elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bag

bag , bag , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , In verkl. baggetje. Oorringetje. Ook oorbel, vooral de ronde gouden belletjes, die geluid geven of bellen, waarom ze in de Wormer ook schelbaggen worden genoemd. Ze worden thans weinig meer gedragen. || Wat heb-je mooie baggen in je oor. Ik heb gouden baggetjes voor me verjaring ’ekregen. – Evenzo elders in N.-Holl. In W.-Friesl. noemt men ook de bloemen der fuchsia, die veel op oorbellen gelijken, baggen. – De gewone betekenis van bag is edelsteen, of kleinood, waarin zulke stenen voorkomen; later ook gouden sieraad in het algemeen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bag , bagge , zelfstandig naamwoord meervoud , 1. Oorbellen, sieraden, (verouderd), ook bag; vgl. Middelnederlands bagge. Verkleinvorm baggie. 2. De twee uitwassen aan de nek van het Hollandse varken (verouderd). 3. Bloemen van de fuchsia (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bag , bagge , koolrapen, voederbieten , de koei voejerde ze vruger bagge, die meej ’t peejmussien ware gesneeje = vroeger voerde men de koeien voederbieten, die met een bietenmolen gesneden waren
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bag , bagge , zelfstandig naamwoord, meervoud , koolrapen, voederbieten (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal