elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: balscheut

balscheut , balskeut , zelfstandig naamwoord , korte afstand (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
balscheut , bòlscheut , zelfstandig naamwoord , bepaalde afstand, nl. zover als men een bal kan schieten; Die woone enen bòlscheut hiervendaon, - Die wonen niet ver van hier. Enen bòlscheut wèèd; Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bolscheut - afstand die men met een bal werpen kan; Cees Robben – ’t Is toch mar unne bolscheut wîjd... (19550716) ; - een redelijk korte afstand; Cees Robben – Van ’t Krèèvent naor ’t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... Mar ’t stikt z’n gat aanders wèèd aachteruit, en ’t lekt wel op ’n Bossche rèès... (19850504) [het viel tegen]; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): balscheut - kleine afstand; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992: 'bolscheut' - vrij korte afstand; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BOLSCHEUT - eene verwijdering zoo verre als men eenen bal of bol kan werpen. Z.a .Verhoeven -  BOLSCHEUT m. kleine afstand, zover men een bal kan gooien, of schieten, 'n'n bolscheut of anderhalf; in WNT ook bolsgooi of bolworp. Z.a .Bernard van Dijk: de etymologie is misschien niet 'zo ver men een bal kan schieten', maar boogschot, dat tot bolschot/scheut verbasterd werd om uitspraakredenen. Dit heb ik ooit gelezen, maar ik kan me niet herinneren waar.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal