de voornaam te noemen. Bè Tieneskes was bij Tinus Schijvens, maar bè Kiskes was bij Kees Schijvens. Bè Triene was bij Trien van Beurden en bè Gratjes bij Graad van Oirschot die slager en barbier was.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
appelsien , appelsien , sinaasappel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
appelsien , appelsien , appelsiene , appelsien, appelsienen , sinaasappel Vrouger kregen ze allèn met Paosen een appelsien of as der ies ein zeeik was (Nor), Dou mie mor ain appelsiene (Twe) *Geert, Geert Zwienesteert / Lopt met appelsienen / As e ze neit verkopen ken / Gef e ze aan de zwienen spotlied op de naam Geert (Erf), zie ook siniesappel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
appelsien , applesien , sinaasappel , És ge gàère nen applesien héd dan vat'ter mér inne, ze zègge dé't gezónd is. Als je graag 'n sinaasappel hebt dan neem er maar een, ze zeggen dat het gezond is.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
appelsien , appelsientien , zelfstandig naamwoord , et 1. appelsien, sinaasappel 2. glas bep. frisdrank: met sinaasappelsmaak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
appelsien , appelsien , zelfstandig naamwoord , appelsiene , appelsientjie , sinaasappel Goof de Kwaok ventte met appelsiene, vijgedaole en oereloete Govert de Kwaak ventte met sinaasappelen, vijgen en pinda’s
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
appelsien , appelsien , sinaasappel
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
appelsien , appelsien , sinaasappel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
appelsien , appelesien , sinaasappel
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
appelsien , appelsien , appelsiene , sinaasappel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
appelsien , appelsien , aplesien, appelesien , zelfstandig naamwoord , sinaasappel (Eindhoven en Kempenland; West-Brabant); aplesien; sinaasappel (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant); appelesien;sinaasappel (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
appelsien , appelesien , (vrouwelijk) , appelesiene , appelesienke , sinaasappel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
appelsien , appelsien , appelesien , zelfstandig naamwoord , "sinaasappel, appelsien; A.J.A.C. van Delft – appelsien – Daor ware 's aoves [5 december, op de klòttermarkt] de irste applesiene zo zuur as brèm, nog zuurder as setroene. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929); Reflector - Mijne appelesien is grotter dan de jouwe"".  ""Dè zodde willen! De mijne is vèùl grotter dan de jouwe."" (Tilburgsche Courant - 18-03-1926); De Wijs – Sebiet schûifde ûit over diejen applesienenschèl (17-08-1964); Cees Robben – [Bij een marktkraam:] Vleje-week-vrom waren oew pèère buikzuut.. oew appelesiene mörf.. oewe knolraop vôôs... en oew èèrepel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209); Piet van Beers – ‘Griepepidemie’: 'k Haol wè paaraceetamolle/ èn appellesiene op de mèrt. (Spoeje doemmeniemer; 2009); WBD III.2.3:172 'appelsien' = sinaasappel; WNT APPELSINA In de volkstaal niet ongewone bijvorm voor sinaas- of chinaasappel. Bijvorm is ontstaan in navolging v.lat. malum Sinicum .Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) – APPELSIEN - apelsi:n, zelfstandig naamwoord vr .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. appelsien, sinaasappel; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): APPELESIEN - sinaasappel; Str. appelsien (1:77)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
appelsien , appelesie~n , appelesie~ne , appelsienke , sinaasappel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal