elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: avanceren

avanceren , avanseern , werkwoord , voortgang maken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
avanceren , avecere , van het Franse avancer (voorwaarts gaan, opschieten). Een beetje avercere asjeblieft.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
avanceren , avesére , werkwoord , Avanceren, vooruitgaan, opschieten. Zegswijze ’t aveseert as ’n luis op ’n teerde prezénning, het schiet geen bliksem op. Letterlijk als een luis op een geteerd dekzeil.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
avanceren , affeseere , werkwoord , voortmaken, opschieten. Van het Franse avancer. Allè, affeseert ’n bietje! Kom, schiet eens wat op! Ook: spoeit oe.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
avanceren , affesere , werkwoord , opschieten (LPW: Pols) Ook in Gouda (Lafeber) 1967, p. 62). Van Dale (1992, p. 233) heeft avanceren , met als betekenis o.a. ‘vooruitkomen, opschieten’, van het Franse avancer (met dezelfde betekenis) afkomstig.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
avanceren , affezeren , aefezeren, avveseren, avanseren , Ook aefezeren (Zuidwest Drenthe, noord), avveseren (Zuidoost-Drents zandgebied), avanseren (Zuidoost-Drents zandgebied) = opschieten Veraffezeren of affezeren is vortmaoken, opschaiten (Rod), zie ook veraffezeren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
avanceren , avveseren , avvaneeren , opschieten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
avanceren , affeseren , opschieten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
avanceren , affeseern , opschieten.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
avanceren , affesiire , opschieten , És we óp tiid wulle komme moete we affesiire, we zén telaot van hûisaf gereeje. Als we op tijd willen komen moeten we opschieten, we zijn te laat weggereden.
Alleej schiet’tes óp, daolek komme we meej z’n alle nog te laot umdé gi nie affesiirt. Vooruit schiet een beetje op, dadelijk komen we allemaal te laat omdat jij niet opschiet.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
avanceren , aevenseren , aeveseren, aemeseren, awweseren, avveseren, avvers , werkwoord , en var.; opschieten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
avanceren , avveseere , werkwoord , avveseer, avveseerde, geavveseerd , [Fra, avancer] voortmaken, opschieten Deurgaan jonges, een bietjie avveseere Doorgaan jongens, een beetje opschieten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
avanceren , afferensie maake , opschieten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
avanceren , avveseere , opschieten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
avanceren , avecere , opschieten , aveceer d’n bietje = schiet een beetje op- zou d’is nie ’n bietje avecere = zou je niet eens een beetje opschieten- da d’aveceert ok nie = dat schiet ook niet op
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
avanceren , affeseere , apperénsie mâke , opschieten , Affeseert is ’n bietje. Schiet eens een beetje op.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
avanceren , affesére , opschieten. Affesaotie maoke (W)
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
avanceren , affeseren , offeseren, aveceren, avveseren , 1. opschieten, voortmaken; 2. goed met elkaar overweg kunnen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
avanceren , affeseere , avveseere , werkwoord , voortmaken, opschieten (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); avveseere; voortmaken, opschieten (Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
avanceren , avensere , avenseertj, avenseerdje, geavenseerdj , vooruitkomen, opschieten, haasten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
avanceren , avesére , opschieten
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
avanceren , affeseere , zwak werkwoord , affeseere - affeseerde - geaffeseerd , opschieten, voortmaken, zich haasten, avanceren; R As ge affeseert, zèèder nog op tèèd; Cees Robben – “Zeg maokt is mensie,” zee m’n vrouw.../ en affeseert ’n bietje... (19550716); Cees Robben – Ge het nogal geaffeseerd... (19810710); Henk van Rijen: Affeseert en bietje! Ge hèt nògal geaffeseerd; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): agge en bietje affeseert, zèèder op tèèd; Stadsnieuws: Alleej, affeseert es wè - Kom, schiet eens een beetje op (030210); WBD III.1.2:5 'affeceren' = zich haasten, ook 'spoeien', 'opschieten'; WBD III.1.4:347 'avanceren' = opschieten; WBD III.4.4:323 'avanceren' = vorderen; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): affeseere - opschieten (1:30); S.G. blz.236 (not. Witters); Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): van Fr. avancer = opschieten; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): AVANCEREN - (avveseren) onov. ww. - opschieten, avanceren, voortmaken, opschieten .Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) – AVANCEEREN - avansé:re - vooruitkomen, sneller gaan; ook: voorschieten van geld); Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): affeseere - voortmaken, opschieten; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - affeseere, avveseere - voortmaken (nbrab); zie WNT Suppl.I, kol. 2172; voltooid deelwoord, geaffeseerd; zie affeseere; zie geavveseert; voltooid deelwoord, geavveseert van ‘affeseere’, opschieten, haast maken; haast gemaakt; Cees Robben – We hebben mar nie geavveseert, en alles op staoi-aon gedaon... (19660325); zie affeseere
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal