elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bam

bam , [grassoort] , bam , zekere grassoort. Zie: meelzaod
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bam , bam , bèmmeke , boterham (kindertaal).
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bam , bam , de , (Kop van Drenthe) = vaart Der bam achter zetten (Pei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bam , bam , de , bammen , (Zuidwest-Drenthe, noord) = verhoogd gedeelte van de koestal vroeger van hout, nu van steen of beton, waarop de koeien met de achterpoten staan
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bam , bam , het, de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = aanduiding voor verschillende grassoorten op nattige plaatsen Bam is een soort bente, een hard soort gras (Emm), ... is een soort wild gras (Nsch), Bente kuj mèeien, bam niet. Met bam kuj ok vlechten (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bam , bam , boterham , És Pietje zi dét'tie nen bam meej sûiker wul, dan wit moeder wél wa’t is. Als Pietje zegt dat hij een boterham met suiker wil, dan weet moeder wel wat dat is.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bam , bam , zelfstandig naamwoord , boterham (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bam , bam , zelfstandig naamwoord , bammeke , boterham(tegenover kinderen gebruikt); WBD III.2.3:206 'bam' , 'bammetje' = kinderwoord voor boterham; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BAM - m. tegenover kinderen gebruikt voor boterham: doe’s mooi bammetjes happen .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bam (kindert.) boterham; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAM zelfst. nw. m. - boterham in de kindertaal; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bam - boterham (kindertaal); bammeke; verkleinwoord van ‘bam’, dat een verbastering is van ‘boterham’ of ‘botram’; kindertaal; boterhammetje; Cees Robben –  ’n bammeke mee ’n harteluk stukske vorse worst... (19840615)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal