elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ballenfrutter

ballenfrutter , ballefrutter , zelfstandig naamwoord , schimpnaam voor een Goirlenaar (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ballenfrutter , ballefrutter , zelfstandig naamwoord , "bijnaam, scheld- spot- en geuzenaam voor en van een Goirlenaar. Goirle was een van de belangrijkste leveranciers van kaatsballen; ‘frutte’ betekent dan zoveel als ‘in elkaar zetten’, ‘vervaardigen met de hand’; Cees Robben – ’t Zen [de Goirlenaren] nie vur niks al z’n lèève al ballefrutters gewist.. (19761210); • A.J.A.C. van Delft - Als spotnaam der inwoners van Goirle noemt men ""Ballefrutters"", wijl er vroeger een fabriek bestond, waar kaatsballen werden gemaakt, niet van gomelastiek, want die waren toen nog niet bekend, doch gevuld met draden, waarschijnlijk afval van draad der handwevers, welke tot een vasten bal ineengewerkt, ""ineengefrut"" werden. De werklui uit die fabriek noemde men spottend ""Ballefrutters"", welke schimpnaam op de geheele bevolking is overgegaan. ( Nieuwe Tilburgsche Courant - 7 juni 1930; 'Van vroeger dagen 159: Spotrijmen 3); • Anoniem - In de Tilburgsche gemeente-archieven zijn tal van bescheiden te vinden, die spreken van de fabrikage van 'n soort kaatsballen te Goirle in vroeger eeuwen. Die ballen werden niet; vervaardigd van elastiek, want die grondstof kende men vroeger nog niet, maar werden gevuld met afval van de weversdraden. Dat afval nu, werd ""ineengefrut"" tot ballen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - vrijdag 8 december 1933 Folklore 2); • Piet Heerkens - De Goolse Ballenfrutters/ Zijn rooie mannekesputters... (in: 'Brabantse scheldprocessie', uit: Brabant; 1941) [Goirlenaren werden ook bespot - door Tilburgers - wegens de  vermeend overheersende haarkleur aldaar.]; • August Sassen -  'balfrutters'. Verwijst naar de (huis)industrie van het vervaardigen van lederen kaatsballen, gevuld met koehaar of zand. (Geciteerd uit: A. Hallema, 'Scheld- schimp- en spotnamen, voorheen en thans', Naarden, 1946, die zich op zijn beurt baseerde op een handschrift (eind 19de eeuw) van August Sassen in de collectie van het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en wetenschappen in Noord-Brabant.); • Dirk van der Heide - geeft vier varianten op Ballefrutters en ook 'geiten' dat zou slaan op de vrouwen uit Goirle, n.a.v. de uitdrukking 'Er komt nog geen goei geit uit Gôol'. (Groot schimpnamenboek van Nederland', 1998.); • Jozef Cornelissen, 'Nederlandsche Volkshumor op Stad en Dorp, Land en Volk', deel III; De Bikkel, Antwerpen, z.d. [ca. 1930]. Dit is met voorsprong de beste bron over deze materie .• Anoniem - De Brabantse volkshumor is vroeger kwistig geweest met het geven van spot- en bijnamen. De Goirlese ""ballefrutters"" is uit het tegenwoordige spraakgebruik vrijwel reeds verdwenen, maar; de bijnaam onzer stadgenoten [=kruikenzeiker], ontleend aan het textielbedrijf, leeft voort. (Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 2 februari 1957; Typisch Tilburgs en Tilburgse typen 4, Oude zegswijzen en oude verhalen.); • Anoniem - De spotnaam der naburige Goirlenaars is ""ballefrutters"", ook alweer een uitdrukking, die aan het bedrijfsleven ontleend werd. Er is een periode geweest, dat ""Tilborg ende Goerle"" administratief verenigd waren. Vandaar dat men in de Tilburgse archieven bescheiden vindt, die duiden op een vervaardiging van een soort kaatsballen te Goirle in vroeger eeuwen. Die ballen werden niet gemaakt van elastiek, want die grondstof kende men toen nog niet, doch zij werden gevuld met afval van weversdraden. Dat afval nu werd ""ineengefrut"" tot ballen en zo ontstond de scheldnaam.  (Nieuwe Tilburgse Courant - dinsdag 18 oktober 1955; Toen Tilburg nog dorps was: Bekende straattypen uit vervlogen dagen.); • Lechim - Aaventoe zok ècht wille dèk/ enen Ballefrutter waar. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin aaw èèzer); • Lechim -Ze zègge dè ene Gôlse meens/ zen neus zèlf niet kan snutte/ èn dèsse daor den hillen dag/ niks doen as ballefrutte. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gôol is wir veur...); • Pierre van Beek - De bijnaam ""ballenfrutters"" voor inwoners van Goirle is afkomstig van een zeer oude, thans echter verdwenen tak van nijverheid, die meer dan twee eeuwen geleden een tijdperk van bloei beleefde. Het betreft hier de vervaardiging van ballen voor de kaatssport. In de middeleeuwen gold deze als 'n ridderlijk spel, dat zelfs aan het weelderige Bourgondische hof zijn beoefenaars vond. Ook Karel van Gelder was er een liefhebber van. Het betrof 'n; openluchtsport die waarschijnlijk van de  Romeinen afkomstig is. In Nederland vond zij veel ingang vooral in Friesland, waar men 't nog kent. Zij het in een andere dan de oude vorm, wordt de sport ook nog beoefend in Spanje, Frankrijk en België. Karel van Gelder en ook de latere prins Maurits lieten de benodigde ballen vervaardigen in Brabant. We denken daarbij dan speciaal aan Goirle, dat naast Dongen een centrum vormde van de kaatsballenproduktie. Deze typische Goirlese tak van huisnijverheid ging omstreeks 1860 definitief ten gronde bij de opkomst van de gummibal. Ze was voornamelijk gevestigd in de huidige Kerkstraat, die tot minstens in de twintiger jaren nog vaak met de naam ""Ketsheuvel"" wordt aangeduid. (Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 15 februari 1969 - Goirle was vroeger centrum van kaatsballenindustrie.); • Cees Robben -  ""Er was eens––-er was eens een tijd dat die van Goirle hier over de grens hun grens-kapel bouwden...."" dan liet de jeugd Onze Lieve Heer aan het kruis hangen en luisterde naar het begrijpelijke lijdensverhaal van de armzalige ""ballefrutters"" in vroeger eeuwen. (uit: De Sint Janskapel op Nieuwkerk, in: Goirle, 1975); • Jan Hoogendoorn - IN DE LITANIE VAN BRABANTSE spotnamen staan de inwoners van ons goed Goirle bekend als ""ballenfrutters"". In tegenstelling met wat sommigen beweren, dat deze spotnamen zouden voortkomen uit een bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid, meen ik dat onze spotnamen veelal niet meer zijn dan een typerende uiting van een min of meer milde spotlust, die getuigt van de Brabantse menselijkheid en een essentieel onderdeel vormt van de aangeboren zin voor humor. (...)De plaatselijke spotnamen zijn oud. Zij leven nog steeds voort en vele ervan zijn terug te voeren op een geschiedkundig feit, zoals dat met onze spotnaam ""ballenfrutters"" ook het geval is, want eens was „'t ambacht van Caetsballen maken"" een voorname bestaansbron voor Goirle. Die kaatsballen waren nodig voor het kaatsspel, een internationale sport die overal in West-Europa is beoefend en die zich momenteel wat ons land betreft in Friesland heeft gehandhaafd. (...)De kaatsbal werd gemaakt van zes segmenten bazaan of zacht schapenleer die door een pekdraad aaneen gehecht werden. Eèn segment bleef gedeeltelijk open, dat was de zgn. mond waardoor de bal al naar gelang de kwaliteit gevuld moest worden met geloogd koe- of varkenshaar of run, wat gemalen eikeschors is. Dit vullen van de bal door die nauwe opening heette in de volksmond ""frutten"" en dit nu bezorgde de Goirlenaren de spotnaam van ""ballenfrutters"". (...)Maar al kunnen wij dan niet de oorsprong van de ballenfrutterij exact in een jaartal aangeven, we beschikken wel over talrijke feiten, vastgelegd in oude folianten aanwezig in het Archief van Tilburg. Ze geven ons toch wel een aardige kijk op de tijd toen de kaatsballennijverheid naast de landbouw een hoofdmiddel van bestaan vormde in het Goirle van weleer. Het oudst bekende gegeven over een balmaker van Goirle dateert van 28 juni 1552. In een schepengelofte wordt dan genoemd een zekere „Laureys, die balmaecker tot Goerle"" is. In 1560 laat Frans Peterssen een gerechtelijke vervolging instellen tegen Jan Cornelis Geryts Hermanssen. Genoemde Hermanssen is als leerlingbalmaker in de leer geweest bij Peterssen, die hiervoor 2 Rijnsgulden had bedongen. Deze vergeet de leerling te betalen en wordt voor deze nalatigheid op het matje geroepen. Uit de verklaring van de Mr. Balmaker „dat hij hem gewasschen ende gewrongen ende pottage gegeven heeft"" blijkt dat de opleiding intern is geweest. (...)Niets meer herinnert ons aan het feit dat Goirle eens daarvan de bakermat was dan alleen onze bijnaam ""ballenfrutters"", die als spotnaam bedoeld, achteraf bekeken, meer een erenaam is daar hij ons herinnert aan de werklust en ondernemingsgeest van ons voorgeslacht. (uit: ‘De Goirlenaren zijn ballenfrutters’, in: Goirle; 1975); • Pierre van Beek - Het woord ""frutten"" is gewestelijke taal voor het Algemeen Beschaafd Nederlands ""frutselen"". Het betekent: slordig in elkaar prutsen en heeft derhalve een denigrerende betekenis. Uit; hetgeen wij hierboven meedeelden blijkt duidelijk, dat er van ""frutten"" of slordig in elkaar prutsen van ballen geen sprake kon zijn. Hier werd een volwaardig, met zorg gefabriceerd produkt geleverd .In de combinatie van ""frutten"" met Goolse ballen proeft men duidelijk de bedoeling van neerhalen en eventueel kwetsen. Van deze intentie ontdaan blijft er echter van de hele ""ballenfrutter"" niets anders over dan een ""maker van ballen"". En dit was een zeer eerzaam; beroep of bijverdienste. Men zat in ieder geval niet duimen te draaien maar probeerde op een fatsoenlijke manier met werken de kost te verdienen - ook al waren de verdiensten nóg zo schraal... Nu kan men niet eisen, dat iedereen op de hoogte is van de historie van de; Goirlese kaatsballenindustrie. Als dit wel het geval was, zouden we zeggen, dat wie de term ""ballenfrutter"" als scheldnaam hanteert gewoon met zijn eigen domheid te koop loopt. (Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 15 februari 1969 - Goirle was vroeger centrum van kaatsballenindustrie.); zie Voor het complete artikel van Pierre van Beek op CuBra KLIK HIER ; • Wim van Boxtel - Hier wieren wij zelfs ballefrutters,/ al warre we dikkels rare schutters. (in: Zo is ’t gekoome; Brabants Bont Sprokkels 3; 1981); • Willy van Rooy – “Dè kan iedere ballefrutter wel zeggen."" (in : Schoon en lilluk, 1983); • Ed Schilders - Öt Gôol kwaam toen unnen ballefrutter/ Meej de bus nòr ónze stad./ Èn die bespruuide toen dè bumke [namelijk de lindeboom]/ Meej wèttie bij Bet Koole ha gevat. (in: De Ballade van Kees Kruik, 2000); • Jan Naaijkens - Tussen Gôôl en Beek heerste van oudsher enige rivaliteit. De Peejzerikken of Inhangers hadden nogal een hekel aan de Gôlse geijte of Ballefrutters. (De’s Biks; 1992); • A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ballefrutters; • K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - ballefrutter = Goirlenaar (blz.86.); • Buuk - scheldnaam voor de Goirlenaar, samenhangend met het feit dat in Goirle tot in de 19e eeuw nog de vervaardiging van kaatsballen een belangrijke huisnijverheid was."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal