elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bagatel

bagatel  , baggetel , bagatel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bagatel , bagetellegie , het , bagetellegies , (Zuidwest-Drenthe) = kleinigheid, bagatel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bagatel , baggetél , kleinigheid , Um zóó’n baggetél hoef’de nie zó krikkel te zén, ge zé ôn’t aftaokele. Om zo’n kleinigheid hoef je niet zo kregelig te zijn, je bent aan het aftakelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bagatel , baggetèl , zelfstandig naamwoord , kleinigheid (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bagatel , bakketèl , zelfstandig naamwoord , kleinigheid, onbenulligheid, bagatel; Enen baand plèkke is vur mèn mar en bakketèl .Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): gin bakketel; WBD III.3.1:364 'bagatel' =kwajongensstreek van fr. bagatelle = kleinigheid, beuzeling, wissewasje, vrijage; Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BAGATEL - bagatèl of bagetèl (ook met p) - kleinigheid; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAGATEL zelfst. nw. v., niet o. Zie wdbb .WNT BAGATEL - ontleend aan fr. bagatelle en dit aan it. bagatella
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal